Het bericht ‘Agentschap Telecom slaat alarm over hackbare apparaten’ |
|
Arne Weverling (VVD), Martin Wörsdörfer (VVD), Arno Rutte (VVD), Jan Middendorp (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Agentschap Telecom slaat alarm over hackbare apparaten»?1
Ja, dat bericht is bekend.
Kunt u zich vinden in de uitspraak van het Agentschap Telecom (AT) dat er haast gemaakt moet worden met een keurmerk voor veilige apparaten? Zo nee, waarom niet?
Het Agentschap Telecom (AT) houdt in de Staat van de Ether 20172 een pleidooi voor de snelle invoering in Europa van minimumeisen aan met internet verbonden apparatuur (IoT) via een CE-markering (of keurmerk). Ik deel dit pleidooi gezien de enorme groei van (onveilige) IoT-apparatuur. Vandaar dat ik deze oplossingsrichting ook noem in de Roadmap Digitaal Veilige Hard- en Software3. Omdat er niet één maatregel bestaat die de digitale veiligheid van IoT-apparatuur kan realiseren, bevat de roadmap een mix van maatregelen.
Eerder heeft u aangegeven dat u bezig bent met een keurmerk voor veilige apparaten, kunt u aangeven hoe dit proces vordert? Wanneer verwacht u een voorstel te kunnen doen?
Het CE-keurmerk waar het AT op doelt, is gebaseerd op de Radio Equipment Directive (RED). De RED schrijft eisen voor waar (radio)apparatuur aan moet voldoen om het Europese keurmerk CE te mogen dragen. AT is toezichthouder op de RED. De voorschriften gaan tot dusver over zaken als gebruiksveiligheid, het voorkomen van interferentie en storingsgevoeligheid. De RED biedt daarnaast de mogelijkheid om, na activering door de Europese Commissie, minimale eisen te stellen aan de digitale veiligheid van draadloze apparaten. Het kan daarmee dan ook dienen als keurmerk voor veilige «slimme» draadloze apparaten.
Met de Europese Commissie onderzoekt het kabinet hoe invulling te gegeven aan voornoemde mogelijkheid om het huidige CE-keurmerk van de RED uit te breiden met minimale eisen aan de digitale veiligheid van draadloze apparaten. Nederland heeft daartoe onlangs in Europa een voorstel gedaan. De Commissie heeft positief op dit voorstel gereageerd en overweegt om als eerste stap veiligheidseisen voor bepaalde productcategorieën versneld in te voeren. Dit is een belangrijke eerste stap. Daarbij is de Nederlandse inzet dat op de langere termijn alle met internet verbonden apparatuur moet voldoen aan minimale eisen ten aanzien van de digitale veiligheid (security by design).
Deelt u de mening van het AT dat het CE-keurmerk als voorbeeld zou kunnen dienen voor een keurmerk voor veilige «slimme» apparaten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wordt in de ontwikkeling van het keurmerk voor veilige apparaten ook nagedacht over hoe voor consumenten zo zichtbaar en duidelijk mogelijk kan worden gemaakt welke «slimme» apparaten veilig zijn en welke niet, aangezien dit volgens het AT vaak niet zichtbaar is? Zo nee, waarom niet?
Het CE-keurmerk op basis van de RED betekent dat alle apparaten die onder deze richtlijn vallen aan de minimumeisen moeten voldoen. Onveilige apparatuur die niet aan de minimum eisen voldoet, kan door de toezichthouder (het AT) van de markt worden verwijderd. Als de regelgeving van de RED wordt uitgebreid met veiligheidseisen voor digitale veiligheid, is het CE-keurmerk daarvoor ook geldend. De CE markering (in de vorm van een CE-logo) moet op ieder apparaat aangebracht zijn. AT houdt toezicht of dit ook terecht gebeurt.
Ziet u voldoende kansen voor telecommunicatie- en internetproviders om hun netwerk af te speuren naar onveilige apparaten? Zo nee, waarom niet?
Aanbieders van internettoegang kunnen vanuit hun beheerstaak van de internetverbinding een rol spelen bij het terugdringen van digitale kwetsbaarheden. In dialoog met aanbieders van internettoegang wordt bekeken hoe zij, analoog aan de succesvolle aanpak van botnets, een bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van onveilige apparaten.
Vindt u het wenselijk dat bedrijven zelf met een keurmerk zouden komen, zoals het AT suggereert? Zo nee, waarom niet?
Mijn voorkeur gaat uit naar een Europees keurmerk, zoals het eerdergenoemde CE-keurmerk met verplichte minimumeisen. Dit is het meest effectief en draagt bij aan de Digitale Interne Markt (het voorkomt versnippering en verstoring van het level playing field). Totdat zo’n keurmerk er is, kan de overheid geen toezicht houden om zo nodig producten van de markt te weren. De roadmap bevat mede daarom meerdere maatregelen om onveilige producten samen met bedrijven aan te pakken. Zoals standaardisering en certificering. Met de Cybersecurity Act wordt op Europees niveau gewerkt aan een raamwerk voor (vrijwillige) cybersecurity certificatie. Uw Kamer is onlangs, voorafgaand aan de Telecomraad van 8 juni, geïnformeerd over de Cybersecurity Act4. Dat raamwerk biedt bedrijven de mogelijkheid om Europese standaarden en certificaten te (helpen) ontwikkelen voor specifieke producten, processen of diensten. Bedrijven kunnen er vervolgens voor kiezen om hun product, proces of dienst vrijwillig te laten certificeren tegen de bij een certificaat behorende eisen.
Deelt u de mening dat het snel en actief invoeren van een keurmerk voor «slimme» apparaten nodig is om innovaties, ontwikkelingen en ondernemerschap te stimuleren? Zo nee, waarom niet?
Een keurmerk kan het maatschappelijk verantwoord innoveren stimuleren als het zo wordt ingericht dat apparaten digitaal veiliger worden en er ruimte blijft voor innovatie, het meenemen van ontwikkelingen en ondernemerschap.
Het bericht ‘Slechts 3 procent nieuwe auto's elektrisch: de schuld van autodealers?’ |
|
Matthijs Sienot (D66) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Slechts 3 procent nieuwe auto's elektrisch: de schuld van autodealers?»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat in Nederland slechts drie tot vier procent van de nieuwe autokopers een elektrische auto aanschaft, terwijl de interesse tien keer zo groot is2 en het al voor 20% van de potentiële kopers goedkoper is?3 Zo ja, welke oorzaken liggen hier volgens u aan ten grondslag?
Dat in 2017 circa 3% van alle nieuwe registraties uit Elektrische voertuigen (dat wil zeggen volledig elektrisch, plug-in hybride of elektrisch met range extender) bestond kan ik bevestigen. Ik wil wel toevoegen dat het totale aantal volledig elektrische voertuigen in 2017 is toegenomen met 61% ten opzichte van 2016 en dat in de eerste helft van 2018 al meer nieuwe volledig elektrische auto’s verkocht werden dan in geheel 2017.4 Uit de modelberekeningen van het rapport wordt vooral duidelijk dat voertuigen uit het topsegment sneller gunstiger worden. Voor het achterblijven van de adoptie van elektrische voertuigen worden in het rapport al mogelijke oorzaken aangereikt, zoals de onbekendheid met elektrisch rijden, de vermeende beperkte actieradius, bekendheid met de laadinfrastructuur en het aantal beschikbare modellen. In de «ANWB Elektrisch Rijden Monitor 2017» worden ook nog de (hoge) aanschafprijs van elektrische auto’s als ook het (onzeker) gebruik van de auto op vakantie aangevoerd. Ik herken deze punten.
Hebt u kennisgenomen van het onderzoek in Nature Energy4 waaruit blijkt dat Scandinavische autoverkopers mogelijke kopers verkeerd informeren over specificaties van elektrische auto’s en zelfs sterk sturen naar de koop van benzine- of dieselvoertuigen? Kunt u bevestigen of deze situatie ook voor Nederland geldt?
Ja daar heb ik kennis van genomen. In hoeverre deze situatie zich ook in Nederland voordoet is mij niet bekend.
Bent u bereid de uitkomsten van het onderzoek in Nature Energy en het trainen van personeel voor de verkoop van elektrische auto’s te bespreken met de relevante organisaties, zoals de Rijwiel- en Automobielindustrie (RAI) Vereniging en de Bond van Autohandelaren en Garagehouders (BOVAG)? Is dit onderwerp aan de orde gekomen aan de mobiliteitstafel?
Ja, daar ben ik toe bereid. Ik bespreek het onderwerp met de sector (Formule E-Team) en aan de mobiliteitstafel.
Deelt u de mening van de Algemene Nederlandse Wielrijdersbond (ANWB) en Natuur en Milieu dat het aannemelijk is dat Nederlandse autodealers, net als de Scandinavische, ook weinig elektrische auto’s verkopen doordat de verdiensten van bijvoorbeeld «after sales» lager zijn, aangezien elektrische auto’s veel minder onderhoud vergen?5
Ik deel de conclusie van het BOVAG-rapport dat de komst van de elektrische auto onomkeerbaar is en op stoom begint te komen in Nederland en dat de sector wordt opgeroepen hiermee rekening te houden en vooruit te kijken op de consequenties daarvan voor hun verdienmodel. Ik vind het een gemis dat het rapport alleen kijkt naar de betekenis van de komst van de elektrische auto voor de aftersale markt en niet op andere producten van de branche (zoals occasions, (private) lease en deelauto). Dat er in theorie prikkels kunnen zijn om minder elektrische auto’s te verkopen is mogelijk. Ik heb daar in de praktijk nu geen aanwijzingen voor.
Welke rol kan de overheid volgens u spelen in het faciliteren van autodealers naar een succesvolle transitie in een snel veranderende auto-industrie door de komst van nieuwe technologieën, zoals elektrisch rijden en het streven van het kabinet naar de verkoop van 100% emissievrije auto’s in 2030?
Ja, aan de mobiliteitstafel bespreek ik met de brancheorganisaties en het Formule E-team de transitie naar elektrisch rijden. Eind dit jaar wil ik met hen een gezamenlijk maatregelenpakket vastleggen in het klimaatakkoord.
Belangrijke bespreekpunten zijn mogelijke stimuleringsmaatregelen, laadinfrastructuur (bijvoorbeeld maatregelen voor het versnellen van het aanvraag en realisatieproces van laadinfrastructuur, ontwikkeling van open standaarden en protocollen in Europa, stimulering van de uitrol van smart charging) en flankerende maatregelen (zoals parkeerdifferentiatie en afspraken met werkgevers over de inzet van elektrische auto’s).
Duidelijk is dat de transitie naar elektrisch rijden voor alle betrokken partijen uitdagingen met zich meebrengt. Daarom bespreek ik ook hoe de kosten over de totale levensduur van het voertuig zichtbaar kunnen worden gemaakt voor de consument en hoe de kennis over elektrische voertuigen bij dealers vergroot kan worden door middel van cursussen. Daarnaast bezien wij de mogelijkheden van een brede communicatiecampagne om de voordelen van elektrisch rijden onder de aandacht te brengen.
Tot slot wil ik benadrukken dat voor het behalen van de doelstelling uit het Regeerakkoord ook externe factoren zoals Europees beleid en met de name de marktontwikkeling van elektrisch vervoer cruciaal zijn. Naast het bovengenoemde nationale beleid zal dit ervoor moeten zorgen dat elektrisch rijden uiteindelijk voor iedereen betaalbaar, aantrekkelijk en vertrouwd wordt. Elektrisch vervoer levert dan een cruciale bijdrage aan de CO2-reductie maar ook aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en aan de energietransitie (via smart charging).
Bent u bereid samen met alle betrokken partijen de kennis bij autodealers en publiek over elektrisch rijden te vergroten? Kunt u een overzicht geven van uw voorgenomen acties om verkoop van elektrische voertuigen te stimuleren?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘#MeToo: artsen gaan niet vrijuit’ |
|
Corinne Ellemeet (GL) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «#MeToo: artsen gaan niet vrijuit»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het uiterst onwenselijk is dat een derde van de artsen of artsen in opleiding te maken heeft gehad met seksueel grensoverschrijdend gedrag?
Ja.
Wat vindt u van de volgende uitspraak van één van de respondenten: «[j]e kunt – ook voor jezelf – veel kapotmaken door het wél aan de grote klok te hangen.» Deelt u de mening dat door een dergelijke zwijgcultuur seksueel grensoverschrijdend gedrag onopgemerkt en ongestraft blijft? Zo ja, hoe denkt u dat deze zwijgcultuur kan worden doorbroken?
Een dergelijke uitspraak geeft aan dat werknemers zich onvoldoende veilig voelen om ongewenst gedrag aan te kaarten. Dat vind ik kwalijk. Het voorkómen en effectief aanpakken van ongewenst gedrag staat en valt immers bij het aangeven van, en in gesprek gaan over, grenzen in de omgang. Het doorbreken van een dergelijke cultuur is echter niet eenvoudig. Dit vergt voortdurende inspanningen van werkgevers, terwijl ook werknemers en andere partijen hier een bijdrage aan kunnen leveren. Dit doen ziekenhuizen onder andere met vertrouwenspersonen, medezeggenschap, klachtenregelingen en klachtencommissies. Het onderzoek van Medisch Contact laat zien dat organisaties nog meer moeten investeren in een veilige werkcultuur, waarin ongewenst gedrag bespreekbaar is en gemeld kan worden. Dit gaat verder dan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit gaat ook over hoe om te gaan met werkdruk of agressie van patiënten. Goed werkgeverschap is cruciaal.
Vanuit het Rijk ondersteunen we dit. Het Ministerie van SZW heeft de afgelopen jaren verschillende instrumenten ontwikkeld om organisaties te helpen hierover het gesprek te voeren, zoals een koerskaart rondom ongewenst gedrag en de wegwijzer «Voorkomen en aanpakken seksuele intimidatie op het werk»2. Daarnaast begeleidt een actieteam 20 organisaties die aan de slag willen met ongewenst gedrag met maatregelen die tot merkbaar resultaat op het werk leiden. De ervaring en kennis die met deze interventies wordt opgedaan, zal breed worden gedeeld.
Met het actieprogramma Werken in de zorg hebben werkgevers, onderwijs, zorginkopers en anderen afspraken gemaakt in regionale actieplannen. Deze afspraken gaan deels over de vraag hoe de zorg gekwalificeerd personeel kan aantrekken, maar ook over hoe goede werknemers te behouden. Een gezonde werkcultuur en een veilige werkomgeving zijn hiervoor belangrijke randvoorwaarden.
Deelt u de mening dat het percentage slachtoffers dat zich meldt bij een leidinggevende (10%), zich meldt bij de vertrouwenspersoon (3%) of aangifte doet bij de politie (slechts twee respondenten) zeer laag is? Zo ja, hoe kan dat? Zo nee, waarom niet?
Bij seksuele intimidatie en andere vormen van ongewenst gedrag gaat het om een breed scala aan gedragingen, die niet allemaal even ernstig zijn. Een seksueel getinte opmerking – hoe onwenselijk ook – hoeft niet tot een melding bij de leidinggevende of de vertrouwenspersoon te leiden. Sterker nog, in veel gevallen zal het effectiever zijn het ongewenste gedrag direct te benoemen. Het aangeven van grenzen kan immers helpen om verdergaand grensoverschrijdend gedrag te voorkómen.
Als overheid zorgen we voor de juiste randvoorwaarden. Op grond van de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht om een beleid te voeren dat erop gericht is om psychosociale arbeidsbelasting van de werknemer te voorkomen of te beperken. Factoren die tot psychosociale arbeidsbelasting kunnen leiden, zijn ongewenste omgangsvormen (discriminatie, seksuele intimidatie, agressie en geweld, en pesten) en werkdruk. De werkgever moet een risico-inventarisatie en -evaluatie maken en maatregelen treffen om de werknemers te beschermen. Maatregelen die een werkgever kan treffen zijn bijvoorbeeld het aanstellen van een vertrouwenspersoon en het vaststellen van een klachtenprocedure, maar ook op informele wijze kan de werkgever steeds benadrukken te hechten aan een veilige werkomgeving. De Inspectie SZW handhaaft op de verplichtingen van de arbeidsomstandighedenwet en draagt ook bij aan de bewustwording van werkgevers, onder meer via de zelfinspectietool «werkdruk en ongewenst gedrag»3. Wanneer er sprake is van strafbare feiten, kan een slachtoffer hiervan altijd melding doen. Slachtoffers kunnen daarvoor terecht bij de politie of één van de zestien gespecialiseerde Centra Seksueel Geweld (CSG’s). De CSG’s bieden multidisciplinaire hulpverlening (forensisch-medische en psychosociale) aan slachtoffers en verlagen de drempel om seksueel geweld bij de politie te melden.
Ziekenhuizen hebben in de regel vertrouwenspersonen, klachtenregelingen en klachtencommissies. Dat artsen seksueel grensoverschrijdend gedrag zo weinig aankaarten, laat zien dat organisaties nog meer moeten investeren in een veilige werkcultuur, waarin ongewenst gedrag bespreekbaar is en gemeld kan worden. Goed werkgeverschap is daarom ook integraal onderdeel van het actieprogramma Werken in de zorg. In dit kader hebben werkgevers, onderwijs, zorginkopers en anderen afspraken gemaakt in regionale actieplannen. Deze gaan voor een deel over de vraag hoe we zoveel mogelijk mensen kunnen aantrekken voor de zorg. Maar minstens zo belangrijk is de vraag hoe je mensen kunt behouden in de zorg. Werkcultuur is hiervan een belangrijk onderdeel.
De Staatssecretaris van SZW heeft in haar brief van 14 juni 2018 aangegeven de rol en positie van de vertrouwenspersonen te willen versterken4. Onderdeel daarvan zal ook zijn om het bestaan van de vertrouwenspersoon binnen organisaties voor het voetlicht te brengen. Dat is een taak voor organisaties zelf, maar de overheid wil hier met een inzet op voorlichting wel een impuls aan geven. De inzet op de versterking van de rol van vertrouwenspersonen richt zich ook op de randvoorwaarden die nodig zijn om het voor werknemers mogelijk en wenselijk te maken om in vertrouwen melding te doen van ongewenst gedrag.
Welke stappen zouden moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat slachtoffers zich kunnen en zullen melden op een veilige manier? Ziet u hier een rol voor uzelf? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat er een hiërarchische en dus ongelijke, relatie bestaat tussen artsen en coassistenten? Zo nee, waarom niet?
Er bestaat per definitie een hiërarchische relatie tussen artsen en coassistenten. Artsen dragen volgens de Wet BIG de verantwoordelijkheid voor een behandeling, terwijl coassistenten het vak nog moeten leren. Zeker in een dergelijke relatie is een veilige leeromgeving op de werkvloer van groot belang. Daar waar dit niet het geval is, moet de coassistent dit ook kunnen aankaarten. Voor de rol van de overheid verwijs ik naar de beantwoording op de vragen 4 en 5.
Bent u tevens van mening dat in de geneeskundeopleiding een onveilige leeromgeving is ontstaan? Zo ja, ziet u hier een rol voor u weggelegd? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het onbegrijpelijk is dat er sinds 2006, toen zelfde gegevens naar buiten kwamen, er nauwelijks iets is veranderd? Hoe kan ervoor worden gezorgd dat er nu wel effectieve maatregelen worden genomen?
Ik deel de zorgen van uw Kamer over het schijnbare gebrek aan verbeteringen op dit vlak.
Het aanpakken van ongewenst gedrag en het realiseren en behouden van een veilige werkcultuur binnen organisaties vergt continue inspanning van werkgevers en werknemers. Dit met behulp van onder andere vertrouwenspersonen, ondernemingsraden en arboprofessionals. Ik draag er, net als de Staatssecretaris van SZW, zoals toegelicht in het antwoord op vragen 4 en 5, aan bij dat werkgevers in de zorg hier oog voor hebben en werk van maken.
Om te bevorderen dat binnen de sector gewerkt blijft worden aan een veilige werkomgeving, ga ik met de sector in gesprek over aanvullende om ongewenst gedrag tegen te gaan en te voorkomen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht »VN: Amerika overtreedt mensenrechten met scheiden migrantengezinnen»?1
Ja.
Is het staand beleid dat ook bondgenoten aangesproken zouden moeten worden op het schenden van mensenrechten? Zo ja, op welke wijze geeft u hier uitvoering aan? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse inzet maakt geen onderscheid tussen landen; zoals de mensenrechten universeel zijn, is de Nederlandse inzet op dit terrein dat ook. Het belang van de bescherming van mensenrechten is onderdeel van de dialoog met alle landen.
Heeft u contact opgenomen met uw Amerikaanse ambtsgenoot om deze schending onder de aandacht te brengen en uw zorgen uit te spreken?
De zorgen die in de Nederlandse samenleving bestaan zijn via diplomatieke weg aan de VS overgebracht.
In de VS heeft op dit moment een serieus politiek en maatschappelijk debat rond de kwestie plaats. Zo hoort dat in een democratische rechtsstaat. De uitkomst van de discussie wachten we af. Daarnaast hebben er verschillende juridische procedures plaats. Zo heeft de federale rechtbank in Californië bijvoorbeeld op 7 juni aangegeven dat een aanklacht van de American Civil Liberties Union op basis van een mogelijke schending van het constitutioneel- en familierecht, doorgang kan vinden. Ook uitspraken van rechters zullen van belang zijn voor de uitkomst van het debat.
Heeft u contact opgenomen met uw Europese collega’s om gezamenlijk deze schending bij de Amerikaanse regering onder de aandacht te brengen en de zorgen over te brengen?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u de Minister-President vragen bij zijn aanstaande bezoek aan de Amerikaanse president het schenden van mensenrechten, waaronder het vastzetten van kinderen, het scheiden van families en de doodstraf te bespreken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het terugsturen van vrouwen en kinderen naar IS-gebied |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Koerden sturen gevangen jihadbruiden terug naar IS»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de informatie van de Belgische veiligheidsdiensten die nu via de media naar buiten is gekomen?
De signalen over uitruil / terugsturen van vrouwen en kinderen naar IS gebied door de Syrische Koerden zijn via verschillende kanalen tot mij gekomen. Vooralsnog kunnen deze berichten niet bevestigd worden.
Is Nederland door de Belgische inlichtingendiensten op de hoogte gesteld van de bij hen bekende informatie? Zo ja, welke informatie is door hen verstrekt? Zo nee, bent u bereid contact op te nemen met uw Belgische collega?
Er is een hechte samenwerking tussen Europese inlichtingendiensten, waaronder de Belgische inlichtingendienst. Waar nodig wordt informatie over uitreizigers gedeeld. Ik kan niet ingaan op specifieke gevallen.
Is bij u bekend of ook Nederlandse vrouwen en kinderen zijn teruggestuurd naar IS-gebied? Zo ja, welke informatie heeft u daarover?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u deze Kamervragen in samenhang beantwoorden met eerder gestelde Kamervragen over het lot van de Nederlandse IS-kinderen?2
Op uw verzoek zijn deze Kamervragen gelijktijdig beantwoord.
Het bericht ‘Beroerde arbeidsomstandigheden in kraamzorg’ |
|
Gijs van Dijk (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Beroerde arbeidsomstandigheden in kraamzorg»?1
Ja.
Wat vindt u van de conclusies zoals beschreven in de Monitor werkdruk in de kraamzorg 2018?
Op basis van het gepresenteerde onderzoek kan ik moeilijk beoordelen of de resultaten representatief zijn voor de gehele sector kraamzorg. Als dat zo is, dan zijn het in ieder geval belangrijke signalen waar de sector mee aan de slag moet.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is als kraamverzorgenden structureel overwerken, geen vakantiedagen kunnen opnemen en zich niet ziek mogen melden? Zo nee, waarom niet?
De geldende wet- en regelgeving omtrent arbeidsomstandigheden biedt werkgevers een helder kader waarbinnen zij moeten zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. Ik verwacht van werkgevers dat zij zich in ieder geval aan de geldende wet- en regelgeving houden. Daar waar dat niet het geval is, is dat wat mij betreft onacceptabel.
Daarnaast ben ik van mening dat nu zeker het moment is voor goed werkgeverschap waar dit nog niet het geval is. Je moet als sector aantrekkelijk zijn voor (potentiële en huidige) medewerkers. Dat vraagt van sociale partners en de beroepsvereniging dat zij hun beste beentje voor zetten en ervoor zorgen dat huidige medewerkers graag in de sector blijven werken en de sector aantrekkelijk is en blijft voor potentiële nieuwe medewerkers.
Welke mogelijkheden ziet u om de werkdruk voor kraamverzorgenden terug te dringen?
De sector is hard bezig met het terugdringen van de werkdruk. Zo werkt de sector onder andere aan een monitor om een precies beeld te krijgen van de omvang van het probleem en de regionale spreiding, werkt de sector aan een betere strategische personeelsplanning en aan een Geboortezorg Academie. Acties die goed passen bij de ingezette actielijnen uit het Actieprogramma Werken in de Zorg. Ik heb de kraamzorg uitgenodigd om mee te denken en (vooral) mee te doen bij het actieprogramma Werken in de Zorg. Langs de actielijnen meer kiezen voor de zorg, beter opleiden voor de zorg en anders werken in de zorg werk ik daarin samen met partijen aan het terugdringen van het tekort naar nul of daar dichtbij.
Welke gegevens zijn bij u bekend over (te verwachte) tekorten aan kraamverzorgenden?
Er zijn geen gedetailleerde ramingen bekend over de (te verwachten) tekorten aan kraamverzorgenden. Ik ondersteun de brancheorganisatie Geboortezorg daarom bij het ontwikkelen van een instrument voor strategische personeelsplanning. Daarmee ontstaat zicht op de ontwikkelingen in de vraag naar personeel in de kraamzorg voor de komende vijf jaar, op basis van een aantal scenario’s.
Bent u bereid in contact te treden met werkgevers en werknemers over hoe urgente knelpunten kunnen worden opgelost en arbeidsomstandigheden verbeterd? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met de partijen in de kraamzorg afgesproken dat zij thema’s en knelpunten op het gebied van arbeidsmarkt en opleiden gezamenlijk oppakken in het sectoroverleg. Ik ondersteun de sector daarbij financieel met een subsidie aan de brancheorganisatie Geboortezorg voor onder andere het ontwikkelen van een instrument voor strategische personeelsplanning.
Onveilige telefoons van Samsung |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat Samsung geen beveiligingsupdates hoeft te leveren voor telefoons ouder dan twee jaar?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja. Ik ga hier nader op in bij de beantwoording van de overige vragen.
Bij welke producenten is dit probleem ook aanwezig en hoeveel burgers hebben in Nederland een toestel dat de noodzakelijke beveiligingsupdates mist of kan missen als gevolg van het willekeurige updatebeleid van Samsung of andere producenten?
Ik heb geen cijfers over bij welke telefoons dit een probleem zou zijn en hoeveel Nederlanders een dergelijke telefoon gebruiken. De Consumentenbond heeft onderzoek gedaan naar het verstrekken van updates door fabrikanten die gebruik maken van het Android besturingssysteem. Voor de resultaten verwijs ik naar de website van de Consumentenbond.2 Wel moet ik daarbij opmerken dat de Consumentenbond van een beperkt aantal modellen heeft bijgehouden of er updates worden verstrekt, daardoor is er geen volledig beeld. Het onderzoek schetst een goed beeld maar is helaas niet geschikt om algemene uitspraken te doen over hoeveel burgers worden geraakt door «willekeurig updatebeleid».
Deelt u de mening dat digitale veiligheid van een product een essentieel onderdeel is van de deugdelijkheid van elektronische producten als telefoons? Zo nee, waarom niet?
Eén van de belangrijkste onderdelen van het Nederlandse consumentenrecht is dat de consument het recht heeft op een deugdelijk product. Of een product deugdelijk is, hangt samen met wat de consument redelijkerwijs van het product mag verwachten en wordt mede bepaald aan de hand van de afspraken die de verkoper en consument hebben gemaakt. Per geval moet worden beoordeeld of een product deugdelijk is. Relevant zijn bijvoorbeeld welke reclame-uitingen de verkoper heeft gedaan en welke prijs voor het product is betaald. Bij de beantwoording van de vraag of een product deugdelijk is, kunnen alle omstandigheden worden meegenomen, ook de digitale veiligheid van een product.
Digitale veiligheid is echter geen zwart-wit situatie. Of er in een concreet geval sprake is van een ondeugdelijk product door gebrekkige digitale veiligheid, is afhankelijk van de concrete omstandigheden, zoals het soort product en het risico dat het gebrek met zich brengt. Ik kan daarom geen algemene uitspraken doen over wanneer een product ondeugdelijk is vanwege (gebrekkige) digitale veiligheid.
Deelt u de mening dat digitale veiligheid onder het conformiteitsbeginsel dient te vallen en daarmee onderdeel wordt van de garantie op een product?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat telefoons voor de levensduur van het toestel via updates moeten worden beveiligd door de producent van het toestel? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk om de digitale veiligheid van producten zoals telefoons te bevorderen. De ministeries van Economische Zaken en Klimaat en Justitie en Veiligheid hebben daarom, mede op basis van inbreng van publieke en private partijen, de Roadmap Digitaal Veilige Hard- en Software opgesteld. Deze Roadmap bevat een samenhangende set van maatregelen om onveiligheden in hard- en software te voorkomen, kwetsbaarheden te detecteren, en om de gevolgen daarvan te beperken. Wetgeving maakt hier ook onderdeel van uit. Zo onderzoekt het kabinet welke minimale veiligheidseisen gesteld kunnen worden aan apparaten via de Europese Radio Equipment Directive. Daarnaast wordt met de Cybersecurity Act op Europees niveau gewerkt aan een raamwerk voor (vrijwillige) cybersecurity-certificatie. Omdat digitale veiligheid bij uitstek een grensoverschrijdend onderwerp is, vind ik het van belang om hierover op EU-niveau afspraken te maken.
In EU-verband wordt op dit moment ook onderhandeld over een richtlijnvoorstel «betreffende bepaalde aspecten met betrekking tot de contracten voor de levering van digitale inhoud» (films, muziek, software etc.). Het voorstel regelt de rechten voor de consument en de verkoper, zoals contractuele eisen aan de te leveren digitale inhoud en rechtsmiddelen voor de consument als de verkoper de overeenkomst niet nakomt. Het voorstel waar de lidstaten onderling overeenstemming over hebben bereikt, verplicht de verkoper – kort gezegd – om beveiligingsupdates te verstrekken. Deze verplichting geldt niet als de consument er uitdrukkelijk op is gewezen dat deze updates niet worden verstrekt en hij hiermee uitdrukkelijk heeft ingestemd. Een vermelding in de algemene voorwaarden, bijvoorbeeld, volstaat dus niet. De onderhandelingen tussen de Raad en het Europees parlement lopen nog.
Bent u bereid met wetgeving te komen die de eisen aan de digitale veiligheid van telefoons aanscherpt, zodat kopers van Samsungproducten verzekerd kunnen zijn van een deugdelijk product?
Zie antwoord vraag 5.
Het terugdringen van de klimaatimpact van de financiële sector |
|
Carla Dik-Faber (CU), Rob Jetten (D66) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ambitie van de Volksbank om, voor wat betreft de volledige balans van de bank, klimaatneutraal te zijn in 2030?1
Ja.
Zijn er andere banken die eveneens concrete ambities hebben gepubliceerd om de door hen gefinancierde klimaatimpact voor de hele balans terug te dringen binnen een bepaald tijdsbestek?
Op 26 juni jl. hebben een groot aantal financiële partijen aangekondigd dat zij voor 2020 actief de klimaatimpact van alle meetbare financieringen en beleggingen gaan meten en hierover rapporteren via de PCAF-methodiek of alternatieve benaderingen. Met deze ambitie willen zij een bijdrage leveren aan de Nederlandse klimaatdoelstellingen. De deelnemende partijen zijn: ABN AMRO, ACTIAM, Aegon Nederland, ASN Bank, ASR, AXA IM Nederland, BNG Bank, DoubleDividend, FMO, ING, NNEK Vermogensopbouw, Rabobank, SET Ventures, Triodos Bank, de Volksbank.
Zijn er (naast de Volksbank) al andere banken, verzekeraars of pensioenfondsen in Nederland die zich publiekelijk hebben gecommitteerd om de in 2017 ontwikkelde meetmethode van het Platform for Carbon Accounting Financials (PCAF) te benutten om hun totale gefinancierde klimaatimpact te meten en te publiceren?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om, mede in het kader van de nog niet uitgevoerde motie-Dik-Faber/Van Veldhoven (Kamerstuk 31 793, nr. 143), in het Klimaatberaad afspraken te maken met banken, verzekeraars en pensioenfondsen over hoe zij concreet bij gaan dragen aan de doelstelling van 1,5° Celcius zoals afgesproken in Parijs en op welke wijze Nederlandse financiële instellingen transparanter worden over de klimaatintensiteit van al hun leningen en investeringen? Zo nee, bent u in dat geval bereid om anderszins uitvoering te geven aan de genoemde motie door in 2018 concrete afspraken te maken met banken, verzekeraars en pensioenfondsen die inhouden dat zij transparanter worden over hun totale gefinancierde klimaatimpact en hoe zij deze klimaatimpact concreet verminderen in lijn met het Parijsakkoord? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van de betrokkenheid bij en aansluiting van de financiële sector op de doelstellingen van het akkoord van Parijs. Daarom heb ik de sector uitgenodigd om actief deel te nemen aan de gesprekken over het Klimaatakkoord en is er een taakgroep Financiering. Deze taakgroep bestaat uit vertegenwoordigers van banken, verzekeraars, pensioenfondsen, investeerders en andere belanghebbenden uit de financiële sector. De opdracht van de taakgroep is om in samenwerking met de sectortafels concrete plannen te ontwikkelen om de energietransitie te faciliteren. Binnenkort informeer ik uw Kamer over de voortgang om te komen tot een Klimaatakkoord.
Minder snelle stijging van de AOW-leeftijd |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Actuarissen: AOW-leeftijd kan vijf jaar later stijgen naar 67»1 en het artikel «AOW-leeftijd gaat te hard om te hoog»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van de actuarissen, het Centraal Planbureau (CPB) en uw coalitiegenoot, het CDA, dat de stijging van de AOW-leeftijd momenteel te snel gaat?
Voor een reactie op de uitspraken van de actuarissen verwijs ik u naar bijgaande brief. De pensioendeskundige van het CPB merkt in het Telegraafartikel op dat de verhoging naar 67 jaar en 3 maanden in 2022 eigenlijk iets te vroeg valt. In bijgaande brief ben ik daar uitvoerig op ingegaan. De woordvoerder van het CDA wijst er in het Telegraafartikel op dat de verhoging van de AOW-leeftijd was bedacht omdat mensen ouder worden, en dat als die reden wegvalt, we dus niet zomaar gaan verhogen. Dit is een terechte opmerking. Als de levensverwachting niet meer stijgt, wordt de AOW-leeftijd niet verhoogd. Zo hebben we het ook in de wet vastgelegd. Het CBS merkt in het FD-artikel op dat het nog te vroeg is om te spreken van een trendbreuk in de stijgende lijn voor de levensverwachting, hoewel ook het buitenland de stijging afvlakt. Het CBS gaat ervan uit dat de levensverwachting op termijn blijft stijgen. Het tempo van de stijging is echter nog onzeker.
Klopt het dat de regering nu geld gaat besparen op de AOW ten opzichte van eerdere prognoses? Om welke besparingen gaat het in miljoenen euro’s, van 2019–2021? Hoe beoordeelt u deze besparingen op ouderen in tijden van economische voorspoed?
Het tijdelijk lagere aantal AOW’ers in 2017 werkt meerjarig door in de ramingen en is verwerkt in de Voorjaarsnota 2018. De ramingsbijstelling op de AOW bij de Voorjaarsnota loopt op tot € 143 miljoen in 2020 en neemt daarna iets af tot € 118 miljoen in 2022. Van de totale ramingsbijstelling in de Voorjaarsnota heeft circa € 30 miljoen per jaar betrekking op een tijdelijk lager aantal AOW’ers dan waar in de eerdere raming vanuit werd gegaan. Daarnaast worden de uitgaven aan AOW-partnertoeslag, de gemiddelde AOW-opbouw en het aandeel alleenstaanden (die recht hebben op een hogere AOW-uitkering) naar beneden bijgesteld.
De raming van de AOW-uitgaven is afhankelijk van diverse factoren, waaronder de levensverwachting en de sterfte. De raming van de AOW-uitgaven kent daarom een zekere mate van onzekerheid. De uitgaven aan AOW worden periodiek bijgesteld aan de hand van onder andere nieuwe uitvoeringsinformatie en nieuwe CBS-gegevens over de levensverwachting en sterfte.
Acht u het nog noodzakelijk om de AOW-leeftijd zo snel te laten stijgen, terwijl steeds meer mensen met moeite de AOW-leeftijd halen?
Ik deel de mening dat jong en oud zeker moeten kunnen zijn van een onbezorgde oude dag. Ik ben voor een solide en solidaire AOW voor huidige én toekomstige generaties. Dankzij de AOW leven in Nederland minder ouderen in armoede dan in andere landen. Om de AOW ook voor toekomstige generaties beschikbaar en betaalbaar te houden, is besloten dat de AOW-leeftijd geleidelijk verhoogd wordt naar 67 jaar en vervolgens wordt gekoppeld aan de levensverwachting. De vergrijzing en ontgroening en de toenemende levensverwachting nopen tot langer doorwerken en een verhoging van de AOW-leeftijd. Het verhogen van de AOW-leeftijd speelt niet alleen een rol als het gaat om het op lange termijn betaalbaar houden van voorzieningen voor alle generaties, maar ook als het gaat om een arbeidsmarkt met een evenwichtige balans tussen mensen die werken en mensen die niet meer tot de beroepsbevolking horen.
Uit de cijfers blijkt dat mensen gemiddeld ook langer door kunnen werken. De gemiddelde uittreedleeftijd ligt nu op 64 jaar en 10 maanden. Er zijn dus steeds meer ouderen actief op de arbeidsmarkt. Uit cijfers van het UWV blijkt dat ouderen een iets grotere kans op ziekte en arbeidsongeschiktheid hebben dan 60-minners. Doordat meer 60-plussers langer doorwerken zorgt dit er ook voor dat het aantal langdurig zieken onder ouderen harder stijgt dan bij andere leeftijdsgroepen. Maar, zoals ook het UWV opmerkt, het overgrote deel van de werknemers kan in goede gezondheid tot de AOW-leeftijd doorwerken.
Het is de primaire verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers dat werknemers langer inzetbaar blijven en de AOW-leeftijd gezond halen. Het kabinet wil een leven lang ontwikkelen stimuleren door onder andere de invoering van een scholingsregeling. Daarbij hebben ook de O&O fondsen en sociale partners een belangrijke rol. Om de benodigde cultuuromslag te realiseren voor ouderen op de arbeidsmarkt, moeten werknemers en werkgevers ambitieus werk maken van leeftijdsbewust personeelsbeleid. Het kabinet verwacht dat sociale partners hier afspraken over maken. Het kabinet zal op zijn beurt vervolgens zorgen voor de noodzakelijke randvoorwaarden. Naast het reguliere vangnet heeft het kabinet besloten om de IOW (inkomensvoorziening oudere werklozen) te verlengen met vier jaar, voor oudere werknemers die ondanks de inspanningen van sociale partners toch werkloos of arbeidsongeschikt worden.
Bent u bereid om de AOW-leeftijd minder snel dan nu te laten stijgen? Zo nee, waarom blijft u hieraan vasthouden terwijl steeds meer mensen in de problemen komen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat mensen zeker moeten zijn van een onbezorgde oude dag? Zo ja, wilt u ervoor zorgen dat mensen eerder kunnen stoppen met werk en langer van hun pensioen kunnen genieten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Een weeffout in de wet aangaande de financiering van het Passend Onderwijs |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Michel Rog (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Gesloten Jeugdzorg Instelling (GJI) in Deelen (gemeente Ede)?
Ja.
Is het waar dat de meeste jongeren die daar verblijven, niet uit de gemeente Ede afkomstig zijn?
Ja.
Is het waar dat de jongeren na een verblijf in de GJI Deelen vaak hetzij terecht komen in een open residentiële setting, hetzij direct uitstromen naar speciaal onderwijs?
De uitstroomgegevens van leerlingen uit de instelling in Deelen laten relatief hoge doorstroompercentages naar het (voortgezet) speciaal onderwijs ((v)so) zien in vergelijking met de gemiddelde doorstroom na een plaatsing in een instelling voor gesloten jeugdzorg (gji). Het percentage leerlingen dat na een plaatsing in gji Deelen doorstroomde naar het (v)so en daar op de volgende teldatum ingeschreven stond, was de afgelopen drie jaar respectievelijk 55,9% (teldatum 1-10-2014), 55,2% (teldatum 1-10-2015) en 37,5% (teldatum 1-10-2016). Gemiddeld (landelijk) lagen de doorstroompercentages naar het (v)so vanuit een gji of justitiële jeugdinrichting (jji) in de afgelopen drie jaar lager op respectievelijk: 25,0%, 17,4% en 22,8%.
Dit relatief hoge doorstroompercentages betekent echter niet dat het samenwerkingsverband Gelderse Vallei voor al deze leerlingen verantwoordelijk wordt. Op teldatum 2014 werd 32,4% van de doorgestroomde leerlingen bekostigd door samenwerkingsverband Gelderse Vallei, en 23,5% door andere samenwerkingsverbanden. Op teldatum 2015 waren deze percentages 20,7% en 34,5%% en op teldatum 2016 ging het om respectievelijk 25% en 12,5%.
Is het waar dat Deelen voor deze jongeren als woonplaats wordt gezien, omdat ze geplaatst zijn in de GJI Deelen (gemeente Ede)?
Bij de gji in Deelen is dit gedeeltelijk aan de orde. De woonplaats waar een leerling op de datum van inschrijving op de nieuwe school in de basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven, is leidend voor de bekostiging. Als een leerling na een gji- of jji-plaatsing in de gemeente van de gji- of jji-vestiging blijft wonen, danwel die woonplaats nog in de BRP is opgenomen op het moment dat de leerling op een nieuwe school begint, dan komt eventuele bekostiging van extra ondersteuning ten laste van het samenwerkingsverband waar de gji of jji gevestigd is.
Is het waar dat het woonplaatsbeginsel met zich meebrengt dat het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei (Ede, Wageningen en Rhenen) financieel verantwoordelijk is voor jongeren die geplaatst zijn in de GJI Deelen en die uitstromen naar een open residentiële setting of speciaal onderwijs (VSO-school) gaan volgen?
Het samenwerkingsverband is niet financieel verantwoordelijk voor jongeren geplaatst in de GJI Deelen. Het onderwijs aan kinderen of jongeren in een gji of jji wordt rechtstreeks door het Rijk bekostigd en niet door een samenwerkingsverband. Als het verblijf in een gji of jji eindigt, dan eindigt ook het onderwijs verbonden aan de instelling. Stromen leerlingen dan door naar het (voortgezet) speciaal onderwijs – al dan niet residentieel – dan gaat een samenwerkingsverband wel passend onderwijs betalen voor de plaatsing. Welk samenwerkingsverband dit is, hangt af van de woonplaats (BRP) waar de leerling staat ingeschreven op het moment van inschrijving op de nieuwe school.
Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, stromen relatief veel jongeren vanuit de gji Deelen van bestuur de Hoenderloo Groep door naar de open instelling in Apeldoorn (ook van de Hoenderloo groep) binnen het gebied van samenwerkingsverband Gelderse Vallei en gaan daar dan ook wonen. Als gevolg van het woonplaatsprincipe worden deze leerlingen dan toegeschreven aan het samenwerkingsverband Gelderse Vallei (omdat zij woonachtig blijven in de regio). Uit de cijfers van DUO blijkt echter dat ook andere samenwerkingsverbanden een deel van de doorstroom naar het (v)so bekostigen. Mogelijk komt dat omdat de leerling: via een lopende toelaatbaarheidsverklaring (zie hieronder) wordt ingeschreven of de leerling kortdurend in de gji geplaatst is en in het BRP nog de woonplaats van herkomst stond. Ook kan het zijn dat de leerling binnen hetzelfde schooljaar doorstroomt naar het (v)so, wanneer volgens de Variawet geldt dat de school waar de leerling op 1 oktober van het vorige schooljaar ingeschreven stond als «verwijzende school» kan worden beschouwd. Tot slot kan het zijn dat de leerling na de gji-plaatsing verhuisd is naar een andere regio en deze woonplaats is opgenomen in het BRP en de leerling daarna (intra- of extramuraal) onderwijs is gaan volgen op de residentiële instelling in Apeldoorn.
Een uitzondering op het woonplaatsbeginsel is de situatie waarin de leerling nog een geldige toelaatbaarheidsverklaring had van zijn of haar oude samenwerkingsverband, en deze toelaatbaarheidsverklaring wordt benut voor de bekostiging van de plaatsing in het speciaal onderwijs. Daarmee kan worden voorkomen dat de leerling toegerekend wordt aan het samenwerkingsverband in de regio waar de gji of jji gevestigd is. Als (de school die verbonden is aan) de gji of jji meteen bij de plaatsing van een leerling contact zoekt met het samenwerkingsverband waar de jongere woonde voorafgaand aan de plaatsing. Deze kan dan zorgen voor een toelaatbaarheidsverklaring indien de jongere na de plaatsing in de gji of jji naar het (v)so doorstroomt.
Is het waar dat verreweg de meeste jongeren uit de GJI Deelen uitstromen naar een open residentiële setting of direct naar het speciaal onderwijs?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het daarmee dat het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei extreem hoge kosten heeft voor de uitstroom naar de open residentiële setting en het speciaal onderwijs, in vergelijking met andere samenwerkingsverbanden in Nederland?
In vergelijking met veel andere regio’s met een gji of jji, heeft dit samenwerkingsverband bovengemiddeld hoge kosten voor de doorstroom naar het vso, na de plaatsing in de gji.
Niet alle samenwerkingsverbanden waar een gji of jji is gevestigd, lopen tegen deze problematiek aan. Leerlingen die onderwijs in geslotenheid volgden, stromen lang niet altijd door naar speciaal onderwijs of naar een residentiele instelling. Verder verhuizen leerlingen na hun gji- of jji-traject vaak terug naar de regio van herkomst, schrijven zich daar weer in bij de gemeente en gaan zij daar vervolgens naar een reguliere of een speciale school. In die situaties is het samenwerkingsverband van herkomst (weer) verantwoordelijk. Ook in de situatie dat er bij de vervolginschrijving een nog geldige toelaatbaarheidsverklaring wordt benut, is het samenwerkingsverband van herkomst verantwoordelijk voor de bekostiging.
Bestaat er een overzicht van de kosten voor het speciaal onderwijs die de verschillende samenwerkingsverbanden passend onderwijs in Nederland maken vanaf 2015? Zo ja, zouden we dit overzicht mogen ontvangen?
Op basis van het aantal leerlingen dat naar het (v)so is verwezen, brengt DUO een bedrag in mindering op de ondersteuningsbekostiging van het samenwerkingsverband. Ook kunnen de bedragen worden bepaald die de samenwerkingsverbanden moeten overdragen aan de speciale scholen in verband met een eventuele groei op 1 februari. Van deze twee gegevens kan er over de afgelopen jaren een overzicht worden verstrekt over een gedeelte van de middelen die de speciale scholen hebben ontvangen. Er is geen informatie beschikbaar van eventuele andere bijdragen van samenwerkingsverbanden aan het speciaal onderwijs. De genoemde gegevens treft u aan in bijlage 2 en 3.1
Klopt het dat de problematiek van extreem hoge kosten voor het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei, doordat het financieel verantwoordelijk is voor de uitstroom van geplaatsten in de GJI Deelen, eerder is erkend door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap?
Naar aanleiding van het signaal van het samenwerkingsverband heeft een overleg plaatsgevonden met het samenwerkingsverband en de gji. Daaruit bleek dat het samenwerkingsverband als gevolg van de uitplaatsingen naar het voortgezet speciaal onderwijs verhoudingsgewijs inderdaad te maken heeft met bovengemiddeld hogere kosten.
Klopt het dat de verwachting was dat wanneer de Variawet zou zijn aangepast, dit de oplossing zou zijn voor bovenstaande beschreven problematiek (de zogenaamde «weeffout»)?
Nee. Met de Variawet passend onderwijs zijn diverse technische wijzigingen aangebracht in de Wpo, de Wvo, de WEC en in de WOT, en een aantal wijzigingen op basis van voortschrijdend inzicht die voornamelijk verband houden met de bekostiging van passend onderwijs (Stb, 2018, 12). Een van de aanpassingen had betrekking op het concretiseren van de wetgeving voor de bekostiging van leerlingen in (open) residentiële instellingen. Het ging er onder andere om, dat voor leerlingen die vanuit een reguliere school voor voortgezet onderwijs naar een (open) residentiële school voor voortgezet speciaal onderwijs gingen, werd verduidelijkt welk samenwerkingsverband de plaatsing moet bekostigen. In deze situatie wordt gekeken naar het samenwerkingsverband waar de leerling op 1 oktober voorafgaand aan de open residentiële plaatsing bekostigd regulier onderwijs volgde (in andere woorden: de «onmiddellijk» verwijzende school wordt gedefinieerd als de reguliere school waar de leerling op de laatste 1 oktobertelling stond ingeschreven). Dit is een andere situatie dan bovenstaande problematiek.
Klopt het dat men ervan uitging dat, door 1 oktober als uitgangspunt te nemen in de toewijzing van residentiële leerlingen, de problemen voor het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei zouden zijn opgelost?
Deze wijziging kan voor een deel van de leerlingen het effect hebben dat het samenwerkingsverband van herkomst verantwoordelijk blijft. Dit is aan de orde in de situaties waarin de gji- of jji-plaatsing van een leerling start na de 1 oktober telling en minder dan een schooljaar duurt. Indien de leerling dan doorstroomt naar een (v)so-school voor open residentieel onderwijs, dan betaalt het samenwerkingsverband waar de leerling op de laatste teldatum (1 oktober) ingeschreven stond op een bekostigde, reguliere school voor voortgezet onderwijs. Zie ook het antwoord op vraag 10.
Klopt het echter dat, wanneer de leerling op 1 oktober voorafgaand aan de open inschrijving was opgenomen in een gesloten residentiële instelling zoals GJI Deelen, Deelen nog steeds als woonplaats gold voor de leerling?
Niet noodzakelijkerwijs. Bij een doorstroom van gji naar residentieel speciaal onderwijs, is zoals hierboven aangegeven, de woonplaats van de leerling in principe leidend voor de ondersteuningsbekostiging. Indien een leerling na de gji-plaatsing eerst verhuist (bijvoorbeeld terug naar huis), en daarna ingeschreven wordt in het (v)so, al dan niet residentieel, geldt de nieuwe woonplaats van de leerling.
Is het waar dat een inspecteur van het onderwijs op 3 november 2017 in een schrijven aan het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei, de conclusie heeft getrokken dat met de aanpassing van de Variawet het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei onvoldoende geholpen is als oplossing van bovenstaande problematiek?
Ja. De inspecteur wilde aangeven dat de Variawet voor een deel van de doorstroom naar het residentieel voortgezet speciaal onderwijs, een positief effect kan hebben, maar niet volledig.
Is het waar dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, op basis van onderzoeken van de Inspectie bij meer samenwerkingsverbanden, begin 2018 een beslissing neemt of en zo ja, welke, wijzigingen nodig zijn in het beleid voor de toerekening van residentiële leerlingen aan samenwerkingsverbanden, waarbij de problematiek bij het Samenwerkingsverband VO Gelderse Vallei wordt opgelost?
De Inspectie van het Onderwijs onderzoekt momenteel de werking van de bekostiging van enkele (v)so-scholen verbonden aan residentiële instellingen. Het resultaat van dat onderzoek wordt binnenkort verwacht.
Bent u van zins wijzigingen aan te brengen in het beleid voor de toerekening van residentiële leerlingen en zo ja welke? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de eerdere antwoorden aangegeven, is het probleem slechts ten dele te wijten aan het woonplaatsbeginsel in de WEC. Dat neemt niet weg dat dit voor sommige samenwerkingsverbanden bovengemiddelde kosten met zich mee kan brengen. Ik ben bereid te verkennen welke mogelijkheden er zijn om te komen tot een verfijning en verbetering van de systematiek van bekostiging van onderwijs op een school die verbonden is aan een residentiële instelling. Ik zal hiervoor de uitkomsten van het lopende onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs hierin meenemen. Ook ben ik bereid te bezien of het wetsvoorstel van mijn collega van VWS over het woonplaatsbeginsel nog een bijdrage kan leveren aan een oplossing.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het notaoverleg over passend onderwijs op 2 juli 2018?
Zoals in het notaoverleg met de Tweede Kamer is besproken, zend ik u de antwoorden in juli 2018 toe.
Het bericht dat er veiligheidsproblemen zouden zijn in de penitentiaire inrichting te Alphen aan de Rijn |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Veiligheidsproblemen in gevangenis Alphen a/d Rijn door hoog ziekteverzuim»?1 Wat is uw reactie hierop? Is dit de eerste keer dat u deze zorgwekkende signalen ontvangt?
Ja, deze berichten zijn mij bekend. Ik neem de signalen van het personeel serieus. Dit geldt ook voor het management van de penitentiaire inrichting (PI) Alphen aan den Rijn. In mijn beleidsreactie op het rapport «Uit balans» van de Inspectie Justitie en Veiligheid2, heb ik uw Kamer gemeld dat ik de signalen van DJI-medewerkers die zich zorgen maken over de ontwikkelingen bij het gevangeniswezen herken. Zoals u weet loopt op dit moment een grootschalige wervingscampagne voor nieuw personeel en zijn maatregelen ingezet om het ziekteverzuim terug te dringen. In het antwoord op de vragen 3 en 4 ga ik in op de specifieke situatie in de PI Alphen aan den Rijn.
Klopt het dat het ziekteverzuim vorig jaar in de gevangenis van Alphen aan den Rijn zo hoog was dat 1 op de 10 werknemers ziek thuis zat? Is het ziekteverzuim nog steeds zo hoog? Hoe verklaart u dit zeer hoge ziekteverzuim?
Het ziekteverzuim in de PI Alphen aan den Rijn bedroeg 9,9% in 2017. In de maand mei 2018 bedroeg het ziekteverzuim 8% in de PI Alphen, dit ligt iets hoger dan het landelijk gemiddelde van 7,7%.
De verzuimcijfers van de PI Alphen aan den Rijn waren mede het gevolg van een relatief hoog aantal langdurig zieken. Daarnaast is niet uit te sluiten dat grote organisatorische veranderingen invloed hebben gehad. Als gevolg van de grote instroom asielzoekers is een deel van de PI Alphen, de locatie Eikenlaan, ter beschikking gesteld aan het COA in de periode 20 oktober 2015 tot 1 mei 2016. Daardoor is een deel van het personeel tijdelijk naar Detentiecentrum Rotterdam verplaatst en later weer terugverhuisd. Daarnaast is de PI Zoetermeer geconcentreerd leeg gezet als gevolg van de maatregelen die in de zomer van 2017 moesten worden getroffen om de veiligheid van personeel en gedetineerden in de PI’s Zoetermeer, Almere en Zaanstad te kunnen waarborgen. Een groot deel van het daar werkzame personeel wordt nu ingezet in de PI Alphen.
Herkent u het beeld «Veel ervaren personeel houdt het voor gezien en zoekt een andere baan. De gaten worden gevuld met extern ingehuurde, onervaren beveiligers»? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit een wenselijke ontwikkeling?
De uitstroom van personeel uit de PI Alphen aan den Rijn wijkt niet significant af van de uitstroom van personeel uit andere PI’s. In 2018 zijn van het executieve personeel 3 complexbeveiligers en 9 penitentiair inrichtingswerkers uitgestroomd. Daarnaast zijn 9 complexbeveiligers en 7 penitentiair inrichtingswerkers teruggekeerd naar de PI Haaglanden die tijdelijk vanuit de PI Haaglanden waren gedetacheerd. Hier staat tegenover dat in 2018 inmiddels 63 nieuwe collega’s zijn aangenomen in de PI Alphen aan den Rijn.
Daar waar de personele bezetting te krap dreigt te worden, zet de PI Alphen aan den Rijn goed opgeleid personeel van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (DV&O) in. Zo nodig wordt ook personeel van een externe partij ingehuurd dat in ieder geval over een opleiding MBO-2 beveiliging beschikt. Het betreft medewerkers die goed ingezet kunnen worden als complexbeveiliger binnen het gevangeniswezen. Op de leefafdelingen worden uitsluitend medewerkers ingezet die geruime tijd binnen de inrichting werkzaam zijn. Nieuw aangetrokken personeel volgt bij binnenkomst eerst een inwerktraject en wordt conform de eisen van DJI opgeleid en getraind alvorens zij worden ingezet.
Bewaarders zeggen dat zij soms met ingehuurde krachten over de afdeling moeten lopen wegens gebrek aan personeel, maar een woordvoerder van uw ministerie zegt dat de ingehuurde krachten slechts achter de balie zitten en geen dagelijks contact hebben met gevangenen; welke bewering is nu juist?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat afgestraften soms te lang in een huis van bewaring blijven zitten, omdat er geen plek is in de gevangenis? Zo ja, hoe gaat u deze onwenselijke situatie zo snel mogelijk oplossen?
Nadat het vonnis in eerste aanleg is ontvangen, wordt door de directeur van de PI een selectieadvies opgesteld en voorgelegd aan de selectiefunctionaris die beslist over de daadwerkelijke overplaatsing. De redelijke termijn voor het afronden van de gehele procedure van overplaatsing is zes weken. In incidentele gevallen kan het voorkomen dat overplaatsing langer duurt dan zes weken als gevolg van persoonlijke omstandigheden van de betrokken gedetineerde dan wel uit veiligheidsoverwegingen. Er wordt altijd naar een spoedige oplossing gezocht.
Klopt het dat klachten over medicatiefouten afgekocht proberen te worden met een belkaartje of een pakje shag?2
Nee, dat klopt niet. Voor het uitdelen van medicatie gelden werkinstructies en protocollen, die worden nageleefd. Fouten met betrekking tot medicatie worden conform deze instructies en protocollen geregistreerd en gemeld.
Vanaf wanneer gaat het gevangenispersoneel op de werkvloer concreet iets merken van de door u beloofde verbeteringen, zoals afgesproken in het Convenant «Werken aan een solide personeelsbeleid»?
De opleidingsplannen in het kader van vakmanschap voor 2018 worden thans uitgevoerd. Zoals ik uw Kamer in mijn beleidsreactie op het inspectierapport «Uit Balans»4 heb gemeld, wordt de landelijke wervingscampagne voortgezet en worden de inrichtingen gecompenseerd voor de financiële en personele gevolgen van de PAS-regeling en het ouderschapsverlof.
Ben u bereid, meer dan nu, fors te investeren in meer gevangenispersoneel? Zo ja, per wanneer en hoeveel? Zo nee, waarom niet?
Er zijn geen financiële belemmeringen voor het aannemen van de benodigde inrichtingsbeveiligers en penitentiair inrichtingswerkers. Zoals eerder in deze antwoorden vermeld, loopt een wervingscampagne voor nieuw executief personeel. De werving is ook gericht op het compenseren van de extra uitstroom van executief DJI-personeel. De werving heeft de hoogste prioriteit voor DJI. De werving leverde tot op heden ruim 700 nieuwe personeelsleden op.
Het wethoudersbestand dat niet representatief blijkt te zijn |
|
Selçuk Öztürk (DENK) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht Wethouders zijn nog altijd vooral wit»? 1
Ja.
Is het waar dat in de vorige raadsperiode, van 2014 tot 2018, circa 3 procent van de bijna 1.500 wethouders in Nederland een migratieachtergrond had?
In «De Staat van het Bestuur» van 2016 wordt hierover het volgende vermeld: Van alle wethouders heeft 91% een Nederlandse achtergrond en 3% een migratieachtergrond. Van de overige 6% is de achtergrond onbekend.
Bij personen met een migratieachtergrond gaat het vooral om personen uit de voormalige Nederlandse Antillen of Aruba en landen in Europa inclusief voormalige Sovjetrepublieken, Suriname, Turkije of Marokko. Collegeonderhandelingen zijn een lokale aangelegenheid. Ik heb dan ook geen cijfers over waarop wordt aangekoerst of inzicht in de afwegingen die lokaal worden gemaakt bij samenstelling van de colleges.
Is het waar dat op basis van de huidige onderhandelingen aangekoerst wordt op circa 2% wethouders met een migratieachtergrond?
Zie antwoord vraag 2.
Welke verklaring heeft u voor deze achteruitgang, waar eigenlijk een vooruitgang verwacht mocht worden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u onderzoek laten doen naar de vraag waarom de gemeenteraden in Nederland niet in staat zijn om colleges te vormen, die een afspiegeling zijn van Nederland? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat er geen structurele belemmeringen zijn voor mensen met een migratieachtergrond om het ambt van wethouder (en andere politieke ambten die voor hen openstaan) te vervullen. Dat vind ik overigens ook voor diverse andere groepen. Voor personen met een arbeidsbeperking wordt op dit moment in het kader van de motie Voortman en Otwin van Dijk (Kamerstuk 33 990, nr. 44) al onderzoek verricht naar mogelijke belemmeringen en ik ben bezig dit onderzoek uit te breiden naar andere groepen.
Is volgens u een mogelijke verklaring hiervoor dat voor wethouderskandidaten alleen in het eigen directe netwerk wordt gekeken?
Collegeonderhandelingen zijn een lokale aangelegenheid. Het is mij niet bekend of er voor wethouderskandidaten alleen in het directe netwerk wordt gekeken. Met betrekking tot eventuele maatregelen wil ik niet vooruitlopen op de uitkomsten van het onder vraag 5 genoemde onderzoek.
Op welke manier zouden gemeenteraden verder kunnen kijken dan hun eigen old-boys-network? Op welke manier kunt u hieraan bijdragen?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke manier kan een quotumregeling hieraan een bijdrage leveren, analoog aan de 30%-regel, die in 2009 is ingevoerd in het Burgerlijk Wetboek voor bepaalde vennootschappen?2
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat ook de stadsbesturen een afspiegeling zouden moeten zijn van de hele samenleving? Zo ja, deelt u de mening, dat dit nu nog zeker niet het geval is en wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u in overleg treden met de VNG over het organiseren van een cursusaanbod en voorlichtingscampagnes, gericht op (onder andere lokale) politieke partijen, om hier verandering in te brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe staat het op dit moment met de representativiteit van het burgemeestersbestand? Kunt u daar een cijfermatig overzicht van geven?
Met betrekking tot herkomst vermeldt «De Staat van het Bestuur» van 2016 hierover het volgende: «Van alle burgemeesters in Nederland heeft 90% een Nederlandse achtergrond en 4% een migratieachtergrond; van 6% is de achtergrond niet bekend. In de hierbij gehanteerde definitie is uitgegaan van het geboorteland van de ouders en niet van de persoon in kwestie. Als alleen naar het geboorteland van de burgemeesters gekeken wordt, dan blijkt dat 94% van hen in Nederland geboren is.»
Wat doet u om de representativiteit van het burgemeestersbestand te vergroten?
In de afgelopen vijf jaar is vanuit het Nederlands Genootschap van Burgemeesters een oriëntatieprogramma georganiseerd, met als doel mensen van buiten het openbaar bestuur kennis te laten maken met het ambt van burgemeester. Eind vorig jaar heb ik een bijeenkomst georganiseerd over diversiteit en herkenbaarheid van politieke functies. Een gezelschap van politici, beleidsmakers en experts besprak hoe de aandacht voor diversiteit in politieke functies een nieuwe impuls kan krijgen. Daarbij ging het niet alleen om diversiteit in geslacht en etnische achtergrond, maar bijvoorbeeld ook over leeftijd, genderidentiteit, opleidingsachtergrond, arbeidsbeperkingen, etc. Mede op basis van deze bijeenkomst vindt overleg met het NGB plaats over de wijze waarop het genoemde oriëntatieprogramma zodanig invulling gegeven kan worden, dat dit kan bijdragen aan de diversiteit van burgemeesters. Daarnaast is met politieke partijen besproken hoe zij van hun kant herkenbaarheid en representativiteit kunnen bevorderen. Het thema diversiteit van burgemeesters bespreek ik periodiek met de commissarissen van de Koning. Zij benadrukken bij burgemeestersvacatures richting de gemeenteraden het belang van diversiteit en representativiteit. Uiteindelijk bepaalt de gemeenteraad welke kandidaat wordt voordragen.
Het bericht dat een bende cocaïnesmokkelaars is geïnfiltreerd bij de Belastingdienst |
|
Renske Leijten (SP), Ronald van Raak (SP) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat de politie een medewerker van de Belastingdienst heeft gearresteerd op verdenking van het lekken van vertrouwelijke informatie aan een criminele organisatie? Zo nee, kunt u uitleggen wat de feiten zijn?
Op 17 april 2018 zijn in een onderzoek naar een crimineel samenwerkingsverband, dat er van verdacht wordt zich bezig te houden met de invoer van verdovende middelen via de haven van Rotterdam, acht verdachten aangehouden in de regio Rijnmond. Eén van de verdachten in dit onderzoek was inderdaad werkzaam bij de Belastingdienst. Hij wordt ervan verdacht vertrouwelijke informatie te hebben doorgegeven aan de criminele organisatie.
Hoe kan het dat een medewerker van de Belastingdienst toegang heeft tot informatie van alle opsporingsdiensten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Opsporingsdiensten bepalen binnen de wettelijke grenzen zelf wie, onder welke voorwaarden, tot welke informatie in welke systemen toegang krijgt. Voor wat deze zaak betreft geldt dat ik geen mededelingen kan doen over een concreet stafrechtelijk onderzoek.
Hoe vaak komt het voor dat medewerkers van overheidsdiensten medewerking verlenen aan criminele organisaties? Hoeveel medewerkers van overheidsdiensten zijn de afgelopen jaren verdacht van dergelijke feiten?
De Rijksrecherche heeft in 2017 in totaal 105 oriënterende, feiten- en strafrechtelijke onderzoeken verricht, waarvan 22 naar ambtelijke corruptie en 23 naar schending geheimhoudingsplicht1. In dat kader verwijs ik tevens naar de beantwoording op de vragen van het lid Helder (PVV) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht «OM ziet opvallende stijging aantal corruptiezaken binnen politie en douane» en het Jaarbericht OM 2017 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 2825). Het WODC heeft onderzoek gedaan naar de relatie tussen georganiseerde criminaliteit en integriteitsschendingen binnen rechtshandhavingsorganisaties over de periode 2012–2016. Het onderzoek was op vier overheidsdiensten gericht, namelijk op de politie, Douane, Koninklijke Marechaussee (KMar) en de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD). Het onderzoek is, voorzien van een beleidsreactie, op 14 september 2017 (Kamerstuk 28 844, nr. 121), door de Minister van Justitie en Veiligheid, mede namens de Minister van Defensie en de Staatssecretaris van Financiën, aan uw Kamer gestuurd.
Hoe verklaart u dat criminele organisaties er kennelijk nog altijd in slagen douaniers om te kopen en dat deze douaniers in staat zijn deze organisaties te helpen door het doorlaten van partijen drugs? Kunt u uw antwoord toelichten?
Over 2017 en 2018 zijn mij bij de Douane geen gevallen bekend van ernstige integriteitsschendingen in relatie tot georganiseerde criminaliteit waarbij douaniers zijn aangehouden of ontslagen. Het werk van de Douane – controleren van goederen – brengt altijd risico’s van beïnvloeding met zich mee. De Douane hanteert maatregelen om integriteitsincidenten zoveel mogelijk te voorkomen. Het is echter nooit uit te sluiten dat integriteitsschendingen plaatsvinden.
Als blijkt dat er onverhoopt toch mogelijk strafbare feiten zijn gepleegd, dan wordt deze informatie overgedragen aan de opsporingsinstanties.
Bent u bereid te onderzoeken hoe grootschalig het omkopen van medewerkers van de Douane en de Belastingdienst voorkomt en hoe dit kan worden voorkomen? Zo neen, waarom niet?
Ik heb geen aanwijzingen dat er sprake is van het op grote schaal omkopen van medewerkers van de Douane en de Belastingdienst. Zie tevens het antwoord op vraag 4. Op dit moment heb ik dan ook geen aanleiding om een onderzoek te laten instellen.
Erkent u dat de verwevenheid van de «onderwereld» met de «bovenwereld» ernstige vormen begint aan te nemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij ondermijnende criminaliteit gaat het om een breed scala aan criminele fenomenen en hun ondermijnende werking op de samenleving. Eén van die ondermijnende effecten is de verwevenheid van onder- en bovenwereld. Die moet met kracht worden tegengegaan en dat is ook de inzet van het kabinet. In de brief van de Minister van Justitie en Veiligheid van 11 juli 2018 wordt uiteengezet hoe de aanpak de komende jaren zal worden versterkt en versneld.
Een lasterlijk rapport van het Israëlische ministerie van Strategische Zaken |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport «The Money Trail» van het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken, waarin de Europese Unie (EU) wordt beschuldigd van het financieren van Palestijnse en Europese Niet-Gouvernementele Organisaties (ngo's) die banden zouden hebben met terreurorganisaties?1
Ja.
Deelt u de mening van de Europese Commissie dat beschuldigingen dat de EU terreur steunt «ongefundeerd en onacceptabel» zijn?2 Zo nee, waarom niet?
De EU financiert geen terrorisme. De reactie van de Europese Commissie (EC) uit 2017, waar u aan refereert, was geen reactie op het rapport van het Israëlische Ministerie van Strategische zaken. De toenmalige reactie van de EC betreft een beantwoording van een vraag gesteld door een van de leden van het Europese parlement over de steun van de EU aan de Palestijnse Autoriteit. Het rapport van het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken is van april 2018. De reactie van de EC is om die reden niet één op één met het rapport te verbinden.
Deelt u de mening dat de EU dergelijke beschuldigingen krachtig en publiekelijk moet tegenspreken, zodat er geen onduidelijkheid kan ontstaan over wat de EU feitelijk doet en beoogt? Zo nee, waarom niet?
De Europese Commissie en Europese Dienst voor Extern Optreden maken hun eigen afweging over woordvoering. De EU heeft niet publiekelijk gereageerd op het rapport van het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken.
Deelt u de mening dat dergelijke agressieve en lasterlijke beschuldigingen niet passen binnen de relatie met een staat die door het kabinet wordt aangemerkt als «bevriende natie»? Zo nee, waarom niet?
Nee. Nederland onderhoudt goede betrekkingen met Israël. Het kabinet besteedt – waar mogelijk in EU-verband – intensieve aandacht aan mensenrechtenonderwerpen in de dialoog met de Israëlische autoriteiten. Het kabinet benadrukt daarbij het belang van het werk van mensenrechtenorganisaties voor een vrije en pluriforme samenleving. Dit wordt ook nadrukkelijk aan de orde gesteld in de verschillende dialogen die de EU voert met de Israëlische autoriteiten, waaronder de jaarlijkse mensenrechtendialoog.
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Israeli propaganda targets EU funds for NGOs»?3 Deelt u de mening van EUobserver dat het rapport «The Money Trail» moet worden aangemerkt als «information warfare» en doet denken aan de wijze waarop Rusland de publieke opinie in de EU probeert te manipuleren? Wilt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het bericht van EUobserver. Wat het kabinet betreft bevat het rapport geen reden om te concluderen dat de EU tegen diens eigen beleid handelt, wat gesteld wordt in het rapport. Zie ook de antwoorden in reactie op de vragen van de leden Voordewind, Van der Staaij, Ten Broeke, Van Helvert en de Roon, d.d. 8 juni 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 2522). Echter, enkel op basis van dit rapport waarbij een verkeerde conclusie over het EU-beleid getrokken wordt, kan het kabinet niet de conclusie trekken dat er sprake is van ongewenste beïnvloeding van de publieke opinie in Nederland door statelijke actoren.
Herinnert u zich het kabinetsstandpunt dat uitlatingen en activiteiten in het kader van «BDS» (Boycot, Desinvesteringen en Sancties) worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering?4 Hoe beoordeelt u op grond van dat standpunt dat diverse Palestijnse en Europese NGO's in het rapport «The Money Trail» worden gebrandmerkt, simpelweg omdat zij BDS zouden steunen? Wilt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Ja. Het kabinetsstandpunt ten aanzien van BDS is niet gewijzigd. Het kabinet is tegen een boycot van Israël en streeft naar versterking van de economische relaties met Israël binnen de grenzen van 1967. Het kabinet hanteert de strikte lijn dat Nederland geen activiteiten financiert die BDS tegen Israël propageren. Het feit dat organisaties de beweging die oproept tot Boycott, Divestment and Sanctions (BDS-beweging) ondersteunen is voor het kabinet geen afwijzingscriterium voor financiering van deze organisaties, aangezien uitlatingen of bijeenkomsten van de beweging worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering, zoals onder meer vervat in de Nederlandse Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De inhoud van het rapport is de verantwoordelijkheid van de Israëlische regering. Het kabinet kan niet antwoorden voor diens afwegingen bij de samenstelling en conclusies van het rapport.
Deelt u de mening dat het kwalijk en misleidend is dat het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken het onderscheid vertroebelt tussen activiteiten van ngo's gericht tegen de illegale Israëlische nederzettingen en anderzijds boycotacties tegen de staat Israël? Zo ja, bent u bereid dit keihard te veroordelen? Zo nee, waarom laat u zo over u heen lopen?
Het staat Israël vrij zijn eigen beleid te maken ten aanzien van BDS, binnen de grenzen van het internationale recht. De inhoud van het rapport is de verantwoordelijkheid van de Israëlische regering. Het kabinet kan niet antwoorden voor diens afwegingen bij de samenstelling en conclusies van het rapport.
Het Nederlands standpunt ten aanzien van BDS is ongewijzigd (zie antwoord op vraag 5), net zo min als het beleid ten aanzien van economische relaties met bedrijven in Israëlische nederzettingen in bezet gebied. Voor een toelichting op dit beleid wordt verwezen naar de Kamerbrief over betrokkenheid van de Nederlandse ambassade bij een actiemaand van de Israëlische supermarktketen Shufersal van 4 december 2017 (Kamerstuk 23 432, nr. 443).
Veroordeelt u het dat het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken militaire tactieken en clandestiene middelen inzet tegen vredesactivisten en mensenrechtenverdedigers die met vreedzame middelen campagne voeren tegen Israëls gewelddadige bezetting en grootschalige schendingen van het internationaal recht?
Het Kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie over een inzet van militaire tactieken of clandestiene middelen waar u naar verwijst en heeft daarom geen aanleiding om dergelijke berichten te bevestigen of te veroordelen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken medewerkers op diverse ambassades heeft gestationeerd?5 Is op de Israëlische ambassade in Den Haag een medewerker van dat ministerie werkzaam?
Het artikel is bekend. Landen besluiten zelf welke medewerkers zij plaatsen op hun ambassades in andere landen. Slechts voor een beperkt aantal functies (met name die van de ambassadeur) is instemming van het ontvangende land vereist. Het is niet aan het ontvangende land om mededelingen te doen over de samenstelling van een team op een ambassade van een ander land.
Coördineert en/of coöpereert het Israëlische Ministerie van Strategische Zaken met pro-Israël organisaties in Nederland, zoals het Centrum Informatie Documentatie Israël (CIDI)? Zo ja, wilt u al uw informatie hierover met de Kamer delen?
Het kabinet heeft hier geen eigenstandige informatie over.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het Israëlische bedrijf Israel Cyber Shield (ICS) de Amerikaanse-Palestijnse mensenrechtenactiviste Lina Sansour heeft bespioneerd om informatie te genereren die in een lastercampagne tegen haar gebruikt zou kunnen worden?6 Hoe beoordeelt u dergelijke spionagepraktijken, die in het geval van Sansour ook tegen haar familie waren gericht?
Het artikel is bekend. Het bericht betreft activiteiten die in de Verenigde Staten zouden hebben plaatsgevonden en niet gericht zouden zijn op een persoon in Nederland of Nederlands staatsburger. Het kabinet heeft hier geen eigenstandige informatie over.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Israëlische autoriteiten de strijd tegen «BDS» in toenemende mate voeren via private entiteiten, waaronder «Kella Shlomo», een bedrijf dat voor dat doel is opgericht?7
Ja, het artikel is bekend.
Bent u bereid om bij de Israëlische autoriteiten te informeren of zij, of entiteiten als «Kella Shlomo» die door haar worden gesteund, activiteiten ontplooien tegen Nederlandse burgers die met democratische en vreedzame middelen campagne voeren tegen Israëls bezetting en schendingen van het internationaal recht? Zo ja, wilt u de Kamer over de Israëlische reactie informeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet beschikt niet over eigenstandige informatie die er op wijst dat er dergelijke activiteiten tegen Nederlandse burgers worden ontplooid en ziet daarom geen aanleiding hier bij de Israëlische autoriteiten over te informeren.
Wilt u zo vriendelijk zijn om alle vragen afzonderlijk en zo volledig mogelijk te beantwoorden?
Het kabinet heeft alle vragen beantwoord.
Het bericht dat er een zwarte lijst komt voor frauduleuze aanbieders van bedevaarten naar Mekka |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Zwarte lijst malafide bedevaarten»?1
Ja.
Baart de berichtgeving dat Mekkagangers worden bedrogen door frauduleuze pelgrimsmakelaars u zorgen? Zo ja, wat gaat u op grond van deze zorgwekkende signalen doen?
Misleiding van de consument in welke vorm dan ook is zorgelijk. De huidige Nederlandse wetgeving biedt regels om dit soort misstanden tegen te gaan. De regels inzake OHP en de Wet pakketreizen (BW boek 7.7a) bieden de consument genoeg bescherming in deze. Verder wijs ik u erop dat de basis van de Wet pakketreizen gebaseerd is op de Europese richtlijn pakketreizen. Deze richtlijn gaat uit van maximumharmonisatie. Het is dus niet waarschijnlijk dat de Belgische wetgeving strenger is dan de Nederlandse. Mijn Belgische collega beaamt dit ook.
Wat vindt u van de conclusies van de organisatie Hadj Info in het nieuwsbericht, namelijk «(z)e hebben cent voor cent gespaard. Het gaat niet om een klein bedrag, zo’n 4.500 tot 6.000 euro. De hadj (bedevaart) is hun droom, een echte levensreis. Dit probleem speelt al langer, we vonden het tijd voor actie. Daarom hebben we eerst waarschuwingen verstuurd en komt er nu een zwarte lijst. Genoeg is genoeg»? Deelt u deze conclusies?
Het is altijd schrijnend als consumenten hun reis niet kunnen maken omdat zij te maken hebben met een malafide reisaanbieder.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat malafide reisbureaus religieuze verplichtingen van Nederlanders misbruiken en deze mensen zelfs ontdoen van hun spaarcenten? Zo ja, wat gaat u concreet doen om deze wantoestand te adresseren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke wetgeving bestaat op dit moment om consumenten die een reis hebben geboekt te beschermen tegen frauduleuze praktijken?
Op reizen, zoals bedevaartsreizen, zijn de regels over oneerlijke handelspraktijken (OHP) en de Wet pakketovereenkomsten en gekoppeld reisarrangement (BW boek 7.7a) (in het vervolg: Wet pakketreizen) van toepassing. De regels over OHP (BW boek 6 art.193g) zien er onder andere op toe dat consumenten niet worden misleid en dus op basis van juiste informatie een weloverwogen keuze kunnen maken. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) houdt toezicht op naleving hiervan. Bij inbreuk op de OHP kunnen gedupeerde consumenten hiervan melding maken via consuwijzer.nl, het klachtenportaal van de ACM. Indien er sprake is van oplichting dan kan er middels het strafrecht worden opgetreden.
In hoeverre is de wetgeving op de oneerlijke handelspraktijken hierop van toepassing?
Zie antwoord vraag 5.
Welke mogelijkheden bestaan er nu om een melding te maken van malafide aanbieders van reizen naar Mekka?
Zie antwoord vraag 5.
Is de huidige wetgeving naar uw mening effectief genoeg om misleiding en bedrog bij reisbureaus te voorkomen? Zo ja, waar blijkt dit uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening van de initiatiefnemer van Hadj Info, zoals weergegeven in het bericht dat «d)e Nederlandse wetgeving moet strenger worden, zoals in België wel al is gebeurd. De betrokkenheid van de overheid is nihil»? Zo ja, bent u bereid om de Nederlandse wetgeving aan te scherpen om frauduleuze aanbieders van bedevaarten aan te pakken?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid u ervoor in te zetten om de markt van aanbieders van bedevaarten naar Mekka beter te organiseren zodat malafide reisbureaus worden bestreden en reizigers niet meer worden gedupeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee, het organiseren van een markt voor deze doelgroep is geen taak van de overheid. Mogelijke excessen in de markt kunnen met de huidige consumentenwet- en regelgeving tegengegaan worden.
Kunt u de bovengenoemde problematiek onder de aandacht brengen van de Autoriteit Consument en Markt en het openbaar ministerie?
Ik heb inmiddels dit signaal doorgegeven. Dat gezegd hebbende wil ik benadrukken dat de ACM een onafhankelijke toezichthouder is die haar eigen handhavingsprioritering bepaalt. In hoeverre de ACM handelend optreedt is dus niet aan mij. Ik adviseer gedupeerden zoals gezegd hun klachten kenbaar te maken bij de ACM middels consuwijzer.nl, het online klachtenportal van de ACM.
Het niet uitvoeren van een motie over meervoudig gehandicapte kinderen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de motie-Siderius (Kamerstuk 31 497, nr.188) die de regering verzoekt in de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jonggehandicapten (Wajong) een voorziening te treffen waarbij ernstig meervoudig gehandicapte leerlingen aanspraak op een Wajong-uitkering kunnen maken?
Ja, ik ben bekend met de genoemde toezeggingen van mijn ambtsvoorganger. De Tweede Kamer heeft met een breed gesteunde motie van het lid Siderius (SP)1 bij het VAO Passend onderwijs van april 2016 de regering opgeroepen in de Wajong2015 een voorziening te treffen waarmee ernstig meervoudig beperkte leerlingen aanspraak kunnen maken op een uitkering op basis van de Wajong2015. In de motie wordt gesteld dat ouders hun ernstig meervoudig beperkte leerlingen op het voortgezet speciaal onderwijs (cluster 3) op 18-jarige leeftijd vanwege financiële redenen van school halen. In een brief aan de Tweede Kamer van 21 juni 20162 heeft mijn ambtsvoorganger toegezegd om onderzoek te doen naar de situatie.
Op 27 november 20173 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd dat bij de uitwerking van de motie vertraging is opgelopen, voornamelijk omdat het noodzakelijk was om extern onderzoek uit te voeren. Hierbij heb ik genoemd dat de resulaten van het onderzoek betrokken worden bij de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting Wajong.
Met de kabinetsreactie beleidsdoorlichting Wajong heb de Tweede Kamer geïnformeerd over de uitvoering van de motie van het lid Siderius (SP). Ik deel de wens om in de Wajong2015 een voorziening te treffen waarmee ernstig meervoudig beperkte leerlingen aanspraak kunnen maken op een uitkering op basis van de Wajong2015 vanuit de overtuiging dat belemmeringen voor ontwikkelingsmogelijkheden moeten worden weggenomen. Waar perspectief op de arbeidsmarkt ontbreekt, dient ontwikkeling door middel van onderwijs gericht op de uitstroom naar dagbesteding een belangrijk sociaal doel. Ik ben dan ook bereid om uitvoering te geven aan de motie Siderius met het doel te voorkomen dat het recht op een uitkering reden is om te stoppen met onderwijs. Het type onderwijs dat wordt gevolgd is hierbij niet relevant. Een dergelijke aanpassing vergt wetswijziging, namelijk het schrappen van de uitsluitingsgrond studerende in de Wajong2015. Ik streef naar inwerkingtreding van de wetswijziging op 1 januari 2020, onder voorbehoud van uitvoerbaarheid.
Waarom is deze motie, die op 12 april 2016 breed is aangenomen, nog steeds niet uitgevoerd?
Zie antwoord vraag 1.
Wat zegt u tegen de ouders van meervoudig gehandicapte kinderen die de afgelopen jaren hun kind op hun achttiende verjaardag van school hebben moeten halen, omdat de motie niet is uitgevoerd en er dus geen inkomstenbron is voor deze ernstig gehandicapten?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de toezegging in de brief van 21 juni 2016 (Kamerstuk 31 497, nr. 209) dat de Kamer een brief zou krijgen over de invulling van de motie voor het zomerreces van 2017?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich uw brief van 27 november 2017 (Kamerstuk 34 352, nr. 74) waarin staat dat door een misverstand is toegezegd dat de Kamer de tussenrapportage evaluatie Participatiewet voor de zomer van 2017 ontvangt, waardoor de motie nog steeds niet is uitgevoerd? Kunt u aangeven om welk misverstand het gaat?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de toezegging uw bovengenoemde brief van 27 november 2017 (Kamerstuk 34 352, nr. 74) dat de Kamer begin 2018 informatie zou krijgen over de uitvoering van de motie? Wanneer loopt «begin 2018» ten einde?
Zie antwoord vraag 1.
Welke communicatie heeft er plaatsgevonden over deze kwestie richting ouders van meervoudig gehandicapte kinderen?
Voorlichting en communicatie over de wijzigingen door UWV is onderdeel van de implementatie van de wijziging. Mijn departement is met UWV in gesprek over de wijze waarop de doelgroep het meest effectief kan worden benaderd.
Wanneer gaat u de motie uitvoeren en wanneer gaat u de Kamer daarover informeren?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat nog dit jaar meervoudig gehandicapte kinderen na hun achttiende verjaardag een Wajong-uitkering kunnen krijgen zonder dat zij daarvoor van school moeten gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u deze vragen binnen één week beantwoorden?
De uitvoering van de motie is betrokken in de kabinetsreactie op de beleidsdoorlichting Wajong. De kabinetsreactie heb ik aan u doen toekomen.
Het bericht ‘Nieuwbouw gebrekkig opgeleverd’ |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Nieuwbouw gebrekkig opgeleverd»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het artikel en de beschreven problematiek? Deelt u de zorgen van de Vereniging Eigen Huis (VEH)?
Het opleveren van woningen en bouwwerken conform de wensen van bouwconsumenten vind ik van groot belang. De keuringen van de Vereniging Eigen Huis zijn een nuttig instrument om inzicht te krijgen in de prestaties van de bouwbedrijven vanuit het perspectief van de consument. Het baart mij zorgen dat uit de keuringen een toename blijkt van gebreken bij oplevering van nieuwbouwwoningen. Ik ben van mening dat consumenten beter inzicht zouden moeten krijgen in de kwaliteit van het geleverde bouwproduct en dat zij een sterkere positie verdienen bij gebreken die pas na oplevering worden ontdekt.
Met het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen wil ik een impuls geven aan de verbetering van de bouwkwaliteit door de positie van bouwconsumenten te versterken, waaronder die van kopers van nieuwbouwwoningen, en de introductie van een nieuw stelsel van kwaliteitsborging waarbij de nadruk ligt op de toetsing of het gerede bouwwerk voldoet aan de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit 2012.
Heeft u cijfers of signalen die het gestegen aantal gebreken bevestigen? Zo ja, kunnen die gegeven worden?
Naast de gegevens van de keuringen van Vereniging Eigen Huis zijn mij geen andere gegevens bekend. Navraag bij de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland leert dat zij signalen krijgen dat het aantal fouten in de uitvoering toeneemt.
Kunt u ingaan op de door VEH en de Nederlandse vereniging van Makelaars (NVM) beschreven onderliggende problemen? Deelt u de mening dat de onderliggende reden het tekort aan personeel en materiaal is, waardoor het tekort aan huizen steeds verder oploopt?
Op regionaal niveau zijn er grote verschillen in zowel de mate waarin de woningbouwproductie aansluit of achterblijft bij de woningbehoefte als de knelpunten waar regio’s tegenaan lopen. Daarbij kunnen capaciteitstekorten een rol spelen, zoals tekorten aan bepaalde materialen, bouwvakkers, of en ambtelijke capaciteit bij gemeenten. Deze capaciteitstekorten zijn grotendeels het gevolg van de forse daling van de bouwproductie tijdens de crisis. Het opnieuw opbouwen van deze capaciteit vergt tijd. Maar ook andere knelpunten kunnen de woningbouw regionaal belemmeren. Zoals de Staat van de Volkshuisvesting aangeeft, bereikt het woningtekort naar verwachting in 2018–2019 met 200.000 woningen een piek. Daarna zal de verwachte bouwproductie groter zijn dan de groei van de woningbehoefte en neemt het woningtekort geleidelijk af.
In de Nationale woonagenda heb ik met betrokken partijen op landelijk niveau afgesproken te streven naar de bouw van 75.000 woningen per jaar in de periode tot en met 2025, waarmee het verwachte woningtekort gestaag zal dalen. Gezien de grote regionale verschillen voer ik daarbij regiogesprekken met regio’s waar de spanning op de woningmarkt het grootst is, om vooral in die regio’s te komen tot versnelling van de woningbouw en voldoende plancapaciteit. Daarbij bezie ik gezamenlijk met regionale partijen wat de voornaamste knelpunten in de woningbouw zijn, wat de oplossingen zijn, en wie daarbij welke verantwoordelijkheid heeft.
Ook bij de versnelling van het tempo in de bouw van nieuwbouwwoningen vind ik het zeer van belang dat de bouwkwaliteit van de woningen op peil blijft. De snelheid van bouwen mag niet ten koste gaan van de gerealiseerde bouwkwaliteit.
Hoe wordt geborgd dat mensen die een nieuwbouwwoning kopen in een veilig huis terechtkomen?
Allereerst wil ik aangeven dat het met de veiligheid van nieuwbouwwoningen in Nederland goed gesteld is. Een nieuwbouwwoning moet voldoen aan de bouwtechnische voorschriften voor bijvoorbeeld constructieve veiligheid en brandveiligheid die zijn beschreven in het Bouwbesluit 2012. De gemeenten toetsen of een bouwaanvraag aan het Bouwbesluit 2012 voldoet.
De opleveringskeuring van Verenging Eigen Huis is een visuele keuring van nieuwbouwwoningen. Zoals uit deze opleveringskeuringen blijkt, zijn er nog veel zichtbare gebreken bij oplevering en krijgt de consument niet vanzelfsprekend wat door aannemers is afgesproken. Naast deze zichtbare gebreken kunnen er ook onzichtbare gebreken zijn die niet bij oplevering zijn geconstateerd.
Om gebreken zoveel mogelijk tijdig op te merken is het van belang dat de bouwconsument zelf alert is en fouten die hij ontdekt snel bij de aannemer meldt. In artikel 7:758 van het Burgerlijk Wetboek is een regeling opgenomen over de aansprakelijkheid van de aannemer voor gebreken. Hierin is bepaald dat de aannemer niet aansprakelijk is voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Aanvullend kunnen er waarborg- en garantieregelingen gelden indien de aannemer daarbij is aangesloten.
De resultaten van de opleveringskeuringen door Vereniging Eigen Huis bevestigen voor mij nogmaals het belang dat het beter moet met de positie van de bouwconsument bij de oplevering van een bouwwerk zoals beoogd met het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen. In dit wetsvoorstel wordt de aansprakelijkheid van de aannemer aangescherpt. De aannemer wordt met deze nieuwe regeling aansprakelijk voor alle gebreken die na de oplevering worden ontdekt en die hem zijn toe te rekenen.
Op 23 mei jongstleden heb ik de Nationale woonagenda 2018–2021 aangeboden aan de Kamer. Deze agenda vormt mijn start om samen met betrokken partijen de uitdagingen op de woningmarkt aan te pakken. De acties in de Nationale woonagenda richten zich op de uitdagingen om tot een beter passend aanbod te komen, door onder meer de woningbouw te versnellen, de betaalbaarheid te verbeteren en de bestaande voorraad beter te benutten. Daarbij voer ik gesprekken in de regio’s met de meest gespannen woningmarkt, om ook regionaal die uitdagingen aan te gaan en aan te sluiten bij de grote regionale verschillen op de woningmarkt en het decentrale beleid. Op deze wijze beoog ik tot concrete afspraken te komen over het beschikbaar stellen van voldoende harde en zachte plancapaciteit en het versnellen van bestaande bouwplannen. Maar ook andere uitdagingen die onderdeel zijn van de Nationale woonagenda en die om regionaal beleid vragen, kunnen in deze gesprekken aan bod komen, evenals thema’s die de regio’s zelf aandragen. Ik beoog deze regiogesprekken in het najaar in afspraken om te zetten. Ondertussen zie ik in veel regio’s dat decentrale overheden de urgentie van de opgave delen en al volop bezig zijn om tot versnelling te komen. We hebben elkaar daarbij over en weer nodig.
Bestaat de kans dat er naast de zichtbare fouten, ook nog onzichtbare fouten zijn, waardoor kopers op langere termijn met onnodig kostbaar onderhoud worden geconfronteerd? Hoe wordt voorkomen dat door de drukte op de woningmarkt nu, huiseigenaren later geconfronteerd worden met hogere kosten voor reparatie, herstel of restauratie?
Zie antwoord vraag 5.
In hoeverre komt dit fenomeen overeen met de terugval in bouwkwaliteit die we in de jaren ’70 hebben gezien, zoals bijvoorbeeld beschreven in de Balans van de Leefomgeving 2016 van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)? Welke lessen zijn daar nog uit te trekken?
Ik realiseer mij dat de huidige bouwopgave waar we voor staan fors is, vergelijkbaar met de situatie in de jaren zeventig. Er wordt een flink beroep gedaan op de markt, doordat woningen verduurzaamd moeten worden en de vraag naar nieuwe woningen hoog is. De complexiteit van het bouwproces neemt toe. Het is niet onlogisch dat bouwbedrijven ervaring moeten opdoen met het verwerken van nieuwe technieken, bijvoorbeeld als gevolg van scherpere duurzaamheidseisen, alvorens zij dit foutloos kunnen toepassen. Dit hebben we inderdaad ook in de jaren zeventig gezien. Door de oliecrisis kwam er destijds een stevige impuls om meer energiezuinig te gaan bouwen. Hiervoor waren nieuwe energiebesparende technieken nodig die de markt zich eerst eigen moest maken. Daarnaast was er sprake van een hoge bouwproductie die druk legde op de beschikbare bouwcapaciteit. De les die hieruit getrokken kan worden, is dat het van belang is dat de bouwkwaliteit bij de versnelling en verduurzaming van de woningbouwopgave meer dan momenteel het geval is, ook in de praktijk moet worden aangetoond. Het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen introduceert een nieuw stelsel van kwaliteitsborging in de bouw waarbij expliciet getoetst wordt of het gerede bouwwerk voldoet aan de bouwtechnische voorschriften uit het Bouwbesluit 2012.
Welke rol kan de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen hierin spelen? Wat is de status van dat wetsvoorstel?
Het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen verduidelijkt de verantwoordelijkheid van de bouwende partijen voor de bouwkwaliteit. De preventieve administratieve toetsing door het bevoegd gezag bij de boordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt vervangen door het gebruik van instrumenten voor kwaliteitsborging tijdens het bouwproces zelf. Deze wet regelt dat er in de toekomst tijdens het gehele bouwproces door een onafhankelijke kwaliteitsborger wordt getoetst, zodat het vervaardigde bouwwerk bij oplevering voldoet aan regels en gemaakte afspraken.
Door middel van enkele wijzigingen in het Burgerlijk Wetboek wordt de positie van particuliere en zakelijke opdrachtgevers versterkt en de aansprakelijkheid van de aannemer aangescherpt. Zo blijft de aannemer aansprakelijk voor gebreken die na de oplevering zijn ontdekt, tenzij deze niet aan hem zijn toe te rekenen.
Ook informeert de aannemer de opdrachtgever over de manier waarop de opdrachtgever is beschermd tegen schade als gevolg van het niet nakomen van de verplichtingen tot het bouwen van het bouwwerk en voor gebreken die na de oplevering van het bouwwerk aan het licht komen. Daarbij wordt het opschortingsrecht van de particuliere opdrachtgever aangescherpt.
Het depotbedrag van maximaal 5% van de aanneemsom wordt pas door de notaris vrijgegeven, nadat de opdrachtgever de gelegenheid heeft gehad aan te geven of hij van het opschortingsrecht gebruikt wenst te maken. Het wetsvoorstel regelt verder dat de aannemer bij oplevering aan de opdrachtgever een dossier overhandigt met alle relevante gegevens van het werk. Momenteel voer ik met diverse bouw- en consumentenpartijen overleg over de vorm en inhoud van dit dossier. In aanvulling op dit wetsvoorstel, onderzoek ik hoe een benchmarksystematiek kan worden ingericht die het bouwconsumenten mogelijk maakt om op basis van ervaringen van derden een aannemer te zoeken, te vergelijken en te beoordelen.
Het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen is op verzoek van het kabinet aangehouden in de Eerste Kamer. De afgelopen periode heb ik intensief overleg gevoerd met direct betrokken partijen over hoe de behandeling van het wetsvoorstel Kwaliteitsborging voor het bouwen kan worden hervat. Op basis van deze gesprekken bereid ik momenteel een brief voor aan de Eerste Kamer, met afschrift aan de Tweede Kamer. Ik verwacht deze brief voor het zomerreces naar de Kamer te kunnen sturen.
Wat kunt u doen om te voorkomen dat nieuwbouwwoningen (steeds) gebrekkiger worden opgeleverd? Wat kunt u doen om de druk op de woningmarkt te verlichten?
Zie antwoord vraag 5.
Het artikel ‘Zó ‘helpt’ de televisie kwetsbare tieners’ |
|
Stieneke van der Graaf (CU), Lisa Westerveld (GL), Harry van der Molen (CDA), Joost Sneller (D66) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zó «helpt» de televisie kwetsbare tieners»?1
Ja.
Kunt u toelichten welke relevante wet- en regelgeving van toepassing is in dit artikel als het gaat om het toezicht en de controle op de (publieke) omroep BNNVARA in deze?
Voor media geldt de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van meningsuiting. Zo is in de Mediawet 2008 vastgelegd dat de omroepinstellingen (publiek én commercieel) zélf vorm en inhoud van hun media-aanbod bepalen, daar ook zelf verantwoordelijk voor zijn en dat er geen voorafgaand toezicht is op de inhoud van programma’s. De Mediawet 2008 bevat geen regels over de omgang met deelnemers aan programma’s.
Dit laat onverlet dat omroepen en programmamakers opereren in een maatschappelijke context en zich bewust moeten zijn van de impact die hun handelen op het publiek of deelnemers heeft. Zij hebben een verantwoordelijkheid om zorgvuldig om te gaan met mensen die deelnemen aan programma's. Uiteraard hebben ook deelnemers een eigen verantwoordelijkheid om af te wegen of zij wel of niet aan een dergelijk programma meewerken. Maar deelnemers kunnen soms in een afhankelijke positie terechtkomen of gebracht worden. Daar hoort geen misbruik van gemaakt te worden. BNNVARA heeft een eigen Mediacode, waarin gedragsregels staan voor de programmamakers. Zo mag effectbejag niet voorop staan. En mag bij het maken van reportages, verslagen, testen of portretten er geen eigen werkelijkheid gecreëerd worden.2
Bent u bereid samen met het College van Omroepen (CvO) en de NPO te bekijken hoe in de volgende Governancecode NPO een bepaling op te nemen die duidelijkere normen stelt voor gevallen zoals onderhavige, zeker als daarbij kwetsbare personen betrokken zijn, en de Kamer te rapporteren over uw gesprek?
Ik zal met de NPO en het CvO overleggen op welke manier zorgvuldige omgang met deelnemers aan programma’s onderdeel kan zijn van de gedragsregels, bijvoorbeeld via de governancecode of de programmastatuten van de omroepen, en of de ombudsman een rol kan krijgen. Ik zal uw Kamer hierover tegelijk met de mediabegrotingsbrief 2019 informeren.
Bent u bereid om samen met het CvO en de NPO te bekijken of de Ombudsman NPO ook de bevoegdheid kan krijgen om over niet-journalistieke programma’s te oordelen en de Kamer hierover te rapporteren?2
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht ‘Dodelijke bacterie rukt op in Nederland’ |
|
Antje Diertens (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dodelijke bacterie rukt op in Nederland»?1
Ja
Kunt u beschrijven hoe de situatie is ontstaan, dat bleek dat er te weinig vaccins aanwezig waren nadat het besluit was genomen om alle kinderen van 14 maanden en 14 jaar in te enten tegen Meningokokken? Is dat direct geconstateerd of pas onlangs?
Hoe schat u de risico’s in van het noodgedwongen later vaccineren van 14-jarigen?
De kans op meningokokkenziekte veroorzaakt door type W is in Nederland nog steeds erg klein. Op dit moment, medio 2018, zijn er iedere maand 10 tot 14 patiënten. Dat is minder dan één patiënt op iedere miljoen inwoners in Nederland. Een klein deel van deze patiënten betreft tieners.
Op basis van welke argumenten is besloten om de thans schaars beschikbare vaccins niet te gebruiken voor het Rijksvaccinatieprogramma, maar achter de hand te houden voor reizigers naar landen waar je niet binnenkomt zonder een Meningokokkenvaccinatie (zoals Saudi-Arabië, waar deze zomer veel mensen op bedevaart gaan)? Om hoeveel vaccins gaat het hier?
Het gaat bij vaccins voor reizigers om vaccins op de vrije markt. De overheid heeft hier geen bemoeienis mee. Voor het Rijksvaccinatieprogramma worden afspraken gemaakt met de producent van de vaccins. Dit staat los van verkrijgbaarheid op de vrije markt.
De maatregelen zoals deze nu worden genomen, vervanging van het vaccin bij kinderen van 14 maanden en invoering van een nieuwe vaccinatie voor 14-jarigen, zijn geadviseerd door het deskundigenberaad en zijn op dit moment de beste manier om te voorkomen dat de stijging van het aantal gevallen van meningokokken W doorzet3.
Vaccins die beschikbaar zijn op de vrije markt worden op aanvraag van diegene die zich wil laten vaccineren op indicatie door een arts toegediend. Het gaat hierbij om enkele duizenden vaccinaties per jaar bij mensen met een verminderd immuunsysteem of reizigers, waaronder ook de reizigers naar delen van Afrika en Saudi Arabië. Voor deze laatsten is op advies van de WHO deze vaccinatie verplicht gesteld.
Het aantal vaccins dat beschikbaar is op de vrije markt is maar een fractie van het aantal vaccins dat nodig is voor het vaccineren van een jaarcohort kinderen4.
Kunt u aangeven hoe de risicoafweging in deze gemaakt is?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het pleidooi van gemeenten voor een landelijk vuurwerkverbod |
|
Frank Wassenberg (PvdD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Regel vuurwerkverbod landelijk», waarin de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) pleit voor een landelijk vuurwerkverbod in plaats van individueel gemeentebeleid?1
Ja.
Is het waar dat het voorgenomen landelijk vuurwerkverbod van de baan is, ondanks het advies van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) om knalvuurwerk te verbieden? Zo ja, welke inhoudelijke argumenten voert u aan om dit belangrijke onderdeel van de OVV in de wind te slaan? Klopt het bericht dat u een algeheel vuurwerkverbod niet invoert omdat coalitiepartij VVD zich daartegen verzet?
In de brief met de landelijke aanpak jaarwisselingsproblematiek, die de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en ik mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 juni jl. aan uw Kamer hebben gestuurd, is aangegeven waarom wij ervoor hebben gekozen de aanbeveling van de OVV om te komen tot een verbod op vuurpijlen en knalvuurwerk nu niet uit te voeren. Kortheidshalve verwijs ik naar deze brief2, de daarin verwoorde motivering van het kabinetsstandpunt en hetgeen met uw Kamer is gewisseld in het debat van 20 juni jl.
Deelt u de mening van de VNG dat lokale maatregelen, zoals een gemeentelijk vuurwerkverbod of aangepaste afsteektijden, niet effectief zullen zijn vanwege het risico van het «waterbedeffect», waarbij overlast verplaatst wordt naar omliggende gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is in overleg met de VNG over de mogelijkheden om lokaal het afsteken van vuurwerk te reguleren. In dit overleg is alle ruimte om die aspecten, die de VNG bij haar standpunt heeft betrokken, nader toe te lichten en te bespreken. Daarbij zullen ook de toezeggingen aan de orde komen, die in het debat van 20 juni met uw Kamer zijn gedaan met betrekking tot mogelijkheden voor een lokaal afsteekverbod.
Deelt u de mening van de VNG dat een vuurwerkverbod alleen effectief is als het op landelijk niveau wordt ingevoerd en landsbreed geldt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om een algeheel vuurwerkverbod opnieuw als maatregel te overwegen? Zo nee, waarom niet?
Zoals in de brief van 8 juni jl. is gemeld, zal de effectiviteit van het pakket maatregelen uit de landelijke aanpak jaarwisselingsproblematiek voor het terugdringen van letsel en verstoringen van de openbare orde na de volgende jaarwisseling geëvalueerd worden. Mocht blijken dat deze maatregelen niet tot het gewenste resultaat leiden, dan is een verbod op bepaalde typen vuurwerk niet uitgesloten.