Stijgende winsten en haperende investeringen |
|
Renske Leijten , Maarten Hijink (SP) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel van econoom Aldert Boonen over achterblijvende investeringen door het bedrijfsleven, terwijl de winsten stijgen?1
We hebben kennis genomen van het artikel. Zie het antwoord op onderstaande vragen voor onze reactie.
Deelt u de mening dat de grondslag waarover vennootschapsbelasting wordt geheven groter is geworden vanwege de lagere rentequote, en dat dit logischerwijs zou moeten leiden tot hogere inkomsten? Kunt u de ontwikkeling in de stijging van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting sinds de lage rentestand weergeven?
Een lagere rente verlaagt de kosten van bedrijven die vreemd vermogen aantrekken, wat ceteris paribus zorgt voor hogere vpb-ontvangsten. Tegelijkertijd is het niet realistisch om er vanuit te gaan dat al het overige wat de winsten van bedrijven raakt gelijk blijft gedurende de lange reeks van jaren die in het artikel bezien wordt. De winstgevendheid van bedrijven wordt door tal van factoren beïnvloed en is sterk conjunctuurgevoelig. Ook speelt bijvoorbeeld de omvang van de zogenoemde «compensabele verliezen» – bedrijven hebben de mogelijkheid van voorwenteling (carry forward) en terugwenteling (carry back) van fiscale verliezen uit het ene jaar met belastbare winst uit het andere jaar – een grote rol bij de omvang van de in de kas gerealiseerde vpb-ontvangsten.
Onderstaande figuur toont de vpb-ontvangsten (uitgezonderd de vpb op gas) als percentage van het bbp sinds 2001. Op basis van deze figuur kan niet geconcludeerd worden dat de vpb-ontvangsten structureel gedaald zijn. In nominale termen is in 2016 met 20,7 miljard euro zelfs sprake van de hoogste opbrengst ooit gerealiseerd. De stelling dat de dalende opbrengsten een dalende werkgelegenheid tot gevolg hebben is dan ook niet aan de orde.
Hoe verklaart u dat de netto investeringsquote nu lager ligt dan eind jaren »90, terwijl de winstquote in diezelfde periode bijna is verdubbeld? Wat zegt dit over het uitgangspunt dat een hoger rendement voor kapitaalverstrekkers leidt tot extra investeringen? Is dit uitgangspunt nog houdbaar in uw ogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn verschillende mogelijke verklaringen voor het feit dat de investeringsquote nu lager is dan eind jaren »90 bij een oplopende winstquote. Ten eerste is er een prijseffect. De netto-investeringsquote wordt bepaald door de nominale waarde van de netto investeringen te delen door de nominale waarde van de netto toegevoegde waarde. Door prijsdalingen van machines en ICT-apparatuur neemt de nominale investeringsquote af. Ten tweede was er eind jaren »90 sprake van hoogconjunctuur en werd er veel geïnvesteerd in UMTS-licenties2. Sinds het knappen van de internetbubbel (2001–2015) bedraagt de netto investeringsquote gemiddeld 2,2%. In 2015 lag de netto investeringsquote met 2,7% daarboven. Over deze periode bezien is de netto investeringsquote anno 2015 dus niet laag. De derde verklaring is meer statistisch van aard. De sector niet-financiële bedrijven heeft in Nederland een forse netto-investeringspositie ontwikkeld3. De buitenlandse winsten van Nederlandse bedrijven die daaruit voortkomen zitten wel in de winstquote, maar de investeringen van deze bedrijven buiten de landsgrenzen komen niet terug in de investeringsquote. Was dit wel het geval, dan was het verschil tussen de winstquote en de investeringsquote zoals geconstateerd in het artikel dus minder groot. Tot slot geldt dat immateriële activa een steeds grotere rol gaan spelen in het productieproces van de Nederlandse economie, maar dat de investeringen daarin slechts ten dele gemeten worden in de Nationale Rekeningen.
Laten de investeringsquote en winstquote in andere landen soortgelijke trends zien? Zo nee, hoe verklaart u dit verschil?
Vanwege definitieverschillen is het niet mogelijk om de netto investeringsquote en winstquote als percentage van de netto toegevoegde waarde in andere landen een-op-een te vergelijken met de Nederlandse cijfers. De netto toegevoegde waarde (waar de investeringsquote en winstquote op zijn gebaseerd) is namelijk exclusief afschrijvingen, die per land anders worden berekend. De bruto investeringsquote (de netto investeringsquote plus afschrijvingen) is beter vergelijkbaar en verschilt niet significant van die in de Europese Unie of de Verenigde Staten (zie antwoord vraag 8). In 2016 lag de bruto investeringsquote in Nederland met 17% op het gemiddelde van de periode 2001–2015.
Acht u, gezien bovenstaande, een verlaging van de vennootschapsbelasting een effectieve manier om investeringen aan te jagen? Zo ja, hoe beargumenteert u dat?
Zie antwoord vraag 2.
Welke andere mogelijkheden heeft u om investeringen door het bedrijfsleven te bevorderen? Gaat u deze benutten? Kunt u uw antwoord toelichten?
De keuze voor investeringen is primair een beslissing van bedrijven zelf. Overheidsbeleid kan hier wel invloed op uitoefenen, bijvoorbeeld door aan te grijpen op eventuele marktfalens. In het algemeen wordt het Nederlandse investeringsklimaat als gunstig beschouwd. In de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum staat Nederland bijvoorbeeld op de 4e plaats. Bestaande beleidsinstrumenten op het gebied van innovatie, financiering, duurzaamheid en fiscaliteit stimuleren bedrijfsinvesteringen. Daarnaast heeft het kabinet dit voorjaar besloten tot de oprichting van Invest-NL.4 Het is aan een volgend kabinet om te besluiten over eventuele maatregelen om investeringen door het bedrijfsleven verder te bevorderen.
Wat is uw reactie op de stelling dat dalende opbrengsten uit de vennootschapsbelasting een dalende werkgelegenheid tot gevolg hebben? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Welke verklaring heeft u voor het feit dat Nederlandse bedrijven voorzichtiger zijn met investeren dan Europese en Amerikaanse bedrijven?
Uit data van de Wereldbank blijkt dat er geen significante verschillen zijn in het gemiddelde aandeel van de investeringen in het bbp tussen Nederland, de Verenigde Staten, en de Europese Unie als geheel.
Erkent u dat de lonen in Nederland achterblijven en daarmee ook de vraag? Zou dit een verklaring kunnen zijn voor het uitblijven van investeringen?2
In theorie kunnen hogere lonen op korte termijn leiden tot een hogere vraag van consumenten, maar is niet duidelijk wat het effect op investeringen is. Dat hangt onder andere af van de winstgevendheid van bedrijven. Op de lange termijn is het gezond als de reële lonen en productiviteit ongeveer gelijk opgaan, en op basis van CPB-cijfers was dat in de periode 1970–2012 het geval. Volgens het Centraal Economisch Plan 2017 nemen de reële lonen dit jaar en volgend jaar iets harder toe dan de productiviteit. Een andere indicator die informatie biedt over de loonontwikkeling is de arbeidsinkomensquote (aiq). Volgens de nieuwe aiq-definitie van CBS, DNB en CPB lag de aiq in 2015 iets onder het langjarig gemiddelde. Volgens het CEP zal de aiq dit jaar en volgend jaar toenemen. Het is aannemelijk dat de loondruk toeneemt bij een verdere daling van de werkloosheid, waardoor de lonen verder zullen stijgen.
Verwacht u dat de investeringen door bedrijven de komende tijd aanzienlijk zullen toenemen? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse economie heeft recent een periode afgesloten met forse inhaalgroei in de investeringen: in 2015 was zelfs sprake van een groei van de bedrijfsinvesteringen van 7,4% en in 2016 van 2,5%. Volgens de laatste ramingen van het Centraal Planbureau (CPB) zullen de bedrijfsinvesteringen dit jaar en volgend jaar met circa 2,5% toenemen. Het tempo van investeringsgroei is daarmee terug op het langjarig gemiddelde. De investeringsquote blijft daarbij stabiel en ligt momenteel iets boven het langjarig gemiddelde (sinds 2001). Uit recente cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat ondernemers in de industrie verwachten eind van dit jaar 15% meer te hebben geïnvesteerd dan een jaar eerder.
Volgt u de kapitaalstroom uit bedrijven in verband met de recente inzichten rond de omvangrijke offshore-constructies? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er vinden zeer veel kapitaalstromen plaats, zowel tussen bedrijven in Nederland als tussen Nederlandse en buitenlandse bedrijven. Wij monitoren deze stromen niet actief. Statistieken op dit terrein worden nauwkeurig bijgehouden door DNB. Het CPB heeft eerder aangegeven dat belastingverdragen een effect kunnen hebben op buitenlandse investeringen, maar dat het causale effect van verdragen op kapitaalstromen niet eenduidig te bepalen is.6 Daarbij geldt dat het hier gaat om het effect op macro-niveau; effecten op bedrijfsniveau zijn nog minder duidelijk te bepalen.
Het bericht dat gehandicapten een verklaring van een (onafhankelijk) arts nodig hebben om in attractiepark De Efteling gebruik te kunnen maken van de voorzieningen voor mensen met een beperking |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het AD: Boosheid om nieuw beleid Efteling: «Ik moet bewijzen dat ik gehandicapt ben.»?1
Ja.
Wat is uw reactie op het beleid van de Efteling om mensen met een handicap te vragen om een doktersverklaring te overleggen om gebruik te kunnen maken van de voorzieningen die het attractiepark aanbiedt voor mensen met een beperking?2 Acht u dit proportioneel? Hoe verhoudt dit beleid zich tot het onlangs geratificeerde VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap?
Uit navraag bij de Efteling blijkt dat zij, na een gesprek met mensen met een beperking, haar beleid inmiddels heeft aangepast. Het is niet langer verplicht voor mensen met een beperking om een doktersverklaring te overleggen. De Efteling beoogde met het vragen van een doktersverklaring misbruik van speciale faciliteiten voor bezoekers met een beperking door derden te voorkomen. Ook speelden veiligheidsaspecten een rol. Zo moet de Efteling waarborgen dat mensen met een beperking inclusief een begeleider, bijvoorbeeld in geval van een ontruiming, snel in en uit een attractie kunnen komen. Onbedoeld effect van dit beleid was dat de Efteling juist een drempel creëerde voor bezoekers met een beperking.
Het is terecht dat maatschappelijke organisaties zoals «Wij staan Op» dit onder de aandacht hebben gebracht. Het laat het van belang zien dat bedrijven en organisaties aan de voorkant, bij de ontwikkeling van beleid, het gesprek voeren met mensen met een beperking. Dit voorkomt dat onbedoelde effecten van beleid aan de achterkant moeten worden gerepareerd. Ik vind het positief dat de Efteling dit signaal snel heeft opgepakt en in korte tijd haar beleid heeft aangepast.
Dit soort praktijkvoorbeelden tonen de essentie van het VN Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap nogmaals aan. Uw Kamer heeft recent het implementatieplan ontvangen dat een gezamenlijke aanpak is van overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties om het hiertoe noodzakelijke leerproces in de samenleving vorm te geven.
Kunt u reageren op de uitspraak van een arts: «De KNMG, de beroepsvereniging van alle artsen, heeft er hele duidelijke richtlijnen voor geschreven. De verklaringen mogen niet uitgeschreven worden. Het brengt namelijk het beroepsgeheim in gevaar. Er zijn uitzonderingen, maar daar is in dit geval geen sprake van» zoals geciteerd in het AD-artikel?
De KNMG stelt zich op het standpunt dat medische verklaringen niet door de eigen behandelend arts mag worden afgegeven, waarbij hij/zij een oordeel geeft over de (medische) (on)geschiktheid van een patiënt om bepaalde dingen wel of niet te doen (3). Dergelijke verklaringen mogen wel door een onafhankelijke arts, dus niet-zijnde de behandelende arts, worden afgegeven.
Is bij u bekend welke kosten het verkrijgen van een dokterverklaring met zich meebrengt? Zo ja, hoe hoog zijn deze kosten? Worden artsen op deze wijze niet met onnodig extra werk opgezadeld?
De kosten van de dokterverklaring hangen samen met de tijd die ermee gemoeid is om de gestelde vragen te beantwoorden. Bepaalde verklaringen, zoals voor een invalidenparkeerkaart, worden frequent gevraagd. Voor een dergelijke verklaring zijn door de Nederlandse zorgautoriteit verschillende tarieven vastgesteld die uiteenlopen van circa 25 tot 50 euro. In het door de KNMG opgestelde «weigeringsbriefje» dat artsen ter uitleg aan hun eigen patiënten kunnen meegeven (4), staat een simpele en duidelijke suggestie hoe het ook anders kan: «U kunt navragen bij de instantie die een geneeskundige verklaring vraagt of u niet kunt volstaan met een verklaring van uzelf over uw gezondheidstoestand, eventueel in de vorm van een in te vullen vragenlijst.» Als een eigen verklaring ook bruikbaar is voor het gestelde doel, is een doktersverklaring niet nodig en hoeven geen onnodige kosten voor betrokkene worden gemaakt.
Is bij u bekend of ook andere pretparken of bedrijven een doktersverklaring vragen voor het gebruikmaken van voorzieningen voor mensen met een beperking? Bent u van mening dat het onwenselijk is dat pretparken, of andere bedrijven, hiervoor eigen beleid opstellen en (verschillende) eisen stellen aan mensen met een handicap?
Er is voor de beantwoording van deze vraag contact opgenomen met de vereniging van grote dagattractie bedrijven in Nederland (de Club van Elf). Zij hebben laten weten dat er vanuit de branche geen algemene richtlijn bestaat voor het vragen van een doktersverklaring voor het gebruikmaken van voorzieningen voor mensen met een beperking. Sommige leden doen het wel, anderen doen dat niet. Leden die een doktersverklaring vragen, maken hiervan melding op hun website. De vereniging heeft benadrukt dat de faciliteiten die gecreëerd worden voor mensen met een beperking maximaal beschikbaar moeten zijn voor mensen met een beperking en dat zij misbruik door derden willen voorkomen. Gelet op de recente aandacht voor dit thema, vindt binnenkort overleg plaats in het bestuur van de vereniging over de wenselijkheid van een algemene richtlijn voor de gehele branche. Dit is een goede ontwikkeling zolang daarbij ook afstemming plaats vindt met mensen met een beperking. Ik heb daar bij de vereniging ook op aangedrongen.
Het niet samengaan van massa-immigratie en onze verzorgingsstaat |
|
Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Stop massa-immigratie om verzorgingsstaat te behouden»1, waarin immigratiedeskundige Jan van de Beek (wiskundige en antropoloog) aantoont dat massa-immigratie en behoud van onze verzorgingsstaat een onmogelijke combinatie is?
Ja.
Erkent u dat het huidige open grenzenbeleid onhoudbaar is, mede gelet op de in genoemd bericht gestelde bevindingen dat de meeste bijstandsuitkeringen naar niet-westerse allochtonen gaan en dat het aantal asielzoekers dat onder Rutte II is binnengelaten maar liefst 70 miljard euro kost over de eerste twee generaties? Zo nee, waarom niet?
Graag verwijs ik u naar de beantwoording van de vragen van het lid Fritsma (PVV) van 17 juli 2009 over de kosten en opbrengsten van (niet-westerse) allochtonen (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2008–2009, nr. 3692). De toenmalige regering heeft geantwoord dat de overheid geen boekhouding bijhoudt van kosten en opbrengsten van groepen mensen in de samenleving, zoals allochtonen, autochtonen, gehandicapten, 65+-ers of welke categorie dan ook. Mensen laten zich immers niet reduceren tot een simpele optel- en aftreksom langs de meetlat van de euro. De overheid evalueert geen burgers, maar beleid. Ook wees de toenmalige regering erop dat herkomst een persoonsgegeven is dat, ingevolge de beginselen van de rechtstaat, niet relevant is voor de meeste beleidsterreinen.
Dit kabinet houdt eveneens geen boekhouding van (groepen) burgers bij. Om die reden kan het kabinet niet aangeven wat de kosten en baten zijn van houders van specifieke verblijfsstatussen of genaturaliseerde Nederlanders.
Kunt u inhoudelijk reageren op de bevindingen van genoemde deskundige en uitleggen waarom u tot nu toe weigert zelf inzicht te geven in de kosten van de massa-immigratie? Waarom mag de belastingbetaler niet weten hoe duur het multiculturele beleid is?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom blijft u een blanco- cheque uitschrijven voor de vele asielzoekers en migranten die naar ons land komen (ongeacht hoeveel het er zijn) en stelt u wel altijd grenzen aan bijvoorbeeld het geld dat naar onze eigen ouderen gaat? Waarom laat u de gewone Nederlanders in de steek met deze ridicule prioriteitsstelling?
Ik verwijs u naar de beantwoordingen van de vragen van de leden Wilders en Fritsma (beiden PVV) van 25 januari 2016 over het door het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) verzorgen van huur- en zorgtoeslag voor statushouders (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2015–2016, nr. 1579) waarin ik uw Kamer heb gemeld dat het uitgangspunt ligt in passende oplossingen waarbij de kosten voor de maatschappij zo laag mogelijk worden gehouden: sober en rechtvaardig. Hiertoe zijn afspraken gemaakt over concrete maatregelen over de uitbreiding van de (nood)opvangcapaciteit, de sluitende aanpak van de huisvesting en de investeringen in integratie en werktoeleiding.
Gezien de geschetste gang van zaken ben ik van mening dat er geen sprake is van een verschil in behandeling dat leidt tot benadeling van wie dan ook.
Realiseert u zich dat in Afrika een bevolkingsexplosie plaatsvindt en dat ook Nederland zal worden overspoeld door Afrikaanse migranten als u blijft slapen en geen maatregelen neemt?
Ik verwijs u naar de beantwoording van de vragen van de leden Wilders en Fritsma (beiden PVV) van 4 april 2017 Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 4897) over het bericht dat al een miljoen Afrikanen onderweg zijn.
Bent u bereid de Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en immigranten uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat ben ik niet. Opvang in de regio is voor het kabinet een belangrijk uitgangspunt bij het vormgeven van het asiel- en migratiebeleid. Dat is ook waarom het kabinet in grote mate (financieel) bijdraagt aan de opvang van vluchtelingen in de regio's van herkomst. Dat neemt niet weg dat Nederland op grond van internationale verplichtingen gehouden is om bescherming te bieden aan die asielzoekers die bescherming tegen vervolging of onmenselijk behandeling behoeven.
De berichten 'Cijfers onder de pet' en 'Stempel nationale veiligheid excuus' |
|
Lilian Helder (PVV), Sietse Fritsma (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Cijfers onder de pet» en «Stempel nationale veiligheid excuus»?1 Klopt de inhoud van deze berichten?
Met een beroep op de Wet Openbaarheid van Bestuur (WOB) heeft de Telegraaf op 6 februari 2017 gevraagd om cijfers over het aantal politieoptredens tegen migranten dat in 2016 per maand heeft plaatsgevonden, uitgesplitst naar de verblijfsstatus van de betrokken personen (verdachten dan wel staande gehouden personen), met daarbij de aard van de verdenkingen. Verder verzocht de Telegraaf om rapportages en andere beleidsstukken over dit onderwerp.
Op het WOB-verzoek van de Telegraaf heeft de politie geantwoord dat zij bij aanhoudingen en staandehoudingen de verblijfstatus van betrokkenen niet registreert. Dit feitelijk juiste gegeven is bepalend geweest voor een enge interpretatie en afdoening van het WOB verzoek. Een dergelijke interpretatie strookt niet met mijn beleid, en overigens ook dat van de korpschef, om WOB verzoeken – eventueel in overleg met verzoeker – ruim te interpreteren en waar mogelijk informatie te verstrekken.
Mede naar aanleiding van de publicaties van de Telegraaf heeft de politie in tweede instantie het WOB-verzoek breder geïnterpreteerd. Uit een daarop gevolgde naslag is gebleken dat er op basis van de wel beschikbare cijfers, nadere analyses zijn opgesteld die een relatie hebben met het WOB-verzoek. Om die reden beoordeelt de politie het WOB-verzoek met voorrang opnieuw.
Ik zal uw Kamer vanzelfsprekend informeren over de uitkomsten van deze beoordeling en de eventueel alsnog openbaar gemaakte documenten doen toekomen.
Het is te betreuren dat in de communicatie tussen de Telegraaf en de politie bij de krant het beeld is ontstaan dat men haar van publicatie wil afhouden. De korpschef heeft mij verzekerd dat dit nimmer de bedoeling was.
Deelt u de mening dat de Nederlandse bevolking in het algemeen en de Telegraaf in het bijzonder door of namens de nationale politie is voorgelogen door de mededeling dat geen gegevens worden verzameld over misdrijven gepleegd door asielzoekers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u daar aan doen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat deze gang van zaken de betrouwbaarheid en het gezag van de nationale politie aantast? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat ook burgemeesters in hun taakuitoefening worden belemmerd als zij dergelijke gegevens niet van de nationale politie krijgen, omdat de burgemeesters zo niet voldoende informatie hebben over het (eventuele) gevaar voor de openbare orde of de ingezetenen van hun gemeente? Zo ja, wat gaat u er aan doen? Zo nee, waarom niet?
Dat het gezag -waaronder de burgemeester- kan beschikken over de voor de uitoefening van zijn functie relevante informatie is wettelijk vastgelegd. Zoals van de politie verwacht mag worden, wordt alle relevante informatie met het gezag – waaronder de burgemeester – gedeeld. Dit zal veelal operationele informatie betreffen ten behoeve van een specifieke casus, maar kan ook overstijgende en statistische informatie zijn waarop lokaal beleid kan worden gebaseerd. Van dit laatste is het overzicht van incidenten rondom opvanglocaties van het COA dat de Staatssecretaris op 13 april 2017 aan uw Kamer heeft aangeboden een voorbeeld.2
Deelt u de mening dat informatie over de aard en omvang van criminaliteit per direct beschikbaar moet zijn voor belanghebbenden in het bijzonder en de Nederlandse bevolking in het algemeen? Zo nee, waarom niet?
Het informeren van uw Kamer en daarmee de Nederlandse samenleving, bijvoorbeeld over de aard en omvang en de resultaten van de aanpak van criminaliteit, zie ik als een belangrijk deel van mijn taak. Op tal van manieren geef ik hier dan ook actief invulling aan. Voor het (tijdig) delen van informatie met belanghebbenden ten behoeve van hun taak, of anderszins betrokken personen, gelden wettelijke regels. Informatie kan worden gedeeld, tenzij bepaalde belangen zich tegen (vroegtijdige) openbaarmaking of verstrekking van informatie verzetten.
Hoeveel criminele asielzoekers zijn er op dit moment in Nederland en hoeveel daarvan lopen (onverhoopt) nog vrij in de samenleving rond?
In algemene zin wordt hier dus geen zelfstandige registratie over bijgehouden. Het vergt het koppelen van verschillende gegevensbestanden om tot een inschatting te komen.
Er is een verschil tussen de politietaak bij de uitoefening van de basispolitiezorg en de specialistische taak van de politie in het kader van de Vreemdelingenwet. De verblijfstatus van een verdachte is geen standaard onderdeel van registratie voor de uitvoering van de eerstgenoemde taak. De Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) heeft in het kader van de vreemdelingenrechtelijke taak een aantal, bijzondere taken.
Vanuit de vreemdelingrechtelijke taak heeft de politie eigen informatie, alsook informatie van partners uit de vreemdelingenketen die noodzakelijk is voor de uitvoering van die taak. Deze informatie mag echter niet zonder meer gedeeld worden met politieambtenaren die niet belast zijn met het uitvoeren van de vreemdelingentaak, en wordt niet automatisch gekoppeld aan informatie waar de politie over beschikt in het kader van haar generieke taak. Politie kan deze gegevens wel gebruiken voor het maken van analyses en monitors.
Dat neemt niet weg dat er vanzelfsprekend wel degelijk scherpe aandacht is voor asielzoekers die strafbare feiten begaan. De te volgen werkwijze is vastgelegd in het protocol Vreemdeling in de strafrechtketen (VRIS-protocol). In 2015 zijn 1.830 overdrachtsdossiers aan de Dienst Terugkeer en Vertrek overgedragen als gevolg van een maatregel van bewaring of vanwege strafrechtelijke detentie.3 In 2016 waren dit er 1.810.
Deelt u de mening dat het nu opgevoerde excuus inhoudende het «belang van de opsporing» geen excuus is deze informatie helemaal niet te delen? Zo nee, waarom niet?
Het belang van de opsporing kan een geldige reden zijn om informatie niet te delen. Zolang geen specifieke informatie over lopende onderzoeken of specifieke personen wordt verstrekt, zal hyet opsporingsbelang in zijn algemeenheid onvoldoende reden zijn om helemaal geen informatie te delen. Bij de herbeoordeling van het WOB verzoek zal in deze zin het opsporingsbelang worden gewogen.
Kunt u er voor zorgen dat alle asielzoekers die een misdrijf hebben gepleegd nooit een verblijfsvergunning krijgen maar van straat worden gehaald en ons land worden uitgezet? Zo nee, waarom niet?
Nee, het wel of niet toekennen of intrekken van een verblijfsvergunning bij een misdrijf is afhankelijk van meerdere factoren, waaronder de aard van het misdrijf. Nederland dient in dit verband de internationale en Europese mensenrechtenverdragen te respecteren. In de Europese wetgeving is een ondergrens vastgesteld voor de situaties waarin een asielvergunning kan worden geweigerd of ingetrokken om redenen van openbare orde. Dit neemt niet weg dat het kabinet van mening is dat het vertonen van maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag zoveel mogelijk gevolgen moet hebben voor een verblijfsvergunning, ook als dat een asielvergunning is.4 Verder is een pakket aan maatregelen getroffen om te kunnen optreden in geval asielzoekers overlast veroorzaken.5
Bent u bereid de Nederlandse grenzen voor alle asielzoekers te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Afgezien van de vraag of het hermetisch afsluiten van de Nederlandse grenzen praktisch en juridisch haalbaar is, is het kabinet van mening dat deze schijnbaar simpele oplossing niet alle risico’s voor de samenleving zal wegnemen. In plaats daarvan neemt het kabinet, zowel bilateraal als in EU verband, een groot aantal maatregelen om de risico’s ten aanzien van de veiligheid in Nederland te beperken en waarbij Nederland, conform EU en internationale verplichtingen, ook bescherming kan bieden aan asielzoekers die deze bescherming daadwerkelijk nodig hebben.
De Alrijne ziekenhuizen die verlies draaien |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ziekenhuis in de rode cijfers: Alrijne neemt bijna niemand meer aan»?1
Alrijne heeft mij laten weten dat zij de afgelopen periode is geconfronteerd met financiële tegenvallers. De raad van bestuur neemt daarom maatregelen om de exploitatie van de ziekenhuizen weer in lijn te krijgen met de begroting. Dit past bij de verantwoordelijkheid die de raad van bestuur heeft voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. Wel mag de kwaliteit en veiligheid van de zorglening daarbij nooit in het geding komen. De Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) heeft mij laten weten de ontwikkelingen bij Alrijne te volgen en heeft de raad van bestuur van Alrijne inmiddels om een reactie gevraagd.
Komt er extra toezicht op de Alrijne ziekenhuizen nu deze in financiële moeilijkheden verkeren? Zo nee, waarom niet?
Financiële signalen kunnen voor de IGZ reden zijn om nadere vragen te stellen met betrekking tot de borging van de kwaliteit en veiligheid van de zorg.
De IGZ heeft dit ook hier gedaan.
Bent u bereid onderzoek te doen naar de tegenvallende resultaten en daarin de fusie van 2015 mee te nemen? Zo nee, waarom niet?
Ik zie geen aanleiding voor een dergelijk onderzoek. Het is de verantwoordelijkheid van de raad van bestuur van Alrijne om passende maatregelen te nemen en de organisatie financieel gezond te houden.
Bent u nog steeds voorstander van de constructie van het Medisch Specialistisch Bedrijf of bent u inmiddels ook van oordeel dat specialisten in loondienst een beter alternatief zijn?
De Minister heeft eerder richting uw Kamer aangegeven het loondienstmodel en het participatiemodel als stip op de horizon te zien. Beide modellen scheppen condities voor gelijkgerichtheid – en dus samenwerking – tussen ziekenhuisbestuur en medisch specialisten en tussen medisch specialisten onderling en zodoende goede en doelmatige patiëntenzorg. Het is aan ziekenhuizen en medisch specialisten samen om te overwegen welk besturingsmodel zij willen hanteren.
Deelt u de mening dat het uitblijven van investeringen risicovol kan zijn voor de patiëntveiligheid? Zo ja, wat kunt u daar aan doen? Zo nee, waarom niet?
Uit het persbericht van Alrijne Ziekenhuizen maak ik op dat enkel investeringen die niet strikt noodzakelijk zijn worden uitgesteld. Indien de patiëntveiligheid en/of kwaliteit van zorg naar oordeel van de IGZ op enig moment in het geding komen, zal de IGZ onverwijld maatregelen nemen.
De tekorten aan ambulancepersoneel |
|
Lilian Marijnissen , Nine Kooiman |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over het concept rapport dat voorstelt dat zorgverzekeraars de regie krijgen over de ambulancezorg omdat de onderzoekers vinden dat zorgverzekeraars de kwaliteit strenger bewaken en beter letten op de maatschappelijke kosten dan de overheid? Waarom heeft u verzuimd om alle scenario’s goed te laten onderzoeken?1
In opdracht van de Minister van VWS doet een adviesbureau momenteel onderzoek naar verschillende varianten voor de ordening van ambulancezorg. Het bureau definieert en onderzoekt negen varianten met vier verschillende regisseurs: de Minister van VWS, preferente zorgverzekeraar, GGD/GHOR en ROAZ. Die verschillende varianten worden onder meer getoetst op de vier punten zoals genoemd in de motie Wolbert2: hogere kwaliteit van ambulancezorg, betere samenwerking, snellere gegevensoverdracht en een stevigere borging van de positie van patiënten. Het rapport van het adviesbureau zal een expertadvies zijn.
Het onderzoek kent een begeleidingsgroep waarin Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN), het Landelijk Platform Ondernemingsraden Ambulance Zorg (LPOAZ), het Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) Patiëntenfederatie Nederland, AZN, KNV, Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), LNAZ, GGD/GHOR, InEen en de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA) participeren. De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV) maakte oorspronkelijk deel uit van de begeleidingsgroep, maar heeft zich daaruit begin april teruggetrokken.
Vanwege de demissionaire status van het kabinet zal ik niet ingaan op vragen over de wenselijkheid van marktwerking in de ambulancezorg. Zoals ook in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel tot verlenging en wijziging van de Tijdelijke wet ambulancezorg aangegeven, kan het volgende kabinet een afgewogen keuze maken en een wetsvoorstel ter zake indienen, waarna het aan de Staten-Generaal is of dat wetsvoorstel aangenomen wordt.3
Ziet u nu naar aanleiding van alle schokkende berichten ook in dat naar aanleiding van de grote problemen die spelen in de ambulancezorg marktwerking hiervoor geen oplossing is en dat ambulancezorg een publieke dienst behoort te zijn en te blijven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u het acceptabel dat er in de grote steden een groot tekort is aan ambulancepersoneel, waardoor de paraatheid in het geding raakt? Kunt u uw antwoord toelichten?2 3
De beschikbaarheid van kwalitatief goede acute zorg is van groot belang. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder om goede zorg te leveren en daarbij de continuïteit te waarborgen. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar om voldoende goede zorg in te kopen. De Inspectie voor de Gezondheidszorg en de Nederlandse Zorgautoriteit zien hierop toe.
De verantwoordelijkheid van zorgaanbieders voor het leveren van goede zorg is onafhankelijk van het soort dienstverband van het zorgpersoneel. Ook extern ingehuurd personeel moet bevoegd en bekwaam zijn. Ik heb kennis genomen van de mediaberichten van de FNV, waarin zij hun zorgen hebben geuit. Brancheorganisatie Ambulancezorg Nederland (AZN) heeft mij verzekerd dat er in alle regio’s op dit moment voldoende ambulancepersoneel beschikbaar is om goede ambulancezorg te leveren. Sommige leden van AZN hebben daarbij wel aangegeven dat het moeilijker wordt om de roosters in te vullen vanwege krapte op de arbeidsmarkt.
Vindt u het acceptabel dat roosters worden ingevuld met uitzendkrachten, die niet altijd de regio, materialen, lokale procedures kennen en vaak moeten werken met een partner op de ambulance die zij niet kennen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Vindt u het acceptabel dat ambulancemedewerkers onder een hoge werkdruk werken, niet altijd pauze krijgen en gedreigd is dat vakanties niet worden toegekend? Kunt u uw antwoord toelichten?
Vanzelfsprekend dienen werkgevers en werknemers zich te houden aan de bestaande regelgeving rond pauzes en verlof. Beheersing van de werkdruk is een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers gezamenlijk. Als de werkdruk structureel te hoog is, moeten werkgevers hun verantwoordelijkheid nemen. De Inspectie SZW houdt toezicht op naleving van de regels rond arbeidstijden en arbeidsomstandigheden.
Vindt u het acceptabel dat ambulancemedewerkers achterblijven in loon in vergelijking met hun collega’s in het ziekenhuis? Heeft dit naar uw mening op enig manier consequenties voor de kwaliteit van het werk en de zorg?
De primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden zijn onderwerp voor het CAO-overleg tussen werknemers en werkgevers. Ik kan en wil mij daar niet in mengen.
Vindt u het wenselijk dat vast personeel zich vaker laten inhuren door uitzendbureaus, omdat ze op korte termijn meer loon verdienen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is dat de arbeidsvoorwaarden voor vast personeel zo achterblijven dat het aanbod steeds verder achteruit gaat? Wat gaat u hieraan doen?
Zie antwoord vraag 6.
Hoe oordeelt u over de signalen dat de komende maanden er honderden uitgevallen (rooster)diensten zijn, dus uitgevallen ambulances? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Zoals eerder aangegeven, heeft AZN mij verzekerd dat er voldoende ambulancepersoneel beschikbaar is om goede ambulancezorg te leveren. Daarbij wordt erkend dat sommige leden van AZN het moeilijker vinden om de roosters te vullen.
Wat vindt u ervan dat door diverse Regionale Ambulancevoorzieningen (RAV) een inleenbehoefte is uitgezet van zo’n 25 tot 40 ambulances op Koningsdag, dat neerkomt op 7% a 10% van de ruim 400 ambulances die op een dergelijke feestdag normaliter gepland staan? Kunt u uw antwoord toelichten?5
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 3.
Verder kan ik erop wijzen dat de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) op 26 april jl. via een persbericht aangaf dat er op Koningsdag voldoende ambulances beschikbaar zouden zijn en dat ervan een onverantwoorde situatie geen sprake zou zijn.
Hoe oordeelt u over de onderbezetting op de meldkamers? Wat gaat u hieraan doen, ook gelet op de tekorten die eraan komen tijdens de zomerperiode? Kunt u uw antwoord toelichten?6
Uit navraag bij AZN is gebleken dat er bij haar geen signalen zijn over onderbezetting op de meldkamers. Verder heeft de directeur RAV Brabant MWN mij verzekerd dat de melding van een structurele onderbezetting op de meldkamer in Tilburg niet klopt.
Is u bekend hoe vaak het voorkomt dat er geen ambulances in regio’s beschikbaar zijn, terwijl dit wel noodzakelijk is? Zo ja, wilt u dit toelichten? Zo neen, bent u bereid in gesprek te gaan met ambulancemedewerkers en de meldkamer om hierover meer duidelijkheid te krijgen en de Kamer hierover te informeren?
Zoals reeds aangegeven, heb ik van AZN vernomen dat er in het gehele land voldoende ambulancepersoneel beschikbaar is om goede ambulancezorg te leveren. Het is de verantwoordelijkheid van de regionale ambulancevoorzieningen om goede zorg te leveren en daarbij de continuïteit te waarborgen. Het is de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraar om voldoende goede zorg in te kopen.
V&VN en FNV zijn gesprekspartners van VWS. Met de FNV is onlangs afgesproken dat er vervolgafspraken komen met medewerkers van mijn departement.
Hoe verhouden de aanrijtijden van 15 minuten zich tot de tekorten aan voldoende ambulancepersoneel, de inzet van uitzendkrachten en de concentratie van spoedeisende hulpposten? Kunt u garanderen dat de aanrijtijden nergens in het gedrang komen?
De afgelopen jaren is de productie van ambulanceritten gestegen en moet er dus ook extra (gespecialiseerd) personeel opgeleid worden. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft tien miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor de opleiding van nieuwe ambulanceverpleegkundigen in 2017.
De NZa houdt toezicht op de zorgplicht van zorgverzekeraars, zo ook op (de tijdigheid van) ambulancezorg. In 2016 heeft de NZa een onderzoek gedaan naar de normoverschrijdingen van de responstijden (ten minste 95% van de A1-meldingen moet binnen 15 minuten na aanname van de melding ter plaatse zijn). Op basis van dat onderzoek heeft de NZa geconcludeerd dat zorgverzekeraars zich nog onvoldoende realiseren dat het halen van de responstijden door de ambulance deel uitmaakt van hun zorgplicht. De NZa gaf daarbij aan dat er vooruitgang geboekt kan worden in de manier waarop zorgverzekeraars ambulancezorg inkopen en afspraken maken met de RAV’s. Dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraars en de RAV’s. De zorgverzekeraar zal zich in het kader van haar zorgplicht een oordeel moeten vormen over de oorzaak van de normoverschrijdingen en samen met de RAV een plan moeten maken om te komen tot een verbetering van de responstijden.
Naar aanleiding van de bevindingen uit het NZa-onderzoek hebben zorgverzekeraars verbeterplannen moeten aanleveren. In de verbeterplannen hebben de zorgverzekeraars onder andere aangegeven wat de oorzaken zijn van de normoverschrijdingen en welke acties zij samen met de ambulancediensten gaan ondernemen om de norm te verbeteren. De zorgverzekeraars leveren na de verbeterplannen ook voortgangsrapporten aan waarin zij rapporteren over de stand van zaken ten aanzien van de normtijden voor elke regio die onder de 95% presteert.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met ambulancemedewerkers en maatregelen te treffen om de tekorten aan ambulancepersoneel op te lossen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 12.
Een cocaïnebaron die zijn enkelband sloopt en vlucht. |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Cocaïnebaron sloopt enkelband en vlucht»?1
Ja.
Klopt het dat Cetin G., in december veroordeeld tot 12 jaar cel, spoorloos is omdat hij zich heeft ontdaan van zijn enkelband?
Betrokkene heeft zich in november 2016 ontdaan van zijn enkelband en is gevlucht. Hij staat (inter)nationaal gesignaleerd en wordt actief gezocht, maar is nog niet aangehouden.
Hoe bestaat het dat een verdachte in de grootste cokezaak ooit in ons land en zelfs de grootste cocaïnezaak uit de Europese geschiedenis zijn strafzaak mag afwachten met een enkelband, terwijl hij al eerder tijdens verlof vluchtte uit Brazilië en tijdens de schorsing van zijn voorlopige hechtenis doorging met zijn criminele activiteiten?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft zich steeds verzet tegen de schorsing juist vanwege het vluchtgevaar van betrokkene. Daarnaast heeft de reclassering in haar advies aangegeven dat vluchtgevaar een contra-indicatie is voor elektronische monitoring. Het wel of niet schorsen van de voorlopige hechtenis is echter een beslissing van de onafhankelijke rechter. Omdat het voorarrest al een jaar duurde en niet te voorzien was op welke termijn de inhoudelijke behandeling van de strafzaak zou gaan plaatsvinden, besloot de rechter in mei 2015 de hechtenis te schorsen onder de voorwaarden van een elektronisch gecontroleerd locatiegebod en een borgsom. Het past mij niet daar een oordeel over te geven.
Begrijpt u de frustratie van politie en justitie die jaren met dit soort zaken bezig zijn en vervolgens voor de zoveelste keer een opsporingsonderzoek naar deze crimineel moeten starten? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik begrijp deze frustratie. Op het moment dat betrokkene zijn enkelband verwijderde, werd er een melding gegenereerd. In reactie heeft de reclassering direct contact gezocht met de politie en het OM. Er is onmiddellijk gestart met de opsporing van de voortvluchtige, daarbij is onder meer het Fugitive Active Search Team (FAST NL) in actie gekomen. Dit politieteam richt zich onder leiding van het Landelijk Parket op de (internationale) opsporing van voortvluchtige justitiabelen. Dat heeft helaas nog niet tot resultaat gehad dat betrokkene kon worden aangehouden. Het OM en Reclassering Nederland (RN) stellen zich op het standpunt dat vluchtgevaar een contra-indicatie is voor elektronische monitoring én het schorsen van een voorlopige hechtenis. De rechter is echter onafhankelijk en kan, daarbij alles overwegende, anders beslissen.
Deelt u de mening dat dit niet alleen een klap is in het gezicht van politie en justitie, maar ook in dat van de samenleving/belastingbetaler die de opsporing bekostigen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat dit internationaal gezien een grote afgang is voor Nederland? Zo nee, waarom niet?
Dat iemand zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van zijn straf en vlucht is vanzelfsprekend uiterst onwenselijk. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 5.
Heeft de rechter zijn (beide) paspoort(en) ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De beslissing van de rechtbank behelsde een schorsing van de gevangenhouding onder bepaalde voorwaarden, waaronder een elektronisch gecontroleerd locatiegebod en het betalen van een borgsom van € 500.000. Betrokkene heeft zich gedurende anderhalf jaar aan deze schorsingsvoorwaarden gehouden. RN hield toezicht op de voorwaarden. Binnen het toezicht heeft RN een aanwijzing gegeven, inhoudende dat betrokkene zijn paspoort moest inleveren bij de politie. De aanwijzing is opgevolgd door betrokkene, maar heeft niet kunnen voorkomen dat betrokkene is gevlucht.
Ziet u nu in dat de enkelband geen geschikt middel is voor dit soort zaken en bent u bereid de enkelband af te schaffen? Zo nee, waarom niet?
De inzet van een enkelband wordt per casus zorgvuldig bekeken. Hiertoe wordt door de reclassering een advies uitgebracht op grond waarvan de rechter beslist om elektronische monitoring wel of niet in te zetten. De elektronische enkelband kan worden ingezet om de naleving van de door de rechter of het OM opgelegde vrijheidsbeperkende voorwaarden, die recidivevermindering en het beschermen van slachtoffers of nabestaanden tot doel hebben, te controleren. Gezien de vele voordelen die de inzet van de enkelband biedt om toezicht te houden en het feit dat uit onderzoek2 is gebleken dat het middel voldoende robuust is om op brede schaal in te zetten, acht ik het niet proportioneel om de enkelband af te schaffen.
Hoe gaat u in ieder geval per direct regelen dat de duur van het rechercheonderzoek voor dit soort grote criminelen er nooit toe kan leiden dat zij hun strafzaak met een enkelband mogen afwachten?
De duur van strafrechtelijk onderzoeken is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de complexiteit van de zaak en door de verdediging gewenste onderzoekshandelingen. Om die reden kan de duur per strafzaak verschillen. Na afronding van het strafrechtelijk onderzoek vindt de inhoudelijke behandeling bij de strafrechter plaats. Het is aan de onafhankelijke rechter om af te wegen of de duur van het onderzoek een reden is de voorlopige hechtenis alsnog te schorsen.
Export van trucks naar Soedan |
|
Sadet Karabulut |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u het rapport «New Sudanese Weapons in Blue Nile State»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren meerdere (oud-)legertrucks door Van Vliet Handelsonderneming B.V. aan Soedan zijn geleverd? Wat is de precieze omvang hiervan? Hebben ook andere ondernemingen in Nederland dergelijke trucks geleverd?
Zoals aangegeven in de beantwoording op vragen2 van de leden Sjoerdsma (D66) en Knops (CDA) is het kabinet bekend met het feit dat Van Vliet handelt in tweedehands (gedemilitariseerde) trucks en dat deze firma in 2014 en 2015 dergelijke trucks ook heeft geleverd aan Soedan, bestemd voor het opzetten van een vuilnisophaaldienst.
Aangezien het gedemilitariseerde trucks betrof, die niet meer over militaire specificaties beschikken, vielen voornoemde trucks niet onder de Nederlandse exportcontrole-regelgeving. Omdat er geen vergunningsplicht gold en omdat er sprake was van een private ontvanger, zijn de transacties niet aangemeld bij de Nederlandse exportcontrole-autoriteiten. Het exacte aantal verkochte trucks is derhalve niet bij deze autoriteiten bekend.
Om dezelfde reden heeft het kabinet geen totaaloverzicht van eventueel door andere Nederlandse firma’s geleverde trucks aan Soedan.
Is het waar dat de trucks nog altijd militaire kenmerken bezitten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wanneer een oud-legertruck gedemilitariseerd kan worden, beschikt het voertuig na demilitarisatie niet meer over militair-operationele relevante kenmerken.
Naar aanleiding van eerdere berichten over mogelijke overtredingen heeft de handhavingsdienst van de Douane eind 2015 een onderzoek ingesteld en geen overtredingen aangetroffen met betrekking tot onvoldoende gedemilitariseerde oud-legertrucks.
Zoals op 7 juli 2016 aangeven in de aanbiedingsbrief bij het jaarrapport over het Nederlandse wapenexportbeleid in 2015, is het exportbeleid voor oud-legertrucks per 1 september 2016 aangescherpt. Vóór 1 september 2016 gebruikte het kabinet in beginsel enkel eigenschappen die expliciet op de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen staan beschreven om aan te duiden of een voertuig speciaal voor militair gebruik was ontworpen. Sinds 1 september 2016 vallen legervoertuigen die speciaal voor het leger (of op verzoek van het leger) zijn ontworpen ook onder de vergunningplicht, zelfs wanneer de kenmerken van een dergelijk voertuig niet expliciet vermeld staan op de Gemeenschappelijke EU-lijst van militaire goederen. Wel dienen die eigenschappen militair-operationele relevantie te hebben.
Om te bepalen of een voertuig voor militair gebruik is ontworpen, neemt het Ministerie van Buitenlandse Zaken waar nodig contact op met overheidsinstanties in de landen waar de voertuigen geproduceerd zijn. Wanneer een voertuig speciaal voor militair gebruik is ontworpen, kan het in de praktijk veelal niet gedemilitariseerd worden en zal het voertuig vergunningplichtig blijven.
Het beleid voor voertuigen die voor militair gebruik zijn aangepast, verandert overigens door deze interpretatiewijziging niet. Mits deze aanpassingen voorafgaand aan de uitvoer zijn verwijderd, valt dit soort voertuigen niet onder de vergunningplicht.
Kunt u bevestigen dat de trucks in Soedan zijn ingezet in het gewapend conflict dat er woedt?
Het ministerie beschikt niet over eigenstandige informatie over de inzet van trucks in het gewapend conflict in Soedan.
Staat de export van (oud-)legertrucks op gespannen voet met het wapenembargo dat voor Soedan geldt? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het wapenembargo verbiedt de uitvoer van militaire voertuigen naar Soedan. (Oud-)legertrucks die niet gedemilitariseerd kunnen worden vallen te allen tijde onder het wapenembargo. (Oud-)legertrucks die wel gedemilitariseerd kunnen worden, waardoor een civiel voertuig overblijft, vallen niet onder het wapenembargo.
Ziet u aanleiding om exportcriteria aan Soedan aan te scherpen? Zo nee, waarom niet?
In 2016 zijn de exportcriteria betreffende oud-militaire voertuigen reeds verscherpt, zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Het bericht dat de wachttijden bij het CBR oplopen |
|
Cem Laçin |
|
Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat de wachttijden voor het praktijkexamen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheid (CBR) in Harderwijk, Zwolle en Apeldoorn toenemen?1
Het is me bekend dat de wachttijden bij het CBR op meerdere locaties de norm overschrijden. Deze ontwikkeling heeft zich het afgelopen jaar ingezet en zal het lopende jaar blijven optreden. Het CBR heeft me hierover geïnformeerd en aangegeven er alles aan te doen om de termijnen weer zo snel mogelijk op het gewenste niveau te krijgen.
Kunt u inzichtelijk maken waar de wachttijden voor het praktijkexamen nog meer de zeven weken overschrijden, of deze termijn dreigen te overschrijden? Bij welk percentage van het totaal aantal CBR-locaties speelt dit?
De reserveringstermijnen zijn continu in beweging, afhankelijk van de vraag. Het ene moment kan de termijn op 5 weken liggen en het andere moment op 4 of 6 weken. Het CBR communiceert wekelijks over de reserveringstermijnen via zijn site (https://www.cbr.nl/reserveringstermijn.pp) zodat de klanten een reëel beeld hebben van de mogelijkheden die hun rijschool beschikbaar heeft. Dat laatste helpt de rijschool bij het managen van verwachtingen in hun dienstverlening.
Wat zijn de oorzaken van deze toename van wachttijden en welke maatregelen heeft u getroffen, of bent u voornemens te treffen, om deze wachttijden in te dammen?
De aantrekkende economie zorgt ervoor dat veel meer mensen examen willen doen voor auto, bus, trekker en taxi dan de prognose was. Ook kunnen wijzigingen in regelgeving van invloed zijn zoals het vervallen van het vakbekwaamheidexamen voor de taxiondernemer in 2016. Daarnaast valt het aantal kandidaten voor het T-rijbewijs ongeveer 45% hoger uit dan mocht worden verwacht op basis van het aantal trekkercertificaten in het verleden.
Het CBR heeft vorig jaar al 60 examinatoren geworven. Dit jaar komen er nog eens 60 bij, die na een opleiding van 3 maanden (voor examinator auto-examen) of 9 maanden (voor examinator beroepsexamens) aan de slag kunnen. Daarnaast probeert CBR zoveel mogelijk examenkandidaten tegemoet te komen door over te werken. Met de capaciteitsuitbreiding hoopt CBR eind dit jaar voor de categorieën auto, motor en bromfiets weer binnen de afgesproken reserveringstermijnen te komen.
Welke maatregelen treft u om te voorkomen dat malafide rijschoolhouders deze situatie misbruiken?
In samenspraak met de vertegenwoordiging van de rijschoolbranche zijn door het CBR diverse maatregelen genomen om te zorgen voor een zo eerlijk mogelijke marktverdeling. Dit zijn maatregelen die gelden voor de gehele rijschoolbranche. De belangrijkste maatregelen zijn:
Wat is uw reactie op het voorstel van de BOVAG om voorrang te geven aan goed presterende rijscholen?2
Het CBR staat open voor deze suggestie. In april is dit ook aan de orde geweest tijdens overleg met de brancheverenigingen, het CBR en IBKI. Er is toen in een bredere context gesproken over professionalisering en betere dienstverlening aan de klant. Het CBR is in overleg met branchepartijen of en hoe dit vorm kan krijgen. Naar verwachting is deze verkenning in het najaar afgerond en zal het CBR mij daarover adviseren.
Het bericht 'Energielabel is waardeloos' |
|
Tom van der Lee (GL), Linda Voortman (GL) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Henk Kamp (minister economische zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis kunnen nemen van het artikel «Energielabel is waardeloos»?1
Ja.
Deelt u de kritiek van FedEC, de federatie van energieconsultants, op de opzet van het energielabel? Zo ja, wat gaat u doen om het energielabel te versterken? Zo nee, waarom niet?
De kritiek van FedEC deel ik niet. Het energielabel voor woningen heeft als doel om het bewustzijn over de energieprestaties van woningen te vergroten. Met het energielabel voor woningen worden op navolgbare wijze energetische kenmerken van een woning vastgelegd en vertaald in een labelletter. De bepalingsmethode NEN7120 met het bijbehorende Nader Voorschrift ligt zowel ten grondslag aan de berekening van de letter van het energielabel als het instrument dat de adviseurs gebruiken om de energetische kwaliteit van woningen te bepalen waar FedEC aan refereert, namelijk de Energie-Index (EI). De EI wordt vaak gebruikt voor het bepalen van de huur van huurwoningen onder de liberalisatiegrens met het woningwaarderingsstelsel. Voor de EI bepaalt de adviseur de invoergegevens van de circa 150 voor de berekening benodigde parameters. Het energielabel is op dezelfde parameters gebaseerd, maar is op verzoek van uw Kamer zo eenvoudig mogelijk en voor relatief lage kosten voor woningeigenaren vormgegeven. Bij het energielabel worden de parameters bepaald door gegevens die door de woningeigenaar worden aangeleverd (en gecontroleerd worden door een erkend deskundige) en door vooraf vastgestelde invoergegevens. De uitkomsten van de berekeningen van het energielabel en de EI liggen dicht bij elkaar. Uit onderzoek van DGMR (2014) blijkt dat in 92% van de gevallen de letter van het energielabel overeen komt met of één klasse verschilt van wat op basis van de EI zou worden verwacht.
In het verleden heeft de Europese Commissie Nederland ingebreke gesteld voor het niet volledig doorvoeren van de richtlijn voor het energielabel. Hoe verhoudt de kritiek van FedEC zich tot de eerdere ingebrekestelling door de Europese Commissie?
De kritiek van FedEC richt zich op de mate waarin het energielabel voor woningen de energetische prestaties van woningen weergeeft. De Europese Commissie toetst een juiste toepassing van de richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD) in twee fasen. Voor Nederland is de eerste fase van toetsing van implementatie van de richtlijn energieprestatie van gebouwen (EPBD) in februari 2016 afgerond, waarbij is gekeken of de richtlijn tijdig en juist is omgezet in nationaal recht. Op 22 juli 2016 heeft Nederland een ingebrekestelling ontvangen in het kader van fase twee van de toetsing waarbij wordt gekeken naar de tenuitvoerlegging in de praktijk. Deze ingebrekestelling heeft betrekking op onder andere het energielabel en in mijn reactie aan de Europese Commissie heb ik op dit punt aangegeven hoe de invoergegevens voor het energielabel worden vastgesteld, hoe de betrouwbaarheid van het label goed is geborgd, hoe de aanbevelingen voor energiebesparing voor de woning bij het energielabel tot stand komen en hoe ervoor gezorgd is dat deze aanbevelingen goed aansluiten bij de woning waarvoor de aanvraag voor het energielabel is ingediend. De Nederlandse reactie wordt op dit moment door de Europese Commissie bestudeerd. Over deze ingebrekestelling en het verdere proces is uw Kamer op 25 juli 2016 en 7 oktober 2016 geïnformeerd (Kamerstuk 30 196, nr. 469 en Kamerstuk 30 196, nr. 477).
Bent u bereid met FedEC en andere relevante stakeholders in gesprek te gaan over het versterken van het energielabel?
Ik voer met regelmaat gesprekken met diverse betrokken partijen over de werking en eventuele verbetermogelijkheden voor het energielabel. Vorig jaar is onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het energielabel. Daaruit bleek dat bij 86% van de energielabels na een heropname in de woning door een onafhankelijke onderzoeker de uitkomst van het label hetzelfde is, waarover uw Kamer bij brief van 17 maart 2016 is geïnformeerd (Kamerstuk 30 196, nr. 430). In de aanbiedingsbrief bij het rapport is aangegeven dat dit geen slecht resultaat is voor het eerste jaar van het label. Aan uw Kamer is toegezegd periodiek de betrouwbaarheid van het label voor woningen te onderzoeken en dit jaar ook een onderzoek te doen naar het effect van het label voor woningen. Ik verwacht u over beide onderzoeken na de zomer te kunnen informeren.
Deelt u de mening dat het zowel met het oog op klimaat als met het oog op de werkgelegenheid kansrijk is om werk te maken van energiebesparing in de gebouwde omgeving? Zo ja, wat gaat u doen om energiebesparing in de gebouwde omgeving te versnellen?
De ambities en context van de opgave voor energiebesparing in de gebouwde omgeving heeft het kabinet beschreven in de Energieagenda. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) concludeert in de recente doorrekening van de kosten van de energietransitie tot 2030 dat opties voor woningen en kantoren vrijwel allemaal relatief duur zijn, maar waarschuwt daarbij dat goedkoop op de lange termijn duurkoop kan zijn. De uitwerking van de Energieagenda is mede daardoor een grote en complexe opgave, waar de komende jaren inzet van vele partijen voor nodig is en goede afwegingen nodig zijn.
Er zijn al veel initiatieven en maatregelen genomen zoals de innovatieve aanpakken van gemeenten en bedrijven, de energieloketten, diverse financiële ondersteuningsmaatregelen en er is meer dwingende wetgeving in voorbereiding voor kantoren en huurwoningen.
Saoedi-Arabië dat is verkozen tot lid van de VN-vrouwenraad |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u verklaren waarom Saoedi-Arabië, waar kamelen beter worden behandeld dan vrouwen, is verkozen tot lid van de VN-vrouwenraad?1
De Commission on the Status of Women (CSW) is een sub-orgaan van de Economische en Sociale Raad van de VN (ECOSOC). Saoedi-Arabië kreeg eind vorige maand 47 van de 54 stemmen van de leden van de ECOSOC en werd daarmee verkozen als lid van de CSW. Nederland is momenteel geen lid van de ECOSOC en heeft dus geen stemrecht.
Kunt u nagaan welke Europese landen deze absurde benoeming hebben gesteund en bent u bereid deze landen daarop aan te spreken? Zo nee, waarom niet?
De stemming in de ECOSOC is geheim. Nederland kan landen daarom niet aanspreken op hun stemgedrag.
Heeft Nederland de benoeming van Saoedi-Arabië op enige wijze gesteund en/of gefaciliteerd?
Nee.
Deelt u de mening dat deze benoeming een klap in het gezicht is van de miljoenen vrouwen die gebukt gaan onder sharia wetgeving en, gevangen onder een islamitisch gewaad, van al hun vrijheden zijn beroofd?
In dit soort organen van de VN worden niet alleen maar gelijkgezinde landen verkozen. De vraag is of dat wenselijk zou zijn, mede gezien het universele lidmaatschap van de VN. De verkiezing van Saoedi-Arabië in de CSW biedt een extra mogelijkheid om dit land aan te spreken op de positie van vrouwen.
Bent u bereid om geen cent Nederlands belastinggeld meer te spenderen aan de uiterst ongeloofwaardige VN-mensenrechtenclubjes?
De CSW wordt niet direct door Nederland gefinancierd maar wordt bekostigd uit het bredere reguliere VN-budget.
De oproep om een gezonde voedselomgeving te bevorderen |
|
Tjeerd de Groot (D66), Paul van Meenen (D66), Antje Diertens (D66) |
|
Martijn van Dam (staatssecretaris economische zaken) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat vindt u van de oproep van 12 voedselwetenschappers gedaan in NRC Handelsblad van 25 april jl.?1
De boodschap van de briefschrijvers om de gezonde keuze de gemakkelijke keuze te willen laten zijn onderschrijf ik volledig. Dit betekent dat de omgeving daar een belangrijke rol in speelt. Het kabinet ondersteunt daarom de beschreven ambitie om een gezonde omgeving te bewerkstelligen volledig en zet zich hiervoor in (Landelijke nota gezondheidsbeleid, Kamerstuk 32 793, nr. 204 en Voedselagenda voor veilig, gezond en duurzaam voedsel, Kamerstuk 31 532, nr. 156). Zo zijn inmiddels al meer dan 120 gemeenten betrokken bij de «Jongeren Op Gezond Gewicht» aanpak om zich van daaruit in te zetten voor een gezondere omgeving.
Klopt het dat Dunkin’ Donuts het plan zou hebben vestigingen te openen in scholen en ziekenhuizen? Zijn bij u andere fastfoodketens met dergelijke voornemens bekend? Wat vindt u daarvan?
In het beleid voor een gezonde omgeving en een gezonde leefstijl voor kinderen en volwassenen wordt nauw samengewerkt met een groot aantal van de genoemde personen en organisaties. Zo werken de sectororganisaties van het onderwijs (de PO-, VO- en MBO raad) constructief samen met gezondheidsgerelateerde organisaties (o.a. GGD GHOR Nederland en het RIVM) op de ambities van Gezonde School (Kamerstuk 31 899, nr. 28). Met een aantal van de ondertekenaars is in dit kader ook gesproken over de invulling van het voedseleducatieprogramma Jong Leren Eten (Kamerstuk 31 532, nr. 169). Uiteraard zijn het Voedingscentrum, verschillende universiteiten en de VNG en verschillende ondertekenaars van de oproep als belangrijke partners nauw betrokken bij deze of andere programma’s gericht op een gezonde omgeving of een gezonde leefstijl.
Het is belangrijk dat wanneer een school inzet op gezonde voeding, dit op integrale wijze doet. De Gezonde School aanpak biedt hier handvatten voor. Voor het Voortgezet Onderwijs (VO) kan dit bijvoorbeeld betekenen om het eigen beleid en het aanbod in de schoolkantine te betrekken. Hierin is de afgelopen jaren veel bereikt: een aantal jaren terug was een gezonde kantine nog echt een uitzondering in het onderwijs. Door middel van expertise van het Voedingscentrum en nauwe betrokkenheid van het onderwijs zijn alle scholen inmiddels benaderd en geadviseerd. Dit heeft er toe geleid dat ongeveer een derde van de schoolkantines in het VO een gezonder aanbod heeft. En het blijft voorzien in een behoefte: alleen al in 2016 zijn 400 schoolkantines in het VO en MBO beloond met een schaal van het Voedingscentrum. Maar we zijn er nog niet: daarom zal ook hierop inzet gecontinueerd worden.
Hoe ziet u de eventuele vestiging van een fastfoodketen op een school in relatie tot de aangenomen motie over het gezond maken van alle schoolkantines per 1-1-20172?
Voor zover bekend is er momenteel geen sprake van een eventuele vestiging van Dunkin» Donuts of een (andere) fastfoodketen in scholen en ziekenhuizen.
Het beleid is, binnen verschillende domeinen, gericht op het stimuleren van een gezond aanbod in plaats van het voorkomen van bepaalde ketens. Hierbij wordt actief ingezet op het aansluiten bij de behoefte binnen die domeinen, zoals het onderwijs, sportverenigingen en catering. Dit vindt plaats via verschillende programma’s, zoals het brede programma Gezonde School, specifiek voor voeding Jong Leren Eten, het programma Gezonde Schoolkantine van het Voedingscentrum en het Akkoord Gezonde Voeding op Scholen en het programma Team: Fit van JOGG. De resultaten van deze programma’s laten zien dat deze aanpak werkt. In de beantwoording van vraag 2 heb ik aangegeven wat bereikt is op schoolkantines. Tevens laten cateraars en aanbodleverende partijen in het onderwijs zien dit thema ook belangrijk te vinden: een groot aantal partijen hebben zich gecommitteerd aan een gezond aanbod via het Akkoord Gezonde Voeding op Scholen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat een gezond voedingsaanbod voor leerlingen door scholen en aanbodleverende partijen juist als een belangrijk onderdeel van hun eigen verantwoordelijkheid wordt gezien.
Hoe verhoudt volgens u de slotverklaring van de Voedseltop – «We maken de gezonde keuze makkelijker en aantrekkelijk. Voor consumenten moet het mogelijk zijn om lekker en gezond te eten door gezond aanbod in de schappen van de supermarkt, in de horeca, in zorginstellingen, onderweg, op het werk, op school en bij de sportclub»3 – zich tot de in de oproep geuite trend?
Zie antwoord vraag 3.
De verkiezing van Saudi-Arabië als lid van de VN-commissie die zich bezighoudt met vrouwenrechten. |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de verkiezing van Saudi-Arabië als lid van de VN-commissie die zich bezighoudt met vrouwenrechten?1
Ja.
Wat is uw oordeel over de verkiezing van Saudi-Arabië als lid van de VN-commissie die zich bezighoudt met vrouwenrechten?
Nederland is voorstander van dialoog in VN-verband over belangrijke onderwerpen als vrouwenrechten met alle landen die lid zijn van de VN. De verkiezing van Saoedi-Arabië in de Commission on the Status of Women (CSW) van de VN, die normen op het gebied van vrouwenrechten vaststelt, biedt een extra mogelijkheid om Saoedi-Arabië aan te spreken op de positie van vrouwen.
Waarom is de stemming bij deze verkiezing geheim? Was Nederland een van de landen die bij de verkiezing heeft gestemd?
De CSW is een sub-orgaan van de Economische en Sociale Raad van de VN (ECOSOC). Alle stemmingen over kandidaturen in de ECOSOC zijn geheim. Nederland had geen stemrecht, omdat het momenteel geen lid is van de ECOSOC.
Welke andere landen waren kandidaat bij de verkiezingen?
In deze verkiezing zijn de nieuwe leden gekozen uit drie regionale groepen: de Afrikaanse Groep, de Aziatische groep en de Latijns-Amerikaanse groep. De landen die kandidaat waren, namelijk Algerije, de Comoren, Congo, Ghana, Kenia, Irak, Japan, Zuid-Korea, Saoedi-Arabië, Turkmenistan, Ecuador, Haïti en Nicaragua zijn allemaal verkozen.
Kunt u verklaren waarom juist een land als Saudi-Arabië, dat op plaats 141 in een ranglijst van het World Economic Forum over ongelijkheid tussen man en vrouw staat, is gekozen als lid van een VN-commissie die zich bezighoudt met vrouwenrechten?
In de Aziatische Groep waren er evenveel kandidaten als beschikbare zetels (zogeheten clean slate). Normaal gesproken worden kandidaatlanden dan zonder stemming verkozen. De VS had echter vlak voor de voor de verkiezingen een stemming gevraagd. Bij deze stemming kreeg Saoedi-Arabië 47 van de 54 stemmen.
Heeft u contact gehad met uw Europese collega’s over deze verkiezing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is het resultaat van deze gesprekken?
Nee. Nederland is momenteel geen lid van ECOSOC en had bij deze verkiezing geen stemrecht.
Ziet u mogelijkheden om de verkiezing van Saudi-Arabië in deze VN-commissie aan te grijpen om de onderwerp mensenrechten, en in het bijzonder vrouwenrechten, weer ter sprake te brengen bij uw Saudische ambtgenoot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Nederland stelt het onderwerp mensenrechten, waaronder ook specifiek vrouwenrechten, met regelmaat en actief aan de orde in bilaterale ontmoetingen met Saoedische ambtenaren en politici. Het kabinet zal dat ook en op intensieve wijze in toekomstige gesprekken blijven doen, en zal waar mogelijk in EU-verband of samen met gelijkgestemde partners optrekken.
Ziet u in de verkiezing van Saudi-Arabië in deze VN-commissie aanleiding om met gelijkgestemde landen in de EU het onderwerp mensenrechten, en in het bijzonder vrouwenrechten, weer te sprake te brengen bij uw Saudische ambtgenoot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht forse toename boetes voor kleine snelheidsovertredingen |
|
Barbara Visser (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Melanie Schultz van Haegen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Het regent kleine verkeersboetes: 69.000 bonnen voor 1 km te hard rijden»1 en het bericht «Flitser A29 ligt zwaar onder vuur»?2
Ja.
Hoe verklaart u de stijging van het aantal boetes voor kleine snelheidsovertredingen (tot 5 km) met ruim dertig procent?
Er zijn veel verschillende factoren die invloed hebben op het aantal verkeersovertredingen dat wordt begaan. Factoren die bijvoorbeeld van invloed zijn, zijn de weersomstandigheden, technologische ontwikkelingen, de weginrichting, de mate van handhaving, waar en waarop wordt gecontroleerd, de toegestane maximumsnelheid op de wegen, de mate waarin bestuurders worden afgeleid, de intrinsieke motivatie van weggebruikers etc. Het is hierdoor niet precies te zeggen waardoor de stijging van het aantal boetes voor kleine snelheidsovertredingen wordt veroorzaakt. Het is mogelijk dat een deel van de stijging komt door de vervanging van de digitale palen en trajectcontroles en een deel door de uitbreiding van het aantal trajecten waar 130 km/u mag worden gereden. Op deze trajecten wordt geen ondergrens voor boetes gehanteerd zoals wordt toegelicht in antwoord 6.
In onderstaande tabel treft u een overzicht aan van de boetes die zijn opgelegd voor kleine snelheidsovertredingen op de verschillende wegen. Binnen en buiten de bebouwde kom gaat het om het aantal boetes voor overtreding van de maximumsnelheid met 4 km/u en op de snelwegen van 1 t/m 4 km/u. Zie het antwoord op vraag 6 voor een nadere uitleg over deze categorisering.
2014
2015
2016
Binnen bebouwde kom 4 km/u te hard
569.873
638.616
774.731
Buiten bebouwde kom 4 km/u te hard
248.312
248.883
331.101
1 t/m 4 km/u te hard
486.245
485.285
713.604
Welk deel is toe te schijven aan de vernieuwing van de flitspalen en welk deel aan de uitbreiding van het aantal trajectcontroles? Kunt u een overzicht geven van het aantal boetes voor kleine snelheidsovertredingen, uitgesplitst naar de verschillende type wegen voor de periode 2014–2016? In hoeverre was er op deze wegen, waar het aantal trajectcontroles is uitgebreid, sprake van een verslechtering van de verkeersveiligheid?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening, geuit door de Nederlandse Politiebond, dat het aantal boetes voor kleine snelheidsovertredingen absurd hoog ligt? Zo nee, waarom niet?
Het aantal boetes voor kleine snelheidsovertredingen is relatief gezien inderdaad hoog. Naar schatting wordt een derde van alle dodelijke verkeersongevallen (mede) veroorzaakt door te snel rijden. Een kleine snelheidsovertreding lijkt onschuldig, maar kan ernstige gevolgen hebben. Daarom acht ik het van belang dat er ook op de kleine snelheidsovertredingen wordt gehandhaafd. Zie verder antwoord op vraag 6.
Wat vindt u van de reactie van het openbaar ministerie (OM) op de kritiek van de Nederlandse Politiebond, mede in verband met de ondertekening door het OM van het manifest «Verkeersveiligheid: een nationale prioriteit», waarin gepleit wordt om de verkeershandhaving weer «terug op niveau» te brengen inclusief het aantal staandehoudingen? Wat is het aantal staandehoudingen in de periode 1 januari-1 april 2017 en hoe verhoudt zich dit met voorgaande jaren?
Staandehoudingen van verkeersovertreders leveren een belangrijke bijdrage aan de verkeersveiligheid. Veel verkeersovertredingen kunnen alleen door middel van een staandehouding worden geconstateerd. Ik deel dan ook de mening dat het van belang is dat het aantal staandehoudingen omhoog gaat. De korpsleiding heeft naar aanleiding daarvan besloten om:
Het aantal staandehoudingen op basis van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bedraagt in de eerste maanden van 20173:
Januari
Februari
Maart
April
Totaal jan t/m april
36.742
35.440
38.292
34.466
144.940
In het eerste tertiaal van 2016 bedroeg het aantal staandehoudingen binnen de Wahv 112.798 en in 2015 131.137.
Klopt de bewering dat op de 130 km-wegen de snelheidsmarge het kleinst is, dus dat je op deze wegen de grootste kans hebt bekeurd te worden als je enkele kilometers te hard rijdt? Zo ja, waarom zijn flitspalen langs 130 km-wegen scherper afgesteld en wat is de wettelijke grondslag hiervan? Zo nee, hoe verklaart u dan de substantiële stijging van het aantal boetes op 130 km-wegen van 12.000 in 2014 naar 69.000 in 2016?
Het is niet zo dat er gelijk een boete wordt opgelegd als een bestuurder iets te hard rijdt. Bij snelheidscontroles wordt er op de gemeten snelheid een meetcorrectie toegepast. Die meetcorrectie bedraagt 3 kilometer voor gemeten snelheden onder de 100 km/u en 3% voor gemeten snelheden boven de 100 km/u. Daarnaast wordt pas een boete opgelegd bij een gecorrigeerde snelheidsoverschrijding van 4 km/u (de ondergrens).4
Bij het verhogen van de maximumsnelheid op snelwegen naar 130 km/u heeft de Kamer in 2011 gepleit voor kleinere marges op wegen waar de snelheidslimiet 130 km/u is. Daarom hebben de ministers van Veiligheid en Justitie en Infrastructuur en Milieu in de brief van 11 mei 20115 toegezegd dat de ondergrens van 4 km/u bij 130 km/u wegen met ingang van 1 januari 2012 zal worden afgeschaft. Dat betekent dat als er na correctie sprake is van een geconstateerde snelheid van 131 km/u (men heeft dan 136 km/u gereden) een boete wordt opgelegd. Het niet toepassen van een ondergrens bij snelheidsoverschrijdingen op wegen waarop een maximumsnelheid geldt van 130 km/u leidt ertoe dat er voor snelheidsovertredingen op deze wegen eerder een boete volgt dan bij snelheidsoverschrijdingen op andere wegen. Daarnaast is in 2016 het aantal wegen waar de snelheidslimiet is verhoogd naar (permanent) 130 km/u substantieel gestegen.
De snelheidsovertredingen op wegen waarop een maximumsnelheid geldt van 130 km/u worden over het algemeen vastgesteld met behulp van trajectcontrolesystemen of mobiele radarcontroles, en niet zoals in de vraag staat vermeld met behulp van flitspalen. Het beleid om de ondergrens van 4 km/u niet toe te passen op wegen met een maximumsnelheid van 130 km/u geldt al sinds 1 januari 2012. Dit kan dan ook niet de verklaring zijn van de toename van het aantal boetes op 130 km/u wegen. Voor mogelijke verklaringen van de stijging verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 en 3.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de Nederlandse Politiebond dat de toename van het aantal boetes voor kleine snelheidsovertredingen het gezag en de geloofwaardigheid van de politie schaadt?
Bent u het met de Nederlandse Politiebond eens dat het veel belangrijker is om huftergedrag aan te pakken dan meer kleine bekeuringen uit te delen door nieuwe flitspalen en meer trajectcontroles? Zo nee, waarom niet?
Wanneer kan de Kamer het toegezegde onderzoek naar een progressief boetstelsel ontvangen en welke varianten worden hierin onderzocht?
Ik heb het onderzoek op 20 juni jl. naar uw Kamer gestuurd6. Zoals in de brief is aangegeven zijn er twee richtingen onderzocht. De eerste richting is dat er ook bij recidive van overtredingen die onder de Wahv vallen een hogere boete opgelegd wordt. De tweede is dat meer verkeersfeiten via het strafrecht worden afgedaan.
Klopt de stelling in het Algemeen Dagblad dat de flitser op de A29 niet voldoet aan politievoorschriften? Zo ja, wat vindt u dan van het feit dat er alsnog flitscontroles plaatsvinden?
Er wordt gesteld dat de flitsapparatuur op een plek staat waar de snelweg een flauwe bocht maakt en dat dat niet zou mogen. De politie geeft aan dat deze bewering onjuist is. De kromming is dusdanig dat dit wel is toegestaan.
In overleg met RWS vinden dit jaar op wegen met een hoog risico, waaronder de A29, intensieve snelheidscontroles plaats om het aantal overtredingen terug te brengen en daarmee de veiligheid op de wegen te verhogen.
In hoeverre is er sprake van een toename van het aantal ongevallen op de A29 en tegelijkertijd sprake van een afname na de forse toename van de flitscontrole door de politie? Herkent u zich in de kritiek dat deze flitscontroles juist ongelukken in de hand werken? Zo nee, waarom niet?
Het overtredingspercentage op de A29 is gedaald van 15% op 1 maart 2017 naar 5% op 26 april 2017. Deze daling geeft aan dat de snelheidsverschillen op dit gedeelte van de A29 kleiner zijn geworden waardoor de kans op ongevallen afneemt. Dit bevordert de doorstroming en komt de veiligheid ten goede. Gelet op bovenstaande herken ik mij niet in de kritiek dat controles met mobiele radarsets ongelukken in de hand werken.
Het bericht dat er in Almelo per app gestemd kan worden |
|
Ronald van Raak |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
Bent u betrokken door de gemeente Almelo bij de proef om per app te stemmen?1
Hoe is het stemgeheim gewaarborgd als er via app wordt gestemd?
Bent u van mening dat ook bij een proef het grondwettelijk recht op het stemgeheim gewaarborgd moet zijn?
Vindt u het geoorloofd, juist nu bij de laatste verkiezingen het gebruik van technische hulpmiddelen onveilig is gebleken, een proef te beginnen met een app? Zo ja, waarom? Zo nee, wat gaat u hierop ondernemen?
Bent u bereid de evaluatie van de proef in Almelo ook naar de Kamer te sturen?
Hypotheken, echtscheiding en maatwerk |
|
Aukje de Vries (VVD), Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problemen die er soms zijn bij echtscheiding en hypotheken? Welke problemen signaleert u?
In het verleden heb ik de Kamer geïnformeerd over fricties bij de hypotheekverstrekking die kunnen ontstaan rondom een relatiebreuk, bijvoorbeeld in het geval van een echtscheiding. Hiervoor verwijs ik graag naar Kamerstuk 21 501-33, nr. 407 en 2014D212801.
Momenteel loopt het traject «platform Maatwerk» waarin stakeholders zoals kredietverstrekkers en (hypotheek)adviseurs knelpunten in de hypotheekverstrekking kunnen aanwijzen. In de enquête die onder kredietverstrekkers en adviseurs is uitgezet en in de besprekingen die met de sector over de knelpunten zijn gevoerd zijn geen nieuwe knelpunten rond hypotheekverstrekking bij echtscheiding naar voren gekomen.
De Tijdelijke Regeling Hypothecair krediet biedt de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de leennormen indien dit verantwoord is. De standaardnorm die in de Tijdelijke Regeling is opgenomen, is gebaseerd op gemiddelden waardoor de leennorm voor sommige huishoudens te ruim en voor anderen mogelijk te krap is. Om deze reden stelt de regelgeving kredietverstrekkers in staat om bij individuele huishoudens middels maatwerk meer te verstrekken dan de norm, mits dit verantwoord is en kan worden onderbouwd. Maatwerk is een integraal onderdeel van de regelgeving en het bieden van maatwerk kan, afhankelijk van de individuele omstandigheden, ook in het klantbelang zijn. Ik heb het Platform Maatwerk opgezet op basis van signalen dat de ruimte die de regelgeving biedt voor maatwerk op dit moment onvoldoende benut wordt. Binnen het platform zijn knelpunten voor maatwerk gesignaleerd en is nagedacht over oplossingsrichtingen. Ik zal u voor de zomer informeren over de uitkomsten hiervan.
Deelt u de mening dat in het kader van het klantbelang maatwerk mogelijk moet zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre gebruiken hypotheekverstrekkers de ruimte die de Autoriteit Financiële Markten (AFM) sinds 2013 biedt voor maatwerk als het gaat om een relatiebreuk? Waarom doen ze dit niet of niet voldoende, gezien de signalen dat niet alle hypotheekverstrekkers de ruimte benutten om maatwerk te leveren? Wat weerhoudt hypotheekverstrekkers om in dit soort gevallen om maatwerk te verlenen?
De Tijdelijke Regeling Hypothecair krediet biedt de mogelijkheid om gemotiveerd af te wijken van de leennormen indien dit verantwoord is. In 2013 heeft de AFM verduidelijkt hoe kredietverstrekkers kunnen omgaan met de hypotheeknormen bij relatiebreuk. Uitgangspunt is dat financiële problemen en gedwongen verkoop van de woning zoveel mogelijk voorkomen moet worden (mits verantwoord voor de consument). De kredietverstrekker kan hiervoor gemotiveerd afwijken van de normen die bij initiële verstrekking van een hypotheek dienen te worden gehanteerd. De kredietverstrekker dient dan te beoordelen of een houdbare financiële situatie gecreëerd kan worden. Dit kan door middel van een maatwerkbeoordeling, waarbij een toets op basis van de werkelijke woonlasten en het huidige inkomen als redelijk uitgangspunt genomen kan worden.
Ik heb geen signalen ontvangen dat kredietverstrekkers in dit soort gevallen onvoldoende gebruik maken van de ruimte voor maatwerk bij echtscheidingen.
Bent u bereid om dit punt te bespreken in het Platform Maatwerk (waarin de ministeries van Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, het toezicht en de marktpartijen overleggen om eventuele knelpunten rond maatwerkhypotheken in kaart te brengen en naar oplossingen te zoeken) dat u recent naar aanleiding van eerdere vragen heeft ingesteld?
Ik ben uiteraard bereid om knelpunten rondom maatwerk bij echtscheiding met de sector te bespreken. Ik nodig een ieder van harte uit om knelpunten te delen en ik zal ook binnen het Platform Maatwerk met de sector bespreken of problemen rondom echtscheiding ervaren worden.
Wanneer kan de eerste terugkoppeling van het eerste resultaat van het Platform Maatwerk plaatsvinden?
Zoals vermeld onder vraag 2 zal ik de Kamer voor de zomer over de uitkomsten van het Platform Maatwerk informeren.
Hoe gaat de Nationale Hypotheek Garantie (NHG) om met situaties van hypotheken en echtscheiding? Klopt het dat sommige banken andere c.q. strengere normen hanteren dan de NHG? Zo ja, wat is hiervan de reden en tot welke knelpunten leidt dit?
Echtscheiding is een van de meest voorkomende oorzaken voor het gedwongen moeten verkopen van een woning. Het uitgangspunt bij NHG is een verantwoorde en betaalbare hypothecaire geldlening. In geval van relatiebeëindiging bij een hypothecaire lening met NHG dient de kredietverstrekker of adviseur de betaalbaarheid van de lening te toetsen aan de hand van de inkomens- en vermogenssituatie van de geldnemers. Op basis van aangepaste, ruimere Financieringslasttabellen voor beheersituaties toetst de kredietverstrekker of de hypotheeklasten voor één van de partners betaalbaar zijn. Als het ook onder deze ruimere normen voor beiden niet mogelijk is om de maandelijkse hypotheeklasten individueel te dragen, dan bekijkt de Stichting Waarborgfonds Eigen Woningen wat mogelijk is om de lening wel betaalbaar te maken voor een van de geldnemers. Wanneer blijkt dat het betaalbaar maken van de woning voor de geldnemers niet mogelijk is en de woning moet worden verkocht, dan komen de geldnemers in aanmerking voor kwijtschelding van een eventuele restantschuld bij verkoop.
In de praktijk gaan kredietverstrekkers verschillend om met situaties van hypotheken en echtscheiding bij niet-NHG-leningen. Een deel van de kredietverstrekkers hanteert dezelfde normen voor NHG-leningen en niet-NHG-leningen. Andere kredietverstrekkers passen een eigen beleid of maatwerk toe indien sprake is van een echtscheiding.
Hoe wordt door hypotheekverstrekkers omgegaan met ontslag hoofdelijkheid, bijvoorbeeld bij echtscheiding als iemand de hypotheek overneemt van de hypotheekverstrekker? In hoeverre wordt hierbij gekeken naar het klantbelang? Wat is hiervoor de lijn bij de AFM? Wat is de lijn als iemand elders wel financiering kan krijgen?
Het ontslag van hoofdelijke aansprakelijkheid van een van de (ex)partners gaat altijd samen met een inkomenstoets op het inkomen van de achterblijvende partner die in de toekomst de hele hypotheek moet dragen. Ook is bij echtscheiding sprake van levering van de helft van de woning aan de partner die in de woning blijft wonen. De financiering van dit deel van de woning dient in maximaal 30 jaar ten minste annuïtair afgelost te worden om in aanmerking te kunnen komen voor hypotheekrenteaftrek. Op deze onderwerpen wordt ingegaan in de onder antwoord 1 genoemde brieven.
De Wet op het Financieel Toezicht (Wft) schrijft voor dat aanbieders van krediet overkreditering dienen te voorkomen. De AFM heeft in 2013 specifiek aandacht gevraagd om flexibel om te gaan met specifieke situaties zoals echtscheiding om gedwongen verkoop van de woning te voorkomen, mits dat verantwoord is voor de klant. In het geval van echtscheiding kunnen kredietverstrekkers via maatwerk de ruimte benutten die de wet biedt, door bijvoorbeeld te toetsen op werkelijke woonlasten. Het creëren van een bestendige financiële situatie is hier het uitgangspunt. De AFM heeft ook aangegeven dat als consumenten de hypotheeklasten in de nieuwe situatie niet kunnen dragen, het niet in het belang van de consument is om op woningbehoud aan te dringen. Verkoop van de woning kan in die gevallen een adequate oplossing zijn.
De kredietverstrekker heeft een zorgplicht richting de geldnemer. In principe heeft een partner die na een echtscheiding aanvullende financiering wil om de hele woning op één inkomen te dragen, daarom de beste kansen bij de eigen kredietverstrekker. Ik ben dan ook niet bekend met situaties waarin een partner na een echtscheiding de woning niet kan financieren bij de eigen kredietverstrekker, terwijl financiering elders bij een andere kredietverstrekker wel mogelijk is.
Klachten over betalingsachterstanden van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aan schrijf- en gebarentolken |
|
Rens Raemakers (D66), Vera Bergkamp (D66) |
|
Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat er achterstanden zijn opgelopen in de betaling van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) aan schrijf- en gebarentolken? Zo ja, hoe vaak komt het voor dat het UWV tolken uitbetaalt nadat de betalingstermijn is verstreken en welke redenen liggen hieraan ten grondslag? Mocht de betalingstermijn niet worden gehaald, binnen hoeveel dagen wordt dan alsnog betaald? Op welke manier worden mensen op de hoogte gebracht van een eventuele verlate betaling?
Wat is uw reactie op het signaal dat sommige tolken in financiële problemen raken als gevolg van niet betaalde facturen? Waar kunnen zij zich in dat geval melden en hoe kunnen zij hierin tegemoet worden gekomen?
Wat is uw reactie op de klacht van tolken dat zij omzetbelasting moeten gaan betalen, over facturen die ze nog niet uitbetaald hebben gekregen?
Bent u van mening dat het van belang is dat rekeningen ouder dan 30 dagen met voorrang worden uitbetaald? Wilt u er op inzetten dat eventuele achterstallige facturen zo snel mogelijk worden uitbetaald?
Is het bij u bekend dat er klachten zijn over de slechte bereikbaarheid van het UWV en dat bijvoorbeeld niet op e-mails wordt gereageerd? Wat is uw reactie hierop?
Helaas is het UWV in de afgelopen periode onvoldoende bereikbaar gebleken voor klachten van tolken. Het UWV heeft aangegeven dat het speciale e-mailadres in gebruik blijft om de bereikbaarheid te garanderen voor vragen en klachten over declaraties van tolken. Over de wijze waarop de dienstverlening, waaronder de bereikbaarheid, blijvend kan worden verbeterd gaat het UWV graag in overleg met de belangenorganisaties voor tolken. UWV neemt hiervoor het initiatief aan de hand van de bestaande periodieke overleggen met deze organisaties.
Het UWV zal het Ministerie van SZW op de hoogte houden van de uitkomsten. Op basis hiervan zal uw Kamer na de zomer worden geïnformeerd over verbetermaatregelen die hieruit voortvloeien.
Bent u bereid naar aanleiding van de signalen over betalingsachterstanden in gesprek te gaan met het UWV, de Stichting Plotsdoven, de Nederlandse Schrijftolken Vereniging (NSV) en de Nederlandse Beroepsvereniging Tolken Gebarentaal (NBTG) en hierover te rapporteren aan de Kamer?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid deze vragen binnen twee weken te beantwoorden, gezien de financiële onzekerheid die de tolken mogelijk momenteel ervaren?
Mede gelet op het meireces is voor de beantwoording ruim drie weken nodig geweest. Het UWV is herstel van betalingen aan de tolken gestart voordat de vragen zijn ontvangen.
Het bericht dat vluchtelingenkinderen in Griekenland geen andere uitweg zien dan seks voor geld |
|
Jasper van Dijk |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het bericht dat vluchtelingenkinderen geen andere uitweg zien dan seks voor geld?1
De berichtgeving over de positie van vluchtelingenkinderen in Griekenland blijft een ernstig punt van zorg. Nederland heeft nadrukkelijk oog voor de positie van kwetsbare groepen zoals kinderen, en heeft daarover meermaals gesproken met ngo’s, de Griekse autoriteiten, de Commissie en de VN.
Wat is uw reactie op de zes gedefinieerde risicofactoren in het rapport «Emergency within an emergency» van Harvard University?2 Kunt u per risicofactor afzonderlijk aangeven hoe deze factor wordt meegewogen in het werk dat Nederland, de EU en Griekenland zelf doen?
In het rapport «Emergency within an emergency» worden meer dan 30 aanbevelingen aan de Griekse overheid gedaan. Het is in eerste instantie dan ook aan de Griekse overheid om hierop te reageren. Wel kan ik u melden dat de Nederlandse standaarden ten aanzien van de opvang en begeleiding van minderjarigen hoog zijn. Veel van de aanbevelingen in het rapport brengt Nederland al in de praktijk.
Het is van groot belang het menselijk aspect niet uit het oog te verliezen bij de aanpak van de Europese vluchtelingenproblematiek. Er wordt hard gewerkt om bestaande faciliteiten waar nodig verder te verbeteren en ervoor te zorgen dat er voldoende opvangcapaciteit beschikbaar is in zowel Griekenland als langs de zogenoemde Westelijke Balkanroute (waar de vragen hieronder over gaan). De EU heeft bijzondere aandacht voor de belangen van kinderen in migratie, dit blijkt onder meer uit de onlangs door de Europese Commissie uitgebrachte mededeling over de bescherming van kinderen in migratie. Over de inhoud van de mededeling en het standpunt van het kabinet bent u op 24 mei jl. geïnformeerd. De Commissie heeft daarnaast binnen de herziening van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, waarover de lidstaten momenteel onderhandelingen voeren, veel aandacht voor de kwetsbare positie van kinderen. Ik verwijs u in dit verband naar de Kamerbrief van 16 januari 2017 waarin dit nader staat beschreven.
Wat is uw reactie op de verschillende aanbevelingen uit dit rapport? Kunt u per aanbeveling afzonderlijk uiteenzetten op welke wijze Nederland, de EU en Griekenland zelf hieraan werken en waar u ruimte ziet voor verbetering? Bent u bereid hierin het voortouw te nemen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bekend met het rapport van Save the Children en the International Rescue Committee getiteld Out of sight, exploited and alone3 waaruit blijkt dat ook op de Balkanroute veelvuldig migrantenkinderen worden misbruikt? Wat is hierop uw reactie?
Ik ben bekend met het rapport en ben van mening dat misbruik van deze kwetsbare groep op alle mogelijke wijzen tegengegaan moet worden.
Wat is uw reactie op de verschillende aanbevelingen uit dit rapport? Kunt u per aanbeveling afzonderlijk uiteenzetten op welke wijze Nederland, de EU en de verschillende Balkanlanden zelf hieraan werken en waar u ruimte ziet voor verbetering? Bent u bereid hierin het voortouw te nemen?
Zie ook het antwoord op vraag 2 en 3. Voor wat betreft de in het rapport genoemde Lidstaten van de EU blijft het kabinetsstandpunt dat de behandeling van vluchtelingen, dus ook van minderjarige migranten, in lijn moet zijn met Europese verdragen en afspraken, waaronder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Europese acquis, evenals internationaal vluchtelingenrecht. De Europese Commissie ziet als hoedster van de verdragen toe op de naleving van deze Europese verplichtingen. Het rapport onderschrijft het belang van het respecteren van de Europese regels op dit terrein.
Erkent u dat het sluiten van de Balkanroute en het ontbreken van een permanent Europees herverdeelsysteem de reden is dat deze kinderen nu vast zitten in Griekenland? Zo nee, wat is dan volgens u de reden?
Het kabinet is zich ervan bewust dat er in landen langs de Westelijke Balkanroute mogelijk een groep migranten is die niet kan doorreizen naar de door hun gewenste bestemmingen in Noordwest-Europa als gevolg van het sluiten van de Balkanroute. In dit verband wijst het kabinet er op dat het recht op asiel een recht is op bescherming, maar niet kan worden uitgelegd als een recht op verblijf in het land waaraan een asielzoeker de voorkeur geeft. Het is aan Griekenland zelf om de asielaanvragen van deze groep in behandeling te nemen. Die migranten die in aanmerking komen voor herplaatsing kunnen naar andere lidstaten worden herplaatst. Op basis van het Europese herplaatsingsmechanisme hebben lidstaten tot dusver gezamenlijk 12.707 migranten herplaatst uit Griekenland, maar de inspanningen van lidstaten op herplaatsing zijn helaas nog niet evenredig te noemen zoals blijkt uit het 12e voortgangsverslag van de Europese Commissie over herplaatsing en hervestiging.4 Nederland roept andere lidstaten herhaaldelijk op om hun herplaatsingsinspanningen structureler vorm te geven, en daarbij in het bijzonder ook aandacht te hebben voor de herplaatsing van alleenstaande minderjarige vreemdelingen (amv’s). Zoals blijkt het genoemde voortgangsrapport zijn in Griekenland al 359 amv’s herplaatst van de in totaal 576 amv’s die in aanmerking komen voor herplaatsing. Nederland verleent bij het herplaatsen vanuit Griekenland prioriteit aan amv’s en steeds meer lidstaten volgen dit voorbeeld.
Deelt u de mening geuit in het rapport van Harvard dat er voorrang zou moeten worden gegeven aan het herverdelen van minderjarigen? In hoeverre kunt en gaat u hieraan voldoen?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze pakt het samenwerkingsverband EMPACT (European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats) mensenhandel en (seksuele) uitbuiting van kinderen aan en wat zijn de resultaten over de afgelopen jaren? Kunt u hierbij specifiek ingaan om hun werkzaamheden in Griekenland en de Balkanlanden?
Zoals eerder gemeld in de beantwoording van Kamervragen over amv’s die slachtoffer worden van mensenhandel en uitbuiting (23 januari 2017), doen aan EMPACT THB 25 lidstaten mee, twee niet-EU landen en daarnaast organisaties als Eurojust, Frontex, Cepol en Interpol. Het Verenigd Koninkrijk is de zogenaamde «driver» van EMPACT THB en Nederland de «co-driver». Griekenland en vier Balkanlanden (Kroatië, Slovenië, Roemenië en Bulgarije) horen bij de deelnemende lidstaten. Het geheel wordt ondersteund door Europol. Eén van de subprojecten van EMPACT THB betreft mensenhandel van minderjarigen, waar o.a. Nederland, Griekenland, Kroatië, Slovenië, Roemenië en Bulgarije aan deelnemen. In december 2016 heeft Spanje, de actieleider van dit subproject, een tweedaagse conferentie over mensenhandel van minderjarigen georganiseerd.
Er wordt binnen EMPACT ook aandacht besteed aan mogelijke slachtoffers van mensenhandel binnen migratiestromen en aan de kwetsbare positie van migrantenkinderen voor uitbuiting. Er wordt informatie en kennis uitgewisseld via Europol en er worden operationele acties en opsporingsonderzoeken geïnitieerd. In 2017 wordt daarnaast binnen EMPACT aandacht besteed aan opleidingen voor de opsporing om de uitbuiting van kinderen beter te kunnen onderkennen en multidisciplinair aan te kunnen pakken. Het Europees opleidingsagentschap voor opsporing (CEPOL) zal hieraan bijdragen.
Ik kan u alleen informeren over de samenwerking op het gebied van mensenhandel tussen Nederland enerzijds en de genoemde landen anderzijds. Wanneer bij een opsporingsonderzoek naar mensenhandel blijkt dat er verbanden zijn met een ander land, zoekt Nederland doorgaans samenwerking. Zo is er bij het onderzoek 13Oceans naar criminele uitbuiting van kinderen een gezamenlijk onderzoeksteam (JIT) opgezet met Bosnië-Herzegovina en Oostenrijk. Bij dit onderzoek is ook samengewerkt met Kroatië. De Koninklijke Marechaussee heeft onder andere een flexibele liaison officer (FILO) migratiecriminaliteit aangesteld die zich focust op Italië, Albanië en Oostenrijk. Daarnaast heeft de Koninklijke Marechaussee een thematische FILO Balkan aangesteld met een focus op migratiecriminaliteit. Ten slotte heeft de nationale politie een liaison officer in Servië geplaatst die zich met diverse vormen van voorkomende criminaliteit in Servië, Slovenië, Bosnië en Montenegro bezig houdt. Voor zover bekend heeft er geen samenwerking met betrekking tot mensenhandel plaatsgevonden met Griekenland.
De eerder ontvangen antwoorden op vragen aangaande wachtlijsten in de transgenderzorg |
|
Pia Dijkstra (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u, in het licht van uw antwoorden op eerdere vragen1, expliciteren op welke wijze u de transgender zorg wilt spreiden, de ketenbehandeling wilt opschalen en meer personeel wilt (laten) werven? Deelt u de mening dat u dit niet expliciteert in uw beantwoording? Zo ja, kunt u dat hier dan doen? Zo nee, waarom kunt u dit niet?
In de antwoorden op eerdere Kamervragen heeft de Minister aangegeven dat zij meer spreiding van transgenderzorg van belang vindt en dat zij van zorgaanbieders en verzekeraars verwacht zij dat hun inspanningen op dat punt zullen intensiveren.
Op basis van het voorjaarsoverleg transgenderzorg met alle betrokken partijen dat op initiatief van VWS op 24 april 2017 heeft plaatsgevonden, is gebleken dat dit ook gebeurt. Er zijn de volgende positieve ontwikkelingen te melden.
Het VUmc heeft besloten om voor 2017 de capaciteit van het Kennis- en Zorgcentrum voor Genderdysforie (KZcG) opnieuw fors, te weten met 20%, te verhogen. De uitbreiding geldt voor alle disciplines. Het UMCG, dat over een genderteam voor volwassenen van beperktere schaal beschikt, werkt toe naar een verdubbeling van de capaciteit in 2017 en bestudeert de mogelijkheden om ook jongeren in zorg te nemen. In Zuid Nederland is per 1 februari 2017 een multidisciplinair genderteam van start gegaan met als intentie om ook medische zorg te gaan bieden aan zowel jeugdigen als volwassenen, naast de GGZ-zorg die al eerder werd geleverd aan kinderen en jeugdigen en hun ouders. Het is een samenwerking tussen de Mutsaersstichting in Venlo en Psychologen Praktijk OOG in Eindhoven. Het nieuwe genderteam werkt samen met het KZcG van het VUmc. Daarnaast is aan ons gemeld dat er inmiddels samenwerking bestaat tussen VUmc en in genderzorg gespecialiseerde psychologenpraktijken in den lande, zoals Psycho Informa Instellingen en Psychologenpraktijk De Vaart. Samenwerkingsafspraken tussen het UMCG en genoemde praktijken worden momenteel geconcretiseerd. De genderteams en de psychologenpraktijken onderzoeken of «zij-instroom» mogelijk is. Door deze samenwerking vindt spreiding van zorg plaats. Hierbij moet wel bedacht worden dat de problematiek van de wachttijden in de transgenderzorg weerbarstig is, omdat de groei van het aantal aanmeldingen blijft toenemen: de eerder verwachte afvlakking van de groei treedt niet op. Daar komt bij dat het lastig is om goed opgeleid en deskundig personeel te werven, aldus het LUMC en het UMCG. De in het eerder genoemde overleg aanwezige verzekeraars gaven aan dat er in beginsel geen financiële beletselen zijn voor uitbreiding van transgenderzorg indien nodig. Zij onderstrepen daarbij het belang van kwaliteit van zorg: ook bij krapte van het aanbod mogen maatregelen die gericht zijn op een snellere doorstroom, niet ten koste gaan van kwaliteit van zorg.
De kwaliteitsstandaard voor transgenderzorg GGZ zal naar verwachting op korte termijn worden ondertekend door alle betrokken partijen om na autorisatie te worden ingeschreven in het register van het Zorginstituut Nederland. Daarna kan implementatie plaatsvinden.
Kunt u aangeven in hoeverre uw uitspraak bij het antwoord op vraag zeven dat «los» contracteren van individuele specialisten of aanbieders «niet zomaar past», gebaseerd is op wetenschappelijke onderbouwing? Kunt u in het licht van deze vraag aangeven of het Zorginstituut hier eerder onderzoek naar heeft gedaan en/of uitspraken over op papier heeft gezet? Indien uw standpunt afwijkt van het Zorginstituut kunt u dan aangeven waarop u uw uitspraken heeft gebaseerd?
De Minister heeft er op gewezen dat transgenderzorg ketenzorg is en patiënten gebaat zijn bij een multidisciplinair, gecoördineerd en afgestemd zorgproces waarbij meerdere specialismen zijn betrokken. Coördinatie en afstemming van zorg zijn, vanwege het ingrijpende behandeltraject en de verschillende disciplines die daarbij betrokken zijn, essentiële kenmerken van het zorgproces, ook indien onderdelen van zorg op verschillende locaties of door verschillende aanbieders worden geleverd. Het contracteren van losse onderdelen van de zorg, kan hiermee op gespannen voet staan. Het Zorginstituut Nederland (ZIN) heeft desgevraagd laten weten dat dit uitgangspunt aansluit bij een advies van het College voor Zorgverzekeringen (CVZ), de voorganger van Zorginstituut Nederland, aan de Stichting Klachten en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ) over een geschil tussen een verzekerde en een zorgverzekeraar. Het CVZ heeft daarin op basis van relevante literatuur en de handelwijze in de praktijk in het buitenland geconcludeerd dat de kenmerken van het zorgproces met zich meebrengen dat behandeling/begeleiding van transgenders door onafhankelijk van elkaar opererende zorgverleners niet verantwoord is. Het is essentieel dat er een duidelijke regie is gedurende het hele behandeltraject dat een transgender doorloopt. Het CVZ heeft zich met name gebaseerd op door de World Professional Association for Transgender Health (www.wpath.org), een internationale, multidisciplinaire beroepsorganisatie, opgestelde Standards of Care for the Health of Transsexual, Transgender, and Gender Nonconforming People. Deze internationale richtlijn is opgesteld op basis van de beste beschikbare professionele wetenschappelijke kennis en behandelervaring. In deze richtlijn komt naar voren dat transgenderzorg multidisciplinaire zorg is waarbij verschillende specialismen een rol vervullen, en dat van centrale regie en coördinatie van een deskundige op gebied van behandeling van genderdysforie sprake moet zijn. Zie https://www.zorginstituutnederland.nl/publicaties/standpunten/2008/03/25/zorg-in-verband-met-transseksualiteit-die-niet-in-een-gespecialiseerd-centrum-wordt-verricht-moet-voldoen-aan-de-internationale-richtlijn-en-onder-regie-staan-van-een-deskundige-psychiater-psycholoog. Het advies dateert van 2008, maar de SKGZ heeft zich in een bindend advies uit september 2014 nog gebaseerd op dit advies van het ZIN over- kort gezegd- het belang van regie en zorgcoördinatie bij het zorgtraject transgenders onder verwijzing naar de Standards of Care (SOC 2011) van de WPATH2.
Deelt u de mening dat uw uitspraak «vanwege het ingrijpende karakter en de onomkeerbaarheid van onderdelen van het behandeltraject soms bedenktijd verstandig is en nodig tussen de stappen» bij vraag drie, stigmatiserend kan worden opgevat door transgenders? Kunt u uw uitspraak nader duiden? Zo nee, waarom niet?
Het is op geen enkele wijze de intentie om uitspraken te doen die als stigmatiserend kunnen worden opgevat. De uitspraak verwijst naar het onderscheid tussen wachttijden en de totale lengte van de behandelduur die op individuele basis moet worden geschoeid. De wachttijd is de periode dat betrokkene moet wachten nadat de indicatie voor behandeling is gesteld: de behandeling kan niet worden gestart omdat hij of zij nog niet terecht kan bij een instelling. De wachttijden zullen onderdeel zijn van de zorgstandaard somatische transgenderzorg, waaraan nu gewerkt wordt. Te lange wachttijden worden als belastend en onwenselijk ervaren. Daarover zijn patiënten en hulpverleners het eens.
Een ander aspect is de individuele behandelduur. Zowel door behandelaars in de GGZ als door de genderteams van de UMC’s wordt er op gewezen dat de doelgroep een gevarieerd beeld laat zien qua problematiek. In vaker voorkomende situaties is er sprake is van bijkomende psychologische en/of psychiatrische problemen. Als er sprake is van bijkomende problematiek is aan de voorkant van het behandeltraject (diagnostiek en indicatiestelling) soms meer tijd nodig voor begeleiding en achten deskundigen het in sommige situaties noodzakelijk om zaken goed uit te zoeken of om de beste uitgangssituatie bijvoorbeeld op het gebied van relaties, wonen en werk te verkrijgen voordat het behandeltraject start. Er zijn ook cliënten die geen bijkomende problematiek hebben en bij wie in minder gesprekken een duurzame wens tot geslachtsbevestiging kan worden vastgesteld, aldus de zorgaanbieders en de zorgprofessionals. In de praktijk is steeds meer sprake van zorg op maat.
In hoeverre bent u bekend met het Amerikaanse systeem voor transgenderzorg, waarbij «informed consent» centraal staat? Kunt u toelichten in hoeverre u het wenselijk acht dat gekeken wordt in hoeverre iemand in staat is de keuze zelf te maken en daarna vrijgelaten wordt in die keuze? Zo nee, waarom kunt u dit niet?
In Nederland is informed consent3 wettelijk geregeld. Ik heb begrepen dat belangenorganisaties zoals Transvisie bepleiten dat het uitgangspunt zou moeten zijn dat transgenders een autonome beslissing moeten kunnen nemen of zij behandelingen ondergaan en welke dat zijn, zonder diagnostiek of indicatiestelling door zorgverleners. Transvisie noemt dat model «informed consent». Ik heb begrepen dat Transvisie dus niet doelt op de in Nederland wettelijk gestelde regels omtrent informed consent, maar een model bepleit waarbij de hulpverlener (de psycholoog of psychiater) in één gesprek bepaalt of de persoon in kwestie in staat geacht mag worden om de impact en risico’s van de behandelingen te overzien en daarover een afgewogen beslissing te nemen. Zorgaanbieders, -professionals en verzekeraars tonen zich vooralsnog terughoudend over deze wijze van werken omdat het ten koste kan gaan van kwaliteit van zorg. Zij zien in deze aanpak te weinig ruimte voor de professionele verantwoordelijkheid van de arts (zoals plastisch chirurg, endocrinoloog), de psycholoog, de psychiater: het multidisciplinaire team. Dat laatste vindt men belangrijk omdat de cliëntenpopulatie een gevarieerd beeld laat zien. Ik heb het Kwaliteitsinstituut Medisch Specialisten (KIMS) opdracht gegeven om een zorgstandaard somatische transgenderzorg te ontwikkelen. Dat proces vindt plaats met en door partijen. Daar zal bezien moeten worden wat de verdiensten en de risico’s van deze aanpak zijn. Zie ook mijn antwoorden op vraag 3 en 5.
In hoeverre kunt u aangeven wanneer de kwaliteitsstandaard somatische transgenderzorg af is? Kunt u aangeven welke partijen worden betrokken bij de uitwerking hiervan? Zo nee, waarom kunt u dit niet?
De planning van de kwaliteitsstandaard somatische transgenderzorg is april 2018.
Partijen die meewerken aan de kwaliteitsstandaard zijn: Patiëntenorganisatie Transvisie, het Nederlandse Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK), de Nederlandse vereniging voor Endocrinologie (NVE), de Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC), de Nederlandse Vereniging Obstetrie en Gynaecologie (NVOG), het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
In hoeverre acht u het acceptabel dat de wachtlijsten voor transgenderzorg zodanig oplopen en opstapelen dat het traject van aanmelding tot start van de behandeling met gemak bijna twee jaar beslaat? Kunt u aangeven welke stappen u, ondanks de afwezigheid van Treeknormen, wilt nemen om verkorting van dit traject te stimuleren?
Om goed in beeld te krijgen aan welke eisen het zorgpad voor transgenders moet voldoen, heeft de Minister van VWS de opdracht verstrekt om een kwaliteitsstandaard somatische transgenderzorg te ontwikkelen, met wachttijden als belangrijk onderdeel. Aan die zorgstandaard wordt met alle partijen, inclusief patiënten- en belangenorganisaties voortvarend gewerkt, zoals recent werd bevestigd tijdens het eerdergenoemde overleg bij VWS op 24 april 2017. Dat de wachttijd van de aanmelding tot het eerste behandelcontact gemakkelijk kan oplopen tot twee jaar herken ik niet uit de informatie die mij bekend is. De gespecialiseerde praktijken voor GGZ-zorg geven desgevraagd aan dat de wachttijd voorafgaand aan de behandeling momenteel oploopt en rond twee maanden is.
Het VUmc publiceert de actuele wachttijden per behandelstap op de website zie
Ook het UMCG publiceert actuele wachttijden op de site, zie https://www.umcg.nl/NL/Zorg/Volwassenen/Wachttijden/Paginas/Genderteam.aspx. Daaruit blijkt dat de wachttijd voor de intake 31 weken is.
In mijn antwoorden op vraag 1 heb ik een overzicht gegeven van de initiatieven die genomen zijn en genomen worden om het behandeltraject waar mogelijk te bekorten.
Het tot staatsgeheim verklaren van de aantekeningen van een officier van justitie in een strafdossier |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Wat is er staatsgeheim aan de dood van de 8-jarige Sharleyne»?1
Voor de beantwoording van de vragen 1 tot en met 5 verwijs ik naar de beantwoording van de vragen van het lid Helder (PVV), ingezonden op 21 april 2017, Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016–2017, nr. 2035
Klopt het dat de dagjournaals van de officier van justitie zijn bestempeld als staatsgeheim, zelfs op het één na hoogste niveau? Hoe zit dit precies en wat is uw verklaring hiervoor?
Zie antwoord vraag 1.
Op welke wijze zouden de aantekeningen van de officier van justitie ernstige schade aan de belangen van de staat kunnen toebrengen?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de stelling van de advocaat dat het openbaar ministerie (OM) het staatsgeheim misbruikt om eventuele fouten niet te hoeven erkennen, en de stelling van de hoofddocent dat het er op lijkt dat het OM naar een machtsmiddel grijpt om elke discussie hierover te smoren?
Zie antwoord vraag 1.
Is het waar dat aantekeningen van een officier van justitie die zijn bevindingen opschrijft altijd als staatsgeheim worden bestempeld? Zo ja, bent u bereid daarin verandering aan te brengen?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre zijn de mogelijkheden voor nabestaanden om inzage te krijgen in het strafdossier en dit dossier te laten onderzoeken, in zaken waarin getwijfeld kan worden aan de doodsoorzaak, reeds uitgebreid, gelet op de eerdere discussie hierover en de aangenomen motie-Van Nispen over uitbreiding van de mogelijkheden voor nabestaanden om het onderzoeksdossier in te zien?2
In het antwoord op Kamervragen van het lid Van Nispen over het opvragen van onderzoeksdossiers door nabestaanden op 8 december 2016 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2016- 2017, nr. 719) heb ik uw Kamer laten weten dat het OM de mogelijkheden onderzoekt om nabestaanden duidelijkere handvatten te bieden voor het laten uitvoeren van een second opinion. Het OM heeft mij laten weten dat dit aspect inmiddels wordt meegenomen in het initiatief om het OM-werkproces bij lijkschouw te herijken (zie ook de Kamerbrief «Aanbieding rapport De lijkschouw en gerechtelijke sectie beschouwd» van 29 november 2016 (Kamerstuk 34 550 VI, nr. 29). Voorts zal ik ter uitvoering van de motie Van Nispen (Kamerstuk 34 550 VI, nr. 42) uw Kamer voor het zomerreces een brief zenden waarin helderheid zal worden gegeven over het inzage- en verstrekkingenregime van het OM.