Bent u bekend met het rapport « Who Gets Deepfaked? Measuring the exposure of European parliamentarians in deepfake pornography», het rapport «Targeted and Ignored. Sexualised Deepfakes of Women MEPs and the Failure of Platform Responses», het artikel «Unicum: vrouwelijke Kamerleden slaan handen ineen in strijd tegen gruwelijk online seksueel misbruik» en het statement «AI kent geen grenzen. Wij wel.» dat 15 vrouwelijke Tweede Kamerleden van acht verschillende politieke partijen hebben uitgestuurd?1, 2, 3
Wat zegt het volgens u dat vrouwelijke parlementariërs in Europa 33 keer vaker slachtoffer zijn van deepfake pornografie dan mannen en dat zeker een kwart van de vrouwelijke parlementariërs in Nederland hier slachtoffer van is?
Bent u het ermee eens dat dergelijke cijfers schrikbarend zijn? Kunt u zich voorstellen dat dit een chilling effect heeft op vrouwen die politiek actief willen worden? Zo ja, wat gaat u eraan doen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat deepfake pornografie een groot maatschappelijk probleem is dat heel veel vrouwen in Nederland treft, waaronder ook vrouwen die niet het platform hebben van vrouwelijke Tweede Kamerleden en vrouwelijke BN’ers? Wat doet het volgens u met de positie van de vrouw in onze maatschappij dat deepfake pornografie zo gemakkelijk te genereren is, dat het eenmaal gemaakt niet tot nauwelijks van het internet verdwijnt en dat zeer grote aantallen vrouwen slachtoffer zijn van dit soort video’s?
Deelt u de mening van de onderzoekers van de twee rapporten dat naast goede wetgeving om deepfakepornografie te verbieden er ook sprak moet zijn van strikte handhaving? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u ook per voorstel apart ingaan op de beleidsvoorstellen die de onderzoekers in hun twee rapporten doen om deepfake pornografie te bestrijden? Kunt u tevens aangeven welk van deze voorstellen nationaal kunnen worden opgepakt en voor welke van deze voorstellen u zich in Europees verband wilt inzetten?
Kunt u ingaan op de drie eisen namelijk een meldpunt waarop slachtoffers op een laagdrempelige manier melding kunnen maken van digitaal seksueel misbruik en waar ze meteen makkelijk aangifte kunnen doen (1), handhaving van het uitkleedverbod (2) en een landelijke campagne om het bewustzijn rondom deepfakes te vergroten (3)? Bent u van plan deze uit te voeren?
Kunt u deze vragen los van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
De lang aanslepende asielaanvragen die werk in de weg staan |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Wat wordt de gemiddelde en de maximale wachttijd van een aanvraag van de ruim 50.000 asielzoekers die al wachtten op een besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) en door het migratiepact onderaan de stapel zijn beland?1
Herkent u de frustratie die dit veroorzaakt bij mensen die al lang aan het wachten zijn op een besluit van de IND?
Erkent u dat Nederland er absoluut niet bij gebaat is dat deze mensen langer in onzekerheid zitten en daardoor niet kunnen werken of studeren, hetgeen zou bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Wat kunt u doen om deze mensen tijdens hun wachttijd alsnog de kans te geven om bij te dragen aan de Nederlandse samenleving?
Welke mogelijkheden hebben deze mensen om de Nederlandse taal te leren nu zij langer moeten wachten op een besluit?
Bent u het eens met de stelling dat er sprake is van een gemiste kans dat mensen die hier zijn niet kunnen bijdragen aan de samenleving door de onzekerheid waar zij zich in bevinden?
Zijn er mogelijkheden – wanneer deze mensen niet mogen werken – voor mensen om vrijwilligerswerk te doen, ofwel te werken voor een loon wat pas wordt uitbetaald wanneer zij een beslissing van de IND krijgen?
Wat gaat u doen aan het grote aantal verhuisbewegingen dat voor (potentiële) werknemers en werkgevers een sta-in-de-weg is te beperken?
Hoeveel extra FTE's zouden er nodig zijn om alle lopende aanvragen van asielzoekers binnen de zes maanden af te ronden?
Bent u bereid uw strategie om 50.000 al wachtende asielzoekers na drie jaar pas van een eerste besluit te voorzien te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Bent u het eens met de stelling dat het jarenlange wachten van mensen niet bijdraagt aan een gevoel van nut en zingeving en juist voor meer overlast van deze mensen kan zorgen?
Heeft u cijfers over de psychische klachten en het aantal suïcides of suïcidepogingen onder asielzoekers die wachten op een besluit van de IND? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, kunt u dit in kaart brengen?
Mishandeling van kinderen in sanatoria en het ontbreken van erkenning voor hun leed |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit De Gelderlander «Eigen braaksel eten, urenlang onder wollen dekens in de brandende zon: leed sanatoriumkinderen blijkt onbekend»?1 over de duizenden kinderen die met onder meer tuberculose die in sanatoria zijn ondergebracht?
Kunt u zich voorstellen dat kinderen die deze ervaringen hebben, daar de rest van hun leven onder hebben geleden? Is bekend hoeveel kinderen, die inmiddels volwassen zijn of niet meer leven, vernederende straffen en ander leed hebben doorgemaakt in sanatoria?
Deelt u de mening dat deze verhalen en het boek Sanatoriumkind van Inge Mutsaers vragen om erkenning en nader onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Welke informatie is bij de overheid bekend over lichamelijk, psychisch en seksueel geweld en emotionele verwaarlozing van kinderen in Nederlandse sanatoria? Zijn hierover eerder meldingen ontvangen of onderzoeken verricht? Zo ja, wat is daarmee gedaan? Is de behandeling van deze kinderen ooit eerder onderwerp geweest in Kamerdebatten, of in het publieke debat?
Welke verantwoordelijkheid hadden de overheid en de toenmalige inspectiediensten voor de veiligheid van kinderen in sanatoria? Welke informatie is nog beschikbaar over het toezicht, eventuele klachten en het optreden naar aanleiding daarvan?
In hoeverre zijn ervaringen van voormalige sanatoriumkinderen betrokken bij eerdere onderzoeken naar geweld en misbruik in instellingen, waaronder de onderzoeken van de commissies-Deetman, -Samson en -De Winter? Kunt u per onderzoek toelichten of deze kinderen binnen de onderzoeksopdracht vielen en of hun ervaringen daadwerkelijk zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat de aard van de instelling waarin een kind verbleef niet mag bepalen of vergelijkbare ervaringen van geweld en vernedering worden onderzocht en erkend? Hoe voorkomt u dat voormalige sanatoriumkinderen tussen de afbakeningen van eerdere onderzoeken en erkenningsregelingen blijven vallen?
Bent u bereid op korte termijn in gesprek te gaan met voormalige sanatoriumkinderen, hun vertegenwoordigers en onderzoekers om hun ervaringen en behoeften in kaart te brengen? Hoe zorgt u ervoor dat ook mensen worden bereikt die hun ervaringen tot nu toe niet hebben durven delen of nooit die gelegenheid hebben gehad?
Bent u bereid onafhankelijk onderzoek mogelijk te maken naar geweld, misbruik en verwaarlozing van kinderen in sanatoria, met aandacht voor de rol van instellingen, religieuze organisaties en de overheid? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Hoe voorkomt u dat getuigenissen en archiefmateriaal verloren gaan, gezien de hoge leeftijd van veel betrokkenen? Bent u bereid vooruitlopend op eventueel onderzoek te bevorderen dat getuigenissen zorgvuldig worden vastgelegd en relevante archieven worden veiliggesteld?
Welke mogelijkheden hebben voormalige sanatoriumkinderen om hun eigen dossiers en relevante instellingsarchieven terug te vinden en in te zien? Welke ondersteuning kunt u bieden wanneer een instelling is opgeheven, dossiers ontbreken of onduidelijk is wie de archieven beheert?
Kunnen voormalige sanatoriumkinderen aanspraak maken op eerdere regelingen voor erkenning of financiële tegemoetkoming voor slachtoffers van geweld en misbruik in instellingen? Zo ja, onder welke voorwaarden? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken welke vorm van erkenning en tegemoetkoming voor deze groep passend is?
Bent u ervan op de hoogte dat uw ambtsvoorganger eerder in antwoord op schriftelijke vragen over de mishandeling van een jongere in een jeugdzorginstelling benadrukte dat de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter ook bedoeld zijn voor slachtoffers van wie de individuele zaak inmiddels is verjaard?2 Deelt u deze mening? Zo ja, deelt u de mening dat dit ook consequenties heeft voor de overheid als het gaat over kinderen die zijn mishandeld, maar niet onder de onderzoeksopdracht vielen van commissies Samson, Deetman of De Winter?
Welke lessen uit de evaluatie van de erkenningsmaatregelen naar aanleiding van de commissie-De Winter zijn relevant voor voormalige sanatoriumkinderen, in het bijzonder waar het gaat om mensen die door de afbakening buiten een regeling vallen? Hoe betrekt u daarbij de aangenomen motie-Westerveld over het meenemen van de lessen uit het traject-De Winter en de mening van ervaringsdeskundigen en nabestaanden in het plan voor erkenning en herstel?3
Waar kunnen voormalige sanatoriumkinderen op dit moment terecht voor lotgenotencontact, ondersteuning en zo nodig gespecialiseerde psychologische hulp? Bent u bereid om samen met hen de behoeften in kaart te brengen?
Bent u bereid de betrokkenen te vragen of en zo ja, aan welke vormen van publieke erkenning zij behoefte hebben en passend zijn, zoals excuses of het zichtbaar maken van deze geschiedenis? Kunt u daarbij zorgen dat hun wensen daarbij leidend zijn en dat erkenning ook wordt verbonden aan concrete ondersteuning?
Zorgplafonds en de wachttijden in de ggz |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van Pointer over de invloed van door zorgverzekeraars opgelegde zorgplafonds op de wachttijden in de GGZ?1 Deelt u de mening dat dit niet de eerste keer is dat wordt gewezen op deze relatie?
wat vindt u ervan dat bij vier op de tien onderzochte ggz-aanbieders de zorgverzekeraar mede bepaalt hoe lang iemand moet wachten? Wat vindt u ervan dat bijna een kwart van de aanbieders gedurende de onderzoeksperiode een patiëntenstop had voor verzekerden door een zorgplafond, terwijl verzekerden van andere zorgverzekeraars daar nog wel terechtkonden?
Vindt u het net als PRO onacceptabel dat mensen met precies dezelfde zorgvraag bij dezelfde aanbieder verschillende wachttijden hebben, enkel omdat zij bij een andere zorgverzekeraar verzekerd zijn? Zo nee, hoe legt u dit dan uit?
Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich tot de woorden van uw ambtsvoorganger die stelde dat omzetplafonds bijdragen aan doelmatigheid van zorg? Hoe verhouden de bevindingen van Pointer zich met de woorden «Ook is het niet zo dat er onderscheid is in het recht op zorg bij verschillende zorgverzekeraars»?2 Dit valt toch niet met elkaar te rijmen? Bent u bereid het standpunt van het kabinet op basis van deze nieuwe bevindingen te herzien?
Deelt u de analyse dat niet de personele capaciteit maar de financiering de feitelijke toegang tot zorg beperkt, bij aanbieders die wel capaciteit beschikbaar hebben, maar vanwege een omzetplafond geen nieuwe patiënten meer mogen aannemen? Hoe legt u dit uit aan mensen die op de wachtlijst belanden en aan behandelaren?
Hoe beoordeelt u het risico dat zorgverzekeraars omzetplafonds inzetten om verzekerden die relatief veel of dure ggz-zorg nodig hebben indirect te ontmoedigen, waardoor volgens DSW feitelijk sprake kan zijn van risicoselectie? Welke rol speelt de risicoverevening hierin? Welke maatregelen neemt u om dit soort prikkels weg te nemen?
Is een wachttijd van negen maanden door een bereikt omzetplafond volgens u verenigbaar met de wettelijke zorgplicht van een zorgverzekeraar en de Treeknormen? Zo ja, kunt u juridisch onderbouwen waarom? Zo nee, wie moet in zo’n situatie ingrijpen?
Hoe verklaart u het feit dat mensen maanden moeten wachten terwijl er behandelcapaciteit beschikbaar is, met de woorden van uw ambtsvoorganger dat zorgverzekeraars, als zorgbemiddeling niet leidt tot een tijdig en passend alternatief, bij de oorspronkelijke aanbieder moet bijcontracteren?3
In het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord is afgesproken om proactieve zorgbemiddeling te realiseren, hoeveel zorgverzekeraars bieden dit inmiddels daadwerkelijk aan, hoeveel wachtenden zijn daarmee benaderd en hoeveel mensen hebben hierdoor binnen de Treeknorm passende zorg gekregen?
Delt u de mening dat zorgbemiddeling alleen een oplossing is wanneer het alternatief inhoudelijk passend, tijdig bereikbaar en uitvoerbaar is voor de patiënt, en niet wanneer iemand met bijvoorbeeld autisme of complexe problematiek opnieuw naar een aanbieder wordt verwezen die deze zorg niet levert? Hoe wordt de kwaliteit en passendheid van zorgbemiddeling vanuit het perspectief van patiënten getoetst?
Wat is uw reactie op het signaal dat de informatie over patiëntenstops en wachttijden op websites van aanbieders soms niet klopt? Wie is verantwoordelijk voor de juistheid van deze informatie en hoe houdt de NZa hierop toezicht?
Bent u bereid om patiëntenstops als gevolg van omzetplafonds centraal en actueel inzichtelijk te maken, uitgesplitst naar zorgverzekeraar, aanbieder, regio en type ggz-zorg, zodat patiënten, verwijzers, de NZa en de Kamer kunnen zien waar beschikbare behandelcapaciteit om financiële redenen niet wordt benut?
Gaat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) naar aanleiding van de bevindingen van Pointer onderzoek doen naar de naleving van de zorgplicht door de genoemde zorgverzekeraars? Zo nee, bent u bereid de NZa te vragen dit te doen?
Hoeveel keer heeft de NZa in de afgelopen vijf jaar vastgesteld dat een zorgverzekeraar door een te laag omzetplafond of onvoldoende bijcontractering niet aan zijn zorgplicht voor de GGZ voldeed? Welke aanwijzingen, lasten onder dwangsom of boetes zijn daarbij opgelegd?
Hoe vaak hebben ggz-aanbieders in 2025 en 2026 per zorgverzekeraar om ophoging van hun omzetplafond gevraagd? Hoeveel van deze verzoeken zijn geheel of gedeeltelijk toegewezen, hoeveel zijn afgewezen en binnen welke gemiddelde termijn werd hierover beslist?
Welke inhoudelijke criteria gebruiken zorgverzekeraars bij het beoordelen van een verzoek om bijcontractering of ophoging van een omzetplafond? Hoe wordt voorkomen dat een administratief geschil tussen aanbieder en verzekeraar wordt afgewenteld op een patiënt die dringend zorg nodig heeft?
Waarom heeft u aangenomen moties die verzoeken het gebruik van omzetplafonds in de ggz te verbieden, nog niet uitgevoerd?4 Wanneer kan de Kamer de concrete uitvoering verwachten?
Bent u in afwachting van een definitieve stelselwijziging bereid omzetplafonds in ieder geval niet toe te staan wanneer een aanbieder aantoonbaar behandelcapaciteit heeft, er geen tijdig alternatief is en de Treeknorm wordt overschreden? Zo nee, waarom laat u een financieel instrument dan zwaarder wegen dan het recht op tijdige zorg?
Kunt u deze vragen vóór het einde van het overstapseizoen en de afronding van de zorginkoop voor 2027 beantwoorden, zodat mensen bij de keuze voor een zorgverzekering weten welke gevolgen het gebruik van omzetplafonds kan hebben voor hun toegang tot ggz-zorg?
De actuele situatie in Ter Apel |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er op 24 september 2026 weer asielzoekers op het grasveld moesten verblijven?1
Hoe lang hebben zij daardoor geen toegang gehad tot basisbehoeften zoals eten, drinken en toiletten?
Zijn zij uiteindelijk toch ‘s avonds opgevangen en zo ja, hoe en door wie?
Wat is uw plan om deze situatie met mensen die op het gras moeten verblijven en de gecontroleerde toegang duurzaam op te lossen? Welke concrete stappen zijn er in de afgelopen weken genomen?
Hoe gaat u op korte termijn zorgen dat er geen mensen op het grasveld hoeven te verblijven?
Hoe is er gereageerd op de waarschuwingen die het Rode Kruis en VluchtelingenWerk Nederland al maanden afgeven?
Wat gaat u doen om kwetsbare mensen veilig te houden en ervoor te zorgen dat zij niet uit beeld raken?
Worden er nog stappen gezet om Rijksvastgoed in te zetten als (tijdelijke) opvanglocaties? Wat is hiervan de stand van zaken?
Is er geen enkele gemeente die wil meewerken aan het inzetten van Rijksvastgoed? Zo nee, wat zijn de andere knelpunten?
Worden er nog gesprekken gevoerd met het Ministerie van Defensie om kazernes tijdelijk in te zetten voor opvang? Is er één enkele mogelijkheid uit de gesprekken gekomen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat zijn de vervolgstappen?
Kunt u deze vragen onafhankelijk van elkaar en binnen een week (uiterlijk 7 oktober 2026) beantwoorden?
De vergoeding van psychosociale hulphonden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hulphond Zingo moet al na 6,5 jaar met pensioen, maar Kaj kan hem niet missen: «Hij gaf mij een doel in het leven»»?1
Bent u het met ons eens dat het verhaal van Kaj van Diemen, die door zijn hulphond Zingo zelfstandiger kan leven, minder snel overprikkeld raakt, op tijd zijn medicijnen inneemt en zich veiliger door het verkeer beweegt, staat voor de situatie van veel meer mensen? Erkent u ook dat een psychosociale hulphond mensen met een specifieke hulpvraag soms letterlijk hun leven teruggeeft?
Ziet u ook dat er sinds de vorige Kamervragen van de indiener in 2022, alleen maar meer onderzoek is gekomen waaruit blijkt dat psychosociale hulphonden fors kunnen bijdragen aan mentaal welzijn, zelfstandigheid en levenskwaliteit? Bent u bijvoorbeeld bekend met het langdurige onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen naar de inzet van hulphonden waarnaar in het artikel wordt verwezen?
Wat is de stand van zaken van de in 2022 aangekondigde landelijke afspraken over de definitie van een assistentiehond, de certificering van hondenscholen, de conformiteitsbeoordeling en het toezicht op de opleiding van assistentiehonden? Welke onderdelen zijn inmiddels gerealiseerd en welke nog niet?
Op welke manier zijn de resultaten van de diverse onderzoeken en het project «Met een hond kan ik het leven aan», meegenomen in het beleid rondom mentale gezondheid? Worden de richtlijnen voor gemeenten en zorgverzekeraars over vergoedingen ook overal geïmplementeerd? Zo nee, bent u bereid om zich hiervoor in te zetten?2
Erkent u dat de inzet van hulphonden in voorkomende gevallen juist kostenbesparend is, omdat mensen zelfredzamer en zowel fysiek als mentaal gezonder worden?
Begrijpt u het dat er onbegrip is over het feit dat mensen met PTSS door hun werk bij Defensie of de politie wel voor specifieke vergoedingen of voorzieningen in aanmerking komen, terwijl mensen die door een andere oorzaak PTSS hebben opgelopen vaak afhankelijk zijn van de keuze van de gemeente waar ze wonen? Vindt u het, los van de juridische financieringsgrondslag, uitlegbaar dat twee mensen met vergelijkbare beperkingen en dezelfde behoefte aan ondersteuning verschillend worden behandeld vanwege de oorzaak van hun PTSS?3
Hoe verhoudt dit onderscheid zich volgens u tot het VN-verdrag Handicap, waarin de daadwerkelijke ondersteuningsbehoefte en de mogelijkheid om zelfstandig aan de samenleving deel te nemen centraal staan? Deelt u de mening dat niet de oorzaak van een beperking, maar de gevolgen daarvan en de individuele ondersteuningsbehoefte leidend zouden moeten zijn?
Hoeveel aanvragen voor psychosociale hulphonden zijn in de jaren 2022 tot en met 2026 bij gemeenten ingediend op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015?
Hoeveel aanvragen zijn geheel of gedeeltelijk toegekend en hoeveel zijn afgewezen? Kunt u deze cijfers uitsplitsen naar gemeente en reden voor afwijzing?
Zijn er inmiddels wel gegevens beschikbaar over het aantal assistentiehonden dat wordt verstrekt? Zo nee, hoe kunt u zonder deze informatie beoordelen of mensen met een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte in verschillende gemeenten gelijkwaardig worden behandeld?
Klopt het beeld uit het artikel dat gemeenten geen gezamenlijk beoordelingsprotocol hanteren en dat de kans op vergoeding daardoor sterk afhankelijk kan zijn van de gemeente waarin iemand woont? Zo ja, acht u deze postcodeafhankelijkheid wenselijk? Zo nee, hoe zit het dan wel?
Bent u bereid om samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, ervaringsdeskundigen, gemeenten en deskundigen, zoals betrokken bij het project «Met een hond kan ik het leven aan», tot een landelijk afwegingskader te komen voor aanvragen van psychosociale hulphonden, waarbij de individuele ondersteuningsbehoefte en de bijdrage aan zelfredzaamheid en participatie centraal staan?4
Hoe wordt erop toegezien dat gemeenten uitvoering geven aan het standpunt van uw ambtsvoorganger uit 2024 dat zij een assistentiehond in de regel moeten toekennen wanneer uit zorgvuldig Wmo-onderzoek blijkt dat deze voor de inwoner de enige passende oplossing is, en aanvragen niet bij voorbaat afwijzen met een algemene verwijzing naar het ontbreken van voldoende wetenschappelijk bewijs?5
Hoe voorkomt u dat mensen eerst een langdurige bezwaar- en beroepsprocedure moeten voeren om een passende maatwerkvoorziening af te dwingen, terwijl zij juist vanwege hun beperking vaak niet de energie, financiële middelen of ondersteuning hebben om zo’n procedure te doorlopen?
Worden bij het beoordelen van de kosteneffectiviteit ook mogelijke besparingen op ambulante begeleiding, ggz-behandeling, crisiszorg, opname, mantelzorg en Wmo-ondersteuning betrokken, evenals de maatschappelijke opbrengsten van meer zelfstandigheid, participatie en deelname aan onderwijs of werk? Zo nee, waarom niet?
Welke ondersteuning is beschikbaar voor mensen van wie de huidige hulphond vanwege ouderdom of ziekte moet stoppen, maar die geen vergoeding kunnen krijgen voor een opvolgende hond? Hoe voorkomt u dat zij hierdoor hun zelfstandigheid verliezen of opnieuw afhankelijk worden van intensievere en mogelijk duurdere zorg en ondersteuning?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat mensen voor een noodzakelijke voorziening van € 25.000 tot € 35.000 afhankelijk zijn van crowdfunding, fondsen of donaties, waardoor financiële draagkracht en het vermogen om een succesvolle inzamelingsactie te organiseren mede bepalen wie zelfstandig kan blijven leven? Welke concrete stappen gaat u zetten om deze willekeur te verminderen?
De beloofde jaarlijkse rapportage over de Wet Vaststellingsprocedure Staatloosheid. |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Wat is er gebeurd met de toezegging aan de Eerste Kamer van één van uw voorgangers dat er jaarlijks een rapportage zou komen over het aantal vastgestelde staatloze personen, uitgesplitst naar onder meer leeftijd, geslacht en waar mogelijk herkomst evenals knelpunten in de uitvoering?1
Bent u het eens met de stelling dat het zonder actuele gegevens onduidelijk blijft hoe de Wet Vaststellingsprocedure Staatloosheid in de praktijk uitwerkt en of het beleid goed werkt?
Bent u bereid om in tegenstelling tot het kabinet Schoof wel werk te maken van deze rapportage? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Hoeveel mensen staan op dit moment geregistreerd als «onbekende nationaliteit»? Hoe verklaart u dat er nog steeds veel mensen onder deze noemer worden geregistreerd?
Het bericht ‘Onderzoeksraad: 7000 kinderen in asielnoodopvang structureel verwaarloosd’ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Robert van Asten (D66) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Onderzoeksraad: 7000 kinderen in de asielnoodopvang structureel verwaarloosd?»1
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar dat kinderen in Nederland mogelijk permanente schade oplopen door een tekort aan opvangplekken? Zo nee, wat gaat u op korte termijn doen om dit te voorkomen?
Wat vindt u ervan dat Nederland zich niet houdt aan het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind?
Kunt u toelichten binnen welke termijn kinderen uit de noodopvang kunnen worden gehaald en kunnen worden geplaatst in reguliere opvang bestemd voor kinderen? Welk doel stelt u uzelf om dit voor elkaar te krijgen?
Wat is er in de afgelopen twee jaar, sinds voorzitter van het Kinderrechtencollectief Marc Dullaert aan de bel trok, gebeurd om kinderen uit de noodopvang te krijgen?
Hoe staat het met de uitvoering van aangenomen motie Westerveld om geen nieuwe kinderen meer te plaatsen op (crisis)noodopvangplekken (Kamerstuk 19 637, nr. 3513)?
Kunt u toezeggen dat er op korte termijn een overzicht wordt gemaakt van alle onveilige plekken in noodopvanglocaties en deze worden verholpen om de veiligheidssituatie voor kinderen te verbeteren? Zo ja, binnen welke termijn wordt dit opgepakt?
Kunt u toezeggen het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid ook te betrekken bij de gesprekken met gemeenten die onder bestuurlijk toezicht staan om de noodzaak van het realiseren van reguliere opvang voor kinderen te benadrukken en hen expliciet te vragen om opvang voor kinderen en gezinnen te realiseren?
Kunt u aangeven wat de voortgang is van de uitvoering van de motie Podt over psychosociale ondersteuning voor kinderen in de noodopvang (Kamerstuk 19 637, nr. 2486)? Waarom is dit programma nog niet uitgerold en binnen welke termijn verwacht u dit alsnog te kunnen doen?
Kunt u toelichten hoeveel kinderen in de noodopvang op dit moment geen toegang hebben tot onderwijs? Kunt u toezeggen dat deze kinderen alsnog een vorm van (tussentijds) onderwijs krijgen om te voorkomen dat zij een achterstand oplopen?
Kunt u reageren op elk van de aanbevelingen uit het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid, waarbij u in ieder geval aangeeft hoe u opvolging geeft aan de aanbevelingen?
Kunt u reflecteren op de constatering van de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat er «robuust bestuur» nodig is om de veiligheid in de noodopvang te herstellen? Hoe bent u voornemens hier gehoor aan te geven?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het volgende debat over vreemdelingen- en asielbeleid?
De veiligheid van lhbtiq+-personen en andere minderheden in opvangcentra |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit de Volkskrant «Lhbti-vluchtelingen leven in angst in de asielopvang van Ter Apel» en de brandbrieven van LGBT Asylum support en andere organisaties die opkomen voor lhbtiq+ asielzoekers?1
Deze signalen zijn niet nieuw, wat heeft u recent gedaan om de veiligheid van lhbtiq+ asielzoekers te verbeteren? Wat heeft u gedaan om zware geweldsincidenten en seksueel geweld tegen lhbtqi+ asielzoekers en andere minderheden op opvanglocaties te verbeteren? Wat kan er nog meer gedaan worden en wat is daarvoor nodig?
Wordt op dit moment nog steeds gebruik gemaakt van de lhbtiq+ units? Kan iedereen die hier behoefte aan heeft hiernaar worden overgeplaatst? Zo nee, hoe gaat u zorgen dat de veiligheid wordt gewaarborgd en niet verder in het geding komt door een tekort aan capaciteit?
Herkent u de oplopende spanningen door de onzekerheid rondom de invoering van het migratiepact die worden beschreven in het artikel in de Volkskrant en die de spanningen in azc’s voeden? Deelt u de mening dat dit niet alleen voor asielzoekers, maar ook het werk van coa-medewerkers en vrijwilligers zwaarder maakt? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Op hoeveel locaties is er op dit moment geen lhbtiq+ contactpersoon?
Herkent u de signalen over de barrières die asielzoekers ervaren, door nare ervaringen uit het verleden en hen weerhouden om aangifte te doen? Op welke manier kunt u bijdragen aan het vertrouwen in de politie en aangifte stimuleren?
Zijn er stappen genomen om de opvang veiliger te maken voor lhbtiq+ asielzoekers na het overleiden van een minderjarige asielzoeker in april 2025 zoals uw voorganger heeft toegezegd? Zo ja, welke?2
Bent u het eens met de analyse dat het zo lastig is om genoeg veilige plekken voor kwetsbare asielzoekers op te zetten doordat veel gemeenten zich nog altijd niet aan de spreidingswet houden?
Zou dit wat u betreft een reden mogen zijn dat er onvoldoende plekken zijn voor asielzoekers die door hun afkomst, geloof of wie ze zijn in een kwetsbare positie zitten?
Hoe gaat u ervoor zorgen asielzoekers die acuut risico of gevaar lopen per direct een veilige plek krijgen?
Op welke manier steunt u belangenorganisaties die opkomen voor deze groep? Bent u bereid hen financieel of anderszins te steunen, zodat zij gerichte ondersteuning kunnen geven, maar ook voorlichting kunnen geven en activiteiten kunnen organiseren die in het kader staan van acceptatie en ontmoeting?
De wachttijden in de genderzorg |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (GroenLinks-PvdA), Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Genderzorg kan vraag niet aan, transmensen beginnen soms zelf al met hormonen»?1
Wat zijn momenteel de gemiddelde wachttijden voor genderzorg? Kunt u dit uitsplitsen per zorgaanbieder?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen sinds uw ambtsvoorganger in 2020 erkende dat mensen hun toevlucht tot zelfmedicatie nemen?2
Hoe reflecteert u op het feit dat al jarenlang aan de bel wordt getrokken over de druk op de genderzorg en de wachttijden, maar de wachttijden alleen maar verder op lijken te lopen?
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om te voldoen aan de afspraken uit het Regenboogakkoord, in het bijzonder op de afspraken over transrechten en transzorg?
Deelt u de mening dat het onvoldoende is om mensen te waarschuwen voor de risico’s van zelfmedicatie wanneer zij vervolgens jarenlang op passende zorg moeten wachten? Welke concrete mogelijkheden zijn er voor mensen die nu hulp nodig hebben en voor wie de wachttijd niet overbrugbaar is?
Bent u bereid om met zorgverleners, patiëntenorganisaties en zorgverzekeraars afspraken te maken over laagdrempelige medische begeleiding voor mensen die al zelfstandig hormonen gebruiken, waaronder beoordeling van gezondheidsrisico’s, noodzakelijke controles en toegang tot specialistisch advies?
Hoe reflecteert u op de uitspraak in het artikel dat de huisarts niet is toegerust op het voortraject van hormoonbehandeling, zeker gelet op de aangenomen motie-Ellemeet c.s.3 over een grotere rol van huisartsen bij hormoontherapie en nazorg? Kunt u daarbij onderscheid maken tussen onbegeleid gebruik, begeleiding door een geschoolde huisarts in samenwerking met specialisten en zorg waarvoor een gespecialiseerd multidisciplinair team noodzakelijk is?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen om uitvoering te geven aan de aangenomen-motie Ellemeet c.s. over een grotere rol van huisartsen?4 Hoeveel huisartsen zijn inmiddels geschoold? Welke belemmeringen ervaren huisartsen in de praktijk?
Welke concrete maatregelen zijn er genomen naar aanleiding van de aangenomen motie-Simons c.s.5 over het verplaatsen van transzorg van de derde naar de tweedelijnszorg? Welke diagnostiek en behandelingen zijn inmiddels buiten de universitaire centra beschikbaar, hoeveel extra mensen worden daardoor geholpen en welke knelpunten zijn er voor eventuele verdere uitbreiding?
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat alternatieve zorgroutes bekend zijn bij mensen en daadwerkelijk toegankelijk zijn? Worden mensen actief geïnformeerd over passende mogelijkheden bij andere aanbieders en over ondersteuning tijdens het wachten? Deelt u de mening dat zulke ondersteuning noodzakelijk kan zijn, maar wachttijden van vier à vijf jaar het niet overbrugbaar of aanvaardbaar maakt?
Wat hebben zorgverzekeraars en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) concreet gedaan om tijdige toegang tot transzorg te waarborgen? Kunt u inzicht geven in de resultaten van zorgbemiddeling, eventuele onvoldoende inkoop van beschikbare capaciteit en maatregelen bij tekortschietende naleving van de zorgplicht?
Eerder gaf uw ambtsvoorganger aan dat er geen landelijke cijfers zijn over wachttijden in de gemeentelijk gefinancierde genderzorg, zijn deze cijfers inmiddels wel beschikbaar? Zo nee, hoe kunt u zonder dit inzicht beoordelen of de huidige aanpak werkt? Bent u bereid dit alsnog in kaart te laten brengen?6
Wat is de huidige stand van zaken wat betreft de werkagenda van het Landelijk Platform Transgenderzorg? Over welke (financiële) middelen beschikt het platform?
Hoe reageert u op de vaststelling van de Gezondheidsraad dat de wachtlijstproblematiek in strijd is met het recht op gezondheid en ook het recht van kinderen op gezondheid en ontwikkeling kan schaden? Welke verantwoordelijkheid ziet u voor uzelf hierin?
Hoe voorkomt u dat jongeren tijdens het wachten de mogelijkheid op tijdige behandeling verliezen of bij hun achttiende verjaardag opnieuw achteraan moeten aansluiten? Bent u bereid met gemeenten, verzekeraars en aanbieders afspraken te maken over behoud van wachttijd, overdracht en continuïteit van begeleiding en behandeling?
Welke ondersteuning is tijdens het wachten beschikbaar voor mensen bij wie de psychische gezondheid verslechtert? Hoe wordt geborgd dat noodzakelijke psychologische hulp en crisiszorg toegankelijk zijn, ook wanneer iemand nog geen diagnostisch traject heeft doorlopen?
Hoe wordt tijdens het wachten op genderzorg actief gesignaleerd of iemand suïcidale gedachten ontwikkelt of dat bestaande klachten verergeren? Wie draagt verantwoordelijkheid voor het onderhouden van contact en het organiseren van passende hulp, ook wanneer iemand nog geen intake bij een gendercentrum heeft gehad? Bent u bereid hierover landelijke afspraken te maken, inclusief een duidelijk aanspreekpunt voor wachtenden en hun naasten?
Hoe voorkomt u dat mensen met suïcidale gedachten tussen de reguliere ggz en de genderzorg worden verwezen zonder dat een van beide daadwerkelijk hulp biedt? Welke afspraken bestaan over gelijktijdige behandeling van psychische klachten en gendergerelateerde zorgvragen, zodat suïcidaliteit niet automatisch leidt tot verdere vertraging van passende genderzorg? Hoe wordt daarbij een individuele beoordeling van veiligheid en zorgbehoefte gewaarborgd?
Welke concrete acties binnen de Landelijke Agenda Suïcidepreventie 2026–2030 zijn gericht op transgender en non-binaire personen, waaronder mensen die wachten op zorg? Welke middelen, verantwoordelijke partijen en meetbare doelen zijn hieraan verbonden? Hoe worden 113 Zelfmoordpreventie, zorgverleners en ervaringsdeskundigen bij de uitvoering betrokken?
Hoe waarborgt u bij de uitvoering van de Wet integrale suïcidepreventie dat gemeenten aandacht besteden aan transgender en non-binaire inwoners? Welke ondersteuning krijgen gemeenten en scholen om discriminatie, pesten en sociale uitsluiting tegen te gaan, signalen van suïcidaliteit te herkennen en mensen naar passende hulp te begeleiden? Hoe zorgt u voor samenhang tussen zorg, onderwijs en emancipatiebeleid?
Welke wachttijd voor genderzorg acht u maximaal aanvaardbaar? Op welk moment concludeert u dat de inspanningen van zorgverzekeraars, het Landelijk Platform Transgenderzorg en gemeenten onvoldoende resultaat opleveren en dat u zelf moet ingrijpen? Welke concrete maatregelen bent u bereid op dat moment te nemen?
Kunt u inzicht geven in het aantal Oekraïners met opleiding tot en/of ervaring als zorgprofessional die naar Nederland gekomen zijn sinds de Russische invasie?
Hoeveel van deze Oekraïense artsen en ander zorgpersoneel werken nu in de zorg in Nederland?
Hoeveel van deze mensen kunnen niet in de zorg werken bij gebrek aan erkenning van hun buitenlands diploma?
Bent u van mening dat Oekraïense zorgprofessionals zouden kunnen bijdragen aan het gedeeltelijk dichten van het personeelstekort in de zorg? Zo nee, waarom niet?
Wat zijn de concrete obstakels in de erkenning van diploma’s voor Oekraïens zorgpersoneel?
Bent u bereid deze obstakels weg te nemen en ervoor te zorgen dat Oekraïense zorgverleners wel in de zorg kunnen werken?
Wat zijn op dit moment de mogelijkheden om de erkenning van diploma’s van Oekraïens zorgpersoneel te versnellen, zonder in te boeten op de kwaliteit van de zorg, om zo het personeelstekort tegen te gaan en deze mensen perspectief te bieden op een baan die recht doet aan hun vaardigheden?
In welke mate worden Oekraïense zorgverleners begeleid bij de erkenning van hun diploma en het traject naar passend werk binnen hun expertise? Welke bijkomende stappen kunnen hierop gezet worden?
Wat kunnen we van andere Europese lidstaten zoals bijvoorbeeld Duitsland leren bij het sneller inschakelen van artsen en ander zorgpersoneel van buiten de EU?
Hoeveel Oekraïense psychologen zijn op dit moment onderdeel van het initiatief om Oekraïense psychologen in te zetten voor psychosociale ondersteuning, zoals hulp aan kinderen en volwassenen met (oorlogs)trauma’s?
Is het mogelijk om met een gelijksoortige methodiek andere Oekraïense zorgverleners in Nederland aan het werk te zetten?
Hulpmiddelen en voorzieningen voor mensen met een beperking, in navolging op vragen uit 2024 en 2025 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
In 2024 noemde uw ambtsvoorganger Minister Helder het in antwoord op onze Kamervragen1 «onacceptabel» dat mensen te lang moeten wachten op hulpmiddelen en in 2025 gaf uw ambtsvoorganger Staatssecretaris Maeijer aan dit «vreselijk»2 te vinden. Begrijpt u het dat mensen met een beperking en hun naasten, soms moedeloos worden als zij dit soort stevige termen horen, maar in hun leven, vrijheid, studie, werk en sociaal leven worden beperkt omdat precies dezelfde problemen niet worden opgelost?
In 2025 gaf u aan dat in het Landelijk normenkader hulpmiddelen is opgenomen dat de gemeente afspraken maakt over de wacht- en levertijden in de overeenkomsten met de leveranciers en daar ook op stuurt. Gebeurt dit in alle gemeenten? Wie controleert dit? Hoe weet u of de afspraken in het landelijk normenkader overal worden nagekomen?
U gaf ook aan dat de gemeente en/of de leverancier de cliënt proactief op de hoogte houdt van diens aanvraag en/of levering van het hulpmiddel, zodat deze informatie ook inzichtelijk is voor de cliënt zelf. Heeft u de indruk dat dit standaard gebeurt?
Hebben inmiddels alle gemeenten de convenanten die zijn voortgekomen uit de Verbeteragenda Hulpmiddelen ondertekend?
Kunt u aangeven welke stappen zijn gezet om de levering en beschikbaarheid van hulpmiddelen te verbeteren, ook gezien de verplichtingen die voorkomen uit het VN-Verdrag Handicap waaronder tenminste Artikel 9, 19, 20, 29 en 30?
In antwoord op vorige Kamervragen gaf u aan dat problemen ook voortkomen uit het niet beschikbaar zijn van onderdelen en een tekort aan monteurs. Hoe groot zijn de personeelstekorten nu, bij benadering, in fte’s? Wat heeft u sindsdien ondernomen? Heeft u afspraken gemaakt over het hanteren van een vaste reserve voor veel gebruikte onderdelen? Heeft uw ministerie gesprekken gevoerd met leveranciers en beroepsopleidingen om gezamenlijk te werken aan werving en het onder de aandacht brengen van opleidingstrajecten en omscholingsmodules? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Welke eisen worden gesteld aan de locatie en regionale spreiding van voorraden van veelgebruikte onderdelen en van werkplaatsen waar monteurs reparaties uitvoeren? Wordt bij de contractering en beoordeling van leveranciers meegewogen welke gevolgen de afstand tussen de gebruiker, de leverancier en de werkplaats heeft voor de reparatie- en levertijd? Zo nee, bent u bereid hierover landelijke minimumeisen of afspraken te maken?
Deelt u de mening, dat het in lijn met het VN-Verdrag Handicap onacceptabel is dat mensen die een hulpmiddel nodig hebben regelmatig te maken krijgen met ingewikkelde en lange aanvraagprocedures, meerdere loketten, herhaalde beoordelingen en onduidelijkheid over wie verantwoordelijk is? Zo ja, welke stappen gaat u zetten om het aanvraag en beoordelingsproces te vereenvoudigen?
Is het wettelijk noodzakelijk dat, nadat een gespecialiseerde paramedicus de noodzaak en functionaliteit van een hulpmiddel heeft beoordeeld, daarnaast een medisch specialist het hulpmiddel beoordeelt en voorschrijft? Zo ja, op grond van welke bepaling? Zo nee, waarom komt dit in de praktijk toch voor?
Kan het voorkomen dat een patiënt voor hetzelfde hulpmiddel meerdere keren door een medisch specialist moet worden beoordeeld? Zo ja, in welke situaties is dit medisch noodzakelijk en in welke situaties vloeit dit voort uit administratieve of contractuele voorwaarden?
Welke ruimte hebben zorgverzekeraars, gemeenten en zorgkantoren om aanvullende eisen te stellen aan verwijzingen, voorschriften, indicaties en voorafgaande toestemming voor hulpmiddelen? Op welke wijze wordt getoetst of deze eisen proportioneel en doelmatig zijn?
Deelt u de mening dat een beoordeling die zonder medische noodzaak wordt herhaald geen passende zorg is, maar verspilling van patiënttijd, professionele capaciteit en collectieve zorgmiddelen?
Kunnen gespecialiseerde paramedici, zoals handtherapeuten, ergotherapeuten en fysiotherapeuten, binnen de huidige wettelijke kaders rechtstreeks bepaalde hulpmiddelen aanvragen of voorschrijven? Zo nee, welke juridische of contractuele belemmeringen staan dit in de weg?
Bent u bereid met zorgverzekeraars, beroepsgroepen, patiëntenorganisaties en hulpmiddelenleveranciers af te spreken dat reeds vastgelegde medische informatie en beoordelingen worden hergebruikt en niet opnieuw worden opgevraagd, tenzij daar een concrete medische reden voor bestaat? Wilt u bij deze uitwerking ook ervaringsdeskundigen en zorgprofessionals betrekken die zelf met ingewikkelde hulpmiddelenroutes te maken hebben gehad, zodat niet alleen de afzonderlijke regels, maar ook de stapeling daarvan wordt beoordeeld?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke hulpmiddelen een verkorte aanvraagroute kan worden ingevoerd, waarbij een beoordeling door een aantoonbaar deskundige behandelaar voldoende is en herhaalde verwijzingen, consulten en beoordelingen achterwege kunnen blijven?
Bent u ten slotte bereid de Kamer concrete voorstellen te doen voor een maximale totale doorlooptijd en een verkorte aanvraagroute voor relatief eenvoudige of laag-risico hulpmiddelen?
Worden de totale kosten van hulpmiddelenroutes momenteel in beeld gebracht, inclusief consulten, verwijzingen, machtigingen, administratieve handelingen, reistijd, wachttijd en gezondheidsschade door uitstel? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Bent u bekend met het rapport van Significant uit 2024 «Implementatie Verbeteragenda Hulpmiddelen»3 waaruit onder meer bleek «dat het in ruim een kwart van de ondervraagde gemeenten niet lukt om een complexe hulpmiddelenaanvraag binnen de wettelijke maximum tijd van zes weken te beoordelen, en dat daarnaast een deel van de respondenten geen zicht heeft op de gemiddelde beoordelingstermijn.»? Heeft u er zicht op of deze en andere bevindingen uit het rapport inmiddels zijn verbeterd?
Kunt u uiteenzetten welke wettelijke kaders gelden voor de wachttijd en de totale doorlooptijd van een hulpmiddelenaanvraag vanuit respectievelijk de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo)? Welke bepalingen uit de Zvw, de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg), de Wmo en de onderliggende regelgeving zijn hierbij relevant?
Geldt voor de beoordeling, machtiging, aanmeting en levering van hulpmiddelen vanuit de Zorgverzekeringswet een concrete maximale wachttijd of doorlooptijd? Zo ja, welke termijn geldt per stap en voor de volledige procedure? Zo nee, hoe wordt dan bepaald wanneer iemand onaanvaardbaar lang wacht?
Vanaf welk moment wordt de wachttijd voor een hulpmiddel geregistreerd: vanaf de eerste hulpvraag, de eerste verwijzing, de indicatiestelling, de formele aanvraag bij de zorgverzekeraar, de goedkeuring van die aanvraag of de opdracht aan de leverancier?
Welke mogelijkheden heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om zorgverzekeraars aan te spreken wanneer ingewikkelde aanvraag- of machtigingsprocedures ertoe leiden dat verzekerden niet tijdig over een passend hulpmiddel kunnen beschikken?
Hoe vaak heeft de Nederlandse Zorgautoriteit in de afgelopen vijf jaar signalen ontvangen, onderzoek gedaan of handhavend opgetreden vanwege te lange aanvraag-, machtigings- of leveringstermijnen bij hulpmiddelenzorg?
Waar kan iemand terecht voor klachten of juridische hulp wanneer geen enkele afzonderlijke processtap buitensporig lang duurt, maar de opeenstapeling van verwijzingen, beoordelingen, machtigingen en wachttijden wel tot een onaanvaardbare totale doorlooptijd leidt?
Welke rechten hebben de gebruikers van een hulpmiddel als niet aan de gemaakte afspraken wordt voldaan? Beseft u dat zij hierdoor zowel lichamelijke gevolgen als (financiële) schade lijden omdat aanvraagprocedures al veel tijd en energie kosten en dit ook ten koste kan gaan van studie en werk? Deelt u de mening dat verbetering noodzakelijk is en bent u ook bereid de regie te pakken in een verbetertraject?
Verspreide berichten van burgerwachten in verschillende gemeenten |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA), Barbara Kathmann (GroenLinks-PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er landelijk zicht komt op burgerwachten die overgaan tot intimidatie, bedreiging, stalking, laster, bekladding of doxing?1
Wat gaat u eraan doen dat er meerdere groepen door het land heen worden opgericht die overgaan tot bovengenoemde strafbare feiten om opvangbewoners, voorstanders van opvang en vrijwilligers in opvanglocaties te intimideren en online mensen oproepen om hieraan mee te doen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen bij opvanglocaties hun (vrijwilligers)werk kunnen blijven doen, veilig kunnen wonen en zich kunnen en durven uit te spreken voor een opvanglocatie?
Hoe zorgt u ervoor dat mensen die geïntimideerd zijn in hun dorp door anti-azc groeperingen veilig genoeg zijn en zich veilig genoeg voelen om zich wel nog uit te spreken tijdens bijvoorbeeld inspraakavonden?
Hoe zijn inspraakavonden nog een nuttig instrument als een groot deel van de bewoners niet meer durft te komen?
Bent u bereid te monitoren hoe vaak er strafbare feiten worden gepleegd door dit soort burgerwachten zodat u beleid kunt opstellen om deze tegen te gaan?
Bent u van mening dat het eenmalig voeren van een rechten- en plichtengesprek voldoende is om opvangbewoners op de hoogte te brengen van waar zij aangifte kunnen doen nu er op zoveel plekken in het land intimidatie, stalking en soms zelfs brandstichting plaatsvindt? Bent u bereid ervoor te zorgen dat opvangbewoners gericht geïnformeerd worden over wanneer er een strafbaar feit tegen hen wordt gepleegd gezien de huidige situatie? Zo nee, waarom niet?
Worden opvangbewoners ook gewezen op meldmogelijkheden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en de Autoriteit Consument & Markt, zodat zij zich kunnen beroepen op hun online- en privacyrechten?
Kunt u afspraken maken met deze autoriteiten om de bestaande meldmogelijkheden toegankelijk te maken voor opvangbewoners?
Bent u bereid om proactief gemeenten aan te bieden een gesprek te voeren wanneer er zulke groepen gevormd zijn om een gezamenlijke aanpak te formuleren? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van het feit dat raadsleden in Tholen niet naar buiten konden na de raadsvergadering dinsdagavond 1 september j.l. vanwege de veiligheid bij een anti-azc-demonstratie?
Maakt u zich zorgen dat intimidatie van raadsleden en wethouders rondom azc-besluiten kan leiden tot schade aan de veiligheid van deze mensen en aan onze lokale democratie?
Wat gaat u doen om dit soort escalaties in de toekomst te voorkomen en raadsleden en wethouders die een beslissing moeten maken over de komst van een azc te steunen – waartoe zij ook besluiten?
Wat vindt u van het feit dat in de nacht van 10 augustus j.l. 28 asielzoekers in Surhuisterveen werden tegengehouden om naar de nachtopvang te gaan om te slapen?
Zijn er meer van dit soort incidenten bij u bekend? Hoe vaak is dit voorgekomen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat asielzoekers in het vervolg niet worden tegengehouden en geïntimideerd worden als zij onderweg zijn naar hun aangewezen slaapplek?
Bent u bekend met de berichten over «Defend Den Bosch» en de intimidatie van Syrische jongeren op de Kermis in Den Bosch?
Wat vindt u van het feit dat een groep die linken lijkt te hebben met rechts-extremisme jonge Syriërs lastigvalt op de kermis in Den Bosch en online berichten verspreidt die hiertoe oproepen? Hoe gaat u helpen optreden tegen dit soort groepen?
Wordt er toezicht gehouden op de online oproepen die groeperingen zoals «Defend Den Bosch» online verspreiden om met groepen mensen jongeren te belagen op de kermis, of om bijvoorbeeld huizen te bekladden? Op welke manier wordt hiertegen opgetreden? Hoe wordt hierin samengewerkt met de lokale driehoek?
Is bij u bekend of en hoe vaak er melding wordt gemaakt van online oproepen die leiden tot strafbare feiten door groeperingen als «Defend Den Bosch»? Heeft u indicaties dat hier tijdig en effectief tegen wordt opgetreden?
Is bekend of «Defend Den Bosch» ook betrokken was bij de bekladdingen en intimidatie bij gemeente Engelen?
Gaat u zich inzetten om de inspraak over de komst van een azc rustiger te laten verlopen zodat zowel voor- als tegenstanders zonder angst en intimidatie zich kunnen laten horen?
Wat is uw reactie op de brandstichting bij het gebouw in Valkenswaard waar in de toekomst alleenstaande minderjarige vluchtelingen zouden worden opgevangen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze intimidatie stopt en niet de reden mag zijn dat er al dan niet een azc komt?
Kunt u nader ingaan op de rol van sociale media in het aanjagen van intimidatie van voor- en tegenstanders van een azc? In hoeveel gevallen zijn intimiderende acties aangesticht via online kanalen?
Bent u van mening dat grote online platforms hier voldoende tegen optreden, gezien u in eerdere beantwoording beschrijft dat er tegen meerdere bedrijven al aanwijzingen zijn gepubliceerd dat zij wet- en regelgeving niet naleven?2
Welke maatregelen kunt u nemen om intimidatie (aangejaagd) via sociale media tegen te gaan, bijvoorbeeld door bestaande wet- en regelgeving strenger te handhaven, met behoud van de vrijheid van meningsuiting?
Kunt u deze vragen binnen de geldende termijn beantwoorden?
De reorganisatie voor ggz-spoedhulp in Tiel en Ede |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig personeel en geld: Pro Persona voert alsnog reorganisatie door voor ggz-spoedhulp»?1
Wanneer bent u voor het eerst geïnformeerd over dit voorgenomen besluit? Door wie bent u hierover geïnformeerd en op welk moment heeft Pro Persona het besluit definitief genomen?
Waarom zijn de betrokken gemeenten en lokale volksvertegenwoordigers volgens onze informatie niet vooraf geïnformeerd, terwijl de wijziging directe gevolgen kan hebben voor politie, openbare orde, maatschappelijke opvang, huisartsen en het gemeentelijke sociaal domein?
Klopt het dat mensen uit Ede en Tiel die tijdens de avond, nacht of in het weekend een beoordeling op locatie nodig hebben, voortaan naar respectievelijk Arnhem en Nijmegen moeten worden vervoerd?
Wat betekenen de wijzigingen voor de gemiddelde en maximale aanrij- en reistijden van cliënten, crisisdienstmedewerkers, politie, ambulancediensten en andere betrokken hulpverleners?
Welke gevolgen hebben de langere afstanden volgens u voor mensen in een acute psychische crisis, mede gezien het risico op verdere ontregeling, suïcidaliteit en escalatie tijdens het wachten of vervoer?
Hoeveel mensen werden in de afgelopen drie jaar buiten kantooruren beoordeeld op de crisislocaties in Ede en Tiel? Hoeveel van deze beoordelingen vonden plaats op de locatie zelf en hoeveel bij mensen thuis of elders?
Hoe wordt voorkomen dat mensen in een psychische crisis onnodig in een politieauto, ambulance, politiecel of op een spoedeisende hulp terechtkomen doordat in Ede en Tiel buiten kantooruren geen crisisbeoordelingslocatie meer beschikbaar is?
Wordt naar uw oordeel met deze wijziging nog voldaan aan de eisen uit de generieke module Acute psychiatrie en aan de normen voor bereikbaarheid, beschikbaarheid en kwaliteit van acute ggz? Waarop baseert u dat oordeel?
Is voorafgaand aan het besluit een impactanalyse uitgevoerd naar de gevolgen voor cliënten, naasten, medewerkers, huisartsenposten, politie, ambulancediensten, ziekenhuizen en gemeenten? Zo ja, kunt u deze analyse met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Zijn de cliëntenraad, familieraad, ondernemingsraad, betrokken professionals en ervaringsdeskundigen tijdig bij dit besluit betrokken? Welke adviezen hebben zij uitgebracht en hoe heeft Pro Persona deze verwerkt?
Klopt het dat medewerkers tegen de reorganisatie hebben gewaarschuwd vanwege langere aanrijtijden, minder tijd voor cliënten en een verdere toename van de werkdruk? Hoe beoordeelt u deze signalen?
Welke zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor de inkoop van de acute ggz in deze regio’s? Hebben zij met de wijziging ingestemd en hoe hebben zij vastgesteld dat er na de sluiting buiten kantooruren voldoende bereikbare capaciteit beschikbaar blijft?
Is het voorgenomen besluit gemeld via het earlywarningsysteem voor de continuïteit van cruciale ggz? Zo ja, wanneer, aan welke partijen en wat is vervolgens met deze melding gedaan? Zo nee, waarom niet?
Is het besluit besproken aan de regionale, bovenregionale of landelijke tafel voor cruciale ggz, zoals afgesproken in de Kamerbrief van 21 december 2023? Zo ja, wat was de uitkomst daarvan? Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de afspraak dat aanbieders cruciale zorg niet sluiten of wijzigen zonder dit tijdig met verzekeraars en collega-aanbieders te bespreken?
Is de Nederlandse Zorgautoriteit geïnformeerd en heeft zij getoetst of zorgverzekeraars na deze wijziging nog aan hun zorgplicht voldoen? Heeft ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd de gevolgen voor de kwaliteit en veiligheid van de zorg beoordeeld?
Hoe verhoudt dit besluit zich tot de uitspraak van uw ambtsvoorganger dat bij de inkoop van cruciale ggz geen aanbod zou mogen verdwijnen vanwege financiële redenen? Kunt u uitsluiten dat financiële problemen, omzetplafonds of onvoldoende inkoop mede aan het besluit ten grondslag liggen?2
Welke concrete inspanningen hebben Pro Persona, de betrokken zorgverzekeraars en uw ministerie verricht om de crisislocaties open te houden, en welke alternatieven zijn onderzocht?
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat zowel lokale volksvertegenwoordigers als leden van de Tweede Kamer via de krant moeten vernemen dat twee locaties voor cruciale acute ggz buiten kantooruren sluiten?
Waarom heeft u de Kamer niet actief geïnformeerd, ondanks de eerdere toezegging de Kamer op de hoogte te houden van de voortgang rond cruciale ggz en de afspraken over het melden en bespreken van voorgenomen sluitingen en wijzigingen?3
Kunt u aangeven welke andere locaties voor acute of anderszins cruciale ggz sinds 2024 zijn gesloten, hun openingstijden hebben beperkt of concrete plannen daartoe hebben? Kunt u dit uitsplitsen naar regio, zorgvorm, reden en gevolgen voor de beschikbare capaciteit?
Bent u bereid Pro Persona en de betrokken zorgverzekeraars te verzoeken de sluiting buiten kantooruren op te schorten totdat onafhankelijk is vastgesteld dat de toegankelijkheid, bereikbaarheid en veiligheid van de acute ggz in beide regio’s zijn geborgd?
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Buitenhof van zondag 30 augustus jongstleden waarin de burgemeester van Amsterdam de noodklok luidde over dakloosheid in de grote steden?
Hebt u er kennis van genomen dat ten minste Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Groningen en Almere nu de oproep van burgemeester Halsema hebben gesteund?
Wat is uw reactie op de constatering van de burgemeester van Amsterdam dat de leefbaarheid in de vier grote steden steeds verder onder druk komt te staan door de combinatie van toenemende dakloosheid, verloedering, crackgebruik en mensen met verward gedrag?
Kunt u reageren op de vaststelling van de burgemeester dat zij «al een aantal keer de noodklok richting Den Haag» heeft geluid, maar dat dit «te weinig beantwoord» wordt? Is het kabinet bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de burgemeesters van de vier grote steden om te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van dakloosheid en drugsoverlast? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de analyse van de burgemeester dat het Rijk medeverantwoordelijk is voor deze problematiek en dat er ook vanuit het Rijk «grote maatregelen» nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden er al genomen of bent u van plan te nemen?
In welke mate zijn wat u betreft werkgevers verantwoordelijk voor het feit dat arbeidsmigranten massaal op straat belanden? Wat bent u bereid hieraan te doen?
Hebt u kennisgenomen van de vorige maand aangekondigde maatregelen tegen dakloosheid van de Britse premier Burnham, waaronder nieuwe opvangmogelijkheden, praktische hulp voor mensen bij huisvesting, gezondheidszorg en andere behoeften, en een nationale top met verschillende actoren? Wat is het Nederlandse kabinet bereid te leren van deze aanpak?
Ziet het kabinet ook dat arbeidsmigranten een groot deel vormen van het aantal dakloze mensen (circa 1500 van de 3644 in beeld gebrachte dakloze mensen in Amsterdam)? Deelt het kabinet de constatering van de Amsterdamse burgemeester dat het toenemende aantal dakloze arbeidsmigranten samenhangt met gebrekkige huurbescherming, doordat arbeidsmigranten bij ontslag dakloos worden? Zo nee, waarom niet en waardoor komt dit dan wel volgens het kabinet?
Herinnert u zich het voorstel van eind vorig jaar om in de wet een nieuwe opzeggingsgrond op te nemen dat een werkgever de huurovereenkomst mag opzeggen indien de arbeidsrelatie is beëindigd? Kunt u reageren op de kritiek van de Amsterdamse burgemeester en tal van maatschappelijke organisaties (waaronder de Woonbond, Dakloosheid Voorbij!, Valente, het Leger des Heils en de FNV) dat deze maatregel, die in strijd is met de aanbevelingen van de commissie-Roemer, zal leiden tot meer dakloosheid onder arbeidsmigranten?
Is het kabinet het eens dat het toestaan van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten – zoals het kabinet momenteel voorstelt in het wetsvoorstel passende huurcontracten – het risico met zich meebrengt dat arbeidsmigranten sneller dakloos raken? En is het kabinet bereid om – mede naar aanleiding van de oproep van de burgemeester van Amsterdam – dit voorstel te herzien?
Op welke wijze is het kabinet voornemens om de problemen van dakloze arbeidsmigranten op te lossen? Is het kabinet bereid om de aanbevelingen van de commissie-Roemer uit te voeren, ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten dezelfde rechtspositie krijgen als andere werknemers, en de afhankelijkheid tussen arbeid en huisvesting te verminderen?
Is het kabinet bereid om de regeling waarmee werkgevers tot 25 procent van het minimumloon van arbeidsmigranten inhouden in ruil voor huisvesting alsnog zo snel mogelijk – zonder eerst het beperken van short stay af te wachten – af te bouwen, zoals was voorzien?
Wat is volgens u de relatie tussen de massale short stayhuisvesting van arbeidsmigranten en de toegenomen dakloosheid van arbeidsmigranten?
Heeft Amsterdam het kabinet gevraagd om als pilot containerwoningen te mogen plaatsen voor dakloze moeders en kinderen? Bent u bereid deze ruimte te bieden, en zo ja, op welke termijn kan hierover duidelijkheid komen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
De bezuinigingen op de Luisterlijn vanaf 2027 |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De bezuinigingen op de Luisterlijn geven een jammerlijk signaal af»?1
Klopt het dat per 2027 structureel 10 procent van het jaarbudget, oftewel € 700.000, bezuinigd zal worden op de Luisterlijn? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan? Zo ja, kunt u nader toelichten waarom gekozen is voor deze bezuiniging?
Hoe verhoudt deze geplande bezuiniging zich tot het feit dat de Luisterlijn in 2025 een recordaantal van 331.861 gesprekken voerde, oftewel ruim 900 gesprekken per dag? Deelt u de mening dat een stijgende vraag naar een laagdrempelig luisterend oor juist aanleiding zou moeten zijn om de voorziening, waar nodig, te versterken in plaats van te verzwakken?
Herkent u de constatering dat deze geplande bezuiniging zal leiden tot het sluiten van verschillende trainings- en werklocaties en mogelijk zelfs dat een deel van de vrijwilligers zal stoppen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven welke gevolgen u verwacht als gevolg van de subsidiekorting voor de bereikbaarheid, toegankelijkheid en kwaliteit van de Luisterlijn?
Bent u bekend met het feit dat het kabinet-Rutte IV in 2022 naar aanleiding van een marktverkenning al concludeerde dat er geen (andere) marktpartij is die het bieden van een luisterend oor aan (jong)volwassenen en kinderen zonder overheidssubsidie kan uitvoeren? Zo ja, hoe rijmt u dit met de geplande bezuiniging?
Op basis waarvan is geconcludeerd dat de Luisterlijn deze bezuiniging kan opvangen zonder dat dit ten koste gaat van de dienstverlening? Bent u bereid eventuele nieuwe marktverkenningen, evaluaties of doelmatigheidsanalyses te delen met de Kamer?
Hoe rijmt deze bezuiniging met de wettelijke taak, die voortvloeit uit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015, om te voorzien in een anonieme, kosteloze mogelijkheid om te spreken over persoonlijke situaties en advies te vragen? Hoe rijmt deze bezuiniging met de aanpak Een tegen Eenzaamheid?
Deelt u de mening dat een voorziening als de Luisterlijn juist erg belangrijk is voor mensen die wel behoefte hebben aan contact of ondersteuning, maar niet direct een beroep doen of kunnen doen op formele zorg? Zo ja, hoe rijmt dat met de geplande bezuiniging?
Deelt u de mening dat de laagdrempelige hulp van de Luisterlijn bijdraagt aan preventie en kan voorkomen dat mensen een beroep doen op de ggz of andere vormen van psychosociale hulp? Is berekend hoeveel extra kosten uiteindelijk bespaard worden door de Luisterlijn?
Welke concrete maatregelen gaat u inzetten om te voorkomen dat deze bezuiniging ertoe gaat leiden dat mensen zich pas melden wanneer hun problemen zijn geëscaleerd en daardoor uiteindelijk een beroep doen op zwaardere en vaak duurdere zorg?
De ondersteuning van pleegouders en gezinshuisouders |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat uit de factsheet van Jeugdzorg Nederland1 blijkt dat het aantal pleegouders sinds 2015 aan het dalen is en ook het aantal belangstellenden dat informatie opvraagt afgelopen jaar flink is gedaald?
Hoeveel kinderen staan er momenteel op de wachtlijst voor pleegzorg? Hoe lang moeten zij gemiddeld wachten?
In de afgelopen jaren zijn verschillende wervingsacties opgezet, door jeugd- en pleegzorgorganisaties en door het ministerie, is duidelijk wat deze campagnes hebben opgeleverd? Worden de resultaten gebruikt om de jeugd- en pleegzorgorganisaties verder te helpen in het werven van nieuwe pleegouders, en vooral ook met het behouden van huidige pleegouders?
Herkent u het beeld uit de factsheet waarbij wordt gesteld dat de ondersteuning van pleeggezinnen niet altijd aansluit bij wat nodig is, zoals vergoedingen voor kosten en inzet van passende hulp en ondersteuning bij complexe opvoedsituaties? Zo ja, hoe kan het dat deze redenen bij ongeveer ieder onderzoek naar voren komt en er ogenschijnlijk te weinig gebeurt om dit soort praktische belemmeringen weg te nemen?
Bent u bekend met signalen van pleegouders die aangeven dat er vaak een wisseling van jeugdbeschermers is, maar ook gedoe en onduidelijkheid over onder meer ondersteuningsplannen in het onderwijs en de financiering daarvan? Deelt u de mening dat dit voor pleegouders demotiverend werkt? Wat kunt u doen om pleegouders hiermee te helpen? Welke gemeente is, wie is binnen gemeenten, verantwoordelijk als het bijvoorbeeld gaat over het financieren van een ondersteuningsplan? Wie helpt pleegouders die er tegenaan lopen dat gemeenten naar elkaar wijzen?
Hoe kunt u pleegouders ondersteunen in het (herstellen van) contact met de biologische ouders indien deze in beeld zijn? Herkent u het beeld dat dit soms moeizaam gaat en zowel biologische ouders als pleegouders soms gebaat zijn bij extra ondersteuning, en waar nodig een reiskostenvergoeding? Wie is daarvoor verantwoordelijk?
Kunt u aangeven hoe de op 7 december 2021 breed gesteunde motie Westerveld cs is uitgevoerd, die de regering verzoekt om met pleegzorgorganisaties en de VNG afspraken te maken over de bijzondere kosten en de naleving ervan «en hierin verder te gaan dan een handreiking en samen richtlijnen op te stellen, en daarin te expliciteren welke zaken betaald moeten worden uit de pleegvergoeding en welke zaken en bedragen vallen onder de toeslag en de vergoeding voor bijzondere kosten, met behoud van de mogelijkheid tot maatwerk.»? Heeft dit voldoende opgeleverd of bent u het met ons eens dat een verdere aanscherping kan helpen om meer pleegouders te behouden?
Herkent u ook het door de VNG geschetste beeld2 over de onduidelijkheid die er bij veel gemeenten is als het gaat over de uitvoering van de regeling voor de compensatie van pleegouders bij kinderopvang?
Klopt het dat het bedrag van 10,7 miljoen euro niet geoormerkt is? Zo ja, is dit bedrag besteedt aan het beoogde doel?
Ziet u een manier om dit makkelijker te regelen, zoals het direct compenseren van de kosten van pleegkinderen door het Rijk of de gemeente? Deelt u de mening dat dit een manier kan zijn om pleegouders te ontzien en bureaucratie te verminderen, en zou u dit daarom willen onderzoeken?
Kunt u de actuele stand van zaken schetsen van de uitvoering van de motie Westerveld-Van Nispen waarin wordt gevraagd om een wettelijke verankering van het recht op samenplaatsing bij uithuisplaatsing? Wat is de voorgenomen ingangsdatum van de wet waarin dit wordt geregeld? Op welke manier worden pleegouders en gezinshuisouders ondersteund zodat zij in staat zijn om kinderen uit één gezin gezamenlijk op te vangen? Wordt daarin ook voorzien in deze wet?
Welke aanvullende hulp is er voor pleegouders wanneer een kind een beperking of ziekte heeft? Wie is er dan verantwoordelijk voor de levensonderhoud van een kind, of de noodzakelijke hulpmiddelen of aanpassingen aan een huis? Hoe is dit geregeld als het gaat over deeltijd pleegzorg? Bent u bereid om met gemeenten en pleegzorgorganisaties de afspraak te maken dat ook bij deeltijdpleegzorg de aanvullende kosten die noodzakelijk zijn voor een pleegkind met een beperking, niet bij de pleegouders terecht komen?
Wat gebeurt er als een kind in een wlz-instelling of een PGB-gefinancierde woonvorm gaat wonen? Kunnen pleegouders (die zich vaak verantwoordelijk zullen blijven voelen) de kosten voor persoonlijke spullen en andere benodigdheden en vrijetijdsbesteding dan ergens declareren? Zo nee, deelt u de mening dat hiermee zowel pleegouders als pleegkind te kort worden gedaan?
Is het mogelijk om pleegouders en gezinshuisouders te ondersteunen bij jongeren die 21 worden en voor wie de vergoeding vervalt, wanneer zij geen andere plek hebben of woning kunnen vinden? Zo ja, op welke manier? Hoe kunnen pleegouders en gezinshuisouders deze ondersteuning aanvragen?
Klopt het dat er voor gezinshuizen geen duidelijk wettelijk kader en zij slechts beperkt worden genoemd in de Jeugdwet, waardoor er regelmatig onduidelijkheid bestaat tussen het verschil tussen vrijheidsbeperkende maatregelen en pedagogische opvoedtaken, zoals bijvoorbeeld bedtijden of het gebruik van mobiele telefoons? Herkent u signalen van gezinshuisouders die hier tegenaan lopen?
Deelt u de mening dat de landelijke Kwaliteitscriteria Gezinshuizen3 zoals opgesteld door het Nederlands Jeugdinstituut (NJI), deskundigen en belangenorganisatie, weliswaar duidelijke veldnormen bevatten, maar logischerwijs niet ingaan op veel praktische situaties waar gezinshuisouders tegenaan lopen, die vergelijkbaar zijn met situaties in reguliere gezinnen en waarbij soms ook professionele normen op gespannen voet kunnen staan met pedagogisch handelen zoals gebruikelijk in een ouder-kind situatie?
Waar kunnen gezinshuisouders naartoe als hierover onduidelijkheid bestaat?
Wat kunt u verder nog doen om jeugd- en pleegzorgorganisaties te helpen in de ondersteuning van pleegouders?
De gevolgen van de wachtlijsten voor de specialistische (jeugd-)GGZ |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Is bekend hoeveel jongeren en volwassenen die in het afgelopen jaar overleden door suïcide of door te stoppen met eten en drinken, op dat moment in behandeling waren bij de jeugdzorg of ggz of in het (recente) verleden een behandeling kregen? Kunt u de aantal weergeven vanaf 2018?
Hoe vaak heeft de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) casusonderzoek uitgevoerd naar de suïcide van een jongere of volwassene in zorg? Hoe vaak heeft de IGJ hierbij geoordeeld dat er tekortkomingen zijn in het zorgaanbod?
Erkent u dat het tekort aan gespecialiseerde hulp, de wachtlijsten en andere problemen in de jeugdzorg en ggz, verergering van klachten als gevolg kan hebben en dit kan leiden tot suïcidale gedachten of uiteindelijk suïcide? Zo ja, deelt u de mening dat een aanpak van alle problemen veel meer urgentie verdient?
Kent u het rapport van de IGJ over de suïcide van de 17-jarige Roos, waarna de Inspectie constateert dat er voor jongeren zoals zij geen passende gespecialiseerde hulp is in de regio? Hoe kan het dat in de hele regio niet de juiste hulp voorhanden was? Hoeveel regio's bieden geen passende langdurige specialistische behandeling aan jongeren met complexe problematiek en wie houdt hier toezicht op?1
Herkent u het beeld dat er vaak een tekort is aan acute crisisplekken? Deelt u de mening dat dit te belangrijk is om aan de markt over te laten en er een vastgesteld aantal plekken moet zijn voor situaties die van levensbelang zijn?
Hoe vaak gebeurt het dat jongeren en volwassenen met complexe psychische problemen worden weggestuurd bij ggz-instellingen? Wordt dit bijgehouden of gemeld bij de IGJ?
Hoe wordt gecontroleerd of het verbod op exclusiecriteria ook in praktijk wordt nageleefd?
Kent u de uitvraag die MIND heeft gedaan, waaruit blijkt dat tachtig procent van de respondenten vertelt geweigerd of niet in behandeling te zijn genomen door een ggz-aanbieder? Hoe beoordeelt u deze uitvragen in het licht van de gemaakte afspraken?2
Wat is de stand van zaken met betrekking tot de aangenomen motie-Dobbe/Westerveld over beschikbaarheidsfinanciering? Wanneer verwacht u het onderzoek met de Kamer te kunnen delen?3
Hoe beoordeelt u de constatering van zorgprofessionals en experts dat ook de tekortkomingen in de ggz gevolgen heeft voor het aantal euthanasieverzoeken, zoals blijkt uit het RISE-onderzoek van ZonMw?4
Wanneer komt u met een kabinetsreactie op het IBO-rapport «Uit Balans» uit oktober 2025 waarin een heel aantal aanbevelingen staan om de cruciale ggz, waaronder ook de acute ggz te verbeteren en ook wordt voorgesteld de marktwerking aan te pakken? Deelt u de mening dat maatregelen haast hebben en kunt u uitleggen waarom het zo lang duurt voor het kabinet hier besluiten over neemt?5
Het tekort aan voogden |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), van Bruggen |
|
|
|
|
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november 2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie? Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg ook kinderen zonder voogd?
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar. Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie. Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn, niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten (en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet, bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het belang van het kind genomen moeten worden?
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders) bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s, is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties ««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»? Zo ja, wat gaat u doen?
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers, passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Leerlingenvervoer als randvoorwaarde voor toegang tot onderwijs |
|
Lisa Westerveld (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat leerlingenvervoer niet primair een logistiek vraagstuk is, maar in essentie een randvoorwaarde is voor toegang tot onderwijs? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de regie over het leerlingenvervoer naar u toe te trekken?
Leerlingenvervoer zorgt ervoor dat kinderen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen, toch naar school kunnen. Iedere gemeente beslist welke leerlingen recht hebben op een vervoersvoorziening en hoe dat kan worden georganiseerd. Dat kan zijn (begeleid) reizen via het openbaar vervoer, per fiets, een voorziening in de kosten die ouders zelf maken of aangepast vervoer. We zijn van mening dat het passend is dat deze beslissingen op lokaal niveau genomen worden. Gemeenten zijn immers vertrouwd met de lokale situatie en hebben al contacten met plaatselijke samenwerkingsverbanden en scholen.
Het Ministerie van OCW ontvangt verschillende signalen over knelpunten in de uitvoering van het leerlingenvervoer – vanuit het werkveld – en heeft daarom regie genomen om, samen met onder andere Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Ouders en Onderwijs, LBVSO en sectorraad Gespecialiseerd Onderwijs (GO), tot een werkagenda leerlingenvervoer te komen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. OCW werkt daarnaast samen met VWS aan het verbeteren van het doelgroepenvervoer, waar leerlingenvervoer onder valt. Zo nam OCW deel aan de verbeteragenda doelgroepenvervoer en wordt er met VWS en I&W samengewerkt op het gebied van publieke mobiliteit.
Kunt u schetsen wat er de afgelopen jaren is gedaan om de aanhoudende problemen in het leerlingenvervoer aan te pakken? Is het aanpassen van de normbedragen voldoende om de problemen te lijf te gaan, zeker in relatie tot de stijgende kosten voor brandstof?
Op 19 november 2025 is overleg gevoerd met Ouders & Onderwijs, LBVSO, VGN en Sectorraad GO over het leerlingenvervoer. Het doel van dit gesprek was om samen te bezien wat er in het onderwijsdomein gedaan kan worden om de uitvoering van het leerlingenvervoer te verbeteren, in aanvulling op de verbeteraanpakken doelgroepenvervoer (onder regie van het Ministerie van VWS) en Publieke Mobiliteit (onder regie van I&W). In de komende maanden wordt de werkagenda verder uitgewerkt. Elk van de betrokken partijen zal een deel van de acties op zich nemen. Conform toezegging zal ik de Kamer voor het herfstreces informeren over de voortgang van de werkagenda en de thema’s waar deze zich op richt.1
Is uw verwachting dat bij de start van schooljaar 2026–2027 grote problemen zullen uitblijven? Zo nee, bent u hierover met gemeenten en scholen in gesprek?
Aan het begin van een nieuw schooljaar verandert er vaak veel voor leerlingen, de scholen en de vervoerders. Voor leerlingen en ouders kunnen de school, het vervoer en ook de route nieuw zijn. Ook vervoerders kunnen te maken krijgen met nieuwe contracten en/of nieuwe routes. Dat geeft soms opstartproblemen en dat willen we allemaal zo veel mogelijk voorkomen. Het is aan gemeenten, vervoerders en het onderwijs om daar samen goede afspraken over te maken.
Het Ministerie van OCW heeft korte lijnen met gemeenten – ook via de VNG – en vervoerders. Op dit moment zijn de gesprekken die we met hen voeren voornamelijk in het kader van de werkagenda. Met de werkagenda hopen we samen stappen te zetten in het duurzaam verbeteren van het leerlingenvervoer. Over de concrete invulling van de werkagenda wordt u voor het herfstreces geïnformeerd in de hierboven genoemde Kamerbrief.
Wat is er gedaan met de opmerkingen van uw ambtsvoorganger die in 2022 het «onacceptabel» noemde dat veel gemeenten de reistijd niet bijhouden? Gebeurt dat inmiddels wel? Zo ja, is de reistijd inmiddels gehalveerd zoals uw ambtsvoorganger wilde bewerkstelligen?
Het is zorgelijk dat er momenteel geen goed inzicht is in de staat van het leerlingenvervoer. Daarom willen we met de werkagenda ook de monitoring van het leerlingenvervoer verbeteren. Een van de doelstellingen van de werkagenda leerlingenvervoer is om meer inzicht te krijgen in de gemiddelde reistijd van leerlingen. We bereiken dit onder andere door een inventarisatie van de beschikbare cijfers rondom het leerlingenvervoer. Daarnaast heeft OCW Oberon verzocht om in Q3 2026 bij gemeenten een landelijke monitor leerlingenvervoer uit te vragen – deze meting is in 2022 en 2024 ook uitgevoerd. Uit de monitor van 2024 kwam naar voren dat 49% van de 210 gemeenten weet hoelang leerlingen gemiddeld onderweg zijn. Dit is gemiddeld 50 minuten.2
Klopt het dat voor leerlingenvervoer niet dezelfde regels gelden als voor bijvoorbeeld lijnbussen en taxi’s, waardoor leerlingen die naar school moeten in de file terecht kunnen komen terwijl een taxi wél door kan rijden?
Reizigers die gebruik maken van gemotoriseerd vervoer kunnen door files langer onderweg zijn naar werk, afspraken of dagbesteding. Leerlingen die met het aangepaste vervoer naar school reizen kunnen, net als andere reizigers, ook in deze files terecht komen.
Rijkswaterstaat geeft aan dat zowel taxi’s als vervoerders binnen het doelgroepenvervoer geen aparte wettelijke status voor de te gebruiken plek op de weg en te gebruiken wegdelen hebben. Wel hebben wegbeheerders mogelijkheden om breder gebruik van busbanen en busstroken toe te staan indien zij dat nodig en verantwoord achten in de specifieke situatie ter plekke, zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het technisch en juridisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, waardoor deze wel gebruik mogen maken van een lijnbusbaan, zodat zij zo kort mogelijk in het vervoersmiddel zitten? Zo ja, ligt de verantwoordelijkheid hiervoor dan bij de rijksoverheid, provincie of gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het is juridisch en technisch mogelijk om een vrijstelling te krijgen voor leerlingenvervoer, maar het is onwenselijk om een situatie te creëren waarin te veel doelgroepen een voorrangspositie krijgen. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 5. Wel geeft Rijkswaterstaat aan dat wegbeheerders bepaalde ge- of verbodsborden specifiek wel of niet kunnen laten gelden voor bepaalde soorten weggebruikers (door middel van een onderbord). Ook kunnen wegbeheerders op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) ontheffing verlenen aan bepaalde soorten weggebruikers voor bepaalde verkeerstekens en verkeersregels, waaronder die met betrekking tot gebruik van busbanen en busstroken (RVV 1990, artikel 81). Hierdoor kunnen wegbeheerders maatwerk leveren, rekening houdend met de situatie ter plekke. De wegbeheerders kunnen hierbij verschillende belangen afwegen, zoals de verkeersveiligheid en doorstroming van zowel het leerlingenvoer als het overige verkeer.
Wat heeft de campagne «Sleur? Word chauffeur!» destijds opgeleverd? Zijn er momenteel campagnes of acties ingezet om meer chauffeurs te werven voor doelgroepenvervoer?
De campagne «Sleur? Word chauffeur!» is een initiatief dat in september 2022 gestart is door het Sociaal Fonds Mobiliteit. Vanwege het succes van de campagne in het bereiken van potentiële sollicitanten loopt deze nog door tot in ieder geval september 2027, onder de naam: «Stuur met je hart». Vanaf het begin van de campagne tot en met mei 2026 waren er ruim 11.000 contactmomenten.3
Het doel voor afgelopen schooljaar was 3000 sollicitanten. Dit werd ruim behaald. Voor dit nieuwe schooljaar (september 2026-september 2027) is het doel 3300 sollicitanten. Zover bij ons bekend lopen er daarnaast geen andere campagnes om meer chauffeurs te werven.