Het artikel ‘Inwoners grensdorp kunnen voordeur naar België verplaatsen: ’Ziektekosten, wegenbelasting en huur zijn lager’’ |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Bent u op de hoogte van berichtgeving over situaties in grensgemeenten, zoals in Baarle, waar een appartementencomplex zowel een Nederlandse als een Belgische voordeur heeft vanwege verschillen in regelgeving?1
Bent u op de hoogte van het feit dat aan de Nederlandse zijde van een dergelijk perceel geen extra woningen mochten worden gerealiseerd vanwege gemeentelijke regels, terwijl dit aan de Belgische zijde wél mogelijk bleek?
Deelt u de opvatting dat dergelijke casussen illustreren dat regelgeving in Nederland knellender kan uitpakken dan in buurlanden en daarmee ongewenste prikkels creëert? Is het mogelijk dat dergelijke regels ontstaan zijn in de jaren dat Nederland nog dacht te krimpen?
Wat vindt u van het feit dat beperkingen worden gesteld, zoals maximale bouwhoogtes, bebouwingspercentages en functiebestemmingen, die het realiseren van extra woningen kunnen beperken of uitsluiten?
Hoe beoordeelt u het dat gemeenten via deze planregels feitelijk kunnen voorkomen dat extra woningen worden toegevoegd, ook in gebieden met een groot woningtekort?
Deelt u de opvatting dat procedures, die in de praktijk maanden tot jaren kunnen duren, een rem zetten op het tempo waarin nieuwe woningen worden gerealiseerd?
Hoe beoordeelt u de stapeling van regels uit omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen en Algemene Plaatselijke Verordeningen in relatie tot de nationale woningbouwopgave?
Hoe beoordeelt u het risico dat vergelijkbare woninginitiatieven in de ene gemeente wel en in de andere gemeente niet mogelijk zijn vanwege lokaal beleid?
Kunt u aangeven hoe vergunningplichten voor het splitsen, samenvoegen of verkameren van woningen ertoe leiden dat het aantal feitelijk beschikbare woonruimten wordt beperkt? Hoe komen we daarvan af?
Kunt u een integraal overzicht geven van de relevante hervormingen, beleidswijzigingen en regelgeving van de afgelopen decennia (waaronder veranderingen in de invullingsvrijheid van bestemmings- en omgevingsplannen, huisvestingsverordeningen, vergunningplichten en bepalingen in Algemene Plaatselijke Verordeningen) die direct of indirect hebben bijgedragen aan het beperken van woningbouw en woningvorming, en daarmee aan het vastlopen van de woningmarkt?
Klopt het dat de regels die het aantal woningen in het bestemmings- of omgevingsplan niet laten toenemen, het splitsen van bestaande woningen beperken, wonen in bijgebouwen verbieden of wonen in aanbouwen verbieden het toevoegen van woningen bemoeilijken? Zijn er mogelijkheden om deze landelijk en generiek te schrappen? Zo ja, hoe? Bent u bereid dat te doen?
Welke maatregelen bent u verder bereid te treffen om te voorkomen dat lokale regelgeving het realiseren van extra woningen onnodig belemmert? En op welke termijn zijn deze maatregelen te verwachten? En neemt u in uw overwegingen het opleggen van een instructiebesluit mee? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe en binnen welke termijn?
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Het bericht 'Torenhoge salarissen omroepbazen stegen nóg verder, terwijl gewone medewerkers vrezen voor hun baan' |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat salarissen van omroepbestuurders sterker zijn gestegen dan die van het overige personeel terwijl tegelijkertijd sprake is van bezuinigingen en ontslagen?1
Deelt u de opvatting dat een dergelijke loonontwikkeling waarbij bestuurders relatief sterker vooruitgaan dan medewerkers een onwenselijk signaal afgeeft in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt deze ontwikkeling zich tot het uitgangspunt dat publieke middelen sober, doelmatig en maatschappelijk verantwoord moeten worden besteed?
Klopt het dat bestuurdersbeloningen veelal meestijgen met het maximum van de Wet normering topinkomens (WNT)? Acht u het wenselijk dat dit maximum in de praktijk als richtpunt fungeert in een sector die grotendeels met belastinggeld wordt gefinancierd?
Kunt u een overzicht geven van de verhouding tussen uitgaven aan bestuur, toezicht en management enerzijds en het programmabudget anderzijds over de afgelopen vijf jaar?
In hoeverre acht u het verdedigbaar dat bij bezuinigingen primair wordt gesneden in programmering en redactionele capaciteit terwijl bestuurlijke lagen relatief worden ontzien?
Deelt u de opvatting dat een publieke omroep bij bezuinigingen bij zichzelf dient te beginnen en dat dit impliceert dat ook de top van de organisatie naar rato bijdraagt aan besparingen? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre verwacht u dat de hervormingen binnen de publieke omroep leiden tot lagere overhead en een beperking van bestuurlijke kosten?
Waarom is er voor gekozen om pas in het vierde kwartaal van 2026 een voorstel te doen voor een benchmark voor overheadkosten? Waarom is er niet gekozen voor versnelling, gelet op de actuele maatschappelijke en politieke discussie over bezuinigingen en bestedingen binnen de publieke omroep?2
Kunt u uiteenzetten welke concrete definities en afbakeningen u hanteert voor «overhead» zodat inzichtelijk wordt welke kosten wel en niet onder deze toekomstige norm vallen?
Hoe wordt gewaarborgd dat de voorgenomen benchmark daadwerkelijk vergelijkbaarheid en transparantie oplevert tussen omroepen?
Waarom wilt u, gezien de aanzienlijke hoeveelheid publieke middelen, geen koppeling maken tussen bezuinigingen op het mediabudget en besparingen op bestuur en toezicht vanwege de onafhankelijkheid van de publieke omroep? Hoe voorkomt u in dat licht dat bezuinigingen in de praktijk onevenredig neerslaan bij programma’s en makers?
Welke andere instrumenten of prikkels ziet u om te bevorderen dat ook binnen bestuur, toezicht en management kritisch wordt gekeken naar kostenreductie?
In hoeverre acht u het voldoende dat bestuurdersbeloningen enkel worden begrensd via de WNT, gegeven het feit dat binnen dat kader alsnog sprake kan zijn van aanzienlijke salarisstijgingen?
Tot hoe ver reikt de onafhankelijkheid van de NPO wanneer het gaat over de invulling van bezuinigingen? Waar zit de grens voor u om te besluiten in te grijpen bij disproportionele salarissen/beloningen van individuele medewerkers, bestuurders of toezichthouders?
Deelt u de opvatting dat het ontbreken van een koppeling tussen bezuinigingen en de bijdrage van de bestuurlijke top het risico vergroot dat het draagvlak voor de publieke omroep onder druk komt te staan?
Hoe verhoudt uw standpunt dat de overheid geen partij is bij individuele beloningsafspraken zich tot de systeemverantwoordelijkheid voor doelmatige besteding van publieke middelen?
Kunt u toelichten hoe de Kamer tijdig wordt betrokken bij de uitwerking van de overheadnorm en de onderliggende keuzes?
Bent u bereid om, vooruitlopend op de definitieve benchmark, tussentijds inzicht te geven in de huidige overheadpercentages en mogelijke bandbreedtes voor een norm?
De uitspraken van de minister tijdens het commissiedebat Ouderenzorg (incl. ouderenhuisvesting) op 4 juni 2026 |
|
Mona Keijzer |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gesteld dat er circa € 7 miljard beschikbaar is voor onder andere ouderenhuisvesting?
Klopt het dat deze middelen onderdeel zijn van een bredere investering in betaalbare woningbouw en niet specifiek zijn geoormerkt voor ouderenhuisvesting?
Bent u ervan op de hoogte dat deze middelen pas vanaf 2029 beschikbaar zijn (€ 1 miljard per jaar in de periode 2029 t/m 2035) en dus slechts beperkt doorwerken richting 2030? En klopt het dat dit kabinet deze middelen in de budgettaire bijlage feitelijk alleen t/m 2030 heeft staan en niet verder heeft doorberekend?
Hoe reflecteert u, in het licht van het voorgaande, op uw uitspraken dat er «miljarden beschikbaar zijn» voor ouderenhuisvesting, terwijl deze middelen grotendeels na 2029 beschikbaar komen?
Bent u, gelet op het voorgaande, bereid uw uitspraken over de beschikbaarheid van «miljarden» voor ouderenhuisvesting te rectificeren en in uw beantwoording helder en feitelijk uiteen te zetten welke middelen er daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030? En hoeveel er in totaal beschikbaar is ná 2030 en per jaar?
Klopt het dat het grootste deel van de € 5 miljard voor woningbouw van het vorige kabinet niet naar ouderenhuisvesting is gegaan, omdat daarvoor een separate ouderenenveloppe bestond? En zo ja, waarom verwacht u dat de huidige middelen voor betaalbare woningbouw wél substantieel ten goede zullen komen aan ouderenhuisvesting?
Waar in de Voorjaarsnota of suppletoire begroting is de genoemde € 80 miljoen voor de Stimuleringsregeling Zorggeschikte Woningen (SZGW) terug te vinden? En indien deze middelen niet expliciet terug te vinden zijn, hoe verklaart u dit en waarom presenteert het kabinet dit als reeds geregeld?
Kunt u toelichten welke financiële reeks u bedoelde in het debat en of dit bijvoorbeeld de € 40 miljoen voor «versterken wijken en buurten» betreft? En zo ja, hoeveel draagt dit bij aan de doelstelling van 290.000 woningen?
Kunt u bevestigen dat dit kabinet middelen uit de resterende enveloppe voor ouderenzorg heeft laten vrijvallen en dat deze daarmee niet langer beschikbaar zijn voor ouderenhuisvesting? En klopt het dat de omvang van deze vrijval in de jaren 2026–2030 in totaal rond de € 1 miljard is?
Hoeveel ouderenwoningen kunnen volgens uw eigen ramingen worden gerealiseerd met de middelen die daadwerkelijk beschikbaar zijn tot en met 2030?
Hoe verhouden de structurele middelen van dit kabinet zich tot de structurele middelen uit het vorige kabinet? En hoe verhoudt dit aantal zich tot de verwachte realisatie op basis van de middelen van het vorige kabinet?
Klopt het dat de huidige realisatiegraad aanzienlijk achterblijft bij de benodigde jaarlijkse productie om de doelstelling te halen? In hoeverre acht u het realistisch dat de doelstelling van 290.000 ouderenwoningen in 2030 wordt gehaald gezien de huidige voortgang en financiële kaders van dit kabinet?
Kunt u toezeggen om bij de beantwoording van deze schriftelijke vragen een bijlage te voegen waarin alle middelen voor ouderenhuisvesting uit het coalitieakkoord, de vorige en huidige begrotingen en de suppletoire begrotingen integraal en inzichtelijk worden gemaakt, inclusief tijdpad en bestemming tot en met 2030?
Bent u bereid deze vragen afzonderlijk en binnen drie weken te beantwoorden?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Het Wetsvoorstel strafbaarstelling illegaal verblijf |
|
Mona Keijzer , Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aangenomen gewijzigde motie van de leden Keijzer en Markuszower over het met grote spoed naar de Kamer sturen van het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State en het wetsvoorstel inzake de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme (Kamerstuk 23 432, nr. 662)?
Kunt u toelichten waarom deze motie tot op heden nog niet is uitgevoerd en waarom het nader rapport en het wetsvoorstel nog niet aan de Tweede Kamer zijn toegezonden?
Deelt u de opvatting dat spoedige behandeling van het wetsvoorstel, gelet op de maatschappelijke en nationale veiligheidsbelangen, noodzakelijk is? Zo nee, waarom niet?
Op welke uiterste datum verwacht u het nader rapport en het wetsvoorstel aan de Tweede Kamer te sturen?
Bent u bereid deze vragen binnen enkele dagen te beantwoorden?
Burgemeesters die meedoen aan Nakba-herdenkingen |
|
Mona Keijzer , Annabel Nanninga (JA21), Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Enneüs Heerma (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de Utrechtse burgemeester Dijksma, met ambtsketen, samen met wethouder Voortman namens het college van B&W van de gemeente Utrecht een krans heeft gelegd bij een zogenoemde Nakba-herdenking op het Domplein, bij het verzetsmonument? En dat de (loco)burgemeesters van Amsterdam en Arnhem ook, met hun aanwezigheid danwel online, stilstonden bij een historisch onjuiste weergave van de zogenaamde «Nakba»?
Bent u ermee bekend dat de kransen die op 4 mei waren gelegd voor Nederlandse verzetsstrijders, bevrijders en slachtoffers van oorlog en Holocaust in Utrecht kennelijk moesten wijken en achter het monument op een hoop zijn beland?
Vindt u het normaal dat kransen voor verzetsstrijders en oorlogsslachtoffers nog geen twee weken na de Nationale Dodenherdenking worden weggekwakt om ruimte te maken voor een politieke herdenking over een buitenlands conflict?
Wie heeft hiertoe opdracht gegeven, wie was hiervoor verantwoordelijk en deelt u de mening dat dit nooit meer mag gebeuren?
Heeft u reeds contact gehad met het college van B&W van de gemeente Utrecht over de wijze waarop de 4 mei-kransen bij het verzetsmonument zijn behandeld?
Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het college van B&W van de gemeente Utrecht hierover alsnog om opheldering te vragen en de Kamer te informeren over de uitkomst?
Deelt u de mening dat een verzetsmonument geen podium is voor actuele geopolitieke campagnes, zeker niet wanneer daardoor de herdenking van Nederlandse verzetsstrijders en slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog letterlijk opzij wordt geschoven?
Valt het volgens u onder de taakopvatting van Nederlandse burgemeesters om buitenlandse gebeurtenissen en conflicten te herdenken, zoals de zogenaamde «Nakba»?
Zo ja, waarom herdenken burgemeesters dan niet ook de Holodomor, de Ierse Troubles, de val van Constantinopel, de Grieks-Turkse bevolkingsuitwisseling, de deling van India en Pakistan of de verdrijving van honderdduizenden Joden uit islamitische landen?
Zo nee, bent u bereid burgemeesters erop aan te spreken dat zij hun ambt niet moeten misbruiken om buitenlandse conflicten de Nederlandse samenleving binnen te trekken?
Deelt u de mening dat burgemeesters, die in Nederland al niet rechtstreeks democratisch gekozen worden, juist een extra zware verantwoordelijkheid hebben om zichtbaar boven de partijen te staan en er voor álle inwoners van hun gemeente te zijn?
Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot het optreden van burgemeesters rond een eenzijdige, historisch incorrecte zogenoemde «Nakba»-herdenking?
Vindt u het gepast dat een burgemeester in functie stilstaat bij een herdenking waarbij de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948 vanuit één politiek en inaccuraat perspectief wordt gepresenteerd?
Erkent u dat de zogenaamde «Nakba»-herdenking in deze vorm voor veel Joodse Nederlanders niet voelt als een neutrale herdenking, maar als een politieke aanklacht tegen het bestaansrecht van Israël?
Begrijpt u dat Joodse Nederlanders zich door dit optreden van burgemeesters gekleineerd, miskend en in de steek gelaten weten?
Deelt u onze zorg dat deze burgemeesters hiermee niet verbinden, maar polariseren?
Bent u bekend met het feit dat de organisator van de Utrechtse herdenking eerder een raadsvergadering in Utrecht verstoorde, waar de veiligheid dusdanig in het geding kwam, dat de politie moest ingrijpen?1
Vindt u het acceptabel dat een burgemeester zich voor het karretje laat spannen van dergelijke organisatoren?
Acht u het samenwerken met knokploegen zoals deze door de burgemeester bewust en dus kwalijk, of onbewust en dus bestuurlijk naïef?
Vindt u dat burgemeesters, voordat zij met ambtsketen bij dit soort bijeenkomsten verschijnen, ten minste behoren te weten wie de organisatoren, sprekers en betrokken netwerken zijn?
Heeft u zicht op welke organisaties en personen betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, vindt u dat wenselijk, gezien de aanwezigheid van lokale bestuurders in functie bij deze bijeenkomsten?
Bent u bereid dit alsnog te laten nagaan?
Heeft het kabinet zicht op eventuele verbanden tussen deze organisaties of personen en netwerken waarover de AIVD, politie of het Openbaar Ministerie (OM) zorgen hebben geuit?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Hoe verhoudt deelname van lokale bestuurders aan dergelijke bijeenkomsten zich tot de waarschuwing van de AIVD dat in Nederland een Hamas-netwerk actief is?
Bent u bereid gemeenten actief te waarschuwen voor het risico dat bestuurders worden ingezet als legitimatie voor radicale, extremistische of antisemitische agenda’s?
Heeft u zicht op de financiering van de organisaties die betrokken waren bij de zogenaamde «Nakba»-herdenkingen waarbij burgemeesters of wethouders aanwezig waren?
Zo nee, acht u dat verantwoord, gelet op recente zorgen over buitenlandse en/of extremistische beïnvloeding van anti-Israëlische activiteiten in Nederland?
Bent u bereid te laten nagaan of de betrokken organisaties direct of indirect financiële steun ontvangen uit het buitenland, van aan Hamas gelieerde netwerken, of van organisaties waarover de AIVD, politie of het OM zorgen hebben geuit?
Kunt u uitsluiten dat bij de organisatie, financiering of ondersteuning van deze herdenkingen sprake is geweest van beïnvloeding door extremistische, antisemitische of aan Hamas gelieerde netwerken?
Deelt u de mening dat de versie van de «Nakba» die in dit soort bijeenkomsten centraal staat vaak een eenzijdig en historisch verdraaid beeld geeft van 1948, waarbij de aanval van Arabische legers op de pas opgerichte staat Israël buiten beeld blijft?
Zo nee, waarom klopt volgens u dan deze versie van de historie van het gebied?
Deelt u de mening dat het buitengewoon kwalijk is als Nederlandse bestuurders deze eenzijdige geschiedschrijving bestuurlijk legitimeren?
Bent u bereid uit te spreken dat burgemeesters zich niet behoren te lenen voor herdenkingen die het conflict tussen Israël en Hamas importeren in Nederlandse gemeenten?
Deelt u de mening dat deze herdenkingen, zeker wanneer zij plaatsvinden bij oorlogsmonumenten, overbodig, polariserend en ongepast zijn?
Bent u bereid de betrokken burgemeesters aan te spreken op hun optreden en hun verantwoordelijkheid tegenover alle inwoners, waaronder nadrukkelijk ook de Joodse gemeenschap?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en volledig beantwoorden?
Het artikel ‘De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival’ |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival»?1
Klopt het dat de auteur van dit artikel in de aanloop naar het Eurovisie Songfestival meerdere schriftelijke vragen en verzoeken om opheldering heeft gericht aan AVROTROS, de Ombudsman van de NPO en het Commissariaat voor de Media, en dat deze niet, dan wel slechts summier of niet-inhoudelijk, zijn beantwoord?
Deelt u de opvatting dat het structureel uitstellen van inhoudelijke beantwoording tot nádat een boycotbeslissing feitelijk onomkeerbaar is geworden op gespannen voet staat met de beginselen van transparantie, publieke verantwoording en democratische controle van met belastinggeld gefinancierde instellingen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij politieke neutraliteit en pluriformiteit waarborgt, zoals bedoeld in de Mediawet, en hoe verhoudt een besluit om af te zien van deelname aan een cultureel evenement vanwege de deelname van een specifiek land zich volgens u tot die publieke taak?
Kunt u aangeven of er voorafgaand aan of tijdens de besluitvorming contacten zijn geweest tussen AVROTROS en/of de NPO enerzijds en activistische organisaties, NGO’s of lobbygroepen anderzijds over de deelname van Israël aan het Eurovisie Songfestival en zo ja, bent u bereid hierover volledige transparantie richting de Kamer te betrachten?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de publieke omroep enerzijds stelt principiële bezwaren te hebben tegen deelname aan het Eurovisie Songfestival, maar anderzijds het evenement wel blijft uitzenden en daarmee profiteert van kijkcijfers en advertentie-inkomsten? Acht u deze combinatie verenigbaar met de publieke voorbeeldfunctie van de omroep?
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te verzoeken te onderzoeken of de handelwijze van AVROTROS en de NPO in deze kwestie verenigbaar is met de Mediawet, in het bijzonder waar het gaat om onafhankelijkheid, politieke neutraliteit, gelijke behandeling en de publieke taakopvatting en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren?
Het bericht dat archieffragmenten van Pim Fortuyn zijn geblokkeerd en niet mogen worden uitgezonden |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt de bewering in de uitzending van Nieuws van de Dag van 6 mei 2026 dat een groot aantal archieffragmenten van Pim Fortuyn in televisiesystemen wel kan worden teruggevonden, maar niet (meer) mag worden uitgezonden?
Klopt het dat redacties bij het raadplegen van deze archieven worden geconfronteerd met een technische blokkade, waardoor uitzending van deze fragmenten slechts mogelijk is na aanvullende toestemming of helemaal niet is toegestaan?
Is het waar dat deze blokkades zijn aangebracht binnen systemen waarvan omroepen gebruikmaken, zoals het archiefsysteem van de NPO en/of het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid? Zo niet, om welk systeem gaat het dan?
Welke instanties of partijen hebben besloten tot het aanbrengen van deze blokkades bij archieffragmenten van Pim Fortuyn?
Is het waar dat het hierbij (mede) gaat om fragmenten met aantoonbare historische en politieke betekenis, waaronder interviews en debatmomenten uit de periode rond de opkomst van Pim Fortuyn?
Met welke reden of redenen zijn deze fragmenten geblokkeerd, en op basis van welk juridisch, beleidsmatig of contractueel kader is deze beslissing genomen?
Zijn er naast de in de uitzending genoemde fragmenten nog meer archiefbeelden van Pim Fortuyn die (gedeeltelijk) zijn geblokkeerd, en zo ja, kunt u aangeven om hoeveel fragmenten het gaat en op welke gronden deze zijn geblokkeerd?
Klopt het dat betrokkenen die in deze fragmenten voorkomen, via een systeem kunnen aangeven dat zij niet wensen dat bepaalde beelden opnieuw worden uitgezonden?
Indien de publieke omroep verantwoordelijk is voor het blokkeren van deze archieffragmenten, acht u deze handelwijze verenigbaar met de publieke taak van de publieke omroep om de Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis toegankelijk en inzichtelijk te maken?
Deelt u de mening dat historisch-politieke archieffragmenten die met publieke middelen zijn vervaardigd of beheerd, in beginsel vrij beschikbaar moeten zijn voor journalistieke en maatschappelijke duiding?
Deelt u de mening dat het structureel blokkeren van dergelijke fragmenten neerkomt op het beperken van het zicht op de Nederlandse politieke geschiedenis?
Kunt u toezeggen dat u zich actief zal inzetten om ervoor te zorgen dat archieffragmenten van Pim Fortuyn met historische en politieke betekenis weer zonder belemmeringen kunnen worden uitgezonden? Zo niet, waarom niet?
Het bericht ‘De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: ’Verdeeldheid in de samenleving’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «De invloed van het Hamasnetwerk op demonstraties in Nederland: «Verdeeldheid in de samenleving»»?1
Hoe verklaart u dat de betrokkenheid van netwerken gelieerd aan Hamas bij demonstraties in Nederland volgens de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) nu expliciet wordt benoemd, terwijl signalen hierover volgens berichtgeving al veel langer bekend zouden zijn?
Hoe kijkt u naar het feit dat eerdere Kamervragen over mogelijke buitenlandse beïnvloeding, aan Minister Robbert Dijkgraaf, destijds zijn beantwoord met de mededeling dat er geen signalen waren?2 Hoe verhoudt zich dat tot de huidige bevindingen?
Kunt u aangeven wanneer het kabinet voor het eerst kennis heeft genomen van deze (nieuwe) informatie en welke instanties (zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid, AIVD, Openbaar Ministerie of Inspectie) daarbij betrokken zijn geweest?
Indien dergelijke signalen al langer bestonden, waarom is de Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Kunt u aangeven welke landen, fondsen of organisaties betrokken zijn geweest bij financiële steun aan pro-Palestina-activiteiten, en via welke constructies of tussenpersonen deze middelen zijn verstrekt?
Bij welke universiteiten, studentenorganisaties, universitaire netwerken of andere organisaties is deze financiering (direct of indirect) terechtgekomen, en in welke omvang en periode?
In hoeverre is er bij deze financiering sprake geweest van voorwaarden, verwachtingen of ideologische sturing, bijvoorbeeld ten aanzien van politieke standpunten, campagnes, demonstraties of academische programma’s?
Acht u het aannemelijk dat buitenlandse financiering heeft bijgedragen aan radicalisering binnen (universitaire) gemeenschappen, aan de normalisering of legitimering van antisemitische uitingen onder het mom van activisme, en aan een aantasting van de academische vrijheid en de veiligheid van Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten?
Kunt u toelichten in hoeverre de informatiepositie van het kabinet ten aanzien van buitenlandse beïnvloeding en extremistische netwerken in de afgelopen jaren tekort is geschoten?
Kunt u toelichten op welke manier de aangenomen motie-Van Zanten (Kamerstuk 30 821, nr. 311) over onderzoeken in hoeverre pro-Palestijnse demonstraties op en via universiteiten worden gefinancierd door buitenlandse mogendheden is of wordt uitgevoerd?
Welke concrete maatregelen worden op dit moment door het kabinet genomen om buitenlandse financiering en beïnvloeding van pro-Palestina-activiteiten te signaleren, te monitoren en waar nodig te stoppen?
In hoeverre zijn Nederlandse universiteiten en andere onderwijsinstellingen volgens u kwetsbaar voor buitenlandse beïnvloeding via financiering, gastdocenten of samenwerkingsverbanden?
Welke concrete acties zijn sinds de ontvangen signalen over buitenlandse beïnvloeding daadwerkelijk ondernomen en kunt u per actie aangeven wat het doel, de reikwijdte en het resultaat is geweest?
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat Nederlandse organisaties, stichtingen of informele netwerken worden gebruikt voor de financiering van terroristische organisaties zoals Hamas?
Kunt u toelichten hoe toezicht wordt gehouden op geldstromen vanuit het buitenland richting maatschappelijke organisaties en activistische netwerken in Nederland?
U heeft eerder aangegeven dat dit onderwerp voor u topprioriteit is en dat u hier persoonlijk verantwoordelijkheid (chefsache) voor neemt; kunt u toelichten welke concrete stappen u sindsdien zelf heeft gezet en hoe uit uw handelen blijkt dat u hier daadwerkelijk de regie op voert?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Klopt het dat u tijdens het tweeminutendebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid d.d. 16 april 2026 instemmend heeft gereageerd op een opmerking van het lid Rooderkerk waarin werd gesteld dat in de uitwerking 1.1 van de gedragscode staat dat de wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk gericht is op waarheidsvinding?1
Ja.
Heeft u daarbij gedoeld op de passage «De wetenschapsbeoefenaar weet dat wetenschap uiteindelijk is gericht op waarheidsvinding en dat hij daarom bij de presentatie van de aard en reikwijdte van zijn resultaten zo precies mogelijk dient te zijn. Hij zal dus niet liegen over zijn bevindingen of over daaraan verbonden onzekerheden. Zorgvuldigheid strekt zich ook uit tot het presenteren van twijfels en contra indicaties»?
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat deze passage niet voorkomt in de geldende Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit, maar afkomstig is uit de oude Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) van de VSNU?2
Ja.
Klopt het dat in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit (2018) expliciet is opgenomen dat de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (herziening 2014) wordt ingetrokken?
Ja. Met de start van de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 (NGWI2018) is de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2014 (NGW2014) ingetrokken omdat duidelijk moet zijn welke code van toepassing is bij een eventuele klachtenprocedure. Om die reden is de NGW2014 van toepassing gebleven op voltooide onderzoeken voor de inwerkingtreding van de NGWI2018 en voor gestarte onderzoeksactiviteiten die bij de inwerkingtreding van de NGWI2018 nog niet waren voltooid.
Klopt het dat in de geldende versie van 2018 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» niet worden benoemd als normatief uitgangspunt en evenmin als zelfstandig kernbegrip worden gehanteerd?3
Ja. De Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit 2018 is opgebouwd langs vijf fundamentele principes: eerlijkheid, zorgvuldigheid, transparantie, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid en spreekt niet over normatieve uitgangspunten of kernbegrippen. Deze principes komen voor een groot deel overeen met de principes uit de NGW2014. In beide codes worden de principes verder uitgelegd, waarbij in de NGW2014 de woorden «objectiviteit» en «waarheidsvinding» gebruikt zijn. In de NGWI2018 is gekozen voor andere woorden om de principes uit te werken.
Hoe reflecteert u op het feit dat de Kamer is geïnformeerd op basis van een passage die niet voorkomt in de geldende gedragscode wetenschappelijke integriteit?
Mijn reactie ging in de snelheid van het debat, het ging inderdaad ten onrechte over de vorige versie.
Indien door deze Kamervragen vast komt te staan dat de woorden objectiviteit en waarheidsvinding niet voor komen in de vigerende gedragscode van 2018, bent u dan bereid de motie alsnog «Oordeel Kamer» te geven?
Ik ben niet bereid om de motie Oordeel Kamer te geven. In de motie wordt gevraagd om invloed uit te oefenen op de inhoud van de NGWI, vanwege de onafhankelijkheid van deze code heb ik daar als Minister geen invloed op. De NGWI is een code die door instellingen uit het veld zelf wordt opgesteld. Zij zijn verantwoordelijk voor het creëren van een werkomgeving waarin wetenschappelijke integriteit is geborgd.
Bent u bereid deze vragen uiterlijk 11 mei 2026 te beantwoorden?
Ja.
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Het bericht ‘Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25’ |
|
Mirjam Bikker (CU), Mona Keijzer , Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Hoogleraren kinderpsychiatrie: pauzeer euthanasiewens voor jongeren tot 25»1?
Wat is uw reactie op het Volkskrantartikel en het onderliggende wetenschappelijke artikel «Jongeren met een euthanasieverzoek op grond van psychisch lijden: «nu niet» als uitgangspunt» uit het Tijdschrift voor Psychiatrie?2
Herinnert u zich de aangenomen motie Bikker en Diederik van Dijk (Kamerstuk 36 624, nr. 9) die vraagt om het onderzoeken van een noodventiel in de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl), zodat bij onvoorziene ontwikkelingen een pas op de plaats mogelijk is, en uw reactie dat u geen reden ziet om een dergelijk noodventiel te onderzoeken? Geeft het advies van de hoogleraren aanleiding om uw oordeel te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Herinnert u zich de ingediende motie Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 624, nr. 5) die vroeg om een moratorium van drie jaar op euthanasie bij mensen tot 30 jaar die psychisch lijden en uw appreciatie dat een moratorium niet nodig is, omdat we in Nederland duidelijke zorgvuldigheidscriteria hebben en een zorgvuldige euthanasiepraktijk, en er grote terughoudendheid is naarmate de patiënt jonger is? Hoe rijmt u dat met de inzichten van de hoogleraren dat er meer nodig is dan de al bestaande «grote terughoudendheid»?
Is het verband tussen terughoudendheid bij een euthanasiewens en suïcide, zoals Kit Vanmechelen in het artikel benoemt, wetenschappelijk aangetoond?
Bent u het ermee eens dat het advies van de hoogleraren voor een «nu niet»-fase niet betekent dat psychiaters niets hoeven te doen, zoals in het artikel wordt gesuggereerd? Hoe zou u de «nu niet»-fase omschrijven?
Wat is uw reactie op de aanbeveling van de auteurs hoe «goede, beschikbare, menselijke en zorgvuldig georganiseerde zorg voor jongeren en hun naasten» te bereiken is? Herkent u de elementen die de auteurs aanhalen, namelijk «preventie, laagdrempelige zelfverwijzing, contact met ervaringsdeskundige jongeren en laagdrempelige toegang tot specialistische zorg», en een brede maatschappelijke discussie over de steeds hogere eisen die de samenleving stelt aan jongeren en volwassenen?3 Hoe geeft u uitvoering aan al deze genoemde elementen?
Wanneer wordt de nieuwe euthanasierichtlijn verwacht? Kunt u het proces schetsen hoe deze richtlijn tot stand is gekomen en hoeveel ruimte er was binnen de beroepsgroep voor verschillende inzichten? Is de richtlijn een weergave van een meerderheidsstandpunt?
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Voorop staat dat culturele instellingen zelf gaan over hun programmering, verhuur en richtlijnen die ze daarvoor hanteren. Naar ik begrijp heeft Het Concertgebouw ervoor gekozen om de richtlijnen aan te vullen zodat transparant is hoe de organisatie bepaalde toekomstige situaties weegt. Het gaat daarbij om keuzes die alle instellingen maken op basis van het profiel van de instelling. Instellingen zijn daar vrij in.
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Het Concertgebouw is een privaatrechtelijke onderneming. Ze zijn niet gebonden aan openbare consultaties om hun richtlijnen aan te passen.
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Culturele instellingen zijn vrij in het bepalen wat zij programmeren. Die vrijheid is belangrijk en hoort bij een open en democratische samenleving. Vanuit dat uitgangspunt gaan culturele instellingen dus ook over hun eigen programmering/samenwerkingen. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap staat voor deze artistieke vrijheid. Deze vrijheid is uiteraard wel begrensd daar waar de wet wordt overtreden. Keuzes in samenwerking mogen – ook door culturele instellingen – bijvoorbeeld nimmer gebaseerd zijn op gronden die wettelijk als discriminatie worden aangemerkt. In dat geval kan men aangifte doen. Ik kan als Minister echter niet op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Zie antwoord 2.
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
Het is aan de rechter om te beoordelen of Het Concertgebouw de wet overtreedt.
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Het is aan de rechter om te beoordelen of de richtlijnen verenigbaar zijn met de wettelijke non-discriminatienormen.
Wat betreft de Governance Code Cultuur: ik zie niet direct reden om aan te nemen dat de richtlijn hiermee in strijd is. De code doet geen uitspraken of aanbevelingen over specifieke zaken rond de bedrijfsvoering, zoals het opstellen van een huishoudelijk reglement. Ook stelt de code niet verplicht dat culturele instellingen met iedereen moeten samenwerken, of dat niemand mag worden buitengesloten op grond van bijvoorbeeld ethische overwegingen.
Overigens wil ik benadrukken dat de code is opgesteld door de sector zelf. Het is een richtlijn over de principes van goed bestuur en toezicht in de culturele en creatieve sector, alleen het onderschrijven hiervan is verplicht binnen de basisinfrastructuur voor de periode 2025–2029. De naleving is in beginsel niet juridisch afdwingbaar.
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Ik heb geen rol, noch bevoegdheid in de relatie tussen de gemeente Amsterdam en Het Concertgebouw. Interventie door de rijksoverheid in subsidierelaties tussen gemeenten en hun instellingen is bovendien onwenselijk, omdat het in strijd is met de bestuurlijke autonomie van de gemeente.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Zie antwoord vraag 9.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Zie antwoord op vraag 4.
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Als een rechter vaststelt dat een instelling die door mijn ministerie wordt gesubsidieerd in strijd met de wet handelt bij het uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten kan ik de subsidie (al dan niet gedeeltelijk) proberen in te trekken. Mijn ministerie heeft echter geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw. Dit is aldus niet aan de orde.
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Nee. Ik zie hier geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Zoals gezegd heb ik geen directe subsidierelatie met Het Concertgebouw.
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Nee. Ik heb geen subsidierelatie met het Concertgebouw en zie aldus ook geen rol of bevoegdheid voor mijzelf. Bovendien is het aan de rechter om vast te stellen of sprake is van een strafbaar feit. Het is m.i. onwenselijk en strijdig met onze democratische rechtsstaat als politici op de stoel van de rechter gaan zitten.
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
De middelen uit het gemeentefonds zijn vrij besteedbaar. Over de besteding van deze middelen hoeft dan ook geen verantwoording te worden afgelegd aan het Rijk. Het is aan het college van B&W om de subsidievoorwaarden te controleren. Het is aan de gemeenteraad om het college te controleren.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Zoals bij antwoord 16 aangegeven, dit is aan het college van B&W en de gemeenteraad.
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Op de gevel van een huisartsenpraktijk in Rotterdam, huisartsenpost Zuidplein, hangt een scherm. Het is goed te zien vanaf de straat. Op dat scherm verscheen in maart een videoclip. Het liedje uit de clip heeft als titel: «Boom, Boom, Tel Aviv». Een van de strofen uit het liedje luidt: «But humanity never expected good behavior from your Jews».
Dit bericht roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel.
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Wie de beelden aanstuurde, is voor het kabinet vooralsnog onduidelijk. Er is inmiddels een opsporingsonderzoek opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Vermoedelijk zal daaruit blijken wie de beelden aanstuurde. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Huisartsen moeten zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode is een leidraad voor het handelen van artsen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode is tot stand gekomen in nauw overleg met artsen, experts en andere stakeholders, zoals de Patiëntenfederatie Nederland.2 De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. In de tweede kernregel is opgenomen: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet».3
Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Ja.
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Zoals hierboven uitgelegd, moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. De gedragscode biedt artsen een leidraad voor het professionele handelen en maakt deel uit van de professionele standaard. De gedragscode bestaat uit vijftien kernregels. Zoals hierboven aangegeven, staat in de tweede kernregel: «Als arts draag je bij aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg. Je behandelt iedereen in gelijke gevallen gelijk en in ongelijke gevallen ongelijk, en je discrimineert dan ook niet». Dit betekent dat een huisarts ervoor moet zorgen dat patiënten zich veilig en welkom voelen in de praktijk. De praktijk moet toegankelijk zijn voor iedere patiënt, ongeacht diens godsdienst, afkomst, nationaliteit of politieke gezindheid.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» acht het kabinet volkomen onacceptabel. Een dergelijke videoclip kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk en kan daarmee de toegang tot zorg belemmeren.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en de veiligheid van de zorg. De naleving van professionele standaarden, waaronder de KNMG-gedragscode, maakt daar deel van uit.
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
De artseneed is een morele en ethische belofte. De artseneed is niet juridisch bindend. De bovengenoemde gedragscode van de KNMG is een leidraad voor het handelen van artsen. Die maakt deel uit van de professionele standaard.
Twee kernregels uit de gedragscode zijn hier relevant:
Kernregel 8 van de gedragscode geldt ook voor publieke uitingen.5 In de toelichting bij deze kernregel is opgenomen dat dit geldt voor uitingen zowel binnen de spreekkamer als voor uitingen daarbuiten, zoals in de media of in het maatschappelijk debat. Een arts heeft daarbij de verantwoordelijkheid om bij de eigen expertise te blijven en zich te onthouden van uitingen die buiten de eigen kennis en kunde vallen. De artsen-titel legt nu eenmaal gewicht in de schaal. In het algemeen wordt meer waarde toegekend aan een uitspraak van een arts vanuit diens professionele deskundigheid, zeker als die op zijn eigen werkterrein ligt. Het is daarom dat een arts zorgvuldig moet omgaan met (persoonlijke) uitingen en het verspreiden van informatie. De gedragscode is een leidraad van de beroepsgroep zelf en artsen kunnen daarop terugvallen en de gedragscode als ruggensteun gebruiken. Ook de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg kunnen de gedragscode betrekken bij het toetsen van het handelen van een arts, ongeacht of een arts lid is van de KNMG. Overigens geldt de gedragscode voor alle artsen die in het BIG-register zijn opgenomen.
Een videoclip met het liedje «Boom, Boom, Tel Aviv» roept afschuw op bij het kabinet. De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Het College van burgemeester en Wethouders van Rotterdam heeft in 2023 vragen beantwoord van de gemeenteraad over antiwesterse en pro-Palestijnse posts op de LinkedIn-pagina van Huisartsenpost Zuidplein.
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
In hoeverre buurtbewoners hebben geklaagd en bij wie, is het kabinet niet bekend. Wel is bekend dat er een opsporingsonderzoek is opgestart onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast heeft Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam een toezichtsonderzoek opgestart. Voor het plaatsen van een scherm aan een gevel is op grond van de Omgevingswet een vergunning vereist. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk.
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Patiënten die zich onveilig, ongewenst of bedreigd voelen, kunnen een melding doen bij het Landelijk Meldpunt Zorg van de IGJ. Zie: Ik heb een klacht | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
Daarnaast kunnen patiënten een klacht indienen bij de zorgaanbieder zelf. De zorgaanbieder is verplicht een schriftelijke regeling op te stellen voor een effectieve en laagdrempelige opvang en afhandeling van hem betreffende klachten.
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
De vertoning van een dergelijke videoclip op de gevel van een huisartsenpraktijk vindt het kabinet volkomen onacceptabel. Het kan een drempel opwerpen voor Rotterdammers om zich welkom te voelen als patiënt in de huisartsenpraktijk. Daarnaast hebben het bombarderen van Tel Aviv en een hatelijke boodschap over Joden niets te maken met huisartsenzorg.
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
De vertoning van beelden op een scherm aan de gevel van een huisartsenpraktijk moet aan diverse normen voldoen. Het kabinet acht deze normen voldoende. De vertoning mag allereerst niet strafbaar zijn. Of er sprake is van strafbaarheid wordt uitgezocht in het reeds opgestarte opsporingsonderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie. Na afronding van het opsporingsonderzoek zal de officier van justitie beslissen wat de volgende stap is.
Daarnaast is voor het plaatsen van een scherm aan een gevel een vergunning vereist. Dat is geregeld in de Omgevingswet. Een dergelijke vergunning blijkt echter niet aangevraagd te zijn voor het scherm op de huisartsenpraktijk. Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam heeft een toezichtsonderzoek opgestart.
Tot slot moeten huisartsen zich houden aan de gedragscode van Artsenfederatie KNMG. Die gedragscode maakt deel uit van de professionele standaard. De IGJ is op de hoogte van signalen over deze situatie en betrekt deze binnen haar toezicht op de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Ja.
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft in dit geval niet de bevoegdheid om bestuurlijke maatregelen te treffen. Toezichtsonderzoek en de eventuele beslissing om handhavingsmaatregelen te treffen is aan de toezichthouders: de IGJ en Bouw- en Woningtoezicht van de gemeente Rotterdam.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Ja, voor zover dat binnen de geldende wettelijke kaders mogelijk is, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door de IGJ of andere toezichthouders, evenals over eventuele maatregelen die naar aanleiding daarvan noodzakelijk worden geacht.
Thuisabortus.nl |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe online platform thuisabortus.nl, waarmee een aantal huisartsen online abortuspillen gaat voorschrijven?
Ja.
Deelt u de mening dat dit initiatief, gelet op het feit dat het gaat om het beëindigen van menselijk leven, alle perken te buiten gaat?
Het kabinet staat pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Vrouwen die abortuszorg nodig hebben in Nederland verdienen zorg en hulpverlening van hoge kwaliteit, waarbij alle wettelijke vereisten worden nageleefd. In abortusklinieken en in huisartsenpraktijken worden vrouwen zorgvuldig begeleid en behandeld. Op basis van wat nu bekend is, is het de vraag of diezelfde zorgvuldigheid kan worden geboden via een website als thuisabortus.nl. De signalen over thuisabortus.nl neemt het kabinet daarom serieus. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) onder de aandacht gebracht. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart.
Deelt u de grote zorgen dat een ingrijpende gebeurtenis als abortus hiermee grotendeels op afstand wordt georganiseerd? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling waarbij abortus steeds verder wordt verplaatst naar de privésfeer?
De Beleidsregel voorschrijven via internet en de Wet afbreking zwangerschap (Wafz) sluiten abortuszorg op afstand niet expliciet uit.1 Het is aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere algemene wetten en regels voor goede en veilige zorg. Op basis van wat nu bekend is, roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van deze zorgvuldigheidseisen.
Het is overigens niet nieuw dat abortus deels in de «privésfeer» plaatsvindt. Medicamenteuze zwangerschapsafbrekingen zijn al jarenlang onderdeel van de zorgvuldige abortuspraktijk in Nederland. Bij deze behandeling ondergaat een vrouw, na een consult in een abortuskliniek of bij de huisarts, de abortus grotendeels of geheel thuis.
Bent u bekend met de uitspraak van de toenmalige Minister van VWS in 2022 bij de behandeling van de initiatiefwet om de abortuspil bij de huisarts mogelijk te maken: «in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit [staan] in de weg dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt»?1 Hoe verhouden de activiteiten van thuisabortus.nl zich volgens u tot deze uitspraak?
Ja, het is mij bekend dat de toenmalige Minister is bevraagd over abortusmedicatie die online kon worden besteld. Uit de Handelingen van de eerste termijn van dat Kamerdebat3 blijkt dat de discussie destijds gericht was op online verkoop van abortusmedicatie zonder tussenkomst van een arts. Dit is in strijd met de eisen uit de Wafz en de Geneesmiddelenwet.
De werkwijze van thuisabortus.nl is anders. Een arts beoordeelt de aanvraag van de vrouw en kan vervolgens een recept voor de medicatie naar haar apotheek sturen. Er is hier dus wel tussenkomst van een arts, maar toch roept de werkwijze van thuisabortus.nl vragen op over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen. Toen het initiatief bekend werd, heeft het kabinet dit daarom direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de zorgvuldigheidseisen vanuit de Wet afbreking zwangerschap? Kunt u hierbij afzonderlijk ingaan op de zorgvuldigheidseisen zoals deze in de wet (artikel 6a, derde lid Wafz) en het onderliggende besluit zijn vastgelegd?
De Wafz bevat verschillende zorgvuldigheidseisen over hulpverlening, besluitvorming, informatievoorziening en nazorg. Het is belangrijk dat deze eisen worden nageleefd, zodat vrouwen in Nederland kunnen rekenen op zorgvuldige zorg van hoge kwaliteit.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de zorgvuldigheidseisen uit de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet bijvoorbeeld het afvinklijstje op thuisabortus.nl (de «akkoordverklaring») volgens u aan deze zorgvuldigheidseisen, met name als het gaat om de vraag ten aanzien van de vrijwilligheid van de abortus?
Zie antwoord vraag 5.
Op welke wijze wordt via online voorschrijven getoetst of daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie? Is dit juridisch houdbaar?
In de Wafz worden eisen gesteld die erop zien dat elk besluit tot een zwangerschapsafbreking zorgvuldig wordt genomen en dat de afbreking alleen wordt uitgevoerd «indien de noodsituatie van de vrouw deze onontkoombaar maakt.» Het is echter niet aan de arts om te toetsen óf er sprake is van een noodsituatie. De arts moet, «indien de vrouw van oordeel is dat haar noodsituatie niet op andere wijze kan worden beëindigd» zich ervan vergewissen dat de beslissing van de vrouw vrijwillig en zorgvuldig is genomen.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze zorgvuldigheidseisen. De IGJ heeft bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen.
Wat vindt u ervan dat thuisabortus.nl aangeeft dat niet voorkomen kan worden dat een vrouw een abortuspil besteld zonder dat zij zwanger is? Hoe wordt gecontroleerd dat de abortuspil wordt gebruikt door de persoon voor wie deze is voorgeschreven?
De werkwijze van thuisabortus.nl roept vragen op over de naleving van wettelijke zorgvuldigheidseisen. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Erkent u het risico dat abortuspillen via dergelijke platforms wordt doorgegeven aan derden of onder druk wordt gebruikt?
Zie antwoord vraag 8.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Beleidsregel Voorschrijven via het internet? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Op grond van de Beleidsregel voorschrijven via internet mogen zorgverleners, onder bepaalde voorwaarden, medicatie voorschrijven na contact met de patiënt via internet.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van deze beleidsregel. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Hoe wordt gewaarborgd dat abortussen via online verstrekte pillen volledig en correct worden geregistreerd in de nationale abortuscijfers?
Artsen die een zwangerschapsafbreking verrichten zijn verplicht om hierover gegevens te registreren en deze te rapporteren aan de IGJ. Dat geldt ook voor artsen die een recept voorschrijven via thuisabortus.nl.
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de registratieplicht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabrotus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Leidraad Huisartsenzorg bij een ongewenste zwangerschap? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Het is aan de IGJ om toe te zien op naleving van de beroepsrichtlijnen. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart naar thuisabortus.nl. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bekend met de kritiek van artsenkoepel KNMG op de werkwijze van thuisabortus.nl?2 Wat is uw reactie hierop?
Ja, de berichtgeving over de zienswijze van de KNMG is mij bekend. Het nieuwsbericht vermeldt dat de KNMG twijfelt aan de zorgvuldigheid en de juridische houdbaarheid. De KNMG vindt het onduidelijk of de werkwijze van thuisabortus.nl voldoet aan de Wafz. Zoals toegelicht in de antwoorden op bovenstaande vragen, roept de werkwijze van thuisabortus.nl ook vragen op bij het kabinet. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard een gesprek voeren met de zwangere vrouw, niet beschikbaar zijn voor nazorg bij complicaties en geen achterwacht hebben geregeld tijdens de avond-, nacht- en weekenduren?
In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan abortusartsen en huisartsen zich dienen te houden. Deze eisen zien onder andere op zorgvuldige besluitvorming en beschikbaarheid van nazorg. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Omdat de werkwijze van thuisabortus.nl vragen oproept over de naleving van de wettelijke zorgvuldigheidseisen, heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard om een zwangerschapsecho vragen? Bent u ermee bekend dat de abortuspil bijvoorbeeld niet gebruikt mag worden bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap? Hoe kunnen de huisartsen van thuisabortus.nl weten of er al dan niet sprake is van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap als er niet standaard een echo wordt geëist?
Bij abortuszorg door een huisarts wordt niet standaard een echo gemaakt. In de leidraad voor huisartsen staat dat een echo uitsluitend wordt aangeraden bij een vermoedelijke medische indicatie of als de zwangerschapstermijn niet betrouwbaar kan worden vastgesteld. Bij onzekerheid over de termijn of verhoogde kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap wordt een echo geadviseerd. De huisarts verwijst hiervoor door naar een andere zorgverlener. De werkwijze van thuisabortus.nl lijkt op dit punt dus niet af te wijken van abortuszorg zoals huisartsen die al leverden.
Het is niet aan mij om te beoordelen wanneer medische onderzoeken wel of niet standaard moeten worden aangeboden. Dit is bij uitstek een zorginhoudelijke afweging die zorgprofessionals moeten maken. De beroepsgroep van huisarten heeft bovengenoemde leidraad opgesteld op basis van wetenschappelijk onderzoek, kennis, ervaring en overleg met andere zorgverleners.
Kunt u aangeven hoe de activiteiten van thuisabortus.nl zich verhouden tot het strafrecht?
De strafuitsluitingsgrond in artikel 296, lid 5 van het Wetboek van Strafrecht stelt dat een huisarts een medicamenteuze zwangerschapsafbreking mag verrichten volgens de Wafz. In de Wafz staan verschillende zorgvuldigheidseisen waaraan de huisarts zich dient te houden. Het is heel belangrijk dat deze eisen, en andere wet- en regelgeving voor goede zorg, worden nageleefd. Zoals in eerdere antwoorden toegelicht, heeft het kabinet daar in het geval van thuisabortus.nl vragen over.
Of strafrechtelijke vervolging in een concreet geval aan de orde is, hangt sterk af van de specifieke omstandigheden bij die zwangerschapsafbreking. In algemene zin is het strafrecht geen voor de hand liggend instrument om naleving van zorgvuldigheidseisen te handhaven. Het OM heeft zich in het verleden uitsluitend gericht op ernstige misbruiksituaties, zoals gedwongen zwangerschapsafbrekingen door een partner (niet-arts). Als een arts mogelijk handelt in strijd met de Wafz, ligt handhaving in de eerste plaats bij de IGJ. Daarom heeft het kabinet dit initiatief direct bij de IGJ onder de aandacht gebracht.
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de activiteiten van thuisabortus.nl? Is de IGJ voornemens om in te grijpen?
Ja, direct nadat het kabinet hoorde dat thuisabortus.nl van start zou gaan heeft het dit bij de IGJ onder de aandacht gebracht. De IGJ is een onafhankelijke toezichthouder en geeft haar toezicht dus zelf vorm. Inmiddels heeft de IGJ bekendgemaakt dat zij, naar aanleiding van verschillende signalen, een onderzoek is gestart. Daarbij wordt gekeken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bereid om het online verstrekken van abortuspillen zo spoedig mogelijk juridisch onmogelijk te maken?
Volgens het huidige juridisch kader is het aan abortuszorgverleners om te beoordelen of en hoe abortuszorg op afstand verantwoord kan worden verleend. Zij moeten zich hierbij uiteraard houden aan de zorgvuldigheidseisen in de Wafz en andere relevante wet- en regelgeving voor goede en veilige zorg. Het is nu eerst aan de IGJ om te kijken of thuisabortus.nl zich houdt aan relevante wet- en regelgeving. Op de uitkomsten van het onderzoek kan het kabinet niet vooruitlopen. Zodra het kabinet iets kan zeggen over het onderzoek van de IGJ, zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.
Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2
Ja.
Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?
Ja, ik deel deze mening. Het WK-voetbal is een mooie gelegenheid om mensen te verbinden en gezamenlijke herinneringen te creëren. Het is belangrijk dat dit voor iedereen toegankelijk en beleefbaar is.
Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?
Het is aan het lokaal bestuur om de openbare orde en veiligheid rondom grote evenementen en sporttoernooien in goede banen te leiden. En daarbij puttend uit eerder opgedane ervaringen. Georganiseerde festiviteiten en pragmatische keuzes in sluitingstijden voor horeca kunnen bijdragen aan een geordend verloop van grote evenementen en sporttoernooien, maar ook de bron zijn van onrust. Dit kan per situatie en locatie verschillen. Het lokaal bestuur zal altijd, samen met de politie, de handhaving van de openbare orde bij de vergunningverlening bij grote evenementen en sporttoernooien, zoals een WK voetbal, betrekken en zo nodig de openbare orde handhaven.
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?
De regulering van openingstijden is een verantwoordelijkheid die bij het lokaal bestuur berust. Het is aan gemeenten om, in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen en hun eigen lokaal beleid, passende afwegingen te maken.
Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?
De Mediawet 2008 kent het zogenoemde dienstbaarheidsverbod. Op grond hiervan is het voor publieke omroepen verboden om bij te dragen aan het behalen van een meer dan normale winst of een concurrentievoordeel door commerciële partijen. Het dienstbaarheidsverbod is een uitwerking van het EU-verbod op ongeoorloofde staatssteun. De Europese Commissie heeft in 2010 bij de afronding van de staatssteunzaak over de financiering van de NPO aangegeven dat het dienstbaarheidsverbod belangrijk is om te zorgen dat de financiering van de publieke omroep conform de staatssteunregels verloopt en dat de publieke omroep zich marktconform gedraagt.3 Commerciële exploitatie van (sport)uitzendingen kan daarom niet kosteloos plaatsvinden. Voor vertoningen buiten de huiselijke kring moet een marktconforme vergoeding gevraagd worden. Daarnaast geeft de NOS aan dat in het contract met de FIFA staat dat voor vertoningen van WK-wedstrijden buiten de huiselijke kring een vergoeding gevraagd moet worden.
De vertoning van wedstrijden komt neer op openbaarmaking van auteursrechtelijk beschermd werk waarvoor Videma (de collectieve beheersorganisatie voor vertoningsrechten) de licentieverlening verzorgt namens rechthebbenden – in dit geval de NOS. De tarieven hiervoor zijn transparant en eenvoudig terug te vinden op de website van Videma. Voor het vertonen van wedstrijden in een publieke setting, zoals in cafés en op pleinen, gelden sinds het EK van 2024 aanzienlijk verlaagde tarieven. Deze verlaagde tarieven gelden in principe voor alle evenementmatige vertoningen buiten de huiselijke kring, behalve bij evenementenlocaties waar entree wordt gevraagd, bijvoorbeeld op een festival of in een stadion. In die situaties geldt het standaard evenemententarief.
Overigens hebben veel reguliere horecaondernemingen voor het vertonen van het WK-voetbal voldoende aan een zogenoemde doelgroeplicentie. Met deze licentie mogen ondernemers het hele jaar door televisiebeelden tonen van diverse omroepen waaronder ook alle wedstrijden van het WK-voetbal. Een onderneming tot bijvoorbeeld 50m2 horeca-oppervlakte betaalt hiervoor (bij eigen aanmelding) € 247,34 excl. BTW per jaar.
Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?
Alle WK-wedstrijden blijven voor iedereen gratis te bekijken via de publieke omroep, zowel op televisie als online. De bijdrage geldt, vanwege het hiervoor geschetste juridische kader alleen voor publieke vertoningen buiten de huiselijke kring zoals in horecagelegenheden, op pleinen of bij evenementen. Dergelijke vertoningen worden vaak georganiseerd door ondernemers omdat zij daarmee extra inkomsten kunnen genereren. In die gevallen wordt een marktconforme vergoeding gevraagd. Daarmee wijkt Nederland niet af. Het kijken buiten huiselijke kring is in onze buurlanden vaak ook niet gratis. Ook daar geldt dat er een bijdrage kan worden gevraagd voor evenementmatige vertoning van WK-wedstrijden.
Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?
(Horeca-)ondernemers hebben vele overwegingen om al dan niet activiteiten te organiseren rondom sporttoernooien of andere grote evenementen. Dat het daarbij slecht weer kan zijn is een van deze overwegingen. Of de kosten van een evenementenlicentie ondernemers ontmoedigt om activiteiten rondom het WK-voetbal te organiseren, is lastig te beoordelen. Er zijn immers ook allerlei andere kosten zoals de inkoop van bier of de inhuur van personeel en technische faciliteiten die bij slecht weer wellicht niet terugverdiend kunnen worden. Tegelijkertijd is het aannemelijk dat veel ondernemers, ondanks deze kosten en risico’s, toch besluiten activiteiten te organiseren wanneer zij daar voldoende vraag of omzetkansen zien.
Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?
Zie het antwoord op vraag 6. Dat er een vergoeding betaald moet worden als WK-wedstrijden commercieel door derden geëxploiteerd worden, volgt onder meer uit de Mediawet 2008 en de Europese staatssteunregels, alsmede uit contractuele afspraken met de FIFA.
Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?
Nee. Er worden momenteel geen aanvullende maatregelen genomen.
Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?
Nee. Gelet op de benodigde tijd voor nadere interdepartementale afstemming was het niet mogelijk om binnen de gebruikelijke termijn van antwoorden te voorzien. Conform de procedure is hiervoor reeds een uitstelbrief verzonden.
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?