Het bericht 'Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol' |
|
Martin de Beer (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen , Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Palestijnen uit Gaza na maanden toch met Nederlandse hulp geland op Schiphol»?1
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Gaza naar Jordanië te reizen?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de uitspraak van de Raad van State van 19 maart 2026 waarin de Minister slechts verplicht wordt om een geringe inspanning te verrichten?
Waarom is er niet gewacht met het bieden van ondersteuning aan de rest van de groep van 42 Gazanen totdat er een uitspraak in de bodemprocedure ligt?
Welke ondersteuning hebben verschillende ministeries geboden aan de 42 Gazanen om van Jordanië naar Nederland te reizen?
Hoe verklaart u dat er naast 21 Gazaanse studenten ook 18 meereizende gezinsleden naar Nederland zijn gekomen? Op grond van welke rechterlijke uitspraak heeft Nederland de plicht om deze meereizende gezinsleden ondersteuning te bieden?
Hoe verklaart u dat de verhouding studenten versus meereizende gezinsleden bijna 1 op 1 is? Hoe verhoudt zich dit tot het gemiddelde aantal gezinsleden dat meereist met migranten met een studievisum?
Klopt het dat Gazaanse studenten tijdens het verblijf de meereizende gezinsleden financieel moeten onderhouden? In hoeverre is dit mogelijk gezien de levensstandaard in Gaza en het feit dat deze Gazanen naar Nederland komen om te studeren?
Klopt het dat deze meereizende gezinsleden geen zelfstandig verblijfsrecht hebben en Nederland dus moeten verlaten zodra de gezinsband wordt verbroken?
Hoe groot schat u de kans in dat deze meereizende gezinsleden daadwerkelijk Nederland zullen verlaten en zullen terugkeren naar Gaza indien de gezinsband wordt verbroken?
Op basis waarvan bepalen universiteiten welke buitenlandse studenten zij toelaten tot hun universiteit?
Welke ondersteuning hebben universiteiten geboden om deze studenten van Jordanië naar Nederland te laten reizen? Hebben zij bijvoorbeeld één of meerdere overnachtingen in Jordanië en de vliegtickets betaald?
Hoe komen de Nederlandse universiteiten aan het geld om deze Gazaanse studenten te ondersteunen?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan deze studenten tijdens hun verblijf in Nederland? Valt onder deze ondersteuning ook huisvesting?
Hoe verhoudt deze ondersteuning zich tot de ondersteuning die Nederlandse studenten krijgen van universiteiten in hun zoektocht naar een studentenkamer, indien universiteiten inderdaad huisvesting aan deze groep bieden?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich tot het kabinetsvoornemen om het aantrekken van internationale studenten zo veel als kan te beperken tot internationaal toptalent? Is daar hier sprake van?
Hoe verhoudt het toelaten van deze Gazaanse studenten zich voorts tot de ambitie uit het regeerakkoord om te zorgen voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn? Is daar hier sprake van?
Hoe past het toelaten van deze Gazaanse studenten in de huidige bestuurlijke afspraken met onderwijsinstellingen over de capaciteit van anderstalige opleidingen dan wel de regionale draagkracht?
Welke ondersteuning bieden universiteiten aan de meereizende gezinsleden?
Wat zijn de totale kosten voor de universiteiten om deze Gazaanse studenten in Nederland te laten studeren?
Deelt u de mening dat het volstrekt onwenselijk is dat universiteiten actief ondersteuning bieden bij het naar Nederland halen van studenten en hun gezinsleden uit oorlogsgebieden?
Het met hulp van de Nederlandse overheid overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland |
|
Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat 42 Palestijnen uit Gaza met actieve hulp van de Nederlandse overheid naar Nederland zijn overgebracht1?
Waarom acht u het uw taak om Palestijnen uit Gaza naar Nederland te halen, terwijl Nederland al kampt met een ongekende asiel- en migratiecrisis?
Wie heeft aangedrongen op het overbrengen van Palestijnen uit Gaza naar Nederland? Welke non-gouvernementele organisaties (ngo), universiteiten, actiegroepen, ambtenaren, internationale organisaties en andere belanghebbenden hebben hierbij een rol gespeeld en welke kosten zijn er gemaakt?
Waarom staat u het toe dat complete gezinnen meekomen terwijl de verleende visa bedoeld zijn voor studie of werk van individuele personen?
Binnen welke termijn moeten de eerste Palestijnen Nederland weer verlaten? Welke concrete maatregelen worden genomen als zij weigeren terug te keren?
Welke harde garanties bestaan er dat alle 42 Palestijnen Nederland daadwerkelijk verlaten zodra hun visum eindigt?
Kunt u garanderen dat geen van deze Palestijnen na afloop van hun visum een asielaanvraag zal indienen om alsnog permanent verblijf in Nederland af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het binnenhalen van personen uit een door Hamas bestuurd gebied enorme veiligheidsrisico’s met zich kan brengen? Zo ja, waarom brengt u Nederlanders bewust in gevaar door onze grens open te zetten voor personen uit Gaza?
Zijn alle Palestijnen individueel en uitgebreid gescreend op veiligheidsrisico’s, radicalisering, banden met terroristische organisaties, extremistische activiteiten en identiteitsfraude? Hoeveel van deze personen beschikken niet over volledige of verifieerbare identiteitsdocumenten?
Bent u bereid per direct te stoppen met het actief faciliteren van de komst van Palestijnen naar Nederland en ook geen nieuwe visa meer te verstrekken aan personen uit Gaza? Zo nee, waarom niet?
Wilt u al deze Palestijnen samen met alle andere Palestijnen die in Nederland verblijven direct naar Jordanië sturen, de enige echte legitieme Palestijnse Staat en het verzet vanuit het Hashemitische Koninkrijk de prullenbak in gooien? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Annette Raijer (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Het artikel ‘Kabinet trekt enkele tonnen uit voor Joodse studenten’ |
|
Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
Bent u bekend met bovenstaand artikel?1
Welke «centrale Joodse studentenorganisatie» heeft formeel om financiële middelen gevraagd bij het Ministerie van OCW en welke persoon/personen heeft/hebben dit verzoek namens deze centrale Joodse studentenorganisatie gedaan?
Wanneer is dit verzoek precies gedaan?
Welke specifieke Joodse studentenorganisaties, stichtingen en/of verenigingen zijn aangesloten bij deze centrale Joodse studentenorganisatie?
Welk schriftelijk plan, activiteitenvoorstel of projectvoorstel lag aan de financiering ten grondslag?
Welke concrete activiteiten, doelstellingen en beoogde resultaten waren in dit plan opgenomen en/of welke concrete problemen moesten volgens het plan worden aangepakt?
Welk bedrag is uiteindelijk beschikbaar gesteld, aan welke rechtspersoon of persoon zijn deze middelen toegekend en op grond van welke subsidieregeling, wettelijke bevoegdheid of andere financieringsconstructie is dit gebeurd?
Op basis van welke criteria heeft het ministerie vastgesteld dat de indiener(s) van het voorstel voldoende representatief waren voor de doelgroep waarvoor de middelen bedoeld zijn?
In hoeverre valt deze subsidieverstrekking onder de aanbestedingsplicht?
Bent u het ermee eens dat de Kamer voor een goede controle van de besteding van publieke middelen volledig moet kunnen vaststellen wie het initiatief heeft genomen, wie het plan heeft opgesteld, wie als gesprekspartner van het ministerie heeft opgetreden en aan wie de middelen uiteindelijk zijn toegekend?
Indien dat niet zo is, waarom niet? Indien dat wel zo is, waarom is dat niet gedaan?
Bent u zodoende bereid de volledige subsidieaanvraag, het projectplan, de begroting, de beoordelingsstukken, de subsidiebeschikking, de verantwoordingsvoorwaarden en een chronologisch overzicht van alle relevante contacten en besluiten te doen toekomen aan de Kamer?
Ben u ervan op de hoogte dat er in Nederland meerdere Joodse studentenorganisaties zijn en bent u het met mij eens dat deze organisaties evengoed aanspraak zouden moeten kunnen maken op publieke middelen?
Op welke wijze dienen deze organisaties hun plan/initiatief bij u onder de aandacht te brengen?
Bent u bereid alsnog een tender uit te schrijven of een gangbare en transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle Joodse studentenorganisaties, die dat wensen, kunnen reageren?
Waarom kiest u ervoor zich publiekelijk via Instagram te profileren met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten al maanden worden weggepest, bedreigd en de campus moeten mijden uit doodsangst door islamitische haat en begrijpt u dat dit de indruk wekt dat joodse zorgen totaal niet serieus worden genomen? Zo nee, waarom niet?1
Hoeveel gesprekken heeft u sinds 7 oktober 2023 eigenlijk gevoerd met joodse studentenorganisaties over de explosie aan islamitisch antisemitisme of zijn die gesprekken op één hand te tellen omdat u de islamitische agenda prioriteit geeft boven de joodse slachtoffers?
Waarom kiest u ervoor om de islamitische agenda voor te trekken door moslimstudenten publiekelijk in de schijnwerpers te zetten, terwijl joodse studenten de dupe worden van deze eenzijdige aanpak en dagelijks te maken hebben met antisemitisme en onveiligheid en is dit niet precies de capitulatie voor de islam die joodse studenten opoffert?
Deelt u de mening dat uw Instagram-bericht met de Moslim Studenten Associatie, terwijl joodse studenten dagelijks worden geconfronteerd met islamitische Jodenhaat, antisemitisme en intimidatie, getuigt van verraad aan joodse studenten en capitulatie voor de islamisering van ons onderwijs? Zo nee waarom niet?
Het opheffen van de afdeling ArtScience door de Hogeschool der Kunsten Den Haag |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de afdeling ArtScience die gezamenlijk vormgegeven wordt door de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten en het Koninklijk Conservatorium per september opgeheven wordt?1
Bent u het ermee eens dat het onwenselijk is dat met het opdelen en elders onderbrengen van de opleidingen van ArtScience de structuur verdwijnt die deze opleidingen met elkaar verbindt en waarvoor studenten zich expliciet hadden ingeschreven?
Wat vindt u ervan dat het besluit tot opheffing er plotseling toe geleid heeft dat studenten van het ArtScience-programma sommige cursussen niet meer kunnen volgen, geen toegang meer hebben tot faciliteiten en geen duidelijke informatie ontvangen over de toekomst van hun studie?
Bent u bereid stappen te ondernemen om het gesprek tussen studenten, medewerkers en het bestuur op gang te brengen om tenminste te kijken wat er gedaan kan worden voor de studenten wiens studievoortgang door dit besluit bedreigd wordt?
Vindt u het een wenselijke gang van zaken dat het besluit tot opheffing van een 35 jaar oude afdeling in één vergadering tot stand lijkt te zijn gekomen en door het hoofd Marketing aan studenten is gecommuniceerd via een bericht op hun online portal?
Kunt u een overzicht geven van of nagaan welke opleidingen in 2026 en 2027 vanwege de bezuinigingen van het kabinet Schoof – inclusief de nog voor 2026 staande bezuinigingen – worden ingekrompen, samengevoegd of geheel verdwijnen?
Begrijpt het kabinet dat het wrang voelt dat er alsnog drastische bezuinigingen worden doorgevoerd op hogescholen en universiteiten terwijl bij de presentatie van het coalitieakkoord bij studenten en medewerkers de hoop werd gewekt dat de bezuinigingen en de gevolgen daarvan zouden worden teruggedraaid?
Waarom is ervoor gekozen een jaar te wachten met het terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen van het kabinet Schoof?
Erkent u dat nieuwe investeringen daarmee voor sommige opleidingen en studenten te laat zullen komen?
Bent u van plan om maatregelen te treffen om opleidingen die geheel of als opzichzelfstaande opleiding verdwijnen vanwege de staande bezuinigingen financieel te ondersteunen om zo de periode tot het daadwerkelijk terugdraaien van de onderwijsbezuinigingen te overbruggen?
In hoeverre wordt bij de in uw Beleidsbrief 2026–2030 genoemde «lastige keuzes» voor een nieuwe verdeling van middelen specifiek rekening gehouden met het voortbestaan van kleine of niche studies of studies die anderszins grote gevolgen hebben ondervonden aan de onderwijsbezuinigingen?
Wanneer gaat u duidelijkheid geven over deze nieuwe verdeling en bent u het ermee eens dat als dit niet voor de zomer gebeurt studenten geen goed geïnformeerde keuzes kunnen maken over hun studie en onderwijsinstellingen in onzekerheid blijven over het onderwijs dat ze komende jaren kunnen bieden?
Indien u de hierboven genoemde maatregelen zoals het alsnog terugdraaien van de bezuinigingen voor 2026, het financieel ondersteunen van instellingen ter overbrugging, of het bij de herverdeling van middelen rekening houden met studies die geraakt zijn door de bezuinigingen niet gaat nemen, welke maatregelen bent u dan bereid te nemen om studenten die hierdoor geraakt zijn te helpen?
De financiële onzekerheid van Iraanse studenten in Nederland |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Bart van den Brink (CDA), Letschert |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Iraanse studenten in Nederland op dit moment in betalingsproblemen komen en mogelijk moeten terugkeren naar Iran als zij, bijvoorbeeld, hun collegegeld niet kunnen betalen? Zo ja, klopt dit bericht?1
Wat is precies bekend over de omstandigheden waaronder Iraanse studenten in Nederland verblijven? Zijn u coulanceregelingen bekend voor het treffen van een betalingsregeling als Iraanse studenten in financiële problemen geraken? Zo ja, welke onderwijsinstellingen bieden financiële ondersteuning en waaruit bestaan deze regelingen precies voor wat betreft ondersteuning bij de kosten voor levensonderhoud, studiekosten en dergelijke?
Klopt het dat bij het niet voldoen van het collegegeld automatische uitschrijving bij de onderwijsinstelling volgt en dat dan ook het verblijfsrecht in Nederland vervalt? Zijn u gevallen bekend waarin Iraanse studenten door financiële problematiek hun verblijfsrecht in Nederland dreigen te verliezen? Zo ja, om hoeveel studenten gaat het hier?
Bent u bereid om te onderzoeken hoe Iraanse studenten in Nederland financieel kunnen worden ondersteund bij de studiekosten en kosten van het levensonderhoud? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om met onderwijsinstellingen in gesprek te gaan om te voorkomen dat betalingsproblemen leiden tot uitschrijving bij de betreffende onderwijsinstelling? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om bij deze groep Iraanse studenten in Nederland af te zien van het intrekken van studievisa? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om samen met onderwijsinstellingen te bezien hoe onder de huidige omstandigheden materiële en mentale steun aan de groep Iraanse studenten in Nederland geboden kan worden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, met het oog op de naderende deadline voor de inschrijving aan onderwijsinstellingen, deze schriftelijke vragen zo snel als mogelijk te beantwoorden?
De 'Summer School on Palestine' van het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Maikel Boon (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de door het International Institute of Social Studies (ISS) van de Erasmus Universiteit Rotterdam georganiseerde «Summer School on Palestine», waarin expliciet wordt gesproken over «legal mobilisation, solidarity and resistance» en waarbij wordt samengewerkt met Birzeit University?1, 2, 3, 4
Hoe beoordeelt u het feit dat Birzeit University internationaal onder vuur ligt vanwege Hamasinvloed op de campus, Hamasgelieerde studentenorganisaties en meerdere incidenten rondom extremisme en radicalisering en vindt u samenwerking met een dergelijke instelling wenselijk voor een Nederlandse publieke universiteit?
Bent u het ermee eens dat termen als «resistance» in de context van een samenwerking met een universiteit waar Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, op zijn minst buitengewoon ongepast en zorgwekkend zijn? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat voor deze samenwerking een delegatie van studenten, medewerkers en docenten van Birzeit University naar Nederland en Den Haag zal reizen? Zo ja, op welke wijze worden deze personen vooraf gecontroleerd op mogelijke Hamas sympathieën, steun voor terrorisme of antisemitische standpunten en welke veiligheidsrisico’s acht de regering hierbij aanwezig?
Hoe verhoudt deze ideologische eenzijdigheid zich tot academische pluriformiteit en wetenschappelijke objectiviteit?
Wat schiet de Nederlandse belastingbetaler concreet op met het financieren van een activistische «Summer School on Palestine» waarin termen als «solidarity» en «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met Birzeit University en waarom moet publiek geld worden besteed aan dit soort ideologische programma’s?
Deelt u de mening dat dit soort eenzijdige activistische programma’s, waarin anti Israëlische retoriek en termen als «resistance» centraal staan en wordt samengewerkt met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenbewegingen actief zijn, bijdragen aan de normalisering van antisemitisme en het gevoel van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers op Nederlandse universiteiten ernstig vergroten? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid het College van Bestuur van Erasmus Universiteit Rotterdam ter verantwoording te roepen over het faciliteren van een programma met banden met een universiteit waar Hamasinvloed en Hamasgelieerde studentenorganisaties actief zijn en maatregelen te nemen zodat publieke universiteiten zich weer richten op neutraal onderwijs, wetenschap en academische vrijheid in plaats van ideologische activistische programma’s die bijdragen aan antisemitisme en gevoelens van onveiligheid onder Joodse studenten en medewerkers? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Het bericht ‘Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis’ |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-studenten verdwijnen in buitenland en betalen studieschuld niet terug: staat loopt 170 miljoen mis»?1
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat Nederlands belastinggeld, bedoeld voor het volgen van hoger onderwijs, verloren gaat doordat oud-studenten zich aan terugbetaling van hun studieschuld onttrekken?
Klopt het dat studieschulden momenteel in bepaalde gevallen na vijf jaar verjaren wanneer oud-studenten in het buitenland niet traceerbaar zijn en is u bekend hoeveel schulden hierdoor de afgelopen vijf jaar zijn verjaard?
Welke landen werken op dit moment mee aan gegevensuitwisseling ten behoeve van het innen van studieschulden en lopen er op dit moment gesprekken met andere landen om dit mogelijk te maken?
Kunt u toelichten hoe de beperkte mogelijkheden in internationale gegevensuitwisseling voor DUO zich verhouden tot de forse toename in internationalisering in het hoger onderwijs?
Kunt u aangeven hoeveel van deze onbereikbare debiteuren de Nederlandse nationaliteit hebben of studiefinanciering hebben ontvangen op basis van een verblijfsvergunning type II, III, IV of V?
Heeft u inzicht in hoeveel internationale studenten op dit moment Nederlandse studiefinanciering ontvangen dan wel lenen via DUO? Hoeveel van hen keren na hun studie terug naar of verblijven in het buitenland?
Welke mogelijkheden heeft DUO op dit moment om oud-studenten die in het buitenland verblijven op te sporen en hun studieschuld te innen?
Zijn deze huidige instrumenten volgens u voldoende effectief? Zo nee, welke aanvullende maatregelen overweegt u om het innen van dit soort studieschulden te verbeteren?
Het bericht 'Minister Letschert trekt 154 miljoen uit voor het aantrekken van buitenlands talent' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Waarom geeft u 154 miljoen euro uit aan buitenlands talent, terwijl Nederlandse studenten worden verdrongen en nauwelijks nog aan een studie of kamer komen?1
In mijn brief van 24 april jl.2 heb ik aangegeven dat ik 154 miljoen euro reserveer voor hbo- en wo-instellingen in het kader van de talentstrategie en de taakstellende intensivering in het hbo en wo. Met de talentstrategie wil het kabinet ervoor zorgen dat we het juiste talent selecteren, opleiden en voor Nederland behouden. Zo zorgen we voor genoeg vakmensen in de sectoren waar de uitdagingen het grootst zijn. Ook internationaal talent kan hier een bijdrage aan leveren. Het aantrekken ervan moet echter gericht gebeuren, en niet doorslaan in ongerichte groei. Daarover maak ik afspraken met de sector. Ruimte voor meer internationaal talent in specifieke sectoren betekent dat in andere sectoren het aantal anderstalige opleidingsplaatsen moet worden begrensd.
Het beeld dat Nederlandse studenten op grote schaal worden verdrongen door internationale studenten klopt niet. Nederland kent in algemene zin een zeer toegankelijk hogeronderwijsstelsel. Op basis van cijfers van DUO heeft circa 5% van de bacheloropleidingen een numerus fixus. Daarnaast leert de ervaring dat een groot deel van de kandidaten alsnog wordt toegelaten, doordat niet alle geselecteerde studenten hun plaats accepteren. In totaal wordt tussen de 75% en 85% van de aspirant-studenten geplaatst3 en kan slechts circa 5% niet starten met een opleiding van eerste voorkeur.4 Studenten die niet direct worden toegelaten, kunnen bovendien altijd terecht bij een passende tweede keuze.
De krapte op de woningmarkt is een breder maatschappelijk vraagstuk dat niet uitsluitend of primair wordt veroorzaakt door internationale studenten.
Begrijpt u dat dit beleid neerkomt op het subsidiëren van buitenlandse studenten met Nederlands belastinggeld, ten koste van onze eigen jongeren? Zo ja, waarom drukt u dit beleid er alsnog doorheen?
De middelen waarnaar wordt verwezen zijn bedoeld voor de instellingen om hen in staat te stellen maatregelen te nemen waarmee ze een bijdrage leveren aan de Nationale Talentstrategie – zie ook onder vraag 1. De wijze waarop dit vorm krijgt wordt momenteel uitgewerkt. Van belang is en blijft daarbij dat instellingen hun zelfregie op het gebied van internationale studenten doorzetten. Ook internationale studenten kunnen, mits gericht geworven, een bijdrage leveren aan de Nationale Talentstrategie. Het uitgangspunt van het kabinet is daarbij altijd dat de internationale instroom aanvullend is op de Nederlandse instroom.
Waarom houdt u vast aan het bestaande Engelstalige onderwijsaanbod, terwijl dit de positie van het Nederlands als voertaal verder onder druk zet?
Het kabinet blijft inzetten op het behoud van het Nederlandse taal als onderwijs- en wetenschapstaal. Zo worden instellingen in het wetsvoorstel internationalisering in balans (WIB) verplicht tot het maken van bewuste keuzes in hun taalbeleid en worden zij ook verplicht tot het bevorderen van de Nederlandse taalvaardigheid voor alle studenten.
In het coalitieakkoord is vastgelegd dat het bestaande anderstalige onderwijsaanbod in stand blijft en dat de toets anderstalig onderwijs wordt geschrapt. Ik werk nu aan de nota van wijziging waarin dit gestalte krijgt. Het kabinet kiest ervoor om grip behouden op de instroom van internationale studenten in overleg en afstemming met de onderwijssectoren. De universiteiten en hogescholen zetten onverminderd de afspraken door die zij onderling in het kader van de zelfregie hebben gemaakt. Deze afspraken zien onder meer op het terrein van capaciteit, maar ook op Nederlandse taalvaardigheid, verbeteren van de blijfkans en huisvesting.
Vindt u het acceptabel dat instellingen zoals de Universiteit Maastricht inmiddels draaien op buitenlandse studenten en wanneer is voor u de grens bereikt?
Internationalisering brengt zowel voordelen als uitdagingen met zich mee. Het kan bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs, het versterken van de internationale positie van Nederland en een sterke economie. Tegelijkertijd is het van belang dat de instroom van internationale studenten in balans is met de capaciteit van instellingen en de draagkracht van regio’s en steden.
In dat kader wordt gesproken over «gebalanceerde internationalisering». Dat betekent dat het voor elke instelling, regio en opleiding verschillend kan zijn wat een passende omvang van internationale instroom is. Voor instellingen zoals de Universiteit Maastricht, die in een grensregio liggen, is het navolgbaar dat het aandeel internationale studenten hoger ligt dan elders in Nederland. Wel moet oog blijven voor de draagkracht van de stad en de bijdrage die het anderstalige onderwijs en de internationale studenten leveren aan de regio.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met instellingen en werkt toe naar bestuurlijke afspraken om deze balans te borgen, zodat de voordelen van internationalisering behouden blijven zonder dat dit leidt tot ongewenste effecten voor toegankelijkheid of capaciteit. Ook in het kader van de Nationale Talentstrategie, zetten we in op het gericht en selectief aantrekken van internationaal talent, juist daar waar de uitdagingen het grootst zijn.
Hoe denkt u grip te houden op internationale instroom, als u tegelijkertijd miljoenen uittrekt om die instroom juist verder aan te jagen?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid om harde grenzen te stellen aan het aantal buitenlandse studenten en het Nederlands weer de norm te maken in het hoger onderwijs, of blijft u kiezen voor internationalisering boven de Nederlandse belangen?
Er is geen tegenstelling tussen internationalisering en Nederlandse belangen. Het kabinet zet in op een vorm van internationalisering die bijdraagt aan de Nederlandse samenleving en economie, en wil tegelijkertijd de toegankelijkheid en kwaliteit van het onderwijs voor Nederlandse studenten borgen.
Grip op internationale instroom betekent dat instellingen beter in staat worden gesteld om per opleiding en per regio af te wegen waar internationale studenten een meerwaarde hebben en waar begrenzing nodig is. Instrumenten zoals numerus fixusmaatregelen maken dit mogelijk.
Het Nederlands blijft daarbij een belangrijke taal binnen het hoger onderwijs. Tegelijkertijd kan anderstalig onderwijs in bepaalde gevallen noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld omdat het werkveld of wetenschappelijk veld hoofdzakelijk anderstalig, of omdat op deze manier extra internationaal talent voor tekortsectoren opgeleid kan worden of voor regio’s waar het onderwijsaanbod onder druk staat.
Het kabinet blijft hierover in gesprek met instellingen en zet in op een gebalanceerde aanpak waarin zowel nationale belangen als de voordelen van internationalisering worden meegenomen. De intentie is om daarover op korte termijn bestuurlijke afspraken te maken met hogescholen en universiteiten. Daarnaast werken we aan de Nationale Talentstrategie, vanuit dezelfde gebalanceerde aanpak.
Het artikel 'UvA student sails with flotilla to Gaza: 'We are preparing for the worst'' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «UvA student sails with flotilla to Gaza: «We are preparing for the worst»»?1
Ja.
Kunt u aangeven of u het wenselijk vindt dat docenten studenten aanmoedigen om dergelijke gevaarlijke reizen naar onder andere Gaza te ondernemen? Zo nee, welke maatregelen gaat u hierop ondernemen?
Het kabinet doet geen uitspraken over individuele casuïstiek.
In algemene zin is het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor de Gazastrook rood. Dat betekent dat het advies is aan Nederlanders: wat uw situatie ook is, reis hier niet heen, het is er te gevaarlijk. Ook waarschuwt het ministerie in het reisadvies dat de Nederlandse vertegenwoordiging niet kan helpen als Nederlanders in de Gazastrook in de problemen komen. Het reisadvies is helder, het is onverstandig dit te negeren.
Kunt u bevestigen dat studenten alleen recht hebben op studiefinanciering wanneer zij hun studie daadwerkelijk volgen en niet door eigen toedoen of vrijwillige uitstapjes bewust studievertraging veroorzaken? Zo nee, waarom niet?
Nee, voor een aanspraak op studiefinanciering is het niet vereist dat iemand daadwerkelijk de studie volgt. Ook vervalt hun aanspraak niet op het moment dat zij door eigen toedoen bewust studievertraging veroorzaken. De aanspraak op studiefinanciering is verbonden aan de inschrijving bij een opleiding die aanspraak geeft op studiefinanciering, en daarnaast aan het voldoen aan de overige leeftijds- en nationaliteitseisen. Daarbij is wel het aantal maanden prestatiebeurs dat een student kan ontvangen gemaximeerd. Bij studievertraging kan een student gedurende de opleiding dus in de leenfase terecht komen en geen recht meer hebben op een prestatiebeurs. Wanneer de student niet binnen de diplomatermijn een diploma haalt, wordt de prestatiebeurs bovendien niet omgezet in een gift. Het is aan de student zelf om tegen deze achtergrond keuzes te maken om ingeschreven te blijven staan of de studie (tijdelijk) te stoppen.
Kunt u bewerkstelligen dat studenten die deelnemen aan extremistische activiteiten hun recht op studiefinanciering verliezen en bovendien worden geschorst of van hun onderwijsinstelling worden verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Waar het gaat om studiefinanciering vervalt de aanspraak alleen als is vastgesteld dat de student een uitreiziger is.2 Daarvan is sprake als uit een melding van bevoegde opsporingsdiensten of inlichtingen- en veiligheidsdiensten blijkt dat er een gegronde reden bestaat dat de student zich buiten Nederland bevindt met het doel zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie.3 Op basis daarvan kan ik als Minister van OCW besluiten de aanspraak op studiefinanciering te laten vervallen.
Waar het gaat om schorsing of verwijdering van een student van de onderwijsinstelling, heb ik als Minister van OCW daartoe geen mogelijkheden. Die bevoegdheid ligt bij het bestuur van de onderwijsinstellingen op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW). Wanneer een student de huisregels overtreedt en een veilige leer- en/of werkomgeving voor studenten en/of medewerkers schaadt, kan het instellingsbestuur die student voor maximaal een jaar de toegang tot de gebouwen en terreinen ontzeggen of de inschrijving voor eenzelfde periode beëindigen. Wanneer een student de huisregels overtreedt, ernstige overlast heeft veroorzaakt en ook na waarschuwingen daarmee niet is gestopt, kan het instellingsbestuur die student de toegang tot de instelling definitief ontzeggen of zijn inschrijving beëindigen.4 Een instellingsbestuur neemt een dergelijk besluit niet lichtvaardig en de impact is groot, mede ook tegen het licht van het recht op onderwijs. Daarom wordt tegen dit soort besluiten vaak in beroep gegaan bij een rechter. Uit de rechtspraak blijkt het belang van een gedegen belangenweging en proces, voordat tot zo’n beslissing kan worden overgegaan. Een schorsing moet evenredig zijn aan de mate waarin de huisregels zijn overtreden. Daarbij moet waar mogelijk de onderwijsvoortgang niet onevenredig worden belemmerd als gevolg van een maatregel. Ook moet eerst gekeken worden of op andere manieren het gedrag kan worden gewijzigd. Als dit na aanhoudende pogingen niet lukt, kan een student definitief worden uitgeschreven.
Welke maatregelen wil u nemen om vroegtijdige radicalisering in het onderwijs, vooral de breed geaccepteerde linkse radicalisatie, aan te pakken om deze situaties in de toekomst te voorkomen?
Ik heb geen signalen dat er sprake is van breed geaccepteerde linkse radicalisatie in het onderwijs.
Het bericht 'UvA's Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen' |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht van GeenStijl «UvA’s Room for Discussion trekt uitnodiging Vlaams Belang politicus in om veiligheid en andere redenen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de Universiteit van Amsterdam (UVA) opnieuw zwicht voor activistische druk door de uitnodiging aan Tom van Grieken van Vlaams Belang in te trekken en dat universiteiten geen politieke filterbubbel mogen zijn waar alleen welgevallige meningen welkom zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat universiteiten bij uitstek de plekken in de samenleving zijn voor open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van de academische kernwaarden. Het is aan de instellingsbesturen om, bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten, in iedere casus een nieuwe afweging te maken of iemand kan komen spreken. Daarbij moeten zij zowel de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, alsook de veiligheid op de campus waarborgen. Ik vertrouw erop dat zij die afwegingen weloverwogen maken en dat dat ook in dit geval is gebeurd. Zo heeft de UvA mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Kan u aangeven of er nog sprake is van academische vrijheid of dat deze is ingeruild voor ideologische censuur?
Ik deel niet uw opvatting dat de academische vrijheid is ingeruild voor ideologische censuur. Wel is en blijft het van groot belang dat de academische vrijheid gewaarborgd en actief beschermd wordt. Vanwege de signalen dat de academische vrijheid onder druk staat, lopen er verschillende trajecten die bijdragen aan het inzicht in de academische vrijheid in Nederland en het handelingsperspectief om deze beter te borgen en beschermen. De KNAW werkt bijvoorbeeld aan twee adviezen; juridische borging van academische vrijheid en vrijheid van meningsuiting in de wetenschappelijke sector. Het is van belang dat deze twee vrijheden van elkaar worden onderscheiden. Daarnaast start ik, naar aanleiding van motie Heite, een onafhankelijk onderzoek naar de zorgen over het gebrek aan pluriformiteit in de wetenschap waarvan ik de resultaten dit najaar verwacht.2
Kan u aangeven of universiteiten gebruik mogen maken van veiligheid als een smoes of veiligheid mogen misbruiken als excuus om politiek onwelgevallige sprekers te weren? Zo nee, welke maatregelen gaat u hiertegen nemen?
Ik neem afstand van de suggestie dat universiteiten veiligheid als smoes inzetten of als argument misbruiken om onwelgevallige sprekers te weren. Zoals toegelicht onder vraag 2 vertrouw ik erop dat universiteiten in elke casus een weloverwogen afweging maken, waarbij zij veel waarde hechten aan de academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting.
Bent u bereid om universiteiten die structureel de vrijheid van meningsuiting ondermijnen, financieel te korten? Zo nee, waarom niet?
Ik ben daar niet toe bereid en ik heb ook geen indicaties dat hier sprake van zou zijn.
Herkent u dat dit soort incidenten bijdragen aan een angstcultuur op universiteiten waar afwijkende meningen worden weggezet en linkse groepsdruk de norm is? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik herken niet dat dergelijke incidenten bijdragen aan een angstcultuur. Het is te betreuren dat evenementen soms vanwege veiligheidsredenen moeten worden afgezegd. Iedereen moet zich veilig voelen om mee te doen aan het open debat, waar de ruimte is voor verschillende perspectieven en waar het ook mag schuren. Zoals eerder aangegeven in vraag 2 zetten bestuurders zich elke dag weer in voor academische vrijheid en de vrijheid van meningsuiting, maar hebben ze daarbij ook de ingewikkelde taak om de veiligheid te waarborgen.
Het afzeggen van een interview met Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een interview met de Vlaamse politicus Tom van Grieken aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) is afgezegd na overleg met de universiteit, omdat de benodigde inzet en impact op de campus te groot zouden zijn geweest?1
Ja.
Klopt het dat volgens de betrokken organisaties veiligheid en noodzakelijke beveiliging een belangrijke rol speelden bij deze afzegging?
De UvA heeft mij laten weten dat het studentenplatform Room for Discussion heeft besloten het interview te annuleren. Dit hebben zij gedaan na consultatie bij de UvA en op basis van een brede afweging. Daarbij is gekeken naar de veiligheid en de benodigde veiligheidsmaatregelen, maar ook naar de gevolgen voor onderwijs en onderzoek, logistieke overwegingen, eventuele protocollaire eisen en de wensen van de gast.
Hoe beoordeelt u het dat een gesprek met een democratisch actieve politicus op een universiteitscampus geen doorgang vindt vanwege verwachte veiligheids- en beheerslasten?
Het is de verantwoordelijkheid van de instellingen om ervoor te zorgen dat de randvoorwaarden voor bijeenkomsten en de veiligheid van de aanwezigen voldoende geborgd zijn. Indien de risico’s voor de veiligheid te groot zijn, kan het zo zijn dat bijeenkomsten geen doorgang kunnen vinden. Ik betreur het dat er situaties zijn waarbij de veiligheid van studenten en genodigden onvoldoende kan worden gegarandeerd en een bijeenkomst daarom geannuleerd moet worden.
Onderschrijft u dat universiteiten bij uitstek plaatsen behoren te zijn waar vrijheid van meningsuiting, academische vrijheid en confrontatie met uiteenlopende maatschappelijke en politieke opvattingen actief worden beschermd?
Ik onderschrijf dat de academische vrijheid op universiteiten actief beschermd moet worden. De vrijheid van meningsuiting dient overal actief beschermd te worden. Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving voor een open debat en dialoog, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden, zoals o.a. kritisch denken, onafhankelijkheid, respect en transparantie. Instellingen zijn hier primair verantwoordelijk voor en zetten zich hier ook voor in.
Deelt u de opvatting dat diversiteit van opvattingen op de universiteit óók betekent dat studenten en medewerkers in aanraking moeten kunnen komen met standpunten die als ongemakkelijk, omstreden of impopulair worden ervaren?
Ja, ik deel deze opvatting. Ik acht het van belang dat er op universiteiten ruimte is voor debat over maatschappelijke thema’s met een diversiteit aan perspectieven, zolang dit gebeurt binnen de grenzen van de wet en met inachtneming van academische kernwaarden.
Hoe voorkomt de overheid volgens u dat op universiteiten in de praktijk een situatie ontstaat waarin de verwachte onrust rond een spreker zwaarder gaat wegen dan het belang van open debat?
De instellingsbesturen hebben de ingewikkelde taak om zowel het open debat, alsook de veiligheid op de campus te waarborgen. Bij het faciliteren of organiseren van bijeenkomsten wordt per casus, in overleg met betrokken partijen, een afweging gemaakt of iemand kan komen spreken. Het beoordelen van de risico's van bijeenkomsten, het nemen van veiligheidsmaatregelen en het daarbij waar nodig inschakelen van daartoe bevoegde partijen, is de verantwoordelijkheid van de instelling in samenspraak met de lokale driehoek. Ik vertrouw erop dat zij deze afwegingen weloverwogen maken. Het is niet aan mij als Minister om mij in die afweging te mengen.
Deelt u de zorg dat het afzeggen van bijeenkomsten wegens verwachte protesten, veiligheidsrisico’s of organisatorische druk ertoe kan leiden dat niet de formele regels, maar de dreiging van verstoring bepaalt welke opvattingen nog gehoord mogen worden?
Zoals aangegeven bij vraag 3 betreur ik het als een bijeenkomst vanwege veiligheidsredenen niet door kan gaan. Ik verwacht van instellingen dat zij zich maximaal inspannen om de randvoorwaarde van veiligheid te borgen en hierover op lokaal niveau met de veiligheidsdriehoek overleg te plegen. In mijn gesprekken met bestuurders merk ik dat zij zich hier ten volle van bewust zijn en voor inzetten. Ik herken dan ook niet het beeld dat instellingen relatief snel afschalen of afgelasten. Als hierover zorgen leven binnen de academische gemeenschap op de instellingen, dan kunnen zij hierover met het College van Bestuur in gesprek.
Acht u het wenselijk dat universiteiten een positieve inspanningsverplichting hebben om legale bijeenkomsten en interviews juist wel mogelijk te maken, inclusief passende beveiliging, in plaats van dergelijke activiteiten relatief snel af te schalen of af te gelasten?
Zie antwoord vraag 7.
Welke landelijke kaders, richtlijnen of handreikingen bestaan er momenteel voor universiteiten om de balans te bewaken tussen veiligheid enerzijds en vrijheid van meningsuiting en academische pluriformiteit anderzijds?
Over de wijze waarop instellingen deze balans bewaken hebben mijn ambtsvoorgangers uw Kamer op 3 juli en 18 december 2025 geïnformeerd met de brieven over veiligheid op universiteiten en hogescholen.2 In de bijlage bij de brief van 3 juli gaan de koepelorganisaties VH en UNL specifiek in op de kaders, richtlijnen en handreikingen die zij hiervoor gebruiken en hoe de sectorale coördinatie van hun veiligheidsbeleid is ingericht.
Wordt binnen die kaders voldoende expliciet gemaakt dat universiteiten niet alleen sociaal-demografische diversiteit, maar ook intellectuele en ideologische diversiteit behoren te bevorderen?
Ik vind het belangrijk dat universiteiten zich blijvend inzetten voor diversiteit en inclusie zodat er een leer- en werkomgeving wordt gecreëerd waar iedereen zich kan ontplooien. Onder deze diversiteit valt niet alleen de genoemde sociaal-demografische diversiteit maar ook intellectuele en ideologische diversiteit. Het bevorderen van intellectuele en ideologische diversiteit is een kernwaarde van het hoger onderwijs en niet alleen uitgangspunt in deze kaders, maar ook in de uitvoering van de brede maatschappelijke opdracht van de instellingen.
In hoeverre ziet u signalen dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen op campussen structureel moeilijker aan bod komen vanwege bestuurlijke terughoudendheid, veiligheidsbezwaren of druk vanuit actiegroepen?
Hoger onderwijsinstellingen staan in het midden van de samenleving en vervullen een essentiële rol in het maatschappelijk debat over de meest uiteenlopende onderwerpen. Dat doen zij door binnen hun instellingen het academische debat te stimuleren. Ik acht het van belang dat hierbij ruimte is voor diversiteit aan perspectieven, ook binnen politiek-maatschappelijke thema’s. Hierbij is het belangrijk dat academische kernwaarden. Daarnaast hebben zij de taak om met een veelvoud aan opvattingen om te gaan in hun onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en hiervoor een veilige leer- en werkomgeving te bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de academische gemeenschap om te zorgen dat alle perspectieven aan bod komen, en om gevrijwaard te blijven van een bias op basis van politieke of maatschappelijke voorkeuren. Ik onderken de zorgen die leven dat bepaalde politieke of maatschappelijke opvattingen onder druk staan. Naar aanleiding van de motie Heite laat ik een onafhankelijk onderzoek uitvoeren waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.3
Het artikel noemt eerdere incidenten aan de UvA rond gesprekken met onder anderen Ruben Brekelmans, Rob Bauer, Kajsa Ollongren, Femke Halsema en Jordan Peterson; ziet u hierin een incidenteel patroon van losse gebeurtenissen of een structureler probleem rond het organiseren van debat op universiteiten?
Universiteiten zijn de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat, waarin ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. De universiteiten zijn onlangs gestart met het versterken van het academisch debat door in iedere universiteit een dialoogmaker aan te stellen. Zij organiseren binnen de instellingen verschillende debatten over schurende onderwerpen die juist als doel hebben het academische debat binnen de academische gemeenschap op goede wijze te voeren.
Ik heb geen zicht op wat er allemaal georganiseerd wordt op universiteiten en hoe vaak situaties zoals genoemd in het artikel voorkomen. Voor de situaties waar het artikel naar verwijst, heeft het instellingsbestuur een complexe afweging gemaakt, zoals in de voorgaande antwoorden toegelicht. Ik vertrouw erop dat de instelling hier per casus weloverwogen beslissingen in maakt.
Wordt bij afwegingen over omstreden sprekers systematisch vastgelegd welke concrete risico’s zijn geïdentificeerd, welke minder vergaande alternatieven zijn onderzocht en waarom uiteindelijk voor afgelasting is gekozen?
Instellingen hebben gezamenlijk via hun Platform Integrale Veiligheid de handreiking «Controversiële sprekers» ontwikkeld, een handelingskader voor de omgang met controversiële sprekers en ongewenste beïnvloeding. Het richt zich op een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur. In de bij vraag 9 genoemde brief van de koepelorganisaties UNL en de VH geven de instellingen aan dat zij deze handreiking hebben verwerkt in het instellingsbeleid.
Zou het volgens u wenselijk zijn dat universiteiten achteraf transparanter verantwoording afleggen wanneer bijeenkomsten of gesprekken worden afgezegd die raken aan het vrije publieke debat?
Ik vind het wenselijk dat universiteiten, voor zover mogelijk, transparant zijn over dit soort besluiten. Vanwege veiligheid zal er niet altijd volledige transparantie mogelijk zijn. Zoals aangegeven onder vraag 13, hebben de instellingen een zorgvuldig intern proces ingericht voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Bent u bereid met universiteiten in gesprek te gaan over aanvullende waarborgen voor vrijheid van meningsuiting en diversiteit van opvattingen op de campus, en de Kamer hierover te informeren?
Momenteel werkt de KNAW aan een advies over vrijheid van meningsuiting binnen de wetenschappelijke sector. Daarnaast start ik, naar aanleiding van de motie Heite, een onafhankelijk onderzoek waarbij de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap worden geïnventariseerd en geanalyseerd.4 Tot slot heeft uw Kamer met de motie Claassen verzocht om concrete afspraken te maken met de universiteiten ter versterking van de praktische borging van academische vrijheid en uw Kamer periodiek te informeren over voortgang en resultaten.5 Hierover ben ik met Universiteiten van Nederland (UNL) in gesprek. Ik wil de uitkomsten van deze trajecten afwachten voordat ik andere acties onderneem. Dit najaar wil ik uw Kamer informeren over de uitkomsten van het advies van de KNAW, het onderzoek naar de zorgen over pluriformiteit in de wetenschap en de stand van zaken wat betreft de uitvoering van de voorgenoemde motie Claassen. Hierbij wil ik uw Kamer ook informeren over het advies van de KNAW inzake de juridische borging van academische vrijheid die ik dit jaar verwacht te ontvangen. De voorgenoemde uitkomsten wil ik in samenhang voorzien van mijn beleidsreactie en uw Kamer hierover informeren.
Bent u bereid te onderzoeken of een landelijke handreiking of gedragscode nodig is waarin expliciet wordt vastgelegd dat universiteiten terughoudend moeten zijn met het afzeggen van legale debatbijeenkomsten enkel vanwege verwachte maatschappelijke controverse?
Nee, ik ben hier niet toe bereid. Bij iedere casus moeten de instellingsbesturen een eigen, complexe afweging maken of iemand kan komen spreken. Zoals toegelicht onder vraag 13 hanteren de onderwijsinstellingen een zorgvuldig intern proces voor risicoweging, afstemming en samenwerking met de lokale veiligheidsdriehoek en besluitvorming door het College van Bestuur.
Kunt u uiteenzetten hoe volgens u moet worden voorkomen dat studenten op universiteiten juist minder in aanraking komen met afwijkende of schurende perspectieven, terwijl academische vorming vraagt om blootstelling aan fundamenteel verschillende ideeën?
Universiteiten zijn bij uitstek de plekken in de samenleving waar een cultuur moet heersen van een open debat en waar ruimte is voor een diversiteit aan perspectieven ook als deze afwijkend of schurend zijn. Hoe invulling wordt gegeven aan die cultuur en wat hiervoor wordt georganiseerd is aan de universiteiten. Het is niet aan mij als Minister om mij hierin te mengen. Dat is namelijk de essentie van academische vrijheid.
Deelt u de opvatting dat het vermogen om afwijkende, impopulaire of zelfs provocerende standpunten in een vreedzame en ordelijke setting te bespreken, een kernonderdeel is van wetenschappelijke en democratische vorming?
Ik acht het openstaan voor perspectieven en ervaringen van anderen en het kunnen uitwisselen van standpunten, compromissen sluiten en omgaan met meerderheids- en minderheidsstandpunten zeker van belang voor de democratische vorming. Daarnaast is het leren voeren van het academisch debat onderdeel van het academisch onderwijs.
De gedane toezegging bij het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne |
|
Chris Stoffer (SGP), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert , Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging uit het plenair debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne van 24 maart 2026, om de Kamer te informeren over het langetermijnbeleid richting de Oekraïense studenten die zich vóór 1 mei a.s. moeten inschrijven bij een studie en geen recht hebben om alleen het wettelijk collegegeld te betalen?
Bij het debat over 4 jaar oorlog in Oekraïne heeft de Minister-President toegezegd voor het komend collegejaar nog één keer te kijken naar de mogelijkheden om Oekraïense studenten tegen het wettelijk collegegeld toegang te geven tot het hoger onderwijs, in lijn met het verzoek van het lid Stoffer mede namens het lid Abdi.
Ik wil allereerst benadrukken dat ik goed begrijp dat Oekraïense ontheemden graag duidelijkheid willen hebben. De omstandigheden die hen naar Nederland hebben gebracht zijn vreselijk, en ik begrijp dat zij zorgen hebben over hun toekomst.
We zijn op dit moment bezig om de mogelijkheden te bekijken voor Oekraïense studenten die willen studeren in het collegejaar 2026–2027. Daarbij zijn wij ervan bewust dat de inschrijvingsdatum van 1 mei a.s. nadert. Tegelijkertijd willen wij ook geen onjuiste verwachtingen wekken bij een kwetsbare doelgroep.
Om hoeveel studenten gaat het hierbij en welk bedrag zou voor dit studiejaar gemoeid zijn om voor dit aantal Oekraïense studenten het lagere wettelijk collegegeld te berekenen? En hoe staat het met de regeling voor de studiejaren hierna?
Zoals met uw Kamer gedeeld in de brief Appreciaties van amendementen op de OCW-begroting (VIII) van 20 maart jl. (kenmerk: Kamerstukken II 2025/2026, 36 800 VII, nr. 136) gaat het om een geraamd aantal van 9.908 ontheemden uit Oekraïne die mogelijk in aanmerking zouden komen voor hbo- en wo-onderwijs in collegejaar 2026–2027. De verwachting is dat deze groep, als het wettelijk verlaagd collegegeld gaat gelden, de komende jaren gaat studeren – al is niet op voorhand te zeggen welk deel van de groep dat komend jaar al zou doen. Voor die gehele groep zou € 100.253.100 exclusief uitvoeringskosten nodig zijn.
Ik begrijp de wens van uw Kamer om iets te willen betekenen voor deze doelgroep en zie ook zeker de urgentie daarvan. Tegelijkertijd is het ook zo dat het inperken van deze doelgroep, bijvoorbeeld via het door u gevraagde maatwerk voor scholieren die komend jaar hun diploma halen en verder willen in een hbo- of wo-opleiding, kan leiden tot een juridisch onhoudbare ongelijke behandeling ten opzichte van andere Oekraïense ontheemden die ook zouden kunnen en willen studeren. Binnen deze kaders span ik mij in om een oplossing te vinden.
Kunt u, met het oog op de beperkte periode waarbinnen Oekraïense studenten moeten beslissen om zich al dan niet in te schrijven aan een Nederlandse onderwijsinstelling, de Kamer voorafgaand aan het commissiedebat Hoger onderwijs, studiefinanciering en DUO van woensdag 8 april a.s. informeren over het bedoelde langetermijnbeleid? Zo nee, waarom niet?
Wat het langetermijnbeleid betreft waar in de vraag aan gerefereerd wordt, is het kabinet voornemens om u bij Miljoenennota nader te informeren over de rechten, plichten en voorzieningen voor ontheemden uit Oekraïne vanaf maart 2027 en daarmee dus ook over de mogelijke introductie van het wettelijke collegegeld vanaf 1 september 2027. Dit onderwerp staat hoog op de agenda van de ministeriële Taskforce Asiel en Migratie. Hier wordt nader richting gegeven voor de verdere uitwerking van het ingezette beleid.
Het bericht ‘UvA sloeg onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten over tijdens campusprotesten’ |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Universiteit van Amsterdam (UvA) tijdens de campusbezettingen van 2024 een jaarlijkse peiling naar de sociale veiligheid van studenten over heeft geslagen?1
Ja
Klopt het bericht dat de UvA in 2024 heeft besloten de jaarlijkse monitor naar sociale veiligheid onder studenten niet uit te voeren met als argument dat de gegevens dan niet vergelijkbaar zouden zijn? Hoe beoordeelt u het besluit en de onderbouwing ervan?
Uit navraag bij de UvA heb ik begrepen dat dit klopt. In het voorjaar van 2024, wanneer bovengenoemde jaarlijkse monitor doorgaans wordt uitgevraagd, vonden grootschalige protesten plaats aan de UvA. De UvA geeft aan dat zij de monitor gebruikt om de effecten van beleid onder reguliere omstandigheden in kaart te brengen. Door de waarschijnlijke invloed van de protesten op de uitkomsten zouden de resultaten van dit meetmoment niet goed vergelijkbaar zijn met eerdere en latere metingen. Dit zou voor de UvA de interpretatie van beleidseffecten bemoeilijken.
De UvA laat weten dat in 2024 de jaarverslagen van de ombudsfunctionaris, vertrouwenspersonen, de vertrouwenspersoon individuele rechtspositie en de klachtencommissie volgens de reguliere werkwijze zijn opgesteld. Deze bieden jaarlijks inzicht in aard, omvang en duiding van signalen rond sociale veiligheid. De inzichten uit deze verschillende bronnen worden door de UvA in samenhang beschouwd en gebruikt voor de verdere ontwikkeling van beleid en aanpak. De UvA heeft de monitor sociale veiligheid in 2025 weer afgenomen.
Ik heb als Minister geen bemoeienis met interne monitors van een universiteit.
Deelt u de opvatting dat juist in een periode van soms intimiderende protesten het belangrijk is om de veiligheid systematisch te meten? Zo nee, waarom niet?
Het is van belang dat de ervaren sociale veiligheid van studenten en medewerkers van hogescholen en universiteiten structureel wordt gemonitord. Ik ga als Minister niet over de frequentie en wijze waarop een instelling haar metingen verricht. Wel spreek ik met de koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en Vereniging Hogescholen (VH) regelmatig over de ervaren sociale veiligheid op sectorniveau. Zo hebben wij afgesproken dat zij voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij zullen delen.
Hoe verhoudt het overslaan van deze monitor zich tot het Convenant Sociale Veiligheid in het hoger onderwijs (2024–2027)?
Het convenant sociale veiligheid is een landelijke afspraak met verschillende partijen uit de sector (OCW, UNL, VH, de Landelijke Studentenvakbond, het Interstedelijk Studenten Overleg, Promovendi Netwerk Nederland (mede namens PostdocNL), Federatie Nederlandse Vakbeweging en Algemene Onderwijsbond) over het bevorderen van de sociale veiligheid in de sector met behoud van de autonomie van de instellingen. Doel van het convenant is richting geven aan een gezamenlijke aanpak om de sociale veiligheid binnen de sector te bevorderen. De convenantpartners geven deze gezamenlijke aanpak vorm door het inrichten van een regiegroep sociale veiligheid in hoger onderwijs en wetenschap. De regiegroep is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van een vierjarig programmaplan om de sociale veiligheid in de sector te bevorderen. De regiegroep is ingesteld door mijn ambtsvoorganger en is onafhankelijk.
Over monitoring is in het convenant niets afgesproken. In het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap (2022) zijn al afspraken gemaakt over de monitoring van sociale veiligheid. Instellingen gaan zelf zorgdragen voor een eenduidige en structurele monitor van ervaren sociale veiligheid. Daarnaast maken zij inclusie onder studenten en personeel zichtbaar. Hiervoor zullen bestaande instrumenten worden aangepast. De monitoringsvragen worden door de instellingen onderling uniform bepaald. Periodiek, en in 2024 voor de eerste maal, stellen UNL (in samenspraak met de NFU) en VH de resultaten geaggregeerd op sectorniveau (nooit op instellingsniveau) beschikbaar aan OCW.
Welke afspraken bestaan er momenteel met universiteiten over de frequentie en continuïteit van onderzoek naar sociale veiligheid onder studenten?
Er bestaat geen afspraak met de individuele instellingen. Een van de beleidsmaatregelen is dat de instellingen zullen zorgen voor een monitor van de ervaren sociale veiligheid onder studenten en medewerkers. Ik spreek daarom regelmatig met UNL en VH over het inrichten van zo’n structurele monitor. UNL en VH zullen in ieder geval, net als vorig jaar met mijn ambtsvoorganger, voor de zomer een sectorbeeld van de ervaren sociale veiligheid in het hoger onderwijs met mij delen.
Welke onderzoeken zijn er op die universiteit wel gedaan naar de sociale veiligheid onder studenten?
Ik verwijs graag naar mijn antwoord op vraag 2.
Kunt u aangeven of andere universiteiten in Nederland in recente jaren vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen? Zo ja, welke en waarom?
Universiteiten hoeven mij niet te rapporteren over welke onderzoeken ze wanneer uitvoeren. Ik heb noch informatie noch signalen ontvangen over andere universiteiten die vergelijkbare onderzoeken hebben overgeslagen.
Bent u bereid met universiteiten afspraken te maken om te waarborgen dat metingen naar sociale veiligheid niet worden overgeslagen juist in perioden van verhoogde spanning?
Ik verwijs voor de bestaande afspraken graag naar mijn antwoord op vraag 5. Aanvullende afspraken acht ik niet nodig.
Het bericht 'Hogescholen bundelen krachten: nieuwe generatie economie-studenten moeten leren over ‘brede welvaart’ te vergroten' |
|
Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht over tien hogescholen, waaronder Avans en Hogeschool Rotterdam, die samen met de Goldschmeding Foundation € 1,8 miljoen investeren om bijna 40 procent van alle hbo-economiestudenten te leren dat economie niet over geld verdienen gaat maar over «brede welvaart», sociale gelijkheid, leefbaarheid en arbeidsparticipatie?1
Ja, ik ben bekend met het bericht waarin wordt gemeld dat tien hogescholen een samenwerking aangaan gericht op het actief bevorderen van brede welvaart in de samenleving. In het bericht wordt vermeld dat 40% van de hbo-studenten een opleiding in het economisch domein volgt.
Hoe verklaart u dat dit soort linkse ideologie met belastinggeld op onze hogescholen wordt doorgedrukt?
Het aanpassen van de inhoud van opleidingen is onderdeel van een continu kwaliteitsproces in nauwe samenwerking met het beroepenveld. De instelling is hierbij verantwoordelijk voor de inhoud en kwaliteit van de opleiding die zij aanbiedt.
De Vereniging Hogescholen heeft mij geïnformeerd dat, als onderdeel van de kwaliteitscyclus van het hoger onderwijs, een sectorale verkenning van het economisch domein is uitgevoerd door een onafhankelijke verkenningscommissie in samenspraak met het werkveld. Naar aanleiding van de verkenning is een sectorplan hoger economisch onderwijs opgesteld en zijn alle landelijke opleidingsprofielen vernieuwd. Logischerwijs komen nieuwe maatschappelijke inzichten terug in de programma's. Hierbij is ideologie geen maatstaf. Het uitgangspunt is dat een hbo-professional zelf een kritische houding ontwikkelt en afwegingen maakt voor toekomstige inzet van opgedane kennis.
Beoordeling van de inhoud en kwaliteit van opleidingen vindt plaats in het accreditatieproces van de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO). Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen.
Waarom laat u toe dat hogescholen met € 1,8 miljoen aan subsidie hun economische opleidingen aanpassen en vakken inrichten rond begrippen als «regeneratief leiderschap» en «maatschappelijke waarde», terwijl onze economie juist behoefte heeft aan studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren?
De veronderstelde tegenstelling tussen het opleiden van studenten die bedrijven opbouwen, banen creëren en economische groei realiseren en het opnemen van begrippen als regeneratief leiderschap en maatschappelijke waarde in de curricula van economische opleidingen, zie ik niet. Verder hebben hogescholen en universiteiten bestedingsvrijheid ten aanzien van hun bekostiging, die zij inzetten om hun wettelijke taken van het verzorgen van onderwijs, het verrichten van onderzoek en het verzorgen van kennisoverdracht aan de maatschappij uit te voeren. Uit het artikel maak ik op dat het genoemde bedrag een combinatie van middelen van de hogescholen en van de Goldschmeding Foundation betreft. Er is in elk geval geen subsidie van € 1,8 miljoen verstrekt door het Ministerie van OCW voor dit doel.
Hoeveel publiek geld is de afgelopen jaren besteed aan projecten en onderwijsprogramma’s waarin economische opleidingen worden omgebouwd rond begrippen als «brede welvaart», duurzaamheid en sociale gelijkheid? Kunt u daarvan een overzicht geven? Zo nee, waarom niet?
Hogescholen en universiteiten ontvangen een rijksbijdrage om hun wettelijke taken, waaronder het verzorgen van onderwijs, uit te kunnen voeren. De rijksbijdrage wordt als lumpsum uitgekeerd. Dat betekent dat hogescholen en universiteiten binnen de kaders van de wet bepalen hoe zij de middelen inzetten en zij verantwoorden zich hierover via het jaarverslag. Ik kan daarom geen overzicht geven hoeveel publiek geld aan welke projecten en onderwijsprogramma’s is besteed.
Vindt u het wenselijk dat economische opleidingen steeds vaker worden beoordeeld op niet-financiële indicatoren zoals «brede welvaart» en zo ja, waarom acht u dat belangrijker dan het opleiden van studenten die daadwerkelijk bijdragen aan economische groei en ondernemerschap?
In het algemeen acht ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Zoals aangegeven in reactie op uw tweede vraag, vindt toetsing van de inhoud en kwaliteit van opleidingen plaats in het accreditatieproces van de NVAO. Hierin wordt door panels van docenten en wetenschappers (die niet verbonden zijn aan de betreffende opleiding) onder andere bekeken of de beoogde leerresultaten van een opleiding aansluiten bij de verwachtingen van het beroepenveld en het vakgebied en op internationale eisen. Als Minister heb ik geen oordeel over de inhoud van specifieke opleidingen in het hoger onderwijs.
Wat vindt u ervan dat docenten binnen deze programma’s worden getraind om studenten te leren dat economische keuzes vooral langs maatschappelijke en ideologische maatstaven moeten worden beoordeeld en acht u dit een neutrale benadering van economisch onderwijs?
Uit het artikel leid ik niet af dat docenten op deze manier getraind worden.
Deelt u de mening dat economische opleidingen in de eerste plaats studenten moeten opleiden in de economische vakken, in plaats van hen te belasten met linkse ideologische theorieën over zogenaamde «brede welvaart» en zo ja, wat gaat u doen om te voorkomen dat economische opleidingen verder afglijden richting linkse indoctrinatie?
Zie het antwoord op vraag 5.
Kunt u bevestigen dat inmiddels een aanzienlijk deel van de economische opleidingen binnen het hbo betrokken is bij dit soort programma’s en zo ja, hoe voorkomt u dat studenten nog maar één ideologische visie op economie krijgen voorgeschoteld?
Nee, dat kan ik niet bevestigen.
Zoals ik eerder heb aangegeven vind ik het van belang dat opleidingen in het hoger onderwijs goed aansluiten bij de arbeidsmarkt, in verbinding staan met de maatschappij en maatschappelijke vraagstukken, en dat studenten geleerd wordt afwegingen te maken vanuit verschillende perspectieven.
Samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs met o.a. de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS) |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Welke Nederlandse universiteiten en hogescholen hebben in het kader van het Europese Erasmus+ programma samengewerkt met de Iraanse Tehran University of Medical Sciences (TUMS)?
Op basis van de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ op het openbare Erasmus+ Project Result Platform maak ik op dat de Universiteit Maastricht de enige instelling is die in het kader van het Erasmus+ programma heeft samengewerkt met de Iraanse instelling Tehran University of Medical Sciences (TUMS).
Hoe lang en in welke periode hebben deze samenwerkingen plaatsgevonden en zijn er Nederlandse instellingen voor hoger onderwijs die op dit moment nog in enige vorm samenwerken met TUMS?
Uit de beschikbare informatie van de Europese Commissie en het Nationaal Agentschap Erasmus+ volgt dat de samenwerking van de Universiteit Maastricht en TUMS in het kader van het Erasmus+ programma drie jaar duurde: van halverwege januari 2020 tot halverwege januari 2023.
Of er Nederlandse instellingen zijn die buiten het kader van Erasmus+ op dit moment nog samenwerken met TUMS weet ik niet. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het maken van afwegingen over institutionele samenwerkingen. Ik verwacht dat instellingen daar op zorgvuldige wijze uitvoering aan geven.
Waren de samenwerkingsovereenkomsten van Nederlandse universiteiten in lijn met het sanctierecht van de Europese Unie gezien het feit dat de paramilitaire vrijwilligersorganisatie Student Basij Organisation (SBO) op Iraanse universiteiten als de «ogen en oren van het regime» fungeert en sinds 22 mei 2023 op een sanctielijst van de Europese Unie staat?
Het kabinet gaat niet in op individuele gevallen.
Kennisinstellingen zijn rechtstreeks gebonden aan de naleving van geldende sancties. In verschillende sanctieverordeningen zijn verboden opgenomen op samenwerking met gesanctioneerde personen en entiteiten. Ook wordt bij verschillende sanctiemaatregelen specifiek verwezen naar het verbod op het verlenen van technische bijstand voor specifieke goederen en technologie. Wanneer iets geldt als technische bijstand is door de Europese Commissie nader geduid in een formele opinie. Deze opinie bevat onder andere de toelichting dat ook het aanbieden van hoger onderwijs kan vallen onder de definitie van technische bijstand.
Sanctienaleving is voor kennisinstellingen niet eenvoudig. Daarom is er vanuit de rijksoverheid een aantal handvatten die zij kunnen gebruiken bij het vormgeven van hun interne processen. Zo bevat de nationale leidraad kennisveiligheid toelichting op het belang en de grondbeginselen van sanctienaleving en kunnen instellingen bij het loket kennisveiligheid terecht met vragen. Ook zijn er vanuit de Europese Commissie specifiek voor onderzoeksorganisaties richtsnoeren (Aanbeveling 2021/1700) ontwikkeld om hen te helpen om de risico’s in verband met deze producten en technologie in kaart te brengen, te beheren en te beperken en daarmee de naleving te bevorderen.
Welke Nederlandse universiteiten hebben een «ethische commissie» die samenwerkingsbanden van advies voorziet en bij welke universiteiten is de samenwerking met Tehran University behandeld of onderzocht en beoordeeld door een ethische commissie?
UNL heeft bij een eerdere uitvraag aangegeven dat elke universiteit beschikt over één of meerdere structuren die adviseren over ethische aspecten van het aangaan van onderzoekssamenwerkingen, zoals een ethische commissie. Ik heb geen inzicht in welke samenwerkingen zijn behandeld of beoordeeld want dit betreft een verantwoordelijkheid van de instellingen zelf.
Ik verwacht als Minister uiteraard wel dat kennisinstellingen dit zorgvuldig uitvoeren. Daarom verwacht ik van instellingen dat zij een aantal belangrijke uitgangspunten betrekken bij het inrichten van deze processen. Hierover heb ik uw kamer eerder geïnformeerd (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
In hoeverre hebben Nederlandse universiteiten de aanwezigheid van de Basij meegewogen in hun stappenplan voor «due dilligence» in het kader van het sluiten van hun overeenkomsten met TUMS?
Daar heb ik geen inzicht in, zie ook het antwoord op vraag 4.
Bij het maken van een eigen afweging kunnen instellingen uiteraard wel terecht bij het Loket Kennisveiligheid voor advies en informatie. In het geval van samenwerking met Iran wijst het loket uiteraard op het risico op ongewenste kennisoverdracht en het risico dat kennis en technologie voor onethische doeleinden kunnen worden gebruikt. Het is vervolgens aan de instelling zelf om te beoordelen of en onder welke voorwaarden zij een samenwerking aan kunnen gaan.
Klopt het dat de Universiteit Maastricht (UM) in 2022 n.a.v. de zogenoemde «Woman. Life. Freedom»-protesten de banden met TUMS niet beëindigde om de onderzoekers en studenten van deze instelling niet in de steek te laten? Graag een toelichting.
Ook hiervoor geldt dat het aan de instelling zelf is om dergelijke afwegingen te maken.
Is bij u bekend waarom het argument dat je «onderzoekers en studenten niet in de steek moet laten» blijkbaar geen rol speelde toen de Universiteit Maastricht in oktober 2025 besloot de samenwerking met de Hebrew University of Jerusalem op te schorten en hoe beoordeelt u dit verschil in benadering?
Instellingen hebben de vrijheid om hun samenwerkingen tegen het licht te houden, bijvoorbeeld naar aanleiding van geopolitieke verschuivingen. Dat geldt ook voor de Universiteit Maastricht. Ik heb de Universiteit Maastricht gevraagd om een toelichting.
De Universiteit Maastricht geeft aan dat het Toetsingskader Internationale Samenwerkingen en Kennisveiligheid medio 2023 is geïmplementeerd, en dat sinds april 2025 een Human Rights Advisory Committtee (HRAC) actief is. Het eerdergenoemde Erasmus+ programma werd afgerond voordat het kader of de commissie actief waren.
Het College van Bestuur neemt op basis van de adviezen van HRAC alleen besluiten over institutionele samenwerkingen. De instelling heeft nadrukkelijk geen zeggenschap over de samenwerking en uitwisseling van kennis tussen individuele wetenschappers en hun internationale collega’s, mits er geen beperkingen in het kader van kennisveiligheid van toepassing zijn. Dat geldt ook ten aanzien van individuele samenwerkingen met de wetenschappers van de Hebrew University of Jerusalem. Continuering van samenwerking tussen wetenschappers onderling, ook met wetenschappers afkomstig van een partnerinstelling waarmee het College van Bestuur de institutionele banden verbreekt, kan van cruciale waarde zijn. De Universiteit Maastricht noemt deze academische vrijheid onontbeerlijk.
Deze afwegingen sluiten aan bij de uitgangspunten voor beoordeling van internationale samenwerkingsverbanden die de Minister van OCW eerder met de kamer en de sector heeft gedeeld (Kamerstuk 29 240, nr. 139).
Is bij u bekend of de zeker zeven Nederlandse universiteiten die in 2024–2025 hun samenwerking met Israëlische universiteiten of instellingen opgeschort of beëindigd hebben – vaak na advies van ethische commissies – in de afgelopen jaren ook de samenwerking met partners in andere landen dan Israël hebben opgeschort of beëindigd? Zo ja, om welke Nederlandse universiteiten en welke landen gaat het dan?
Nee. Zie voor toelichting het antwoord op vraag 2.
Deelt u de vrees dat als samenwerkingsbanden met Israëlische instellingen worden bevroren of stopgezet met verwijzing naar mogelijke mensenrechtenschendingen, maar mensenrechtenschendingen door regimes in andere landen niet leiden tot vergelijkbare maatregelen, dit een onrechtvaardig en/of discriminerend onderscheid maakt? Graag een toelichting.
Ik deel het belang van rechtvaardigheid en non-discriminatie in de totstandkoming van de afwegingen van instellingen. Tegelijkertijd hecht ik ook aan het belang van institutionele autonomie. Dit vormt ook onderdeel van de uitgangspunten voor het beoordelen van internationale samenwerkingsverbanden. Ik vertrouw erop dat kennisinstellingen hier zorgvuldig mee omgaan.
Bestaan er op dit moment uniforme sanctie- en compliancerichtlijnen voor het hoger onderwijs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 3.
Kunt u aangeven waarom de naam van de Universiteit Maastricht en de naam van prof. dr. Anja Krumeich van de afdeling Health, Ethics and Society van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences van de UM op dit moment nog steeds prominent vermeld staan als partner op de website van TUMS?
Zie ook het antwoord op vraag 6. De Universiteit Maastricht geeft aan dat deze vermelding niet in overleg met of met toestemming van de Universiteit Maastricht of van Prof. Dr. Krumeich op de website gekomen is. De samenwerking was ten einde in 2023, conform de afronding van het project.
De reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met de reorganisaties aan de Nederlandse universiteiten de afgelopen (vijf) jaren?
Ja, ik ben ermee bekend dat diverse Nederlandse universiteiten reorganisaties hebben aangekondigd in recente jaren.
Weet u wellicht ongeveer hoeveel academici daarbij hun baan hebben verloren en kunt u daarvan een overzicht verschaffen per vakgebied?
Nee, deze informatie is bij mij niet bekend. Ik beschik niet over een overzicht van reorganisaties en ontslagen aan kennisinstellingen. UNL geeft aan dat het uiteindelijke aantal gedwongen ontslagen als gevolg van recente reorganisaties beperkt lijkt te blijven vanwege natuurlijk verloop, mobiliteit en individuele afspraken. Wel wijst UNL op een verlies aan fte’s voor ondersteunende en wetenschappelijke taken. UNL kan niet aangeven om hoeveel fte’s het gaat. Op verschillende plekken is er sprake van een vacaturestop.
Beseft u dat met het ontslag van deze academici veel kennis voor de Nederlandse universiteiten en wetenschap verloren dreigt te gaan en beseft u ook hoeveel manjaren en miljoenen euro’s aan investeringen met het ontslag van deze academici verloren gaan?
Ik besef dat er door ontslag van academici bij een reorganisatie kennis en kunde verloren kan gaan. Tegelijkertijd kunnen vertrekkende academici hun opgedane kennis en kunde elders in de samenleving inzetten. Daarnaast kunnen universiteiten borgingsmaatregelen nemen om de negatieve gevolgen zoveel mogelijk te beperken.
Beseft u dat daarmee ook de positie van Nederland in internationale netwerken wordt verzwakt?
Zoals eerder benoemd, geeft UNL aan dat het aantal gedwongen ontslagen beperkt lijkt te blijven. Los daarvan kunnen de bezuinigingen op onderzoek en wetenschap van het vorige kabinet een rol spelen in de internationale positie van Nederland. Met de investeringen van het nieuwe kabinet in onderzoek en wetenschap hoop ik hierin het tij te keren.
Bent u bekend met het Tulp Fonds van De Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) dat (onder andere) als doel heeft wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland te halen?
Ja. Mijn ambtsvoorganger heeft NWO vorig jaar gevraagd om het Tulp Fonds op te richten vanwege geopolitieke ontwikkelingen in relatie tot de wereldwijde strijd om talent. Het doel van het fonds is het aantrekken van internationale topwetenschappers op terreinen die van evident belang zijn voor Nederland en Europa. Hiermee draagt het instrument bij aan de strategische autonomie, het concurrentievermogen en de weerbaarheid van Nederland en Europa. Uw Kamer is op 20 maart 2025, 10 juli 2025, 30 oktober 2025 en 9 december 2025 over het Tulp Fonds geïnformeerd.1 Niet alleen Nederland zet nu extra in op het aantrekken van internationaal wetenschappelijk talent, ook de Europese Unie en een aantal landen om ons heen zoals Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland doen dit.
Bent u het ermee eens dat voordat een dergelijk fonds wordt ingezet om bedreigde buitenlandse wetenschappers naar Nederland te halen, beter eerst kan worden ingezet om ontslagen Nederlandse wetenschappers voor de wetenschap in ons land te behouden? Ze nee, waarom niet?
Ons land kent wetenschap van topniveau en is rijk aan excellente onderzoekers. Om dat zo te houden, moeten we wetenschappelijk talent aantrekken, behouden en ontwikkelen, van eigen bodem én van over de grens. Talent uit eigen land draagt bij aan het behoud van gespecialiseerde kennis, continuïteit in wetenschappelijk onderzoek en aandacht voor lokale vraagstukken. Buitenlands talent zorgt voor nieuwe perspectieven en toegang tot internationale netwerken en in het buitenland ontwikkelde kennis. De hoge kwaliteit van de Nederlandse wetenschap wordt in verband gebracht met een goede inbedding in de internationale onderzoeksgemeenschap en toegang tot internationale infrastructuren.2 Met het Tulp Fonds wordt ingespeeld op een kans die zich vanwege geopolitieke ontwikkelingen voordoet. Juist omdat de kennisinstellingen niet het vermogen hadden om hier zelf op in te spelen, lag er een rol voor mijn ministerie. Op dit moment is de uitwerking van het Tulp Fonds nog niet bekend. Kennisinstellingen kunnen tot 31 maart 2026 voordrachten indienen. Ik ben blij dat het huidige kabinet ervoor kiest om te investeren in onderzoek en wetenschap, waardoor de kennisinstellingen weer meer ruimte krijgen voor het aantrekken, ontwikkelen en behouden van talent. De verantwoordelijkheid om deze ruimte in te vullen ligt primair bij de kennisinstellingen in hun rol als werkgever.
Hoe rechtvaardigt u dan het ontslaan van Nederlandse wetenschappers terwijl tegelijkertijd met Nederlands belastinggeld wetenschappers die in het buitenland zijn ontslagen naar Nederland worden gehaald?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
De geldigheid van het studentenreisproduct bij vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert , Bertram |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de financiële knelpunten bij de financiering van vraaggestuurd publiek vervoer en open toegang ritten op het spoor, omdat het studentenreisproduct bij deze vormen van publiek vervoer niet geldig is en door overheden geld bijgelegd moet worden om studenten alsnog gratis te laten reizen met een ov-studentenkaart?1, 2
Ja.
Hoe waardeert u het feit dat het studentenreisproduct niet geldig is bij de genoemde vormen van publiek vervoer?
Voor het studentenreisproduct heeft het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: OCW) een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven. Of binnenlands open toegang-treinvervoer en de personenauto’s/taxibusjes van de Flex3 in Zeeland binnen de afgesproken reikwijdte van het gecontracteerde vervoer valt, is onderwerp van gesprek in de contractrelatie tussen het ministerie en de ov-bedrijven. Ik informeer uw Kamer na de zomer over de voortgang van dit gesprek.
Hoe waardeert u het feit dat de provincie Zeeland nu de financiering van het studentenreisproduct in het daar geldende vraaggestuurd publiek vervoer verzorgt, terwijl de uitrol van vraaggestuurd vervoer in Zeeland als nationale pilot publiek vervoer is benoemd?
Ik snap dat de wijze waarop binnen de provincie Zeeland het publieke vervoer is georganiseerd de vraag oproept hoe zich dit verhoudt tot de geldigheid van het studentenreisproduct. Dit wordt dan ook zoals aangegeven meegenomen bij de gesprekken zoals bedoeld in het antwoord op vraag 2.
Wat is het beoogde tijdpad voor opvolging van de Verkenning publieke mobiliteit?
Momenteel werkt de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) samen met de Ministeries van Financiën, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en OCW, aan de verbredingsfase, welke als basis zal dienen voor een op te stellen Kabinetsstandpunt Publieke Mobiliteit. De Staatssecretaris van IenW zal de Kamer eind 2026 informeren over de resultaten van de verbredingsfase en nader inzicht geven in de voortgang van het Kabinetsstandpunt dat de Staatssecretaris van IenW in 2027 naar de Kamer zal sturen.
Deelt u de mening dat aanpassing van de geldigheid van het studentenreisproduct bij de genoemde vormen van publiek vervoer noodzakelijk en urgent is, omdat het een bepalende factor is voor de rendabiliteit van deze vormen van publiek vervoer en vraaggestuurd vervoer noodzakelijk is om verschraling van het openbaar vervoer in het landelijk gebied tegen te gaan?
Het Ministerie van OCW is verantwoordelijk voor de financiële toegankelijkheid van het vervolgonderwijs voor studenten en daaraan levert het studentenreisproduct een belangrijke bijdrage. Het Ministerie van OCW heeft hiertoe een privaatrechtelijke overeenkomst met ov-bedrijven afgesloten. Ik ben en wil in mijn rol niet verantwoordelijk zijn voor de rendabiliteit van publiek gefinancierd vervoer. Het budget van de onderwijsbegroting dient zo doelmatig mogelijk te worden besteed aan de beleidsdoelen van OCW.
Wat is de stand van zaken met betrekking tot het overleg over het studentenreisproduct in open toegang ritten op het spoor?3
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u voornemens op korte termijn ruimte te geven voor toepassing van het studentenreisproduct bij genoemde vormen van publiek vervoer, zo nodig in de vorm van experimenteerruimte?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid met regionale opdrachtverleners en vervoerders om tafel te gaan om uit te werken hoe ervoor gezorgd kan worden dat conform het kabinetsstandpunt Bereikbaarheid op Peil de bereikbaarheid van voorzieningen centraal staat, in dit geval voor studenten, en niet via welk contract het vervoer is vastgelegd?4
Via de privaatrechtelijke overeenkomst die ik heb met de ov-bedrijven, zorgen we ervoor dat studenten hun onderwijsinstelling of stageadres kunnen bereiken door ov-bedrijven te vergoeden voor de reizen die studenten met het studentenreisproduct maken.6 Het contract is voor mij een middel waarmee we de bereikbaarheid van voorzieningen voor studenten mogelijk maken.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat vraaggestuurd publiek vervoer wettelijk gedefinieerd wordt als vorm van openbaar vervoer, met bepalingen ten aanzien van onder meer CAO, geldende vervoerbewijzen en de toepassing van het studentenreisproduct?
In de huidige verbredingsfase besteedt de Staatssecretaris van IenW in samenspraak met betrokken departementen ook aandacht aan de vraag of er een wettelijke definitie voor publieke mobiliteit dient te komen. De Staatssecretaris van IenW is geen partij in eventuele discussies ten aanzien van CAO’s. De Staatssecretaris van IenW realiseert zich echter dat het voor het vaststellen van de toe te passen CAO van belang is om over een heldere definitie van het begrip publieke mobiliteit te beschikken.
Verder is het goed om te melden dat de eerder genoemde privaatrechtelijke overeenkomst regelt voor welk type vervoer de ov-bedrijven een vergoeding van OCW kunnen krijgen voor reizen van studenten met het studentenreisproduct.