Deelt u de mening dat het actief verwijderen of weren van boeken uit bibliotheken en schoolbibliotheken een bedreiging vormt voor de vrijheid van meningsuiting?1, 2
Deelt u de opvatting dat juist voor jongeren die thuis of in hun omgeving weinig toegang hebben tot informatie of herkenning rondom bijvoorbeeld seksuele diversiteit of genderidentiteit, een laagdrempelige en diverse bibliotheekcollectie van groot belang is?
Hoe beoordeelt u de ontwikkeling die wordt geschetst door de Schrijverscentrale en bibliotheken, waarbij bepaalde titels op sommige scholen niet meer welkom zijn, en ouders actief collecties «opschonen»?
Heeft u zicht op hoe vaak en welke typen titels in Nederland ter discussie worden gesteld of verwijderd uit (school)bibliotheken?
Herkent u het beeld uit de Verenigde Staten dat met name boeken over seksualiteit, seksuele diversiteit, LHBTI-personen, vrouwen en minderhedenrechten relatief vaak onderwerp zijn van verwijdering of discussie? In hoeverre speelt dit in Nederland?
Heeft u zicht op in hoeverre georganiseerde belangengroepen druk uitoefenen op bibliotheken en scholen om bepaalde titels te weren of te verwijderen?
Welke waarborgen bestaan er in Nederland om te voorkomen dat politieke of maatschappelijke druk leidt tot beperking van het aanbod in bibliotheken en het onderwijs?
Welke mogelijkheden ziet u om scholen en bibliotheken beter toe te rusten omstreden boeken te behouden, ook bij bezwaren van ouders of belangengroepen?
Bent u bereid om, samen met relevante belangenorganisaties op het gebied van onder andere LHBTI-emancipatie, gendergelijkheid en seksuele educatie, te verkennen hoe bibliotheekcollecties op deze thema’s beschermd kunnen worden?
Erkenning en rechtsherstel voor de Molukse gemeenschap |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Kabinet kan geschiedenis schrijven met rechtsherstel voor Molukse gemeenschap»?1 Bent u tevens bekend met het bericht «Oud-premier Van Agt vroeg Koning om excuses aan Molukse gemeenschap»2 en het bericht «Arnhem erkent pijn Molukkers: excuses, plaquette én betalingen voor grafrechten»?3
Hoe duidt u en het kabinet de oproepen uit de bovengenoemde berichten in het licht van het feit dat op 21 maart 2026 het herdenkingsjaar 75 jaar Molukkers in Nederland is gestart?
Erkent u dat het Nederlandse overheidsbeleid rond de komst en opvang van Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen in 1951 heeft geleid tot groot onrecht met langdurige gevolgen voor hun rechtspositie, maatschappelijke positie en vertrouwen in de overheid? Zo nee, waarom niet?
Is hierbij naar het oordeel van u en het kabinet sprake van een bijzondere verantwoordelijkheid van de Staat der Nederlanden, mede in het licht van de militaire dienstverbanden en de verwachtingen die destijds door de overheid zijn gewekt?
Bent u bereid concrete voorstellen uit te werken voor vormen van rechtsherstel en de Kamer hierover voor het einde van het herdenkingsjaar te informeren?
Bent u bereid hierover actief in gesprek te gaan met vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap en betrokken medeoverheden, en de Kamer?
De collectieve erkenning en het cultureel erfgoed van de Molukse gemeenschap |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de evaluatie van het beleid rond collectieve erkenning, waarin wordt vastgesteld dat het Moluks Historisch Museum geen structurele financiering kent, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof?1
Hoe verklaart u dit verschil in de toekenning van structurele financiering, ondanks expliciete constatering in de evaluatie die op uw verzoek is uitgevoerd door Panteai, tot op heden niet is gecorrigeerd? Kunt u toelichten waarom voor het Moluks Historisch Museum, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof, na 2026 geen structurele borging van financiering en huisvesting is gerealiseerd?
Vindt u dat hiermee sprake is van systematische ongelijke behandeling binnen het beleid voor oorlogsgetroffenen en meer specifiek de uitvoering van de regeling collectieve erkenning van Indisch Moluks Nederland? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat Sophiahof geen depotruimte heeft waardoor het Moluks Historisch Museum is aangewezen op tijdelijke opslagruimten, met als gevolg dat de collectie en het archief van het museum, die grotendeels tot stand zijn gekomen door schenkingen vanuit de Molukse gemeenschap, geen vaste thuis hebben en dus niet toekomstbestendig geborgd zijn?
Deelt u de mening dat het behouden en bewaren van erfgoed van Molukse gemeenschappen uit de koloniale diaspora onderdeel is van onze herinneringscultuur en bijdraagt aan de erkenning, herstel en zorg waarin het beleid oorlogsgetroffenen ook voorziet? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het Rijk de verantwoordelijkheid draagt om de collectie van het Moluks Historisch Museum een vast thuis te geven, met de garantie dat de collectie in Molukse handen blijft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in overleg met de Molukse gemeenschap, te komen tot een structurele en toekomstbestendige huisvesting van de collectie op een plek die betekenisvol is voor de Molukse gemeenschappen?
Wat is het doel van deze taalgids en is het doel van de gids bereikt?1
Wanneer is het Programma tegen Discriminatie en Racisme (PDR) ontstaan en waar is besloten een taalgids te maken? Wanneer bent u of uw voorganger akkoord gegaan met de taalgids?
Wat zijn de kosten verbonden aan dit programma?
Tijdens het Vragenuurtje liet de Staatssecretaris de Kamer weten deze Taalgids min of meer overbodig te vinden en deze «in de kast te leggen». Bent u ervan op de hoogte dat in de Taalgids staat dat deze elk jaar zal worden herzien? Wat vindt u daarvan?
Bent u voornemens om de makers van deze Taalgids de opdracht te geven geen jaarlijkse herziening te maken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer heeft u dat gedaan of gaat u dat doen?
Hoeveel fte c.q. personen werken bij de afdeling die deze taalgids hebben gemaakt?
Hoeveel fte c.q. personen van andere afdelingen hebben geholpen bij het tot stand brengen van deze taalgids? Van welke afdelingen waren deze fte c.q. personen?
Hoeveel uur is er in totaal aan deze taalgids besteed?
Wat zijn de werkzaamheden van het PDR? Vanuit welke behoefte bestaat dit programma en welk probleem lost het op?
Hoeveel en welke organisaties c.q. organisatieonderdelen c.q. mensen zijn om advies gevraagd bij het vormgeven van het PDR in het algemeen en de Taalgids in het bijzonder?
Welke en hoeveel ministeries maken nog meer gebruik van dit soort taalgidsen of vergelijkbare regels dan wel adviezen?
Wordt deze Taalgids meegestuurd aan contacten van het ministerie? Zo ja, wanneer en aan wie?
Zijn dergelijke taalgidsen dan wel taaladviezen onderdeel van subsidievoorwaarden? Zo ja, welke?
Kan de Minister toezeggen om bij haar collega’s aan te dringen om elke taalgids van andere ministeries te delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Heeft u aan de landen c.q. de inwoners in het Midden-Oosten gevraagd of zij voortaan «Zuidwest-Azië» genoemd willen worden? Zo ja, welke waren het eens en welke niet? Zo nee, getuigt het niet van een neokoloniale benadering van deze landen door te bepalen hoe ze genoemd moeten worden?
Heeft u representatief onderzoek gedaan onder Generatie X of zij die benaming vervelend vinden? Zo nee, waar baseert u dan de overtuiging op dat zij zich gekwetst voelen om zo genoemd te worden?
Heeft u bij de afweging om Generatie X een kwetsende naam te vinden afgewogen dat het voorstelbaar is dat de Generatie X dermate veel levenservaring heeft dat zij een kwalificatie als «Generatie X» ook nog wel overleven?
Waar komt volgens de bewindspersonen de behoefte vandaan om taal te «dekoloniseren»?
Hoe is er in de Taalgids gekomen tot het «doorbreek van machtsverhoudingen»? Hoe bepaal je hoeveel macht iemand heeft? En wie gaat dan de macht verdelen? Is het aan de overheid om die veronderstelde macht te verdelen? Zo ja, waar baseert u dat dan op?
Tijdens het Vragenuurtje van 7 april jl. leek de Staatssecretaris aan te geven dat de Taalgids op eigen ambtelijk initiatief tot stand is gekomen. Klopt dat? Zo nee, waarom zei de Staatssecretaris dat dan? Zo ja, is het aan ambtenaren om het bij uitstek politieke vraagstuk van verdeling van macht te adresseren met een Taalgids?
Heeft u aan inheemse volkeren gevraagd of zij het vervelend vinden om «inheems» genoemd te worden en of zij voortaan liever «oorspronkelijke bewoners» willen worden genoemd? Zo nee, is dit dan niet bij uitstek een neokoloniale benaderingswijze van deze volkeren?
Vanuit waar komt de behoefte bij u om illegale vluchtelingen voortaan «mensen die op de vlucht zijn» te noemen? Welk probleem lost dit volgens u op?
Hoe denkt u dat het schrappen van de woorden «Moederdag» en «Vaderdag» overkomt op mensen die de afgelopen maanden hun vader of moeder hebben verloren en dit jaar Moederdag of Vaderdag met groot gemis vieren? Heeft u deze groep gevraagd of zij het eens zijn met het schrappen van het woord «Moederdag» en «Vaderdag»? Telt het gekwetst zijn van deze groep als aanleiding om een taalgids aan te passen c.q. af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
Hoe reflecteert u op het feit dat zelfs «Beste dames en heren» moet worden vervangen voor «Beste collega, Beste geadresseerde, Beste mensen»? Bent u het eens dat het Ministerie van OCW volledig is doorgeslagen?
Waar is volgens u het dedain vandaan gekomen op het Ministerie van OCW om voor een brede groep te bepalen wat die wel en niet mogen zeggen?
Bent u het eens met de stelling dat de Taalgids vol staat met tegenstrijdigheden? Bent u het eens dat uitgangspunt 1 wordt ondermijnd door uitgangspunt 5; als je mensen als groep behandelt, kun je ze niet meer als individu behandelen. Wie mag er eigenlijk nog spreken namens de groep?
Aangezien deze taalgids tot stand kwam met kennis en advies van verschillende deskundigen en organisaties die zich inzetten voor antidiscriminatie, welke deskundigen en organisaties zijn dat? Worden deze geheel of gedeeltelijk betaald uit de door de Staatssecretaris genoemde € 40.000? Zo nee, waar dan uit? Wat is dan het totaalbedrag?
Hoe kijkt u aan tegen de zin in de Taalgids: "Om gelijkwaardigheid te bevorderen, is soms een onconventionele aanpak nodig»? Bent u het eens dat die onconventionele aanpak verdacht veel lijkt op dat ambtenaren gaan bepalen wat gelijkwaardigheid is en daar «onconventionele» taal voor ontwikkelen?
Hoe werkt deze Taalgids volgens u door in delen van het onderwijs? Is daar actief beleid op? Zo ja, waarom wordt dat wenselijk geacht?
Bent u bekend met de wetenschappelijke theorieën die stellen dat de taal die je spreekt invloed heeft op hoe je denkt, waarneemt en de wereld begrijpt? Bent u het eens met de stelling dat deze taalgids invloed heeft op de manier van denken van ambtenaren en daarbuiten? Is dat wenselijk?
In het boek van George Orwell, 1984 staat het volgende citaat: «Don’t you see that the whole aim of Newspeak is to narrow the range of thought?»; ziet u hoe met deze Taalgids en de daarin opgenomen «newspeak» uiteindelijk het denken beperkt wordt? Zo nee, waarom niet?2
Het bericht dat de NPO later dit jaar enkel de gekuiste versie van de film Land van Johan wil uitzenden. |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van filmmaker Eddy Terstall dat de NPO later dit jaar de gekuiste versie van zijn film Land van Johan wil uitzenden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de NPO dus kennelijk eist dat een gelauwerde filmmaker zijn eigen film aanpast?
Uit navraag bij de NPO blijkt dat van genoemde geen sprake is. Het is de vrije redactionele keuze van de omroep om een film uit te zenden en waar nodig afspraken met rechthebbenden te maken. De afwegingen die ten grondslag liggen aan die keuzes ken ik niet en daar ga ik ook niet over.
Deelt u de mening dat dit volstrekt absurd is? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven wat de redenen van de NPO zijn om te eisen dat deze film wordt gekuist? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u uitleggen of dit nu de normale gang van zaken is bij de NPO en zo ja, welke andere films, series of documentaire gekuist zijn of in de toekomst nog gekuist zullen gaan worden? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep gaat, binnen de grenzen van de wet en de publieke mediaopdracht, zelf over zijn programmering.
Kunt u vertellen waar Nederlanders hun NPO-abonnement kunnen opzeggen? Zo nee, waarom niet?
De publieke omroep is een publieke voorziening die bekostigd wordt via de rijksmediabijdrage en Ster-inkomsten, niet via abonnementen.
Het bericht 'Hoe moet het nu verder met het Fonds Podiumkunsten? ‘Het systeem is eigenlijk failliet’' |
|
Erik van der Maas (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe moet het nu verder met het Fonds Podiumkunsten (FPK)? «Het systeem is eigenlijk failliet»» waarin beschreven wordt dat Fonds Podiumkunsten voor de zevende keer een besluit tot het afwijzen van een subsidieaanvraag moet heroverwegen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de rechter het Fonds Podiumkunsten herhaaldelijk heeft teruggefloten vanwege onzorgvuldige besluitvorming? Was u bekend met eerdere fouten in de subsidieverstrekking door dit Fonds?
Juridische procedures naar aanleiding van de meerjarige besluiten van het fonds zijn niet ongebruikelijk, gelet op het belang dat die besluiten hebben voor organisaties. De juridische procedures die nu lopen hebben betrekking op de meerjarige besluiten voor de huidige subsidieperiode (2025–2028). In 2024 zijn er 273 subsidiebesluiten genomen voor de periode 2025–2028. Er zijn 13 organisaties die een beroep hebben ingediend.
Ik vind het goed dat subsidiebesluiten door de rechter kunnen worden getoetst. Het fonds is op de meeste beroepsgronden door de rechter in het gelijk gesteld, maar de rechter heeft ook geoordeeld dat de procedure op een aantal punten niet zorgvuldig genoeg was. Het fonds zal de lessen die volgen uit deze uitspraken meenemen bij het voorbereiden van de volgende subsidieperiode.
Zijn er naar uw weten naast het Fonds Podiumkunsten andere cultuurfondsen door een rechter op de vingers getikt? Zo ja, om welke fondsen ging het hier?
Er zijn naar mijn weten geen andere fondsen recentelijk door de rechter in het ongelijk gesteld in een procedure.
Deelt u de mening dat, mede gegeven om welke bedragen het gaat, besluiten over het verstrekken van subsidies door de cultuurfondsen transparant en ook stevig onderbouwd moeten zijn? Hoe kan het dat dit bij het Fonds Podiumkunsten nu al meermaals onvoldoende is gebleken?
Ja, ik deel die mening. Zoals ook geantwoord onder vraag 2, is het goed dat de rechter de besluiten van het Fonds Podiumkunsten toetst. Tijdens de betreffende beroepszaken werden meerdere beroepsgronden aangevoerd. Het Fonds Podiumkunsten is op de meeste beroepsgronden in het gelijk gesteld, maar ook is geoordeeld dat de procedure op een aantal punten niet zorgvuldig genoeg is. Het Fonds heeft aangegeven gevolg te geven aan de uitspraken.
Bent u naar aanleiding van deze of eerdere onzorgvuldige besluitvorming in gesprek met het Fonds Podiumkunsten? Zo ja, wat is daarbij uw inzet? Zo nee, bent u dat van plan?
Het fonds is als zelfstandig bestuursorgaan zelf verantwoordelijk voor zijn subsidiebesluiten en de juridische afwikkeling daarvan. Daar meng ik mij niet in. Wel ben ik met het fonds in gesprek over de geconstateerde gebreken en de beheersmaatregelen die getroffen moeten worden.
Ik zie dat er sprake is van zeer hoge druk op de meerjarige productieregeling van het fonds. Het fonds moest 146 aanvragen afwijzen, bijna drie keer zoveel als in de periode hiervoor. 59 aanvragers met een positief advies konden niet worden gehonoreerd wegens onvoldoende budget. Daarnaast kreeg regionale spreiding in de regeling een groter belang, waardoor met name in Amsterdam een aantal bekende instellingen een afwijzing heeft gekregen ten faveure van instellingen buiten de Randstad.
Door de hoge druk op het subsidiebudget en het aantal daarmee gemoeide afwijzingen en de nadruk op spreiding in de regeling maken dat er voor meer instellingen aanleiding was om de subsidiebesluiten juridisch te laten toetsen.
Bij het voorbereiden van de volgende subsidieperiode zullen de lessen uit deze periode en de uitspraken van de rechter meegenomen worden.
Hoe beoordeelt u de schijn van belangenverstrengeling binnen de adviescommissies die aanvragen beoordelen? Hoe wordt een dergelijke eventuele belangenverstrengeling voorkomen?
Het voorkomen van belangenverstrengeling is beleid van het fonds. Zij hanteert een protocol dat commissieleden dienden te ondertekenen om de schijn van belangenverstrengeling of vooringenomenheid te voorkomen.
Of er in een concreet geval sprake is van de schijn van belangenverstrengeling is aan de rechter. Bij de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen schijn van belangenverstrengeling is binnen een specifieke adviescommissie. Hierin wijkt de rechtbank af van de recente uitspraken van de rechtbank Amsterdam met betrekking tot dezelfde adviescommissie.
Hoe beoordeelt u de resultaten van de vrij recent ingevoerde «ontschotting» waarbij adviseurs vanuit verschillende disciplines een beoordeling maken? Ziet u kansen om dit beter vorm te geven?
Het fonds is zelf verantwoordelijk voor de inrichting van zijn beoordelingsprocedure, de besluiten en de afwikkeling daarvan.
Vindt u dat beoordelingsprocedures op dit moment voldoende transparant zijn? Zo nee, wat gaat u doen om deze procedures transparanter te maken?
Uit de uitspraken van de rechter is gebleken dat de beoordelingsprocedures transparanter dienen te zijn. Zoals ook in vraag 2 aangegeven zullen de lessen die uit deze uitspraken volgen worden meegenomen in het voorbereiden van de volgende subsidieperiode.
Bent u van mening dat het huidige systeem van subsidieverstrekking leidt tot hoge administratieve lasten? Zo ja, wat gaat u doen om de bestaande regeldruk te verminderen?
Ik onderken dat er ruimte is om administratieve lasten te verlagen. De komende tijd ga ik in gesprek met medeoverheden en rijkscultuurfondsen om te onderzoeken hoe de subsidieprocessen van cultuursubsidies bij verschillende overheden geharmoniseerd kunnen worden en de regeldruk verminderd kan worden in de nieuwe beleidsperiode.
Hoe duidt u de kritiek op de overmatige bureaucratie in het aanvragen van subsidies waarbij instellingen maanden bezig zijn met het doen van een aanvraag en sommigen daar soms zelfs iemand voor moeten inhuren? Hoe beoordeelt u de stelling dat het systeem «failliet» zou zijn?
Ik ben niet van mening dat het systeem failliet is. Wel zie ik dat het subsidiesysteem zoals we dat nu kennen toe is aan een herziening. De Raad voor Cultuur bracht in 2024 het advies «Toegang tot cultuur» uit, waarin ook aanbevelingen worden gedaan over de aanvraag- en beoordelingsprocedures en de administratieve lasten die daarmee gepaard gaan. Tegelijk is de wijze waarop we cultuursubsidies verdelen in Nederland, met onafhankelijke beoordelingen en een hoge mate van transparantie, ook een groot goed. Minister Bruins heeft in een Kamerbrief aangegeven te kijken naar manieren om het bestel te vereenvoudigen en verbeteren2. In de volgende stappen richting de nieuwe subsidieperiode probeer ik waar mogelijk de administratieve lasten verder te verminderen.
Wanneer komt u richting de Kamer met de contouren rondom de herziening van de culturele basisinfrastructuur?
Na de zomer van 2026 informeer ik uw Kamer over de hoofdlijnen van het cultuurbestel vanaf 2029.
Het bericht ‘Nederland moet meer doen voor rechten van vrouwen, zeggen VN’ |
|
Anne-Marijke Podt (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de kritiek van het VN-comité dat Nederland op dit moment onvoldoende doet om de rechten van vrouwen te beschermen?1
Het kabinet neemt de aansporing die volgt uit de concluding observations van het Committee on the Elimination of Discrimination against Women (CEDAW-comité) ter harte. Samen met de Ministers van SZW, JenV en VWS kom ik met een kabinetsreactie. En uiteraard zult u de aansporing terugzien in de Emancipatienota 2026.
Welke aansporingen uit het rapport ziet u als belangrijke prioriteiten voor de emancipatie-agenda van de komende tijd?
De concluding observations bevatten aanbevelingen op veel verschillende gebieden, waaronder veiligheid, gezondheid en economische onafhankelijkheid. Ik ga hierover met mijn collega’s in het kabinet en het maatschappelijk middenveld in gesprek. Concrete beleidsvoornemens leest u terug in de emancipatienota, die ik in september aan uw Kamer stuur.
Ziet u mogelijkheden om wetgeving te moderniseren door de structurele aard van geweld tegen vrouwen expliciet te erkennen en past dit binnen de uitvoering van het Nationaal Actieplan nu concreet wordt ingezet op de aanpak van femicide en vrouwenhaat?
Ja. Het kabinet ziet mogelijkheden om wetgeving verder te versterken als het gaat om het voorkomen en bestrijden van (seksueel) geweld tegen vrouwen. Voor de implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn (EU) 2024/1385) wordt momenteel een wetswijziging voorbereid met zowel strafrechtelijke aanpassingen als wijzigingen in andere wetgeving, waaronder de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Vanuit de EU-richtlijn geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld komt er ook een nationaal actieplan gericht op geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit zal in eerste aanleg vooral gaan om een beleidskader en beleidsacties die vertaald moeten worden naar concrete uitvoering.
Vindt u dat financiële zelfstandigheid van vrouwen een belangrijke prioriteit zou moeten zijn binnen het emancipatiebeleid en zou het wettelijk verankeren van de aanpak van «economisch geweld» of dit op een andere wijze opnemen in het emancipatiebeleid hierbij kunnen helpen?
Emancipatiebeleid gaat om veiligheid, gezondheid en financiële onafhankelijkheid. Dat leidt immers tot vrijheid en gelijkwaardigheid. Ook onderschrijft het kabinet het belang van het wettelijk verankeren van de aanpak van economisch geweld. Dit wordt meegenomen in het wetsvoorstel in het kader van de implementatie van de Europese richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Het gaat hierbij om het wijzigen van de begripsomschrijving van huiselijk geweld in artikel 1.1.1 van de WMO2015.
Welke stappen kan het kabinet samen met werkgevers zetten om, naast alle stappen die de komende tijd worden gezet om werken meer lonend te maken en kinderopvang bijna gratis te maken, te zorgen voor een moderne werkcultuur waarin ouderschapsverlof voor mannen de norm is?
Gelijkwaardige werk- en zorgverdeling tussen ouders is belangrijk om vrouwenemancipatie te bevorderen. De mate waarin verlof daaraan bijdraagt wordt momenteel geëvalueerd in opdracht van de Minister van SZW. De resultaten worden verwacht in de eerste helft van 2026 en zullen duidelijk maken of en hoe eventuele nadere aandacht voor normverandering op het werk noodzakelijk is. Hieraan zal ik ook aandacht besteden in de Emancipatienota.
Zijn er maatregelen denkbaar, naast de voorgenomen voortzetting van de aanpak «Samen Tegen Mensenhandel», om kwetsbare groepen beter uit handen te houden van uitbuiters en zo de zorgen in het rapport beter te adresseren?
Om kwetsbare groepen beter uit handen te houden van uitbuiters worden, naast de maatregelen uit het Actieplan Samen tegen Mensenhandel, verschillende maatregelen genomen.
Ten eerste wordt er ingezet op het benaderen van potentiële slachtoffers van criminele uitbuiting op verschillende social media platformen via online outreach. Daarnaast wordt ingezet op het programma «Preventie met gezag» waarmee het kabinet wil voorkomen dat kwetsbare minderjarigen de criminaliteit in gaan en daar steeds verder in verstrikt raken.
Ten tweede is er specifieke aandacht voor jonge asielzoekers. COA-medewerkers worden getraind in het herkennen van signalen van uitbuiting en in de COA-opvang is voor Alleenstaande Minderjarige Vluchtelingen (AMV) 24 uur per dag begeleiding aanwezig en geldt een meldplicht. Jonge asielzoekers van wie wordt vermoed dat zij slachtoffer van mensenhandel zijn, worden in de Beschermde Opvang geplaatst. Dit is een aparte opvanglocatie waar gewerkt wordt aan weerbaarheid en zelfredzaamheid.
Ten derde zijn er ook enkele maatregelen die buiten het Actieplan worden genomen en tot doel hebben kwetsbare groepen uit handen te houden van uitbuiters. Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het Actieplan zich juist richt op kwetsbare groepen, zoals minderjarigen, en dat in dat kader ook veel maatregelen worden genomen.
Wat is de stand van zaken van de implementatie van de herziening van artikel 273f van het wetboek van strafrecht en in hoeverre kan deze hierbij helpen?
Het wetsvoorstel uitbreiding en modernisering strafbaarstelling mensenhandel (273f Sr) ligt op dit moment bij de Eerste Kamer. De tweede nota n.a.v. het verslag2 is op 26 maart 2026 met de Eerste Kamer gedeeld. De Eerste Kamer beslist op korte termijn hoe zij het wetsvoorstel wenst te behandelen. Met het wetsvoorstel wordt de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel effectiever gemaakt, waardoor de vervolging van daders én de bescherming van slachtoffers verbetert. Dit zorgt ervoor dat ook kwetsbare groepen beter worden beschermd tegen uitbuiters.
Welke stappen kunnen worden gezet in samenwerking met de regeringen van het Caribisch deel van het Koninkrijk om te zorgen dat vrouwenrechten daar overal op hetzelfde niveau worden beschermd, zodat de inzet voor gelijkwaardigheid overal in het Koninkrijk voelbaar is?
Via het samenwerkingsverband No Mas No More werken de verschillende regeringen van het Koninkrijk aan een gezamenlijke aanpak gericht op het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld en geweld tegen vrouwen in Caribisch Nederland en de landen van het Koninkrijk. Bij de uitwerking van de Emancipatienota bekijk ik ook eventuele andere mogelijkheden tot samenwerking met de andere landen van het Koninkrijk.
Hoe kunnen we de waardevolle en vaak onzichtbare rol van vrouwen op boerenbedrijven de erkenning geven die zij verdienen en op welke wijze past dit in de samenwerking met boerenorganisaties en de verduurzaming van de landbouwsector die het kabinet voorstaat?
De VN hebben 2026 uitgeroepen tot year of the female farmer. LVVN werkt aan het vergroten van kennis en bewustwording over de waardevolle en diverse bijdrage van vrouwen aan de landbouw. Daarbij werkt het departement nauw samen met vertegenwoordigende organisaties zoals LTO Vrouw en Bedrijf, en ondersteunt LVVN bijvoorbeeld het netwerk Vrouwen en Voedsel, dat jaarlijks een evenement organiseert rondom internationale vrouwendag.
Hoe gaat u borgen dat wetenschappelijke kennis over gender en intersectionaliteit een standaard onderdeel wordt van elk nieuw beleidstraject?
Er is Rijksbreed afgesproken om bij elk beleidstraject het Beleidskompas te doorlopen. De Kwaliteitseis Effecten op Gendergelijkheid maakt hier een verplicht onderdeel van uit. Bij alle departementen wordt er met regelmaat aandacht gevraagd voor het doorlopen van het Beleidskompas inclusief de Kwaliteitseis.
Ziet u mogelijkheden om de veiligheid van vrouwelijke politici te verhogen en hoe sluit dit aan bij de ambities waarbij wordt gewerkt aan de ondersteuning van vrouwelijke rolmodellen en initiatieven als «Vrouwen naar de top»?
Dit kabinet wil een gelijkwaardige positie van vrouwen in onder meer het bedrijfsleven en in het openbaar bestuur. Dit doet we onder andere met steun aan initiatieven voor meer vrouwen in de top. Ik verwijs daarvoor naar mijn brief van 4 maart jl. waarin ik uw Kamer informeer over de laatste stand van zaken over genderdiversiteit in de top van organisaties.3 Ook is het belangrijk dat politieke organisaties een veilige werkomgeving actief bevorderen. Het Ministerie van OCW financiert onder andere de alliantie Politica om meer vrouwen actief in de politiek te krijgen én te houden. Stichting Stem op een Vrouw – een van de alliantiepartners – heeft het initiatief genomen voor de ontwikkeling van het protocol «veilig online zichtbaar in de politiek», dat 3 maart jl. is gelanceerd. Het betreft een partij overstijgende aanpak gericht op het herkennen en tegengaan van (de impact van) online haat tegen politici.
Daarnaast ondersteunt het programma Weerbaar Bestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties politieke ambtsdragers in het decentraal bestuur die te maken krijgen met (online) agressie, zoals intimidatie en bedreiging. Ook zet het Ministerie van BZK zich in voor verbeteren van de positie van vrouwen en andere ondervertegenwoordigde groepen in het decentraal bestuur.
Vrouwelijk leiderschap zou vanzelfsprekend moeten zijn in ons land, zodat gelijkwaardige en evenwichtige vertegenwoordiging in alle lagen van de samenleving zichtbaar is, inclusief in het bedrijfsleven en de politiek. Vrouwelijke rolmodellen kunnen hierbij een stimulerende rol hebben.
Het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann |
|
René Claassen (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het openbare Facebookbericht op de pagina van cabaretier Rogier Kahlmann waarin wordt gesteld dat meerdere theaters en zalen onder druk zijn gezet door linkse actiegroepen vanwege geplande optredens van Rogier Kahlmann en dat dit in diverse gevallen heeft geleid tot de annulering van voorstellingen?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat culturele instellingen door georganiseerde druk en dreigementen worden bewogen om programmering aan te passen of te schrappen?
Ik zie dit als een ongewenste en zorgwekkende ontwikkeling die de artistieke vrijheid van makers en culturele instellingen onder druk zet. Artistieke vrijheid vormt een fundament van onze democratische rechtstaat, waarin iedereen de ruimte moeten krijgen om zichzelf te uiten, ook als dit schuurt.
Deelt u de opvatting dat het intimideren van podia en programmeurs vanwege de inhoud van een voorstelling een ernstige aantasting vormt van de artistieke vrijheid en de vrijheid van meningsuiting?
Ja, die opvatting deel ik.
In hoeverre acht u het wenselijk dat een kleine, activistische linkse minderheid via dreiging met klachten, reputatieschade of meldingen bij instanties feitelijk een veto kan uitspreken over culturele programmering?
Culturele instellingen hebben de vrijheid om zelf te bepalen wie zij wel of niet programmeren. Burgers hebben de vrijheid om iets van deze programmering te vinden, maar dat moet wel op een correcte wijze. Ik acht iedere inmenging die culturele instellingen onder druk zet om hun keuzes aan te passen onwenselijk.
Kunt u aangeven of en hoe vaak gesubsidieerde culturele instellingen zich bij uw ministerie hebben gemeld vanwege druk, bedreiging of intimidatie rondom programmering in de afgelopen jaren?
Er zijn mij enkele incidenten bekend van door OCW gesubsidieerde culturele instellingen die te maken kregen met druk, bedreiging of intimidatie vanwege hun programmering. Bezien vanuit een breder perspectief constateer ik dat makers en culturele instellingen druk ervaren op hun artistieke vrijheid, bijvoorbeeld in polariserende discussies over programmeringskeuzes. Deze signalen ontving de Raad voor Cultuur ook en bewogen hem ertoe om een advies uit te brengen over artistieke vrijheid, dat de Raad 21 januari jl. aan uw kamer heeft aangeboden.2 Op dit moment bereid ik een reactie op dit advies voor.
Welke verantwoordelijkheid ziet u voor de overheid om culturele instellingen te beschermen tegen ongeoorloofde druk en intimidatie, juist wanneer deze instellingen afhankelijk zijn van publieke middelen?
Ik vind het belangrijk een inclusieve, pluriforme en toegankelijke culturele sector te waarborgen. Als de samenleving polariseert en de spanningen toenemen, moet de culturele en creatieve sector een veilig podium blijven bieden voor het vrije woord, artistieke expressie en dialoog. Om instellingen hierin te ondersteunen heeft mijn ambtsvoorganger de Handreiking Weerbare Cultuursector3 van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt. Deze handreiking en het onderliggende onderzoek bieden culturele instellingen houvast om zorgvuldige afwegingen te maken in de dynamiek van maatschappelijke spanningen, polarisatie en toenemende druk om positie te kiezen.
Deelt u de zorg dat het normaliseren van dergelijke actiemethoden leidt tot zelfcensuur binnen de culturele sector, waarbij instellingen uit angst voor repercussies bepaalde artiesten of thema’s mijden?
Ik deel de zorg dat acties die culturele instellingen onder druk zetten bepaalde keuzes te maken de druk op de artistieke vrijheid vergroot. In tijden van maatschappelijke spanningen en polarisatie is het daarom extra belangrijk om culturele instellingen handvatten te bieden voor de omgang met maatschappelijke druk. Hiervoor heeft mijn voorganger onlangs de handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut financieel mogelijk gemaakt.
Bent u bereid in overleg te treden met de culturele sector over richtlijnen of ondersteuning voor instellingen die te maken krijgen met georganiseerde intimidatie of dreiging rondom hun programmering?
Hierover ben ik reeds in gesprek met de sector. De handreiking van Kunsten ’92 en het Verwey-Jonker Instituut is het resultaat van een onderzoek dat tot stand is gekomen aan de hand van meerdere gesprekken met de sector.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om culturele instellingen te beschermen tegen druk en intimidatie rondom hun programmering?
Ik neem dit onderwerp zeer serieus. Daarom beraad ik me op dit moment goed op het eerder genoemde advies van de Raad voor Cultuur over artistieke vrijheid. Ik zal in mijn reactie op dit advies ook ingaan op de druk en intimidatie rondom programmering van culturele instellingen.
De brand in de Vondelkerk te Amsterdam en het aanstaande herstel daarvan |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brand in de Vondelkerk te Amsterdam, een rijksmonument ontworpen door Pierre Cuypers?
Ja.
Klopt het dat bij deze brand de hoofdmuren van de kerk behouden zijn gebleven en dat ook een aanzienlijk deel van het historische glaswerk intact is gebleven, waardoor het gebouw als geheel constructief behouden is gebleven?
Ja, het klopt dat delen van de gevels en het glas nog aanwezig zijn, mede door het zorgvuldige bluswerk van de brandweer. Er wordt nu door de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, samen met een constructeur, gekeken hoe de gevels te stutten. Daarna worden de verbrande elementen uit de kerk verwijderd. Pas dan kan er een definitieve analyse gemaakt worden van de constructieve staat.
Is het kabinet bekend met het feit dat de Vondelkerk in 1904 reeds deels door brand is getroffen en dat de destijds beschadigde onderdelen historisch getrouw zijn hersteld, zonder moderniserende of interpretatieve ingrepen?
Dit is niet geheel juist. De Vondelkerk is inderdaad in 1904 eerder getroffen door brand. Daarbij is onder meer de toren verwoest. Deze is toen herbouwd volgens een gewijzigd plan. Ook in latere tijd is de kerk verbouwd. In het bijzonder toen de kerk in de jaren ’80 door Stadsherstel Amsterdam werd gerestaureerd en herbestemd voor maatschappelijk gebruik. Zoals veel historische gebouwen toont de Vondelkerk in zijn huidige staat het resultaat van een reeks van bouwfases.
Deelt u de opvatting dat dit eerdere herstel na de brand van 1904 een relevant precedent vormt voor de wijze waarop ook nu met de herbouw van dit rijksmonument dient te worden omgegaan?
Gebouwen (en andere objecten) zijn beschermd als rijksmonument vanwege hun bijzondere erfgoedwaarden. Uitgangspunt in de omgang daarmee is het in stand houden van deze erfgoedwaarden. Tegelijkertijd zijn de meeste gebouwen voor de eigenaar een gebruiksobject. Het doel van de monumentenzorg is om behoud en gebruik op zorgvuldige wijze te verenigen. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft dit vastgelegd in de Uitgangspunten voor de adviespraktijk (laatste versie 2024, Uitgangspunten en overwegingen advisering gebouwde en groene rijksmonumenten | Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Deelt u de opvatting dat bij rijksmonumenten die door calamiteiten zijn beschadigd, historische reconstructie op basis van beschikbare documentatie het uitgangspunt dient te zijn?
Wat er na een calamiteit met een rijksmonument gebeurt, is in de eerste plaats aan de eigenaar. Bij de Vondelkerk heeft de eigenaar al verklaard dat alles er op gericht is de kerk te herstellen. Bij de huidige eigenaar is alle kennis over de vorige restauratie nog aanwezig. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Acht u het wenselijk dat bij de herbouw van de Vondelkerk wordt gekozen voor eigentijdse of interpretatieve ingrepen (zoals een moderne of glazen dakconstructie), indien een historisch getrouwe reconstructie technisch mogelijk is?
Het is nu te vroeg om daar een uitspraak over te doen. Eerst moet worden bekeken wat de schade precies is. Alle inspanningen zijn erop gericht de Vondelkerk te herstellen. Voor deze herstelwerkzaamheden zal door de eigenaar een vergunningaanvraag worden ingediend waarover de RCE advies zal uitbrengen aan de gemeente Amsterdam. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Deelt u de mening dat van historische reconstructie uitsluitend mag worden afgeweken indien sprake is van aantoonbare technische of veiligheidsnoodzaak, en niet op basis van esthetische, beleidsmatige of functionele voorkeuren?
Zie het antwoord op vraag 4.
Welke rol ziet u voor de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) bij het vaststellen van de uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, en bent u bereid deze uitgangspunten expliciet vast te leggen voordat ontwerptrajecten of architectenselecties plaatsvinden?
De RCE adviseert de gemeente Amsterdam (vergunningverlener) en de eigenaar. Er is reeds intensief contact tussen de eigenaar, Stadsherstel Amsterdam, de gemeente en de RCE. Bij de vergunningverlening voor ingrijpende wijzigingen aan rijksmonumenten is een advies van de RCE noodzakelijk. Op die manier wordt bewaakt dat zoveel mogelijk erfgoedwaarden in stand blijven. Zie verder het antwoord op vraag 4.
In hoeverre acht u het van belang dat bij de herbouw recht wordt gedaan aan het oorspronkelijke ontwerp, de materiaalkeuze en het architectonisch silhouet van Pierre Cuypers, mede gezien de nationale betekenis van diens oeuvre?
De kerk is niet voor niets een rijksmonument. Voor nu is het uitgangspunt van alle betrokkenen om de kerk te herstellen, afhankelijk van de (technische) mogelijkheden en de financiering. Zie verder het antwoord op vraag 4.
Bent u bereid rijksmiddelen voor herstel of herbouw van de Vondelkerk te verbinden aan de voorwaarde van historisch getrouwe reconstructie conform het oorspronkelijke ontwerp, en zo ja, onder welke voorwaarden?
De financiering van het herstel van de Vondelkerk is in eerste instantie een zaak tussen de eigenaar en de verzekeraar.
Hoe voorkomt u dat bij de herbouw van rijksmonumenten na calamiteiten een precedent ontstaat waarbij «reconstructie» in de praktijk leidt tot modernisering of herinterpretatie van monumentaal erfgoed?
Bij herstel van rijksmonumenten na calamiteiten staat het behoud van de monumentale waarden centraal. Advisering door de RCE aan de gemeente Amsterdam over herstel en eventuele reconstructie vindt plaats binnen de hierboven aangehaalde uitgangspunten, waarin zorgvuldigheid, terughoudendheid en het behoud van authenticiteit leidend zijn. Daarbij kan ook ruimte zijn voor bijvoorbeeld energiebesparende maatregelen, indien die ondersteunend zijn aan het behoud en de toekomstige instandhouding van het monument en geen afbreuk doen aan de monumentale waarden. De te nemen maatregelen worden uiteindelijk door de vergunningverlener, de gemeente Amsterdam, afzonderlijk en integraal afgewogen.
Kunt u toezeggen de Kamer te informeren over de door het kabinet en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gehanteerde uitgangspunten voor de herbouw van de Vondelkerk, voordat onomkeerbare ontwerpkeuzes worden gemaakt?
De uitgangspunten die bij de advisering door de RCE worden gehanteerd zijn reeds openbaar. Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht dat het Van Gogh Museum de deuren dreigt te sluiten |
|
Heera Dijk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat het gebouw van het Van Gogh Museum eigendom is van de Nederlandse Staat en dat hiermee ook de verantwoordelijkheid voor de staat van het gebouw, de veiligheid en de instandhouding bij de Staat ligt?
Aan welke veiligheids-, klimaat- en instandhoudingsnormen moeten gebouwen van het Rijksvastgoedbedrijf voldoen en in hoeverre voldoet het Van Gogh Museumgebouw op dit moment aan deze normen?
Het museum meldt risico’s bij onder meer verouderde liften, daklekkages en klimaatinstallaties, zijn deze risico’s bij het Ministerie van OCW bekend en hoe worden deze beoordeeld binnen de verantwoordelijkheid van de Staat als eigenaar van het gebouw?
Kunt u aangeven welke signalen over de staat van het gebouw het Ministerie van OCW de afgelopen jaren heeft ontvangen en welke opvolging daaraan is gegeven?
De huisvestingssubsidie van rijksmusea wordt gebruikt voor zowel operationele kosten als gebouwonderhoud, acht u dit een passend model voor rijksvastgoed dat meer dan 50 jaar oud is, gezien de toenemende kosten voor vervanging van installaties en structureel onderhoud?
Ja, ik acht dit een passend model. De huisvestingssubsidie is bedoeld voor zowel kort-cyclisch als lang-cyclisch onderhoud en verduurzaming. Het museum krijgt ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag voor huisvesting (in 2025 € 7,8 miljoen). De huisvestingssubsidie kan alleen worden verhoogd als er loon- en prijsbijstelling wordt toegekend. Een deel van dit subsidiebedrag is bedoeld voor kort-cyclisch onderhoud. Een ander deel (gemiddeld € 4,9 miljoen per jaar) is bedoeld om te sparen voor lang-cyclisch onderhoud en investeringen. Dit laatste bedrag is voor het Van Gogh Museum relatief hoog, juist omdat er in de subsidie rekening is gehouden met de onderhoudsstaat van de panden. Ook ontvangt het museum subsidie voor verduurzaming van hun panden. Juist omdat het museum ieder jaar hetzelfde subsidiebedrag krijgt, kan het met vertrouwen sparen of lenen voor grote investeringen en renovaties. Ik ben van mening dat de subsidie die het Van Gogh Museum ontvangt, voldoende is om het noodzakelijk onderhoud te kunnen uitvoeren. De uitkomsten van het deskundigenonderzoek dat ik heb laten verrichten in de bezwaarprocedure, onderschrijven dat.
Daarbij merk ik op dat de andere rijksmusea, sommige ook met zeer complexe of oude gebouwen, gebruik maken van hetzelfde subsidiemodel en dat het voor hen wel werkbaar is.
Hoe beoordeelt u de samenhang tussen structureel onderhoud, goed functionerende beveiligingssystemen en het voorkomen van incidenten, mede in het licht van de recente diefstal in het Louvre en de internationale discussie over museumbeveiliging?
Het huisvestingsstelsel van de rijksmusea is er juist op gericht dat de musea zelf aan het roer zitten om deze samenhang te bereiken, als goed huisvader. Hiervoor ontvangen zij een subsidie op grond van de Erfgoedwet. Ik merk daarbij nog op dat naar aanleiding van de diefstal van twee schilderijen uit het Van Gogh Museum in 2002, in 2004 een risico-inventarisatie en -analyse bij de rijksgesubsidieerde musea is uitgevoerd. Vanaf 2005 is op basis van de resultaten van deze analyse vervolgens structureel € 7 miljoen toegevoegd aan de subsidie voor collectiebeheer van de rijksgesubsidieerde musea ten behoeve van extra veiligheidsvoorzieningen.
Hoe verhoudt de huidige financiering van huisvesting en instandhouding zich tot de afspraken die in 1962 zijn gemaakt over het duurzaam kunnen bewaren en openbaar tonen van de collectie?
Ik ben ik van mening dat de staat voldoet aan de afspraken uit de overeenkomst van 1962. Ik verwijs hiervoor ook graag naar mijn eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer over ditzelfde onderwerp.4
Welke mogelijkheden ziet u op korte termijn om risico’s voor bezoekersveiligheid, collectiebehoud en de continuïteit van het museum te mitigeren totdat structureel onderhoud kan worden uitgevoerd?
Zoals ik hierboven heb aangegeven, is het binnen het huidige huisvestingsstelsel voor rijksmusea de eigen verantwoordelijkheid van de musea om de museale panden te onderhouden en te beheren en zo de bezoekersveiligheid en de continuïteit van het museum te garanderen. Zie ook het antwoord bij vraag 5. Binnen dit stelsel is het aan de musea zelf om keuzes te maken hoe het onderhoud wordt ingepland en in de tijd wordt gezet. De musea kennen hun museale panden het best en kunnen op basis van deze informatie besluiten welk onderhoud noodzakelijk is en welk onderhoud nog even kan worden uitgesteld.
Naast de subsidie, biedt de staat ook te mogelijkheid om tegen een gunstige rente te lenen bij het Nationaal Restauratiefonds voor verduurzaming. Daarnaast is het mogelijk om te lenen bij de schatkist voor onderhoud en instandhouding.
In de jaarrekening van het museum over 2024 is te lezen dat het museum beschikt over een bestemmingsreserve voor huisvesting van meer dan € 9 miljoen en een voorziening groot onderhoud van meer dan € 19 miljoen. De bestemmingsreserve is overigens onderdeel van een eigen vermogen van meer dan € 53 miljoen. Deze bedragen kan het Van Gogh Museum ook aanwenden om het onderhoud te bekostigen. Het is dus zeker niet zo dat het Van Gogh Museum voor haar plannen volledig afhankelijk is van de huisvestingssubsidie.
Daarmee zeg ik niet dat de subsidie ontoereikend is. De externe deskundige die ik heb geraadpleegd laat in zijn onderzoeksrapport zien dat de huidige subsidie vanuit het huisvestingstelsel voor rijksmusea afdoende is. Ik heb dit rapport bij deze antwoorden gevoegd. Het Van Gogh Museum en ik verschillen mijns inziens uiteindelijk vooral van mening over de vraag hoe haar aanvullende ambities, die verder gaan dan noodzakelijk onderhoud en vervanging – bijvoorbeeld op het gebied van verduurzaming – bekostigd moeten worden. Het museum vindt dat de overheid ook daar moet bijspringen. Dat zie ik anders. Het staat het museum natuurlijk vrij om die ambities na te streven. Ik heb daarom aangegeven dat er diverse alternatieve financieringsmogelijkheden zijn voor het museum, sommige gefaciliteerd door de overheid. Zo kan het museumbestuur die ambities ook realiseren. De financiering vanuit het huisvestingsstelsel is daar alleen niet voor bedoeld. Ik zie daarom geen reden om de huisvestingssubsidie te verhogen.
Het stopzetten van het Sinterklaasfeest op een Utrechtse basisschool |
|
Annette Raijer (PVV), Martin Bosma (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een Utrechtse basisschool ervoor heeft gekozen om het traditionele Sinterklaasfeest te schrappen en te vervangen door een zogeheten «Kinderfeest», inclusief sjoelbakken en een stroopwafelkar, zoals vermeld in het artikel «Utrechtse basisschool stopt met sinterklaasviering: «Spanning, pijn en onrust»» en bent u het ermee eens dat hiermee een van de meest verbindende, vrolijke en breed gedragen tradities in Nederland zonder enige noodzaak wordt ingeruild voor iets dat op een gewone donderdagmiddagactiviteit lijkt?1
Ja, ik ben bekend met het bericht. In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf hoe zij invulling geven aan hun onderwijs en aan activiteiten en vieringen die daar onderdeel van uitmaken. Het is een mooi feest dat op veel plaatsen gevierd wordt.
Hoe beoordeelt u de motivatie van de school dat Sinterklaas zou zorgen voor «onrust en ongemak bij teamleden en ouders», terwijl op vrijwel alle andere scholen in Nederland dit kinderfeest juist zorgt voor saamhorigheid, plezier en betrokkenheid en kunt u verklaren waarom deze school zo sterk afwijkt van de landelijke praktijk?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om op basis van de schooleigen context en gemeenschap weloverwogen keuzes te maken in het vieren van feestdagen.
Klopt het dat de school zelf aangeeft dat het Sinterklaasfeest «toch al niet leefde» bij een gedeelte van de ouders en kinderen, met name vanwege de achtergrond van ouders met Surinaamse afkomst? Zo ja, vindt u het wenselijk dat een Nederlandse school haar tradities afschaft omdat een deel van de ouders zich hier niet mee identificeert, en kan de Minister bevestigen dat Nederlandse tradities op Nederlandse scholen moeten worden beschermd en niet worden weggepoetst?
In het kader van de vrijheid van onderwijs is het aan scholen zelf om beslissingen te nemen hoe zij invulling geven aan feestdagen. Het is niet aan de overheid om scholen te verplichten bepaalde feestdagen te vieren. Daarnaast is het Sinterklaasfeest op veel scholen nog een belangrijke feestdag die gevierd wordt.
Deelt u de zorg dat dit besluit een precedent schept waardoor scholen onder druk kunnen komen te staan om meer Nederlandse tradities vaarwel te zeggen, puur omdat groepen ouders dit liever niet zien? Zo nee, hoe waarborgt u dat typisch Nederlandse feesten zoals Sinterklaas, dat al generaties lang onderdeel is van onze cultuur, niet stukje bij beetje worden uitgehold of vervangen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om deze school hierop aan te spreken en scholen in het algemeen duidelijk te maken dat het schrappen van Nederlandse tradities geen wenselijke ontwikkeling is?
Nee. Scholen hebben de vrijheid en het recht om zelf keuzes te maken in het vieren van bepaalde Nederlandse feestdagen en de wijze waarop.
Kunt u toezeggen dat u als Minister actief bewaakt dat scholen niet buigen voor culturele druk, maar Nederlandse cultuur en tradities juist koesteren en doorgeven aan de volgende generatie?
Zie antwoord vraag 5.
De NPO en Hamas |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Na het BBC-schandaal: waarom ook onderzoek naar NOS noodzakelijk is»1 en «Anti-Israël indoctrinatie van scholieren is wel degelijk zaak van de Minister»2 en herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen van 2 oktober 2025 over SchoolTV?3
Ja.
Welke lessen trekt de NOS uit zorgen die leven over de rol van de BBC bij de berichtgeving over Gaza? In hoeverre ziet de NOS ten dienste van de kwaliteitsverbetering aanleiding om een onderzoek uit te voeren over de eigen berichtgeving?
Onafhankelijke en betrouwbare journalistiek is een groot goed. Journalistiek draagt bij aan een goed functionerende democratie. Bij deze belangrijke rol hoort ook transparantie. Dit doet de NOS door openbaar verantwoording af te leggen over hun journalistieke berichtgeving, onder andere op basis van reacties die zij ontvangen van het publiek.4 Specifiek over de oorlog in Gaza geeft de NOS ook blijk van de gevoeligheid en risico’s rondom de betrouwbaarheid van bronnengebruik bij berichtgeving daarover. De NOS legt openbaar verantwoording af over de wijze waarop ze de betrouwbaarheid en onafhankelijkheid van hun berichtgeving borgen. Dit doen zij onder andere door artikelen en onderzoeken te publiceren over de eigen berichtgeving over de oorlog Gaza.5 Ook de Ombudsman publieke omroep heeft een belangrijke functie in de zelfregulering van de journalistiek bij de publieke omroep en heeft eerder inzicht geboden in het journalistiek handelen in deze thematiek.6
Als stelselverantwoordelijke sta ik voor een breed en pluriform medialandschap. Van journalistieke organisaties in dit landschap verwacht ik dat zij hun journalistieke keuzes verantwoorden en daarbij hun berichtgeving kritisch beoordelen en factchecken. Als er twijfels leven rondom de objectiviteit van berichtgeving is het aan journalistieke organisaties dit gegeven af te wegen en hier iets in hun journalistieke verantwoording mee te doen. Het is niet aan mij als Minister om nader in te gaan op de wijze waarop zij hun journalistieke verantwoording verder vormgeven.
Hoeveel specifieke berichten, reportages en andere producties heeft de NOS in de afgelopen twee jaar gewijd aan de structuur en werkwijze van de terreurorganisatie Hamas? Hoe is de betrouwbaarheid van lokale verslaggevers door de NOS getoetst en welke standaarden zijn gehanteerd voor het gebruik van informatie die afkomstig is van Hamas?
Het kabinet gaat niet over de inhoudelijke invulling van de programmering van de NOS. Ik beschik derhalve niet over aantallen producties over een bepaald thema.
De NOS reflecteert op de betrouwbaarheid van gebruikte bronnen uit Gaza. Ook de Ombudsman speelt hierbij een rol zoals blijkt uit de beantwoording op vraag 2. Dit systeem van zelfregulering moet de kwaliteit van de berichtgeving van de NOS waarborgen. De NOS is onafhankelijk in zijn werkzaamheden. Het kabinet gaat niet over de journalistieke werkwijze die de NOS in specifieke casussen hanteert. Wel ben ik voornemens het systeem van zelfregulering van de journalistiek binnen de publieke omroep te versterken. De plannen hiervoor zijn afgelopen voorjaar met de Kamer gedeeld en de uitwerking neem ik mee in de hervorming van de landelijke publieke omroep.7
Vindt u dat Hamas een politieke groepering is die ook mensen heeft die vechten of onderschrijft u het breed erkende uitgangspunt dat Hamas een terroristische organisatie is?
De EU en Nederland beschouwen Hamas als een terroristische organisatie, die in 2003 op de EU-terrorismelijst werd geplaatst. Nederland speelt in Europees verband een voortrekkersrol op het sanctioneren van Hamas, in lijn met motie Ceder c.s.,8 en heeft recent samen met gelijkgezinde partners voorstellen gedaan voor het sanctioneren van de politieke top van Hamas.
Welke ruimte heeft de landelijke publieke omroep volgens u om binnen de vereiste kwalitatief hoogwaardige nieuwsvoorziening een eigen duiding te geven van organisaties die internationaal breed als terroristisch worden aangemerkt? In hoeverre bestaan voor zulke keuzes standaarden binnen de publieke omroep?
De landelijke publieke omroep voert zijn werkzaamheden onafhankelijk uit en heeft daarbij redactionele vrijheid, die onder andere in de Mediawet is vastgelegd. Dat is een fundamenteel rechtsstatelijk uitgangspunt dat we met elkaar moeten beschermen. Het is niet aan de overheid of politiek om zich te mengen in journalistieke inhoud.
Persvrijheid is een groot goed. Dat wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich niet zouden hoeven verantwoorden over hun keuzes (zie daarover ook mijn antwoord op vraag9. Bij onvrede over de duiding gegeven aan specifieke berichtgeving kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie, is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Dit stelsel van zelfregulering moet ervoor zorgen dat media zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken.
Waarom vindt u het behoren tot de taak van de NPO om lesmateriaal te ontwikkelen voor scholen? Hoe beoordeelt u het feit dat het materiaal dat de NPO met belastinggeld produceert een verstoring vormt van de markt van leermiddelen, waarmee de NPO ook inhoudelijk meer sturend kan zijn in de beeldvorming dan andere ontwikkelaars?
Conform artikel 2.1 van de Mediawet 2008, is Educatie één van de onderdelen uit de publieke mediaopdracht. Dit wordt onder andere gedaan via het aanbodkanaal Schooltv. Opgenomen in de beschrijving van dit kanaal is het aanbieden van samenhangend educatief media-aanbod waar ook scholen gebruik van kunnen maken. De keuze voor daadwerkelijk gebruik van bepaalde leermiddelen is altijd aan de school zelf. Die vrijheid is opgenomen in artikel 23 van de Grondwet.
De Sinterklaasviering in Nederland |
|
Annelotte Lammers (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Intocht van Sinterklaas in Yerseke afgelast»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat wij in Nederland tradities zoals Sinterklaas moeten koesteren?
Ja, Nederlandse tradities moeten we koesteren. Soms is dat in een wat aangepaste vorm, zodat op die manier een traditie juist kan blijven bestaan. Het Sinterklaasfeest is een eeuwenoude traditie die wordt vormgegeven door de samenleving en die is blijven bestaan door te veranderen.
Bent u het er ook mee eens dat de politie de veiligheid zou moeten kunnen garanderen en dat het niet kan dat een stelletje relschoppers van Kick Out Zwarte Piet (KOZP) ervoor kan zorgen dat een kinderfeest geen doorgang vindt? Wordt er niet op deze manier toegegeven aan een dreigement van ordeverstoring? En loopt men op deze wijze niet het risico op precedentwerking?
Van de burgemeester heb ik vernomen dat de officiële intocht van Sinterklaas dit jaar door het Sinterklaascomité Yerseke is afgelast. Tijdens de intocht in 2024 demonstreerden ongeveer 20 personen tegen zwarte piet. Ongeveer 100 tegendemonstranten probeerden dat protest te verstoren, waarbij vreedzame betogers zijn bekogeld met eieren. Volgens mediaberichten is ook geprobeerd hen te belagen. De politie heeft destijds moeten ingrijpen en heeft uiteindelijk vier bij de tegendemonstratie betrokken personen gearresteerd.
KOZP had aangekondigd dit jaar bij de intocht in Yerseke te demonstreren, waarna het comité heeft besloten de intocht af te gelasten omdat naar hun oordeel de intocht niet veilig kon plaatsvinden gelet op landelijke dreigingen van meerdere actiegroepen en de mogelijke risico’s die daarmee gepaard gaan. Dat vind ik teleurstellend.
Het faciliteren en in goede banen leiden van demonstraties is verder aan de burgemeester, die daarover verantwoording aflegt aan de gemeenteraad.
Deelt u de mening dat de dorpsgemeenschap met deze maatregel zeer benadeeld wordt in het vieren van tradities?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u het ermee eens dat de burgemeester zijn bevoegdheden moet aanwenden om dit traditionele kinderfeest doorgang te laten vinden? Zo nee, waarom niet? En zo ja, hoe zou dat vorm gegeven moeten worden en hoe is uw rol in dezen?
De burgemeester is verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde. Het is niet aan mij om een oordeel te geven over het optreden van de burgemeester. De burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad.
In dit geval heeft de burgemeester mij laten weten dat de gemeente tezamen met de politie zich operationeel hebben voorbereid op de intocht en eventuele demonstraties. Ook heeft de burgemeester de verschillende partijen bij elkaar gebracht voor een gesprek. Het comité heeft zelf besloten om de intocht af te gelasten, omdat het niet wilde dat de intocht in Yerseke toneel zou worden van een politieke of maatschappelijke confrontatie. De burgemeester is gekend in dit besluit, maar is daar verder niet in betrokken.
Tweetalig bestuur in Fryslân |
|
Rosanne Hertzberger (VVD), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Sander van Waveren (NSC) |
|
Moes , Rijkaart |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Tweetalig bestuur in Fryslân» van het Wetenschappelijk Bureau Nieuw Sociaal Contract?1 Deelt u de analyse uit dit rapport dat het huidige wettelijke kader voor Friese taalrechten in de bestuurlijke praktijk van provincie en gemeenten onvoldoende wordt uitgevoerd?
Ik ben bekend met het genoemde rapport van het Wetenschappelijk Bureau Nieuw Sociaal Contract. Echter, ik deel de analyse uit het rapport niet. Op basis van de mij beschikbare informatie heb ik geen aanleiding om te concluderen dat het wettelijke kader structureel onvoldoende wordt uitgevoerd.
In de aanbevelingen benadrukt het rapport dat er behoefte is aan structurele monitoring en rapportage van het gebruik van het Fries door provincie en gemeenten; kunt u uiteenzetten hoe u toezicht houdt op naleving van de Wet gebruik Friese taal door gemeenten en provincie? Overweegt u een structurele monitor of periodieke voortgangsrapportage?
Het uitgangspunt van de Wet gebruik Friese taal is dat burgers het recht hebben het Fries te gebruiken in het bestuurlijk verkeer, terwijl de wijze waarop overheidsorganisaties hieraan uitvoering geven voor een belangrijk deel decentraal is belegd. Gemeenten en de provincie hebben binnen de wettelijke kaders beleidsruimte om hun dienstverlening in te richten. Gemeenten hebben dus de ruimte om daar verschillende keuzes in te maken en eigen accenten te leggen.
Ik zie op dit moment geen aanleiding om te verkennen of een wettelijke verplichting tot het tweetalig aanbieden van kern-overheidsdiensten in Fryslân wenselijk en uitvoerbaar is. Ook zie ik geen aanleiding hier een structurele monitor of periodieke voortgangsrapportage voor in te stellen.
Wel blijf ik in het reguliere overleg met de provincie Fryslân en andere betrokken partijen aandacht houden voor de toepassing van de wet in de praktijk. In overleg met de provincie en betrokken partijen kunnen eventuele knelpunten worden besproken en kunnen werkbare oplossingen worden verkend. Tevens zullen we bij de tussentijdse evaluatie van de BFTK halverwege 2026 hier aandacht aan geven.
Hoe beoordeelt u de constatering dat het Fries in overheidscommunicatie een recht van de burger is in plaats van een plicht van de overheid? Bent u bereid te onderzoeken hoe de Wet gebruik Friese taal kan worden versterkt zodat actieve toepassing door de overheid als uitgangspunt geldt, zodat de term «recht van de burger» kan worden vervangen door «verplichting van de overheidsorganisatie»?
Zie antwoord vraag 2.
Het rapport geeft op pagina 10 aan: «Elke gemeente bepaalt zelf in hoeverre het Fries wordt ingezet in de dienstverlening, de communicatie en de digitale omgeving». Herkent u dat deze verschillen bestaan en tot onduidelijkheid kunnen leiden? Bent u bereid om met de Friese gemeenten en de provincie te onderzoeken hoe een gedeeld basisniveau bereikt kan worden voor de inzet van de Friese taal?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen acht u passend om een uniforme uitvoering van de wet binnen Fryslân te garanderen? Is de regering bereid te verkennen of een wettelijke verplichting tot tweetalig aanbieden van kern-overheidsdiensten in Fryslân wenselijk en uitvoerbaar is? Zo ja, welke stappen ziet u? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat digitale overheidsdiensten het risico vergroten dat minderheden taaltechnologisch worden vergeten? Bent u bereid om in rijksbrede ICT-standaarden expliciet op te nemen dat systemen in Fryslân tweetalig moeten functioneren? Zo nee, waarom niet?
De Wet gebruik Friese taal borgt het recht van burgers om het Fries te gebruiken in het bestuurlijk verkeer. Ik zie op dit moment geen aanleiding om in deze standaarden een verplichting op te nemen dat systemen in Fryslân tweetalig moeten functioneren. Eventuele aandachtspunten rond digitale toepassing van het Fries kunnen in overleg met de provincie Fryslân worden besproken.
Kunt u toelichten hoe u waarborgt dat AI-systemen die binnen de overheid worden gebruikt ook low-resource talen zoals het Fries kunnen en moeten ondersteunen?
Momenteel wordt er onder regie van het Ministerie van BZK samengewerkt met de provincie Fryslân aan een generatieve AI-pilot. Het betreft een zogeheten AI-transcribeertool voor het Fries (met de werktitel «Friese Robuuste Intelligente Spraakherkenning» (FRIS). Het doel is om de Friese spraakherkenning te bevorderen, bij overheidsdienstverlening. U kunt hierbij denken aan transcriberen in de zorg waar anderstaligen de diagnose beter begrijpen als deze in het Fries vertaald wordt. Met de pilot wordt tevens verkend of en hoe AI kan bijdragen aan het ondersteunen van het Fries in o.a. overheidscommunicatie. Als deze pilot succesvol is, wordt bekeken of deze aanpak ook toepasbaar is voor andere low-resource talen. Daarbij wordt steeds gekeken naar de praktische inzetbaarheid en betrouwbaarheid van de technologie. De pilot is gestart in april 2025 en wordt in februari 2026 afgerond. De pilot wordt geëvalueerd in het eerste kwartaal van het jaar voor mogelijke doorontwikkeling.
Is er een tijdpad om digitale formulieren, bestuurlijke publicaties, raadsinformatiesystemen en burgerportalen volledig tweetalig beschikbaar te maken? Zo nee, wanneer komt dat tijdpad?
Er is op dit moment geen landelijk vastgesteld tijdpad om digitale formulieren, bestuurlijke publicaties, raadsinformatiesystemen en burgerportalen volledig tweetalig beschikbaar te maken. De inrichting van deze voorzieningen valt onder de verantwoordelijkheid van gemeenten en de provincie, binnen de kaders van de Wet gebruik Friese taal. Of een dergelijk vast te stellen tijdpad werkbaar en wenselijk wordt geacht is onderdeel van overleg tussen Rijk en provincie Fryslân.
Het gebruik en de bescherming van Nedersaksisch en Limburgs als streektalen |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ilse Saris (CDA), Natascha Wingelaar (NSC) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het bericht «Friese taal wordt beter doorgegeven dan het Nedersaksisch», over het promotieonderzoek van Raoul Buurke naar het gebruik en het behoud van deze beide streektalen in de afgelopen decennia?1
Ja. Ik heb kennisgenomen van het bericht over het onderzoek van dr. Buurke.
In hoeverre worden de verschillen in de mate waarin het Fries en Nedersaksisch als streektaal worden gebruikt, vermengd met Nederlands en doorgegeven aan jongeren naar uw mening veroorzaakt door de hardnekkige weigering van de regering om het Nedersaksisch (evenals het Limburgs) te erkennen onder deel III van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden, dat door Nederland in 1996 is geratificeerd?
De verschillen in gebruik tussen het Fries en het Nedersaksisch zijn niet uitsluitend het gevolg van de erkenning onder het Europees Handvest. Demografische en sociale factoren, zoals het aantal sprekers, de mate van verstedelijking, het gebruik in gezinnen en de aanwezigheid in onderwijs en media, spelen hierbij eveneens een belangrijke rol. De verschillen in vitaliteit tussen beide talen kunnen dus niet enkel worden toegeschreven aan het ontbreken van een erkenning onder deel III. Bovendien brengt erkenning onder deel III juridisch bindende verplichtingen met zich mee, die een zorgvuldige afweging vereisen. Daarnaast biedt erkenning onder deel II voldoende ruimte om het Nedersaksisch en het Limburgs te beschermen, aangezien dit deel ook verplichtingen bevat om het gebruik van deze talen te beschermen en bevorderen.
Deelt u de mening dat het belangrijk is om het Nedersaksisch en Limburgs als streektalen te behouden, als onderdeel van de identiteit en het culturele erfgoed, en dat dit belang een erkenning van het Nedersaksisch en Limburgs onder deel III van het Handvest rechtvaardigt?
Het behoud van het Nedersaksisch en het Limburgs is belangrijk voor de regionale identiteit en het cultureel erfgoed. Dit uitgangspunt ligt ook aan de basis van de bestaande erkenning onder deel II van het Handvest en de convenanten. Of uitbreiding naar deel III passend is, vraagt een nadere analyse van uitvoerbaarheid en middelen en gaat in samenspraak met de betrokken regionale overheden.
Kunt u concreet toelichten hoe de huidige erkenning van beide streektalen onder deel II concreet uitwerking heeft gekregen in «beleid, wetgeving en praktijk ten aanzien van regionale talen», waartoe het Handvest de regering verplicht? Deelt u onze mening dat de inzet van het Rijk in de afgelopen decennia ontoereikend is geweest om de achteruitgang in het gebruik van streektalen te stoppen?
De erkenning onder deel II is concreet uitgewerkt via convenanten met de betrokken provincies en gemeenten. Daarmee is invulling gegeven aan de verplichtingen inzake samenwerking, beleid en kennisbevordering. Tegelijk is erkend dat het gebruik van streektalen onder druk staat zoals het onderzoek van Buurke aangeeft. Dit vraagt om blijvende inzet vanuit het Rijk en regionale overheden.
Kunt u toelichten wat de regering concreet heeft gedaan om de streektalen te behouden sinds het afsluiten van de convenanten met de verantwoordelijke provincies Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland en Friesland en de gemeenten Oost- en West-Stellingwerf (in 2018) en Limburg (in 2019)? Welke concrete initiatieven heeft de regering genomen om het gebruik van streektalen in diverse domeinen (zoals regionaal en lokaal bestuur, cultuur, media, onderwijs en kennis) te stimuleren? Welke belemmeringen zijn weggenomen?
Sinds het sluiten van de convenanten met de betrokken provincies en gemeenten in 2018 (voor het Nedersaksisch) en 2019 (voor het Limburgs) heeft de regering ingezet op versterking van samenwerking en kennisuitwisseling tussen Rijk en regio. Dit gebeurt onder meer via projecten op het gebied van onderwijs, cultuur, media en taalbevordering. Zo heeft het Rijk eind 2023 € 75.000 ter beschikking gesteld aan het provinciefonds, bestemd voor ’t Hoes veur ’t Limburgs. Daarnaast heeft het Rijk € 75.000 aan de gemeente Weststellingwerf verstrekt voor de bevordering en bescherming van het Nedersaksisch ten behoeve van alle partners in het convenant Nedersaksisch.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties organiseert daarnaast periodiek een Erkende Talen Symposium gericht op het delen van kennis, het bevorderen van samenwerking en het vergroten van bewustwording over de positie van regionale talen. Tevens onderhoudt het ministerie structureel ambtelijk contact met vertegenwoordigers van de betrokken provincies en gemeenten, om uitvoering van de convenanten te volgen en te ondersteunen. Tegelijkertijd blijft structurele borging in beleid, financiering en onderwijs een gezamenlijke uitdaging. Het behoud en de versterking van de streektalen vragen blijvende inzet van zowel het Rijk als de decentrale overheden.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat het Rijk provincies en gemeenten te hulp schiet bij hun inspanningen om het Nedersaksisch en Limburgs te behouden en dat het erkennen van de streektalen onder deel III helpt om de inzet van het Rijk te concretiseren?
Het Rijk acht samenwerking met provincies en gemeenten essentieel, aangezien de verantwoordelijkheid voor taalbeleid bij meerdere bestuurslagen ligt. Het is wenselijk dat het Rijk deze overheden ondersteunt bij hun inspanningen om het Nedersaksisch en Limburgs te behouden. Erkenning onder deel II en het convenant bieden ook voldoende ruimte om de talen te beschermen en te versterken, doordat dit deel al voorziet in verplichtingen tot bescherming. De effectiviteit hangt vooral af van de gezamenlijke inzet en samenwerking tussen Rijk, provincies en taalorganisaties.
Bent u ervan op de hoogte dat het Nedersaksisch in de meeste Noord-Duitse deelstaten, waaronder Nedersaksen, erkend is onder deel III van het Handvest? Bent u bereid zich te verdiepen in de praktijk bij onze Duitse buren en te bezien wat we van hen kunnen leren?
Ik ben hiervan niet op de hoogte. Desalniettemin sta ik open om die situatie verder te bestuderen en te bezien welke elementen passend zouden kunnen zijn voor de Nederlandse context, rekening houdend met ons bestuurlijke stelsel.
Wat is uw reactie op het concrete voorstel dat is uitgewerkt door het wetenschappelijk bureau van NSC voor erkenning van het Nedersaksisch en Limburgs onder deel III, dat is gebaseerd op de praktijk in Nedersaksen? Kunt u aangeven welke onderdelen van dit voorstel u niet uitvoerbaar of haalbaar acht en waarom niet?2
Ik heb het voorstel van NSC niet officieel ontvangen. Toch onderschrijf ik nogmaals het belang van het behoud en de versterking van regionale talen. Op het moment evalueren de convenantpartners het convenant Nedersaksisch. Het voorstel van NSC kan daarbij worden meegenomen, in overleg met de betrokken provincies en taalorganisaties. De evaluatie zal waardevolle inzichten bieden om te bepalen hoe de samenwerking tussen Rijk en regio verder kan worden versterkt en welke maatregelen het meest effectief bijdragen aan het behoud van de taal.
Het bericht ‘Van Gogh Museum dreigt deuren te sluiten, ruziet met staat over geld voor onderhoud’ |
|
Ilana Rooderkerk (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de mogelijke sluiting van het Van Gogh Museum?1
Ja.
Klopt het dat de Nederlandse overheid gevraagd is om de subsidie aan het Van Gogh Museum met € 2,5 miljoen per jaar te verhogen om voldoende financiering te bieden voor een noodzakelijke renovatie en wat is uw argumentatie om deze financiering niet te verstrekken?
Het klopt dat het Van Gogh Museum heeft gevraagd om een verhoging van de subsidie. Ik ben van mening dat de huidige subsidie voldoende is om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Het Van Gogh Museum zal ook zelf moeten bijdragen aan de uitvoering van haar eigen renovatieplan, in het bijzonder als het gaat om werkzaamheden die verdergaan dan noodzakelijk onderhoud. Uit onderzoek van de deskundige die mijn voorganger heeft ingeschakeld maak ik op dat het noodzakelijke onderhoud kan worden bekostigd uit de huisvestingssubsidie.
Daarnaast is in de plannen van het Van Gogh Museum voorzien in een pakket aan verduurzamingsmaatregelen. Mijn deskundige heeft de kosten daarvoor geraamd op een bedrag van € 56 miljoen, op een totaal van € 104 miljoen aan investeringen. Mijn deskundige heeft het Van Gogh Museum geadviseerd om alternatieve, minder kostbare verduurzamingsmaatregelen te onderzoeken. Het is vanzelfsprekend ook mogelijk om de verduurzamingsambities bij te stellen. Die afweging is aan het museum zelf. Het staat het museum vrij om zichzelf hogere ambities te stellen, als het museum daar voldoende financiële ruimte voor heeft. Het museum kan bijvoorbeeld haar eigen vermogen (eind 2024 meer dan € 50 miljoen) aanwenden, of tegen gunstige voorwaarden lenen bij de schatkist of het Nationaal Restauratiefonds.
Klopt het dat het Van Gogh Museum jaarlijks ruim € 6 miljoen uit het eigen vermogen reserveert voor de renovatie en het opvangen van gederfde inkomsten, en hoe weegt u deze inzet van eigen middelen mee in uw beoordeling van de hoogte van de subsidie?
In de openbare jaarrekening van het museum over het jaar 2024 is inderdaad te lezen dat het museum jaarlijks ruim € 6 miljoen uit het eigen vermogen reserveert voor de renovatie en het opvangen van gederfde inkomsten.
Ik ben van mening dat de huidige subsidie voldoende is om noodzakelijk onderhoud uit te voeren. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat het Van Gogh Museum volgens eigen onderzoek én een onafhankelijke visitatiecommissie te maken heeft met verouderde klimaatsystemen, lekkende daken, falende liften en installaties die het einde van hun levensduur hebben bereikt?
Ik verwijs naar de recente Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger met visitatierapporten die op 5 juni jongstleden met uw Kamer is gedeeld (2025D26334). De visitaties van de Rijksmusea – en de rapporten hierover – beogen een integrale evaluatie te zijn van de wijze waarop de Rijksmusea hun taken en maatschappelijke doelen opvatten en realiseren. De visitatiecommissie heeft geen bouwkundig onderzoek uitgevoerd en heeft ook geen rol bij het vaststellen van de huisvestingssubsidie.
Het Van Gogh Museum heeft het Ministerie van OCW laten weten dat er sprake is van achterstallig onderhoud. Ik ben van mening dat de verleende huisvestingssubsidie voldoende is voor noodzakelijk onderhoud. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Wat is de uitkomst van het «uitgebreid onderzoek door deskundigen» dat in opdracht van uw ministerie is uitgevoerd naar de technische staat en veiligheid van het gebouw, inclusief risico’s voor bezoekers, personeel en de collectie, wanneer er geen ingrijpende renovatie plaatsvindt?
Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van mijn ministerie, tijdens de bezwaarprocedure die door het Van Gogh Museum is gestart. Het onderzoek heeft gekeken naar reeds eerder uitgevoerde (meet)rapporten, het Masterplan van het Van Gogh Museum en naar de toerekening van de kosten uit het Masterplan. Uit het onderzoek leid ik af dat de jaarlijkse subsidie voldoende is voor noodzakelijk onderhoud. Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Kunt u het zowel het rapport van de visitatiecommissie als het rapport als gevolg van uitgebreid onderzoek door deskundigen met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Het visitatierapport van het Van Gogh Museum is reeds aan uw Kamer gezonden op 5 juni 2025 (2025D26334).
Ik zou graag het rapport van mijn deskundige met uw Kamer delen. Het Van Gogh Museum heeft mij echter verzocht om informatie te redigeren met het oog op vertrouwelijkheidsbezwaren. Ik heb het museum om verduidelijking gevraagd en wacht daar nog op. Na afronding zullen we het rapport zo spoedig mogelijk aan uw Kamer doen toekomen.
Hoe reflecteert u op de overeenkomst van 1962 tussen de Nederlandse staat en de Stichting Vincent van Gogh waarin is vastgelegd dat de staat een blijvende huisvesting voor de verzamelingen inricht en zorg voor de collectie te dragen «als ware die eigen goed»?
De Nederlandse staat is van mening dat aan de afspraken uit de overeenkomst in 1962 wordt voldaan.
Deelt u de opvatting van het museum dat deze overeenkomst ook een plicht inhoudt om het museumgebouw zo te onderhouden dat het duurzaam en veilig open kan blijven voor toekomstige generaties? Zo nee, waarom niet?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Hoe beoordeelt u het standpunt van het museum dat de Nederlandse staat met de huidige financiering en onderhoudsaanpak in strijd handelt met deze overeenkomst?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 7.
Op welke termijn verwacht u een definitief besluit te nemen over de financiering en renovatie en hoe voorkomt u tot die tijd dat het museum genoodzaakt is (gedeeltelijk) te sluiten?
Het Van Gogh Museum heeft beroep aangetekend bij de rechter. De zittingsdatum is nu gepland op 19 februari 2026. Een hoger beroep is mogelijk na uitspraak van de rechter. Dit betekent dat het nog tot in 2027 kan duren voordat definitief uitsluitsel komt over de hoogte van de subsidie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en vóór het verkiezingsreces beantwoorden?
Nee, ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd bij brief van 2 oktober 2025.2
Het behoud en exploitatie onze bruine vloot |
|
Folkert Idsinga (VVD), Nicolien van Vroonhoven-Kok (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Historische Vloot meert aan in Giethoorn op weg naar Sail Amsterdam», waarin wordt beschreven hoe maar liefst 34 historische schepen voor een tussenstop afmeerden in de haven aldaar?1
Ja.
Erkent u de waarde van deze bijzondere historische vloot, ook omdat het de kans geeft om onze maritieme historie en de daarbij horende verhalen levend te houden?
Ons varend erfgoed geeft een beeld van onze rijke maritieme historie. Alle betrokkenen bij dit cultureel erfgoed, vaak vrijwilligers, houden de verhalen levend en zorgen er daarmee voor dat de volgende generaties hiervan kennis kunnen blijven nemen. Ook druk bezochte evenementen als Sail dragen daar aan bij.
Bent u op de hoogte van het pilotproject in de gemeente Harlingen om de toekomst van de historische zeilvaart veilig te stellen?2
Ja, ik ben op de hoogte van de pilot «Rendabele Chartervloot».
Deelt u de analyse dat het toekomstperspectief voor de historische zeilvaart door eisen op het gebied van milieu en veiligheid onder druk staat en dat eigenaren/exploitanten voor een grote opgave staan om hun schepen rendabel en duurzaam te maken?
Voor de veiligheid van de bruine vloot is het Ministerie van Infrastructuur & Waterstaat (I&W) in samenwerking met de Inspectie Leefomgeving en Transport verantwoordelijk. I&W is in samenwerking met de sector bezig de veiligheidsregelgeving te moderniseren. Zij zijn zich terdege bewust van de beperkte financiële draagkracht van de ondernemers in de sector en houden daar bij het stellen van de eisen rekening mee. Het aantoonbaar verhogen van de veiligheid van de historische zeilvloot staat voorop. Naar aanleiding van enkele dodelijke ongevallen is in de Kabinetsreactie op het OVV-rapport en de Kamerbrieven benadrukt dat dit een gezamenlijke opgave is van alle partijen in de keten. Hierin hebben de exploitanten, samen met de andere actieve partijen in deze sector een gezamenlijke opgave.
Ook om de milieu-gerelateerde uitstoot van schepen terug te dringen leveren partijen over de hele keten inspanningen.
Op welke wijze is de rijksoverheid bij deze pilot om de sector in deze opgave te ondersteunen in Harlingen betrokken?
De pilot wordt gefinancierd vanuit de Regio Deal Noardwest Fryslân. Aan die Regio Deal levert de Rijksoverheid een rijksbijdrage. In de Regio Deals werken Rijk en regio samen aan een betere woon-, werk- en leefomgeving voor bewoners en ondernemers in de regio. De Regio Deals: hoe werkt het? | Regio's | Rijksoverheid.nl
Deelt u de mening dat we in Nederland trots moeten zijn op de historische chartervaart als onderdeel van ons maritiem erfgoed en dat het daarom van belang is dat eigenaren/exploitanten van historische zeilschepen toekomstperspectief hebben?
Nederland heeft een rijke maritieme geschiedenis. Voor de zorg van historische schepen zetten vele (behouds)organisaties, eigenaren en vrijwilligers zich in. De chartervaart draagt hieraan bij door schepen commercieel te exploiteren. Hieruit wordt het onderhoud van de schepen gefinancierd. Toekomstperspectief is uiteraard van belang. De wijze van exploitatie is een zaak van de desbetreffende ondernemers.
Herinnert u zich het «plan van aanpak Nederlands varend erfgoed» dat onder begeleiding van het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) in 2021 is opgesteld met de inspanningen van de vereniging voor de beroepschartervaart BBZ, vier provincies, de Vereniging van Zuiderzeegemeenten en de Vereniging van Waddenzeegemeenten?3
Ja.
Bent u bereid om met de NBTC te verkennen of en hoe de historische zeilvaart onderdeel kan worden van de «verhaallijnen» voor Nederland, waarmee we de trots op het erfgoed ook verbinden aan de geschiedenis van ons land en de toeristische potentie daarvan?
Nee. De verhaallijnen worden niet langer toegepast. Dit hangt samen met de afnemende investeringsbereidheid van provincies en steden om bij te dragen aan deze verhaallijnen.
In plaats daarvan wordt ingezet op flexibelere vormen van samenwerking, onder meer via cross-sectorale initiatieven op thema’s als Water en New Dutch. Gemeenten en provincies hebben daarmee ruimte om erfgoedbeleving op een eigen wijze te versterken. Ook worden nieuwe initiatieven ontplooid via de Regiodeals (zie antwoord op vragen 5 en 10).
Bent u bereid om hierbij de gemeenten en provincies te betrekken waar de bruine vloot van oudsher onderdeel is van de regionale identiteit en economie?
Nee, zie antwoord op vraag 8.
Op welke wijze ondersteunt de rijksoverheid het kwetsbare verdienmodel van de sector op dit moment financieel en via welke faciliteiten worden eigenaren/exploitanten geholpen bij het veiliger en duurzamer maken van hun schepen?
Via financiering van de Regio Deal. Rijk en regio zitten gezamenlijk aan tafel in de Regio Deal. In de Regio Deal leveren Rijk en regio allebei een financiële bijdrage.
Bent u bereid om te verkennen op welke wijze het aanwijzen van de historische zeilvaart als «werelderfgoed» – ook financieel – kan bijdragen aan de instandhouding van de vloot en daarbij bijvoorbeeld te bezien welke mogelijkheden er bestaan om het beroep van schipper als immaterieel erfgoed aan te merken?
De UNESCO-conventie ter bescherming van immaterieel cultureel erfgoed, waar het hier over gaat, richt zich op (het behoud van) kennis en vaardigheden die nodig zijn voor de beoefening van een traditie, een ambacht of een sociale praktijk. Sinds december 2023 is het beroep «schipper bruine vloot» opgenomen in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Daarnaast heeft het Koninkrijk der Nederlanden eens in de twee jaar de mogelijkheid om één immaterieel erfgoed te nomineren voor de internationale Representatieve Lijst van immaterieel erfgoed van het Unesco-verdrag. Aan de start van de nominatieprocedure vraagt het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) bij alle gemeenschappen op de inventaris uit, of zij zich willen kandideren voor deze nominatieprocedure. Dit is het moment dat de gemeenschap van «schipper bruine vloot» aan kan geven genomineerd te willen worden namens het Koninkrijk der Nederlanden. Een nadere verkenning acht ik dus overbodig.
Alhoewel geen doel op zich kan een duiding als (immaterieel) werelderfgoed een positief effect hebben op het aantrekken van meer nationale en internationale bezoekers en daarmee op het genereren van extra inkomsten.
Het artikel Commissie kiest niet tussen Landbouwmuseum en 'Hindeloopen' van de Leeuwarder Courant |
|
Martin Oostenbrink (BBB) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving in de Leeuwarder Courant over het feit dat de adviescommissie Musea geen keuze heeft gemaakt tussen het Fries Landbouwmuseum en Museum Hindeloopen voor de resterende cultuursubsidie van € 228.000?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat het enige professionele landbouwmuseum van Nederland, het Fries Landbouwmuseum, ondanks een sterke aanvraag van € 760.000 voor drie jaar, buiten de boot dreigt te vallen?
Ik begrijp dat de uitkomst van het adviesproces voor het Fries Landbouwmuseum teleurstellend is. Het betreft hier de verdeling van de provinciale cultuursubsidies. De provincie maakt een afweging binnen hun beleidskaders en beschikbare middelen. Als Minister van OCW ga ik niet over de verdeling van Provinciale cultuursubsidies.
Deelt u de mening dat het Fries Landbouwmuseum een unieke rol speelt in het verbinden van boer en burger, stad en platteland, onder andere via symposia, educatie en publieksactiviteiten? Zo ja, hoe waardeert u deze rol in het licht van het landelijke cultuurbeleid?
Culturele instellingen die inzetten op educatie, ontmoeting en erfgoed in de regio kunnen van grote betekenis zijn. Het beoordelen van aanvragen voor provinciale cultuursubsidies is echter de verantwoordelijkheid van de provincie zelf.
Binnen de landelijke culturele basisinfrastructuur (BIS) is subsidie beschikbaar voor twaalf regionale musea. Iedere provincie kan per BIS-periode één museum voordragen. Op voordracht van de provincie Friesland ontvangt in de periode 2025–2028 het Fries Museum deze subsidie.
Bent u bereid om in overleg te treden met de provincie Fryslân over aanvullende financiering voor het Fries Landbouwmuseum, mede gezien het feit dat het museum zonder deze steun mogelijk moet sluiten?
Het is aan de provincie Fryslân om te bepalen hoe zij haar middelen inzet binnen het provinciale cultuurbeleid. Voor wat betreft de BIS-subsidie verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de zorg dat het verdwijnen van het educatieprogramma van het museum na afloop van de tijdelijke financiering door het Mondriaanfonds in 2025 een verlies betekent voor de verbinding tussen landbouw, natuur en educatie? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om dit programma te behouden?
Via het Mondriaan Fonds kan ik bijdragen aan tijdelijke ondersteuning van specifieke activiteiten voor een beperkte periode, zoals bij het Landbouwmuseum is gebeurd. Structurele en permanente ondersteuning van educatieve activiteiten vanuit de cultuurfondsen is niet mogelijk.
Deelt u de visie dat culturele instellingen in de regio bijdragen aan sociale cohesie, noaberschap en democratische betrokkenheid, en dat het behoud van deze instellingen essentieel is voor de leefbaarheid van het platteland?
Culturele instellingen kunnen een verbindende rol spelen in gemeenschappen, de lokale identiteit versterken en ruimte bieden voor ontmoeting en debat. Wel is het nodig te erkennen dat de ondersteuning van musea met een regionale functie primair bij provincies en gemeenten ligt.
Bent u bereid om het Fries Landbouwmuseum als voorbeeld van cultureel erfgoed met een sterke regionale en educatieve functie op te nemen in een structurele landelijke subsidieregeling, zodat het museum niet afhankelijk blijft van incidentele of competitieve fondsen?
Structurele financiering is voorbehouden aan de musea die Rijkscollectie beheren en aangewezen zijn als wettelijk beheerder via de Erfgoedwet. In dit geval is er geen sprake van een museum met Rijkscollectie.
Bent u bereid om met vertegenwoordigers van het Fries Landbouwmuseum en andere regio-instellingen in gesprek te gaan over structurele ondersteuning?
Zie hiervoor het antwoord bij vraag 7.
Het bericht ‘Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht dreigt te verdwijnen vanwege geldgebrek’ |
|
Sandra Beckerman (SP), Ilana Rooderkerk (D66), Anita Pijpelink (PvdA) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht dreigt te verdwijnen vanwege geldgebrek?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Waarom stopt u met het financieren van het Onderwijsmuseum?
Vanwege de taakstelling heb ik scherpe keuzes moeten maken in wat wel en niet meer kan. Ik focus mij daarbij op de kerntaak binnen het funderend onderwijs: de zorg voor goed onderwijs en de aanpak van het lerarentekort. Daar zet ik mijn mensen en middelen op in. Dat betekent dat de werkzaamheden en subsidie aan het Nationaal Onderwijsmuseum wordt gestopt.
Waarom stond dit niet expliciet in de OCW-begroting of in de losse tabel voor de subsidietaakstelling?
De subsidie staat op de OCW-begroting opgenomen onder het instrument «overige subsidies». Een verdere uitsplitsing daarvan is te zien in het subsidieoverzicht in bijlage 4. Dit besluit is genomen vanuit de APK-taakstelling en was dus geen onderdeel van de overzichten voor de subsidietaakstelling.
Welke alternatieven voor financiering van het Onderwijsmuseum heeft u verkend?
Het Onderwijsmuseum verkeert al langere tijd in financieel zwaar weer en genereert relatief weinig eigen inkomsten. Dit betekent dat ook het voortzetten van de huidige subsidie niet houdbaar zou zijn. In een eerdere fase is daarom de subsidie geanalyseerd om te kijken wat nodig zou zijn om het museum financieel stabiel te krijgen. Daarnaast is onderzocht wat de mogelijkheden zouden zijn om de kennisfunctie van het museum te versterken en er, in samenhang met NRO, een kenniscentrum van te maken.
Voor alle alternatieven geldt echter dat het subsidiebedrag flink verhoogd zou moeten worden. Daar zie ik geen ruimte voor.
Door tijdig aan het museum te laten weten dat de subsidie stopt, hebben we geprobeerd de ruimte voor het museum om alternatieve financieringen te vinden of om de mogelijkheid om de collectie op een zorgvuldige wijze ergens anders onder te brengen zo groot mogelijk te houden. De verantwoordelijkheid voor de invulling hiervan ligt bij het museum zelf.
Deelt u dat dit een onherstelbaar verlies is voor het Nederlandse onderwijserfgoed en dat hiermee niet alleen een uniek museum verdwijnt maar ook een kenniscentrum voor leraren en leerlingen?
Het Nationaal Onderwijsmuseum beheert een collectie over de geschiedenis van het onderwijs. Dat is ook de reden dat we zo vroeg mogelijk aangekondigd hebben dat de subsidie aan het museum op den duur gaat stoppen.
Deze collectie is geen eigendom van het Rijk, maar van de museale stichting. In de komende tijd beziet het museum wat voor mogelijkheden er zijn om de collectie voor de toekomst te behouden. Zij hebben zich daarbij in ieder geval te houden aan de Leidraad Afstoting Museale Objecten.
Waarom stopt de gemeente Dordrecht met de financiering en per wanneer?
Dit is aan de gemeente Dordrecht, dat kunnen wij als OCW niet beantwoorden.
Gaat u in gesprek met de gemeente Dordrecht om te voorkomen dat de financiering wordt stopgezet?
De gemeente maakt zelfstandig keuzes binnen de huidige financiële situatie. Wij gaan als OCW niet over de keuzes die de gemeente maakt.
Gaat u in gesprek met het Onderwijsmuseum om de afbouw van het museum te staken totdat de OCW-begroting voor 2026 is aangenomen?
Ik heb het Onderwijsmuseum zo vroeg mogelijk geïnformeerd om de kans te bieden op zoek te gaan naar alternatieve financiering of, als zij hier geen mogelijkheden voor zien, een zorgvuldige afbouw te realiseren. Hoe het museum daar invulling aan geeft is uiteindelijk aan het museum zelf.
Bent u bereid uw besluit te heroverwegen?
Gezien de reeds onderzochte alternatieven en de bijbehorende verhoging van inzet en subsidie, zoals in mijn antwoord op vraag 2, 3 en 4 toegelicht, zie ik geen redenen en geen mogelijkheden om dit besluit te heroverwegen.
Een gratis bibliotheeklidmaatschap |
|
Mohammed Mohandis (PvdA) |
|
Eppo Bruins (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (NSC) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat de gemeente Rotterdam binnenkort alle inwoners een gratis lidmaatschap van de bibliotheek aanbiedt? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken dit bericht. De gemeente Rotterdam heeft besloten dat het lidmaatschap van de openbare bibliotheek vanaf 1 mei gratis is voor alle inwoners. Ook vervallen de boetes voor het te laat terugbezorgen van geleende boeken. Maatregelen die het bereik en het gebruik van de openbare bibliotheek kunnen vergroten, juich ik toe.
Deelt u de mening dat, gezien de groeiende faciliterende en bemiddelende rol van bibliotheken bij overheidsdiensten, kennis- en vaardighedenvermeerdering en het versterken van de lokale sociale cohesie, zo min mogelijk drempels voor bibliotheken moeten worden opgeworpen? Zo ja, welke mogelijkheden ziet u om mensen over de streep te trekken om de bibliotheek te bezoeken?
Ja, die mening deel ik en we doen daar dan ook veel aan. In de periode 2023–2025 wordt op basis van de Spuk bibliotheken het aantal bibliotheekvestigingen met circa 50 uitgebreid, worden 100 beperkte bibliotheekvoorzieningen uitgebreid tot een volwaardige vestiging en worden van circa 200 vestigingen de bemande openingsuren verruimd. Het bibliotheekaanbod en de bereikbaarheid worden hiermee aanmerkelijk vergroot. Het is van belang dat zo veel mogelijk personen van het aanbod gebruikmaken. De bibliotheekpartijen – de overheden en bibliotheekorganisaties – beschouwen dit als een belangrijke opdracht. Zij werken daar langs verschillende wegen aan. Zo is in het bibliotheekconvenant van 10 oktober 2024 afgesproken te onderzoeken hoe het bereik en gebruik van bibliotheken kan worden vergroot.2 Als opties daarvoor noemt het convenant het verruimen van het gratis lidmaatschap en een automatisch lidmaatschap voor de jeugd. Ook is in 2024 een brede publiciteitscampagne over de openbare bibliotheek gestart onder de titel «Ontdek wat je allemaal kan». De tweede ronde daarvan liep van 24 maart tot en met 4 mei 2025.
Deelt u tevens de mening dat met name financiële drempels zoals lidmaatschapsgeld en boetes zouden moeten worden weggenomen? Zo nee, waarom niet?
Het is niet uitgesloten dat de kosten van het lidmaatschap een rol spelen bij het niet-gebruik van de openbare bibliotheek. Dit onderwerp zal ik opnemen in het onderzoek dat ik laat uitvoeren naar aanleiding van de motie van de leden Rooderkerk en Kisteman van 26 november 2024 over een automatisch gratis lidmaatschap voor ieder kind.3 Het onderzoek zal eind dit jaar zijn afgerond. Op dit moment houden bibliotheken bij de prijsstelling van hun abonnementen al rekening met de randvoorwaarde van een brede toegankelijkheid. In aanvulling daarop bieden verschillende gemeenten voor specifieke doelgroepen gratis toegang tot de bibliotheek via bijvoorbeeld stadspassen.
Bent u bereid om te onderzoeken hoe dit uitstekende Rotterdamse initiatief breder kan worden uitgerold? Zo ja, waar denkt u precies aan en bent u bereid om in overleg te treden met (vertegenwoordigers van) bibliotheken welke initiatieven kunnen bijdragen aan een substantiële verhoging van het bibliotheekbezoek?
Ik zal de ervaringen van bibliotheken met een gratis lidmaatschap zeker betrekken bij het onderzoek beschreven in het antwoord op vraag 3. De inkomsten uit lidmaatschapsgelden bij bibliotheken bedragen ongeveer € 50 mln. per jaar. Dat is ongeveer 10% van de exploitatiekosten.