Gemiste inkomsten door personeelstekorten bij de Belastingdienst |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u de uitzending van Buitenhof van afgelopen zondag 11 oktober 2026 gezien?
Kunt u de bedragen op de website van de Belastingdienst over openstaande belastingschulden nader toelichten? Hoeveel van de openstaande 46 miljard euro verwacht u dat de Belastingdienst alsnog binnenkrijgt?
Klopt het dat er onvoldoende personeelscapaciteit is om de 16,5 miljard euro, waarvoor invorderingsmaatregelen zijn getroffen daadwerkelijk in te vorderen, en dat de kans groter wordt dat dit geld niet meer ingevorderd kan worden naarmate de Belastingdienst langer wacht met actie ondernemen? Klopt het dat dit bedrag jaarlijks toeneemt? Hoe duidt u de uitspraken van de heer Graaff hierover?
Klopt het dat de Belastingdienst 1.000 fte tekort komt voor alleen de invordering bij burgers en kleine bedrijven? Hoeveel fte zouden er nodig zijn om de invordering over de hele linie op orde te krijgen?
Klopt het aantal boekenonderzoeken bij bedrijven is gedaald van 26.000 in 2016 naar 8.000 nu? Wat is op dit moment de kans dat een bedrijf daadwerkelijk gecontroleerd wordt?
Hoeveel inkomsten loopt de overheid naar schatting op dit moment mis door fraude en fouten bij bedrijven en onvoldoende controle? Wat vindt u daarvan?
Klopt het dat een extra invorderaar of controleur zichzelf makkelijk terugverdient voor de Belastingdienst? Hoe komt het dan dat de Belastingdienst niet meer mensen aanneemt om dit werk te doen?
Kunt u helderheid bieden over de bezuinigingsopgave voor de Belastingdienst? Waarom is eerder aangegeven dat dit 277 miljoen euro was, en klopt het dat het nu 438 miljoen euro blijkt te zijn?
Vindt u het verstandig om zoveel te bezuinigen op de Belastingdienst, terwijl er al een tekort is aan invorderaars en controleurs, en terwijl de Belastingdienst nog steeds voor een grote moderniseringsopgave staat? Op welk onderdeel van de Belastingdienst is het wat u betreft wel geoorloofd om te bezuinigen?
Bent u bereid de voorgenomen bezuinigingen op de Belastingdienst te schrappen?
Het bericht 'Dit maakt je helemaal kapot': gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ««Dit maakt je helemaal kapot»: gedupeerde onderneemster hield 1,5 miljoen euro schuld over»?1
Hoe reageert u op het feit dat ondernemers nog altijd geen compensatie hebben gekregen voor de ondernemingsschade die zij hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Wat zegt het over de houding van de overheid naar haar eigen burgers, dat de Landsadvocaat in rechtszaken de ondernemingsschade toegebracht in het toeslagenschandaal bestempelt als een «ondernemingsrisico» en een «ongelukkig incident»?
Waarom is in de discussie over het toeslagenschandaal de schade voor duizenden ondernemers zo lang onderbelicht gebleven?
Hoeveel ondernemers hebben ondernemingsschade geleden als gevolg van het toeslagenschandaal en hoeveel van hen zijn door het toeslagenschandaal failliet gegaan?
Waarom is ervoor gekozen om ondernemers niet te compenseren voor de vaak dramatische financiële gevolgen voor hun onderneming van het toeslagenschandaal?
Hoe reageert u op de suggestie dat er sprake was van samenwerking in de Belastingdienst tussen de afdelingen mkb en particulieren?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst in de fraudeselectie bij ondernemers gebruik maakte van de zorg- en huurtoeslag?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst gebruik maakte van de nationaliteit van gedupeerden?
Hoe reageert u op de suggestie dat de Belastingdienst bij minstens één kinderopvangbedrijf klanten heeft geselecteerd op hun afkomst?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Staat de link tussen de fraudelijsten en faillissementen wel gaat erkennen?
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat alle ongelakte en verdwenen stukken met betrekking tot de gedupeerde ondernemers zo snel mogelijk boven water komen?
Wanneer verwacht u dat alle gedupeerde mkb’ers volledig zijn gecompenseerd voor de financiële schade die zij onterecht hebben geleden door het toeslagenschandaal?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Cryptoactiva |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Waarom zijn cryptoactiva, zoals gedefinieerd in de Markets in Crypto Asset Regulation en onze eigen Wet financieel toezicht (Wft), niet opgenomen in de vermogenswinstbelasting als financiële instrumenten?
Is de Staatssecretaris bereid om voor cryptoactiva achterwaartse verliesverrekening mogelijk te maken, zodat beleggers in cryptoactiva straks niet over een verlies belasting hoeven te betalen?
Het verhogen van het btw-tarief op sierteelt |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft het kabinet onderzocht welke gevolgen een btw-verhoging op specifiek bomen en planten heeft voor de betaalbaarheid en vraag naar deze producten en daarmee indirect voor de vergroeningsopdracht van particuliere tuinen, openbare ruimte en stedelijk gebied?
Zo ja, kan het kabinet deze effecten kwantificeren?
Hoe zijn de positieve maatschappelijke baten van bomen en planten en de inspanningsvraag hierbij van de burgers, op biodiversiteit, verkoeling, wateropvang en leefomgeving meegewogen in de keuze voor een btw-tarief van 21 procent?
Hoe weegt het kabinet de economische effecten, zoals een verwachte omzetdaling van 674 tot 830 miljoen euro en het verlies van een kleine 3.000 banen, af ten opzichte van de verwachte extra belastingopbrengst?
Honderden miljoenen fraude via verzekeraar Atradius |
|
Suzanne Kröger (PRO), Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staat mogelijk voor honderden miljoenen het schip in door fraude via verzekeraar Atradius»?1
Deelt u de constatering dat er al langer zorgen bestaan rondom mogelijke tekortkomingen in de bestrijding van fraude en financiële criminaliteit bij exportkredietverzekeringen, zoals bijvoorbeeld gepubliceerd in Regimes of Permission: Export Credit Agencies, Anti-Money Laundering and Anti-Terrorism Financing(2025)2 en zoals blijkt uit meerdere zaken de afgelopen jaren?3 4
In hoeverre komen de aangekondigde maatregelen uit uw Kamerbrief d.d. 3 juli 2026 (Kamerstuk 26 485, nr. 463) overeen met de aanbevelingen voor overheden en exportkredietverzekeraars uit het bovengenoemde rapport Regimes of Permission? Kunt u aangeven welke maatregelen u wel, welke gedeeltelijk en welke u niet overneemt en waarom?
Hoe beoordeelt u, tegen de achtergrond van de huidige fraudezaken, de constatering in het rapport Regimes of Permission dat exportkredietverzekeraars voor hun due diligence sterk afhankelijk zijn van informatie die door hun cliënten zelf wordt aangeleverd, waardoor informatie-asymmetrie ontstaat?
In hoeverre verrichtte Atradius Dutch State Business (ADSB) zelfstandig onderzoek naar garanten, tussenpersonen en andere partijen in de transactieketen, in plaats van uitsluitend af te gaan op informatie van de verzekerde?
Klopt het dat bij de huidige fraudezaken vermoedelijk gebruik is gemaakt van vervalste financiële informatie en accountantsverklaringen? Waarom waren de bestaande controlemechanismen van ADSB niet in staat deze informatie eerder als mogelijk frauduleus te identificeren?
Welke controles verrichtte ADSB op de financiële positie van een garant vóór het afgeven van een polis? Werden accountantsverklaringen rechtstreeks bij de betreffende accountant geverifieerd?
Deelt u de mening dat het goed is dat banken, verzekeraars en andere financiële instellingen vergaande verplichtingen hebben om witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit te voorkomen? Waarom gelden voor een publieke exportkredietverzekeraar die namens en voor rekening en risico van de Staat opereert niet dezelfde of vergelijkbare wettelijke verplichtingen?
Welke wettelijke instantie houdt momenteel toezicht op de naleving door ADSB van haar verplichtingen op het gebied van het voorkomen van witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit?
Zijn er voldoende wettelijke waarborgen om ADSB verantwoordelijk te houden voor gebrekkige controles die tot gevolg hebben dat miljoenen aan belastinggeld verloren gaan?
In hoeverre heeft ADSB volgens u de capaciteit en kennis in huis om risico's op misbruik in te schatten en fraude te detecteren voordat een polis wordt afgegeven? Heeft ADSB mensen in dienst die hierin gespecialiseerd zijn? Huurt ADSB hiervoor externe partijen in? Zo ja, welke?
Bent u bekend met het artikel «Flinke straf bij douane dreigt als je flesje wijn of olijfolie uit verkeerde postcode in Israel meeneemt»?1
Klopt het dat op 23 september 2026 alle passagiers van een El Al-vlucht uit Tel Aviv bij de douane-uitgang «Niets aan te geven» op Schiphol zijn staande gehouden en hun bagage gescreend werd? Zo ja, hoeveel passagiers zijn hierbij gecontroleerd en op welke grondslag is hiertoe besloten? Zo nee, wat is er wel gebeurd en bent u dan bereid hierover zo spoedig mogelijk contact op te nemen met het Israëlische Ministerie van Buitenlandse Zaken om eventuele diplomatieke ruis hierover weg te nemen en verdere misverstanden te voorkomen, mede gelet op de publieke verontwaardiging hierover in Israël, waaronder vanuit de oppositie?
Hoe verhoudt de in het artikel genoemde inzet zich tot de toezegging in paragraaf 7.3 van de Nota van Toelichting dat het sanctiebesluit geen personele gevolgen heeft voor het Rijk en binnen de bestaande capaciteit wordt opgevangen?
Hoe verhoudt het aanhouden en screenen van alle passagiers zich tot de volgende teksten uit de nota van toelichting: «Ter voldoening aan deze plicht is het in Douaneregelgeving, waaronder in Europese sanctieverordeningen, gebruikelijk om importeurs te verplichten om met een verklaring aan te tonen dat zij voldoen aan die regelgeving. Voor de Douane zijn deze verklaringen een aangrijpingspunt voor de handhaving. Voor dit besluit is dat niet anders.»; «De Douane verricht controles aan de hand van deze verklaringen.» en «Het Openbaar Ministerie hanteert het opportuniteitsbeginsel. Dit betekent dat vervolging alleen plaatsvindt als dat in het algemeen belang is. Naar verwachting zal de focus van de handhaving liggen op structurele en opzettelijke overtredingen.»?
Hoe weegt het kabinet de proportionaliteit en subsidiariteit van deze maatregel, in aanmerking nemend dat het Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden zich blijkens Artikel 2 strikt beperkt tot goederen uit nederzettingen op de EU-postcodelijst en uitdrukkelijk niet ziet op goederen van oorsprong uit Israël binnen de internationaal erkende grenzen van 1967?
Hoe rijmt u het fysiek controleren van individuele reizigers met de toelichting op Artikel 3, tweede lid, van het sanctiebesluit, waarin de regering expliciet stelt dat de administratieve verklaringsplicht niet geldt voor goederen in de persoonlijke bagage van reizigers die bestemd zijn voor particulier gebruik?
Hoe verhoudt het screenen van individuele reizigers zich tot het uitgangspunt in paragraaf 4.2 van de toelichting dat de focus van de handhaving en vervolging zal liggen op «structurele en opzettelijke overtredingen» in het economische verkeer?
Acht u het opsporen van particuliere consumentenartikelen zoals flessen wijn of dadels in koffers een verantwoorde prioritering van het strafrechtelijk opsporingsapparaat?
Op welke wijze draagt het controleren van particuliere reizigers en vakantiegangers bij aan het door de regering beoogde doel van het sanctiebesluit, te weten het bevorderen van de internationale rechtsorde en het economisch tegengaan van de instandhouding van onrechtmatige nederzettingen?
Hoe waarborgt het kabinet dat er bij deze verscherpte controles geen sprake is van indirecte etnische of religieuze profilering van Joodse reizigers en Israëliërs en hoe voorkomt het kabinet gevoelens van onveiligheid?
Deelt u de mening dat de AMvB «Tijdelijk sanctiebesluit onrechtmatige nederzettingen in de door Israël bezette gebieden» nooit tot doel kan hebben gehad dat allemensen die vanuit Israël naar Nederland vliegen gecontroleerd en gescreend worden, al helemaal niet als daar verder helemaal geen aanleiding toe is en dat dit een heel verkeerd beeld oproept? Zo ja, wat gaat de Minister hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te voorkomen dat er disproportionele controles plaatsvinden op allereizigers afkomstig uit Israël, zonder aanleiding? Zo nee, waarom niet?
Het artikel dat stelt dat de benzineprijs naar een recordhoogte is gestegen en richting de € 3,00 per liter gaat |
|
Hidde Heutink (PVV), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat de benzineprijs met € 2,721 per liter naar een recordhoogte is gestegen en wat is uw reactie hierop?1
Bent u van plan de accijnzen per direct te verlagen om automobilisten te ontlasten? Zo nee, waarom kiest u ervoor de automobilisten de exorbitante prijsstijging van brandstof zelf te laten ophoesten?
Bij welke benzineprijs moet volgens u worden ingegrepen als de stijging van de adviesprijs voor benzine zich doorzet? Indien u daar geen specifiek antwoord op kan of wil geven, wilt u dan toelichten waarom?
Deelt u de opvatting dat brandstof voor miljoenen Nederlanders geen luxeproduct is, maar een noodzakelijke uitgave om bijvoorbeeld naar het werk, bij familie of bij (sociale) voorzieningen te komen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uiteenzetten hoe de adviesprijs van een liter benzine is opgebouwd en per uitsplitsing aangeven wat de regering kan doen om de kosten te drukken?
Hoe legt u aan automobilisten uit dat zij inmiddels recordbedragen aan de pomp moeten betalen, terwijl de regering, dat via de btw en accijns op brandstof, miljarden binnenhaalt maar dat geld liever aan zaken zoals ontwikkelingshulp uitgeeft?
Hoeveel euro ontvangt de Nederlandse overheid aan accijns en btw bij een liter benzine met een verkoopprijs van € 2,721 in totaal?
Bent u het eens met de stelling dat de huidige accijnsverlaging niet langer genoeg is en dat automobilisten meer compensatie verdienen dan ze nu krijgen? Zo ja, waarom blijven extra maatregelen dan uit? Zo nee, waarom niet?
Kunt u garanderen dat de accijns per 1 januari 2027 in elk geval niet zullen worden verhoogd? Zo nee, waarom niet?
De voortgang van de Wet Werkelijk Rendement |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat er stukken zijn bij het Ministerie van Financiën waaruit blijkt dat snelle invoering van een vermogenswinstbelasting toch een optie is?1 Kunt u deze stukken delen met de Kamer?
Klopt het dat u en uw voorgangers eerder aangaven dat het invoeren van een vermogenswinstbelasting zou leiden tot meerdere jaren vertraging? Per wanneer is het volgens u wél mogelijk om een vermogenswinstbelasting in te voeren, waarbij wordt voldaan aan belangrijke randvoorwaarden zoals uitvoerbaarheid, controleerbaarheid, handhaving en juridische houdbaarheid?
Kunt u heel precies aangeven wat de totale budgettaire (cumulatieve) derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte de Wet Werkelijk Rendement? Klopt het dat eventuele derving nog steeds volledig gevonden moet worden in het belastingdomein van vermogen en winst?
Wat is de exacte budgettaire derving per jaar bij uitstel van de Wet Werkelijk Rendement?
Kunt u heel precies aangeven wie er wel, dan wel niet, profiteren van eventueel uitstel van de Wet Werkelijk Rendement? Dus welke groepen hoeven bij een extra jaar tegenbewijsregeling in 2028 minder belasting te betalen dan bij de Wet Werkelijk Rendement (WWR)? Kunt u dit in elk geval aangeven voor spaarders, beleggers met een laag rendement (bijvoorbeeld twee procent), beleggers met een hoog rendement (bijvoorbeeld acht procent)?
Kunt u door middel van een grafiek of tabel inzichtelijk maken welk deel van de budgettaire derving van uitstel WWR terechtkomt bij welke vermogensdecielen?
Staat u nog steeds achter de eerder afspraak dat eventuele budgettaire derving als gevolg van uitstel van de WWR volledig moet worden gevonden in het domein vermogen/winst?
Welke varianten hebben er op tafel gelegen bij aanpassingen van de WWR de afgelopen maanden? Kunt u per variant aangeven wat de totale (cumulatieve) budgettaire derving is?
Kunt u alle dekkingsopties (inclusief budgettaire reeks) binnen het domein vermogen/winst met de Kamer delen, die de afgelopen maanden op tafel hebben gelegen ter dekking van eventuele derving in box 3?
Kunt u deze vragen uiterlijk vrijdag 11 september 2026 beantwoorden?
De verrekenprijsrapporten van Shell (Shell files) |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heef u kennisgenomen van (1) de publicatie van onderzoeksplatform Follow the Money op 23 juli 2026 «Ontluisterend en illegaal»: hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen», (2) het artikel in het Financieel Dagblad van 23 juli 2026 «Shell ontliep belasting door geen winst te maken op dienstverlening vanuit Nederland», (3) het door SOMO op 23 juli 2026 gepubliceerde onderzoeksrapport «The Shell Files: Exposing how corporations can use transfer pricing to avoid taxes» en (4) het memorandum van 23 juli 2026 van hoogleraar belastingrecht Van de Streek «Shell-files: wereldwijde transfer pricing mispricing in het kader van winstbelastingen»?
Heeft u tevens kennisgenomen van de drie door Follow the Money en SOMO (gedeeltelijk) openbaar gemaakte verrekenprijsrapporten van Shell, te weten (1) WONA Crude Trading & Supply Global Transfer Pricing Report 2019, (2) Royalty Fees Transactions Shell Timur Sendirian Berhad Shell Malaysia Trading Sendirian Berhad 2017 en (3) Upstream Cost Sharing Global Transfer Pricing Report 2019?1
Bent u bereid om aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet inlichtingen te verstrekken over de zakelijkheid van de excessieve handelswinsten van Shell, die neerslaan op de Bahama’s, de arbitraire verkoopwinsten van benzine (Shell tankstations), die neerslaan in Zwitserland en de dienstverlening vanuit Nederland tegen de kostprijs?
Bent u het ermee eens dat in dit geval het staatsbelang zich niet verzet tegen het verstrekken van deze inlichtingen aan het parlement op grond van artikel 68 van de Grondwet, omdat de vertrouwelijkheid van Shells verrekenprijsrapporten niet langer in het geding is vanwege de openbaarheid van deze rapporten?
Kunt u toelichten in hoeverre er wat u betreft sprake is van «agressieve belastingontwijking», zoals hoogleraar Van de Streek schrijft, op het moment dat een oliebedrijf de eigen opgepompte olie verkoopt aan een bedrijfsonderdeel dat gevestigd is in een belastingparadijs en de olie vervolgens met veel winst verkoopt aan een ander bedrijfsonderdeel? Wat zijn volgens u andere redenen dan fiscale waarom een dergelijk handelskantoor binnen één bedrijfsgroep veel winst zou maken? Wat zijn redenen anders dan fiscale om een dergelijk handelskantoor te vestigen op de Bahama’s?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met handelskantoren van multinationals in de olie- en gasindustrie? Is het gebruikelijk dat een dergelijk handelskantoor, met een zeer beperkte personeelsbezetting, een meer dan routinematige winst behaalt?
Is er wat u betreft sprake van agressieve belastingontwijking in het geval van het handelskantoor van Shell op de Bahama’s? Kunt u deze vraag beantwoorden op basis van reeds openbare informatie uit de Shell-files, waarbij de fiscale geheimhoudingsplicht dus niet geschonden hoeft te worden?
In hoeverre vindt u dat gesproken kan worden van agressieve belastingontwijking op het moment dat een multinational al haar intellectueel eigendom onderbrengt in een belastingparadijs, zoals Zwitserland, waar slechts tien procent belasting betaald hoeft te worden over de winsten die voortvloeien uit dat intellectuele eigendom? In hoeverre is er sprake van agressieve belastingontwijking op het moment dat de hoogte van de royalties voor het intellectuele eigendom bepaald wordt op basis van een achterhaalde vuistregel, zoals de 25 procent-regel?
Is het gebruik van een dergelijke vuistregel volgens u in strijd met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met royalty’s, die een Nederlandse verkoopmaatschappij betaalt aan een gelieerde IP-company voor het gebruik van merken en logo’s? Staat de Belastingdienst toe dat de hoogte van de aftrekbare royalty’s wordt gebaseerd op vuistregels, en zo ja, welke vuistregels?
Kunt u op basis van de openbare Shell-files toelichten of de in die files beschreven situatie in strijd is met de OESO-verrekenprijsrichtlijnen? Is daarbij sprake van belastingontwijking? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat internationale belastingontwijking met prioriteit zoveel mogelijk aangepakt moet worden? Wat gaat u doen om de beschreven vormen van belastingontwijking tegen te gaan?
Bent u bereid om, net zoals naar aanleiding van de Uber files in 2022, een onderzoekscommissie in te stellen met leden van de Belastingdienst aangevuld met externe deskundigen, die het handelen van de Belastingdienst bij de transacties uit de openbare verrekenprijsrapporten beoordeelt op fiscaal-juridische juistheid en rechtsstatelijkheid, waaronder eenheid van beleid?
Hoe gaat de Belastingdienst vanuit verrekenprijsperspectief om met diensten die door Nederlandse centrale servicemaatschappijen worden verleend aan andere groepsmaatschappijen? Staat de Belastingdienst na 2022 toe dat een winstopslag achterwege blijft op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, ook als die door een aparte servicemaatschappij worden verricht? Staat de Belastingdienst bij andere diensten toe dat een kostenopslag achterwege blijft, zoals op technische diensten of adviesdiensten (managementadvies over onder andere ondernemingsstrategie)?
Zijn er in de afgelopen tien jaar situaties bekend waarbij de Belastingdienst akkoord is gegaan met het achterwege blijven van een winstopslag op andere diensten dan ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde? Zo ja, kan de Staatssecretaris deze situaties in geanonimiseerde vorm publiceren?
Klopt het dat de goedkeuring, die gold tot in 2022 om een winstopslag achterwege te laten op ondersteunende diensten met een beperkte toegevoegde waarde, een Nederlandse veilige-havenregeling was op verrekenprijsgebied?2 Zo ja, kunt u aangeven hoeveel meldingen er bij de Belastingdienst zijn gedaan over de toepassing van deze goedkeuring op grond van de meldingsplicht voor potentieel agressieve fiscale constructies?3 Heeft de Belastingdienst na de intrekking van de goedkeuring gericht toezicht gehouden op de hoogte van de in aanmerking te nemen winstopslag?
In hoeverre bestaat volgens u het risico dat de Europese Commissie zal oordelen dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun in gevallen waarin de Belastingdienst toestaat of heeft toegestaan dat diensten binnen een groep tegen kostprijs worden verricht? Wat zouden de gevolgen hiervan zijn voor Nederland? In hoeverre bestaat de risico voor de situatie zoals beschreven in de Shell-files?
Wat is de Nederlandse inbreng in het comité van de OESO voor Fiscale Zaken over de aankomende update van de OESO-verrekenprijsrichtlijnen over dienstverlening?4 Neemt Nederland een standpunt in over het wel of niet in aanmerking nemen van een winstopslag?
Wat vindt u van het idee om bij het aankomende Belastingplan in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 een voorschrift op te nemen dat een zakelijke prijs voor intra-groepsdienstverlening hoger is dan de kostprijs, tenzij de belastingplichtige het tegendeel aannemelijk maakt. Zou een dergelijke verzwaarde bewijslast voor bedrijven een einde kunnen maken aan eventueel historisch gegroeide praktijken?
In hoeverre bent u het ermee eens dat het systeem van verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel structureel falen in het eerlijk toerekenen van winsten tussen landen? Ziet u mogelijkheden voor alternatieve systemen, waarmee belastingontwijking effectiever voorkomen kan worden?
Wat is de Nederlandse opstelling tijdens gesprekken en onderhandelingen over een VN-belastingverdrag? In hoeverre bent u het ermee eens dat Nederland zich constructief moet opstellen als het gaat om dit onderwerp, ook als het gaat om vervanging van OESO-afspraken door VN-afspraken? In hoeverre is dat volgens u nu het geval?
Waarom worden door de Belastingdienst (CGVP) ingenomen standpunten over transfer pricing-aangelegenheden die precedentwerking kunnen hebben of die kunnen worden opgevat als (een begin van) beleid, niet gepubliceerd?5 Bent u bereid om deze standpunten, net als kennisgroepstandpunten, voortaan openbaar te maken op de website van de Belastingdienst?
Bent u het eens met de recente constatering van belastinghoogleraar Van der Hel-Van Dijk dat de verplichting om fiscale landenrapporten (Public Country-by-Country Reporting) vanaf 2025 openbaar te maken er (helaas) niet voor zorgt dat de publieke controle op het belastinggedrag van multinationals verbetert?6
De toekomstbestendigheid van de Belastingdienst |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Van «juweel» van de overheid tot «beerput van ellende»» over de ontwikkeling van de Belastingdienst?1
Denkt u dat de Belastingdienst weer in staat is de voorlopersrol te kunnen gaan pakken?
Welke lessen uit eerdere reorganisaties worden aantoonbaar toegepast bij de huidige veranderopgaven van de Belastingdienst?
In hoeverre zijn volgens u bij de verschillende reorganisaties bij de Belastingdienst concrete en meetbare doelen gesteld, zodat tussentijds kon worden getoetst of bijgestuurd?
In hoeverre is dat volgens u bij de huidige opgave het geval?
Wat zeggen de huidige tegenvallers in de ICT-modernisering, zoals beschreven in de recente voortgangsbrief, volgens u over de kwaliteit en voorspelbaarheid van de totale ICT-planning?
In hoeverre gaat het om incidentele tegenvallers binnen afzonderlijke projecten en in hoeverre is sprake van een structurele onderschatting van de totale moderniseringsopgave?
In hoeverre worden de tegenvallers volgens u veroorzaakt door technische vertragingen en/of inschattingsfouten, en in welke mate door politieke wensen en/of hersteloperaties?
Deelt u de mening dat een toekomstbestendige Belastingdienst niet alleen vraagt om keuzes binnen de Belastingdienst, maar ook om meer voorspelbaarheid vanuit kabinet en Kamer?
Hoe kunnen politiek en uitvoering eerder en structureler met elkaar in gesprek over wat uitvoerbaar is, welke veranderingen prioriteit moeten krijgen en welke beleidsrust daarvoor nodig is?
Wanneer is volgens u de moderniseringsopgave (grotendeels) afgerond, zodat er weer meer ruimte en flexibiliteit ontstaat voor ad hoc aanpassingen anders dan parameters en nieuwe grotere wetgevingstrajecten?
Zou het volgens u meerwaarde hebben om gezamenlijk tot een meerjarige agenda te besluiten op basis van beschikbare verandercapaciteit met een beperkt aantal prioriteiten, waaronder enerzijds noodzakelijke modernisering en anderzijds noodzakelijke maar ook gewenste nieuwe wetgeving, zoals hervormingen in de fiscaliteit?
Welke afspraken zouden kabinet en Kamer volgens u met elkaar moeten maken om te voorkomen dat we over enkele jaren opnieuw constateren dat achterstallig onderhoud, ICT-problematiek en een stapeling van politieke wensen noodzakelijke verbeteringen in de weg staan?
Nieuwbouwwoningen en Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen |
|
Robin van Leijen (D66), Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg , Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Voor welk aandeel van de nieuwbouwwoningen zijn Nederlandse en buitenlandse pensioenfondsen verantwoordelijk de afgelopen jaren?
Wat is de financiële ruimte bij Nederlandse pensioenfondsen voor investeringen in woningbouw gezien hun bestaande vastgoedallocatie?
Hoe verklaart u de daling van het investeringsvolume van buitenlandse beleggers in nieuwbouw in Nederland?1
Herkent u de signalen dat buitenlandse pensioenfondsen momenteel tegen fiscale onzekerheid en lange doorlooptijden aanlopen bij investeringen in Nederlandse woningbouw?
Deelt u de mening dat deze belemmeringen voor buitenlandse pensioenfondsen tegen de ambities van een Europese kapitaalmarktunie ingaan, waarbij investeringen vrij kunnen bewegen over Europese grenzen?
Deelt u de mening dat buitenlandse pensioenfondsen een belangrijke rol kunnen spelen in het financieren van de bouw van woningen in Nederland?
Hoeveel extra woningen zouden per jaar kunnen worden gerealiseerd bij een hoger investeringsvolume van buitenlandse pensioenfondsen?
Wat is de gemiddelde doorlooptijd van een vpb-ruling voor buitenlandse pensioenfondsen, waarmee de fiscale vergelijkbaarheid van deze fondsen met Nederlandse pensioenfondsen kan leiden tot een gelijk fiscaal speelveld, en daarmee tot een groei van investeringen?
Hoe beoordeelt u de gevolgen van de nieuwe pensioenwetgeving zoals de Wet toekomst pensioenen (Wtp) de vergelijkbaarheid van buitenlandse pensioenfondsen, in het bijzonder voor het criterium van het afkoopverbod?
Is het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen, wat als basis dient voor de vergelijking van buitenlandse pensioenfondsen, nog volledig in overeenstemming met de pensioenrealiteit na invoering van de Wtp of zijn er kansen om meer investeringen van buitenlandse pensioenfondsen aan te trekken?
Bent u bereid het Besluit vergelijking buitenlandse rechtsvormen te evalueren?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Volkshuisvesting en fiscaliteit van donderdag 24 september a.s.?
Brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector |
|
Gidi Markuszower (PVV), Hidde Heutink (PVV) |
|
Eerenberg , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten over brandveiligheid en de economische houdbaarheid van de afvalverwerkings- en recyclingsector?1
Ja.
Bent u bekend met de recente branden bij afvalverwerkers in Alkmaar (29 juli 2026) en Rotterdam-Charlois (nacht van 7 op 8 augustus 2026, opgeschaald naar Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdingsprocedure 2)? Kunt u bevestigen dat, zoals de sector zelf meldt, ongeveer 38 procent van de branden bij afvalverwerkers wordt veroorzaakt door batterijen en accu's in het afval?
Ja ik ben bekend met de recente branden bij deze afvalverwerkers. Het Rijk houdt zelf niet bij hoeveel afvalbranden er plaatsvinden en kan daardoor niet bevestigen welk aandeel daarvan wordt veroorzaakt door batterijen en accu’s in het afval.
Welke maatregelen overweegt u om de gescheiden inzameling van batterijen en accu's te vergroten, gelet op het beperkte effect van de huidige vrijwillige campagnes?
Voor batterijen en accu’s geldt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV). De producenten van batterijen en accu’s moeten op het moment dat deze producten afval worden zorgen voor de inzameling en de verwerking. In Nederland voeren Stichting Open en AutoRecycling Nederland deze verplichtingen namens de producenten uit.
De UPV verplichting komt voort uit de Europese batterijenverordening die vorig jaar is herzien. Met de herziening van de Batterijverordening worden de regels voor inzameling aangescherpt: er worden concrete eisen gesteld aan het door de producenten op te zetten inzamelsysteem, zodat er zoveel mogelijk batterijen gescheiden ingezameld worden. Ook wordt er naast een aangescherpte inzameldoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen2, een aparte inzameldoelstelling ingevoerd voor batterijen voor lichte vervoersmiddelen3. Om de inzameldoelen te halen zijn er verschillende knoppen waar de producenten aan kunnen draaien: de toegankelijkheid van het inzamelsysteem, bekendheid van het inzamelsysteem en motivatie bij ontdoeners om hun afval op een juiste manier in te leveren, bijvoorbeeld door het geven van een retourpremie of het invoeren van statiegeld. Het is aan de producenten om hier een effectieve mix aan maatregelen te vinden. De producenten zijn in ieder geval verplicht om eindgebruikers te informeren over de juiste wijze van inzameling van afgedankte batterijen. De ILT controleert of producenten deze verplichtingen in de praktijk brengen en handhaaft wanneer dat niet het geval is.
Daarnaast zal de Europese Commissie uiterlijk 31 december 2027 een onderzoek uitvoeren naar de verplichte invoering van een statiegeldsysteem, met name voor draagbare batterijen, om meer batterijen gescheiden in te zamelen.
Bent u bekend met de risico's van lachgascilinders in afvalstromen als bron van brand- en explosiegevaar, en welke maatregelen overweegt u om te voorkomen dat deze in reguliere afvalstromen terechtkomen?
Ja ik ben bekend met de risico’s van lachgascilinders in afvalstromen. Vanuit het Rijk wordt ingezet op preventie (verminderen van de vraag naar lachgas voor recreatief gebruik), handhaving (verminderen van het aanbod van lachgas voor recreatief gebruik) en het ondersteunen van gemeenten om (doelmatig) afvalbeheerbeleid vorm te geven4. In aanvulling op het nationale beleid zet de Europese Commissie in op een lachgasverbod voor recreatief gebruik vanaf Q1 2027. Nederland steunt een Europees verbod, voortbouwend op het landelijk verbod.
Onderkent u broei als zelfstandige, structurele oorzaak van brandgevaar bij afvalverwerkers? Welk beleid voert u om dit te voorkomen of vroegtijdig te detecteren?
Broei in afvalhopen kan een mogelijke oorzaak zijn van brandgevaar bij afvalverwerkers. Het is aan afvalverwerkende bedrijven zelf om de risico’s op broeibranden te mitigeren. Hier zal dus geen beleid op worden gevoerd vanuit het kabinet.
Bent u bereid met de Vereniging Afvalbedrijven, Brandweer Nederland en Stichting Open te komen tot een samenhangende aanpak van deze drie brandoorzaken en de Kamer hierover dit jaar te informeren?
Samenwerking is inderdaad belangrijk om dit vraagstuk aan te pakken. Daarom is er sinds 2018 een Taskforce Batterijbranden opgezet, gericht op het aanpakken van batterijbranden. Daarin trekken Stichting Open, de Vereniging Afvalbedrijven, de Koninklijke Vereniging voor Afval- en Reinigingsmanagement (NVRD), de branchevereniging voor bouw- en slooprecycling BRBS, branchevereniging Transport en Logistiek Nederland en het Nationaal Recycling Forum gezamenlijk op. Het ministerie en de Inspectie Leefomgeving en Transport sluiten waar nodig aan.
Kunt u bevestigen dat het tarief van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties oploopt tot 295 euro per ton CO2 in 2030 en de afvalstoffenbelasting stijgt van 39,71 euro per 1.000 kg in 2025 naar 90,21 euro in 2028? Klopt het dat deze kosten via gemeenten worden doorbelast aan huishoudens, ook aan huishoudens die al zorgvuldig scheiden?
De genoemde belastingtarieven zijn onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt er besluitvorming plaats over een alternatieve invulling hiervan. Afvalverwerkers zijn belastingplichtig voor de afvalstoffenbelasting en CO2-heffing industrie. De lasten van de CO2-heffing en afvalstoffenbelasting slaan in eerste instantie neer bij de afvalverbrandingsinstallaties (AVI), die deze (deels) zullen doorberekenen aan afvalontdoeners (bedrijven of gemeenten). De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s deze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkers terecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze kostenpost via de afvalstoffenheffing (deels) doorberekenen aan hun inwoners of ervoor kiezen om dit (deels) via de algemene middelen te dekken. Afhankelijk van hoe deze lastenverzwaring lokaal wordt gedekt en in hoeverre in de betreffende gemeente gebruik wordt gemaakt van tariefdifferentiatie op restafvalaanbod om zorgvuldige scheiding te belonen, kan dit ertoe leiden dat ook huishoudens die zorgvuldig afval scheiden meer moeten betalen. Dit betreft lokale politieke keuzes.
Is onderzocht welk aandeel van het afval, gelet op praktische scheidingsbeperkingen (bijvoorbeeld in hoogbouw en bij openbare afvalbakken), op korte termijn daadwerkelijk aan verbranding kan worden onttrokken? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken voordat de heffing verder wordt aangescherpt?
Rijkswaterstaat voert een jaarlijks samenstellingsonderzoek uit van het huishoudelijke restafval. Uit dit onderzoek blijkt dat het huishoudelijk restafval nog voor minstens 80% uit recyclebaar materiaal bestaat. De taak om huishoudelijke afvalstoffen gescheiden in te zamelen ligt bij de gemeente. Zij hebben het meeste handelingsperspectief om de gescheiden inzameling van afvalstoffen op korte termijn te verbeteren. Via het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof- Huishoudelijk Afval (VANG-HHA) worden gemeenten ondersteund bij het maken van doelmatig afvalbeheerbeleid. Binnen het programma is ook aandacht voor afvalscheiding in de hoogbouw. In aanvulling op het uitvoeringsprogramma VANG-HHA onderzoekt het kabinet momenteel of de uitzonderingsgronden om als gemeente af te zien van de gescheiden inzameling van bioafval, welke vaak bij de hoogbouw wordt ingezet, kan worden geschrapt. Daarnaast onderzoekt het kabinet momenteel of afvalscheiding in Nederland kan worden gestandaardiseerd en wordt het instrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV) doorontwikkeld. Al deze activiteiten kunnen eraan bijdragen dat minder recyclebaar materiaal verbrand wordt.
Is bij deze heffing meegewogen dat afvalverbrandingsinstallaties ook restwarmte leveren aan stadsverwarming, en dat een snelle afname van te verbranden afval tot een warmtetekort kan leiden zolang alternatieven daarvoor niet op schaal beschikbaar zijn?
Warmtelevering door AVI’s is ook in de impactanalyse van Trinomics onderzocht5. In 2018 leverden AVI’s 1,5% van de totale nationale warmtevraag. Bovendien leveren AVI’s 20% van de warmtevraag voor grote stadsverwarmingsnetwerken, dit is geconcentreerd in bepaalde regio’s die soms meer afhankelijk zijn van AVI-warmte dan deze 20%. Het onderzoek geeft aan dat het onduidelijk is in hoeverre een vermindering van verbranding door AVI’s ertoe zou leiden dat deze gebieden niet meer van voldoende warmte voorzien worden, of dat andere warmtebronnen de warmte van AVI’s zouden kunnen vervangen. Wel wordt door de onderzoekers aangegeven dat de efficiëntie van het gebruik van AVI-warmte zou kunnen worden verhoogd en dat er nog steeds capaciteit qua warmtelevering kan zijn als er minder afval wordt verbrand. Tot slot worden door de onderzoekers ook kansen benoemd voor innovatie en alternatieve oplossingen voor de warmtevoorziening indien er minder AVI-restwarmte zou zijn.
Bent u bereid de versnelde verhoging van de CO2-heffing op te schorten totdat voldoende schaalbare alternatieven, zowel recyclingcapaciteit als vervangende warmte- en energiebronnen, beschikbaar zijn?
De versnelde verhoging van de CO2-heffing is onderdeel van een technische invulling. Momenteel vindt de besluitvorming over een alternatieve invulling van deze technische invulling plaats, de resultaten hierover worden met Prinsjesdag bekendgemaakt. Het kabinet kan niet op deze besluitvorming vooruitlopen.
Bent u bereid te onderzoeken of vergunningverlening en handhaving voor afvalverwerking en recycling, nu grotendeels belegd bij gemeenten, beter op provinciaal niveau kan worden georganiseerd om ongelijke behandeling tussen gemeenten te verminderen?
Voor grote afvalverwerkers geldt op dit moment al dat zij onder het bevoegd gezag van gedeputeerde staten vallen. De omgevingsdiensten voeren vergunningverlenings-, handhavings- en toezichtstaken uit voor gemeenten en provincies. In het Circulair Materialenplan (CMP) geeft het Rijk toetsingskaders mee waar het bevoegd gezag rekening mee moet houden bij het nemen van besluiten (zoals vergunningen) voor afvalverwerking, het houden van toezicht en de handhaving. Deze toetsingskaders dragen bij aan een gelijk speelveld in Nederland.
Klopt het dat verbranding van geverfd/geïmpregneerd hout (C-hout) in Nederlandse bioenergiecentrales niet is toegestaan, terwijl dit hout wordt geëxporteerd naar Duitsland waar dit wel mag? Bent u bereid te bezien of dit onder de juiste emissie-eisen ook in Nederland mogelijk kan worden gemaakt?
C-hout is gevaarlijk afval omdat het schadelijke stoffen bevat, bijvoorbeeld omdat het is geverfd of geïmpregneerd. Ter bescherming van het milieu is de verwerking van C-hout onderhevig aan regels. Zo moeten bio-energiecentrales waarin C-hout wordt verbrand, om de benodigde vergunning te verkrijgen, voldoen aan eisen om te voorkomen dat de schadelijke stoffen in het milieu terechtkomen. Zodra aan alle (vergunnings)eisen wordt voldaan, is het ook in Nederland toegestaan om C-hout te verwerken in een bio-energiecentrale. Het is uiteindelijk aan bio-energiecentrales zelf om ervoor te kiezen om de noodzakelijke investeringen te maken om aan de eisen te voldoen en de noodzakelijke vergunningen te verkrijgen.
Herkent u het signaal dat recyclingbedrijven door opeenstapeling van regelgeving worden geconfronteerd met beperkingen op inname of verwerking, terwijl die inname wettelijk of maatschappelijk noodzakelijk blijft en verwerking duur of onmogelijk wordt? Deelt u de opvatting dat dit voor deze bedrijven op termijn economisch niet houdbaar is?
Uit de vraag is niet duidelijk op welke regelgeving wordt gedoeld. Het signaal wordt in die zin niet herkend. Wel is het kabinet in bredere zin bekend met de kansen en uitdagingen van de afvalverwerkende sector, zoals recyclers. Het kabinet staat hierover in goed contact met de afvalsector, bijvoorbeeld via de verschillende ketentafels. Het Nederlandse circulaire economiebeleid is er onder andere op gericht om de recycling van afvalstoffen te bevorderen. Daarbij hoort ook het wegnemen van onnodige regeldruk. Ook Europees, waar veel afvalstoffenwetgeving wordt vormgegeven, pleit Nederland op harmonisatie van regelgeving en waar mogelijk het verminderen van regeldruk6.
Bent u bereid te onderzoeken hoe primaire grondstoffen fiscaal zwaarder belast kunnen worden en gebruik van secundaire grondstoffen kan worden gestimuleerd, om het speelveld tussen primaire leveranciers en recyclingbedrijven gelijker te maken?
Fiscale maatregelen kunnen een belangrijke rol spelen in het aanjagen van de circulaire economie en het aanpakken van knelpunten. De tot nu toe uitgevoerde onderzoeken en verkenningen laten echter zien dat maatregelen aan het begin van de keten, zoals het belasten van primair grondstofgebruik, beter in Europees verband kunnen worden genomen. Een voorbeeld van een effectieve fiscale prikkel is de combinatie van het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) en het carbon border adjustment mechanism (CBAM). Daar zet Nederland dan ook op in. Het kabinet blijft tegelijkertijd ook verkennen wat er daarnaast nationaal kan en is hier ook bereid een aanvullend onderzoek naar te laten doen.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het eerstvolgende commissiedebat Circulaire economie?
Ja.
Het bericht dat veel ouders ondanks hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van nu.nl over het feit dat veel ouders ondanks een hogere toeslag extra betalen voor kinderopvang?1
Ja.
Kunt u een overzicht geven van de totale overheidsuitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Bron: SZW Jaarverslagen.
Tabel 1 geeft een overzicht van de ontwikkeling van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag (gesaldeerd met de ontvangsten) vanaf 2015. Nadat de uitgaven aan de kinderopvangtoeslag in de periode voor 2015 enkele jaren afnamen door ombuigingen op de kinderopvangtoelsag en een dalend aantal kinderen dat gebruik maakte van kinderopvang, zijn de uitgaven aan kinderopvangtoeslag vanaf 2015 over de gehele periode toegenomen. Tussen 2015 en 2025 gaat het om een toename van € 3.741 miljoen. Gecorrigeerd voor prijsstijgingen bedraagt het verschil circa € 3,1 miljard (in prijzen 2025). Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Enerzijds gaan meer kinderen met kinderopvangtoeslag naar de kinderopvang. Zo gingen in 2025 gemiddeld 922.000 kinderen met kinderopvangtoeslag naar de opvang, tegenover gemiddeld 639.000 kinderen in 2015. Ook gingen kinderen gemiddeld meer uren per week naar de opvang in 2025 (65,9 uur) dan in 2015 (58,1 uur). Anderzijds zijn de vergoedingspercentages in de kinderopvangtoeslag meermaals verhoogd en is ook de maximum uurprijs voor de kinderopvangtoeslag enkele keren aangepast.
Klopt het dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies? Zo ja, om welke belastingen en premies gaat het precies (loon- en inkomstenbelasting, btw of andere belastingen)? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
Het klopt dat de kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd uit belastingen en premies. Voor wat betreft de belastingen gaat het om de algemene middelen van het Rijk. Er zijn geen specifieke belastingen waarvan (een gedeelte van) de opbrengst wordt geoormerkt voor de kinderopvangtoeslag. Bij de premies gaat het om de Werkgeversbijdrage kinderopvang. Dit is een opslag op de Aof-premie (premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds) ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom.
Hoeveel procent van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag wordt gefinancierd door werknemers en hoeveel procent door werkgevers? Wilt u graag een overzicht geven van deze lastenverdeling vanaf 2015 en een toelichting op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit werkgeverslaten (via een hogere Aof-premie), en deels uit de algemene middelen. Werknemers dragen niet direct financieel bij aan de kinderopvangtoeslag.
De lastenverdeling tussen overheid (algemene middelen) en werkgevers van de uitgaven aan kinderopvangtoeslag is weergegeven in onderstaande tabel:
Overheid
34%
45%
49%
54%
59%
63%
64%
64%
62%
64%
67%
Werkgevers
66%
55%
51%
46%
41%
37%
36%
36%
38%
36%
33%
Totaal
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
100%
Het aandeel dat werkgevers bijdragen is afgelopen jaren gedaald naar 1/3e van het totaal in 2025. Dit komt gedeeltelijk doordat de overheid in 2025 een groter deel van de kinderopvangkosten vergoedt. De bijdrage uit de Aof-premie staat immers geheel los van het werkelijke gebruik van kinderopvang. Daarnaast is het gebruik van kinderopvang sterker gestegen dan de omvang van de werknemerspopulatie. Daardoor wordt de totale kinderopvangtoeslag hoger, terwijl daar niet direct een hogere werkgeversbijdrage tegenover staat. Hierdoor neemt het aandeel van de kinderopvangtoeslag dat uit collectieve middelen moet worden gefinancierd toe.
Hoe wordt de hoogte van de kinderopvangtoeslag precies bepaald: welke variabelen (inkomen, vermogen, in rekening gebrachte kosten door de opvang, aantal gewerkte uren van de vader/moeder, etc.) zijn bepalend? Wilt u graag een toelichting geven op uw antwoord?
De hoogte van de kinderopvangtoeslag wordt in de kern bepaald door (1) de hoogte van het inkomen, (2) het soort kinderopvang dat wordt afgenomen, (3) het aantal uren kinderopvang dat wordt afgenomen en (4) het aantal kinderen waarvoor kinderopvangtoeslag wordt aangevraagd. Het vermogen of het exacte aantal gewerkte uren van de ouder(s) spelen geen rol. In detail:
Ouders maken vooraf een inschatting van hun inkomen. Nadat de belastinginspecteur het inkomen definitief heeft vastgesteld, vindt de definitieve toekenning van de toeslag plaats. Dit kan ertoe leiden dat ouders een nabetaling of een terugvordering krijgen, als het door henzelf geschatte inkomen afwijkt van het definitief vastgestelde inkomen.
Hoeveel mensen maken gebruik van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet of niet volledig (fulltime) werken? Kunt u hiervan een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting hierop?
De meeste ouders die gebruik maken van kinderopvangtoeslag, hebben werk. De arbeidseis zoals omschreven in artikel 1.6 is namelijk een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag. Soms kunnen ouders om bepaalde redenen niet voldoen aan de arbeidseis. Wanneer deze mensen niet in aanmerking zouden komen voor kinderopvangtoeslag, kan dit de arbeidsparticipatie nu of in de toekomst juist belemmeren. Daarom zijn in artikel 1.6 een aantal uitzonderingen op de arbeidseis opgenomen. De twee belangrijkste categorieën zijn 1) ouders die activiteiten uitvoeren die gericht zijn op toekomstig werk, bijvoorbeeld een opleiding of reïntegratietraject van het UWV, en 2) ouders die werken, maar een partner hebben die niet of tijdelijk niet kan voldoen aan de arbeidseis, bijvoorbeeld een partner met een Wlz-indicatie die langdurige zorg nodig heeft. Zij komen ook in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Zie ook de brief van 24 juni 2025 over de arbeidseis voor een uitgebreidere toelichting.5
Het is niet haalbaar gebleken om binnen kort tijdsbestek exact te becijferen hoeveel ouders afgelopen 10 jaar gebruik maakten van kinderopvangtoeslag dankzij een uitzondering op de arbeidseis. De reden is dat ouders die gebruik maken van een bepaalde uitzondering soms ook (gaan) werken, terwijl dit in het systeem dan niet altijd aangepast wordt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een student naast diens studie gaat werken, maar in het systeem als student aangemerkt blijft. Het zou meer uitzoekwerk vergen om exact in beeld te brengen hoeveel ouders gebruik maken van kinderopvangtoeslag terwijl zij niet werken. Het is wel mogelijk om een indicatie te geven van het aantal ouders dat gebruik maakt van een uitzondering op de arbeidseis. Tussen 2015 en 2025 ging het om zo’n 10.000 ouders per jaar. Ongeveer 50% van deze ouders kwam in aanmerking voor kinderopvangtoeslag door een studie, 25% door een traject naar werk en 25% door het volgen van een inburgeringstraject. Ter indicatie, in totaal ontvingen tussen 2015 en 2025 jaarlijks tussen de ca. 500.000 en 720.000 huishoudens kinderopvangtoeslag.
Bent u het ermee eens dat de kosten van de kinderopvangtoeslag leiden tot hogere loonkosten en dat het inhuren van werknemers daardoor duurder wordt voor werkgevers? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Nee, ik ben het niet eens met deze redenering. Tot 2005 bestonden er verschillende voorzieningen voor kinderopvang. Sommige werkgevers organiseerden zelf kinderopvang voor hun werknemers. Daarnaast was er aanbod vanuit gemeenten en betaalden sommige ouders zelf alle kosten voor kinderopvang. Hierdoor waren ouders onder andere afhankelijk van waar zij woonden en wie hun werkgever was voor de eigen bijdrage die zij betaalden voor kinderopvang. Met de introductie van de kinderopvangtoeslag in 2005 kwam er voor het eerst één landelijke regeling, waar alle ouders onder dezelfde voorwaarden gebruik van konden maken. De kinderopvangtoeslag wordt deels gefinancierd uit collectieve middelen en deels uit werkgeversbijdragen. Het gaat dat om een opslag op de Aof-premie ter hoogte van 0,5% van de premieplichtige loonsom (zie het antwoord op vraag 4).
De kinderopvangtoeslag stelt ouders in staat om de zorg voor hun kinderen te combineren met werk en bevordert op deze manier de arbeidsparticipatie. De werkgever kan dus beschikken over werknemers dankzij de kinderopvangtoeslag.
Welke inkomensgroepen ontvangen kinderopvangtoeslag? Kunt u een overzicht verstrekken en daarbij onderscheid maken tussen verschillende inkomensgroepen (minimumloonverdieners, één keer modaal, 1,5 keer modaal, twee keer modaal, 2,5 keer modaal, drie keer modaal, vier keer modaal, vijf keer modaal, zes keer modaal of meer), maar daarin ook verschillende huishoudtypen (huurders/woningeigenaren, alleenstaand/gehuwd, fulltime/parttime werkend) opnemen? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
De beantwoording van deze vraag is gebaseerd op gegevens van Kinderopvangtoeslag die het Ministerie van SZW van Dienst Toeslagen ontvangt. Daarin kan enkel onderscheid worden gemaakt tussen de huishoudtypen alleenstaanden en paren. Onderstaande tabel 1 toont het aantal huishoudens in elke categorie dat in 2025 kinderopvangtoeslag heeft ontvangen. Vanwege de geringe aantallen voor alleenstaanden zijn de hoogste inkomensgroepen samengevoegd tot «3 x modaal en hoger».
Tot 100% Wml
5.700
31.700
37.300
100% Wml tot modaal
10.500
28.100
38.600
Modaal tot 1,5 x modaal
53.200
17.100
70.300
1,5 x modaal tot 2 x modaal
125.800
6.800
132.500
2 x modaal tot 2,5 x modaal
120.900
2.200
123.100
2,5 x modaal tot 3 x modaal
82.300
800
83.100
3 x modaal en hoger
135.200
1.000
136.200
Bron: Dienst Toeslagen, cijferbeeld april 2026, bewerking Ministerie van SZW.
Aanvullend is hieronder voor de inkomenscategorie «3 keer modaal en hoger» een nadere uitsplitsing gemaakt op totaalniveau (136.200 huishoudens):
3 x modaal tot 4 x modaal
82.300
4 x modaal tot 5 x modaal
29.500
5 x modaal tot 6 x modaal
12.100
6 x modaal en hoger
12.200
De laagste inkomenscategorieën, met een gezamenlijk inkomen tot het minimumloon respectievelijk tussen 100% WML en modaal, bestaan grotendeels uit alleenstaanden. Bij een gezinnen met twee werkende ouders komt het totale inkomen al gauw boven modaal uit. Bij paren met een inkomen tot modaal komt het relatief vaak voor dat één of beide ouders zijn uitgezonderd van de arbeidseis (zie het antwoord op vraag 6). Daaronder vallen onder meer studenten en ouders die een traject naar werk volgen.
Hoeveel (absoluut en procentueel) van de huidige ontvangers van kinderopvangtoeslag blijft boven het sociaal minimum wanneer de kinderopvangtoeslag voor hen zou worden afgeschaft? Kunt u een overzicht vanaf 2015 geven en een toelichting op uw antwoord?
Kinderopvangtoeslag is geen vorm van inkomensondersteuning, maar een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. Kinderopvangtoeslag zorgt er dus voor dat ouders te maken hebben met lagere netto-uitgaven aan kinderopvang, zodat ze de zorg voor hun kinderen kunnen combineren met werk. Ouders betalen daarbij altijd een eigen bijdrage voor kinderopvang. Zonder kinderopvangtoeslag is kinderopvang voor veel ouders te duur en is het niet aantrekkelijk om te werken. Het is niet precies bekend hoeveel ouders zouden stoppen met werken als de kinderopvangtoeslag zou worden afgeschaft en hoeveel ouders vervolgens boven het sociaal minimum zouden blijven. Andersom is het ook mogelijk dat ouders met kinderopvangtoeslag zich nu al op het sociaal minimum bevinden, bijvoorbeeld wanneer zij een opleiding volgen en nog geen betaald werk verrichten.
Bent u van mening dat iedereen, die op dit momentrecht heeft op kinderopvangtoeslag en ontvangt, deze toeslag ook absoluut nodig heeft om financieel het hoofd boven water te houden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Kunt u tevens een toelichting geven op uw antwoord?
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 9, is de kinderopvangtoeslag niet bedoeld als inkomensondersteuning, maar om ouders tegemoet te komen in de kosten voor kinderopvang. Zo kunnen ouders arbeid combineren met de zorg voor hun kinderen. Zonder kinderopvangtoeslag zouden veel ouders niet in staat zijn te betalen voor kinderopvang en dus minder of niet kunnen werken, wat de bestaanszekerheid van deze ouders onder druk zou zetten. In de huidige vergrijzende samenleving hebben we bovendien iedere arbeidskracht hard nodig. Kinderen van werkende ouders hebben op deze wijze toegang tot kwalitatief goede kinderopvang met positieve effecten op de ontwikkeling tot gevolg.
Hoeveel euro bedragen de totale uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag (exclusief de kosten voor het herstel van de schade die is veroorzaakt door het toeslagenschandaal)? Kunt u een overzicht geven vanaf 2015?
Dienst Toeslagen heeft géén inzicht in de uitvoeringskosten van de kinderopvangtoeslag, omdat de processen integraal zijn georganiseerd om de vier toeslagsoorten uit te voeren en dus niet per toeslagsoort. Hierdoor kan Dienst Toeslagen niet de gevraagde doorsnede van kinderopvangtoeslag leveren. Op dit moment is er een model in ontwikkeling dat op termijn dit inzicht voor kinderopvangtoeslag (en andere toeslagsoorten) wel kan leveren voor de jaren 2024 en verder.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting met 2,02%-punt worden verlaagd6.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd.
Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de tweede schijf van de inkomstenbelasting met 6,25%-punt worden verlaagd7. Het enkel verlagen van het tarief tweede schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste schijf. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de eerste schijf in de inkomstenbelasting in de tweede schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
Met hoeveel procentpunt kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting (box 1) voor werkenden ceteris paribus worden verlaagd als de kinderopvangtoeslag wordt afgeschaft voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
Een verlaging van het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting specifiek voor werkenden is in het huidige fiscaal stelsel niet mogelijk. Daarom is een variant doorgerekend waarin het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting voor iedereen wordt verlaagd. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor mensen met een arbeidsinkomen boven het sociaal minimum heeft tot gevolg dat de meeste huishoudens geen aanspraak meer hebben op kinderopvangtoeslag. Structureel kan hiermee circa € 8,0 miljard op de kinderopvangtoeslag worden bespaard. Dit is zo’n 93% van de totale uitgaven aan kinderopvangtoeslag. Van deze opbrengst kan het tarief in de derde schijf van de inkomstenbelasting met 16,54%-punt worden verlaagd. Het enkel verlagen van het tarief derde schijf zorgt ervoor dat dit tarief lager uitvalt dan dat van de eerste en tweede schijven. Een gevolg hiervan zou zijn dat er een regressief belastingstelsel zou ontstaan, waarbij lagere inkomens zwaarder worden belast dan hogere inkomens. Huishoudens zouden naarmate ze meer verdienen en van de tweede schijf in de inkomstenbelasting in de derde schijf belanden namelijk relatief minder belasting gaan betalen.
Deze ingreep in het belasting- en toeslagenstelsel zorgt voor een grote herverdeling van inkomen van huishoudens met jonge kinderen naar huishoudens zonder jonge kinderen en een hoog inkomen. Daarnaast leidt het tot een extreem hoge marginale druk voor werkenden met kinderopvangtoeslag en een belastbaar inkomen vlak onder het sociaal minimum: wanneer hun aantal arbeidsuren of uurloon iets toeneemt gaat het recht op kinderopvangtoeslag compleet verloren. Dit kan betekenen dat iemand 1 euro meer gaat verdienen en tienduizenden euro’s aan kinderopvangtoeslag verliest. Zo zou een gezin dat zich onder het sociale minimum bevindt met twee kinderen die twee dagen naar de dagopvang gaan, zo’n € 24.700 aan kinderopvangtoeslag per jaar verliezen wanneer het gezin boven het sociale minimum uit zou komen.
In welke mate leidt een afschaffing van de kinderopvangtoeslag en een gelijktijdige verhoging van de arbeidskorting met hetzelfde bedrag tot veranderingen in de arbeidsparticipatie? Kunt u een toelichting geven op uw antwoord?
De kinderopvangtoeslag is een gerichte vorm van ondersteuning in de kosten van kinderopvang zodat ouders werk kunnen combineren met de zorg voor hun kinderen. Het aantal werkende ouders is per definitie kleiner dan het totaal aantal werkenden. Het afschaffen van de kinderopvangtoeslag voor werkende ouders zal dus tot een kleinere verhoging van de arbeidskorting voor alle werkenden leiden. De verwachting is daarom dat de negatieve effecten op arbeidsparticipatie van het afschaffen van de kinderopvangtoeslag groter zijn dan de eventuele positieve arbeidsparticipatie-effecten van het verhogen van de arbeidskorting.
Kunt u deze vragen vóór Prinsjesdag beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat tanken in Nederland veel duurder is dan in de rest van Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Pijn aan de pomp: waarom is tanken in Nederland toch zo veel duurder dan in de rest van Europa?»1
Hoe verhouden de Nederlandse brandstofprijzen aan de pomp zich tot de rest van Europa? Kunt u daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg?
Kunt u een geheel overzicht verstrekken van de brandstofaccijnzen per EU-land en daarbij een onderscheid maken tussen benzine, diesel en lpg? Graag een toelichting hierop.
Klopt het dat de verschillen tussen de brandstofprijzen in Nederland en de rest van de EU voornamelijk worden verklaard door belastingen? Zo ja, deelt u de mening dat de Nederlandse belastingen op brandstoffen doorgeschoten zijn? Zo nee, hoe verklaart u dan deze verschillen?
Klopt het dat óók over de brandstofaccijns belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt geheven? Zo ja, beschouwt u accijnzen als toegevoegde waarde? Zo nee, waarom heft u dan belasting over belasting? Graag een toelichting op uw antwoord.
Hoeveel belastinginkomsten haalt de overheid jaarlijks op met belastingen op benzine, diesel en lpg? Graag een overzicht van de laatste 15 jaar, uitgesplitst naar accijns en btw.
Klopt het dat hogere brandstofprijzen leiden tot hogere belastinginkomsten voor de Nederlandse overheid en vervolgens leiden tot hogere EU-afdrachten? Graag een toelichting.
Bent u het eens met de conclusie dat hogere brandstofprijzen leiden tot een verslechtering van de koopkracht van burgers en dat lagere accijnzen deze verslechtering van de koopkracht dempen? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat het Kwartje van Kok in 1991 als tijdelijke en niet als permanente maatregel is ingevoerd? En klopt het dat deze accijns nog steeds wordt geheven? Zo ja, bent u van mening dat de Nederlandse overheid hiermee de burger al 35 jaar heeft voorgelogen en dat hierdoor de betrouwbaarheid van de overheid ernstig wordt aangetast? Graag een toelichting op uw antwoord.
Bent u het ermee eens dat een verlaging van de brandstofaccijns met 25 cent per liter leidt tot een koopkrachtverbetering van de Nederlandse burger? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de brandstofaccijnzen met 25 cent per liter te verlagen, zodat Nederlanders niet in de knel komen?
Het bericht ‘‘Ontluisterend en illegaal’: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht ««Ontluisterend en illegaal»: Hoe Shell erin slaagt in Nederland geen cent belasting te betalen»?1
Nederland heeft de afgelopen jaren veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen, zowel internationaal als nationaal. Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Ook uit de beschikbare de cijfers blijkt dat deze maatregelen effect sorteren. In het antwoord op vraag 6 ga ik nader op deze maatregelen in. In zijn algemeenheid kan ik opmerken dat mede met de ingevoerde maatregelen wordt voorkomen dat bedrijven die winst maken geen belasting betalen. De ingevoerde maatregelen dragen eraan bij dat bedrijven over hun winsten een passend niveau aan belasting betalen en dat mogelijkheden om belastingheffing door belastingontwijking te voorkomen worden beperkt. Vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan ik niet ingaan op de individuele fiscale positie van belastingplichtige. In algemene zin geldt dat het enkele feit dat een onderneming activiteiten verricht in een land met een laag belastingtarief, intellectuele eigendomsrechten centraliseert of gebruikmaakt van kostendelingsarrangementen niet automatisch betekent dat er sprake is van belastingontwijking of onzakelijke verrekenprijzen. De beoordeling daarvan vindt plaats aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden, wet, beleid en regelgeving.
Heeft Shell de afgelopen 10 jaar winstbelasting betaald in Nederland? Zo ja, hoeveel en wanneer? Zo nee, waarom niet?
Shell publiceert jaarlijks informatie over haar belastingpositie en belastingbijdragen in haar Annual Reports en Tax Transparency/Tax Contribution Reports.2 Op basis van artikel 67 AWR kan de Belastingdienst geen uitspraken doen over de betrouwbaarheid, volledigheid of fiscale juistheid van de in de door Shell gepubliceerde Tax Contribution Reports opgenomen informatie.
Was de Belastingdienst ervan op de hoogte dat Shell gebruik maakte van constructies waarbij er via grondstoftransacties winsten zijn verschoven naar de Bahama’s of via royalty’s naar Zwitserland?
In zijn algemeenheid geldt dat lichamen die tot dezelfde groep behoren verplicht zijn hun onderlinge transacties vorm te geven met inachtneming van het at arm’s-lengthbeginsel. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt dat de voorwaarden en prijzen van transacties tussen gelieerde entiteiten niet afwijken van de voorwaarden en prijzen die tussen ongelieerde entiteiten zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden. Het zou daarom in beginsel niet moeten uitmaken voor de te realiseren winst of een bepaalde transactie plaatsvindt tussen gelieerde entiteiten die deel uitmaken van een multinationaal concern of tussen entiteiten die niet aan elkaar gelieerd zijn. Door conform het arm’s-lengthbeginsel zakelijke prijzen te betalen aan de juiste entiteiten binnen het concern, krijgen de entiteiten die op basis van hun functies, activa en risico’s verantwoordelijk zijn voor de gecreëerde waarde van het product of dienst ook hun daarbij passende arm’s-lengthbeloning. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten.
In voorkomende gevallen kan toepassing van het arm’s-lengthbeginsel bijvoorbeeld betekenen dat een in Nederland gevestigd lichaam voor fiscale doeleinden wordt verondersteld rente te betalen indien onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden dit ook zouden doen. Dat kan leiden tot een neerwaartse aanpassing van de fiscale winst. Een dergelijke neerwaartse aanpassing van de fiscale winst kon tot 1 januari 2022 – vooral bij grensoverschrijdende transacties – leiden tot mismatches. Ingevolge de in de vennootschapsbelasting opgenomen maatregelen die volgen uit de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel welke met ingang van 1 januari 2022 in werking is getreden, merk ik het volgende op. De maatregelen in de vennootschapsbelasting die volgen uit deze wet bewerkstelligen dat bij de belastingplichtige voor de vennootschapsbelasting een neerwaartse aanpassing van de winst op grond van het zakelijkheidsbeginsel wordt beperkt voor zover bij het andere lichaam dat bij de transactie betrokken is geen of een te lage corresponderende opwaartse aanpassing in de belastinggrondslag wordt betrokken. Deze maatregelen raken structuren met zogenoemde informele kapitaalstortingen en verkapte winstuitdelingen, en zijn ook van toepassing op bestaande onderlinge rechtsverhoudingen tussen een vennootschapsbelastingplichtige en een gelieerd lichaam. Met deze maatregelen worden mismatches door toepassing van het zakelijkheidsbeginsel bestreden.
Is er sprake van illegale praktijken bij de methodes die Shell gebruikt om zo min mogelijk winstbelasting te betalen?
In het artikel worden bepaalde structuren en verrekenprijzen als «illegaal» en «onzakelijk» gekwalificeerd. Of daarvan in dit geval sprake is, kan slechts worden beoordeeld aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden.
Ook ten aanzien van royalty's, cost sharing arrangements en interne dienstverlening geldt dat de beoordeling afhankelijk is van uitgeoefende functies, gebruikte activa, gelopen risico's. In algemene zin geldt dat vennootschappen binnen een concern verplicht zijn hun onderlinge transacties vast te stellen op basis van het arm’s-lengthbeginsel. Zie voor verdere toelichting ook het antwoord op vraag 3.
Hoe reageert u op de uitspraak «Als Shell ten onrechte geen belasting betaalt in Nederland en de fiscus is daarvan op de hoogte, dan kan dat verboden staatssteun zijn»?
Om onder de definitie van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet er sprake zijn van een selectief voordeel voor een specifiek bedrijf dat afwijkt van de reguliere belastingwetgeving. Indien de reguliere belastingwetgeving (het zogenaamde referentiestelsel) is toegepast, kan geen sprake zijn van verboden staatssteun. Onder de normale belastingwetgeving valt in dat geval de toepassing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, waarvan ook het zakelijkheidsbeginsel een belangrijk onderdeel is.
Vindt u het acceptabel wanneer bedrijven die miljardenwinsten maken via belastingontwijking hun uiterste best doen om te voorkomen dat ook maar één cent daarvan ten goede komt aan de Nederlandse samenleving? Zo ja, waarom?
Ik acht het van belang dat alle belastingplichtigen, inclusief grote multinationale ondernemingen, belasting betalen overeenkomstig de geldende wet- en regelgeving. Tegelijkertijd moet onderscheid gemaakt worden tussen illegale belastingontduiking, ongewenste belastingontwijking en situaties waarin de fiscale uitkomst voortvloeit uit de toepassing van geldende wet- en regelgeving. Nederland heeft de afgelopen jaren, zoals hiervoor is uiteengezet, veel maatregelen tegen belastingontwijking genomen en dit kabinet zal zich blijven inzetten om belastingontwijking te bestrijden. Daarvoor verwijs ik graag naar de monitoringsbrief over de effecten van en de aanpak van belastingontwijking.3 De monitoringsbrief beschrijft ook de lopende inspanningen op dit dossier, mede in de internationale context.
Sinds 1 januari 2021 heft Nederland een conditionele bronbelasting op rente- en royaltybetalingen aan een gelieerd lichaam dat gevestigd is in een laagbelastende jurisdictie en in misbruiksituaties. Nederland stelt jaarlijks deze laagbelastende jurisdicties vast in de Regeling laagbelastende staten en niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden. Er blijkt bijvoorbeeld al een aanzienlijke daling van rente-, royalty-, en dividendstromen naar laagbelastende jurisdicties van € 37 miljard in 2019 naar € 7 miljard in 2024.4 Verder zijn de eerste en tweede Europese anti-belastingontwijkingsrichtlijnen (ATAD1 en ATAD2) geïmplementeerd, die onder meer hebben geleid tot beperkingen op het gebied van de renteaftrek en het tegengaan van structuren die gebruik maken van verschillen tussen belastingwetgeving van landen (hybride mismatches). Een belangrijke stap in de aanpak van het verschuiven van winsten naar laagbelastende staten is bovendien de wereldwijde minimumbelasting die in Nederland in de Wet minimumbelasting 2024 is geïmplementeerd. Deze wet en de internationale afspraken die aan die wet ten grondslag liggen, beogen te waarborgen dat multinationale en binnenlandse groepen met een geconsolideerde jaaromzet van ten minste € 750 miljoen effectief ten minste 15% belasting over hun winst betalen. Om dubbele niet-heffing als gevolg van een verschillende interpretatie van het arm’s-lengthbeginsel te voorkomen, is in Nederland de Wet tegengaan mismatches bij toepassing zakelijkheidsbeginsel in werking getreden. Deze wet is erop gericht om mismatches te voorkomen die ontstaan door toepassing van het arm’s-lengthbeginsel en die leiden tot dubbele niet-heffing (zogenoemde «informeel-kapitaalstructuren»).
Het kabinet is ervan overtuigd dat het belastingstelsel door al deze maatregelen robuuster is gemaakt tegen internationale belastingontwijking. Internationaal is daar ook erkenning voor. De Europese Commissie doet sinds 2022 aan Nederland geen landspecifieke aanbevelingen meer op dit terrein. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen.
Deelt u de analyse dat belastingontwijking via constructies waarbij winsten worden verplaatst naar landen met een lagere winstbelasting door verschillende dochterbedrijven rekeningen aan elkaar te laten sturen (transfer pricing) een groot probleem is? Zo ja, wat bent u van plan te doen om ervoor te zorgen dat er minder winstbelasting wordt ontweken via transfer pricing? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel dat multinationals die miljardenwinsten maken dit soort schimmige methodes gebruiken om te voorkomen dat zij moeten bijdragen aan de Nederlandse samenleving?
Bij transfer pricing (verrekenprijzen) gaat het om de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3.
Verrekenprijzen vervullen een belangrijke functie binnen het internationale belastingsysteem. Het arm’s-lengthbeginsel beoogt te voorkomen dat het mogelijk is om via verrekenprijzen met winsten te schuiven en zo winstbelasting te ontwijken. Daarom bestaan er nationaal en internationaal regels die beogen te waarborgen dat winsten worden toegerekend overeenkomstig een juiste toepassing van het arm's-lengthbeginsel. Nederland past het arm's-lengthbeginsel toe, beschikt over uitgebreide documentatieverplichtingen en wisselt landenrapporten uit met andere belastingdiensten. Daarnaast ondersteunt Nederland de internationale afspraken die binnen de OESO en andere internationale gremia worden ontwikkeld om winstverschuiving verder tegen te gaan.
Bent u het ermee eens dat het onuitlegbaar is wanneer een oliebedrijf als Shell door belastingontwijking geen winstbelasting betaalt in Nederland, terwijl hun klanten zich wel blauw betalen aan de pomp? Zo ja, wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat de aandeelhouders van Shell meer belasting gaan betalen en mensen aan de pomp minder? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de brandstofprijs aan de pomp kan niet rechtstreeks worden vergeleken met de vennootschapsbelastingpositie van een onderneming. Voor het jaar 2027 heeft het kabinet opnieuw middelen gereserveerd voor een tijdelijke verlaging van de brandstofaccijnzen. Verder kan ik vanwege artikel 67 AWR geen uitspraken doen over specifieke bedrijven. Belastingheffing bij ondernemingen en accijnzen en btw op brandstoffen kennen een verschillende grondslag en doelstelling.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat belastingontwijking harder wordt aangepakt, waardoor bedrijven zoals Shell eindelijk wél winstbelasting gaan betalen in Nederland?
Zoals in de beantwoording van vraag 1 is uiteengezet zijn er in de afgelopen periode verschillende maatregelen genomen om belastingontwijking te bestrijden. Nederland is daar effectief in geweest, zoals blijkt uit de monitoringsbrief waar ik in de beantwoording eerder naar verwezen heb. Mede vanwege deze aanpak krijgt Nederland ook geen landenspecifieke aanbeveling meer van de Europese Commissie om belastingontwijking aan te pakken. Ook het IMF geeft aan dat Nederland de goede maatregelen heeft genomen. In de volgende monitoringsbrief zal ik hier ook weer aandacht aan besteden.
Wat is de positie van Nederland ten opzichte van het initiatief van een groep Afrikaanse landen om te komen tot een mondiaal belastingverdrag?
Nederland steunt de doelstellingen achter het ontwikkelen van een VN-raamwerkverdrag over internationale belastingsamenwerking, namelijk het versterken van de inclusiviteit en effectiviteit van internationale belastingsamenwerking.5 Hiertoe zet Nederland zich in de onderhandelingen in voor een breed gedragen resultaat. De opzet van een raamwerkverdrag moet basisafspraken en een samenwerkingsstructuur bevatten. De huidige concepttekst van het VN-raamwerkverdrag bevat echter concrete afspraken waaronder afspraken die heffingsrechten verdelen over inkomen van burgers en bedrijven. De huidige opzet van het VN-raamwerverdrag is daarmee gericht op onderwerpen waaraan veel VN-lidstaten zich in een multilateraal raamwerkverdrag niet kunnen binden. Nederland staat daarom nog niet achter deze huidige opzet. De focus in de onderhandelingen op bindende afspraken over de verdeling van heffingsrechten kan resulteren in een raamwerkverdrag dat een groot aantal VN-lidstaten niet kan ondertekenen, waarmee de inspanningen de komende jaren tevergeefs zouden zijn. Om deze bezwaren weg te nemen, heeft Nederland samen met de andere EU-lidstaten een aantal voorstellen gedaan. De essentie van die voorstellen is dat de focus in het raamwerkverdrag gericht moet zijn op afspraken die breed worden gedragen. Alleen op die manier kan een groot deel van het VN-lidmaatschap een effectief raamwerkverdrag overeenkomen en tot een succes voor de praktijk maken. Deze voorstellen zijn vooralsnog niet overgenomen. In het vervolgproces ziet Nederland nog altijd ruimte voor een goede uitkomst en zal Nederland zich blijven inzetten om tot een breed gedragen raamwerkverdrag te komen. Dit project is overigens niet primair gericht op de bestrijding van belastingontwijking, al wordt er wel gewezen op het belang van bestrijding van onwettige geldstromen.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Uitkomsten van het rapport van accountantsbureau BDO |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 20 juli 2026: «Rapport weerspreekt «toevallige vondst» datakluis, ministerie ontkent kwade trouw1»?
Ja.
Bent u bekend met het artikel van Trouw op 21 juli 2026: «Woede over verzwegen datakluis: «Wat is een parlementaire enquête nog waard2»?
Ja.
Het accountantskantoor BDO concludeert in zijn rapport dat de Belastingdienst onterecht de datakluis met miljoenen documenten over haar eigen fraudeaanpak buiten het zicht heeft gehouden van het parlement en toezichthouders. Wat vindt u hiervan?
Het BDO-rapport laat zien dat op basis van de uitgangspunten die zijn vastgesteld voor de levering van informatie aan de PEFD in 2022, de datakluis in de zoekslag betrokken had moeten zijn. Aangezien op dit moment nog niet duidelijk is wat de inhoud van de documenten in de datakluis is, is nu nog onduidelijk of deze documenten vervolgens relevant zijn om daadwerkelijk aan te leveren aan de PEFD. Het heeft onze prioriteit om op kortst mogelijk termijn op zorgvuldige wijze inzicht te geven in de exacte inhoud van de datakluis.
In het artikel van 20 juli is vermeld dat u er «op dit moment» niet van uitgaat dat er opzettelijk informatie is achtergehouden. Waarop baseert u dit uitgangspunt?
De inrichting van de datakluis is, zoals het BDO-rapport ook beschrijft, voortgekomen uit achterstand op het gebied van archiefbeheer en de AVG die tot deze als tijdelijk bedoelde oplossing hebben geleid. In het rapport komen geen aanwijzingen naar voren dat bij de levering aan de PEFD, of in andere onderzoeken, de datakluis bewust buiten beschouwing is gebleven met de bedoeling informatie achter te houden.
Uit het onderzoek van BDO blijkt dat de ambtelijke top deze afgeschermde kluis in liet 2019 maken voor alle documenten die niet aan de nieuwe privacywet (AVG) voldeden, om zo een hoge boete van de Autoriteit Persoonsgegevens te ontlopen. Wat vindt u van deze keuze van uw voorgangers? Heeft u er tijdens uw periode als bewindspersoon ook voor gekozen om een afgeschermde kluis op te zetten? Zo ja, wanneer?
Onze voorgangers hebben gehandeld met de inzichten en mogelijkheden die destijds beschikbaar waren. In onze periode zijn wij niet voor een dergelijke keuze komen te staan.
Bent u het ermee eens dat dit wel zeer sterk de indruk wekt dat de ambtelijke top deze documenten – waar tevens onbewerkte brondata in zaten van discriminerende fraudelijsten – bewust heeft willen verbergen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Wij delen deze indruk niet. Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. De datakluis is indertijd als tijdelijke maatregel ingericht, met de bedoeling om de documenten in de kluis volgens geldende regels voor archiefbeheer te ordenen en te archiveren. Er is op dit moment geen zicht op de inhoud van de bestanden die in de datakluis zitten en veilig zijn gesteld van vernietiging.
Wel laat het BDO-rapport wat ons betreft zien dat de Belastingdienst te maken had met verouderde systemen, veel achterstallig werk, processen die niet goed werkten en onvoldoende op orde waren en dat er onvoldoende sensitief werd gewerkt.
Klopt het dat ambtenaren hebben gewaarschuwd? Klopt het dat deze waarschuwingen in de wind zijn geslagen? Kunt u alle onderliggende stukken die betrekking hebben op dit besluit naar de Kamer sturen?
Het klopt dat een medewerker van de Belastingdienst in juni 2022 in het kader van de PEFD tweemaal heeft gevraagd hoe wordt omgegaan met de datakluis. De laatste mail is opgenomen in de bijlage bij de kamerbrief van 10 juli 2026. Voor een volledig beeld treft u ook de eerste e-mail als bijlage bij deze beantwoording.
Uit het rapport van BDO blijkt dat er signalen zijn geweest over het bestaan van de datakluis. Dit zijn dezelfde signalen als waarvan ik in het voorgaande antwoord aangaf, dat het BDO-rapport noch de tijdlijn aanwijzingen bevat dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met de bedoeling om informatie achter te houden. BDO beveelt aan om onderzoek te doen naar signalen in het proces van informatievoorziening. In onze brief van 10 juli 2026 hebben wij genoemd dat wij deze aanbeveling onverkort overnemen. Wij willen deze signalen onafhankelijk onderzoeken, door het onderzoek en het opdrachtgeverschap daarvan, onafhankelijk te organiseren. Daarmee gaan we ervan uit dat we dit overzicht van signalen op een later moment aan uw Kamer kunnen verstrekken.
Ook blijkt dat er informatie van ouders in de kluis is gestopt omdat deze niet mocht worden gebruikt volgens de AVG. Wat vindt u hiervan?
Er zijn in dit stadium geen conclusies te trekken, omdat de inhoud van de datakluis nog wordt onderzocht. De datakluis werd gevuld met data afkomstig van netwerkschijven. Deze netwerkschijven betroffen een gedeelde werkomgeving waarop meerdere medewerkers bestanden kunnen opslaan en openen. Deze schijf bevat verschillende type documenten, zoals Word- en PDFdocumenten en PowerPointpresentaties. Deze schijf kan documenten bevatten die ongestructureerd zijn opgeslagen of waarvan de status niet te achterhalen is. De datakluis is niet gevuld vanuit de primair proces systemen. In primair proces systemen zijn fiscale- en toeslaggegevens van burgers en bedrijven opgeslagen. Er kan echter niet uitgesloten worden dat data uit een primair proces systeem is opgeslagen op een netwerkschijf en zodoende ook of als kopie alsnog in de datakluis terecht is gekomen.
Hoe kijkt u terug op uw eerdere verklaringen in mei, toen u verklaarde dat de datakluis «bij toeval» was ontdekt tijdens een opschoningsactie van de harde schijf? De documenten waren volgens u door een «technische fout in de zoeksoftware» ook onvindbaar geworden. Staat u nog steeds achter deze woorden, ondanks het feit dat het BDO-rapport dit tegenspreekt? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik herken niet dat in mei 2026 door mij is gezegd dat de datakluis «bij toeval» is ontdekt. Ik verwijs hiervoor naar de handelingen van het twee minutendebat van 16 april 2026 met uw Kamer.
In 2017 waarschuwde Sandra Palmen als toenmalige Belastingdienst-jurist dat de fiscus intern onrechtmatig handelde bij ouders met kinderopvangtoeslag. Hoe kijkt u naar uw eigen handelen in uw huidige rol als Staatssecretaris ten aanzien van dit onrechtmatig handelen?
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Bent u het ermee eens dat het achterhouden van informatie over de fraudeaanpak raakt aan het vertrouwen van mensen in de overheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Het vertrouwen van mensen in de overheid is gebaat bij een overheid die open en transparant handelt. Het achterhouden van informatie kan afbreuk doen aan dat vertrouwen. Het uitgangspunt blijft dat de regering tijdig, volledig en juist informeert en transparant communiceert over de afwegingen die daarbij worden gemaakt.
Dat er mogelijk relevante informatie in de datakluis in de afgelopen jaren niet is doorzocht bij leveringen van informatie aan onder andere de PEFD en daarmee uw Kamer, betreuren wij zeer. Met onze brief van 10 juli 2026 geven wij aan hoe relevante bestanden uit de datakluis zo snel, transparant en zorgvuldig mogelijk alsnog aan uw Kamer en aan burgers en bedrijven kunnen worden geleverd.
Het onderzoek geeft aan dat het Ministerie van Financiën al zes jaar aangaf dat de originele e-mails, spreadsheets en fraudelijsten (RAM, FSV en PIT) niet meer bestaan. Maar in de datakluis blijken nu zelfs de onbewerkte, historische brondata te zitten van de discriminerende selectiecriteria die de Belastingdienst gebruikte. Deze data werden zonder wettelijke basis, dus illegaal, gedeeld met andere overheidsinstanties en particuliere organisaties, zoals banken. Deelt u deze analyse? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in het BDO-rapport is er een overzicht van de mappenstructuur van de datakluis. Er is echter nog geen volledige inventarislijst van de inhoud van de datakluis, omdat de datakluis nog niet volledig is geïndexeerd. Deze indexatie wordt op dit moment nog uitgevoerd. Na indexatie zal een inventarislijst worden opgesteld. Ook is nog onbekend of data uit de datakluis zijn gedeeld met andere partijen.
Of de door u genoemde informatie daadwerkelijk in de datakluis zit, zal moeten blijken uit de 3-sporen aanpak zoals we die in de Kamerbrief van 10 juli 2026 op hoofdlijnen hebben geschetst.
Weet u welke straf er staat op het achterhouden van informatie voor een parlementair ondervragingscommissie en een parlementaire enquête?
In artikel 192a van het Wetboek van Strafrecht is het opzettelijk niet voldoen aan een vordering tot inzage of het nemen van afschrift van documenten door een parlementaire enquêtecommissie strafbaar gesteld met een gevangenisstraf van ten hoogste vier maanden of een geldboete van de tweede categorie.
Wat vindt u ervan dat er op het Toeslagendossier een patroon is van informatie achterhouden voor de Kamer? Welke stappen gaat u zetten om dit patroon te doorbreken?
De informatiehuishouding van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen was niet op orde en is dat momenteel ook nog niet volledig. Er zijn inmiddels diverse maatregelen genomen om hier verbeteringen in te realiseren. Denk hierbij aan bewustwording binnen deze diensten over de juiste manier van omgaan met informatie, betere ICT ondersteuning voor document- en archiefbeheer en regelmatige beoordelingen van ontwikkelingen rondom informatiehuishouding en zo nodig aanpassing van processen. Met het programma Informatie op Orde worden de Wet open overheid en de Archiefwet verder geïmplementeerd bij de Belastingdienst. Het streven is om de informatiehuis-houding bij de Belastingdienst per 2026 naar een hoger volwassenheidsniveau te brengen.
Wat zijn volgens u de regels rondom het vertrekken van informatie aan de Kamer? Bent u het ermee eens dat het achterhouden van deze informatie het de Kamer onmogelijk maakt haar controlerende taak uit te voeren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In artikel 68 van de Grondwet is de inlichtingenplicht opgenomen. Naast een passieve inlichtingenplicht wordt ook een actieve inlichtingenplicht onderscheiden. Wij zijn ons terdege bewust van deze inlichtingenplicht en daarom is het te allen tijde ons streven om daaraan te voldoen. Juist ook omdat de inlichtingenplicht voortvloeit uit de verantwoordingsplicht voor Ministers en Staatssecretarissen die in het parlementaire stelsel ligt besloten. Als blijkt dat inlichtingen ten onrechte (toch) niet aan uw Kamer zijn verstrekt, dan zal dat alsnog gebeuren. Het tijdig, juist en volledig informeren van uw Kamer staat voor ons voorop.
Hoe reflecteert u op uw eigen handelen in dit dossier het afgelopen jaar?
Het afgelopen jaar is ingezet op het zorgvuldig voortzetten van de hersteloperatie kinderopvangtoeslagaffaire, de informatievoorziening aan ouders en aan uw Kamer verder te verbeteren en knelpunten waar mogelijk weg te nemen.
Zoals ook al in de brief van 15 april 2026 aangegeven, betreuren wij ten zeerste dat mogelijk documenten in de datakluis die relevant zouden zijn geweest voor de PEFD en andere informatieverzoeken niet eerder aan de Kamer verstrekt.
Wij realiseren ons ook ten volle dat het bekend worden van de datakluis opnieuw gevoelens oproept bij burgers, waaronder toeslagenouders en ondernemers die onrecht werd aangedaan door een eerdere handelwijze van de Belastingdienst. Hen willen wij zo snel mogelijk duidelijkheid geven over de informatie in de datakluis.
Wij vinden het van groot belang om de Kamer (en ouders) tijdig, juist en volledig te informeren, maar ook te kijken naar overheidshandelen en perspectief te bieden.
Welke gevoelens roept het bij u op dat ouders tot in de miniemste details informatie verstrekken, terwijl de Belastingdienst zelf een kluis met 64 miljoen documenten verborgen heeft gehouden? En welke gevoelens roept dit volgens u op bij deze ouders?
Het is begrijpelijk dat de berichtgeving over de datakluis ouders raakt en mijn aandacht gaat altijd uit naar de getroffen ouders. Daarom wordt er blijvend ingezet op een zorgvuldige en volledige afhandeling van informatieverzoeken en het verbeteren van de informatiehuishouding. Het uitgangspunt is en blijft dat ouders recht hebben op een zo volledig mogelijke inzage in de informatie die op hun situatie betrekking heeft, binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders. Daarbij willen wij benadrukken dat herstel- en compensatiekaders worden gevormd door gebeurtenissen en gevoelens uit iemands levens. Dit staat niet in documenten. De hersteloperatie gaat uit van het verhaal van ouders. Het in de vraagstelling gesuggereerde beeld dat ouders «tot in de minieme details» informatie moeten verstrekken wordt niet herkend.
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Oliebedrijven en raffinaderijen die extra winsten (overwinsten) maken tijdens de Iran-oorlog |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van het AD, gepubliceerd op 20 juli 2026: «Marktwaakhond zet prijsopbouw van benzine en diesel online, zoveel verdienen raffinaderijen per liter»?1
Volgens de Autoriteit Consument en Markt (ACM) hebben de hogere brandstofprijzen geleid tot overwinsten bij olieproducenten. Vindt u deze overwinsten acceptabel? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De ACM geeft aan dat de winstmarge van oliebedrijven en raffinaderijen hoger ligt dan vóór de oorlog in Iran. Hoe verklaart u dit?
Bent u het ermee eens dat de automobilist en consumenten via hogere transportkosten de prijs betalen voor de hoge winsten van oliebedrijven en raffinaderijen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat de automobilist lagere prijzen aan de pomp zou kunnen betalen, mits daar politiek toe wordt besloten? Zo ja, hoe zou dit volgens u het beste kunnen? Zo nee, waarom niet?
Wat maakt dat u deze overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen niet méér belast dan nu het geval is? Wat maakt dat u nog niet over bent gegaan tot het invoeren van een overwinstbelasting zoals u eerder aangaf te overwegen wanneer onderzoek zou uitwijzen dat er sprake zou zijn van overwinsten?
Deelt u de mening dat de belasting op de overwinsten van oliebedrijven en raffinaderijen omhoog moet om voor financiële verlichting te zorgen aan de pomp? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Vindt u het belangrijker dat oliebedrijven gigantische winsten maken of dat de automobilist een acceptabele prijs aan de pomp betaalt?
Op 13 juli 2026 kostte een liter benzine aan een Nederlandse pomp gemiddeld 2,27 euro. Daarvan ging 0,40 euro naar btw en 0,85 euro naar accijns. Vindt u het rechtvaardig dat een automobilist in Nederland veel meer btw en accijns aan de pomp betaalt dan in andere Europese landen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om de komende weken een overwinstbelasting voor oliebedrijven en raffinaderijen in te voeren? Zo ja, per wanneer? Zo niet, waarom niet?
Wilt u bovenstaande vragen één voor één beantwoorden?
Belastingontwijking door Israëlische bedrijven via Nederland |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (GroenLinks-PvdA), Suzanne Kröger (PRO) |
|
Berendsen , Eerenberg , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «The Netherlands-Israël Investment Files» van SOMO?1
Waarom denkt u dat de financiële stromen tussen Nederland en Israël zoveel groter zijn dan tussen Israël en andere Europese landen?
In hoeverre is Nederland volgens u aantrekkelijk voor brievenbusmaatschappijen? Hoe komt dat? Vindt u dit wenselijk?
Bestaat volgens u het risico dat Israëlische wapenbedrijven via Nederland belasting ontwijken en dat Nederland zo indirect bijdraagt aan de financiering van deze bedrijven? In hoeverre vindt u het dat wenselijk?
Klopt het dat Nederland via een Netherlands Foreign Investment Agency (NFIA)-kantoor in Tel Aviv de handel met Israël bevordert? Spreekt dat kantoor ook met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza? Zo ja, waarom?
Is het een doelstelling van de NFIA dat deze bedrijven zich in Nederland vestigen dan wel in Nederland actief worden? Zo ja, waarom?
Klopt het dat het Internationaal Gerechtshof (IGH) in zijn Advisory Opinion van 19 juli 2024 heeft uitgesproken dat derde landen zouden moeten afzien van economische of handelsrelaties met Israël die de illegale bezetting kunnen verstevigen?
Op welke manier verhoudt het bevorderen van economische betrekkingen met Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza door de NFIA zich tot de uitspraak van het IGH?
Op welke manier verhoudt het juridisch faciliteren van Nederlands fiscaal en financieel advies door Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza, zich tot de uitspraak van het IGH?
Klopt het dat het voor Nederlandse belastingadviseurs en trustkantoren verboden is om diensten te verstrekken aan Russische bedrijven?
Bent u bereid om, in navolging van de Ruslandsancties, te pleiten voor een Europees verbod op fiscale en financiële dienstverlening aan Israëlische wapenbedrijven en andere bedrijven die bijdragen aan de illegale bezetting en/of aan de genocide in Gaza?
Het fiscale voordeel van familiehypotheken in relatie tot de maximale leencapaciteit |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Eerenberg , Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat de rente die wordt betaald op een hypotheek bij een familielid mag worden afgetrokken van de inkomstenbelasting? Onder welke voorwaarden mag dit?
Klopt het dat wanneer de geldverstrekker (het familielid) de rente kwijtscheldt, er geen recht meer is op hypotheekrenteaftrek? Kan kwijtschelding van rentebetalingen gelijk worden gesteld als een jaarlijkse schenking van de rentebetaling?
Bent u er mee bekend dat veel banken via een «schenk-leenconstructie», waarbij in een schriftelijke overeenkomst wordt vastgelegd dat de hypotheekverstrekker jaarlijks de rente (en aflossing) terug schenkt, toestaan dat een familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit komt? In hoeverre past dit binnen de wettelijke kaders?
Hoe kijkt u naar de mogelijke effecten van overkreditering doordat banken deze eis stellen? Wordt op deze manier niet effectief de leencapaciteit van met name starters met vermogende ouders vergroot, verder dan wettelijk via leennormen (LTI) toegestaan is? Ter illustratie: ABN Amro biedt tot 50% extra LTI-ruimte bij familiehypotheken, Rabobank accepteert familieleningen tot 50% van de woningwaarde.
Welk effect heeft deze feitelijke vergroting van de leencapaciteit op de huizenprijzen?
In hoeverre is er in bovengenoemde constructie – het terugschenken van de rentebetalingen – sprake van een marktconforme lening? Kunt uitleggen in hoeverre deze «schenk-leenconstructie» effect heeft op de aanspraak op hypotheekrenteaftrek bij familiehypotheken? Is er nog steeds sprake van een marktconforme rente, of is er dan sprake van een onzakelijke lening of schenking waarbij het recht op hyptheekrenteaftrek vervalt?
Bent u van mening dat het tegenstrijdig is dat de bank de familiehypotheek boven op de maximale leencapaciteit laat komen, omdat de betaalde rente wordt terug geschonken, terwijl over de betaalde rente wel hypotheekrenteaftrek wordt genoten? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de «schenk-leenconstructie» evenals de afgeschafte «jubelton» zorgt voor een grotere ongelijkheid op de woningmarkt, omdat kinderen van vermogende ouders hierdoor een grotere leenruimte dan starters die alleen een hypotheek bij een commerciële kredietverstrekker hebben?
Ziet u aanleiding om deze constructie te onderzoeken: hoe kredietverstrekkers hiermee omgaan, hoe de belastingconstructie wordt toegepast en welke beleidsopties er zijn om deze constructie tegen te gaan?
De CPB-publicatie over de erfbelasting |
|
Henk-Jan Oosterhuis (D66) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het CPB-rapport «Erfbelasting in beeld: feiten, percepties en voorkeuren van Nederlanders»?1
Het CPB laat zien da de opbrengst van de schenkbelasting tussen 2017 en 2022 fors is gestegen. Hoe verklaart u deze trend?
Op welke wijze is in de ramingen van de erf- en schenkbelasting rekening gehouden met een toenemend aantal overlijdens en grotere nalatenschappen? Op welke uitgangspunten is de raming gebaseerd?
Deelt u de conclusie van het CPB dat er breed maatschappelijk draagvlak bestaat voor een progressievere erfbelasting, waarbij grote erfenissen effectief zwaarder belast mogen worden dan nu?
Kunt u een schatting geven van de jaarlijkse belastinginkomsten wanneer de mediaan voorkeurstarieven uit de CPB-studie worden ingevoerd: vier procent vanaf 10.000, 11 procent vanaf 100.000 en 25 procent vanaf één miljoen euro?
Deelt u de mening dat de erf- en schenkbelasting onderdeel is van het brede vermogensdomein en kan dienen als dekkingsoptie voor de motie-Eerdmans/Bikker (Kamerstuk 36 848, nr. 67)?
Het CPB geeft aan dat het gebrek aan data van erfenissen en schenkingen die onder de vrijstellingsgrens vallen in de toekomst groter wordt. Bent u bereid te onderzoeken hoe het zicht op vermogensoverdrachten onder de vrijstellingsgrens kan worden verbeterd, zodat toekomstig beleid beter op data gebaseerd kan worden?
Wanneer neemt u een besluit over het moderniseren van de forfaits in de erf- en schenkbelasting? Bij welke stakeholders worden de ingeschatte effecten van afschaffing getoetst, zoals u in uw brief van 30 juni 2026 schreef? Kunt u de opbrengst van deze toetsing delen met de Kamer?
Welke maatregelen bent u aan het voorbereiden om papieren schenkingen, waarmee erf- en schenkbelasting kan worden ontweken, minder aantrekkelijk te maken? Wanneer wilt u hierover besluiten?