De NAVO-vrees voor een Russische inval |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kiev en NAVO vrezen Russische invasie in Oekraïne»?1
Ja.
In hoeverre klopt het dat er bij de NAVO een serieuze zorg bestaat dat de Russen Oekraïne zullen binnenvallen?
De Russische Federatie heeft een aanzienlijke troepenmacht aan de grens met Oost-Oekraïne samengetrokken. Deze eenheden hebben een hoge gereedheid en moeten in staat worden geacht om, wanneer daar het bevel toe zou worden geven, binnen korte tijd Oekraïne binnen te vallen. Tot op heden heeft Rusland niet of zeer beperkt gereageerd op oproepen tot de-escalatie en meer in het bijzonder het terugtrekken van deze eenheden van locaties dichtbij de Oekraïense grens naar hun kazernes elders in Rusland. Mocht Rusland Oekraïne binnenvallen dan zal dit leiden tot verdere escalatie van het conflict. De Navo blijft de ontwikkelingen aan de Oekraïense grens nauwgezet volgen.
Hoe oordeelt u over het cynische voorstel van Rusland voor een humanitaire missie in Oekraïne?
De situatie in Oost-Oekraïne is en blijft fragiel. De gevechten tussen de Oekraïense eenheden en de separatisten duren voort en het einde van de strijd is, mede gezien de continue stroom wapens en strijders vanuit Rusland, vooralsnog niet in zicht. De voortdurende gevechten hebben ook hun weerslag op de humanitaire situatie in het land.
De internationale gemeenschap is bezorgd over de humanitaire situatie en daarom heeft de EU 2,5 miljoen euro toegezegd voor de financiering van humanitaire hulp in het gebied. Ook Nederland heeft in totaal 0,7 miljoen euro beschikbaar gesteld voor humanitaire hulp. De Oekraïense bevolking kan blijven rekenen op internationale en Nederlandse steun.
Nederland betreurt het dat Rusland zich niet heeft gehouden aan afspraken die waren gemaakt tussen het Internationale Rode Kruis, Oekraïne en Rusland over de levering van Russische hulpgoederen aan Oekraïne. Het ongeautoriseerd passeren van een Russisch hulpkonvooi over de Oekraïense grens afgelopen vrijdag is de zoveelste Russische schending van de soevereiniteit van Oekraïne. Het kabinet waardeert dan ook de terughoudendheid waarmee Oekraïne hierop heeft gereageerd.
Voorts acht het kabinet het van groot belang dat alle hulp geschiedt met instemming van Oekraïne en voldoet aan de internationale standaarden. Alleen als aan die voorwaarden is voldaan, is volgens Nederland humanitaire assistentie acceptabel.
Wat zullen de volgende stappen in NAVO-verband zijn als reactie op de Russische dreigingspolitiek?
Nadat in maart jl. de hoogste Navo-commandant in Europa, SACEUR, al een aantal maatregelen had genomen, gaf de ministeriële Noord-Atlantische Raad (NAR) op 1 april jl. de militaire autoriteiten van de Navo de opdracht om op korte termijn militaire opties uit te werken om bondgenoten gerust te stellen die zich door de crisis in Oekraïne bedreigd voelen (zie de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2014, Kamerstuk 28 676, nr. 199).
Op 16 april nam de NAR hierover een besluit (zie de brief van de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie van 16 april 2014, Kamerstuk 28 667, nr. 201) en op 23 mei heb ik u, mede namens de Minister van Buitenlandse Zaken geïnformeerd over een additionele Nederlandse bijdrage aan het geruststellingspakket in de vorm van het aanbieden van vier F-16’s voor de versterking van Baltic Air Policing (Kamerstuk 28 667, nr. 203).
Momenteel wordt binnen de Navo gewerkt aan maatregelen voor de middellange en lange termijn. De Navo-top in Wales op 4 en 5 september zal hierover besluiten nemen. Nadere informatie over die maatregelen en het zogenoemde Readiness Action Plan ontvangt u in de geannoteerde agenda en het verslag van de Navo-Top.
Wanneer en op welke wijze zult u als Minister van Defensie nu eindelijk een visie presenteren op de ontstane problematiek?
De aandacht van het kabinet gaat in eerste instantie uit naar geruststelling (reassurance) van de bondgenoten die dicht bij Oekraïne en Rusland liggen. In de aanloop naar de Navo-top van begin september in Wales bespreken de lidstaten of op langere termijn aanpassingen nodig zijn van de defensiecapaciteiten van de Navo. Op de Top zullen staatshoofden en regeringsleiders hierover besluiten nemen. Vervolgens zal moeten worden bezien wat dit betekent voor de Nederlandse krijgsmacht.
Bent u bereid zo spoedig mogelijk toe te werken naar een situatie waarin Nederland 2% van het Bruto Nationaal Product besteedt aan Defensie, zoals ook in NAVO-verband is afgesproken? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat verdere bezuinigingen op Defensie, gegeven de zich ontwikkelende veiligheidssituatie in de Euro-Atlantische regio, niet voor de hand liggen. Of, en zo ja in welke mate, in de nabije toekomst weer ruimte ontstaat voor verhoging van de Nederlandse defensie-uitgaven, zal duidelijk worden op Prinsjesdag.
De introductie van de dienst UberPOP in Amsterdam |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Wilma Mansveld (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over de introductie van de dienst UberPOP in Amsterdam op 30 juli jl.?1
Ja.
Wat is uw mening over het feit dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) in de pers heeft aangekondigd streng op te treden tegen particulieren die via de Uber taxi-app klanten vervoeren zonder vergunning?2 Kunt u uiteenzetten op welke wettelijke gronden de UberPOP dienst niet toegestaan is? Kunt u hierbij, naast de wetgeving inzake de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000), ook de fiscale wetgeving en wetgeving inzake aansprakelijkheid (verzekeringen) betrekken? Kunt u daarbij ook ingaan op onder andere de diverse fiscale aftrekposten, maar ook de wijze waarop moet worden omgegaan met de eventuele inkomsten van particulieren verkregen uit de werkzaamheden verricht voor UberPOP?
Op grond van de Wet personenvervoer 2000 (Wp2000) wordt personenvervoer per auto tegen betaling gezien als taxivervoer. Op grond van de artikelen 75 en 76 van de Wp2000 is dit zonder een vergunning niet toegestaan. Daarnaast moeten chauffeurs van voertuigen waarmee personenvervoer tegen betaling wordt verricht, op grond van de Wp2000 en het daarop gebaseerde Besluit personenvervoer 2000 in het bezit zijn van een geldige chauffeurskaart. Hieraan zijn minimaal noodzakelijke kwaliteitseisen gekoppeld, die verband houden met vakbekwaamheid en betrouwbaarheid (bijvoorbeeld een actuele relevante VOG). Dit is een afgewogen regelgevend kader in het belang van de consument. Particuliere chauffeurs die zonder een vergunning en chauffeurskaart opereren, ook via UberPOP, verrichten als gevolg daarvan illegaal taxivervoer. De inspectie treedt hier terecht tegen op.
De fiscaliteit verzet zich niet tegen het tegen betaling verrichten van (neven)werkzaamheden zoals het zonder vergunning vervoeren van klanten door particulieren via de Uber taxi-app.
Inkomsten van particulieren verkregen uit werkzaamheden verricht voor UberPOP zijn dan ook inkomsten waarover afhankelijk van de omstandigheden inkomsten- of loonbelasting verschuldigd is. In hoeverre daarbij een beroep kan worden gedaan op fiscale aftrekposten is afhankelijk van het feit of de inkomsten moeten worden aangemerkt als loon uit dienstbetrekking, winst uit onderneming of resultaat uit een werkzaamheid. Op basis van feiten en omstandigheden wordt dit van geval tot geval beoordeeld. Alleen in het geval de behaalde inkomsten worden aangemerkt als «winst uit onderneming» of «resultaat uit een werkzaamheid», mogen onder meer de zakelijke kosten en afschrijvingen in mindering worden gebracht op de opbrengsten.
Zelfstandig opererende personen die zich richten op het tegen betaling vervoeren van personen, worden voor de btw-heffing aangemerkt als ondernemer en moeten over de ontvangen vergoeding 6% btw afdragen.
Taxivervoerders in de zin van de Wp2000 kunnen onder voorwaarden gebruikmaken van tegemoetkomingen in de BPM en de MRB.
Gelet op de onverkort geldende bestaande (aansprakelijkheids)kaders van het burgerlijk recht (Burgerlijk Wetboek) zijn chauffeurs die via UberPOP opereren aansprakelijk jegens de klant indien een dergelijke rijder in dat verband een onrechtmatige daad zou begaan. Dit aansprakelijkheidskader is verder een aangelegenheid tussen de betrokken burgers onderling.
Betekent het feit dat de ILT bij haar eerdere standpuntbepaling inzake Uberdiensten bepaald heeft dat alleen de feitelijke vervoerder onder de Wp2000 valt en de vervoersmakelaar niet, dat dit reguliere taxicentrales met zzp-chauffeurs ook de mogelijkheid biedt om niet het wettelijk maximumtarief te hanteren? Zo nee, waarom niet? Bent u van mening dat, door nieuwe ontwikkelingen zoals Uber, het wettelijk maximumtarief überhaupt niet achterhaald is? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor straattaxivervoer geldt dat er een wettelijk maximumtarief is vastgesteld. Dit geldt zowel voor individuele ritten, als voor ritten via een taxicentrale of een tussenpersoon. Indien chauffeur en klant van te voren een prijsafspraak maken, gelden de maximum tarieven niet. Eind 2015 evalueer ik het systeem van maximum tarieven en de jaarlijkse indexering daarvan.
Hoeveel handhavingscapaciteit zal de ILT in gaan zetten de komende periode om overtredingen, zoals verwoord in vraag 2, op te sporen? En wat betekent dit voor de handhavingsinzet op andere terreinen?
Zoals ik u in mijn 2e voortgangsrapportage over illegaal taxivervoer van 14 april 2014 (kenmerk 31 521, nr. 75) reeds heb uiteengezet, geeft de ILT bij het toezicht op het taxivervoer prioriteit aan de bestrijding van illegaal taxivervoer. Aangezien het gebruik van de UberPOP-app kan leiden tot illegaal taxivervoer is het toezicht hierop een belangrijk onderdeel van de totale handhavingscapaciteit op taxivervoer. Vooralsnog is dit nog niet van invloed op de inzet op andere prioriteiten in het taxitoezicht, maar bij voortduring van de intensivering van het toezicht op illegaal taxivervoer gaat dit mogelijk ten koste van het reguliere toezicht taxivervoer. In een volgend voortgangsbericht zal ik u daarover zo nodig informeren.
Hoe ziet u, in het licht van de beantwoording van eerdere vragen van de VVD-fractie d.d. 2 mei 2014 inzake de Boordcomputer Taxi (BCT)3, waarin u op vragen inzake de reikwijdte van de evaluatie van de Taxiwet (vraag4 heeft aangegeven dat «de evaluatie van de Taxiwet als accenten heeft de verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer en de toepassing van gemeentelijke bevoegdheden voor extra kwaliteitseisen», de introductie van de drie geïntroduceerde Uber-diensten? Op welke wijze zullen deze diensten worden betrokken in de evaluatie? Bent u bereid om ruimte te geven aan innovaties in de taxibranche? En zo ja, hoe ziet u deze diensten zich verhouden tot een gelijk speelveld binnen het personenvervoer dan wel de taxibranche?
De initiatieven die Uber eerder lanceerde, UberLUX en UberBLACK, zijn interessante innovaties, zolang daarbij voor het taxivervoer gekwalificeerde taxichauffeurs en gekwalificeerde taxivoertuigen worden gebruikt. Zolang aanbieders van taxivervoer zich houden aan de regelgeving is er een gelijk speelveld.
Ik onderzoek momenteel of er voor deze initiatieven belemmeringen zijn in de huidige regelgeving. De beoordeling van de initiatieven loopt mee met de evaluatie van de Taxiwet.
Innovaties in de taxisector juich ik toe. Daarbij is het huidige regelgevend kader uitgangspunt. Ik verwijs voorts naar de antwoorden die Minister Kamp op 27 mei 2014 heeft gegeven op vragen over de alternatieve taxidienst Uber (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 2095).
Hoe verhoudt de voorgenomen evaluatie van de Taxiwet zich tot de toepassing van gemeentelijke bevoegdheden en nieuwe diensten van vervoersmakelaars? Deelt u de mening dat het – juist door deze ontwikkelingen – noodzakelijk is om een fundamentele discussie over de toekomst van het taxivervoer/personenvervoer te voeren? Zo nee, waarom niet? En zo ja, bent u bereid om te kiezen voor een verdere versoepeling van regels, gericht op een gelijk speelveld in plaats van op een verdere stapeling van regels?
Op rijksniveau geldt slechts een beperkt aantal kernregels in het belang van een minimaal noodzakelijke taxikwaliteit en in het belang van de consument. Deze regels zijn met name gericht op de vervoerders en taxibestuurders en dus niet op instanties zoals Uber en taxicentrales die vraag en aanbod bij elkaar brengen. Gemeenten kunnen aanvullende regels stellen, indien zij dat gelet op de plaatselijke omstandigheden noodzakelijk achten. Deze systematiek beoogt onnodige stapeling van regelgeving juist te voorkomen. Deze afgewogen wetssystematiek (Wp2000) is nog maar kort geleden, eind 2011, ingevoerd na een uitvoerige parlementaire behandeling in het kader van de uitvoering van de zogenoemde Taxivisie. Met de invoering van de gemeentelijke TTO’s (toegestane taxi organisaties) is ook een verbetering van de kwaliteit van het taxivervoer in gang gezet. Deze ontwikkeling is nog in volle gang.
Tegen deze achtergrond en met het oog op de lopende evaluatie van de Taxiwet ben ik van mening dat de gevraagde discussie over het taxivervoer het beste gevoerd kan worden nadat ik u omstreeks de komende jaarwisseling de resultaten van de evaluatie van de Taxiwet heb toegestuurd. Dan kan ook worden geoordeeld of bijstelling resp. versoepeling van regelgeving aan de orde is.
Kunt u aangeven of er, gelet op de lopende invoering en aparte evaluatie van de BCT eind 2015 en de recente aanpassing van de regels voor rij- en rusttijden in de taxisector, nu sprake zal zijn van een toekomstbestendig wettelijk kader? Bent u van mening dat de huidige verplichtingen, zoals de BCT en de rij- en rusttijden opnieuw beoordeeld moeten worden op wenselijkheid om te bezien of deze nog passen in het huidige tijdsgewricht en toekomstige ontwikkelingen? Zo nee, waarom niet? Bent u van plan om deze, in het kader van een fundamentele discussie inzake de toekomst van de taxibranche, alsnog te betrekken in de komende evaluatie van de taxiwetgeving?
Zoals in het antwoord op vraag 6 aangegeven is de Taxiwet weloverwogen regelgeving. Samen met de andere regelgeving op taxigebied, zoals over de BCT en (binnenkort) over de rij- en rusttijden, geeft de Taxiwet nu een toekomstbestendig wettelijk kader, gebaseerd op de Taxivisie uit 2009. In dit licht vind ik niet dat de huidige verplichtingen voor taxiondernemers en taxibestuurders nu opnieuw moeten worden beoordeeld op wenselijkheid. De evaluatie van de Taxiwet biedt de gelegenheid de taxiregelgeving te toetsen op robuustheid. Bij de beoordeling daarvan, begin 2015, kunnen ontwikkelingen op andere terreinen, zoals de BCT en rij- en rusttijden, worden betrokken.
Kunt u aangeven wat de planning van de evaluatie is, welke partijen er betrokken zijn bij de evaluatie en op welke wijze, wanneer de Kamer hierover geïnformeerd zal worden en hoe tot die tijd wordt omgegaan met innovaties, mede in relatie tot een gelijk speelveld, dan wel verzoeken tot pilots?
De evaluatie vindt dit najaar plaats en wordt volgens de planning uiterlijk in december afgerond. Het voornemen is om rond de jaarwisseling de Tweede Kamer schriftelijk te informeren over de resultaten van deze evaluatie en over eventuele beleidsvoornemens tot aanpassing van beleid of regelgeving met betrekking tot het taxivervoer.
De gevolgen van de uitbraak van het ebolavirus in West-Afrika |
|
Henk van Gerven (SP), Renske Leijten (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de steeds verdere uitbreiding van het ebolavirus in Liberia, Siera Leone, Guinee en Nigeria, waarbij inmiddels al bijna 900 mensen overleden zijn en ruim 1.600 mensen besmet?1
De beelden van de uitbraak in West-Afrika zijn aangrijpend. De situatie is ernstig, vooral voor de getroffen inwoners en hulpverleners in het gebied. Het is van belang dat aan de verspreiding van het virus een halt wordt toegeroepen.
Het risico op ebola in Nederland is (onverminderd) laag.
Op welke wijze houdt u de uitbraak van het ebolavirus in de gaten? Is er Nederlandse betrokkenheid bij het bestrijden van de epidemie en/of behandeling van patiënten?
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) volgt nauwlettend de ontwikkelingen via de dagelijkse updates van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC). Nederland overlegt via de Health Security Committee (HSC) met de Europese Commissie en andere EU-lidstaten over acties van verschillende overheden.
Nederland draagt € 822.600 bij uit middelen voor humanitaire hulp voor zorg aan patiënten en om verdere verspreiding van het virus tegen te gaan. Van dit bedrag ontvangt Artsen zonder Grenzen MSF € 500.000. Het Nederlandse Rode Kruis heeft een bijdrage van € 322.600 ontvangen. Daarnaast draagt de Nederlandse overheid bij aan de lokale bestrijding van de epidemie via de Europese Unie en de WHO. De WHO coördineert met de betrokken overheden en internationale hulporganisaties de huidige activiteiten. Ik verwijs u ook naar antwoorden 3 en 4 op vragen van het lid Van Laar (PvdA) aan de ministers voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van Buitenlandse Zaken over de ebola-ziekte in West-Afrika (ingezonden 4 augustus 2014).
Wat zijn de mogelijke risico’s van de uitbraak van het ebolavirus in deze landen voor de volksgezondheid in Nederland en Europa? Hoe groot acht u die risico’s?
De uitbraak in West-Afrika is de grootste ebola-uitbraak ooit. Dat is zorgelijk en vraagt om meer en adequate bestrijding ter plaatse. De WHO coördineert deze bestrijding.
Het risico dat het ebolavirus met een patiënt afkomstig uit de landen die nu getroffen worden geïmporteerd wordt in Nederland en Europa is klein, maar niet uitgesloten. De kans dat het virus zich – na introductie in Europa/ Nederland – zal verspreiden is klein. Het virus wordt alleen overgedragen door direct contact met lichaamsvloeistoffen van patiënten die symptomen van de ziekte vertonen. In Nederland is er een relatief hoge standaard van gezondheidszorg en preventie van infectieziekten, hetgeen verspreiding op grote schaal onwaarschijnlijk maakt. Ik verwijs u voor een uitgebreidere toelichting naar antwoord 2 op de vragen van het Kamerlid Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren) over de recente ebola-uitbraak in Afrika (ingezonden 4 augustus 2014).
Via de bovengenoemde Health Security Committee vernemen wij dat ook andere Europese lidstaten de voorbereiding van een eventuele introductie van ebola geregeld hebben. In dit comité wordt overlegd over bilaterale samenwerking tussen lidstaten indien nodig bij specifieke situaties. Lidstaten kunnen bovendien de Europese Commissie verzoeken om specifieke ondersteuning.
Worden extra maatregelen genomen ter bescherming van de volksgezondheid in Nederland en Europa? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het RIVM heeft met haar samenwerkingspartners diverse maatregelen ter voorbereiding genomen. Ik verwijs u naar de uitgebreidere toelichting in antwoord 2 op de vragen van het Kamerlid Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren) over de recente ebola-uitbraak in Afrika (ingezonden 4 augustus 2014)
Liggen er duidelijke draaiboeken klaar voor het geval er in Nederland (of in een van onze buurlanden) een besmetting wordt geconstateerd? Hoe is in die draaiboeken rekening gehouden met de incubatietijd en de mogelijke besmettingen van anderen?
Zie antwoord vraag 4.
Is bekend hoeveel Nederlanders momenteel in Liberia, Siera Leone, Guinee en Nigeria verblijven, en welk risico zij lopen op besmetting? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?
Niet alle Nederlanders in het buitenland registreren zich bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft daarom geen zicht op het exacte aantal Nederlanders in deze landen. Registreren en afmelden is vrijwillig en een verantwoordelijkheid van de reiziger zelf. Op dit moment hebben zich tussen de 20 en 30 Nederlanders ingeschreven in Guinee, Liberia en Sierra Leone, en iets meer dan 300 in Nigeria. Het daadwerkelijke aantal ligt waarschijnlijk hoger. Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen heeft Buitenlandse Zaken via het postennetwerk in de regio Nederlanders geïnformeerd over de stand van zaken en is er onder andere via social media meer aandacht besteed aan de standaard oproep aan Nederlanders om zich te registreren. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken verwijst in de reisadviezen, voor de landen waar ebola is uitgebroken, naar de websites van het RIVM, het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (LCR) en de WHO. Deze organisaties gaan ook in op het besmettingsgevaar en geven experts adviezen over het nemen van voorzorgsmaatregelen.
Hoe wordt omgegaan met mensen die uit het besmettingsgebied naar Nederland (en Europa) komen? Worden zij na aankomst gecontroleerd of gevolgd om een mogelijke besmetting tijdig te constateren?
Op Schiphol worden passagiers van directe vluchten van en naar Nigeria geïnformeerd middels een brief over de ebola-uitbraak, waarin adviezen zijn opgenomen hoe besmetting kan worden voorkomen, en wat te doen indien men tijdens de reis, of na terugkeer in Nederland, symptomen passend bij ebola zou ontwikkelen.
Er vindt – in lijn met de adviezen van de WHO – geen screening plaats van mensen die uit gebieden waar de ebola uitbraak heerst terugkomen in Nederland. De WHO acht «entry-screening» niet effectief, duur en disproportioneel voor het reizigersverkeer. De kans dat een ebolapatiënt gedurende een entry-screening wordt herkend is heel klein, terwijl duizenden reizigers zouden moeten worden gecontroleerd.
De WHO en ECDC adviseren om personeel werkzaam aan de grenzen van de Europese Unie en hulpverleners in de Europese lidstaten optimaal te informeren, zodat zij een patiënt met klachten passend bij ebola herkennen en weten wie zij moeten bellen om de patiënt op te vangen en de directe contacten van de patiënt te volgen. Het RIVM en de GGD zorgen voor deze voorlichting.
Kunt u uitleggen waarom de Verenigde Staten een negatief reisadvies voor Liberia, Siera Leone, Guinee en Nigeria hebben afgegeven en Nederland niet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken baseert zich op de deskundigheid van de WHO, het LCR en het RIVM bij het benoemen van gezondheidsrisico’s in reisadviezen. In de reisadviezen van het ministerie wordt ook doorverwezen naar deze organisaties voor alle relevante gezondheidsinformatie. De WHO heeft tot op heden geen reisbeperkingen afgekondigd vanwege de ebola-epidemie. LCR en RIVM sluiten zich daarbij aan. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken zal een eventueel reisadvies dat wordt afgegeven door deze organisaties als gevolg van de ebola-uitbraak verwerken in het Nederlandse reisadvies.
Inmiddels heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken de reisadviezen voor een aantal door ebola getroffen landen wel aangescherpt vanwege de indirecte gevolgen van de ebola-epidemie. Het besluit om het reisadvies aan te scherpen hangt samen met de verslechtering van de veiligheidssituatie, sociale onrust, de slechte toegang tot veilige gezondheidszorg en de afnemende mogelijkheden om deze landen te verlaten.
De reisadviezen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn niet bindend. Het blijft de verantwoordelijkheid van de reiziger zelf en van de desbetreffende reisorganisatie om een reis wel of niet te laten doorgaan.
Klopt het dat het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering zich in haar advies baseert op de World Health Organisation (WHO) die evenmin een negatief reisadvies geeft?2 Wat is uw reactie op het feit dat de toch al vrij algemene reizigersinformatie van de WHO van april 2014 is? Kunt u uw antwoord toelichten?3
De LCR en het RIVM sluiten aan bij de WHO adviezen, die sinds het begin van de uitbraak onveranderd zijn. Op 8 augustus jl. herbevestigde de WHO haar eerdere advies voor wat betreft reizigers. Reizen naar de landen is mogelijk doordat je goede voorzorgsmaatregelen tegen de ziekte in acht kunt nemen. Deze maatregelen zijn terug te vinden op de site van het Landelijk Coördinatiecentrum Reizigersadvisering (http://www.lcr.nl/).
En op de site van het RIVM: http://www.rivm.nl/Onderwerpen/E/Ebola/Ebola_uitbraak_West_Afrika_2014
Heeft u overleg met Nederlandse luchtvaartmaatschappijen die direct, dan wel indirect, vliegen op risicogebieden over eventuele maatregelen en het mogelijk schrappen van vluchten, zoals enkele andere maatschappijen besloten hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Nee. De WHO adviseert op dit moment geen reis- of handelsbeperkingen. Nederland volgt op dit moment de adviezen van de WHO. Zie ook antwoord 3 op de vragen van het Kamerlid Van Klaveren (Groep Bontes/Van Klaveren) over de recente ebola-uitbraak in Afrika (ingezonden 4 augustus 2014). Zie ook vraag 7 met betrekking tot voorlichting reizigers op vluchten van en naar Nigeria.
Hoe verhoudt de uitspraak van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), waarin zij stelt dat mensen alleen ziek worden door direct contact met patiënten, zich tot de uitspraak van de WHO dat men voor verrassingen staat in verband met de ontwikkeling van het virus?5 6
De uitspraken van de Directeur- Generaal van de WHO moeten worden gezien in de context van de grootste ebola-uitbraak ooit, die nu voortgaat in West-Afrika. Hulp moet gericht zijn op het bestrijden van de uitbraak in West-Afrika. De bestrijding wordt bemoeilijkt door een gebrek aan middelen en een gebrek aan vertrouwen van de bevolking in zowel de bestrijdingsmaatregelen als de autoriteiten betrokken bij de implementatie van de maatregelen. Daardoor krijgt het virus de kans om zich verder te verspreiden.
Het RIVM communiceert over het risico van overdracht van het ebolavirus tussen mensen, in lijn met de inschatting van internationale experts. Het ebolavirus wordt overgedragen door direct contact met lichaamsvloeistoffen van besmettelijke patiënten en niet, zoals bij het griepvirus, via de lucht.
Het bericht 'Alleen ruimen bij risico voor volksgezondheid' |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u bericht «Alleen ruimen bij risico voor volksgezondheid»?1
Ja.
Is het waar dat er een gebrek aan rechtstreekse informatie was door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) aan dierenartsen? Zo ja, deelt u de opvatting dat communicatie essentieel is in tijden van crisis zodat iedere schakel zijn verantwoordelijkheid kan nemen?
Ik deel de mening dat zowel interne als externe communicatie essentieel is in tijden van crisis. In eerste instantie is de communicatie erop gericht om de direct betrokkenen op de hoogte te brengen van de stand van zaken en de aanpak van het incident. De NVWA-dierenartsen zijn middels sms-alert geïnformeerd over de stand van zaken. Op de website van de NVWA wordt de informatie over furazolidon, inclusief de Kamerbrieven en de adviezen van bureau, verstrekt. Vanuit de brancheorganisatie van dierenartsen, de KNMvD, hebben mij geen signalen bereikt over een gebrek aan communicatie.
Kunt u toelichten hoe de informatievoorziening was richting de betrokken veehouders en betreffende brancheorganisaties?
Betrokken veehouders zijn via een beschikking geïnformeerd over de blokkade van hun bedrijf, de reden daarvan en wat er van hen verwacht werd. Daarnaast is door de NVWA drie maal (17 juli, 24 juli en 1 augustus 2014) een informatief overleg georganiseerd met betrokken brancheorganisaties. Tijdens deze bijeenkomsten zijn zij geïnformeerd over de stand van zaken van het incident, de acties van de NVWA en andere beleidsmatige aspecten. Daarnaast was de NVWA aanwezig op een bijeenkomst van getroffen veehouders, georganiseerd door de NVV en LTO. Hier heeft de NVWA de achtergrond en de aanpak van het incident gepresenteerd. Tijdens deze bijeenkomst zijn door de aanwezige veehouders opmerkingen gemaakt over de communicatie. Deze opmerkingen worden door de NVWA meegenomen bij de evaluatie van dit incident met furazolidon.
Tenslotte heeft de NVWA de betrokken varkenshouders 31 juli jl. telefonisch ingelicht om hen persoonlijk te laten weten dat hun bedrijven weer werden vrijgegeven. Een aantal van hen was op dat moment niet bereikbaar. Zij zijn vrijdagochtend telefonisch ingelicht door de NVWA.
Klopt het dat furazolidon overal te verkrijgen is?2 Zo ja, hoe kunnen dergelijke crises voorkomen worden als het overal beschikbaar is?
Nee dat klopt niet, zie mijn beantwoording van de Kamervragen over furazolidon in diervoeder van de PvdD van 20 augustus jl.
De situatie in Gaza |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u nog altijd van mening dat u geen «gefundeerd oordeel» kan geven over aanvallen van het Israëlisch leger op scholen en ziekenhuizen in Gaza?1
Het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van het feit dat op 3 augustus opnieuw een UNRWA-school is geraakt. Dat is een onaanvaardbaar gevolg van de aanvallen die van Israelische zijde werden uitgevoerd. Het kabinet betreurt het grote aantal burgerslachtoffers ten zeerste en roept beide partijen op om de gewelddadigheden definitief te staken. Het kabinet beschikt niet over de benodigde feitelijke informatie over aanvallen op scholen en ziekenhuizen om een gefundeerd oordeel te kunnen geven over de toedracht van deze aanvallen. Het kabinet roept daarom op tot een internationaal en onafhankelijk onderzoek naar vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht en van de mensenrechten gepleegd door alle betrokken partijen.
In hoeverre hebben de gebeurtenissen van de afgelopen dagen, waarbij opnieuw een school van de Verenigde Naties (VN) in Rafah met 3000 vluchtelingen gebombardeerd werd en het aantal burgerslachtoffers verder opliep, geleid tot een bijstelling van dit oordeel?
Zie antwoord vraag 1.
Gaat u nog steeds uit van de verwachting dat Israel zich houdt aan de principes van noodzakelijkheid en proportionaliteit, zoals bepaald door het humanitair oorlogsrecht? Zo ja, waar baseert u deze verwachting op?
Het kabinet verwacht dat Israël, bij het hanteren van het recht op zelfverdediging, zich aan de principes van het humanitair oorlogsrecht houdt; de Israëlische autoriteiten hebben zich hier ook aan gecommitteerd. Voor zover de aanvallen op de UNWRA-scholen vragen oproepen inzake de toepassing van de beginselen van onderscheid en proportionaliteit, zou een internationaal en onafhankelijk onderzoek, zoals door de Nederlandse regering bepleit, hierover eveneens uitsluitsel kunnen geven.
Hoe beoordeelt u de verklaring van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin de Verenigde Staten stellen geschokt te zijn door de «schandalige beschietingen» van de VN-school in Rafah en stelt dat Israel meer moet doen om aan zijn eigen standaarden te voldoen?2 Bent u bereid een vergelijkbare boodschap aan Israel af te geven?
Het kabinet heeft kennis genomen van de verklaringen van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Secretaris-Generaal van de VN. Zie verder de beantwoording op vragen 1 en 2.
Hoe beoordeelt u de verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN, die de aanval een «moreel verwerpelijke en criminele daad» noemt en stelt dat sprake is van een «grove schending van internationaal humanitair recht»?3 Bent u bereid een vergelijkbare boodschap aan Israel af te geven?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe beoordeelt u de gezamenlijke verklaring over Gaza van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie van 3 augustus jl. waarin, in tegenstelling tot bovengenoemde verklaringen, verwijzingen naar de aanval op de VN-school en naar de schending van het internationaal recht ontbreken?4 Is Nederland vooraf geconsulteerd over deze EU-verklaring? Zo ja, wat was daarbij de Nederlandse input?
Het kabinet steunt de boodschap van de voorzitters van de Europese Raad en de Europese Commissie. Nederland is niet geconsulteerd over dit EU-statement.
Hoe beoordeelt u het feit dat de naam van Hoge Vertegenwoordiger Ashton in de EU-verklaring ontbreekt? Hoe beoordeelt u de keuze van Hoge Vertegenwoordiger Ashton om dezer dagen het «Pacific Island Forum» op Palau bij te wonen in plaats van een uiterste inspanning te leveren om in de regio een staakt-het-vuren dichterbij te brengen?
HV Ashton heeft wel degelijk contact met de partijen, maar doet dit telefonisch. Een van haar hoge ambtenaren was de afgelopen dagen in de regio. Er zijn op verschillende momenten verklaringen van de HV of namens de HV gepubliceerd over de crisis in Gaza. In een verklaring op 31 juli werd de aanval op een UNRWA-school en de markt in Gaza in scherpe bewoordingen veroordeeld. Op 5 augustus bracht de woordvoerder van Ashton een verklaring uit waarin het staakt-het-vuren werd verwelkomd en werd benadrukt dat de EU klaarstaat om bij te dragen aan een alomvattende en duurzame oplossing die voldoet aan de legitieme veiligheids-, socio-economische en humanitaire noden van zowel de Israëliërs als de Palestijnen.
Heeft u of hebben andere leden van het kabinet sinds de telefoongesprekken van 11 juli jl. van de minister van Buitenlandse Zaken met zijn Israëlische evenknie Lieberman nog contact gehad met leden van de Israëlische regering? Zo ja, welke boodschappen zijn daarbij afgegeven? Zo nee, waarom niet?
Ja. Minister-President Rutte heeft op 1 augustus telefonisch contact gehad met de Israëlische premier Netanyahu. De Minister-President heeft in dat gesprek onder andere aangegeven dat Israël maximale terughoudendheid moet tonen. Hij riep Israël op transparant te zijn over de aanvallen die het uitvoert in Gaza.
Kunt u deze vragen per ommegaande beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Het opheffen van het locatieverbod en enkelband voor Volkert van der Graaf |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM in beroep tegen opheffen locatieverbod en enkelband Van der G»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de mening dat de uitspraak van de rechter verbijsterend is?
Het is niet aan mij om te oordelen over uitspraken van een rechter. Ik wijs er voor de volledigheid op dat het hier een voorlopige voorziening betreft. Inmiddels is het Openbaar Ministerie, dat verantwoordelijk is voor het besluit over het verlenen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling en de daaraan verbonden voorwaarden, in beroep gegaan tegen de door de rechter getroffen voorlopige voorziening. Ik wacht de uitspraak in hoger beroep af.
Bent u bereid u uit te spreken tegen deze verzachtende maatregelen voor de moordenaar van Pim Fortuyn? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de visie dat deze moordenaar niet genoeg in zijn bewegingsvrijheid kan worden beperkt en dat er hier sprake is van een rechterlijke dwaling? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke stappen bent u voornemens te zetten om deze gevaarlijke rechterlijke uitspraak tegen te gaan?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht 'Cameron beperkt uitkeringen voor EU-migranten' |
|
Malik Azmani (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Cameron beperkt uitkeringen voor EU-migranten»?1
Ja.
Bent u van mening dat Nederland het voorbeeld van Groot-Brittannië kan volgen en eveneens de periode waarin migranten uit de EU recht hebben op een uitkering kan halveren? Zo ja, bent u daar ook toe bereid? Zo nee, waarom is dat niet mogelijk?
Cameron wil dat EU-burgers die zich in Groot-Brittannië vestigen en geen duidelijk vooruitzicht hebben op een baan maximaal drie maanden gebruik kunnen maken van Britse uitkeringen, in plaats van de huidige zes maanden. Hij heeft hierbij – blijkens een artikel in the Daily Telegraph van 29 juli 2014 – het oog op jobseeker’s allowance (een met bijstand vergelijkbare werkloosheidsuitkering) en child benefit (kinderbijslag).
In het Verenigd Koninkrijk hebben werkzoekenden (jobseekers) recht op een met bijstand vergelijkbare uitkering. In Nederland geldt voor werkzoekenden dat zij geen recht krijgen op bijstand. Doordat een EU-burger die geen eigen bestaansmiddelen heeft en als werkzoekende naar Nederland komt, hier geen recht heeft op een bijstandsuitkering, kan halvering van de periode van de bijstandsuitkering in dat geval niet aan de orde zijn.
Voorts geldt dat EU-burgers die zich in Nederland vestigen en geen duidelijk vooruitzicht hebben op een baan niet meteen recht hebben op een bijstands-, werkloosheidsuitkering of op kinderbijslag.
Een EU-burger die naar Nederland is gekomen en hier werk heeft (werknemer is), behoudt onder bepaalde omstandigheden de status van werknemer, ook als hij werkloos wordt. Voor werkloze werknemers zijn de lidstaten gebonden aan de bepaling in de Richtlijn Vrij verkeer van personen (artikel 7, derde lid, onder c, van de Richtlijn 2004/38/EG) dat om in een andere lidstaat te verblijven voor een periode langer dan drie maanden:
In dat geval blijft de status van werknemer, en daarmee recht op bijstand, ten minste zes maanden behouden. Deze termijn is vastgelegd in de Richtlijn Vrij verkeer van personen.
Een EU-burger die naar Nederland komt en geen vooruitzicht heeft op een baan kan niet meteen zonder meer in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Hij zal in ieder geval in Nederland gewerkt moeten hebben. Als een EU-burger nog niet in Nederland heeft gewerkt, heeft hij geen recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
Ook bij het recht op kinderbijslag is het van belang een onderscheid te maken tussen de situatie dat iemand in Nederland als werknemer komt werken en de situatie dat iemand hier werk komt zoeken. Als iemand naar Nederland komt en hier als werknemer gaat werken, is hij verzekerd voor de volksverzekeringen en voor de werknemersverzekeringen.
Als iemand naar Nederland komt en hier niet als werknemer gaat werken maar werk zoekt, heeft hij slechts recht op kinderbijslag als hij ingezetene is in Nederland. Om ingezetene te zijn moet hij in Nederland wonen, dat wil zeggen dat het middelpunt van zijn maatschappelijk leven zich in Nederland moet bevinden. Of dat het geval is, dient beoordeeld te worden aan de hand van alle omstandigheden van het geval. De intentie van betrokkene is daarbij niet doorslaggevend. Als er sprake is van wonen in Nederland heeft de betrokkene recht op kinderbijslag en deze uitkering kan niet beperkt worden. Betrokkene moet op grond van de coördinatieverordening 883/2004 namelijk gelijk behandeld worden als de andere ingezetenen in Nederland.
Iemand die naar Nederland komt en geen vooruitzicht heeft op een baan hoeft dus niet meteen – zoals dat in Groot-Brittannië wel het geval is – zonder meer in aanmerking te komen voor kinderbijslag. Er zal sprake moeten zijn van wonen in Nederland of onderworpen zijn aan belastingheffing.
Als een EU-burger eenmaal voldoet aan de voorwaarden in de wetgeving van een lidstaat om in aanmerking te komen voor een werkloosheidsuitkering of voor kinderbijslag, dient hij gelijk behandeld te worden als een onderdaan van die lidstaat op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels. Onderscheid binnen de uitkeringsvoorwaarden tussen migranten en Nederlanders is op grond van het discriminatieverbod niet toegestaan.
Botresten op de begraafplaats in Bladel |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat nabestaande worden geconfronteerd met botresten, zoals afgelopen maanden is gebeurd op de begraafplaats in Bladel?1
Ik ben het met u eens dat bezoekers van een begraafplaats niet geconfronteerd mogen worden met botresten. Het opgraven en ruimen dient met respect en piëteitsvol te gebeuren.
Deelt u de mening dat op deze wijze de waardigheid van onze doden wordt aangetast?
Zie antwoord vraag 1.
Neemt u afstand van de opmerking van de betrokken pastoor dat dit «overal» zou voorkomen?
Ja.
Kent u de «Handleiding opgraven en ruimen» die in december 2010 op verzoek van de SP door de Landelijke Organisatie van Begraafplaatsen (LOB) is opgesteld?2
Ja, voornoemde Handleiding is op eigen initiatief uitgebracht door de LOB, de BVOB en de VNG en is destijds door mijn ambtsvoorganger aan Uw Kamer aangeboden.
Waarom houdt deze begraafplaats in Bladel zich niet aan de regels zoals die in deze handleiding zijn afgesproken?
Het is in beginsel aan de beheerder van een begraafplaats, gemeentelijk dan wel bijzonder, om te bepalen of graven worden geruimd en zo ja welke werkwijze daarbij wordt gehanteerd.
De berichten ‘Nederlandse Marokkanen nu ook in Marokko berecht’ en ‘Luxe auto’s en appartementen: daar gaat het geld naartoe’ |
|
Machiel de Graaf (PVV), Lilian Helder (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Nederlandse Marokkanen nu ook in Marokko berecht» en «Luxe auto’s en appartementen: daar gaat het geld naartoe»?1
Ja.
Hoeveel personen met een dubbel (Nederlands en Marokkaans) paspoort zitten in Nederland en Marokko vast op verdenking van (zware) misdrijven? Hoeveel daarvan ontvangen een uitkering van de Nederlandse staat, ondanks het feit dat een uitkering behoort te worden ingetrokken bij het uitzitten van een gevangenisstraf?
De Dienst Justitiële Inrichtingen heeft mij bericht dat eind juli 2014 ruim 150 personen, waarvan geregistreerd is dat zij zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit bezitten, in Nederland gedetineerd waren vanwege (zware) misdrijven. Verder waren eind juli 2014 minstens ruim 150 personen met zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit gedetineerd in Marokko vanwege (zware) misdrijven. Dit zijn personen die bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken bekend zijn omdat zij consulaire bijstand hebben gevraagd. Het totaal aantal in Marokko gedetineerden met zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit kan dus groter zijn.
Indien een persoon in detentie verblijft en een uitkering van de Nederlandse staat ontvangt, wordt deze uitkering beëindigd. Met betrekking tot personen van wie bekend is dat zij of in Nederland of in het buitenland in detentie verblijven vindt gegevensuitwisseling plaats tussen de Dienst Justitiële Inrichtingen, het Ministerie van Buitenlandse Zaken, de Sociale Verzekeringsbank, UWV en gemeenten. Op basis van deze gegevensuitwisseling beëindigen de uitvoeringsorganen bij samenloop tussen detentie en het ontvangen van een uitkering in voorkomende gevallen de uitkering. Voor het beëindigen van de uitkering zijn gegevens over de nationaliteit of plaats van detentie niet van belang en deze maken dan ook geen deel uit van de eerder genoemde gegevensuitwisseling.
Deelt u de mening dat het in het artikel genoemde aantal van honderden schrikbarend is? Passen deze aantallen in het beeld van de culturele verrijking die de islamitische massa-immigratie ons land volgens overheidsrapporten heeft gebracht? Zo nee, waarom niet?
Het arrondissementsparket Amsterdam heeft op de dag van het verschijnen van het in vraag 1 aangehaalde bericht via een persbericht2 laten weten dat het onjuist is dat honderden Nederlands-Marokkaanse jongeren betrokken zouden zijn geweest bij liquidaties. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op de schriftelijke vragen van de leden Van Klaveren en Bontes van uw Kamer (kenmerk 2014Z13817, ingezonden 1 augustus 2014).
Bent u bereid criminelen met een dubbel paspoort, in Nederland of in het buitenland berecht, financieel kaal te plukken, te denaturaliseren en ervoor te zorgen dat ze de toegang tot Nederland voortaan wordt ontzegd? Zo nee, waarom niet?
Als in Nederlandse strafzaken de mogelijkheden tot het afpakken van criminele winsten benut kunnen worden, zal dat gebeuren. Ook de Marokkaanse wetgeving kent de mogelijkheid van het afpakken van criminele winsten in strafprocedures. Ik verwijs verder naar mijn antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de samenwerking met Marokko meteen te gebruiken voor intensieve controles op bezit van vastgoed van uitkeringstrekkers? Zo nee, waarom niet?
Controles op het bezit van vastgoed in Marokko zijn reeds mogelijk in het kader van de controle op de rechtmatigheid van in Nederland verstrekte bijstandsuitkeringen. Deze controles vinden plaats op grond van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko en het daarbij behorende Administratief Akkoord. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft uw Kamer op 3 juni jl.3 geïnformeerd over de actuele stand van zaken met betrekking tot controles in Marokko.
Deelt u de mening dat het goed voor Nederland zou zijn als hier minder Marokkanen zouden wonen, door vrijwillige remigratie te stimuleren, Nederlandse paspoorten van veroordeelde criminelen af te pakken, hen verplicht uit te zetten en pas uitkeringen toe te staan als er een arbeidsverleden van minimaal tien jaar in Nederland is? Zo nee, waarom niet?
Het kabinetsbeleid is erop gericht mensen in de Nederlandse samenleving te laten integreren en participeren, niet om teweeg te brengen dat mensen die hier rechtmatig verblijven terugkeren naar het land van herkomst of vertrekken naar het land van herkomst van hun voorouders.
Als sprake is van het begaan van een strafbaar feit is het aan de rechter om te beoordelen welke straf passend is. Het in vraag 1 aangehaalde bericht gaat over liquidaties, overvallen en drugsdelicten. De intrekking van de Nederlandse nationaliteit wegens een veroordeling voor dergelijke commune misdrijven is niet mogelijk. Verder laat het gelijkheidsbeginsel uit artikel 1 van de Grondwet niet toe dat bij uitkeringen een onderscheid wordt gemaakt op basis van het arbeidsverleden.
De militaire dreiging door Venezuela om Aruba binnen te vallen |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aruba ontsnapt aan inval»?1
Ja.
In hoeverre klopt het, in overeenstemming met de verklaring van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken, dat er betrouwbare aanwijzingen bestaan dat er zeer sterke dreigementen door de Venezolaanse regering aan Aruba en Nederland zijn geuit?
Venezuela heeft geprotesteerd tegen de arrestatie en aangegeven dat er sprake was van inbreuk op internationaal recht.
Wat is de reden ervoor geweest dat u de socialistische spionnenchef Carvajal heeft vrijgelaten en houdt dit op enige wijze verband met de militaire dreiging door Venezuela?
De heer Carvajal Barrios is vrijgelaten omdat hij op grond van internationaal recht (Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963) immuniteit geniet. De conclusie over de immuniteit van de heer Carvajal Barrios is uitsluitend hierop gebaseerd in het licht van de feitelijke omstandigheden en de daaruit voortvloeiende internationale rechten en verplichtingen.
Zo nee, wat is dan de reden dat u vorige week, in opdracht van de Verenigde Staten, Carvajal nog inrekende en hem nu plotseling op vrije voeten hebt gesteld?
De heer Carvajal Barrios is in Aruba gearresteerd. Justitie is een autonome bevoegdheid van Aruba. Diplomatieke en consulaire relaties, inclusief immuniteit, zijn bevoegdheden van het Koninkrijk. Alleen de Minister van Buitenlandse Zaken is bevoegd daarover een beslissing te nemen.
Hoe duidt u de uitlatingen van de Venezolaanse president Nicoals Maduro dat hij een plan had klaarliggen dat de spanning in Latijns-Amerika zou doen escaleren?
Ik heb van deze uitlatingen uit de media kennis genomen.
Wanneer dringt het besef door dat in deze tijd van enorme mondiale spanningen en terreurdreiging investeren – in plaats van bezuinigingen – op Defensie een absolute noodzaak is?
Het kabinet is van mening dat verdere bezuinigingen op Defensie, gegeven de zich ontwikkelende mondiale veiligheidssituatie, niet voor de hand liggen. Of, en zo ja in welke mate, in de nabije toekomst weer ruimte ontstaat voor verhoging van de Nederlandse defensie-uitgaven, zal moeten worden bezien bij de komende begrotingsbesprekingen.
De recente ontwikkelingen omtrent de arrestatie van de Venezolaanse consul op Aruba |
|
Han ten Broeke (VVD), André Bosman (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de recente ontwikkelingen omtrent de arrestatie van de Venezolaanse consul op Aruba, dhr. Carvajal?1
Ja.
Kunt u aangeven hoe de procedure rondom een benoeming van een consul op Aruba in zijn werk gaat?
Het Koninkrijk dient aan het beoogd hoofd van de consulaire post een machtiging (exequatur) te verlenen.
Hoe kan het dat het verzoek tot accreditatie niet op de juiste manier is behandeld? Wat ging er mis en waarom?2
In een nota van het consulaat-generaal van de Bolivariaanse Republiek Venezuela op Aruba aan de Directie Buitenlandse Betrekkingen van Aruba, aldaar ontvangen op 12 februari 2014, is de heer Carvajal Barrios aangewezen als consul-generaal van de Bolivariaanse Republiek Venezuela op Aruba. Deze nota is niet via de geëigende diplomatieke kanalen (ambassade van het Koninkrijk te Caracas of diplomatieke vertegenwoordiging te Den Haag) ontvangen. Vanwege deze onvolkomenheid in de betrachte procedure is deze nota niet aangemerkt als een benoemingsbrevet of soortgelijke akte als bedoeld in artikel 11 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963. Na juridische duiding van de feitelijke situatie en de nota op 27 juli 2014 ben ik tot de conclusie gekomen dat Venezuela er, onder deze omstandigheden, op mocht vertrouwen dat de heer Carvajal Barrios voorlopig, in afwachting van de verlening of de weigering van het exequatur, tot de werkzaamheden van consul-generaal was toegelaten. Hij genoot derhalve de immuniteiten die voortvloeien uit de functie van consul-generaal.
Kunt u aangeven wie de bevoegdheid heeft tot het goedkeuren en aanstellen van een consul? Wat is de rol van het Koninkrijk hierin?
Venezuela benoemt de hoofden van haar consulaire posten. Het benoemingsbrevet, of soortgelijke akte, dient via de geëigende diplomatieke kanalen te worden aangeboden aan het Koninkrijk. Diplomatieke en consulaire relaties, inclusief immuniteit, zijn bevoegdheden van het Koninkrijk. Alleen de Minister van Buitenlandse Zaken is bevoegd daarover een beslissing te nemen.
Kunt u aangeven hoe iemand, met een achtergrond als dhr. Carvajal, wordt goedgekeurd als consul in een deel van het Koninkrijk?
Er is geen machtiging (exequatur) verleend en dus geen goedkeuring gegeven.
Kunt u aangeven of de VS, voorafgaand aan het verzoek tot aanhouding van dhr. Carvajal, contact hebben gehad met het ministerie van Buitenlandse Zaken, danwel van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties? Zo ja, wat was daar de uitkomst van?
De VS heeft voorafgaand aan het verzoek tot aanhouding geen contact gelegd met het Ministerie van Buitenlandse Zaken of het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Zo nee, waarom niet? Hadden de VS kunnen inschatten dat een dergelijk verzoek grote consequenties heeft voor de buitenlandse politiek van het Koninkrijk en dat bovendien de diplomatieke verantwoordelijkheid ligt bij de minister van Buitenlandse Zaken?
Het is niet bekend waarom de VS Nederland niet heeft ingelicht.
De onrust die is ontstaan in Zeeland rondom de plannen van het Admiraal De Ruyter Ziekenhuis (ADRZ) |
|
Renske Leijten (SP), Henk van Gerven (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de plannen van het ADRZ om de zorg te concentreren op de locatie in Goes en op Walcheren nog slechts poliklinische zorg aan te bieden? Zo ja, kunt u aangeven wat de status van deze plannen is?
Ja. In het verleden heeft ADRZ regelmatig gecommuniceerd over de verdeling van de medisch specialistische zorg in midden en noord Zeeland. De acute en complexe medisch specialistische klinische zorg is in maart 2011 geconcentreerd in Goes en de planbare laag complexe klinische zorg in Vlissingen. Op alle locaties van ADRZ vinden poliklinische spreekuren en diagnostiek plaats. Diverse ontwikkelingen zoals verdergaande medische technologie, verkorting van verpleegduur en substitutie van laag complexe medisch specialistische zorg naar de eerste lijn zal er toe leiden dat de verdeling van medisch specialistische zorg over locaties periodiek geëvalueerd en aangepast wordt. Naar ik begrepen heb wil ADRZ nog steeds poliklinische spreekuren, diagnostiek en OK-verrichtingen op Walcheren blijven aanbieden. Het ADRZ heeft becijferd dat 85 á 90% van de medisch specialistische zorgvragen van de Walcherse bevolking in de ziekenhuisvoorziening op Walcheren (thans Vlissingen) behandeld kan worden.
Heeft u inzage in het rapport van onderzoeksbureau CEAN waarin de plannen van het ADRZ getoetst en nader onderbouwd worden? Bent u bereid dat rapport openbaar te maken? Kunt u uw antwoorden nader toelichten?
Ik heb geen inzage gehad in het rapport van het onderzoeksbureau CEAN. Het ADRZ heeft bij mij aangegeven op basis van dit rapport haar benodigde capaciteiten (aantal OK’s, aantal bedden en aantal polikliniekruimtes) en de verdeling hiervan over de locaties te bepalen. Dit heeft tot gevolg dat de omvang van de toekomstige klinische voorziening op Walcheren waarschijnlijk kleiner zal worden. Over welke ingrepen in de nieuwe klinische voorziening op Walcheren gaan plaatsvinden zijn nog geen besluiten genomen.
Heeft u inzage in de toekomstvisie die zorgverzekeraar CZ heeft opgesteld voor de Zeeuwse ziekenhuiszorg? Indien ja, bent u bereid die openbaar te maken? Indien nee, bent u bereid die alsnog op te vragen en te delen met de Kamer? Kunt u uw antwoord nader toelichten?
De toekomstvisie van zorgverzekeraar CZ is vervat in de Regiovisie Westelijk Noord Brabant & Zeeland. Deze Regiovisie wordt besproken met alle relevante partijen in de regio. Ik heb de Regiovisie van CZ niet en het is ook niet aan mij om die openbaar te maken.
Wat betreft de spoedzorg plannen heeft ZN in februari 2013 de gezamenlijke uitgangspunten bekend gemaakt. Op basis daarvan zijn vervolgens per regio
gesprekken gevoerd tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders. De uitgangspunten zijn dus transparant. De uitgangspunten van de zorgverzekeraars zijn ook te raadplegen op de website van ZN.
Zorgverzekeraars hebben een eigen verantwoordelijkheid voor hun individuele inkoopbeleid. Welke keuze de zorgverzekeraar uiteindelijk maakt is uiteraard aan de individuele zorgverzekeraar. Dat zolang er geen definitieve keuze is gemaakt, dit nog niet bekend is, acht ik onderdeel van het inkoopproces.
Acht u het wenselijk dat als de plannen doorgang vinden op Walcheren, met 115.000 inwoners en zomers ook veel toeristen, straks alleen nog een «maandag tot vrijdag»-ziekenhuis aanwezig is? Zo ja, hoe gaat u de veiligheid garanderen?
Volgens informatie verkregen van het ADRZ, heeft het ADRZ nog niet exact bepaald welke activiteiten het in de nieuwe ziekenhuisvoorziening op Walcheren gaat uitvoeren. Sinds maart 2011 is de locatie van ADRZ te Goes de locatie voor acute opvang van klinische patiënten en level 2 opvang van traumapatiënten. Tevens beschikt deze locatie over een IC op niveau 2. Het RIVM heeft berekend dat de locatie Goes binnen de wettelijke norm van 45 minuten gesitueerd is. Desalniettemin is op Walcheren een extra ambulance gestationeerd. Ik ben op grond hiervan van mening dat de acute zorg voor inwoners en bezoekers van Walcheren gegarandeerd is.
Kunt u aangeven wat de consequenties zijn voor het personeel dat op de huidige locaties in Middelburg en Vlissingen werkt? Zijn gedwongen ontslagen uitgesloten? Indien nee, hoe gaat u dit verlies in werkgelegenheid in de regio Walcheren opvangen?
Van de directie van het ADRZ heb ik vernomen dat zij een locatie te Middelburg in stand houden tot aan de opening van de nieuwe ziekenhuisvoorziening te Walcheren. In de huidige locatie te Vlissingen zal in de komende periode gewerkt gaan worden zoals in de nieuwe ziekenhuisvoorziening gewerkt zal gaan worden. Dit betekent dat een aantal voorzieningen van Vlissingen naar Goes verplaatst wordt. Ten gevolge van deze verplaatsing verwacht het ziekenhuis geen gedwongen ontslagen.
Bent u op de hoogte van de invloed van de zorgverzekeraar(s) op de plannen om het aantal locaties van het ADRZ terug te brengen en de capaciteit en openingstijden op Walcheren drastisch in te perken? Wat is daarover uw oordeel, mede in relatie tot de motie voor behoud van een klein volwaardig ziekenhuis op Walcheren? Wat gaat u ondernemen om het doel van deze motie te verwezenlijken?1
Zorgverzekeraars onderhandelen met het ADRZ over kwaliteit, volume en prijs. Het is aan het ADRZ hoe en waar zij de gecontracteerde zorg organiseert. Daarbij moet onder andere rekening gehouden worden met efficiency van de zorgverlening en bereikbaarheid voor acute klinische patiënten. Hierbij draagt het ADRZ de verantwoordelijkheid huisartsen en inwoners van Midden en Noord Zeeland goed te informeren.
Hoewel ik de motie voor een klein volwaardig ziekenhuis begrijp, is het aan de partijen te bepalen hoe klinische zorg, binnen de kaders van wet en regelgeving, georganiseerd wordt. Groot of klein is hierbij geen criterium, wel het voldoen aan de kwaliteitseisen en bereikbaarheidsnormen voor medisch specialistische zorgverlening.
Bent u ervan op de hoogte dat het ADRZ doorverwijst naar het Amphia Ziekenhuis in Breda in plaats van het veel nabijer gelegen ZorgSaam Ziekenhuis te Terneuzen? Wat is daarover uw oordeel, mede gelet op het feit dat de te behalen aantallen verrichtingen voor bepaalde behandelingen voor het laatstgenoemde ziekenhuis hierdoor mogelijk niet gehaald worden?
Door de medisch specialisten wordt per situatie bepaald waar de patiënt de beste zorg voor zijn/haar situatie kan ontvangen als blijkt dat ADRZ deze gespecialiseerde zorg niet kan of mag bieden. Dat betekent dat ADRZ met meerdere ziekenhuizen in de regio samenwerkingsrelaties heeft. Hierbij staat volgens het ziekenhuis altijd het belang van de patiënt en de kwaliteit van zorg voorop.
Ziekenhuis ZorgSaam dient, net als het ADRZ, te voldoen aan alle kwaliteitseisen voor goede medisch specialistische zorg. De Raad van Bestuur ADRZ is vrij, ter realisatie van de kwaliteitseisen, binnen de mededingingsregels samenwerkingsverbanden met omliggende ziekenhuizen aan te gaan.
Heeft u inzicht in hoeveel er wordt doorverwezen van de ADRZ-locatie Zierikzee naar nabijgelegen privéklinieken zoals de Victoriakliniek? Zo ja, kunt u de cijfers hiervan van de afgelopen vijf jaar aan de Kamer doen toekomen? Is het waar dat specialisten naar hun eigen privékliniek verwijzen? Is hier niet sprake van een soort gedwongen winkelnering door private belangen? Zo ja, vindt u dit wenselijk?
Dit inzicht heb ik niet.
Voor de volledigheid verwijs ik naar mijn beantwoording van Kamervragen (2011Z15479) over een vergelijkbaar thema. Ter aanvulling kan ik melden dat een aantal medisch specialisten van ADRZ eveneens werkzaam is bij de Victoriakliniek. De Victoriakliniek is 100% eigendom van Zeeland Care BV, en niet in eigendom van de medisch specialisten. Zeeland Care BV is een gezamenlijk initiatief van het ADRZ en een private investeerder. Zeeland Care BV is een zelfstandig behandelcentrum, en in bezit van een WTZi-vergunning.
Het bericht dat de beoogde Venezolaanse consul generaal voor Aruba, Hugo Carvajal, is vrijgelaten |
|
Wassila Hachchi (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Aruba ontsnapt aan Venezolaanse inval»?1
Ik heb van het bericht kennis genomen.
Klopt het dat de Arubaanse kustwacht zondag 27 juli jl. alarm heeft geslagen over vier Venezolaanse oorlogsschepen die de kust naderden en dat er dreigementen zijn geuit vanuit Venezuela?2
De Kustwacht in het Caribisch Gebied heeft zondag 27 juli jl. voor de kust van Curaçao en Aruba, buiten de territoriale wateren, Venezolaanse marineschepen gesignaleerd. De eenheden waren in transit van Maracaibo naar hun thuishaven Porte Cabello. Dit is een gangbare route. Er zijn geen militaire bedreigingen geuit.
Hoe beoordeelt u in dit verband de uitspraak van de Venezolaanse president Nicolas Maduro: «We hadden een plan klaarliggen dat de spanning in Latijns-Amerika zou laten escaleren» en «niets te schuwen» om Hugo Carvajal vrij te krijgen?3
Ik heb van deze uitspraak uit de media kennis genomen.
Is met het besluit om Hugo Carvajal diplomatieke immuniteit te verlenen een regionaal conflict voorkomen?
Op grond van internationaal recht (Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963) geniet de heer Carvajal Barrios immuniteit. De conclusie over de immuniteit van de heer Carvajal Barrios is uitsluitend hierop gebaseerd in het licht van de feitelijke omstandigheden en de daaruit voortvloeiende internationale rechten en verplichtingen.
Klopt het dat via artikel 11 van de Venezolaanse grondwet inzake het grondgebied van Venezuela een verwijzing naar de exclusieve economische zone is opgenomen waarop, onder het geldend internationaal recht, aanspraak kan worden gemaakt tot maximaal 200 zeemijlen uit de kust?4
Het Koninkrijk en Venezuela hebben de zeegrenzen vastgesteld in een verdrag (Grensverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Venezuela van 31 maart 1978). Deze zeegrenzen vormen de grenzen van de territoriale zeeën, de continentale platten, de exclusieve economische zones of enige andere zeegebieden met inbegrip van de daaronder gelegen zeebodem en ondergrond die de partijen, in overeenstemming met het internationale recht, hebben ingesteld of zouden kunnen instellen. Deze regeling heeft voorrang op het nationaal recht van zowel het Koninkrijk als Venezuela.
In hoeverre vormt deze aanspraak een bedreiging voor de soevereiniteit van het Koninkrijk der Nederlanden, gezien het feit dat het grondgebied van zowel Aruba, Bonaire als Curaçao binnen die exclusieve economische zone vallen?
Zie antwoord vraag 5.
Welke acties onderneemt u om de mogelijke dreiging vanuit Venezuela voor het Koninkrijk der Nederland het hoofd te bieden?
Er is geen aanleiding voor acties.
In hoeverre heeft de mogelijke dreiging vanuit Venezuela voor het Koninkrijk der Nederlanden een rol gespeeld bij het besluit om Hugo Carvajal diplomatieke immuniteit te verlenen?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is de reden dat u heeft besloten Hugo Carvajal diplomatieke immuniteit te verlenen? Heeft u bij dit besluit eerdere uitspraken van de rechter op Aruba meegewogen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt het besluit om Hugo Carvajal diplomatieke immuniteit te verlenen zich tot uw eerdere uitspraken dat een verzoek tot goedkeuring niet aan de orde is?5
In antwoord op de vragen van de leden De Roon en Helder (PVV) over de benoeming van de Venezolaanse Consul in Aruba (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013–2014, nr. 1215) heb ik aangegeven dat op dat moment een verzoek van Venezuela om een nieuwe Venezolaanse consul-generaal op Aruba te plaatsen niet aan de orde was. Via de geëigende diplomatieke kanalen (ambassade van het Koninkrijk te Caracas of diplomatieke vertegenwoordiging te Den Haag) was geen verzoek ontvangen.
In dezelfde periode heeft de Directie Buitenlandse Betrekkingen van Aruba een nota ontvangen van Venezuela waarin de heer Carvajal Barrios wordt aangewezen als consul-generaal van de Bolivariaanse Republiek Venezuela op Aruba. Vanwege deze onvolkomenheid in de betrachte procedure is deze nota niet aangemerkt als een benoemingsbrevet of soortgelijke akte als bedoeld in artikel 11 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963. Na juridische duiding van de feitelijke situatie en de nota op 27 juli 2014 ben ik tot de conclusie gekomen dat Venezuela er, onder deze omstandigheden, op mocht vertrouwen dat de heer Carvajal Barrios voorlopig, in afwachting van de verlening of de weigering van het exequatur, tot de werkzaamheden van consul-generaal was toegelaten. Hij genoot derhalve de immuniteiten die voortvloeien uit de functie van consul-generaal.
In hoeverre is uw besluit om Hugo Carvajal diplomatieke immuniteit te verlenen afgestemd met de bevoegde instanties van de Verenigde Staten?
Het betreft een autonoom besluit van mij dat niet is afgestemd met de VS.
In hoeverre hebben economische belangen voor Nederland een rol gespeeld bij het besluit om Hugo Carvajal diplomatieke immuniteit te verlenen, gezien het feit dat diverse Nederlandse bedrijven in Venezuela actief zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat voor het verlenen van diplomatieke immuniteit op basis van artikel 13 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen het noodzakelijk is dat er een aanvraag ligt voor goedkeuring van een nieuwe consul-generaal en dat expliciet goedkeuring gegeven moet worden aan de nieuwe consul-generaal om, in afwachting van de verlening van de exequatur, over te gaan tot uitoefening van zijn werkzaamheden?
Op grond van artikel 13 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963 kan, in afwachting van de verlening (of weigering) van het exequatur, het hoofd van een consulaire post voorlopig tot de uitoefening van zijn werkzaamheden worden toegelaten. In dit geval zijn de bepalingen van dit verdrag van toepassing. In een nota van het consulaat-generaal van de Bolivariaanse Republiek Venezuela op Aruba aan de Directie Buitenlandse Betrekkingen van Aruba, aldaar ontvangen op 12 februari 2014, is de heer Carvajal Barrios aangewezen als consul-generaal van de Bolivariaanse Republiek Venezuela op Aruba. Deze nota is niet via de geëigende diplomatieke kanalen ontvangen. Vanwege deze onvolkomenheid in de betrachte procedure is deze nota niet aangemerkt als een benoemingsbrevet of soortgelijke akte als bedoeld in artikel 11 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963. Artikel 13 van het verdrag vereist echter niet dat er voor de voorlopige toelating van hoofden van consulaire posten expliciet goedkeuring dient te worden gegeven. Na juridische duiding van de feitelijke situatie en de nota op 27 juli 2014 ben ik tot de conclusie gekomen dat Venezuela er op mocht vertrouwen dat de heer Carvajal Barrios voorlopig, in afwachting van de verlening of de weigering van het exequatur, tot de werkzaamheden van consul-generaal was toegelaten. Hij genoot derhalve de immuniteiten die voortvloeien uit de functie van consul-generaal.
Kunt u precies aangeven wanneer de aanvraag is binnengekomen van Venezuela voor een nieuwe consul-generaal op Aruba en wanneer de aanvraag is goedgekeurd?
Zie antwoord vraag 13.
Kunt u toelichten waaruit blijkt dat Hugo Carvajal, in afwachting van de verlening van de exequatur, was toegelaten tot de uitoefening van zijn werkzaamheden? Is er schriftelijk bewijs van de toelating?
Zie antwoord vraag 13.
Op basis van welke informatie en met welke redenen heeft u Hugo Carvajal persona non grata verklaard?
Op grond van artikel 23 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963 mag het Koninkrijk te allen tijde de zendstaat ervan in kennis stellen dat een consulaire ambtenaar persona non grata is. In artikel 23, vierde lid, van het verdrag is bepaald dat het Koninkrijk niet verplicht is redenen te verschaffen voor het verklaren tot persona non grata. In dit geval zijn er ook geen redenen gegeven aan de zendstaat.
Klopt het dat met het tot persona non grata verklaren van Hugo Carvajal ook het verlenen van de exequatur is afgewezen? Zo ja, in hoeverre is artikel 13 dan van toepassing in deze kwestie?
Door het nemen van de beslissing om de heer Carvajal Barrios persona non grata te verklaren is duidelijk dat hij niet langer welkom is in het Koninkrijk en het Koninkrijk hem dus nimmer een exequatur zal verlenen. De heer Carvajal Barrios genoot op grond van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen van 1963 de immuniteit van een consul-generaal tot het moment dat hij het grondgebied van het Koninkrijk had verlaten.
Het gebruik van artikel 7d van de rijkswetwet Goedkeuring en bekendmaking van verdragen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Raymond Knops (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe vaak en wanneer heeft het kabinet sinds de Tweede Wereldoorlog gebruik gemaakt van artikel 7d van de rijkswet Goedkeuring en bekendmaking van verdragen, dat stelt: «Tenzij een verdrag bepalingen bevat welke afwijken van de Grondwet of tot zodanig afwijken noodzaken, is de goedkeuring niet vereist: [....] d. indien in buitengewone gevallen van dwingende aard het belang van het Koninkrijk het bepaald noodzakelijk maakt dat het verdrag een geheim of vertrouwelijk karakter draagt»?
De rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen is sinds 20 augustus 1994 van kracht. Artikel 13, derde lid, van de rijkswet bepaalt: «Verdragen met een geheim of vertrouwelijk karakter worden, tenzij het belang van het Koninkrijk zich bepaaldelijk tegen ter kennisbrenging verzet, ter kennis gebracht [van de Staten-Generaal] onder voorwaarde van geheimhouding.»
Het kabinet heeft vanzelfsprekend altijd uitvoering gegeven aan deze verplichting uit de rijkswet en het parlement schriftelijk geïnformeerd, behalve wanneer het belang van Koninkrijk zich daartegen zou verzetten. Zoals gebruikelijk zal u op korte termijn een overzicht van deze mededelingsbrieven ter vertrouwelijke kennisneming worden toegezonden.
De bepaling in de rijkswet formaliseert overigens een al sinds 1945 bestaande praktijk. Op de site www.statengeneraaldigitaal.nl zijn vertrouwelijk ter kennis van de Staten-Generaal gebrachte verdragen, en hun titels, over de periode 1945 tot 1994 beschikbaar.
Kunt u de titels geven van deze verdragen en de tekst van deze verdragen ter vertrouwelijke inzage beschikbaar stellen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht Christenen in Irak vluchten voor ISIS |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Christenen in Irak vluchten voor ISIS», waaruit blijkt dat christenen uit Mosul in Irak verdreven worden door ISIS?1
Ja.
Deelt u de mening dat in Mosul en in ander door ISIS gecontroleerd gebied christenen specifiek doelwit zijn van ISIS omdat ze beschouwd worden als ongelovigen en zich daardoor moeten bekeren, extra belasting moeten betalen of het gebied moeten ontvluchten?
ISIS is een Jihadi Salafi organisatie, die een zeer strenge vorm van de islam nastreeft. Na het uitroepen van het kalifaat door ISIS op 30 juni jl., en de omdoping van de organisatie tot de Islamitische Staat (IS), poogt zij een in haar ogen zuivere islamitische staat te vestigen. Dit resulteert onder andere in het uitbannen van eenieder die zich niet aan de regels van IS conformeert. Religieuze minderheden, waaronder christenen, hebben hier sterk onder te lijden.
Heeft u kennisgenomen van het besluit van de Franse regering om christenen uit Mosul op te nemen in Frankrijk als vluchtelingen?2
Ja. Naar ik heb begrepen, kent het Franse stelsel de voorziening van het aanvragen van een visum op asielgronden op de consulaire post. Criteria die bij de beoordeling worden betrokken zijn zware bedreiging voor minderheden wegens hun godsdienstige overtuiging en banden met Frankrijk. Bij een positief besluit wordt een inreisvisum voor Frankrijk verleend. Vervolgens kan de vreemdeling een asielverzoek indienen in Frankrijk. De mogelijkheid van het vragen van een visum op asielgronden op de consulaire post is, naar ik heb begrepen, niet beperkt tot Irak. Wel zijn op de twee Franse posten in Irak personele versterkingen gedaan, opdat meer dossiers kunnen worden behandeld.
Kunt u nagaan of andere landen hiertoe ook zijn overgegaan?
Op korte termijn wordt door de Minister van Buitenlandse Zaken een algemeen ambtsbericht Irak uitgebracht. Op basis van de informatie in dat ambtsbericht, zal ik nagaan of het landgebonden asielbeleid inzake Irak aanpassing behoeft. Zoals uw Kamer bekend, wordt voor een dergelijke beleidsbeslissing het landgebonden asielbeleid inzake Irak in de ons omringende landen opgevraagd en betrokken.
Indien uit die bevraging blijkt dat die landen recent aanvullende beleidsmaatregelen hebben getroffen zal ik uw Kamer daar over informeren. Overigens kent Nederland sinds 2003 (kamerbrief 19 637, no. 719) in beginsel geen beleid van «asiel op de post» meer. Buiten het nareisbeleid, is de enige manier waarop Nederland vluchtelingen faciliteert in de overkomst naar Nederland, via het hervestigingsbeleid, op voordracht van UNHCR. Het kabinet wil hier ook aan vast houden, omdat UNHCR bij uitstek de organisatie is die in staat is te beoordelen welke vluchtelingen deze oplossing het hardst nodig hebben.
Bent u bereid dit voorbeeld van Frankrijk te volgen en eveneens christenen uit Mosul op te nemen en onder het quotum te laten vallen van uitgenodigde vluchtelingen via de Hoge Commissaris voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties of het quotum voor dit jaar hiervoor uit te breiden?
Door de opmars van ISIS zijn niet alleen christenen gevlucht uit Noord-Irak, maar ook andere Iraakse minderheden zoals Yaziden. De humanitaire situatie in Noord-Irak is schrijnend. De droppings met voedsel en water door de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk, maar ook door de Iraakse en Koerdische autoriteiten, in samenwerking met VN-organisaties en Turkije, zijn een zeer welkome stap ter verlichting van de meest dringende noden. Ook de inzet van het kabinet is daarop gericht. Daarom heeft het kabinet besloten een extra bijdrage van 6,4 miljoen Euro aan het Internationale Rode Kruis te geven voor noodhulp in Irak, alsmede 1,5 miljoen Euro voor twee ontmijningsactiviteiten. Tevens is een Defensie-toestel met humanitaire hulpgoederen naar Erbil gevlogen. Het kabinet komt hiermee tevens tegemoet aan een verzoek om extra humanitaire hulp vanuit de Koerdische regionale autoriteiten.
Het kabinet is niet voornemens om een specifieke minderheidsgroep uit Irak aan te duiden die voor hervestiging in Nederland in aanmerking kan komen, maar richt zijn inspanningen in de eerste plaats op het verlichten van de humanitaire noden van alle minderheden in Noord-Irak. De precieze invulling van het quotum voor 2015 is nog niet vastgesteld. Leidend daarin is wie UNHCR als prioriteit voordraagt. UNHCR is immers het beste in staat om te bepalen welke individuen en/of groepen het beste in aanmerking komen voor hervestiging.
Bent u bereid deze vragen met spoed te beantwoorden gezien de schrijnende en bedreigende situatie van christenen in ISIS-gecontroleerd gebied in Irak?
Ik heb getracht uw vragen zo snel mogelijk te beantwoorden. Er is toch enige tijd mee gemoeid geweest, omdat ik informatie van de Franse overheid wilde betrekken bij mijn beantwoording.
Een richtlijn over het bespreken van alternatieven voor abortus door huisartsen |
|
Kees van der Staaij (SGP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er behoefte is aan een richtlijn voor consulten over ongewenste zwangerschap?1
Ja.
Deelt u de mening van de onderzoekers dat er voor huisartsen een belangrijke rol is weggelegd bij de hulpverlening aan vrouwen die ongewenst zwanger zijn?
In de Wet Afbreking Zwangerschap is bepaald dat de vrouw die het voornemen heeft tot afbreking van een zwangerschap en zich daarom tot de arts heeft gewend, wordt bijgestaan door het verstrekken van verantwoorde voorlichting over andere oplossingen dan het afbreken van de zwangerschap. In de regelgeving zijn er daartoe verplichtingen opgelegd aan de abortuskliniek en het ziekenhuis dat de behandeling uitvoert. Voor de huisarts zijn dergelijke verplichtingen niet opgenomen in de regelgeving. Omdat de bedenktijd voor de vrouw begint te lopen na het eerste consult bij de huisarts, speelt echter de huisarts een belangrijke rol bij de hulpverlening aan vrouwen die ongewenst zwanger zijn.
Deelt u de mening dat het een wettelijke plicht is van een (huis)arts dat hij een vrouw die met een verzoek voor een abortus bij hem komt, bijstaat met het «verstrekken van verantwoorde voorlichting over andere oplossingen van haar noodsituatie dan het afbreken van de zwangerschap»?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het, gezien het feit dat er bij zes op de tien vrouwen sprake is van doorverwijzing naar een abortuskliniek door een huisarts, heel belangrijk is dat huisartsen goed op de hoogte zijn van de alternatieven en dat zij hierover ook goede voorlichting moeten geven?
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 en 3 heb aangegeven, zijn er in de regelgeving verplichtingen voor de abortuskliniek en het ziekenhuis opgenomen, die ertoe strekken dat de arts één of meer gesprekken met de vrouw voert om te komen tot een zorgvuldige besluitvorming. Het Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) heeft een richtlijn ontwikkeld en een extra scholingsmodule. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat dit met zorgvuldigheid gebeurt, zodat vrouwen de beslissing weloverwogen nemen.
Daarnaast deel ik de mening dat ook (huis)artsen patiënten goed moeten informeren over de verschillende mogelijkheden indien een onbedoelde zwangerschap zicht voordoet. Het Fiom (een onafhankelijke stichting die gespecialiseerd is in ongewenste zwangerschap en afstammingsvragen) heeft in samenwerking met het Nederlands Huisartsen Genootschap een quickscan onbedoelde zwangerschap ontwikkeld die vragen en aandachtspunten bevat die een rol kunnen spelen bij het nemen van een besluit over een onbedoelde zwangerschap. De huisarts kan deze quickscan gebruiken om vrouwen die onbedoeld zwanger zijn op een goede manier te informeren, te begeleiden en te verwijzen, waar dit aan de orde is, naar organisaties die de vrouwen de specifieke hulpverlening kunnen bieden. Daarnaast kunnen zij via de website van de NGvA kennisnemen van de richtlijn «Begeleiding van vrouwen die een zwangerschapsafbreking overwegen».
Hoe verhoudt zich het geen aandacht geven aan alternatieven tot het volledig informeren van mensen over de voor- en nadelen van behandelingen, zoals dat in de gezondheidszorg gebruikelijk is? Bent u van mening dat juist bij één van de meest vergaande ingrepen op het menselijk leven, grote zorgvuldigheid extra noodzakelijk is?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u van mening dat niet alleen vrouwen die merkbaar twijfelen, maar alle vrouwen recht hebben op zorgvuldige, objectieve en nauwkeurige informatie en de artsen ook op de hoogte dienen te zijn van de mogelijkheden daarvoor?
Ja.
Deelt u de mening dat het de hulpverlening ten goede komt als ook huisartsen duidelijke afspraken maken over consulten voor ongewenst zwangeren en ook op een goede wijze samenwerken met andere beroepsgroepen om te komen tot de wettelijk vereiste zorgvuldigheid van de besluitvorming, waarin ook duidelijk oog is voor de mogelijkheden van behoud van jonge, ongeboren leven?
Samenwerking tussen betrokken beroepsgroepen, waaronder huisartsen komt inderdaad ten goede aan de hulpverlening. De beroepsgroepen zijn zelf verantwoordelijk voor het leveren van kwalitatieve zorg. Hiertoe is het primair de taak van de beroepsgroepen om richtlijnen te ontwikkelen.
Zoals ik de beantwoording van vraag 4 en vraag 5 heb aangegeven heeft het Fiom in samenwerking met het NHG een quickscan ontwikkeld die huisartsen kunnen gebruiken als een onbedoelde zwangerschap in de spreekkamer ter sprake wordt gebracht, en kunnen huisartsen via de website van de NGvA kennisnemen van de richtlijn «Begeleiding van vrouwen die een zwangerschapsafbreking overwegen».
Daarnaast kan ik u mededelen dat Fiom op dit moment een handelingsprotocol ontwikkelt voor huisartsen, abortusartsen en gynaecologen, dat als hulpmiddel kan dienen bij de samenwerking tussen hulpverleners bij ongewenst zwangere vrouwen.
Welke rol ziet u voor u weggelegd voor het ontwikkelen van richtlijnen over de samenwerking tussen huisartsen en andere beroepsgroepen om te komen tot een verbetering van de zorg voor ongewenst zwangere vrouwen, door het ontwikkelen van een richtlijn dan wel op een andere wijze die de door huisartsen te verlenen zorg kan verbeteren?
Zie antwoord vraag 7.
De anti-Israëldemonstratie die zaterdag 12 juli jl. 2014 in Den Haag is gehouden |
|
Gert-Jan Segers (CU), Joël Voordewind (CU) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de anti-Israëldemonstratie die zaterdag 12 juli 2014 in Den Haag is gehouden, waarbij hakenkruizen en ISIS-vlaggen werden getoond?
Ja.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat nazi-symbolen en vlaggen van uiterst gewelddadige en terroristische organisaties, zoals ISIS, in de Nederlandse publieke ruimte worden getoond?
Ik verwijs naar het antwoord op de schriftelijke vragen 2 en 4 van de leden Van Klaveren en Bontes over hakenkruizen bij een anti-Israëldemonstratie (ingezonden 15 juli 2014).
Op welke manier gaat u het tonen van deze symbolen en vlaggen tegen?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij bericht dat het medio augustus het landelijk standpunt ten aanzien van de strafbaarheid van symbolen, vlaggen en andere uitingsvormen nader heeft bepaald. Daarbij is rekening gehouden met de meest recente ontwikkelingen nadat lokaal reeds eerder beleid was afgestemd. Het standpunt houdt in dat nu IS (voorheen ISIS/ISIL) en Hamas (door de EU en de VN) verboden, terroristische organisaties zijn die tot doel hebben geweld te plegen tegen bepaalde bevolkingsgroepen, het in het openbaar tonen van deze vlaggen van deze organisaties naar het oordeel van het Openbaar Ministerie strafbaarheid oplevert op grond van artikel 137d en 137c Wetboek van Strafrecht. Tegen het dragen van deze vlaggen zal dan ook worden opgetreden.
Zie verder het antwoord op de schriftelijke vraag 4 van de leden Van Klaveren en Bontes over hakenkruizen bij een anti-Israëldemonstratie (ingezonden 15 juli 2014).
Bent u bekend met artikel 17 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat bepaalt dat de in het verdrag vastgelegde rechten en vrijheden er niet zijn om misbruikt te worden? Wat betekent dat voor de Nederlandse vrijheid van meningsuiting en demonstratie? Op welke manier kan voorkomen worden dat deze vrijheden in Nederland worden misbruikt voor het verheerlijken en aanmoedigen van geweld, antisemitisme en de gewelddadige jihad?
De vrijheid van meningsuiting en demonstratie zijn hoekstenen van een pluriforme samenleving en een levendige democratie. Deze rechten kunnen worden uitgeoefend binnen de grenzen van de artikelen 10, 11 en 17 EVRM. Uitgangspunt in Nederland voor de (grond)wettelijke bescherming van deze vrijheden, gegarandeerd in de Wet Openbare Manifestaties, is dat preventieve censuur niet is toegestaan. Demonstraties mogen dus niet op voorhand worden verboden omdat deze naar inhoud of doelstelling, of vanwege de inhoud van de mee te voeren leuzen, ongewenst worden geacht. Wel is het mogelijk om vooraf voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Daarnaast geldt dat op grond van de Grondwet en artikel 10, tweede lid, EVRM de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt, indien men het gebruik van geweld propageert of aanzet tot discriminatie of haat of ter bescherming van een of meer van de andere in artikel 10, tweede lid, EVRM genoemde belangen. Waargenomen uitingen die aan een delictsomschrijving voldoen, zoals aanzet tot haat of (groeps)discriminatie (artikelen 137c en 137d Wetboek van Strafrecht), kunnen worden vervolgd. Het is in eerste instantie aan het OM om in het concrete geval de strafbaarheid van een uitlating te beoordelen. De rechter geeft vervolgens een definitief oordeel.
Vindt u dat een burgemeester effectief moet kunnen ingrijpen indien nazi- en jihadsymbolen getoond worden bij een demonstratie? Zo ja, waarom lukt dat nu kennelijk niet en wat zijn uw voornemens om dit te veranderen? Bent u bereid om hierover het gesprek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aan te gaan?
Het is een verantwoordelijkheid van de lokale driehoek, burgemeester, OM en politie, om te bepalen welke beleidsuitgangspunten en tolerantiegrenzen worden gehanteerd ten aanzien van een demonstratie. Een burgemeester kan deze verwerken in de eventuele voorschriften en/of beperkingen die hij verbindt aan een demonstratie en deze bekend maken. Zie voorts het antwoord op de schriftelijke vraag 4 van de leden Van Klaveren en Bontes over hakenkruizen bij een anti-Israël demonstratie (ingezonden 15 juli 2014), waarin de relevante bevoegdheden van een burgemeester worden beschreven. Er is op dit moment geen aanleiding te veronderstellen dat die bevoegdheden tekortschieten.
In hoeverre bent u bereid burgemeesters meer bevoegdheden te geven om bij het tonen van bijvoorbeeld nazi- en jihad-symbolen in te grijpen, bijvoorbeeld door aanpassing van de Wet openbare manifestaties?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat Frankrijk hulp en opvang gaat bieden aan christenen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Eddy van Hijum (CDA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat Frankrijk hulp en opvang gaat bieden aan christenen – waaronder circa 350 families uit de stad Mosul – die door de terreurbeweging IS (voorheen ISIS) zijn verdreven uit Noord-Irak?1
Ja.
Kunt u aangeven welke steun religieuze minderheidsgroeperingen die door de zelf uitgeroepen Islamitische Staat (IS)/Islamitisch Kalifaat worden bedreigd, op dit moment krijgen vanuit de internationale gemeenschap?
Verwezen wordt naar de beantwoording van de op 21 juli door uw Kamer gestelde schriftelijke vragen, met kenmerk 2014.388077, die uw Kamer op 4 augustus 2014 aangeboden is.
Welke maatregelen hebben de Irakese regering en de regering van de Koerdische Autonome Regio genomen om opvang te verzorgen?
Door het oplaaien van sektarisch geweld en de opkomst van de Islamitische Staat in Irak en de Levant (IS(IS)) in Irak dit jaar is de vluchtelingenproblematiek in het land verder toegenomen. Naar schatting van de VN zijn er nu 1,2 miljoen mensen in Irak intern op de vlucht geslagen. De Iraakse regering werkt o.a. samen met de VN voor de bouw van kampen. Premier Maliki heeft op 30 juli aangekondigd tweemaal een extra bedrag van 429 miljoen dollar beschikbaar te stellen voor vluchtelingen van het IS(IS) geweld in Noord- en West-Irak. Verder heeft de Iraakse overheid op 21 juli de eerdere blokkade van vrachtvluchten naar Erbil en Suleimaniya – in de Koerdistan Autonome Regio (KAR) – voor humanitaire hulpgoederen opgeheven, waardoor deze sneller ter plekke kunnen aankomen.
De autoriteiten in de KAR hebben aan ruim 800.000 door het IS(IS) geweld gevluchte interne ontheemden, waaronder religieuze minderheden zoals christenen, tot dusver ruimhartig toegang verleend tot hun grondgebied en hebben hen voorzien met basisvoorzieningen. Er verbleven reeds 225.000 vluchtelingen uit Syrië in de KAR. Tussen de autoriteiten in de KAR en de VN wordt nauw samengewerkt bij de opvang te bieden van vluchtelingen in de regio.
Hoeveel asielaanvragen van christenen uit Noord-Irak worden er momenteel in Nederland en andere EU-landen gedaan en hoe gaan de diverse lidstaten om met de beoordeling van deze aanvragen? Bent u voornemens het voorbeeld van uw Franse ambtgenoten te volgen en verdreven religieuze minderheidsgroeperingen uit Noord-Irak de mogelijkheid te bieden in Nederland asiel aan te vragen?
De Immigratie- en Naturalisatiedienst registreert de geloofsovertuiging van een asielzoeker niet op een manier dat deze gegevens op geautomatiseerde wijze kunnen worden opgevraagd, waardoor specifieke aantallen christenen niet beschikbaar zijn. Ook van andere lidstaten zijn deze gegevens, voor zover deze cijfers al beschikbaar zijn in deze lidstaten, niet voorhanden.
Zoals staat in de brief aan uw Kamer van 29 juli jl., met kenmerk 2014Z13783, wordt de beoordeling van asielaanvragen van Irakezen die afkomstig zijn uit gebieden in Irak die de facto niet (meer) onder het dagelijks bestuur staan van de Iraakse of Koerdische autoriteiten, uitgesteld totdat het nieuwe ambtsbericht over Irak is verschenen, wat naar verwachting begin september zal zijn. Dat is dus ook het geval voor asielaanvragen van Iraakse christenen die afkomstig zijn uit gebieden die onder controle staan van IS(IS), zoals Mosul. Als er echter op basis van het individuele asielrelaas aanleiding bestaat om een positieve beslissing te nemen over de asielaanvraag, zal dit uiteraard wel gebeuren.
Zodra het nieuwe ambtsbericht er is, zal de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bezien of de informatie in het ambtsbericht tot een aanpassing moet leiden in het huidige asielbeleid ten aanzien van Irak. Daarbij zal hij ook het asielbeleid uit andere lidstaten betrekken, waaronder Frankrijk.
Welke inspanningen gaat de Nederlandse regering in internationaal verband leveren met het oog op de bescherming van religieuze minderheidsgroeperingen die door IS worden bedreigd? In hoeverre en op welke wijze kan meer adequate opvang in de regio daarbij nog uitkomst bieden?
Verwezen wordt naar de beantwoording van de op 21 juli door uw Kamer gestelde schriftelijke vragen, met kenmerk 2014.388077, die uw Kamer op 4 augustus 2014 aangeboden is.
Bent u bereid het probleem van de verdreven en ernstig bedreigde religieuze minderheden en hulpverlening voor hen als apart onderwerp te agenderen op de komende Europese Raad, om gezamenlijk aan oplossingen te werken?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) ontmoeting van 22 juli jl. is de verder verslechterende situatie in Irak als punt van grote zorg naar voren gekomen en de RBZ veroordeelde de aanvallen van IS(IS). De Europese Commissie geeft hulp aan gevluchte religieuze minderheden en heeft haar steun uitgebreid met extra financiering en het opzetten van een kantoor in Erbil. Commissaris Georgieva heeft persoonlijk met Iraakse christelijke leiders over hun problematiek gesproken. Nederland blijft zich in EU verband sterk maken voor de positie van etnische en religieuze minderheden, waaronder christenen, in Irak. De aanstaande Europese Raad leent zich minder voor de bespreking van dit vraagstuk; met partners wordt gekeken of en hoe dit onderwerp op de eerstvolgende informele RBZ aan de orde kan komen.
De demonstratie van ISIS-aanhangers |
|
Keklik Yücel (PvdA), Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verslaglegging van de demonstratie van ISIS-aanhangers in de media?1
Ja.
Wat was de aard en de sfeer van de demonstratie in de Haagse Schilderswijk?
De burgemeester van Den Haag heeft conform het stelsel in de Gemeentewet verantwoording afgelegd over zijn handelen aan de gemeenteraad te Den Haag. Uit deze verantwoording blijkt dat op donderdag 24 juli 2014 een demonstratie in Den Haag werd georganiseerd. Deze had als doel op te komen voor de Palestijnse zaak. Voorafgaand aan de demonstratie was deze door de organisatie gemeld bij de burgemeester. Naar aanleiding van deze melding heeft de burgemeester tezamen met de politie en het OM duidelijke afspraken gemaakt over de aanpak en voorbereiding van de demonstratie van 24 juli. De commandant van de politie heeft tevens met de organisator van de demonstratie gesproken. Daarbij werd medegedeeld welke voorzorgsmaatregelen door politie en OM waren getroffen. Het gesprek verliep op een normale en rustige manier. Op de genoemde datum verzamelden zich ongeveer 50 demonstranten. De demonstranten droegen de (zwarte) vlag van het zogenaamde IS-kalifaat (voorheen ISIS/ISIL) en gingen in een kring om de organisator staan. Om deze kring verzamelde zich een groep van ongeveer 200 mensen met belangstelling voor de demonstratie. Of zij sympathiseerden met het doel van de demonstratie was volgens de burgemeester niet duidelijk. Door een groep demonstranten van ongeveer 20 á 25 mensen werden geplastificeerde A4 vellen uitgedeeld aan omstanders en toeschouwers, waaronder aan kleine kinderen. Hierop stond dezelfde tekst als op de vlaggen en diverse afbeeldingen met een visie op de gebeurtenissen in de Gazastrook, maar geen teken van IS. Door het in ontvangst nemen van de A4 vellen door deze mensen, leek het aantal demonstranten groter dan feitelijk het geval was. Een aantal personen onder hen deed later overigens wel mee met het scanderen van leuzen. De deelnemers van de demonstratie scandeerden in het Arabisch. De politie bevond zich in de directe nabijheid en heeft geen Arabische of Nederlandse teksten waargenomen die opriepen tot haat of beledigend waren. Daarbij moet worden vermeld dat het gescandeerde moeilijk te verstaan was, mede door een technisch falen van de geluidsversterking van de organisatie van de demonstratie.
Het door de demonstranten gescandeerde leidde niet tot onrust in de omgeving. Er werd vanuit de omstanders niet op grote schaal geageerd tegen het gescandeerde. Omstreeks het vooraf overeengekomen tijdstip werden de vlaggen opgeruimd en werd de demonstratie geleidelijk ontbonden. Ook na het ontbinden van de demonstratie bleef de sfeer rustig en verlieten zowel omstanders als demonstranten de locatie.
Zie voorts het antwoord op de schriftelijke vraag 2 van de leden De Graaf, Helder en Wilders over de antisemitische demonstratie door moslims in Den Haag (ingezonden 25 juli 2014).2 Uit onderzoek is niet gebleken dat tijdens de demonstratie een Hitlergroet is gebracht.
In hoeverre klopt de verslaglegging van de NOS dat er aan het eind van de demonstratie enkele deelnemers de Hitlergroet brachten en dat er racistische leuzen werden geroepen die uiting gaven aan Jodenhaat?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre klopt de verslaglegging in de media dat een journaliste van GeenStijl.nl bedreigd is door demonstranten en door de politie in veiligheid moest worden gebracht?
Zie voor een correcte weergave van hetgeen tijdens de demonstratie heeft plaatsgevonden het antwoord op de schriftelijke vraag 3 van de leden De Graaf, Helder en Wilders over de antisemitische demonstratie door moslims in Den Haag (ingezonden 25 juli 2014).3
Als de verslaglegging in de media niet klopt, waar bent u onwaarheden tegengekomen?
Zie antwoord vraag 4.
Als de verslagging in de media niet klopt, waarom beweren de politie en de burgemeester van Den Haag dan dat er geen grenzen zijn overschreden?
Het is aan het OM om te oordelen of er in dit geval strafrechtelijke grenzen zijn overschreden. Zie voorts het antwoord op de schriftelijke vragen 2 en 6 van de leden Van Klaveren en Bontes over de antisemitische demonstratie in Den Haag (ingezonden 25 juli 2014).4
Bent u van mening dat het roepen van racistische leuzen en het brengen van de Hitlergroet een ernstig strafbaar feit is? Bent u tevens van mening dat het bedreigen van een journalist bij de uitoefening van haar werk, bestraft moet worden? Zo ja, bent u bereid te (laten) onderzoeken in hoeverre de bovengenoemde strafbare feiten zich hebben voorgedaan en de daders op te sporen en te vervolgen? Als u hiertoe niet bereid bent, kunt u aangeven waarom u niet nader wilt (laten) onderzoeken in hoeverre de demonstatie racistische elementen bevatte en er bedreigingen zijn geuit?
Zie het antwoord op de schriftelijke vragen 2 en 3 van de leden De Graaf, Helder en Wilders over de antisemitische demonstratie door moslims in Den Haag (ingezonden 25 juli 2014).5
Kunt u toelichten welke verbanden er zijn tussen deze radicale moslims, ISIS en jihadstrijders in Syrië en welke maatregelen de regering neemt om specifiek deze radicalisering te stoppen?
Over mogelijke verbanden kan ik in het openbaar geen mededelingen doen omdat dit de informatiepositie van de inlichtingendiensten kan schaden. In het algemeen is de nieuwe structuur van het jihadisme beschreven in het AIVD-rapport «Transformatie van het jihadisme in Nederland uit 2014.6 Wij werken samen met de lokale overheden aan het vroegtijdig signaleren van radicalisering, het voorkomen van nieuwe aanwas van de jihadistische beweging en het stoppen van de verspreiding van jihadistisch gedachtengoed. Parallel hieraan zetten de meest betrokken burgemeesters in de lokale driehoek een specifieke aanpak in op personen die een risico vormen. In elk individueel gekend geval wordt de beste aanpak vormgegeven met als doel de mogelijke dreiging die van deze personen uitgaat te verminderen.
Deelt u de mening dat deze discriminatie van Joden en geheul met terrorisme absoluut ontoelaatbaar zijn en dat er wellicht onconventionele maatregelen nodig zijn om deze harde kern van radicalen en ISIS-sympathisanten aan te pakken, teneinde de integratie van moslims in Nederland te bevorderen?
Gedrag dat de kernwaarden van de Nederlandse samenleving bedreigt, wordt niet getolereerd. Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en recht van demonstreren, vormen een groot goed in ons land en verdienen zowel een krachtige als zorgvuldige bescherming. Deze grondrechten zijn begrensd als ze uitmonden in geweld, haatzaaien of discriminatie. Ieder mens moet zich in Nederland veilig en gerespecteerd voelen. Het gedachtengoed van IS, waar zij voor staat en waarin zij de rechtvaardiging vindt voor haar gruwelijk handelen, is verwerpelijk. Extremisme van wie dan ook vormt een bedreiging van onze rechtsstaat die hard wordt aangepakt door het Kabinet. De huidige mogelijkheden om in te grijpen wanneer strafbare uitlatingen worden gedaan of strafbare gedragingen worden begaan, zijn voldoende.
De stelselmatige terreur tegen joden in Nederland |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse Joden huren bewaking in»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de afgrijzing van het gegeven dat Joodse Nederlanders stelselmatig worden uitgescholden, geïntimideerd en zelfs met de dood bedreigd?
Het kabinet verwerpt antisemitisme en elke andere vorm van discriminatie. Ieder mens moet zich in Nederland veilig en gerespecteerd voelen. Door racisme of antisemitisme gedreven geweld van wie dan ook vormt een bedreiging van onze rechtsstaat die hard wordt aangepakt door het Kabinet.
De stijging van het aantal meldingen van antisemitisme in de afgelopen weken lijken vooral voort te komen uit versterkte tegenstellingen als gevolg van de affiniteit van mensen in Nederland met één van de strijdende partijen in het Midden-Oosten. Het is goed invoelbaar dat mensen in Nederland uiting geven aan zorgen, verdriet en woede over wat elders in de wereld gebeurt. We zijn er echter met elkaar voor verantwoordelijk dat conflicten die zich elders in de wereld afspelen niet leiden tot antisemitische en anderszins discriminatoire uitingen of oplopende spanningen en conflicten tussen bevolkingsgroepen in onze Nederlandse samenleving en dat wij elkaar met wederzijds respect tegemoet blijven treden. Vanuit dat perspectief zal er door het Kabinet ook een interreligieuze bijeenkomst worden georganiseerd in november.
Het Kabinet zal, zoals ook is aangekondigd in de gemeenschappelijke verklaring na het overleg met de Joodse organisaties op 4 augustus jongstleden, in navolging van verschillende gemeenten, het initiatief nemen met alle betrokken partijen om de oplopende spanningen tussen groepen te bespreken en waar nodig te interveniëren. We juichen het initiatief toe van de Raad van Moskeeën en de Unie van Marokkaanse Moskeeën Nederland om in moskeeën op te roepen tot tolerantie en zetten het gesprek graag voort. De Joodse gemeenschap vormt een onlosmakelijk onderdeel van Nederland, net als andere minderheidsgroeperingen. Wij zijn het erover eens dat de gesprekken tussen de vertegenwoordigers uit al deze gemeenschappen van grote waarde zijn.
Op welke manier richt u zich, gezien de omvang, specifiek op het bestrijden van het groeiende islamitische antisemitisme in onze maatschappij? Erkent u deze ontwikkeling überhaupt?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u geconstateerd dat de vele anti-Israëldemonstraties uitmonden in orgies van Jodenhaat? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat deze tendens zich voortzet?
Grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst en recht van demonstreren, vormen een groot goed in ons land en verdienen zowel een krachtige als zorgvuldige bescherming. Deze grondrechten zijn begrensd als ze uitmonden in geweld, haatzaaien of discriminatie.
Het recht om een bijeenkomst te organiseren is vastgelegd in de Grondwet en in internationale verdragen en vormt een belangrijke pijler van onze rechtsstaat. Op basis van de Wet openbare manifestaties (WOM) kan de burgemeester vooraf voorschriften en beperkingen verbinden aan een demonstratie, en de nodige veiligheidsmaatregelen treffen zodat de betoging ordelijk en vreedzaam verloopt. Deze bevoegdheden mag hij slechts aanwenden ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Het is de burgemeester op grond van de WOM niet toegestaan een demonstratie te verbieden of tegen te gaan omdat de betoging naar zijn inhoud of doelstelling, of vanwege de inhoud van de mee te voeren leuzen, ongewenst wordt geacht. De burgemeester heeft ook geen bevoegdheid tegen een demonstratie op te treden enkel ter voorkoming of beëindiging van strafbare feiten, aangezien het enkele feit dat iemand de strafwet overtreedt geen wanordelijkheid is in de zin van de WOM. De burgemeester, die het gezag heeft over de politie als het de handhaving van de openbare orde betreft, kan ingrijpen als sprake is van zodanige (strafbare) feiten dat (tevens) sprake is van (vrees voor) wanordelijkheden. In andere gevallen kunnen individuele demonstranten die de strafwet overtreden strafrechtelijk worden aangepakt en eventueel worden gearresteerd op grond van het strafrecht, maar dat moet dan de betoging onverlet laten. Het Openbaar Ministerie (OM) heeft het gezag over de politie als het de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde betreft. Als tijdens een demonstratie bijvoorbeeld belediging van personen, opruiing tot geweld of haatzaaien tegen dan wel discriminatie van bevolkingsgroepen wordt geconstateerd, kan de politie optreden. Het is aan het Openbaar Ministerie om de strafbaarheid van deze handelingen te beoordelen. Deze beoordeling kan plaatsvinden tijdens of na het voordoen van het incident.
Op welke wijze worden niet alleen joodse instellingen maar ook bedreigde personen tegemoet gekomen in de beveiligskosten die zij genoodzaakt zijn te maken?
In eerste instantie zijn personen, en indien van toepassing hun werkgever, zelf verantwoordelijk voor hun beveiliging. Uiteraard worden door de overheid direct aanvullende maatregelen getroffen als de dreiging dusdanige vormen aanneemt dat van personen en de organisaties waartoe zij behoren, redelijkerwijs niet meer kan worden verwacht dat zij hier zelf weerstand tegen bieden. Het spreekt voor zich dat de eventuele (persoonsbeveiligings)maatregelen die de overheid treft, voor rekening van de overheid komen. Recent is extra capaciteit ingezet op de beveiliging van Joodse instellingen. Die bescherming zal blijven worden geboden zolang dat nodig is.