De betrokkenheid van Royal HaskoningDHV bij een illegaal Israëlisch project in Oost-Jeruzalem |
|
Bram van Ojik (GL) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de verklaring van de Palestijnse Water Autoriteit (PWA) inzake de betrokkenheid van het Nederlandse bedrijf Royal HaskoningDHV bij een illegaal Israëlisch project in bezet Oost-Jeruzalem?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat Royal HaskoningDHV heeft besloten zich uit dat project terug te trekken? Zo ja, verwelkomt u dit besluit, in overeenstemming met de positie van opeenvolgende kabinetten dat economische relaties van Nederlandse bedrijven met nederzettingen ontmoedigd dienen te worden, omdat de nederzettingen illegaal zijn en een groot obstakel voor vrede? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennisgenomen van het besluit van Royal HaskoningDHV. Het betreft een eigenstandig genomen besluit, waarover het kabinet geen zeggenschap heeft. Het besluit is in lijn met het standpunt van het kabinet dat de uitbreiding van nederzettingenactiviteiten een twee-statenoplossing in de weg staat.
Heeft u kennis genomen van de oproep van Dr. Hanan Ashrawi, lid van het Uitvoerend Comité van de PLO, waarin zij het betreffende project in de context plaatst van het Israëlische nederzettingenbeleid, Israëls annexatie van Oost-Jeruzalem en de bezetting van de Westelijke Jordaanoever?2 Onderkent u de relatie van het project met de nederzettingen, annexatie en bezetting? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet heeft kennis genomen van de verklaring van het Uitvoerend Comité van de PLO. Het kabinet is in gesprek gegaan met Royal Haskoning DHV omdat het van mening is dat er een relatie is tussen het desbetreffende project en de Israëlische nederzettingenactiviteiten.
Klopt het dat de Palestijnse autoriteiten hun afwijzing van het betreffende project herhaaldelijk aan de Nederlandse regering kenbaar hebben gemaakt en niet aan het project meewerken? Klopt het dat dit project niet aan de orde is geweest in het Joint Water Committee (JWC) en derhalve een unilateraal Israëlisch project is?
De Palestinian Water Authority heeft in verschillende ontmoetingen met de Nederlandse Vertegenwoordiging bezwaar gemaakt tegen dit project.
Het kabinet kan u niet zeggen of het project aan de orde is geweest in het JWC. Bekend is dat de samenwerking tussen partijen in het JWC moeizaam verloopt.
Klopt het bericht dat Palestijnse autoriteiten sinds 1995 30 voorstellen voor waterzuiveringsinstallaties in het JWC hebben ingediend en dat Israël slechts vier daarvan heeft goedgekeurd?
Het kabinet beschikt niet over exacte informatie over hetgeen in de JWC wordt besproken.
Klopt het dat een van de afgewezen voorstellen een Palestijns voorstel betreft, in 2010 in het JWC ingediend, voor een waterzuiveringsinstallatie in Ubeidiyeh, mede bedoeld om afvalwater uit Oost-Jeruzalem te verwerken?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat Israëls tegenwerking van Palestijnse waterautoriteiten, in dit en andere gevallen, een hoofdoorzaak is van een ernstige milieuproblematiek in delen van de Westelijke Jordaanoever, door vervuild water, in belangrijke mate te wijten aan ontbrekende of gebrekkige voorzieningen voor de lokale waterzuivering? Zo nee, waarom niet?
De moeizame samenwerking van beide partijen in het JWC is een van de redenen waarom het vervuilde water in de Westelijke Jordaanoever op veel locaties niet gezuiverd wordt. Het kabinet heeft geen informatie over de precieze milieuschade die dit veroorzaakt.
Deelt u de mening dat Israëls tegenwerking van Palestijnse waterautoriteiten, met alle lange termijn implicaties van dien, de opbouw van een levensvatbare, soevereine en onafhankelijke Palestijnse staat ernstig ondermijnt? Zo nee, waarom niet?
De opbouw van een levensvatbare staat hangt van veel factoren af, niet alleen van de samenwerking op het gebied van water en waterzuivering.
Bent u bereid de Israëlische autoriteiten op hun nalatigheid en obstructie aan te spreken en hen te manen de waterrechten van Palestijnen te respecteren en de Palestijnse autoriteiten in staat te stellen duurzaam en effectief waterbeheer te ontwikkelen, inclusief de nodige voorzieningen voor waterzuivering? Zo nee, waarom niet?
Nederland spoort Israël aan om zijn internationaalrechtelijke verplichtingen na te leven, ook op het gebied van water. Ook de EU dringt er geregeld bij Israël op aan de Palestijnse waterrechten te respecteren en de toegang tot en beschikking over water te vereenvoudigen.
Tevens spoort Nederland beide partijen aan om constructief samen te werken ten aanzien van praktische kwesties. Dit onderwerp zal onder meer aan de orde worden gesteld tijdens de politieke consultaties ter gelegenheid van de samenwerkingsfora die aan het einde van dit jaar met Israël en de Palestijnse Autoriteit afzonderlijk plaatsvinden. Tijdens deze fora staat het thema water centraal. Nederland is bovendien al jaren actief op het gebied van multilaterale water samenwerking in het Midden-Oosten. Door deelname in het Middle East Desalination Research Center (MEDRC) en de EXACT werkgroep (beide opgericht als uitvloeisel van de Oslo akkoorden) beoogt het kabinet met name de water samenwerking tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit te bevorderen.
Het Russische voornemen kinderen weg te halen bij homoseksuele ouders |
|
Michiel Servaes (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het wetsvoorstel in de Doema dat mogelijk maakt dat kinderen bij hun ouders worden weggehaald omdat de ouders homoseksueel zijn?1
Ja.
Deelt u de mening dat de inhoud van deze wet verwerpelijk is en een eventuele inwerkingtreding in Rusland moet worden voorkomen en ten stelligste moet worden afgekeurd?
Ja.
Kunt u toelichten welke gevolgen deze wet zal hebben voor homoseksuele ouders en hun kinderen?
Het voorstel behelst een aanvulling op artikel 69 van de Gezinswetgeving van de Russische Federatie. In dit artikel worden redenen aangevoerd die aanleiding kunnen zijn voor het ontnemen van ouders van hun ouderlijke rechten (verwaarlozing, misbruik, etc.). Initiatiefnemer Aleksey Zhoeravlev (Duma lid namens Verenigd Rusland) stelt voor dat ook de «niet-traditionele seksuele oriëntatie» van (één van de) ouders als reden wordt aangemerkt.
Kunt u aangeven in hoeverre de cijfers genoemd in het Russische wetsvoorstel correct zijn?
Het is moeilijk in te schatten hoeveel ouders door het wetsvoorstel zouden worden getroffen, indien het aangenomen wordt. Het percentage van 5–7% van de bevolking met een «niet-traditionele seksuele oriëntatie» – dat door de initiatiefnemer wordt genoemd – is ook wereldwijd een gehanteerd gemiddelde. Indien een derde van deze groep kinderen heeft (zoals eveneens door de initiatiefnemer wordt aangegeven maar waar geen officiële cijfers over zijn) dan zouden naar schatting meer dan 2 miljoen kinderen door deze wet kunnen worden geraakt, afhankelijk van de definitieve formulering en uiteindelijke uitvoering van de wet. Voor de overige cijfers baseert de initiatiefnemer van de wet zich op onderzoek van een Amerikaanse onderzoeker (Mark Regnerus, University of Texas, Austin, «How different are the adult children of parents who have same-sex relationships? Findings from the New Family Structures Study», juli 2012). In de VS is een discussie gaande over de wetenschappelijke waarde van dit onderzoek.
Kunt u bevestigen dat er, volgens dit wetsvoorstel, naar schatting 2 miljoen Russische kinderen van hun ouders zullen worden gescheiden?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven welke stappen u wilt ondernemen om de EU dergelijke mensenrechtenschendingen in Rusland integraal aan de kaak te laten stellen in alle diplomatieke contacten tussen de EU en Rusland?
Het is staand beleid dat Nederland de autoriteiten van andere landen aanspreekt op LHBT-kwesties en waar mogelijk publieke mensenrechtenevenementen actief steunt. Tijdens mijn gesprek met de Russische minister Lavrov op 26 februari jl. en tijdens de persconferentie daarna heb ik de Nederlandse zorgen op dit terrein overgebracht. Verschillende ministers en de minister-president hebben dit ook gedaan tijdens bilaterale ontmoetingen. In EU-verband vormen de door de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) vastgestelde richtsnoeren («guidelines to promote and protect the enjoyment of all human rights by LGBTI persons») het raamwerk voor de inzet van EU-delegaties en ambassades van de EU-lidstaten. De Hoge Vertegenwoordiger van de EU, mevrouw Ashton, heeft mede op verzoek van Nederland eerder dit jaar een verklaring afgegeven inzake de anti-homopropagandawet. Ook in de mensenrechtenconsultaties tussen de EU en Rusland zijn hierover van EU-zijde zorgen uitgesproken. Nederland zal bij de eerstvolgende bespreking in de RBZ waar Rusland op de agenda staat de mensenrechtensituatie in Rusland in brede zin en het voorliggende wetsvoorstel, waarvan nog onzeker is of het zal worden aangenomen, aan de orde stellen.
Het bericht dat de nieuwe PI Zaanstad geschikt is voor vreemdelingenbewaring |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitspraak van de hoofddirecteur van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) dat de nieuwe penitentiaire inrichting (PI) Zaanstad ook geschikt is voor vreemdelingenbewaring?1
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) streeft ernaar om gebouwen zo efficiënt en flexibel mogelijk in te zetten. De nieuwbouw wordt daarom zo vormgegeven dat sprake is van een multifunctioneel gebouw, waarbij rekening is gehouden met de verschillende regimes die binnen DJI ten uitvoer worden gelegd. Op die wijze werkt DJI aan justitiële inrichtingen die ook voor de toekomst bruikbaar zijn.
PI Zaanstad zal, zoals ook in het Masterplan DJI 2013–2018 is beschreven, in gebruik worden genomen door de sector Gevangeniswezen. Vreemdelingen die in bewaring worden gesteld, zullen worden ondergebracht in de drie detentiecentra Rotterdam, Schiphol en Zeist. DJI zal altijd rekening moeten houden met capacitaire ontwikkelingen.
Op welke wijze is de nieuwe PI Zaanstad geschikt voor vreemdelingenbewaring? Waarom is hiervoor gekozen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe groot acht u de kans dat deze nieuwe PI daadwerkelijk vreemdelingen zal detineren?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is eerder dit jaar besloten om bijna de helft van alle beschikbare plaatsen voor vreemdelingendetentie te sluiten en de nieuwe PI Zaanstad toch geschikt te maken voor vreemdelingenbewaring?2
Binnen de vreemdelingenbewaring is de afgelopen jaren sprake van een dalende instroom. Zoals in het Masterplan DJI is toegelicht maakt de dalende behoefte aan capaciteit een verantwoorde capaciteitsreductie in de vreemdelingenbewaring mogelijk. Rekening houdend met de benodigde capaciteitsmarge en de ontwikkeling en inzet van toezichtmaatregelen bij terugkeer, is besloten tot een afbouw naar een beschikbare capaciteit van 933 plaatsen.
Zoals reeds is vermeld in het antwoord op de vragen 1, 2 en 3, wordt de PI Zaanstad een multifunctioneel gebouw. Dat maakt het mogelijk om dit gebouw al naar gelang de behoefte aan detentiecapaciteit voor de ene of de andere sector van DJI in te zetten.
Hoe verhoudt dit nieuws zich tot uw voornemen om het regime voor vreemdelingendetentie los te koppelen van de Penitentiaire Beginselenwet?
Er is geen relatie tussen de vormgeving van de PI Zaanstad en mijn voornemen om het regime voor vreemdelingenbewaring uit de Penitentiaire beginselenwet te halen en te regelen binnen een bestuursrechtelijk kader. Het nieuwe regime van vreemdelingenbewaring zal worden uitgevoerd in de eerder in deze antwoorden genoemde locaties, te weten Rotterdam, Schiphol en Zeist.
Hoe verhoudt dit nieuws zich tot het inzetten van meer alternatieven voor vreemdelingendetentie?
In heb uw Kamer in mijn brief van 13 september jl.3, geïnformeerd over mijn plannen om meer in te zetten op toezichtmaatregelen bij terugkeer en minder op vreemdelingenbewaring. De vreemdelingen die niet meewerken aan terugkeer, waar een reëel risico op onttrekking is en daadwerkelijk zicht is op uitzetting, kunnen als ultimum remedium in bewaring worden gesteld. Zoals in het antwoord op vraag 1, 2 en 3 reeds is vermeld, zal de PI Zaanstad in gebruik worden genomen door de sector Gevangeniswezen. Er is geen verband met de inzet van toezichtmaatregelen bij terugkeer.
Jurisprudentie ten aanzien van de handhaving van het ingezetenencriterium voor coffeeshops |
|
Manon Fokke (PvdA), Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rechter verklaart OM niet-ontvankelijk in zaak coffeeshops Maastricht»?1
Ja.
Kunt u een overzicht en een inhoudelijke samenvatting geven van de rechterlijke uitspraken ten aanzien van het ingezetenencriterium vanaf mei 2012 tot heden?
De regering heeft immers zelf al gezegd dat de beperking van cannabisverkoop aan alleen Nederlanders heeft geleid tot een sterke afname van het drugstoerisme. De Staat moet nu een schadevergoeding betalen aan een aantal coffeeshophouders in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland. De hoogte van de schadevergoeding zal nog nader bepaald moeten worden. De beperking van verkoop aan alleen Nederlanders (het «ingezetenen-criterium») is volgens de rechtbank wel geoorloofd, omdat hiermee doelgericht het drugstoerisme uit het buitenland tegengegaan wordt. Dit beleid is volgens de rechtbank vanwege deze doeltreffendheid niet in strijd met Europese regelgeving.»
De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in het kader van het motiveringsbeginsel, in onderhavige zaak niet kan volstaan met een verwijzing naar de (openbare orde) situatie in Maastricht in 2008 (waar de uitspraak van de Afdeling betrekking op heeft), maar dient te motiveren waarom ook thans een minder vergaande maatregel (dan het i-criterium) niet mogelijk zou zijn. (...) De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt in strijd is met het motiveringsbeginsel.»
Vormen bovenstaande uitspraken gezamenlijk een eenduidige jurisprudentie ten aanzien van het ingezetenencriterium? Zo ja, waaruit blijkt die eenduidigheid? Zo nee, waarom niet?
Uit de jurisprudentie tot nu toe blijkt dat het ingezetenencriterium zowel bij de strafrechter als de civiele rechter als de bestuursrechter de toets der kritiek doorstaat.
Deelt u in zijn algemeenheid de mening dat, indien jurisprudentie geen eenduidige rechtsbron oplevert, de wetgever daar zelf door middel van wetgeving voor moet zorgen?
Deze vragen zijn gelet op het antwoord op vraag 3 niet van toepassing.
Deelt u de mening dat in het geval de jurisprudentie met betrekking tot het ingezetenencriterium geen eenduidige rechtsbron oplevert, u voor wetgeving over dit onderwerp dient te zorgen? Zo ja, gaat u binnen de in het Regeerakkoord geschetste kaders rondom het ingezetenencriterium en de handhaving daarvan, wetgeving aanhangig maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Tunnel levert ING miljoenen op' |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Tunnel levert ING miljoenen op»?1
De destijds in 1988 gekozen vorm van Publiek Private Samenwerking is gekoppeld aan «schaduwtol». PPS wordt in deze vorm niet meer toegepast.
Was een dergelijke winst voor het consortium onder leiding van ING te voorzien?
Met de toenmalige kennis en ervaring is op 30 december 1988 het contract voor de aanleg, onderhoud en financiering voor de Tunnel onder de Noord voorbereid en ondertekend. De uiteindelijke kosten waren indertijd niet goed te voorzien. Voor de overheid en private investeerders was het de eerste PPS. Er zijn veel risico’s (bouwen, financieren, exploiteren, verkeersontwikkelingen en prijsontwikkelingen) aan de ING overgedragen. Die risico’s worden afgedekt. De prijs daarvoor is hoog.
Is in het contract aandacht gegeven aan een dergelijke mogelijke uitkomst? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Aangezien de uiteindelijke kosten destijds niet goed voorzien konden worden, is in het contract opgenomen dat het passagetarief periodiek wordt herzien.
Levert deze hogere kostenpost een extra noodzaak tot bezuinigingen op? Zo nee, waaruit worden de hogere kosten dan betaald?
Er is op dit moment geen noodzaak tot bezuinigen vanwege dit contract. De kosten worden in de begroting opgevangen via jaarlijkse verrekening van berekend verkeer met werkelijk gepasseerd verkeer (schaduwtolsysteem). De begroting wordt bijgesteld aan de hand van verkeersprognoses.
Bent u van mening dat het rendement reëel en wenselijk is?
De beslissing over de balans tussen de risico’s en een daarbij passend rendement is genomen ten tijde van de contractondertekening op 30 december 1988. De beelden over de mogelijke risico’s en een mogelijk rendement zijn daarbij geaccepteerd. Achteraf gezien kan gezegd worden dat de prijs voor deze eerste PPS en de gekozen vorm van schaduwtol hoog is.
Wat is naar uw mening een redelijk rendement voor private investeerders in publieke werken?
Tegenwoordig worden andere uitgangspunten gehanteerd in de afweging over risico’s en rendementkansen. Bij PPS/DBFM is sprake van sturing op aangetoonde meerwaarde in combinatie met een taakstellend budget. Rendementen zijn markt, risico en periode gebonden. De private investeerders bepalen wat het door hen gewenste rendement is. De onderhandelingen vinden plaats met een consortium, dat op zijn beurt in concurrentie een «all-in» prijs neerlegt voor ontwerp, bouw, financiering en onderhoud van de infrastructuur over de contractduur. Deze «all-in» prijs moet altijd lager zijn dan de publieke referentievariant. De markt bepaalt welk rendement het wil maken. De overheid stemt in met een marktvoorstel als het meerwaarde voor de belastingbetaler en infrastructuur gebruiker (value for money) oplevert. Als een dergelijke prijs passend is binnen de spelregels van een voorkomende aanbesteding dan is een rendement in mijn ogen redelijk.
Is het waar dat het huidige contract in 2014 opnieuw besproken wordt? Bent u bereid in overleg te treden met het consortium over een aanpassing van de voorwaarden?
In januari 2014 wordt, binnen de contractvoorwaarden, het passagetarief opnieuw vastgesteld. Het contract biedt geen mogelijkheden voor andere aanpassingen.
Bent u, mede als vervolg op het kritische rapport van de Algemene Rekenkamer over DBFM-constructies2, bereid de Autoriteit Consument en Markt (ACM) om advies te vragen over de optimale inrichting van afspraken over het rendement op publieke infrastructurele werken, aangezien zij daar toezicht op houdt? Zo nee, bent u bereid op andere wijze – bijvoorbeeld in het buitenland – advies in te winnen?
Nee, extra advies voor het inrichten van afspraken over het rendement op publieke infrastructurele werken is niet nodig. De ervaringen met de huidige PPS DFFM contracten, en onder andere de daarbij gebruikte financiële modellen, zijn onderwerp van een permanente uitwisseling van kennis en best practices binnen het Rijk en met buitenlandse overheden. Dit om continu verder te verbeteren. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu zorgt zelf uiteraard voor een optimale inrichting van risico’s en prestatieprikkels in de DBFM contracten. Daarboven houdt het Ministerie van Financiën toezicht op de DBFM projecten en toetst het de doelmatigheid.
Bent u bereid de Kamer van de ontwikkelingen op dit terrein op de hoogte te houden?
Ja, de informatie-uitwisseling is geregeld via de begrotingsbehandeling van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en de reguliere DBFM(O) Voortgangs-rapportage PPS van het kabinet die wordt aangeboden door de minister van Financien waarvan de eerstvolgende medio 2014 wordt verstuurd. Ook zijn in de reacties van mij en de minister van Financien op het rapport Contract-management bij DBFMO projecten van de Algemene Rekenkamer, nadere afspraken gemaakt over de informatievoorziening.
Het sluiten van huisartsenpost en het stoppen met kindergeneeskunde en geboortezorg bij het Ruwaard van Putten Ziekenhuis |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de huisartsenpost bij het Ruwaard van Putten Ziekenhuis dreigt te sluiten vanwege het stoppen van spoedeisende zorg in de avonden en weekenden in het ziekenhuis?1
Ik heb begrepen dat de discussie zich vooral richt op de locatie van de HAP op het eiland en niet zozeer op de vraag of de HAP openblijft of sluit. De keuze van vestigingsplaats van een HAP is de primaire verantwoordelijkheid van de betrokken huisartsen en het is dus aan de huisartsen om de voor- en nadelen van de huidige vestiging ten opzichte van een meer centrale plek op Voorne Putten tegen elkaar af te wegen.
Waarom is ervoor gekozen met de spoedeisende zorg, de kindergeneeskunde en de geboortezorg te stoppen per 1 oktober a.s., en hoe is dit besluit tot stand gekomen?2
Het ziekenhuis laat mij weten dat deze afweging is gemaakt op basis van de geldende kwaliteits- en patiëntveiligheidseisen waaraan binnen het Spijkenisse Medisch Centrum niet meer voldaan kan worden. Met name het ontbreken van een IC faciliteit is hierin doorslaggevend geweest. Deze besluiten worden voorbereid door de betrokken medisch specialisten en afgestemd met de direct betrokkenen in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ). Van belang is dat de zorg die wordt geleverd in Spijkenisse MC verantwoord is. De IGZ ziet hierop toe. Als op enig moment blijkt dat de randvoorwaarden om verantwoorde zorg te leveren niet aanwezig zijn grijpt de IGZ in.
Deelt u de mening dat de inzet van één extra ambulance onvoldoende is om de acute zorg niet in gevaar te brengen, omdat bewoners van Voorne-Putten veel verder zullen moeten reizen voor spoedeisende hulp? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1 tot en met 4 van de Kamerleden Leijten (SP) en Van Gerven (SP) over langere ambulanceritten vanuit Spijkenisse (kenmerk 145121–109127-CZ).
Hoe is het mogelijk dat, wanneer het sluiten van de spoedeisende hulp opgevangen moet worden met een extra ambulance, het nog niet duidelijk is of deze ambulance na 1 oktober a.s. nog wel kan blijven?
Ondanks het feit dat het Spijkenisse MC niet gevoelig is voor de 45-minutennorm en er dus vanuit die optiek geen extra capaciteit hoeft te worden ingezet hebben de Regionale Ambulancevoorziening (RAV) en verzekeraar besloten tijdelijk toch een extra ambulance in te zetten, in ieder geval tot 1 januari 2014. In de tussentijd maken de RAV en de verzekeraar een analyse van de rijtijden, zodat op basis van deze analyse een besluit kan worden genomen over de eventuele verlenging van de tijdelijke extra ingezette ambulance.
Hoe en waar kunnen zwangere vrouwen, die in acute barensnood zijn, op tijd en goed geholpen worden wanneer per 1 oktober a.s. zij niet meer kunnen bevallen in het Ruwaard van Putten Ziekenhuis?
Zij kunnen hiervoor in vier ziekenhuizen in de regio terecht, te weten het Van Weel-Bethesda ziekenhuis, het Ikazia ziekenhuis, het Maasstad ziekenhuis en het Vlietland ziekenhuis.
Hoe kunt u garanderen dat er geen baby’s in de berm geboren hoeven te worden, met alle risico’s van dien voor moeder en kind?
Deze garantie kan nergens in Nederland gegeven worden en dus ook niet in deze regio. Van belang is dat in de regio wordt voldaan aan de normen voor bereikbaarheid en kwaliteit.
Wilt u uw invloed aanwenden om te voorkomen dat de huisartsenpost uit Spijkenisse verdwijnt, en dat de afbraak van het ziekenhuis wordt voortgezet? Zo neen, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
De afkoopsom van een ex-bestuurder van het Langeland Ziekenhuis |
|
Reinette Klever (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Toch afkoopsom ex-topman Langeland Ziekenhuis»?1
Normaliter verwacht ik medio 2013 jaarverslagen over 2012. In dit geval ging het om een gerectificeerd jaarverslag over 2011 dat in juni 2013 uit kwam.
Bent u bekend met de reden waarom deze bestuurder moest vertrekken?
In het jaarverslag is vermeld dat de bestuurder zich heeft teruggetrokken toen het plan was opgesteld om de financiële basis van het ziekenhuis te versterken: het Plan Jonkman.
Vindt u het niet schandalig dat er enerzijds duizenden ontslagen vallen in de zorg, terwijl anderzijds graaiende bestuurders hun zakken met ontslagvergoedingen vullen?
Ik ben het eens met al degenen die van mening zijn dat het hier om forse bedragen gaat. Omdat dit soort bedragen vaker voor kwam, heeft het kabinet de Wnt (wet normering topinkomens) ontworpen. Die is op 1 januari 2013 in werking getreden nadat die in beide Kamers met unanimiteit was aangenomen. Overigens zie ik geen relatie met de ontslagen in de zorg.
Welke maatregelen gaat u treffen om de rookgordijnen te voorkomen die ziekenhuizen opwerpen om de ontslagvergoedingen uit hun jaarverslagen te houden?
Sinds enkele jaren zijn er op dit punt verplichtingen omtrent de verantwoording van zorginstellingen in jaarverslagen zodanig dat ontslagvergoedingen inzichtelijk zijn.
Wanneer gaat u de ontslagvergoedingen terugvorderen?
Ik heb geen instrument voor een dergelijke actie. Het is de Raad van Toezicht die in dezen tot actie over zou kunnen gaan. Alvorens die daar een juridische titel voor krijgt, moet er sprake zijn van individueel verwijtbaar wanbestuur. Rechters stellen zeer hoge eisen aan de argumentatie alvorens een terugvorderingstitel toe te kennen.
Wanneer gaat u bestuurders hoofdelijk aansprakelijk stellen bij wanbestuur?
Als er sprake is van wanbestuur kan een bestuurder al aansprakelijk worden gesteld op basis van artikel 2:9 BW, deze actie kan de zorginstelling zelf instellen (dus bijvoorbeeld een nieuwe raad van bestuur of de raad van toezicht). Ik kan dit niet. Wanneer een zorginstelling schade lijdt als gevolg van een onbehoorlijke taakuitvoering door de bestuurder, kan de zorginstelling op basis van dit artikel vergoeding van de geleden schade vorderen.
Bent u ervan op de hoogte dat er vorig jaar ruim € 3 miljoen aan ontslagvergoeding is betaald aan 12 zorgbestuurders? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Ik rapporteer jaarlijks, meestal aan het einde van ieder jaar, aan de Kamer over de honorering van de topfunctionarissen in de zorg. Daarin wordt ook altijd ingegaan op de ontslagvergoedingen.
Bent u ervan op de hoogte dat sinds de Wet normering topinkomens (Wnt) van kracht is de ontslagvergoedingen met bijna 30% zijn gestegen? Zo ja, wat vindt u daarvan?
Ik ken geen cijfers die uw stelling onderbouwen. De jaarverslagen over 2013, het eerste jaar waarin de Wnt van kracht is, komen pas medio 2014 beschikbaar.
Deelt u de mening dat niet alleen nieuwe contracten maar ook oude contracten onder de Wnt zouden moeten vallen? Zo ja, bent u bereid de Wnt daarop aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op met name vraag 8 uit de vragenset van het Kamerlid Kerstens (PvdA) over de toegenomen exitpremies van zorgbestuurders (Aanhangsel van de Handelingen 2012–2013, nr. 3122).
Het advies van het College voor de Rechten van de Mens aan het kabinet om mensen met een beperking meer kansen te geven in onderwijs, werk en maatschappelijk leven |
|
John Kerstens (PvdA), Otwin van Dijk (PvdA) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nationaal actieplan noodzakelijk voor implementatie VN-gehandicaptenverdrag»?1
Ja, ik ben op de hoogte van dit bericht.
Bent u het eens met de conclusie van het College voor de Rechten van de Mens dat de wetsvoorstellen die voor goedkeuring zijn opgesteld2 nog te weinig waarborgen bieden om de samenleving inclusief te maken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Alle adviezen die zijn uitgebracht in het kader van de consultatie van de wetsvoorstellen, ook die van het College voor de Rechten van de Mens, zijn bestudeerd. Ik heb kennis genomen van het advies van het College waarin het adviseert een plan van aanpak op te stellen om een inclusieve samenleving te realiseren. In de Memories van Toelichting bij de wetten zal op de adviezen worden ingegaan, zo ook met betrekking tot het verzoek tot het opstellen van een plan van aanpak voor de implementatie. Ook andere veldpartijen zoals cliëntorganisaties hebben mij verzocht om te komen tot een plan van aanpak. In dat kader wil ik binnenkort met deze partijen in overleg treden om te bezien hoe vorm kan worden gegeven aan de tenuitvoerlegging van het verdrag. Ik verwacht de wetsvoorstellen in het najaar van 2013 aan de Raad van State te kunnen aanbieden, waarna deze aan uw Kamer worden gezonden ter behandeling.
Bent u het eens met de conclusie van dit College dat ook andere relevante regelgeving, zoals onder andere de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet, waarborgen zouden moeten bevatten om de samenleving inclusief te maken en recht te doen aan het VN-gehandicaptenverdrag? Kunt u uw antwoord toelichten?
Als het VN-verdrag geratificeerd is, zal dit als maatstaf dienen voor alle (toekomstige) wetgeving. Het wetsvoorstel maatschappelijke ondersteuning 2015 ligt thans voor advies voor bij de Raad van State. Het is op dit moment dan ook niet openbaar; na ontvangst van het advies van de Raad zal ik het aan uw Kamer zenden.
Het wetsvoorstel Participatiewet3 is ook nog niet openbaar. Wel heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in haar brieven van 21 december 20124, en 27 juni 20135 aangegeven dat de Participatiewet als doel heeft om alle mensen als volwaardige burgers mee te laten doen aan onze samenleving. Bij voorkeur via een reguliere baan, maar als dat nog niet mogelijk is, door op een andere manier te participeren in de samenleving. De inzet van de staatssecretaris van SZW is om het wetsvoorstel voor de Participatiewet in november van dit jaar ter behandeling aan te bieden aan de Tweede Kamer.
Wat is uw oordeel over het advies van het College om tot een Nationaal Actieplan te komen, om duidelijk te maken welke concrete maatregelen er op rijks- en lokaal niveau genomen worden?
Het College voor de Rechten van de Mens heeft een nationaal actieplan geadviseerd om een inclusieve samenleving te realiseren. Ook cliëntenorganisaties hebben zoals ik hierboven al heb aangegeven, verzocht om een dergelijk plan op te stellen. In dat kader zal ik met alle relevante partijen in gesprek treden om om te bezien hoe vorm kan worden gegeven aan de tenuitvoerlegging van het verdrag. Daarbij wil ik benadrukken dat iedere partij hierin haar verantwoordelijkheid heeft om inclusief denken in alle lagen van de samenleving te realiseren.
Ik verwacht de wetsvoorstellen voor ratificatie van het VN-verdrag inzake personen met een handicap in het najaar van 2013 aan de Raad van State te kunnen aanbieden, waarna deze ter behandeling aan uw Kamer worden aangeboden. Op dat moment is het aan uw Kamer om te beoordelen of de wetsvoorstellen ook naar uw mening voldoende overeenstemmen met de doelstelling van het VN-verdrag.
Bent u bereid een dergelijk Nationaal Actieplan op te stellen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie het antwoord op vraag 4.
Het bericht dat vrouwen niet meer in het ziekenhuis in Spijkenisse kunnen bevallen |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de beslissing dat in het Ruwaard van Putten Ziekenhuis in Spijkenisse per oktober a.s. geen bevallingen meer kunnen plaatsvinden?1
Ja.
Zijn er inmiddels op de nieuwe situatie aangepaste gegevens van het RIVM bekend betreffende de aanrijtijden in de regio Voorne-Putten? Zo ja, wordt daarin overtuigend onderbouwd dat er nergens in de regio langer dan 45 minuten reistijd voor spoedeisende hulp of voor acute verloskunde nodig is, zodat sluiting van de bevallingskliniek te verdedigen zou zijn? Zijn in het onderzoek de verkeersdrukte en de beperkingen als gevolg van bruggen meegenomen? Kunt u het onderzoek naar reistijd aan de Kamer doen toekomen? Zo nee, wanneer zijn deze gegevens bekend?
In 2012 zijn de modellen, die het RIVM gebruikt om het referentiekader spreiding en beschikbaarheid vast te stellen, onderzocht. De zorgverzekeraars en ambulancezorg zijn hier nauw bij betrokken geweest en kwamen gezamenlijk tot de conclusie dat de betreffende modellen van het RIVM, na enige verbeteringen, internationaal behoren tot de meest geavanceerde modellen voor de berekening van de spreiding en beschikbaarheid van ambulances en de bereikbaarheid van ziekenhuizen. Dit neemt niet weg dat het hier modellen betreft en dat ze nooit een perfecte beschrijving van de werkelijkheid geven.
Dat is op zich geen bezwaar. De modellen van het RIVM zijn primair bedoeld om de beschikbare middelen voor de ambulancezorg zo optimaal mogelijk te verdelen. Indien zij daar reden toe zien kunnen verzekeraars, ambulancediensten en andere acute ketenpartners in overleg besluiten tot een andere spreiding en capaciteit van ambulances, als men van mening is dat dit de bereikbaarheidsnormen in die regio beter waarborgt. Zo ook in de regio Spijkenisse. Ondanks het feit dat het Spijkenisse MC niet gevoelig is voor de 45-minutennorm en er dus vanuit die optiek geen extra capaciteit hoeft te worden ingezet hebben de Regionale Ambulancevoorziening (RAV) en verzekeraar besloten tijdelijk toch een extra ambulance in te zetten, in ieder geval tot 1 januari 2014. In de tussentijd maken de RAV en de verzekeraar een analyse van de rijtijden, zodat op basis van deze analyse een besluit kan worden genomen over de eventuele verlenging van de tijdelijke extra ingezette ambulance. Daarmee worden de plannen in de regio getoetst aan de daadwerkelijk gerealiseerde aanrijdtijden. Ik zal de conclusies van het onderzoek van de RAV en de verzekeraar t.z.t. aan uw Kamer toezenden.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het plan voor de hele keten van spoedeisende hulp in de regio dat de verzekeraar dient op te stellen, en dan met name wat betreft verloskundige hulp?
De plannen voor de verschillende specialismen worden besproken en uitgewerkt door het ziekenhuis, in samenspraak met de specialisten in het ziekenhuis, de verzekeraars en de betrokken zorgaanbieders in het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ). Het signaleren en waar mogelijk oplossen van witte vlekken in de acute zorg wordt besproken in het eerdergenoemde ROAZ-overleg (waar ook de verzekeraar aan deelneemt). Dit is een continu proces, waarbij niet op één moment het zorgprofiel van het gehele ziekenhuis wordt gewijzigd, maar waarbij de plannen per specialisme stapsgewijs worden uitgewerkt en uitgevoerd.
Van belang is dat de zorg die wordt geleverd in Spijkenisse MC verantwoord is. De IGZ ziet hierop toe. Als op enig moment blijkt dat de randvoorwaarden om verantwoorde zorg te leveren niet aanwezig zijn grijpt de IGZ in.
Is er in de regionale klinieken van de fusieorganisatie, als Spijkenisse wegvalt, 7x24 uur een gynaecoloog en een operatieteam in de kliniek aanwezig om veilig bevallen daadwerkelijk te kunnen bieden?
Er is geen sprake van een fusieorganisatie maar van intensief samenwerkende verloskundigen, gynaecologen en kinderartsen. De verloskundige zorg in de vier ziekenhuizen (Het Van Weel-Bethesda, Ikazia, Maasstad, Vlietland) die klinische verloskunde aanbieden in de regio zal moeten voldoen aan de normen voor verantwoorde zorg, zoals die door de beroepsgroep zijn vastgesteld. De IGZ ziet hierop toe. 24x7 aanwezigheid van een gynaecoloog en OK-team in een ziekenhuis valt niet onder deze normen.
Het bericht dat Rijkswaterstaat voorbereidingen treft voor een nieuwe bezuiniging op de bediening van sluizen en bruggen |
|
Sander de Rouwe (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat Rijkswaterstaat voorbereidingen treft voor een nieuwe bezuiniging op de bediening van sluizen en bruggen?1
De bezuiniging op bediening van sluizen en bruggen is geen nieuwe bezuiniging, maar een uitvoering van afspraken uit het Regeerakkoord Rutte I, die voor 2018 gerealiseerd moeten zijn. In 2012 is in goed overleg met de regio een pilot vraaggestuurde bediening IJsselmeergebied ingevoerd. Deze pilot dient als opmaat voor het totale versoberingpakket bediening.
Is het waar dat het voornemen bestaat om de Eilandbrug en de Ketelbrug in Overijssel uitsluitend vanaf de Ramspolbrug op afstand te bedienen? Is dit technisch gezien ook mogelijk? Wat betekent het verdwijnen van bediening op locatie voor het aantal openingen van de beide bruggen?
De Eilandbrug wordt reeds bediend vanuit de Ramspolbrug. Er zijn vooralsnog geen voornemens om de Ketelbrug op afstand te gaan bedienen. Na afloop van de nu nog lopende landelijke pilot «bediening op afstand» zullen de technische aspecten worden belicht in een evaluatie. Deze zal aan uw Kamer worden toegezonden.
Als versoberingsmaatregel wordt gekeken wat de mogelijkheden zijn om de Ketelbrug, Eilandbrug en Ramspolbrug gedurende de zomerperiode, in de rustige tijden, te laten bedienen door één bedienaar die dan tussen de Ketelbrug en Ramspolbrug pendelt. De consequentie hiervan is dat een brugdraaiing moet worden aangevraagd en dat er mogelijk langere wachttijden zijn. Ik verwacht dat het aantal openingen hierdoor wat minder zal worden, maar tijdens de opening zal wel het totale scheepsaanbod bediend worden.
Bent u op de hoogte van de grote zorgen over de gevolgen van de steeds beperktere openstelling bij de ondernemers van de «bruine vloot» in Kampen? Deelt u de mening dat het voor Kampen bijzonder ongewenst is wanneer ook het laatste deel van de chartervloot een andere thuishaven zou zoeken?
In de versoberingsvoorstellen is sprake van het inkorten van de bedienvensters Eilandbrug (bediend vanuit de Ramspolbrug) en Ketelbrug. Hierover is overleg gevoerd met de brancheorganisatie van charterschepen BBZ.
De landelijk te maken afwegingen houden rekening met het economisch belang en de intensiteit van het gebruik van objecten. Voor zover dat mogelijk is binnen de in het regeerakkoord aangegeven taakstelling heb ik ook rekening gehouden met het belang van de chartervaart bij de genoemde objecten. In overleg met de «bruine vloot» is binnen de opgave van de versobering nu gekomen tot een werkbaar bedienregime.
Zoals aangegeven in het AO Scheepvaart van 25 juni jongstleden zal het ontzien van de belangrijkste hoofdvaarwegen impact hebben voor de vaarweggebruikers van de vaarwegen waarover kleinere volumes worden vervoerd.
Bent u bereid om bij de besluitvorming over de bediening van beide bruggen rekening te houden met het belang van de chartervaart in Kampen? Zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om over mogelijke oplossingen (zoals een rol voor de havenmeester) in overleg te treden met de BBZ2 en de Kamer over de uitkomsten van dit overleg te informeren?
Dit overleg heeft reeds plaatsgevonden. Zie het antwoord op de vragen 3 en 4.
Sektarisch geweld in Irak |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Conjuring the Ghosts of Iraq’s Brutal Past»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de door de International Crisis Group geschetste verwachting dat in Irak een nieuwe sektarische burgeroorlog ontstaat? Bent u van mening dat daar al sprake van is?
Het kabinet deelt de zorgen van de International Crisis Group over de toenemende sektarische spanningen in Irak. Na een jarenlange periode van afnemend geweld is het aantal aanslagen sinds een aantal maanden toegenomen. Van een burgeroorlog is naar de mening van het kabinet vooralsnog geen sprake.
Hoe beoordeelt u het bericht dat verschillende buitenlandse strijders, bijvoorbeeld aan Al Qaeda gelieerde jihadisten, op grote schaal actief zijn in Irak? Klopt het dat verschillende (Arabische) landen deze terreurcellen financieren?
De activiteiten van extremistische groepen in Irak, inclusief Al Qaeda, zijn toegenomen. De onrust in Syrië, de verscherpte sektarische spanningen in Irak en de ruime beschikbaarheid van wapens zijn hier mede debet aan. Over de financiering van dergelijke groeperingen door (Arabische) landen is het kabinet niets bekend.
Deelt u de mening dat de Iraakse veiligheidsdiensten niet in staat lijken de openbare orde te handhaven? Hoe beoordeelt u de berichten dat deze veiligheidsdiensten het geweld juist doen escaleren? Is dat ook uw analyse? Hoe beoordeelt u de rol van premier Al-Maliki hierin, van wie verwacht zou mogen worden dat hij dit geweld juist indamt?
Het kabinet deelt de mening dat Iraakse veiligheidsdiensten grote moeite hebben om het geweld in te dammen. De toegenomen sectarische spanningen en het oplaaien van geweld waren belangrijke gespreksthema’s tijdens mijn bezoek aan Irak begin september. Ik heb de Iraakse premier Al-Maliki in dit kader aangespoord het geweld te beteugelen en de spanning te verminderen, daarbij onderstrepend dat het betrekken van alle bevolkingsgroepen bij politieke besluitvorming en het vasthouden aan het tijdpad voor verkiezingen noodzakelijk zijn voor het de-escaleren van het geweld.
Kent u de berichten over grootschalige martelpraktijken door de Iraakse veiligheidsdiensten? Hoe beoordeelt u deze? Hoe beoordeelt u de analyse dat hier sektarische motieven aan ten grondslag liggen?
Het kabinet deelt de zorgen over berichten dat Iraakse veiligheidsdiensten zich schuldig maken aan martelingen. De afgelopen maanden zijn veel soennieten gearresteerd op basis van verdenkingen van betrokkenheid bij aanslagen en lidmaatschap van gewelddadige groeperingen, zoals de Islamitische Staat in Irak en de Levant, een tak van Al-Qaeda.
Wat zijn de laatste ontwikkelingen in het Iraakse Kamp Ashraf, waar vele tientallen ingezetenen reeds zouden zijn omgekomen? Hoe beoordeelt de lokale VN-missie de ontwikkelingen rondom Kamp Ashraf? Bent u van mening dat de Iraakse autoriteiten adequaat hebben gereageerd op het geweld rondom het kamp?
Bij een aanval op Kamp Ashraf op 1 september jl., die door de VN, EU en VS is veroordeeld, zijn 52 personen omgekomen. De overige bewoners zijn vervolgens overgebracht naar Kamp Hurriya bij Bagdad.
De United Nations Assistance Mission to Iraq (UNAMI) bezocht Kamp Ashraf 24 uur na het incident en heeft vijftien overlevenden als getuigen kunnen horen. Allen spraken over daders in militaire uniformen, die volgens sommigen Arabisch spraken, volgens anderen Perzisch. UNAMI stelde vast dat er nauwelijks materiële schade is en bijna geen kogelhulzen zijn achtergebleven. Dit wijst op een goed georganiseerde en met voorbedachten rade uitgevoerde actie, aldus UNAMI.
De Iraakse autoriteiten hebben een onderzoek naar de gebeurtenissen aangekondigd.
Heeft u reeds contact gezocht met de Iraakse ambassadeur? Zo neen, waarom niet?
Nee, want daartoe is geen aanleiding. Vorige maand heb ik tijdens mijn bezoek aan Irak de premier, een van de vicepremiers en de minister van Buitenlandse Zaken uitgebreid gesproken, evenals een aantal mensenrechtenactivisten. Bovendien staan medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag in regelmatig contact met de Iraakse ambassadeur.
Ten aanzien van Kamp Hurriya steunt Nederland de inspanningen van de Verenigde Naties, zowel van UNAMI als van VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR, om de veiligheid in Kamp Hurriya te vergroten en de bewoners door UNHCR te laten interviewen.
Het ontbreken bij de regering aan een visie op grondstoffen |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TNO luidt de noodklok. Nederland heeft een duidelijke visie over grondstoffen nodig»?1
Ja.
Klopt het dat er in de nabije toekomst leveringsproblemen zullen ontstaan wat betreft grondstoffen voor agrariërs, chemiebedrijven en de textielsector? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
In de grondstoffennotitie (2010/11, 32 852, 1) die op 15 juli 2011 aan uw Kamer is aangeboden, wordt gesteld dat grondstoffenvoorzieningszekerheid de primaire verantwoordelijkheid is van het bedrijfsleven waar mogelijk ondersteund door de overheid. Uw Kamer heeft op 4 juli jongstleden een voortgangsrapportage (2012/13, 32 852, 15) ontvangen. Daarin geef ik aan dat er met het bedrijfsleven overlegd wordt om de vraagarticulatie vanuit het Nederlandse bedrijfsleven scherper te krijgen. In bijvoorbeeld de agro-gerelateerde sectoren is al veel kennis over kritische grondstoffen en zijn daar acties op geformuleerd (onder andere het Initiatief Duurzame Handel).
Biotische grondstoffen zijn hernieuwbare grondstoffen. De komende jaren worden nog geen tekorten aan biotische grondstoffen verwacht.
Door de mondiaal toenemende bevolkingsdruk, in combinatie met de toenemende welvaart in met name landen als India en China neemt op wat langere termijn de vraag naar biotische grondstoffen echter toe voor niet alleen menselijke voeding, maar bijvoorbeeld ook voor diverse technische toepassingen, zoals vezels voor kleding en diervoeders. Het kabinet zet zich daarom in voor climate smart agriculture en duurzame intensivering van de agroproductie. Hiermee wordt vergroting van de opbrengst per hectare bedoeld zonder dat de milieudruk toeneemt en/of de agro-biodiversiteit netto afneemt. Op deze wijze wordt een duurzaam voedselsysteem nagestreefd, dat tegemoet kan komen aan de diverse behoeften van de mondiale samenleving, waaronder voedselzekerheid en levering van grondstoffen. Daarnaast wordt een groeiende afzet verwacht in de westerse landen van biotische grondstoffen als biomassa voor energie of andere producten uit de opkomende «Biobased Economy». Met duurzaamheid als randvoorwaarde werken de chemische industrie en de overheid onder andere via de hoofdlijnennotitie Biobased Economy (2011/12, 32 637, nr. 32) aan een toekomstbestendige voorzieningszekerheid door de transitie van fossiele materialen naar biotische materialen. Het duurzame beheer van de landschappen, gronden en natuur van de gebieden waar de biotische grondstoffen worden geproduceerd, is van groot belang in deze transitie.
Voor de textielsector geldt dat primaire grondstoffen in Nederland maar zeer beperkt worden verwerkt tot eindproducten. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu werkt op dit moment samen met de relevante partners ondermeer aan het verhogen van het percentage ingezamelde textiel, het beïnvloeden van consumentengedrag en waar mogelijk de ondersteuning van initiatieven op het gebied van recycling. Dit alles met als doel de afhankelijkheid van primaire grondstoffen te verlagen door de beweging naar een circulaire economie. Daarnaast heeft de technologische industrie een eerste inventarisatie uitgebracht in april 2012. Vooral rond metalen en mineralen is op dit moment nog onvoldoende duidelijk welke delen van het bedrijfsleven leveringsproblemen ervaren, over welke grondstoffen en termijnen het gaat en wat mogelijke oplossingsrichtingen kunnen zijn. Dit komt onder meer omdat het hier concurrentiegevoelige informatie betreft die bedrijven niet openlijk delen. Naast de ronde tafels heeft de overheid daarom een onderzoek in gang gezet om onder andere te achterhalen waar in de Nederlandse economie kritische metalen en mineralen worden gebruikt, wat de kwetsbaarheden zijn en welke handelingsperspectieven deze kwetsbaarheden kunnen verminderen.
Kunt u aangeven in welke mate Nederlandse bedrijven en sectoren kampen met tekorten aan grondstoffen en/of toeleveringsproblemen hebben van grondstoffen die afkomstig zijn uit conflictgebieden? Zo nee, waarom niet?
Nee. Grondstoffenvoorzieningszekerheid en inkoopbeleid zijn in eerste aanleg de verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf. Voor zover bedrijven/ brancheorganisaties al signalen afgeven over moeilijkheden in de toeleveringsketen, hebben die zelden betrekking op conflictgebieden. Het ingezette onderzoek naar het gebruik van kritische materialen in de Nederlandse economie en de ronde tafels kunnen hier meer inzicht in gaan geven.
Indien het niet mogelijk is om aan te geven op welke termijn Nederlandse bedrijven en sectoren met leveringsproblemen dan wel tekorten kampen wat betreft grondstoffen, bent u bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
De overheid is samen met het Nederlandse bedrijfsleven bezig om de bewustwording en kennis over de voorzieningszekerheid van grondstoffen verder uit te bouwen. Zo organiseren zij gezamenlijk al een aantal jaren internationale conferenties rond dit thema. Daarnaast is door het Centraal Bureau voor de Statistiek de monitor materiaalstromen ontwikkeld om meer inzicht te krijgen in het gebruik en recycling van grondstoffen, halffabricaten en eindproducten in de Nederlandse economie. Hierin worden zowel de biotische grondstoffen als de metalen en mineralen gevolgd. Daarnaast zijn er al initiatieven in de kenniswereld zoals het platform Duurzaam Grondstoffenbeheer en het expertisecentrum Grondstoffen van TNO en HCSS die vanuit hun eigen rol het bedrijfsleven ondersteunen met onderzoek en advies. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Op welke manier wordt er door de Nederlandse overheid aandacht besteed aan het zeker stellen van de grondstoffentoevoer, bijvoorbeeld in handelsmissies en het beleid ten aanzien van grondstofrijke conflictgebieden?
De Nederlandse overheid zet zich in eerste instantie in op goede werking van de (internationale) markt. Dit doet zij bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen in het multilaterale handelssysteem, waarbij de WTO het belangrijkste houvast is. Dit systeem perkt de ruimte voor landen in om handelsbelemmerende maatregelen te nemen. Nederland ondersteunt ook de activiteiten van de OESO om exportrestricties op 81 metalen en mineralen te inventariseren en daarmee transparant te maken voor overheden en bedrijven. Daarnaast steunen we de Europese Commissie om bij vrijhandelsonderhandelingen in te zetten op het afbouwen van ongerechtvaardigde exportbeperkingen.
Met zowel grondstofrijke landen als grondstoffen consumerende landen worden actief bilaterale relaties en strategische partnerschappen onderhouden. De Speciaal Gezant Natuurlijke Hulpbronnen heeft in dat kader bezoeken gebracht aan ondermeer de VS, India, Indonesië, Maleisië, Mongolië, Singapore, Zuid Afrika, Tanzania, Ethiopië, Mexico en Australië om de banden aan te halen en om de mogelijkheden voor samenwerking te verkennen. China is als grondstoffen producerend en consumerend land één van de belangrijkste spelers. Dialoog is gaande over technische samenwerking om standaarden in de mijnbouwsector te verbeteren. Daarbij wordt samenwerking gezocht met Australië.
Met Bolivia is recent een Memorandum Of Understanding getekend over samenwerking op het terrein van lithium winning en industriële productie van batterijen. Hierbij wordt steeds actief gebruik gemaakt van het beschikbare bedrijfsleveninstrumentarium, zoals Partners for International Business.
Het beleid ten aanzien van grondstofrijke conflictgebieden is in ontwikkeling. De Europese Commissie beraadt zich om de inzet op conflictmineralen uit te breiden. Zij put daarbij inspiratie uit het Nederlandse initiatief voor het opzetten van een conflictvrije tinketen in oostelijk Congo. De Commissie heeft in maart 2013 een Publieke Consultatieronde geopend over een initiatief voor verantwoorde aankoop van mineralen uit conflict- en hoog-risicogebieden. Zij zal op basis van deze consultatie besluiten of, en hoe, zij haar huidige «due diligence» initiatieven kan complementeren.
Het kabinet zet in op een maatwerkaanpak gericht op specifieke problemen en grondstoffen, omdat dit effectief is zeker als bedrijfsleven, overheden en ngo’s goed samenwerken.
Stimuleert de overheid Nederlandse bedrijven minder afhankelijk te worden van grondstoffen afkomstig uit conflictgebieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier?
Nee. De overheid stimuleert bedrijven juist om – in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen – inkoop uit (voormalige) conflictgebieden niet per definitie te mijden. Voorbeeld is het Conflict Vrije Tin Initiatief dat de Nederlandse overheid in samenspraak met in eerste instantie Philips en Tata Steel heeft geïnitieerd. Inmiddels hebben vele bedrijven, nationaal en internationaal, zich bij het initiatief aangesloten, waaronder, HewletPackard, Intel, Friesland Campina, Apple, Fair Phone, Motorola Solutions, Nokia, Blackberry, Alpha, IBM, AIM, Traxys en MSC Berhad. Met de Europese Commissie wordt bezien in hoeverre een gelijksoortige keten voor het metaal wolfraam kan worden geïnitieerd.
Deelt u de mening dat er op dit moment geen samenhangend beleid is inzake grondstoffen, maar dat er slechts sprake is van versnipperd beleid? Zo nee, waarom niet?
Nee. De grondstoffennotitie vormt de «kick off» van een integraal Nederlands grondstoffenbeleid. Hierin wordt nauw samengewerkt tussen de overheid, het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties en staan zowel biotische grondstoffen als de metalen en mineralen centraal. De integrale aanpak waarin zowel het economische-, geopolitieke- en milieuperspectief worden gecombineerd, heeft al geleid tot meer samenhang en afstemming tussen beleidsvelden.
Deze integrale aanpak komt ook tot uitdrukking in de Uitvoeringsagenda Natuurlijk Kapitaal, die op 22 juni naar de Kamer is gestuurd. Hierin staan 16 concrete actiepunten ter versterking van de relatie economie en ecologie. Met ook daarin aandacht voor het grondstoffenbeleid. De verschillende sectoren van het Nederlandse bedrijfsleven zijn op verschillende snelheden bezig met dit onderwerp. Hierdoor is maatwerk en gezamenlijk leren een vereiste. In den brede kan worden vastgesteld dat de bewustwording en kennis over grondstoffenvoorzieningszekerheid steeds groter wordt, vooral dankzij de aanjagende rol van de overheid. De ingezette verduidelijkingslag rond de exacte vraag naar grondstoffen uit de industrie, via (o.a.) ronde tafels met het Nederlandse bedrijfsleven, is een nieuwe stap in de verdere ontwikkeling van het Nederlandse grondstoffenbeleid. Het is vooral van belang om concrete acties te blijven oppakken in samenwerking met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, en daarbij de huidige integrale aanpak te handhaven.
Bent u bereid het nut en de noodzaak te erkennen van een alomvattende grondstoffenstrategie waarbij sprake is van een heldere visie en samenhangend beleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier wilt u dit gaan vormgeven?
Zie de beantwoording op vraag 7.
Klopt het dat het er voor bedrijven een gebrek is aan betrouwbare informatie inzake grondstoffen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier wilt u hier verbetering in aan brengen?
Grondstoffenvoorzieningszekerheid is de primaire verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven. Het is in eerste instantie aan het bedrijfsleven om samen met relevante kennispartners inzicht te krijgen in de voor hun relevante grondstoffen. Hierin worden ze ondersteund door partijen uit de kenniswereld zoals het platform Duurzaam Grondstoffenbeheer en het expertisecentrum Grondstoffen van TNO en HCSS. Ook maatschappelijke organisaties spelen een belangrijke rol om sociale en milieu vraagstukken te adresseren. Daarnaast wil de overheid onder andere via onderzoek bijdragen aan kennis over de rol van grondstoffen voor de Nederlandse economie.
De verdere ontwikkeling van de monitor Materiaalstromen in 2014 en het nieuw ingezette onderzoek naar kritische metalen en mineralen in de Nederlandse economie moeten duidelijk maken wat voor vragen relevant zijn, welke informatie nog ontbreekt en welke behoeftes het bedrijfsleven heeft ten aanzien van informatievoorziening en handelingsperspectieven.
Bent u bereid als overheid partner te worden van het expertisecentrum grondstoffen dat is opgericht door TNO en Den Haag Centrum voor Strategische Studies (HCSS)? Zo nee, ziet u andere mogelijkheden om dit expertisecentrum (financieel) te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het initiatief van TNO en HCSS om een expertisecentrum Grondstoffen op te richten en concreet met het bedrijfsleven aan de slag te gaan is een belangrijke stap. Dit bespoedigt het proces van vraagarticulatie vanuit het Nederlandse bedrijfsleven. Het initiatief wordt door de overheid verwelkomd, maar aangezien grondstoffenvoorzieningszekerheid primair de verantwoordelijkheid is van het bedrijfsleven en er marktkansen liggen voor kennisinstellingen om kennis toe te passen ligt financiële steun niet in de rede.
Ngo wetgeving in Indonesië |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Indonesië gaat ngo’s stevig inperken» en «Indonesia: Freedom of association under threat»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen dat met de nieuwe ngo-wetgeving zonder uitgebreide motivering of tussenkomst van de rechter maatschappelijke organisaties gewaarschuwd, een half jaar stilgelegd of ontbonden kunnen worden? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Het Indonesische nationale parlement heeft op 2 juli 2013 een wet over massaorganisaties aangenomen, die na ondertekening door de president op 22 juli in werking is getreden.
De autoriteiten kunnen een ngo schriftelijk waarschuwen indien zij menen dat de ngo de wet overtreedt. Als een ngo geen gehoor geeft aan drie opeenvolgende schriftelijke waarschuwingen, dan kunnen de autoriteiten besluiten de activiteiten van de ngo gedurende maximaal zes maanden op te schorten. Voor ontbinding van een ngo is de tussenkomst van een rechter vereist.
Kunt u verder bevestigen dat Indonesië door de nieuwe wetgeving ook ngo’s kan verbieden3 die corruptie aan de kaak willen stellen, zoals Indonesian Corruption Watch of Greenpeace? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Corruptie wordt als zodanig niet in de wet genoemd. Wel verbiedt de wet dat ngo’s gedachtengoed en religieuze overtuigingen uitdragen die de eenheidsstaat, welke is gebaseerd op de Pancasila staatsfilosofie, in gevaar brengen.
Is het waar dat vreedzame politieke activiteiten in Papua en op de Molukken door de wetgeving worden ingeperkt? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Activiteiten die de eenheid van de Republiek Indonesië in gevaar brengen zijn verboden. De wet definieert niet precies wat onder dergelijke activiteiten wordt verstaan. Op dit punt kan de wet verschillend worden geïnterpreteerd.
Is het verder waar dat de Duitse Friedrich Ebert Stiftung de afgelopen maanden reeds is beperkt in haar mogelijkheden om samen te werken met civil society groepen en vakbonden in Indonesië? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Internationale ngo’s die in Indonesië een programma en kantoor hebben dienen daartoe met de autoriteiten een Memorandum of Understanding (MoU) overeen te komen. De Friedrich Ebert Stiftung ondervond problemen met de verlenging van het MoU dat in mei 2011 afliep. Eerst in december 2012 werd een nieuwe MoU overeengekomen dat in januari 2013 in werking is getreden. In overeenstemming met het huidige MoU richt de Friedrich Ebert Stiftung zich op samenwerking op het terrein van duurzame ontwikkeling.
Ziet u, mede door de nieuwe wetgeving, (mogelijke) problemen voor de samenwerking van Nederlandse vakbonden en ngo’s met Indonesische organisaties? Zijn er reeds eventuele problemen gemeld? Kunt u uw antwoord toelichten?
Recent zijn geen problemen gemeld. Wel heeft één ngo zich gemeld bij de Nederlandse ambassade met het verzoek een aanvraag voor opening van een kantoor bij de Indonesische autoriteiten te ondersteunen.
Deelt u de grote zorgen van Amnesty International over de wetgeving en deelt u de conclusie van de mensenrechtenorganisatie dat de wetgeving in strijd is met internationale mensenrechtenverplichtingen van Indonesië? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Of de nieuwe wet de vrijheid van vereniging en vergadering beperkt, zal vooral afhangen van de wijze waarop de Indonesische autoriteiten specifieke bepalingen zullen uitleggen. De Indonesische grondwet erkent uitdrukkelijk het recht op vereniging en vergadering. Indien een belanghebbende van mening is dat bij de toepassing van de wet de grondwet wordt geschonden, dan kan deze het Constitutioneel Hof verzoeken de grondwettelijkheid van de wet te beoordelen.
Bent u bereid om bij uw Indonesische collega’s uw zorgen over de nieuwe wetgeving over te brengen en er op aan te dringen dat de wetgeving geen nadelige gevolgen heeft voor Nederlandse vakbonden en ngo’s die in Indonesië actief zijn? Kunt u uw antwoord toelichten?
In bilaterale contacten bespreken Nederland en Indonesië regelmatig het belang van bevordering van het maatschappelijk middenveld voor een democratische samenleving. Een zelfverzekerde overheid en een succesvol bedrijfsleven hebben immers baat bij overleg met een kritisch maatschappelijk middenveld. Een vrije, transparante «enabling environment» voor maatschappelijke organisaties brengt het maatschappelijk middenveld tot bloei en biedt daarmee meer kansen voor goede samenwerking tussen overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties.
Het ontkennen van het Marokkanenprobleem door de politie |
|
Louis Bontes (PVV) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Politie ontkent Marokkanenprobleem»?1
Ja.
Klopt het dat de politie in Assen toe heeft staan te kijken bij ernstige ongeregeldheden in het uitgaansleven door Marokkanen? Zo ja, deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat de politie niet ingrijpt in dit soort situaties? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat klopt niet. Het lokaal gezag heeft mij desgevraagd laten weten dat de politie ten tijde van het incident niet ter plaatse was. Zowel het slachtoffer als getuigen hebben de politie ten tijde van het incident en direct na het incident niet ingeschakeld. Na thuiskomst heeft het slachtoffer melding gemaakt van het incident, heeft de politie de aangifte opgenomen en is het opsporingsonderzoek direct gestart.
Neemt u als, verantwoordelijke voor de Nationale Politie, afstand van deze uitspraak van de politiewoordvoerder dat er geen Marokkanenprobleem is in Assen en erkent u dat er een Marokkanenprobleem in Nederland is? Zo nee, wat is dan volgens u de reden dat Marokkanen maar liefst vijf keer vaker verdachte zijn van geweldsdelicten dan autochtonen?
Door het lokale gezag wordt de inzet van het politieoptreden bepaald. Ook de verantwoording over het handelen van de politie in deze specifieke lokale situaties vindt plaats op lokaal niveau.
Op de criminaliteitscijfers onder Marokkaanse Nederlanders, de oorzaken die daaraan ten grondslag liggen en de wijze waarop het kabinet daarop reageert ben ik in antwoord op eerdere schriftelijke vragen uit uw Kamer reeds uitgebreid ingegaan (zie bijvoorbeeld: Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2012–2013, nrs. 2978 en 3062). Ik verwijs u naar deze antwoorden.
Kunt u aangeven in hoeverre de Nationale Politie het criminaliteitsprobleem onder Marokkanen serieus neemt als zij het beestje niet eens bij de naam durft te noemen?
Zie antwoord vraag 3.
Gaat u ervoor zorgen dat de politie in Assen, maar ook in de rest van Nederland, elke vorm van Marokkaanse straatterreur serieus neemt en aanpakt?
Zie antwoord vraag 3.
Geweld in de provincie Xinjiang in China |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «23 reported killed in violence between police and Uighurs in China»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat op 20 augustus in Xinjiang 22 etnische Oeigoeren werden gedood door Chinese veiligheidsdiensten? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Over het geweld en het dodenaantal loopt de berichtgeving uiteen. De officiële Chinese persberichten vermelden een omgekomen politieman bij een confrontatie met terroristische groeperingen in Kashgar op 20 augustus. Zij maken geen melding van andere dodelijke slachtoffers.
Is het waar dat China aangeeft dat dit een actie was gericht tegen «terroristen»? Kunt u bevestigen dat de omgekomen Oeigoeren inderdaad terroristen waren?
China geeft inderdaad aan dat dit een actie was gericht tegen «terroristen». Het kabinet beschikt niet over voldoende informatie om hierover een uitspraak te doen.
Deelt u de opvatting van mensenrechtengroepen dat het gevaar dat van islamitische separatisten in Xinjiang zou uitgaan, wordt overdreven om de Oeigoerse gemeenschap te onderdrukken? Indien neen, waarom niet?
China heeft zijn optreden tegen terrorisme sinds de terroristische aanslagen in de VS op 11 september 2001 geïntensiveerd. Het is niet vast te stellen hoe groot de daadwerkelijke dreiging van islamitische separatisten is.
Kunt u bevestigen dat sinds maart dit jaar meer dan honderd Oeigoeren zijn omgekomen en meer dan honderd Oeigoeren zijn opgepakt bij verschillende, gewelddadige incidenten en dat de laatste maanden daarom de meest gewelddadige zijn sinds 2009? Kunt u uw antwoord toelichten?
De berichten over de incidenten en de mate van geweld op verschillende plaatsen in Xinjiang lopen uiteen en zijn moeilijk te verifiëren. Wel is duidelijk dat de situatie zorgelijk en gespannen blijft; er heerst ontevredenheid onder de Oeigoerse bevolking en de interne spanningen zijn groot.
Is het waar dat door de komst van Han Chinezen in de laatste jaren de Oeigoeren niet meer in de meerderheid zijn in Xinjiang en dat de Oeigoerse culturele eigenheid van de provincie minder wordt? Is dit een bewust beleid van de Chinese autoriteiten? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Volgens verschillende Chinese en Westerse bronnen bestaat 40% van de bevolking in Xinjiang uit Han Chinezen. In het kader van de economische ontsluiting van de armste regio’s in China, investeren de centrale autoriteiten in Peking veel geld in infrastructuur, onderwijs, constructie, e.d. Dit brengt met zich mee dat veel Han Chinezen zich vestigen in Xinjiang. De Chinese regering dient er voor te zorgen dat de lokale Oeigoerse gemeenschap mee kan profiteren van de economische groei. Daarnaast dient de Chinese regering de burger- en politieke rechten alsmede de economische, sociale en culturele rechten van de Oeigoerse bevolking te respecteren.
Bent u bereid om bij uw Chinese collega’s aan te dringen op terughoudendheid met betrekking tot het optreden van de Chinese veiligheidsdiensten in Xinjiang en om te pleiten voor een eerlijk proces voor de opgepakte Oeigoeren? Indien neen, waarom niet?
Nederland maakt zich zorgen over de inperking van vrijheden van Oeigoerse burgers en stelt dat geregeld aan de orde, zowel in bilateraal als in EU verband. De EU heeft mede namens Nederland diverse malen bij de Chinese regering aangedrongen op het respecteren van zowel de burger- en politieke rechten als de economische, sociale en culturele rechten van de Oeigoerse bevolking. Daarnaast heeft de EU bij de Chinese regering aangedrongen op het adresseren van de diepgewortelde oorzaken van onvrede en frustraties van de Oeigoeren in Xinjiang.
Een aanval op Camp Ashraf in Irak |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Impartial investigation of Camp Ashraf deaths crucial»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat bij een aanval op Iraanse ballingen in Camp Ashraf in Irak op 1 september ten minste 47 mensen zijn omgekomen? Indien neen, over welke gegevens beschikt u dan?
Uit informatie van de United Nations Assistance Mission to Iraq (UNAMI) blijkt dat de gebeurtenissen in Kamp Ashraf op 1 september jl. hebben geleid tot 52 doden.
Wat is u bekend over de toedracht van het incident?
UNAMI bezocht Kamp Ashraf 24 uur na het incident en heeft vijftien overlevenden als getuigen kunnen horen. Allen spraken over daders in militaire uniformen, die volgens sommigen Arabisch spraken, volgens anderen Perzisch. UNAMI stelde vast dat er nauwelijks materiële schade is en bijna geen kogelhulzen zijn achtergebleven. Dit wijst op een goed georganiseerde en met voorbedachten rade uitgevoerde actie, aldus UNAMI.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat bij eerdere aanvallen op Iraanse ballingen in Irak de Iraakse autoriteiten hebben nagelaten effectieve onderzoeken naar de aanvallen uit te voeren waardoor tot op heden niemand hiervoor verantwoordelijk is gehouden? Indien neen, waarom niet?
De Iraakse autoriteiten hebben na eerdere aanvallen onderzoeken aangekondigd, maar onbekend is of deze uitgevoerd zijn en wat de uitkomsten waren. Zowel Nederland als de Europese Unie hebben het belang hiervan bij de Iraakse autoriteiten onderstreept. Ook op het uitblijven van resultaten zijn de autoriteiten door ons aangesproken.
Bent u bereid de Iraakse autoriteiten op deze nalatigheid aan te spreken? Indien neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u bevestigen dat de VN-missie in Irak een eigen onderzoek naar het incident in Camp Ashraf doet? Wanneer wordt het resultaat hiervan verwacht?
UNAMI heeft geen mandaat voor onderzoek, wel voor waarneming.
Deelt u de opvatting dat door deze aanval en eerdere aanvallen op de Iraanse ballingen in Irak meer inspanning geleverd moet worden voor het vinden van een oplossing voor de hachelijke situatie waarin zij verkeren? Ziet u hier mogelijkheden toe? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet ondersteunt de inspanningen van de VN, zowel van UNAMI als van UNHCR, om de veiligheid in Kamp Hurriya te vergroten en de bewoners door UNHCR te laten interviewen.
De megaschikking met een oliehandelaar en het afkopen van strafvervolging |
|
Jan de Wit , Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Megaschikking oliehandelaar. John Deuss koopt strafvervolging af»?1 Kloppen de feiten zoals genoemd in dit bericht?
De First Curaçao International Bank N.V. (FCIB) en haar twee leidinggevenden zijn op 24 mei 2012 door de rechtbank veroordeeld wegens overtreding van de Wet toezicht kredietwezen en de Wet meldpunt ongebruikelijke transacties. Het openbaar ministerie (OM) heeft op 30 juli 2013 via een persbericht bekend gemaakt dat met deze drie betrokkenen een regeling is overeengekomen die betrekking heeft op alle toen lopende procedures. Die regeling houdt ten eerste in dat het door betrokkenen en het OM ingestelde hoger beroep tegen de hiervoor genoemde veroordelingen is ingetrokken. Deze uitspraken zijn daardoor onherroepelijk geworden. Ten tweede is de op deze strafzaak gebaseerde ontneming geschikt voor een bedrag van 34,5 miljoen Euro. Ten derde is het strafrechtelijk onderzoek naar witwassen afgedaan door middel van een hoge transactie met de FCIB en haar twee leidinggevenden in de vorm van de betaling van 500.000 Euro. Tenslotte is overeengekomen dat de betrokkenen alle door hen tegen de Nederlandse Staat ingestelde civielrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures beëindigen dan wel intrekken, en dat zij geen andere procedures zullen instellen.
Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vragen 3 tot en met 5.
Waarom is er voor gekozen alle lopende (strafrechtelijke) procedures en onderzoeken, alsmede het aanhangige hoger beroep, in te trekken?2
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u expliciet toestemming gegeven voor deze megaschikking? Zo ja, op welk moment?
Met deze regeling wordt naar het oordeel van het OM een resultaat bereikt dat recht doet aan de ernst van deze zaak. Daarbij heeft het OM het volgende meegewogen. Ten eerste hebben de verdachten op de openbare zitting verantwoording moeten afleggen over hun handelen en zijn daarvoor onherroepelijk veroordeeld. Dat is belangrijk in de strijd tegen illegaal bankieren. Ten tweede is uit het strafbare handelen voortgekomen wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen. Het miljardenbedrag uit het in vraag 1 aangehaalde bericht betreft gelden die door BTW-carrouselfraudeurs aan de Britse fiscus zouden zijn onthouden en heeft dus betrekking op fraude die door deze carrouselfraudeurs jegens de Britse overheid zou zijn gepleegd. Dit bedrag staat los van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de bij de regeling betrokken (rechts)personen. Ten derde is ten aanzien van de verdenking van witwassen, waarvan de gevolgen zich voornamelijk buiten Nederland hebben voorgedaan, nu reeds een finale afdoening bewerkstelligd. Mede gelet op de intredende verjaring van de strafbare feiten, op basis waarvan de schikking tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tot stand is gekomen, verwachtte het OM dat voortzetting van de procedures niet tot een hoger resultaat zou leiden.
Alleen de hoge transactie voor de witwasfeiten vergde mijn instemming3. Ik heb die gegeven op 21 juni 2013 nadat ik tot het oordeel was gekomen dat het OM in redelijkheid tot deze transactie heeft kunnen komen. Mijn toetsing beperkt zich tot die beoordeling.
Ik verwijs verder naar mijn brief van 29 juni 2011 aan uw Kamer over hoge transacties en schikkingen in strafzaken en ontnemingsschikkingen.4
Vindt u het bevredigend dat een schatrijke zakenman zijn vervolging kan afkopen met een schikking van 34,5 miljoen euro, terwijl de verdenking betrof dat het om een fraude van 7 miljard euro gaat? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe kan het dat het Openbaar Ministerie (OM) de regeling ziet als een passende afdoening van een lopende strafzaak, gelet op de omvang van de fraude? Wat is er passend aan het afkopen van strafvervolging? Kan dit worden toegelicht?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u van mening dat het afkopen van strafvervolging kan worden gekwalificeerd als klassenjustitie, vanwege het feit dat de mogelijkheid vervolging af te kopen enkel is weggelegd voor mensen met heel veel geld? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet van mening dat transigeren een vorm van klassenjustitie is. De mogelijkheid tot het aangaan van een (hoge) transactie en of een ontnemingsschikking zijn afdoeningsmodaliteiten waarin door de wet wordt voorzien. Zo worden ook veelvuldig transacties overeengekomen in zaken van geringe ernst waarmee geen hoge bedragen zijn gemoeid. Ook het aanbieden van een OM-strafbeschikking is een modaliteit waarmee zaken (waar een maximale gevangenisstraf van zes jaar op staat) kunnen worden afgehandeld zonder dat deze voor de rechter worden gebracht.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het te voeren debat over «Nederland fraudeland»?3
Ja.
Levering van glycol aan Syrië |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging van 3 juli 2013 om uit te zoeken of het mogelijk is te onderzoeken wat er met de vanuit Nederland aan Syrië geleverde glycol is gebeurd? Zo ja, kunt u de Kamer informeren wanneer het onderzoek is afgerond? Zo neen, waarom is het onderzoek niet mogelijk?
Zoals toegezegd tijdens het AO wapenexport op 3 juli jl. heb ik uitgezocht wat de mogelijkheden zijn om te onderzoeken wat er met het vanuit Nederland aan Syrië geleverde glycol is gebeurd. Die mogelijkheden zijn helaas beperkt.
Syrië is geen partij bij het Chemisch Wapenverdrag, noch valt glycol onder de reikwijdte van dat verdrag, dus is onderzoek door de Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons (OPCW) geen mogelijkheid. Vanwege de huidige crisissituatie in Syrië is nader Nederlands onderzoek naar het eindgebruik in Syrië op dit moment niet mogelijk. De Nederlandse ambassade in Damascus is sinds maart 2012 gesloten en de situatie is te onveilig om op dit moment onderzoekers naar het land te sturen. Wanneer de situatie in de toekomst verandert, zal ik opnieuw bekijken of een onderzoek mogelijk en wenselijk is.
Wel heb ik navraag gedaan bij de exporteur van de goederen, bij de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten en bij de Douane. Dit heeft niet geleid tot nieuwe informatie dan reeds in eerdere brieven1 over dit onderwerp aan de Tweede Kamer vermeld.
Het staat dus vast dat Nederland in de periode 2003–2010 glycol geleverd heeft aan Syrië. Bij die leveringen was civiel eindgebruik aannemelijk.
Tot 27 mei jl. gold er geen vergunningplicht voor de export van glycol naar Syrië. Het kent vele industriële toepassingen, onder andere als antivries (bijvoorbeeld in auto’s of ten behoeve van aardgastransport) of voor de productie van kunststof. Op 7 juni heeft de Australië Groep tijdens een bijeenkomst in Parijs een Nederlands voorstel aangenomen om de lijst met goederen, waarvan de leden zich hebben verplicht om specifiek ten aanzien van Syrië exportcontrole te regelen, uit te breiden met een aantal chemicaliën, waaronder glycol. De Nederlandse vergunningplicht is vervolgens op Nederlands voorstel overgenomen in de Europese Unie. Op 22 juli is de lijst met chemicaliën en goederen opgenomen in de Europese sanctieverordening Syrië (EU Vo 36/2012). Per 2 september 2013 is de chemicaliënlijst in de nationale regeling daarom komen te vervallen.
Bent u bereid deze vragen binnen 48 uur te beantwoorden gezien de recente ontwikkelingen in Syrië en de aanstaande informele raad van de Europese ministers van Buitenlandse Zaken?
Ja.
Een dreigend tekort aan laadpalen voor elektrische auto's |
|
Jan Vos (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
In hoeverre klopt de raming van 20.000 elektrische auto's in Nederland aan het eind van 2013, zoals gesteld in het artikel uit Metro?1
Per 31 augustus 2013 waren er bij de RDW 10.445 elektrische personenwagens (volledig elektrische en plug-in hybride voertuigen) in Nederland geregistreerd. (Zie ook de tabel en grafiek in de bijlage)2.
Er zijn veel bestellingen gedaan voor plug-in hybride en elektrische voertuigen die dit jaar nog geleverd moeten worden. Als een groot deel van deze aantallen uiterlijk 31 december 2013 op kenteken wordt gezet, komen we eind 2013 inderdaad op 20.000 voertuigen uit.
Hoeveel elektrische auto's zullen er naar uw verwachting in Nederland zijn aan het eind van 2014 en waarop baseert u die verwachting?
Dit is van veel factoren afhankelijk, zoals de merken/modellen die nog op de markt komen en de verkoopprijs daarvan, de beschikbaarheid van laadinfrastructuur, (het vertrouwen in) de economische ontwikkeling, het fiscale beleid en dergelijke. Een goede inschatting is daardoor nu niet te geven. De verwachting is wel dat het aantal plug-in hybride en elektrische voertuigen gestaag blijft groeien, zij het minder snel dan in de tweede helft van 2013 het geval zal zijn. De beleidsambitie is om in 2020 200.000 (semi)elektrische voertuigen op de weg te hebben. Om die ambitie te realiseren, blijft een flinke groei noodzakelijk(gemiddeld ongeveer 25.000 per jaar).
Hoeveel laadpunten zijn er momenteel op de openbare weg, hoeveel zijn er naar verwachting eind 2013 en eind 2014 en zullen deze aantallen voldoende zijn om volledig te voorzien in de vraag naar oplaadpalen?
Per 31 augustus 2013 waren er 3.117 reguliere publieke oplaadpunten, 1.622 reguliere semipublieke oplaadpunten (openbaar toegankelijk, privaat gefinancierd) en 123 snellaadpunten (deels publiek toegankelijk). (Zie ook de tabel in de bijlage over de ontwikkeling van de laadpunten.)3 Rekening houdend met de groei in de afgelopen maanden en de aanbestedingen die zijn gedaan in een aantal regio’s en steden, is de inschatting dat er eind 2013 zo’n 3.700 publieke oplaadpunten zijn, circa 1.800 semipublieke oplaadpunten en 130 snellaadpunten.
Voor eind 2014 is de inschatting op basis van de groei tot nu toe, de aanbestedingen in een aantal regio’s en steden en de afgegeven vergunningen van RWS voor een snellaadnetwerk op verzorgingsplaatsen: 5.800 publieke oplaadpunten, circa 2.500 semipublieke oplaadpunten en circa 500 snellaadpunten.
De publieke laadpunten zullen niet volledig in de behoefte aan laden kunnen voorzien, maar dat is ook niet de inzet van het beleid. Het beleid ziet juist ook een rol voor de private markt.
Voor het uitrollen van de infrastructuur wordt de «ladder van laden» gehanteerd: een voorkeursvolgorde bij het kiezen van de beste optie voor het laden van de elektrische auto. Het private laadpunt – laden op eigen terrein (garage of oprit of parkeerterrein) – heeft de voorkeur. Het is gemakkelijk voor de rijder en bovendien de goedkoopste optie, omdat er geen aparte aansluiting voor hoeft te worden gerealiseerd. Als laden op eigen terrein niet mogelijk is, maar er kan wel vlak voor de deur geparkeerd worden, is een verlengd privaat laadpunt een optie. Daarbij wordt het laadpunt achter de meter aangesloten, maar staat het op straat. Deze optie is overigens nog in ontwikkeling. Als ook een verlengd privaat oplaadpunt geen soelaas biedt, is de volgende optie om te onderzoeken of er laadpunten kunnen worden gerealiseerd bij horeca of winkels in de buurt van de rijder. Op dergelijke plaatsen kan het laadpunt makkelijker door meerdere voertuigen worden gebruikt. Het «stand alone» openbare laadpunt is het sluitstuk van de ladder. Het is de duurste optie, die ook niet rendabel kan zijn in de voorziene toekomst.
Het is zeer gewenst dat ook op het terrein van de werkgever geladen kan worden; vooral voor de plug-in hybrides is frequent laden van belang om het percentage elektrisch afgelegde kilometers zo groot mogelijk te maken.
Zoals ook uit de getallen over de laadinfrastructuur hierboven blijkt, worden de meeste momenteel verkrijgbare volledig elektrische en plug-in hybride auto’s vooral «normaal» geladen. Daarvoor is het belangrijk dat de elektrische rijder dicht bij huis of werk kan laden, in de nacht of tijdens het werk.
Het snelladen dient vooral om bij te laden onderweg. Niet alle modellen kunnen snelladen. Snellaadpunten zijn of worden daarom vooral aangelegd op plaatsen langs hoofd- en snelwegen, bijvoorbeeld op de zogenaamde «verzorgingsplaatsen».
Deelt u de vrees dat een tekort aan laadpunten zal leiden tot meer uitstoot van fijnstof en een rem op de verkoop van elektrische auto's?
Nee, het gaat te ver om een directe relatie te leggen tussen «tekort laadpalen» en «toename fijnstof». Er komen niet meer sterker vervuilende auto’s bij. Bovendien zijn in de grote steden, waar de luchtkwaliteit problematiek het hoogst is, aanbestedingen gedaan en wordt momenteel laadinfrastructuur uitgerold.
Een echt tekort aan laadpunten kan leiden tot een rem op de verkopen van elektrische auto’s. Ik ga ervan uit dat we dit kunnen voorkomen. Zie het antwoord op de volgende vraag.
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om een tekort aan laadpunten op de openbare weg, die daarmee geschikt zijn om mensen vlakbij hun woonadres in staat te stellen hun elektrische auto veilig op te laden, in 2014 te voorkomen?
In het regeerakkoord staat: «Met netbeheerders, energiebedrijven en lokale overheden worden afspraken gemaakt over de laadinfrastructuur om de groei van elektrische mobiliteit verder te stimuleren.» Dit commitment is ook onderdeel van het Energieakkoord, dat aan uw Kamer is aangeboden. De ministeries van zowel Infrastructuur en Milieu als Economische Zaken hebben hiervoor, binnen de financiële mogelijkheden, middelen gereserveerd. Ook van andere partijen die belang hebben bij de uitrol van elektrische auto’s en laadinfrastructuur wordt inzet verwacht.
Er wordt intensief gewerkt aan de totstandkoming van deze afspraak, die erop gericht is om een voldoende dekkende laadinfrastructuur te realiseren tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten. Aangezien openbare laadinfrastructuur op afzienbare termijn niet kostendekkend gemaakt kan worden, zijn partijen tot op heden terughoudend in hun toezeggingen. Daarom wordt momenteel gezocht naar een innovatieve aanpak, die uitgaat van de ladder van laden en die partijen veel ruimte biedt om verschillende laadoplossingen toe te passen. De hoop en verwachting is dat deze afspraak voor eind van dit jaar kan worden ondertekend.
Hoe kijkt u aan tegen de optie om de energiewetgeving zodanig aan te passen dat de aanbieder van een laaddienst niet wordt aangemerkt als energieleverancier? Welke voordelen levert dat op?
In de praktijk is dat al het geval; een aanpassing van de wetgeving is daarvoor niet nodig. Een aanbieder van een laaddienst is geen energieleverancier in de zin van de Elektriciteitswet 1998. Stroomlevering vindt plaats op een aansluiting van het net op een onroerende zaak, een elektrisch voertuig valt hier dus niet onder. De exploitant van een laadpunt (= onroerende zaak) neemt daarentegen zelf wel stroom af bij een energieleverancier. Soms zijn deze rollen verenigd in één partij, bijvoorbeeld wanneer het energiebedrijf ook laadpalen in beheer heeft.
Deelt u de mening dat andere opties voor veilig opladen dan de reguliere laadpalen, zoals het monteren van laadpunten op elektrische straatapparatuur als lantaarnpalen en parkeerautomaten, kostenefficiënte manieren zijn om tot meer laadpunten in woonwijken te komen? Kunt u dit toelichten?
In deze ontluikende markt zijn nog veel innovaties mogelijk. Thans is de »laadpaal» gangbaar; deze is relatief klein en heeft geen andere functie. Marktpartijen zijn continu op zoek naar laadpunten die kostenefficiënter gerealiseerd kunnen worden. Dat juich ik van harte toe. De huidige fase van de ontwikkeling van elektrisch vervoer is mede afhankelijk van een adequate laadinfrastructuur.
Overigens leidt niet iedere combinatie van functies ook tot kostenbesparingen. In het onderhavige voorbeeld van straatapparatuur als lantaarnpalen en parkeerautomaten dienen daarop bijvoorbeeld extra bekabeling en extra modules te worden aangesloten, met oog op o.a. de netveiligheid. Als gevolg van de benodigde technische aanpassingen zouden uiteindelijk ook hogere kosten het gevolg kunnen zijn.
Bij parkeerautomaten speelt nog het probleem dat deze langzamerhand vervangen zullen worden door mobiel parkeren, waardoor geen fysieke parkeerautomaat meer nodig zal zijn.
Welke mogelijkheden ziet u om bedrijven en instellingen te stimuleren om hun klanten en medewerkers te voorzien in voldoende laadpunten en snellaadpunten, bijvoorbeeld op parkeergelegenheden bij winkels, bedrijven en instellingen?
Er gebeurt al veel op dit punt. Het Formule E-Team – een platform van alle belangrijke stakeholders bij de ontwikkeling van elektrisch rijden – heeft de algemene opdracht om Elektrisch Vervoer aan te jagen. Agentschap NL geeft informatie aan partijen die daar behoefte aan hebben – bijvoorbeeld in de jaarlijks geactualiseerde startgidsen voor bedrijven en overheden – en brengt vraag en aanbod bij elkaar.
Sinds eind 2011 loopt een Green Deal die gericht is op het realiseren van 10.000 stuurbare laadpunten. Ongeveer 50% daarvan wordt geplaatst bij kantoren en bedrijven, 40% bij huizen en 10% bij garages (bijvoorbeeld Q-Park en P1) en winkellocaties (waaronder IKEA). Naar verwachting wordt het doel in het voorjaar van 2014 gehaald.
Tot slot: steeds meer bedrijven (bijvoorbeeld McDonald’s) zien de waarde van het investeren in laadinfrastructuur.
Op welke manier kunt u gemeentes helpen bij het realiseren van laadpunten in de openbare ruimte, nu de werkzaamheden van de stichting E-laad worden beëindigd; dit mede om te voorkomen dat gemeentes afzonderlijk van elkaar het wiel opnieuw gaan uitvinden?
Binnenkort wordt een CROW-richtlijn gepubliceerd over dit onderwerp. Met behulp daarvan kunnen gemeenten makkelijker aan de slag met de uitrol van laadinfrastructuur.
Als gemeenten specifieke ondersteuning nodig hebben, kunnen ze daarvoor momenteel terecht bij de Taskforce Elektrisch Rijden.
Verder wordt de ondersteuning van gemeenten naar verwachting expliciet onderdeel van de afspraak als uitwerking van het regeerakkoord (zie vraag 5).
Is de geraamde toename in het gebruik van elektrische auto's meegenomen in de ramingen voor de ontwikkeling van binnenstedelijke luchtkwaliteit? Zo ja, welke gevolgen kunnen optreden wanneer de verwachte groei van elektrisch autovervoer stagneert?
Ja, de toename van elektrische auto’s is meegenomen. Ik deel niet de verwachting dat de groei stagneert door het ontbreken van laadinfrastructuur. Op basis van de huidige prognoses van de auto-industrie komen er nog tientallen modellen elektrische en hybriden elektrische voertuigen op de markt.
Het aanprijzen van body scans |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de paginagrote advertentie van Prescan voor een zomeraanbieding op een Total Body Scan?1
Naast die advertentie zijn de afgelopen maanden verschillende artikelen2 en commentaren verschenen over de full body scan, die ik met veel interesse heb gelezen. Zoals ik in mijn brief vroegopsporing en gezondheidsrisico’s3 al aangaf, vind ik dat mensen ten aanzien van een full body scan zelf een afweging moeten kunnen maken en wil ik kijken naar de voorwaarden waaronder een dergelijk aanbod in Nederland mogelijk zou zijn. Ik heb de Gezondheidsraad hierover om advies gevraagd4. De Gezondheidsraad heeft aangegeven in dit advies enkele recente ontwikkelingen mee te zullen nemen, zoals de publicatie van de Multidisciplinaire richtlijn preventief medisch onderzoek (MDR PMO)5 in juni 2013 en de NEN-normen «Quality criteria for health checks» (CWA 16642:2013). Deze ontwikkelingen en de discussie in de (sociale) media geven actuele input voor dit advies. Ik verwacht dit advies voor de zomer van 2014. Recent heb ik naar aanleiding van de gigantische wereldwijde ontwikkelingen op het terrein van de zelftesten aangegeven dat ik die ontwikkelingen graag betrek bij het advies van de Gezondheidsraad.
Waarom staat u dergelijke advertenties toe als het uitvoeren van de body scans in ons land verboden is?
Dit komt omdat de Wet op het bevolkingsonderzoek (WBO), die een vergunningplicht verbindt aan screening naar kanker, met behulp van straling of naar onbehandelbare aandoeningen, niet geldt voor onderzoek dat in het buitenland wordt verricht. Ik heb in mijn adviesvraag aan de Gezondheidsraad ook gevraagd welke randvoorwaarden zouden moeten gelden voor reclame in Nederland.
Deelt u de mening dat de vergelijking van een body scan met een wettelijk verplichte APK, zoals die geldt voor voertuigen, niet alleen misleidend is maar ook onterechte verwachtingen en zorgen kan losmaken bij gezonde mensen?
Een belangrijk onderdeel van mijn screeningsbeleid is het stimuleren van een geïnformeerde keuze. Mensen moeten goede informatie krijgen. Het is niet aan mij om in een individuele casus te beoordelen wat misleidend is. Overigens staat het eenieder vrij om een klacht in te dienen bij de Reclame Code Commissie.
Gaat u reclames voor body scans en andere verboden praktijken in de zorg per direct verbieden in ons land? Zo nee, waarom niet?
Zodra ik advies van de Gezondheidsraad ontvang, zal ik een standpunt naar uw Kamer sturen en het punt van reclame daarbij meenemen.
Handelen radiologen en cardiologen in strijd met de beroepseer en de Hippocratische eed, omdat de Nederlandse Vereniging voor Radiologie (NVvR) eerder concludeerde dat voldoende wetenschappelijk bewijs ontbreekt voor het rechtvaardigen van screenend beeldvormend onderzoek bij gezonde mensen? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Is inmiddels duidelijk hoeveel extra zorgkosten worden veroorzaakt door aanbieders van body scans doordat mensen onnodig ongerust worden gemaakt en verkeerde adviezen of onduidelijke uitslagen van testen hebben gekregen, waardoor overbodige zorgvraag wordt gecreëerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op dit moment vindt dit beeldvormend onderzoek vooral plaats in het buitenland. In hoeverre dergelijk onderzoek in Nederland zou kunnen plaatsvinden als iemand dat zelf graag wil en hiervoor betaalt, maakt onderdeel uit van mijn hiervoor genoemde adviesvraag bij de Gezondheidsraad. Net als de vloedgolf van nieuwe preventieve testen die Nederland, net als alle andere landen in de wereld, zal overspoelen. De kansen zie ik graag in beeld gebracht evenals hoe ik de risico’s kan verkleinen.
Hoe verhoudt uw mening om scans voor eigen rekening toe te staan in ons land, zich tot de boodschap dat er al zorgverzekeraars zijn die de scans (gedeeltelijk) vergoeden? Welke zorgverzekeraars zijn dat precies?3
Nee, evenmin als ik informatie heb over gezondheidswinst door de scans. De vervolgkosten in de zorg zijn een onderdeel van mijn adviesvraag aan de Gezondheidsraad.