De toenemende langdurige armoede in Nederland |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van krantenberichten en onderzoek waarin gemeld wordt dat het aantal mensen dat ten minste vier jaar op rij moet rondkomen van een laag inkomen in 2016 407.000 bedroeg, 16.000 méér dan een jaar eerder, dat steeds meer 55+»ers «hongerjaren» kennen, en dat méér mensen langer rond de armoedegrens leven, ondanks het economische herstel?1
Het onderzoek en de berichtgeving hierover zijn mij bekend.
Is de conclusie gerechtvaardigd dat het met het terugdringen van de armoede, ondanks de economische groei, minder crescendo gaat dan met het terugdringen van staatsschulden en begrotingstekorten? Zo ja, wat is hiervan volgens u de oorzaak? Waarom wordt pas dit jaar een kleine daling van het aantal lage inkomens naar 7,9% verwacht?
Beide zaken zijn niet direct aan elkaar gerelateerd en lopen niet parallel. Het aantal mensen in de bijstand is gestegen als gevolg van de economische crisis en het stijgende aantal asielaanvragen en verstrekte verblijfsvergunningen. In samenloop met het stijgende bijstandvolume is het aantal mensen met een risicoop armoede toegenomen. Het verleden leert dat bij een aantrekkende conjunctuur het aantal mensen in armoede daalt omdat de werkloosheid afneemt. De afname in het armoedegetal volgt echter met een vertraging op de economische groeicijfers.
Dit neemt niet weg dat armoede een aandachtspunt is. Dit kabinet heeft armoede, evenals het vorige kabinet, hoog op de agenda staan. Zo is in het Regeerakkoord, bovenop de bestaande middelen, 80 miljoen euro beschikbaar gesteld voor het voorkomen van schulden en armoede, in het bijzonder onder kinderen.
Is het waar dat de kans op armoede hoger is in de leeftijdscategorie 55+ tot de AOW-gerechtigde leeftijd, doordat steeds méér mensen in die leeftijdsgroep werkloos raken of zijn, ziek worden, of arbeidsongeschikt raken, en (langdurig) afhankelijk worden van een (bijstands)uitkering?
Het CBS laat zien dat mensen tussen 55 en 65 jaar een grotere kans hebben om in een bijstandsuitkering te belanden door langdurige werkloosheid. Gelukkig herstelt de arbeidsmarkt en gaat het ook steeds beter met de groep 55-plussers op de arbeidsmarkt. Zo is de arbeidsparticipatie van ouderen al enkele jaren stijgend. De ontwikkeling van de netto arbeidsparticipatie van lager en hoger opgeleiden verschilt nauwelijks.
Tegelijkertijd moet er aandacht blijven voor de groepen die moeite hebben met langer doorwerken. Dit betekent overigens niet dat we terug moeten naar de tijd waarin iedereen op 60 jaar stopte met werken, maar dat we gericht moeten kijken waar mensen ondersteund kunnen worden in lijn met hun behoeften. Dit kabinet richt zich op duurzame inzetbaarheid op de arbeidsmarkt. Hier ligt een grote rol voor werkgevers en werknemers, juist omdat het maatwerk betreft. Daarom verwacht het kabinet een ambitieus leeftijdsbewust personeelsbeleid van de sociale partners. Voor hen die nog niet aan werk komen verlengt het kabinet de IOW, zodat na het verlopen van de WW- of WGA-uitkering mensen niet eerst hun vermogen hoeven aan te spreken voordat zij inkomensondersteuning kunnen ontvangen. Het is mogelijk om vervroegde uittreding te bekostigen uit het opgebouwde aanvullende pensioenvermogen. Hierbij is het wel noodzakelijk dat het opgebouwde pensioenvermogen voldoende groot is om de inkomensterugval voor en na de AOW-leeftijd te beperken en de ontvanger niet onder het sociaal minimum te laten zakken. Naarmate het inkomen hoger is, wordt de voor vervroegde uittreding noodzakelijke omvang van het pensioenvermogen sneller bereikt. Hier staat wel tegenover dat extra arbeidsjaren resulteren in een hogere pensioenuitkering.
Is het waar dat deze leeftijdsgroep het minst goed herstelt van de gevolgen van de economische crisis, dat (het risico op (langdurige)) armoede onder hen toeneemt? Zo ja, wat wordt – afgezien van het streven naar duurzame inzetbaarheid en reïntegratie van ouderen – door u gedaan om de toegenomen kans op armoede voor de groep 55+ tot de AOW-gerechtigde leeftijd te verkleinen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de conclusie van Raymond Montizaan van de Universiteit Maastricht dat de verhoging van de AOW-leeftijd en de afschaffing van de vut een nieuwe vorm van ongelijkheid heeft gecreëerd, tussen hoogopgeleide ouderen enerzijds, die zich kunnen permitteren eerder met pensioen te gaan, en lager opgeleide ouderen anderzijds, die dat niet kunnen en vaker en langer afhankelijk worden van een uitkering? Wat gaat u doen om deze ongelijkheid te bestrijden?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de Participatiewet (2015) beschouwd kan worden als onderdeel van een vijfentwintig jaar durende afname van «inkomensprotectie» van uitkeringsgerechtigden? Is de conclusie juist dat in de gestaag afnemende inkomensprotectie mede een verklaring te vinden is voor het hardnekkige verschijnsel van armoede en schuldenproblematiek in ons welvarende land?
Het beeld dat de inkomensbeschermende functie van het sociaal minimum terugloopt herken ik niet en dit blijkt ook niet uit internationale vergelijking. Ook is tijdens de crisis het sociaal minimum op de reguliere wijze meegegroeid met de gemiddelde ontwikkeling van de contractlonen. Wel is de economische conjunctuur terug te zien in de omvang van de groep die een beroep heeft gedaan en/of doet op de bijstand. Het feit dat de participatiewet striktere eisen heeft gesteld aan personen die inkomensondersteuning ontvangen, betekent niet dat de inkomensondersteuning is afgebouwd sinds de invoering van de participatiewet.
Het idee achter de participatiewet is het streven naar een sociaal zekerheidsstelsel dat mensen enerzijds de zekerheid biedt van een adequaat vangnet als dat echt nodig is, en anderzijds van hen verwacht dat zij op eigen benen staan als dat kan. Solidariteit betekent niet alleen recht op hulp en ondersteuning voor degenen die het nodig hebben. Het betekent ook dat degenen die de kosten moeten dragen er op kunnen rekenen dat alleen hulp en ondersteuning wordt geboden aan wie dat echt nodig heeft. Tegenover het vanzelfsprekende recht op hulp en ondersteuning, staat de vanzelfsprekende plicht daar geen beroep op te doen als dat niet strikt noodzakelijk is.
Het kabinet vindt het belangrijk om de koopkracht van het sociaal minimum te garanderen. Tegelijkertijd vormt een bijstandsuitkering een tijdelijke oplossing bij een inkomensterugval en slechts een tussenstation op de weg naar nieuw werk. De Participatiewet hoort niet alleen inkomenszekerheid, maar ook werkzekerheid te bieden. Om re-integratie op de arbeidsmarkt beter te faciliteren bevat de arbeidsmarktagenda van dit kabinet een verlaging van de lasten op arbeid en een verhoging van de arbeidskorting waarmee werk aantrekkelijker wordt gemaakt. In de onderstaande tabel wordt het besteedbaar inkomen (jaargemiddelden; inclusief zorgtoeslag, zorgpremie en eigen risico) sinds 2015 weergegeven voor alleenstaanden en paren zonder kinderen op het sociaal minimum, onder en vanaf de AOW-leeftijd:
Alleenstaande
Paar
Alleenstaande
Paar
11.115
15.542
13.041
17.430
11.263
15.750
13.324
17.743
11.357
15.873
13.485
17.975
11.526
16.075
13.731
18.275
Hoe heeft de inkomensprotectie in de sociale zekerheid zich sinds 2015 ontwikkeld?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat géén sprake mag zijn van verdere afname van inkomensprotectie? Kan het antwoord op deze vraag gemotiveerd worden?
Zie antwoord vraag 6.
In hoeverre kan de hardnekkige armoede- en schuldenproblematiek toegeschreven worden aan ontoereikendheid van het sociaal minimum en/of onvoldoende afstemming tussen minimaregelingen op rijksniveau en gemeentelijk niveau? Welke mogelijkheden voor verbetering ziet u, en hoe kan het daar zelf aan bijdragen?
Het CBS geeft aan dat de lage-inkomensgrens bewust boven de bijstand is gelegd. Om die reden spreekt het CBS over het hebben van een laag inkomen of een risicoop armoede. Dit betekent niet dat wanneer iemand van de bijstand rond moet komen dit onvoldoende of ontoereikend is. Dit kabinet herkent zich dan ook niet in de notie dat het sociaal minimum in zijn algemeenheid ontoereikend zou zijn. De minimumvoorbeeldbegrotingen van het Nibud laten bijvoorbeeld zien dat de bijstand voor heel veel mensen wel voldoende/toereikend is in de basisbehoeften. Wel is er sprake van individuele gevallen met hoge kosten. Hierbij kan de gemeente een bijdrage leveren in de vorm van bijzondere bijstand. Het CBS neemt het gemeentelijke beleid en de huurtoeslag niet mee in dit rapport.
De rijksoverheid is verantwoordelijk voor het centrale inkomensbeleid en gemeenten binnen de in de Participatiewet gestelde kaders, waarbij maatwerk het uitgangpunt is, voor het lokale beleid inzake de aanvullende inkomensondersteuning. Om juist de aansluiting tussen de inkomensondersteuning op nationaal niveau en aanvullende ondersteuning door gemeenten op lokaal niveau op elkaar af te stemmen, ga ik in gesprek met gemeenten. Dit met het doel de armoedeval te beperken.
Het kabinet ziet werk namelijk als de beste weg uit armoede. Met die gedachte in het achterhoofd verlaagt dit kabinet zoals reeds vermeld de belasting op arbeid en verhoogt het de arbeidskorting. Zo wordt werken lonender.
Daarnaast is in het Regeerakkoord bovenop de bestaande middelen 80 mln euro beschikbaar gesteld voor het voorkomen van schulden en armoede, in het bijzonder onder kinderen. Tevens zet het kabinet stevig in op het terugdringen van het aantal mensen met problematische schulden en een effectieve hulpverlening aan schuldenaren. Meerdere departementen, gemeenten, overheidsorganisaties en private partijen zijn gezamenlijk aan zet. Daarom komt er een brede schuldenaanpak, waar naast de maatregelen op het terrein van schulden uit het Regeerakkoord ook (bestaande) maatregelen van de verschillende departementen en initiatieven uit het veld onderdeel van zijn.
Belabberde kolfruimtes |
|
Nevin Özütok (GL) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kolven? Dat moet de vrouw vaak in het opslaghok doen of op het toilet»?1
Ja
Wat vindt u ervan dat uit het onderzoek van Ouders van Nu blijkt dat maar 33% van de vrouwen die op het werk kolven beschikking hebben over een kolfplek die voldoet aan de wettelijke eisen?
Het is een wettelijke plicht voor de werkgever om een geschikte kolfruimte beschikbaar te hebben of beschikbaar te stellen. Het is aan de werkgever, in overleg met de betrokken werknemer(s), om de verschillende mogelijkheden op dit punt te inventariseren en om vervolgens een passende oplossing te bieden (zie ook vraag 5).
Deelt u de mening dat het niet of onvolledig faciliteren van een kolfruimte een vorm is van zwangerschapsdiscriminatie? Zo nee, waarom niet?
Op voorhand is dit niet te zeggen. Maar het moge duidelijk zijn dat ik elke vorm van arbeidsmarktdiscriminatie, waaronder zwangerschapsdiscriminatie, ontoelaatbaar vind.
Werkgevers zijn verplicht om arbeidsdiscriminatie te voorkomen. In maart 2017 is vanuit mijn ministerie het Actieplan Zwangerschapsdiscriminatie gestart. Een van de maatregelen uit het actieplan was de Campagne Zwangerschapsdiscriminatie die in het najaar van 2017 heeft plaatsgevonden. Bij de uitwerking van het in het Regeerakkoord2 voorgenomen vernieuwde Actieplan Arbeidsmarktdiscriminatie, zal onder meer aandacht worden besteed aan discriminatie bij zwangerschap.
Naast begrip en aandacht voor de situatie voor zwangere werknemers, is ook het maken van goede (verlof)afspraken tussen werkgevers en werknemers van belang. Bedrijfsartsen kunnen in het bedrijf meehelpen om kennis over werk en zwangerschap te vergroten. Als sluitstuk hierop kan het Team Arbeidsmarktdiscriminatie van de Inspectie SZW een onderzoek instellen naar mogelijke arbeidsmarktdiscriminatie.
Eenieder die discriminatie denkt te ervaren, kan dit aankaarten binnen het eigen bedrijf, bij een vertrouwenspersoon of bij de vertegenwoordiging van de vakbeweging. Verder kan een klacht worden gemeld bij de Inspectie SZW. In het uiterste geval kan een werknemer de zaak ook aan een rechter voorleggen, zodat deze een oordeel kan geven. Indien sprake is van een strafbaar feit kan een werknemer aangifte doen en de zaak binnen het strafrecht voorleggen aan een rechter die dan een oordeel kan vellen.
Vindt u ook dat het voor de arbeidsparticipatie van vrouwen van belang is dat zaken als een goede kolfruimte goed geregeld zijn? Zo nee, waarom niet?
De arbeidsparticipatie van vrouwen wordt beïnvloed door veel factoren. De mogelijkheid om borstvoeding te kunnen geven is er daar een van. Het spreekt voor zich dat de aanwezigheid van goede kolfruimtes daar een belangrijke bijdrage aan kan leveren. Alle vrouwen moeten de kans krijgen om borstvoeding te blijven geven wanneer ze na de zwangerschap weer aan het werk zijn gegaan.
Is er bij werkgevers voldoende kennis over de wettelijke eisen rondom kolven en kolfruimtes? Zo nee, wat gaat u doen om de kennis bij werkgevers hierover te vergroten?
Het bieden van een deugdelijke mogelijkheid tot kolven is de taak van de werkgever. Uit het onderzoek door Ouders van Nu blijkt dat er vaak geen kolfmogelijkheid bestaat of dat de kolfplek niet voldoet aan de richtlijnen voor de kolfruimte. Deze richtlijnen zijn:
Het is van belang dat werkgevers en werknemers op de hoogte zijn van hun rechten en plichten. Mijn ministerie heeft daarom via sociale media en op de website Arboportaal3 opnieuw aandacht gevestigd op het kolven op het werk naar aanleiding van het bericht van Ouders van Nu.
Wat vindt u ervan dat veel vrouwen zich bezwaard voelen om hun werkgever hier op aan te spreken? Bent u bereid om vrouwen beter te informeren over hun rechten? Zo ja, hoe gaat u dit aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Het bieden van goede werkomstandigheden is de plicht van de werkgever. Ik vind het van belang dat men goed op de hoogte is, zodat werkgevers en werknemers in gesprek kunnen gaan over een deugdelijke oplossing op de werkplek. De aandacht die wordt gegenereerd na een onderzoek zoals door »Ouders van Nu» is van belang en helpt om het onderwerp te agenderen en onder de aandacht te brengen. Daarom ook heb ik informatie over kolven op het werk verder verspreid via de sociale media kanalen waarop mijn ministerie actief is.
Het bericht ‘Enorm tekort aan wijkverpleegkundigen: “Mijn zoon slaapt op de bank”’ |
|
Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Enorm tekort aan wijkverpleegkundigen: «Mijn zoon slaapt op de bank»»?1
Ja.
Deelt u de mening dat zorg voor iemand die ongeneeslijk ziek en uitbehandeld altijd direct geleverd moet worden, dus dat er geen wachttijd of wachtlijst gehanteerd mag worden? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen?
Voorop staat dat patiënten de zorg krijgen die nodig is en dat dit tijdig gebeurt. Dit volgt uit de zorgplicht van de zorgverzekeraar. Mensen die problemen ondervinden met de toegang tot wijkverpleegkundige zorg kunnen contact opnemen met hun verzekeraar. Wanneer deze niet met een oplossing komt, kunnen mensen dit melden bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).
De NZa kan handhavend optreden als blijkt dat een zorgverzekeraar onvoldoende uitvoering geeft aan zijn zorgplicht. Tot nu toe heeft de NZa geen signalen ontvangen dat dit het geval is.
Komend voorjaar komt de NZa met een nieuwe Monitor contractering wijkverpleging. Deze zal ik u met een reactie doen toekomen. Vooruitlopend daarop, en naar aanleiding van de drie moties van Agema en Gerbrands, Marijnissen en van der Staaij uit het dertigledendebat van 26 september 20172, heb ik de NZa verzocht om haar tussentijdse bevindingen te delen. De NZa heeft bevestigd geen signalen te hebben ontvangen dat zorgverzekeraars hun zorgplicht niet nakomen.
Hoe groot is het tekort aan wijkverpleegkundigen op dit moment (in absolute aantallen)? Hoe groot is de totale populatie wijkverpleegkundigen op dit moment?
De meest recente cijfers van het Onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn geven een goed beeld van de totale opgave voor de arbeidsmarkt in de zorg. Deze hebben we u gestuurd met de Kamerbrief van 1 december 2017 (Kamerstuk 29 282, nr. 292). In mijn brief van 1 december (Kamerstuk 2982, nr. 292) en het algemeen overleg arbeidsmarkt op 7 december heb ik een zorgbrede arbeidsmarktaanpak toegezegd. Hiertoe is tevens de motie van het lid De Lange aangenomen (Kamerstuk 29 282, nr. 298). Ik heb toegezegd uw Kamer twee keer per jaar te informeren over de voortgang, in het voorjaar en in het najaar. In het voorjaar zal ik u een actueel beeld geven, uitgesplitst naar de verschillende branches en beroepen, waaronder de wijkverpleegkundige.
Hoe gaat u er voor zorgen dat er nog dit jaar een passende oplossing komt voor het groeiende tekort aan personeel in de wijkverpleegkundige zorg?
Voldoende goed opgeleid personeel is één van de belangrijkste opgaven voor goede zorg. Dit geldt ook zeker voor de wijk, waar steeds meer verpleegkundigen nodig zijn. Het tekort aan wijkverpleegkundigen staat niet op zichzelf. In mijn brief van 1 december (Kamerstuk 29 282, nr. 292) en het algemeen overleg arbeidsmarkt op 7 december heb ik voor dit voorjaar een zorgbrede arbeidsmarktaanpak toegezegd.
Ondertussen werken partijen op regionaal niveau aan regionale actieplannen gericht op het aantrekken, opleiden en behouden van zorgverleners. Ik ondersteun deze actieplannen met middelen voor op-, bij- en nascholing via SectorplanPlus. Er is reeds € 80 miljoen beschikbaar gesteld zodat zorginstellingen extra kunnen investeren in het aantrekken van nieuw personeel.
Ook is er meer geld beschikbaar voor de wijkverpleging. Vanaf 2015 groeit het budget voor de wijkverpleging jaarlijks. In 2018 is voor de wijkverpleging € 250 miljoen meer beschikbaar dan in 2017. Daarnaast is in 2018 € 1,6 miljoen beschikbaar voor de uitvoering van de ontwikkelagenda van de wijkverpleegkundigen bovenop de 1 miljoen die al eerder jaarlijks beschikbaar is gesteld voor richtlijnen. Verder wil ik in het voorjaar van dit jaar met partijen een nieuw hoofdlijnenakkoord voor de komende jaren afsluiten, waarin ook specifiek aandacht is voor de wijkverpleging.
Realiseert u zich dat de mantra van dat mensen zelf zo lang mogelijk thuis willen blijven wonen een farce is als er thuis niet voldoende wijkverpleegkundigen en wijkziekenverzorgenden zijn?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het algemeen overleg Wijkverpleging/dementie/palliatieve zorg van 25 januari 2018?
Ja.
De afschaffing van de ANW compensatie door het ABP |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Lenny Geluk-Poortvliet (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat het ABP per 1 februari 2018 de ANW-compensatie (Algemene nabestaandenwet) abrupt stopzet en dat deelnemers hierover pas zeer laat zijn geinformeerd?
In juli 2017 is een akkoord tussen werknemers en werkgevers gesloten over de vereenvoudiging van de ABP-pensioenregeling en de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar. In het akkoord tussen de sociale partners is onder meer afgesproken dat per 2018 het partner- en wezenpensioen wordt verruimd en het recht op ANW-compensatie (voor nieuwe gevallen) komt te vervallen. Het besluit van de sociale partners om de ANW-compensatie af te schaffen, werd ingegeven door het signaal van het ABP dat de betreffende regeling niet meer verantwoord uitvoerbaar was.
Het ABP heeft in juli in een algemene communicatie de deelnemers op de hoogte gebracht van het akkoord tussen sociale partners, in september/oktober zijn de gevolgen van het akkoord aan alle deelnemers gecommuniceerd. In december zijn daarnaast circa 800.000 deelnemers en gepensioneerden ook direct aangeschreven door het fonds om deze te wijzen op het vervallen van de ANW-compensatieregeling.
Naast het ABP hebben ook de sociale partners gecommuniceerd over de wijzigingen in de pensioenregeling na het bereiken van het akkoord.
Overigens hebben sociale partners recent gesproken over de reacties en berichtgeving omtrent het vervallen van de ANW-compensatieregeling en besloten het ABP te verzoeken om de zogenoemde ANW-coulanceregeling met drie maanden te verlengen (tot 1 mei 2018). Het ABP heeft deze oproep gehonoreerd (zie ook antwoord op vraag 2 van 50PLUS).
Klopt het dat ABP nu iedereen oproept om het ontstane gat collectief en via de werkgevers te verzekeren en dat Loyalis sinds deze week een oplossing voor werkgevers aanbiedt, en dus precies twee weken voordat de ANW-dekking van het ABP vervalt?
Nee. Het ABP heeft geen algemene oproep aan haar deelnemers gedaan om zich (collectief via werkgevers) te verzekeren. Het ABP heeft wel aangegeven dat een deelnemer – afhankelijk van zijn persoonlijke situatie – kan bezien of hij/zij zich wil bijverzekeren als aanvulling op het nabestaandenpensioen. Het is aan de verschillende sectoren of deze hun werknemers een aanvullende ANW-verzekering willen aanbieden.
Hoe kan een werknemer in de (semi)publieke sector nu besluiten of hij zich individueel moet bijverzekeren als hij niet weet of het wel of niet collectief via de werkgever gaat gebeuren?
Het is aan de werkgevers om hun werknemers te informeren over een eventuele collectieve vrijwillige ANW-verzekering. Door de verlenging van de coulanceregeling, is er meer tijd gekomen voor de werknemer om een mogelijk verzekeringsaanbod via de werkgever te betrekken in de afweging.
Welke opties heeft een werknemer die zich wil bijverzekeren, maar wiens werkgever deze collectieve optie niet kiest? Heeft die persoon voldoende tijd?
De werknemer kan desgewenst een overlijdensrisicoverzekering afsluiten. Door de verlenging van de coulanceregeling, is er meer tijd gekomen voor de werknemer om dat te regelen.
Waarom hebben werkgevers en werknemers geen collectieve regeling getroffen voor gepensioneerden, wiens partner de AOW-leeftijd nog niet bereikt heeft en zich dus niet kunnen bijverzekeren? Kunt u bevorderen dat dit alsnog gebeurt en dat mensen tijd hebben om daarvoor een keuze te maken?
Sociale partners hebben afgesproken dat de ANW-compensatieregeling vervalt. Het staat ook gepensioneerden vrij om zich desgewenst bij te verzekeren in de markt in de vorm van bijvoorbeeld een overlijdensrisicoverzekering, waarbij geldt dat de premie van dergelijke verzekeringen normaliter toeneemt met de leeftijd. Door de verlenging van de coulanceregeling, is er meer tijd gekomen voor de gepensioneerden om dat te regelen.
Klopt het dat de partner van de deelnemer die overlijdt, effectief ziet dat het nabestaandenpensioen met bijna 12.000 euro per jaar verlaagd wordt?
Nee. Het nabestaandenpensioen (partner- en wezenpensioen) bij het ABP is juist verruimd door het akkoord van juli 2017. Alleen de ANW-compensatie vervalt. De hoogte van de ANW-compensatie is afhankelijk van het aantal behaalbare deelnemersjaren aan de pensioenregeling en van de persoonlijke omstandigheden, zoals het recht op een (gedeeltelijke) ANW-uitkering vanuit de overheid. De maximale ANW-compensatie bedroeg bruto € 11.255 per jaar tot uiterlijk het bereiken van de AOW-leeftijd. Voor de partner die bij het overlijden van de deelnemer jonger is dan 40 jaar (en geen recht heeft op een ANW-uitkering vanuit de overheid) duurt de ANW-compensatie 12 maanden.
Voor de volledigheid merk ik op dat al lopende ANW-uitkeringen niet worden geraakt door het akkoord.
Mag de pensioenregeling op zo’n korte termijn om zo’n ingrijpende wijze veranderd worden, waardoor de pensioenoverzichten van de afgelopen jaren feitelijk naar de prullenbak kunnen voor veel mensen omdat de rechten daarin behoorlijk worden aangetast?
Zie antwoord op vraag 1, en zie antwoord op vraag 2 van 50PLUS. Sociale partners gaan over de inhoud van de regeling. Werknemers en werkgevers zijn deze wijziging in gezamenlijkheid overeengekomen.
Is de regeling voor terminaal zieken adequaat? Hoe beoordeelt u het feit dat nabestaanden pas na het overlijden zekerheid kunnen krijgen of zij recht krijgen op ANW-compensatie?
Voor mensen die ongeneeslijk ziek zijn en zich daardoor niet aanvullend kunnen verzekeren, geldt een uitzondering in de vorm van een coulanceregeling. Voor hun partner blijft het recht op ANW-compensatie bestaan. Het ABP heeft aangegeven dat ongeneeslijk zieke deelnemers die zich melden op korte termijn duidelijkheid krijgen over de ABP-uitkering bij overlijden.
Is een regeling voor mensen die wel ziek zijn of gezondheidsklachten hebben in dit geval gewenst, aangezien zij niet onder het overgangsrecht vallen maar wel geweigerd kunnen worden door verzekeraars?
Het is de afspraak van sociale partners om het nabestaandenpensioen te verruimen en de ANW-compensatie regeling te beëindigen (zie antwoord op vraag1. Als mensen terminaal ziek zijn vallen ze onder de coulanceregeling.
Heeft u gelezen dat het ABP nog op 15 januari 2018 op haar site meldt: «De Anw-compensatie kan oplopen tot enkele honderden euro’s per maand.», terwijl die veel meer is en de datum anders is dan daar staat?1
In het ABP-reglement is de ANW-compensatie met ingang van 1 januari 2018 vervallen. Via de coulanceregeling loopt de ANW-compensatie na 1 januari 2018 nog vier maanden door voor alle deelnemers. De ANW-compensatie is zoals eerder aangegeven bij het antwoord op vraag 6 afhankelijk van persoonlijke omstandigheden.
Heeft u gelezen dat het ABP nog op 15 januari 2018 op haar site meldt: «Als u al vóór 1 januari 2018 pensioen opbouwde bij ABP, heeft uw partner mogelijk recht op extra aanvullingen op het nabestaandenpensioen: Als u nog pensioen opbouwt bij ABP, u bent al met pensioen of u ontvangt UGM, dan krijgt uw partner Anw-compensatie. Maar alleen als hij geen recht heeft op Anw, of als hij minder dan 75% van de volledige Anw-uitkering ontvangt Is uw partner jonger dan 40, dan ontvangt hij de Anw-compensatie een jaar»?2
Dit is ook geconstateerd door sociale partners. Zij hebben het ABP verzocht deze informatie aan te passen, zodat duidelijk is dat deze informatie geldt voor alle deelnemers tot 1 mei 2018. Na deze datum is deze regeling alleen nog van toepassing voor de ongeneeslijke zieken die onverzekerbaar zijn.
Klopt het dat de gegeven informatie, zoals bij vraag 11 opgenomen foutief is?
De informatie is niet foutief en geldt voor alle deelnemers tot 1 mei 2018.
Klopt het dat de taak van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) is om te controleren of bij pensioenfondsen en pensioenuitvoerders de informatie aan deelnemers, slapers, gepensioneerden en hun ex-partners tijdig, duidelijk, correct en evenwichtig is, zowel in brieven als op websites?
De AFM beoordeelt de informatieverstrekking door pensioenuitvoerders. De AFM kijkt in haar beoordeling van de informatieverstrekking naar alle informatiemiddelen: brieven, website(s), nieuwsberichten etc. De AFM ziet er hierbij op toe dat deelnemers binnen drie maanden na een wijziging in de pensioenovereenkomst, duidelijk, correct en evenwichtig door de pensioenuitvoerder worden geïnformeerd over die wijzigingen en de gevolgen daarvan.
Bent u bereid de AFM te verzoeken met spoed onderzoek te laten doen naar de informatievoorziening rondom de afschaffing van de ANW-compensatie bij ABP/APG?
De AFM is een onafhankelijk toezichthouder die eigen afwegingen maakt in de inzet van de toezichtcapaciteit. De AFM is ook van deze casus op de hoogte en zal deze wegen in de gehanteerde toezichtstrategie. Over onderzoeken en resultaten daarvan bij individuele instellingen doet de AFM echter geen uitspraak.
Vindt u dat de overheid als werkgever (of voormalig werkgever) voldoende gelet heeft op de belangen van haar (voormalige) werknemers? Zo nee, waar is dat mis gegaan?
In juli 2017 hebben sociale partners een noodzakelijk akkoord afgesloten over de vereenvoudiging van de ABP-pensioenregeling en de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar. Inzake het vervallen van de ANW-compensatie sluit ik me aan bij de woorden van de voorzitter van het ABP-bestuur dat de communicatie naar de deelnemer in de toekomst beter moet.
Acht u aanvullende maatregelen noodzakelijk?
Bent u bereid deze vragen voor 26 januari 2018 te beantwoorden, omdat de versobering al op 1 februari 2018 ingaat?
Ja.
Het vervallen van de ANW-compensatieregeling bij het Algemeen Burgerlijk pensioenfonds (ABP) |
|
Martin van Rooijen (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «ABP belooft beterschap na gebrekkige communicatie over Anw-compensatie»?1
Ja.
Bent u positief over de oproep van ABP-voorzitter Mw. Wortmann-Kool aan de sociale partners om voor ABP-deelnemers een collectieve verzekering te sluiten? Indien nee, waarom niet?
Sociale partners hebben gesproken over de reacties en berichtgeving omtrent het vervallen van de ANW-compensatieregeling. Op basis hiervan hebben de partners besloten het ABP te verzoeken om de zogenoemde ANW-coulanceregeling met drie maanden te verlengen (tot 1 mei 2018). Het ABP heeft deze oproep gehonoreerd. Met het verlengen van de coulanceregeling krijgen de huidige deelnemers drie maanden extra de tijd om zich desgewenst bij te verzekeren.
NB. De ABP-coulanceregeling geldt voor mensen die ongeneeslijk ziek zijn en zich daardoor niet aanvullend kunnen verzekeren. Hierdoor blijft het recht op ANW-compensatie voor hun partner bestaan. Daarnaast zal het ABP bij alle overlijdensgevallen tot 1 mei 2018 (wel of niet als gevolg van terminale ziekte) de eerdere ANW-compensatie nog toepassen. Dit om werknemers de gelegenheid te geven zich te oriënteren op een eventuele herverzekering. De coulanceregeling gold aanvankelijk tot 1 februari 2018, maar is dus verlengd tot 1 mei 2018.
Wat is volgens u de waarde van de opmerking van ABP-voorzitter Mw. Wortmann-Kool «... dat het ABP zich hierin heeft verslikt» en «(w)e gaan hier lering uit trekken; het moet een volgende keer echt beter» voor de huidige ABP-deelnemers die worden geraakt door het afschaffen van de Anw-compensatieregeling (Algemene nabestaandenwet)?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er niets is wat het ABP ervan weerhoudt om reeds bij deze gelegenheid werk te maken van een alternatieve collectieve verzekering in samenwerking met de sociale partners? Zo nee, waarom niet?
Nee. Werknemers en werkgevers gaan over de inhoud van de pensioenregeling.
Deelt u de mening dat er niets is wat het ABP ervan weerhoudt om reeds bij deze gelegenheid alle belanghebbenden voldoende tijd te geven om alternatieven op een verantwoorde wijze te overwegen?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om het ABP dringend te verzoeken het vervallen van de Anw-compensatieregeling met tenminste een jaar uit te stellen, zodat er voldoende tijd is voor de sociale partners om alsnog een collectieve verzekering af te sluiten en voor de verzekerden om alle alternatieven op een verantwoorde wijze te overwegen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om deze vragen uiterlijk vrijdag 19 januari 2018 te beantwoorden, aangezien het ABP voornemens is de Anw-compensatieregeling per 1 februari 2018 af te schaffen?
Om u de uitkomst van het overleggen tussen de sociale partners en tussen sociale partners en het ABP mee te kunnen delen, bleek de datum van 19 januari niet haalbaar.
Het bericht 'Kinderopvang kampt met personeelstekort' |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kinderopvang kampt met personeelstekort»?1
Ja.
Hoe gaat u de sector helpen om aan voldoende kwalitatief personeel te komen, aangezien het tekort mede veroorzaakt wordt door de verandering van de beroepskracht-kindratio van 4:1 naar 3:1 per 1 januari 2018 door de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (IKK)?
Het is aan de sector zelf om te borgen dat er voldoende kwalitatief personeel wordt aangetrokken. De aantrekkelijkheid van de sector wordt mede bepaald door de afspraken tussen werkgevers en werknemers.
De aanscherping van de beroepskracht-kindratio voor baby’s gaat in per 1 januari 2019.
Voor nuljarigen wordt de beroepskracht-kindratio aangescherpt van 1 beroepskracht op 4 nuljarigen, naar een ratio van 1 beroepskracht op 3 nuljarigen. Dit heeft inderdaad tot gevolg dat het benodigde aantal beroepskrachten in de dagopvang stijgt.
Naast de aanscherping in de dagopvang gaat per 1 januari 2019 een versoepeling gelden voor het aantal benodigde beroepskrachten in de buitenschoolse opvang (BSO). Afhankelijk van de individuele situatie van werknemers en werkgevers kan een deel van de fte’s die extra nodig zijn in de dagopvang, opgevangen worden door fte’s uit de versoepelde beroepskracht-kindratio in de BSO. In welke mate dit kan, is oa afhankelijk van individuele situaties (opleiding, (om)scholingsbeleid, interesses etc).
Doordat werkgevers reeds sinds de zomer 2017 weten dat zowel de aanscherping als de versoepeling van de beroepskracht-kindratio per 1 januari 2019 ingaat, heeft de sector de tijd om eventueel nieuw personeel te werven dan wel personeel (om)te scholen.
Hoe staat het met de cao-onderhandelingen in de kinderopvang die in december 2017 zijn stopgezet?2 Heeft het vastlopen van de cao-onderhandelingen geen negatief effect op het werven van nieuw personeel? Kunt u in overleg treden met de vakbonden en de werkgeversorganisaties om een juiste balans te krijgen tussen werkdruk en flexibele inzet van medewerkers?
Cao-onderhandelingen vinden plaats tussen werkgevers en werknemers. Ik heb begrepen dat de cao-onderhandelingen helaas stil liggen. Of dit effect heeft op het werven van nieuw personeel is een vraag aan de cao-partijen. Zij bepalen of en wanneer de onderhandelingen weer starten en welke onderwerpen daar besproken worden. Het is dan ook aan de cao-partijen zelf om afspraken te maken, waarmee geborgd wordt dat er een juiste balans bestaat tussen werkdruk en flexibele inzet van medewerkers.
Deelt u de mening dat de opstelling van de werkgevers een oplossing van het probleem niet dichterbij brengt? Zo ja, kunt u deze opstelling meebrengen in het overleg met de vakbonden en de werkgeversorganisaties? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om hierover een uitspraak te doen. Het is aan de cao-partijen om te komen tot goede afspraken voor de kinderopvangsector.
Deelt u de mening dat het vervangen van flexibele contracten naar vaste contracten een extra stimulans is om te gaan werken in de kinderopvang om zo het dreigende personeelstekort in te dammen? Zo ja, hoe gaat u de sector stimuleren om meer werknemers een vast contract aan te bieden? Zo nee, waarom niet?
In het Regeerakkoord staat dat de regering wil werken aan meer vaste banen en een nieuwe balans tussen flex en vast. Een flexibele arbeidsmarkt is een groot goed, maar kan ook doorschieten. Te vrijblijvende arbeidsrelaties leiden tot onzekerheid bij werknemers, verlies aan ervaring bij bedrijven en te weinig investeringen in kennis en opleiding. Voor werkgevers moet het financieel aantrekkelijker en minder risicovol worden om mensen een vast arbeidscontract aan te bieden. Het is aan de kinderopvangsector om hier invulling aan te geven en om goed personeel te werven en goede arbeidsvoorwaarden te bieden.
Ontslag uit het verantwoordingsorgaan |
|
Steven van Weyenberg (D66) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het wringt tussen verantwoordingsorgaan en bestuur»?1
Ja
Klopt het dat het pensioenfonds Atos de statuten vorig jaar heeft gewijzigd, waarbij ontslag van leden van het verantwoordingsorgaan (VO-leden) door het bestuur mogelijk wordt gemaakt? Is het waar dat de criteria voor benoeming zijn aangescherpt?
In de statuten van Atos worden, zoals de Pensioenwet voorschrijft, regels gesteld aan de benoeming en het ontslag van leden van het verantwoordingsorgaan. Bij de wijziging van de statuten van pensioenfonds Atos op 2 november 2017 is toegevoegd dat het bestuur onder voorwaarden de mogelijkheid heeft om leden van het verantwoordingsorgaan te ontslaan. Dit betreffen voorwaarden omtrent integriteit en vervulling van de vereiste taken en verantwoordelijkheden. Dezelfde voorwaarden zijn toegevoegd aan de benoeming van leden van het verantwoordingsorgaan door het bestuur.
Welke wettelijke bescherming hebben leden van een verantwoordingsorgaan (VO), bijvoorbeeld als het gaat om ontslag door de werkgever (dus niet uit het VO)?
Een werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werknemer die lid is van een verantwoordingsorgaan van een pensioenfonds niet opzeggen, tenzij sprake is van een dringende reden, van wederzijdse instemming, gedurende de proeftijd, of bij beëindiging van de werkzaamheden binnen de onderneming waarin de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is. Dit volgt uit artikel 108 van de Pensioenwet. Dit geldt tevens voor kandidaat-leden en voor werknemers die korter dan twee jaar geleden lid zijn geweest van een verantwoordingsorgaan.
Zijn leden van het verantwoordingsorgaan beschermd tegen ontslag uit het VO door het bestuur dat zij horen te controleren? Zo ja, hoe kan het dan dat een pensioenfonds hiervoor kiest? Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop de leden van het verantwoordingsorgaan worden benoemd dan wel ontslagen is onderdeel van de governance waar pensioenfondsen zelf verantwoordelijk voor zijn. Zij moeten dit, op grond van artikel 111 van de Pensioenwet, vastleggen in de statuten van het pensioenfonds. De Code Pensioenfondsen geeft hiervoor richtlijnen. Daarin is opgenomen dat benoeming en ontslag worden uitgevoerd door de belanghebbenden, zo mogelijk door het orgaan zelf, met betrokkenheid van een ander orgaan van het pensioenfonds. Als pensioenfondsen hiervan afwijken moeten zij dit uitleggen in hun jaarverslag.
Acht u het wenselijk dat leden van het verantwoordingsorgaan kunnen worden ontslagen uit het verantwoordingsorgaan door het bestuur dat zij controleren? Met andere woorden, acht u het wenselijk dat het bestuur kan bepalen wie hen controleert in het VO? Zo nee, bent u bereid een voorstel te doen om dit te voorkomen?
Pensioenfondsen zijn zelf verantwoordelijk voor de regels omtrent benoeming en ontslag van leden van het verantwoordingsorgaan. De Code Pensioenfondsen geeft hier richtlijnen voor (zie tevens antwoord 4). Maar ook als pensioenfondsen hiervan afwijken, zoals pensioenfonds Atos in dit geval heeft gedaan, kunnen bestuurders nooit geheel eigenhandig besluiten wie er in het verantwoordingsorgaan wordt opgenomen. De pensioenwet stelt namelijk verplicht dat leden van het verantwoordingsorgaan worden gekozen door de deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van het pensioenfonds of door hun verenigingen worden voorgedragen. Zij zijn vertegenwoordigd op basis van onderlinge getalsverhouding. De werkgever kan vertegenwoordigd zijn in het verantwoordingsorgaan, indien de werkgever of deelnemers en pensioengerechtigden dit wensen. Van deze regelgeving kan een pensioenfonds niet afwijken.
Overigens werk ik momenteel aan een evaluatie naar de governance van pensioenfondsen, waarin ook aandacht zal zijn voor het verantwoordingsorgaan. Deze evaluatie zal ik dit voorjaar aan uw Kamer zenden.
De plotselinge versobering van het nabestaandenpensioen |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Menno Snel (staatssecretaris financiën) (D66), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u zich herinneren dat op grond van het besluit van uw voorganger (Besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M (Stcrt. 2015, 40404)) het mogelijk was om een knip aan te brengen in het nabestaandenpensioen, zodat het hoger nabestaandenpensioenpercentage op de jaren voor 2015 van toepassing bleef en het lagere percentage daarna?
Ja, de mogelijkheid van deze knip in het partner- en wezenpensioen op risicobasis was opgenomen in onderdeel 11.2 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M (Stcrt. 2015, 40404). Bij de actualisering van het besluit is deze goedkeuring overgenomen in onderdeel 10.2 van het besluit van 24 november 2017, nr. 2017-126948 (Stcrt. 2017, 70301). De goedkeuring is inhoudelijk niet gewijzigd en de knip in het nabestaandenpensioen op risicobasis is dus nog steeds mogelijk.
Weet u hoeveel pensioenregelingen en hoeveel deelnemers een pensioenknip in het partnerpensioen hebben?
Nee, deze gegevens zijn alleen bekend bij de pensioenuitvoerders die de knip in het nabestaandenpensioen op risicobasis hebben aangeboden.
Kunt u zich herinneren dat op basis van de Witteveenwetgeving eindloonregelingen een hogere franchise kenden voor het nabestaandenpensioen dan middelloonregelingen, maar dat middelloonregelingen die hun nabestaandenpensioen op het eindloon baseerden, wel gebruik konden maken van de lagere franchise?
Ja, deze tijdelijke goedkeuring was opgenomen in onderdeel 11.4 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M (Stcrt. 2015, 40404) en is onder dezelfde voorwaarden als permanente aanwijzing opgenomen in onderdeel 8.7 van het besluit van 24 november 2017, nr. 2017-126948 (Stcrt. 2017, 70301).
Weet u hoeveel pensioenregelingen en hoeveel deelnemers een middelloonregeling hebben met een nabestaandenpensioen op risicobasis met een lage franchise en eindloon?
Nee, deze gegevens zijn alleen bekend bij de pensioenuitvoerders die dit product aanbieden.
Kunt u zich herinneren dat u op 8 december 2017 een besluit in de Staatscourant publiceerde, waarin u het eerder genoemde besluit intrekt, maar wel goedkeurt dat de pensioenknip in stand blijft en dat de lagere franchise van toepassing blijft voor het nabestaandenpensioen?
Ja, zie hiervoor de antwoorden op de vragen 1 en 3.
Herinnert u zich dat u echter niet toestaat dat een nabestaandenregeling de knip handhaaft en tegelijkertijd de lagere franchise hanteert (voorwaarde 3 in paragraaf 8.7 van het besluit)?
Ja, zoals hiervoor bij antwoord 3 is opgemerkt, is de mogelijkheid van het hanteren van de middelloonfranchise voor een risiconabestaandenpensioen op eindloonbasis onder dezelfde voorwaarden opgenomen in het besluit van 24 november 2017, nr. 2017-126948 (Stcrt. 2017, 70301). Voorwaarde 3 bij deze aanwijzing luidt:
Deze voorwaarde is gelijk aan voorwaarde 3 van de gelijkluidende goedkeuring bij onderdeel 11.4 van het besluit van 6 november 2015, nr. BLKB2015/830M (Stcrt. 2015, 40404). In dat besluit was de volgende passage van gelijke strekking opgenomen:
Van een versobering van het nabestaandenpensioen is dan ook geen sprake.
Weet u hoeveel pensioenregelingen en hoeveel deelnemers in 2017 een middelloonregeling hadden met een nabestaandenpensioen op risicobasis met een lage franchise en eindloon en tegelijkertijd een pensioenknip?
Nee, dit gegeven is niet bij mij bekend.
Indien een pensioenregeling gewijzigd moet worden zoals het nabestaandenpensioen, welke organen moeten daarvoor dan toestemming verlenen?
Op bedrijfstakniveau kunnen sociale partners (werknemers- en werkgeversorganisaties) overeenkomen om het nabestaandenpensioen in de pensioenovereenkomst te wijzigen. Dit werkt door in de individuele pensioenovereenkomst van een werknemer.
Indien er geen sprake is van een CAO of een verplichte bedrijfstakpensioenregeling moet de ondernemingsraad van een bedrijf instemmen met de wijziging van de pensioenregeling. Instemming van de ondernemingsraad vervangt niet de individuele instemming van de werknemer op de wijziging van de pensioenovereenkomst.
Is het redelijk dat voor het wijzigen van de inhoud van de regeling een periode van een maand beschikbaar was?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1 en 3 is opgenomen is er geen sprake van een inhoudelijke aanpassing van het besluit.
Kunt u uitleggen welke rechten een deelnemer heeft indien de werkgever of uitvoerder de pensioenregeling eenzijdig versobert zonder de procedures rond medezeggenschap te doorlopen? Heeft de deelnemer dan recht op de oude (royalere) regeling of de nieuwe (sobere) regeling? Kunt u hierop uitgebreid antwoorden?
In algemene zin geldt dat een pensioenovereenkomst met wederzijds goedvinden kan worden gewijzigd. In bepaalde situaties kan de werkgever de pensioenovereenkomst eenzijdig wijzigen. Hierbij moet er sprake zijn van een wijzigingsbeding in de pensioenovereenkomst en er moet sprake zijn van een zwaarwichtig belang van de werkgever om tot wijziging over te gaan. Indien hiervan geen sprake is, kan de pensioenovereenkomst niet eenzijdig gewijzigd worden en is de werknemer in beginsel niet gebonden aan de wijziging die desondanks door de werkgever is doorgevoerd.
Het besluit houdt echter geen versobering van het nabestaandenpensioen in.
Hoe verhoudt deze versobering van de ruimte voor het nabestaandenpensioen zich tot de zin in het regeerakkoord: «Het stelsel bevat een adequate dekking voor het nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen»?
Zoals in de antwoorden op vragen 1 en 3 is opgenomen is er geen sprake van een versobering van de ruimte voor het nabestaandenpensioen.
Is er een besparing beoogd met deze maatregel? Zo ja, hoe groot is die dan en waar staat die in de begroting?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid deze maatregel terug te draaien?
In het licht van de hiervoor gegeven antwoorden is het terugdraaien niet aan de orde.
Deelt u de mening dat het verstandig is indien de ruimte voor de pensioenregeling verandert, daar minimaal een half jaar, maar beter nog een jaar eerder een besluit over te nemen?
Zoals in de antwoorden op de vragen 1 en 3 is opgenomen is er geen sprake van een inhoudelijke aanpassing van het besluit.
Kunt u deze vragen een voor een en zo spoedig mogelijk beantwoorden, bij voorkeur binnen 10 dagen, omdat deze wijziging leidt tot veel omzettingen en deze Kamervragen vragen om het terugdraaien van de maatregel?
Ja.
het artikel ‘Gemeente Tilburg mag niet specifiek speuren naar Turkse bijstandsfraudeurs’ |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Sven Koopmans (VVD) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «gemeente Tilburg mag niet specifiek speuren naar Turkse bijstandsfraudeurs»1 en de betreffende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB)2?
Ja.
Klopt het dat in het spoeddebat dat de Kamer op 31 maart 2011 heeft gevoerd over vermeende fraude met bijstand door een niet-westerse allochtoon de toenmalig Staatssecretaris heeft aangegeven dat de bijstandspopulatie in geval van verdenking van fraude ook kan worden gescreend op basis van land van herkomst? Is het voor gemeenten nog steeds mogelijk op basis van deze screening verzoeken tot onderzoek voor te leggen aan het internationaal bureau fraude-informatie?
Tijdens het spoeddebat van 31 maart 2011 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, Handelingen, 68) heeft de toenmalige Staatssecretaris aangegeven dat de bijstandspopulatie ook kan worden gescreend naar het land van herkomst, maar hij zei daarbij ook dat er sprake moet zijn van een verdenking.
In de beantwoording van de Kamervragen van de leden Kuzu en Öztürk (beiden DENK) van 19 december jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, Aanhangsel, 753) heb ik reeds aangegeven dat handhaving van de inlichtingenplicht nodig is, ook in het buitenland, vanwege een rechtmatige verstrekking van uitkeringen. Dit dient uiteraard te gebeuren binnen de kaders van wet- en regelgeving en de beginselen van behoorlijk bestuur. De consequentie van de uitspraak van de CRvB is dat selecteren op basis van land van herkomst, als enkele feit, in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM.
Indien gemeenten zich daaraan niet houden, kan dat tot gevolg hebben dat de rechter het verkregen bewijs als niet rechtmatig aanmerkt. Om dit te voorkomen zet ik me de komende kabinetsperiode in om de bekendheid met het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) bij gemeenten te vergroten en de samenwerking tussen het IBF en gemeenten te verbeteren. De wetgever heeft in de Wet SUWI het IBF aangewezen als het coördinatiepunt voor gemeenten voor grensoverschrijdende uitwisseling van fraude-informatie. Er is dus een goede publieke voorziening bij onderzoek naar grensoverschrijdende fraude. Hiermee wordt ook beoogd dat gemeenten in samenwerking met het IBF steekproeven hanteren die de toets van de CRvB kunnen doorstaan.
Deelt u de mening dat bijstandsfraudeurs hard aangepakt moeten worden, ook als zij vermogen in het buitenland hebben?
Ja. Ik acht het van groot belang voor het draagvlak voor sociale voorzieningen, en dat alleen die mensen die er recht op hebben, de voorzieningen ontvangen. Daarom zet ik stevig in op handhaving en naleving. De Participatiewet biedt een duidelijk wettelijk kader inzake de verplichtingen die bijstandsgerechtigden moeten naleven en hoe gemeenten deze moeten handhaven. Een onderzoek naar middelen in het buitenland kan daarbij noodzakelijk zijn, hoe complex dat soms ook is. Uiteraard moet dat plaatsvinden binnen de kaders van wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Deelt u de mening dat het discriminatieverbod van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet mag betekenen dat uitkeringsfraudeurs die bezit verbergen in het buitenland er beter vanaf komen dan net zo laakbare uitkeringsfraudeurs die dit doen in Nederland? Zo ja, hoe kijkt u aan tegen de schokkende uitspraak van de CRvB dat het vermogensonderzoek naar een risicogroep door de gemeente Tilburg niet gebruikt mag worden omdat het naar oordeel van de CRvB heeft gehandeld in strijd met het discriminatieverbod?
Zie antwoord vraag 2.
Welke consequentie heeft de recente uitspraak van de CRvB voor overige fraude-onderzoeken in het buitenland? Wat kunt u doen teneinde te voorkomen dat deze uitspraak het aanpakken van bijstandsfraude bemoeilijkt? Bent u bereid hieraan gevolg te geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat kunt u doen teneinde gemeenten maximaal bij te staan in het opsporen en bestraffen van internationale uitkeringsfraude? Bent u bereid hier gevolg aan te geven? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in bovengenoemde beantwoording op de Kamervragen van de leden Kuzu en Öztürk (beiden DENK) van 19 december jl. heb aangegeven, zal ik de uitspraak van de CRvB en de gevolgen hiervan alsmede de mogelijkheden die het IBF biedt bij grensoverschrijdende fraude, allereerst onder de aandacht brengen bij gemeenten. Daarnaast wil ik de samenwerking tussen het IBF en gemeenten verbeteren. Ik denk hierbij aan samenwerking tussen het Ministerie van SZW, het IBF, het Kenniscentrum Handhaving en Naleving (KCHN) van de VNG, Divosa en de Beroepsvereniging voor Klantmanagers (BvK).
Deze samenwerking kan worden verbeterd door te verkennen of het mogelijk is om door middel van protocollen of handreikingen en door het geven van advies aan gemeenten, bijvoorbeeld door de SVB, het IBF en het KCHN, vast te stellen op welke wijze steekproeven kunnen worden gedaan die de toets van de CRvB kunnen doorstaan.
Het bericht 'Te weinig geld voor bijstandsuitkering vluchtelingen' |
|
Léon de Jong (PVV), Geert Wilders (PVV), Machiel de Graaf (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Te weinig geld voor bijstandsuitkering vluchtelingen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het absurd is dat gemeenten miljoenen tekort komen om bijstandsuitkeringen te verstrekken door de groei van het aantal bijstandsontvangers als gevolg van de grote migranteninstroom van de afgelopen jaren?
In 2016 is sprake van een tekort op het budget voor bijstandsuitkeringen. Ongeveer de helft van dit tekort wordt verklaard door de verhoogde instroom van statushouders, die leidt tot een toenemend beroep op bijstand. Het budget voor gemeenten voorziet met één jaar vertraging in dit toenemende beroep. Voor 2016 en 2017 zijn daarom bestuurlijke afspraken gemaakt met VNG. Afgesproken is dat het Rijk gemeenten op aanvraag tegemoetkomt in de extra bijstandskosten middels een voorschot. De verstrekte voorschotten maken geen onderdeel uit van het macrobudget.
Welk percentage vormen de niet-westerse allochtonen in de bijstand? Wat kost dit per jaar? Deelt u de mening dat de oververtegenwoordiging van niet-westerse allochtonen in de bijstand een ongekende druk legt op de houdbaarheid van onze verzorgingsstaat en dat hardwerkende Nederlanders daar iedere dag weer de prijs voor moeten betalen? Zo nee, waarom niet?
In september 2017 ontvingen 273.000 mensen met een niet-westerse migratieachtergrond een bijstandsuitkering. Dit is circa de helft van het bijstandbestand. Exacte gegevens zijn niet beschikbaar, maar dit betreft bij benadering een overeenkomstig deel van de uitgaven aan algemene bijstand. Het kabinet berust er niet in dat deze groep relatief vaak afhankelijk is van de bijstand. Daarom is er door mijn ministerie een programma gestart om de positie van Nederlanders met een migratieachtergrond en statushouders op de arbeidsmarkt te verbeteren met als doel om de participatie te verhogen.
Deelt u voorts de mening dat het zijn van een verzorgingsstaat en het zijn van een immigratieland een onmogelijke combinatie is?
In Nederland wordt er bescherming geboden aan vluchtelingen en als het nodig is kunnen statushouders, net als iedereen, terugvallen op een bijstandsuitkering. Op basis van internationale verdragen kan hierbij geen onderscheid worden gemaakt tussen statushouders en andere ingezetenen. Net als voor Nederlanders in de bijstand geldt voor statushouders een activerend beleid dat gericht is op een snelle uitstroom naar werk. Door de goede economische omstandigheden nemen voor mensen in de bijstand de kansen om uit te stromen naar werk toe. Het is de verantwoordelijkheid van gemeenten om waar nodig daarbij ondersteuning te bieden. Voorts geldt dat staand beleid reeds is dat verwijtbaar niet voldoen aan de inburgeringsplicht consequenties heeft voor de hoogte van de sociale voorziening. Bovendien geldt dat als ze zich onvoldoende inspannen om de taal te leren, hun bijstandsuitkering wordt verlaagd. Ik zie geen reden om de regels hieromtrent aan te passen.
Bent u bereid maatregelen te nemen teneinde onze verzorgingsstaat te beschermen en houdbaar te houden voor de toekomst en derhalve te bewerkstelligen dat alle bijstandsuitkeringen van statushouders per direct worden ingetrokken en tevens niet meer worden verstrekt aan statushouders en dat alle bijstandsuitkeringen per direct worden ingetrokken van mensen die niet voldoen aan de taaleis dat voorts immigranten pas nadat zij tien jaar in Nederland hebben gewoond en gewerkt en geen strafbare feiten hebben gepleegd eventueel aanspraak kunnen doen op de bijstand en dat de Nederlandse grenzen worden gesloten voor alle asielzoekers en voor alle immigranten uit islamitische landen?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat een euro maar één keer kan worden uitgegeven en dat derhalve iedere euro die wordt uitgegeven aan niet-westerse allochtonen uit bijvoorbeeld de bijstandspot niet meer kan worden uitgegeven aan onze eigen mensen en dat dit leidt tot onmiskenbare achterstelling van hardwerkende Nederlanders, ouderen en gehandicapten?
Alle ingezeten van Nederland met een inkomen onder het sociaal minimum kunnen van rechtswege terugvallen op een bijstandsuitkering. Verstrekking hiervan doet niets af aan de rechtspositie van andere ingezetenen. Van discriminatie van welke bevolkingsgroep dan ook is geen sprake. Voorts is het budget dat gemeenten ontvangen voor de financiering van bijstandsuitkeringen niet geoormerkt. Gemeenten hebben een stevige financiële prikkel om het beroep op de bijstand te beheersen. Door de goede economische omstandigheden nemen ook voor mensen in de bijstand de mogelijkheden om uit te stromen naar werk toe. Gemeenten hebben beleidsvrijheid in het besteden van een overschot en het dekken van een tekort. De afweging tussen verschillende beleidsprioriteiten vindt derhalve decentraal plaats.
Kunt u uitsluiten dat de oplopende tekorten, die zijn ontstaan door de hoge migratiestromen de afgelopen jaren, niet zullen leiden tot extra discriminatie van Nederlanders en extra (decentrale) bezuinigingen op de zorg, ouderenbeleid, infrastructuur en zaken die Nederlanders in hun portemonnee raken?
Zie antwoord vraag 6.
De Nieuwste cijfers UWV waaruit blijkt dat de langdurige werkloosheid 55-67 nog steeds ernstig is |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de UWV «Nieuwsflits Arbeidsmarkt» van november 2017?
Ja.
Kunt u bevestigen dat de toegenomen uitstroom uit de WW van mensen van 55 jaar en ouder voor één derde veroorzaakt wordt door uitstroom naar werk, en voor één derde louter en alleen door het bereiken van de maximale uitkeringsduur? Is van één derde niet bekend waar naar toe zij uitstromen?
De «Nieuwsflits Arbeidsmarkt» wordt opgesteld door het UWV. Blijkens de uitgave van november en december 2017 constateer ik met u dat de verdeling aangaande de reden van uitstroom uit de WW in grote lijnen is zoals u beschrijft.
Het UWV registreert overigens de reden van beëindiging op het moment dat de WW-uitkering daadwerkelijk wordt beëindigd. Latere veranderingen worden niet geregistreerd, omdat er dan geen uitkeringsrelatie met het UWV meer bestaat.
Redenen voor beëindiging van de WW-uitkering kunnen bijvoorbeeld zijn: wegens werk, bereiken van de maximale duur, bereiken AOW-leeftijd, wegens ziekte, etc. Voor publicaties en statistieken over de WW verdeelt het UWV de diverse redenen in drie hoofdgroepen, namelijk werk, bereiken maximum duur en overig.
Hoewel vijftigplussers niet vaker werkloos worden dan andere leeftijdsgroepen is het, als een oudere werkloze eenmaal werkloos is, voor hen lastiger om de weg weer terug te vinden naar de arbeidsmarkt dan voor andere leeftijdsgroepen. Daarom zet het kabinet in op het verbeteren van de werking van de arbeidsmarkt en de inzetbaarheid van vijftigplussers. Het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» is gestart in 2017 en loopt twee jaar. Dit actieplan is een gezamenlijk initiatief met sociale partners. Vervolgens worden de maatregelen in 2019 geëvalueerd, zodat we beter weten wat het beste werkt om de arbeidsmarktpositie van vijftigplussers te verbeteren.
Kan voor de afgelopen vijf jaar in percentages van de totale uitstroom en in absolute aantallen aangegeven hoeveel mensen van 55 jaar en ouder vanuit de WW zijn uitgestroomd naar de bijstand, en hoeveel mensen niet zijn uitgestroomd naar werk in totaal?
Het UWV publiceert eens in de twee jaar welk deel van personen die uitstromen uit de WW, doorstroomt naar een bijstandsuitkering1. In 2012 ging het om 3.800 personen van 55 jaar en ouder, in 2013 om 4.200, in 2014 om 4.800, in 2015 om 5.800 en in 2016 om 5.900 personen. De gegevens over 2017 zijn nog niet beschikbaar.
55-plus
8,0
7,8
7,2
7,4
7,2
Bron: UWV
Onderstaand overzicht over 2013 – 2017 toont in aantallen (en in percentages) de gevallen waarin de WW-uitkering is beëindigd wegens werk, wegens bereiken maximum duur en wegens overige redenen. Het aandeel uitstroom uit de WW vanwege het vinden van ander werk is in 2017 licht gestegen ten opzichte van 2016.
Werk
22.314
30.177
32.894
26.570
28.520
Maximum duur
22.827
24.906
29.753
35.637
35.721
Overige redenen
16.678
23.300
29.536
35.243
33.376
Totale uitstroom
61.819
78.383
92.183
97.450
97.617
Bron: UWV
De invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 heeft gevolgen voor het geregistreerde aantal beëindigingen wegens werkhervatting. Zo is niet met zekerheid vast te stellen welk deel van de WW-gerechtigden die geen inkomstenopgave hebben ingediend, het werk heeft hervat. Ook wordt de groep WW-gerechtigden die het werk volledig hebben hervat maar vanwege inkomstenverrekening daarnaast nog steeds recht houden op een WW-uitkering, niet geregistreerd als beëindiging WW-uitkering vanwege werkhervatting.
Werk
36
38
36
27
29
Maximum duur en overige redenen
64
62
64
73
71
Totale uitstroom
100
100
100
100
100
Bron: UWV
De invoering van de Wet werk en zekerheid per 1 juli 2015 heeft gevolgen voor het geregistreerde aantal beëindigingen wegens werkhervatting. Zo is niet met zekerheid vast te stellen welk deel van de WW-gerechtigden die geen inkomstenopgave hebben ingediend, het werk heeft hervat. Ook wordt de groep WW-gerechtigden die het werk volledig hebben hervat maar vanwege inkomstenverrekening daarnaast nog steeds recht houden op een WW-uitkering, niet geregistreerd als beëindiging WW-uitkering vanwege werkhervatting.
Is het waar dat het aantal beëindigde ww-uitkeringen wegens bereiken van de maximale uitkeringsduur in 2017 alléén bij de leeftijdscategorie 55+ nog gestegen is, en bij alle andere leeftijdsgroepen (sterk) gedaald is? Deelt u de mening dat de langdurige ouderenwerkloosheid, vooral voor 55 plussers, nog steeds zéér zorgwekkend is en een groot maatschappelijk probleem vormt?
Onderstaande tabel laat zien dat het aantal beëindigingen wegens het bereiken van maximum duur bij 55-plussers in 2017 nagenoeg gelijk is gebleven aan het aantal in 2016. Het aantal beëindigingen wegens werkhervatting is in 2017 gestegen bij deze leeftijdsklasse ten opzichte van 2016.
Werk
26.570
28.520
7%
Maximum duur
35.637
35.721
0%
Overige redenen
35.243
33.376
-5%
Totaal
97.450
97.617
0%
Werk
27%
29%
Maximum duur
37%
37%
Overige redenen
36%
34%
Totaal
100%
100%
Werk
146.350
141.796
-3%
Maximum duur
144.577
126.561
-12%
Overige redenen
136.381
106.132
-22%
Totaal
427.308
374.489
-12%
Werk
34%
38%
Maximum duur
34%
34%
Overige redenen
32%
28%
Bron: UWV
Ook personen bij wie de uitkering is beëindigd wegens het bereiken van de maximum duur of wegens een andere reden dan werkhervatting, kunnen alsnog aan het werk zijn gegaan nadat de uitkering is beëindigd. Daarom publiceert het UWV ook met enige regelmaat cijfers over welk deel van de uitstroom (alsnog) aan het werk is gegaan en welk deel van de instroom in de WW binnen één jaar aan het werk is gegaan.
Uit de meest recente beschikbare cijfers, gebaseerd op de instroom in de periode juli 2014 tot en met juni 2015, blijkt dat circa twee derde van de mensen met een WW-uitkering binnen een jaar weer aan het werk gaat. Dit percentage is, vergeleken met de instroom van het jaar ervoor, toegenomen. Bij de 55-plussers ligt het percentage lager dan bij de gemiddelde WW-populatie: ongeveer één op de drie heeft een nieuwe baan. Het percentage 55-plussers dat aan het werk gegaan is eveneens gestegen ten opzichte van een jaar eerder2. Ook na het eerste jaar komen er nog steeds WW-gerechtigden aan het werk.
Het aandeel 55-plussers dat binnen een jaar weer aan het werk komt blijft dus achter bij de andere leeftijdsgroepen. Daarom heeft het kabinet onder andere in het kader van het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers» ingezet op meer persoonlijke dienstverlening door UWV en het creëren van ontmoetingen tussen werkgevers met vacatures aan werkzoekenden.
Hoeveel mensen maken aanspraak op een IOW (Wet inkomensvoorziening oudere werklozen) of IOAW-aanvulling (Inkomensvoorziening voor Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte Werknemers)? Wat is de ontwikkeling geweest in de afgelopen vijf jaar, en welke ontwikkeling wordt voorzien?
Het aantal IOAW-uitkeringen neemt als gevolg van de crisis in de afgelopen jaren de komende jaren toe. Dit komt vooral omdat de IOAW-instroom, die met vertraging de conjunctuur volgt, toeneemt. De vertraging treedt op omdat het grootste deel van de IOAW-instroom eerst 3 jaar een WW-uitkering heeft ontvangen. Daarnaast stijgen de IOAW-uitgaven ook als gevolg van de verhoging van de AOW-gerechtigde leeftijd, waardoor langer gebruik wordt gemaakt van de IOAW.
IOAW: Ontwikkeling volume huishoudens 2012–2016 en raming 2017–2018.
Jaar
IOAW-uitkeringen
2012
10.500
2013
12.800
2014
15.700
2015
18.900
2016
22.300
Bron: Begroting SZW 2018
Werkloze werknemers die bij aanvang van de WW-uitkering 60 jaar of ouder zijn, kunnen na afloop van hun WW-uitkering in aanmerking komen voor IOW. In de afgelopen vijf jaar is het IOW-volume toegenomen. Hiervoor zijn meerdere oorzaken te duiden. De arbeidsparticipatie in deze groep is toegenomen in de afgelopen jaren, met als gevolg dat het aantal personen met een uitkering ook is gestegen. Sinds 2012 heeft de verslechtering van de conjunctuur geleid tot een oplopende WW-instroom. Beide factoren werken met enkele jaren vertraging door in de IOW-instroom. Verder leidt de stijging van de AOW-gerechtigde leeftijd ertoe dat mensen gemiddeld langer in de IOW verblijven. Hierdoor neemt het IOW-volume sinds 2013 meerjarig toe.
Na 2018 neemt het volume naar verwachting verder toe doordat mensen als gevolg van de duurverkorting in de WW eerder in de IOW instromen3. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de ontwikkeling van het IOW-volume in de afgelopen vijf jaar en de raming voor 2018.
IOW: Ontwikkeling van het IOW-volume (in uitkeringsjaren), 2012–2018.
Onder uitkeringsjaren wordt verstaan: het gemiddeld aantal IOW-uitkeringen gedurende het kalenderjaar.
Jaar
IOW-volume
2012
700
2013
1.300
2014
1.800
2015
2.500
2016
3.600
Bron: Jaarverslag SZW (2013 t/m 2016), en Begroting SZW 2018.
Vindt u uitfasering van de IOW en IOAW gerechtvaardigd met het oog op de veel voorkomende langdurige werkloosheid onder 55-plussers?
Het vorige kabinet heeft ervoor gekozen om met de Wet Werk en Zekerheid de IOAW geleidelijk af te bouwen door werkloze werknemers die geboren zijn voor 1 januari 1965 aanspraak te geven op deze uitkering na het doorlopen van de WW-uitkering. Dit past binnen de van-werk-naar-werk benadering die ook dit kabinet voorstaat en sluit aan bij de inspanningen gericht op verbetering van de positie van vijftigplussers. De inspanningen van het kabinet zijn erop gericht om oudere werknemers te laten mee doen, niet om ze in een uitkering te houden.
Daarnaast heeft het kabinet ook oog voor de inkomensbescherming van oudere werkloze werknemers die desondanks niet aan het werk komen. Met betrekking tot de IOW is in het Regeerakkoord afgesproken dat de toegang tot de IOW wordt verlengd met 4 jaar. Verlengen van de IOW met 4 jaar betekent dat de nieuwe instroom (in de IOW) niet eindigt vanaf 2022, maar vanaf 2026. Daarnaast is in het Regeerakkoord opgenomen dat de leeftijdsgrens van de IOW met de AOW-leeftijd mee zal lopen. De IOW is bedoeld voor die oudere werknemers die ondanks inspanningen van werkgevers en werknemers toch werkloos of arbeidsongeschikt worden. Met verlenging van de IOW wordt ervoor gezorgd dat deze oudere werknemers na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner hoeven «op te eten» voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning op grond van de Participatiewet.
Kan onderbouwd worden waarom de generieke sollicitatieplicht voor mensen van 55 jaar en ouder door het kabinet zinvol wordt geacht? Kan daarbij een grondig beeld gegeven worden hoeveel mensen extra door de sollicitatieplicht aan het werk komen, welk effect er is op uitstroom naar de ziektewet, wát het effect is op betrokkenen van het jarenlang tevergeefs moeten solliciteren, kortom wat de positieve en negatieve effecten zijn van de sollicitatieplicht voor mensen van 55 jaar en ouder?
Zoals ik bij de begrotingsbehandeling al heb aangegeven, ben ik geen voorstander van het laten vervallen van de verplichting om te solliciteren. De sollicitatieplicht maakt onderdeel uit van het activerend karakter van de uitkering. Solliciteren in welke vorm dan ook is een belangrijke stap op weg naar werk. Dit geldt ook voor ouderen. En dat is niet zinloos, want uit cijfers van het UWV blijkt dat in 2015 35 procent van de 55-plussers die in de WW terecht kwam, binnen een jaar weer werk vond. Bij de invulling van de sollicitatieplicht is maatwerk al mogelijk. Dit geldt zowel voor afspraken over de vorm van solliciteren (via brieven, via netwerken, via social media), als ook over het aantal sollicitatie-activiteiten. Uiteraard ben ik nog niet tevreden met het aantal 55-plussers dat vanuit de WW weer werk vind. Daarom investeren we ook in maatregelen gericht op het bevorderen van de arbeidsparticipatie van ouderen, zoals het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers».
U vraagt naar het effect op uitstroom naar de Ziektewet. Hierover zijn geen recente cijfers bekend. In 2016 heeft IZA World of Labor een artikel gepubliceerd waarin men ingaat op een onderzoek naar de herinvoering van de sollicitatieplicht zoals deze in 2004 in Nederland is doorgevoerd4. Daarbij is gekeken naar de leeftijdsgroepen van 55,5 jaar tot 59,5 jaar bij instroom in de WW. De conclusie is dat de herinvoering van de sollicitatieplicht per saldo leidt tot 6% meer uitstroom naar werk, maar dat daartegenover staat dat er wel sprake is van 3% meer uitstroom naar ziekte. Met betrekking tot de uitstroom naar ziekte wordt in dat kader opgemerkt dat mensen alleen voor Ziektewet in aanmerking komen als ze voldoen aan de criteria daarvoor (en ze dus feitelijk ziek moeten zijn). Het is niet ondenkbaar dat deze mensen dus feitelijk al ziek waren, maar omdat er geen sollicitatieverplichting in de WW bestond, zij geen noodzaak voelden zich ziek te melden.
U vraagt naar de voor- en nadelen van een (generieke) sollicitatieverplichting voor ouderen. Ik zie een aantal voordelen van de sollicitatieverplichting. Tegenover het recht op uitkering staan plichten. Deze zijn bedoeld om het gebruik van uitkering zo veel mogelijk te beperken. Solliciteren is de kortste weg naar werk. De sollicitatieplicht heeft daarmee een positief effect op de werkhervattingskansen. Dit leidt tot een besparing van uitkeringslasten. Afschaffen van de sollicitatieplicht voor ouderen kan het beeld oproepen dat deze werknemers kansloos zijn op de arbeidsmarkt. Dat is niet terecht. Desondanks zie ik ook een mogelijk negatief effect van de sollicitatieverplichting. Oudere werklozen kunnen het gevoel krijgen dat ze «overbodige» sollicitatie-activiteiten moeten verrichten, waardoor zij gedemotiveerd raken. Zoals al aangegeven is maatwerk mogelijk, zodat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat ouderen het gevoel krijgen dat zij zinloos bezig moeten zijn.
Dit alles overziend vind ik het daarom belangrijk om te investeren in maatregelen die de kansen van ouderen op de arbeidsmarkt verhogen. Daarvoor werkt het kabinet aan de verbetering van de werking van de arbeidsmarkt en door middel van de maatregelen in het actieplan «Perspectief voor vijftigplussers», zoals het ontwikkeladvies waardoor mensen (weer) de regie over hun loopbaan krijgen en meer persoonlijke dienstverlening om de werkloosheidsduur te beperken. Bij deze aanpak gericht op activering hoort ook de sollicitatieplicht.
Waarom is de nog steeds zorgwekkende ontwikkeling van de ouderenwerkloosheid voor 55-plussers niet nadrukkelijker door u benoemd bij de behandeling van de begroting SZW 2018, en bij het eveneens op 21 december 2017 door het CBS gepresenteerde werkloosheidsbeeld?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘Jeugdhulp is online bedreiging beu’ |
|
René Peters (CDA), Rens Raemakers (D66) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jeugdhulp is online bedreiging beu»? 1
Ja.
Kunt u aangeven hoe breed het probleem van verbale intimidatie en valse beschuldigingen op sociale media over medewerkers in de jeugdzorg speelt?
Elke keer dat een medewerker in de zorg of in de jeugdhulp te maken krijgen met intimidatie, bedreiging of een valse beschuldiging, is er een te veel. Het is buitengewoon zorgelijk dat deze problematiek op sociale media toegenomen is in de afgelopen jaren. Daarover zijn geen harde cijfers beschikbaar, maar dit blijkt bijvoorbeeld wel uit de toename van het aantal meldingen hierover bij het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming. Ook uit cijfers (afkomstig van en gepubliceerd door het FCB, het arbeidsmarktfonds voor de branches sociaal werk, jeugdzorg en kinderopvang) over door werknemers ervaren agressie in de jeugdzorg blijkt een toename van de agressie en bedreigingen in de jeugdhulp.
Kunt u toelichten in hoeverre medewerkers in de jeugdzorg bij de verwerking van de impact van verbale intimidatie en valse beschuldigingen worden ondersteund?
Het kabinet heeft – samen met veldpartijen – de afgelopen jaren verschillende initiatieven genomen om agressie en geweld in de zorg, jeugdhulp en jeugdbescherming, terug te dringen. Op 22 maart 2012 is het Actieplan Veilig Werken in de Zorg (2012–2016) naar uw Kamer gestuurd. Dit actieplan liep tot eind 2016. De website www.duidelijkoveragressie.nl is een onderdeel van een bewustwordingscampagne over agressie tegen medewerkers in de zorg en jeugdzorg. De website biedt werkgevers en werknemers in de zorg en jeugdzorg praktische informatie over het thema agressie en geweld, zoals hulpmiddelen bij de aanpak van agressie en geweld, praktijkvoorbeelden, juridische informatie over opvolging van incidenten en scholingsmogelijkheden. De site blijft – ook nu het actieplan is afgelopen – tot eind 2019 beschikbaar.
Verder heeft het Ministerie van BZK van 2007 tot en met 2016 het programma Veilige Publieke Taak (VPT) gecoördineerd. Doel van het programma was om instrumenten te ontwikkelen om werkgevers te ondersteunen om medewerkers een veilige werkomgeving te bieden. De werkgever is immers primair verantwoordelijk voor het creëren van een veilige werkplek voor de werknemers. Een voorbeeld is de handreiking Agressie en Geweld, waarin onderstaande acht maatregelen worden opgesomd die werkgevers kunnen treffen om hun anti-agressiebeleid vorm te geven:
De Minister van BZK heeft op 19 december 2017 uw Kamer geïnformeerd over de uitkomst van de evaluatie van dit programma en hierbij aangegeven met welke activiteiten de werkgevers in het openbaar bestuur ondersteund zullen blijven2 Het gaat achtereenvolgens om het in stand houden en onderhouden van het netwerk van regionale VPT-coordinatoren, het (digitaal) beschikbaar houden van kennis en instrumentarium dat is ontwikkeld door het VPT-programma en het faciliteren van verdere kennisontwikkeling en -uitwisseling en tot slot het verbreden van het onderwerp van uitsluitend «agressie en geweld» naar «Integer en Veilig werken».
Jeugdzorg Nederland heeft aangegeven met FCB (het arbeidsmarktfonds voor sociaal werk, jeugdzorg en kinderopvang) bezig te zijn met de aanpak van bedreigingen op sociale media van medewerkers, zodat zij medewerkers op dat punt een handreiking kunnen geven. Hiervoor is een richtlijn in ontwikkeling.
Om geweld en agressie tegen professionals met een publieke taak effectief aan te pakken geven de politie en het OM de daderaanpak vorm door de zogenaamde «Eenduidige Landelijke Afspraken» (ELA). Dit repressieve deel vormt het sluitstuk van de aanpak. Deze afspraken hebben als doel om op eenduidige, effectieve en snelle wijze daders aan te pakken. Dit betreft onder andere: prioritaire afhandeling van de aangifte, eenduidige registratie, werkgeversaangifte, domiciliekeuze, schadeverhalen op de dader en een verhoogde strafeis (+200%).
Op basis van deze en eerdere signalen treden het Ministerie van VWS en het Ministerie van JenV in overleg met de werkgeversbonden in het jeugddomein, politie en Openbaar Ministerie over de vraag hoe deze problematiek aangepakt kan worden. Daarbij is een belangrijke verantwoordelijkheid voor de werkgevers weggelegd. Doel is om gezamenlijk te komen tot een effectieve aanpak van agressie en geweld in de jeugdhulp en jeugdbescherming. Hiervoor is het nodig te inventariseren wat werkgevers al ondernemen om hun werknemers tegen agressie en geweld te beschermen, met name of de genoemde maatregelen inderdaad worden toegepast en te bespreken welke acties aanvullend nodig zijn.
Vóór de zomer van 2018 zullen wij u informeren over de resultaten van dit overleg.
Herkent u het beeld dat het vaak lang duurt voordat valse beschuldigingen op sociale media worden verwijderd? Zo ja, wat kunt u daar binnen de bestaande wetgeving aan doen?
Als het gaat om hulpverleners die via sociale media vals beschuldigd worden, ligt er een belangrijke verantwoordelijkheid bij internetbedrijven zoals Facebook en Twitter om laagdrempelig en doeltreffend te faciliteren dat laster en smaad aangekaart kan worden en dat de betreffende uitingen worden verwijderd. In het hierboven bedoelde overleg met de werkgeversbonden in het jeugddomein, zal ik daarom ook spreken over het benaderen van de internetbedrijven Facebook en Twitter.
Kunt u aangeven welke invloed deze verbale intimidatie en valse beschuldigingen hebben op de werkdruk in deze sector, en in hoeverre het mensen verhindert om al dan niet actief te worden en te blijven in de jeugdzorg?
Het moet aantrekkelijk zijn en blijven voor jeugdhulpprofessionals om in de jeugdhulp te gaan werken. Hierbij past ook het bieden van een veilige werkomgeving en een adequate aanpak door werkgevers, als zij te maken krijgen met heftige gebeurtenissen als verbale intimidatie en valse beschuldigingen. De vraag in hoeverre factoren als agressie en geweld tegen jeugdhulpprofessionals van invloed zijn op de in- en uitstroom van jeugdhulpprofessionals, wordt betrokken bij een onderzoek dat mijn ambtsgenoot van JenV en ik laten uitvoeren. Door middel van een verkennend arbeidsmarktonderzoek zal inzicht worden verkregen in de knelpunten op de arbeidsmarkt voor jeugdhulpprofessionals en de oplossingen die mogelijk zijn.
Kunt u toelichten op welke wijze u deze problematiek wilt aanpakken? Bent u hierbij bereid om in overleg te treden met de betrokken partijen, zoals de sociale media bedrijven, jeugdzorgmedewerkers en cliëntenorganisaties?
Graag verwijs ik u hiervoor naar de antwoorden op vraag 3 en 4.
Het vervallen van de ANW-compensatieregeling bij het Algemeen Burgerlijk pensioenfonds (ABP) |
|
Martin van Rooijen (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Burgerlijk pensioenfonds (ABP) over het afschaffen van de ANW-compensatie?1 2
Ja. In juli 2017 is een akkoord tussen werknemers en werkgevers gesloten over de vereenvoudiging van de ABP-pensioenregeling en de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar. In het akkoord tussen de sociale partners is onder meer afgesproken dat per 2018 het partner- en wezenpensioen wordt verruimd en het recht op Anw-compensatie (voor nieuwe gevallen) komt te vervallen. Het ABP communiceert de gevolgen van dit akkoord aan zijn deelnemers.
Kunt u aangeven hoeveel personen op dit moment gebruik maken van de ANW-compensatieregeling van het ABP?
De Anw-compensatieregeling is in beginsel van toepassing op de partner van overleden deelnemers met pensioenopbouw en gepensioneerden, mits deze partner de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt. Afhankelijk van de persoonlijke situatie komt de Anw-compensatie tot uitkering. Ter indicatie: het ABP schrijft circa 800.000 deelnemers en gepensioneerden aan om deze te wijzen op het vervallen van de Anw-compensatieregeling.
Op dit moment ontvangen circa 15.000 personen Anw-compensatie en de compensatie wordt uiterlijk beëindigd wanneer de partner de AOW-leeftijd bereikt. Uit overlijdens vóór 2018 ontstane aanspraken op Anw-compensatie blijven intact.
Kunt u aangeven hoeveel ABP-deelnemers worden geraakt door deze wijziging van de (polis)voorwaarden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoeveel ABP-deelnemers een aanvullende verzekering zouden moeten afsluiten indien zij het door de aanpassing van de voorwaarden ontstane risico deels of geheel willen vermijden?
Nee. Het hangt van de specifieke situatie en preferenties van de individuele ABP-deelnemer en/of partner af, of deze al dan niet een aanvullende verzekering wil afsluiten. Daarbij zal de deelnemer en/of partner de verruiming van het nabestaanden- en wezenpensioen in de ABP-regeling (per 2018), zoals door sociale partners is afgesproken in het akkoord van juli jl., mogelijk willen meewegen in de beslissing om een aanvullende verzekering af te sluiten.
Klopt het dat een deel van de deelnemers die worden geraakt door de wijziging geen of slechts tegen zeer hoge kosten in de markt een vergelijkbare verzekering kan afsluiten voor het overlijdensrisico?
Het is aan het ABP om de deelnemer te informeren over de – door werknemers en werkgevers overeengekomen – wijzigingen in de pensioenregeling. Het fonds heeft hier invulling aan gegeven door een combinatie van algemene berichtgeving en persoonlijke aanschrijving van zijn deelnemers. Deelnemers zijn in december actief geïnformeerd en de Anw-compensatieregeling vervalt (voor nieuwe gevallen) per 1 februari 2018. Deelnemers hebben dus in ieder geval tot 1 februari 2018 om zich desgewenst bij te verzekeren. Zoals gebruikelijk, bepalen vraag en aanbod op de verzekeringsmarkt de vormgeving en prijs van dergelijke aanvullende verzekeringsproducten.
Wat vindt u van de termijn die door het ABP aan de deelnemers wordt geboden om, indien gewenst, een alternatieve aanvullende verzekering te selecteren en activeren?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat aan deelnemers voor wie het afsluiten van een aanvullende verzekering in dit kader niet of slechts tegen zeer hoge kosten haalbaar is, bijvoorbeeld vanwege de leeftijd, actief een ruime overgangstermijn door het ABP geboden zou moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat voor het afschaffen van een dergelijke omvangrijke poliscomponent, zoals de ANW-compensatie, er voor alle deelnemers aanzienlijk meer overgangstijd in acht zou moeten worden genomen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om de antwoorden op deze vragen minimaal 24 uur voor aanvang van het debat over de begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2018 naar de Kamer te sturen?
Ik heb de vragen zo spoedig mogelijk na de overdracht aan mijn ministerie beantwoord.
Het bericht ‘CPB waarschuwt voor armoedeval door hogere pensioenleeftijd’ |
|
Léon de Jong (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «CPB waarschuwt voor armoedeval door hogere pensioenleeftijd»?1
Ik ben bekend met het artikel.
Hoeveel mensen zijn er inmiddels geconfronteerd met een armoedeval door de asociale AOW-leeftijdsverhoging? Hoeveel mensen worden hier naar verwachting in de toekomst mee geconfronteerd?
Nederland heeft een robuust socialezekerheidsstelsel waarmee mensen goed worden beschermd tegen het voorspelbare gegeven van ouderdom en worden verzekerd tegen het risico van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid.
Iedereen die werkt en inkomen heeft, betaalt mee aan de AOW-regeling. Door de vergrijzing stijgt het aantal mensen dat AOW krijgt. Bovendien leeft men langer. Hierdoor stijgen de kosten, terwijl het aantal werkenden dat aan de AOW meebetaalt, daalt. Om de AOW op peil te houden en betaalbaar te houden, wordt sinds 2013 de AOW-leeftijd in stappen omhoog gebracht. Op dit moment is de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden en dit loopt geleidelijk op naar 67 jaar en 3 maanden in 2023. Uiteindelijk zal iedereen die recht heeft op AOW hiermee te maken krijgen.
Bij het verhogen van de AOW-leeftijd is rekening gehouden met de belangen van werkenden die nu de AOW betalen, de belangen van ouderen die nu al met pensioen zijn, de belangen van mensen die vlak voor de AOW-leeftijd zitten en de belangen van toekomstige generaties. Voor jongeren moet de AOW betaalbaar blijven en ook voor de toekomst gewaarborgd. Voor ouderen die nu al met pensioen zijn, moet de AOW op peil blijven en voor mensen die nu vlak voor de AOW-leeftijd zitten, is gekozen voor een geleidelijke verhoging. Door de koppeling van de AOW-leeftijd aan de resterende levensverwachting kunnen alle toekomstige generaties blijven rekenen op een goede AOW. Op deze manier is een solide en solidaire AOW voor alle generaties gewaarborgd. Het niet verhogen van de AOW-leeftijd zou impliceren dat ofwel jongeren meer zouden moeten gaan bijdragen of ouderen minder AOW-pensioen zouden kunnen gaan ontvangen.
Hoeveel mensen zijn er sinds 2013 arbeidsongeschikt geraakt, dan wel in de WW of bijstand terechtgekomen vlak voordat deze mensen met AOW en pensioen zijn gegaan?
Hieronder vindt u een overzicht van de instroom in de WW en WIA van mensen van 60 jaar en ouder.
2013
2014
2015
2016
60–65 jaar
27.673
31.087
36.572
34.640
2013
2014
2015
2016
60–65 jaar
5.001
5.289
5.987
7.561
De WW-instroom daalt sinds 2016 weer. Dit is het directe gevolg van het aantrekken van de economie. In 2017 zal de instroom nog verder dalen2.
De instroom in de WIA is zowel voor mensen met een vast dienstverband als voor de overige groepen verzekerden de afgelopen jaren gestegen. Dit komt onder andere doordat de arbeidsparticipatie van ouderen de afgelopen jaren flink is toegenomen; meer mensen zijn dus verzekerd tegen het risico op arbeidsongeschiktheid. Daarnaast is de gemiddelde leeftijd van de groep werknemers van 60 jaar en ouder gestegen. Doordat een grotere groep blijft werken, stijgt ook het aantal oudere werknemers dat de WIA instroomt.
Oudere werknemers die werkloos of gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden op of na hun 60e na afloop van de WW en/of WIA-uitkering (onder voorwaarden) kunnen aanspraak maken op de Wet Inkomensvoorziening voor oudere werklozen (IOW). De IOW biedt een inkomen op minimumniveau (70% WML) zonder vermogens- of partnerinkomenstoets. De IOW loopt door tot de pensioengerechtigde leeftijd. De IOW is in het regeerakkoord verlengd met vier jaar.
Het aantal mensen van 55 jaar en ouder tot AOW-leeftijd dat is ingestroomd in de bijstand is als volgt:
2013
2014
2015
2016
55 jaar – AOW-leeftijd
11.050
11.090
12.500
12.480
Bron: CBS Statline
Voelt u zich verantwoordelijk voor het feit dat de huidige groep 50- en 60-plussers geen goede voorbereidingstijd heeft voor een hogere AOW-leeftijd?
Met het oog op pensionering, is het voor iedereen belangrijk om rekening te houden met wat men in de toekomst wil realiseren. Sparen en investeren in onderwijs, scholing en gezondheid zijn daarbij een belangrijke eigen verantwoordelijkheid. Ook werkgevers hebben hier belang bij en zijn verantwoordelijk om te investeren in goede arbeidsomstandigheden en een adequaat personeelsbeleid. De overheid zorgt voor de noodzakelijke randvoorwaarden.
Feit is dat mensen die verder gevorderd zijn in hun werkzame leven, minder tijd dan jongeren hebben om zich in te stellen op langer doorwerken. Om hieraan tegemoet te komen, is een aantal maatregelen getroffen. Zo wordt de verhoging geleidelijk ingevoerd en wordt een verhoging van de AOW-leeftijd minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd. Verder kunnen mensen met een VUT- of vergelijkbare uitkering die als gevolg van de AOW-leeftijdsverhoging geconfronteerd worden met een inkomensverlies, in aanmerking komen voor een overbruggingsuitkering AOW indien voldaan wordt aan de toetredingsvoorwaarden. Voor ouderen die werkloos of arbeidsongeschikt worden, wordt de IOW verlengd met vier jaar, zodat deze werknemers na het aflopen van de WW- of WGA-uitkering niet hun eigen vermogen of dat van hun partner hoeven «op te eten» voordat zij in aanmerking komen voor inkomensondersteuning.
Bent u bereid de AOW-leeftijd te verlagen naar 65 jaar, zodat mensen na een leven lang hard werken weer uitzicht krijgen op een fatsoenlijke oude dag? Zo nee, waarom heeft u zo’n hekel aan hardwerkende Nederlanders die kennelijk op hun knieën naar de eindstreep moeten kruipen?
Nee. Dit kabinet is voor een solide en solidaire AOW voor huidige én toekomstige generaties. Dankzij de AOW leven in Nederland weinig ouderen in armoede. Omdat we gemiddeld langer leven, zullen we ook langer kunnen en moeten werken om de betaalbaarheid van het stelsel te waarborgen. Een verlaging van de AOW-leeftijd betekent hogere AOW-uitgaven die opgebracht moet worden door (toekomstige) werkenden. Een verlaging van de AOW- en pensioenrichtleeftijd naar 65 jaar, verslechtert de houdbaarheid van de overheidsfinanciën met 1,8% bbp (circa € 13 miljard per jaar). Bovendien wordt door een verlaging de structurele werkgelegenheid met circa 2,2% verlaagt. Daarnaast hebben wij in Nederland een sociale zekerheidsstelsel dat mensen ondersteund als zij werkloos en arbeidsongeschikt raken of over onvoldoende inkomen beschikken.
Het aantal ouderen dat actief is op de arbeidsmarkt, is toegenomen. Het overgrote deel van de werknemers werkt ook door tot de pensioengerechtigde leeftijd. Dit laat onverlet dat het belangrijk is dat werknemers en werkgevers samen blijven investeren in langer gezond actief zijn op de werkvloer.
Het instellen van een draagmoederbank |
|
Sharon Dijksma (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de wens van medisch specialisten en de stichting FIOM, die pleiten voor een «draagmoederbank»?1
Ja
Vindt u het redelijk dat stellen alleen terecht kunnen voor draagmoederschap, waarbij een draagmoeder via in-vitrofertilisatie (ivf) een embryo geplaatst krijgt dat genetisch niet aan haar verwant is, als zij zelf voor een draagmoeder zorgen? Waarom?
Ongewenste kinderloosheid is een ingrijpende situatie in mensenlevens.
Ik begrijp de oproep van de professionals, die zich in hun werk geconfronteerd zien met het verdriet van wensouders die geen draagmoeder kunnen vinden. Het al dan niet inrichten van een draagmoederbank hangt samen met de beoordeling van de aanbevelingen die de Staatscommissie Herijking ouderschap heeft gedaan.2 Zo heeft de Staatscommissie voorgesteld in Nederland een regeling voor draagmoederschap te treffen en ontheffingen mogelijk te maken op het bemiddelingsverbod, zoals nodig voor het oprichten van de voorgestelde draagmoederbank. De Minister voor Rechtsbescherming zal uw Kamer in januari 2018 informeren over de in het regeerakkoord aangekondigde onderzoeken naar aanleiding van het advies van de Staatscommissie.
Vindt u het redelijk dat stellen die niet zelf een draagmoeder kunnen vinden zich er maar bij neer moeten leggen dat zij geen kinderen kunnen krijgen? Zo nee, steunt u het idee van een draagmoederbank?
Zie antwoord vraag 2.
Denkt u dat er in Nederland vrouwen zijn die best bereid zijn om draagmoeder te worden voor een stel dat ongewenst kinderloos is? Zo ja, deelt u de mening dat het een goed idee is dat deze vrouwen zich ergens kunnen melden, zodat bekeken kan worden of zij werkelijk aan de voorwaarden voor draagmoederschap kunnen voldoen en een kinderloos paar kunnen helpen?
Ik kan onmogelijk inschatten hoeveel vrouwen in Nederland bereid zouden zijn om draagmoeder te zijn. Gezien de belasting en het risico dat ermee gepaard gaat, kan de parallel getrokken worden met eiceldonatie en nierdonatie bij leven. Mijn inschatting is dat het om vrij kleine aantallen zal gaan, waarmee mogelijk nog onvoldoende tegemoet gekomen wordt aan de vraag naar draagmoeders, zoals ook in Engeland ondanks het bestaan van een draagmoederbank het geval is.
Op grond van het Wetboek van Strafrecht is beroeps- en bedrijfsmatige bemiddeling bij draagmoederschap strafbaar. Dat geldt ook voor het publiek maken van het aanbieden van of het zoeken naar draagmoeders. De vraag of een draagmoederbank wenselijk zou zijn kan niet los worden gezien van de bredere vraag hoe Nederland om wil gaan met draagmoederschap.
Deelt u de mening dat een makkelijkere manier om een draagmoeder in Nederland te vinden, kan voorkomen dat stellen zijn aangewezen op buitenlandse draagmoeders, waarbij het niet altijd duidelijk is in hoeverre deze vrouwen worden gedwongen/uitgebuit?
Als er een gemakkelijke manier zou zijn om draagmoeders in Nederland te vinden, zou dat vermoedelijk inderdaad voorkomen dat stellen naar het buitenland gaan voor een draagmoeder. Ik kan echter onmogelijk voorspellen in hoeverre een draagmoederbank het vinden van een draagmoeder (sterk) vergemakkelijkt. Dit hangt mede af van het animo bij potentiële draagmoeders en hun (medische) geschiktheid. Ook kan ik me voorstellen dat bij het bestaan van een draagmoederbank wensouders minder bereidheid tot draagmoederschap in hun directe omgeving treffen. Dit zou een ongewenst neveneffect van een draagmoederbank kunnen zijn.
Deelt u de mening dat het voor sommige kinderen die geboren worden via een draagmoeder beter kan zijn om (later) te kunnen weten waar zij vandaan komen?
De ervaring onder kinderen die zijn geboren na gebruik van donorgameten, maar ook van kinderen die op enig moment zijn geadopteerd, leert dat er een groep kinderen is voor wie van belang is om te weten waar hij of zij vandaan komt. Ik kan me voorstellen dat dit ook kan gelden voor kinderen die geboren zijn via een draagmoeder, ook als zij geen genetische band met haar hebben. Bij draagmoederschap in Nederland is dat gewaarborgd doordat de draagmoeder altijd op de geboorteakte wordt genoemd.
Bent u op de hoogte van het advies van de Staatscommissie Herijking Ouderschap uit 2016, waarin werd gepleit voor versoepeling van de regels? Wat gaat u hier mee doen?
De Staatscommissie pleitte voor het instellen van een wettelijke regeling voor draagmoederschap, zodat meer rechtszekerheid geboden wordt voor alle betrokkenen, in het bijzonder het kind. De Staatscommissie adviseerde tevens om het huidige bemiddelingsverbod in het Wetboek van Strafrecht zodanig aan te passen dat de mogelijkheid ontstaat om ontheffing te verlenen aan organisaties en personen om zonder winstoogmerk te bemiddelen tussen draagmoeders en wensouders of een platform te bieden waarbinnen draagmoeders en wensouders elkaar kunnen vinden. Het openbaar maken van vraag en aanbod door draagmoeders en wensouders zou dan niet langer strafbaar moeten zijn, aldus de Staatscommissie. Deze adviezen kunnen niet los gezien worden van de aanbevelingen om kinderkoop afzonderlijk strafbaar te stellen en het doen van te hoge betalingen aan de draagmoeder strafbaar te stellen. Het betreft dus niet zondermeer een versoepeling van de regels. De Staatscommissie heeft een weloverwogen advies opgesteld met daarin een totaalpakket aan maatregelen rond draagmoederschap, die ook als zodanig in hun samenhang beoordeeld dienen te worden. Zoals in het regeerakkoord is afgesproken, zal het kabinet de door de Staatscommissie aanbevolen onderzoeken uitvoeren.
Zijn er volgens u argumenten te bedenken tegen het instellen van een draagmoederbank volgens Engels model, waarbij geen sprake is winstoogmerk, waar wensouders en draagmoeder worden gescreend, begeleid en aan elkaar worden gekoppeld? Zo nee, wanneer gaat u de wet hiervoor aanpassen?
Ik ga ervan uit dat u doelt op deze draagmoederbank: https://www.surrogacyuk.org/. Hoewel deze website veel informatie biedt, ben ik onvoldoende bekend met de precieze aard van deze organisatie en de wettelijke context in het Verenigd Koninkrijk om alle voors en tegens van dit model te overzien. Van aanpassing van de wet kan in dit stadium geen sprake zijn. Zoals gezegd, is de eerste stap het uitvoeren van de onderzoeken, waarover de Minister voor Rechtsbescherming u in januari 2018 zal informeren.
Het bericht ‘Minder loon in werkplaats nieuwe stijl’ |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Minder loon in werkplaats nieuwe stijl», waaruit blijkt dat het personeel van sociale werkplaatsen veel minder is gaan verdienen?1
Ja.
Is het waar dat «oude WSW-ers» tot 130% van het minimumloon kunnen verdienen met pensioen en reiskostenvergoeding, terwijl de mensen die onder de Participatiewet vallen maximaal 100% van het minimumloon verdienen, zonder pensioen en reiskostenvergoeding?
Het is correct dat het op grond van de Wsw-cao mogelijk is dat men 130% van het minimumloon kan verdienen met pensioen en reiskostenvergoeding. Het is mij niet bekend hoe vaak dit voorkomt. De Participatiewet bepaalt dat er bij nieuw beschut werk altijd sprake is van werk in een dienstbetrekking. Daarmee bedraagt het loon voor de mensen die daarin werkzaam zijn vanuit de Participatiewet minimaal 100% van het wml. De precieze invulling van de arbeidsvoorwaarden, en daarmee de vraag of pensioen en reiskostenvergoeding daar onderdeel van zijn, is afhankelijk van de werkgever waar deze mensen in dienst zijn.
Vindt u deze achteruitgang voor de mensen met een arbeidsbeperking gerechtvaardigd? Erkent u dat blijkbaar niet iedereen erop vooruit gaat, zoals de premier aanvankelijk beweerde?
Bij de invoering van de Participatiewet is de toegang tot de Wsw afgesloten voor nieuwe instroom. Daarbij is ook geregeld dat het zittend Wsw-bestand zijn wettelijke rechten en plichten behoudt. Met het huidige regeerakkoord wordt de lijn van de inclusieve arbeidsmarkt doorgetrokken. De inzet van het kabinet daarbij is dat als mensen vanuit een uitkeringssituatie aan het werk gaan, zoals in beschut werk, ze er ook echt op vooruit gaan. Achteruitgang in inkomen is bij deze mensen dus niet aan de orde. Ik ga hier in mijn volgende antwoord op in.
Betekent uw plan om loonkostensubsidies te vervangen door loondispensatie, dat de mensen die hiervoor in aanmerking komen een inkomen ontvangen ter hoogte van een bijstandsuitkering? Is het gemeenten toegestaan dit te verhogen tot boven bijstandsniveau?
In het Regeerakkoord is aangekondigd dat het instrument loonkostensubsidie in de Participatiewet wordt vervangen door loondispensatie. Zoals ik in mijn brief aan de Tweede Kamer van 14 december jl. heb aangegeven koers ik erop de systematiek zo uit te werken dat mensen die vanuit de uitkering met loondispensatie gaan werken een loonaanvulling krijgen die voldoet aan twee uitgangspunten. Om te beginnen vind ik het belangrijk dat het inkomen van deze mensen hoger uitkomt dan het voor hen geldende sociaal minimum. Mensen gaan dus niet werken op bijstandsniveau. Als mensen gaan werken, en als mensen méér gaan werken, wil ik dat ze er echt op vooruit gaan. Verder vind ik het belangrijk dat hun inkomen gaat naar een niveau conform het minimumloon naar rato van het aantal uren dat zij werken. Dit alles uiteraard passend binnen de financiële kaders van het Regeerakkoord. Over hoe de regeling er precies uit moet zien om dat te bereiken ben ik nu in gesprek met alle betrokkenen en ga ik graag in debat met uw Kamer.
De uit te werken regeling geldt voor mensen met een nieuwe arbeidsrelatie, dus niet voor reeds bestaande arbeidsrelaties.
Hoe kunt u de korting op de Wajong-uitkering (per 1 jan 2018) nog rechtvaardigen als mensen onder het wettelijk minimumloon moeten gaan werken? Welke prikkel is er dan nog om te gaan werken?
De uitkeringsverlaging voor Wajongers met arbeidsvermogen heeft geen relatie met de voorgenomen invoering van het instrument loondispensatie in de Participatiewet. De Wajong kent reeds sinds jaar en dag het instrument loondispensatie. Op dit moment werken ruim 17 duizend Wajongers bij reguliere werkgevers met loondispensatie.
Welke mogelijkheden ziet u om mensen met beschut werk toch een pensioen te laten opbouwen?
In het regeerakkoord is opgenomen dat loondispensatie in de Participatiewet gaat gelden voor mensen met een nieuwe arbeidsovereenkomst (dus niet voor nu bestaande). Het pensioenniveau dat mensen kunnen bereiken is afhankelijk van hun loon, de pensioenfranchise en het aantal jaren dat ze met loondispensatie werken. Bij loondispensatie komt het loon in veel gevallen niet uit boven de pensioenfranchise. In dat geval is het pensioenniveau gelijk aan het AOW-pensioen.
Bent u bereid met de Belastingdienst te overleggen over de oplossing van de Stichting van de Arbeid voor het gebrek aan pensioenopbouw bij loondispensatie door de loonwaarde te beschouwen als een deeltijdfactor die ook op de franchise wordt toegepast?2
Zie antwoord vraag 6.
Erkent u dat SW-medewerkers met dezelfde werkzaamheden verschillende inkomens kunnen hebben, zoals het voorbeeld van Gordana en Rohan laat zien?
Verreweg de meeste Sw-bedrijven hebben zich in de afgelopen jaren verbreed naar ontwikkelbedrijven waarin voor diverse doelgroepen enerzijds de gelegenheid wordt geboden werkervaring op de toen als voorbereiding op een baan bij een reguliere werkgever, en anderzijds werkgelegenheid wordt georganiseerd onder aangepaste omstandigheden. Dat brengt met zich mee dat de voorwaarden waaronder deze mensen aan het werk zijn kunnen verschillen.
Wat onderneemt u om deze ongelijke beloning voor dezelfde werkzaamheden te herstellen?
Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij de toeleiding van mensen naar werk organiseren en welke rol de bestaande Sw-bedrijven daarin hebben. Tevens is het aan de sociale partners om te bepalen onder welke arbeidsvoorwaarden deze mensen aan het werk gaan. Het rijk heeft hierin geen verantwoordelijkheid.
Voor de volledigheid merk ik op dat er vanaf 1 januari 2015 geen nieuwe instroom meer mogelijk is in de wet sociale werkvoorziening. Er zijn dus geen «nieuwe Sw-medewerkers», zoals de vraag doet vermoeden.
Bent u bereid de inkomensachteruitgang voor nieuwe SW-medewerkers te repareren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Deelt u de mening dat het idee om niemand meer toe te laten tot de sociale werkplaatsen: «niet goed doordacht was»? Begrijpt u dat gemeenten «niet wisten wat te doen»? Bent u bereid om met een beter plan te komen, waarin een eind komt aan de «race to the bottom» voor arbeidsgehandicapten?
De aanleiding om de Wsw af te sluiten voor nieuwe instroom heeft niets aan geldigheid verloren. Veel mensen die voorheen in aanmerking kwamen voor een Wsw-plaats met een beperking kunnen ook bij een reguliere werkgever aan de slag. De banenafspraak met werkgevers biedt daartoe extra mogelijkheden. Voor gemeenten betekende de afsluiting van de Wsw en het organiseren van nieuw beschut werk een nieuwe situatie, waarin veel vragen beantwoord moesten worden en nieuwe werkprocessen moesten worden ingeregeld. Ik constateer dat voor de meeste gemeenten geldt dat het beleid en de uitvoering daarvan goed op stoom zijn.
Gemeenten kunnen de bestaande infrastructuur van de Sw-bedrijven goed gebruiken om onder andere nieuw beschut werkplekken te organiseren, of om mensen te toe te leiden naar een plek bij een reguliere werkgever. In de praktijk blijkt dat dit op heel veel plekken in het land ook gebeurt.
Het artikel ‘Zo maken we het basisinkomen werkelijkheid’ |
|
Lammert van Raan (PvdD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo maken we het basisinkomen werkelijkheid»?1
Ja.
Deelt u de mening dat op basis van het artikel gesteld kan worden dat er niet een vorm van basisinkomen bestaat? En onderkent u hiermee dat het te kort door de bocht zou zijn om te stellen dat het basisinkomen al is besproken binnen de Tweede Kamer en onderzocht door het Centraal Planbureau (CPB), zodat verder onderzoek naar alternatieven onnodig is?2
Een basisinkomen wordt meestal gedefinieerd als een onvoorwaardelijk inkomen dat de overheid aan iedere burger verstrekt. In deze vorm is in de Tweede Kamer het afgelopen jaar meermaals over het basisinkomen gesproken.
Er zijn ook andere manieren om een minimum inkomen voor iedereen te garanderen. Over een gegarandeerd basisinkomen (in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting) gaat het artikel waar in vraag 1 naar wordt verwezen.
Onderzoek naar (alternatieve vormen van) een basisinkomen moedigt het kabinet niet aan, vanuit het principe dat iedereen die kan werken dat ook moet doen. Voor hen die dat niet kunnen, biedt de overheid gerichte inkomensondersteuning. De garantie van een inkomen, ongeacht of iemand kan werken of niet, draagt niet bij aan dit principe.
Deelt u de mening dat tot op heden de vorm van basisinkomen, zoals in het artikel aangedragen wordt, nog niet binnen de Tweede Kamer is onderzocht?3
Over een basisinkomen in de vorm van een onvoorwaardelijke uitkering is meerdere malen in de Tweede Kamer gesproken. Over een basisinkomen in de vorm van een negatieve inkomstenbelasting is bij mijn weten niet eerder gesproken.
Kunt u aangeven hoe de Participatiewet bijdraagt aan het terugdringen van de grote groep arme werkenden in Nederland die onder de armoedegrens leeft?4 Vindt u dat deze wettelijke verantwoordelijkheid in de Participatiewet verankerd zou moeten zijn? Zo nee, waar ligt deze wettelijke verantwoordelijkheid dan wel?
De Participatiewet biedt gemeenten de mogelijkheid om ook werkenden ondersteuning te bieden. Zo kunnen gemeenten op basis van de Participatiewet mensen die werken, maar die hierdoor onvoldoende inkomen verwerven om boven de bijstandsnorm uit te komen, ondersteunen bij het zoeken naar een baan met voldoende uren om uit de bijstand te komen en het inkomen van deze mensen aanvullen tot bijstandsniveau. Ook biedt de Participatiewet de mogelijkheid om werkenden die moeilijk rond komen, op basis van individueel maatwerk, ondersteuning te bieden via de bijzondere bijstand. De invulling van dit beleid binnen de wettelijke kaders is gedecentraliseerd naar gemeenten.
Klopt het, zoals wordt voorgesteld in het artikel, dat de basiszekerheid, welke niet de arbeidsparticipatie tracht te vergroten maar om een leven zonder armoede een recht te maken in plaats van een gunst, losstaat van de Participatiewet? Zo nee, kunt u dit toelichten?
De garantie van een minimuminkomen gaat in tegen een aantal centrale elementen van de Participatiewet. Een basiszekerheid of basisinkomen kan daarom niet naast de Participatiewet bestaan en niet los gezien worden van de Participatiewet.
Ten eerste is de Participatiewet gebaseerd op het principe dat iedereen die kan werken dat moet doen. Werk biedt immers de beste sociale zekerheid en werk (en in sommige gevallen meer uren werken) is tevens de beste weg uit armoede. Werken is ook van groot belang voor de economische houdbaarheid van de sociale zekerheid. Betaald werk zorgt er voor dat gerichte inkomensondersteuning geboden kan worden aan hen die niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Een basiszekerheid of basisinkomen zal de prikkel om te gaan werken voor mensen met een inkomen tot het niveau van de basiszekerheid sterk verminderen. Dit staat dus haaks op de doelen uit de Participatiewet. Voor de houdbaarheid van onze sociale zekerheid is het juist van groot belang dat mensen betaald werk hebben wanneer dat mogelijk is.
Daarnaast betreft de invoering van een basisinkomen zoals beschreven in het artikel een aanzienlijke stelselwijziging. Het kabinet kiest voor het huidige systeem van sociale zekerheid, dat gekenmerkt wordt door gerichte inkomensondersteuning, veelal met een activerend karakter op basis van maatwerk. Het kabinet is dan ook geen voorstander van een experiment met het basisinkomen.
Klopt het dat de Participatiewet, ondanks het tijdelijk besluit experimenten Participatiewet (Stb. 2017, 69), en de Tijdelijke regeling experimenten Participatiewet (Stcrt. 2017, 10881), experimenten met een basisinkomen of basiszekerheid in de weg staat? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Klopt het dat alleen gemeenten die de Participatiewet naar de letter uitvoeren mogen gaan meedoen aan de experimenten met de bijstand? Geldt dit ook voor experimenten met een basisinkomen of basiszekerheid?
Eén van de voorwaarden om te mogen experimenteren op basis van het Tijdelijk besluit Participatiewet en de regeling is dat gemeenten de Participatiewet rechtmatig uitvoeren. Mijn ambtsvoorganger heeft eerder uw Kamer laten weten dat van de gemeenten die een verzoek indienen om te mogen experimenteren, alle voorgeschreven verordeningen in overeenstemming moeten zijn met de wettelijke bepalingen van de Participatiewet.5 Overigens is er op basis van dit besluit geen sprake van experimenten met een basisinkomen of basiszekerheid, en kan dit er ook niet zijn (zie ook antwoord op vraag 5 en 6).
Hoeveel gemeenten hebben in de afgelopen vijf jaren een verzoek ingediend om te experimenteren met een basisinkomen of basiszekerheid? Hoeveel daarvan hebben doorgang gekregen? Hoeveel daarvan zijn omgezet in een experiment met de bijstand? Wordt de omzetting in een experiment met de bijstand door u en de betrokkenen vanuit de gemeenten gezien als een volwaardig alternatief? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Er zijn door gemeenten geen verzoeken ingediend bij SZW om te mogen experimenteren met een basisinkomen of basiszekerheid. Voor een experiment met een basisinkomen hebben gemeenten ook geen juridische grondslag. Zoals eerder aangegeven is het kabinet geen voorstander van een experiment met het basisinkomen.
Deelt u de mening dat het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, los van de verhoging van de arbeidsparticipatie en meer betaald werk, een breed scala aan mogelijkheden heeft om doelen na te streven om Nederland in brede zin welvarender te maken, zoals het ontplooien van maatschappelijke activiteiten door meer vrije tijd voor vrijwilligerswerk, innovatie en de zorg voor het gezin en/of anderen?
Bent u bereid om experimenten met een basiszekerheid of basisinkomen door gemeenten toe te staan om het aantal mensen dat in Nederland in armoede leeft terug te dringen? Zo nee, waarom niet?
De missie van SZW luidt: «Werk en bestaanszekerheid voor iedereen: samen werken voor samen leven.» Werk is van groot belang voor zowel het individu als de samenleving. Voor een individu draagt werk bij aan zelfrespect en ontplooiing. Tegelijkertijd is betaald werk nodig voor de economische houdbaarheid van het sociale systeem, zie ook antwoord op vraag 5. Om een vangnet te kunnen bieden aan mensen die niet zelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien, is het van belang dat we bijdragen aan de sociale zekerheid door te werken wanneer mogelijk.
Bent u bereid om experimenten met een basisinkomen door gemeenten toe te staan om Nederland in brede zin welvarender te maken? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie ook mijn antwoord op vragen 5 en 6. Het kabinet wil armoede terugdringen via andere maatregelen. Werk (of in sommige gevallen meer uren werken) is de beste weg uit armoede. Om dat te stimuleren is «werken moet lonen» een belangrijk uitgangspunt in het Regeerakkoord. Daarnaast wil het kabinet dat mensen in de bijstand meer perspectief krijgen om weer aan het werk te komen. Hierover gaat het kabinet in gesprek met gemeenten. Ook komt het kabinet met een kabinetsbrede aanpak schulden. Bovendien trekt het kabinet extra geld uit voor het voorkomen van schulden en het bestrijden van armoede, in het bijzonder onder (gezinnen met) kinderen. Hiervoor is 30 miljoen euro beschikbaar in 2018, 25 miljoen euro in 2019 en 25 miljoen euro in 2020.
Het bericht ‘Kwetsbare gezinnen op Bonaire dupe van bezuinigingen’ |
|
Antje Diertens (D66), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Kwetsbare gezinnen op Bonaire dupe van bezuinigingen»?1
Ja.
Is het waar dat het openbaar lichaam Bonaire voornemens is de begrotingssteun aan Woningbouwstichting Fundacion Cas Bonairiano (FCB) met ruim 13% te verlagen?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat door deze maatregel alle huurders van sociale huurwoningen op Bonaire worden getroffen, die op basis van hun inkomen nu al regelmatig problemen hebben met het betalen van de huur?
In het antwoord op vraag 4 van het lid Bosman (VVD) inzake de begroting van het openbaar lichaam Bonaire voor het dienstjaar 2018 (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2017–2018, nr. 1475), heb ik u op de hoogte gebracht van de inschatting die door het bestuurscollege is gemaakt.
FCB zegt per brief d.d. 11 januari 20182 onder andere het volgende over de consequenties voor kwetsbare groepen. «Met deze maatregel worden alle huurders van onze sociale huurwoningen die op basis van hun inkomen nu al regelmatig problemen hebben met het betalen van de huur geraakt. Met de huidige bijdrage van US$ 698.324 wordt voor 482 huurders de huur verlaagd. Van deze groep huurders wordt voor minimaal 217 huurders de huurprijs nog eens verder verlaagd door toepassing van de huur-inkomenstabel. De aangekondigde bezuiniging raakt deze laatste groep, de meest kwetsbare huurders met toch al de laagste inkomens. Dat betekent dat de huurders met de laagste inkomens (minimaal 217) bij handhaving van de bezuiniging gemiddeld $ 115 per maand meer aan huur gaan betalen. Het varieert van $ 2,89 tot $ 301,80.»
Afgaande op de aan mij verstrekte antwoorden van zowel het bestuurscollege als FCB, schat ik in dat het effect van deze maatregel op zijn minst zal betekenen dat ingeteerd zal worden op de reserves en investeringsruimte van FCB, indien de voorgenomen korting door FCB niet doorbelast wordt aan de huurder. Dit gaat mogelijk ten koste van zaken als renovatie, onderhoud en nieuwbouw van sociale huisvesting.
Welke consequenties heeft deze voorgenomen bezuiniging voor het plan van Woningbouwstichting FCB om de komende jaren 500 sociale huurwoningen te gaan bouwen?
Het bestuurscollege van Bonaire heeft in reactie op het ambtsbericht aangegeven dat de voorgenomen bezuiniging mogelijk leidt tot stagnatie in het plan om 500 sociale huurwoningen te bouwen3.
Woningmarktbeleid betreft een eilandelijke taak. Het is daarmee aan het openbaar lichaam om zelf prioriteiten te stellen en invulling en uitvoering te geven aan de volkshuisvestelijke opgaven. Het openbaar lichaam kan de afweging maken om geen aanvullende middelen vrij te maken voor het verhogen van de verhuurdersubsidie terwijl het plan van de uitbreiding van het woningbestand van FCB met 500 woningen aan de orde is. Dat is een beleidsmatige en bestuurlijke keuze. Als deze situatie zich voordoet zal bij nieuwbouw vermoedelijk enkel verhuurd kunnen worden aan huurders die beschikken over voldoende huishoudinkomen om de volledige niet gesubsidieerde sociale huurprijs te betalen. Dat zou kunnen betekenen dat FCB hierdoor deels zijn doelgroep voorbij schiet. De noodzaak tot voldoende sociale woningbouw is desalniettemin evident en de problematiek heb ik scherp op het netvlies. Ik kan u verzekeren dat ik met diverse betrokken partijen in gesprek ben om te bezien op welke wijze alsnog binnen afzienbare tijd een impuls kan worden gegeven aan een oplossing voor dit vraagstuk. Zo heb ik op 22 januari 2018 nog een goed en constructief gesprek gevoerd in Den Haag met onder andere FCB over deze problematiek. Evident blijft echter dat alle partijen – en dus ook het openbaar lichaam – een actieve rol zullen moeten vervullen om te kunnen komen tot een sluitende businesscase. Ook hier geldt wederom het belang van stabiel bestuur en dit lijkt mij typisch een onderwerp dat ook terug zou moeten komen in het door het bestuurscollege te ontwikkelen breed gedragen actieplan, waar ik het bestuurscollege in mijn kennismakingsreis aan Bonaire om heb verzocht.
Het bericht dat de gemeenten Turkse Nederlanders discrimineren bij controles op uitkeringen |
|
Selçuk Öztürk (DENK), Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «gemeente discrimineert Turken bij controles op bijstand»1 naar aanleiding van een uitspraak in een zaak aangespannen door cliënten die werden bijgestaan door advocaat R. Küçükünal?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Eindhoven op vingers getikt voor discriminatie»2 naar aanleiding van een uitspraak in een zaak aangespannen door cliënten die werden bijgestaan door advocaat B. Kaya?
Zie antwoord vraag 1.
Welke consequenties heeft de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat de gemeente Almelo en de gemeente Eindhoven zich bij het uitzetten van onderzoeken in Turkije in het kader van controles op uitkeringen schuldig hebben gemaakt aan discriminatie? Bent u bereid om dit op stellige wijze te veroordelen?
Ik hecht grote waarde aan een rechtmatige verstrekking van uitkeringen. Handhaving van de inlichtingenplicht is daarom nodig, ook in het buitenland. Uiteraard moet dit binnen de kaders van wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gebeuren.
De consequentie van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is dat het handelen van de gemeenten Almelo en Eindhoven in deze specifieke situatie in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM. Daardoor is het verkregen bewijs niet rechtmatig. Om die reden moeten de intrekking en de terugvordering van de bijstanduitkering aan appellanten ongedaan worden gemaakt.
Kunt u uitsluiten dat andere gemeenten zich op dit moment bij controles op uitkeringen schuldig maken aan discriminatie? Zo ja, waarop baseert u dit? Zo nee, bent u bereid om alle gemeenten aan te schijven met een uiteenzetting van de praktijken die onacceptabel zijn bij controles op uitkeringen, omdat deze praktijken discriminatoir zijn?
De rijksoverheid en gemeenten behoren, bij de rechtmatige uitoefening van hun taken, het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 EVRM en artikel 1 van Protocol 12 bij het EVRM na te leven. Een ieder die zich in zijn of haar belang geschaad voelt, kan zich wenden tot de rechter, het College voor de rechten van de mens of de (gemeentelijke) Ombudsman.
De wetgever heeft in de Wet SUWI het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) aangewezen als het coördinatiepunt voor gemeenten voor grensoverschrijdende uitwisseling van fraude-informatie. Er is dus ook een goede publieke voorziening.
Ik zal de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de gevolgen hiervan alsmede de mogelijkheden die het IBF biedt bij grensoverschrijdende fraude, onder de aandacht brengen bij gemeenten via de verzamelbrief die enige malen per jaar aan alle gemeenten wordt toegezonden.
Welke maatregelen nemen de rijksoverheid en gemeentelijke overheden om discriminatie bij controles op uitkeringen uit te sluiten? Voldoen deze maatregelen?
Zie antwoord vraag 4.
Vindt u dat uitkeringsfraude in alle gevallen aangepakt dient te worden, mits op een proportionele en wettelijke wijze uitgevoerd?
Ja. Om het draagvlak voor sociale voorzieningen te behouden, is het van het grootste belang dat alleen die mensen die er recht op hebben, de voorzieningen ontvangen. Dit kabinet zet daarom stevig in op handhaving en naleving. De Participatiewet biedt daarvoor een duidelijk wettelijk kader welke verplichtingen bijstandsgerechtigden moeten naleven en hoe gemeenten deze moeten handhaven. Een onderzoek naar middelen in het buitenland kan daarbij noodzakelijk zijn, hoe complex dat soms ook is. Uiteraard moet dat plaatsvinden binnen de kaders van wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als Nederlandse overheden derden inschakelen en/of een volmacht geven, die vervolgens in het buitenland de wet overtreden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het niet onwenselijk dat Nederlandse overheden derden inschakelen bij de uitvoering van wettelijke taken, mits dat gebeurt binnen de kaders van wet- en regelgeving.
Bent u bekend met het feit dat gemeenten externe bureaus inschakelen voor de uitvoering van controles op uitkeringen, zoals het bedrijf Bureau Buitenland, die vervolgens advocaten, zoals de advocaat Arif Hakan Gürdal, in Turkije inschakelen voor het verkrijgen van informatie bij het kadaster aldaar en aldus wettelijke overheidstaken overhevelen aan private onderzoeksbureaus?3
Ja, dat is mij bekend.
Wat vindt u ervan dat deze handelwijze, blijkens de bijgevoegde stukken4, in strijd lijkt te zijn met Turkse wetgeving en zelfs strafbaar, omdat de Turkse Wet Bescherming Persoonsgegevens erin voorziet dat persoonsgegevens niet aan het buitenland mogen worden verstrekt zonder expliciete toestemming van betrokkenen?
Ik doe geen uitspraken over de Turkse wetgeving, noch over de interpretatie daarvan. Met betrekking tot verdragen, wet- en regelgeving en behoorlijk bestuur geldt dat overheden, zowel nationaal, regionaal als lokaal, moeten handelen binnen de kaders van wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Vindt u dat het voorgenoemde, daar het plaatsvond op initiatief van een Nederlandse gemeente, in strijd is met wat verstaan dient te worden onder behoorlijk bestuur en/of de wet en/of verdragen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Wat vindt u ervan dat de burgemeester van Venray en het College van B&W van Venray de advocaat Arif Hakan Gürdal een volmacht en machtiging hebben gegeven5 voor handelingen die in strijd lijken met de Turkse wet (in dit geval dan te karakteriseren als een volmacht om de wet te overtreden in Turkije)?
Zie antwoord vraag 9.
Vindt u dat het voorgenoemde, daar het plaatsvond op initiatief van vertegenwoordigers van een Nederlandse gemeente, in strijd is met wat verstaan dient te worden onder behoorlijk bestuur en/of de wet en/of verdragen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 9.
Wat vindt u ervan dat de gemeente Venray zich blijkens de bijgevoegde stukken niet heeft gehouden aan de aanbestedingsregels6, omdat zij de opdracht aan Bureau Buitenland, ondanks dat het geldende drempelbedrag werd overschreden, niet Europees heeft aanbesteed?
Zoals bij de beantwoording van de vragen 9 tot en met 12 is aangegeven, geldt dat overheden, zowel nationaal, regionaal als lokaal, moeten handelen binnen de kaders van wet- regelgeving, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de aanbestedingsregels.
Vindt u dat het voorgenoemde in strijd is met wat verstaan dient te worden onder behoorlijk bestuur en/of de wet en/of verdragen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid om alle gemeenten aan te schrijven onder attentie van het feit dat de werkwijze om controle op uitkeringen uit te besteden aan private partijen als Bureau Buitenland mogelijk in strijd kan zijn met buitenlandse wetgeving? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
De uitvoering van de Participatiewet is gedecentraliseerd aan gemeenten. Handhaving van de Participatiewet is daarmee tevens gedecentraliseerd. Het is de taak van gemeenten om hier zelf een goede invulling aan te geven. Het kabinet wil echter stevig inzetten op handhaving en naleving en heeft in het Regeerakkoord dan ook het voornemen geuit in gesprek te willen met gemeenten over «best practises» bij handhaving.
Zoals bij de beantwoording van vraag 4 en 5 is aangegeven, zal ik de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en de gevolgen hiervan alsmede de mogelijkheden die het IBF biedt bij grensoverschrijdende fraude, onder de aandacht te brengen bij gemeenten via de verzamelbrief.
Bent u bereid om uit voorzorg regelgeving te ontwerpen waarin de uitbesteding van controle op uitkeringen aan niet-overheidspartijen wordt verboden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 15.
Een carve out voor gepensioneerden |
|
Helma Lodders (VVD), Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat enkele (grotere) ondernemingspensioenfondsen een «carve-out» voor hun gepensioneerden overwegen maar dat zij tegen belemmeringen in de Pensioenwet aanlopen?
Er zijn mij – net als bij DNB – geen pensioenfondsen bekend die een carve out van gepensioneerden concreet overwegen. Dat wil niet zeggen dat er geen fondsen zijn die hiervoor zouden willen kiezen, als een carve-out mogelijk gemaakt zou worden.
Bent u bekend met het artikel in het Tijdschrift voor Pensioenvraagstukken waarin wordt gereflecteerd op de aangehouden motie-Lodders over advies vragen aan De Nederlandsche Bank over de «carve-out» en waarin met een rekenvoorbeeld wordt bevestigd dat een «carve-out"voor alle groepen voordelig kan zijn?1 2
Ja. In dit artikel wordt met specifiek gekozen uitgangspunten één (deterministisch) voorbeeld voor een korte horizon uitgewerkt. Het voorbeeld laat een situatie zien waarin een carve out aantrekkelijk zou kunnen zijn. Bij andere veronderstellingen en uitgangspunten kan dit anders zijn. In de Kamerbrief (3) heeft mijn voorganger u – naar aanleiding van het onderzoek van DNB (4) dat op verzoek van Kamerlid Lodders is uitgezet – reeds gewezen op het feit dat een carve out van gepensioneerden voordelig zou kunnen zijn, maar dat er ook weldegelijk risico’s aan verbonden zijn voor zowel de gepensioneerden als de achterblijvers.
Wat vindt u van deze reflectie, en deelt u de mening dat een «carve-out», een partiële collectieve waardeoverdracht, aantrekkelijk kan zijn voor verschillende groepen deelnemers en dat de eis dat sprake moet zijn van een evenwichtige belangenafweging voldoende waarborg biedt voor alle betrokken deelnemers? Zo nee, waarom niet?
Het is goed dat er wordt nagedacht over mogelijkheden om de belangen van verschillende deelnemers(groepen) in een collectief pensioenfonds goed te kunnen behartigen. Een carve out van gepensioneerden, en daarmee het uit elkaar halen van deelnemersgroepen, maakt meer maatwerk in het beleggingsbeleid mogelijk. Waar gepensioneerden behoefte zouden kunnen hebben aan meer zekerheid over de hoogte van het pensioen, kan het voor de achterblijvende actieve en gewezen deelnemers aantrekkelijk zijn dat er zonder de gepensioneerden risicovoller kan worden belegd. Zoals is toegelicht in de Kamerbrief (3) en in de brief van DNB (4) zijn er naast potentiële voordelen, ook potentiële nadelen en risico’s verbonden aan een carve out van gepensioneerden. Een carve out van gepensioneerden betekent ook dat de solidariteit wordt doorbroken. Zo kunnen gepensioneerden na de carve out (volledige) indexatie mislopen, die de achterblijvende actieve en gewezen deelnemers wel krijgen. Mogelijke nadelen voor de achterblijvers bij het fonds kunnen lagere indexatievooruitzichten zijn of bijvoorbeeld het risico op (hogere) kortingen. Het is dus belangrijk dat het uit elkaar halen van deelnemersgroepen, en daarmee de verdeling van het aanwezige collectieve vermogen, rechtvaardig geschiedt.
Of een carve out van gepensioneerden daadwerkelijk aantrekkelijk is voor alle betrokkenen is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden bij de overdragende en de ontvangende pensioenuitvoerder en eventuele afspraken rond een mogelijke overdracht.
Daarnaast licht de Kamerbrief (3) toe dat een discussie over de wenselijkheid van het wegnemen van de wettelijke belemmeringen en het nader invullen van het kader ter beoordeling van evenwichtige belangenbehartiging niet geïsoleerd staat van de vernieuwing van het pensioenstelsel. Het onderscheid maken tussen het pensioenvermogen en het beleggingsbeleid van de groep actieve en gewezen deelnemers en van de groep gepensioneerden is een interessante route die ook in het kader van vernieuwing van het pensioenstelsel wordt bezien. Bij het opknippen zal het aanwezige collectieve vermogen moeten worden verdeeld tussen deelnemers(groepen). In de huidige Pensioenwet bestaat er geen kader met waarderingsregels dat nader invulling geeft aan welk deel van het aanwezige collectieve vermogen aan welke deelnemer(groep) toebehoort. En dit acht ik – in geval van invaren naar een nieuw pensioencontract dat uitgaat van persoonlijke pensioenvermogens alsook bij een mogelijke carve out van gepensioneerden – wenselijk om (grote) herverdelingseffecten tussen deelnemers(groepen) te voorkomen. Ook DNB onderstreept in haar brief (4) dat het belangrijk is dat er duidelijke uitgangspunten worden geformuleerd voor de beoordeling van evenwichtige belangenafweging (artikel 105 lid 2 Pensioenwet) en de verdeling van het collectieve pensioenvermogen bij (partiële) collectieve waardeoverdrachten. Om die reden acht ik het verstandig om besluitvorming rondom de mogelijkheid van een carve out van gepensioneerden samen te laten lopen met de discussie over de vernieuwing van het pensioenstelsel.
Gelet op de recente brief aan de Kamer over «carve-out», waarin wordt aangegeven dat de discussie over de wenselijkheid van het wegnemen van de wettelijke belemmeringen voor een «carve-out» van gepensioneerden en het nader invullen van het kader ter beoordeling van evenwichtige belangenbehartiging wordt gekoppeld aan de bredere hervorming van het pensioenstelsel, deelt u de mening dat de «carve-out» ook op korte termijn een aantrekkelijk alternatief voor de deelnemers kan zijn?3
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat de wettelijke beperking die er op dit moment is, niet de mogelijkheid geeft aan pensioenfondsen om over te gaan tot een «carve-out» en dat deze belemmering op zich niets te maken heeft met de bredere hervorming van het pensioenstelsel?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om op basis van de brief van De Nederlandse Bank de wetgeving aan te passen zodat de belemmeringen worden opgeheven en over te gaan tot het invullen van een kader ter beoordeling van evenwichtige belangenbehartiging? Zo nee, waarom niet? Vindt u het verantwoord om de groepen deelnemers die hier op kortere termijn een voordeel kunnen behalen dit perspectief te ontnemen? Zo ja, op welke termijn wordt de Kamer over de uitwerking geïnformeerd?4
Zie antwoord vraag 3.