Het bericht ‘Twee jonge criminelen lopen weg uit behandelcentrum’ |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Twee jonge criminelen lopen weg uit behandelcentrum»?1 Klopt hetgeen hierin vermeld wordt en dat deze criminelen gewoon een auto ingestapt zijn en konden wegrijden? Zo nee, wat klopt er niet?
Ja, ik ben bekend met dit bericht en constateer dat de berichtgeving klopt.
Deelt u de mening dat het kennelijk makkelijk geweest moet zijn om te ontsnappen, aangezien het maar liefst twee personen geweest zijn die de benen hebben kunnen nemen en ze blijkbaar gewoon in een auto konden stappen en wegrijden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben in afwachting van het onderzoek dat door het Bureau Veiligheid en Integriteit van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) wordt uitgevoerd naar dit incident. Het Bureau Veiligheid en Integriteit voert momenteel een onderzoek uit naar de toedracht van de ontvluchting. Op basis van deze resultaten zal ik beoordelen of deze ontvluchting een incident betreft dan wel het gevolg is van structurele tekortkomingen in Amsterbaken. Overigens kan ik u nog informeren dat beide jongens inmiddels zijn aangehouden.
Bent u bereid altijd een compleet signalement uit te zenden via Burgernet als criminelen het op een lopen zetten, aangezien zij altijd een gevaar voor de samenleving vormen? Zo nee, wat moet er gebeuren om u van uw overtuiging af te brengen dit niet nodig/ wenselijk is?
In antwoord op recente vragen van lid Helder van uw Kamer (Tweede Kamer 2013–2014, Aanhangsel, nr. 31) heb ik aangegeven dat per incident het belang van een opsporingsbericht wordt afgewogen door het Openbaar Ministerie. Bij de overweging om hiertoe al dan niet over te gaan, is, naast de afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit, de inschatting van de reactie van de onttrokken persoon op de media-aandacht van groot belang. Uit ervaring is gebleken dat sommige onttrokken personen gevaarlijk en meer onberekenbaar worden door media-aandacht, terwijl anderen op de vlucht slaan. De Groep Opsporing Onttrekkingen van de Landelijke Eenheid maakt in samenspraak met Officier van Justitie bij het Landelijk Parket en de Justitiële Jeugdinrichting (JJI) per incident een inschatting van de gevaarzetting. Op basis daarvan worden gericht instrumenten ingezet om de ontvluchtte op te sporen. Daarbij kan gebruik gemaakt worden van Burgernet.
Voor de volledigheid meld ik hierbij dat ook de lokale politie eenheden, bijvoorbeeld op verzoek van de burgemeester, Burgernet kunnen inzetten. Het is aan de betrokken partijen om de afweging te maken of en hoe uitgebreid het signalement uitgezonden wordt via Burgernet. Ik heb alle vertrouwen in de professionaliteit van betrokkenen dat zij hierin een zorgvuldige afweging maken waarbij zij oog hebben voor proportionaliteit, persoon en veiligheid van de samenleving.
Deelt u de mening dat het argument dat sommige criminelen onberekenbaar gedrag kunnen vertonen door media-aandacht nooit een excuus mag zijn om geen signalement via Burgernet te verspreiden? Zo nee, wat moet er gebeuren om u van deze laffe overtuiging af te brengen?
Zoals ik reeds bij antwoord 3 heb aangegeven, maakt de Groep Opsporing Onttrekkingen van de Landelijke Eenheid in samenspraak met Officier van Justitie bij het Landelijk Parket en de Justitiële Jeugdinrichting per incident een inschatting van de gevaarzetting. Daarbij gaat het om een zorgvuldige afweging die door professionals gemaakt wordt gericht op adequate inzet van instrumenten met als doel een zo effectieve en efficiënte opsporing.
Bent u bereid de kosten die gemaakt zijn bij de zoektocht, zoals het inzetten van een politiehelikopter en het inzetten van veel politiepersoneel, op dit ontsnapte tuig te verhalen? Zo nee, waarom bent u niet bereid uw beleidslijn te doorbreken en wat moet er gebeuren om u van uw overtuiging af te brengen?
Ik ben niet bereid om de beleidslijn te doorbreken. Zoals eerder aangegeven in antwoord op vragen van lid Helder van uw Kamer (Tweede Kamer 2013–2014, Aanhangsel, nr. 31) is de algemene beleidslijn dat geen kosten worden doorberekend voor de uitvoering van kerntaken van de politie. De door politie in het kader van strafvordering verrichte werkzaamheden maken deel uit van de wettelijke taak van de politie. De opsporingskosten worden derhalve niet op de ontvluchtte jeugdige verhaald. Ik zie vooralsnog geen reden om deze beleidslijn te doorbreken die deels is gevormd door eerdere uitspraken van de rechterlijke macht inzake het niet mogen verhalen van kosten van politie inzet op de verdachte.
Staat u achter de slogans van de VVD van nog geen jaar geleden «Vandalen gaan betalen» en «Meer straf en minder begrip voor criminelen?» Zo nee, waarom niet?
Ik sta achter deze slogans. Via diverse beleids- en wetgevingstrajecten wordt hier momenteel ook concrete invulling aan gegeven. Ik wijs op het initiatiefvoorstel Oskam inzake Verruiming van de aansprakelijkheid voor gedragingen van minderjarigen. Dit voorstel strekt ertoe de thans bestaande risicoaansprakelijkheid van ouders ten aanzien van minderjarige kinderen tot 14 jaar, te verruimen tot alle minderjarige kinderen. Voorts bereid ik een regeling voor over onder meer de inning van een eigen bijdrage bij jongeren voor het verblijf in een Justitiële Jeugdinrichting (Kamerstukken II, 2012/13, 33 552, nr. 5). Uw Kamer wordt daarover dit jaar nog nader geïnformeerd.
Als het antwoord op de hierboven gestelde vraag bevestigend is, deelt u dan de mening dat het niet anders kan dan dat de kosten die gemaakt zijn om dit tuig op te sporen, op hen of hun ouder(s) verhaald moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Bent u bereid per direct maatregelen te nemen om te voorkomen dat criminelen uit een forensisch behandelcentrum de benen kunnen nemen? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen? Zo nee, waarom niet?
Het veiligheidsonderzoek moet uitwijzen of de ontvluchting een incident betreft dan wel het gevolg is van structurele tekortkomingen in JJI Amsterbaken. Aan de hand daarvan zal ik samen met de sectordirectie JJI van de DJI bezien of het nodig is om extra maatregelen te treffen.
De OV-chipkaart voor blinden en slechtzienden |
|
Farshad Bashir (SP) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom heeft u het probleem voor blinden en slechtzienden om te reizen met de OV-chipkaart in het streekvervoer nog niet opgelost?
Op 25 maart jl. heb ik overleg gehad met de Oogvereniging en een afvaardiging van de decentrale overheden en vervoerders. Het verslag van dit overleg heb ik aan uw kamer toegestuurd. Tijdens dit overleg is met name gesproken over het belang voor blinden en slechtzienden om gemakkelijk te kunnen reizen in het openbaar vervoer. En er zijn mogelijke oplossingen voor de ervaren problemen aangereikt. Een aantal van die oplossingen diende eerst nog nader te worden uitgewerkt. In het overleg heb ik met de decentrale overheden afgesproken dat ik op de hoogte zou worden gehouden van de in het overleg gemaakte afspraken. Dit is gebeurd. Er zijn inmiddels al diverse maatregelen genomen, onder meer op het gebied van communicatie en trainingen. Er is een maandelijks papieren transactieoverzicht, een duidelijk voelbaar kenmerk op de kaart en een voorgeladen anonieme OV-chipkaart. Daarnaast hoeven houders van een OV-begeleiderskaart, die ervoor kiezen hun kaart op te laden bij een balie, hiervoor geen servicekosten meer te betalen. Momenteel worden er afspraken gemaakt over de uniformiteit van de boodschappen in beeld en geluid van de OV-chipkaart apparatuur.
Het vinden van een oplossing voor blinden en slechtzienden voor het reizen met een OV-chipkaart in het stad- en streekvervoer duurt langer dan ik had verwacht. Bij NS is het goed geregeld met de OV-chip Plus. Deze oplossing blijkt niet direct door te vertalen naar het stad- en streekvervoer. Daar ligt nu de kern van het probleem waar u op doelt. Mijn indruk is dat dit mede komt doordat alle betrokken partijen intern en met elkaar nog aan het zoeken zijn naar de goede oplossing voor de doelgroep, en voorkeuren soms veranderd zijn. Tijdens het gesprek van 25 maart jl. is een aantal mogelijke oplossingen de revue gepasseerd.
Vervolgens hebben de decentrale overheden voor de zomer een aantal oplossingen, na een nader uitwerking, aan de Oogvereniging voorgelegd. Begin augustus hebben de partijen afgesproken om de mogelijkheden van reizen op rekening met in- en uitchecken nu eerst te onderzoeken, en verbeteringen van het Sentireproduct voorlopig te laten rusten. Er start nu een werkgroep, waarin zowel de overheden, vervoerders als de Oogvereniging zijn vertegenwoordigd. NS en TLS zijn hier eveneens bij betrokken. De overheden streven ernaar om begin 2014 duidelijkheid te hebben over de mogelijkheden van «reizen op rekening». Zij stellen mij via het NOVB op de hoogte van de voortgang
Bent u van mening dat u zich voldoende heeft ingezet om reizen voor deze groep op reservering mogelijk te maken, waar de motie van het lid Dik-Faber c.s.over reizen op rekening met reservering voor blinden en slechtzienden1 om vroeg? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Waar ik me voor inzet is een eventuele uitbreiding van doelgroepen van de specifieke producten voor blinden en slechtzienden, eveneens onderdeel van deze motie. Om te bepalen wie hier naast de groep van blinden en slechtzienden voor in aanmerking komen is nader onderzoek nodig, onder andere naar de noodzaak van indicatiestelling en de kosten. In het najaar evalueren de decentrale overheden de werking van het Sentireproduct voor mensen met een visuele functiebeperking. Die evaluatie en het onderzoek naar de mogelijkheden van reizen op rekening zullen input vormen voor de te maken afweging over de uitbreiding van de specifieke producten.
Als het gaat om het product reizen op rekening met vooraf reserveren, heb ik begrepen dat de Oogvereniging vooraf reserveren niet als een reële optie ziet voor het stad- en streekvervoer. Ik vind het belangrijk dat er een product komt dat zo goed mogelijk aansluit bij de wensen van de doelgroep.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid om goed en plezierig te kunnen reizen voor mensen die blind of slechtziend zijn van groter belang is dan de opbrengst voor de vervoerder? Wilt u uw antwoord toelichten?
Ik vind dat alle reizigers, dus ook blinden en slechtzienden, goed en plezierig met het openbaar vervoer moeten kunnen reizen. Hierbij dient zo goed mogelijk rekening te worden gehouden met de belangen van deze doelgroep. Daarnaast is onmiskenbaar dat de effectiviteit en betaalbaarheid van de keuzes die worden gemaakt in het openbaar vervoer ook een rol spelen. Daarin zijn niet alleen de vervoerders een partij, maar ook de overheden.
Bent u bereid om u in te zetten voor herinvoering van het Viziris-abonnement voor het streekvervoer? Indien neen, wat gaat u dan doen voor deze groep?
Waar het om gaat, is dat deze groep goed en plezierig kan reizen met het openbaar vervoer en er een product tot stand komt dat hier zo goed mogelijk invulling aan geeft. Hoe dit product eruit komt te zien, is een verantwoordelijkheid van de decentrale overheden en de vervoerders. In het overleg van 25 maart jl. hebben de decentrale overheden reeds aangegeven dat de herinvoering van het Viziris-abonnement niet tot de mogelijkheden behoort, omdat de kosten voor deze kaart niet in verhouding stonden tot het werkelijke reisgedrag. Dit werd zowel door de vervoerders als door veel blinden en slechtzienden als oneerlijk ervaren. Zij geven te kennen niet zozeer goedkoper te willen reizen dan andere reizigers, maar dat zij net als ieder ander gebruik willen kunnen maken van het openbaar vervoer. Ik ondersteun dat van harte.
Zou u deze vragen ruim vóór het algemeen overleg OV, taxi en OV-chipkaart van 1 oktober 2013 willen beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
De bekendheid en toepassing van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BBZ) voor ZZP’ers |
|
Mei Li Vos (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «De zelfstandige sappelt liever zonder steun«?1
Ja.
Hoeveel ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) zijn de afgelopen 12 maanden in financiële problemen gekomen en welk deel heeft een beroep gedaan op het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen (BBZ)?
Het ontbreekt aan gegevens over hoeveel zzp» ers de afgelopen 12 maanden in financiële problemen zijn gekomen. Gemiddeld deden in 2012 iets meer dan 3.600 personen een beroep op de Bbz-regeling. In grofweg de helft van de gevallen is sprake van een gevestigde ondernemer.
Heeft u gegevens over het percentage ZZP’ers dat bekend is met de BBZ-regeling? Zo nee, bent u bereid dat te laten onderzoeken?
Onderzoek onder het zzp-panel2 in 2010 liet zien dat ongeveer een kwart van de zzp’ers met onvoldoende financiële middelen (destijds 14% van het totaal) heeft overwogen om enige vorm van extra inkomensondersteuning te vragen. Zo'n 16% van degenen die inkomensondersteuning heeft overwogen, was bekend met inkomensondersteuning door gemeenten. Bij deze cijfers moet worden aangetekend dat het onderzoek van enige tijd geleden dateert en dat de percentages betrekking hebben op zeer kleine aantallen en dus als indicatief moeten worden beschouwd.
Ik onderschrijf het achterliggende belang van deze vraag, namelijk voldoende bekendheid met het Bbz onder de beoogde doelgroep. Hiermee kunnen mogelijk faillissementen worden voorkomen van zzp’ers die in de knel zitten. In de antwoorden op de vragen 5 en 6 wordt aangegeven welke activiteiten zijn ondernomen of inmiddels gepland staan om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Deelt u de mening dat aanzienlijke maatschappelijke kosten, door onnodige faillissementen en bedrijfsopheffingen, én persoonlijk leed (deels) voorkomen kunnen worden als ZZP’ers eerder en beter bekend zijn met de BBZ-regeling? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
Ik deel niet onverkort deze mening. Genoemde negatieve effecten hadden zich ook kunnen voordoen als bedoelde zzp’ers wel op de hoogte waren geweest van de Bbz-regeling. Bekend zijn met een regeling staat niet gelijk aan het gebruik (willen) maken van de regeling. Ondersteuning van zzp’ers onder gebruikmaking van het Bbz is bovendien slechts mogelijk als sprake is van een levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep. Wel deel ik uiteraard de mening dat een grotere bekendheid met het Bbz kan bijdragen aan het voorkomen van bijvoorbeeld faillissementen en daarmee samenhangend persoonlijk leed.
Deelt u de mening dat extra voorlichting, zowel gericht op de ZZP’ers als op gemeenten, geïntensiveerd moet worden? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen?
Ik ben met u van mening dat goede voorlichting van belang is. Recent zijn al verschillende maatregelen genomen om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Voorbeelden hiervan volgen uit de brief die de toenmalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 26 januari 2012 heeft verzonden naar de Eerste Kamer3. In bedoelde brief is aangegeven dat de teksten over het Bbz op websites als www.antwoordvoorbedrijven.nl en www.rijksoverheid.nl zijn verbeterd. Verder zijn gesprekken gevoerd met organisaties voor zelfstandigen om het Bbz bij hen onder de aandacht te brengen. Naar aanleiding hiervan heeft het Platform Zelfstandige Ondernemers (PZO) zijn serie infobladen uitgebreid met een infoblad over het Bbz en een infoblad over de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Daarnaast is informatie over het Bbz onder genoemde organisaties verspreid, aan de hand waarvan zij zelfstandigen kunnen wijzen op de mogelijkheden van het Bbz.
Met de publicatie «Haal meer uit het Bbz; meer rendement voor gemeenten bij de uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 », waarover de Tweede Kamer bij brief van 3 juli 2012 is geïnformeerd4, gaven VNG en SZW de aanzet tot het stimuleren van ondernemerschap en het vergroten van het rendement dat gemeenten uit het Bbz kunnen halen. In het door het Ministerie van SZW gesubsidieerde programma Vakmanschap van Divosa en VNG wordt hier op praktische wijze nadere invulling aan gegeven. In het kader van dit programma is een serie werkwijzers verschenen over de uitvoering van het Bbz die Divosa in 2012 en 2013 heeft gepubliceerd. Deze werkwijzers zijn onder meer te vinden op de websites van Divosa, VNG en het Gemeenteloket van het Ministerie van SZW.
Via het Ondernemersklankbord (OKB) worden jaarlijks ruim 3.000 ondernemers begeleid die zich melden met een hulpvraag. In 2012 was daarbij in 1.100 gevallen sprake van een faillissementspreventietraject. In 2013 zal dat aantal naar verwachting oplopen tot 1.200 ondernemers. Voor deze begeleiding wordt door het Ministerie van EZ subsidie verstrekt aan het OKB. Van de faillissementspreventies, die veelal ondernemingen betreffen die feitelijk al insolvent zijn, wordt ruim de helft met succes afgerond.
In het antwoord op vraag 6 volgt informatie over de geplande maatregelen om de bekendheid van het Bbz te vergroten.
Bent u bereid met de gemeenten in overleg te treden om de (doelstelling van de) BBZ-regeling extra onder de aandacht te brengen en uitwisseling van best practices te stimuleren?
Ik ben vanuit dit departement voornemens subsidie te verlenen aan Divosa en VNG om in het najaar van 2013 en het eerste en tweede kwartaal van 2014 diverse activiteiten te organiseren die meer bekendheid aan het Bbz zullen geven.
Er zullen regiobijeenkomsten worden georganiseerd door Divosa en gemeenten voor de uitvoerders van de Bbz-regeling bij gemeenten en hun leidinggevenden. Het thema is verdere professionalisering en vakmanschap bij het uitvoeren van de Bbz-regeling. Kennisdeling is het primaire doel van de bijeenkomsten.
In dezelfde periode zal de VNG bijeenkomsten voor bestuurders houden waarbij de bredere maatschappelijke voordelen van de Bbz-regeling naar voren worden gebracht. Het gaat daarbij om het stimuleren van actief gebruik en inzet van het Bbz door gemeenten, mede aan de hand van inzicht in maatschappelijke opbrengsten zoals behoud en stimulans van lokale en regionale werkgelegenheid. De focus zal daarbij ook liggen op samenwerking tussen gemeenten en andere partijen en het verbinden van het sociale en economische terrein om ondernemerschap in bredere zin te bevorderen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor 10 oktober 2013?
Mijn streven is gericht geweest op een zo spoedige mogelijke beantwoording.
Het incident in Khirbet Al-Makhul |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Diplomats protest over West Bank clash with Israel troops»?1
Ja.
Bent u tevens bekend met het bericht «IDF says it blocked EU-Palestinian effort to rebuild demolished homes»?2
Ja.
Hoe beoordeelt u de gebeurtenissen in het plaatsje Khirbet al-Makhul op de Westelijke Jordaanoever op 16 september 2013?
Op 16 september 2013 vond de sloop van Khirbet al-Makhul plaats door het Israëlische leger. Het kabinet heeft Israël meermaals opgeroepen de sloop van huizen van Palestijnen in de bezette gebieden te stoppen.
Klopt het dat de diplomaat in kwestie zich heeft aangesloten bij de woedende menigte die demonstreerde tegen de door het Israëlische Hooggerechtshof geautoriseerde sloop van woningen in Khirbet Al-Makhul? Hoe verhoudt deze informatie tot die uit het bericht van de BBC, waarin vermeld wordt dat de diplomaat slechts humanitaire hulp verleende aan de bewoners van Khirbet Al-Makhul?
Het kabinet heeft met bezorgdheid kennisgenomen van de berichtgeving over het incident in het plaatsje Khirbet al-Makhul. Navraag door de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah bevestigt dat de diplomaat in kwestie zich niet heeft aangesloten bij de verzamelde menigte. De door de Europese delegatie georganiseerde reis naar Khirbet al-Makhul, waarvan de Franse diplomate deel uitmaakte, diende ter begeleiding van een humanitair konvooi. Er zijn conflicterende berichten verschenen in de media over wat er zich zou hebben afgespeeld. Intussen hebben EU-vertegenwoordigers om uitleg gevraagd aan de Israëlische autoriteiten.
Behoort het verlenen van humanitaire hulp tot de werkzaamheden van Franse diplomaten? Is het mogelijk dat de diplomaat misbruik heeft gemaakt van haar privileges als diplomaat, zoals gesuggereerd door een Israëlische woordvoerder?
Het is niet ongewoon dat diplomaten ter plekke aanwezig zijn bij humanitaire hulpverlening.
Hoe beoordeelt u het optreden van het Israëlische leger onder de omstandigheden in kwestie? Bent u van mening dat het Israëlische leger op 16 september disproportioneel heeft gehandeld?
De diplomate maakte onderdeel uit van de begeleiding van een humanitair konvooi en geniet diplomatieke onschendbaarheid. Het kabinet is van mening dat het Israëlische leger in dezen disproportioneel heeft gehandeld en keurt gebruik van wapens en geweld tegen een humanitair konvooi te allen tijde af.
Is, via de Nederlandse vertegenwoordiger in Ramallah, na te gaan wat hier precies is voorgevallen? Kunt u de Kamer daarvan op de hoogte stellen?
Ja. Zie het antwoord op vraag 4.
De opvang van Syrische asielzoekers door Bulgarije |
|
Marit Maij (PvdA), Gerard Schouw (D66), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Nieuwsuur over de opvang van Syrische vluchtelingen in Bulgarije?1
Ja.
Op welke wijze worden Syrische vluchtelingen en andere asielzoekers in Bulgarije opgevangen? Hebben zij voldoende en tijdig toegang tot de asielprocedure? Krijgen zij op fatsoenlijke wijze bescherming en onderdak?
Volgens de Bulgaarse regering zijn er sinds begin 2013 4.400 vreemdelingen Bulgarije (illegaal) binnengekomen, waaronder 2.500 Syriërs. De meeste van hen reizen Bulgarije binnen via de grens met Turkije. Voor 4.000 personen zou een asielprocedure zijn opgestart, waaronder 1.500 Syriërs. Door UNHCR is kritiek geuit op de opvangcapaciteit en voorzieningen, en op de tijdsduur van de procedures.
De Bulgaarse autoriteiten hebben laten weten dat de opvangcentra overbezet zijn. Als ad hoc oplossing worden asielzoekers ondergebracht in scholen, caravans en tenten. Ook zijn er meer tolken en medisch personeel in dienst genomen. Tevens wordt er een trilateraal contactcentrum opgezet dat de samenwerking met politie en douane met Turkije en Griekenland coördineert. De Bulgaarse regering heeft een beroep op Europese solidariteit gedaan en om financiële steun verzocht.
In reactie op deze ontwikkelingen hebben de Europese Commissie, Frontex en EASO een gezamenlijke missie gepland aan Bulgarije. Naar ik ben geïnformeerd is een doel van deze missie inzichtelijk te maken welke ondersteuning aan Bulgarije kan worden geboden. De missie staat gepland voor de eerste week van oktober 2013. Waarschijnlijk zal de Europese Commissie in de vergadering van de JBZ-Raad van 7 en 8 oktober 2013 de ministers informeren over de missie.
Welke problemen heeft Bulgarije op dit moment met het huisvesten van asielzoekers en het tijdig beslissen op hun asielverzoek? Welke gevolgen heeft dit voor vluchtelingen? Op welke wijze stelt Bulgarije voor gezinnen met kinderen extra voorzieningen beschikbaar?
Zie antwoord vraag 2.
Welke noodzaak ziet u om in Europees verband acuut aan te dringen op het zo snel mogelijk ondersteunen van landen als Bulgarije met het verwerken van de asielinstroom, om te waarborgen dat asielzoekers, waaronder de Syrische vluchtelingen, overal in de EU fatsoenlijk worden opgevangen? Kan hierbij worden betrokken de invulling van de motie Schouw cs., die onder andere oproept tot het inzetten op een gezamenlijke Europese lijn inzake de opvang van Syrische vluchtelingen?2
De in het vorige antwoord genoemde gezamenlijke missie getuigt naar mijn mening van een adequaat optreden van de Commissie en de agentschappen. Ik verwacht dat onder andere de urgentie van eventuele maatregelen en de aangewezen vorm van ondersteuning door de missie in kaart wordt gebracht.
Voorts maakt Nederland zich sterk voor een betere coördinatie in EU- verband, en neemt proactief deel aan het coördinatieproces, van hulp aan en opvang van Syrische vluchtelingen in de regio.
Hoe verhouden de enorme verschillen in de kwaliteit van de asielprocedure en asielopvang tussen Europese lidstaten zich tot het bestaande Europees asielbeleid? Voldoet Bulgarije aan de Europese minimumnormen voor de opvang en bescherming van asielzoekers? Zo ja, op welke wijze?
Op 29 juni 2013 zijn de gewijzigde Opvangrichtlijn, nr. 2013/33/EU, en Procedurerichtlijn, nr. 2013/32/EU, gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU. De lidstaten dienen de bepalingen uit deze richtlijnen ten laatste 20 juli 2015 te hebben omgezet in hun nationale stelsels.
Het is niet aan mij, maar juist de taak van de Europese Commissie om over correcte toepassing van het EU-recht te waken. De Commissie kijkt of het EU-recht wordt nageleefd en kan zonodig een EU-lidstaat verzoeken maatregelen te nemen als deze in gebreke blijft.
Deelt u de mening dat verschillen tussen de Europese lidstaten soms onaanvaardbaar groot zijn en dat de EU inspanningen zal moeten verrichten om die te verkleinen, zodat asielzoekers overal in de EU op gelijke, menselijke wijze worden behandeld? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat er momenteel tussen de EU-lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan op terreinen als de asielprocedure en de opvang. Essentie van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel is om deze verschillen te minimaliseren. De in het antwoord op vraag 5 genoemde recente publicatie van de Opvangrichtlijn en Procedurerichtlijn is een belangrijke stap. Alle EU-lidstaten zijn gehouden om de (nieuwe) bepalingen van deze richtlijnen om te zetten in hun nationale stelsels.
Lidstaten die te maken hebben met een hoge migratiedruk en dientengevolge moeite hebben om aan hun verplichtingen jegens asielzoekers te voldoen, kunnen een beroep doen op de solidariteitsinstrumenten van de EU, zoals technische en operationele ondersteuning van EASO. Dit laat overigens onverlet dat de betrokken lidstaat zelf verantwoordelijk is om de verbeteringen in het nationale asielstelsel door te voeren.
Welke andere landen in de EU hebben momenteel vergelijkbare problemen met de opvang en bescherming van Syrische vluchtelingen?
De in antwoord 2 en 3 genoemde missie zal ook een bezoek brengen aan Griekenland en Cyprus.
Het plan om de leefbaarheid van het dorp Moerdijk op te offeren voor economische ontwikkeling |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van de heer E. Nijpels, die namens zijn adviescommissie heeft gezegd dat de economische ontwikkeling van haven- en industriegebieden in Moerdijk voorrang moet krijgen boven de leefbaarheid van het dorp?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel in het Algemeen Dagblad.
Wat vindt u van de opvatting van de heer Nijpels dat de gezondheid en het welbevinden van de inwoners van Moerdijk aan de kant geschoven kunnen worden voor de uitbreiding van haven- en industriegebieden in de buurt van dit dorp? Bent u dit met hem eens of deelt u de mening dat een dergelijke uitspraak onbehoorlijk, om niet te zeggen lomp is?
De commissie van Advies Havenstrategie Moerdijk 2030 geeft in haar eindadvies bij de concept Havenstrategie Moerdijk2 aan dat indien het havenschap blijft inzetten op maximale benutting van de economische potenties van Moerdijk, dan de kosten en baten en de voor- en nadelen van een transitiemodel met relevante stakeholders, inclusief de bewoners van het dorp en de leefbaarheidsgroeperingen besproken dienen te worden. De commissie van advies constateert zelf dat het hier om een maatschappelijk zeer gevoelige discussie gaat, maar constateert dat die discussie nu ten principale en fundamenteel gevoerd moet worden.
Kunt u zich voorstellen dat inwoners van Moerdijk ernstig verontrust zijn over de plannen over de ontwikkeling van haven- en industriegebieden en over het geringe belang dat de commissie Nijpels aan hun dorp en hun leefbaarheid blijkt te hechten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid om de inwoners van Moerdijk zo snel mogelijk gerust te stellen door duidelijk te maken dat het advies van de commissie Nijpels niet past in de manier waarop de overheid in Nederland met haar burgers om wil gaan?
De Provincie Noord-Brabant, de gemeente Moerdijk en het havenschap Moerdijk hebben onlangs de concept havenvisie voor Moerdijk gepresenteerd. In deze visie gaat de ontwikkeling van het havengebied en het behoud van de leefbaarheid hand in hand. De commissie van advies geeft als reactie op deze visie aan dat het goed is om nog eens kritisch te kijken naar het toekomstperspectief voor het dorp Moerdijk. De concept havenvisie ligt nu voor ter consultatie tot 31 oktober. De betrokken overheden hebben diverse bijeenkomsten belegd waar belanghebbende partijen, waaronder de inwoners van Moerdijk, hun zorgen kunnen uiten en met de provincie, de gemeente en het havenschap over de plannen in gesprek kunnen. Gelet op dit consultatieproces zie ik thans geen rol voor de rijksoverheid weggelegd.
Kunt u voor de zekerheid nog eens duidelijk maken wat het doel is van de huidige milieunormen op het gebied van onder andere geluid, fijnstof in dorpen en steden?
De huidige milieunormen, die zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer, hebben als doel een evenwichtige balans te creëren tussen de belangen van de volksgezondheid en van de industrie. Bij het verlenen van een vergunning voor een nieuwe activiteit (of het uitbreiden van een bestaande activiteit) wordt door het bevoegd gezag getoetst of de beoogde activiteit binnen de van toepassing zijnde milieunormen past.
Kunt u bevestigen dat de verdere economische ontwikkeling van haven- en industriegebieden in Moerdijk het behalen van de genoemde milieunormen in dat gebied onmogelijk maakt? Zo ja, hoe beoordeelt u dat, en hoe ziet u de gezondheid van de omwonenden in relatie tot de beoogde economische ontwikkeling? Zo nee, waarom niet en op welke manier kunt u dat garanderen?
Welk effect de verdere economische ontwikkeling van de haven- en industriegebieden in Moerdijk heeft op het behalen van de genoemde milieunormen is nog niet te bepalen. Een en ander hangt af van de daadwerkelijke ontwikkelingen en te nemen compenserende maatregelen. Het is aan betrokken overheden om bij de benodigde planvorming en vergunningverlening voor deze ontwikkelingen om hieraan binnen de wettelijke kaders voorwaarden te verbinden. De concept havenvisie voor Moerdijk geeft daar nog geen uitsluitsel over.
Vindt u dat mensen recht hebben op een gezonde leefomgeving? Zo ja, op welke wijze wilt u ervoor zorgen dat dit recht van de inwoners van Moerdijk niet geschonden wordt doordat het in de toekomst ingesloten zal zijn tussen zware industrie, een groot bedrijventerrein en een snelweg? Zo nee, waarom niet?
Een gezonde leefomgeving is voor mensen van groot belang en derhalve wordt dit ook erkend als onderwerp van overheidsbeleid. Het recht op een gezonde leefomgeving is een richtinggevend uitgangspunt dat steeds afgewogen moet worden tegen andere belangen zoals economische activiteiten. De lokale overheden dragen de verantwoordelijkheid voor deze afwegingen en voor eventueel te nemen maatregelen. Wij gaan ervan uit dat dit wordt meegenomen in het verdere proces van consultatie rondom de ontwerp havenvisie en uiteindelijk de noodzakelijke aanpassingen in bestemmingsplannen en vergunningverlening. De wetgeving, waaronder de Wet publieke gezondheid, voorziet hier in de noodzakelijke waarborgen.
Kent u het onderzoek van De Stec Groep2 over de ontwikkeling van Logistiek Park Moerdijk? Deelt u de mening dat dit onderzoek uitwijst dat een groot deel van de logistieke bedrijven die zich zullen vestigen op het Logistiek Park Moerdijk binnen Nederland zullen verhuizen? Zo ja, kunt u aangeven wat er met de leegstand op de andere locaties zal gebeuren en of werknemers hierdoor hun baan zullen verliezen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het onderzoek van De Stec Groep concludeert dat het bestaande aanbod van logistieke centra in Zuid-Nederland, en West-Brabant in het bijzonder, op de middellange en lange termijn onvoldoende is om de vraag naar logistiek vastgoed goed te kunnen faciliteren. Het plan voor Logistiek Park Moerdijk speelt in op deze marktvraag. Logistieke bedrijven en investeerders in logistiek vastgoed kiezen op basis van hun eigen bedrijfseconomische afwegingen hun vestigingslocatie. Het is voor de economische ontwikkeling van ons land van belang dat er ondermeer in West-Brabant ook op langere termijn vestigingsplaatsen zijn die de concurrentie met locaties buiten Nederland aan kunnen.
Kunt u uiteenzetten welke invloed de toename aan vrachtverkeer op de A16 en de A17 zal hebben op de filedruk, de uitstoot van fijnstof en de leefbaarheid van de inwoners van de gemeente Moerdijk? Hoe beoordeelt u dat? Zo nee, waarom niet?
Uit de Nationale Markt en Capaciteitsanalyse 2011 is gebleken dat er op de A16 en A17 ter hoogte van Moerdijk tot 2030 nog capaciteit is om groei van extra verkeer op te vangen. Alleen in het hoge groeiscenario worden op de A17 en de A16 nabij de Moerdijkbrug wel de NoMo reistijdfactoren overschreden. Omdat uit de havenstrategie niet blijkt welke toename verwacht wordt aan vrachtvervoer op de weg kan niet aangegeven worden wat de exacte invloed is op de filedruk in dit gebied. Deze trajecten behoren echter niet tot de belangrijkste knelpunten op het Nederlandse wegennet en er zijn hier dan ook geen projecten voorzien. In 2012 voldeed de luchtkwaliteit in Moerdijk ruimschoots aan de grenswaarden, zowel in relatie tot verkeer (Monitoringsrapportage NSL 2012) als in relatie tot de industrie (Jaaroverzicht luchtkwaliteit 2012, RIVM). Gezien de betrekkelijk lage waarden is het niet te verwachten dat nieuwe ontwikkelingen zullen leiden tot overschrijding van de grenswaarden.
Wanbetalende diplomaten |
|
Nine Kooiman (SP), Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vele eerdere vragen die zijn gesteld over het niet betalen van (verkeers)boetes door diplomaten en de (on)mogelijkheden om wettelijke dwangmiddelen toe te passen om betaling af te dwingen?1
Ja.
Bent u nog steeds van mening dat ook diplomaten zich aan de wet moeten houden en dat zij gewoon, net als ieder ander, de aan hen opgelegde boetes moeten betalen? Zo ja, op welke manieren zorgt u er tot nu toe voor dat deze boetes ook daadwerkelijk betaald worden nu artikel 41, eerste lid, van het Verdrag van Wenen inzake diplomatieke betrekkingen hier zo duidelijk over is?
Ja.
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stuurt ieder kwartaal een overzicht van openstaande verkeersboetes naar ambassades. Daarnaast kunnen ambassades uitgenodigd worden voor een gesprek over dit onderwerp, waarbij zij worden gewezen op de bepalingen in het Verdrag van Wenen volgens welke ook diplomaten gehouden zijn de wetten en regels van Nederland te eerbiedigen. Beide maatregelen zijn overigens voor het overgrote deel van de ambassades effectief.
Bent u tevreden over het effect van uw eerdere pogingen om betalingen af te dwingen, zoals het aanschrijven van ambassades over onbetaalde boetes en het zo nodig zelfs ontbieden van een vertegenwoordiger van een ambassade?
Het Kabinet benadrukt dat het overgrote deel van de in Nederland aanwezige diplomaten zich houdt aan de Nederlandse verkeersregels. Het Kabinet is echter teleurgesteld dat een klein aantal diplomaten en/of ambassades ongevoelig lijkt te zijn voor ons nadrukkelijke verzoek om verkeersboetes te voldoen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal dit onderwerp stelselmatig blijven opbrengen in contacten met de desbetreffende ambassades.
Welke acties onderneemt u naar de landen die in een openbare top tien staan met de ambassades die het hoogste bedrag aan onbetaalde boetes hadden uitstaan? Kunt u de Kamer te zijner tijd berichten over de reactie van deze landen en indien zij niet bereid zijn te betalen, wat de reden hiervan is en welke vervolgstappen u hieraan verbindt?
Medio oktober worden opnieuw alle ambassades opnieuw aangeschreven over dit onderwerp, waarbij zij (zoals elk kwartaal) een overzicht ontvangen van de nog uitstaande verkeersboetes. Publicatie van de openbare top tien heeft effect gehad; enkele ambassades hebben aangegeven dat zij de uitstaande boetes willen betalen. Zie ook de antwoorden op vragen 2 en 3.
Bent u zo nodig bereid om andere (creatieve) middelen te gebruiken om betaling af te dwingen, zoals het weigeren van kentekens aan ambassades met openstaande boetes of het niet verstrekken van parkeervergunningen? Zo nee, waarom niet?
Nederland is gehouden aan het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer en heeft daardoor te handelen binnen de grenzen van dit verdrag, ook ter bescherming van Nederlandse vertegenwoordigingen in het buitenland.
De gevolgen van het legaliseren van de online kansspelen |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Webgokken grote dreun goede doel, loterijen vrezen verlies inkomsten?»1
Ja.
Deelt u de in het krantenartikel geuite vrees van de directeur van de Goede Doelen Loterijen dat door het openstellen van de markt voor het aanbieden van online kansspelen, de afdracht aan goede doelen substantieel zal verminderen?2 Zo nee, waarom niet?
Nee, die vrees deel ik niet. Geen reden bestaat te verwachten dat de afdracht aan goede doelen en de sport door de regulering van online kansspelen substantieel zal verminderen. Diverse onderzoeken wijzen uit dat substitutie tussen online kansspelen en loterijen niet kan worden aangetoond.3 In feite bestaat al sinds jaren een Nederlandse markt voor kansspelen op afstand. Honderdduizenden Nederlanders nemen namelijk momenteel al deel aan niet-gereguleerde kansspelen op afstand. Spelers die deelnemen aan loterijen zijn veelal een ander type speler dan spelers die deelnemen aan kansspelen op afstand. Uit o.a. het APE onderzoek volgt het bestaan van verschillen in demografische kenmerken tussen online en offline spelers. Verder blijkt uit diverse onderzoeken dat de regulering van kansspelen op afstand in een aantal andere landen heeft uitgewezen dat de loterijopbrengsten niet zijn afgenomen als gevolg van regulering, maar juist zijn gestegen. Ook in Nederland hebben de goede doelen loterijen de afgelopen jaren een omzetgroei weten te realiseren, ondanks de opkomst van online kansspelen, dit blijkt uit hun jaarverslagen en uit marktanalyse rapporten van het bureau H2 Gambing Capital4. Daarnaast wordt in deze rapporten een verwachte groei in de toekomstige deelname aan kansspelen voor alle deelmarkten verwacht, ook voor goede doelen loterijen. Een grafiek met de omzet ontwikkeling van de goede doelen loterijen en de markt voor online kansspelen is opgenomen in de bijlage5.
Tegelijkertijd realiseer ik mij dat geen garantie kan worden gegeven dat geen substitutie zal plaatsvinden. Continuïteit van de afdracht van inkomsten uit loterijen aan goede doelen en de sport is echter wel belangrijk voor de samenleving. Mede om die reden wordt de regulering van kansspelen op afstand met de nodige waarborgen vormgegeven. In het wetsvoorstel kansspelen op afstand wordt o.a. duidelijk onderscheid gemaakt tussen loterijproducten en producten die aanbieders van kansspelen op afstand straks mogen aanbieden.
In het wetsvoorstel Kansspelen op afstand is de mogelijkheid opgenomen om vergunninghouders van kansspelen op afstand verplicht te laten bijdragen aan het goede doel of de sport. Gezien de aard van deze spellen, waarbij een groot deel van de inleg als prijzengeld wordt uitgekeerd, mogen echter van een dergelijke afdracht plicht geen grote inkomsten voor het maatschappelijk belang worden verwacht. Dit leidt tot de principiële vraag of voor deze beperkte inkomsten gekozen moet worden, of voor een heldere scheiding tussen commerciële kansspelen en maatschappelijk georiënteerde kansspelen als de loterijen. De bepaling staat opgenomen in het wetsvoorstel met het oog op eventuele toekomstige ontwikkelingen die hiertoe aanleiding zouden kunnen geven.
Is er al onderzoek gedaan naar de concrete gevolgen voor de afdracht aan goede doelen als het aanbieden van online kansspelen wordt gelegaliseerd? Zo nee, bent u bereid dit onderzoek uit te laten voeren?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan worden bewerkstelligd dat goede doelen profiteren van de regulering van online kansspelen?
Het doel van de regulering van kansspelen is om spelers te beschermen tegen de risico’s op verslaving, misleiding en criminaliteit. Afdrachten aan het goede doel en de sport zijn daarbij een gunstig neveneffect, maar mogen niet het primaire doel zijn. Zo hebben Nederlandse loterijen wel een afdrachtverplichting, maar is bij de regulering van speelautomaten in het verleden gekozen geen afdrachtverplichting op te leggen.
Het staat alle aanbieders met een online vergunning vrij om zich te profileren met afdrachten aan het goede doel, mits de consument hierover juist wordt voorgelicht. Ook vergunninghouders van loterijen wordt ruimte geboden een vergunning voor het organiseren van kansspelen op afstand aan te vragen en daarmee een online productaanbod te ontwikkelen dat complementair is aan hun offline spelaanbod. Daarmee kunnen spelers die hun spelgedrag (mede) laten leiden door de bijdrage die zij daarmee doen aan het goede doel of de sport ook online terecht bij aanbieders die geen commerciële doelstelling hebben, maar rendementen ten gunste laten komen van goede doelen of sport in plaats van ten gunsten van de aandeelhouder.
Het bericht “Sluitingsdatum Willem II gevangenis in Tilburg staat nog steeds niet vast” en de Rijksbegroting 2014 Veiligheid en Justitie |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht en klopt het wat hierin vermeld wordt? Zo nee, waarom niet?1 2
Ja.
Deelt u de mening dat een eerlijk man zich aan zijn woord moet houden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Erkent u dat uw uitspraken tijdens het debat over het Aangepast Masterplan DJI 2013–2018 (Kamerstuk 24 587, nr. 535) dat u ervoor kiest die inrichting voorlopig open te houden en dat het zelfs niet uitgesloten is dat ook na 2016 die faciliteit nog in stand blijft haaks staan op de tekst op pagina 93 in de Rijksbegroting 2014 Veiligheid en Justitie dat gesprekken over toekomstige verlenging nog niet hebben geresulteerd in een besluit of overeenkomst? Zo nee, waarom niet?
Ik sta nog altijd achter de woorden die ik tijdens het debat over het aangepaste Masterplan DJI heb gesproken over het ter beschikkingstellen van de PI Tilburg aan België. Beide landen hebben de intentie om de terbeschikkingstelling van de PI Tilburg te verlengen. Het gaat om een periode van maximaal drie maal één jaar. Aan Nederlandse zijde is inmiddels aan de formaliteiten voor de verlenging van het verdrag voldaan. Wat betreft de stand van zaken in België kan ik uw Kamer melden dat de Belgische ministerraad inmiddels heeft ingestemd met verlenging van het gebruik van de PI Tilburg in 2014. Dat betekent dat nu de formele stappen kunnen worden gezet om te komen tot verlenging van het verdrag tussen beide landen. Ik betreur de vertraging die is ontstaan, omdat ik daardoor geen zekerheid kon bieden aan het in de PI Tilburg werkzame personeel. Ik heb er nu echter vertrouwen in dat de besluitvorming spoedig positief kan worden afgerond.
Deelt u de mening dat u de penitentiaire inrichting (PI) Tilburg valse hoop heeft gegeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid er alles aan te doen u aan uw woorden van nog geen drie maanden geleden te houden en de PI Tilburg ook na 2016 open te houden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiertoe nemen?
Zoals ik heb vermeld in het antwoord op de vragen 3 en 4 hebben beide landen de intentie om de terbeschikkingstelling van de PI Tilburg te verlengen gedurende maximaal drie maal één jaar. In het debat met uw Kamer op 27 juni jl. heb ik aangegeven goede hoop te hebben dat de PI Tilburg ook na 2016 zou kunnen worden opengehouden in verband met de nog steeds grote behoefte aan celcapaciteit in België. Op dit moment speelt evenwel alleen de verlenging van de terbeschikkingstelling van de PI Tilburg tot uiterlijk 31 december 2016.
Bent u bereid de Kamer en de PI Tilburg te informeren over elke stap die u gaat nemen om de PI Tilburg open te houden? Zo nee, waarom niet?
Ik ben op dit moment in overleg met de Belgische regering. Ik zal uw Kamer en de medewerkers van de PI Tilburg berichten wanneer de besluitvorming definitief is afgerond.
Het bericht van FNV en Voor Werkende Ouders: ‘Uitval kinderopvang niet door crisis’ |
|
Paul Ulenbelt (SP) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van FNV en de belangenorganisatie «Voor Werkende Ouders»: «Uitval kinderopvang niet door crisis»?1
De webenquête van FNV en Voor Werkende Ouders laat zien dat ouders met jonge kinderen zich zorgen maken over de kosten van kinderopvang. Door de bezuinigingen zijn de kosten voor ouders de afgelopen jaren gestegen. Tevens hebben ook ouders met jonge kinderen te maken met de gevolgen van de economische situatie. Een logisch gevolg is dat ouders opnieuw naar de combinatie van arbeid en zorg gaan kijken en mogelijk voor een andere invulling kiezen. Ik vind het belangrijk dat de kinderopvang toegankelijk is en blijft. In het beeld dat in het bericht wordt geschetst, kan ik mij niet zonder meer vinden.
Deelt u de mening dat het zeer pijnlijk is dat jonge ouders van de arbeidsmarkt worden gejaagd als gevolg van uw beleid? Zo nee, wat is dan uw oordeel over deze conclusie van FNV en Voor Werkende Ouders?
Uit de webenquête van FNV en Voor Werkende Ouders komt naar voren dat een kwart van de respondenten minder is gaan werken of is gestopt met werken. Gezien de representativiteit en betrouwbaarheid van de realisatiecijfers van het CBS baseer ik mij op die cijfers bij mijn beleidsvorming.
De CBS cijfers over de arbeidsparticipatie van vaders en moeders met jonge kinderen ondersteunen dit beeld van de FNV niet. In 2012 is de arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen min of meer stabiel gebleven. De cijfers over 2013 laten tot nu toe wel een lichte daling zien in de arbeidsparticipatie vergeleken met 2012, maar lang niet in de mate die uit de FNV-enquête naar voren komt. De ontwikkeling in de CBS cijfers komt bovendien overeen met de ontwikkeling van de arbeidsparticipatiecijfers in de algemene bevolking.
Ziet u de noodzaak van het bijstellen van uw beleid, nu uit de enquête van FNV en «Voor Werkende Ouders» onomstotelijk blijkt dat de oorzaak van de dalende arbeidsparticipatie niet de crisis maar juist het kabinetsbeleid is? Zo ja, wanneer kan de Kamer de bijgestelde plannen verwachten? Zo nee, waarom accepteert u deze groeiende werkloosheid als gevolg van kabinetsbeleid?
Volgens de cijfers van het CBS is de arbeidsparticipatie van ouders met jonge kinderen licht gedaald in de eerste twee kwartalen van 2013. Deze daling komt ook overeen met de ontwikkeling in de algemene bevolking. Ik vind de conclusie van het FNV en Voor Werkende Ouders dan ook te verstrekkend en kan me niet vinden in het uitgangspunt van de vragen 3 en 4. Verschillende factoren zijn van invloed op de keuzes die ouders maken in de combinatie van arbeid en zorg. Ouders kiezen bijvoorbeeld voor een andere invulling van hun werktijden of maken minder gebruik van formele opvang. Natuurlijk is het onvermijdelijk dat de bezuinigingen in de kinderopvang van de afgelopen jaren invloed hebben gehad op deze keuzes die ouders maken, maar ook de economische situatie speelt daarbij een belangrijke rol.
Vindt u de dalende arbeidsparticipatie als gevolg van het kabinetsbeleid verenigbaar met het op Prinsjesdag uitgesproken belang van een participatiesamenleving? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, welke stappen gaat u zetten om uw beleid en uw voornemen wel met elkaar te verenigen?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u de noodzaak om uw beeld over de impact van de bezuinigingen op kinderopvang bij te stellen? Zo ja, bent u vervolgens ook bereid de financiële meevallers door eerdere bezuinigingen opnieuw te investeren in kinderopvang? Zo nee, waarom niet?
In het antwoord op vraag 3 en 4 ben ik al ingegaan op de eerste vraag.
Bij de voorjaarsnota is een meerjarige meevaller van circa 300 miljoen gemeld als gevolg van een daling in het gebruik van kinderopvangtoeslag in 2012.
Deze middelen zijn toen ingezet om tegenvallers op o.a. de WW en het kindgebonden budget op te vangen en zo de begroting sluitend te krijgen. Dit bedrag is ingeboekt en daarom niet meer beschikbaar. In 2013 is de daling in het gebruik van kinderopvangtoeslag groter dan geraamd. Dit levert een bijstelling op van 150 miljoen. Hiervan is 50 miljoen ingezet om de maximum uurprijzen in de kinderopvang toch te indexeren. Daarnaast is, in het kader van de brede hervorming kindregeling, besloten om structureel 100 miljoen in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag conform de motie van Ojik-Samsom. Op 4 oktober jl. (Kamerstuk II 31 322, nr. 220) heb ik uw Kamer geïnformeerd over de inzet van deze middelen in de brief «Intensivering kinderopvangtoeslag 2014».
Wat is uw reactie op de oproep van de FNV en de belangenorganisatie «Voor Werkende Ouders» om «nu te stoppen met bezuinigen en weer in de kinderopvang te investeren»?
Net zoals veel andere partijen, vragen de FNV en Voor Werkende Ouders om in de kinderopvang te investeren. Ik begrijp deze oproep. Tegelijkertijd zijn er beperkte financiële middelen beschikbaar. Ik heb de maximum uurprijzen voor 2014 geïndexeerd. Het niet indexeren van de maximum uurprijzen was de facto een bezuiniging geweest. Daarnaast wordt structureel een impuls gegeven door 100 miljoen in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag. Hiervan wordt 50 miljoen euro ingezet om de toeslagpercentages in de eerste kindtabel voor inkomens tussen circa 50.000 en 105.000 euro te verhogen en zo de marginale druk te verlagen. Tevens wordt 50 miljoen euro ingezet om een vaste voet te herintroduceren in de eerste kindtabel. Deze zal 18% bedragen vanaf een inkomen van circa 105.000 euro.
Heeft u inmiddels onderzoek gedaan naar de achtergrond van de ouders die zijn gestopt met werken en naar de manier waarop zij de combinatie arbeid en zorg vervolgens vormgeven? Zo nee, waarom niet en wanneer gaat u dit wel onderzoeken? Zo ja, bent u bereid de informatie en uitkomsten met de Kamer te delen?2
Het SCP voert, in opdracht van het Ministerie van SZW, een onderzoek uit waarin naar de instroom- en de uitstroomredenen van ouders in de kinderopvang wordt gekeken en tegelijkertijd wordt gevraagd hoe deze ouders vervolgens de combinatie arbeid en zorg hebben vormgegeven. Ik zal de Kamer over de uitkomsten informeren.
Klopt het dat u 100 miljoen gaat reserveren om te investeren in de kinderopvang? Zo ja, welke afspraken zijn hierover gemaakt? Klopt het dat u in ruil hiervoor steun verwacht voor uw bezuinigingen op de kindregelingen?3
In het kader van de brede hervorming kindregelingen, is besloten om structureel 100 miljoen euro conform de motie van Ojik-Samsom in te zetten ten behoeve van de kinderopvangtoeslag. Op 4 oktober jl. heb ik uw Kamer daarover geïnformeerd in de brief «Intensivering kinderopvangtoeslag 2014».
Vindt u het wenselijk dat het informele circuit van kinderopvang groeit?
Ik wil voorop stellen dat ik het belangrijk vind dat professionele kinderopvang toegankelijk blijft voor ouders. Het is echter een vrije keuze van ouders hoe zij de combinatie van arbeid en zorg vorm geven. Ik zie dat ouders door de gestegen kosten van kinderopvang opnieuw een afweging maken. Sommige ouders kiezen ervoor om de opvang anders te regelen dan voorheen.
Onderzoek naar de diensten, vormen en de kwaliteit van informele opvang is geen overheidstaak. Het gebruik van informele opvang valt onder de keuzevrijheid van ouders. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen en over de wijze waarop zij hun kinderen willen laten opvangen. Daarbij kijken zij naar opvang die aansluit bij hun omstandigheden en ideeën. Vanuit hun ouderlijke verantwoordelijkheid zullen zij de kwaliteit van de opvang, de veiligheid en het welbevinden van hun kinderen in ogenschouw nemen. Het is niet aan de overheid om hierin te treden, noch een overheidstaak om hierop toe te zien. Tenzij het dreigt mis te gaan, dan komt Jeugdzorg in beeld.
Binnen de kinderopvang ligt een scheiding tussen het domein waarvoor ouders zelf zorgen en het domein waar de overheid verantwoordelijkheid neemt en kosten maakt. Daar waar ouders hun kinderen toevertrouwen aan een door de overheid gereguleerd en gefinancierd stelsel van kinderopvang, moeten ouders ervan op aan kunnen dat de overheid de kwaliteit daarvan zoveel mogelijk waarborgt. De zorg voor kwaliteit van de professionele opvang voor jonge kinderen is een belangrijke overheidstaak. Hiervoor zijn wettelijk dan ook kwaliteitseisen vastgelegd waaraan aanbieders van professionele kinderopvang moeten voldoen.
Bent u in het belang van de ontwikkeling van kinderen bereid te onderzoeken welke diensten en vormen van opvang reeds worden aangeboden in het informele circuit van kinderopvang en in welke mate daar gebruik van wordt gemaakt? Zo ja, wanneer denkt u hierover de Kamer te kunnen inlichten? Zo nee, hoe denkt u dan een goed beeld te krijgen van de informele kinderopvang in Nederland?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het van belang is om te weten wat de kwaliteit is van kinderopvang in het groeiende informele circuit? Zo ja, bent u bereid onderzoek naar de kwaliteit te doen? Zo nee, deelt u de mening dat een gebrek aan zicht en controle op kinderopvang in het informele circuit risico’s met zich meebrengt? Zo ja, welke risico’s ziet u en bent u van plan deze risico’s te minimaliseren?
Zie antwoord vraag 9.
Wat raadt u de vele ouders aan die zich zorgen maken over de kwaliteit van de reguliere kinderopvang door grotere groepen, grootschalige ontslagen en veelvuldige wisseling van personeel? Deelt u hun zorgen? Welke gevolgen voor de ontwikkeling van kinderen ziet u?
De aanbieders van reguliere kinderopvang moeten voldoen aan de wettelijke criteria, waaronder kwaliteitseisen. Deze eisen gelden ook nu in tijden van economisch minder gunstige omstandigheden. Ik kan mij voorstellen dat ouders zich zorgen maken als het niet goed gaat met het kinderdagverblijf waar hun kinderen een plaats hebben. Ik kan deze zorgen niet wegnemen. Dit kan alleen door gericht het gesprek aan te gaan op individueel niveau. Ouders die zich zorgen maken over hun reguliere kinderopvang kunnen zich richten tot de kinderopvangorganisatie waar zij een contract mee hebben.
Uiteraard heeft de kwaliteit van de professionele opvang mijn volle aandacht. Het rapport van het NCKO (kamerstukken II, 2013–2014, 31 322, nr. 16) laat zien dat de sector belangrijke stappen heeft gemaakt om de kwaliteit van de professionele kinderopvang te verbeteren en waar ruimte voor verdere verbetering ligt.
Hoeveel werknemers zijn in heel 2012 en in de eerste helft van 2013 hun baan in de kinderopvang verloren? Is u bekend hoeveel mensen inmiddels een nieuwe baan hebben gevonden en hoeveel mensen werkloos thuis zitten? Wat zijn de kosten voor het uitbetalen van werkloosheidsuitkeringen aan deze groep? Wat gaat u ondernemen om verdere ontslagen te voorkomen?
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid houdt zelf geen cijfers bij over de werkgelegenheid in de kinderopvang. FCB Kinderopvang, bestuurd door de sociale partners, houdt op eigen initiatief bij hoe de arbeidsmarkt in de kinderopvangsector zich beweegt. FCB rapporteert op 1 januari 2013 89.000 werknemers en meldt dat dit er 8.000 minder zijn dan in 2012. Dit is een daling van 10%, dat is fors. Een daling in de werkgelegenheid is echter onvermijdelijk als het gebruik van kinderopvang daalt. Ondernemers moeten andere keuzes maken in de bedrijfsvoering en dat kan gevolgen hebben voor de werknemers.
Hoe lang moeten ouders nog wachten op uw uitgebreide visie op kinderopvang en op uw plannen voor wat betreft een basisrecht op kinderopvang?
Dit najaar ontvangt uw Kamer een brief met mijn visie op kwaliteit, toezicht en handhaving in de kinderopvang, met daarin een aantal concrete maatregelen om deze zaken te verbeteren. Daarnaast ben ik met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in gesprek over samenhang tussen verschillende voorschoolse voorzieningen en het basisonderwijs. Daarover zal ik uw Kamer ook dit najaar informeren.
Kunt u garanderen dat bij economisch herstel en een stijgende vraag er sprake zal zijn van voldoende aanbod van kinderopvang en er niet opnieuw wachtlijsten zullen ontstaan? Zo ja, waar baseert u dat op? Zo nee, wat vindt u van dit onzekere toekomstperspectief?
De vraag naar en het aanbod van kinderopvang is primair een zaak tussen instellingen en ouders. Ik informeer u ieder kwartaal over het aantal kinderopvang- en gastouderlocaties in een brief met cijfers over kinderopvang. Uit deze informatie blijkt dat het aantal locaties in de dagopvang en buitenschoolse opvang redelijk constant is gebleven in 2012 en het eerste half jaar van 2013. Alleen het aantal gastouders laat over 2012 en de eerste half jaar van 2013 een dalende trend ziet. Deze cijfers geven natuurlijk nergens garanties op. Voor de dagopvang en buitenschoolse opvang geven ze wel een indicatie dat het aanbod redelijk in stand is gebleven ondanks de daling in het gebruik van kinderopvangtoeslag.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor aanvang van het algemeen overleg over kinderopvang dat gepland staat op 2 oktober aanstaande?
Dat is niet gelukt. Ik beantwoord daarom de vragen binnen de gestelde termijn daarvoor.
Het bericht Overheid doet zaken met pornoboer |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Overheid doet zaken met pornoboer»?1
Ja.
Is het waar dat een bedrijf, dat in opdracht van vrijwel alle ministeries onderzoek doet naar sociale netwerken als Twitter, Facebook en Hyves, gelieerd is aan porno op internet?
Het bedrijf in kwestie is Coosto b.v., een dochter van WiseGuys b.v. De politie en negen ministeries (Algemene Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Defensie, Economische Zaken, Financiën, Infrastructuur en Milieu, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Veiligheid en Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport) hebben Coosto als leverancier. De politie en de ministeries maken alleen gebruik van de zoektechnologie van Coosto om binnen sociale netwerken te zoeken in openbare bronnen. Voor de ministeries is dit een activiteit vergelijkbaar met het maken van een knipselkrant. De ministeries voeren echter zelf het onderzoek uit. Zie verder antwoord 3.
Op welke wijze is het betreffende bedrijf gescreend, gelet op de gevoelige informatie die door het bedrijf wordt verwerkt?
Het beveiligingsadvies dat is uitgevoerd, is gebaseerd op onderzoek door het toenmalige Korps Landelijke Politiediensten naar het technische gedeelte, de personen die toegang hebben tot het systeem, de beveiliging van het pand en de webbeveiliging van Coosto. Bij dit beveiligingsadvies is er geconstateerd dat WiseGuys b.v. een belang had in AJ Beheer b.v. dat de exploitatie verzorgt van de adult zoekdienst AskJolene.com. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de adult zoekmachine Askjolene.com ten eerste los moest staan van de fysieke en technische infrastructuur van Coosto. Aan deze technische voorwaarde is voldaan. Daarnaast werd voortzetting van de relatie met het bedrijf mogelijk geacht onder de voorwaarde dat WiseGuys b.v. haar belang in Askjolene.com zou afstoten. Dat is inmiddels gebeurd.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de overheid zich niet inlaat met bedrijven als deze?
Bij aanbestedingen wordt op grond van de Aanbestedingswet 2012 de integriteit en de geschiktheid van de ondernemer die de opdracht zal worden gegund, gecontroleerd aan de hand van de verplicht te overleggen officiële bewijzen. Voor de integriteit is dit de gedragsverklaring aanbesteding (Hoofdstuk 4.1, Aanbestedingswet 2012) die door de Minister van Veiligheid en Justitie wordt afgegeven.2 Bij kleinere aanbestedingen onder de aanbestedingsdrempels kan een onderzoek naar een leverancier worden ingesteld indien de aard van de opdracht daar aanleiding toe geeft.
Boetes die zijn opgelegd in verband met een stage van een vreemdeling bij een supermarkt |
|
Pieter Heerma (CDA), Marit Maij (PvdA) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kleine fout, forse boete, Asielzoeker, ondernemer en gemeente gedupeerd doordat ambtenaar vergeet werkvergunning te regelen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u dit soort situaties, waarin het om slechts één persoon gaat, en er een inval door vier man politie en een maand later door de Inspectie SZW wordt gedaan? In hoeverre zijn zulke acties representatief voor het optreden van de politie en de inspectie bij de bestrijding van illegale tewerkstelling in het algemeen en bij soortgelijke gevallen in het bijzonder? Kunt u aangeven op welke wijze de proportionaliteit wordt meegewogen?
De Inspectie SZW heeft als taak om erop toe te zien dat wetten en regels worden nageleefd, ook wanneer er geen sprake lijkt te zijn van een opzettelijke overtreding. Daarbij merk ik op dat de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid in de regel niet van tevoren kan worden vastgesteld. De controle door de Inspectie past binnen het reguliere inspectiepatroon, waarin inspecties plaatsvinden op basis van meldingen, signalen en informatie vanuit de eigen organisatie en andere toezichthouders.
Deelt u de mening dat, waar het slechts een stageplaats voor een korte periode betreft, er niet gesproken kan worden van verdringing van een reguliere arbeidsplaats? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich dat tot de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel tot herziening van de Wet arbeid vreemdelingen (Kamerstukken 33 475), waarin staat dat arbeidswetgeving dient ter bescherming van werknemers tegen slechte arbeidsomstandigheden, onderbetaling, illegaliteit en verdringing op de arbeidsmarkt?
De Wet arbeid vreemdelingen stelt dat het een werkgever verboden is om een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. In de wet wordt een breed begrip van arbeid gehanteerd. Alle vormen van werk vallen hieronder, dus ook onbetaalde arbeid en «stages». De aanstelling van een vreemdeling op een «stageplek» gaat mogelijk ten koste van de aanstelling van prioriteitsgenietende arbeidskrachten op deze arbeidsplek. Er kan dus wel degelijk sprake zijn van verdringing op de arbeidsmarkt.
Bij de afgifte van een tewerkstellingsvergunning wordt gekeken of aan alle geldende arbeidsvoorwaarden wordt voldaan. In die zin dient de Wet arbeid vreemdelingen ter bescherming van werknemers tegen slechte arbeidsomstandigheden, onderbetaling en illegaliteit.
Op welke wijze kan het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht bij de boeteoplegging worden betrokken, als bijvoorbeeld sprake is van een eerste en relatief lichte overtreding en er sprake is van een omissie? Kan in dat soort situaties bijvoorbeeld de boete worden gematigd, conform de Beleidsregel Boeteoplegging Wet Arbeid Vreemdelingen 2013? Zo nee, waarom niet?
Volgens de Algemene wet bestuursrecht dient een boete evenredig te zijn met de verwijtbaarheid die iemand treft. Dit beginsel is uitgewerkt in de Beleidsregel boeteoplegging Wet arbeid vreemdelingen. De boete kan met 25%, 50% of 75% worden gematigd, afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de evenredigheid. Een matiging vindt niet plaats als een onderneming of persoon door onwetendheid de regels van de Wet arbeid vreemdelingen overtreedt. Of sprake is van verminderde verwijtbaarheid, wordt beoordeeld bij de boeteoplegging en zal in een bezwaar- en beroepsprocedure opnieuw beoordeeld kunnen worden.
Kunt u aangeven of zich vergelijkbare gevallen hebben voorgedaan als het onderhavige geval in Eindhoven en zo ja hoeveel, waarbij de Inspectie SZW op eenzelfde wijze heeft gehandeld qua oplegging en hoogte van boetes?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 past deze zaak binnen het reguliere handhavingspatroon, waarbij met toepassing van de Beleidsregel boeteoplegging Wav een boete is opgelegd. Daarin verschilt deze zaak niet van andere zaken waarin de Inspectie SZW een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen constateert.
Deelt u de mening dat met het opleggen van een maximale boete in gevallen als het onderhavige goedwillende werkgevers en organisaties ten onrechte op één lijn worden gesteld met notoir malafide werkgevers die structureel de wet overtreden ten behoeve van financieel gewin? Zo nee, waarom niet?
Nee. Binnen de wet bestaat er een breed scala aan sanctiemogelijkheden, afhankelijk van de specifieke overtreding. Met de inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving zijn extra sanctiemogelijkheden gecreëerd om notoire overtreders te treffen. Ondernemingen die de arbeidswetgeving herhaaldelijk overtreden krijgen een verhoogde boete opgelegd. Uiteindelijk kunnen zelfs werkzaamheden worden stilgelegd. Zo wordt extra ingezet op de aanpak van notoire overtreders. Op basis van een risicoanalyse bepaalt de Inspectie bovendien waar het risico op overtreding het hoogst is en extra toezicht geboden is.
Deelt u de mening dat door het optreden van de Inspectie SZW in het onderhavige geval het risico ontstaat dat goedwillende organisaties en bedrijven bevreesd raken om een vreemdeling te helpen met integratie en inburgering in de vorm van bijvoorbeeld werk of stage? Zo niet, waarom niet?
Ik juich toe dat organisaties en bedrijven zich maatschappelijk betrokken tonen door vreemdelingen te helpen integreren en inburgeren als het gaat om vreemdelingen die hier voor langere tijd mogen verblijven. Ook wanneer het gaat om het tewerkstellen van een vreemdeling, zijn zij echter verplicht zich aan de wet te houden en zich te vergewissen van de voorwaarden waaronder zij een vreemdeling te werk mogen stellen.
Op welke wijze houdt de Inspectie SZW in de handhaving en boetebeschikkingen ook rekening met de op 1 juni 2013 in werking getreden Wet modern migratiebeleid, onder het regime waarvan voor houders van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf geldt dat arbeid vrij is toegestaan zonder dat een tewerkstellingsvergunning nodig is?
De Inspectie SZW kijkt bij de handhaving van de Wet arbeid vreemdelingen naar de feiten en omstandigheden in de situaties die zij onderzoekt, dus ook naar de arbeidsaantekening op de verblijfsvergunning die geldt op het moment van tewerkstelling. In dit geval was geen sprake van een verblijfstitel op grond waarvan het verrichten van arbeid zonder tewerkstellingsvergunning is toegestaan.
Wat gaat u ondernemen om te waarborgen dat de Inspectie in de handhaving en boeteoplegging voldoende proportioneel en naar evenredigheid optreedt?
Gelet op de antwoorden op voorgaande vragen, acht ik geen noodzaak aanwezig om maatregelen te nemen.
Het sociaal beleid en de personele gevolgen van het sluiten van gevangenissen |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat de sluiting van de penitentiaire inrichtingen die in het kader van het Masterplan DJI 2013–2018 (Kamerstuk 24 587, nr. 535) gesloten gaan worden allerminst soepel verloopt, dat de communicatie naar het personeel gebrekkig is en dat dit grote onzekerheid voor het personeel met zich meebrengt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De sluiting van penitentiaire inrichtingen waartoe in het kader van het Masterplan DJI is besloten, wordt zorgvuldig voorbereid. Over de personele gevolgen van de krimp of sluitingen van penitentiaire inrichtingen dient uiteraard afstemming plaats te vinden met de vakbonden en de betrokken medezeggenschapsorganen. Voor de onderdelen waarvan sluiting of krimp in 2014 is voorzien, is dit overleg op dit moment in volle gang.
De arbeidsvoorwaarden die gelden zijn op zichzelf duidelijk, maar de overgang van het last in first out-beginsel naar het afspiegelingsbeginsel is een systeemwijziging waar alle betrokkenen aan moeten wennen. Over de toepassing van het sociaal beleid voor de betrokken medewerkers van DJI wordt op verschillende niveaus met de ondernemingsraden en vakbonden gesproken. Gespreksthema’s zijn met name de status van betrokkenen gedurende de verschillende fases van het «van-werk-naar-werk» beleid en welke arbeidsvoorwaarden hierbij gelden. Met de medezeggenschap is de afspraak gemaakt om vanuit de werkgeverrol naast de formele communicatie ook via intranet en internet medewerkers te informeren over het sociaal beleid «van-werk-naar-werk», de verschillende relevante onderwerpen en meest gestelde vragen en antwoorden.
In het mondelinge vragenuur van 8 oktober 2013 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aangegeven nader te zullen ingaan op de onzekerheid bij het personeel van de penitentiaire inrichting in Tilburg. Dit aspect zal worden meegenomen in de beantwoording van de schriftelijke vragen van het lid Helder van de PVV over dit onderwerp (2013Z17855), die zo spoedig mogelijk zal worden verzonden.
Bent u er eveneens van op de hoogte dat het personeel in deze penitentiaire inrichtingen reeds ruim voor de datum van sluiting in grote onzekerheid zit over onder andere het sociaal beleid dat van toepassing zal zijn, welke status er geldt in het kader van het «van-werk-naar-werk-beleid», de geldende arbeidsvoorwaarden indien (al dan niet tijdelijk) elders gewerkt wordt? Wat is uw reactie hierop?
Zie antwoord vraag 1.
Welke afdelingen en inrichtingen zijn reeds (eerder dan gepland) gesloten of zullen eerder worden gesloten dan gepland? Met welke reden vindt soms eerder sluiting plaats dan in het Masterplan DJI 2013–2018 besloten ligt en wat gebeurt er met het personeel dat daar werkzaam was? Tot welke rechtspositie leidt dit?
Er worden geen afdelingen of inrichtingen eerder dan gepland gesloten. Dat betekent dat de in het Masterplan DJI vermelde inrichtingen, of locaties daarvan, niet eerder zullen sluiten dan op 1 januari van het in het Masterplan DJI aangegeven jaar. De daarmee gepaard gaande gevolgen voor de rechtspositie van het personeel worden dus niet naar voren getrokken. Wel wordt de leegstand, als gevolg van het geringere aanbod van gedetineerden, op een aantal plaatsen geconcentreerd. Dit gaat in goed overleg met en vaak op initiatief van de vestigingsdirecteuren van de op basis van het Masterplan DJI te sluiten locaties. Hierdoor wordt personeel zoveel als mogelijk al in de gelegenheid gesteld om mobiel te worden. Hierbij wordt ook geprobeerd om het personeel tijdelijk bij andere DJI-onderdelen werkzaamheden te laten verrichten. Dit laatste heeft voor hen uiteraard geen rechtspositionele gevolgen.
Hoeveel mensen zijn inmiddels van werk naar werk begeleid? Zijn zij in soortgelijke banen terecht gekomen en zo nee, in wat voor banen dan wel?
Binnen DJI kan een groep medewerkers per 1 oktober 2013 in het kader van het Masterplan DJI er voor kiezen vrijwillig VWNW-kandidaat te worden. Dit betreft personeel van een aantal in 2014 te sluiten inrichtingen (o.a. de PI Hoogeveen en de locatie Havenstraat van de PI Amsterdam). Inmiddels geldt dit ook voor de PI Limburg Zuid en de PI Veenhuizen. Wellicht volgt voor meer medewerkers de mogelijkheid om te kiezen vrijwillig VWNW-kandidaat te worden.
Zoals vermeld in het Masterplan DJI van 19 juni 2013 kunnen naar verwachting 1.350 van de 2.600 medewerkers van DJI die getroffen worden door de maatregelen in het Masterplan herplaatst worden op passende vacante plekken binnen DJI. Voor 1.250 medewerkers zijn zwaardere mobiliteitsinspanningen nodig. Ik kan u in dit verband melden dat door DJI eerder dit jaar een convenant is afgesloten met de Douane. Als gevolg hiervan zijn inmiddels ongeveer 60 medewerkers van DJI werkzaam bij de Douane. Zij volgen daar opleidingstrajecten die, na een succesvolle afronding, zullen leiden tot een definitieve overgang. Op dit moment loopt een wervingstraject bij de Douane voor een locatie op de Tweede Maasvlakte. Ook hiervoor hebben DJI-medewerkers hun belangstelling kenbaar gemaakt.
Daarnaast worden er gesprekken gevoerd met de op te zetten RijksBeveiligingsOrganisatie (RBO) over de mogelijke overgang van circa 550 DJI medewerkers. Over dit thema zal waarschijnlijk in dit najaar besluitvorming plaatsvinden.
Tot slot worden er op dit moment verkennende gesprekken gevoerd over plaatsingsmogelijkheden van DJI-medewerkers bij de politie.
Wat kunt u doen om de onzekerheid voor dit personeel tot het minimum te beperken en zo snel mogelijk duidelijkheid te bieden over de personele gevolgen en het sociaal beleid voor het personeel dat door deze sluitingen getroffen wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer kan de Kamer de uitwerkingsplannen van het Masterplan DJI 2013–2018 verwachten?
Op dit moment wordt een reactie aan uw Kamer voorbereid naar aanleiding van het verzoek van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie van 13 september jl. (met kenmerk 2013Z16392/2013D35712) over de implementatie van de beleidsvoornemens uit het Masterplan DJI. Ik verwacht deze reactie voor de behandeling van de begroting 2014 van mijn departement aan uw Kamer te verzenden.
Wat is de stand van zaken met de uitvoering van de motie over de Substantieel Bezwarende Functies voor personeel van de Dienst Justitiële inrichtingen (Kamerstuk 24 587, nr. 470)?
Zoals gemeld in de brief van 2 juli jl. (Vergaderjaar 2012–2013 Kamerstuk 31 490 nr. 130) is de minister voor Wonen en Rijksdienst met de bonden in gesprek over een aanpassing van de SBF-regeling. Hierbij wordt nu ook betrokken de motie van het lid Toorenburg c.s. van 6 juni jl. (Vergaderjaar 2012–2013, Kamerstuk 24 587 nr. 517), waarin de regering verzocht wordt het sociaal plan ten behoeve van het personeel uit het gevangeniswezen te verlengen. Overigens heeft de minister van Binnenlandse Zaken in het mondelinge vragenuur van 8 oktober jl. toegezegd uw Kamer over dit overleg nader te doen informeren. Vanzelfsprekend voldoe ik graag aan dit verzoek en ik kan u melden dat op 27 juni jl. de minister voor Wonen en Rijksdienst de bonden hierover een formeel bod heeft gedaan. De bonden hebben zich beraden op de inhoud daarvan. In het voortgezette overleg op 19 september jl. is geconcludeerd dat dit bod onvoldoende aanknopingspunten biedt. Daarom wordt nu bezien welke alternatieven wel tot een oplossing kunnen leiden. Over de inhoud daarvan kan lopende het overleg geen mededeling worden gedaan.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken te beantwoorden?
Ja.
Mensenrechtenschendingen in Rusland |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoeveel gesprekken en acties door Nederland en de EU zijn ondernomen tegen de anti-homo en NGO-wetgeving van Rusland? Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de tot nu toe gevoerde gesprekken en ondernomen acties tegen de anti-homo- en NGO-wetgeving van Rusland door Nederland en de EU?
Vanaf het moment dat wetgeving inzake NGO’s (buitenlandse financiering en betiteling als «buitenlands agent») en de zogenoemde «anti-homopropagandawet» aan de orde zijn, hebben Nederland en de EU herhaaldelijk hun zorgen tegenover Rusland kenbaar gemaakt. Het onderwerp wordt door de premier, door de minister van Buitenlandse Zaken, alsmede wanneer relevant door andere bewindslieden bij gesprekken met Russische collega’s opgebracht.
In EU-verband vormen de door de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) vastgestelde richtsnoeren («guidelines to promote and protect the enjoyment of all human rights by LGBTI persons») het raamwerk voor het handelen van EU-delegaties en ambassades van de EU-lidstaten. EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft op 30 januari 2013, mede op verzoek van Nederland, een verklaring afgegeven inzake de anti-homopropagandawet en op 26 maart 2013 in een verklaring haar zorgen uitgesproken over de NGO wetgeving en de onderzoeken bij NGO’s. Ook in de mensenrechtenconsultaties tussen de EU en Rusland zijn hierover van EU-zijde zorgen uitgesproken. Bij de eerstvolgende bespreking in de RBZ waar Rusland op de agenda staat zal Nederland de mensenrechtensituatie in Rusland in brede zin aan de orde stellen.
De ontwikkeling van de mensenrechtensituatie in Rusland baart Nederland zorgen. Deze negatieve ontwikkeling is al enige tijd gaande. Dialoog en samenwerking zijn de effectiefste elementen waarmee Nederland kan bijdragen aan verbetering van de mensenrechten. Nederland beschouwt het bilaterale jaar als een mogelijkheid voor een intensivering hiervan.
Bent u van mening dat er voldoende juridische basis is om een statenklacht bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in te dienen tegen Rusland? Zo ja, bent u bereid om een statenklacht in te dienen? Wat is hierbij uw afwegingskader?
Een statenklacht is een bijzonder zwaar middel dat in uitzonderlijke gevallen en in laatste instantie wordt ingezet. Nederland wil inzetten op brede internationale aandacht en dialoog over de wetgeving en de positie van de LHBT-gemeenschap in Rusland in plaats van een bilateraal proces te entameren met de daaruit voortvloeiende verharding van standpunten. Daarbij kan worden gedacht aan politieke steun aan de Commissaris Mensenrechten van de Raad van Europa, het agenderen van het kritische rapport van de Venetiëcommissie over (onder meer) de Russische LHBT-wetgeving, het toezicht op de naleving door de Russische regering van de Hofuitspraak in de zaak Alekseyev tegen Rusland, contact met de secretaris-generaal van de Raad van Europa, bespreking in de Human Dimension Implementation Meeting van de OVSE, alsmede bilaterale en EU-initiatieven.
Bent u van mening dat er voldoende juridische basis is om krachtens artikel 8 van het statuut van de Raad van Europa een schorsingsprocedure in gang te zetten? Zo ja, bent u bereid hiervoor het initiatief te nemen en draagvlak te creëren bij de andere lidstaten? Wat is uw afwegingskader bij het al dan inzetten van een schorsingsprocedure?
De in artikel 8 vastgelegde schorsingsprocedure is een zeer zwaar middel, dat tot op heden nooit is gebruikt. Slechts één keer is met deze schorsingsprocedure gedreigd, namelijk in het geval van Griekenland na de militaire coup. Dat heeft geleid tot tijdelijke uittreding van Griekenland uit de Raad van Europa. Het in gang zetten van de schorsingsprocedure tegen Rusland ligt niet voor de hand.
Nederland zet consequent andere mogelijkheden en instrumenten in om Rusland er op te wijzen dat het in strijd handelt met zijn internationale verplichtingen (zie antwoord vraag 2). Hierbij wordt de voorkeur gegeven aan voortzetting van de dialoog boven het starten van procedures die tot minder mogelijkheden leiden om de situatie van de mensenrechten in Rusland bespreekbaar te maken en te werken aan verbetering.
Hoe staat u tegenover de maatregel van schorsing van Russische parlementariërs door de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa?
Het is niet aan het kabinet te treden in overwegingen binnen de Parlementaire Assemblee met betrekking tot een mogelijke schorsing van Russische parlementariërs. Eerder, in 2000, heeft de Parlementaire Assemblee zelf overwogen dat de situatie in Rusland beter in dialoog kon worden verbeterd dan in een situatie waarin de banden zijn doorgesneden. Binnen het Comité van Ministers heeft Nederland een sterke voorkeur om de dialoog met Rusland open te houden, omdat dat de beste manier is om te komen tot verbetering van de mensenrechtensituatie in Rusland.
Bent u bereid om een EU-resolutie tegen Rusland door de VN-Mensenrechtencommissie te entameren?
Voor indiening van een resolutie in de VN-Mensenrechtenraad of in de Derde Commissie van de Algemene Vergadering van de VN is onvoldoende steun. De EU maakt gebruik van andere mogelijkheden om in multilateraal verband de Russische mensenrechtensituatie kritisch aan de orde te stellen. Een goed voorbeeld daarvan is de meest recente EU-verklaring van 17 september in de VN-mensenrechtenraad, die mede dankzij Nederlandse inbreng tot stand kwam. In de verklaring roept de EU Rusland op de vrijheid van meningsuiting, vergadering en bijeenkomst te garanderen voor NGOs en mensenrechtenverdedigers. Daarnaast spreekt de EU grote zorg uit over het effect van de anti-propagandawetgeving op de rechten van LHBT in Rusland. Tot slot roept de EU Rusland op de rechten van iedereen te respecteren en actief te streven naar een betere positie van minderheden in de Russische maatschappij. Tijdens de Universal Periodic Review (UPR) dit voorjaar – waar Rusland aan de orde kwam – hebben EU-lidstaten eveneens hun zorgen opgebracht. Nederland heeft Rusland o.a. vragen gesteld over en aanbevelingen gedaan t.a.v. LHBT-rechten en mensenrechtenverdedigers.
Welke andere middelen heeft Nederland tot zijn beschikking om Rusland te beïnvloeden? Welke overweegt u in te zetten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Het bericht ‘EU plan to suspend visa-free travel’ |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Legal wrangling looms over EU plan to suspend visa-free travel»?1
Ja.
Klopt het bericht dat de Europese Commissie van plan is een procedure bij het Europese Hof te starten met betrekking tot de opschorting van het visa-vrije verkeer?
Het bericht heeft betrekking op het besluit van het Europees Parlement om in te stemmen met een wijziging van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld. Deze wijziging voorziet in een mechanisme dat kan leiden tot herinvoering van de visumplicht bij een plotselinge toename van het aantal asielaanvragen, het aantal aangetroffen illegaal verblijvende burgers en/of een verslechtering van het aantal terug te nemen onderdanen van het betreffende derde land (noodremprocedure). Deze wijziging voorziet ook in de mogelijkheid van herinvoering van de visumplicht op grond van een gebrek aan wederkerigheid in het visumbeleid van een al van de visumplicht vrijgesteld derde land (reciprociteitsmechanisme). De bedenkingen van de Europese Commissie liggen op het terrein van het reciprociteitsmechanisme. De Commissie heeft gesteld dat ze zich het recht voorbehoudt juridische stappen te ondernemen teneinde verduidelijking te krijgen of bepaalde onderdelen van het reciprociteitsmechanisme uit de Verordening strijdig zijn met het EU-werkingsverdrag (artikelen 290 en 291 VWEU inzake gedelegeerde en uitvoeringsbevoegdheden).
Wat is uw mening over de analyse van de Europese Commissie zoals weergegeven in onderhavig artikel? Wat is de Nederlandse positie in dit geval?
De in het artikel opgenomen uitspraken van de woordvoerder van Commissaris Malmström geven het standpunt van de Commissie correct weer. Het kabinet begrijpt de zorgen van de Commissie. Tegelijkertijd hecht het kabinet aan totstandkoming van de noodremprocedure. Deze was alleen haalbaar indien werd voldaan aan de wens van het Europees Parlement ten aanzien van de totstandkoming van een reciprociteitsmechanisme.
Wat zullen de gevolgen zijn voor de inwerkingtreding van de wetgeving indien een procedure wordt gestart?
De Commissie heeft aangegeven verduidelijking van het Europese Hof van Justitie te willen ten aanzien van het reciprociteitsmechanisme. Welke stappen de Commissie daartoe zal nemen en in welke fase, is aan de Commissie. Afhankelijk van de door de Commissie te nemen stappen en een eventuele uitspraak van het EU-Hof zal duidelijk worden wat de eventuele gevolgen zijn. De Commissie kan niet eerder stappen ondernemen dan nadat de aangenomen Verordening is gepubliceerd. De Commissie beoogt met eventuele juridische stappen duidelijkheid te krijgen van het EU-Hof. Hiermee geeft de Commissie aan dat het haar gaat om een principieel punt en niet om de verordening in zijn geheel ongedaan te maken.
Deelt u de mening dat de mogelijkheid tot opschorting van het visa-vrije verkeer van groot belang is? Zo ja, wat zult u eraan doen om ervoor te zorgen dat dit mogelijk blijft en zo snel mogelijk inwerking zal treden? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dat blijkt ook uit het feit dat de mogelijkheid tot opschorting van dat visumvrije verkeer op initiatief van Nederland is opgenomen. Nu een compromis is bereikt tussen de Raad en het EP ten aanzien van de wijziging van de Visumverordening, is het de verwachting dat de wetgevingsprocedure snel kan worden afgerond. Het kabinet is voornemens met het compromis in te stemmen.
Hulpgelden aan Syrië |
|
Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Ploumen’s 7,5 miljoen euro hulp gaat naar Assad, zeggen dokters van de Syrische oppositie» van Harald Doornbos?1
Ja.
Heeft u donderdag 12 september aangekondigd dat 7,5 miljoen euro van de extra 17 miljoen euro humanitaire hulp die toegezegd is, naar de Syrische Rode Halve Maan gaat? Klopt het dat deze organisatie vooral actief is in Damascus en overige door Assad gecontroleerde gebieden, en nauwelijks in de door rebellen gecontroleerde gebieden, waar het overgrote deel van de vluchtelingen zich bevindt?
Conform de toezegging van Minister Timmermans tijdens het AO Syrië op 30 augustus jl. heb ik mogelijkheden onderzocht om meer hulp aan ontheemden in Syrië te geven. Dat heeft geleid tot het besluit om 7,5 miljoen euro extra aan de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR beschikbaar te stellen voor de meest hulpbehoevende ontheemden in Syrië. Het geld gaat dus niet naar de Syrische Rode Halve Maan (SARC). UNHCR kan met deze ongeoormerkte bijdrage ter plaatse bepalen waar de hulp het meest nodig is. Ook worden overlappingen en lacunes in de hulp zo veel mogelijk voorkomen.
De Syrische Rode Halvemaan (SARC) is het belangrijkste uitvoeringskanaal voor humanitaire hulp binnen Syrië, en werkt onder andere in opdracht van het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC), WFP en UNHCR. SARC is overigens actief in zowel door de regering gecontroleerd gebied als gebieden die onder controle van de oppositie staan. Zij doet haar werk onder moeilijke en gevaarlijke omstandigheden en heeft inmiddels 22 stafleden verloren.
Het UN Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA) benadrukte tijdens een conferentie van VN-noodhulporganisaties op 16 september jl. in Stockholm dat zowel in regeringsgebied als in door de oppositie beheerst gebied grote aantallen ontheemden zijn. Ter illustratie kan dienen dat dit jaar 25 cross line VN-hulpkonvooien naar door de oppositie gecontroleerd gebied en omstreden gebieden zijn gegaan. Hiermee zijn 2 miljoen hulpbehoevenden in moeilijk te bereiken gebieden in de gouverneraten Aleppo, Dera’a, Deir-ez-Zor, Hama, Homs en Idleb ondersteund.
De fondsen worden beschikbaar gesteld aan UNHCR. Er is geen reden om te twijfelen aan de inspanningen van deze organisatie om de hulp bij de meest hulpbehoevenden te brengen, ook al is dit moeizaam en gevaarlijk en zijn plaatsen waar gevochten wordt vaak niet of nauwelijks bereikbaar.
Kunt u aangeven hoe u denkt dat de gelden aan de Syrische Rode Halve Maan worden ingezet voor de vluchtelingen, waar het geld voor bedoeld is?
Zoals gesteld bij vraag 2 gaat het geld niet naar SARC maar naar UNHCR. Prioriteiten van het UNHCR-programma binnen Syrië zijn het verlenen van onderdak en bescherming van ontheemden, naast het beschikbaar stellen van basisbehoeften anders dan voedsel (zgn. non food items). Ook wordt psychosociale hulp verleend.
Welke garanties heeft u dat dit geld bij de 4 miljoen Syrische vluchtelingen terechtkomt, die zich overwegend in rebellengebied bevinden?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe wordt de controle op de uitgaven van de Syrische Rode Halve Maan uitgevoerd?
UNHCR is ervoor verantwoordelijk dat de fondsen bij degenen terecht komen die dit het meest nodig hebben en monitort de uitvoering van zijn programma.
Het verdwijnen van meldingen in het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de Kinderrechtenmonitor 2013, aangeboden door de Kinderombudsman?1
Ja.
Wat is uw reactie op de opmerking in de monitor dat «het onbekend is wat er precies met een kind gebeurt na een melding bij het AMK»?
Het is mij bekend dat het ophalen van landelijke beleidsinformatie uit het registratiesysteem van het AMK (Kits), over de vervolgtrajecten van jeugdigen na afronding van het AMK-onderzoek, op technische moeilijkheden stuit. Hier wordt door Jeugdzorg Nederland aan gewerkt. Dit wordt verder toegelicht in het antwoord op vraag 3. Ik ben het niet eens met de conclusie uit de monitor dat het onbekend is wat er precies met een kind gebeurt na een melding bij het AMK. Alle AMK’s registreren, na afronding van een AMK-onderzoek, het vervolg van het hulpverleningstraject van een jeugdige en nemen dit op in het dossier van de jeugdige. Het AMK sluit dus geen zaak af zonder dat duidelijk is waar de jeugdige naar wordt doorverwezen. Na enkele maanden gaat het AMK na hoe het met de jeugdige gaat.
Herinnert u zich de toezegging op 18 maart jl. om het meldingssysteem «op korte termijn» naar behoren te laten werken? Zo ja, kunt u concreet aangeven wanneer dit meldingssysteem wel werkt?
Het genereren van landelijke beleidsinformatie over de vervolgtrajecten van jeugdigen uit registratiesysteem Kits kent technische moeilijkheden. Jeugdzorg Nederland is dit najaar bezig met het testen van nieuwe versie van Kits, waarin dit wel mogelijk zal zijn. Vanaf januari 2014 zullen alle AMK’s deze vernieuwde versie van Kits gebruiken. In deze vernieuwde versie registreren de AMK’s naar welke specifieke hulpvorm (zoals bijvoorbeeld ambulante jeugdzorg, jeugd-GGZ, jeugd-LVB, etc.) wordt doorverwezen. Landelijke gegevens over deze specifieke vervolgtraject zullen in de landelijke rapportage van het AMK over 2014 zichtbaar worden.
Het bericht ‘Zorgconsultant Humanitas kreeg ton voor maand werk’ |
|
John Kerstens (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorgconsultant Humanitas kreeg ton voor maand werk»?1
Ja.
Is het waar dat de consultant in kwestie 95.000 euro declareerde voor één maand werk bij zorginstelling Humanitas DMH? Zo nee, kunt u aangeven waarom niet? Is bij u bekend voor hoe lang deze consultant nog zal worden ingehuurd door Humanitas DMH? Heeft u enig middel waarmee u de vergoeding aanzienlijk (in lijn met de de Wet normering topinkomens) kunt verlagen?
De consulent declareerde dat bedrag, inclusief BTW, voor 209,5 uur werk. Zijn tarief was € 250 per uur exclusief BTW.
De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (Wnt) kent een handhavingsparagraaf. In deze casus zal conform de wet worden gehandhaafd. De handhavingsprocedure begint met een onderzoek of er sprake is van naleving van de Wnt. De verdere handhavingsprocedure is eveneens zorgvuldig in de Wnt uitgewerkt. Mocht de handhavingsprocedure tot de conclusie leiden dat er geen sprake is van goede naleving van de Wnt, dan staan de verantwoordelijke minister bevoegdheden ter beschikking om naar Humanitas of de consulent handhavend op te treden.
Is het oordeel van hoogleraar Verhulp juist dat hier niet in strijd wordt gehandeld met de Wet normering topinkomens?
Zie het antwoord op vraag 2. In de Wnt is geregeld, dat in geval de functie van topfunctionaris in een periode van achttien maanden voor meer dan zes maanden wordt vervuld anders dan op grond van een aanstelling of een arbeidsovereenkomst, de voor die vervulling per kalenderjaar verschuldigde vergoeding niet meer bedraagt dan het van toepassing zijnde bezoldigingsmaximum op grond van de Wnt.
Deelt u de mening dat «95.000 euro per maand wel heel dol is, en zeker niet in de geest van de wet [is]»?
Ik deel de mening dat in deze casus sprake is van een bovenmatige beloning.
Hoe beoordeelt u de stelling van de woordvoerder van de Raad van Toezicht van Humanitas DMH dat het hier gaat om een «privéaangelegenheid»?
De stelling van de woordvoerder van de Raad van Toezicht getuigt op dit punt niet van voldoende inzicht. In de zorg geldt al sinds 2003 een verplichting tot transparantie over de individuele bestuurdersinkomens.
Is er inmiddels bij u verantwoording afgelegd over deze kwestie? Zo ja, tot welke uitkomst heeft dat geleid? Heeft u ook gesproken met medewerkers? Zo ja, is het waar dat zij geen kritiek durven uiten op de consultant uit angst voor represailles?
Zie het antwoord op vraag 2.
Heeft u met afkeuring kennisgenomen van de rechtvaardiging van de consultant in kwestie, namelijk dat hij zijn tarief nu al ruimschoots waard is omdat hij nu al voor één miljoen euro aan overbodige kosten heeft weten weg te snijden?
Dit argument kan op geen enkele wijze de bovenmatige honorering rechtvaardigen.
Valt de genoemde assistent, die ruim 35.000 euro per maand zou hebben gedeclareerd voor werk in de maand juli, ook onder de huidige Wet normering topinkomens (indien deze minimaal zes maanden zou worden ingehuurd)? Op welke termijn verwacht u met een wetsvoorstel te komen ter uitvoering van de passage uit het regeerakkoord die regelt dat ook medewerkers (en niet enkel bestuurders) van (semi)publieke organisaties onder de Wet normering topinkomens vallen?
De assistent valt niet onder de Wnt. Op 10 juli 2013 heb ik de Voorzitter van de Tweede Kamer een brief geschreven over de uitvoering van de afspraken in het regeerakkoord terzake van het topinkomensbeleid voor de publieke en semipublieke sector (TK 30 111, nr. 64). In deze brief heb ik uiteengezet, dat een apart wetsvoorstel, gericht op de uitbreiding van de reikwijdte van de maximumnorm van de Wnt naar alle medewerkers in de publieke en semipublieke sector zal worden opgesteld. Dit voorstel zal er geruime tijd voor de nagestreefde, uiterlijke inwerkingtredingsdatum van 1 januari 2017 komen.
Kunt u de Kamer een overzicht sturen van publiek gefinancierde instellingen die zzp’ers/consultants inhuren die omgerekend fors meer betaald krijgen dan de Wet normering topinkomens voorziet of die een uurtarief ontvangen hoger dan 225 euro?
Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld, is er sedert het kalenderjaar 2012 geen verplichting meer op grond van de ingetrokken Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (Wopt) opgaven over topinkomens te doen. Met ingang van 2014 zullen de betreffende instellingen op grond van de Wnt opgave doen van overschrijdingen van het bezoldigingsmaximum van de Wnt, ook door niet-topfunctionarissen. In geval de functie wordt vervuld anders dan op grond van een aanstelling of een arbeidsovereenkomst voor meer dan zes maanden in een periode van achttien maanden, dan zal hiervan ook opgave worden gedaan. Naar mijn mening moeten we er voor waken om naast de nieuwe Wnt-rapportage nu andere, nieuwe registraties te introduceren.
Bent u van plan, nu blijkt dat (niet alle) zorginstellingen of andere publiek gefinancierde organisaties niet in staat zijn de inkomens van door hen voor een korte periode ingehuurde zzp’ers/consultants in de hand te houden, wettelijke normen te stellen aan de tarieven die mogen worden betaald aan deze categorie, al dan niet analoog aan het maximum uurtarief van 225 euro dat het Rijk zelf hanteert voor externe inhuur?
De Wnt voorziet heel bewust in de regeling van normering bij interim-vervulling van topfuncties voor meer dan zes maanden in een periode van achttien maanden. In de casus, die aanleiding heeft gegeven voor deze vragen, zal conform de wet worden gehandhaafd. Naar mijn mening verdient het de voorkeur aldus uitvoering te geven aan de wet en niet nu al naar aanleiding van deze casus conclusies te trekken over de wet.
Het bericht dat de brandweer zorgen heeft over de borging van brandveiligheid in het omgevingsrecht |
|
Kees Verhoeven (D66) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Zorgen brandweer over Omgevingswet»?1
Ja.
Bent u van mening dat de voorgenomen stelselwijziging(en) in het omgevingsrecht de brandweerzorg, en daarmee ook de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de colleges van burgemeester en wethouders, raken?
De onderwerpen van de Omgevingswet raken ook het werkgebied van de gemeenten en de veiligheidsregio’s. Het omgevingsrecht bevat in de bouw- en milieuregelgeving bepalingen om brand te voorkomen en om de gevolgen van brand te beperken. Wijzigingen in de uitvoeringsregels die effecten hebben op brandpreventie en brandbestrijding, raken de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders (BenW) voor de brandweerzorg. Het voorstel Omgevingswet bevat dergelijke wijzigingen echter niet en brengt geen wijzigingen aan in het beginsel dat de taken en bevoegdheden voor de fysieke leefomgeving die de overheid moet behartigen in de eerste plaats bij de gemeenten liggen. De verantwoordelijkheid van BenW voor de organisatie van de brandweerzorg, waaronder het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, is geregeld in de Wet veiligheidsregio’s.
Hoe verhoudt artikel 3 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) – waarin het voorkomen en beperken van brand als onderdeel van de brandweerzorg staat geduid en bovendien een expliciete taak van het College van Burgemeester en Wethouders (B&W) is overeenkomstig artikel 2 – zich tot het uitvoeren van de technische Bouwbesluittoets door private partijen? Welke maatregelen kan het College van B&W dan nog treffen op het gebied van voorkomen en beperken van brand? Kan het College bijvoorbeeld nadere eisen stellen op het moment dat blijkt dat een gebouw dat door toepassing van private kwaliteitsborging wordt opgeleverd, onvoldoende brandveilig is?
Net zoals nu het geval is kunnen BenW bij toetsing door private kwaliteitsborging geen eisen aan bouwwerken stellen aanvullend op de nieuwbouwvoorschriften van het Bouwbesluit 2012. Zoals aangegeven in de brief van 28 augustus 2013 (kst. 32 757) zal de minister voor Wonen en Rijksdienst dit najaar uw Kamer nader informeren over het beoogde nieuwe stelsel van private kwaliteitsborging en de rol van het bevoegd gezag daarin. Op voorhand is ook hierbij geen wijziging in het bevoegd gezag bij het toezicht binnen het stelsel van de bouwregelgeving, behoudens het verschuiven van publiek naar privaat, als het gaat om de preventieve toets op het Bouwbesluit 2012. Na oplevering van een nieuw bouwwerk blijven BenW bevoegd gezag waar het gaat om toezicht en handhaving.
Bent u van plan om de brandweer / veiligheidsregio als wettelijk adviseur in de Omgevingswet op te nemen aangezien veiligheid in het ruimtelijke planproces een expliciete afweging behoeft? Zo nee, waarom niet? Op welke manier wordt dan een zorgvuldige afweging gewaarborgd?
Het wetsvoorstel voor de Omgevingswet voorziet er in dat bij algemene maatregel van bestuur bestuursorganen of andere instanties worden aangewezen die in daarbij aangewezen gevallen advies uitbrengen aan het bevoegd gezag over de aanvraag om een besluit op grond van de Omgevingswet.
De wijze waarop zorgvuldige besluitvorming over veiligheidsaspecten wordt geborgd zal bij de totstandkoming van de uitvoeringsregels aan de orde komen. De rol van de veiligheidsregio’s wordt daarbij betrokken.
Bent u van mening dat een brandweerorganisatie die in het vergunning- en bouwproces geen adviesrol meer heeft en niet op de hoogte is van eventuele risico’s voor het brandweerpersoneel, haar werk bij noodzakelijk repressief optreden op kwalitatief voldoende wijze kan waarmaken? Waarop baseert u uw mening? Hoe ziet u dit in het licht van het veilig optreden door brandweerpersoneel?
Hulpverleners waaronder brandweerpersoneel moeten effectief en veilig kunnen optreden tijdens de bouw-, de gebruiks- en de sloopfase van bouwwerken, industriële objecten en infrastructuur. Vanwege dit belang zullen de veiligheidsregio’s en het Veiligheidsberaad bij de totstandkoming van de uitvoeringsregels worden betrokken.
Acht u het bestuur van een veiligheidsregio in staat haar verantwoordelijkheid omtrent de brandweerzorg en de veiligheid van brandweerpersoneel te nemen als er geen zicht is op de totale brandveiligheid in een gebouw (dat wil zeggen de bouwkundige en installatietechnische voorzieningen, maar ook de interne organisatie in geval van een incident en het feitelijk gebruik van het gebouw)?
Ja. De algemeen geldende brandveiligheidsvoorschriften van het Bouwbesluit 2012 blijven onverminderd van toepassing en gelden als toetsingskader voor de private kwaliteitsborging. Dit omvat tevens eisen aan het gebouw waarmee voorzieningen worden gerealiseerd voor het kunnen doen van een brandweerinzet. Ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet en private kwaliteitsborging in de bouw zal het bestuur van de veiligheidsregio zicht hebben op de brandveiligheid van een gebouw. Daar waar sprake is van risicovol gebruik zal ook de melding voor brandveilig gebruik blijven bestaan.
Op welke wijze betrekt u Brandweer Nederland bij de ontwikkeling van de Omgevingswet en de totstandkoming van het wetsvoorstel dat private kwaliteitsborging in de bouw mogelijk maakt? Wat is uw afweging bij hun adviezen tot nu toe geweest?
Met het aanbieden van het voorstel Omgevingswet aan de Raad van State is ook het proces voor de ontwikkeling van de uitvoeringsregels van de Omgevingswet aangevangen. Net als bij de ontwikkeling van het wetsvoorstel is met het oog op een goede kwaliteit van beleid en regelgeving de inbreng van kennis en expertise van verschillende partijen noodzakelijk. Om die reden worden de stakeholders, waaronder ook de vertegenwoordigers van de veiligheidsregio’s, nauw betrokken bij het ontwerpen van de inhoud van de uitvoeringsregels.
De regionale brandweer is net zoals het gemeentelijk bouw- en woningtoezicht en de RUD's een waardevolle uitvoeringsorganisatie die een inbreng moet kunnen leveren waar dat nodig is. Over de wijze waarop private kwaliteitsborging in de bouw kan worden gerealiseerd, is reeds met vele partijen, waaronder Brandweer Nederland en de Vereniging bouwtoezicht Nederland, gesproken. De minister voor Wonen en Rijksdienst zal nog dit najaar uw Kamer hierover per brief informeren. In die brief zal de minister tevens ingaan op de door uw Kamer aangenomen motie inzake de betrokkenheid van de veiligheidsregio’s en de RUD’s.
Bent u van mening dat brandveiligheid bij complexe bouwinitiatieven integraal (zowel vanuit het oogpunt van preventie, als vanuit de (on)mogelijkheden voor het brandweeroptreden tijdens een calamiteit, maar ook rekening houdend met het gebruik van het gebouw) beoordeeld moet worden?
Bij de realisatie van complexe bouwinitiatieven is het van belang rekening te houden met het uiteindelijk gebruik, maar ook raadzaam om vooraf te bezien op welke wijze een eventuele brandweerinzet effectief en veilig kan plaatsvinden. De brandveiligheid van een gebouw wordt bepaald door de voorzieningen in het gebouw, het gebruik van het gebouw en de interne organisatie die hulp moet bieden bij brand. De eigenaar en gebruiker van een pand zijn primair verantwoordelijk voor de veiligheid. De regionale brandweer moet over voldoende informatie beschikken om haar inzet bij brand op het specifieke gebouw af te stemmen. In gevallen waar dit mogelijk risicovol is, is hierin voorzien door de melding en vergunning brandveilig gebruik.
Bent u van plan de adviesrol van de brandweer bij complexe bouwinitiatieven te borgen in het toekomstig wetsvoorstel omtrent private kwaliteitsborging in de bouw? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
In de Kamerbrief, als bedoeld in het antwoord op vraag 3, zal de minister voor Wonen en Rijksdienst nader op dit aspect ingaan.
In hoeverre acht u private partijen in staat om – bij situaties waar op grond van artikel 1.3 van het Bouwbesluit gelijkwaardigheid moet worden aangetoond – organisatorische maatregelen gericht op het toekomstige gebruik zoals bedrijfshulpverlening mee te wegen?
Evenals onder het huidige stelsel het geval is zal een initiatiefnemer bij toepassing van een gelijkwaardige oplossing – bij een als risicovol geclassificeerd gebruik – moeten aantonen dat ook daadwerkelijk aan alle voorschriften wordt voldaan. De basis hierbij wordt gevormd door de voorschriften van het Bouwbesluit 2012. Door bij de realisatie van complexe gebouwen bijtijds in overleg te treden met de veiligheidsregio kunnen de mogelijkheden en onmogelijkheden van een repressieve inzet – gegeven een beoogde gelijkwaardige oplossing – inzichtelijk worden gemaakt. Ook over dit aspect zal de minister voor Wonen en Rijksdienst uw Kamer nader per brief informeren.
Het bericht ‘Doodgestoken Zweedse deed aangifte van bedreiging’ |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Doodgestoken Zweedse deed aangifte van bedreiging»?1
Ja, ik betreur het overlijden van de betrokkene ten zeerste.
Klopt het dat de Zweedse studente die op 10 september 2013 in Den Bosch is doodgestoken, in augustus 2013 bij de politie aangifte heeft gedaan van ernstige bedreiging door haar ex-vriend?
Betrokkene heeft op 15 augustus 2013 in ’s-Hertogenbosch aangifte van bedreiging gedaan.
Klopt het dat die aangifte door de politie nog in behandeling genomen moest worden?
De aangifte van betrokkene is op 15 augustus 2013 opgenomen en op 16 augustus 2013 doorgezet naar het betreffende basisteam. Het basisteam heeft de aangifte op 16 augustus 2013 overgedragen aan de districtelijke opsporing en deze werd daar op 26 augustus 2013 inhoudelijk beoordeeld. Besloten werd dat de aangifte, in verband met daderindicatie, opgepakt diende te worden.
Klopt het dat de politie in Den Bosch niet over voldoende menskracht beschikt om aangiftes als deze met de benodigde spoed in behandeling te nemen?
De politie in Den Bosch is in staat om dit soort aangiftes met de nodige prioriteit in behandeling te nemen. Aangezien de vraag naar politiecapaciteit groot is, moeten altijd keuzes worden gemaakt. Uiteraard kunnen niet alle zaken gelijktijdig opgepakt worden. Binnen de politie wordt continue gewerkt aan een verbetering van de werkprocessen waarmee de effectiviteit van het politiewerk kan verbeteren. De vorming van de nationale politie helpt om hierin snellere en betere stappen te zetten.
Op welke wijze wordt in de regel prioriteit aangebracht in de behandeling van aangiftes? Is dat ook in dit geval gebeurd?
Zie antwoord vraag 4.
Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat aangiftes van ernstige bedreiging door de politie adequaat worden behandeld?
Aangiftes van bedreiging dienen met prioriteit en adequaat opgepakt te worden. Ik verwijs u naar de verbeteringen van de behandeling van de aangiften die politie en OM op dit moment doorvoeren, zoals ik uw Kamer in mijn brief van 9 juli 2013, kenmerk 29 628 nr. 404, heb aangegeven. Eerdere en betere casescreening maken hiervan onderdeel uit.
Ik omarm het besluit van de burgemeester van 's-Hertogenbosch, de heer Rombouts, om in dit soort zaken de wijkagent te laten interveniëren richting bedreiger. Wijkagenten vervullen een effectieve rol door bijvoorbeeld aan de bedreiger kenbaar te maken dat hij bij de politie bekend is.
De korpschef zal de interventiemogelijkheden bij bedreigingen verder verbreden.