Gokcriminelen in het betaald voetbal |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Hoe Kluivert in de greep raakte van gokcriminelen»1 en herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over matchfixing en de invloed van de georganiseerde criminaliteit op het voetbal, waaronder antwoorden ontvangen op 7 juli 2016?2
Ja.
Deelt u de mening dat de feiten in het genoemde bericht kunnen worden gezien als een aanwijzing dat gokcriminelen tot in de hoogste regionen van het betaald voetbal invloed uitoefenen? Zo ja, waarom en wat is uw mening daarover? Zo nee, waarom niet?
Uit het genoemde bericht blijkt dat er illegaal wordt gegokt door een persoon die een rol speelt in het betaald voetbal. Uit het bericht blijken geen aanwijzingen dat in dit geval daadwerkelijk invloed is uitgeoefend door aanbieders van illegaal gokken.
Kunt u, zonder op de inhoud daarvan in te gaan, mededelen in welke fase het strafrechtelijk onderzoek Feniks naar een wijdvertakt goksyndicaat zich bevindt? Is er nog sprake van vooronderzoek, is al sprake van verdachten en zo ja, zijn die gedagvaard?
Het strafrechtelijk onderzoek Feniks is afgerond. Eventuele aanvullende onderzoekswensen van de verdediging worden door de rechter-commissaris geïnventariseerd, waarna de zittingsdatum zal worden bepaald.
Zijn er aanwijzingen dat dit of andere goksyndicaten geprobeerd hebben het verloop van voetbalwedstrijden in Nederland te manipuleren? Zo ja, op welke schaal?
In 2015 heeft de FIOD vijf verdachten aangehouden in een onderzoek naar illegaal gokken op sportwedstrijden en witwassen. Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak loopt nog, zodat hierover geen nadere mededelingen kunnen worden gedaan. Wel heeft het OM desgevraagd bericht dat er geen spelers of officials betrokken zijn bij dit dossier en van matchfixing worden verdacht.
Deelt u de mening dat voetbalspelers of trainers zich verre van het gokken op voetbalwedstrijden zouden moeten houden? Zo ja, waarom en welke regels gelden hier? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik, omdat dit matchfixing in de hand zou kunnen werken. Sinds 2009 heeft de KNVB vele maatregelen genomen om matchfixing tegen te gaan. Enkele voorbeelden hiervan zijn een meldplicht voor spelers en officials, een tiplijn, een gokverbod voor spelers en voorlichting aan scheidsrechters, staf en spelers. Tevens hebben NOC*NSF, de KNVB en de Ere- en Eerste divisie de code Betrouwbaar Spel & Sponsoring ingevoerd. In de code zijn spelregels opgenomen die de gokmarkt inzichtelijk moeten maken en tegelijkertijd moeten zorgen voor een sportief wedstrijdverloop.
Het bericht dat er generaties in Nederland geboren Molukkers stateloos zijn |
|
Jasper van Dijk |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over het bericht dat Molukkers die hier geboren zijn en een Nederlands paspoort hebben, niet allemaal Nederlands blijken te zijn?1
Het is begrijpelijk dat dit bericht aandacht schenkt aan een soms voor betrokkenen verwarrende kwestie. Van de groep Molukse KNIL-militairen en hun gezinsleden, die in 1951 naar Nederland zijn overgebracht, heeft een deel bewust en om principiële redenen geen gebruik willen maken van de mogelijkheid om de Nederlandse nationaliteit aan te nemen. Net als hun ouders (voor zo ver dezen nog in leven zijn) worden deze kinderen, op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers van 9 september 1976 (Stb.1976, 468 (hierna: de faciliteitenwet), behandeld als Nederlander.
De faciliteitenwet is ingevoerd om de betreffende groep ondanks het ontbreken van het bezit van het Nederlanderschap rechtspositioneel zoveel mogelijk gelijk te stellen aan Nederlanders. Iemand die onder de faciliteitenwet valt, komt in aanmerking voor verstrekking van Nederlandse reisdocumenten. Aanvankelijk beperkte dat zich tot de verstrekking van een faciliteitenpaspoort, waarin standaard de aanduiding betreffende de Nederlandse nationaliteit werd doorgehaald en een clausule werd opgenomen dat de houder van het document als Nederlander wordt behandeld. Dit leidde in de praktijk echter tot problemen, omdat de houder van dat paspoort door diverse landen als niet-Nederlander en dus als visumplichtig werd beschouwd. Bovendien wilde een aantal landen houders van een dergelijk paspoort geen toestemming tot binnenkomst geven, wanneer in het paspoort niet was aangegeven dat de mogelijkheid van terugkeer naar Nederland werd gegarandeerd.
Dit heeft ertoe geleid dat in 1991 de faciliteitenwet werd gewijzigd. Aan artikel 1 werd een derde lid toegevoegd, inhoudende dat zij die ingevolge deze wet als Nederlander worden behandeld, indien zij daarom verzoeken, als Nederlander gelden in de zin van de Paspoortwet en dat in het aan hen op zodanig verzoek te verstrekken nationaal paspoort de Nederlandse nationaliteit wordt vermeld.2 Die bepaling trad op 1 januari 1992, tegelijk met de nieuwe Paspoortwet, in werking. Later is daar de Nederlandse identiteitskaart aan toegevoegd als document dat ook door deze groep personen kan worden aangevraagd en waarop eveneens de Nederlandse nationaliteit wordt vermeld. De aanvrager die dit wenst kan echter nog steeds kiezen voor een (faciliteiten)paspoort, waarin de clausule is opgenomen dat de houder als Nederlander wordt behandeld. Er is geen sprake van een (faciliteiten)identiteitskaart.
Deze specifieke regeling is, zoals gezegd, bedoeld om het reizen van de betrokken personen buiten Nederland met Nederlandse reisdocumenten te vergemakkelijken, maar laat onverlet dat zij op grond van de faciliteitenwet als Nederlander worden behandeld, zonder de Nederlandse nationaliteit te bezitten. Zij ondervinden bij het reizen en terugkeren naar Nederland daar verder geen nadelen van.
Hoe kan het dat mensen een Nederlands paspoort hebben, maar niet de Nederlandse nationaliteit hebben? Wat is de status van dit faciliteitenpaspoort en welke nadelen ondervinden zij hiervan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel gevallen zijn bij u bekend van mensen die een Nederlands paspoort hebben, maar niet de Nederlandse nationaliteit? Op welke manier worden zij voorgelicht?
Er zijn op dit moment 1289 personen als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen (BRP) met de vermelding dat zij als Nederlander worden behandeld. Zoals gemeld in het antwoord op de vragen 1 en 2 komen zij allen in aanmerking voor verstrekking van een Nederlands reisdocument, waarin op grond van de Paspoortwet de Nederlandse nationaliteit is opgenomen. Bij de aanvraag van een Nederlands reisdocument zal de basisregistratie personen worden geraadpleegd en daaruit blijken dat de betrokken persoon als Nederlander wordt behandeld. Het is niet bekend in hoeverre gemeenten vervolgens aan de betrokken aanvrager expliciet de vraag stellen of deze een paspoort wenst waarin de Nederlandse nationaliteit wordt vermeld. Het is, blijkens het krantenartikel, niet uit te sluiten dat in de praktijk de aanvraag voor een paspoort of Nederlandse identiteitskaart van een persoon die als Nederlander wordt behandeld standaard wordt opgevat als een verzoek om een reisdocument waarin de Nederlandse nationaliteit van de houder is opgenomen. De bedoeling van de wijziging van de faciliteitenwet in 1991 was immers het reizen voor deze groep personen te vergemakkelijken door daarin de Nederlandse nationaliteit op te nemen.
Hoe wordt gehandeld wanneer iemand met een faciliteitenpaspoort een kind krijgt? Worden zij van de status van hun paspoort op de hoogte gesteld en in de gelegenheid gesteld hun kind wél de Nederlandse nationaliteit te geven?
Om de Nederlandse nationaliteit te krijgen, kunnen personen die onder de faciliteitenwet vallen opteren of naturaliseren. Op personen die onder de faciliteitenwet vallen, is de Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing, hetgeen bij het opteren of naturaliseren ertoe leidt dat aan de optie- of naturalisatievoorwaarde van «toelating» voorbij wordt gegaan. In plaats van «toelating op grond van de Vreemdelingenwet» geldt dan de status «behandeling als Nederlander». Daarnaast wordt het Nederlanderschap automatisch verworven door de (klein)kinderen van de oorspronkelijke immigrerende groep. Het Nederlandse nationaliteitsrecht kent al heel lang een derde-generatieregel. Deze houdt sinds 1985 in dat bij geboorte Nederlander wordt het kind dat geboren wordt uit een in Nederland wonende moeder of een vader, die zelf is geboren uit een in Nederland wonende moeder of vader (art. 4, derde lid RWN). Voor 1985 gold een soortgelijke, maar iets beperktere regeling. Op deze manier wordt vermeden dat generatie op generatie het «vreemdelingenschap» zou worden doorgegeven als er geen generatie is die kiest voor optie of naturalisatie.
Het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit is voor deze groep vergemakkelijkt. Zo hoeven Molukkers op wie de faciliteitenwet van toepassing is geen leges te betalen voor naturalisatie of optie. Ook behoeven zij geen naturalisatietoets te doen.
Welke mogelijkheden hebben mensen met een faciliteitenpaspoort teneinde de Nederlandse nationaliteit te verkrijgen?
Zie antwoord vraag 4.
Waarom moeten mensen die niet goed zijn voorgelicht en waarvan het geen bewuste keuze was om de Nederlandse nationaliteit niet te verkrijgen, alsnog de normale naturalisatieprocedure doorlopen met kosten die kunnen oplopen tot 800 euro? Bent u bereid het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit voor hen te vergemakkelijken en in ieder geval zonder kosten?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe kunnen mensen zelf onderzoeken of zij over de Nederlandse nationaliteit beschikken als zij een Nederlands paspoort hebben? Bent u bereid deze procedure voor Molukkers kosteloos beschikbaar te stellen zodat zij in ieder geval weten waar zij aan toe zijn?
Degenen die onder de werking van de faciliteitenwet vallen en op grond daarvan als Nederlander worden behandeld, zijn als zodanig ook geregistreerd in de basisregistratie personen. Op grond van artikel 2.55, tweede lid, van de Wet BRP kan een ieder bij het college van burgemeester en wethouders van een gemeente op diens verzoek binnen vier weken kosteloos inzage krijgen in de gegevens die over hem in de basisregistratie zijn opgenomen. Daarmee wordt de betrokkene in staat gesteld te achterhalen of hij als Nederlander is geregistreerd of als een persoon die als Nederlander wordt behandeld. Het is ook mogelijk om met gebruikmaking van DigiD deze gegevens, eveneens kosteloos, op elektronische wijze in te zien in het portaal Mijn Overheid.nl.
Voor de verkiezingen voor de Tweede Kamer en voor provinciale staten ontvangen zij geen oproep (art. 4 van de faciliteitenwet), hetgeen voor betrokkenen ook als een aanwijzing kan gelden.
Bent u bereid te onderzoeken welke mensen een Nederlands paspoort hebben, maar niet de Nederlandse nationaliteit, en hen hierover te informeren zodat zij de benodigde stappen kunnen nemen? Zo ja, wanneer kunt u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Het niet bezitten van de Nederlandse nationaliteit is het gevolg van een bewuste keuze van ouders of grootouders die nauw samenhangt met de persoonlijke beleving van de Molukse identiteit binnen de desbetreffende gemeenschap. Tegen deze achtergrond past een terughoudende opstelling van de Nederlandse overheid. Het actief informeren van de betrokken personen over hun behandeling als Nederlander is daarmee niet in overeenstemming. Dit ligt echter anders op het moment dat betrokkenen een aanvraag doen voor een Nederlands reisdocument. Met het oog daarop zullen de gemeenten en de andere paspoortverstrekkende autoriteiten er, voor zover nodig, op worden gewezen dat zij aanvragers die blijkens de basisregistratie personen als Nederlander worden behandeld, van dit feit op de hoogte stellen en hen te vragen of zij een paspoort wensen waaruit hun behandeling als Nederlander blijkt.
Het bericht dat de zorgkantoor niet weten wie zorg nodig heeft |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht: «Zorgkantoor weet niet wie zorg nodig heeft»?1
Het bericht refereert aan het rapport «Wachtenden in de langdurige zorg» dat de NZa in maart 2017 heeft gepubliceerd. In dit rapport constateert de NZa dat er veel goed gaat: het leeuwendeel van de cliënten krijgt tijdig passende zorg bij de aanbieder van voorkeur. Hiernaast constateert de NZa dat er verbetermogelijkheden zijn in het wachtlijstbeheer. Doel van het rapport is om het proces van verbeteren te faciliteren en versnellen. Het intensiveren van het toezicht van de NZa op het wachtlijstbeheer is ook één van de maatregelen die ik heb genoemd in mijn beleidsreactie op het wachtlijstonderzoek van 3 november jl.2
Er worden – als het gaat om wachtlijstbeheer – twee categorieën onderscheiden: actief wachtend en niet-actief wachtend.
Wat de actief wachtenden betreft, is het zorgkantoor goed op de hoogte van het aantal wachtenden en hun persoonlijke situatie, zoals urgentie en voorkeur. Het zorgkantoor bemiddelt hen op een actieve manier naar een passende plaats. Het leeuwendeel van de actief wachtenden vindt binnen de Treeknorm een passende plaats. Bij een relatief klein deel wordt de Treeknorm overschreden. Deze cliënten krijgen de volle aandacht van het zorgkantoor.
Wat de niet-actief wachtenden betreft is de situatie anders. Deze cliënten hebben een aanbod gehad voor een plaats bij een zorgaanbieder, maar maken daar om uiteenlopende redenen (nog) geen gebruik van. Op basis van landelijk gemaakte afspraken krijgen deze cliënten dan de status niet-actief wachtend. Dat houdt in dat het zorgkantoor vanaf dat moment niet actief bemiddelt en dat de cliënt, mantelzorger of de zorgaanbieder die zorg levert zelf een signaal moeten geven aan het zorgkantoor om de bemiddeling weer op te pakken. Een telefoontje is voldoende om bij een urgente zorgvraag het zorgkantoor in te schakelen.
De zorgaanbieder heeft het dagelijkse contact met de cliënt. Van hem mag verwacht worden dat hij de situatie van de cliënt goed kan inschatten. Wanneer er sprake is van een urgente zorgvraag en opname in een instelling nodig is, dan dient de zorgaanbieders dit door te geven aan het zorgkantoor. Dat hoort bij de signaleringsfunctie die aan de zorgaanbieder is toebedeeld. Er zijn landelijke afspraken gemaakt over de rol van de zorgaanbieder over het dossierhouderschap in het voorschrift zorgtoewijzing. In de praktijk blijken zorgaanbieders een dergelijk signaal niet altijd door te geven aan het zorgkantoor, waardoor het zorgkantoor niet op de hoogte is van de situatie. Daardoor blijven soms kansen om cliënten te bemiddelen naar een geschikte plaats bij een instelling onbenut. Zoals de NZa terecht constateert zijn er in dit proces nog mogelijkheden voor verbetering.
In mijn eerder genoemde beleidsreactie op het wachtlijstonderzoek heb ik vijf concrete maatregelen genoemd om het wachtlijstbeheer te verbeteren:
Zorgkantoren gaan cliënten actiever bemiddelen;
NZa gaat toezicht op uitvoering zorgplicht intensiveren;
Zorgkantoren zetten alle financiële middelen in om wachtlijst tegen te gaan;
Toewerken naar persoonsvolgende bekostiging;
Informatie «slimmer» maken en meer interactie met cliënt.
De zorgkantoren zijn momenteel druk bezig met het uitvoeren van hun actieplan. De afgelopen periode hebben de zorgkantoren alle niet-actief wachtenden benaderd. Hierbij hebben zij alle kwantitatieve en kwalitatieve informatie die relevant is voor verbetering van het bemiddelingsproces verzameld. Ik informeer uw Kamer over de uitkomsten van het actieplan, inclusief structurele verbetermaatregelen, dit voorjaar.
Hoe kan het dat het zorgkantoor niet weet hoeveel mensen wachten op zorg en zelfs niet hoeveel mensen acuut wachten?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe lang bestaat deze situatie al?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe kunt u de door ons ongewenste splitsing tussen wenswachtenden en actief wachtenden op de wachtlijst maken als het zorgkantoor niet eens weet welke zorg er nodig is?
Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 1, 2 en 3.
Bij de actief wachtenden is landelijk afgesproken dat het zorgkantoor deze cliënten actief bemiddelt naar een geschikte plaats. Deze cliënten krijgen dus de volle aandacht van het zorgkantoor, in het kader van hun zorgplicht.
Wat de niet-actief wachtenden betreft, is landelijk afgesproken dat de cliënt, mantelzorger en/of de zorgaanbieder (thuiszorg, wijkverpleegkundige) een signaal geeft aan het zorgkantoor. Dan wordt de cliënt op actief wachtend gezet en gaat het zorgkantoor actief bemiddelen. Het onderscheid actief wachtend en niet-actief wachtend is enkele jaren geleden om praktische redenen, op basis van landelijke afspraken ingevoerd. Ik vind het belangrijk dat de rolverdeling tussen zorgkantoor en zorgaanbieder wordt aangescherpt, zodat de rollen goed worden uitgeoefend. Ik wil dat zorgkantoren in samenwerking met de zorgaanbieders een actieve houding aannemen. Het is dus goed dat de zorgkantoren zelf, op basis van gedegen onderzoek, met maatregelen komen voor verbetering.
Realiseert u zich dat er onverantwoorde situaties kunnen ontstaan als zorgkantoren niet weten hoe dringend mensen zorg nodig hebben?
Ik neem deze signalen uiterst serieus. Voor mij staat voorop dat cliënten met een Wlz-indicatie zorg moeten krijgen die van goede kwaliteit is, die past bij hun manier van leven en die op redelijke afstand gelegen is. Zoals eerder aangegeven vergt dit van zorgaanbieders, zorgkantoren en cliëntondersteuners actieve inzet om binnen een redelijke termijn een passend aanbod te vinden. In lijn met het rapport van de NZa vind ik het belangrijk dat, waar er ruimte is voor verbetering, dit snel en proactief door het veld wordt opgepakt. Zorgkantoren hebben diverse verbetermaatregelen in gang gezet. Waar mogelijk en noodzakelijk zal ik deze maatregelen ondersteunen. Ik informeer uw Kamer over de ingezette acties dit voorjaar.
Het toestemmingsvereiste voor de verwerking van ROM gegevens |
|
Lilian Marijnissen |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Erkent u dat het aanleveren van ROM (Routine Outcome Measurement) gegevens aan de Stichting Benchmark GGZ (SBG) in de praktijk onuitvoerbaar is geworden, nu duidelijk is dat het toestemmingsvereiste van toepassing is op de verwerking van ROM gegevens?
Op dit moment kan er worden gewerkt op basis van toestemming van de patiënt. Op die basis kunnen ROM-data – nog steeds – aan SBG worden aangeleverd. Daarbij ga ik er vanuit dat alle betrokken partijen ernaar streven om aan de geldende wet- en regelgeving te voldoen.
Adviseert u zorgverleners om het delen van ROM gegevens met de SBG stil te leggen, nu blijkt dat het delen van deze gegevens zonder expliciete toestemming van de patiënt onrechtmatig is?
Ik heb kennisgenomen van het bericht dat GGZ Nederland aan haar leden adviseert om de aanlevering van ROM aan SBG op te schorten. Op basis van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (wkkgz) hoort een zorgaanbieder te voldoen aan de veldnormen die van toepassing zijn. ROM is opgenomen in het model kwaliteitsstatuut, wat als een veldnorm beschouwd kan worden. Daarom is een zorgaanbieder nog steeds verplicht zich in te spannen om te voldoen aan het contract dat zij dienen te hebben met SBG en in die hoedanigheid zoveel mogelijk ROM-gegevens te blijven aanleveren. In het gesprek met SBG, zorgaanbieders en zorgverzekeraars zal dit ook besproken moeten worden, vanwege de contractuele verplichtingen die zijn aangegaan.
Wat vindt u van het advies van GGZ Nederland aan haar leden om de aanlevering van ROM data aan SBG op te schorten?
Zie antwoord vraag 2.
Worden er op dit moment nog ROM gegevens gedeeld met de SBG? Hoe wordt er op dit moment gecontroleerd of aan het toestemmingsvereiste wordt voldaan bij het delen van ROM gegevens? Hoe worden patiënten op de hoogte gesteld van het toestemmingsvereiste?
Ja, sommige zorgaanbieders werkten al met het vragen van toestemming aan de patiënt, en leveren de ROM-gegevens aan SBG. Sommige zorgaanbieders hebben hun werkwijze aangepast en zijn gaan werken met het toestemmingsvereiste. Er worden dus nog steeds ROM-gegevens geleverd aan SBG.
Zoals aangegeven bij vraag 2 en 3 dienen zorgaanbieders in de ggz zich in te spannen om ROM-gegevens te leveren. De zorgaanbieder kan zelf controleren of aan het toestemmingsvereiste wordt voldaan. Een patiënt mag altijd weigeren om mee te werken aan ROM of om gegevens met SBG te laten delen.
De zorgaanbieder dient ook in het kader van goede zorg de patiënt op de hoogte te stellen van het feit dat die mag weigeren.
Bent u bereid om met onmiddellijke ingang de ROM gegevens die vanaf 2008 zonder toestemming verzameld zijn te vernietigen, aangezien expliciete toestemming van de patiënt nodig is (toestemmingsvereiste) voor de verwerking van ROM gegevens en deze toestemming niet is verkregen? Kunt u dit toelichten?
Ik ben niet in het bezit van die gegevens, dus dat is niet aan mij. Net als veel professionals vind ik het verzamelen van ROM-gegevens van groot belang voor de doorontwikkeling van de kwaliteit van zorg, omdat dit de professionals ondersteunt in het proces van continue kwaliteitsverbetering. Op dit moment wordt er gezocht naar een oplossing voor het omgaan met de – door het standpunt van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) over gepseudonimiseerde gegevens1 – veranderde situatie, waaronder verkenning van mogelijkheden voor nadere wetgeving. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 1 is het op dit moment mogelijk om met het toestemmingsvereiste te werken dat een wettelijke grondslag biedt voor gegevensverzameling in het kader van ROM. SBG is verder in gesprek met de AP om te kijken welke mogelijkheden er zijn. Tot de resultaten van dit overleg bekend zijn, zijn dergelijke vergaande maatregelen als het met terugwerkende kracht vragen van toestemming of vernietiging van alle gegevens wat mij betreft niet aan de orde. Ik houd u op de hoogte van de uitkomsten van het overleg tussen SBG en de AP.
Bent u bereid om de callcenters, die ingezet worden om de ROM-gegevens binnen te halen, te ontmantelen, aangezien de rechtmatigheid van het verwerken van patiëntgegevens op losse schroeven staat zonder expliciete toestemming van de patiënt?
Ik heb geen informatie ontvangen over callcenters die ROM-gegevens verzamelen. Zoals de Minister aangaf in de beantwoording van de Kamervragen van het lid Leijten2 is ROM naast benchmarkinstrument in eerste instantie bedoeld om voortgang van de behandeling te meten en daarover in gesprek te gaan met de cliënt. Inzet van callcenters acht ik daarom niet wenselijk. Voor een uitgebreid antwoord op de rechtmatigheid hiervan verwijs ik u naar de genoemde Kamervragen van het lid Leijten.
Bent u bereid om het geld besteed aan de SBG terug te halen, nu duidelijk is dat het verzamelen van de ROM gegevens niet zonder expliciete toestemming van de patiënt mag plaatsvinden?
Nee. SBG voert haar taak uit zoals die gesteld is in de Agenda voor gepast gebruik en transparantie in de ggz. Zoals in antwoord op vraag 5 al naar voren is gebracht kan de SBG de taak om ROM-gegevens te verwerken blijven uitvoeren met toestemming van de cliënt.
Hoe kunt u de verplichting van de zorgverzekeraar tot het aanleveren van ROM data aan de SBG overlaten aan het veld, nu is vastgesteld dat het verzamelen van de ROM gegevens zonder toestemming onrechtmatig is? Hoe ziet u uw eigen verantwoordelijkheid in deze kwestie?
De opvatting over rechtmatigheid van verzamelen van ROM-gegevens zonder toestemming is veranderd na de uitspraak van de AP d.d. 13 april 2016. Daarvoor werd een andere interpretatie gehanteerd. De uitspraak heeft tot gevolg dat ik bezie of nadere wetgeving nodig is. Zorgaanbieders zijn zelf verantwoordelijk om te voldoen aan en een afweging te maken op basis van de geldende (privacy) wet- en regelgeving. Zie ook mijn antwoorden op de vragen 2,3 en 4.
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat jarenlang op onrechtmatige wijze gegevens zijn verzameld door het SBG, zonder dit vooraf in overeenstemming te brengen met het privacyregels? Is vooraf een juridisch kader opgesteld? Kunt u dit toelichten?
Zie mijn toelichting in mijn antwoord op vraag 5.
Waarom overweegt u een reparatiewet om het aanleveren van ROM gegevens aan de SBG alsnog rechtmatig te maken? Probeert u hiermee het toestemmingsvereiste te omzeilen? Kunt u deze handelwijze toelichten?
Ik bezie of nadere wetgeving nodig is om de kwaliteit van zorg voor patiënten in de ggz verder te stimuleren en daarbij een balans te vinden tussen het belang van de individuele cliënt en het belang van kwaliteitsverbetering voor alle cliënten. Partijen hebben mij met hetzelfde doel gevraagd of ik aanvullende wetgeving mogelijk wil maken die zowel cliënt als zorgaanbieder zo min mogelijk belast en toch de beoogde voordelen oplevert. Dit is voor mij aanleiding geweest om momenteel een verkenning uit te voeren.
Waarom overweegt u niet om het delen en verwerken van persoonlijke gegevens te laten plaatsvinden via informed consent? Kunt u dit toelichten?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u graag naar de eerder gestelde Kamervragen van 23 maart 20173 en van 9 september 20144.
In antwoord op eerdere vragen stelt u dat op grond van de Wgbo een patiënt vernietiging kan vragen van het dossier of delen van het dossier; geldt dit ook als de gegevens reeds gedeeld zijn met het SBG? Hebben zorgaanbieders de mogelijkheid om reeds aan de SBG aangeleverde gegevens in te trekken?1
Voor zover de aan SBG aan te leveren ROM-gegevens persoonskenmerken zouden bevatten en die ROM-gegevens tot de betreffende individuele patiënt te herleiden zouden zijn, kan een zorgaanbieder deze specifieke ROM-gegevens intrekken. De bij SBG aangeleverde ROM-gegevens zijn echter door de dubbele pseudonimisering bij de zorgaanbieder en ZorgTTP voor de SBG niet tot de patiënt te herleiden.
De SBG weet niet welke ROM-gegevens bij de betreffende patiënt horen en heeft dan ook niet de (technische) middelen om deze koppeling te maken.
Bent u bereid om met onmiddellijke ingang de zorgverzekeraars te verbieden financiële sancties op te leggen, indien niet voldoende ROM gegevens worden aangeleverd aan de SBG? Kunt u dit toelichten?
Het is aan zorgverzekeraars zelf om te bepalen hoe zij omgaan met aanbieders die vanwege het ontbreken van de toestemming van de cliënt geen of weinig ROM-gegevens leveren. De eerste signalen wijzen er op dat zorgverzekeraars hier over het algemeen coulant mee omgaan. Zorgaanbieders zijn zoals ik aangaf in mijn antwoord op vraag 2 en 3 onder de Wkkgz verplicht zich in te spannen aan het contract met SBG te voldoen.
Waarom betoogt u nog steeds dat ROM gegevens belangrijk zijn voor het door ontwikkelen van kwaliteit in de zorg, als de Algemene Rekenkamer constateert dat ROM-scores niet goed gebruikt kunnen worden voor het meten van kwaliteit, vanwege het subjectieve karakter en de onvolledigheid van de gegevensverzameling?
ROM is een instrument dat ingezet kan worden voor verschillende doeleinden, waaronder het meten van de voortgang van individuele behandeling en het benchmarken van de resultaten van de behandelingen op een geaggregeerd niveau, zowel in de instelling als tussen instellingen. Ik vind het belangrijk dat professionals en cliënten inzicht hebben in de kwaliteit van geleverde zorg. Daarmee kunnen zorgaanbieders zichzelf verbeteren waar nodig en van elkaar en zichzelf leren. Uiteindelijk zal daarmee de patiënt betere zorg krijgen. De doorontwikkeling is ook nodig voor de transparantie naar de zorgverzekeraars en de keuze-informatie voor de patiënt.
De ROM-methodiek is nu de door partijen aangewezen manier om de kwaliteit naar een hoger niveau te tillen. Voor onderlinge vergelijkbaarheid is het nu wenselijk om daarom dit kwaliteitssysteem verder te ontwikkelen. Zoals de Minister al aangaf in de antwoorden op de Kamervragen van 23 maart 2017 staat het partijen altijd vrij alternatieve mogelijkheden te onderzoeken.
Kunt u een overzicht geven van de overige dataplatforms in de zorg, die eveneens op onrechtmatige wijze gegevens hebben verzameld en verwerkt, nu het toestemmingsvereiste ook van toepassing blijkt te zijn op gepseudonimiseerde gegevens?
Ik kan u geen overzicht geven van alle dataplatforms in de zorg. Voor registraties die door VWS gevraagd worden of wettelijk verplicht zijn, ga ik na of de uitspraak van de AP gevolgen heeft. Met name wordt dan onderzocht of bij die registraties persoonsgegevens zijn gepseudonimiseerd en of daar een bestaande wettelijke grondslag voor is. Het doel hiervan is het komen tot een oplossing voor het omgaan met de veranderde situatie omtrent het standpunt van de AP over gepseudonimiseerde gegevens.
Wanneer blijkt dat er bij bepaalde dataplatforms geen wettelijke grondslag is, toestemming niet mogelijk is, en de registratie van de gepseudonimiseerde persoonsgegevens wel gerechtvaardigd is voor het maatschappelijke belang, bijvoorbeeld voor de verbetering van de kwaliteit van zorg in het algemeen, dan betekent dit dat alsnog een wettelijke grondslag gecreëerd moet worden.
Kunt u de bronvermelding geven van de uitspraak dat uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is om bij een individuele patiënt al bij aanvang van de behandeling te voorspellen of de behandeling succesvol zal verlopen?2
Er is een aantal patiëntgerelateerde factoren geïdentificeerd die de kans op een gunstige uitkomst vergroten (bijvoorbeeld mildere ernst van de klachten bij aanvang van de behandeling of het hebben van een betaalde baan), maar de invloed van deze factoren is niet groot: gezamenlijk kunnen ze niet meer dan zo’n 30% van de variatie (een statistische maat voor spreiding van gegevens) in behandeluitkomst voorspellen (Iezzoni, 2013). De aard van de behandeling (farmacologisch of psychosociaal, of in combinatie) is ook geen voorspeller: diverse behandelingen doen in effect over het algemeen niet voor elkaar onder (Cuijpers et al, 2010). Ook therapeutische vaardigheden hangen niet aantoonbaar samen met een gunstige behandeluitkomst (Hundt et al, 2013). Bij aanvang van de behandeling bij een individuele patiënt (op basis van patiëntkenmerken of kenmerken van de behandeling of behandelaar) het behandelsucces voorspellen is dus vooralsnog bijna onmogelijk. Het vinden van een werkzame behandeling voor een individuele patiënt (personalized medicine) is vooralsnog vooral een proces van trial en error (Lally & MacCabe, 2015, Cuijpers et al, 2012).7
Staat u open voor de ontwikkeling van een alternatief voor de ROM-systematiek, die wel ondersteund wordt door patiënten en zorgverleners uit het veld? Hoe gaat u dit faciliteren?
Zoals ik aangaf bij mijn antwoord op vraag 14 sta ik open voor de ontwikkeling van alternatieven. Ik vind het van belang dat een alternatief ook door alle ggz-partijen wordt gesteund, wetenschappelijk is onderbouwd en de belangen en eisen van patiënten, zorgaanbieders en zorgverzekeraars recht doet. Bij mijn weten is een dergelijk alternatief vooralsnog niet voor handen. Ik roep de sector daarom op blijvend in te zetten op doorontwikkeling en verbetering van de huidige systematiek.
Erkent u dat er naast naam, burgerservicenummer (BSN) en geboortedatum ook unieke identificerende codes worden gebruikt bij het aanleveren van patiëntgegevens? In hoeverre is hier rekening mee gehouden bij het pseudonimiseren van de patiëntgegevens? Kunt u dit toelichten?
Het burgerservicenummer wordt «dubbel gepseudonimiseerd» en is daardoor niet herleidbaar tot een unieke patiënt. Een geboortedatum wordt niet aangeleverd; slechts het geboortejaar, hetgeen al een eerste stap naar aggregatie van de ROM-gegevens is.
De pseudonimisatie door ZorgTTP is een «eenweg pseudoniem», zonder sleutel terug. De bewerking is dus onomkeerbaar. Zorgaanbieder èn SBG kunnen dan ook nooit meer terug naar het oorspronkelijke BSN. Ook is het technisch onmogelijk om de patiënt zijn naam en geboortedatum aan te leveren: het aanleverformat van SBG blokkeert dit. Er worden dus voor SBG geen uniek identificerende codes aangeleverd, welke worden opgeslagen in de SBG database en herleidbaar zijn tot een patiënt. Wel wordt steeds dezelfde bewerking bij pseudonimisering gebruikt zodat de «virtuele« cliënt over een langere periode kan worden gevolgd.
Hoe houdt u de Kamer op de hoogte van het overleg met de Autoriteit Persoonsgegevens en het veld over het toestemmingsvereiste als enige wettelijke grondslag voor ROM?
Ik zal uw Kamer nog voor de zomer informeren over de uitkomsten van het overleg met de AP en betrokken partijen.
Kunt u, gezien de onduidelijk in het veld, deze vragen op de kortst mogelijke termijn beantwoorden?
Ik heb deze vragen op de kortst mogelijke termijn beantwoord.
1 jaar Turkijedeal |
|
Jasper van Dijk |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Hoe beoordeelt u de stand van zaken een jaar na de Turkijedeal? Kunt u daarbij in beschouwing nemen dat er meer dan 60.000 vluchtelingen vastzitten in Griekenland?
Welk deel van de beloofde zes miljard euro aan Turkije is inmiddels uitgekeerd en welk bedrag heeft Nederland reeds betaald? In hoeverre is daarbij voldaan aan de voorwaarden?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de Turkijedeal alsnog een succes wordt, waarbij niet alleen gekeken wordt naar de instroom naar Nederland, maar ook naar de mensenrechtensituatie voor de vluchtelingen?
Erkent u dat de Turkijedeal niet functioneert, aangezien vluchtelingen in Griekenland vastzitten en niet kunnen doorreizen naar bijvoorbeeld Nederland, maar ook niet worden teruggestuurd?
Deelt u de mening dat de situatie in Griekenland verbeterd kan worden als de Europese (EU) lidstaten meer doen teneinde zo snel mogelijk het beloofde aantal vluchtelingen te herplaatsen? Zo ja, waarom gebeurt dit niet?
Ik deel uw mening dat alle lidstaten hun bijdrage moeten leveren aan de herplaatsing van vluchtelingen uit Griekenland, maar ook uit Italië. Dit is ook het standpunt van het kabinet. Nederland geeft hierin het goede voorbeeld en loopt daarom samen met Duitsland en Frankrijk voorop in het aantal vluchtelingen dat uit Griekenland is herplaatst. Het tiende voortgangsverslag over herplaatsing en hervestiging van de Europese Commissie bevestigt dit wederom. Het kabinet vindt het belangrijk dat ook andere lidstaten hun deel doen en dat deze lidstaten, net als Nederland, ook op een structurele basis kansrijke asielzoekers gaan herplaatsen uit Griekenland. Een kabinetsappreciatie van het tiende verslag is met uw Kamer gedeeld.4 Ook verwijs ik u graag naar de recente beantwoording van vragen van uw Kamer over dit onderwerp n.a.v. het negende voortgangsverslag van de Europese Commissie.5 Uw Kamer ontvangt op korte termijn de Kabinetsappreciatie van het elfde voortgangsverslag over herplaatsing en hervestiging van de Europese Commissie.
Zoals ook blijkt uit het 10e voortgangsverslag, komen niet alle asielzoekers die in Griekenland verblijven in aanmerking voor herplaatsing. Uw Kamer is hierover in detail geïnformeerd in antwoord op schriftelijke vragen van het lid Voortman.6 Voor deze groep is het primair van belang dat de asielprocedures in Griekenland en, in het geval van een afwijzing, de terugkeer naar Turkije of het land van herkomst sneller verloopt. Hiertoe heeft Griekenland samen met de Europese Commissie een Actieplan opgesteld. Een appreciatie daarvan is opgenomen in het verslag van de JBZ-raad van 8 en 9 december 2016.7
Wat is er gebeurd met het Europese geld voor de opvang van vluchtelingen in Griekenland? Hoe worden deze uitgaven gemonitord en is hiervan een overzicht beschikbaar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u dit aan de Kamer toezenden?
Sinds het begin van de Europese migratiecrisis staat de EU Griekenland bij vanuit verschillende fondsen met een robuuste financiële ondersteuning. Overzichten van de totale steun, inclusief de verschillende activiteiten die worden gefinancierd worden door de Commissie op haar website geplaatst.9
Zoals ook toegelicht in het schriftelijk overleg met uw Kamer ter voorbereiding op de JBZ-Raad van 23 en 24 maart jl.10 maakt de besteding van hulpgelden onderdeel uit van het in december jl. door de JBZ-Raad aangenomen Actieplan voor implementatie van de EU-Turkije Verklaring. In het Actieplan staan meerdere maatregelen die een efficiëntere besteding van de Europese hulpgelden ten goede zouden moeten komen. Griekenland dient onder andere de benodigde cofinanciering beschikbaar te stellen en de afspraken van de EU-Turkije Verklaring in de nationale programma’s te incorporeren. De Commissie zal waar nodig technische ondersteuning bieden. De uitvoering van het Actieplan wordt periodiek ter bespreking voorgelegd aan de JBZ-Raad, en de coördinatie rond de uitvoering ligt bij de Commissie. Nederland neemt signalen serieus als besteding van gelden niet zorgvuldig plaatsvindt. Het kabinet maakt dat voortdurend onderwerp van gesprek met de Commissie en met Griekenland.
In het algemeen geldt dat de besteding van Europese fondsen gehouden is aan zeer duidelijke en strenge voorwaarden. Ook moeten organisaties, zowel overheden als (internationale) non-gouvernementele organisaties, die maatregelen met deze fondsen implementeren in detail aan de Europese Commissie rapporteren over het gebruik van deze fondsen. Wanneer de Commissie daar onregelmatigheden in aantreft, schroomt de Commissie niet om nader onderzoek te doen via een daarvoor speciaal opgerichte anti-fraude bureau van de Commissie: OLAF.
Klopt de bewering van de klokkenluider in de Nieuwsuur-rappportage1 dat Europees geld voor vluchtelingen niet of onjuist wordt besteed? Wat wordt hiertegen ondernomen?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat deze klokkenluider regelmatig contact heeft gehad met de voorzitter van de Europese Commissie (de heer Juncker), die op de hoogte moet zijn geweest van mogelijke verspilling en corruptie? Wat heeft de heer Juncker ondernomen en heeft hij de EU lidstaten hierover geïnformeerd? Zo ja, waarom heeft u de Kamer dan niet geïnformeerd? Zo nee, hoe kan het dat u niet bent geïnformeerd?
Ik ben niet op de hoogte van contacten die de geïnterviewde oud-ambtenaar zou hebben gehad met de voorzitter van de Europese Commissie. Wel is bekend dat de oud-ambtenaar uit hoofde van zijn toenmalige functie bij het Griekse Ministerie van Migratie contact heeft gehad met de vertegenwoordiger van de Commissie in Athene.
Graag maak ik van deze gelegenheid nogmaals gebruik om te benadrukken dat de oud-ambtenaar in de betreffende Nieuwsuur-reportage zelf aangeeft dat hij geen bewijzen heeft van corruptie. Zoals hierboven aangegeven zal de Commissie dat bij eventuele vermoedens zelf nader onderzoeken.
Hoe zijn de uitspraken van de Eurocommissaris voor Migratie en Binnenlandse Zaken (de heer Dimitris Avramopoulos) – dat de opvang van vluchtelingen in Griekenland goed verloopt – te rijmen met het verontrustende beeld in de reportage van Nieuwsuur van 19 maart jl? Deelt u de mening dat zijn uitspraken niet erg realistisch zijn?
Uit eigen waarneming van Nederland blijkt dat op sommige plekken op de Griekse eilanden de opvang nog niet op het gewenste niveau is. Tijdens de JBZ-Raad heb ik hierover ook gesproken met mijn Griekse collega en Commissaris Avramopoulos.
Tegelijkertijd merk ik op dat sinds het begin van de migratiecrisis in Griekenland grote stappen zijn gezet om het Griekse asiel- en migratiesysteem te verstevigen. Dit gebeurt ook met bijdragen van lidstaten als Nederland in de vorm van de Border Security Teams. Zoals eerder met uw Kamer besproken blijft het nodig om te werken aan verbeteringen in de manier waarop de Griekse overheid opvang en hulp regelt voor asielzoekers.
Daarbij moet ook worden stilgestaan bij het feit dat hier met man en macht aan wordt gewerkt in een land dat naast migratievraagstukken ook economische, financiële en institutionele uitdagingen kent. Dat maakt het des te meer van belang dat de EU en alle lidstaten de afspraken nakomen op het gebied van herplaatsing en het leveren van experts. Hier heb ik ook tijdens de laatste JBZ-Raad weer op gehamerd.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Europees geld voor vluchtelingen op de juiste plek terecht komt?
Zie het antwoord op vragen 6 en 7.
Het onderzoek waaruit blijkt dat voorlopige hechtenis vaak onvoldoende wordt onderbouwd |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van het College voor de Rechten van de Mens naar de slechte motivering van voorlopige hechtenis?1
Het onderzoek van het CRM maakt duidelijk dat beslissingen tot het opleggen van voorlopige hechtenis door rechters vaak nog onvoldoende (schriftelijk) worden onderbouwd. Binnen de Rechtspraak is de motivering van beslissingen rondom voorlopige hechtenis al enige tijd onderwerp van debat. Rechters vinden zelf ook dat beslissingen als deze inhoudelijker moeten worden gemotiveerd. Er wordt door de Rechtspraak actie ondernomen om ervoor te zorgen dat de motivering van beslissingen over voorlopige hechtenis verbetert, bijvoorbeeld door de invoering van door hen zelf vastgestelde professionele standaarden, waarin het belang van een deugdelijke motivering van beslissingen wordt onderschreven. Deze standaarden zijn bedoeld ter bevordering van de kwaliteit van het werk van de strafrechters, in aanvulling op wetgeving en bijzondere regelingen. In dit verband is in het bijzonder standaard nr. 2.8 van belang. Deze luidt als volgt: «De strafrechter doet een gemotiveerde, begrijpelijke uitspraak en op een wijze die past bij de zaak». Over de beslissing tot voorlopige hechtenis is opgenomen dat deze inhoudelijk wordt gemotiveerd. Dat wil zeggen uitgebreider dan met de gebruikelijke streep- en kruisformulieren. Het onderzoek van het CRM onderstreept het belang van deze afspraken.
Ik ga ervan uit dat – en ik zal daar in mijn contacten met de Raad voor de rechtspraak ook aandacht voor (blijven) vragen – de ingezette verbeteracties tot een betere motivering van de voorlopige hechtenis leiden.
Op welke manier wordt op dit moment rekening gehouden met de waarborgen voor motivering van de voorlopige hechtenis op bases van de artikelen 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) en 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke Rechten (IVBPR), maar ook de artikelen 15 van de Grondwet, 5 EVRM en 9 IVBPR? Kunt u uitgebreid reageren en daarbij aangeven hoe hier in de toekomst verbetering op zal plaatsvinden?
Uitgangspunt is dat een verdachte onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen. Dit uitgangspunt is vastgelegd in artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het IVBPR. Het recht op vrijheid is terug te vinden in artikel 15 Grondwet, artikel 5 EVRM en artikel 9 IVBPR. Vrijlating in afwachting van de rechtszaak is volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de regel tenzij de Staat kan aantonen dat er relevante en voldoende redenen zijn om de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Een bevel tot voorlopige hechtenis moet worden gemotiveerd. Volgens bestendige jurisprudentie van het EHRM mag deze motivering niet «algemeen en abstract» zijn. Het volstaan met het benoemen van de wettelijke gronden voor voorlopige hechtenis en het gebruik van standaardformulieren en stereotype formuleringen is onvoldoende. De voorlopige hechtenis moet dus worden toegespitst op de concrete persoon van de verdachte en verwijzen naar specifieke feiten en omstandigheden van de verdachte die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. Dit betekent overigens niet dat de rechter hierbij geen gebruik mag maken van algemene ervaringsregels. Hierbij geldt dat hoe langer de voorlopige hechtenis voortduurt, hoe hoger de eisen die aan de motivering van de bevelen tot voorlopige hechtenis mogen worden gesteld. Opmerking verdient verder nog dat de voorlopige hechtenis in hoger beroep, anders dan in eerste aanleg, niet gebaseerd is op artikel 5, lid 1, sub c maar op artikel 5, lid 1, sub a EVRM. Gelet op de uitspraak van het EHRM in de zaak Wemhoff tegen Duitsland gelden voor het voortduren van de voorlopige hechtenis in deze fase van de procedure de waarborgen van artikel 6 EVRM.
De verplichting tot het motiveren van een bevel tot voorlopige hechtenis is ook vastgelegd in artikel 24 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Artikel 78 Sv stelt dat het bevel tot voorlopige hechtenis zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen omschrijft en de feiten en omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen, feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 67a Sv gestelde voorwaarden zijn vervuld. Daarnaast vraagt het wettelijk systeem het voortduren van de voorlopige hechtenis op verschillende momenten tijdens de procedure te toetsen. De waarborgen ten aanzien van de motivering van de voorlopige hechtenis zijn derhalve ook verankerd in de Nederlandse wetgeving.
Zoals in het vorige antwoord aangegeven vinden rechters dat de beslissing tot voorlopige hechtenis inhoudelijker moeten worden gemotiveerd. Uit de jurisprudentie van het EHRM kan evenwel niet de conclusie worden getrokken dat de Nederlandse voorlopige hechtenispraktijk niet voldoet. In gevallen waarin het belang van voorlopige hechtenis evident is, geen onderbouwd verweer is gevoerd, geen sprake is van onderling afwijkende rechterlijke oordelen en de (voortzetting of hervatting van de) voorlopige hechtenis niet om andere redenen verbazing wekt, mag met een standaardmotivering worden volstaan. Dat betekent niet dat er stereotype en abstract kan worden gemotiveerd, wel dat voor een concrete motivering volstaan kan worden met algemene ervaringsregels die gemotiveerd op de betreffende casus van toepassing worden verklaard.2
De Raad wijst erop dat het onderzoek van het CRM is gebaseerd op beslissingen uit de periode juli 2014 tot en met december 2015.3 Derhalve zijn beslissingen van 2016 en 2017 niet onder de loep genomen. Juist in deze periode hebben alle gerechten een aanvang gemaakt met het implementeren van de eerdergenoemde professionele standaarden. Gerechten zijn derhalve doende een verbeterslag te maken in het motiveren van de voorlopige hechtenis. Het onderwerp kan rekenen op veel aandacht binnen de gerechten. Zo zijn er binnen diverse gerechten werkgroepen geformeerd en is over de voorlopige hechtenis een landelijke themadag voor rechters georganiseerd waar vanuit diverse invalshoeken over het onderwerp gedebatteerd werd. Eén gerechtshof heeft daarnaast een aanzet tot debat gegeven door alle beslissingen over voorlopige hechtenis te publiceren.
Klopt het dat er eigenlijk geen uniform beleid is waar het gaat over de mate van motivering van een beslissing voorlopige hechtenis toe te passen of te verlengen? Deelt u de mening dat hier een uniform beleid op moet worden vastgesteld? Zo ja, hoe wordt hier vorm aan gegeven? Zo nee, waarom niet?
Er is in zoverre uniform beleid dat uitgangspunt is dat iedere beslissing inzake voorlopige hechtenis gemotiveerd en begrijpelijk is op een wijze die past bij de betreffende zaak. Rechters(-commissarissen) zijn zoekende in het formuleren van o.a. nieuwe tekstblokken daartoe. Landelijk worden «best practices» op dit gebied verzameld door de Adviesgroep Professionele Standaarden van het LOVS en gedeeld onder de gerechten.
Wat is uw reactie op de conclusie dat er (in eerste instantie) twee rechtbanken waren die gebruik maakten van verschillende soorten formulieren die geen ruimte lieten voor motivering?
Ik heb vernomen dat de betreffende rechtbanken de formulieren inmiddels hebben aangepast, zodat nu wel een goede motivering mogelijk is.
Op welke manier is uitvoering gegeven aan de motie waarin de rechter wordt opgeroepen beter te motiveren en te onderbouwen waarom een minder verstrekkend alternatief niet passend is?2
Zoals destijds door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in reactie op de motie is aangegeven, is bij de Raad voor de rechtspraak aandacht gevraagd voor de motivering van beslissingen inzake voorlopige hechtenis. Zie voor verdere toelichting het antwoord op vraag 1 en 2.
Daarnaast zijn in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering voorstellen ontwikkeld om de toepassing van alternatieven voor voorlopige hechtenis verder te bevorderen. Kern van die voorstellen is te voorzien in de mogelijkheid voor de rechter om voorlopige vrijheidsbeperking van de verdachte te bevelen, en om de schorsing van de voorlopige hechtenis af te schaffen. Op deze wijze kan worden voorkomen dat eerst de voorlopige hechtenis van de verdachte moet worden bevolen voordat de toepassing van alternatieven voor die voorlopige hechtenis (in het kader van de schorsing) mogelijk is. Met de zelfstandige positionering van het bevel tot voorlopige vrijheidsbeperking wordt dwingender dan in de huidige regeling van de voorlopige hechtenis tot uitdrukking gebracht dat de rechter zal moeten nagaan of aan een verdachte vrijheid beperkende verplichtingen en verboden kunnen worden opgelegd en dat voorlopige hechtenis alleen in aanmerking komt als deze noodzakelijk en onvermijdelijk is. Een wetsvoorstel met deze strekking is recent voor advies voorgelegd aan verschillende instanties.
Welke stappen worden gezet om de motivering van beslissingen van voorlopige hechtenis te verbeteren voorafgaand aan de inwerkingtreding van de professionele standaarden strafrecht en de modernisering van het Wetboek van Strafvordering?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2. De implementatie van de standaard die ziet op de motivering van de voorlopige hechtenis heeft binnen de gerechten in 2017 prioriteit gekregen. Vooruitlopend op de voorgenomen wijzigingen in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering wordt door OM, ZM en andere ketenpartners bezien hoe via gezamenlijk beleid al zoveel mogelijk invulling kan worden gegeven aan de met de voorgenomen wetswijziging beoogde doelstelling. Vertrekpunt daarbij is dat altijd wordt onderzocht of alternatieven voor het daadwerkelijk vastzetten van de verdachte even effectief kunnen zijn om de doelen van voorlopige hechtenis te bereiken.
Kunt u per aanbeveling een reactie geven en deze uitgebreid onderbouwen? Welke aanbevelingen worden uitgevoerd totdat de professionele standaarden zijn ingevoerd?
Professionele standaarden zijn kwaliteitsnormen die rechters zelf hebben ontwikkeld. Daarmee laten zij zien wat goede rechtspraak is en hoe zij hun verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het rechterlijk handelen gezamenlijk invullen. Voor een deel gaat het om handhaving van het huidige kwaliteitsniveau, voor een ander deel om verbeteringen op het gebied van deskundigheid, snelheid, bejegening van rechtzoekenden en de aandacht en tijd die aan een zaak wordt besteed. Het berust op een misvatting dat de professionele standaarden nog niet zijn «ingevoerd». Voor zover met de professionele standaarden wordt beoogd verbeteringen door te voeren in de kwaliteit, is reeds aangegeven dat de implementatie daarvan in januari 2016 is gestart. In de praktijk wordt al grotendeels gewerkt conform de inhoud van de aanbevelingen.
Het Edith Stein College dat op onwettelijke gronden leerlingen weigerde |
|
Peter Kwint |
|
Sander Dekker (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
Bent u bekend met het bericht «Edith Stein College breekt wet met selectie leerlingen»?1 Wat is uw reactie hierop?
Ja, ik ben bekend met dit bericht, en ik betreur de gang van zaken.
Sommige scholen krijgen meer aanmeldingen dan dat zij leerlingen kunnen plaatsen. Deze scholen kunnen daarom niet alle aangemelde leerlingen toelaten. Hoewel het uiteraard vervelend is voor de leerlingen die zo buiten de boot vallen, en voor hun ouders, is dit helaas niet te voorkomen. De opnamecapaciteit van een school is immers niet onbegrensd.
Ik kan mij goed voorstellen dat de in het artikel geciteerde vader en zijn zoon teleurgesteld zijn dat de jongen niet is geplaatst op deze school. Dat hij aanvankelijk is afgewezen op verkeerde gronden (namelijk op basis van cito-scores) is uiteraard onwenselijk. Het basisschooladvies is leidend, scholen mogen de toelating van leerlingen tot een bepaalde schoolsoort niet baseren op toetsgegevens. Ik constateer echter dat de school en het bestuur de gemaakte fout intussen hebben erkend en dat deze fout snel nadat deze is opgemerkt is gecorrigeerd. Bovendien blijken de meeste ouders vrede te hebben met de situatie zoals deze nu is.
Hoe verklaart u dat een rector niet op de hoogte is van het onwettige karakter van deze vorm van selectie? Hoe verklaart u dat dit schijnbaar ook niet gecorrigeerd is door andere personeelsleden op het College?
De regels ten aanzien van toelating en plaatsing van leerlingen in de eerste klas van het voortgezet onderwijs zijn helder. Hierover is ook verschillende malen gecommuniceerd, onder meer via brieven van het Ministerie van OCW aan alle middelbare scholen in Nederland en via de website www.nieuweregelgevingovergangpo-vo.nl. Dit had dus niet mogen gebeuren, hetgeen ook ruiterlijk is erkend door de school.
Navraag bij het Edith Stein College leert dat de rector op het moment dat leerlingen geïnformeerd werden over hun afwijzing twee weken in functie was. Hij was niet op de hoogte gebracht van de selectie en andere personeelsleden hebben dit niet gecorrigeerd. Zij meenden leerlingen op juiste inhoudelijke gronden te plaatsen op een nevenlocatie van dezelfde scholengroep. De betreffende fout is snel nadat deze was geconstateerd rechtgezet en de procedures zijn aangepast.
Wat gaat u doen voor de leerlingen die alsnog tegen hun wil zijn doorverwezen naar een andere school?
Van het tegen de wil van een leerling doorverwijzen naar een andere school mag geen sprake zijn. Als ouders en leerlingen niet tevreden zijn met het door de school geboden alternatief (in dit geval het Diamant College in plaats van het Edith Stein College), staat het hen vrij om een andere school te kiezen waar nog plaatsen zijn en het kind daar aan te melden. Aanmelding bij een geboden alternatief is niet verplicht. Van doorverwijzing zou enkel sprake kunnen zijn als bij de aanmelding van de leerling expliciet zou zijn aangegeven dat hij of zij bij eventuele uitloting «automatisch» zou worden aangemeld bij een door de school geboden alternatief. Van een dergelijke situatie is evenwel geen sprake. Aangezien de eerder gemaakte fout snel is gecorrigeerd, zie ik geen nadere rol weggelegd voor het Ministerie van OCW.
Kunnen deze leerlingen alsnog in aanmerking komen voor een plek op het door hen gewenste Edith Stein College?
In het artikel wordt aangegeven dat alsnog de mogelijkheid is geboden om aan loting deel te nemen. Loting biedt echter geen garantie op plaatsing.
Heeft u aanwijzingen dat nog meer scholen op deze manier selectie toepassen? Zo ja, welke? Wat gaat u hier aan doen? Zo nee, bent u bereid dit te onderzoeken?
Ik heb hiervoor geen concrete aanwijzingen. In eerdere jaren heeft onbekendheid met de nieuwe wet- en regelgeving op dit punt wel aanleiding tot onduidelijkheid gegeven. Sindsdien zijn VO-scholen herhaalde malen door onder meer het Ministerie van OCW, de Inspectie van het Onderwijs en de VO-raad geïnformeerd over het feit dat het basisschooladvies leidend is bij plaatsing van leerlingen in de brugklas van het voortgezet onderwijs, en dat de plaatsing niet gebaseerd mag worden op toetsgegevens.
Wanneer zich toch situaties voordoen waarbij de regels niet correct gevolgd worden, kan dat gemeld worden bij de Inspectie van het Onderwijs. De inspectie kan dan gerichte actie ondernemen richting de betreffende school. Voor het landelijke beeld over de ervaringen met de nieuwe wet- en regelgeving inzake de overgang van primair naar voortgezet onderwijs per 1/8/2015, loopt momenteel de Evaluatie Wet Eindtoetsing PO. Daarover zal uw Kamer conform afspraak in 2019 geïnformeerd worden. Het toepassen door scholen van de juiste handelwijze bij selectie en plaatsing van leerlingen is ook onderwerp van deze evaluatie. Nader onderzoek acht ik dan ook niet nodig.
Het artikel 'Gemeente 'viert' islamitische feestdagen' |
|
Edgar Mulder (PVV), Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «gemeente «viert» islamitische feestdagen»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat islamitische «feestdagen» onderdeel zijn van een ideologie die er op uit is onze manier van samenleven, onze cultuur, identiteit, rechtstaat en democratie omver te werpen?
De islam is een godsdienst. Deze godsdienst valt net als andere religies in Nederland onder de vrijheid van godsdienst en is met dezelfde regels omgeven. Nederland is een pluriforme samenleving, waar – binnen de grenzen van de rechtsstaat – voor alle religies, overtuigingen en leefstijlen ruimte is. Gemeenten bepalen zelf hoe zij, binnen de grenzen van de wet, aan deze pluriformiteit gestalte geven. In dit geval is het daarom aan de gemeente Almelo om te bepalen op welke dagen de verlichting op de brug aangaat.
Deelt u de mening dat het verwerpelijk is dat overheden de veroveringsdrift van de islam promoten? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid in gesprek te gaan met burgemeester Gerritsen (VVD) van Almelo en hem dringend te adviseren om de islam en zijn symbolen te bestrijden in plaats van te promoten?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Studenten betalen 93 miljoen euro boete aan OV-bedrijven' |
|
Paul van Meenen (D66) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Studenten betalen 93 miljoen euro boete aan OV-bedrijven»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat van de bijna 140 miljoen euro aan betaalde boetes voor het te laat stopzetten van het studentenreisproduct, er 93,6 miljoen naar de OV-bedrijven is gegaan? Kunt u aangeven waar de rest van dit bedrag naartoe is gegaan?
In de betreffende aflevering van het tv-programma Kassa zijn bedragen genoemd over de jaren 2014, 2015 en 2016. Hieronder is per jaar aangegeven wat het bedrag is dat aan boetes is opgelegd vanwege het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct:
Het klopt dat van de bovengenoemde bedragen in totaal € 93,6 miljoen naar de vervoerders is gegaan als compensatie voor gederfde inkomsten. Daarnaast heeft DUO jaarlijks afgerond € 2,9 miljoen ontvangen als incasso-vergoeding. De hoogte van deze incasso-vergoeding is ter dekking van de kosten die DUO maakt2. De rest van het bedrag dat in de jaren 2014, 2015 en 2016 aan boetes is opgelegd vanwege het niet tijdig stopzetten van het studentenreisproduct is tot op heden niet geïnd bij de betreffende (oud-)studenten.
Wat vindt u van het feit dat veel jongvolwassenen een dermate hoge boete krijgen tijdens of direct na hun studie, gezien het beperkte aantal (oud-)studenten dat hier misbruik van maakt?
Als (oud-)studenten geen recht meer hebben op een studentenreisproduct (bijvoorbeeld omdat ze zijn afgestudeerd), dan moeten ze dit reisproduct stopzetten. Doen ze dat niet, dan krijgen ze een boete voor het onterecht in bezit hebben van dat reisproduct. Ik begrijp dat het voor (oud-)studenten heel vervelend is om zo’n boete te moeten betalen. Tegelijkertijd vind ik het de verantwoordelijkheid van de (oud-)student om het reisproduct tijdig stop te zetten als je er geen recht meer op hebt.
Kunt u aangeven wat de vorderingen zijn van de uitvoering van het wetsvoorstel Aanpassingswet studiefinanciering BES2 dat op 20 december jl. werd aangenomen, alsook verscheidene moties die opriepen tot het vereenvoudigen, en zelfs het automatisch maken van het stopzetten van het reisproduct?
Op 19 januari 2017 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het bovengenoemde wetsvoorstel en over de moties die uw Kamer heeft aangenomen rondom het studentenreisproduct.
Voor de motie Mohandis c.s. (Kamerstuk 34 331, nr. 14) en de motie Rog/Duisenberg (Kamerstuk 34 331, nr. 16) over het verbeteren van de communicatie aan studenten over het beëindigen van studentenreisproduct geldt het volgende. Ter uitvoering van deze moties heeft DUO de afgelopen periode, in overleg met studentenorganisaties en vervoerders, verschillende verbeteringen doorgevoerd (bijvoorbeeld over het versturen van de email-berichten waarmee studenten gewezen worden op een boete). Daarnaast bekijkt DUO momenteel welke verbeteringen verder nog mogelijk zijn. In mijn beleidsreactie op het rapport «Een gewaarschuwd mens telt voor twee»4 van de Nationale ombudsman zal ik uw Kamer hierover uitgebreid informeren.
Ter uitvoering van de motie Rog/Duisenberg (Kamerstuk 34 331, nr. 17) en de motie Mohandis c.s. (Kamerstuk 34 331, nr. 18) over het automatisch beëindigen van het studentenreisproduct kan ik uw Kamer melden dat er thans een onafhankelijk onderzoek wordt verricht naar de (on)mogelijkheden hiervan. Ik ga ervan uit uw Kamer in het najaar 2017 over de resultaten van dit onderzoek te kunnen informeren.
Rondom het wetsvoorstel en de aangenomen amendementen van Rog/Duisenberg en Van Meenen heb ik toegezegd uw Kamer een novelle aan te bieden. Momenteel wordt de novelle voorbereid. Onder andere wordt gewerkt aan de vormgeving van een wettelijke grondslag voor de gegevensuitwisseling die benodigd is ter uitvoering van het (sub)amendement van Van Meenen (Kamerstuk 34 331, nr. 20). De uitkomsten van het hiervoor genoemde onderzoek naar de (on)mogelijkheden van het automatisch beëindigen van het studentenreisproduct zullen worden betrokken bij de vormgeving van de novelle.
De problemen met de uitvoering van de Niet Invasieve Prenatale Test (NIPT) |
|
Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Verloskundigen hekelen NIPT-test»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het bericht.
In hoeverre erkent u de signalen van de verloskundigen dat de invoering klantonvriendelijk en frustrerend is?
De in het bericht geuite kritiek van de verloskundigen richt zich op twee aspecten: het aantal bloedafnamelocaties en het betalingsproces dat een zwangere vrouw moet doorlopen om de test te kunnen laten verrichten. Ik begrijp de signalen van de verloskundigen want niet alleen de kwaliteit maar ook de toegankelijkheid van de prenatale screening is van groot belang. Daarin is een balans gekozen waarbij de screening – in het kader van een wetenschappelijk onderzoek – met goede waarborgen voor de kwaliteit is ingericht. Denk hierbij ook aan de bijscholing die alle counselors hebben doorlopen. Er wordt nog onderzocht of het aantal locaties voor bloedafname voldoende is om de toegankelijkheid tot de test te kunnen waarborgen. Het betalingsproces voor de zwangeren is inmiddels vereenvoudigd.
Bent u bereid te onderzoeken of het klopt dat de signalen vanuit Amsterdam gedeeld worden door andere steden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn denkt u dit te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven waarom slechts enkele plekken aangewezen zijn voor de NIPT? Kunt u aangeven waarom dit niet op meerdere laboratoria in Nederland mogelijk is? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Ik hecht grote waarde aan een kwalitatief goede inrichting en uitvoering van de prenatale screening. Alleen de acht universitair medische centra (UMC’s) hebben een vergunning op grond van de Wet op het bevolkingsonderzoek om de NIPT als eerste test in onderzoekssetting uit te voeren. Van deze UMC’s zijn er drie laboratoria die daadwerkelijk de test uitvoeren. De benodigde apparatuur om het bloed te analyseren is kostbaar. Er is daarom gekozen voor drie uitvoerende laboratoria om de kosten van de NIPT zoveel mogelijk te beperken. De capaciteit van de apparatuur kan hierdoor optimaal benut worden waardoor de doorlooptijd kort is en de uitslag van de test sneller teruggekoppeld kan worden aan de zwangeren en hun partner.
Momenteel zijn er al meer dan 160 locaties in het land waar bloed afgenomen kan worden voor onderzoek in een van de drie laboratoria. Het is van groot belang dat de afstand die de zwangere moet afleggen naar een locatie aanvaardbaar is om de toegankelijkheid tot de test te kunnen waarborgen. De priksetjes voor de NIPT zijn prijzig en hebben een beperkte houdbaarheidsdatum. Daarnaast moeten de bloedafnamelocaties voldoen aan de kwaliteitsstandaarden. Het is om deze redenen niet mogelijk om de meer dan 1.000 mogelijke locaties te gebruiken voor bloedafname voor de NIPT. Er is hierbij een zorgvuldige afweging gemaakt tussen de kwaliteit en de kosten van de NIPT en anderzijds de toegankelijkheid voor zwangere vrouwen. Half mei zal er een evaluatie plaatsvinden van het aantal bloedafnamelocaties en de spreiding in Nederland. Waar nodig zullen aanpassingen worden gedaan. De beschikbare prikpunten voor de NIPT zijn te vinden op de website: www.meerovernipt.nl. Meer informatie over de screening en hulpmiddelen voor een geïnformeerde keuze vindt u op https://www.onderzoekvanmijnongeborenkind.nl/.
In hoeverre deelt u de mening dat het stappenplan van een online formulier, een iDeal-betaling én het uitprinten van het formulier als bureaucratisch, en overbodig, gezien kan worden? Op welke termijn wilt u toe naar een versimpeling van deze werkwijze?
Met het oog op de toegankelijkheid tot en binnen de prenatale screening is besloten om de NIPT voor een vergelijkbare prijs als de combinatietest beschikbaar te maken door middel van de Subsidieregeling NIPT. De consequentie hiervan is dat vrouwen via een apart betalingsproces de eigen betaling moeten voldoen. Dit proces is intussen vereenvoudigd. Na betaling via de website https://www.niptbetalen.nl/ krijgt de zwangere een betaalbewijs waarmee ze naar een bloedafnamelocatie kan om bloed te laten afnemen voor de test. De zwangere hoeft het betaalbewijs niet meer uit te printen, maar kan het betaalbewijs tonen op bijvoorbeeld de mobiele telefoon. Voor een doelmatige uitvoering van de Subsidieregeling NIPT is het noodzakelijk dat gecontroleerd kan worden dat de zwangere de eigen betaling heeft voldaan. De online-betaling is hiervoor nodig.
Bent u bereid met de beroepsverenigingen te bekijken of verpleegkundigen zelf de NIPT af kunnen nemen om op deze manier kosten te besparen én efficiëntie te bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Er is een zorgvuldige afweging gemaakt tussen de kwaliteit en de kosten van de NIPT en de toegankelijkheid voor zwangere vrouwen, zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 4. Uit de evaluatie zal blijken of er aanpassingen gedaan moeten worden.
Het bericht dat de topinkomens in de zorgsector explosief zijn gestegen |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Topinkomens stijgen explosief»?1
In 2013 is de Wet Normering Topinkomens in werking getreden. Deze wet is ook van toepassing op topfunctionarissen in de zorgsector. De wet voorziet met bepalingen over het overgangsrecht in de groep topfunctionarissen die al voor de inwerkingtreding van de WNT een bezoldiging boven de norm ontvingen. De komende jaren dient de bezoldiging van diverse topfunctionarissen conform het overgangsrecht te worden afgebouwd naar de toepasselijke WNT-norm. Inkomens boven de WNT-norm kunnen derhalve nog in overeenstemming zijn met de wet. Uit een eerste evaluatie van de wet blijkt dat deze goed wordt nageleefd, zoals recent aan uw Kamer gemeld.2
Hoe verklaart u dat de topinkomens in de semipublieke sector in vijf jaar tijd zijn verdriedubbeld?
Het artikel in het Algemeen Dagblad stelt dat het aantal topinkomens in de Haagse (semi-) publieke sector in 2015 met een factor drie is toegenomen ten opzichte van het jaar 2010. In het overzicht van 2015 zijn echter medisch specialisten meegenomen, die niet onder de reikwijdte van de WNT vallen. Er is dus geen sprake van een verdriedubbeling. Over de hoogte van de topinkomens geeft het artikel geen informatie. Evenmin geeft het artikel informatie of en in welke mate sprake is van een stijging van het aantal topfunctionarissen binnen de reikwijdte van de WNT voor geheel Nederland.
Deelt u de mening dat het schandalig is dat zorgbestuurders zichzelf jaar in jaar uit dergelijke riante beloningen blijven uitbetalen?
De Governancecode kent geen bepalingen over de hoogte van de beloning van zorgbestuurders. De normen voor wat de regering een acceptabele beloning vindt voor topfunctionarissen zijn vastgelegd in de WNT. De WNT heeft tot doel om bovenmatige bezoldigingen en ontslagvergoedingen in de publieke en semipublieke sector tegen te gaan.
Toont dit niet aan dat de Governance Code niet werkt, nooit gewerkt heeft en nooit gaat werken om de graaiers in de zorgsector aan te pakken?
Zie antwoord vraag 3.
Welke actie gaat u ondernemen tegen de zorgbestuurders die meer verdienen dan de Balkenendenorm?
Zoals bij de antwoorden op vraag 1 en 2 gemeld is de WNT met ingang van 2013 in werking getreden en zal op grond van het overgangsrecht vanaf 1 januari 2017 voor het eerst sprake zijn van een afbouw van de topinkomens naar de in de wet opgenomen normbedragen. Bij overtredingen zal de toezichthouder op de WNT in de zorg, het CIBG, de wet handhaven.
De aanstaande voorkeurspeiling onder gedetineerden voor de vaststelling van het aanbod van geestelijke verzorging binnen justitiële inrichtingen |
|
Michiel van Nispen (SP), Kees Verhoeven (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat vanaf april 2017 een nieuwe voorkeurspeiling uitgaat binnen alle justitiële inrichtingen waarop de verdeling van geestelijke verzorging zal worden gebaseerd? Zo ja, op welke wijze bent u voornemens de voorkeurspeiling onder gedetineerden te laten uitvoeren?
In de Penitentiaire beginselenwet is opgenomen dat in elke justitiële inrichting voldoende geestelijke verzorging moet zijn, die zoveel mogelijk aansluit bij de godsdienst of levensovertuiging van de ingeslotenen. Hierbij dient overigens te worden aangetekend dat de religie of levensovertuiging waartoe men zichzelf rekent, niet automatisch ook de denominatie is waarvan men geestelijke verzorging wil ontvangen.
Alle ingeslotenen krijgen een formulier met daarop de vraag van welk type geestelijke verzorging zij gebruik zouden willen maken. Gekozen kan worden uit acht godsdiensten/levensbeschouwingen, de optie «anders, namelijk (ruimte om iets in te vullen)» en de optie «geen behoefte aan geestelijke verzorging». De voorkeurspeiling en de bijbehorende informatie is vertaald in 14 talen en dus zeer laagdrempelig voor alle ingeslotenen.
Dit jaar is, in tegenstelling tot voorgaande peilingen, gekozen voor een uitvraag onder alle ingeslotenen, zodat een volledig beeld ontstaat aan welke geestelijke verzorging behoefte is. Naar aanleiding van de uitkomsten van de voorkeurspeiling wordt gekeken hoeveel geestelijk verzorgers per geloofsovertuiging/levensbeschouwing nodig zijn.
Deelt u de opvatting dat het bij de voorkeurspeiling van belang is zo duidelijk mogelijk te krijgen wat de behoefte is van de gedetineerden aan geestelijke bijstand, te meer omdat die bijstand kan bijdragen aan resocialisatie? Zo ja, hoe geeft u daaraan invulling in de voorkeurspeiling?
Zie antwoord vraag 1.
Herinnert u zich de Kamervragen naar aanleiding van een onderzoek van de Radboud Universiteit waaruit blijkt dat een groter aandeel van de gedetineerden dan uit de voorkeurspeiling bleek, niet godsdienstig is en bovendien niet alle gelovige gedetineerden specifiek behoefte hebben aan godsdienstige geestelijke verzorging?1 Hoe wordt bij de aanstaande voorkeurspeiling rekening gehouden met de behoefte van gedetineerden aan niet-godsdienstige geestelijke verzorging? Op welke wijze is voor gedetineerden in de voorkeurspeiling straks kenbaar dat naast het godsdienstige aanbod, het humanisme (als enige) een niet-godsdienstig aanbod betreft?
De betreffende Kamervragen en het onderzoek van de Radboud Universiteit zijn mij bekend.
Bij het formulier van de voorkeurspeiling treft de ingeslotene een informatiefolder aan waarin kort en duidelijk alle opties voor geestelijke verzorging worden toegelicht. Bij de Humanistische geestelijke verzorging is in de toelichting expliciet opgenomen dat het om een niet-godsdienstige levensbeschouwing gaat.
De voorkeurspeiling is als instrument bedoeld om de voorkeur voor geestelijke verzorging in beeld te brengen en betreft geen categorisering tot welke religie of levensbeschouwing men zichzelf rekent. Iedereen kan kiezen, godsdienstig of niet-godsdienstig, voor alle aanwezige geestelijke verzorgers.
Een toevoeging van de term niet-godsdienstig aan de antwoordkeuze humanistisch raadsman/raadsvrouw acht ik niet exclusief en daarom niet-passend, temeer daar andere stromingen ook hebben aangegeven zich niet-godsdienstig te achten (zoals het Boeddhisme).
Voorts hebben de ingeslotenen, zoals ik al aangaf bij mijn antwoord op de vragen 1 en 2, ook nog de ruimte om de optie «anders, namelijk (zelf invullen)» aan te kruisen en hier een toelichting op te geven.
Mocht dit tot een substantieel andere religie/levensbeschouwing leiden dan nu wordt aangeboden, dan kan het aanbod van geestelijk verzorging binnen de justitiële inrichtingen worden aangepast.
Voor de Joodse geestelijke verzorging is de toevoeging liberaal/traditioneel ter verduidelijking opgenomen in de voorkeurspeiling, omdat het hier twee stromingen binnen één geloof betreft.
Bent u ten behoeve van maximale duidelijkheid, bereid om in de voorkeurspeiling een nadere omschrijving achter humanisme toe te voegen, namelijk «niet-godsdienstig» zodat voor gedetineerden duidelijk is dat naast het aanbod van godsdienstige geestelijke verzorging, het humanisme (als enige in het aanbod) geen godsdienst betreft maar een levensovertuiging? Zo nee, kunt u toelichten waarom die toevoeging volgens u niet mogelijk is terwijl bijvoorbeeld bij de Joodse geestelijke verzorging wel twee verduidelijkende omschrijvingen zijn toegevoegd, namelijk «liberaal/traditioneel»?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u de Kamer bij beantwoording van deze vragen dan wel apart per brief nader informeren over de invulling en uitkomst van de voorkeurspeiling?
Ja, ik zal de resultaten van de voorkeurspeiling met DJI bespreken en daarna de Kamer informeren.
Het bericht dat kinderen en jongeren steeds slechter lezen |
|
Peter Kwint |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op de cijfers die voortkomen uit het rapport «Preventie door interventie» van de Stichting Lezen & Schrijven, namelijk dat één op de tien leerlingen in groep 8 van de basisschool, één op de zes onder de 15-jarigen en één op de drie op MBO-2 niveau het Nederlands niet voldoende beheersen?1
Ik heb kennis genomen van dit rapport. Laat ik voorop stellen dat ik laaggeletterdheid, in alle levensfasen, zeer serieus neem. Dat is ook de reden geweest dat ik samen met mijn collega’s van SZW en VWS de handen ineen heb geslagen om met een nieuw actieprogramma taalachterstanden en laaggeletterdheid en het voorkomen hiervan op school, binnen het gezin en op de werkvloer in samenhang aan te pakken. Dit actieprogramma, «Tel mee met Taal», is in 2016 van start gegaan. In het Algemeen Overleg met uw Kamer op 22 november jl. heb ik u verteld dat de eerste resultaten erop wijzen dat deze aanpak werkt. Niet eerder werden zoveel laaggeletterden bereikt met een cursus als in 2016. In de tweede helft van dit jaar ontvangt u de eerder door mij toegezegde tussenevaluatie van dit programma.
Een effectieve bestrijding van laaggeletterdheid vereist niet alleen dat steeds meer volwassenen met taal- en rekenproblemen zich laten bijscholen. Het begint met het voorkomen van laaggeletterdheid op school. Het rapport «Preventie door interventie» schetst wat dat betreft geen fraai beeld. Zonder het probleem van lage taalvaardigheid door scholieren en studenten te willen bagatelliseren, wil ik wel aangeven dat het rapport wat mij betreft een beeld schetst dat onvoldoende recht doet aan de werkelijkheid.
Voor wat betreft basisschoolleerlingen heeft het College voor Toetsen en Examens bijvoorbeeld laten zien dat in de afgelopen schooljaren slechts 1% van de basisschoolleerlingen op de Centrale Eindtoets voor lezen niet het vereiste niveau 1F behaalde. De conclusie van het rapport «Preventie door interventie» dat 10% van de leerlingen in groep 8 het Nederlands niet voldoende beheerst, lijkt te zijn gebaseerd op gegevens uit schooljaar 2014–2015, waarin ook deelnemers aan het speciaal basisonderwijs zijn meegenomen. Leerlingen in het speciaal basisonderwijs hebben vaak door specifieke cognitieve beperkingen veel meer moeite om niveau 1F te bereiken.2 Wanneer we naar de meest recente gegevens uit schooljaar 2015–2016 kijken voor het reguliere basisonderwijs, laten die gegevens geen achteruitgang zien. Zowel in 2015 als in 2016 beheerste 1% van de leerlingen in het reguliere basisonderwijs niet het vereiste niveau 1F. Daarbij bereikt zelfs 76% van alle leerlingen in het reguliere onderwijs al niveau 2F.
Ook de conclusies over de taalvaardigheid van middelbare scholieren verdienen enige nuancering. De leesvaardigheid van deze groep wordt gemeten in het internationale PISA onderzoek. Het percentage 15-jarigen dat onder niveau twee scoort, fluctueert. In 2003 was dit 11,5%, in 2006 15,1%, in 2009 14,3%, in 2012 13,8% en in 2015 17,9%. De toename tussen 2012 en 2015 wordt door Cito niet significant genoemd. Over de hele linie zijn de leesprestaties van 15-jarige leerlingen redelijk stabiel gebleken en scoren Nederlandse leerlingen binnen de OESO en de EU goed. In de meest recente meting (2015), bleek dat het niveau van geletterdheid voor jongeren in heel Europa daalde. De oorzaak hiervan wordt nader onderzocht. Zo wordt onder andere onderzocht wat de impact is van een wijziging in de afnamecondities van de toets: van papier naar digitaal. De Staatssecretaris verwacht deze zomer de eerste resultaten van dit onderzoek te kunnen melden.
Tot slot geldt ook voor de conclusies over de taalvaardigheid onder MBO-leerlingen dat ik deze niet goed kan plaatsen in het licht van bij mij bekende onderzoeksgegevens. Wanneer ik mij baseer op de meest recente gegevens van het College voor Toetsen en Examens over de resultaten van de centrale examens Nederlandse Taal in het MBO, constateer ik dat in het schooljaar 2015–2016 58% van de entreestudenten, 93% van de mbo-2-, 94% van de mbo-3- en 82% van de mbo-4-studenten een voldoende hebben gehaald. Het percentage ligt lager voor mbo-4 studenten omdat zij examen doen op niveau 3F.
Acht u het wenselijk dat deze kinderen en jongeren met een taalachterstand mogelijk de toekomstige laaggeletterden worden en daarmee hun kansen tijdens en na hun schoolperiode worden verkleind? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee, dit acht ik niet wenselijk. Daarom heeft het tegengaan van taalachterstanden, vanaf jonge leeftijd, mijn volle aandacht. Dit geldt ook voor de Staatssecretaris. Voor de maatregelen die ik heb genomen, verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 4.
Deelt u de urgentie om lage taalvaardigheid onder kinderen en jongeren tegen te gaan, om te voorkomen dat zij de toekomstige laaggeletterden worden? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot uw uitspraak «dat het niet waarschijnlijk is dat het aantal mensen dat moeilijk kan lezen en schrijven de komende jaren snel daalt»?2
Ja, ik deel deze urgentie. Laaggeletterdheid is echter een weerbarstig en complex probleem. Daarom wil ik waken voor onrealistische verwachtingen. Zo weten we dat taalvaardigheid in Nederland afneemt als gevolg van autonome ontwikkelingen zoals de vergrijzing en migratie.
Het minimale eindniveau van de inburgeringcursus is niveau A2 op het Europees referentiekader voor beheersing van taalvaardigheden. Dit niveau komt overeen met niveau 1F van het Nederlandse referentiekader voor taal en rekenen. Dit minimale eindniveau is bedoeld voor laagopgeleide inburgeraars. Volwassenen die hun inburgeringsexamen halen op dit minimale eindniveau kunnen hun taalbeheersing verder verbeteren. Dit kost echter tijd. Overigens wordt de middelbaar opgeleide inburgeraars geadviseerd om het staatsexamen programma 1 te volgen dat overeenkomt met niveau B1 op het Europees Referentiekader of met niveau 2F van het Nederlandse referentiekader. De hoger opgeleide inburgeraars wordt geadviseerd om het staatsexamen programma 2 te volgen dat overeenkomt met niveau B2 op het Europees Referentiekader of met niveau 3F van het Nederlandse referentiekader. De groep middelbaar en hoger opgeleide inburgeraars die het staatsexamen hebben behaald behoren dus niet tot de groep laaggeletterden.
Ook de vergrijzing heeft invloed op het aantal laaggeletterden in ons land. Naarmate mensen ouder worden, neemt hun taalvaardigheid doorgaans namelijk af.
Daarnaast geldt voor sommige laaggeletterden dat hun leerbaarheid beperkt is. Ze zullen wellicht nooit niveau 2F behalen. Ik heb uw Kamer toegezegd om een schatting te maken van de omvang van deze groep en zal hierop terugkomen in mijn brief met de tussenrapportage die u in de tweede helft van dit jaar ontvangt.
Tot slot blijft het een uitdaging om laaggeletterden te bereiken; vaak ervaren zij hun gebrekkige taalvaardigheid zelf niet als een probleem en weten zij zich met behulp van vrienden of familieleden te redden. Ook ervaren zij schaamte en worden zij door negatieve schoolervaringen geremd om op latere leeftijd weer te gaan leren. Ik zal over dit laatste in gesprek gaan met de PO-, VO- en MBO-raad en hierover berichten in de tussenrapportage. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Straus (Kamerstukken 28 760, nr. 65).
Ik onderschrijf dus ten volle de urgentie van het probleem, maar wil de verschillende groepen wel maatwerk kunnen bieden en geen onrealistische verwachtingen wekken. Hierbij hoort dus ook erkennen dat de aanpak van laaggeletterdheid veel meer vereist dan enkel sturen op afname van het aantal laaggeletterden. Daarmee doen we de complexiteit van het probleem en uiteindelijk ook de doelgroep tekort.
Welke acties heeft u de afgelopen kabinetsperiode ondernomen om laaggeletterdheid bij jongeren te voorkomen? In hoeverre hebben deze acties bijgedragen aan verbetering van de beheersing van de Nederlandse taal van deze jongeren?
De basis van het beleid is het voorkomen van laaggeletterdheid onder jongeren door taal- en rekenonderwijs in het onderwijs. Dat begint met het voorkomen van taalachterstanden in de vroeg- en voorschoolse educatie en loopt door tot en met het hoger onderwijs. In mijn kamerbrief over de rol van het onderwijs in het actieprogramma «Tel mee met Taal» van 28 januari 2016 ben ik hier al nader op ingegaan (Kamerstuk 28 760, nr. 52).
Uit de resultaten op de Centrale Eindtoets blijkt dat dit over het algemeen goed lukt. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 1 heb aangegeven, scoren nagenoeg alle leerlingen in het reguliere basisonderwijs aan het eind van groep acht voldoende op leesvaardigheid en taalverzorging.
Naast het onderwijs spelen echter ook andere partijen een rol in het voorkomen van laaggeletterdheid. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan bibliotheken, consultatiebureaus, kinderopvangorganisaties en gemeenten. Zij kunnen gezamenlijk taalachterstanden in een vroeg stadium identificeren en kinderen op een laagdrempelige manier bereiken, bijvoorbeeld via voorleesactiviteiten door de VoorleesExpress en initiatieven zoals Boekstart en de Bibliotheek op school. Met het programma «Tel mee met Taal» ondersteun ik deze organisaties met kennis en expertise via Stichting Lezen, de Koninklijke Bibliotheek en Stichting Lezen & Schrijven, en in voorkomende gevallen ook met stimuleringsbijdragen.
Sinds vorig jaar zet ik bovendien extra in op het vergroten van het bereik van programma’s zoals BoekStart onder laagtaalvaardige ouders. Juist deze groep heeft namelijk moeite om een educatieve thuisomgeving te bieden aan hun kinderen en om goed te communiceren met de (voor)school van hun kinderen. Dat heeft zijn weerslag op de taalontwikkeling van kinderen. Om te voorkomen dat laaggeletterdheid van generatie op generatie wordt doorgegeven, heb ik als onderdeel van het Actieplan Gelijke Kansen € 4 miljoen extra geïnvesteerd in programma’s om de taalvaardigheid van laaggeletterde ouders te verbeteren. Daarnaast trekt de Staatssecretaris structureel bijna € 15 miljoen per jaar extra uit voor zomerscholen en schakelprogramma’s in het primair en voortgezet onderwijs om alle kinderen en jongeren gelijke kansen te geven hun talenten maximaal te ontwikkelen.
In hoeverre heeft het gedecimeerde budget voor laaggeletterdheid vanuit de rijksoverheid – van meer dan 200 miljoen euro in 2008 naar 74,5 miljoen euro in 2016 – geleid tot een stijging van het aantal kinderen en jongeren met een lage taalvaardigheid?3
Het budget voor laaggeletterdheid is bedoeld voor volwassenen en niet voor kinderen en jongeren. De omvang van het budget voor laaggeletterdheid heeft dus geen directe relatie met de ontwikkeling in taalvaardigheid onder kinderen en jongeren. Ik merk ook op dat het budget voor de aanpak van laaggeletterdheid niet is verminderd van € 200 miljoen in 2008 naar € 74,5 miljoen in 2016. Het genoemde bedrag van € 200 miljoen in 2008 was namelijk inclusief de middelen voor voortgezet algemeen volwassenenonderwijs. Dit is vanaf 2013 onder directe aansturing van het Rijk gebracht en de middelen (€ 58 miljoen in 2013) staan nu apart op de begroting. Ook is van het budget van € 200 miljoen vanaf 2010 structureel € 50 miljoen ingezet voor extra taal- en rekenonderwijs in het mbo. Vanaf 2011 is door mijn voorganger tijdens het Kabinet Rutte I structureel € 35 miljoen op het budget gekort als bijdrage in het OCW aandeel in de Rijksbrede problematiek als gevolg van de economische recessie. Ik heb het totaalbudget, dankzij samenwerking met mijn collega’s van SZW en VWS, sinds 2016 weer verhoogd tot in totaal ruim € 75 miljoen per jaar.
Kunt u een duidelijk overzicht geven van waar het budget voor laaggeletterdheid exact aan is uitgegeven? Zo nee, waarom niet?
De ontwikkeling van het beschikbare budget in de afgelopen jaren is in onderstaande tabel weergegeven. Met het actieprogramma Tel mee met Taal zijn verschillende bestaande budgetten, zoals de middelen voor het Actieplan Laaggeletterdheid, de pilots Taal voor het Leven, het Actieplan Kunst van Lezen en de middelen voor enkele kleinere projecten, gebundeld in één programma, gericht op zowel de bestrijding van laaggeletterdheid bij volwassenen als het bevorderen van lezen en leesplezier bij kinderen. Daarnaast is dankzij de extra inzet van OCW, SZW en VWS het totaal beschikbare budget vanaf 2016 aanzienlijk toegenomen, tot ruim € 75 miljoen per jaar. Het overgrote deel van het budget, namelijk ruim € 57 miljoen is bestemd voor taal- en rekencursussen voor de doelgroep. Deze worden door gemeenten ingekocht.
Welke acties gaat u – gezien de zorgelijke cijfers – ondernemen om de beheersing van de Nederlandse taal onder schoolgaande jongeren te verbeteren en daarmee toekomstige laaggeletterdheid te voorkomen en bestrijden? Op welke termijn zullen deze acties worden ingezet?
In een eerdere Kamerbrief van 6 december 2016 heeft de Staatssecretaris enkele vervolgacties aangekondigd naar aanleiding van de laatste PISA rapportage, die eind vorig jaar beschikbaar is gekomen. Voor de zomer van 2017 komt hij met een voorstel hoe de (internationale) prestaties voor lezen verder verbeterd zouden kunnen worden. Hierbij wordt aangesloten bij lopende trajecten zoals de Lerarenagenda, het beleid rond kansengelijkheid, het plan van aanpak toptalenten en de curriculumherziening.
Ook starten dit jaar als onderdeel van de Gelijke Kansenaanpak binnen Tel mee met Taal aanvullende taalactiviteiten gericht op laagtaalvaardige ouders. Zo kan de vicieuze cirkel van laaggeletterdheid worden doorbroken en kunnen laagtaalvaardige ouders hun kinderen thuis beter ondersteunen.
Het bericht dat Berlijn zeer terughoudend is geworden met wapenexport naar Turkije |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de Duitse autoriteiten sinds de mislukte staatsgreep in Turkije zeer terughoudend zijn geworden in het afgeven van vergunningen voor wapenexport naar Turkije vanwege het risico dat de Turken wapens kunnen inzetten tegen de eigen burgerbevolking en in het conflict met Koerden in het Zuidoosten van het land?1 Zo ja, deelt de Nederlandse regering de Duitse afweging om zeer terughoudend te zijn met het verlenen van vergunningen voor wapenexportleveringen aan Turkije en op welke wijze wordt daar invulling aan gegeven?
Bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen toetsen alle EU-lidstaten deze aanvragen aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. De toetsing gebeurt op case-by-casebasis, waarbij rekening gehouden wordt met de aard van het goed, het eindgebruik en de eindgebruiker. Aangezien wapenexportcontrole raakt aan nationale veiligheid en dat een nationale bevoegdheid is, is het uiteindelijk aan de EU-lidstaten zelf om al dan niet een vergunning toe te kennen. In hoeverre Duitsland terughoudender is met betrekking tot het afgeven van wapenexportvergunningen aan Turkije is een aangelegenheid van de Duitse exportcontrole-autoriteiten.
Vanwege de situatie in zuidoost-Turkije toetst Nederland vergunningaanvragen voor exporten van militaire goederen naar Turkije reeds sinds lange tijd extra kritisch. Daarbij is met name aandacht voor de mensenrechtensituatie (criterium 2) en de interne situatie (criterium 3).
Hoeveel vergunningen zijn sinds de mislukte staatsgreep In Turkije door Nederland afgegeven dan wel afgewezen voor wapenexport naar Turkije? Wat voor soort wapenleveringen betreft het die zijn toegestaan dan wel afgewezen, en welke afwegingen zijn daarbij gemaakt op basis van de Europese criteria voor wapenexport?
Het kabinet publiceert maandelijks een overzicht van afgegeven vergunningen voor wapenexport. Deze maandrapportages zijn te vinden op de website van de rijksoverheid.2 In 2016 zijn vier vergunningaanvragen voor wapenexport naar Turkije afgewezen. Daarvan werden twee aanvragen afgewezen na de mislukte staatsgreep in de nacht van 15 op 16 juli 2016. In beide gevallen ging het om onderdelen van gevechtshelikopters.
Zoals gesteld in het antwoord op vraag 1 toetst Nederland vergunningaanvragen voor uitvoer van militaire goederen naar Turkije extra kritisch aan de acht criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport. Daarbij wordt met name gelet op de mensenrechtensituatie (criterium 2) en de interne situatie (criterium 3). Er wordt geen vergunning afgegeven wanneer een aanvraag de toetsing aan deze criteria niet doorstaat. Voor de hierboven genoemde afgewezen vergunningaanvragen geldt dat deze alle vier zijn afgewezen op basis van negatieve toetsing aan het criterium met betrekking tot de interne situatie (criterium 3).
Is sinds de mislukte staatsgreep in Turkije in Europees verband gesproken over wapenexport naar Turkije? Zo ja, zijn er meer lidstaten die op dezelfde gronden terughoudend zijn geworden in wapenexportleveringen naar Turkije? Zo ja, welke lidstaten betreft het en in hoeverre worden afwijzingen van leveringen aan Turkije op dit moment ook Europees geregistreerd?
Ja, sinds de couppoging in Turkije is er in Europees verband gesproken over wapenexport naar Turkije. Het algemene beeld is dat waar EU-lidstaten vergunningen hadden afgewezen, dat niet was gebaseerd op de couppoging van juli 2016, maar op inzetbaarheid van de goederen in de interne strijd in het zuidoosten van Turkije en het Turkse optreden bij politieke demonstraties. EU-lidstaten geven aan de aanvragen voor Turkije strikt en op case-by-case-basis te toetsen. Gezien de vertrouwelijkheid van deze besprekingen kan niet ingegaan worden op de posities van individuele EU-lidstaten.
Afwijzingen van vergunningaanvragen voor wapenexport (waaronder die naar Turkije) worden bijgehouden in een vertrouwelijke online EU denial database. Alle EU-lidstaten zijn verplicht afgewezen vergunningaanvragen en de criteria waarop de aanvragen zijn afgewezen te registreren. Nederland hecht veel waarde aan de online database en heeft zich sterk ingezet voor de vorming daarvan.
Deelt u de opvatting dat het gezien de toenemende escalaties vanuit Turkije richting Europa belangrijk is dat de Europese lidstaten gezamenlijk eenduidig Europees beleid ten aanzien van Turkije voeren zeker waar het risico’s betreft dat Europese wapens kunnen worden misbruikt voor oneigenlijke doeleinden? Zo ja, op welke wijze pakt u dit op korte termijn op in Europees verband?
Zoals aangegeven in de kabinetsreactie op de initiatiefnota van de leden Sjoerdsma en Servaes «Wapens en Principes. Ambities voor een geloofwaardig en geharmoniseerd wapenexportbeleid», streeft het kabinet binnen EU-Raadskader naar harmonisatie van het wapenexportbeleid. Tijdens discussies in Europees verband over wapenexport naar Turkije heeft Nederland aangegeven extra kritisch te toetsen op de criteria voor mensenrechten en intern conflict. Nederland riep daarmee andere EU-lidstaten op dit ook te doen. De beslissingen over vergunningaanvragen blijven echter, zoals vermeld in het antwoord op vraag 1, een nationale competentie. Het kabinet is geen voorstander van een unilateraal wapenembargo t.a.v. NAVO-bondgenoot Turkije. Uit de eerdergenoemde EU-besprekingen is daarnaast duidelijk gebleken dat er geen draagvlak is voor EU-brede wijzigingen in het wapenexportbeleid t.a.v. Turkije.
Zijn er buiten de Europese lidstaten ook andere NAVO-bondgenoten die om dezelfde redenen terughoudend zijn geworden in wapenleveringen aan Turkije? Wat betekent de terughoudendheid in wapenexportleveringen aan Turkije voor de relatie met Turkije binnen het NAVO-bondgenootschap?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1, is het uiteindelijk aan de staten zelf om al dan niet een vergunning toe te kennen. Dit geldt ook voor NAVO-bondgenoten die geen lid zijn van de EU. In hoeverre deze landen terughoudender zijn met betrekking tot het afgeven van wapenexportvergunningen aan Turkije is een aangelegenheid van hun nationale exportcontrole-autoriteiten. Het kabinet is van mening van Turkije een belangrijke bondgenoot binnen de NAVO is, mede in het licht van de vele veiligheidsdreigingen aan de zuidflank van het Bondgenootschap. Vraagstukken rondom wapenexportvergunningen hebben geen invloed op de samenwerking met Turkije binnen de NAVO.
De luxe reizen van ambtenaren die miljoenen euro’s kosten |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ambtenaren vliegen massaal business class, luxere reizen kosten miljoenen extra»?1
Ik heb hier kennis van genomen.
Is het waar dat veel ambtenaren van het Rijk business class vliegen op hun dienstreis in plaats van de reguliere economy class?
In de reisregeling is een urennorm opgenomen (zie de vraag hieronder). Wanneer een vliegreis 6 uur of langer duurt mag een ambtenaar business class vliegen. Dit is echter geen verplichting. Hoe vaak hiervan in 2017 gebruik is gemaakt is niet bekend.
Op basis van welke regeling vliegen deze ambtenaren business class tijdens een dienstreis?
Met ingang van 1 januari 2017 is het reisbeleid rijksbreed geharmoniseerd. Dit heeft geresulteerd in een wijziging van de Reisregeling buitenland. Hiermee wordt de ambtenaar in staat gesteld zowel na aankomst op de plaats van bestemming als na terugkomst in zijn woonplaats – en zo nodig tijdens de heen- en terugreis – zijn/haar werkzaamheden optimaal te verrichten en daarbij fit te zijn en te blijven. Korter durende reizen en reizen in het kader van een opleiding zijn altijd op basis van economy class.
Vanaf welke schaal / functie mogen ambtenaren business class vliegen tijdens een dienstreis?
In principe geldt de genoemde urennorm van 6 uur of meer voor alle ambtenaren die een dienstreis moeten maken ongeacht de functie of schaal. Er kan sprake zijn van een uitzondering vanwege bijvoorbeeld medische redenen.
Hoe past deze nieuwe regeling, die het mogelijk maakt dat veel ambtenaren business class vliegen tijdens hun dienstreis, in het kabinetsbeleid van «een sobere overheid»?2
Het uitgangspunt blijft dat de reizende ambtenaar in staat wordt gesteld om zijn werkzaamheden zowel na aankomst op de plaats van bestemming als na terugkomst optimaal te verrichten, en daarbij fit te zijn én te blijven. Tegelijkertijd zorgt het uniforme reisbeleid voor een kostenbewust, duurzaam en administratief eenvoudig beleid. Daarmee wil het Rijk werken als één concern, in binnen- én buitenland.
Kunt u in een tabel overzichtelijk aangeven hoeveel in de jaren 2012–2016 in totaal, per jaar, is uitgegeven aan dienstreizen voor ambtenaren van het Rijk?
De vraag wordt zo gelezen dat wordt gedoeld op buitenlandse dienstreizen. Helaas is het gevraagde overzicht maar gedeeltelijk te geven. De gegevens kunnen niet uit één bron worden betrokken, en zijn bij de verschillende departementen vaak niet apart en/of op verschillende wijzen geadministreerd. Hieronder vindt u een overzicht van wat over de gevraagde jaren met behulp van de administratie van de centrale reisagent wel kon worden gevonden, met de beperkingen van die cijfers daarbij aangegeven:
Kunt u aangeven hoeveel het business class vliegen door ambtenaren van het Rijks tijdens een dienstreis meer kost dan economy class vliegen?
Nee, prijzen verschillen per dienstreis en maatschappij.
Het tarief van tickets fluctueert dagelijks en er zijn diverse elementen die de prijs beïnvloeden, zoals het al of niet maken van een tussenstop of het gebruik maken van flexibele tickets.
Hoe wordt omgegaan met verzoeken van ambtenaren om economy class te vliegen? Is het aanvraagsysteem zo ingericht dat dit geen extra moeite oplevert ten opzichte van vliegen in business class? Zo nee, waarom niet?
Een ambtenaar kan in afwijking van het beleid kiezen voor economy class. De keuze is met één handeling te maken en kost geen extra moeite.
Kunt u aangeven hoe het beleid in Nederland ten aanzien van dienstreizen zich verhoudt tot het beleid hiertoe in de ons omringende landen? Valt er nog iets te leren van het beleid van de ons omringende landen?
Een vergelijking met de omringende landen is niet gemaakt en er is ook geen voornemen dat te doen. Het is de bedoeling dat het beleid is toegesneden op het zo goed mogelijk realiseren van de doelen zoals geschreven in het antwoord op vraag 5. Een vergelijking met buitenlands beleid is vanuit dat oogpunt minder van belang.
De toekomst van het Besthesdaziekenhuis in Hoogeveen en het Refaja ziekenhuis in Stadskanaal |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Ook CDA stelt Kamervragen over Bethesda»?1
Ja.
Welke veranderingen zijn er met betrekking tot het voortbestaan van de klinische verloskunde in de locaties Bethesda in Hoogeveen en Refaja in Stadskanaal, en het behoud van de level 3 spoedeisende hulp sinds de beantwoording van eerder gestelde vragen, die u op 24 februari 2017 heeft beantwoord?2
Partijen hebben laten weten dat er geen veranderingen zijn ten opzichte van wat de Minister van VWS u in de eerdere antwoorden heeft laten weten. Voor alle ziekenhuislocaties van de Treant Zorggroep (Bethesda in Hoogeveen, Refaja in Stadskanaal en Scheper in Emmen) geldt dat de klinische en acute verloskunde 24/7 voorhanden is. Ook de spoedzorg is en blijft 24 uur per dag, 7 dagen per week gewaarborgd.
Welke gevolgen heeft het verdwijnen van de afdeling oogheelkunde voor dergelijke ziekenhuizen? Wat betekent dit voor kwetsbare ouderen die afhankelijk van het openbaar vervoer in dit gebied zijn?
Treant Zorggroep heeft laten weten dat op de ziekenhuislocaties Refaja (Stadskanaal) en het Scheper (Emmen) een afdeling oogheelkunde aanwezig is. In het Bethesda (Hoogeveen) is dat niet meer het geval. De Treant Zorggroep geeft aan het liefst ook daar oogheelkundige zorg aan te bieden, maar dat het door schaarste aan oogartsen Treant Zorggroep tot nu toe niet gelukt is voor Hoogeveen geschikte specialisten te vinden. In Hoogeveen kunnen mensen overigens wel terecht bij een andere aanbieder van oogzorg (De Zonnestraal).
Op welke wijze heeft de Treant Zorggroep inmiddels aan uw verzoek gehoor gegeven om de dialoog met de zorgaanbieders, inwoners en andere betrokkenen in de regio aan te gaan over de voornemens tot wijziging van het profiel van de betreffende ziekenhuislocaties?
Treant Zorgroep heeft laten weten de komende maanden in gesprek te gaan met onder meer inwoners, gemeenten, huisartsen en verzekeraars. Zo is er voor de maanden april en mei een aantal bewonersbijeenkomsten gepland in het verzorgingsgebied van Treant Zorggroep. Via sociale media en de website van Treant Zorggroep kunnen inwoners ook deelnemen aan de dialoog. Ook zijn er gesprekken met gemeenten, huisartsen en verzekeraars gepland.
Overigens heeft Treant Zorgroep aangegeven niet van plan te zijn de profielen van de ziekenhuizen ingrijpend te veranderen. Concentratie van sommige vormen van complexe zorg is nodig om goede, bereikbare en betaalbare zorg te behouden voor de regio. Voornemen is basiszorg op alle locaties beschikbaar te houden en complexe zorg te concentreren op één van de locaties. Dat kan dus in Stadskanaal, Emmen of Hoogeveen zijn.
Deelt u de mening dat dit een permanente dialoog behoort te zijn, omdat zorg geleverd door de gemeente niet los kan worden gezien van de zorg die in een ziekenhuis wordt geboden?
Ja. Ik ben van mening dat zorgorganisaties continu in gesprek zouden moeten zijn met hun omgeving om ervoor te zorgen dat goede bereikbare en betaalbare zorg voor de regio behouden blijft. Daar dring ik ook altijd op aan als ik met partijen in gesprek ben.
Op welke wijze kan de Treant Zorggroep samen met de betrokken gemeenten, huisartsen en de zorgverzekeraar gezamenlijk een visie op de zorg in deze regio maken, omdat bij toenemende vergrijzing in dit gebied juist een optimale afstemming moet zijn tussen zorg in de buurt en ziekenhuiszorg?
Treant Zorggroep heeft aangegeven in 2015 een meerjarenbeleidsplan opgesteld te hebben in nauw overleg met stakeholders, waaronder gemeenten, zorgverzekeraars en huisartsen, waarin deze uitgangspunten benoemd worden. De verdere uitwerking van dit beleid in de keuze van welke zorg waar gegeven wordt, is in ontwikkeling. Daarvoor is Treant Zorggroep nu in gesprek met verschillende partijen om die regiovisie te maken. Ook de grootste zorgverzekeraar in de regio (Zilveren Kruis) heeft aangegeven de komende maanden een proces voor ogen te hebben waarbij samen met alle stakeholders wordt gekomen tot een duurzame inrichting van de zorg in de regio. Waarbij de blik breder dient te zijn dan alleen ziekenhuiszorg (naast drie ziekenhuislocaties heeft Treant Zorggroep overigens ook 17 woon- en zorglocaties). Relevante onderwerpen daarbij zijn bijvoorbeeld:
Welke vertegenwoordigers van het Regionaal Overleg Acute Zorgketen (ROAZ ketenpartners) zitten in de werkgroep die medio 2016 is ingesteld en die opdracht heeft gekregen om de onderliggende problematiek met betrekking tot de drukte in de acute zorgketen in Noord Nederland in kaart te brengen, te duiden en indien noodzakelijk een plan van aanpak te maken ter verbetering?3
Aan deze werkgroep nemen vertegenwoordigers deel van ziekenhuizen, regionale ambulancevoorzieningen (inclusief de meldkamer Noord Nederland), huisartsen, GGD/GHOR, verloskundigen, Zorgbelang en zorgverzekeraars. Het Acute Zorg Netwerk Noord Nederland heeft mij laten weten dat de komende periode de werkgroep zal worden aangevuld met vertegenwoordigers uit de sector verpleging, verzorging en thuiszorg.
Heeft bovengenoemde werkgroep de onderliggende problematiek inmiddels in kaart gebracht? Zo ja, wat waren de conclusies en aanbevelingen? Zo nee, wanneer wordt dit verwacht?
Het Acute Zorg Netwerk Noord Nederland heeft laten weten dat de ROAZ werkgroep Aanpak Acute Zorg volop actief is bij het in kaart brengen van de Acute Keten voor Kwetsbare Ouderen. De conclusies en aanbevelingen worden voor de zomer verwacht.
Zoals de Minister van VWS u per brief van 22 december jongstleden heeft aangegeven (Kamerstuk 29 247, nr. 226) zal het Landelijk Netwerk Acute Zorg (LNAZ) de Minister in mei 2017 informeren over de voortgang in de aanpak van de drukte op de SEH en in het bijzonder de acute zorg voor kwetsbare ouderen in de verschillende regio’s.
Een blogger uit Bangladesh die met de dood wordt bedreigd |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Sweden refuses protection to Bangladeshi blogger facing death threats»?1
Uit het artikel in Pen International van 23 februari jl. blijkt dat de Zweedse migratiedienst heeft besloten geen asiel te verlenen aan Mishu Dhar, een blogger uit Bangladesh. Een aanvraag tot asiel in een land valt onder de privacy wetgeving. Hierover doen autoriteiten geen uitspraken. De Nederlandse autoriteiten kunnen niet treden in de besluitvorming over individuele asielaanvragen in een ander land.
Bent u bekend met de huidige veiligheidssituatie van politieke activisten, waaronder bloggers, in Bangladesh? Kunt u toelichten in welke mate dergelijke journalisten gevaar lopen in Bangladesh?
In Bangladesh staan de fundamentele mensenrechten en vrijheden zoals het recht op vrijheid van meningsuiting, religie en seksuele oriëntatie onder druk door extremistisch geweld van aan Al-Qaeda geaffilieerde lokale groepen, zoals Ansar al-Islam. Sinds september 2015 vinden ook terroristische aanslagen plaats die door IS worden geclaimd. Daarnaast is er sprake van druk op de vrijheid van meningsuiting vanuit de overheid, vooral als kritiek wordt geleverd op de regering van Bangladesh. Extremistische en terroristische organisaties hebben sinds 2013 moorden opgeëist op meer dan 50 mensen. Slachtoffers waren onder meer seculiere/atheïstische bloggers, LHBT-activisten, religieuze minderheden en buitenlanders.
Is bij u bekend hoeveel mensen er vermoord zijn in Bangladesh sinds 2013 voor het uiten en publiceren van hun mening? Klopt het dat maar liefst 8 mensen vermoord zijn door extremistische groeperingen vanwege het uiten van hun mening?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het dat Bengaalse politieke leiders schrijvers hebben gewaarschuwd om niet te schrijven over onderwerpen die religieuze sentimenten kunnen bloot leggen?
Het is een zorgelijke ontwikkeling dat de vrijheid van meningsuiting in Bangladesh steeds meer onder druk is komen te staan. Dergelijke uitlatingen dragen niet bij aan een verbetering van de situatie. Het is belangrijk dat de regering van Bangladesh zich uitspreekt tegen intimidatie en geweld en zich inspant om de vrijheid van meningsuiting te bevorderen en burgers, inclusief bloggers, te beschermen tegen intimidatie. Nederland heeft de autoriteiten in Bangladesh dan ook bij verschillende gelegenheden hiertoe opgeroepen, ook op ministerieel niveau. De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Lilianne Ploumen, heeft de mensenrechtensituatie tijdens haar jaarlijkse bezoeken aan Bangladesh en in gesprekken onder andere aan de orde gesteld bij de Minister van Buitenlandse Zaken van Bangladesh, Minister Abul Hassan Mahmood Ali. Op hoog ambtelijk niveau stonden tijdens de bilaterale consultaties tussen Nederland en Bangladesh in mei 2016 eveneens de politieke en mensenrechtensituatie op de agenda. Tijdens het bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Bangladesh in oktober 2016 sprak hij met onder andere bloggers, journalisten en vertegenwoordigers uit de LHBT-gemeenschap en uitte hij zijn zorgen tegenover de Minister van Justitie, de adviseur van premier Sheikh Hasina en de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. De Nederlandse ambassadeur in Dhaka dringt bilateraal en in EU-verband herhaaldelijk aan op bescherming van de rechten van journalisten en bloggers in contacten met de autoriteiten. Ook werd eind 2016 tijdens het jaarlijkse EU-overleg met Bangladesh over goed bestuur en mensenrechten de verminderde vrijheid van meningsuiting en ontwikkelingen op het gebied van extremisme en terrorisme in Bangladesh aangekaart.
Klopt het dat als veiligheidsmaatregel de Bengaalse regering bloggers vertelt «dat ze over niet-politieke onderwerpen moeten schrijven en anders maar naar het buitenland moeten gaan»? Hoe beoordeelt u dergelijke maatregelen?
Zie antwoord vraag 4.
Zou u kunnen toelichten welke maatregelen de regering van Bangladesh neemt om politieke activisten te beschermen?
De regering van Bangladesh heeft aangekondigd een «zero-tolerance» beleid te hanteren ten aanzien van terrorisme en extremistisch geweld en zich in te spannen om bedreigde burgers te beschermen. Na een terroristische aanslag op een restaurant in de diplomatieke wijk in Dhaka op 1 juli 2016, waarbij 28 personen omkwamen (inclusief 17 buitenlanders) en een aanslag tijdens een viering van het suikerfeest enige dagen later, hebben de autoriteiten in Bangladesh diverse contra terrorisme operaties uitgevoerd en is men overgegaan tot een groot aantal arrestaties. Voor zover bekend hebben na eind juli 2016 geen aanslagen op bloggers of journalisten plaatsgevonden. (Online) bedreigingen met (fysiek) geweld richting bloggers en journalisten blijven echter voorkomen en de situatie als het gaat om de vrijheid van meningsuiting blijft dan ook zorgelijk.
Bent u van mening dat de Bengaalse autoriteiten in staat en bereid zijn om de veiligheid van Mishu Dhar te garanderen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De regering van Bangladesh heeft aangegeven zich in te spannen om bedreigde burgers te beschermen. Nederland heeft, ook samen met andere EU-landen, de autoriteiten opgeroepen mensenrechtenactivisten, journalisten en bloggers te beschermen tegen geweld en intimidatie. Voor zover kan worden nagegaan, verblijft Mishu Dhar nog steeds in het buitenland. Hij heeft geen contact gezocht met de Nederlandse ambassade in Dhaka. Ook in het verleden heeft Mishu Dhar geen contact gezocht met de Nederlandse vertegenwoordiging. Nederland zal bilateraal en in EU verband aandacht blijven vragen van de autoriteiten voor de rechten van mensenrechtenactivisten, journalisten en bloggers.
Is het bij u bekend hoe de Bengaalse autoriteiten de veiligheid van Mishu Dhar gaan garanderen? Zo ja, zou u kunnen toelichten welke maatregelen de autoriteiten hiertoe gaan nemen? Zo nee, bent u bereid om uit te zoeken hoe de Bengaalse autoriteiten Mishu Dhar willen beschermen?
Zie antwoord vraag 7.
Zou u kunnen toelichten wat u kunt en wil doen om de veiligheid van Mishu Dhar te garanderen?
Zie antwoord vraag 7.
Bent u bereid om in overleg met de Zweedse regering te bezien welke mogelijkheden er zijn om toch asiel te verlenen aan Mishu Dhar, zodat hij niet langere hoeft te vrezen voor zijn leven? Zo nee, bent u bereid te bezien of het mogelijk is hem via het Shelter City programma tijdelijk op te vangen?
Zoals in mijn antwoord op vraag 1 is aangegeven valt een aanvraag tot asiel onder de privacywetgeving. Hierover doen autoriteiten geen uitspraken. De Nederlandse autoriteiten kunnen niet treden in besluitvorming over individuele asielaanvragen in een ander land. Desgewenst kan Mishu Dhar een aanvraag voor het Shelter City programma indienen bij de coördinerende partnerorganisatie Justice & Peace. Deze aanvraag zal op zijn eigen merites worden beoordeeld. Het Shelter City programma is echter geen geschikt programma op het moment dat Mishu Dhar een langer verblijf dan drie maanden of een asielaanvraag in Nederland voor ogen heeft. Mocht Mishu Dhar dat willen, dan kan hij in contact worden gebracht met het EU-mensenrechtenverdedigersmechanisme ProtectDefenders, waarmee hij voor tijdelijke regionale relocatie in aanmerking kan worden gebracht.
De betrokkenheid van staatsbank Fortis bij omkoping van Italiaanse politici |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Waarom heeft de genationaliseerde Fortisbank geen melding gemaakt van de ongebruikelijke transacties van gokbaas Francesco Corallo, die mogelijk hebben gediend tot het omkopen van politici in Italië?1
Op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) zijn instellingen die onder de reikwijdte van de Wwft vallen – waaronder Nederlandse banken – onder meer verplicht om cliëntenonderzoek te verrichten en om ongebruikelijke transacties te melden aan de Financiële inlichtingen eenheid (hierna: FIU-Nederland). Het cliëntenonderzoek (ook wel «customer due diligence» (CDD) genaamd) omvat de identificatie en verificatie van cliënten, een risicobeoordeling van cliënten en de monitoring van transacties.
De beoordeling of in een specifiek geval door een Wwft-instelling de juiste procedures zijn gevolgd met betrekking tot het cliëntenonderzoek en het onverwijld melden van ongebruikelijke transacties, is aan de toezichthouder die belast is met het toezicht op de betreffende instelling. In het geval van banken is dat De Nederlandsche Bank (DNB); ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 3. Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) is belast met het Wwft-toezicht op accountants. Ook accountants vallen onder de werking van de Wwft en zijn derhalve verplicht om de bepalingen uit de Wwft na te leven.
Banken en overige Wwft-instellingen kennen op grond van de Wwft een geheimhoudingsplicht aangaande de meldingen die zij van ongebruikelijke transacties doen. Het staat banken, ongeacht of zij genationaliseerd zijn of niet, dan ook niet vrij mij – of een ander – te berichten over het al dan niet melden van ongebruikelijke transacties.
Welke wettelijke verplichtingen had Fortisbank in dit kader en hoe heeft de staatsbank hieraan voldaan? Bent u bereid te onderzoeken of hier de juiste procedures zijn gevolgd? Als dit het geval is, waarom heeft dit dan alsnog geleid tot verdachte betalingen? Als dit niet het geval is, wie moet dan verantwoordelijk worden gesteld voor dit falen?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u nader ingaan op de rol die de toezichthouder De Nederlandsche Bank NV (DNB) speelt wanneer het gaat om dit soort van ongebruikelijke transacties? Kunt u uitsluiten dat het toezicht door DNB in dit geval tekort is geschoten?
De toezichthoudende rol van DNB in het kader van de Wwft houdt in dat DNB kijkt naar de opzet, het bestaan en de werking van maatregelen die instellingen getroffen hebben ter naleving van de Wwft. Met betrekking tot ongebruikelijke transacties beoordeelt DNB of een instelling processen en procedures heeft om op adequate wijze transacties te monitoren en, indien het ongebruikelijke karakter van een transactie is vastgesteld, deze onverwijld te melden aan de FIU-Nederland. Op basis van waarnemingen stelt DNB vast of de instelling de juiste maatregelen heeft getroffen en onverwijld ongebruikelijke transacties heeft gemeld. Daar waar DNB tekortkomingen in de transactiemonitoring van instellingen aantreft dan wel ongebruikelijke transacties die niet (tijdig) zijn gemeld, kan DNB handhavende maatregelen nemen. Daarbij licht DNB de FIU-Nederland in als DNB bij het toezicht feiten ontdekt die kunnen duiden op witwassen of financieren van terrorisme. DNB kan geen uitspraken doen over het toezicht op individuele banken. Het blijft de eigen verantwoordelijkheid van een instelling om alle ongebruikelijke transacties te melden.
Gelet op mijn systeemverantwoordelijkheid als Minister – waarbij geldt dat ik in principe geen informatie over individuele onder toezicht staande instellingen van DNB ontvang – is het voor mij niet mogelijk om vragen over het toezicht in dit specifieke geval te beantwoorden.
Welke taak had accountant KPMG in dit kader en heeft deze accountant naar uw opvatting voldoende aan deze taak voldaan? Zo ja, waarom heeft dit dan alsnog geleid tot verdachte betalingen? Zo nee, wie moet in dat geval verantwoordelijk worden gesteld voor dit falen?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht “Boeterente aan banden” |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeterente aan banden»?1
Ja.
Uit het artikel blijkt dat er nog altijd hypotheekaanbieders zijn die te hoge kosten in rekening brengen bij het oversluiten van de hypotheek naar een lagere rente; kunt u dit bevestigen? Zo ja, om welke hypotheekaanbieders gaat het?
Op 14 juli 2016 is de Mortgage Credit Directive (MCD) geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. Hierin zijn regels geïntroduceerd over de kosten bij vervroegde aflossing op een hypotheek. Zo is onder andere bepaald dat kredietaanbieders voor vervroegde aflossing van het hypothecair krediet geen vergoeding mogen vragen die hoger is dan het financiële nadeel dat de aanbieder hierdoor lijdt. Deze regels zijn vastgelegd in het Besluit Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen (BGfo) en het Burgerlijk Wetboek (BW).
De nieuwe regels zijn sinds 14 juli 2016 bij de kredietaanbieders bekend. Hoe het financiële nadeel moet worden gedefinieerd en welke kosten als financieel nadeel mogen worden aangemerkt, wordt echter niet in de Europese richtlijn toegelicht. Hier is dus ruimte voor interpretatie. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) heeft vervolgens middels een leidraad op 20 maart jl. richting gegeven aan de wijze waarop het financieel nadeel bij vervroegde aflossing op adequate wijze door de kredietverstrekkers kan worden berekend.
Nu de AFM deze duidelijkheid heeft gegeven, zijn kredietaanbieders begonnen met het aanpassen van hun interne systemen, voor zover deze nog niet in lijn waren met de uitgangspunten van de AFM. In aanvulling hierop hebben de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) en het Verbond van Verzekeraars namens hun leden toegezegd alle klanten te zullen compenseren die sinds de inwerkingtreding van deze regels en op grond van de leidraad een te hoge vergoeding hebben betaald.
Nadat aanbieders hun interne systemen waar nodig hebben aangepast, zal de vergoeding op de juiste wijze worden berekend. Ik ga er dan ook vanuit dat er dan geen marktpartijen meer zijn die bij klanten meer in rekening brengen dan het financiële nadeel bij de berekening van de vergoeding bij vervroegd aflossen.
De AFM gaat in de tweede helft van dit jaar onderzoek doen naar de naleving van de regels over de kosten bij vervroegde aflossing en treedt handhavend op als aanbieders de wet overtreden.
Welke sancties kunnen hypotheekaanbieders die teveel boeterente in rekening hebben gebracht tegemoet zien?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u ervan dat dit probleem al in september 2016 bekend was en dat er kennelijk daarna alsnog consumenten zijn gedupeerd?2 3
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre worden consumenten automatisch gecompenseerd door hun hypotheekverstrekker en wat moeten zij doen als dat niet gebeurt? Hoe worden consumenten bereikt die niet automatisch gecompenseerd worden, maar er niet van op de hoogte zijn dat zij zijn gedupeerd?
De NVB en het Verbond van Verzekeraars hebben namens hun leden toegezegd dat klanten die op of na 14 juli 2016 hun hypotheek (deels) vervroegd hebben afgelost en hiervoor een vergoeding hebben moeten betalen, mogelijk recht hebben op compensatie. De aanbieders zullen deze klanten proactief benaderen en compenseren. Ook klanten die niet weten dat ze mogelijk teveel hebben betaald, zullen worden benaderd door hun kredietverstrekker of adviseur.
Klopt het dat alleen teveel betaalde boeterente van na 14 juli 2016 wordt terugbetaald? Zo ja, wat vindt u hiervan? Deelt u de mening dat ook teveel betaalde boeterente van voor 14 juli 2016 vergoed moet worden? Hoe verhoudt het niet vergoeden van eerder teveel in rekening gebrachte boeterente zich tot de zorgplicht en normale, ethische omgangsvormen?
Vervroegde aflossingen van vóór 14 juli 2016 vallen niet onder reikwijdte van de implementatie van de MCD in het BGfo en het BW. Indien een consument van mening is dat er indertijd teveel vergoeding in rekening is gebracht, zal dit door het Kifid of de rechter moeten worden getoetst aan de hand van de hypotheekvoorwaarden, de gedragscode hypothecaire financieringen (GHF) en de toen geldende bepalingen uit het Bgfo en het Burgerlijk Wetboek (BW).
Het staat kredietaanbieders uiteraard vrij om gehoor te geven aan de oproep van onder andere Vereniging Eigen Huis en de Consumentenbond om ook klanten te compenseren die voor 14 juli 2016 extra hebben afgelost op hun hypotheek, maar ik kan de kredietaanbieders hier niet toe dwingen.
Wat gaan banken doen om te verzekeren dat er vanaf nu geen consumenten meer benadeeld worden door te hoge boeterente?
Zoals in antwoord op vraag 2 is aangegeven, hebben de NVB en het Verbond van Verzekeraars namens hun leden toegezegd de leidraad van de AFM te zullen volgen en klanten die sinds de inwerkingtreding van de implementatie van de MCD teveel hebben betaald, te compenseren.
De AFM zal in het vierde kwartaal een onderzoek starten naar de naleving van de leidraad door de sector. Indien kredietaanbieders zich niet aan de bepalingen uit het BGfo houden, dan kan de AFM maatregelen treffen.
Betaalde boeterentes zijn aftrekbaar; wat zijn de fiscale consequenties voor individuen en de overheid van het terugbetalen van teveel in rekening gebrachte boeterentes?
De betaalde vergoeding bij vervroegde aflossing is aftrekbaar als er sprake is van «drukkende kosten». Daarvan is ook sprake bij te veel in rekening gebrachte kosten bij vervroegde aflossing waarvoor aan het einde van het betreffende belastingjaar niet definitief vaststond dat deze zou worden terugbetaald.
Consumenten die op of na 14 juli 2016 (deels) vervroegd hebben afgelost, hebben mogelijk een te hoge vergoeding aan hun kredietverstrekker betaald. Consumenten die tussen 14 juli 2016 en 31 december 2016 een te hoge vergoeding hebben betaald, hebben ook in hun aangifte over 2016 een te hoge aftrekpost opgenomen voor de betaalde vergoeding. Als deze consumenten later dit jaar het aan hun kredietverstrekker het teveel betaalde bedrag terugkrijgen, zal dit ook in hun belastingaangifte moeten worden gecorrigeerd. In 2017 zal in de aangifte over 2016 zekerheid worden verkregen over de te veel betaal vergoeding. Dit bedrag zal worden gecorrigeerd door het in de aangifte over 2016 aan te merken als negatieve aftrekbare kosten eigen woning. De Belastingdienst zal in haar communicatie in 2017 extra aandacht besteden aan dit onderwerp.
Voor de te veel betaalde vergoeding in het jaar 2017 geldt dat reeds in 2017 zekerheid wordt verkregen over de terugbetaling. Bij in 2017 te veel betaalde vergoeding moet daarom reeds in de aangifte over het jaar 2017 rekening gehouden worden met de latere terugbetaling, waardoor in die aangifte alleen het terecht in rekening gebrachte vergoeding (betaalde vergoeding verminderd met de latere terugbetaling) wordt aangemerkt als drukkende kosten en aftrekbaar is.
De beveiliging van websites van Nederlandse ambassades |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving over de inadequate beveiliging van websites van Nederlandse ambassades?1 Klopt het dat de websites van de Nederlandse ambassades in Afghanistan, China, Egypte en Soedan nog altijd onvoldoende zijn beveiligd?
Nee, het klopt niet dat de websites van de Nederlandse ambassades in de vier genoemde landen nog altijd onvoldoende zijn beveiligd.
Op 4 april jongstleden zijn de nieuwe websites van het ministerie www.nederlandwereldwijd.nl en www.nederlandenu.nl gelanceerd, die onder andere de genoemde websites van de posten vervangen. Deze nieuwe sites gebruiken voor de beveiliging onder andere het HTTPS communicatieprotocol en dwingen het gebruik daarvan door de browsers van bezoekers af.
De berichtgeving betrof de constatering dat een groot percentage overheidswebsites voor hun beveiliging het HTTPS communicatieprotocol niet of niet goed ingericht hadden voor hun websites. Zie hiervoor tevens de beantwoording van de kamervragen van Amhaouch2 en Oosenburg/Kerstens3 eerder dit jaar.
De in de vragen genoemde websites maakten ten tijde van de berichtgeving niet voor alle pagina’s van de websites gebruik van het HTTPS communicatieprotocol en dwongen het gebruik daarvan ook niet af voor de browser van bezoekers. De noodzakelijk geachte mate van het beveiligen van de verbinding naar een overheidswebsite hangt af van de vraag of de website (persoons-) al dan niet gevoelige informatie uitwisselt. In de genoemde websites werd niet naar persoonsgevoelige informatie gevraagd, zodat het veiligheidsrisico gering was.
Het ministerie heeft recentelijk een omvangrijk project afgerond om de ruim 240 websites van de posten, waartoe de genoemde websites behoorden, te vervangen door twee nieuwe websites: www.nederlandwereldwijd.nl en www.nederlandenu.nl. De beveiliging van de nieuwe websites is ingericht conform de meest recente beveiligingseisen, inclusief het afdwingen van het HTTPS communicatieprotocol voor de gehele websites. Hiermee voldoen deze websites – ruim voor de deadline (eind 2017)die het Nationaal Beraad Digitale Overheid daarvoor vaststelde – aan de eis van het gebruiken van versleutelde verbindingen op overheidswebsites.
Wat zijn de risico's voor bezoekers van deze websites, aangezien er geen veilige verbinding via HTTPS tot stand kan worden gebracht omdat bezoekers worden terug verwezen naar een HTTP-website?2
HTTPS is een communicatieprotocol dat ervoor zorgt dat bezoekers de identiteit van de webserver / website kunnen controleren. Voorts beveiligt HTTPS de communicatie tussen de webserver en de browser door deze te versleutelen. Het protocol beveiligt in belangrijke mate tegen het afluisteren en het manipuleren van de communicatie tussen de webserver en de browser.
Het risico voor de bezoekers van een website zonder HTTPS is beperkt indien er geen (persoons-)vertrouwelijke informatie wordt uitgewisseld, zoals bij de betreffende websites het geval was.
Klopt het dat deze risico’s al enige tijd bekend zijn bij uw ministerie en dat bezoekers al maanden onnodig veel risico lopen?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer verwacht u een oplossing te hebben voor het beveiligingsprobleem?
Zie antwoord vraag 1.