Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Het Concertgebouw dat musici en orkesten weert die direct of indirect betrokkenheid hebben bij oorlogsmisdaden en genocide |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Klopt het dat het Concertgebouw nieuwe richtlijnen heeft ingevoerd waarbij artiesten, musici en orkesten kunnen worden geweerd indien zij (direct of indirect) betrokken zouden zijn bij discriminatie, geweld of ernstige schendingen van internationaal recht, waaronder oorlogsmisdaden en genocide?1
Hoe beoordeelt u dat Het Concertgebouw nieuwe richtlijnen hanteert waarbij artiesten, musici of complete orkesten kunnen worden geweerd op basis van vermeende betrokkenheid bij internationale misdrijven, zonder dat daar een juridisch oordeel of individueel onderzoek aan voorafgaat?
Klopt het dat deze richtlijnen zijn opgesteld naar aanleiding van activistische druk rondom het optreden van een cantor van het Israëlische leger en dat deze richtlijnen zonder openbare toelichting of consultatie zijn ingevoerd?
Acht u het passend dat een gesubsidieerde culturele instelling beleid formuleert dat in de praktijk kan leiden tot collectieve uitsluiting van artiesten uit bepaalde landen of culturele groepen en daarmee het risico loopt op discriminatoire besluitvorming of zelfs (juridisch relevante) groepsbelediging?
Kunt u toelichten op welke wijze een instelling als Het Concertgebouw, dat geen internationaal-juridische bevoegdheid heeft, kan vaststellen of een artiest schuldig is aan oorlogsmisdaden of misdrijven tegen de menselijkheid en ziet u risico’s in deze vorm van zelftoegeëigende morele rechtspraak?
Bent u het ermee eens dat dergelijke uitsluiting kan leiden tot (juridisch relevante) groepsbelediging, omdat hiermee een volledige bevolkingsgroep of nationale culturele sector collectief wordt weggezet als medeplichtig aan internationale misdrijven? Zo ja, overtreedt Het Concertgebouw hier dan niet gewoon de wet?
In hoeverre zijn deze richtlijnen verenigbaar met de wettelijke non-discriminatienormen en de Governance Code Cultuur?
Acht u het wenselijk dat een instelling die (zelfs beperkt) wordt gefinancierd met publieke middelen, circa 4% gemeentelijke subsidie, een politiek-activistische boycot kan effectueren, met verstrekkende maatschappelijke gevolgen?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat in de regeling Vierjarige subsidies Kunstenplan 2025–2028 van de gemeente Amsterdam staat dat subsidie wordt geweigerd of ingetrokken wanneer een instelling in strijd handelt met wet- of regelgeving en bent u het ermee eens dat deze richtlijnen strijdig zijn met deze subsidievoorwaarden, en dus een grond vormen voor ingrijpen richting Het Concertgebouw?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat Het Concertgebouw zich in de aanvraag van de subsidie presenteert als toegankelijk huis «voor alle Amsterdammers», met nadruk op diversiteit en inclusie en bent u bereid om tijdens een overleg met de gemeente Amsterdam te pleiten voor een onderzoek naar mogelijke schendingen van subsidievoorwaarden door Het Concertgebouw?
Kunt u toezeggen de gemeente Amsterdam expliciet te adviseren de subsidie te heroverwegen of in te trekken zodra wordt vastgesteld dat Het Concertgebouw met dit boycotbeleid buiten zijn statutaire doel treedt én in strijd handelt met de aan de subsidie verbonden normen van non-discriminatie en diversiteit en inclusie?
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat deze richtlijnen een precedent kunnen scheppen waardoor andere musea en culturele instellingen onder activistische druk vergelijkbare uitsluitingscriteria overnemen, met alle gevolgen voor artistieke vrijheid, publieke toegankelijkheid en maatschappelijke polarisatie?
Klopt het dat u bevoegd bent om in te grijpen wanneer gesubsidieerde instellingen handelen op een wijze die strijdig is met wettelijke normen en bent u bereid dit te doen wanneer blijkt dat Het Concertgebouw met deze richtlijnen de grenzen van non-discriminatie overschrijdt?
Ziet u aanleiding om Het Concertgebouw erop aan te spreken dat hun richtlijnen mogelijk buiten hun statutaire doelstelling vallen nu in de statuten van Het Concertgebouw is vastgelegd dat de instelling tot doel heeft het geven van concerten, het instandhouden van het gebouw en educatie en uitdrukkelijk géén taak heeft op het gebied van internationale politieke oordeelsvorming of sanctiebeleid?
Kunt u toezeggen te laten onderzoeken of de richtlijnen van Het Concertgebouw in strijd zijn met het discriminatieverbod en/of strafrechtelijke bepalingen rond groepsbelediging en de Kamer te informeren over de juridische beoordeling?
Kunt u toezeggen om bij gemeenten die, ondanks evidente schendingen van subsidievoorwaarden door musea of andere culturele instellingen, deze subsidies toch in stand houden, te onderzoeken op welke wijze kortingen op de algemene uitkering uit het Gemeentefonds kunnen worden gedaan?
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over eventuele uitkomsten van dergelijke onderzoeken en eventuele maatregelen, inclusief financiële consequenties voor Het Concertgebouw, indien blijkt dat de richtlijnen onrechtmatig of onwenselijk zijn?
Het bericht 'Rotterdamse huisartsenpost toont clip 'Boom Boom Tel Aviv' op groot scherm' |
|
Mona Keijzer , René Claassen (PVV) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat bij de huisartsenpost Rotterdam Zuidplein op een groot scherm een videoclip is vertoond waarin geweld wordt verheerlijkt, zoals te zien was op beelden die op sociale media circuleerden?1
Worden deze beelden door of namens deze huisartsenpost zelf aangestuurd of door een externe advertentiedienst?
Heeft deze huisartsenpost een verantwoordelijkheid om bij (potentiële) patiënten geen enkele zorg te laten ontstaan over de vraag dat ongeacht de herkomst of nationaliteit van een persoon deze kan rekenen op de best beschikbare zorg?
Deelt u de opvatting dat zorgverleners, en zorginstellingen in het bijzonder, een neutrale, veilige en niet-politieke omgeving moeten bieden aan alle patiënten, ongeacht herkomst, religie of politieke opvatting?
Hoe verhoudt het vertonen van een video waarin geweld wordt gevierd zich volgens u tot de professionele normen, zoals beschreven door de KNMG en in bredere zin in de medische beroepsethiek, waaronder het uitgangspunt dat artsen en zorginstellingen handelen op een wijze die geen schade toebrengt, vertrouwen wekt en respect voor iedere patiënt waarborgt?2
Kunt u bevestigen dat de Nederlandse artseneed, zoals opgenomen in de universitaire opleidingen sinds 2003, artsen onder meer verplicht tot het bevorderen van vertrouwen, het voorkomen van schade en het professioneel handelen in het belang van de patiënt? Acht u het vertonen van deze video in lijn met die eed en professionele verplichtingen?
Zijn er eerder uitingen op dit scherm geweest die vraagtekens zetten bij de genoemde normen die gelden voor leden van de medische beroepsgroepen?
Bent u ervan op de hoogte dat buurtbewoners inmiddels klachten hebben ingediend over het scherm en dat het scherm inmiddels is uitgezet? Worden deze klachten betrokken bij een onderzoek of bestuurlijke beoordeling?
Kunt u uiteenzetten welke mogelijkheden patiënten hebben om een formele klacht in te dienen wanneer zij zich door dergelijke politieke of gewelddadige boodschappen onveilig, ongewenst of bedreigd voelen bij het bezoeken van een huisartsenpost?
Kunt u toezeggen om deze situatie onder de aandacht te brengen van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)?
Wat vindt uzelf van het vertonen van deze videoboodschap boven een huisartsenpost in relatie tot de KNMG-gedragsregels en de medische beroepsethiek, inclusief de normen over neutraliteit, veiligheid en het vermijden van schade?
Welke voorwaarden gelden er voor met premie, c.q. belastinggeld, betaalde zorginstellingen ten aanzien van het gebruiken van publieke schermen of uitingen voor politieke, activerende of mogelijk polariserende boodschappen? Zijn deze waarborgen volgens u voldoende?
Deelt u de opvatting dat het vertonen van gewelddadige en polariserende content vanaf een zorginstelling niet alleen onverenigbaar is met de rol van een huisartsenpost, maar ook onwenselijk is in de openbare ruimte?
Welke bestuurlijke maatregelen acht u passend indien een zorginstelling (herhaaldelijk) uitingen verspreidt die angst of haat kunnen aanwakkeren in de openbare ruimte? Wordt daarbij ook de mogelijkheid betrokken van (tijdelijke) sluiting of het intrekken van vergunningen indien normen structureel worden overschreden?
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de uitkomsten van eventueel onderzoek door IGJ of andere toezichthouders, en over eventuele maatregelen die u naar aanleiding daarvan noodzakelijk acht?
Thuisabortus.nl |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwe online platform thuisabortus.nl, waarmee een aantal huisartsen online abortuspillen gaat voorschrijven?
Deelt u de mening dat dit initiatief, gelet op het feit dat het gaat om het beëindigen van menselijk leven, alle perken te buiten gaat?
Deelt u de grote zorgen dat een ingrijpende gebeurtenis als abortus hiermee grotendeels op afstand wordt georganiseerd? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling waarbij abortus steeds verder wordt verplaatst naar de privésfeer?
Bent u bekend met de uitspraak van de toenmalige Minister van VWS in 2022 bij de behandeling van de initiatiefwet om de abortuspil bij de huisarts mogelijk te maken: «in de Wet afbreking zwangerschap neergelegde eisen omtrent zorgvuldigheid en kwaliteit [staan] in de weg dat de abortuspil via het internet kan worden verstrekt»?1 Hoe verhouden de activiteiten van thuisabortus.nl zich volgens u tot deze uitspraak?
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de zorgvuldigheidseisen vanuit de Wet afbreking zwangerschap? Kunt u hierbij afzonderlijk ingaan op de zorgvuldigheidseisen zoals deze in de wet (artikel 6a, derde lid Wafz) en het onderliggende besluit zijn vastgelegd?
Voldoet bijvoorbeeld het afvinklijstje op thuisabortus.nl (de «akkoordverklaring») volgens u aan deze zorgvuldigheidseisen, met name als het gaat om de vraag ten aanzien van de vrijwilligheid van de abortus?
Op welke wijze wordt via online voorschrijven getoetst of daadwerkelijk sprake is van een noodsituatie? Is dit juridisch houdbaar?
Wat vindt u ervan dat thuisabortus.nl aangeeft dat niet voorkomen kan worden dat een vrouw een abortuspil besteld zonder dat zij zwanger is? Hoe wordt gecontroleerd dat de abortuspil wordt gebruikt door de persoon voor wie deze is voorgeschreven?
Erkent u het risico dat abortuspillen via dergelijke platforms wordt doorgegeven aan derden of onder druk wordt gebruikt?
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Beleidsregel Voorschrijven via het internet? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Hoe wordt gewaarborgd dat abortussen via online verstrekte pillen volledig en correct worden geregistreerd in de nationale abortuscijfers?
Voldoet de werkwijze van thuisabortus.nl volgens u aan de Leidraad Huisartsenzorg bij een ongewenste zwangerschap? Zo ja, kunt u dit uitleggen? Zo nee, wat voor consequenties heeft dit volgens u?
Bent u bekend met de kritiek van artsenkoepel KNMG op de werkwijze van thuisabortus.nl?2 Wat is uw reactie hierop?
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard een gesprek voeren met de zwangere vrouw, niet beschikbaar zijn voor nazorg bij complicaties en geen achterwacht hebben geregeld tijdens de avond-, nacht- en weekenduren?
Wat vindt u ervan dat de huisartsen van thuisabortus.nl niet standaard om een zwangerschapsecho vragen? Bent u ermee bekend dat de abortuspil bijvoorbeeld niet gebruikt mag worden bij een buitenbaarmoederlijke zwangerschap? Hoe kunnen de huisartsen van thuisabortus.nl weten of er al dan niet sprake is van een buitenbaarmoederlijke zwangerschap als er niet standaard een echo wordt geëist?
Kunt u aangeven hoe de activiteiten van thuisabortus.nl zich verhouden tot het strafrecht?
Bent u bereid om zo spoedig mogelijk met de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in gesprek te gaan over de activiteiten van thuisabortus.nl? Is de IGJ voornemens om in te grijpen?
Bent u bereid om het online verstrekken van abortuspillen zo spoedig mogelijk juridisch onmogelijk te maken?
Bent u bekend met het artikel «Opinie: «Laat de ondernemer scoren tijdens het WK voetbal»»?1
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Tweede Kamer wil NOS verbieden geld te vragen voor uitzenden WK-duels Oranje in cafés en op pleinen»?2
Deelt u de mening dat een groot sporttoernooi als het wereldkampioenschap (WK) voetbal het land bijeen brengt en dat het daarom belangrijk is dat er ruimte wordt geboden voor de beleving van zo’n toernooi?
Beaamt u dat het bieden van ruimte aan festiviteiten rondom sporttoernooien, zoals het aankomend WK-voetbal, de veiligheid kan vergroten, doordat supporters niet halverwege de wedstrijd gefrustreerd naar buiten worden gestuurd en er juist spreiding ontstaat bij het verlaten van cafés en evenementen?
Bent u bereid zich ervoor in te spannen dat aankomend WK-voetbal de leeuw niet in zijn hempje staat door ervoor te pleiten de openingstijden voor (horeca- en evenementen)ondernemers te verruimen als het Nederlands elftal speelt, bijvoorbeeld via de Vereniging Nederlandse Gemeenten of het samenwerkingsverband van grootte gemeenten (G40)?
Deelt u de mening dat het moeilijk uitlegbaar is dat er door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van programma’s die al met belastinggeld zijn verkregen of gemaakt?
Snapt u de verontwaardiging dat er in Nederland door ondernemers en instanties moet worden betaald voor het uitzenden van het EK- of WK-voetbal, terwijl dit in onze buurlanden (nagenoeg) gratis is?
Onderschrijft u de mening dat het belasten van het uitzenden van een sporttoernooi als het aanstaand WK-voetbal, ondernemers ontmoedigt hun nek uit te steken om leuke activiteiten rondom zo’n toernooi te organiseren, temeer omdat ondernemers óók voor de uitzendrechten moeten betalen als het regent en er dus veel minder bezoekers komen opdagen om de kosten terug te winnen?
Bent u bereid zo snel mogelijk met de NOS en eventueel andere relevante partijen in gesprek te treden met als doel de kosten voor het uitzenden van programma’s waar al belastinggeld mee gemoeid is, zoals het aanstaand WK-voetbal, blijvend af te schaffen?
Onderneemt u, bovenstaande buiten beschouwing gelaten, nog andere maatregelen om te voorkomen dat het midden- en kleinbedrijf aankomend WK-voetbal buitenspel staat en Oranjesupporters juist optimaal kunnen genieten?
Kunt u bovenstaande vragen, gezien de aanstaande start van het WK-voetbal, zo snel mogelijk en tenminste binnen de geldende beantwoordingstermijn beantwoorden?
De bekendheid en vindbaarheid van isolatiesubsidies en vertraging bij de isolatie van woningen. |
|
Henk Jumelet (CDA) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het opiniestuk «Overheden, wijs weg naar isolatiesubsidies»?1
Ja.
Klopt het dat gemeenten in totaal 1,5 miljard euro aan specifieke uitkeringen kunnen ontvangen voor de isolatie van 750.000 koopwoningen? Hoeveel van dit bedrag is tot op heden daadwerkelijk bij de gemeenten terechtgekomen en welk deel daarvan is al daadwerkelijk uitgegeven aan uitgevoerde isolatiemaatregelen? Klopt het tevens dat het deel van deze 1,5 miljard euro dat eind 2030 nog niet is besteed aan isolatie terug zal vloeien naar het Rijk?
Er is in totaal ruim 1,6 miljard euro beschikbaar gesteld aan gemeenten voor het isoleren van 750.000 koopwoningen en woningen in gemengde vereniging van eigenaars (VvE’s). Dit is onderdeel van de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma (NIP). Deze middelen zijn in drie tranches (in 2023, 2024 en 2025) al volledig uitgekeerd aan gemeenten, met de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie. Ook is een klein deel als onderdeel van de Energiearmoede middelen in 2022 (68,5 miljoen) al uitgekeerd.
Uit de meest recente verantwoording van de besteding van de Specifieke Uitkering Lokale aanpak isolatie, uit maart 2025, is op te maken dat er tot en met 2024 ongeveer 40 miljoen euro door gemeenten is uitgegeven. Meer recente cijfers over de bestedingen in 2025 zullen in juli 2026 door gemeenten worden aangeleverd. De uitvoeringstermijn voor de Specifieke uitkering loopt tot en met eind 2028, met twee keer een mogelijkheid voor een jaar verlenging. Middelen die niet tijdig of onrechtmatig zijn uitgegeven kunnen worden teruggevorderd en vloeien dan terug naar het Rijk.
Hoe verklaart u dat, ondanks aanvragen van gemeenten voor de isolatie van circa 500.000 woningen, tot nu toe slechts 21.823 woningen daadwerkelijk zijn geïsoleerd? Welke concrete oorzaken liggen ten grondslag aan deze achterblijvende realisatie?
Met de 1,6 miljard euro die aan gemeenten is toegekend zullen ongeveer 750.000 woningen worden geïsoleerd tot en met 2030. Tot maart 2025 waren er 20.191 woningen geïsoleerd. Ik verwacht uiterlijk eind maart meer recente cijfers en de verwachting is dat deze cijfers flink hoger zullen liggen.
In 2024 en 2025 zagen we dat gemeentes een aanloopperiode kenden om te komen tot aanbestedingen, samenwerkingen opbouwen en vertrouwen winnen van bewoners. Ik zie steeds meer goede voorbeelden in het gehele land. Belangrijke aandachtspunten blijven capaciteit, en daarnaast praktische vraagstukken rond het bereiken van de doelgroep, natuurvriendelijk isoleren, de complexiteit bij VvE’s, monitoring en het gebruik van persoonsgegevens.
Om gemeenten te helpen deze knelpunten op te lossen en de nodige versnelling op gang te brengen is vorig jaar 9 miljoen euro via de Specifieke uitkering isolatieopgave Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie
(SpUk isolatieopgave NPLW) uitgekeerd voor extra regionale ondersteuning. Hiermee kunnen regio’s gemeenten snel en praktisch ondersteunen die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt.
Wat doen gemeenten nu om kwetsbare bewoners zoveel mogelijk te ontzorgen tijdens het hele proces van verduurzamen van advies, financiering tot uitvoering?
Uit de rapportage Lokale Warmtetransitie in Beeld 20252 en gesprekken met gemeenten blijkt dat er advies en ondersteuning geboden wordt via fixteams, energiecoaches, energieadviseurs, lokale initiatieven, VvE-cursussen en collectieve inkoop acties. Ook wordt er financiële hulp geboden in de vorm van aanvullende subsidies, goedkope leningen, vouchers voor doe-het-zelvers en gratis isolatiemaatregelen voor bewoners in energiearmoede.
Voor veel huishoudens in energiearmoede is het van belang dat gemeenten in de isolatieaanpak ook samenwerken met het sociaal domein. Op deze manier lukt het om ook achter de voordeur te komen bij mensen, en zo uit te kunnen leggen wat deze aanpak voor hen kan opleveren. Gebruik maken van de netwerken in de wijk is ook van belang om de mensen te bereiken die hulp het hardste nodig hebben.
Aan het begin van het jaar is een aantal praktijkverhalen gepubliceerd op de website van de RVO waarin gemeenten die vorig jaar het verst waren met de lokale opgave hun aanpak delen.3 Zo zet de gemeente Nieuwkoop, die al een derde van de lokale opgave had afgerond, in op een energiebesparingsfonds, energiecoaches, wijkacties en persoonlijke begeleiding bij het isolatieproces.
In hoeverre deelt u de analyse uit het artikel dat het huidige stelsel van landelijke en lokale isolatiesubsidies versnipperd is, waardoor veel huiseigenaren niet weten welke regelingen er bestaan of dat zij landelijke en gemeentelijke subsidies kunnen stapelen?
Ik deel de analyse in zoverre dat het niet vanzelfsprekend is dat alle huishoudens op de hoogte zijn van de ondersteuning die voor hen beschikbaar is. Om verduurzaming te stimuleren is het van belang dat mensen de beschikbare subsidies weten te vinden en benutten. Vooral de doelgroep die extra ondersteuning het hardste nodig heeft.
Hier wordt zowel landelijk als lokaal op ingezet. Allereerst staan op verbeterjehuis.nl naast de landelijke ook lokale subsidies vermeld. Op lokaal niveau gebeurt er veel, via bijvoorbeeld lokale campagnes, adviseurs, coaches en energieloketten. Hierbij worden de mensen voor wie de aanvullende lokale subsidies bedoeld zijn, ook proactief benaderd. Naast advies en ondersteuning bij het verduurzamingsproces zelf, bieden veel gemeenten uitgebreide ondersteuning ook bij het aanvragen van de subsidies en financiering. Zo creëren gemeenten voor deze mensen één aanspreekpunt en worden landelijke en lokale subsidies bij elkaar gebracht.
Welke acties onderneemt u om de bekendheid, begrijpelijkheid en vindbaarheid van deze regelingen te vergroten, in het bijzonder voor minder zelfredzame en kwetsbare huiseigenaren?
Gemeenten communiceren in eerste instantie zelf rechtstreeks met de doelgroep die in aanmerking komt voor de lokale isolatieacties. Vaak gebeurt dit via lokale campagnes, brieven, huis aan huis bezoeken en keukentafelgesprekken. Samen met Milieu Centraal zijn hiervoor ter ondersteuning toolkits ontwikkeld.4
Daarnaast is op verbeterjehuis.nl informatie over zowel landelijke als lokale beschikbare subsidies te vinden via de energiesubsidiewijzer. Ook is er bij het laatste deel van de publiekscampagne «Wie isoleert profiteert» in 2025 aandacht besteed aan de lokale ondersteuning via energieloketten. Gemeenten konden bij deze campagne gebruik maken van de whitelabel communicatiematerialen. Dit zal in campagne van 2026 in de zomervakantie herhaald worden.
Milieu Centraal heeft tevens het energiehulpnetwerk opgericht met subsidie van de Minister van VRO om mensen te ondersteunen die de overheid doorgaans moeilijk weet te bereiken.5 Het energiehulpnetwerk biedt gemeenten en energiehulporganisaties een cultuur sensitieve en inclusieve aanpak voor bewoners met en zonder migratieachtergrond. Hierbij speelt de vertrouwde kring een belangrijke rol. Dit zijn mensen uit de directe omgeving van de huurder of huiseigenaar. Met deze aanpak worden ook moeilijk te bereiken doelgroepen geholpen. Het energiehulpnetwerk is een samenwerking tussen Milieu Centraal, de Nederlandse Schuldhulproute en de Alliantie Inclusieve Energietransitie. Het netwerk bereikt momenteel ruim 200 aangesloten gemeenten en meer dan 230 energiehulporganisaties.
Daarnaast biedt Milieu Centraal gemeenten ondersteuning bij het opzetten van een VvE-aanpak. Door middel van een-op-een adviestrajecten, via een kennisbank voor VvE Professionals en via opleidingsdagen.6 Bij de ondersteuning is in het bijzonder oog voor het in kaart brengen, bereiken en helpen van kwetsbare doelgroepen die in een VvE wonen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat bestaande informatievoorziening, zoals de Energiesubsidiewijzer, geen volledig en actueel overzicht biedt van alle beschikbare landelijke en lokale subsidies? Welke stappen worden gezet om te komen tot één integraal en betrouwbaar overzicht van subsidiemogelijkheden?
Uitgebreide informatie over alle landelijke subsidies en financieringsmogelijkheden is beschikbaar via verbeterjehuis.nl en in de energiesubsidiewijzer. Ook lokale subsidies zijn te vinden in deze energiesubsidiewijzer. Doordat gemeenten regelmatig lokale subsidies openstellen of wijzigen kan het zijn dat dit overzicht niet altijd volledig is. Milieu Centraal voert daarom regelmatig verbeteringen door in de energiesubsidiewijzer om te zorgen dat de informatie zo accuraat mogelijk blijft. Sinds kort wordt daarbij gebruik gemaakt van een geautomatiseerd systeem welke alle relevante overheids- en gemeentewebsites controleert voor nieuwe of gewijzigde subsidies, zodat deze kunnen worden toegevoegd.
Daarnaast zijn ook de lokale energieloketten terug te vinden op verbeterjehuis.nl en kunnen zowel huurders als woningeigenaren gebruik maken van de energiehulp tool om hulp en advies in hun buurt te vinden.7 Halverwege maart lanceert Milieu Centraal de helpdesk voor VvE's, waar mensen met specifieke subsidievragen terecht kunnen, zowel telefonisch als per mail.
Op welke wijze wilt u bevorderen dat er meer uniformiteit komt in uitvoering en dat ondersteuning niet afhankelijk is van één commerciële partij per gemeente?
De lokale aanpak biedt gemeenten vrijheid om hun eigen isolatieaanpak te ontwikkelen, zodat de ondersteuning aansluit bij de uiteenlopende behoeften van hun inwoners in hun wijken en dorpen. Bijvoorbeeld door hun plannen af te stemmen op bestaande lokale initiatieven en specifieke doelgroepen en de warmteprogramma’s. Ik zal gemeenten daarom niet beperken in de manier waarop ze hun rol bij de lokale isolatieopgave invullen of in de afspraken die ze maken met private partijen. Wel weet ik dat veel gemeenten voor verschillende onderdelen van hun aanpak al met diverse partijen samenwerken waaronder lokale initiatieven. Bij het wegvallen van één partij valt hierdoor meestal niet de gehele ondersteuningsaanpak weg.
Om deze risico’s verder te verkleinen en daarnaast versnelling mogelijk te maken, bied ik gemeenten ondersteuning en advies over de uitvoering via programma’s als Verbouwstromen, Actienetwerk Energiehulp en het NPLW. Zij richten zich op standaardisatie vertaald naar aanpakken en formats waar gemeenten en ook intermediairs gebruik van kunnen maken. Ook op het gebied van risico’s bij het opstellen van contracten en afspraken over de continuïteit van dienstverlening bij faillissement bestaat ondersteuning. Zo worden geleerde lessen benut en hoeven gemeenten niet het wiel zelf uit te vinden.
Welke mogelijkheden ziet u om de aanvraagprocedures en uitvoeringsvoorwaarden van de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) en gemeentelijke regelingen te harmoniseren en te vereenvoudigen, zodat versnippering tussen gemeenten wordt tegengegaan en kwetsbare huiseigenaren beter worden ontzorgd? Hoe gaat u dit bewerkstelligen voordat de gelden na 2030 weer terugvloeien naar het Rijk?
De voorwaarden die gesteld worden aan de maatregelen zelf die kunnen worden gesubsidieerd in de Specifieke Uitkering Lokale Aanpak Isolatie (SpUk LAI) komen al geheel overeen met de ISDE en SVVE voorwaarden. Wel hebben gemeenten met de SpUk LAI ruimte om ook doe-het-zelf maatregelen te subsidiëren en om bij een beperkt aantal woningen maatregelen te treffen die niet voldoen aan de oppervlakte-eis. Hiermee kan een bredere groep geholpen worden in gevallen waar zelfs relatief lage investeringskosten een barrière kunnen vormen voor de verduurzaming.
Verder is het al enige tijd mogelijk om als gemeenten de ISDE-subsidie namens woningeigenaren aan te vragen en te ontvangen om zo volledige ontzorging te bieden aan huiseigenaren die extra ondersteuning nodig hebben. Daarnaast worden de landelijke regelingen en het aanvraagproces regelmatig geëvalueerd en aangepast om deze zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken.
Het onderbrengen van nareizigers in hotels door het COA |
|
Simon Ceulemans (JA21) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Kunt u nauwgezet aangeven welke stappen er gezet zijn door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en u sinds uw aankondiging in december rond het onderbrengen van nareizigers in hotels?1
Klopt het dat het COA voornemens is om deze of volgende week de eerste lichting nareizigers gaat onderbrengen in een hotel in de gemeente Schouwen-Duiveland?2 Zo nee, wanneer dan wel?
Kunt u de Kamer voorzien van een overzicht van voorgenomen plaatsingen die op dit moment bekend zijn en/of reeds verricht zijn? Zo nee, waarom niet?
Kunt u de Kamer tevens voorzien van alle communicatie vanuit het Rijk en/of het COA richting gemeenten over deze regeling?
Klopt het dat gemeenten hooguit geïnformeerd worden door het COA wanneer er nareizigers in een hotel worden ondergebracht, maar verder geen zeggenschap hebben?
Bij hoeveel procent van de nareizigers die u voornemens bent in hotels te plaatsen is er sprake van dat het nagereisde familielid al wel huisvesting heeft in de koppelgemeente, maar dat deze niet geschikt wordt geacht voor meerdere bewoners?
Wat wordt in dezen verstaan onder al dan niet geschikt voor meerdere bewoners? Welke criteria gelden hiervoor en wie bepaalt deze?
Deelt u de mening dat het onuitlegbaar is om nareizigers op kosten van de belastingbetaler onder te brengen in hotels wanneer hun familielid al huisvesting in diezelfde gemeente heeft, ook als die misschien niet ideaal is voor meerdere bewoners? Zo nee, waarom niet?
Waarom geeft u het COA expliciet de opdracht om nareizigers in hotels in of nabij de koppelgemeente te plaatsen, terwijl u op 23 september jl. in uw Kamerbrief nog sprak over intrekken door de nareizigers bij hun familielid of het samen met de gemeente zoeken naar andere huisvesting in de buurt (Kamerstuk 19 637, nr. 3476)? Deelt u de conclusie dat uw Kamerbrief op essentiële onderdelen afwijkt van de manier waarop deze regeling vervolgens is uitgerold?
Wat heeft u doen besluiten om de koers te verleggen naar onderbrengen van nareizigers in hotels buiten gemeenten om?
Wat is uw reactie geweest op gemeenten, waaronder in ieder geval de gemeente Castricum, die u hebben aangesproken op deze koerswijziging en de onduidelijkheid daaromtrent?
Wat zijn de totale voorziene kosten van deze hele operatie, inclusief het financieren van het hotelverblijf gedurende de eerste zes maanden door het COA?
Kunt u nauwgezet uiteenzetten hoe het semipermanent (ten minste een half jaar) huisvesten van nareizigers in hotels zich verhoudt tot landelijke en lokale wet- en regelgeving?
Wat is uw inschatting van de economische schade voor ondernemers in gemeenten waar hotelkamers worden gehuurd voor nareizigers in plaats van door toeristen en andere bezoekers?
Wat verwacht u van gemeenten met betrekking tot de financiering van de huisvesting van nareizigers in hotels wanneer het hen niet lukt om binnen zes maanden vervangende huisvesting voor hen te regelen?
Hoe verhoudt het onderbrengen van nareizigers in hotels zich tot de reguliere wettelijke taakstelling voor de huisvesting van statushouders? Deelt u de conclusie dat u met deze werkwijze de reguliere interventieladder omzeilt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke gronden denkt u dit te kunnen doen?
Deelt u de conclusie dat het buiten de gemeente om huisvesten van nareizigers in hotels een maatregel is die feitelijk neerkomt op indeplaatsstelling conform de hoogste trede op de interventieladder? Zo nee, waarom niet en wat is het verschil?
Indien u ook voornemens bent nareizigers te plaatsen in hotels in gemeenten die zich op een lagere trede van de interventieladder bevinden, erkent u dan dat u dergelijke gemeenten hiermee opzadelt met een bovenwettelijke last? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat deze maatregel opnieuw een schoolvoorbeeld is van dweilen met de kraan open? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de conclusie dat Nederland de 53.000 verzoeken om nareis die momenteel in de pijplijn zitten simpelweg niet aankan? Zo ja, bent u bereid om in navolging van Oostenrijk alle mogelijkheden aan te grijpen om nareis te stoppen, in plaats van de hotelbranche voor astronomische bedragen om te vormen tot onderdeel van het COA?
De miljoenen euro’s aan dwangsommen die worden uitgekeerd aan asielzoekers |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
David van Weel (VVD), Mona Keijzer |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van NOS van 14 januari jl., waaruit blijkt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) in 2024 in totaal 36,8 miljoen euro aan dwangsommen heeft uitgekeerd aan asielzoekers?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat voor miljoenen euro’s aan dwangsommen worden uitgekeerd aan asielzoekers en dat deze dwangsommen per zaak kunnen oplopen tot 37.000 euro?
Het is onwenselijk dat de kosten oplopen. Daarnaast is de lange wachttijd onwenselijk vanuit het perspectief van de aanvrager die recht heeft op tijdige behandeling van zijn of haar aanvraag.
De IND geeft bovendien aan dat dwangsomprocedures het proces niet bespoedigen. Het afschaffen van de rechterlijke dwangsom is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer. De maatregel kan direct na inwerkingtreding van de wet geïmplementeerd worden. Tot die tijd geef ik uitvoering aan bestaande wetgeving en daaruit volgende rechterlijke uitspraken.
Hoeveel heeft de IND in 2025 uitgekeerd aan dwangsommen en wat was het maximum per zaak?
De IND heeft in 2025 in totaal2 79 miljoen euro aan dwangsommen betaald. Het maximum per zaak is afhankelijk van de vraag of de vreemdeling wel of geen (opvolgend) «beroep niet tijdig beslissen (BNTB)» indient en wat de rechter in de individuele zaak aan dwangsom oplegt.
Voor wat betreft de zaken waarin de IND nog een bestuurlijke dwangsom op basis van ingebrekestelling (zonder tussenkomst van de rechter) moet uitbetalen3, bedraagt dit maximaal € 1.442,– per zaak. Voor wat betreft de rechterlijke dwangsom heeft de rechter de vrijheid om te bepalen hoe hoog de dwangsommen zijn, maar volgt daarbij normaliter de beleidslijnen die binnen de rechtspraak zijn afgesproken4.
Wanneer na een eerdere uitspraak (Beroep Niet Tijdig Beslissen – BNTB) nog steeds niet is beslist op de aanvraag, kan de vreemdeling een opvolgend BNTB indienen bij de rechtbank. Het aantal keer dat een vreemdeling een opvolgend BNTB kan indienen is – zolang niet is beslist op de aanvraag – niet aan een maximum verbonden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat asielzoekers tienduizenden euro’s kunnen ontvangen via dwangsommen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals aangegeven bij vraag 2 is het onwenselijk dat asielzoekers te maken hebben met lange wachttijden en draagt dit bij aan de inzet tot het afschaffen van de rechterlijke dwangsom.
Het gevolg daarvan is dat IND in gebreke kan worden gesteld en dat een beroep niet tijdig beslissen kan worden ingediend. Dit draagt niet bij aan het verkorten van de wachttijden en heeft oplopende kosten tot gevolg. De IND werkt hard aan het verminderen van de wachttijden en daarmee het beperken van de oplopende kosten.
Deelt u de opvatting, van zowel het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat de dwangsomregeling is bedoeld als bestuurlijke prikkel voor tijdige besluitvorming en niet als financiële tegemoetkoming of inkomensbron voor asielzoekers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, ik volg de lijn van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2026.
Deelt u de mening van de indiener dat de huidige dwangsomregeling een perverse prikkel kan vormen, waarbij het voor asielzoekers aantrekkelijk wordt om hun procedure zo veel mogelijk te dwarsbomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Op het moment dat aanvragers niet meewerken aan hun procedure kan dit reden tot afwijzing zijn. Gevallen waarbij de aanvrager de procedure vertraagt om een dwangsom te verbeuren zijn mij niet bekend. Indien dit zich wel zou voordoen kan de IND het besluit en daarmee de dwangsom onder (bij wet) bepaalde voorwaarden, zoals overmacht, toerekening of instemming opschorten.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen aan asielzoekers af te schaffen of in elk geval te verlagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen is onderdeel van de Asielnoodmaatregelenwet, die momenteel voorligt ter behandeling bij de Eerste Kamer.
Bent u bereid onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden om dwangsommen niet langer uit te keren aan asielzoekers, maar aan werkende Nederlanders in de vorm van een jaarlijkse belastingkorting? Kunt u uw antwoord toelichten?
Een onderzoek naar de vraag of een dergelijke handelwijze (juridisch) haalbaar is bevindt zich buiten mijn beleidsterrein. Daarnaast ligt het afschaffen van de rechterlijke dwangsommen ter behandeling voor bij de Eerste Kamer.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: ’Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen’' |
|
Peter de Groot (VVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Harde conclusies over Wet betaalbare huur van Hugo de Jonge: «Benadeelt huishoudens die geen huis kunnen kopen»»?1
Ja. Het artikel verwijst naar het rapport «perspectief op de woningmarkt» van het Centraal Planbureau (CPB). Het artikel uit de Telegraaf wijdt enkel uit over wat het rapport over de Wet betaalbare huur schrijft. De Wet betaalbare huur is slechts één van de maatregelen die in het rapport besproken wordt. De publicatie gaat in brede zin in op hoe de verdeling van woonruimte en het ontstaan van woningaanbod samenhangen, en hoe overheidsbeleid deze processen beïnvloedt. Het onderliggende uitgangspunt van het rapport is dat het verschil tussen insiders2 en outsiders3 op de woningmarkt moet worden verkleind. De onderzoekers concluderen dat dit het best kan worden gedaan door de voordelen van insiders af te schaffen en woningen bij te bouwen. Het rapport gaat in op hoe beleidsmaatregelen hieraan bij kunnen dragen, in zowel positieve als negatieve zin. In de koopsector ligt het volgens de onderzoekers voor de hand de subsidiering van de eigen woning te verminderen. In de sociale huur kunnen huishoudens met een hoger inkomen meer huur betalen. Ten aanzien van huurregulering geeft het rapport aan dat dit kan leiden tot een kleiner huuraanbod, wat nadelig is voor huishoudens die graag willen huren maar geen gereguleerde huurwoning kunnen vinden.
Kan u reflecteren op de conclusie van het Centraal Planbureau dat zonder aanpassingen van de Wet betaalbare huur de overheid de knip moet trekken omdat private investeringen in huurwoningen onaantrekkelijk zijn geworden?
In het rapport benoemen de onderzoekers dat woningen op binnenstedelijke locaties een hoge marktprijs hebben en alleen betaalbaar worden gebouwd doordat de prijs wordt gereguleerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld door een bepaald aandeel sociale of middenhuur te eisen. De waarde van de grond in deze binnenstedelijke gebieden is echter hoog, en huurregulering en/of betaalbaarheidseisen zorgen ervoor dat de projecten niet meer rendabel zijn. Daarom stelt het CPB dat er een overheidsbijdrage nodig is om betaalbare woningbouw op binnenstedelijke locaties van de grond te krijgen. Zonder overheidsbijdrage kunnen hier alleen woningen worden gerealiseerd als de nieuwbouw niet betaalbaar hoeft te zijn.
Er zijn meerdere manieren om de businesscase van de bouw van een betaalbare woning te verbeteren. Dit kan naast subsidies ook door verbetering van het investeringsklimaat (zowel huurregulering als fiscaliteit). Maar ook bijvoorbeeld het versnellen van processen en procedures, het verminderen van regels, standaardisatie en maatregelen op de grondmarkt kan de businesscase verbeteren. Woningbouwprojecten worden op verschillende manieren financieel ondersteund. Zo wordt de bouw van betaalbare woningen gestimuleerd door de realisatiestimulans en de woningbouwimpuls. Tegelijkertijd zijn er al maatregelen genomen om het investeringsklimaat te verbeteren en is in het coalitieakkoord afgesproken dat wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat wordt aangepast zodat het investeringsklimaat verder verbetert.
Deelt u de conclusie dat de invoering van de Wet betaalbare huur heeft gezorgd voor massale verkoop van huurwoningen door private verhuurders? Zo ja, kan u een overzicht geven van deze cijfers? Zo niet, kan u deze conclusie weerleggen met cijfers?
Ik erken dat de Wet betaalbare huur gevolgen kan hebben voor het rendement van de verhuurders die hierdoor hun huurprijs moesten verlagen. Als verhuurders door een lagere huurprijs hun huurwoning besluiten te verkopen, heeft dit effect op het aanbod. Tegelijkertijd is deze wet niet zonder reden ingevoerd. De aanleiding voor het wetsvoorstel was dat huurprijzen steeds verder stegen en het betaalbare middensegment steeds kleiner werd. In de memorie van toelichting bij de Wet betaalbare huur is uitgelicht dat woningen die voorheen middenhuur waren bij een bewonerswisseling steeds vaker in het vrije huursegment verhuurd werden, met name in de grote steden.4 Het vinden van een betaalbare huurwoning is daardoor voor middeninkomens steeds lastiger geworden. Daarom is in tijden van schaarste een vorm van overheidsregulering nodig.
Uiteraard moet er ook aandacht zijn voor de neveneffecten. Ik volg de ontwikkelingen van de transacties van huurwoningen nauw. Ik zie dat private verhuurders vaker hun huurwoningen verkopen als die vrijkomen. Uit cijfers van het Kadaster blijkt dat investeerders in heel 2025 circa 65.000 huurwoningen verkochten. Dit is zo’n 28% meer dan in 2024. Private investeerders verkochten vooral aan eigenaar-bewoners: 61% van deze woningen werd verkocht aan een eigenaar-bewoner. We zien dat koopstarters nu vaker hun slag slaan: 59% van de eigenaar-bewoners die een woning van een investeerder koopt is koopstarter. Als wordt gekeken naar het aankoopgedrag van private investeerders zien we dat deze groep in dezelfde periode circa 27.000 woningen aankocht. Dat is zo’n 17% meer dan in 2024. Daarnaast werden er door private verhuurders ongeveer 25.000 woningen toegevoegd door nieuwbouw en transformatie.
Hoewel het totaalaantal huurwoningen in de huursector in 2025 (privaat en woningcorporaties) stabiel is gebleven (+1.200 woningen), is de private huursector ten opzichte van 2024 met ongeveer 13.000 woningen gekrompen. Deze krimp heeft een negatief effect op het woningaanbod voor huurders in de private sector. Deze ontwikkeling vraagt om aandacht. Het is belangrijk dat er voldoende huurwoningen beschikbaar blijven. Deze ontwikkeling komt niet enkel door de Wet betaalbare huur. De afgelopen jaren zijn er verschillende huur- en fiscale maatregelen genomen, waardoor verhuren minder aantrekkelijk is geworden. Daarnaast leiden de vele beleidswijzigingen tot onzekerheid bij investeerders. Ook economische omstandigheden, zoals de gestegen rente, zorgen ervoor dat het minder aantrekkelijk is om te investeren in vastgoed. In het regeerakkoord is opgenomen dat het kabinet het investeringsklimaat wil verbeteren om het aanbod aan huurwoningen weer te laten toenemen. Ik kijk hierbij naar het fiscale klimaat en naar huurregelgeving. Ik wil al voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur in 2027 bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden, waarbij ik expliciet kijk naar de knelpunten die private verhuurders ervaren. In april zal ik uw Kamer informeren over de ontwikkelingen in de huursector en de invulling van de optimalisatie van de Wet betaalbare huur.
Wat vindt u van de conclusie dat lagere huurprijzen op korte termijn weinig betekenis hebben als er op lange termijn simpelweg geen huurwoningen meer beschikbaar zijn?
In de beantwoording van vraag 2 en 3 heb ik toegelicht dat de Wet betaalbare huur is ingevoerd omdat huurwoningen bij een bewonerswisseling steeds vaker duurder verhuurd worden en daarmee buiten het bereik komen van middeninkomen. Een vorm van overheidsregulering in tijden van deze schaarste is dus nodig. Tegelijkertijd onderschrijf ik dat het aanbod aan huurwoningen op peil moet blijven. Daarom is in regeerakkoord opgenomen dat het kabinet het investeringsklimaat wil verbeteren om het aanbod aan huurwoningen weer te laten toenemen. Dit doe ik onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Welke ontwikkeling ziet u in het aanbod huurwoningen in de middenhuursector, met name in binnenstedelijk gebied? Kan zij dit toelichten?
Ik heb geen cijfers van de ontwikkeling in het aanbod aan huurwoningen in de middenhuursector sinds invoering van de Wet betaalbare huur. De ontwikkeling van het aanbod zal worden meegenomen in de evaluatie van de wet.
Heeft u een voorkeur voor een goed werkend investeringsklimaat of subsidies om woningbouw mogelijk te maken, met name in binnenstedelijke gebieden? Kan u de keuze motiveren?
Er moeten snel meer betaalbare woningen worden gebouwd. Ik kies er daarom voor om financiële ondersteuning te verlenen aan woningbouwprojecten om meer betaalbare woningen mogelijk te maken zoals de realisatiestimulans en de woningbouwimpuls. En tegelijkertijd moeten we maatregelen nemen om het investeringsklimaat voor huurwoningen te verbeteren. In het coalitieakkoord is afgesproken dat de Wet betaalbare huur zal worden geoptimaliseerd. Het investeringsklimaat wordt echter niet alleen bepaald door huurregulering. Daarom kijkt dit kabinet naast huurregulering ook naar de fiscaliteit en andere maatregelen om het investeringsklimaat te verbeteren. Zo kan bijvoorbeeld ook door het versnellen van processen en procedures, het verminderen van regels, standaardisatie en maatregelen op de grondmarkt de businesscase verbeteren. De Taskforce Versnellen Woningbouw zal hier een belangrijke rol in spelen.
Hoe gaat u de conclusies van het Centraal Planbureau meenemen in de optimalisatie en evaluatie van de Wet betaalbare huur?
Het CPB gaat in op de neveneffecten die de Wet betaalbare huur heeft op het aanbod aan woningen. In de evaluatie zal ook worden gekeken naar de effecten van de Wet op het aanbod aan huurwoningen.
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van de Wet betaalbare huur verwachten?
In overeenstemming met de motie Van Rooijen5 wordt binnen drie jaar na inwerkingtreding een verslag aan de Kamers gezonden over de doeltreffendheid en effecten van de wet. Ik ben daarom voornemens u dit verslag in de zomer van 2027 toe te doen komen.
Deelt u de conclusie dat huishoudens met een middeninkomen – die niet in aanmerking komen voor sociale huur en geen koopwoning kunnen financieren – door de Wet betaalbare huur klem worden gezet? Waarom wel, waarom niet?
Zoals ik bij de beantwoording van vraag 2 en 3 heb toegelicht, zie ik dit anders. De Wet betaalbare huur is ingezet juist om iets te doen aan de trend dat huurwoningen die qua kwaliteit in het middensegment thuishoren, steeds vaker werden verhuurd voor een prijs boven het middensegment. Het vinden van een betaalbare huurwoning is daardoor voor middeninkomens steeds lastiger geworden. Daarom is in tijden van schaarste een vorm van overheidsregulering nodig. Dat nu verhuurders vaker kiezen voor het verkopen van hun huurwoning bij een bewonerswisseling komt niet enkel door de Wet betaalbare huur, maar door de combinatie van verschillende huur- en fiscale maatregelen en de veranderende (macro)economische omstandigheden. Ook het CPB-rapport benoemt dat er sprake is van een combinatie van strengere huurregelgeving en fiscale maatregelen die zorgt voor deze verkoop. Daarom is in het regeerakkoord opgenomen dat het kabinet gaat kijken naar het fiscale klimaat en naar de huurregelgeving, waarbij ik specifiek voor Wet betaalbare huur voorafgaand aan de evaluatie in 2027 ga bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd.
Klopt het dat de wachttijden en de concurrentie in het middenhuursegment zijn toegenomen sinds invoering van de wet? Zo ja, heeft u daar cijfers van? Zo niet, kan u dat antwoord met cijfers motiveren?
Ik heb geen inzicht in de mate waarop wachttijden en de concurrentie in het middensegment is toegenomen. Zoals bij vraag 8 benoemd zal de evaluatie naar de Wet betaalbare huur binnen afzienbare tijd starten. Deze evaluatie zal meer inzicht geven in de ontwikkelingen en effecten van de wet.
Deelt u de mening dat deze wet vooral zittende huurders beschermt, maar woningzoekenden benadeelt?
Voor deze vraag verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 9.
Welke concrete aanpassingen aan de Wet betaalbare huur zouden volgens u het verstoorde investeringsklimaat op de huurmarkt kunnen herstellen?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet de wet- en regelgeving alsmede het fiscale klimaat op de huurmarkt zodanig vormgeeft dat het investeringsklimaat verbetert en het aanbod van huurwoningen weer kan toenemen. Voorafgaand aan de evaluatie van de Wet betaalbare huur in 2027 ga ik bekijken op welke punten de wet kan worden geoptimaliseerd om het aanbod van huurwoningen op peil te houden. In april zal ik uw Kamer verder informeren over de ontwikkelingen in de huursector en de optimalisatie van de Wet betaalbare huur. Zoals eerder gezegd kijk ik ook breder naar het verbeteren van het investeringsklimaat. Dit doe ik onder andere in de Taskforce Versnellen Woningbouw.
Kan u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
De onrust onder inwoners van Moerdijk. |
|
Ani Zalinyan (GroenLinks-PvdA) |
|
Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Moerdijk leeft tussen hoop en vrees: «Ik heb hier huilende mensen gehad»» op Omroep Brabant?1
Deelt u de opvatting dat langdurige bestuurlijke onzekerheid over het voortbestaan van een dorp diep ingrijpt in het dagelijks leven van inwoners en dat het Rijk hierin een eigen verantwoordelijkheid heeft, nu het mede-initiatiefnemer is van de gebiedsontwikkeling?
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de inwoners van Moerdijk als gevolg van het handelen van de Rijksoverheid nog langer in onzekerheid blijven?
Welke stappen onderneemt u, vooruitlopend op een principebesluit, om de spanning en onzekerheid van de inwoners van Moerdijk te verzachten en rechtszekerheid en duidelijkheid voor inwoners te vergroten om verdere sociale ontwrichting te voorkomen?
Kunt u uiteenzetten welke uitgangspunten het kabinet hanteert bij de beoordeling of het opheffen van een dorp proportioneel en subsidiair is, en hoe deze toets zich verhoudt tot het uitgangspunt van een leefbare woonomgeving in de Nota Ruimte?
Hoe ziet het verplaatsen van het dorp Moerdijk eruit zowel als het gaat om het administratieve proces als de ruimtelijke kaders?
Bent u bekend met het aangenomen voorstel van de gemeenteraad van Moerdijk (19 november 2025) dat een voorkeur voor de variant Oost uitspreekt omdat deze het minst schadelijk is voor de gemeente als geheel? Zo ja, wat is uw visie over de inhoud?
Bent u in het kader van het aangenomen Moerdijkse raadsvoorstel «Ophalen toestemming voor besluit Powerport 1 december 2025» ermee bekend dat bij het oorspronkelijke raadsvoorstel meerdere amendementen zijn aangenomen ten behoeve van de leefbaarheid na de realisatie van Powerport, zoals de verbreding van de A16 bij de Moerdijkbrug?
Deelt u de visie zoals neergelegd door de Moerdijkse gemeenteraad, of heeft u een andere visie?
Waaraan denkt het kabinet als het gaat om «redelijke compensatie»?
Wordt er een integrale maatschappelijke kosten-batenanalyse opgesteld waarin ook psychosociale effecten, verlies van erfgoed, waardedaling van omliggende dorpen en effecten op vertrouwen in de overheid worden meegewogen? Zo ja, wanneer ontvangt de Kamer deze? Zo nee, waarom wordt deze niet opgesteld?
Wat is uw huidige inschatting van de totale publieke kosten van de verschillende varianten (Oost en Zuid-Oost), inclusief verwerving, compensatie, herhuisvesting, infrastructuur, leefbaarheidsmaatregelen en eventuele planschade?
Hoe worden deze kosten verdeeld tussen Rijk, provincie, gemeente, havenbedrijf en netbeheerders, en welke middelen zijn reeds gereserveerd op de Rijksbegroting?
Wat is de termijn waarop deze middelen beschikbaar kunnen zijn?
Hoeveel extra milieubelasting (geluid, stikstof, verkeersbewegingen, veiligheidsrisico’s) ondervinden omliggende kernen zoals Zevenbergen, Langeweg en Zevenbergschen Hoek in beide varianten, en hoe weegt u deze effecten ruimtelijk en sociaal tegen elkaar af?
Aan welke (lopende) extra onderzoeken werd door de Minister gerefereerd tijdens het persmoment op 1 december 2025 in het gemeentehuis te Zevenbergen?
Wanneer wordt de Kamer geïnformeerd over deze onderzoeken?
Kunt u specificeren welke onderzoeken tussen december 2025 en juni 2026 worden uitgevoerd (bijvoorbeeld naar alternatieven, brede welvaart, sociaal-maatschappelijke impact, juridische haalbaarheid en milieueffecten), wie deze uitvoert en welke scenario’s daarin worden meegenomen?
Hoeveel meer overlast gaan de bewoners van Zevenberg, Langeweg en Zevenberse Hoek ondervinden wanneer het kabinet kiest voor de Zuid-Oost variant en hoe weegt u de kosten van die overlast ten opzichte van de kosten van het verplaatsen van het dorp Moerdijk?
Kunt u concreet aangeven welke typen bedrijvigheid onder de gereserveerde 450 hectare voor de uitbreiding van het haven en industriegebied vallen en op basis van welke ruimtelijke en milieukaders deze selectie plaatsvindt?
Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat deze ruimte uiteindelijk wordt ingevuld met andersoortige, ruimte-intensieve of overlastgevende functies die niet direct samenhangen met de energietransitie of circulaire economie?
Hoe past deze ontwikkeling binnen het rijksbeleid om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte, functiemenging te beperken waar leefbaarheid onder druk staat en verdozing van het landschap tegen te gaan?
Op welke wijze wordt het vertrouwen van inwoners in de overheid actief gemonitord en versterkt in dit proces, en welke lessen trekt u hieruit voor toekomstige grootschalige ruimtelijke ingrepen elders in Nederland?
Kunt u bevestigen dat zonder een uitgewerkt en financieel gedekt pakket voor herhuisvesting, compensatie en behoud van sociale samenhang geen onomkeerbare stappen worden gezet?
Het bericht 'Woonbond: Draagvlak onder huurders voor verduurzaming neemt af' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de signalen dat het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk staat door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap?1
Ik acht het zorgelijk als het draagvlak onder huurders voor de energietransitie ernstig onder druk zou staan door problemen rond betaalbaarheid en zeggenschap. Ik deel de analyse dat een afnemend draagvlak tot risico’s zou leiden voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving. Daarom acht ik het een goede zaak dat bij verduurzaming op verschillende manieren rekening wordt gehouden met de betaalbaarheid en de zeggenschap van huurders.
In de Nationale prestatieafspraken is afgesproken dat woningcorporaties serieuze stappen zetten in het isoleren van huurwoningen. Ze zijn daarmee goed op weg. Met deze doelstellingen verwachten we in 2034 het energieverbruik van ongeveer een miljoen huishoudens te verlagen met 330 m3 gas per jaar. Dit gaat in 2030 om ruim 800.000 huishoudens. Voor woningen die een significante sprong maken in isolatie levert dat een besparing op van € 350 tot € 550 per jaar. Dat betekent dat huurders van een verduurzaamde woning een minder sterke stijging van de energiekosten kunnen verwachten. De energiebehoefte van deze woningen is namelijk blijvend lager. Daarbij geldt dat corporaties woningen isoleren zonder daarvoor een huurverhoging te vragen. Ook zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten toegekend voor de energielabels E, F en G. Dit heeft geleid tot lagere maximale huurprijzen voor woningen met die energielabels.
De huurder heeft voorts met verschillende instrumenten de nodige zeggenschap waardoor bij de verduurzaming goed aandacht kan zijn voor de betaalbaarheid.
Zo is met de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie en de Omgevingswet goede participatie van bewoners, waaronder huurders, geborgd bij de wijkgerichte aanpak van een gemeente. Zo moeten gemeenten in de toelichting bij een warmteprogramma en omgevingsplan motiveren hoe onder andere burgers worden betrokken bij de voorbereiding en wat de resultaten daarvan zijn. Ook zal een verhuurder op grond van de huurregelgeving niet zonder meer een woning kunnen verduurzamen zonder overleg met de huurder en zonder diens instemming.
Deelt u de analyse dat dit risico’s oplevert voor het behalen van de klimaatdoelen in de gebouwde omgeving?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de analyse van de Woonbond dat het risico bestaat dat de energietransitie in de gebouwde omgeving stagneert als 3,6 miljoen hurende huishoudens het financiële voordeel van verduurzaming niet meer ervaren? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de analyse niet dat er sprake is van een groot risico. Zie mijn antwoord op vraag 1 en 2 waarin ik aangeef, dat op verschillende manieren rekening wordt gehouden met het financiële voordeel dat huurders ervaren bij verduurzaming.
Klopt het dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie, terwijl zij door de afbouw van de salderingsregeling en oplopende terugleverkosten deze investering niet langer kunnen terugverdienen?
Het klopt dat huurders met zonnepanelen op hun huurwoning via huur of servicekosten een vergoeding betalen voor deze installatie. Voor het effect van de afbouw van de salderingsregeling wijs ik u op het rapport dat is toegezonden bij brief van 30 mei 20252. Daarin is onder meer aangegeven dat de huurder met zonnepanelen door de afschaffing van de salderingsregeling per saldo € 4 tot € 8 meer betaalt dan de huurder zonder zonnepanelen. De huurder betaalt namelijk voor de zonnepanelen via de servicekosten. Dit weegt niet op tegen het voordeel van de terugleververgoeding en de opwek voor eigen verbruik. Het is van belang te vermelden dat de resultaten gemiddelden zijn: de effecten kunnen per huishouden behoorlijk verschillen. Afhankelijk van onder andere gezinsgrootte, verbruik en hoeveelheid panelen, kan het voorkomen dat huurders voordeel behouden met hun zonnepanelen. Het verhogen van het eigen gebruik beperkt de negatieve financiële effecten bij huurders, maar zal het niet volledig wegnemen.
Deelt u de opvatting dat dit in feite kan neerkomen op een verkapte huurverhoging? Acht u dit wenselijk in een periode waarin veel huurders al kampen met hoge woonlasten?
Ik erken dat huurders de gevolgen van de afschaffing van de salderingsregeling zullen gaan voelen. Tegelijkertijd zijn er diverse maatregelen genomen die leiden tot afnemende woonlasten bij huurders. Ik wijs daarbij op Nationale prestatieafspraken waardoor corporaties huurwoningen isoleren met een besparing van € 350 tot € 550 per jaar zonder daarvoor een huurverhoging te vragen, en de aftrekpunten voor de energielabels E, F en G. Dit heb ik toegelicht in mijn antwoorden op vragen 1 en 2.
Daarnaast geldt dat de netto huurquote, de verhouding tussen de netto huur en het netto besteedbaar inkomen, tussen 2021 en 2024 afnam: van 25,4% naar 24,7%3. Voor de jaren daarna wijs ik onder meer op de Wet betaalbare huur en het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag. De Wet betaalbare huur heeft geleid tot uitbreiding van huurprijsbescherming naar de woningen in het middensegment en tot aftrekpunten en daardoor lagere maximale huurprijzen voor huurwoningen met een energielabel E, F of G. Het pakket aan maatregelen inzake de huurtoeslag heeft geleid tot een verhoging van € 215 miljoen extra huurtoeslag in 2025 en structureel € 650 miljoen per jaar vanaf 2026.
Bent u bereid te onderzoeken of en hoe de rijksoverheid de resterende investeringskosten van zonnepanelen bij woningcorporaties kan overnemen, zodat huurders niet geconfronteerd worden met hogere woonlasten en corporaties hun investeringsruimte behouden voor nieuwbouw en renovatie? Zo nee, waarom niet?
Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoek gevoegd. In de brief was ook aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20264 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief van 9 januari 2026 meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik wijs voorts op mijn antwoord op vraag 5 waarin ik wijs op de verschillende maatregelen die bijdragen aan de betaalbaarheid voor huurders.
Ik zie dan ook geen aanleiding voor een onderzoek zoals wordt gevraagd.
Klopt het dat huurders die worden aangesloten op een warmtenet op grond van de huidige wetgeving vaak de maximale vaste kosten betalen, terwijl hun huurprijs niet wordt aangepast omdat het woningwaarderingsstelsel uitgaat van een gasaansluiting? Hoe beoordeelt u dit?
Het klopt dat de huidige tariefregulering bij warmte op basis van gasreferentie de kosten van een cv-ketel zijn meegenomen. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Warmtebedrijven hanteren vaak het maximale gereguleerde tarief. Het klopt ook, dat het met woningwaarderingsstelsel mogelijk is dat een cv-ketel of een warmtenet ertoe leidt dat huurders een hogere huurprijs betalen. Er kunnen namelijk met het woningwaarderingsstelsel punten worden toegekend voor vertrekken die verwarmd zijn door middel van een onroerende voorziening zoals een cv-ketel of een warmtenet, en voor een goed energielabel bij een energiezuinige cv-ketel. Het woningwaarderingsstelsel maakt hierbij geen onderscheid tussen een cv-ketel of een warmtenet.
Mijn oordeel is dat de betaalbaarheid van warmte voor huurders een belangrijk aandachtspunt is. Er is ook al actie op ondernomen: sinds 2025 worden de stijgingen van energiebelasting op aardgas niet meegenomen in de warmtetarieven en de berekening van de vaste tarieven is aangepast, waardoor de tarieven lager zijn geworden en beter aansluiten op de praktijk. Daardoor is ook voor huurders de betaalbaarheid ten opzichte van aardgas verbeterd. Dit blijft zo in fase 1 tariefregulering onder de wet collectieve warmtevoorziening.
Ook bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving blijft de betaalbaarheid voor huurders een belangrijk aandachtspunt. Zo is met het ontwerpbesluit Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Bgiw) het amendement Erkens c.s.5 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Gemeenten moeten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven
de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten, juist ook bij de groep kwetsbare afnemers. Anders kunnen gemeenten de aanwijsbevoegdheid niet inzetten. De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat aansluiting op een warmtenet huurders gemiddeld circa € 370 per jaar extra kan kosten?
Het kabinet herkent de observatie dat huurders soms duurder uit zijn na overstap op een warmtenet. Woonlastenneutraliteit is een belangrijke ambitie, maar kan niet in elke individuele situatie gerealiseerd worden. De betaalbaarheid van warmte voor huurders ten opzichte van aardgas is een belangrijk aandachtspunt.
In veel gevallen beschermt huurregelgeving huurders tegen kostenstijging na overstap op een warmtenet. Zo vergt overstap dat de huurder daarmee instemt; bij een complex gaat het om instemming van minimaal 70% van de huurders. Om deze instemming te verkrijgen, zal de verhuurder in de praktijk oog moeten hebben voor woonlastenneutraliteit. Om woonlastenneutraliteit te bereiken, maken verhuurders vaak afspraken met warmtebedrijven waarbij zij een deel van het vastrecht afkopen, waardoor de rekening voor de huurders constant blijft. Deze werkwijze is ook afgesproken in het Startmotorkader, waarin woningcorporaties en warmtebedrijven afspraken maken over verduurzaming van huurwoningen.
Deelt u de mening dat deze stapeling van kosten leidt tot afnemend draagvlak voor verduurzaming onder huurders?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8.
Bent u bereid het woningwaarderingsstelsel zodanig aan te passen dat huurders niet financieel worden benadeeld bij aansluiting op een warmtenet? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vraag 7 is mijn mening, dat de betaalbaarheid voor huurders van belang is bij de verdere uitwerking van wet- en regelgeving. Het kabinet wil binnen vier jaar bij warmtenetten overstappen naar kostengebaseerde tarieven. Vanaf fase 2 van de wet collectieve warmtevoorziening worden warmtetarieven namelijk gebaseerd op kosten van warmtebedrijven. In deze wet is opgenomen dat de overgang naar fase 2 van de tariefregulering pas plaatsvindt wanneer de relatieve betaalbaarheid van collectieve warmte ten opzichte van het gangbare alternatief voldoende is geborgd. Dit geldt voor alle warmteverbruikers, dus ook voor huurders. Bij de voorbereiding van die overstap zal ook worden bezien of een aanpassing van het woningwaarderingsstelsel noodzakelijk is.
Hoe beoordeelt u het feit dat het merendeel van de verduurzamingssubsidies de afgelopen jaren terecht is gekomen bij eigenaar-bewoners, terwijl huurders minder directe financiële voordelen hebben ontvangen?
Ook huurders hebben de afgelopen jaren bij verduurzaming financiële voordelen genoten, ook bij subsidieverstrekking voor verduurzaming aan uitsluitend de verhuurder. In de eerste plaats geldt, dat met de Nationale prestatieafspraken is overeengekomen dat corporaties geen huurverhoging verbinden aan het isoleren van de woning. In de Nationale prestatieafspraken is aangegeven, dat woningen die een significante sprong maken in isolatie een besparing opleveren van € 350 tot € 550 per jaar. Voor een private verhuurder die met instemming van de huurder verduurzaamt en wel een huurverhoging vraagt, geldt dat de verhuurder daarvoor de ontvangen subsidies buiten beschouwing dient te laten. Een huurder heeft daardoor indirect voordeel van een subsidie die de verhuurder heeft ontvangen. In de tweede plaats zijn met de Wet betaalbare huur aftrekpunten geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G. Deze huurwoningen kregen daardoor een lagere maximale huur hetgeen leidde tot voordeel voor de huurder. Tenslotte geldt, dat een hogere huur na verduurzaming leidt tot meer recht op huurtoeslag. Ook dit is een financieel voordeel voor de huurder.
Bent u bereid te bezien hoe publieke middelen eerlijker kunnen worden verdeeld, zodat huurders evenredig profiteren van subsidies en fiscale regelingen voor verduurzaming?
De verdeling van publieke middelen is aan de orde bij de vaststelling van de Rijksbegroting. Op dat moment kan worden bezien hoe deze publieke middelen eerlijk kunnen worden verdeeld gezien de verschillende beleidsdoelen van de regering.
Hoe waarborgt u dat bij grootschalige renovaties waarvoor instemming van 70% van de huurders vereist is, daadwerkelijk sprake is van vrijwillige en geïnformeerde instemming, en niet van druk of financiële dwang?
Vrijwillige en geïnformeerde instemming, zonder druk of financiële dwang bij grootschalige renovaties van huurders is geborgd door een reeks aan maatregelen. In de eerste plaats is de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie verplicht de nodige participatie te laten plaatsvinden bij de wijkgerichte aanpak. In de tweede plaats is een verhuurder bij grootschalige renovaties op grond van de Wet overleg huurders verhuurder verplicht de huurdersorganisatie te betrekken. In de derde plaats betekent een grootschalige renovatie met instemming van 70% van de huurders niet, dat een individuele huurder van betrokken complex, zonder meer een renovatie moet accepteren. Die individuele huurder kan zich wenden tot de kantonrechter. Tenslotte wijs ik u op een aantal maatregelen die hebben geleid tot een voordeel bij de huurders, en dus niet tot financiële dwang. Dit betreft de Nationale prestatieafspraken waarin is afgesproken, dat corporaties geen huurverhoging zullen verbinden aan isolatie. Ook wijs ik op de aftrekpunten die met de Wet betaalbare huur zijn geïntroduceerd voor huurwoningen met energielabels E, F en G.
Deelt u de opvatting dat verlaging van het instemmingspercentage geen structurele oplossing is voor afnemend draagvlak, maar dat het uitgangspunt moet zijn dat verduurzaming per saldo leidt tot lagere woonlasten voor huurders? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van oordeel dat huurders in beginsel zelf het beste kunnen afwegen of en welke vorm van verduurzaming het beste past bij hun situatie. Daarbij kunnen zij niet alleen lagere woonlasten voor ogen hebben, maar ook een aspect als meer wooncomfort. Daarbij wordt ook met andere wet- en regelgeving ingezet op betaalbare verduurzaming voor huurders. Zoals in het antwoord op vraag 7 aangegeven, moeten gemeenten bij de inzet van de aanwijsbevoegdheid de betaalbaarheid voor bewoners in de wijk, waaronder de huurders, waarborgen. Gemeenten moeten in de wijkaanpak rekening houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens. Gemeente kunnen via de wijkaanpak huishoudens met een lager inkomen ondersteunen. Daarmee kan voor deze huishoudens een comfortabeler huis worden gerealiseerd tegen acceptabele energielasten. Of het vereiste instemmingspercentage van 70% moet worden gehandhaafd, acht ik afhankelijk van de vraag of bij een ander percentage voldoende draagvlak aanwezig blijft.
Welke concrete maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat de energietransitie in de huursector onbetaalbaar wordt en het draagvlak onder huurders verder afneemt?
Zoals aangegeven in mijn antwoorden op de eerdere vragen, zijn er diverse maatregelen die eraan bijdragen dat verduurzaming bij een huurder niet leidt tot hogere woonlasten. Ik verwijs hiervoor naar mijn antwoorden op vraag 1, 2 en vraag 8. Daarnaast wil ik wijzen op een ontwerpwetsvoorstel ter aanpassing van het instemmingsrecht en initiatiefrecht. In dit ontwerp blijft draagvlak onder de huurders van belang, door de huurdersvertegenwoordiging een belangrijkere positie te geven. Ook wijs ik op het ontwerpbesluit ter aanpassing van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Dit ontwerpbesluit is gericht op uitfasering van de energielabels E, F en G in de huursector. De verhuurder wordt daarmee verplicht tot verduurzaming van huurwoningen met een energielabel E, F of G. Dit ontwerpwetsvoorstel en dit ontwerpbesluit zijn ter internetconsultatie beschikbaar gesteld. Ik verwacht u rond de zomer te melden of deze internetconsultaties zullen leiden tot aanvullende maatregelen.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over compensatie voor huurders die worden getroffen door de afschaffing van de salderingsregeling (Kamerstuk 36 725 XXII, nr. 14)?
De genoemde motie verzocht te onderzoeken hoe deze huurders gecompenseerd kunnen worden, en met Prinsjesdag een voorstel hiertoe te doen. Bij de eerdergenoemde brief van 30 mei 2025 was een onderzoekrapport toegezonden waarin de omvang van de compensatie was aangegeven die aan de orde zou kunnen zijn. In die brief was tevens aangegeven dat er geen ruimte is tot financiële compensatie voor huurders in verband met de afschaffing van de salderingsregeling. De brief van 9 januari 20266 verwijst naar de brief van 30 mei 2025. Ook deze brief meldt dat financiële dekking ontbreekt voor compensatie van de salderingsregeling. Ik acht de genoemde motie hiermee afgehandeld.
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Beckerman over onderzoek doen naar hoe huurders met bestaande zonnepanelen beschermd kunnen worden tegen hogere prijzen dan ze zouden hebben zonder zonnepanelen (Kamerstuk 36 378, nr. 79)?
Het bericht 'Grote onwetendheid en zorgen over risico’s aflopende aflossingsvrije hypotheek' |
|
Jan Struijs (50PLUS), Inge van Dijk (CDA), Hanneke Steen (CDA) |
|
Mona Keijzer , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het in het artikel aangehaalde onderzoek van Van Bruggen Adviesgroep, waaruit blijkt dat er bij huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek sprake is van een groot kennisgebrek over hun financiële situatie en de gevolgen van het aflopen van deze hypotheekvorm?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en het onderzoek.
Deelt u de zorgen over dit gebrek aan kennis en de potentiële impact daarvan, met name voor mensen in de leeftijd vanaf 57 jaar, omdat het aflopen van de aflossingsvrije hypotheek kan betekenen dat de maandlast stijgt doordat er moet worden afgelost, of zelfs geen nieuwe financiering verkregen kan worden op basis van een lager toetsinkomen in het zicht van pensioen?
Ja, ik deel uw zorgen. Ruim 2,5 miljoen mensen in Nederland hebben een (deels) aflossingsvrije hypotheek. Het is belangrijk dat klanten kennis hebben van de kenmerken en risico’s van de (deels) aflossingsvrije hypotheek. Voor een meerderheid van de klanten zal gelden dat er nu of in de toekomst geen problemen ontstaan met het voldoen aan de financiële verplichtingen. Echter, een aflossingsvrije hypotheek kan voor individuele huishoudens verhoogde financiële risico’s met zich meebrengen. Aan het einde van de looptijd van de hypotheek kan de situatie ontstaan dat een klant de hypotheek niet uit inkomen of ander vermogen dan de eigen woning kan herfinancieren of aflossen, wat ertoe kan leiden dat de woning verkocht moet worden, al dan niet met een restschuld. Terugval van inkomen na pensionering kan deze risico’s vergroten. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft in 2021 onderzoek gedaan naar deze risico’s. Hieruit bleek dat ongeveer 78.000 huishoudens het risico lopen dat ze hun aflossingsvrije hypotheek niet kunnen herfinancieren op het moment dat deze afloopt, en een deel hiervan met een restschuld achterblijft.2 Het is mogelijk dat de omvang van deze groepen inmiddels is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in onder andere lonen, woningprijzen en rentes.
De daadwerkelijke risico’s per individueel huishouden verschillen. Het is daarom belangrijk dat de kredietaanbieder hier zicht op heeft. De AFM ziet erop toe dat aanbieders van hypothecair krediet het klantbelang centraal stellen. De AFM verwacht daarbij van aanbieders dat ze zich inspannen om klanten met een aflossingsvrije hypotheek te benaderen om meer inzicht te krijgen in hun financiële situatie om zo eventuele betaalbaarheidsrisico’s vroegtijdig te kunnen signaleren. De AFM verwacht van aanbieders dat hun klanten, voor zover de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is, zorgeloos kunnen blijven wonen. Na het startschot met de campagne «Word ook aflossingsblij» in 2018 hebben kredietaanbieders tot eind 2024 1,76 miljoen klanten benaderd over mogelijke risico’s van hun aflossingsvrije hypotheek. 744.000 klanten ondernamen in die periode acties om hun financiële situatie te verbeteren.
Kredietaanbieders moeten klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen om potentiële betaalbaarheidsrisico’s aan het einde van de aflossingsvrije looptijd in beeld te brengen en klanten een handelingsperspectief te bieden. Ook hypotheekadviseurs kunnen hier een rol in spelen. Daarnaast is het verstandig als consumenten zelf het gesprek aangaan met hun aanbieder of adviseur. Ik constateer dat het genoemde onderzoek erop wijst dat er nog steeds onwetendheid en zorgen bestaan onder mensen over de risico’s van een aflopende aflossingsvrije hypotheek. Zoals aangegeven deel ik uw zorg hierover en ik vind het daarom belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten blijven benaderen en activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht.
Deelt u de mening dat er meer bewustwording nodig is rondom de risico’s van aflossingsvrije hypotheken, zeker nu de druk vanuit toezichthouders toeneemt om de omvang van deze hypotheekvorm verder te beperken?
Het is belangrijk dat aanbieders en adviseurs klanten met een aflossingsvrije hypotheek blijven benaderen en waar nodig activeren, en dat de AFM hier aandacht aan blijft besteden in haar toezicht. Uit het eerder aangehaalde onderzoek van de AFM blijkt dat een deel van de klanten betaalbaarheidsrisico’s loopt, maar dat de meeste mensen met een aflossingsvrije hypotheek niet in betaalbaarheidsproblemen komen. Op het moment dat de aflossingsvrije hypotheek afloopt, zal de aanbieder moeten bepalen of een nieuwe financiering mogelijk is. Ik vind het belangrijk dat klanten waarvan de hypotheeklasten betaalbaar zijn – ook wanneer de aflossingsvrije hypotheek afloopt – zorgeloos kunnen blijven wonen.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met hypotheekverstrekkers en andere betrokken partijen om proactieve informatievoorziening richting huishoudens met een aflossingsvrije hypotheek te verbeteren, bijvoorbeeld door het starten van een nieuwe publiekscampagne, naar analogie van de in 2017 gelanceerde campagne «Wordt ook aflossingsvrij»?
Het is aan aanbieders en adviseurs om klanten te benaderen en waar nodig te activeren en aan de AFM om hier toezicht op te houden. Ik vind het belangrijk dat deze partijen hiermee doorgaan en blijf daarover met hen in gesprek.
Herkent u het beeld dat met name bij oudere huishoudens sprake is van een stapeling van effecten (beperking aflossingsvrije hypotheek, inkomensnorm op basis van een lager pensioeninkomen, het deels wegvallen van hypotheekrenteaftrek na 30 jaar), waardoor het lastiger wordt om een hypotheek aan te vragen, over te sluiten of aan te passen?
Een hypotheek is een langlopende financiële verplichting, die voor veel mensen doorloopt nadat zij met pensioen gaan. Omdat veel mensen te maken krijgen met een lager inkomen na pensionering moeten kredietaanbieders niet alleen beoordelen of de hypotheek nu financieel verantwoord is, maar ook na pensionering. Daarnaast geldt dat in 2031 en de jaren daarna mensen met een aflossingsvrije hypotheek het recht op hypotheekrenteaftrek verliezen. Deze zaken kunnen doorwerken in een nieuwe kredietbeoordeling: mensen kunnen mogelijk minder lenen door een lager pensioeninkomen terwijl de netto hypotheeklasten in de toekomst juist toenemen. Mede tegen deze achtergrond besteden de Europese Centrale Bank (ECB) en De Nederlandsche Bank (DNB) nadere aandacht aan aflossingsvrije hypotheken in hun toezicht. DNB geeft aan dat het aannemelijk is dat dit zal leiden tot een verdere afname van de aflossingsvrije hypotheekschuld in Nederland.3
Door de combinatie van deze factoren kan het voor sommige huishoudens, bijvoorbeeld bij huishoudens met een laag pensioeninkomen, lastiger worden om een hypotheek te verkrijgen, over te sluiten of aan te passen. Het moet voorkomen worden dat mensen bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s aangaan. Ik vind het tegelijkertijd belangrijk dat mensen de stap naar een nieuwe woning kunnen maken als ze dat willen en dit voor hen financieel verantwoord is. Hiertoe zijn de afgelopen jaren ook verschillende goede stappen gezet, bijvoorbeeld met de werkelijkelastentoets voor senioren bij doorstroming naar een goedkopere woning.
Ziet u ook het risico dat mensen, om de hogere woonlasten te voorkomen, zo lang mogelijk in de huidige woning blijven wonen wat de de doorstroming op de woningmarkt kan belemmeren en wat ervoor zorgt dat ouderen niet in de woning terecht kunnen komen die het meest geschikt voor ze is?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met signalen dat de Europese Centrale Bank het toezicht op aflossingsvrije hypotheken verder wil aanscherpen waardoor ouderen nog meer beperkingen opgelegd krijgen met betrekking tot het mogen aanhouden van aflossingsvrije hypotheken?
Ja, ik ben daarmee bekend en volg de ontwikkelingen nauwgezet. Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. De ECB en DNB houden daar prudentieel toezicht op. DNB besteedt, voor banken samen met de ECB, in haar toezicht nadere aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken voor financiële instellingen. Ik sta met DNB in contact over de maatregelen en de gevolgen en volg de ontwikkelingen zoals aangegeven nauwgezet. De AFM ziet erop toe dat kredietaanbieders het klantbelang centraal blijven stellen. Ook met hen sta ik in contact over de gevolgen van de maatregelen.
Zo ja, bent u bereid de mogelijke impact hiervan te laten onderzoeken, waarbij onder meer wordt gekeken naar de gevolgen voor individuele huishoudens, de doorstroming op de woningmarkt en het systeemrisico voor de bankensector in Nederland?
De ECB en DNB zijn onafhankelijk in hun toezicht en in de maatregelen die zij opleggen aan banken. Ik vind het belangrijk dat de prudentiële toezichthouders daarbij zicht hebben op de bredere gevolgen van hun maatregelen en deze in ogenschouw nemen. Het gaat in dit geval om de gevolgen van maatregelen voor de maandlasten van groepen huishoudens en de doorstroming op de woningmarkt. Ik ben hierover met DNB in gesprek.
De AFM heeft aangegeven dat zij van aanbieders verwacht dat klanten voor wie de aflossingsvrije hypotheek nu en in de toekomst betaalbaar is (bijvoorbeeld op moment van herfinanciering), zorgeloos kunnen blijven wonen. De AFM heeft daarbij aangegeven dat het belangrijk is dat hypotheekaanbieders hun bestaande hypotheekklanten met aflossingsvrije hypotheken zorgvuldig blijven behandelen en dat klanten niet onevenredig worden getroffen door eventuele maatregelen om risico’s te beheersen. Omdat de AFM erop toeziet dat aanbieders het klantbelang centraal blijven stellen, bijvoorbeeld in de context van het terugbrengen van het volume van aflossingsvrije hypotheken, vind ik het belangrijk dat er nauw contact is tussen de ECB, DNB en de AFM over de maatregelen en de bredere gevolgen hiervan.
Hoe weegt u het risico van aflossingsvrije hypotheken in Nederland in relatie tot deze risico’s in andere Europese landen onder meer gezien ons pensioenstelsel en de daarmee samenhangende financiële buffers?
Het is van belang om in de beoordeling van financiële stabiliteitsrisico’s in brede zin te kijken naar het vermogen dat tegenover de (aflossingsvrije) hypotheekschuld staat, omdat bij aflossingsvrije hypotheken de opbrengst bij verkoop de primaire bron is van afbetaling van de lening.
Door de jaren heen zijn er verschillende maatregelen genomen die de risico’s voor huishoudens en de bredere prudentiële risico’s van aflossingsvrije hypotheken beperken. Daarbij doel ik naast de doorlopende toezichtinspanningen onder andere op de introductie van de fiscale en niet-fiscale aflossingseisen en de verlaging van de loan-to-value-limiet.4 Mede hierdoor heeft er een relatieve groei plaatsgevonden van aflossende hypotheken, zoals annuïtaire, en is er de afgelopen jaren een dalende trend waarneembaar in het aandeel aflossingsvrije schuld van de totale hypotheekschuld.
Er kan een hoger risico verbonden zijn aan aflossingsvrije hypotheken, omdat er gedurende de looptijd niet wordt afgelost. Ook hebben aanbieders beperkt inzicht in de capaciteit van huishoudens om ook na pensionering aan de financiële verplichtingen te voldoen. Tegelijkertijd constateer ik dat er relatief veel vermogen tegenover de nog uitstaande aflossingsvrije hypotheekschuld staat en dat er bij relatief veel (deels) aflossingsvrije hypotheken aanzienlijke overwaarde is. Zo hebben (deels) aflossingsvrije hypotheken in Nederland doorgaans een lage loan-to-value-ratio (wat betekent dat de hoogte van de hypotheek ten opzichte van de waarde van de woning relatief laag is): twintig procent van de hypotheken op de Nederlandse markt heeft een loan-to-value-ratio van hoger dan 75 procent, terwijl dit bij aflossingsvrije leningen maar zo’n zeven procent van het totale aantal is.
Welke actie wilt u gaan ondernemen om aantrekkelijke hypotheekproducten, zoals doorstroomhypotheken, voor ouderen verder te gaan brengen zoals opgenomen in het regeerakkoord? Momenteel zijn zulke producten in de markt nog te beperkt aanwezig en doorstroming wordt hierdoor belemmerd.
In het Coalitieakkoord 2026–2030 is aangegeven dat met een doorstroombank of aantrekkelijk hypotheekproduct voor ouderen (doorstroomhypotheek) stenen makkelijker in geld worden omgezet. De aandacht vanuit het Coalitieakkoord voor doorstroming en hypotheken voor ouderen sluit aan bij al ondernomen acties, zoals via het Convenant Ouderen en toekomstbestendig wonen.5 De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zal de Kamer rond de zomer informeren over de status van het verbeteren van de doorstroommogelijkheden voor ouderen.6
Het verwijderen van schilderijen uit een zorgcentrum vanwege brandveiligheid |
|
Vicky Maeijer (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Algemeen Dagblad waarin valt te lezen dat zorgorganisatie Zorgwaard vanwege brandveiligheid heeft opgedragen schilderijen te verwijderen uit de gangen van zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel en daarbij dreigde met een boete van 25.000 euro?1
Ja.
Deelt u de mening dat, alhoewel brandveiligheid van groot belang is, het ook mogelijk moet zijn om een gebouw (zoals in dit geval een zorgcentrum) van inrichting te voorzien dat niet enkel op functioneel gebruik is gericht?
Het is nog steeds mogelijk om een zorgcentrum te voorzien van inrichting die niet enkel op functioneel gebruik is gericht. In de kamers van de bewoners en in de bijeenkomstruimten is nog allerlei inrichting mogelijk, zoals het ophangen van schilderijen. Dit is alleen anders voor een gemeenschappelijke verkeersruimte (gangen) waardoor bij brand moet worden gevlucht. In deze gangen mogen geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn of objecten die het vluchten belemmeren. Met de wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) in 2024 is dit verduidelijkt in opvolging van de aanbevelingen van de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OvV) in zijn rapport van 14 juli 2021 over de flatbrand in Arnhem in 20202.
Is bij de wijziging van het Bouwbesluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) uit 2024 rekening gehouden met mogelijke gevolgen voor inrichting van bijvoorbeeld zorgcentra, door te kijken naar alternatieve zaken om brandveiligheid te waarborgen? Zo ja, graag een toelichting & zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn vorige antwoord was het rapport van de OvV over de flatbrand in Arnhem de aanleiding voor de wijziging van het Bbl. De OvV heeft hierin aanbevolen om te zorgen voor verbetering van het toezicht op de brandveiligheid in de gebruiksfase van woongebouwen en te bezien of een aanpassing van de geldende wet- en regelgeving nodig is. Aansluitend zijn door het voormalig Ministerie van VRO gesprekken gevoerd met gemeenten, Brandweer NL en organisaties van gebouweigenaren3 waaruit bleek dat de regelgeving op het gebied van het vrijhouden van vluchtwegen in woongebouwen onvoldoende duidelijk was. Duidelijkere regelgeving zou gemeenten en ook woningeigenaren helpen bij het uitvoeren van toezicht op het gebied van brandveiligheid en communicatie hierover met bewoners. Hierop is in samenspraak met genoemde partijen besloten om in het Bbl concreter te beschrijven wat wel en niet aanwezig mag zijn in de gemeenschappelijke verkeersruimtes, waar dit voorheen alleen algemeen geformuleerde regelgeving betrof. De wijziging van het Bbl is op 23 november 2023 gepubliceerd4 en op 1 juli 2024 in werking getreden.
Hoewel het al vóór 1 juli 2024 kon, is het voor gemeenten met de verduidelijkte regelgeving eenvoudiger om handhavend op te treden als in een gemeenschappelijke verkeersruimte sprake is van brandgevaarlijke objecten of objecten die het vluchten belemmeren. Dit was ook voorzien en beoogd met de wijziging van het Bbl.
Bent u bereid te onderzoeken op welke manier het gewijzigde Bbl uit 2024 kan worden aangepast óf ruimte voor interpretatie geeft die mogelijk onbekend is voor zorgcentra, zodat niet alleen de brandveiligheid kan worden gewaarborgd, maar ook zodat regelgeving niet «doorslaat» zoals in zorgcentrum Immanuël in ’s-Gravendeel?
Door het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV) wordt in samenspraak met het Ministerie van BZK al informatie gegeven aan eigenaren over het brandveilig gebruik van woongebouwen.5 In het kader daarvan zijn door het NIPV het afgelopen jaar al veel vragen beantwoord over de toepassing van de betreffende Bbl-eisen voor vluchtroutes. Aansluitend daarop is het NIPV recent opdracht gegeven om een handreiking op te stellen over de toepassing (interpretatie) van deze Bbl-eisen. In deze handreiking zal door het NIPV ook worden ingegaan op de ruimte die er is om met een gelijkwaardige oplossing te voldoen aan de eisen, als dit beter past bij een specifiek gebouw en het gebruik daarvan.
Onderhoud en verduurzaming van VvE’s |
|
Pieter Grinwis (CU) |
|
Mona Keijzer , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Hoe luidt uw reactie op het onderzoek van Vereniging Eigen Huis (VEH), waaruit blijkt dat bijna één op de vijf VvE’s over onvoldoende reserves beschikken om de komende jaren noodzakelijk onderhoud te kunnen betalen?1 Kunt u dit duiden, mede in het licht van het feit dat er al sprake is van achterstallig onderhoud bij VvE’s, zoals u al in een recente Kamerbrief stelt (Kamerstuk 30 196, nr. 855)?
Het is goed dat VEH aandacht vraagt voor de positie van VvE’s. Uw Kamer ontving begin 2025 de evaluatie van de Wet verbetering functioneren VvE’s. Eén van de conclusies luidde dat een deel van de VvE’s niet genoeg reserveert om het benodigde onderhoud uit te kunnen voeren en dat een substantieel deel van de onderhoudsplannen niet voldoet aan de huidige eisen.2 Ik heb hierover geen precieze cijfers. De cijfers van VEH zijn afkomstig van een niet willekeurige steekproef, waardoor de cijfers niet geplakt kunnen worden op alle VvE’s in Nederland. Als appartementseigenaren willen beoordelen of de maandelijkse vve-bijdrage en het reservefonds voldoende zijn voor het benodigde onderhoud en verduurzaming, dan biedt een meerjarenonderhoudsplan uitkomst mits dat actueel en van goede kwaliteit is (meer hierover bij vraag 7).
Bent u het eens dat verduurzaming vaak niet haalbaar is voor VvE’s als het uitvoeren van groot onderhoud niet mogelijk is, terwijl groot onderhoud en verduurzaming juist ook vaak goed samen kunnen gaan?
Ja, als het uitvoeren van groot onderhoud financieel niet haalbaar is, dan is verduurzaming doorgaans ook niet haalbaar. VvE’s sparen doorgaans niet voor verduurzaming, maar slechts voor instandhouding van het gebouw. Tegelijkertijd is voor verduurzaming subsidie beschikbaar. Als een VvE onderhoud laat uitvoeren zijn er kosten die sowieso gemaakt worden (begeleidingskosten, steigerwerk, kraan, arbeidskosten). Het is dus slim om het geplande onderhoud uit het meerjarenonderhoudsplan te combineren met verduurzaming. Vergeleken met een aantal jaar geleden zijn er in iedere stad nu succesverhalen, zoals bijvoorbeeld verwoord in het boek «De Lange Hordenloop».3 Desalniettemin erken ik dat het voor veel VvE’s niet eenvoudig is. Steeds minder mensen zijn actief lid van een vereniging, dat speelt ook bij VvE’s. Terwijl VvE-leden juist gezamenlijk tot een plan moeten komen en vervolgens van alles moeten regelen. Daarom zijn verschillende vormen van ondersteuning beschikbaar voor VvE’s. Zo kunnen VvE’s gebruikmaken van financiering via Nationaal Warmtefonds, via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en via gemeentelijke regelingen bij Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Daarnaast zijn er subsidieregelingen, zowel voor de voorbereiding van de verduurzaming als voor de energiebesparende maatregelen. Stichting Milieu Centraal heeft een landelijk kenniscentrum waar appartementseigenaren sinds deze maand telefonisch terecht kunnen.4
Bent u het eens met 56% van de appartementseigenaren die een oplossing zien in betere financieringsmogelijkheden? Erkent u dat goede leenmogelijkheden voor VvE’s belangrijk zijn, zodat ook de appartementen die onderdeel van de VvE’s zijn, goed onderhouden en verduurzaamd kunnen worden?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de cijfers van VEH. Ik erken dat goede leenmogelijkheden een uitkomst, vaak zelfs noodzaak, zijn voor veel VvE’s die aan de slag willen met onderhoud en verduurzaming. Via het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s, gemeentelijke regelingen bij SVn en Nationaal Warmtefonds hebben VvE’s de mogelijkheid om te lenen. Hoe aantrekkelijker de voorwaarden, hoe sneller VvE’s aan de slag gaan. Lenen is in bijna alle gevallen veel aantrekkelijker dan sparen. Een belangrijk voordeel van lenen is de zekerheid. Hiermee bedoel ik de zekerheid dat de uitvoering op relatief korte termijn kan starten, waarna de baten volgen zoals energiebesparing en meer wooncomfort. Bovendien betekent lenen dat de kosten worden gespreid, bijvoorbeeld over een looptijd van twintig jaar.
Klopt het dat één van de leenmogelijkheden waar u in de eerder genoemde brief naar verwijst, namelijk bij het Nationaal Warmtefonds, primair gericht is op energiebesparende maatregelen en dat onderhoud hooguit beperkt kan worden meegenomen? Zo ja, erkent u dat dit veel VvE’s met (achterstallig) onderhoud nog onvoldoende helpt? Zo nee, hoe beoordeelt u dan de reikwijdte van deze regeling voor onderhoudsvraagstukken? Bent u bereid het Nationaal Warmtefonds aantrekkelijker te maken voor VvE's, zowel qua leenmogelijkheden als qua rentekorting?
Ja, het klopt dat het Warmtefonds primair gericht is op energiebesparende maatregelen, zoals isolatie, warmtepomp en zonnepanelen. Ik ben het met u eens wat betreft onderhoud. Mijn departement heeft daarom vorig jaar groen licht gegeven om te verkennen hoe het financieren van onderhoud past binnen de juridische kaders en budget. Ik verwacht dat het Nationaal Warmtefonds dit najaar onderhoud kan financieren bij VvE’s. Eind 2024 startte het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s en er zijn diverse gemeentelijke regelingen bij SVn voor het financieren van onderhoud. Zie verder bij vraag 5 over de aantrekkelijkheid van de leenvoorwaarden.
Klopt het dat u in de brief ook verwijst naar het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn), maar dat het Toekomstbestendig onderhoudsfonds VvE’s van SVn alleen toegankelijk is voor VvE’s vanaf acht appartementen, terwijl het grootste deel van de VvE’s in Nederland kleiner is? Hoe verhoudt dit zich tot de doelstelling om juist ook kleinere VvE’s in beweging te krijgen? Kunt u daarnaast reflecteren op de vraag of de rentecondities, die marktconform zijn en indicatief tegen de 6% liggen (afhankelijk van de looptijd) wel voldoende drempelverlagend zijn voor VvE’s met beperkte reservefondsen?
Het is belangrijk dat het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds VvE’s is gestart waarmee VvE’s onderhoud kunnen financieren. Dit is inderdaad voor VvE’s vanaf acht appartementen. In 2025 zijn aan 23 VvE’s leningen verstrekt met 639 appartementen voor in totaal 5,6 miljoen euro. Dit fonds is relatief nieuw en gaat naar verwachting groeien. Het fonds biedt een oplossing voor VvE’s waarin sprake is van gemengd bezit. Daarnaast zijn er via SVn gemeentelijke regelingen beschikbaar voor grote VvE’s. In bepaalde gemeenten is voor kleine VvE’s een financiering mogelijk via Svn met borg van Nationale Hypotheekgarantie; dit betreft een pilot. Nationaal Warmtefonds financiert verduurzaming bij zowel grote als kleine VvE’s, en zal dat straks ook doen voor onderhoud.
U vraagt mij om te reflecteren op de leenvoorwaarden. Ik denk dat het heel terecht is dat we afgelopen jaren met overheidsmiddelen een lagere rente mogelijk hebben gemaakt bij Nationaal Warmtefonds. Met de huidige voorziene rijksbijdrage is dat nog mogelijk tot ongeveer eind 2027. Voor een vervolg hierop bij Nationaal Warmtefonds en eventuele uitbreiding naar het Toekomstbestendig Onderhoudsfonds en Svn, moet naar andere voorwaarden en/of aanvullende middelen worden gekeken.
Deelt u de conclusie dat de thans beschikbare leningen niet toereikend zijn om het achterstallige onderhoud bij VvE’s op grote schaal weg te werken en dat daarmee ook de verduurzaming in gevaar komt? Zo ja, bent u bereid middelen in te zetten om – naast bestaande verduurzamingsleningen – te komen tot een landelijk dekkend en goed toegankelijk VvE-onderhoudsfonds (dus ook voor kleine VvE’s) met redelijke rentecondities in de orde van grootte van de huidige verduurzamingsleningen (rond de 3,5%)? Zo nee, welke alternatieven ziet u dan om de onderhoudsproblemen weg te werken?
Ik snap uw zorgen over de beschikbare leenmogelijkheden en ga hierover graag in gesprek met uw Kamer. U vraagt mij te komen tot een landelijk dekkend onderhoudsfonds, of naar alternatieven te kijken om onderhoudsproblemen weg te werken. Of dit nodig is, hangt onder andere af van de verdere verkenning bij Nationaal Warmtefonds. Naast financiering is het belangrijk om VvE’s te ondersteunen met advies. Zodra een VvE deskundige en onafhankelijke procesbegeleiding inschakelt, groeit het draagvlak onder de appartementseigenaren voor het uitvoeren van onderhoud en verduurzaming. Om deze eerste drempel weg te nemen, subsidiëren we procesbegeleiding vanuit de «Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s» (SVVE) vanuit de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Vanuit de SVVE is nog 89 miljoen euro beschikbaar. We zien een stijging van de aanvragen en verwachten dat deze regeling ruim voor 2030 is benut. Daarnaast kunnen appartementseigenaren naast de landelijke helpdesk van het kenniscentrum voor verduurzaming ook terecht bij gemeentelijke VvE-loketten, zoals in Tilburg, Groningen, Zoetermeer en Rotterdam.
U vraagt mij of de huidige instrumenten toereikend zijn. Voor appartementseigenaren is het een enorme uitdaging om een onderhouds- en verduurzamingsproject te organiseren, maar er is dus ondersteuning beschikbaar en er zijn subsidie- en leenmogelijkheden. Mijn zorg gaat uit naar VvE’s waar niet alleen achterstallig onderhoud een belemmering is, maar waar bredere problematiek speelt, zoals op gebied van leefbaarheid en veiligheid. Dit vraagt om ondersteuning vanuit alle betrokken partijen.
Hoe luidt uw reactie op de bevindingen uit het onderzoek dat 28% van de eigenaren zich zorgen maakt over de betaalbaarheid van de VvE-bijdrage op de lange termijn en voor 3% van de bewoners de huidige bijdrage al nauwelijks betaalbaar is? Erkent u dat het belangrijk is dat een betaalbare VvE-bijdrage van belang is, zeker voor huishoudens met de laagste inkomens? Hoe zet u zich daarvoor in?
Bij vraag 1 heb ik mijn reactie gegeven op de vragenlijst. Ik herken de zorg over betaalbaarheid, dat is ook de reden dat Nationaal Warmtefonds afgelopen zomer is gestart met een vangnetregeling voor stijgende VvE-bijdragen; de VvE-Ledenlening. Echter, ik denk dat het vooral belangrijk is dat de hoogte van de VvE-bijdrage voorspelbaar is. Daarom is het belangrijk dat VvE’s een actueel en realistisch meerjarenonderhoudsplan bijhouden en uitvoeren. Bij voorkeur kijken ze daarbij dertig jaar vooruit en houdt het plan rekening met verduurzaming. Ik ben daarom voornemens om wettelijk meer te regelen met het onderhoudsplan. Dit zorgt voor meer bewustwording bij VvE’s.
Erkent u dat de VvE-ledenlening voor appartementseigenaren met een laag inkomen, waar u in de genoemde brief naar verwijst, alleen toegankelijk is wanneer de VvE een Energiebespaarlening bij het Warmtefonds heeft afgesloten (dus niet wanneer een andere manier van financieren tot een bijdrageverhoging leidt) en dat er meer beperkingen gelden, waaronder een inkomensgrens van € 2.250 voor alleenstaanden en € 39.500 voor meerpersoonshuishoudens? Meent u dat deze ledenlening desondanks voldoende toegankelijk is voor appartementseigenaren die moeite hebben om de stijging van de maandelijkse bijdrage te kunnen betalen? Zo ja, waarom?
Nationaal Warmtefonds is vorig jaar de VvE-ledenlening gestart voor appartementseigenaren met een laag inkomen in een VvE die leent bij Nationaal Warmtefonds. De ledenlening dempt de stijgende VvE-bijdrage. Dit is mogelijk dankzij subsidie van het Rijk. De overheidsbijdrage per ledenlening is veel hoger dan de overheidsbijdrage aan renteloze leningen aan particulieren. Ik vind dat verdedigbaar, omdat we hiermee onzekerheid wegnemen bij alle leden van een VvE. Door de huidige inkomensgrenzen te hanteren gaat de overheidsbijdrage naar de doelgroep waar de behoefte het grootst is en daarmee ook het effect. Daarom is de ledenlening niet een oplossing voor alle appartementseigenaren die moeite hebben met een stijgende bijdrage.
Bent u bereid om te zorgen voor een toegankelijkere ledenlening en hier bijbehorende middelen voor uit te trekken? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de vormgeving hiervan? Zo nee, waarom niet?
De overheidsbijdrage aan de ledenlening dekt het Rijk vanuit het Sociaal Klimaatfonds van de Europese Commissie. Dit fonds is alleen bedoeld voor de mensen die dat het hardst nodig hebben, daarom is gekozen voor deze inkomensgrens. Als we de inkomensgrens verhogen, dan kan de ledenlening niet gedekt worden met Europese middelen.
Bent u bereid om, in het kader van de verbeteren van (de ondersteunings- en versnellingsmogelijkheden voor) onderhoud en verduurzaming en de hierboven aan de orde gestelde problematiek en gelet op uw VvE-Versnellingsagenda verduurzaming, regelmatig te overleggen met organisaties als VvE Belang en Vereniging Eigen Huis? Wanneer heeft u deze organisaties voor het laatst gesproken, wat kwam daaruit en welke opvolging heeft u daaraan gegeven?
Om goed te begrijpen wat VvE’s nodig hebben, ben ik doorlopend in gesprek met gemeenten, bouwbedrijven, intermediairs en uiteraard met appartementseigenaren. Dat soort gesprekken zijn de basis voor de VvE-Versnellingsagenda verduurzaming. Er is dan ook doorlopend contact met vertegenwoordigers van appartementseigenaren en VvE’s, waaronder VvE Belang en Vereniging Eigen Huis. Ik ben op bezoek gegaan bij een VvE in Zoetermeer en ben zeer onder de indruk dat appartementseigenaren een ambitieus onderhouds- en verduurzamingsproject voor elkaar hebben gekregen. Met begeleiding van de gemeente leren de VvE’s van elkaar en dat is van grote meerwaarde. Het landelijk kenniscentrum helpt ook met het delen van best practices en bevordert kennisoverdracht van reeds ervaren VvE’s aan VvE’s die nog moeten beginnen met verduurzaming.
Negatieve gevolgen van extra provinciale regels inzake netcongestie voor woningbouw. |
|
Jeremy Mooiman (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van de Telegraaf waarin staat dat nieuwe woningen in Utrecht, Flevoland en Gelderland opnieuw 10.000 tot 15.000 euro duurder dreigen te worden, omdat provincies eisen dat ontwikkelaars en bouwers «netbewust bouwen»?1
Ja.
Klopt het dat onbekend is hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie? Zo ja, bent u bereid dit met relevante partners elk half jaar in kaart te brengen?
Er is geen totaaloverzicht hoeveel bouwplannen nooit verder komen dan papier vanwege netcongestie. Via verschillende wegen houd ik zicht op de woningbouwplannen en de voortgang hiervan. Dit doe ik onder andere via de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw (LMVW), de bestuurlijke overleggen woondeals en via de versnellingstafels. Aan de versnellingstafels bespreken de gemeenten, corporaties en marktpartijen vastlopende projecten om tot doorbraken te komen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van de publiek-private monitor waarmee alle informatie en knelpunten per project gebundeld wordt. Vertraging in een woningbouwproject is overigens vaak niet aan één specifieke oorzaak te wijten. De genoemde monitoringsinstrumenten geven voldoende richting om te kunnen sturen op de woningopgave.
Kunt u nader toelichten waarom na 1 juli 2026 netbeheerders geen ruimte meer mogen reserveren voor woningbouw en de prioriteit naar congestieverzachters verschuift?
Op 1 januari 2026 is het prioriteringskader voor transportverzoeken in werking getreden. De bevoegdheid voor het opstellen van dit prioriteringskader ligt bij de Autoriteit Consument en Markt (ACM). In de oude werkwijze reserveerden de netbeheerders capaciteit voor het aansluiten van alle (toekomstige) kleinverbruikers, zodat elke kleinverbruiker transportcapaciteit kreeg zolang er capaciteit beschikbaar was. Grootverbruikers (ook met maatschappelijke prioriteit, zoals ziekenhuizen en defensie), kwamen ondertussen op een wachtlijst. Deze werkwijze doet geen recht aan de volgorde van het prioriteringskader en moet daarom veranderen. Netbeheerders hebben aangegeven tot 1 juli 2026 nodig te hebben om het nieuwe prioriteringskader voor kleinverbruikers te implementeren. Voor kleinverbruikers hebben netbeheerders tijd nodig voor het duiden van de impact van het nieuwe kader, het tijdig informeren van klanten en het aanpassen van bedrijfsprocessen. Tot 1 juli 2026 blijft de oude werkwijze daarom gelden voor kleinverbruikers en kan dus ook woningbouw, zolang daar capaciteit voor is, op de bestaande wijze worden aangesloten.
In het nieuwe prioriteringskader zijn drie categorieën opgenomen. Congestieverzachters staan in de hoogste categorie. Congestieverzachters zorgen voor een afname van netcongestie. In categorie twee vallen functies die essentieel zijn voor de nationale veiligheid zoals ziekenhuizen. In categorie 3 zitten functies gericht op maatschappelijke basisbehoeften, waaronder woningbouw. Woningbouw heeft daarmee ook in het nieuwe prioriteringskader prioriteit ten opzichte van een groot aantal functies die niet in het kader zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het, gelet op de huidige woningnood, een slechte zaak is dat circa 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden, omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn?
Dat er ongeveer 10.000 gebouwde woningen in Nederland niet bewoond kunnen worden omdat er geen stroomaansluitingen beschikbaar zijn, herken ik niet. Bij het ministerie zijn enkele projecten bekend waar deze situatie zich voordoet of dreigt. Maar elke woning die niet bewoond kan worden is er één te veel. Daarom zet het kabinet vol in op het verhelpen van netcongestie, onder andere met het Landelijke Actieprogramma Netcongestie (LAN) en de crisisaanpak in de Flevopolder, Gelderland en Utrecht (FGU). Op 12 maart is uw kamer door de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei geïnformeerd over de crisisaanpak voor de FGU-regio 2.
Deelt u de mening dat het niet bevorderlijk is voor het behalen van de eisen van betaalbare nieuwbouw, als ontwikkelaars moeten investeren door aanvullende provinciale eisen wat de realisatie van nieuwbouwwoningen duurder maakt, terwijl er bovendien geen garantie is dat er een aansluiting volgt? Graag uw visie.
In algemene zin zet dit kabinet er op in om kostenverhogende regels te voorkomen. Maar gezien de schaarste op het elektriciteitsnet kijk ik naar alle mogelijkheden waarmee de woningbouw wél kan doorgaan. Het «netbewust» bouwen van huizen is een belangrijke maatregel om de bestaande netcapaciteit zo goed mogelijk te benutten, en daarmee dus zoveel mogelijk woningen te realiseren met de beperkte netcapaciteit die er is. Samen met de sector werk ik aan beter zicht op de kosten en opbrengsten van netbewuste nieuwbouw. Het is van belang dat een goede afweging wordt gemaakt tussen de extra kosten die dit mogelijk met zich meebrengt en de netcapaciteit die hiermee wordt bespaard. Maatschappelijke baten en mogelijke energiebesparing voor de toekomstige bewoners worden hier ook bij betrokken.
Deelt u de mening dat het tegengaan van netcongestie belangrijk is, maar niet zou moeten betekenen dat broodnodige woningbouw wordt gehinderd? Graag uw visie.
Netcongestie is een realiteit waar het hele land mee te maken heeft. Door de schaarste aan transportcapaciteit wordt juist ook de woningbouw in toenemende mate geraakt. Het is van groot belang dat alle opties die voorkomen dat woningbouw door netcongestie wordt gehinderd serieus worden opgepakt.
Wat bent u bereid op korte termijn te ondernemen om provincies en gemeenten te stimuleren dat zij niet zomaar aanvullende eisen boven op het Besluit bouwwerken leefomgeving kunnen instellen en gebruiken om vergunningen te weigeren?
In het coalitieakkoord is opgenomen dat (duurzaamheids-)normen worden gestandaardiseerd en dat er op toe gezien wordt dat alle gemeenten alle bovenwettelijke eisen aan de bouw schrappen, zodat overal hetzelfde geldt. Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regelt landelijk uniform dat bouwwerken veilig, gezond, bruikbaar en duurzaam zijn. Strengere of aanvullende lokale regels voor bouwwerken vanuit die oogpunten van het Bbl zijn niet toegestaan. Op de Woontop 2024 is dit ook herbevestigd met de sector. Om hier meer duidelijkheid over te bieden werk ik aan een wetsuitleg over de verdeling van publiekrechtelijke bevoegdheden over de 3 overheidslagen als het over de regels van het Bbl gaat en een wetsuitleg over de ruimte die de wet medeoverheden geeft om privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten ten aanzien van bouwtechnische aspecten voor woningen waar ze geen eigenaar van zijn/worden (in combinatie met uitleg artikel 23.7 Ow). Ik zal deze wetsuitleg op korte termijn met de Woontoppartners delen.
In uitvoering van het programma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen in Regelgeving (STOER) worden via de regionale versnellingstafels de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw signalen behandeld in geval er aanvullende eisen gesteld worden waardoor er knelpunten ontstaan in nieuwbouwplannen.
Kunt u aangeven, in het kader van tegengaan van bovenwettelijke eisen, wat u tot nu toe heeft ondernomen én van plan bent te gaan ondernemen om gemeenten op te roepen geen bovenwettelijke eisen op te leggen aan nieuwbouwwoningen en toezicht te houden op de naleving hiervan (bijvoorbeeld via bestuurlijk overleg, versnellingstafels of woonafspraken), zoals de aangenomen motie Mooiman (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 25) heeft verzocht.
Zie antwoord vraag 7.
Wat heeft u ondernomen en wat gaat u ondernemen om het belang van woningbouw zo zwaar mogelijk te laten meewegen bij de vormgeving van beleid om netcongestie tegen te gaan?
Het terugdringen van het woningtekort is topprioriteit van dit kabinet en netcongestie is een grote uitdaging in het realiseren van de woningbouwopgave. Het tegengaan van netcongestie is voor het kabinet om die reden onlosmakelijk verbonden met het belang van woningbouw. Netcongestie is dan ook een belangrijk onderdeel uit de opdracht aan de Ministeriële Taskforce Versnelling Woningbouw. Er worden concrete voorstellen uitgewerkt om te voorkomen dat woningbouw door netcongestie tot stilstand komt. Ook werkt mijn ministerie nauw samen met KGG, de VNG, IPO, de ACM en regionale netbeheerders aan de werkwijze voor het aanvragen van transportcapaciteit voor woningbouw onder het nieuwe prioriteringskader.
Mensonterend en vernederend optreden door beveiligingspersoneel in AZC Budel |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht en deelt u de opvatting dat dit gedrag vernederend, mensonterend en volstrekt onacceptabel is, ongeacht het moment waarop het heeft plaatsgevonden?1
Ik ben bekend met dit incident. Dit is onacceptabel en ik ben het eens met vragenstellers dat dit vernederend is.
Welke concrete sancties zijn destijds opgelegd aan de betrokken beveiligingsmedewerker naar aanleiding van dit incident, en kunt u bevestigen of sprake is geweest van ontslag, melding bij de werkgever, aangifte of andere disciplinaire maatregelen?
Na dit incident in 2023 zijn er direct gesprekken met de werkgever gevoerd en zijn de betrokken beveiligingsbeambten niet meer op COA-locaties ingezet. De werkgever heeft een intern onderzoek ingesteld en passende maatregelen genomen. Door het COA zijn in overeenstemming met het landelijke beveiligingsbedrijf de werkinstructies en protocollen die gelden voor de beveiligers van alle COA-locaties aangescherpt.
Deelt u de zorg dat het feit dat deze beelden pas jaren later publiek worden, erop wijst dat vluchtelingen zich mogelijk niet veilig voelen om misstanden te melden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat het wangedrag in deze video onderdeel is van een breder probleem. Vluchtelingen die te maken hebben met misstanden worden door het COA herhaaldelijk geattendeerd om hier altijd melding van te maken. Naar de ervaren veiligheid van COA-bewoners wordt expliciet gevraagd in de periodieke meting van het COA. Daarin wordt ook gevraagd bij wie bewoners zich melden als ze zich onprettig of onveilig voelen.
Welke verantwoordelijkheid draagt u voor het toezicht op beveiligingsbedrijven die werkzaam zijn in locaties van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en acht u dit toezicht momenteel voldoende om machtsmisbruik en intimidatie te voorkomen?
Een beveiligingsorganisatie heeft zich te houden aan de kaders van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus (Wpbr) en de daarbij behorende regeling en beleidsregels. Het is voor een beveiligingsorganisatie verboden te handelen in strijd met de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak. Ook het voorkomen van machtsmisbruik en intimidatie is hier onderdeel van. De korpschef van de politie is verantwoordelijk voor het toezicht op beveiligingsbedrijven. Beveiligingsorganisaties mogen enkel personen te werk stellen na dat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. Aan de afgifte van een toestemming gaat een screening vooraf. Op grond van artikel 7 lid 5 Wpbr kan een toestemming worden introkken indien zich feiten of omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming zou zijn afgewezen. In het geval van een beveiliger worden ook opleidingseisen getoetst en volgt na aanvraag de afgifte van een legitimatiebewijs (grijze pas).
Hoeveel meldingen van grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag door beveiligingspersoneel in asielzoekerscentra (azc’s) zijn in de afgelopen vijf jaar bekend bij het COA of bij u en welke structurele lessen zijn hieruit getrokken?
Vastgesteld grensoverschrijdend, vernederend of intimiderend gedrag van eigen personeel of dat van de gecontracteerde beveiligingspartner kan een grondslag bieden voor ontslag op staande voet van de betrokken medewerker. Indien de betreffende medewerker personeel van een inleenpartij betreft biedt het aanleiding om de samenwerking met deze medewerker te beëindigen. In de afgelopen vijf jaar is dit tweemaal voorgekomen. Uit de evaluatie van deze situaties zijn aanvullende maatregelen voortgekomen om medewerkers bewuster te maken van situaties en gedrag en is een meldpunt ingesteld om (anoniem) melding te maken van herkende situaties. De casus in kwestie was de aanleiding om het beveiligingsplan op de locatie Budel aan te verbeteren.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat vluchtelingen die bescherming zoeken in Nederland worden blootgesteld aan machtsmisbruik, vernedering of racistische bejegening door personeel dat juist hun veiligheid zou moeten waarborgen?
Het is van belang dat beveiligingspersoneel zich, net zoals COA-medewerkers bewust is van ongepast gedrag en zich naar elkaar uitspreken. Adequate voorlichting is daarvoor essentieel. Het COA geeft diverse verplichte trainingen voordat werkzaamheden op opvanglocaties mogen worden uitgevoerd. Al het ingezette personeel dient te handelen conform de COA-huisregels en gedragscode. Daarin wordt expliciet vermeld welke houding er wordt verwacht in relatie tot de bewoners. Alle ingezette beveiligers zijn gescreend en in bezit van een grijze pas.
Voorafgaand aan de afgifte van een grijze pas vindt een screening plaats door de korpschef. Pas na een succesvolle uitkomst hiervan mag een beveiliger door een beveiligingsorganisatie tewerkgesteld worden. De grijze pas kan ingetrokken worden als nieuwe feiten of omstandigheden zich voordoen waarmee de toestemming in eerste instantie zou zijn afgewezen. Daarom raad ik bij sprake van incidenten met een beveiliger altijd aan om een klacht in te dienen bij de beveiligingsorganisatie en melding of aangifte te doen bij de politie. Bij vermoedens van een misdrijf dient altijd aangifte gedaan te worden zodat strafrechtelijk onderzoek kan plaatsvinden. Ook voor een breder ingrijpen door de korpschef als toezichthouder is dit van belang om een duidelijk beeld te krijgen van een eventuele systematiek.
Bent u bereid om te onderzoeken of de opleiding, screening en begeleiding van beveiligingspersoneel in azc’s aangescherpt moet worden, en zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht ‘Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang’ |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Provincie eist bouwstop chalets op camping Vogelenzang»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de situatie op c?
Het bericht betreft een situatie waarbij de provincie Noord-Holland de gemeente Bloemendaal opdraagt om de aanlegwerkzaamheden voor de bouw van de chalets op de camping stop te zetten en over te gaan tot «handhaving». Dat is een aangelegenheid voor de provincie Noord-Holland en de gemeente Bloemendaal.
Camping Vogelenzang, waar plannen bestaan om een familiecamping om te zetten naar een luxe vakantiepark met circa 350 chalets en waar vaste kampeerders daarvoor moeten wijken?
Deze vraag ziet op de bedrijfsvoering en prijsstelling van een individuele ondernemer. Ik doe geen uitspraken over de keuzes van individuele bedrijven.
Wat vindt u ervan dat deze chalets volgens berichtgeving worden verkocht vanaf circa € 395.000 per vierpersoonschalet, terwijl het terrein tot nu toe juist een betaalbare gezinscamping was?
De provincie Noord-Holland gaat in haar «Handhavingsverzoek Camping Vogelenzang» van 16 januari 2026 inderdaad in op de maximale toegestane bebouwing.
Klopt het dat de provincie Noord-Holland daarbij stelt dat maximaal 1.600 m2 bebouwd mag worden, terwijl de plannen volgens de berichtgeving neerkomen op circa 21.000 m2 bebouwd oppervlak?
Het is aan de gemeente Bloemendaal om te beoordelen in hoeverre activiteiten passen binnen het omgevingsplan en of afwijking hiervan mogelijk is. De provincie Noord-Holland houdt hier toezicht op en heeft in dit geval dus het in antwoord 4 genoemde handhavingsverzoek naar de gemeente verstuurd. Dit is een lokale afweging. In algemene zin ga ik bij het antwoord op vraag 11 in op handhaving.
Deelt u de opvatting dat het niet aanvaardbaar is wanneer grootschalige bebouwing doorgang vindt terwijl deze evident in strijd is met het omgevingsplan?
Het te voeren recreatiebeleid ter plaatse is een provinciale en gemeentelijke aangelegenheid. In dit geval wijst de provincie in haar handhavingsverzoek inderdaad op het seizoensgebonden karakter.
Hoe kijkt u aan tegen het bezwaar dat de provincie noemt over het permanente karakter van de chalets, terwijl recreatie in beginsel tijdelijk hoort te zijn en kampeermiddelen volgens berichtgeving slechts tussen 1 maart en 31 oktober geplaatst mogen worden?
Dat hangt af van de bestemming van het betreffende terrein. Indien er sprake is van een woonbestemming, dan zou dat ook op die wijze vergund dienen te worden, met inachtneming van de vigerende wet- en regelgeving.
Vindt u dat de bouw van luxe chalets met een (semi-)permanent karakter het risico vergroot op verkapte woonbestemmingen buiten de normale woningbouwregels om?
Gemeenten zijn vrij in hoe ze het begrip «kampeermiddelen» gebruiken in het omgevingsplan. Hierbij kan onderscheid gemaakt worden tussen tijdelijke kampeermiddelen en objecten met een permanent karakter. Ik zie geen aanleiding om dit aan te passen.
Acht u het wenselijk om de definitie van «kampeermiddelen» aan te scherpen, zodat chalets die in de praktijk een permanent karakter hebben niet langer onder deze definitie vallen?
Een gemeente kan een spoedeisende last onder bestuursdwang in de vorm van een bouwstop opleggen als sprake is van een overtreding. Hierdoor worden bouwwerkzaamheden stilgelegd.
Welke directe maatregelen kan een gemeente nemen om werkzaamheden stil te leggen om te voorkomen dat een ontwikkelaar een voldongen feit creëert?
Als dit daadwerkelijk aan de orde is, is het is aan de gemeente Bloemendaal om eventuele activiteiten te constateren en handhavend op te treden. De provincie heeft hier in haar handhavingsverzoek ook duidelijk op gewezen.
Hoe beoordeelt u het signaal dat volgens betrokkenen al grondwerkzaamheden zijn verricht voordat vergunningen zouden zijn verleend, terwijl het gebied bovendien als beschermd landschap wordt omschreven?
Als sprake is van een overtreding, moet een gemeente in beginsel overgaan tot handhaving, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een gemeente van handhaving moet afzien. Dat is bijvoorbeeld het geval bij een concreet zicht op legalisatie of als handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.
Deelt u de mening dat gemeenten verplicht zijn om te handhaven wanneer sprake is van duidelijke strijdigheid met het omgevingsplan, zeker wanneer een provincie dit expliciet opdraagt?
Een provincie kan door middel van indeplaatsstelling zelf overgaan tot handhaving wanneer een gemeente dit niet doet. Dit kan alleen nadat bestuurlijk overleg heeft plaatsgevonden met een gemeente en duidelijk is dat er sprake is van taakverwaarlozing door een gemeente omdat een gemeente nalaat een verplicht besluit te nemen of geen uitvoering geeft aan een wettelijke taak.
Welke mogelijkheden heeft de provincie om af te dwingen dat een gemeente daadwerkelijk handhaaft, wanneer een gemeente blijft talmen of onvoldoende optreedt?
Het is aan alle partijen (commercieel of niet) die omgevingsactiviteiten ondernemen om zich te houden aan wet- en regelgeving. Zowel privaatrechtelijk als publiekrechtelijk.
Vindt u het wenselijk dat commerciële partijen in de praktijk kunnen opereren volgens het principe «eerst doen, dan pas vragen», en welke maatregelen acht u nodig om dat te voorkomen?
Deze vraag raakt aan de onderwerpen die aan de orde zijn in de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg «Red de Camping» van 26 mei 2025 en aangenomen op 3 juni 2025. Uw Kamer wordt hierover op korte termijn geïnformeerd via een Kamerbrief.
Deelt u de zorg dat familiecampings steeds vaker worden opgekocht door commerciële ketens die vaste kampeerders wegdrukken ten gunste van dure chalets en recreatiewoningen?
Zie het antwoord op vraag 14.
Veel gemeenten kampen met vergelijkbare situaties rond de omzetting van familiecampings naar luxe chaletparken. Welke concrete voorstellen heeft u om dit probleem landelijk aan te pakken, zodat gemeenten dit niet ieder voor zich hoeven te bevechten?
Er is helaas geen definitie van familiecampings of (semi-)permanente chaletparken, dus het aantal verdwenen of omgezette parken is niet te bepalen. Uit de databank van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) blijkt wel dat het aantal overnachtingen op kampeerterreinen tussen 2012 en 2025 met 27,8% stijging minder sterk is gegroeid dan het aantal overnachtingen op huisjesterreinen met een stijging van 62,9%.
Kunt u aangeven hoeveel familiecampings in Nederland in de afgelopen 10 jaar zijn verdwenen of zijn omgezet naar (semi-)permanente chaletparken?
Ik heb geen specifiek inzicht in de eigendomssituatie van recreatieparken of hun plannen voor grootschalige herontwikkeling.
Kunt u inzicht geven in hoeveel recreatieparken in handen zijn van ketens en/of private equity, en hoeveel daarvan plannen hebben voor grootschalige herontwikkeling?
Er zijn geen directe middelen om herverkaveling tegen te gaan. Wel kan gestuurd worden op de verkaveling door middel van regels in het omgevingsplan. In het omgevingsplan kunnen bijvoorbeeld regels gesteld worden over de toegelaten kampeermiddelen, kan een maximaal aantal recreatiewoningen worden opgenomen of een maximaal bebouwd oppervlakte.
Welke middelen bestaan er op dit moment om herverkaveling van recreatieparken tegen te gaan, en welke bestuurslagen (gemeente, provincie, Rijk) kunnen deze middelen inzetten?
Voor zover de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de Camping» raken aan de moties die zijn ingediend tijdens het notaoverleg van 26 mei 2025 en aangenomen op 3 juni 2025, wordt uw Kamer hierover op korte termijn geïnformeerd via een Kamerbrief.
Bent u bereid, in het licht van dit bericht, uw reactie op de voorstellen uit de initiatiefnota «Red de camping» te herzien? Zo ja, wat is uw nieuwe reactie? Zo nee, waarom niet?
«Zie het antwoord op vraag 14».
Wat is de stand van zaken bij de uitvoering van de aangenomen motie van de leden Van Nispen en Vermeer over een voorstel voor een nieuwe kampeerwet en de voorstellen uit de initiatiefnota-Beckerman als richtinggevend beschouwen (Kamerstuk 36 452, nr. 9)?
Bent u bekend met het bericht «Zorgen over nieuwe hyperscale Amsterdam»1 en de bijbehorende oproep van maatschappelijke organisaties?2
Ja.
Kunt u op elk van de geuite zorgen door de advocaat van de maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Advocates for the Future, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak reageren met een gedegen onderbouwing?3
In de brief van de stichting PiLP van 10 december 2025 uiten maatschappelijke organisaties hun zorgen over de verleende omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu ten aanzien van de bouw van drie datacentrumtorens aan de Plimsollweg in Amsterdam. Zij geven aan dat de ontwikkeling in Amsterdam een groot beslag legt op het elektriciteitsnet, waardoor andere bedrijven en woningbouw niet kunnen aansluiten. Het project loopt sinds 2019 en daardoor wordt Amsterdam, volgens de organisaties, geconfronteerd met een speculatieve ontwikkeling, terwijl er landelijk beperkingen gelden voor hyperscale datacentra en lokaal al jaren een moratorium bestaat op alle datacentra. Naar mening van de organisaties zou het in een goed functionerende democratie mogelijk moeten zijn om eerder genomen besluiten te heroverwegen.
Het kabinet deelt net als de gemeente de zorgen van de maatschappelijke organisaties over de belasting van het stroomnet. Netcongestie speelt helaas op veel plaatsen in Nederland. Het is van belang om te benoemen dat de gemeenteraad van Amsterdam in beginsel verantwoordelijk is voor de ruimtelijke keuzes voor de inrichting van haar grondgebied, binnen de kaders die door het Rijk zijn gesteld. Als het gaat om de ruimtelijke keuzes door de gemeente Amsterdam past het Rijk terughoudendheid bij de beoordeling van de besluitvorming door de gemeente. Dat geldt ook voor vergunningverlening door de provincie. De verantwoording over de decentrale besluitvorming gebeurt immers primair door de colleges van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten aan respectievelijk de gemeenteraad en provinciale staten. In dat kader kan ook de heroverweging van dit type besluiten aan de orde komen, waarbij dan ook aspecten als rechtszekerheid en nadeelcompensatie aan de orde kunnen komen.
In het geval van het datacentrum aan de Plimsolweg heeft de Omgevingsdienst Noorzeekanaalgebied, namens de gemeente, op basis van een toets aan het toenmalige bestemmingsplan op basis van een aanvraag in 2019 een omgevingsvergunning voor de bouw en ingebruikname verleend. De verlening van deze vergunning heeft plaatsgevonden voordat de regels van het Rijk ten aanzien van hyperscale datacentra van toepassing waren. Later heeft de provincie, op basis van aanvragen in 2021 en 2022, in 2025 vergunningen voor onder meer milieuactiviteiten verleend.
Het is verder relevant om te melden dat er bij deze ontwikkeling geen sprake is van een hyperscale datacentrum, volgens de definitie in de regels van het Rijk. De omvang van dit datacentrum bedraagt immers minder dan 10 hectare bebouwd vloeroppervlak, terwijl de regels van het Rijk van toepassing zijn op datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer.
Kunt u aangeven welke vergunningen precies wanneer zijn verleend en aan wie, welke onderdelen nog wijzigbaar waren in 2024–2025, en kunt u de volledige tijdlijn inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten delen met de Kamer?
De omgevingsvergunningen zijn door de omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied verleend namens burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam en gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland. Op basis van informatie van de Provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied kan ik aangeven dat de volgende vergunningen, inclusief voorbereidings- en wijzigingsbesluiten, verleend zijn:
Op 6 november 2020 heeft de omgevingsdienst namens burgemeester en wethouders van Amsterdam een bouwvergunning verleend (aangevraagd op 3 december 2019) voor het bouwen van drie torens in afwijking van de toegestane bouwhoogte in het bestemmingsplan.
Op 15 juli 2025 heeft de Omgevingsdienst, namens gedeputeerde staten van Noord-Holland, een omgevingsvergunning vanwege een wijziging in de gevel voor een beoordeling vanuit welstand voor zonnepanelen en twee waterbuffertanks (aangevraagd op 1 december 2021). Deze verginning is definitief, maar nog niet onherroepelijk
De provincie Noord-Holland heeft op 15 juli 2025 drie milieuvergunningen (voor elke toren één) verleend en toestemming gegeven voor afwijking van het geluidverdeelplan (aangevraagd op 11 april 2022). Tegen de vergunning loopt nog een beroepsprocedure.
De gemeenteraad van Amsterdam heeft in zijn vergadering van 12 juli 2019 een voorbereidingsbesluit genomen voor het gehele grondgebied van Amsterdam met betrekking tot datacentra. Het voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van één jaar en heeft tot doel om vooruitlopend op een gemeentelijk beleid voor datacenters de bestaande situatie met betrekking tot datacenters «on hold» te zetten4.
De Minister van VRO heeft op 16 februari 2022 voor heel Nederland (uitgezonderd twee locaties) een voorbereidingsbesluit onder de Wro genomen waarmee verboden werd om gronden en bouwwerken zodanig te wijzigen dat een hyperscale datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer gebouwd of in gebruik genomen kon worden5. Dit voorbereidingsbesluit gold voor de (wettelijke) periode van negen maanden.
Op 16 november 2022 heeft de Minister een tweede voorbereidingsbesluit voor de duur van negen maanden genomen6 en op 16 augustus 2023 een derde voorbereidingsbesluit7.
Op 1 januari 2024 is ook het Besluit van 20 december houdende wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving in verband met een instructieregel voor hyperscale datacentra in werking getreden8.
Klopt het dat de regering het ontwerpbesluit waarin het mogelijk werd gemaakt om hyperscale datacenters landelijk te verbieden in 2022 is gepresenteerd en dat al op 16 februari 2022 een voorlopig besluit werd genomen om de vestiging van hyperscale datacenters tijdelijk te blokkeren totdat nieuwe nationale criteria en regels zouden worden vastgesteld? Zo nee, hoe zit het dan precies?
Ja, zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3, heeft het Rijk op 16 februari 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waarna gestart is met een wetgevingstraject voor instructieregels voor hyperscale datacentra (AmvB). Het ontwerpbesluit is gedurende het wetgevingstraject op verschillende momenten gepubliceerd en op 1 januari 2024 in werking getreden. Met het voorbereidingsbesluit is beoogd de bouw en ingebruikname van nieuwe hyperscale datacentra (meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en een aansluitvermogen van 70 MW of meer) tegen te houden (buiten de twee eerder genoemde uitzonderingsgebieden).
Kunt u bevestigen dat het gebruikelijk is om bij ruimtelijke besluiten ook «voorzienbare ontwikkelingen» en dus verwachte toekomstige wetgeving en beleid mee te wegen in de besluitvorming?
Ja, in voorkomende gevallen is het gebruikelijk dat het bevoegd gezag (in dit geval B en W van Amsterdam en GS van Noord Holland) bij besluitvorming rekening houden met voorgenomen eigen beleid of verwacht beleid- en wetgeving van andere bestuursorganen.
Was het juridisch ook mogelijk geweest om bij de vergunningsverlening rondom de hyperscale datacenter in Amsterdam de «voorzienbare ontwikkeling» van een komend landelijk verbod mee te wegen in de besluitvorming rondom (een van de) vergunningen? Welke mogelijke juridische ruimte zit daar in theorie?
Nee, zoals in de eerdere antwoorden aangegeven is de eerste vergunning voor het bouwen en in gebruik nemen van dit datacentrum aangevraagd op 3 december 2019 en verleend op 6 november 2020, waarbij onder meer getoetst is aan het vigerende bestemmingsplan. Het Rijk heeft op 16 februari 2022 via een voorbereidingsbesluit een landelijk verbod bekend gemaakt en aangegeven dat er landelijk beleid en regelgeving werd opgesteld om de bouw van nieuwe hyperscale datacentra tegen te gaan. Daarbij heeft het Rijk ook aangegeven wat onder een hyperscale datacentra in de zin van het Rijksbeleid en de regelgeving werd verstaan.
Het was voor de Omgevingsdienst, namens het bevoegd gezag, niet mogelijk om bij de vergunningverlening het landelijke verbod mee te wegen, omdat de vergunning aangevraagd en verleend is ruim voordat het verbod op de vestiging van nieuwe hyperscale datacentra van kracht werd. Daarbij is, wegens een bebouwd vloeroppervlak van minder dan 10 hectare, het landelijke verbod überhaupt niet van toepassing is op het initiatief aan de Plimsolweg.
Wat zijn de verwachte kosten in termen van energieverbruik (bijvoorbeeld equivalent aan het stroomverbruik van alle huishoudens in Haarlem), ruimtebeslag (inclusief hoogbouw van 85 meter in het havengebied), watergebruik, CO2-uitstoot en netcapaciteit voor dit project? Ten koste van welke andere belangrijke zaken gaat dit, bijvoorbeeld duurzame energieopwekking, natuur, woningbouw of klimaatadaptatie, (of iets anders)?
De maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter ligt bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zij zijn bevoegd gezag geweest voor de plannen en de vergunningverlening. Uit informatie van de provincie Noord-Holland blijkt dat het gaat om een aansluitvermogen van 33 MW per toren, dus 99 MW in totaal. Bij het beoordelen van de aanvragen voor de drie torens is door de provincie gekeken naar de vestigingsvoorwaarden van de provincie. Zo is na overleg met de aanvrager afgezien van het gebruik van grondwater en is er voor gezorgd dat het datacentrum zijn warmte af kan staan aan een te bouwen warmtegebouw aan de overkant van de straat. Omdat het Rijk hierbij verder niet betrokken is geweest, ben ik niet op de hoogte van verdere inhoudelijke specificaties. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoeveel windturbines zouden in theorie nodig zijn om zo’n hyperscale datacenter te laten draaien?
Het datacenter heeft een vermogen van 99 Megawatt. Stel dit datacenter vraagt volcontinu elektriciteit, dan leidt dat tot een elektriciteitsvraag van circa 0,87 TWh per jaar. In de nieuwste windparken op zee staan windturbines van 11 MW per stuk. Een 11 MW turbine levert met 3.700 vollasturen circa 0,041 TWh per jaar. Om de jaarvraag te dekken zijn in theorie dan 21,2 (dus 22) turbines nodig.
Gaat dit project zorgen voor minder beschikbare ruimte en energiecapaciteit voor fundamentele zaken als woningen, zorgvoorzieningen, scholen, etc? Zo nee, hoe onderbouwt u dat? Zo ja, hoe verantwoordt u dan de keuze voor de hyperscale datacenter boven de andere zaken die gelden als van groot maatschappelijk belang?
Ja. Het datacenter heeft een ruimtelijke impact en vraagt beschikbare transportcapaciteit, dus het zal altijd impact hebben op andere ontwikkelingen. Het is daarbij relevant om aan te geven dat het hier gaat om een historisch project met een energiecontract dat al veel eerder is vastgesteld. In dit geval heeft het datacenter al transportcapaciteit gecontracteerd voordat congestie werd afgekondigd en een wachtrij is ingesteld. Daarmee kan het dus geen afstand doen van de rechten voor andere doeleinden. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Hoe rijmt het toelaten van zo’n energieslurpend hyperscale datacenter met al bestaande grote problemen rondom woningnood, netcongestie, hoge energieprijzen en de energietransitie?
Ik begrijp de zorgen die er bestaan over deze ontwikkeling. Het betreft echter een ontwikkeling die al lang speelt en die bovendien niet valt onder de regels van het Rijk over hyperscale datacentra. Om die reden heeft de maatschappelijke en politieke afweging voor de vestiging van dit datacenter gelegen bij de gemeente Amsterdam en de provincie Noord-Holland. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Zijn deze problemen ooit ergens in de besluitvorming bewust meegewogen? Zo ja, hoe precies en wanneer? Zo nee, waarom niet en vindt u ook dat dat wel zou moeten gebeuren?
Zoals eerder aangegeven heeft de besluitvorming over dit datacentrum gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam. Het Rijk is hierbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik begrepen dat het project is getoetst aan de vestigingsvoorwaarden voor datacenters van de provincie9.
Is de impact op ruimte en energie voor woningen, zorgvoorzieningen, scholen, verzorgingshuizen, en andere zaken van groot maatschappelijk belang ergens in de besluitvorming rondom de hyperscale datacenter meegewogen? Zo ja, kunt u de uitgebreid schetsen wat precies is afgewogen en wanneer? Zo nee, waarom niet? Bent u het met ons eens dat zo’n expliciete weging wel zou moeten worden gemaakt en verankerd in beleid?
Die impact is inderdaad meegewogen in de besluitvorming rondom de instructieregel «hyperscale datacentra». Sterker nog: de impact op ruimte en energie is de reden geweest om de instructieregel op te stellen (vanwege nationale belangen).
Zoals in de toelichting op de AMvB staat opgenomen is de ruimte in Nederland is schaars en wordt Nederland geconfronteerd met grote opgaven die allemaal gepaard gaan met ruimtelijke claims. Hierbij valt te denken aan de energietransitie, landbouw en de woningbouwopgave. In Nederland is, vanwege het ruimtebeslag, de landschappelijke impact, het hoge energiegebruik en de belasting van de landelijke energie-infrastructuur, maar beperkt ruimte voor de bouw en ingebruikname van hyperscale datacentra en daarom is destijds de instructieregel opgesteld.
Waar en wanneer is precies het besluit genomen dat in de situatie van netcongestie een Amerikaanse hyperscale voorrang zou mogen krijgen boven bijvoorbeeld woningen?
Hierover is geen expliciet besluit genomen. Het is niet openbaar wanneer het energiecontract is afgesloten met dit project. Het afsluiten van overeenkomsten tussen netbeheerders en afnemers vindt plaats tussen deze partijen onderling, op basis van de energiewet, zonder dat daar een overheidsbesluit aan te pas komt.
Gezien de bouwvergunning in 2019 is aangevraagd gaan wij ervan uit dat de contracten voor energie en transportcapaciteit toen ook zijn afgesloten. In die periode golden nog geen voorrangsregels voortransportcapaciteit: pas in april 2024 is er door de ACM een maatschappelijk prioriteringskader opgenomen in de Netcode elektriciteit, voor het verdelen van transportcapaciteit in tijden van netcongestie10. In de huidige situatie krijgt een transportverzoek voor woningbouw prioriteit, en aansluitingen voor commerciële datacenters niet.
In hoeverre acht u dit project verenigbaar met strategische energie- en grondstoffenonafhankelijkheid, gelet op de verspilling van schaarse energie en ruimte die ten koste gaat van nationale prioriteiten zoals de energietransitie, klimaataanpak en circulariteit?
Investeren in robuuste en duurzame datacenters en digitale infrastructuur is essentieel om Nederland én Europa ook in de toekomst concurrerend te houden en onze digitale open strategische autonomie te waarborgen. Het kabinet herkent daarom niet dat datacenters «verspilling van schaarse energie en ruimte» zijn. Daarbij erkent het kabinet wel dat er een discrepantie bestaat tussen de vraag uit de sector en dat wat in termen van ruimte en energieverbruik realiseerbaar is. Daarom is er regulering vanuit het Rijk op dit thema, onder andere via de eerder genoemde instructieregel hyperscale datacentra.
Voor het rechtvaardig verdelen van capaciteit op het stroomnet is er het prioriteringskader van de ACM, dat bepaalt welke sectoren voorrang krijgen bij het verkrijgen van nieuwe transportcapaciteit. Datacenters zijn niet opgenomen in dit kader en nieuwe aanvragen van datacenters krijgen dus ook geen voorrang, tenzij dat nodig is voor een vitale voorziening zoals een ziekenhuis. Hiermee wordt voorkomen dat de elektriciteitsvraag van nieuwe datacenters ten koste gaat van woningbouw en andere maatschappelijke prioritaire sectoren.
Voor welke specifieke doeleinden wordt het datacenter door Microsoft gebruikt, welke soorten data worden er verwerkt en opgeslagen, en in hoeverre draagt dit bij aan de strategische digitale autonomie van Nederland en de EU, of juist aan verdere afhankelijkheid van Amerikaanse techgiganten? Kunt u dat met verwijzing naar expertbronnen onderbouwen?
Er bestaat geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij de Nederlandse autoriteiten melding te maken over de doeleinden waarvoor ze gebruik (zullen) maken van servercapaciteit die ze afnemen in een datacentrum, of over het type data dat ze in dit datacentrum van plan zijn te verwerken of op te slaan. Er is geen informatie bij het kabinet beschikbaar over de doeleinden waarvoor Microsoft de servercapaciteit in dit te ontwikkelen datacentrum zal gaan gebruiken. In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen.
In algemene zin kan gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor het functioneren van de digitale infrastructuur en belangrijk is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.11 De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-)dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van clouddiensten.
Eerder bleek dat Microsoft datacenters in Nederland worden gebruikt door het Israëlische leger dat daar tientallen miljoenen uren aan opnamen van telefoongesprekken van Palestijnen opslaat, dus zou het kunnen dat de nieuwe hyperscale daarvoor ook wordt gebruikt?4 Kunt u dat met zekerheid uitsluiten? Zo nee, wat vindt u dan van die situatie ook in het kader van de Nederlandse verantwoordelijkheid voor bescherming van mensenrechten? Bent u bereid om hierover iets op te nemen in uw beleid rondom datacenters?
Allereerst kan gesteld worden dat het betreffende datacentrum nog niet is ontwikkeld, en dus ook nog niet in gebruik is genomen. Daarnaast is er op dit moment geen informatie bekend over de data die Microsoft van plan is in dit datacentrum op te slaan. Zoals in het antwoord op vraag 15 is vermeld, bestaat er geen verplichting voor afnemers van datacentrumdiensten om bij Nederlandse autoriteiten melding te maken van de doeleinden waarvoor zij gebruik maken van een datacentrum of het type data dat ze in een datacentrum verwerken of opslaan.
Wat betreft de casus die u aanhaalt uit september 2025; hierin heeft Microsoft kenbaar gemaakt dat de betreffende dienstverlening aan het Israëlische Ministerie van Defensie is gestopt en uitgeschakeld omdat dergelijk gebruik in strijd zou zijn met de algemene voorwaarden van Microsoft.13 Daarmee is het op dit moment niet aannemelijk dat het te ontwikkelen datacentrum voor die doeleinden zal worden ingezet.
In Nederland gevestigde datacentra zijn verplicht de op hen toepasselijke wet- en regelgeving na te leven. Indien het vermoeden bestaat dat zij dat niet of onvoldoende doen, is het aan de bevoegde (gerechtelijke) autoriteiten om daar een onderzoek naar in te stellen en eventueel sancties op te leggen. Deze autoriteiten zijn onafhankelijk en maken daarbij hun eigen afwegingen.
In hoeverre acht de regering dit project verenigbaar met strategische digitale autonomie en digitale veiligheid, mede gezien de afhankelijkheid van een Amerikaans techbedrijf voor kritieke infrastructuur en overheidsdata?
Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, kan in algemene zin gesteld worden dat de aanwezigheid van voldoende datacentrumcapaciteit cruciaal is voor de positie van Nederland als digitaal knooppunt.
De mate van digitale afhankelijkheden die Nederland c.q. de EU ervaart, wordt in essentie bepaald door de overweging die individuele afnemers maken bij hun keuze voor (ICT-)dienstverleners. De aanwezigheid van een datacentrum waarvan de servercapaciteit in zijn volledigheid door Microsoft gebruikt wordt doet daar niet aan af. Het is van belang dat (overheids-)organisaties op basis van hun eigen risicoprofiel en kritieke data en processen een weloverwogen keuze maken voor (ICT-) dienstverleners, en daarin overwegingen ten aanzien van digitale autonomie meenemen. Met de Nederlandse Digitaliseringsstrategie krijgt deze overweging een centralere rol in het overheidsgebruik van onder meer clouddiensten.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening gaf tijdens het vragenuur van dinsdag 27 januari 2026 aan dat ze niet ziet hoe deze casus raakt aan strategische autonomie. Staat de regering hier nog steeds zo in, en zo ja, kunt u de stelling dat de casus niets te maken heeft met strategische autonomie dan onderbouwen met verwijzingen naar onafhankelijk onderzoeken en experts?
In het vragenuur van 27 januari 2026 heeft de vorige Minister van VRO aangegeven dat het onderwerp «strategische autonomie» op het vlak van digitalisering onderdeel is van de portefeuille van de toenmalige Staatssecretaris van BZK. Om die reden is zij hier in het vragenuur niet verder op ingegaan.
Een nadere reflectie op de verwachte impact van de ontwikkeling van het datacentrum op strategische autonomie is reeds gegeven in de beantwoording van vragen 15 en 17.
Erkent u dat dit project, gecombineerd met het hosten van overheidsdata zoals van de Belastingdienst bij Microsoft, de strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt door o.a. de VS-data-toegang via de Amerikaanse CLOUD Act?
De ontwikkeling van een nieuw datacentrum door een Britse datacentrumontwikkelaar is op zichzelf geen project dat onze strategische autonomie en digitale veiligheid ondermijnt. De aankondiging dat Microsoft de beschikbare capaciteit in het datacentrum in z’n geheel afneemt, maakt dat in dit datacentrum – net als in diverse andere datacentra in Nederland waar Microsoft servercapaciteit afneemt – mogelijk data uit clouddiensten van Microsoft wordt opgeslagen en verwerkt.
Indien een organisatie gebruik maakt van een Amerikaanse clouddienstverlener, zoals Microsoft, bestaat het risico dat Amerikaanse autoriteiten onder de CLOUD Act een verzoek indienen voor het delen van gegevens. Dit risico dient door (overheids)organisaties meegenomen te worden in de risicoanalyse. Conform het Rijksbreed cloudbeleid 2022 dienen organisaties die onder het Rijksbreed cloudbeleid 2022 vallen bij het risico op dreiging van statelijke actoren, voortijdig dreigings- en beveiligingsadvies in te winnen bij de AIVD c.q. de MIVD.
Onverminderd het bovenstaande is het van groot belang dat er meer mogelijkheden komen voor soevereine c.q. digitaal autonome cloudoplossingen. In dat verband wordt onder de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) onder meer gewerkt aan (een verkenning naar) een soevereine overheidscloud. Ook het versterken van de Nederlandse en Europese concurrentiepositie van de cloudmarkt is een belangrijke inzet. Over deze inzet is uw Kamer middels een Kamerbrief geïnformeerd.14
Kunt u de juridische adviezen delen over welke mogelijkheden er waren (en zijn) voor herroeping of aanpassing van de vergunning(en), gezien bijvoorbeeld de problemen rond netcongestie en het groot maatschappelijk belang van onze digitale veiligheid en wonen?
Nee, zoals eerder aangegeven hebben de afwegingen en de besluitvorming over deze ontwikkeling gelegen bij de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam en is het Rijk daarbij niet betrokken geweest. Uit informatie van de provincie Noord-Holland heb ik vernomen dat de vergunning reeds is gepubliceerd en daarmee voldoet het aan de wet- en regelgeving. Er zijn naar mijn weten geen mogelijkheden om de vergunning aan te passen of te herroepen, tenzij er nieuwe (milieu)wetgeving van toepassing is.
Als die juridische adviezen nog nergens zijn opgevraagd, bent u bereid om alsnog om extra juridisch advies te vragen, met het doel te verkennen of ergens nog ruimte is om de komst van de hyperscale datacenter tegen te houden, gezien de langdurige negatieve impact op andere zaken van groot maatschappelijk belang, zoals onze strategische autonomie en wonen?
Nee, vanuit ruimtelijk perspectief wordt in de regelgeving van het Rijk onder een hyperscale datacentrum verstaan: het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Zoals ook in de toelichting bij de regels in het Besluit kwaliteit leefomgeving is aangegeven is het een bewuste keuze van de wetgever geweest om alleen regels te stellen voor de vestiging van een datacentrum dat aan de criteria van meer dan 10 ha bebouwd vloeroppervlak en 70 MW of meer voldoet. Kleinere datacentra (met een oppervlakte van minder dan 10 hectare) of datacentra die slechts aan één criterium voldoen vallen niet onder de regels van het Rijk. Wel kunnen gemeenten, provincies en waterschappen in hun verordening of omgevingsplan regels stellen door dit type datacentra. Vanuit andere invalshoeken die relevant zijn vanuit het oogpunt van digitale autonomie, zoals het effect op de nationale veiligheid en verdienvermogen, is er op dit moment geen reden voor overheidsingrijpen.
Bent u bereid om met de advocaten van Advocates for the Future en maatschappelijke organisaties Leitmotiv, Bits of Freedom, critical infrastructure lab en DeGoedeZaak in gesprek te gaan over de casus en over de lessen die we hieruit moeten trekken en om hierover op korte termijn aan de Tweede Kamer per brief terug te koppelen?5 Zo nee, waarom niet?
Uit contact met de provincie Noord-Holland en de gemeente Amsterdam heb ik vernomen dat zij in gesprek gaan met deze maatschappelijke organisaties. Ik zie geen reden om zelf met hen in gesprek te gaan.
Klopt het dat als de vergunningsaanvraag voor deze drie torens vandaag gedaan zou worden, deze buiten het landelijk verbod zou vallen gezien de huidige regels over bijvoorbeeld hoeveelheid hectare, en zo ja, hoe beoordeelt u dit feit?
Dat klopt op basis van de informatie die ik over deze zaak heb gekregen. De regels van het Rijk verbieden alleen de bouw en ingebruikname van nieuwe datacentra met een bebouwd vloeroppervlak van meer dan 10 hectare en met een aansluitvermogen van 70 megawatt of meer. Omdat het betreffende datacentrum in Amsterdam een bebouwd vloeroppervlak heeft van 2,2 hectare, valt deze niet onder de Rijksregels. Ik begrijp de zorgen die er lokaal bestaan over het ruimtebeslag en het energieverbruik dan dit datacentrum. Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs16 gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen.
Erkent u dat het opsplitsen van één datacenter in meerdere gebouwen met elk een afzonderlijk aansluitvermogen ertoe leidt dat de bedoeling van het hyperscale-verbod wordt ondergraven, terwijl de feitelijke maatschappelijke impact gelijk blijft? Zo nee, waar baseert u dat op?
Nee, zoals de vorige Minister van VRO heeft aangegeven in het vragenuur is het opsplitsen van het datacentrum in drie gebouwen niet relevant voor de vraag of deze ontwikkeling past binnen de Rijksregels. Het totale bebouwde vloeroppervlak van de drie torens samen bedraagt 2,2 hectare. Dat is dus minder dan de 10 hectare die als grenswaarde is gebruikt bij de Rijksregels ten aanzien van hyperscale datacentra.
Bent u bereid om opnieuw te kijken naar de regelgeving rondom het verbod, en te verkennen of er aanscherpingen nodig zijn gezien de maatschappelijke onrust en andere grote maatschappelijke belangen die om ruimte en energie vragen?
Conform de aangenomen motie van het lid Grinwis cs gaat het kabinet de komende periode onderzoeken of en welk aanvullend beleid nodig is om op toekomstige gevallen te sturen. Hierover zal uw Kamer op een later moment worden geïnformeerd.
Welke andere lessen trekt u uit deze gang van zaken voor de toekomst?
Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 2 deelt het kabinet de zorgen over de belasting van het stroomnet. Om die reden is ook in het coalitieakkoord opgenomen dat het aanpakken van de netcongestieproblemen onze hoogste prioriteit heeft. Zoals verder aangegeven in het antwoord op vraag 2 is de realisatie van dit datacentrum verder passend binnen de regels zoals het Rijk die heeft gesteld. Ik zie om die reden geen aanvullende lessen om te trekken uit de gang van zaken.
Kunt u de vragen één voor één beantwoorden en binnen twee weken, gezien de urgentie van de situatie?
Ja, de vragen zijn één voor één beantwoord. Wegens de hoeveelheid vragen en de benodigde afstemming tussen de verschillende bewindspersonen en met de provincie Noord-Holland en de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, is het niet gelukt om de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het artikel 'Grote gemeentes bezorgd over huisvesting vrijgekomen gevangenen' |
|
Fatihya Abdi (PvdA), Habtamu de Hoop (PvdA), Lisa Westerveld (GL) |
|
Arno Rutte (VVD), Mona Keijzer , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief van 58 wethouders uit 47 gemeenten over de concept-ministeriële regeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting? Herkent u hun zorg dat huisvesting voor mensen die uitstromen uit gevangenissen, opvanglocaties en jeugdzorginstellingen, straks geregeld moet worden door de gemeente waar die instelling staat?1
Ja.
Herkent u het beeld dat het voor het herstel van mensen die uitstromen uit deze voorzieningen doorgaans goed is dat zij dit kunnen doen in de regio waar zij vandaan komen, omdat daar vaak het eigen sociale netwerk zit?
Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed netwerk gericht op hulp en ondersteuning van grote meerwaarde. Een terugkeer naar de regio van herkomst kan hieraan bijdragen. Er kunnen echter zwaarwegende redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst, bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers of de aanwezigheid van een crimineel netwerk. Het is dus van belang om maatwerk te kunnen leveren.
Hoe rijmt u het beleidsvoornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat, in plaats van waar de uitstromers vandaan komen, met het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet en het Bestuurlijk akkoord Re-integratie van (ex-) gedetineerde burgers (paragraaf 5, lid 1)?2
Allereerst wil ik benadrukken dat ik oog heb voor de serieuze zorgen van de gemeenten. Op maandag 16 februari 2026 is de ontwerpregeling versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpregeling) opnieuw in internetconsultatie gegaan, waar ik deze signalen verzamel. Graag licht ik onderstaand de ontwerpregeling toe.
In tegenstelling tot wat in vraag 3 wordt gesuggereerd, is er geen voornemen om de huisvesting van uitstromers te laten uitvoeren door de regio waar de instelling staat. Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting zorgt ervoor dat alle gemeenten een evenwichtige bijdrage leveren aan de huisvestingsopgave van kwetsbare groepen. Bij de vraag is van belang, dat het bij dit wetsvoorstel gaat om urgentie voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Ook is van belang dat het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting ruimte biedt voor maatwerk door het maken van afspraken door de gemeenten over de verdeling van de urgenten.
Het woonplaatsbeginsel uit de Jeugdwet is bedoeld om te regelen welke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en financiering van jeugdzorg. In het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst, behalve als er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen. Het is niet de bedoeling dat de ontwerpregeling conflicteert met het woonplaatsbeginsel of het Bestuurlijk akkoord.
De ontwerpregeling stelt geen eisen aan de manier waarop en welke gemeenten regie voert op de huisvesting van uitstromers uit instellingen, maar bepaalt alleen in welke regio een urgent woningzoekende in aanmerking komt voor maatschappelijke binding. In de ontwerpregeling is vastgelegd dat een woningzoekende maatschappelijk gebonden aan een woningmarktregio is, indien hij:
Er is bewust gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan met de gemeente van herkomst. Hiermee wordt geborgd dat elke woningzoekende zich – afhankelijk van de specifieke omstandigheden – zich kan wenden tot een passende regio met een aanvraag voor een urgentie; ook een woningzoekende die verblijft in een instelling. Hiermee wordt gepoogd te voorkomen dat een woningzoekende tussen wal en schip valt en in geen enkele regio in aanmerking komt voor urgentie. Daarnaast bestaat nog specifiek voor ex-gedetineerden en uitstromers uit de vrouwenopvang de mogelijkheid voor urgentie in een andere regio indien de woningzoekende een zwaarwegend belang heeft zich niet in de huidige woningmarktregio te vestigen. Voor de hand ligt dat deze woningzoekende zich zal wenden tot een woningmarktregio waarmee de woningzoekende een positieve binding zal hebben.
De internetconsultatie sluit op 30 maart 2026. Mocht uit de consultatie blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Herinnert u zich dat het woonplaatsbeginsel er enkele jaren geleden juist is gekomen om duidelijkheid te geven over de verantwoordelijkheid van gemeenten, en problemen op te lossen? Hoe voorkomt u dat dit weer zorgt voor nieuwe problemen?
In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om niet uitsluitend maatschappelijke binding te laten ontstaan met de woningmarktregio van herkomst. De ontwerpregeling leidt juist voor de urgentieverlening tot duidelijkheid doordat een gemeente zich daarvoor verantwoordelijk moet achten, ook als er tevens een verantwoordelijkheid kan zijn voor een andere gemeente. Hierdoor hebben woningzoekenden meerdere opties en kunnen zij zich wenden tot de woningmarktregio die het beste past bij hun situatie.
Kent u de fair shareafspraken die veel regio’s hebben gemaakt over de huisvesting van uitstromers op basis van het aantal uitstromers en het uitgangspunt «terugkeer naar herkomst binnen de regio»? Hoe kijkt u in dit verband naar het voorgenomen beleid, waardoor regio's opnieuw afspraken moeten maken? Hoe rijmt u dit met het feit dat huisvesting in de regio van herkomst het beste is, en ook altijd uitgangspunt van beleid is geweest?
Ik ben bekend met de door de leden genoemde afspraken. Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting verplicht gemeenten om een huisvestingsverordening met daarin ten minste een urgentieregeling vast te stellen en regionale afspraken te maken over de evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. Dit betekent dat gemeenten de eerder gemaakte afspraken als basis kunnen gebruiken.
Hoort u het signaal dat gemeenten afgeven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemen wordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionale voorzieningen? Hoe voorkomt u dat er een nog grotere druk komt op regio's met veel voorzieningen met betrekking tot de uitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen?
Ik hoor het signaal dat gemeenten hiermee afgeven en ben daarom ook in gesprek met de VNG over de afbakening van het begrip maatschappelijke binding in de ontwerpregeling. Het uitgangspunt van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is een evenwichtige verdeling van urgent woningzoekenden. De manier waarop maatschappelijke binding wordt vormgegeven in de ontwerpregeling moet hieraan bijdragen. Mocht uit de consultatie blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Klopt het dat van alle gedetineerden (circa 1.100 mensen) in de penitentiaire inrichting (PI) in regio Noordoost-Brabant (NOB) meer dan 90% bovenregionaal is? En dat dit zou betekenen dat deze regio komende jaren bijna 1.000 mensen extra zal moeten huisvesten? Hoe kijkt u naar het feit dat regio's met grotere bovenregionale voorzieningen extra hard worden geraakt door dit beleidsvoornemen, omdat zij nu een grote groep extra mensen zal moeten huisvesten?
Het klopt niet dat van alle gedetineerden in de PI’s in regio Noordoost-Brabant meer dan 90% bovenregionaal is. In de regio Noordoost-Brabant bevinden zich twee PI’s: de PI Vught en de PI Grave. Op basis van de gegevens van de Dienst Justitiële Inrichtingen was de gemiddelde bezetting in 2025 van deze twee PI’s samen 1.079 gedetineerden. Binnen deze groep had 25.9% een woonadres in de regio Noordoost-Brabant. Daarnaast was een groot aantal woonachtig in de aanpalende regio’s, te weten regio Zeeland-West Brabant (19.2%) en regio Limburg (14.7%). In 2025 zijn ongeveer 135 gedetineerden uitgestroomd in de regio Noordoost-Brabant.
De gemiddelde bovenregionale bezetting van de PI’s in de regio Noordoost-Brabant betekent dus niet dat deze regio komende jaren bijna 1.000 extra mensen zal moeten huisvesten. Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 3 is er geen beleidsvoornemen om alle gedetineerden in deze PI’s na uitstroom te huisvesten in deze regio. Bij de vraag is voorts van belang, dat het bij het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting gaat om urgentie voor specifieke benoemde groepen en niet voor alle (ex-gedetineerden). Feit is voorts dat in het Bestuurlijk akkoord «Re-integratie van (ex-)justitiabele burgers» is vastgelegd dat in principe wordt teruggekeerd naar de gemeenten van herkomst.
Herkent u het beeld dat veel regio's met grote instellingen juist koploper zijn in het huisvesten van kwetsbare groepen? En dat juist deze regio’s een hoger percentage hanteren dan het Rijk vraagt (15%) ten aanzien van het toewijzen van sociale huurwoningen aan bijzondere doelgroepen, zoals de regio Noordoost-Brabant die 30% hanteert? Deelt u de verwachting dat, door een extra bovenregionale opgave voor deze regio’s, alle bijzondere doelgroepen langer moeten wachten op een woning? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is dat juist regio's die vooroplopen in het aanpakken van dakloosheid en het helpen van mensen in kwetsbare posities, extra hard worden geraakt door dit voornemen? En dat er bovendien een prikkel verdwijnt voor andere regio's om ook een hoger toewijzingspercentage te hanteren?
Ik herken het beeld dat het huisvesten van kwetsbare groepen nu niet evenredig is verdeeld. Op dit moment zien we dat niet alle gemeenten bijdragen aan de huisvesting van urgent woningzoekenden. Het kabinet acht dit ongewenst.
Het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting is er daarom op gericht dat de huisvesting van wettelijk urgent woningzoekende evenredig wordt verdeeld over alle gemeenten. Dit wetsvoorstel ondersteunt dus de gemeenten die nu vooruitlopen en voorkomt dat alle bijzondere doelgroepen lager moeten wachten op een woning. Zie ook het antwoord op vraag 5 inzake de goede regionale afspraken die gemeenten dienen te maken over het huisvesten van mensen uit kwetsbare groepen.
Het percentage waaraan wordt gerefereerd in de vraag is het terugvalpercentage dat in werking treedt indien gemeenten niet binnen de afgesproken tijd komen tot regionale afspraken over de toewijzing van huurwoningen aan urgent woningzoekenden. In de ontwerpregeling is dit percentage bepaald op 15%. Hiermee wordt een balans gezocht tussen woningen die beschikbaar moeten zijn voor de urgent woningzoekenden en andere woningzoekenden.
Het voornemen vormt eerder een extra aanleiding voor alle regio’s om de aanpak van dakloosheid prioriteit te geven. Regio’s die al een sterke aanpak hebben, zullen daar in de uitvoering van dit voornemen baat bij hebben. Regio’s die voorlopen in het aanpakken van dakloosheid, worden op eenzelfde manier geraakt als regio’s die minder ver zijn daarin.
Hoe voorkomt u dat door dit voornemen mensen uit kwetsbare groepen nog sneller dakloos raken?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid om dit artikel te herzien, zodat ook de uitvoering van het wetsvoorstel in lijn is met het woonplaatsbeginsel dat o.a. in de Jeugdwet is geformuleerd? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om bestuurlijk met de schrijvende gemeenten in gesprek te gaan? Zo nee, waarom niet?
Het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet bepaalt welke specifieke gemeente verantwoordelijk is voor de organisatie en financiering van de jeugdhulp. In de ontwerpregeling is er bewust voor gekozen om binding met meerdere woningmarktregio’s mogelijk te maken, om te voorkomen dat woningzoekenden tussen wal en schip vallen. Het wordt daarom niet logisch geacht om het woonplaatsbeginsel vanuit de Jeugdwet te hanteren voor dit onderdeel van de ontwerpregeling.
Naar aanleiding van de brief is gesproken met de VNG over de genoemde zorgen van de 47 gemeenten en is het begrip maatschappelijke binding verruimd met de ontwerpregeling. Deze verruiming is erop gericht dat de woningzoekende zijn maatschappelijke binding behoudt met de regio waar werd verbleven voorafgaand aan het verblijf in de instelling.
Voor de verdere uitwerking ga ik uiteraard in gesprek met de VNG. Mocht uit het gesprek met de VNG blijken dat er sprake is van ongewenste neveneffecten, zal ik uiteraard bezien welke consequenties dit heeft voor de ontwerpregeling.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden, voor de verdere behandeling van de Wet versterking regie volkshuisvesting?
De vragen zijn zo veel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
De druk van expats op de woningmarkt |
|
Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het Eindhovens Dagblad waarin valt te lezen dat op de particuliere woningmarkt expats meestal winnen van starters die hier zijn geboren en getogen, vanwege ruimere salarissen en fiscale voordelen?1
Ja.
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven wat het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en vrijesectorhuur? Kunt u daarbij aangeven welke definitie van expat wordt gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
In heb geen zicht op wat per gemeente binnen de G4 en G40 het totale aandeel van expats is binnen de middenhuur en de vrijsectorhuur, evenals welk percentage van de jaarlijkse vrijkomende midden- en vrijesectorhuurwoningen in de G4 en G40 gemeenten wordt verhuurd aan expats.
Wel heeft de Nederlandse Vereniging van Makelaars (NVM) onlangs een publicatie uitgebracht waarin zij inzicht geven in de omvang en invloed van internationals op de woningmarkt.2 In deze publicatie wordt onder internationals verstaan: alle anderstaligen die zich voor langere tijd in Nederland vestigen en via een NVM-makelaar een woning huren of kopen. Dit betreft onder andere expats, buitenlandse studenten, arbeidsmigranten en andere buitenlanders, zoals ondernemers. Ten aanzien van de huurmarkt kijken zij specifiek naar het midden- en vrijehuursegment. De sociale huursector wordt niet meegenomen in de cijfers. Dit is logisch gegeven deze internationals doorgaans niet aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Bij expats zal het inkomen doorgaans te hoog zijn om in aanmerking te komen voor een sociale huurwoning. Daarnaast geldt dat internationals geen wachttijd hebben opgebouwd. Ook in de gevallen waarin zij een inkomen onder de sociale huurgrens hebben, zullen zijn door het niet hebben van wachttijd vaak aangewezen zijn op het midden- of vrijehuursegment.
Landelijk gezien is één op de vier huurders via een NVM-makelaar een international. Dit aandeel is de afgelopen jaren redelijk stabiel gebleven. De markt voor internationals is vrij geconcentreerd: in totaal zijn 16 van de 344 gemeenten verantwoordelijk voor 85% van alle door internationals gehuurde woningen in de periode 2024 en de eerste helft van 2025.
In 2024 en de eerste helft van 2025 waren vooral Amsterdam en Den Haag populair onder hurende internationals. Ruim 60% van de hurende internationals vestigden zich in deze gemeenten. Als wordt gekeken naar de gemeenten met het hoogste aandeel internationals in alle huurders zien we dat naast Amsterdam en Den Haag ook de randgemeenten van Den Haag populair zijn. Den Haag en de randgemeenten zijn populair doordat de vele internationale organisaties en ambassades onder meer diplomaten en NGO-medewerkers aantrekken. De onderstaande tabel laat de top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de huurmarkt zien.
Top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de huurmarkt
Gemeente
Aandeel
Wassenaar
74%
Leidschendam-Voorburg
69%
Den Haag
62%
Amsterdam
53%
Delft
50%
Amstelveen
45%
Hilversum
32%
Haarlem
30%
Leiden
26%
Diemen
25%
Bron: NVM, Internationals op de woningmarkt
Kunt u per gemeente binnen de G4 en G40 aangeven welk percentage van de jaarlijks vrijkomende middenhuurwoningen en vrijesectorhuurwoningen wordt verhuurd aan expats? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen heeft u momenteel tot uw beschikking om het gebruik van middenhuurwoningen, vrijesectorhuurwoningen en koopwoningen door expats te beperken, en bent u bereid aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen om de positie van Nederlandse starters ten opzichte van expats te verbeteren?
De Huisvestingswet 2014 biedt gemeenten de mogelijkheid om toewijzingscriteria en voorrangsregels voor woonruimten te stellen via een huisvestingsverordening. Dit kan worden gebruikt voor sociale huur, middenhuur en (nieuwbouw) betaalbare koop, indien er sprake is van schaarste aan woonruimte in die segmenten. Een van deze mogelijkheden is om bij de toewijzing voorrang te geven aan mensen met een maatschappelijke of economische binding.3 Gemeenten kunnen hiermee bijvoorbeeld voorrang verlenen aan mensen die al woonachtig zijn in de gemeente. Tot 50% van de in de Huisvestingsverordening aangewezen categorieën van woonruimte mogen gemeenten toewijzen aan mensen met een vorm van binding. In de huursector wordt dit voor de bestaande bouw voornamelijk toegepast bij sociale woningen van woningcorporaties. Deze woningen worden via een woonruimteverdeelsysteem aangeboden, waardoor het stellen van deze voorrangsregels mogelijk is. Voor private huurwoningen gelden deze regels doorgaans niet. Doordat er geen centraal zicht is op deze woningen, is het met voorrang toewijzen van private huurwoningen aan mensen met een lokale binding lastig in de uitvoering. Wel gebruiken gemeenten voorrang bij lokale binding geregeld bij nieuwbouwwoningen in sociale en middensegment, en bij nieuwgebouwde betaalbare koopwoningen.
Gemeenten hebben dus al mogelijkheden om bij woonruimteverdeling voorrang te verlenen voor mensen met lokale binding. Ik zie geen noodzaak om aanvullende maatregelen te onderzoeken of voor te stellen. Zoals blijkt uit de beantwoording van vraag 3 en 5, zijn internationals vooral actief in de gebieden waar veel internationale bedrijven, organisaties en ambassades zijn gevestigd. Dit zijn ook de bedrijven en organisaties waar zij werkzaam zijn. In de betreffende gebieden zullen andere woningzoekenden meer concurrentie ondervinden bij het vinden van een woning in de midden- of vrije huur, of in de koopsector. Aanvullende maatregelen om de positie van expats te verminderen raken echter direct aan de aantrekkelijkheid voor internationaal talent om in Nederland te komen werken. Hierdoor zal het voor bedrijven moeilijker worden om het benodigde talent vanuit het buitenland aan te werven en dit zal negatieve gevolgen hebben voor het vestigings- en ondernemingsklimaat van Nederland en het innovatie- en concurrentievermogen van bedrijven.
Heeft u inzichtelijk welke effecten expats precies hebben op de hoogte van huizenprijzen (zowel huur, als koop) op korte en lange termijn, waaronder in regio’s zoals de regio Brainport Eindhoven en Groot Amsterdam? Zo ja, kunt u deze informatie met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te laten verrichten?
Het exacte effect van expats op de hoogte van huizenprijzen is lastig te bepalen. Uiteindelijk spelen hier een tal aan factoren een rol. Wel licht de publicatie van NVM de voorkeuren en bestedingsmogelijkheden van internationals toe. Dat geeft inzicht waar en bij welke woningen woningzoekenden vaker concurrentie van internationals ondervinden.
Net als bij de huurmarkt, concentreren internationals op de koopmarkt zich ook in specifieke gebieden. In 2025 ging landelijk ongeveer 1,6% van alle via NVM-makelaars verkochte woningen naar een international. De onderstaande tabel laat het percentage internationals zien in aankopen. Vooral in de regio Groot-Amsterdam en Eindhoven sprint dit percentage ver boven het gemiddelde.
Top 10 gemeenten naar aandeel internationals op de koopmarkt
Gemeente
Aandeel
Amstelveen
20%
Veldhoven
14%
Ouder-Amstel
13%
Eindhoven
12%
Amsterdam
11%
Uithoorn
10%
Haarlemmermeer
9%
Geldrop-Mierlo
7%
Aalsmeer
7%
Waalre
7%
Bron: NVM, Internationals op de woningmarkt
Internationals geven de voorkeur aan woningen die direct bewoonbaar zijn en hebben minder interesse in kluswoningen. Ook op de huurmarkt kiezen internationals vaker voor gestoffeerde of gemeubileerde woningen.
Internationals hebben daarnaast in algemene zin een hoger budget dan Nederlandse woningzoekenden. Dit komt doordat zij gemiddeld genomen een hoger inkomen hebben, maar ook doordat zij vaak minder kritisch zijn op de prijs. Internationals hebben immers direct een woning nodig als ze in Nederland aankomen, waar Nederlandse woningzoekenden vaker zoeken vanuit een woning en vaker een vangnet hebben bij familie. Op de huurmarkt betaalt het grootste gedeelte van de internationals meer dan € 2.000 per maand (81% tegenover 28 van de niet-internationals). Ook op de koopmarkt betalen internationals gemiddeld meer dan niet-internationals. In de onderzochte wijken betalen internationals gemiddeld € 591.000 voor een woning. Niet internationals betalen in diezelfde wijken gemiddeld € 575.000 voor een woning.