Het bericht dat ouderen zich in toenemende mate onveilig voelen |
|
Jan Struijs (50PLUS) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Zorgen bij ouderen om oorlog en fatbikes: 40 procent houdt deur ’s avonds dicht, roep om meer politie op straat»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u het onderzoek van ouderenbond ANBO-PCOB waaruit onder andere blijkt dat meer dan de helft van 65-plussers in Nederland van mening is dat hun gemeente onvoldoende doet om te zorgen voor hun veiligheid?
Iedereen moet zich in Nederland veilig kunnen voelen, ook ouderen. Het kabinet streeft ernaar iedereen een veilige en rechtvaardige samenleving te bieden. Ik vind het vervelend dat ouderen in Nederland zich volgens dit onderzoek onveilig voelen.
Ik zou de cijfers wel in een bredere context willen plaatsen. Begin maart verscheen namelijk ook de Veiligheidsmonitor, een grootschalig onderzoek vanuit het CBS waarin ook veiligheidsbeleving is meegenomen.2 Uit de Veiligheidsmonitor blijkt dat 65-plussers zich van alle leeftijdsgroepen juist het minst onveilig voelen.
De cijfers uit het onderzoek van de ouderenbond gaan wel wat breder dan de Veiligheidsmonitor. Zo worden de zorgen van ouderen over bijvoorbeeld financiële problemen, het niet meekunnen in de digitale maatschappij, vallen en autorijden niet meegenomen in de Veiligheidsmonitor.
Wat is uw mening over de bevinding uit het onderzoek dat 40 procent van de ouderen ’s avonds niet meer de deur wilt opendoen als er wordt aangebeld?
De Veiligheidsmonitor geeft hier een wat ander beeld dan het onderzoek van ANBO-PCOB. Uit de cijfers van het CBS blijkt namelijk dat 13% van de 65-plussers de deur ’s avonds niet opendoet.3 Dit percentage ligt echter wel hoger dan bij andere leeftijdsgroepen.
Dat gezegd hebbende, vind ik wel dat ouderen zich ’s avonds in hun eigen huis veilig zouden moeten voelen. In mijn beantwoording van vraag 5 ga ik verder in op acties die ik daarvoor onderneem.
Verder vind ik het in beginsel geen verkeerde zaak dat mensen zelf actie ondernemen om te voorkomen dat ze slachtoffer worden van criminaliteit. Verschillende preventiecampagnes vanuit de Rijksoverheid zijn hier ook op gericht.
Deelt u de bezorgdheid van veel ouderen dat zij zich onveiliger voelen dan vroeger, door onder andere oorlogsdreiging, sociale onrust, cybercriminaliteit en verkeersoverlast?
Ik begrijp die zorgen. Voor veel ouderen stapelen verschillende bronnen van onrust zich op: de internationale spanningen komen dichtbij via nieuws en sociale media, in de eigen omgeving is er soms meer sociale frictie, en criminaliteit verschuift deels naar het digitale domein. Ik kan me voorstellen dat dit gevoelens van onveiligheid oproept, ook als de statistieken niet overal en voor iedereen hetzelfde beeld laten zien.
Ik blijf hierover in gesprek met lokale partners. Zo zorgen we er gezamenlijk voor dat we ons niet alleen richten op het verbeteren van objectieve veiligheid, maar vooral op het dagelijkse gevoel van veiligheid.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om de veiligheid en het gevoel van veiligheid van ouderen te versterken?
Een van mijn prioriteiten is om veiligheid en gezag op straat te versterken. Daar wil ik voor alle Nederlanders op inzetten, dus ook voor ouderen.
Volgens het onderzoek van ANBO-PCOB ziet een groot deel van de ouderen het vergroten van zichtbaarheid en aanwezigheid van politie en wijkagenten als de meest effectieve manier om criminaliteit tegen te gaan. Dit kabinet wil meer wijkagenten opleiden en inzetten. Daarbij wil ik benadrukken dat niet alleen wijkagenten invulling geven aan de zichtbaarheid en aanwezigheid van de politie in de wijk: dat doen alle agenten in de gebiedsgebonden politie met elkaar. In toenemende mate beschikken agenten over de apparatuur om hun werk op straat of op locatie te kunnen doen. Zo kan ook maatwerk worden toegepast om bij bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld ouderen, op hun huisadres een aangifte op te nemen. Dit gebeurt met name bij online criminaliteit, zoals bijvoorbeeld bankhelpdeskfraude. Gezien de grote impact hiervan bezoeken agenten het slachtoffer inmiddels in alle politie-eenheden ook thuis. Verder verwijs ik graag naar de, naar het zich op dit moment laat aanzien, succesvolle campagne Game-over. OM en politie voeren die campagne met als doel om personen die verdacht worden van bankhelpdeskfraude, of het zich voordoen als nepagent, te identificeren en op te pakken. Dit zijn vormen van criminaliteit waarvan met name ook kwetsbare ouderen het slachtoffer worden.
Daarnaast wil ik doen wat ik kan ouderen zich veiliger te laten voelen. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer bij de aanbieding van de Veiligheidsmonitor, heb ik toegezegd dat ik met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid en gemeenten zal verkennen waar mogelijkheden liggen om de veiligheidsbeleving te verbeteren, juist ook op lokaal niveau.4 Daarin zal ik specifiek aandacht hebben voor de oudere doelgroep.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om ouderen beter te beschermen tegen digitale oplichting?
Het Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) biedt op de website algemene informatie en advies voor slachtoffers van identiteitsfraude en geeft naar aanleiding van incidenten ook gerichtere informatie middels nieuwsbrieven. Ook dit jaar werk ik gezamenlijk met ketenpartners aan goede voorlichting om ouderen weerbaarder te maken tegen digitale oplichting. Dit jaar staat, net als eerdere jaren, de maand april in het teken van senioren en veiligheid. Onder andere het CMI, de politie, de Nederlandse Vereniging van Banken, Slachtofferhulp Nederland en de Fraudehelpdesk informeerden recentelijk bezoekers van de Senioren Expo en de huishoudbeurs over verschillende fraudevormen, met speciale aandacht voor identiteitsfraude en preventieve maatregelen, waaronder het gebruik van de KopieID-app.
De uitspraak van geschillencommissie GIP in geschil 2024-0536 |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Geschilleninstantie Pensioenfonden (GIP) in geschil 2024-0536?1
Wat vindt het kabinet ervan dat de ouderdomspensioenuitkering van de indiener in deze zaak door het ABP is verlaagd, omdat verzoeker is gaan samenwonen?
Welke juridische grondslag is er voor pensioenfondsen om pensioenuitkeringen te verlagen, enkel en alleen omdat de pensioengerechtigde gaat samenwonen?
Deelt het kabinet de conclusie alsmede de onderbouwing van de conclusie van de uitspraak van de geschillencommissie? Indien nee, waarom niet?
Deelt het kabinet de waarneming, dat er hoogstwaarschijnlijk meer personen zijn getroffen door de interpretatie van de regels door het ABP? Zijn er indicaties die erop wijzen dat pensioenverlagingen op deze grondslag vaker zijn voorgekomen?
Is het aannemelijk dat ook andere pensioenfondsen pensioenverlagingen hebben doorgevoerd op basis van dezelfde (afgewezen) grondslag en interpretatie van regels?
Is het mogelijk om te achterhalen hoeveel pensioendeelnemers precies zijn getroffen door pensioenverlagingen in dit verband?
Welke gevolgen heeft de uitspraak van de geschillencommissie voor de deelnemers die met een vergelijkbare pensioenverlaging te maken hebben gehad?
Wordt de uitspraak gecommuniceerd aan de deelnemers in kwestie en worden de verlagingen in dit verband dan automatisch en met terugwerkende kracht teruggedraaid of moeten zij zelf in actie komen? Kunt u een toelichting geven?
Het artikel 'Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan'' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van bovengenoemd artikel?1
Ja.
Hoe oordeelt u over de constatering dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nog nooit is ingegrepen bij de misstanden in genoemd huis?
De berichtgeving is verschrikkelijk om te lezen. De situatie die wordt beschreven is heftig en onacceptabel. Ik herken niet het beeld dat er nooit is ingegrepen. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft in 2021 en 2022 meerdere keren reguliere toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg. Na maatregelen heeft de inspectie het bezoek afgesloten. De toezichtsrapporten hiervan zijn openbaar. Ook is Derman Thuiszorg is bezocht in september 2023 met een hertoets in maart 2024; dit toezichtstraject werd afgesloten nadat verbetermaatregelen werden doorgevoerd.
Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste bezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede zorg en veilige zorg.
Volgens het artikel voeren de Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd momenteel uitvoerig onderzoek uit. Gezien de ernst van de signalen, kan er op korte termijn resultaat worden verwacht?
Het rapport van het lopende toezicht door de IGJ zal naar verwachting in april openbaar worden. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid.
De Arbeidsinspectie heeft aangegeven niet vooruit te kunnen lopen op de datum van afronding van haar onderzoek.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige ouderenmishandeling?
Zie antwoord bij vraag 3.
Deelt u de mening van 50PLUS dat hier sprake is van ernstige zorgfraude?
Dat is niet aan mij om hier een oordeel over te vellen. Gemeenten en zorgkantoren zijn gemachtigd om zelfstandig hun eigen onderzoeken naar (zorg)fraude te doen. Over eventuele (lopende) strafrechtelijke onderzoeken van de recherche zorgfraude door de Opsporingsdienst van de Arbeidsinspectie kan ik geen uitspraken doen.
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er zijn dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze totaal onbevoegd personeel kan inzetten in verzorging en verpleging voor deze kwetsbare ouderen, met alle nare gevolgen van dien, en dat hier ondanks de signalen die er volgens het artikel al geweest zijn, niet op is ingegrepen?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezichtbezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. Vervolgens is in februari dit jaar nog een toezichtbezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Hoe is het mogelijk dat een instelling als deze, kwetsbare ouderen kan laten verkeren in gevaarlijk onhygiënische omstandigheden, en dat dit ondanks signalen zo lang voortduurt?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er sprake is van grensoverschrijdend gedrag?
Ik vind het afschuwelijk voor bewoners en werknemers als sprake is van grensoverschrijdend gedrag. Op basis van enkel de inhoud van het artikel kan ik niet beoordelen in hoeverre dit daadwerkelijk het geval is. Dit is onderwerp van onderzoek door de verschillende organisaties, daar waar dat binnen hun toezichtmandaat valt.
Hoe oordeelt u over het bericht dat er hier hoge sommen zorggeld worden ontvangen voor zorg die niet geleverd wordt?
Mijn medewerkers hebben contact met het betrokken zorgkantoor gehad. Het zorgkantoor heeft een materiele controle en een controle op rechtmatigheid uitgevoerd. Er is fraude geconstateerd. Ook zijn er dubieuze declaraties geconstateerd. Deze zijn teruggevorderd.
Hoe oordeelt u over het misbruik van de persoonsgegevens van de al dan niet bevoegde medewerkers?
Zie antwoord bij vraag 2.
Hoe is het mogelijk dat met alle signalen dit huis überhaupt nog geopend is?
Zie antwoord bij vraag 2 en 6.
Worden alle andere verzorgingshuizen van dezelfde ondernemer ook onderzocht, en is het mogelijk deze ondernemer de mogelijkheden van werk verrichten in de zorg af te nemen?
Het toezicht van de IGJ beslaat alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg in De Steeg. Zie verder antwoord bij vraag 3.
Kunt u deze vragen gezien de ernst van de situatie binnen een week beantwoorden?
De beantwoording is meteen ter hand genomen. Gezien de afstemming met de IGJ en de Arbeidsinspectie is de termijn van een week overschreden.
Het bericht ‘Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: 'Mensen smeken erom dood te mogen gaan' |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ernstige misstanden in horrorverpleeghuis, alle seinen op rood: «Mensen smeken erom dood te mogen gaan»»?1
Ja.
Hoeveel zorgbehoevende ouderen wonen er op dit moment nog in De Steeg?
Voor zover bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) bekend, verblijven er op dit moment nog zes ouderen in De Steeg.
Vindt u het verantwoord dat zorgbehoevende ouderen daar op dit moment nog verblijven? Hoe garandeert u de veiligheid van en goede zorg aan deze bewoners?
Derman woonzorg is verantwoordelijk om de wet- en regelgeving na te leven en bewoners goed te verzorgen. Momenteel doen twee toezichthouders onderzoek, ik wacht de conclusies van de IGJ af voordat ik verdere maatregelen neem. De IGJ ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Meldingen en signalen die de IGJ en de Arbeidsinspectie in mei 2025 hebben ontvangen, waren voor de IGJ en de Arbeidsinspectie aanleiding om in mei 2025 een controle en (voor)onderzoek te starten. Daarbij controleert de Arbeidsinspectie de naleving van bestuursrechtelijke arbeidswetten en de IGJ de kwaliteit van de zorg. In februari dit jaar is nog een bezoek afgelegd. De IGJ zal naar verwachting in april haar bevindingen van haar laatste toezichtbezoek in een rapport publiceren.
Ik kan niet dieper op deze specifieke casus in gaan. Wel sta ik ervoor dat ouderen in een verpleeghuis moeten kunnen rekenen op goede en veilige zorg.
Hoe kan het dat ondanks signalen en meldingen bij inspecties, gemeenten en de politie, er nooit is ingegrepen? Is hier sprake van incidenteel falen of van systeemfalen? Bent u bereid onafhankelijk onderzoek te laten doen naar de rol van alle betrokken instanties en de uitkomsten met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wanneer leveren de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) hun onderzoek op?
De IGJ heeft afgelopen jaren meerdere keren toezicht bezoeken gebracht aan Derman woonzorg en heeft hierover verschillende rapporten gepubliceerd. Het rapport van het laatste toezichtbezoek zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd.
Onderzoeken de Arbeidsinspectie en de IGJ ook alle andere activiteiten van Derman Zorg? Zo nee, bent u bereid hen een aanwijzing te geven tot diepgaand onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Het toezicht van de IGJ en de Arbeidsinspectie beslaat tezamen alle locaties in de wijkverpleging en de woonzorg van deze zorgaanbieder. Ik zie daarom geen aanleiding om een aanwijzing te geven.
Bent u bereid in te zetten op verscherpt toezicht op zorginstellingen en zorgorganisaties met een verhoogd risico op een zwijgcultuur? Zo nee, waarom niet?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg en maakt op basis van risicoafwegingen keuzes in het toezicht. De beslissing om in deze casus al dan niet verscherpt toezicht in te zetten is aan de IGJ als onafhankelijke toezichthouder. De IGJ gebruikt haar interventiemogelijkheden passend bij het toezichttraject en de aard en ernst van de risico’s. Een verscherpt toezicht behoort daarbij tot de mogelijkheden. Voor een verdere uitwerking van het interventiebeleid verwijs ik naar de webpagina van de IGJ: www.igj.nl/documenten/2022/03/17/igj-interventiebeleid
Bent u bereid aan te sturen op het direct sluiten van die verpleeghuis en het elders onderbrengen van de zorgbehoevende ouderen? Zo nee, waarom niet?
De IGJ is als onafhankelijk toezichthouder verantwoordelijk voor toezicht op de veiligheid en kwaliteit van zorg. Zij doen onderzoek naar Derman woonzorg en zetten op basis daarvan passende toezichtsmaatregelen in. Het rapport van het laatste toezichtbezoek door de IGJ zal naar verwachting in april door de IGJ worden gepubliceerd. Ik wacht de conclusies van de IGJ af.
De houdbaarheid van de AOW (Algemene Oudersdomswet) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u onder elkaar zetten hoe groot de beroepsbevolking naar verwachting is ten opzichte van het aantal AOW’ers in 2033, 2040, 2050 en 2060, op basis van de huidige wetgeving en de meeste recente bevolkingsprognose? Hoeveel werkenden zijn er naar verwachting in die jaren per AOW’er?
Onderstaande figuur geeft de verwachte AOW-druk uit het afgelopen rapport van de Studiegroep Begrotingsruimte weer.1 Die laat zien dat de AOW-druk per 2033 ongeveer 35% is. In 2040, 2050 en 2060 is dat respectievelijk ongeveer 37%, 35% en 34%. De AOW-druk wordt berekend op basis van de bevolkingsprognose. Dat is het aantal mensen in werkzame leeftijd (vanaf 20 tot AOW-leeftijd) ten opzichte van het aantal mensen boven de AOW-leeftijd in Nederland. De AOW-gerechtigden die in het buitenland wonen worden hierin dus niet meegerekend.
(x 1.000 personen, jaargemiddelde)
Aantal personen in Nederland boven AOW-leeftijd
3.870
4.135
4.064
4.032
Aantal personen in Nederland van 20 jaar tot AOW-leeftijd
11.147
11.222
11.576
12.013
Kunt u ook onder elkaar zetten wat de verwachtingen hierover waren in 2019, nadat het pensioenakkoord werd afgesloten, op basis van de afspraken in het pensioenakkoord en de bevolkingsprognoses uit die tijd?
Zie onderstaande figuren uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen»2 uit 2019. Daarin wordt ingegaan op de gevolgen van de vergrijzing voor onder meer de AOW. Er wordt ook stilgestaan bij de AOW-druk. Als u de figuur van vraag 1 met die hieronder vergelijkt kunt u zien dat de verwachting van de AOW-druk voor 2033 en 2060 is afgenomen.
Kunt u onder elkaar zetten hoeveel de verwachte uitgaven aan de AOW zijn als percentage van het Bruto Binnenlands Product (BBP) in 2033, 2040, 2050 en 2060? Wat was de verwachting hierover in 2019, na het afsluiten van het pensioenakkoord?
In onderstaande tabel wordt weergegeven wat de verwachtingen waren ten aanzien van de ontwikkeling van de AOW-uitgaven als percentage van het BBP. De cijfers zijn afkomstig uit het CPB-rapport «Zorgen om morgen» (2019) en het rapport van de 18e Studiegroep Begrotingsruimte (2025). De percentages voor 2033 en 2050 zijn niet beschikbaar.
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2019)
5,1%
6,5%
5,9%
AOW uitgaven als % van het BBP (verwachting 2025)
4,7%
5,7%
5,4%
In hoeverre zijn de verwachtingen over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW volgens u verbeterd of verslechterd sinds 2019, toen het pensioenakkoord werd afgesloten?
Zoals bij vraag 2 aangegeven is de verwachting dat in 2033 en 2060 de AOW-druk minder hoog uitvalt dan in 2019 verwacht werd. De AOW-uitgaven als percentage van het BBP vallen volgens de prognoses uit 2025 lager uit dan in 2019 verwacht werd, zoals uit de tabel bij vraag 3 is af te lezen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat hiervoor niet alleen de AOW-uitgaven zelf, maar ook de ontwikkeling van het BBP van belang is.
Op het gebied van de financiering van de AOW constateerde het CBS in 2024 dat voor het eerst meer dan 50% van de AOW-uitkeringen gefinancierd uit de algemene middelen oftewel belastinggeld. Dit betekent dat premie-inkomsten de AOW-uitkeringen steeds minder dekken. Sinds 2001 zijn de AOW-premies niet meer toereikend om de volledige uitkeringen te dekken, omdat de AOW-premie op 17,9% is gemaximeerd. Het aandeel van de AOW-uitkeringen dat het Rijk vanuit de algemene middelen aanvult, neemt een steeds groter deel van de overheidsuitgaven in beslag. De sneller stijgende AOW-uitgaven komen vooral door de vergrijzing. Daarnaast zijn de uitkeringen zelf verhoogd, omdat ze gekoppeld zijn aan de ontwikkeling van het wettelijk minimumloon (Wml). De premie-inkomsten stijgen veel minder dan de uitgaven. De verwachting is dat het aandeel gefinancierd vanuit algemene middelen in de toekomst verder zal toenemen.
Wat is volgens u de reden dat het kabinet van plan is de AOW versneld te verhogen? In hoeverre is dit vanwege de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW, en hoe verhoudt dit zich tot de prognoses in 2019 en de onderbouwing van de afspraken over dit onderwerp in het pensioenakkoord?
De uitkeringslasten van de AOW stijgen vanwege de toename van het aantal AOW’ers door de vergrijzing. Daarnaast stagneert de groei van de beroepsbevolking. Het gevolg is dat premies in de toekomst door minder werkenden moeten worden opgebracht en de AOW een groter beslag op de Rijksbegroting legt, zoals bij vraag 4 is uitgelegd. Daarom adviseerde de Studiegroep Begrotingsruimte om maatregelen te nemen die gericht zijn op het verlagen van de vergrijzingsgevoelige uitgaven.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat er in 2033 maar twee werkenden per AOW’er zijn? Waar baseerde hij dat cijfer op?
In het debat over de regeringsverklaring is voor deze verhouding de grijze druk gebruikt. Grijze druk laat de verhouding tussen het aantal mensen van 65 jaar of ouder en het aantal personen van 20 tot 65 jaar zien. Deze cijfers komen terug in publicaties van de SVB en het UWV.3 Het is echter zorgvuldiger om bij deze verhouding de «AOW-druk» te gebruiken. Dit laat de verhouding tussen AOW-gerechtigden en de beroepsbevolking. De AOW-leeftijd ligt immers niet meer op 65 jaar.
Waarom denkt u dat premier Jetten tijdens het debat over de regeringsverklaring zei dat de reden om de AOW versneld te verhogen was dat het kabinet zich zorgen maakt over de houdbaarheid en betaalbaarheid van de AOW? Waarom heeft het kabinet die zorgen, gegeven de ontwikkeling van de prognoses hierover in de afgelopen tien jaar?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1, 4 en 5 aangegeven ziet het kabinet een opgave om de AOW-uitgaven houdbaar te houden in de context van de grote opgaven waar we voor staan. Hierover gaat het kabinet graag de komende periode met uw Kamer en de sociale partners in gesprek.
Kunt u een tabel maken met de jaarlijkse kosten van de AOW tot en met 2060, zowel vóór als na de voorgenomen maatregel?
De uitgaven aan de AOW volgens de 2/3e koppeling en 1-op-1 koppeling is hieronder weergegeven. Dit bevat niet de weglek naar andere sociale zekerheid.
AOW uitgaven 2/3e koppeling
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
AOW uitgaven 1-op-1
56.460
57.698
58.147
59.396
60.772
Verschil
–
–
–
–
–
AOW uitgaven 2/3e koppeling
62.172
63.568
64.775
65.137
66.224
AOW uitgaven 1-op-1
62.172
63.568
63.705
64.080
65.170
Verschil
–
–
– 1.070
– 1.057
– 1.054
AOW uitgaven 2/3e koppeling
67.398
67.761
68.855
69.856
69.860
AOW uitgaven 1-op-1
65.268
66.648
66.661
67.724
67.776
Verschil
– 2.130
– 1.113
– 2.195
– 2.133
– 2.084
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.392
70.800
70.338
70.449
70.616
AOW uitgaven 1-op-1
68.397
68.017
68.537
68.713
68.014
Verschil
– 1.995
– 2.783
– 1.802
– 1.737
– 2.602
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.777
70.237
70.370
70.636
70.121
AOW uitgaven 1-op-1
68.185
67.620
67.731
67.053
67.394
Verschil
– 2.592
– 2.617
– 2.639
– 3.583
– 2.727
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.253
70.438
70.687
70.204
70.519
AOW uitgaven 1-op-1
66.652
66.879
67.099
66.540
66.779
Verschil
– 3.601
– 3.559
– 3.588
– 3.664
– 3.739
AOW uitgaven 2/3e koppeling
70.965
70.570
70.999
71.621
72.358
AOW uitgaven 1-op-1
66.191
66.696
66.134
66.699
67.291
Verschil
– 4.775
– 3.873
– 4.865
– 4.922
– 5.067
Welk deel van de mensen die langer door zouden moeten werken door het voorstel om de AOW-leeftijd versneld te verhogen houdt het volgens u vol om daadwerkelijk langer door te werken? Welk deel komt in de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA), Werkloosheidswet (WW) of Participatiewet terecht?
Uit de meest recente «Monitor verhoging AOW-gerechtigde leeftijd» van SEO Economisch Onderzoek4 blijkt niet dat het actieve gebruik van de WW, WIA of bijstand toeneemt door de geleidelijke verhoging van de AOW-leeftijd. Er is geen actief substitutie-effect, waarbij ouderen eerder zouden stoppen met werken om in de periode tussen de oude en de verhoogde AOW-leeftijd een uitkering te gebruiken, zoals SEO dit omschrijft. Sinds 2013 is de AOW-leeftijd gestegen van 65 jaar naar 67 jaar in 2026. Door de verhoging blijven mensen die al een WW-, WIA- of bijstandsuitkering ontvangen langer in deze uitkering. Dit wordt het passieve substitutie-effect genoemd. Hoewel het risico op instroom in deze uitkeringen toeneemt zijn er geen aanwijzingen dat ouderen massaal rond hun 65ste of rond de nieuwe AOW-leeftijd bewust instromen in sociale zekerheid. Het Ministerie van SZW monitort de effecten van de verhoging van de AOW-leeftijd jaarlijks.
Bent u zich ervan bewust dat het CPB uitgaat van een ombuiging op de AOW van € 4,9 miljard en een netto ombuiging van € 2,7 miljard in 2060 als gevolg van de voorgenomen versnelde verhoging van de AOW-leeftijd? Klopt het dat daarmee zo’n 45%, dat wil zeggen bijna de helft, van de groep die langer door zou moeten werken in plaats daarvan een andere uitkering krijgt?
De raming van het CPB over de budgettaire gevolgen van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting sluit aan op de raming zoals opgenomen in het Coalitieakkoord. De 1-op-1 koppeling leidt tot een besparing op de AOW-uitgaven in 2060. Tegelijkertijd leidt dit er toe dat mensen een langere periode een andere uitkering ontvangen of voor de periode dat zij later een AOW ontvangen een andere uitkering instromen.
Deze weglekeffecten naar andere sociale zekerheid zijn gebaseerd op een analyse over realisatiecijfers uit 2019 t/m 2021. Hierin is geanalyseerd wat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid is van de groep mensen die in een gegeven jaar de AOW instromen. Uit deze analyse blijkt dat de totale uitgaven aan andere sociale zekerheid voor de mensen die op het punt staan de AOW-leeftijd te bereiken ca. 45% is van de uitgaven aan AOW zodra zij zijn ingestroomd. Met andere woorden, de uitgaven aan overige sociale zekerheidsuitkeringen, als gevolg van een hogere AOW-leeftijd, bedragen 45% van het bedrag dat anders aan de AOW uitgegeven zou zijn. Indien de AOW-leeftijd omhoog gaat zit deze groep dus langer in de betreffende socialezekerheidsuitkering. Deze analyse ziet echter alleen op de totale Rijksuitgaven. Er kunnen geen conclusies verbonden worden over het aantal mensen om wie dit gaat aangezien de gemiddelde hoogte van de AOW niet gelijk is aan de gemiddelde hoogte van de andere uitkeringen. Circa 34 procentpunt van de 45% aan weglek gaat immers om Arbeidsongeschiktheids-, WW en Ziektewetuitkeringen. De gemiddelde uitkeringshoogte hiervan ligt aanzienlijk hoger dan de gemiddelde hoogte van een AOW-uitkering.
De 45% aan weglek zegt dus uitsluitend iets over de Rijksuitgaven, maar niet over het aantal mensen dat een uitkering ontvangen in plaats van inkomen uit werk voordat zij de AOW instromen.
Kunt u deze cijfers nader uitsplitsen? Hoeveel meer mensen komen respectievelijk terecht in de WIA, WW en Participatiewet, en met hoeveel nemen de kosten van deze regelingen respectievelijk toe?
Zoals toegelicht is uit de analyse niet op te maken hoeveel mensen terechtkomen in de WIA, WW of Participatiewet als gevolg van de 1-op-1 koppeling van de AOW aan de levensverwachting. Wel kan uiteengezet worden wat op basis van de analyse op basis van cijfers uit 2019 t/m 2021 de geraamde toename aan uitgaven aan deze regelingen is. Hieronder is de uitsplitsing van het weglekeffect naar andere sociale zekerheid weergegeven t/m 2035 en structureel.
Uitsplitsing weglekeffect (x € mln.)
Participatiewet
45
44
44
211
AO1
284
280
279
1344
IOAW/IOAZ2
56
56
56
267
Werkloosheidswet
72
72
71
343
Ziektewet
15
14
14
69
Algemene nabestaandenwet
14
13
13
65
Hieronder vallen de WAZ, WAO en WIA.
Hieronder vallen de IOAW, IOAZ, Wajong, BBZ en IOW.
Welke overlap ziet u tussen de plannen voor de AOW, WIA en WW? Hoeveel mensen hebben door de voorgenomen plannen dubbel of driedubbel pech, bijvoorbeeld omdat zij later AOW krijgen én korter WW, en daardoor in de bijstand terechtkomen?
Het kabinet heeft de sociale partners goed gehoord. Met betrekking tot de aanpassing van de koppeling van de AOW-leeftijd aan de levensverwachting maakt het kabinet een pas op de plaats. We gaan samen met uw Kamer en met de sociale partners in de komende periode kijken of, en zo ja, welke alternatieven er mogelijk zijn. In de verkenning en uitwerking zal rekening gehouden worden met de mogelijke samenloop van regelingen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden en de antwoorden vóór aanvang van de plenaire behandeling van de Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2026 aan de Tweede Kamer doen toekomen?
Aan beide verzoeken is voldaan.
Het bericht ‘Langer thuiswonen? ‘Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp’’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Langer thuiswonen? «Ouderen komen nu al vies en verwaarloosd op de eerste hulp»»?1
Ik vind het heel verdrietig om te lezen dat er ouderen zijn die vies en verwaarloosd op de eerste hulp komen.
Bent u het ermee eens dat we nooit ouderen zover achteruit mogen laten gaan dat zij in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
Ik ben het ermee eens dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Ik kan niet direct uit het artikel afleiden wat de oorzaak is dat er mensen verwaarloosd in het ziekenhuis komen. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen.
Ik heb daarbij verder geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering door de samenwerking in de wijk te versterken. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing en/of eenzaamheid signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, altijd gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Daarnaast ben ik samen met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bezig met de bouw van 120.000 geclusterde en zorggeschikte woningen. Ook die kunnen helpen in het extra oogje in het zeil, zeker als daar ook een levende gemeenschap is waar mensen naar elkaar om kijken.
Bent u het ermee eens dat dit soort verhalen duidelijk maken dat het huidige beleid van mensen zo lang mogelijk dwingen thuis te blijven wonen tegen zijn grenzen aanloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel zou er geïnvesteerd moeten worden in de zorg om ervoor te zorgen dat er wel voldoende passende plekken komen waar deze mensen de juiste zorg kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u zicht op om hoeveel ouderen het gaat die in verwaarloosde toestand of eenzaam thuis leven?
Van alle 75-plussers voelt 51% zich eenzaam.3 Ik heb geen cijfers over de vraag hoeveel mensen er in verwaarloosde toestand thuis wonen.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat deze ouderen de zorg krijgen die ze nodig hebben, en hoe gaat u verwaarlozing en eenzaamheid in de toekomst voorkomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe vaak gebeurt het per jaar dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden?
In de ziekenhuisregistraties wordt niet specifiek vastgelegd of sprake is van verwaarlozing als reden van opname. Het kabinet kan daardoor niet aangegeven hoe vaak het gebeurt dat ouderen in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis belanden.
Hoeveel zal dit de komende jaren toenemen als de plannen van de nieuwe coalitiew orden doorgezet?
In het coalitieakkoord wordt ingezet op een gezondere samenleving. Daarbij investeert het kabinet in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat.
Het bericht dat er schrijnende toestanden bij ouderen zijn door langer thuis wonen. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Machteloosheid in ziekenhuizen: schrijnende toestanden bij ouderen door langer thuiswonen»?1
Ja, het kabinet is bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ouderen met doorligplekken van urenlang liggen in eigen ontlasting en met vliegjes in hun haren binnenkomen in het ziekenhuis? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Het kabinet deelt de mening dat ouderen niet in een verwaarloosde toestand in het ziekenhuis zouden mogen belanden. Er is niet direct uit het artikel af te leiden dat de oorzaak altijd gelijk is. Bijvoorbeeld dat het zou gaan om mensen die extra zorg hebben gevraagd maar niet hebben gekregen, thuis of in een verpleeghuis.
Daarbij heeft het kabinet geen signalen dat zorg thuis niet toegankelijk is en niet kan worden verleend aan ouderen die thuis wonen. Recent onderzoek2 laat zien dat de toegankelijkheid van de wijkverpleging over het algemeen goed is. De meeste cliënten ontvangen binnen de gewenste termijn zorg. De wachttijden zijn over het algemeen kort, zo ontvangt volgens data van 15 ziekenhuizen 84% van de cliënten binnen één dag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging.
Ook zetten we bij de zorg thuis in op tijdige signalering. Door versterking van de eerstelijnszorg verbetert de samenwerking in de wijk tussen zorg en sociaal domein. Een zorg- of hulpverlener die verwaarlozing signaleert kan in samenwerking met andere professionals in de wijk hulp bieden. Ook kunnen mensen met dementie, van beginnend tot vergevorderd, gebruik maken van casemanagement dementie. Een casemanager kan helpen om zorg en ondersteuning voor de cliënt en de omgeving goed te organiseren.
Herkent u het beeld dat eenmaal in het ziekenhuis het moeilijk is om eruit te komen, omdat er een tekort is aan verpleeghuisplekken of gespecialiseerde revalidatiecentra? Zo ja, wat gaat u daaraan doen?
Het kabinet herkent dat patiënten soms langer in het ziekenhuis verblijven dan medisch noodzakelijk. Het is belangrijk dat ouderen passende zorg ontvangen en dat een (te lang) verblijf in het ziekenhuis voorkomen wordt. Daarom werken we samen met betrokken partijen aan het versterken van de eerstelijnszorg, het verbeteren van zorgcoördinatie en het verder ontwikkelen van de kortdurende zorg, waaronder de geriatrische revalidatiezorg (GRZ) en het eerstelijnsverblijf (ELV). Voor mensen die na een ziekenhuisopname wijkverpleging nodig hebben, wordt deze vervolgzorg zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 in verreweg de meeste gevallen tijdig georganiseerd. Een betere samenwerking en coördinatie tussen zorgaanbieders is essentieel om mensen snel passende vervolgzorg te bieden. Dit alles is belangrijk, omdat een onnodig lang verblijf in het ziekenhuis niet bevorderlijk is voor herstel en kan leiden tot verminderde zelfredzaamheid, conditieverlies en afname van spierkracht.
Hoe groot is het beschreven tekort aan verpleeghuisplekken en hoe rijmt u dat met de berichten over leegstand?
Op zorgcijferdatabank3 worden iedere maand cijfers gepubliceerd over het aantal wachtenden binnen de Wlz. De meest recente cijfers zijn van 1 december 2025. Toen stonden er binnen de ouderenzorg 18.312 mensen op de wachtlijst waarvan 332 met de status «urgent plaatsen». Bij mensen die urgent geplaatst moeten worden lukt het over het algemeen om die binnen enkele weken te plaatsen in het verpleeghuis, waarbij er wel regionale verschillen kunnen zijn.
De totale omvang van de wachtlijst in de ouderenzorg is overigens lager dan op 1 december in recente voorgaande jaren (1 december 2023 stonden er 22.275 mensen op de wachtlijst voor de Wlz-ouderenzorg en 1 december 2024 20.137 mensen). Het RIVM doet momenteel onderzoek naar de verminderde vraag naar verpleeghuiszorg en de leegstand in verpleeghuizen.
Hoe groot is het tekort aan bedden in revalidatiecentra die gespecialiseerd zijn in oudere mensen met dementie?
Het kabinet is niet bekend met data over het tekort aan bedden in revalidatiecentra voor mensen met dementie of cognitieve problemen waarvan de oorzaak nog niet is vastgesteld. We zijn voornemens een opdracht uit te zetten aan het RIVM voor meer inzicht in de kortdurende en paramedische zorg, met onder andere een terreinbeschrijving. Toegankelijkheid van zorg zal een onderdeel zijn van deze beschrijving. We hopen in het kader van deze opdracht meer inzicht te krijgen in eventuele tekorten. Deze beschrijving zal naar verwachting begin 2027 worden gepubliceerd door het RIVM.
Hoeveel verpleeghuisplekken zijn fysiek beschikbaar, maar niet inzetbaar door personeelstekort?
Het kabinet beschikt niet over de cijfers om deze vraag te beantwoorden.
Welke rol spelen zorgverzekeraars bij het inkopen van voldoende verpleeghuisplekken en geriatrische revalidatieplekken? Vindt u dat zij hier voldoende verantwoordelijkheid nemen?
Zorgverzekeraars (verantwoordelijk voor de inkoop van geriatrische revalidatiezorg) hebben een wettelijke zorgplicht op basis van de Zorgverzekeringswet. De invulling van de zorgplicht betekent verzekerden binnen een redelijke tijd en reisafstand toegang moeten hebben tot alle zorg uit het basispakket. Wat een redelijke tijd en reisafstand is hangt af van de zorgvraag van de patiënt. Zorgverzekeraars moeten daarom voldoende zorg inkopen of bemiddelen als iemand niet snel genoeg bij een zorgaanbieder terecht kan (wachttijdbemiddeling). De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) controleert of de zorgverzekeraars zich houden aan deze zorgplicht. De NZa heeft dit nader uitgewerkt in de «De zorgplicht: handvatten voor zorgverzekeraars» en in de «Beleidsregel toezichtkader zorgplicht zorgverzekeraars»4. We verwijzen u ook naar de brief van 12 februari 20255 waarin uiteengezet wordt welke mogelijkheden de NZa heeft voor het toezicht op de zorgverzekeraars en de handhaving van de zorgplicht. In de brief zijn, naast informele instrumenten zoals normoverdragende gesprekken en waarschuwingen, ook een aantal formele mogelijkheden genoemd. Deze instrumenten zijn opgenomen in de Wmg, te weten: 1. aanwijzing tot opvolgen van een verplichting; 2. publicatie bij niet-naleving van de aanwijzing; 3. toepassen van last onder bestuursdwang; 4. opleggen van een last onder dwangsom en 5. opleggen van een bestuurlijke boete. Het is daarom ook aan de NZa om te beoordelen of zorgverzekeraars voldoende verantwoordelijkheid nemen.
Zorgkantoren, verantwoordelijk voor de inkoop van verpleeghuisplekken, hebben op basis van de Wet langdurige zorg een wettelijke zorgplicht ten aanzien van hun verzekerden. Ook voor de zorgkantoren heeft de NZa Handvatten duiding zorgplicht zorgkantoren6 en een Beleidsregel normenkader Wlz-uitvoerder opgesteld7. In de NZa-rapportage «Nu zorgen voor verpleeghuiscliënten van morgen»8 concludeert de NZa dat zorgkantoren grotendeels voldoen aan hun verplichtingen en dat er tot 2028 naar verwachting tijdige en passende zorg beschikbaar is in het verpleeghuis. Waar de NZa punten voor verbetering zag, zijn die individueel met zorgkantoren gedeeld. De opvolging van deze aanbevelingen zal de NZa monitoren.
Wat zijn de totale meerkosten voor ziekenhuizen door het langer moeten verzorgen van deze patiënten?
Er zijn geen landelijke, eenduidige cijfers beschikbaar over de totale meerkosten voor ziekenhuizen als gevolg van patiënten die langer verblijven dan medisch noodzakelijk. Wel is duidelijk dat onnodig lange verblijfsduur druk zet op ziekenhuiscapaciteit en kan leiden tot hogere kosten en verminderde beschikbaarheid van bedden voor andere patiënten.
Deelt u de mening dat nieuwe bezuinigingen aankondigen op de ouderenzorg het laatste wat de politiek nu zou moeten doen?
In het coalitieakkoord wordt voor de ouderenzorg ingezet op een verschuiving van intramurale zorg naar investeren in zorgzame buurten en gemeenschapsontwikkeling waardoor ouderen en mensen met een beperking langer thuis kunnen wonen met passende ondersteuning. Dit gaat gepaard met nieuwe woonvormen en zorgzame buurten waar ontmoeting, de aanpak van eenzaamheid en zorg voor elkaar centraal staat. Er wordt een bestuurlijk akkoord gesloten met alle drie de sectoren in de Wet langdurige zorg om te kunnen bereiken dat de uitgavengroei wordt beperkt. Per saldo is er nog altijd sprake van een groei in de uitgaven.
Het bericht dat tandartsketens ouderen als melkkoe gebruiken |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB), Bruijn |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht dat tandartsketens ouderen als melkkoe gebruiken?1
In de beantwoording van onderstaande vragen geef ik een reactie op dit artikel. Daarnaast verwijs ik naar recente antwoorden op Kamervragen over de mondzorg voor ouderen2.
Hoe kan het dat commerciële tandartsketens zonder duidelijke reden vijf mondzorgcontroles per jaar kunnen declareren?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de mondzorgpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Indien vijf mondzorgcontroles in een jaar nodig zijn, moet de noodzaak daartoe blijken uit het mondzorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders.
Is het toegestaan om ouderen in een normale stoel aan de keukentafel een tandartscontrole te geven? Zo nee, waarom vindt dat dan alsnog plaats?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn. Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen.
Of de mondzorg op een verantwoorde manier op de eigen kamer kan worden uitgevoerd, hangt dus af van de context.
Bent u het ermee eens dat dit laat zien dat commerciële zorgbedrijven en de markt de zorg vaak duurder en slechter maken? Zo ja, bent u bereid om winstbejag in de hele zorg te verbieden?
Ik ben het hier niet mee eens. Zorgaanbieders zijn van oudsher private organisaties. Een bedrijfsvoering met een positief resultaat is noodzakelijk om te kunnen innoveren en investeren in de zorg, en om onderhoud te kunnen uitvoeren. Dit komt de zorg ten goede. Dat betekent niet dat financieel gewin de boventoon mag voeren. Als tandartspraktijken worden gekocht door commerciële zorgbedrijven om daar, op korte termijn, zoveel mogelijk geld aan te verdienen, zonder dat daarbij oog is voor het belang van de cliënt of patiënt, de kwaliteit, betaalbaarheid en toegankelijkheid van zorg, dan is dat verwerpelijk. Maar wanneer een tandartspraktijk wordt overgenomen door een commercieel zorgbedrijf en dit de kwaliteit, continuïteit en toegankelijkheid van zorg ten goede komt, is het een positieve ontwikkeling voor de patiënt en het zorglandschap.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren, en de NZa houdt toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders. Dit geldt voor alle zorgaanbieders, ook voor commerciële zorgbedrijven.
Wat gaat u doen om de inzet van dit soort commerciële mondzorgketens uit de ouderenzorg te krijgen? Bent u bijvoorbeeld bereid om ouderenzorginstellingen hiervoor te waarschuwen?
Op 29 januari 2025 is het Wetsvoorstel integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz) naar uw Kamer gestuurd waarin eisen worden gesteld aan de zorgaanbieder. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 11 december 2025, ben ik mij momenteel aan het herbezinnen op dit wetsvoorstel. Met de herbezinning van de Wibz wordt gekeken waar aanscherpingen kunnen plaatsvinden, waarbij ik ook actief in gesprek ga met verschillende belanghebbenden3. Hierbij worden alle aspecten van het wetsvoorstel betrokken, maar richt ik mij in het bijzonder op aanvullende mogelijkheden om de bepalingen ten aanzien van winstuitkering en investeerders in de zorg en jeugdhulp verder aan te scherpen. Daarbij heb ik ook aandacht voor het weren van partijen die enkel uit zijn op financieel gewin. Ik ben van mening dat ouderenzorginstellingen zelf hun afwegingen kunnen maken over de inzet van mondzorgprofessionals en dat een waarschuwing van mijn kant niet nodig is.
Het gebruik van robots in de ouderenzorg |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Bruijn , Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Regels voor robots in ouderenzorg nodig: «De menselijke maat moet gehandhaafd blijven»»?1
Het nieuwsitem geeft een beeld hoe de ouderenzorg zich ontwikkelt en welke vraagstukken er spelen als het gaat om innovatieve technologie.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots in de ouderenzorg alleen een aanvulling kan zijn op de inzet van zorgverleners als mensen dat zelf willen en dat ouderen dus de optie moeten houden van menselijke zorg?
Ja, daar ben ik het mee eens. Zoals in het HLO is beschreven kan slimme digitale ondersteuning directe voordelen bieden voor ouderen en zorgverleners. Robots kunnen een aanvulling zijn op de inzet van zorgverleners zodat zorgverleners tijd hebben om de intensieve zorg uit te blijven voeren. Ouderen behouden hierdoor de menselijke zorg.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots vooral nuttig kan zijn bij taken waarbij sociaal contact minder belangrijk is en veel minder voor zorgtaken die ook een belangrijke sociale functie hebben?
Ja, hier ben ik het mee eens. Robots moeten ingezet worden zodat mensen het mensenwerk kunnen doen.
Bent u het ermee eens dat de inzet van robots geen alternatief is voor een echte inzet op het oplossen van het personeelstekort in de zorg? Hoe staat het inmiddels met de uitvoering van de motie-Dobbe, die opriep «om een wervingscampagne op te zetten, vergelijkbaar met de wervingscampagne van Defensie, om mensen te werven om in de zorg te werken, en de Kamer hier voor de begrotingsbehandeling over te informeren»?2
Het inzetten van robots is één van de vele technologieën die wordt ingezet om het personeel in de zorg te ondersteunen om invulling te geven aan het personeelstekort. Daarbij kan inzet van technologie wel degelijk een bijdrage leveren aan het oplossen van het arbeidsmarktvraagstuk. Naast de voordelen op het gebied van personeel kan inzet van technologie de zorg ook aanvullen en zorgen voor betere ondersteuning aan de cliënt. Een voorbeeld is zorgrobot Tessa die al bij meer dan 175 zorgorganisaties wordt gebruikt. Tessa begeleidt cliënten verbaal en herinnert hen aan (zorg)taken zodat ze de taken ook uitvoeren wat hun zelfredzaamheid vergroot.
De motie-Dobbe roept op om een wervingscampagne in de zorg te starten. De Minister van VWS is verantwoordelijk voor het brede arbeidsmarktbeleid in de zorg. Hij merkt op dat werving van personeel de verantwoordelijkheid is van werkgevers in zorg en welzijn. Het Ministerie van VWS is, in tegenstelling tot het Ministerie van Defensie, geen werkgever. Tevens zijn er in vele maatschappelijke sectoren personeelstekorten en acht hij het gelet daarop ook niet passend om een dergelijke grootschalige wervingscampagne vanuit het Ministerie van VWS op te zetten. Dit is in lijn met de brede arbeidsmarktagenda van dit kabinet, waarin voor de sectorale inzet juist de afstemming en samenwerking tussen sectoren wordt onderstreept 3.
Om deze redenen ziet de Minister van VWS af van de uitvoering van deze motie. Wel is hij, gelet op de urgentie van de personeelstekorten in de sector, bereid om te onderzoeken welke andere opties er zijn om met de beschikbare middelen invulling te geven aan de gedachte achter deze motie. In het AZWA is bijvoorbeeld afgesproken dat bestaande loopbaaninstrumenten die bijdragen aan de instroom, doorstroom en behoud van medewerkers geïntegreerd voortgezet worden. Hij zal uw Kamer voor de begrotingsbehandeling nader informeren over de uitkomst hiervan.
Bent u het ermee eens dat robots niet ingezet mogen worden voor zorg of ondersteuning bij ouderen tenzij deze goedgekeurde en getest zijn en ouderen nooit proefkonijn mogen zijn voor bedrijven? In hoeverre wordt dit nu gegarandeerd?
Robots moeten goedgekeurd en getest zijn voordat ze worden ingezet. Zo bestaat er Europese en Nederlandse normering voor zorgtechnologie. Veiligheid, privacy en betrouwbaarheid zijn absolute randvoorwaarden voor de inzet van zorgtechnologie. Ouderen mogen niet als proefkonijn dienen en onderzoek wordt getoetst bij regionale Medisch Ethische Toetsingscommissies.
Bent u het ermee eens dat, als robots worden ingezet voor ondersteuning, deze toegankelijk en betaalbaar moeten zijn voor iedereen en niet alleen voor mensen die geld hebben? In hoeverre wordt hier nu rekening mee gehouden?
Zorg moet altijd toegankelijk, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn, dat geldt ook voor robots die worden ingezet in de zorg.
Bent u het ermee eens dat er regels nodig zijn om te bepalen wanneer robots verantwoord kunnen worden ingezet in de zorg?
De stelselverantwoordelijkheid van VWS reikt niet tot ontwikkelaars van zorgtechnologie. Daarnaast stelt de sector zelf kwaliteitskaders op voor de langdurige zorg, zoals in de ouderenzorg het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». Inzet van technologie is hier onderdeel van. Als er vanuit de zorgsector behoefte is om richtlijnen/ ethische regels aan te scherpen dan kan de zorgsector daartoe zelf het initiatief nemen.
Welke stappen worden momenteel gezet om regels op te stellen voor de inzet van robots in de ouderenzorg? In hoeverre wordt daarbij ook rekening gehouden met het feit dat commerciële producenten van zorgrobots niet altijd dezelfde belangen hebben als de ouderen en zorgverleners die deze gebruiken?
Ik ben niet bekend met regels die op dit moment worden ontwikkeld voor de inzet van robots in de ouderenzorg. Wel worden door organisaties zoals Vilans handvaten aan de sector aangeboden om digitaal hybride zorgtechnologie goed te organiseren.
Het artikel ‘Schrijnend beeld: gepensioneerden zien inkomen al jaren achterblijven ten opzichte van anderen’ |
|
Corrie van Brenk (PvdA), Jan Struijs (50PLUS) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat de cijfers zoals weergegeven in de tabellen bij dit artikel inderdaad correct worden weergegeven en gebaseerd zijn op CBS-data?1
De cijfers in dit artikel geven inzicht in hoe de mediane koopkracht van personen zich van jaar-op-jaar ontwikkelt en zijn afkomstig van het CBS. Alhoewel de cijfers correct worden weergegeven, zijn er ook nuances bij het artikel te plaatsen (zie het antwoord op vraag 2).
Wat vindt u van de in het artikel getoonde koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden versus de koopkrachtontwikkeling van werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden? Ziet u hier een «evenwichtig inkomensbeeld» of niet? Graag een toelichting.
De cijfers in het artikel laten zien dat gepensioneerden in doorsnee een lagere koopkrachtontwikkeling hebben gehad dan werknemers, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden sinds 2011. In onderstaande figuur 1, eveneens afkomstig van het CBS, wordt de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 verder uitgesplitst naar hoogte van het aanvullend pensioen. De figuur toont dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen: hoe hoger het aanvullend pensioen, hoe lager de koopkrachtontwikkeling. Dit is voor een belangrijk deel het gevolg van het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen in deze periode. Voor gepensioneerden met de laagste inkomens geldt dat de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, en dat de AOW wel geïndexeerd is in deze periode omdat deze gekoppeld is aan het minimumloon. Voor de gepensioneerden met de laagste inkomens is tot en met 2022 dus sprake geweest van een koopkrachtstijging die meer in lijn is met de koopkrachtontwikkeling van werkenden en uitkeringsgerechtigden tot en met 2022, dan van gepensioneerden met een hoog aanvullend pensioen.
Bij het artikel past ook een aantal kanttekeningen.
Ten eerste suggereren de cijfers in het artikel dat de inkomenspositie van de groep werknemers als geheel fors verbeterd is ten opzichte van de groep gepensioneerden, maar dat is niet het geval. De cijfers in het artikel geven de koopkrachtontwikkeling weer van iemand al sinds 2011 gepensioneerd is of vanaf 2011 tot nu toe heeft gewerkt. In figuur 2 wordt de ontwikkeling van het absolute inkomen van groepen (gedefinieerd als het gemiddeld gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen) weergegeven tussen 2011 en 2024. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling van het inkomen van gepensioneerden meer in lijn ligt met dat van werkenden, dan de cijfers in het artikel suggereren.
Dat de ontwikkeling van het absolute gemiddeld inkomen van werkenden en gepensioneerden meer met elkaar in de pas loopt dan in het artikel, is toe te schrijven aan meerdere factoren. Zo geldt dat nieuwe gepensioneerden gemiddeld genomen steeds hogere pensioenen hebben dan oudere gepensioneerden. Verder geldt dat een deel van de koopkrachtstijging van werkenden in het artikel het gevolg is van de inkomensgroei die werknemers realiseren tijdens hun carrière, bijvoorbeeld door een hogere salarisschaal of -trede. Binnen de groep werkenden nemen individuele werknemers ieder jaar een steeds betere positie in. Maar de inkomenspositie van de groep werkenden verbetert hierdoor niet per se. Dit komt doordat startende werknemers vaak onder aan het inkomensgebouw beginnen, en werknemers die met pensioen gaan vaak aanzienlijk hoger zitten in het inkomensgebouw. Gepensioneerden hebben deze inkomensgroei vaak ook meegemaakt in hun werkverleden.
Een tweede kanttekening bij de cijfers in het artikel is dat het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen ook de (toekomstige) pensioenen van werknemers raakt. Dit effect is echter niet zichtbaar in de koopkracht- of inkomenscijfers van het CBS, CPB en het Ministerie van SZW.
Figuur 1
Bron: CBS
Figuur 2: Ontwikkeling gemiddeld reëel gestandaardiseerd besteedbaar huishoudinkomen, 2011–2024, 2011=100
Bron: CBS (onbewerkte cijfers: StatLine - Inkomen van huishoudens; inkomensklassen, huishoudenskenmerken), bewerking Ministerie van SZW
Klopt de volgende constatering: «Uiteindelijk bleef de koppeling overeind, maar het staafdiagram laat zien dat daar weinig van overbleef. Het voordeel voor de gepensioneerden werd via fiscale maatregelen weer afgeroomd?». Indien nee, waarom klopt de constatering niet? En zo ja, kunt u preciseren welke maatregelen hiervoor verantwoordelijk waren.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2 geldt dat de koopkrachtontwikkeling van gepensioneerden sinds 2011 sterke samenhang vertoont met de hoogte van het aanvullend pensioen. Voor gepensioneerden met lagere inkomens geldt dat de ontwikkeling van de AOW, die gekoppeld is aan minimumloon, gezorgd heeft voor een positieve koopkrachtontwikkeling in de periode 2011–2022. Het kabinet herkent de constatering dat de koppeling overeind bleef voor deze groepen, maar niet dat deze weer werd afgeroomd. De koppeling zorgde immers voor koopkrachtstijging voor gepensioneerden met de laagste inkomens (zie figuur 1). Wel geldt dat gepensioneerden inderdaad geen profijt hebben gehad van de lastenverlichting via de hogere arbeidskorting, die als doel heeft gehad om (meer) werken meer lonend te maken (zie ook het antwoord op vraag 4). Voor gepensioneerden met hogere aanvullende pensioenen is de koopkrachtontwikkeling sinds 2011 minder gunstig geweest. Het niet of beperkt indexeren van aanvullende pensioenen is hiervoor een belangrijke verklaring geweest.
Deelt u de conclusie dat de concentratie van lastenverlichting via de arbeidskorting, ervoor heeft gezorgd dat lastenverlichting relatief minder neerslaat bij AOW’ers? Erkent u dat de onevenredig harde groei van de arbeidskorting, medeverantwoordelijk is voor het achterblijven van de koopkracht van gepensioneerden ten opzichte van werkenden en zelfstandigen? Indien nee, waarom niet?
Het klopt dat de maximale arbeidskorting fors is toegenomen sinds de invoering ervan (zie ook het antwoord op vraag 5). Met name werkenden met een inkomen tussen het minimumloon en modaal, die een hoge arbeidskorting ontvangen, hebben hiervan profijt gehad. De hogere arbeidskorting heeft ervoor gezorgd dat (meer) werken meer lonend is geworden. Gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden hebben inderdaad geen profijt gehad van de hogere arbeidskorting. Voor gepensioneerden geldt ten slotte wel dat de ouderenkorting is toegenomen sinds 2011, zij het niet in dezelfde mate als de arbeidskorting (zie het antwoord op vraag 5).
Kan een overzicht worden gegeven van de ontwikkeling van de maximale hoogte van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek, per jaar sinds 2010? Kan daarbij tevens per jaar het budgettaire beslag van deze regelingen worden getoond?
Onderstaande tabel toont de maximale hoogte en het budgettair beslag van de arbeidskorting, de ouderenkorting en de zelfstandigenaftrek sinds 2010.
1.489
9.721
684
1.386
9.427
1.672
1.574
10.230
739
1.530
9.484
1.760
1.611
10.005
762
1.628
7.280
1.647
1.723
9.694
1.032
2.419
7.280
1.733
2.097
11.742
1.032
2.434
7.280
1.660
2.220
12.968
1.042
2.484
7.280
1.645
3.1031
17.276
1.187
2.756
7.280
1.652
3.2231
18.564
1.292
3.008
7.280
1.769
3.2491
19.755
1.418
3.506
7.280
1.882
3.3991
19.522
1.596
4.017
7.280
1.860
3.8191
21.968
1.622
4.168
7.030
1.752
4.2051
25.447
1.703
4.360
6.670
1.692
4.2601
26.374
1.726
4.459
6.310
1.743
5.0521
32.110
1.835
4.701
5.030
1.343
5.5321
36.016
2.010
5.269
3.750
1.022
5.5991
36.921
2.035
5.439
2.470
645
voor hogere inkomens wordt de arbeidskorting afgebouwd naar nul in deze jaren
Erkent u, dat het inkomensbeeld van Nederlandse gepensioneerden zoals getoond in het artikel, veel gunstiger zou zijn geweest als de Nederlandse aanvullende pensioenen sinds 2010 zouden zijn verhoogd met hetzelfde percentage als de aanvullende pensioenen in andere EU-landen, of met hetzelfde percentage als de staatspensioenen in andere EU-landen?
Zie ook het antwoord op vraag 9. De indexatie van aanvullende pensioenen en staatspensioenen in EU-landen zijn niet zonder meer vergelijkbaar. Figuur 1 laat voor Nederland in ieder geval zien dat de AOW sinds 2011 wel geïndexeerd is geweest, vanwege de koppeling aan het minimumloon. Hier zijn gepensioneerden waarvan de AOW een groter deel van het inkomen uitmaakt, er meer op vooruitgegaan zijn dan gepensioneerden bij wie het aanvullend pensioen een groter deel van het inkomen uitmaakt. Verder geldt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen (zie het antwoord op vraag 12).
Kunt u een tabeloverzicht geven, per jaar vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de Nederlandse aanvullende pensioenen, in de tweede kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de aanvullende pensioenen in andere EU-landen en in de derde kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in andere EU-landen?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u tevens een landen specifiek overzicht geven vanaf 2010, met in de eerste kolom de gemiddelde jaarlijkse verhoging van de staatspensioenen in Frankrijk en daarnaast respectievelijk ook van Italië, Spanje en Duitsland?
Het is niet mogelijk om op basis van publiek toegankelijke data de gevraagde informatie te verstrekken.
Kunt u weerleggen, dat diverse toonaangevende artificiële intelligentie toepassingen, waaronder Grok en ChatGPT, bevestigend antwoorden op de vraag of het klopt dat Nederlandse aanvullende (beroepspensioenen) in de periode 2008–2024 inderdaad minder zijn geïndexeerd dan aanvullende pensioenen in andere EU-landen, minder dan de staatspensioenen in andere EU-landen én minder dan het Nederlandse staatspensioen (AOW)? Geven deze toepassingen een onjuist antwoord? Baseren zij zich op andere data of kunt u erkennen dat het inderdaad de waarheid is? Deelt u de mening dat dit eigenlijk onaanvaardbaar is?
In algemene zin deel ik niet de mening dat eventuele verschillen in indexatie tussen gepensioneerden in verschillende landen per definitie onaanvaardbaar zijn. De indexatie van aanvullende pensioenen kan namelijk niet op een gelijkwaardige manier worden vergeleken met de indexatie van staatspensioenen. Beide vormen van pensioen worden immers op een andere wijze gefinancierd.
Aanvullende pensioenen zijn kapitaalgedekt en zijn daardoor vooral afhankelijk zijn van ontwikkelingen op de financiële markten en de rentestanden. Staatspensioenen worden gefinancierd uit lopende begrotingen en zijn, bijvoorbeeld in het geval van Nederland, gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Daarnaast geeft het ook een onvolledig beeld om louter de indexatie van aanvullende pensioenen van verschillende landen met elkaar te vergelijken. Dit omdat de doelen en de indexatieregels van aanvullende pensioenen per land verschillen.
Overigens heeft mijn ministerie dezelfde vraag ook gesteld aan Grok en ChatGPT. Grok wees naar de Nederlandse indexatieregels van het oude pensioenstelsel als reden voor waarom de indexatie van Nederlandse pensioenfondsen lager was dan in andere landen. Als bron wordt verwezen naar «Better Finance»2. In deze publicatie is zichtbaar dat in de verschillende EU-lidstaten verschillende pensioensystemen worden gehanteerd en dat het netto-rendement van Nederlandse pensioenfondsen tussen 2014–2023 positief is. ChatGPT stelde dat het een onjuiste of op zijn minst oncontroleerbare bewering is om met zekerheid te stellen dat Nederlandse aanvullende pensioenen minder geïndexeerd zijn dan aanvullende pensioenen in de meeste andere EU-landen omdat daar onvoldoende vergelijkende data voor beschikbaar is.
Bij het gebruik van AI-toepassingen om Kamervragen te beantwoorden is overigens de nodige voorzichtigheid geboden. De verschillende AI-toepassingen leiden vaak nog niet tot waterdichte antwoorden en missen vaak belangrijke nuances, zoals in deze specifieke vraag het punt dat een vergelijking van louter de aanvullende pensioenen van verschillende landen een onvolledig beeld geeft.
Welk deel van het voor aanvullend pensioen bestemde kapitaal in de Europese Unie respectievelijk in de eurozone, kan worden toegerekend aan Nederlandse pensioenfondsen en pensioendeelnemers en welk deel aan andere lidstaten? Kan het antwoord worden gegeven in percentages en met aparte cirkeldiagrammen voor de EU en de eurozone?
Volgens het «IORPS in Focus Report 2024» van EIOPA3 kan 59% van het totale pensioenkapitaal in de Europese Economische Ruimte toegerekend worden aan Nederlandse pensioenfondsen, verzekeraars en premiepensioeninstellingen (ppi). In de onderstaande figuur wordt inzicht gegeven in de verdeling over de lidstaten. Het «PensionsEurope Report 2024»4 geeft aan dat in het vierde kwartaal van 2024 53,37% van het totale pensioenvermogen in de eurozone Nederlands pensioenvermogen betrof.
Figuur 3: Pensioenvermogen in beheer in de EER in miljoenen euro’s.
Bron: EIOPA (2025), IORPS in Focus Report 2024
Wat was het cumulatieve rendement van Nederlandse pensioenfondsen over de periode 2008–2020 in procenten? Wat was over dezelfde periode het cumulatieve rendement van niet-Nederlandse pensioenfondsen in de EU? Geeft het verschil in rendement onderbouwing voor het verschil in indexatie in de periode?
Bij het Ministerie van SZW is geen data bekend om deze vraag te kunnen beantwoorden. Daarbij wil ik opmerken dat de gevraagde vergelijking van Nederlandse pensioenfondsen met buitenlandse pensioenfondsen op louter het cumulatieve rendement beperkte inzichten geeft. Ten eerste behoort het behaalde rendement altijd in samenhang met het bijbehorende risico te worden bekeken. Daarnaast keren Nederlandse pensioenfondsen geen vermogen uit maar een levenslange uitkering. Om dit te kunnen bieden, moeten Nederlandse pensioenfondsen onder andere risico’s zoals de rentevolatiliteit afdekken, iets wat voor buitenlandse pensioenfondsen anders kan zijn, gelet op de verschillende doelen en indexatieregels voor aanvullende pensioenen per land.
Begrijpt u dat Nederlandse gepensioneerden zich ernstig benadeeld voelen als zij op afstand de grootste pensioenpot van Europa bij elkaar hebben gespaard, maar tegelijkertijd moeten aanzien dat zowel staatspensioenen als aanvullende pensioenen in andere EU-landen veel harder zijn gestegen. Indien nee, graag een toelichting.
Voor de ervaren welvaart, is de hoogte van het pensioen een belangrijke indicator. Uit de onderstaande tabel, met data uit 2022, kan worden opgemaakt dat Nederlandse pensioengerechtigden één van de hoogste pensioenuitkeringen in Europa ontvangen, ook wanneer er rekening wordt gehouden met de verschillen in koopkracht tussen de landen (de kolom «in PPS»). Daarnaast verwijs ik naar de eerdere antwoorden, waarin ik kanttekeningen plaats bij de vergelijking van de (jaarlijkse) stijging van kapitaalgedekte pensioenen met de stijging van begrotingsgefinancierde pensioenen.
16.138
16.138
24.349
21.162
31.835
20.784
30.211
20.587
24.092
20.185
19.589
19.470
18.100
19.371
22.577
18.885
18.855
17.217
22.436
17.204
17.926
16.456
21.085
16.353
21.766
15.324
12.286
14.558
11.286
13.240
12.484
13.085
6.905
11.688
10.613
11.412
8.930
10.175
8.375
10.142
5.094
9.577
4.958
8.015
7.329
7.779
5.684
7.425
4.940
7.212
5.323
7.145
3.611
6.644
4.753
5.978
Opmerking: exclusief verwachte en gedeeltelijke pensioenen.
Bron: Eurostat3
Voorlopig
Raming
Begrijpt u dat het voor veel Nederlanders onbestaanbaar is, dat andere EU-lidstaten die hun ongedekte staatspensioenen fors hebben verhoogd, straks aankloppen bij Nederland en/of bij de EU voor financiële steun via eurobonds of anderszins?
In de EU zijn afspraken gemaakt over de coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid van lidstaten. In dat verband krijgen lidstaten jaarlijks landspecifieke aanbevelingen van de Raad, die ook betrekking hebben op de houdbaarheid van pensioenstelsels. Daarnaast worden lidstaten geacht zich te houden aan de begrotingsregels. In dat verband moeten lidstaten zich houden aan een maximale uitgavengroei, die ervoor moet zorgen dat hun tekort en schuld op middellange termijn onder de 3% en 60% bbp komt of blijft. Bij de berekening van de maximale uitgavengroei wordt rekening gehouden met de kosten van vergrijzing, waaronder die van pensioenen. Deze afspraken moeten bijdragen aan de houdbaarheid van pensioenstelsels en bijdragen aan de financiële stabiliteit van de EU. Voorstellen om aan te kloppen bij andere landen of bij de EU voor financiële steun zijn daarbij niet aan de orde.
Wat gaat u doen om de koopkrachtresultaten van Nederlandse gepensioneerden op een meer evenwichtig groeipad te krijgen, in vergelijking met werkenden, zelfstandigen en uitkeringsgerechtigden?
De AOW en de bijstand zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, wat een evenwichtige koopkrachtontwikkeling stimuleert. Het feit dat gepensioneerden met een aanvullend pensioen zijn achtergebleven in koopkrachtontwikkeling is voornamelijk gevolg van de beperkte aanvullende pensioenindexatie in het oude pensioenstelsel tot 2022. Daarnaast is er ieder jaar tijdens de augustusbesluitvorming aandacht voor een evenwichtig koopkrachtbeeld. Hierbij wordt ook gekeken naar de verschillen tussen de koopkrachtontwikkeling van werkenden, uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden. Voor komend jaar is een evenwichtig koopkrachtbeeld geraamd waar gepensioneerden er in doorsnee 1,5% op vooruitgaan. Dit komt voor een groot deel door het nieuwe pensioenstelsel, waardoor aanvullende pensioenen meer kunnen worden verhoogd wanneer het goed gaat op de financiële markten. In deze raming wordt uitgegaan van een indexatie van aanvullende pensioenen volgend jaar met gemiddeld met 4%. Werkenden en uitkeringsgerechtigden gaan er in doorsnee 1,3% op vooruit.
Deelt u de mening dat hier sprake is van fiscale leeftijdsdiscriminatie?
Het kabinet deelt de mening niet dat er sprake is van leeftijdsdiscriminatie. Het verschil in de koopkrachtonwikkeling tussen werkenden en gepensioneerden wordt voor een belangrijk deel veroorzaakt door de beperkte indexatie van de aanvullende pensioenen in het oude pensioenstelsel tot 2022. Het Nederlandse pensioenstelsel is deels kapitaalgedekt (aanvullend pensioen) en deels omslagstelsel (AOW). Door ze gezamenlijk te gebruiken, kunnen risico’s zoals inflatie en vergrijzing beter worden gespreid. Terwijl het omslagstelsel direct wordt gefinancierd door middel van de lopende begroting, zijn bij het kapitaalgedekte stelsel de individuele bijdrage en de ontwikkelingen op de financiële markten van belang. Hier hoort bij dat de overheid dan ook niet de marktuitkomsten van het kapitaalgedekte deel gaat compenseren.
De antwoorden op eerdere vragen over het bericht ‘Verpleeghuizen kampen met leegstand terwijl bijna 18.000 ouderen op de wachtlijst staan: hoe kan dat?’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op de uitspraak «Maar als verpleeghuizen nu omvallen vanwege financiële problemen, heb je die kamers niet een-twee-drie terug als ze straks nodig zijn»?1
Ik ben het eens met de uitspraak dat kamers niet zomaar terugkomen. Daarom moeten we moeten voorkomen dat we nu plekken verliezen die we later nodig hebben, immers ouderen die aangewezen zijn op een plek in een verpleeghuis moeten erop kunnen rekenen dat deze dan ook beschikbaar is.
Over de verandering in de zorgvraag heb ik de afgelopen periode gesproken met zorgaanbieders in diverse regio’s. Het beeld van minder vraag naar ouderenzorg dan op grond van demografische trends verwacht had mogen worden, wordt vaak herkend. Dat leidt niet in iedere regio of bij iedere aanbieder tot leegstand. Het kan ook blijven bij een kortere wachtlijst dan voorheen. Zorgaanbieders die ik gesproken heb waar wel sprake is van enige leegstand, anticiperen op de ontstane situatie door kamers (tijdelijk) op een andere manier in te zetten. Voorbeelden zijn dat zij de samenwerking zoeken met de GGZ of jongeren (tijdelijk) een plek geven in vrijgekomen kamers.
Zorgaanbieders geven aan behoefte te hebben aan duidelijkheid over de oorzaak van de verminderde vraag naar ouderenzorg en een goede projectie voor de komende jaren. Zij hebben meer informatie nodig om toekomstgericht te kunnen sturen op hun organisatie en de capaciteit. Ik heb het RIVM gevraagd om hiernaar onderzoek te doen. Het RIVM zal onderzoeken of (en zo ja, in welke mate) sprake is van vraaguitval, welke verklaringen daarvoor zijn en of sprake is van tijdelijke of structureel verminderde vraag.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat er nu verpleeghuisplekken verdwijnen die we later juist hard nodig zullen hebben? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel verpleeghuizen komen nu of op korte termijn in financiële problemen doordat er kamers leegstaan?
Het is aan zorgaanbieders om adequaat in te spelen op veranderende omstandigheden. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor een financieel gezonde bedrijfsvoering. Deze analyse van het RIVM is ook waar zorgaanbieders om vragen om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Zorgaanbieders hebben helderheid nodig omtrent de vraagontwikkeling zodat zij kunnen sturen op de vraag van de toekomst. Zorgaanbieders stellen zich daar nu al op in door flexibel te zijn in de inzet van hun vastgoed. Uiteraard zal ik ook zelf de vinger aan de pols houden. Mochten zich onverhoopt financiële problemen bij een verpleeghuis voordoen, dan treedt het continuïteitsbeleid in werking waarbij het zorgkantoor als eerste aan zet is om de ontstane situatie te beoordelen.2
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat verpleeghuizen omvallen als gevolg van leegstaande kamers? Bent u bereid om meer te doen dan enkel te wachten op de resultaten van het RIVM-onderzoek?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre hangt de afname van het aantal aanvragen voor een verpleeghuisindicatie samen met uw beleid om ouderen te stimuleren langer thuis te blijven wonen?
Dit is onderdeel van het onderzoek van het RIVM. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Waar komen de ouderen die zich eerder zouden hebben gemeld voor een verpleeghuisplek nu terecht? Hoeveel daarvan blijven nu langer thuis wonen, hoeveel verhuizen naar een geclusterde woonvorm en hoeveel zijn nu afhankelijk van commerciële dure alternatieven?
In onderstaande tabel treft u de ontwikkeling van het aantal mensen dat wijkverpleging, een volledig pakket thuis (vpt) of een modulair pakket thuis (mpt) ontvangt. In de tabel is zichtbaar dat het aantal mensen dat een vpt of mpt ontvangt sterk is toegenomen.
2020
2021
2022
2023
2024
Wijkverpleging1
225.175
219.650
209.035
205.695
211.075
Zin volledig pakket thuis (vpt)2
10.335
12.345
15.585
18.500
22.175
Modulair pakket thuis (mpt)3
24.705
27.880
32.040
34.500
34.725
CBS: StatLine – Personen met gebruik Zvw-wijkverpleging; zorgvorm en huishouden
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg in natura; leveringsvorm, zzp/zorgvorm, regio
CBS: StatLine – Personen met gebruik Wlz-zorg; leveringsvorm, zorgzwaartepakket
Hierbij zij opgemerkt dat het niet bekend is wat geclusterd en niet-geclusterd wordt geleverd en wat de organisatievorm is. Het RIVM onderzoek zal ons meer informatie geven over de ontwikkelingen in de ouderenzorg.
Het rapport ‘Behoeften en ondersteuning van mantelzorgers op Bonaire’ van Stichting Mantelzorg Bonaire |
|
Don Ceder (CU) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Behoeften en ondersteuning van mantelzorgers op Bonaire» van Stichting Mantelzorg Bonaire?
Ja.
Wat is uw reactie op de resultaten van het onderzoek onder mantelzorgers op Bonaire, namelijk die van structurele overbelasting, bureaucratische knelpunten en een gebrek aan passende ondersteuning van mantelzorgers?
Het rapport verschaft waardevolle inzichten in de huidig situatie van de mantelzorgers op Bonaire en geeft concrete aanbevelingen om passende ondersteuning aan mantelzorgers te bieden. De centrale actie is het opstellen van een mantelzorgbeleid dat zou kunnen bijdragen aan het leveren van structurele ondersteuning aan mantelzorgers. Daarnaast geeft 22% van de mantelzorgers aan dat er behoefte is aan ondersteuning met administratieve werkzaamheden. Deze uitkomst toont aan dat er enerzijds de noodzaak is aan informatie, advies en begeleiding aan mantelzorgers om met deze werkzaamheden om te gaan en anderzijds de noodzaak om mantelzorgers te ontlasten door de administratieve lasten en regeldruk te verminderen. Verder toont dit rapport aan dat het inrichten van maatwerkvoorzieningen vereist is op basis van de type mantelzorgverlening en de doelgroep aan wie mantelzorg wordt verleend. Zo onderstreept het rapport dat mantelzorgers met verpleegtaken overal behoefte aan lijken te hebben, terwijl mantelzorgers met huishoudelijke taken met name behoefte hebben aan financiële hulp. Dergelijke concrete uitkomsten bieden een richting om maatwerkoplossingen voor mantelzorgers te realiseren.
Welk beleid voert u momenteel om mantelzorgers op Bonaire te ondersteunen? Welke wettelijke taken heeft het Rijk om mantelzorgers op Bonaire, Sint Eustatius en Saba te ondersteunen?
Het Besluit Maatschappelijke ondersteuning en bestrijding huiselijk geweld en kindermishandeling BES is op 1 januari 2025 ingegaan1. Dit Besluit heeft als doel het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking of, chronische psychische of psychosociale problemen, opdat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Op het gebied van maatschappelijke ondersteuning is het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS) verantwoordelijk gesteld voor het organiseren van maatwerkvoorzieningen waaronder de dagopvang, de respijtzorg en de huishoudelijke hulp. De Openbare Lichamen dragen zorg voor het welzijn van ouderen, waaronder de mantelzorgondersteuning, het bevorderen van sociaal contact en het aanbieden van activiteiten in de buurten en wijken. Ten aanzien van mantelzorg benadrukt het Besluit dat het bevorderen van de verlening van mantelzorg kan bijdragen aan het creëren van een zelfredzame samenleving. Het vormen van lokaal beleid voor mantelzorgers is dus hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van het Openbaar Lichaam. Het Openbaar Lichaam Bonaire (hierna: OLB) heeft dat bijvoorbeeld uitgewerkt in het beleidsdoel «Mantelzorgers voelen zich voldoende ondersteund» van het Beleid «Vitaal Ouder worden op Bonaire» (2023–2027)2.
Ik kan het lokaal beleid ondersteunen door middel van het bieden van maatwerkvoorzieningen om mantelzorgers te ontlasten. In de afgelopen jaren is er een inhaalslag gemaakt door te investeren in de uitbreiding van deze voorzieningen. Op basis van de behoefte van ouderen op Saba, St. Eustatius en Bonaire kunnen zij overdag naar de dagbesteding, waarbij transport wordt aangeboden. Ook kunnen zij maaltijden thuis ontvangen en gebruik maken van huishoudelijke hulp. Dit draagt bij aan de zelfredzaamheid van de oudere en verlicht de druk op de mantelzorger. Specifiek is er ook op Bonaire logeeropvang beschikbaar zodat de mantelzorger een paar dagen en nachten ontlast kan worden. Tot slot heeft VWS in de afgelopen twee jaar in samenwerking met lokale partijen cursussen voor mantelzorgers aangeboden om hen te helpen hoe goede zorg te verlenen3. Voorts is er op Bonaire een steunpunt mantelzorg geopend en zijn er op Bonaire en St. Eustatius commissies ouderenzorg waar ook de signalen van behoeften van mantelzorgers besproken kunnen worden en lokale partijen gezamenlijk actie op kunnen inzetten.
Welke aanknopingspunten vindt u in het rapport om het mantelzorgbeleid op Bonaire te intensiveren? Hoe ziet u daarin de verschillende verantwoordelijkheden van het Rijk en de gemeente Bonaire?
Ik zie aanknopingspunten om de mantelzorgondersteuning te optimaliseren door middel van een lokaal mantelzorgbeleid, informatie- en educatievoorziening, en het bieden van respijtzorg. Met de recente implementatie van maatschappelijke ondersteuning kunnen de noden van de hulpbehoevende inwoners en hun mantelzorgers beter in beeld komen. Hiertoe hebben het OLB en VWS intensief contact. Op basis van de afgesproken verantwoordelijkheden in de wet- en regelgeving ben ik van mening dat het OLB de initiatiefnemer dient te zijn voor het opstellen van het mantelzorgbeleid. Ik wil graag in gezamenlijkheid monitoren of de bestaande voorzieningen volstaan in het aantal beschikbare plekken en de kwaliteit van deze voorzieningen. Daarnaast heeft VWS geïnvesteerd in een mantelzorgsteunpunt en heeft het OLB geld beschikbaar gesteld voor Stichting Mantelzorg Bonaire om hun activiteiten te versterken. VWS en het OLB zullen bovenstaande recente intensiveringen met elkaar monitoren.
Welke mogelijkheden ziet u om de gemeente Bonaire en de Stichting Mantelzorg Bonaire extra te ondersteunen, gezien de bijzondere situatie van Bonaire als het gaat om de leeftijdsopbouw en sociaal-economische status van de bevolking? Is het mogelijk om een intensiveringspilot van de inzet te starten op Bonaire, zodat dit bij succes eventueel uitgerold kan worden naar alle BES-eilanden?
Mantelzorgondersteuning dient in gezamenlijkheid door alle aanbieders en stichtingen in de zorg op Bonaire verder gestimuleerd te worden. Een passend gremium om de ondersteuning van mantelzorg bij alle partijen te bespreken is de Cockpitgroep Ketenalliantie Ouderenzorg (hierna: CKO). In dat kader kan het CKO eventueel, indien de noodzaak is onderschreven, een dergelijk intensiveringspilot onder leiding van het OLB opzetten om tegemoet te komen aan de huidige behoeften zoals blijkt uit het rapport. De noodzaak van een intensiveringspilot dient naar voren te komen uit de monitoring van bestaande maatwerkvoorzieningen en de identificatie van concrete aanpassingen, toevoegingen of intensiveringen van de huidige activiteiten. Ik ondersteun, daar waar mogelijk is, het CKO om de integrale ouderenzorg te stimuleren en daarvan de geleerde lessen onder de aandacht te brengen bij de overige BES-eilanden.
De opvolging van aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen en het functioneren van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de signalen uit het jaarverslag 2024 van de Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP) en het interview met Ombudsman Jeroen Steenvoorden, waarin stevige kritiek wordt geuit op de handelwijze van pensioenfondsen?1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Hoe beoordeelt u de constatering van de Ombudsman dat pensioenfondsen te veel in «regeltjes» denken en te weinig maatwerk toepassen, waardoor deelnemers in schrijnende situaties tussen wal en schip kunnen vallen?
De Ombudsman constateert in veel zaken die hem worden voorgelegd, dat voor pensioenfondsen de tekst van het pensioenreglement leidend is. Hij constateert ook dat het pensioenreglement tegelijkertijd ruimte biedt om gebruik te maken van de zogenoemde ‘hardheidsclausule’. Door deze clause is het mogelijk dat een pensioenbestuur in individuele gevallen maatwerk biedt, zeker in schrijnende situaties. Ik deel met hem de opvatting dat pensioenfondsen in dergelijke schrijnende situaties zoveel als mogelijk rekening dienen te houden met individuele situaties.
De Ombudsman pleit ervoor om bij de uitvoering van pensioenregelingen nadrukkelijker de menselijke maat te hanteren en gebruik te maken van hardheidsclausules. Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat pensioenfondsen deze aanbeveling niet naast zich neerleggen?
Ik heb periodiek overleg met de Pensioenfederatie en daarnaast spreek ik periodiek de GIP. De aanbeveling die de Ombudsman maakt neem ik ten harte en zal ik bespreekbaar maken in die overleggen. Daarnaast worden de aanbevelingen van de Ombudsman Pensioenen via de Pensioenfederatie onder de aandacht gebracht bij alle pensioenfondsen.
De Ombudsman signaleert structurele problemen bij arbeidsongeschiktheid (te strikte toepassing van meldtermijnen), bij trage waardeoverdrachten, en bij gebrekkige communicatie richting deelnemers. Deelt u de zorg dat hierdoor mensen onnodig financieel nadeel ondervinden?
De Ombudsman Pensioenen brengt praktijkvoorbeelden onder de aandacht die aan hem worden voorgelegd ter bemiddeling. Dit verschilt van het signaleren van structurele problemen. Ik acht het, evenals de Ombudsman Pensioenen, van groot belang dat pensioenfondsen in alle gevallen zorgvuldig handelen en tijdig, duidelijk en begrijpelijk communiceren. De conclusie dat mensen onnodig financieel nadeel ondervinden, deel ik niet. Dat komt ook, omdat het fondsbestuur via de hardheidsclausule zoveel als mogelijk rekening kunnen houden met schrijnende (individuele) situaties.
Hoe monitort u of pensioenfondsen de adviezen van de Ombudsman opvolgen? Hoeveel van deze adviezen zijn daadwerkelijk opgevolgd? En wat gebeurt er als pensioenfondsen adviezen structureel negeren?
Sinds 1 januari 2024 kunnen deelnemers bij pensioenfondsen zich wenden tot de geschilleninstantie GIP. Bij de GIP kunnen deelnemers naast bemiddeling (door de Ombudsman Pensioenen) kiezen voor beslechting door een geschillencommissie. Kiezen deelnemers voor bemiddeling, dan wordt gekeken of een gezamenlijke oplossing mogelijk is. Komen partijen er niet uit, dan staat de weg naar geschilbeslechting open. Kiezen deelnemers direct voor geschilbeslechting, dan kan de commissie zowel bindende als niet-bindende uitspraken doen, waarbij de keuze bij de deelnemer ligt. In het geval van een bindende uitspraak zijn beide partijen daaraan gebonden.
Bent u bereid te onderzoeken of pensioenfondsen verplicht kunnen worden om gemotiveerd te reageren op adviezen van de Ombudsman Pensioenen en deze in beginsel uit te voeren, tenzij zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten?
Op dit moment zie ik daar geen aanleiding toe. Mede omdat het systeem al zo is ingericht dat de Ombudsman Pensioenen zelf kan escaleren door het advies alsnog openbaar te maken dan wel aangezien de mogelijkheid bestaat tot bindende uitspraken zoals ik schreef in mijn antwoord op vraag 5.
Acht u het wenselijk dat deelnemers beter beschermd worden tegen fouten van pensioenfondsen, bijvoorbeeld door het wettelijk versterken van de positie van de Ombudsman of door aanvullende bevoegdheden voor toezicht en handhaving?
Bescherming van deelnemers is belangrijk. In de Wet toekomst pensioenen (Wtp) zijn daarom wettelijke voorschriften opgenomen voor pensioenuitvoerders voor de inrichting van een interne klachtenprocedure en geldt er een verplichte aansluiting bij een onafhankelijke buitenrechtelijke geschilleninstantie (ADR). Voor pensioen opgebouwd bij een pensioenfonds bestaat daarom sinds 1 januari 2024 de GIP en voor pensioen opgebouwd bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling het Kifid. Zowel bij de GIP als het Kifid kunnen mensen op een laagdrempelige wijze geschillen indienen na het doorlopen van de klachtenprocedure bij de pensioenuitvoerder zelf. Deelnemers kunnen daarbij kiezen tussen bemiddeling en (bindende) beslechting. In het geval van bindende beslechting zijn beide partijen aan de uitspraak gebonden. Daarnaast kunnen deelnemers er ook voor kiezen een geschil voor te leggen aan de rechter. Aanvullende toezicht- of handhavingsbevoegdheden acht ik derhalve niet noodzakelijk.
Bent u bekend met het artikel «Uitspraken Geschilleninstantie doorgaans in nadeel deelnemer» van Pensioen Pro van 13 oktober 20252?
Ja, daar ben ik mee bekend.
Klopt het dat sinds de oprichting van de GIP slechts drie van de achttien bindende uitspraken in het voordeel van deelnemers zijn uitgevallen? Zo ja, hoe beoordeelt u deze scheve verhouding?
Ja dit aantal klopt, maar dat betekent niet dat het gaat om een scheve verhouding. Dat de verhouding op dit moment onevenredig is, maakt deze nog niet scheef. Zoals Max Ombudsman Rogier de Haan ook aangeeft in het genoemde artikel, kan dit komen door de laagdrempeligheid van alternatieve geschilbeslechting. Daarnaast lost GIP in een vroeg stadium van geschilbehandeling al veel geschillen op door middel van bemiddeling.
Deelt u de zorg van deskundigen, waaronder Mark Heemskerk en Wout Wijnbeek, dat deelnemers zonder juridische bijstand aanzienlijk minder kans maken om hun gelijk te halen dan pensioenfondsen die professioneel vertegenwoordigd zijn? Hoe waarborgt u dat deelnemers een gelijkwaardige procespositie hebben?
Bij geschilleninstanties zoals de GIP en het Kifid wordt gezorgd voor een evenwichtige balans tussen de rechtzoekende en de al dan niet beter geïnformeerde professional van een bedrijf of organisatie. Dit wordt gedaan door het toevoegen van de onafhankelijke expertise van de geschilleninstantie.
Acht u het wenselijk dat de GIP – zoals nu het geval is – geen bevoegdheid heeft om de inhoud van pensioenreglementen te toetsen? Zo ja, waarom? Zo nee, overweegt u om dit toetsingsverbod aan te passen?
De GIP kan niet treden in beleidsmatige keuzes van sociale partners. Dit valt onder de onderhandelingsvrijheid van sociale partners. Een uitspraak over de inhoud van het pensioenreglement raakt bovendien het collectief en dat valt buiten de bevoegdheid van de GIP. Ik acht het onwenselijk deze systematiek te doorbreken.
Het blijft echter wel van belang dat het raamwerk van een pensioenreglement voldoet aan alle van toepassing zijnde wet- en regelgeving zoals de Pensioenwet. Daar zal zowel de GIP als de rechter wel op kunnen toetsen.
Bent u het ermee eens dat deze beperkte bevoegdheden ertoe leiden dat deelnemers vaak met lege handen achterblijven, ook in situaties waarin sprake is van onduidelijke communicatie vanuit pensioenfondsen?
Hier ben ik het niet mee eens. De GIP is bevoegd om uitspraken te doen in individuele gevallen die betrekking hebben op de uitvoering van het pensioenreglement. Communicatie vanuit pensioenfondsen maakt per definitie onderdeel uit van die uitvoering. Op de uitvoering van de communicatievoorschriften houdt tevens AFM toezicht.
Zijn er signalen dat deelnemers ten onrechte verwachten dat zij via de GIP ook beleidsmatige of stelselgerelateerde kwesties – zoals het invaren onder de Wet toekomst pensioenen – kunnen aanvechten? Zo ja, wat gaat u doen om deze verwachtingen beter te managen?
Ik ben niet bekend met dit soort signalen, ook na navraag bij de GIP of de Pensioenfederatie. Informatie over het indienen van klachten en geschillen staat op www.pensioenduidelijkheid.nl.
Overweegt u om de communicatievereisten voor pensioenfondsen aan te scherpen, zodat deelnemers beter weten waar ze terechtkunnen met welke klachten?
Pensioenuitvoerders zijn op grond van de wet verplicht deelnemers goed te informeren over hun eigen interne klachtenprocedure als ook de externe geschilmogelijkheden. Daarnaast staat op de website pensioenduidelijkheid.nl veel informatie over hoe geschilbeslechting werkt en waar deelnemers terecht kunnen met klachten. Verdere aanscherping is dan ook niet nodig.
Hoe beoordeelt u de oproep van deskundigen om geschillen over pensioenen vaker door de rechterlijke macht te laten behandelen, in plaats van via alternatieve geschilleninstanties?
Ik heb geen aanleiding om te twijfelen aan de deskundigheid van de geschilleninstanties in het algemeen, noch aan die van de GIP in het bijzonder. Integendeel, ik zie juist de toegevoegde waarde van een ADR. Het kabinet stimuleert ook het gebruik van alternatieve geschilbeslechting zoals bemiddeling en mediation, als laagdrempelig en relatief efficiënt alternatief voor de rechter. Hieruit kan worden afgeleid dat een ADR bijdraagt aan een snelle en toegankelijke oplossing van geschillen voor burgers, in lijn met het rijksbeleid om geschillen effectief en efficiënt te beslechten3. Door de Wet toekomst pensioenen is de interne klachtenprocedure bij pensioenuitvoerders verder aangescherpt, zijn externe geschilleninstanties voor pensioenzaken aangewezen en is extra geld naar de Rechtspraak gegaan. Deze gelaagde opzet biedt naar mijn mening een stevig kader voor de behandeling en beslechting van klachten en geschillen.
Bent u bereid om: Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Het functioneren van de GIP wordt in 2028 geëvalueerd zoals bepaald in de Wtp.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deelnemers ook daadwerkelijk vertrouwen kunnen hebben in een eerlijke en onafhankelijke geschilbeslechting over hun pensioen?
Met de gelaagde opzet voor behandeling van klachten en geschillen ben ik ervan overtuigd een stevig en solide kader te bieden aan deelnemers om hun kwesties voor te kunnen leggen. Met daar bovenop de verplichte informatie over klachten en geschillen door pensioenuitvoerders en de informatievoorziening door overheid en pensioensector, waardoor deelnemers alle benodigde informatie kunnen vinden.
Kunt u garanderen dat de GIP, de Ombudsman en de toezichthouders voldoende middelen en bevoegdheden krijgen om hun rol effectief te vervullen, juist in de komende jaren van pensioentransitie?
De Wtp is zo ingericht om een goede transitie mogelijk te maken. Onderdeel daarvan is de versterking van de klachten- en geschillenprocedure zoals eerder benoemd. Het wettelijk kader en de daarin opererende actoren zoals geschilleninstanties, toezichthouders, pensioenuitvoerders en rechtelijke macht zorgen als geheel voor voldoende checks and balances in deze grote transitie.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
U heeft de antwoorden zo spoedig mogelijk ontvangen.
Het gebruik van ALM-modellen in de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Aandachtspunten bij herverdeling op basis van ALM-berekeningen» uit Pensioen & Praktijk #3 2025?
Ja.
Herkent u het signaal uit de praktijk dat Asset Liability Management-modellen (ALM-modellen) van oorsprong zijn ontworpen om strategische keuzes op hoofdlijnen te ondersteunen, maar dat zij in het kader van de Wet toekomst pensioenen in de vorm van delta netto profijt berekeningen worden ingezet om op deelnemersniveau vermogens te herverdelen?
Er gelden wettelijke kaders ten behoeve van de verdeling van het vermogen bij de transitie. Binnen deze wettelijke kaders moeten pensioenfondsen tot een evenwichtige besluitvorming komen. Fondsen moeten hiervoor de transitie-effecten onderbouwen met in ieder geval inzichten uit analyses over pensioenverwachting en netto-profijt effecten van de transitie. Het pensioenfonds heeft de mogelijkheid om naast de twee wettelijk voorgeschreven maatstaven ook (eigen) additionele kwantitatieve maatstaven te hanteren voor de beoordeling van (andere) kwalitatieve doelstellingen, die bijvoorbeeld meer toegespitst zijn op een specifieke deelnemersgroep. Op basis van alle analyses vindt robuuste besluitvorming plaats.
Het is belangrijk om te benoemen dat de transitie-effecten inzichtelijk gemaakt moeten worden voor alle leeftijdscohorten per deelnemersgroep. Dit gebeurt dus niet op individueel deelnemersniveau. Bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel rust de verantwoordelijkheid op sociale partners en pensioenfondsen om besluiten te nemen die resulteren in een evenwichtige overgang naar de nieuwe pensioenregeling. Beiden partijen hebben daarin een eigenstandige verantwoordelijkheid. Daarbij zullen zij hun besluit niet baseren op de uitkomsten die alleen voor één specifieke groep gelden in een specifiek scenario, maar juist kijken naar evenwichtigheid voor het gehele deelnemerscollectief en beschouwd over meerdere scenario’s. In het transitieplan moeten de keuzes en overwegingen bij de transitie-effecten, alsmede de verantwoording waarom sprake is van een evenwichtige transitie, vastgelegd worden.
Deelt u de analyse dat ALM-modellen door hun aard en ontwerp niet geschikt zijn om op basis van delta netto profijt tot op de euro nauwkeurig individuele pensioenuitkomsten te berekenen, en dat dit leidt tot schijnzekerheid?
Modellen zijn per definitie een simplificatie van de werkelijkheid. ALM-modellen zijn zeker niet nieuw in de pensioensector. Het is bekend dat ALM-modellen niet volledig de complexiteit van toekomstige inschattingen en van de realiteit kunnen voorspellen. Maar ALM-modellen dragen wel bij om een zo goed mogelijk beeld te hebben van de ontwikkeling van pensioenuitkeringen in verschillende scenario’s. Pensioenuitkeringen zijn namelijk op korte en lange termijn afhankelijk van hoe de economie en de financiële markten zich in de toekomst zullen ontwikkelen. ALM-modellen zijn daarbij nuttige hulpmiddelen om voor pensioenuitvoerders en deelnemers goed inzicht te hebben in de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen in verschillende scenario’s. Dit draagt bij aan robuuste besluitvorming.
Hoe beoordeelt u het risico dat de huidige wettelijke verplichtingen – zoals het rekenen over een horizon van 100 jaar en met minimaal 10.000 scenario’s – bijdragen aan een overschatting van de betrouwbaarheid van modeluitkomsten?
Bij de totstandkoming van het Besluit waarin de parameters vanaf inwerkingtreding Wet toekomst pensioenen vastgesteld zijn1, is op basis van het onafhankelijke wetenschappelijke advies van de Commissie Parameters uit 20222 gekeken naar de gewenste mate van nauwkeurigheid voor de toepassing van de scenario’s. In beginsel leidt het doorrekenen met meer scenario’s tot een grotere mate van nauwkeurigheid, er is geen sprake van overschatting.
Voor het waarderen van pensioenen en voor andere actuariële toepassingen binnen het pensioenstelsel zijn langetermijnverwachtingen van diverse economische en financiële omstandigheden nodig. Het niet meenemen van langetermijnverwachtingen en daarmee het stoppen na bijvoorbeeld 20 jaar inzichten is geen optie. Er zijn namelijk mensen die naar verwachting nog bijvoorbeeld 100 jaar in het pensioenstelsel kunnen zitten. Daarom moet er ook iets gezegd worden over wat er over 100 jaar zou kunnen gebeuren (het Koninklijk Actuarieel Genootschap publiceert bijvoorbeeld sterftekansen tot en met leeftijd 120 jaar). Projecties over zo’n lange horizon zijn vanzelfsprekend met veel onzekerheid omgeven en afhankelijk van onder andere de fondssamenstelling en het fondsbeleid. Er wordt daarom gebruik gemaakt van een groot aantal scenario’s, en niet van slechts één scenario of een paar scenario’s, zodat er een volledig beeld wordt weergegeven en de onzekerheid goed zichtbaar is.
Kunt u enkele rekenvoorbeelden geven, waaronder de impact van het fictief veronderstellen van een «vaste» TBI-grens en een «vaste» kritieke dekkingsgraad, om te illustreren dat «als je iets aanpast in de aannames, veranderen de kleinste aanpassingen in grote verschillen»?
Zoals in de antwoorden hierboven aangegeven, hangt de besluitvorming niet af van één enkele berekening of veronderstelling. Bovendien zijn deze fondsspecifiek. De berekende transitie-effecten in totaliteit dragen bij aan de onderbouwing van de evenwichtige belangenafweging van de transitiebesluitvorming door het pensioenfonds. Het is daarmee niet opportuun om hier in te gaan op specifieke berekeningen.
Kunt u toelichten waarom er in de Wet toekomst pensioenen voor is gekozen om juist dit type modellen verplicht te stellen, ondanks de signalen dat de uitkomsten sterk afhankelijk zijn van subjectieve aannames?
ALM-modellen zijn afhankelijk van aannames. Dit is inherent aan het gebruik van modellen. De aannames in ALM-modellen zijn door de Commissie Parameters in 2022 in een onafhankelijk en wetenschappelijk onderbouwd onderzoek vastgesteld. De aannames die fondsspecifiek zijn, moeten weloverwogen en uitlegbaar zijn. Wat betreft het type modellen zijn ALM-modellen ook niet nieuw in de pensioensector, de pensioensector gebruikt deze sinds jaar en dag. Zie verder de antwoorden op vraag 2 en 3.
Hoe weegt u de spanning tussen enerzijds de wettelijke kaders die ALM-modellen voorschrijven (waaronder pensioenverwachtingen en netto profijt effecten) en anderzijds de signalen uit de praktijk dat deze modellen niet geschikt zijn voor het creëren van bepaalde transitie-effecten op individueel niveau door middel van vermogensverschuiving?
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, kan robuuste besluitvorming plaatsvinden aan de hand van diverse analyses. Een pensioenfonds heeft de mogelijkheid om naast de twee wettelijk voorgeschreven maatstaven van netto-profijt en pensioenverwachting ook (eigen) additionele kwantitatieve maatstaven te hanteren voor de beoordeling van (andere) kwalitatieve doelstellingen, die bijvoorbeeld meer toegespitst zijn op een specifieke deelnemersgroep. Uiteindelijk gaat het in de evenwichtige besluitvorming om het geheel der doelstellingen, waarbij in ieder geval de pensioenverwachtingen en het netto profijt van verschillende deelnemersgroepen zijn gewogen. Verder worden de transitie-effecten niet op individueel niveau bepaald, maar moeten de effecten inzichtelijk gemaakt worden voor alle leeftijdscohorten per deelnemersgroep.
Erkent u dat de druk van de transitie en de harde deadlines ertoe kunnen leiden dat pensioenfondsen minder oog hebben voor de beperkingen van de ALM-modellen en daardoor sneller tot herverdeling van gelden op basis van deze modellen besluiten?
In de Good practice: stappenplan onderbouwing evenwichtige transitie door pensioenfondsen die beogen in te varen van DNB wordt expliciet aandacht gevraagd voor de vaststelling van de betrouwbaarheid en de verklaring van de transitie-effecten. DNB noemt daarin ook het belang dat pensioenfondsen vertrouwen hebben in het model dat wordt doorgerekend. Ik herken dan ook niet dat pensioenfondsen minder oog hebben voor de beperkingen van de ALM-modellen. De transitie-effecten worden gebruikt voor een gedegen afweging rondom de evenwichtige transitie. Dat vraagt dan ook zorgvuldigheid rondom het interpreteren van de uitkomsten en gebruik daarvan bij de besluitvorming. Dit is niet anders dan bij andere besluitvorming waarbij ook gebruik wordt gemaakt van ALM-modellen.
Bent u het eens met de opmerking uit het artikel dat er juridische en reputatie-risico’s lijken te zitten aan het in de doorrekeningen afwijken van bestaand fondsbeleid? En zo niet, waarom niet?
In beginsel sluiten pensioenfondsen bij de berekeningen aan bij het bestaande beleid. Het pensioenfonds kan op grond van regelgeving hiervan afwijken indien dit leidt tot een realistischere invulling op lange termijn. Zo zal bijvoorbeeld een alsmaar oplopende premiedekkingsgraad in de praktijk mogelijk leiden tot een heroverweging van het premiebeleid bij het pensioenfonds. Als dat het geval is, is het realistischer om dat ook mee te nemen in de transitie-effecten. De regering is van mening dat het onderbouwd afwijken van bestaand fondsbeleid de transitie-effecten om te komen tot een realistischere invulling op lange termijn juist kan leiden tot inzichtelijkere uitkomsten.
Bent u bereid te onderzoeken of aanvullende richtlijnen of waarborgen nodig zijn om te voorkomen dat ALM-modellen worden gebruikt voor doeleinden waarvoor zij oorspronkelijk niet zijn ontworpen, bijvoorbeeld in overleg met het Koninklijk Actuarieel Genootschap?
DNB houdt toezicht op de evenwichtige transitie. Onderdeel hiervan zijn de transitie-effecten die via ALM-modellen tot stand komen. In de hierboven genoemde Good practice van DNB wordt expliciet aandacht gevraagd voor de vaststelling van de betrouwbaarheid en de verklaring van de transitie-effecten. Enkele leden van het Koninklijk Actuarieel Genootschap zijn ook betrokken bij de totstandkoming van de Good Practice. Het toezicht van DNB is voldoende. Er zijn dus geen onderzoeken, aanvullende richtlijnen of waarborgen nodig.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
De antwoorden zijn zo snel als mogelijk naar uw Kamer verzonden.
Belastingheffing op pensioenen opgebouwd in Duitsland |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Belastingdrama treft 60.000 Nederlanders: kwaad bloed door dubbele heffing en uitblijvende rechtspraak» van De Stentor van 18 augustus 2025?1
Ja.
Klopt het dat Nederlanders die in het verleden in Duitsland hebben gewerkt en daar een klein pensioen hebben opgebouwd, sinds 2016 in Nederland belasting moeten betalen over de bijbehorende pensioenuitkeringen?
Dat klopt, in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland dat sinds 2016 in werking is, is opgenomen dat als een inwoner van Nederland of Duitsland pensioen- of lijfrente-uitkeringen of socialezekerheidspensioenen uit het andere land ontvangt die in een kalenderjaar bij elkaar € 15.000 of minder bedragen, het woonland deze uitkeringen mag belasten. Op verzoek van Nederland gold een algemene overgangsregeling gedurende een tijdvak van één jaar die mede diende om de inkomensgevolgen van deze nieuwe heffingsrechtverdeling te beperken. Belastingplichtigen met de genoemde uitkeringen konden op basis van die overgangsregeling voor het belastingjaar 2016 ervoor kiezen om het oude belastingverdrag toe te passen zodat voor hen de nieuwe verdeling van heffingsrechten pas vanaf 2017 toepassing vindt.
Klopt het dat deze groep in Duitsland, in ieder geval voor het opgebouwde pensioen van vóór 2005, netto premies heeft betaald en er daardoor in deze gevallen sprake is van dubbele belastingheffing, namelijk over zowel de premies als over de uitkeringen?
Dat kan het geval zijn. Als het heffingsrecht op grond van het belastingverdrag aan Nederland wordt toegewezen, betrekt Nederland dit Duitse inkomen in de belastingheffing ook als in Duitsland netto premies zijn betaald. In de praktijk is onduidelijkheid ontstaan over de wijze waarop dit Duitse inkomen in Nederland in de heffing mag worden betrokken. Bij de rechter ligt namelijk de vraag voor of inkomstenbelasting (box 1) kan worden geheven over het deel van het Duitse socialezekerheidspensioen (Duitse Rente) waarvoor in Duitsland geen recht op aftrek bestond. De Hoge Raad heeft nog geen arrest gewezen. Zie hierover nader het antwoord op de vragen 8 en 9.
Om hoeveel mensen gaat dit naar schatting en hoeveel belastinginkomsten heeft de Nederlandse staat hiermee sinds 2016 gerealiseerd?
Voor het jaar 2020 ging het om ongeveer 57.500 mensen met een pensioenuitkering uit Duitsland tot € 15.000 die in Nederland belasting moeten betalen over de pensioenuitkering.2 Gemiddeld ging het in die gevallen om een bedrag van € 2.862 aan Duitse Rente. Het gemiddelde overige inkomen bedroeg € 20.778. Er is toen berekend dat bij dit gemiddelde bedrag de belastingopbrengst per geval voor Nederland onder het nieuwe verdrag € 271 meer bedroeg dan onder het oude verdrag zou zijn geweest. Op basis hiervan bedroegen de extra belastinginkomsten bij deze groep circa € 16 miljoen per jaar. Deze berekening is gemaakt op basis van de beschikbare informatie en uitgangspunten zoals beschikbaar bij het schriftelijke overleg in 2022. Er is geen reden te veronderstellen dat de situatie wezenlijk veranderd is sinds destijds. Bij deze budgettaire inschatting dient overigens rekening gehouden te worden met het feit dat Nederland naast deze opbrengst ook een derving heeft door het verlies van heffingsrecht over de kleine pensioenen die vanuit Nederland betaald worden aan inwoners van Duitsland.
Waarom is in het verdrag gekozen voor een grens van 15.000 euro per jaar? Kunt u een voorbeeldberekening maken van een in Nederland wonende gepensioneerden met een pensioen van 36.000 euro, waarvan een Duitse pensioen van 14.999 euro, respectievelijk 15.001 euro per jaar?
Wat de hoogte van het bedrag betreft (€ 15.000) kan worden opgemerkt dat deze grens het resultaat van een bilaterale onderhandeling is geweest. De rechtvaardiging voor deze € 15.000-grens in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland is gelegen in het streven administratieve lasten te beperken. Hiermee wordt namelijk voorkomen dat inwoners van Nederland met «kleine» pensioenen, lijfrenten en socialezekerheidspensioenen in Duitsland aangifte moeten doen. Ook in de Tweede Kamer is eerder aandacht gevraagd voor de problemen die belastingheffing in Duitsland in dergelijke gevallen meebrengt.3 Dergelijke administratieve lasten zijn voor inwoners van Nederland met een Duits pensioen (bijvoorbeeld een Rente) van € 15.000 of minder onder het huidige belastingverdrag niet meer aan de orde.
U vraagt om een voorbeeldberekening. Daarbij neem ik het volgende in acht. De belastingdruk tussen Nederland en Duitsland kan uiteraard verschillen. Nederland en Duitsland hebben immers separate belastingstelsels met eigen grondslagen en tarieven. De precieze omvang van het verschil in belastingdruk voor een pensioen net onder of op de grens (woonstaatheffing) en een pensioen net boven de grens (bronstaatheffing) is sterk afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het individuele geval, zoals de hoogte van het overige inkomen dat in een land belast kan worden op grond van het belastingverdrag. In Duitsland is verder voor pensioenen bijvoorbeeld het moment van pensionering relevant. Afhankelijk van het jaar waarin voor het eerst recht bestaat op deze pensioenen geldt een vrijstelling voor een deel van de grondslag.4 In Nederland is de belastingdruk afhankelijk van de hoogte van eventueel ander inkomen dat de belastingplichtige geniet en dient het progressie-effect in de vergelijking te worden meegenomen. In de situatie dat er in het betreffende kalenderjaar geen inkomen is naast een Duits pensioen van € 15.000 of minder zal er in Nederland in beginsel geen belasting verschuldigd zijn. Dit komt door de werking van de heffingskortingen (de algemene heffingskorting, maar ook de ouderenkorting en mogelijk de alleenstaande ouderenkorting). Afhankelijk van het overige inkomen loopt het belastingtarief (tarieven 2025) op van 8,17%, naar 37,48% tot een tarief van 49,5% bij een overig inkomen van € 76.817 of meer.5
Het voorgaande in acht nemend is de gevraagde voorbeeldberekening gemaakt; zie daarvoor de onderstaande tabel. Hierbij is uitgegaan van een alleenstaande die in 2020 met pensioen is gegaan waardoor in Duitsland een vrijstelling geldt van 20% van de pensioengrondslag. Een pensioen van € 15.001 geeft daardoor een belastbaar inkomen dat lager ligt dan het Grundfreibetrag van € 12.096 waardoor de inkomstenbelasting in Duitsland uitkomt op nihil. Er is uitgegaan van verzekeringsplicht in Nederland waardoor er geen verschil is in verschuldigde premies volksverzekeringen en zorgverzekering. De bedragen betreffen uitsluitend de inkomstenbelasting.
Voorbeeld 1
Voorbeeld 2
Inkomen uit Nederland
21.001
20.999
Pensioen uit Duitsland
14.999
15.001
Totale inkomen
36.000
36.000
Inkomstenbelasting Nederland
1.181
689
Inkomstenbelasting Duitsland
0
0
Totale inkomstenbelasting
1.181
689
Waarom worden juist kleine pensioenen in Nederland belast, terwijl grotere Duitse pensioenen onder het gunstigere Duitse regime vallen?
Zoals is aangegeven bij de beantwoording van vraag 5, zijn de verdragsluitende partijen overeengekomen het heffingsrecht over kleine pensioenen toe te wijzen aan de woonstaat om administratieve lasten te beperken. In dat kader is aan «kleine pensioenen» dus invulling gegeven aan de hand van een grens van € 15.000 per kalenderjaar. Voor pensioenen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar zijn Nederland en Duitsland een bronstaatheffing overeengekomen. Dit sluit aan bij de Nederlandse onderhandelingsinzet bij bilaterale belastingverdragen, zoals vastgelegd in de Notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2020.6 Dit brengt eveneens met zich mee dat Duitse pensioenen hoger dan € 15.000 per kalenderjaar in Duitsland in de heffing worden betrokken. De uiteindelijke belastingdruk in Duitsland is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden; derhalve kan niet worden aangenomen dat het Duitse regime per definitie in alle gevallen voordeliger is.
Hoe verhoudt deze constructie zich tot het uitgangspunt dat belastingverdragen dubbele belasting moeten voorkomen en het beginsel «gelijke fiscale en sociale behandeling in de woonstaat»?
De bepaling in het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland voorkomt op adequate wijze dubbele belastingheffing en voorkomt eveneens dat inwoners die de genoemde uitkeringen tot en met € 15.000 (per kalenderjaar) uit het andere land ontvangen, in dat andere land aangifte moeten doen. Deze afspraak zorgt voor kleine pensioenen voor gelijke fiscale behandeling in de woonstaat: de belastingdruk op pensioenuitkeringen voor inwoners van Nederland die een Duits pensioen van € 15.000 of minder ontvangen is namelijk hetzelfde als de belastingdruk voor inwoners van Nederland die onder gelijke omstandigheden een gelijk bedrag aan Nederlands pensioen ontvangen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem/Leeuwarden uit 2022, waarin deze belastingheffing als onrechtmatig en onrechtvaardig werd aangemerkt?
In de uitspraak waarnaar wordt verwezen is de Duitse Rente bij de aanslagregeling volledig in de Nederlandse heffing van inkomstenbelasting betrokken (box 1). De inspecteur betoogt primair voor het Gerechtshof dat deze uitkering kwalificeert als loon uit vroegere dienstbetrekking, dan wel als een periodieke uitkering. Indien één van deze kwalificaties juist is, is niet van belang of er in Duitsland in het verleden sprake is geweest van premieaftrek.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde echter dat de Duitse Rente kwalificeert als een uitkering van een pensioenregeling van een andere mogendheid, in welk geval relevant wordt of de betaalde premies in Duitsland (deels) niet aftrekbaar zijn geweest.7 Hiermee heeft het Gerechtshof overigens een juridische uitspraak gedaan over hoe in zijn ogen de wet moet worden toegepast.
De inspecteur heeft een cassatievoorstel ingediend bij FJZ/Cassatie.8 De stelling dat de Belastingdienst de uitspraak van het Gerechtshof wilde volgen is dus niet juist. Mijn ambtsvoorganger heeft vervolgens cassatieberoep ingesteld.9
Waarom koos uw ambtsvoorganger ervoor om in cassatie te gaan, terwijl de Belastingdienst zelf de uitspraak van het Hof wilde volgen?
Zie antwoord vraag 8.
Hoe beoordeelt u het advies van advocaat-generaal Melvin Pauwels aan de Hoge Raad in 2023 om het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren?
Er is sprake van een lopende cassatieprocedure. Ik wacht derhalve het oordeel van de Hoge Raad af.
Bent u bereid om, vooruitlopend op het arrest van de Hoge Raad, maatregelen te treffen om deze groep gepensioneerden tegemoet te komen en verdere financiële schade te voorkomen?
Zoals ook in eerdere brieven aan de Tweede Kamer is aangegeven10, wordt geen invulling gegeven aan de uitspraak van het Gerechtshof zolang de Hoge Raad geen arrest heeft gewezen. Indien de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt, zal de Belastingdienst invulling geven aan het arrest voor die belastingaanslagen die op de datum waarop het arrest is gewezen nog niet onherroepelijk vaststaan.
Hoe beoordeelt u het oordeel van het Europees Hof van Justitie uit 2023 dat Nederland in strijd met EU-recht handelde door belasting te heffen bij de overdracht van pensioenkapitaal van migrerende werknemers?
Bij brief van 22 december 2023 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de inhoud, impact en gevolgen van dit arrest.11 Door middel van een wijzigingswet (Overige fiscale maatregelen 2025) zijn de Invorderingswet 1990, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling met terugwerkende kracht tot en met 16 november 2023 aangepast om de wetgeving in lijn te brengen met het EU-recht.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen drie weken beantwoorden?
Ja.
Onrust onder gepensioneerden over nieuw verwacht belastingverdrag met Spanje |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de groeiende bezorgdheid onder Nederlandse gepensioneerden die in Spanje wonen of daarvoor plannen hebben, naar aanleiding van het aangekondigde nieuwe belastingverdrag tussen Nederland en Spanje?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
De VBNGB verzoekt om gelijktijdig met de publicatie van de verdragstekst ook berekeningen van inkomenseffecten voor voorbeeldmensen (bijvoorbeeld iemand met alleen AOW en iemand met 5.000 euro, dan wel 10.000 euro aanvullend pensioen) te publiceren, zodat mensen die daarmee te maken hebben beter weten waar ze aan toe zijn. Bent u bereid om dit te doen?
Ik ben bereid om, zoals gevraagd, voor een aantal voorbeeldgevallen in kaart te brengen wat de gevolgen voor de belastingdruk zijn. Het is daarbij van belang om aan te geven dat het om gestileerde situaties gaat en dat concrete individuele situaties hiervan kunnen afwijken. Ik zal de Tweede Kamer gelijktijdig met de publicatie van het verdrag met Spanje nader informeren.
Voor de volledigheid wil ik aangeven dat het standaard maken van een volledige inschatting van de inkomenseffecten van de inwerkingtreding van een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting niet goed mogelijk is. Dit komt bijvoorbeeld door de complexiteit van buitenlandse belastingstelsels, het feit dat inkomenseffecten sterk afhankelijk zijn van persoonlijke omstandigheden en gegevens over ander buitenlands inkomen ontbreken terwijl dat inkomen wel van invloed is op het effect van de inwerkingtreding van het verdrag.
Zo niet, bent u bereid en ziet u mogelijkheden om mogelijke onrust over inkomenseffecten en bestaanszekerheid zo spoedig mogelijk na de publicatie van de verdragstekst weg te nemen?
Zie het antwoord op vraag 2.
De mogelijkheid om af te wijken van parameters artikel 23a Besluit FTK bij bepaling transitie-effecten |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de nieuwe Q&A van De Nederlandsche Bank (DNB) die pensioenuitvoerders toestaat af te wijken van de parameters in artikel 23a van het Besluit Financieel Toetsingskader (FTK)?1
Ja. Overigens heeft DNB deze Q&A inmiddels (d.d. 9 september) aangepast, omdat deze onbedoeld de indruk kon wekken dat voor de berekening van de pensioenverwachting ook afgeweken kan worden van de parameters in artikel 23a van het Besluit FTK. Dat is niet het geval.
Bent u bekend met de reden hierachter, namelijk dat pensioenfondsen zo tot een meer realistische invulling van beleid op lange termijn kunnen komen?
Op basis van ervaringen in het invaartoezicht heeft DNB opgemerkt dat transitie-effecten gevoelig zijn voor de gebruikte parameters en dat gebruik van de parameters in artikel 23a van het Besluit FTK in sommige gevallen niet tot de meest realistische uitkomsten leidt bij netto-profijt berekeningen. In artikel 150b, vierde lid, van de Pensioenwet is bepaald dat de parameters in artikel 23a van het Besluit FTK niet van toepassing zijn op netto-profijt berekeningen. Pensioenfondsen hebben daarmee ruimte om netto-profijt berekeningen zo realistisch mogelijk te modelleren door andere parameters te gebruiken. Deze berekeningen dragen bij aan het inzicht bij de bestuurlijke besluiten die fondsen nemen.
Betekent dit dat de gemaakte berekeningen tot nu toe bij verschillende pensioenfondsen niet zijn gemaakt op basis van een realistische invulling van beleid op lange termijn? Of hoe verklaart u anders deze aanvullende Q&A van DNB?
Deze verduidelijking heeft geen impact op al ingevaren fondsen, afgegeven beschikkingen of op berekeningen in lopende beoordelingen waarvan de plausibiliteit reeds als voldoende geborgd is gekwalificeerd door DNB. Voor die betreffende fondsen is reeds de lijn uit de Q&A gehanteerd. Deze Q&A is een uiting die duidelijkheid geeft naar de sector over bestaande wetgeving en de staande toezichtspraktijk.
Voor fondsen waarvan de plausibiliteit van de berekeningen nog niet is vastgesteld, zijn alleen aanvullende berekeningen noodzakelijk wanneer de aangepaste parameters een materiële impact hebben op de uitkomsten, in lijn met de Good practice: stappenplan onderbouwing evenwichtige transitie door pensioenfondsen die beogen in te varen. Deze good practice is begin dit jaar door DNB in samenspraak met sectorpartijen en SZW opgesteld. De good practice is op diverse wijzen onder de aandacht gebracht bij de sector, onder meer via nieuwsbrieven, webinars en seminars zoals Werken aan ons Pensioen (afgelopen voorjaar).
Hoe beoordeelt u het dat een toezichthouder via een Q&A generiek toestaat dat pensioenuitvoerders afwijken van de wet?
Het is niet zo dat DNB via een Q&A generiek toestaat dat pensioenuitvoerders afwijken van de wet. In een Q&A geeft DNB een interpretatie van wettelijke normen, waarmee wordt aangegeven hoe DNB naar de invulling en toepassing van die normen kijkt.2 Zoals bij antwoord 1 aangegeven heeft DNB de betreffende Q&A inmiddels aangepast, omdat deze onbedoeld de indruk kon wekken dat voor de berekening van de pensioenverwachting ook afgeweken kan worden van de parameters in artikel 23a van het Besluit FTK. Dat is niet het geval.
Welke speelruimte heeft de toezichthouder volgens u om dergelijke afwijkingen toe te staan?
Zoals in vraag 4 aangegeven, is er geen sprake van het afwijken van de wet. Wat door DNB in de Q&A is geschetst, is toegestaan binnen de wet.
Acht u dit in lijn met de bedoeling van de wet?
Zie het antwoord op vraag 4 en 5.
Alle pensioenfondsen hebben inmiddels transitieplannen opgesteld, die zijn goedgekeurd door sociale partners, pensioenfondsen en waar verenigingen van slapers en gepensioneerden hoorrecht op hebben gekregen, maar waar hebben deze betrokken partijen dan feitelijk «ja» tegen gezegd nu de rekenmethodiek mogelijk alsnog wordt gewijzigd door verschillende pensioenfondsen?
Zoals in antwoord 3 aangegeven, betreft het hier een verduidelijking van de staande toezichtspraktijk, in lijn met de eerder dit jaar uitgebrachte good practice.
Betekent dit dat transitieplannen opnieuw moeten worden opgesteld en het gehele proces nogmaals moet worden doorlopen voor pensioenfondsen die van deze optie gebruik maken? Moeten verenigingen niet opnieuw de gelegenheid krijgen tot hoorrecht indien de berekeningsaannames gewijzigd worden om zo te komen tot een meer realistische invulling van beleid op lange termijn?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat betekent deze wijziging in de rekenaanpak concreet voor de fondsen en deelnemers die per 1 januari 2026 willen invaren?
Zie het antwoord op vraag 3. DNB streeft ernaar in een zo vroeg mogelijk stadium de sector duidelijkheid te verschaffen. DNB is hiervoor in goed contact met sectorpartijen om deze kennis tijdig en zo breed mogelijk te delen.
Lopen zij vertraging op in de uitvoering van de transitie?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat betekent dit voor de rechtszekerheid van deelnemers, als de berekeningen in goedgekeurde transitieplannen blijkbaar in gevallen nog gewijzigd moeten worden om ze meer realistisch te maken?
Zie het antwoord op vraag 3.
Wat betekent dit voor pensioenfondsen die al ingevaren zijn? Waren de berekeningen die zij hanteerden wel gebaseerd op een realistische invulling van het beleid op lange termijn en zo ja kunt u dit onderbouwen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vanuit de Tweede Kamer is eerder herhaaldelijk aandacht gevraagd voor de onrealistische aannames in de berekeningen, waarom heeft u er niet voor gekozen tijdig via een wetswijziging te regelen dat pensioenfondsen realistische aannames kunnen doen?
Op basis van ervaringen in het invaartoezicht door DNB is naar boven gekomen dat het gaat om sommige gevallen waarbij gebruik van de parameters in artikel 23a van het Besluit FTK niet tot de meest realistische uitkomsten leidt bij netto-profijt berekeningen. Uit de wet blijkt dat de parameters in artikel 23a Besluit FTK niet van toepassing zijn op netto-profijt berekeningen. Er is hiervoor dus geen wetswijziging nodig. Met de Q&A van DNB wordt verduidelijkt dat pensioenfondsen de ruimte hebben om netto-profijt berekeningen zo realistisch mogelijk te modelleren door andere parameters te gebruiken.
Wie heeft er precies verzocht om deze Q&A en wanneer? Wie en wat was de aanleiding om juist nu deze Q&A te publiceren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Waarom is de Tweede Kamer hierover niet eerder geïnformeerd?
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven, geeft DNB in een Q&A een interpretatie van wettelijke normen, waarmee wordt aangegeven hoe DNB naar de invulling en toepassing van die normen kijkt. Het gaat hier dus niet om wijziging van wetgeving. Het is niet gebruikelijk om de Kamer op casusbasis te informeren over hoe een onafhankelijk toezichthouder het toezicht binnen de kaders van de wet vormgeeft.
Is er voorafgaand aan de publicatie van deze Q&A overleg geweest tussen DNB en uw ministerie?
Daar het een Q&A betrof die in lijn is met de eerder opgestelde good practice, heeft dergelijk overleg voorafgaand aan de publicatie van de Q&A niet plaatsgevonden. Wel was het SZW in algemene zin bekend dat DNB een Q&A zou opstellen ter verduidelijk van het gebruik van de parameters bij netto-profijt berekeningen.
Wanneer heeft dit overleg plaatsgevonden en wat was de inhoud daarvan?
Er vindt periodiek overleg plaats tussen SZW en DNB, onder andere om de transitie zo goed mogelijk te monitoren en eventuele onduidelijkheden snel in samenwerking op te kunnen lossen. Het was het ministerie dus bekend dat bij het invaartoezicht door DNB is opgemerkt dat transitie-effecten gevoelig kunnen zijn voor de gebruikte parameters en dat gebruik van de parameters in artikel 23a van het Besluit FTK in sommige gevallen niet tot de meest realistische uitkomsten leidt bij netto-profijt berekeningen. Zie verder het antwoord op vraag 16.
Is de inhoud van deze Q&A afgestemd met de Pensioenfederatie?
Navraag bij DNB en de Pensioenfederatie leert dat de inhoud van de Q&A voor publicatie was gedeeld met de Pensioenfederatie.
Eerder heeft DNB pensioenuitvoerders ook al toegestaan langer de tijd te nemen om hun beleggingsbeleid aan te passen, terwijl dit wettelijk nog niet was toegestaan, hoe vaak heeft de toezichthouder in de pensioentransitie uitzonderingen toegestaan die niet in lijn zijn met de wetgeving?
De reeds ingevaren fondsen hebben voldaan aan de wettelijke eisen voor de implementatie van het nieuwe beleggingsbeleid.
DNB neemt invaarbeschikkingen op basis van de relevante wettelijke normen en met inachtneming van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het is mogelijk dat DNB concludeert dat het pensioenfonds op één of meerdere onderdelen niet (volledig) voldoet aan de wettelijke normen, maar het alles afwegende niet evenredig acht om op basis hiervan een verbod op te leggen. In dat geval kan DNB een pensioenfonds, naast een positieve beschikking over invaren, een toezichtbrief sturen met bevindingen die binnen een bepaalde periode ná invaren moeten worden opgelost door het pensioenfonds.
Hoe beoordeelt u dit in het licht van de democratische controle op de uitvoering van de Pensioenwet?
DNB voert het toezicht op de pensioensector uit, binnen de wettelijke kaders zoals deze door het parlement zijn vastgesteld. Daarbij heeft DNB als onafhankelijk toezichthouder, op grond van de wet, de mogelijkheid om fondsen de ruimte te geven om op redelijke termijn aan alle wettelijke normen te voldoen.
Hoe kan de Tweede Kamer de pensioentransitie effectief controleren, als toezichthouder en ministerie tussentijds generieke afwijkingen toestaan zonder parlementaire betrokkenheid?
In geval het de suggestie van vragensteller is dat DNB de wet in voorkomende gevallen ongeoorloofd terzijde schuift, dan wil ik dat met klem weerspreken. Wanneer de wet- en regelgeving dient te worden aangepast, dan wordt het parlement hier altijd over geïnformeerd en wordt het reguliere wetgevingsproces met het parlement doorlopen.
Kunt u deze vragen één voor één en voor het commissiedebat pensioenen op 4 september beantwoorden?
Het commissiedebat van 4 september is verplaatst naar een ander moment. Het regelement van de Kamer geeft aan dat Kamervragen binnen zes weken geacht te worden beantwoord.
Het bericht ‘Achterhoekse ouderenzorg gaat op de schop: dit is wat er gaat veranderen’ |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Achterhoekse ouderenzorg gaat op de schop: dit is wat er gaat veranderen»?1
Ik vind het goed om te lezen dat betrokken partijen in de Achterhoek samenwerken om te kijken wat lokaal nodig is om nu en in de toekomst benodigde ondersteuning en zorg te kunnen blijven bieden. De zorgbuurten zoals beschreven, sluiten naar mijn mening aan bij de wens van veel ouderen om geclusterd te wonen in een hofje of appartementencomplex. Veel ouderen willen zelf graag op een plek wonen waar gemeenschappelijk ruimtes zijn, waar zorg 24 uur aanwezig is en waar ze activiteiten kunnen doen met andere ouderen. Het meer geclusterd organiseren van zorg mag niet ten koste gaan van zorg voor mensen in het buitengebied. Ook in het buitengebied moet men kunnen kiezen voor passende ondersteuning en zorg.
Bent u het er mee eens dat elke oudere die zorg nodig heeft dit ook moet kunnen krijgen, ook als ze in het buitengebied wonen? Wat zou het betekenen als deze plannen doorgaan? Wat gaat u eraan doen om te zorgen dat alle ouderen de zorg die nodig is kunnen blijven ontvangen?
Ja, ik ben het ermee eens dat ouderen die afhankelijk zijn van ondersteuning en zorg dit moeten krijgen, ook als zij in het buitengebied wonen. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat er passende ondersteuning en zorg beschikbaar is, thuis en als dat nodig en gewenst is in een verpleeghuis of ziekenhuis. De gemeente is verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning vanuit de Wmo. Voor zorg vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) geldt dat de zorgverzekeraar en Wlz-uitvoerder een zorgplicht hebben.
Bent u het ermee eens dat het deelnemen aan trainingen in zelfredzaamheid nooit een voorwaarde mag zijn om de zorg te kunnen krijgen die nodig is?
Ja, ik ben van mening dat geïndiceerde ondersteuning en zorg niet afhankelijk mag zijn van deelname aan trainingen in zelfredzaamheid. Wel is het goed dat dit soort trainingen wordt aangeboden, omdat het ouderen helpt om langer zelfstandig en gezond te blijven.
Bent u het ermee eens dat het verhuizen nooit een voorwaarde mag zijn om de zorg te kunnen krijgen die nodig is?
Ja, ik ben van mening dat verhuizen nooit een voorwaarde mag zijn. Ik vind het belangrijk dat ouderen passende zorg en ondersteuning ontvangen. Deze ondersteuning moet ook beschikbaar zijn voor ouderen die in een buitengebied wonen. De gemeente is verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning vanuit de Wmo. Voor zorg vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) geldt dat de zorgverzekeraar en Wlz-uitvoerder een zorgplicht hebben. Er kunnen redenen zijn waarom verhuizen het meest passend is, bijvoorbeeld wanneer een grote woningaanpassing nodig is of zorg in het verpleeghuis het best aansluit, maar dit moet altijd een vrijwillige keuze zijn.
Bent u het ermee eens dat hulpmiddelen zoals scootmobielen altijd en binnen handbereik van mensen moeten zijn die ze nodig hebben?
Ja, ik ben het ermee eens dat hulpmiddelen altijd en binnen handbereik van mensen moeten zijn die ze nodig hebben. Hulpmiddelen worden op grond van de Wmo 2015 voornamelijk verstrekt als maatwerkvoorziening. Daarbij gaat het om hulpmiddelen die individueel in gebruik zijn. In principe zijn deze hulpmiddelen altijd binnen handbereik van de gebruiker, behalve als een scootmobiel in het kader van brandveiligheid in een aparte stallingsruimte moet staan.
Enkele gemeenten stellen scootmobielen ook ter beschikking als onderdeel van het aanbod van algemeen toegankelijk deelvervoer. Er is dan geen Wmo-indicatie nodig of er is alleen sprake van een snelle toets. Als iemand een melding doet voor een Wmo-voorziening moet de gemeente onderzoeken of er een maatwerkvoorziening nodig is of dat iemand voldoende geholpen is met algemene voorzieningen.
Bent u het ermee eens dat collectief gebruik van hulpmiddelen te koste kan gaan van het ten allen tijde beschikbaar zijn van het hulpmiddel, en dus de bewegingsvrijheid en zelfredzaamheid van mensen, en dat dit gevolg van collectief gebruik onacceptabel is?
Als een geboden oplossing onvoldoende aansluit bij de ondersteuningsvraag, kan dit ten koste gaan van de bewegingsvrijheid en zelfredzaamheid van mensen. Als dit voorkomt, vind ik dat onwenselijk. Of collectief gebruik van hulpmiddelen passend is, hangt sterk af van de situatie. In sommige gevallen kan het doelmatig en praktisch zijn, bijvoorbeeld als iemand een hulpmiddel alleen nodig heeft voor planbaar vervoer. In andere gevallen is juist een individueel, op de persoon toegesneden hulpmiddel noodzakelijk, zeker wanneer iemand sterk afhankelijk is van het hulpmiddel in het dagelijks leven. Die keuzes liggen in een decentraal stelsel bij de gemeente.
Belangrijk is dat maatwerkvoorzieningen nooit worden uitgesloten. Het gaat erom dat mensen altijd kunnen rekenen op een passende en gemakkelijk toegankelijke oplossing die past bij hun ondersteuningsbehoefte als het gaat om zelfredzaamheid. Op grond van de Wmo 2015 kan iedereen te allen tijde een maatwerkvoorziening aanvragen. Het college moet daarbij een zorgvuldig onderzoek doen (artikel 2.3.2 Wmo 2015) en neemt vervolgens een besluit waartegen rechtsbescherming openstaat.
In hoeverre wordt het plan voor zorgbuurten ingevuld met als doel de zorg voor mensen te verbeteren, of gaat het hierbij primair om het besparen van geld?
De zorgbuurten, zoals beschreven in het artikel, sluiten naar mijn mening aan bij de wens van veel ouderen om geclusterd te wonen in een hofje of appartementencomplex. Ik zie de ontwikkeling zoals beschreven in het artikel dan ook zeker niet als gericht op het besparen van geld maar juist als gericht op het aansluiten bij behoeften en wensen van ouderen.
Hoeveel moet er met deze plannen bezuinigd worden op de zorg?
Ik heb geen zicht op eventuele bezuinigingen die beoogd zijn met de in het nieuwsbericht beschreven plannen. De plannen komen voort uit lokale samenwerking.
Bent u het ermee eens dat het idee dat er bezuinigd moet worden op de zorg geen natuurwet is, maar een politieke keuze is, zeker gezien het feit dat er wel geld wordt vrijgemaakt om te voldoen aan de Trump-norm voor defensie-uitgaven?
Ik ben het er mee eens dat er op landelijk en lokaal niveau financiële keuzes worden gemaakt. Beschikbaarheid van ondersteuning en zorg heeft niet altijd te maken met beschikbaarheid van financiële middelen maar hangt ook samen met beschikbaarheid van personeel. In het artikel over Achterhoekse ouderenzorg, wordt specifiek gesproken over omgaan met minder beschikbaar personeel.
Speelt het personeelstekort in de zorg een rol bij deze plannen? Hoe staat het inmiddels met de aanpak van deze tekorten en de uitvoering van de motie-Dobbe over een campagne om mensen te werven om in de zorg te werken?2
In het artikel wordt gesuggereerd dat plannen voortkomen uit minder beschikbare handen in de zorg. Het personeelstekort in zorg en welzijn lijkt hiermee een rol te spelen bij deze plannen.
Met het sluiten van het AZWA en het HLO zijn belangrijke stappen gezet om de aanpak zoals beschreven in het regeerprogramma verder uit te werken in concrete afspraken met betrokken partijen. Bijvoorbeeld het fors investeren in scholing en vakmanschap, vergroten van werkplezier door het halveren van de administratietijd en verminderen van werkdruk met de inzet van arbeidsbesparende innovaties en slimme werkwijzen. Daarnaast zijn in het AZWA
afspraken gemaakt over loopbaaninstrumenten. Hiermee worden verschillende doelgroepen zoals studiekiezers, studenten, werkenden en zij-instromers goed geïnformeerd en geënthousiasmeerd voor het werken in zorg en welzijn. De Minister van VWS beziet momenteel op welke wijze met de beschikbare middelen nog uitvoering gegeven kan worden aan de motie Dobbe. Hij zal uw Kamer hier voor de begrotingsbehandeling nader over informeren.
De voorgestelde wijzigingen in de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 |
|
Agnes Joseph (BBB) |
|
Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid, minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het opinieartikel van VNO-NCW en MBK-Nederland1 en het artikel in PensioenPro2, waaruit blijkt dat er sprake is van brede kritiek op de voorgestelde wijzigingen in de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 20003?
Ja.
Verschillende consultatiereacties en werkgevers wijzen op het risico dat de voorgestelde wijzigingen de vrijstellingsmogelijkheid voor werkgevers mogelijk beperken of zelfs onmogelijk maken, onder meer door de hoge uitvoeringscomplexiteit en kosten, bent u het ermee eens dat dit niet wenselijk is?
De Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 wordt gewijzigd op een aantal punten, met name op de berekeningswijzen voor financiële en actuariële gelijkwaardigheid. Een aantal grondslagen was verouderd en niet langer passend bij de overgang van uitkeringsovereenkomsten naar premieovereenkomsten als gevolg van de Wet toekomst pensioenen. De voorgestelde regeling is in samenspraak met de sector tot stand gekomen. De aangepaste regeling beoogt een balans te vinden tussen enerzijds het beschermen van de belangen van de deelnemer en anderzijds de optie tot het krijgen of behouden van een werkgeversvrijstelling zoveel mogelijk hetzelfde te houden.
Het zou uiteraard niet de bedoeling zijn als de vrijstellingsmogelijkheid voor werkgevers onnodig wordt beperkt of wanneer het verkrijgen van een vrijstelling tot substantieel hogere uitvoeringskosten leidt. Om deze reden is bijvoorbeeld mogelijk gemaakt om ook op kwalitatieve gronden te kunnen toetsen. En wanneer toch berekeningen nodig zijn, kan ook worden volstaan met een relatief eenvoudige en daardoor ook goedkopere methodiek.
Naar aanleiding van de internetconsultatie is de regeling verder aangepast om daarmee aan de genoemde zorgen van werkgevers en pensioenverzekeraars tegemoet te komen. Dit betreft onder andere het standaard voorschrijven van de relatief eenvoudige berekeningsmethodiek (een zogenoemde deterministische berekening) in plaats van een meer nauwkeurige maar complexe berekening als verplichte standaard. Ook is het voorstel geschrapt voor een actuariële toetsing per pensioensoort. Verder is naar aanleiding van de internetconsultatie besloten om de ontslagkansen bij werkgevers die gebruikmaken van de eerbiedigende werking tijdelijk niet mee te wegen. Er zou anders mogelijk een stapeling van effecten kunnen optreden bij werkgevers met een zeer jong deelnemersbestand, waardoor de premieregelingen onbedoeld niet meer gelijkwaardig zouden kunnen zijn.
Met deze wijzigingen kan de regeling rekenen op breed draagvlak bij de sociale partners en de pensioenuitvoerders. De regeling zal naar verwachting begin oktober worden gepubliceerd.
De rode draad in de reacties op de internetconsulatie is dat het in een stelsel met uitsluitend premieregelingen volstaat om te toetsen op financiële gelijkwaardigheid en dat een toets op actuariële gelijkwaardigheid overbodig is, deelt u dit standpunt?
Bij het in werking treden van het Besluit toekomst pensioenen op 1 juli 2023 is aangekondigd dat de noodzaak voor actuariële toetsing niet zal vervallen in het nieuwe stelsel. Dit voornemen is ook uitdrukkelijk onderdeel geweest van de parlementaire behandeling van de Wet toekomst pensioenen. Zo is aangegeven dat de Wet toekomst pensioenen de vrijstellingsgronden en voorwaarden waaronder vrijstellingen afgegeven kunnen worden, ongemoeid laat4.
In het nieuwe stelsel staat de premie als toezegging centraal, maar de deelnemer heeft evengoed recht op een regeling die in termen van pensioenuitkering gelijkwaardig is aan de pensioenregeling van het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds. Ook andere kenmerken dan enkel de premie zijn daarbij van belang, zoals het beleggingsbeleid. Deze kenmerken hebben immers ook invloed op de uiteindelijke pensioenuitkering van de deelnemer. Uit het oogpunt van bescherming van deze deelnemer blijft daarom vooralsnog de actuariële toetsing in stand. Ook het behoud van een gelijk speelveld ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen is van belang bij deze keuze. Ten overvloede wordt opgemerkt dat in de toelichting bij het Besluit toekomst pensioenen ook is aangekondigd dat, mocht uit toekomstige evaluatie blijken dat de actuariële toetsing geen toegevoegde waarde meer heeft, dit opnieuw kan worden bezien. In de regeling is daarom een evaluatiebepaling opgenomen. Daarnaast zal tezamen met de sociale partners en pensioenuitvoerders de effecten van deze regeling worden gemonitord.
Bent u het ermee eens dat de solidaire premieregeling en de flexibele premieregeling in beginsel gelijkwaardige regelingen zijn, die bewust anders zijn vormgegeven qua solidariteit en keuzevrijheid?
De solidaire premieregeling en de flexibele premieregeling zijn in beginsel gelijkwaardige regelingen. Dat wil zeggen: beide soorten regelingen hebben elk specifieke kenmerken, maar er is een gelijkwaardige invulling voor de deelnemer mogelijk. Beide typen premieregelingen zijn een goede basis voor een pensioenregeling, waarbinnen op elementen keuzes kunnen worden gemaakt. Deze keuzes worden op collectief niveau gemaakt door de sociale partners. Bij de flexibele premieregeling heeft de deelnemer zelf meer mogelijkheden om individuele keuzes te maken. Deze keuzes kunnen er uiteindelijk toe leiden dat een deelnemer uiteindelijk beter of minder goed af is, afhankelijk van zijn specifieke kenmerken en voorkeuren. Juist daarom is het belangrijk om blijvend te toetsen op de gelijkwaardigheid van de pensioenregelingen.
In de wijziging van de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 is er desalniettemin voor gekozen om enkele specifieke kenmerken die per type regeling verschillen (zoals een solidariteitsreserve, de keuzemogelijkheid voor een vaste uitkering, shoprecht), niet in de voorschriften voor actuariële toetsing op te nemen. Er is bewust gekozen om elementen in de toetsing te betrekken die goed waardeerbaar met een relatief eenvoudige berekeningswijze (de deterministische berekening). Daarnaast is gekozen voor een vormgeving die zo goed mogelijk de realiteit van de pensioenregeling en de uitkomsten daarvan weerspiegelen. Hierbij is een balans gezocht tussen beperking van uitvoeringscomplexiteit en -kosten en het beschermen van de deelnemer. Een meer nauwkeurige, en daarmee ook meer complexe berekeningswijze is ook toegestaan, maar is niet de wettelijk voorgeschreven standaardoptie.
Bent u het ermee eens dat bij een premieregeling het uiteindelijke pensioenresultaat op moment van pensionering niet voorspelbaar is, maar met name afhankelijk is van het rendement dat wordt gemaakt op de premie-inleg, en de rekenrente en levensverwachting op pensioendatum?
Het uiteindelijke pensioenresultaat in elke premieregeling is niet exact voorspelbaar en afhankelijk van premie-inleg, rendement, beleggingsrisico, rente- en inflatieontwikkelingen en levensverwachting. Het verwachte pensioenresultaat is een meest realistische schatting. De voorgeschreven toetsing in de gewijzigde Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000 houdt hier rekening mee. Door het feitelijke beleggingsbeleid van beide partijen aan elkaar te toetsen en daarbij gebruik te maken van dezelfde uitgangspunten voor bijvoorbeeld rendementen per beleggingscategorie wordt een zo zuiver mogelijke vergelijking mogelijk gemaakt.
In welke situatie kan een actuariële toets, waarbij het uiteindelijke pensioenresultaat wordt doorgerekend, naar uw mening van toegevoegde waarde zijn in een vergelijking tussen twee premieregelingen?
Zoals aangegeven in de toelichting bij de gewijzigde regeling, ligt bij de vrijgestelde werkgever de verplichting om een pensioenregeling aan zijn werknemers aan te bieden die minstens financieel en actuarieel gelijkwaardig is aan de verplichtgestelde pensioenregeling. Het bedrijfstakpensioenfonds toetst dit, vanuit zijn verantwoordelijkheid als bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, en heeft de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen, continueren of in te trekken. Een actuariële toets kan volgens de gewijzigde regeling ook kwalitatief plaatsvinden, als de werkgever en het pensioenfonds daarover overeenstemming bereiken. De kwantitatieve actuariële toets is van toegevoegde waarde omdat niet enkel wordt gekeken naar de premie-inleg, maar ook naar andere elementen zoals het beleggingsbeleid. Daarmee geeft deze toets een zo goed mogelijk beeld van de verwachte toekomstige uitkering van de deelnemer en, of deze gelijkwaardig is aan de regeling van het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds. Dit is ter bescherming van de deelnemer.
Bent u het eens met verschillende consultatiereacties, die stellen dat als er al redenen aanwezig zijn om de actuariële gelijkwaardigheid te berekenen, het effect van verschil in beleggingsbeleid daarin geëlimineerd zou moeten worden, omdat de in de basis voorgestelde actuariële toets het voeren van een meer offensief beleggingsbeleid beloont zonder dat de keerzijde, namelijk het risico op tegenvallende beleggingsresultaten, tot uiting komt? Zo niet, waarom niet?
In de eenvoudige berekeningswijze, die als standaard wordt voorgeschreven, is inderdaad de verwachting dat een offensief beleggingsbeleid een positieve uitwerking heeft. Het risico op tegenvallende resultaten komt beter naar voren in de meer complexe stochastische berekening. Het verplicht voorschrijven van dit soort duurdere berekeningen zou echter naar verwachting leiden tot een sterke daling van het aantal vrijgestelde werkgevers, vanwege dit kostenaspect, terwijl de pensioenovereenkomst in de basis een goede, gelijkwaardige pensioenregeling kan zijn. Dat is niet wenselijk. Daarom is gekozen voor een deterministische berekening als standaard voor te schrijven. Het staat partijen vrij om, wanneer dat voor de specifieke situatie meer van toepassing is om risico’s te wegen, een stochastische berekening te maken.
Bent u het eens met de verschillende consultatiereacties, dat de voorgestelde actuariële toets ook voorbij gaat aan het feit dat een meer defensief beleggingsbeleid en keuzevrijheid meer passend kan zijn voor deelnemers? Zo niet, waarom niet?
Een pensioenuitvoerder stelt, op basis van de vereisten uit de Pensioenwet, de risicohouding voor deelnemers per leeftijdscohort vast. Dit gebeurt op basis van risicopreferenties van deelnemers, wetenschappelijke inzichten en deelnemerskenmerken. Als een werkgever vrijstelling wil aanvragen of continueren, wordt voor de bepaling van het beleggingsprofiel uitgegaan van een beleggingsprofiel dat in de verzekerde regeling wordt aangeboden en waarbij redelijkerwijs kan worden verondersteld dat een aanzienlijk deel van de werknemers hiervoor kan kiezen. Dit kan bijvoorbeeld de gekozen default betreffen of een beleggingsprofiel dat aansluit bij de life cycle van een pensioenfonds waarbij de gedispenseerde werkgever aannemelijk maakt dat een aanzienlijk deel werknemers hiervoor kan kiezen. Het is voorstelbaar dat als de risicohouding bij het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds relatief offensief wordt vastgesteld, in veel gevallen de vrijgestelde werkgever voor een vergelijkbare deelnemer een even offensieve risicohouding vast kan stellen. De deelnemer had immers anders altijd onder de risicohouding van het bedrijfstakpensioenfonds gevallen. Bij vergelijkbare deelnemerskenmerken zal ook vaak de risicopreferentie van deze groep deelnemers overeenkomen. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft voor deze groep ook al een risicopreferentieonderzoek uitgevoerd en een risicohouding vastgesteld. Het is niet mogelijk dat de vrijgestelde werkgever voor zijn deelnemers een niet gepast risico (bijvoorbeeld te offensief) neemt, omdat dit reeds is ingeperkt door vereisten van de Pensioenwet. Uiteindelijk zal altijd moeten worden aangesloten bij het risico dat een deelnemer (per leeftijdscohort) kan en wil nemen.
Kunt u uitleggen waarom u van mening bent dat de voorgestelde vormgeving van de actuariële gelijkwaardigheidstoets past bij het uitgangspunt van de Wet toekomst pensioenen dat het risicoprofiel van de regeling zodanig wordt vastgesteld dat het aansluit bij de preferenties van de deelnemers?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bereid gehoor te geven aan de brede oproep om het effect van het verschil in beleggingsbeleid te elimineren uit een actuariële gelijkwaardigheidstoets?
Vanuit het oogpunt van het beschermen van deelnemers is het beleggingsbeleid belangrijk voor de uiteindelijke pensioenuitkeringen van de deelnemers. Daarom wordt voor de bepaling van het beleggingsprofiel uitgegaan van een beleggingsprofiel dat in de verzekerde regeling wordt aangeboden en waarbij redelijkerwijs kan worden verondersteld dat een aanzienlijk deel van de werknemers hiervoor kan kiezen. Dit kan bijvoorbeeld de gekozen default betreffen of een beleggingsprofiel dat aansluit bij de life cycle van een pensioenfonds waarbij de gedispenseerde werkgever aannemelijk maakt dat een aanzienlijk deel van de werknemers hiervoor kan kiezen. Juist in een stelsel met premieregelingen zijn de ingelegde premies in combinatie met het gevoerde beleggingsbeleid de belangrijkste factoren die leiden tot de uiteindelijke uitkering voor de deelnemer. Bij het niet meenemen van het beleggingsbeleid in de actuariële toetsing is deze toetsing niet zuiver en daarmee overbodig.
De voorgestelde wijzigingen zijn impactvol voor de systematiek van vrijstellingen, waarom is er gekozen voor een ministeriële regeling? Bent u bereid dat anders te doen zodat er ruimte is voor advies?
Bij de behandeling van de Wet toekomst pensioenen en het onderliggende Besluit toekomst pensioenen is aan de Tweede Kamer voorgelegd dat de technische grondslagen voor de berekeningen van actuariële en financiële gelijkwaardigheid zouden worden verplaatst van de bijlages van het Vrijstellings- en boetebesluit naar de (nieuwe) Regeling vrijstellingen Wet Bpf 20005 6. Deze berekeningen zijn naar het niveau van ministeriële regeling verplaatst, omdat op deze manier toekomstige wijzigingen in de rekenregels eenvoudiger kunnen worden doorgevoerd, waardoor berekeningen beter aansluiten bij de geldende markt- en economische omstandigheden. Ook kunnen rekenregels die niet meer worden gebruikt of niet meer actueel zijn, worden aangepast. Het is voor dit type technische grondslagen gebruikelijk dat zij op het niveau van de ministeriële regeling worden vastgesteld. Bij uitwerking van de ministeriële regeling zijn sectorpartijen betrokken geweest voor advies en is breed consultatie opgehaald waar diverse experts en instanties inbreng hebben geleverd.
Als u toch voornemens bent de actuariële gelijkwaardigheidstoets te handhaven, deelt u dan de mening dat het gezien de potentiële impact en het controversiële karakter hiervan, passend zou zijn hierover met de Kamer te overleggen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u, gezien de breed geuite zorgen, bereid om advies te vragen aan het Actuarieel Genootschap, toezichthouders en de Raad van State, alvorens de Regeling te publiceren?
Het is ongebruikelijk dat de Afdeling advisering van de Raad van State een oordeel geeft over ministeriële regelingen. Er is geen reden om dat in dit geval wel te vragen. De Raad van State heeft reeds een advies gegeven met een dictum A op zowel het Besluit toekomst pensioenen als op de wijziging van het Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000, waarin ook wordt vermeld dat er actuarieel getoetst blijft worden en wordt verwezen naar de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000.
Toezichthouders AFM en DNB hebben voor deze wijzigingsregeling geen formele taak of verplichting. Het ligt daarom niet in de rede om aan deze partijen een toezichttoets te vragen. Ook het Actuarieel Genootschap heeft in dezen geen formele rol, maar stond het vrij om te reageren op de internetconsultatie. Diverse actuariële experts hebben dat ook gedaan. Deze reacties zijn gewogen en betrokken bij de wijzingsvoorstellen.
Kunt u deze vragen 1 voor 1 en binnen 2 weken beantwoorden, in ieder geval voordat u de gewijzigde Regeling publiceert?
Deze beantwoording wordt voor de publicatie van de gewijzigde Regeling gepubliceerd. Naar verwachting zal de Regeling begin oktober worden gepubliceerd.
Het artikel ‘Bewoners van wooncomplex in Enschede verdrietig: ‘Niet meer dat gezellige kopje koffie’' |
|
Folkert Thiadens (PVV) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Bewoners van wooncomplex in Enschede verdrietig: «Niet meer dat gezellige kopje koffie»»?1
Ja
Hoe voorkomt u dat zorgorganisaties zoals Livio hun vastgoed van intramurale zorg omdopen tot sociale huurwoningen en daarmee wonen en zorg scheiden, wat vereenzaming en vervreemding veroorzaakt door ongewenste nieuwe bezoekers uit de wijk, waarbij de zorg alleen nog langskomt voor thuiszorg?
Ik vind het heel verdrietig dat de verandering in het woon-zorgcomplex Broekheurnerborch als een groot verlies wordt ervaren door een deel van de bewoners.
Gemeenschapsvorming is een belangrijk onderdeel van het ervaren wooncomfort in een woon-zorgcomplex. Het zorgt er ook voor dat mensen minder eenzaam zijn. Bij veel nieuwe initiatieven wordt daarbij verbinding met de wijk gezocht, zoals ook bij het zorgbuurthuis. De buurt kan daarbij ook zorgen dat er meer activiteiten plaats vinden waar ook de bewoners van profiteren. Over het algemeen zijn de ervaringen hierbij positief.
In het geval van het complex Broekheurderborch gaat het om een verandering voor de huidige bewoners, waarbij de buurt de gelegenheid heeft gekregen om ook gebruik te maken van de ontmoetingsruimte. Deze verandering heeft in dit geval helaas niet geleid tot een goede verhouding tussen (een deel van de) buurtbewoners en (een deel van de) bewoners van het woon-zorgcomplex. De openstelling van de ontmoetingsruimte en de aanwezigheid van buurtbewoners wordt daardoor door een deel van de bewoners als een achteruitgang ervaren.
Hoewel ik de animositeit tussen mensen in dit wooncomplex betreur, zie ik dit niet als een algemene trend. Zoals gezegd zie ik juist veel mooie voorbeelden van verbinding met de buurt.
Hoeveel van de ouderen, woonachtig op locatie Broekheurnerborch, hebben vooraf op een wachtlijst voor intramurale zorg gestaan, alvorens zij op deze locatie konden intrekken? Wat vindt u ervan dat zij nu afgescheept worden met thuiszorg, terwijl ze dit misschien ook in hun eigen woning hadden kunnen ontvangen?
Geen. Er wonen geen mensen met een Wlz-indicatie in het woon-zorgcomplex.
Bent u het eens dat dat wij in Nederland al een groot tekort hebben aan geschikte ouderenzorgwoningen, en dat het een plicht is om dit te onderhouden en te blijven faciliteren? En zo ja, waarom? En zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat er een tekort is aan geschikte ouderenwoningen, daarom span ik mij in om met de Minister van VRO 290.000 extra woningen voor ouderen te realiseren tot en met 2030.
De ouderen in het artikel geven aan dat zij vinden dat de saamhorigheid in het pand weggevallen is nadat de «de wijk» naar binnen is gehaald en dat zij zich gediscrimineerd voelen door bezoekers die niet eens de Nederlandse taal machtig zijn en de gemeenschappelijke ruimte vervuild achterlaten. Wat vindt u ervan dat deze Nederlandse ouderen in deze fase van hun leven hun wooncomfort blijkbaar wordt ontnomen en last krijgen van «de wijk» die in hun vertrouwde ruimte de sfeer komt verpesten?
Zie het antwoord op vraag 2. Ik vind het heel verdrietig dat de openstelling van de gezamenlijke ruimte en het betrekken van de buurt heeft geleid tot animositeit tussen bewoners en de buurt. Livio geeft ook aan te werken aan een verbetering van de sfeer in de ontmoetingsruimte mede door extra inzet van de vrijwilligers coördinator.
Wat vindt u ervan dat deze ouderen nu geconfronteerd worden met hogere kosten en hiervoor minder voor terugkrijgen? Vindt u ook dat zij hierin slachtoffer zijn van onmacht? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben niet op de hoogte van verhoging van kosten die het gevolg zijn van deze wijziging. Livio heeft aangegeven dat er een tegemoetkoming is geweest door geen huurverhoging door te voeren.