Het bericht dat fraude op islamitische scholen niet wordt vervolgd |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Fraude islamitische basisscholen niet vervolgd»1, waarin wordt gemeld dat de ministeries van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Veiligheid en Justitie niet of nauwelijks stappen ondernemen tegen frauderende islamitische basisscholen?
Ja.
Klopt het dat de Inspectie voor het Onderwijs eind 2008 vastgesteld heeft dat in de periode 2004–2008 voor zeker 4,6 miljoen euro is verduisterd of onrechtmatig besteed door 15 besturen van islamitische basisscholen en dat daarbij geen enkele bestuurder berecht is? Deelt u onze mening dat zulks niet aanvaardbaar is?
De Inspectie van het Onderwijs heeft in 2008 een thema-onderzoek uitgevoerd naar bestuurlijke praktijken in het islamitisch basisonderwijs. De Kamer is hierover per brief geïnformeerd (Kamerstukken II 2008/09, 31 700 VIII, nr. 38. Naar aanleiding van dit onderzoek zijn door mij terugvorderingen gestart die optellen tot € 4,6 miljoen euro. Het gaat hierbij om terugvordering van bekostiging die in strijd met de bekostigingsvoorwaarden is besteed of verkregen.
Ten aanzien van 3 van de 15 schoolbesturen waarbij onrechtmatigheden zijn geconstateerd is aangifte gedaan vanwege een vermoeden van strafbare feiten. In 2 gevallen is de aangifte door het Ministerie van OCW gedaan, en in 1 geval door het schoolbestuur. In de andere gevallen was er geen aanleiding om aangifte te doen. Los van het thema-onderzoek in het basisonderwijs heeft het ministerie van OCW ook aangifte gedaan tegen 1 bestuur van een islamitische school voor voortgezet onderwijs (zie Kamerstukken 2007/08, 31 289, nr. 27.
Om het artikel van Binnenlands Bestuur in perspectief te plaatsen:
De grondslag voor de terugvordering van onrechtmatig verkregen of bestede bekostiging is neergelegd in de onderwijswetten en de Algemene wet bestuursrecht. Er is derhalve sprake van een bestuursrechtelijk instrumentarium. Dit instrumentarium richt zich tot de ontvanger van de bekostiging – in casu het schoolbestuur – en niet op werknemers van die rechtspersoon.
Het schoolbestuur beschikt over het juridisch instrumentarium om ex-bestuurders aan te spreken op bestuurdersaansprakelijkheid, respectievelijk om de eigen werknemers aan te spreken op eventueel onverschuldigd betaald salaris. Ook kan het schoolbestuur overgaan tot het ontslag van die werknemers, respectievelijk ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Deze mogelijkheid staat niet open voor het ministerie van OCW, er is immers alleen een juridische (bekostigings)relatie met het bevoegd gezag.
Desalniettemin zijn in de gevallen waarin naar mijn mening sprake was van wanbeheer de verantwoordelijke bestuursleden vertrokken. Bij 1 instelling weigerde het bestuur zelf zijn verantwoordelijkheid te nemen en is via de rechter ontslag van de desbetreffende bestuurders afgedwongen op grond van artikel 2:298 van het Burgerlijk Wetboek. In alle andere gevallen was het niet nodig om via de rechter het vertrek van de bestuurders af te dwingen.
Voor de inzet van het strafrechtelijk instrumentarium door het Openbaar Ministerie wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat slechts in één geval vervolging is ingesteld, nl. bij SIS Heerlen, en dat in de zaken van SIS Helmond (€ 900 000), Ibn Ghaldoun (€ 1,2 miljoen) en SIS Almere2 (€ 750 000) Justitie heeft afgezien van vervolging? Wat was de reden om tot niet-vervolging over te gaan? Bent u bereid te bezien of alsnog tot vervolging kan worden overgegaan? Zo neen, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie heeft in totaal 4 aangiften tegen Islamitische schoolbesturen in behandeling genomen (3 in het basisonderwijs en 1 in het voortgezet onderwijs). Naar aanleiding van de aangifte tegen SIS Heerlen is een strafrechtelijk onderzoek gestart en is vervolging tegen drie feitelijk leidinggevenden ingesteld. Ook is een ontnemingsvordering ingediend. De inhoudelijke behandeling ter zitting is op 14 september 2011 aangevangen en door de rechtbank voor onbepaalde tijd aangehouden.
Voor de aangiften tegen SIS Helmond, Ibn Ghaldoun en SIS Almere geldt dat het Openbaar Ministerie, op basis van feitenonderzoek, in 2008 heeft besloten geen strafrechtelijk onderzoek in te stellen en daarmee af te zien van vervolging. Niet alle gedragingen waarvan aangifte is gedaan, leidden naar het oordeel van het Openbaar Ministerie tot strafbaar handelen. Daarnaast hebben bewijstechnische en opportuniteitsredenen een rol gespeeld.
Klopt het dat de terugvorderingen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap betaald worden uit de reserves van de scholen? Zo ja, welke gevolgen heeft dat voor de kwaliteit van het onderwijs?
De teruggevorderde bedragen zijn verrekend met de lopende bekostiging. Het gevolg daarvan is dat de school lopende uitgaven moet betalen uit de reserves dan wel bezuinigingen moet doorvoeren. Desgewenst hebben besturen gebruik kunnen maken van een afbetalingsregeling om de gevolgen voor de kwaliteit van het onderwijs zo beperkt mogelijk te houden. In deze gevallen loopt de terugvordering nog.
Over het geheel genomen hebben de terugvorderingen geen negatieve gevolgen gehad voor de kwaliteit van het islamitisch onderwijs. Deze kwaliteit is sinds 2008 namelijk verbeterd. In 2008 was 35,9% van de islamitische scholen zwak en 12,8% zeer zwak. Per 1 september 2011 is 22% van de islamitische scholen zwak en 2,4% zeer zwak. Deze kwaliteitsverbetering is terug te voeren op de inspanningen van de scholen. De scholen zijn daarbij ondersteund vanuit het project Kwaliteitsverbetering Islamitisch Onderwijs. Dit project heeft de Islamitische Scholen Besturen Organisatie (ISBO) geïnitieerd en uitgevoerd, met een beperkte financiële steun van OCW.
Deelt u de mening dat het gemeenschapsgeld dat de scholen in reserve hebben ten goede moet komen aan leerlingen, leraren en het onderwijsproces en niet bedoeld is om terugbetaald te worden als boete voor de fraudes die door bestuurders worden gepleegd? Bent u bereid te voorkomen dat de reserves hiervoor worden aangewend? Zo neen, waarom niet?
Met u zijn ondergetekenden van mening dat het geld van scholen ten goede moet komen aan het onderwijs. Om te waarborgen dat scholen dit ook doen is wettelijk geregeld waaraan de bekostiging moet worden besteed. Als scholen zich hier niet aan houden, is sprake van een onrechtmatige besteding en wordt het onrechtmatig bestede bedrag teruggevorderd. Door strikt de hand te houden aan deze bestedingsverplichting wordt voorkomen dat bekostiging of opgebouwde reserves voor andere doeleinden worden aangewend dan de wet toestaat. Het gaat hier om een preventief effect dat zijn uitwerking tot nu toe niet heeft gemist. Zoals ik in het antwoord op vraag 2 reeds heb uiteengezet is het in voorkomende gevallen aan het schoolbestuur zelf om ex-bestuurders en (ex-)werknemers aansprakelijk te stellen voor geleden schade.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is dat frauderende bestuurders wegkomen met nepotisme, fraude en zelfverrijking en dat de belastingbetaler de rekening daarvoor betaalt? Zo neen, waarom niet?
Het is mijn taak om ervoor te zorgen dat de rijksbekostiging (het geld van de belastingbetaler) wordt ingezet in overeenstemming met de wettelijke voorschriften. In gevallen waarin dit niet gebeurt wordt de rijksbekostiging teruggevorderd.
Bent u bereid om samen actie te ondernemen om de terugvorderingen te verhalen op de betrokken bestuurders, verhoogd met een boete? Zo neen, waarom niet?
De rechtspersoon waarvan een onderwijsinstelling uitgaat moet ervoor zorgen dat haar bestuursleden of medewerkers niet onrechtmatig handelen. Indien deze rechtspersoon wordt geconfronteerd met schade door onrechtmatig handelen van een van haar bestuursleden of medewerkers is het aan die rechtspersoon zelf om de geleden schade te verhalen op het bestuurslid of de medewerker. Het ministerie van OCW heeft geen juridische bevoegdheid om onrechtmatig verkregen of bestede bekostiging te verhalen op individuele bestuursleden of medewerkers van een onderwijsinstelling.
Het uitgangspunt is dat schoolbesturen zelf de verantwoordelijkheid nemen waar het gaat om het verhalen van schade op ex-bestuursleden of ex-medewerkers. In 1 geval was er een gegronde reden te vermoeden dat het schoolbestuur deze verantwoordelijkheid niet zou waarmaken. Dit is hetzelfde geval als waar de bestuursleden zijn ontslagen via de rechter. De reden is dat de oude bestuurders, kort voor hun ontslag door de rechter, uit eigen kring nieuwe bestuursleden hadden benoemd. Met de nieuwe bestuursleden is de schriftelijke afspraak gemaakt dat dit bestuur de geleden schade zou verhalen op ex-bestuursleden en ex-medewerkers in gevallen waarin dit – mede ter beoordeling van OCW – juridisch haalbaar was te achten. Toen het nieuwe bestuur vervolgens talmde met het overleggen van een terugvorderingplan heb ik de aanwijzingsbevoegdheid ingezet waar ik sinds 1 augustus 2010 over beschik (artikel 163b van de Wet op het primair onderwijs). Naar aanleiding daarvan heeft het bestuur een terugvorderingsplan opgesteld en de advocaat van het bevoegd gezag heeft laten weten dat de ex-bestuursleden en ex-medewerkers inmiddels aansprakelijk zijn gesteld voor de geleden schade.
Vanuit strafrechtelijk perspectief kan in zijn algemeenheid worden gezegd dat wanneer er sprake is van strafbare feiten die hebben geleid tot wederrechtelijk verkregen voordeel voor verdachten, het Openbaar Ministerie mogelijkheden heeft om dit voordeel te ontnemen. Afhankelijk van de specifieke feiten en omstandigheden van het individuele geval beslist het Openbaar Ministerie of een dergelijke ontnemingsvordering wordt ingesteld.
De toename van de groepsgrootte in het basisonderwijs |
|
Metin Çelik (PvdA), Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht van de PO-raad van 15 augustus jl. over de toename van de groepsgrootte in het basisonderwijs?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Is het waar dat de groepsgrootte in het primair onderwijs dit schooljaar met gemiddeld 12 procent zal toenemen als direct gevolg van de bezuinigingen die het afgelopen jaar zijn doorgevoerd? Zo nee, met hoeveel procent zal de groepsgrootte dan toenemen?
Besturen kiezen zelf hoe zij de middelen die ze ter beschikking hebben inzetten voor het onderwijs. Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte. Sinds 2002 wordt de bekostiging van basisscholen gebaseerd op 20 leerlingen per fte voor de onderbouw en 28 leerlingen per fte voor de bovenbouw. Dit betreft een onderbouwing van de opbouw van de bekostiging. Het is aan de schoolbesturen zelf om te bepalen hoeveel en op welke manier zij personeel inzetten. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. De bezuinigingen op bestuur en management en de groeimiddelen die het vorige kabinet heeft doorgevoerd betreffen circa 2% van de bekostiging van basisscholen. De door de PO-raad gesuggereerde stijging van de groepsgrootte met gemiddeld 12% staat niet in verhouding tot deze bezuiniging. Het is mij dan ook onduidelijk waarop de PO-raad haar gegevens baseert.
Is het waar dat de vergoeding voor de materiële instandhouding ver achter blijft bij de werkelijke kosten waardoor geld dat bestemd is voor het primaire proces moet worden gebruikt voor gebouwbeheer, stookkosten en kosten van de elektriciteit? Wat vind u van deze ontwikkeling? Bent u van plan maatregelen te nemen om deze ontwikkeling te stoppen?
De materiële instandhouding kent een jaarlijks wettelijk verplichte indexering. In de Wet op het primair onderwijs is bepaald dat de materiële instandhouding iedere vijf jaar geëvalueerd wordt. De laatste evaluatie is in 2011 afgerond en aan u toegezonden op 26 april 2011 (TK 2010 – 2011, 31 293, nr. 100). Uit deze evaluatie blijkt dat schoolbesturen in de periode 2006 tot en met 2009 4% meer uitgegeven hebben dan zij bekostigd kregen. Dit betreft 0,37% van de totale bekostiging. Gezien de geringe afwijking tussen bekostiging en feitelijke uitgaven zie ik geen reden om tot bijstelling van de bekostiging over te gaan. Schoolbesturen zijn vrij in de besteding van middelen. In de toekenning van de bekostiging wordt onderscheid gemaakt tussen materiële instandhouding en personele bekostiging. Maar voor de schoolbesturen is sprake van één budget waarvoor goed onderwijs gegeven moet worden. Het komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede als scholen bestedingsvrijheid hebben. Ik wil dan ook niet ingrijpen in deze vrijheid van scholen.
Bent u het eens met de conclusie van de PO-raad dat door verschillende bezuinigingen en de hogere uitgaven van de scholen de kwaliteit van het onderwijs steeds verder onder druk komt te staan? Zo ja, hoe gaat u dit de kwaliteit in het onderwijs versterken? Zo nee, waarom niet?
Voor mij is de kwaliteit van het onderwijs leidend. De kwaliteit is voldoende en stijgende, zo constateert de Inspectie in het meest recente onderwijsverslag. Het is mijn ambitie om met kracht door te gaan met de verbetering van deze kwaliteit. Deze ambities en de daarbij behorende concrete beleidsmaatregelen staan beschreven in het Actieplan Basis voor presteren en het Actieplan Leraar 2020- Een krachtig beroep. Door in samenspraak met het onderwijsveld uitvoering te geven aan de actieplannen, werken we aan een versterking van de kwaliteit.
Wat vindt u van de zorgen van de PO-raad dat door de aankomende bezuinigingen op het Passend Onderwijs er niet voldoende geld beschikbaar is om kinderen extra zorg en begeleiding te geven, leerkrachten niet de noodzakelijke bijscholing kunnen krijgen, de taak van het leraarsvak fors wordt verzwaard en minder aantrekkelijk wordt en de kwaliteit achteruit gaat?
De invoering van het nieuwe stelsel passend onderwijs is een grote verandering, die veel vraagt van schoolbesturen, scholen, schooldirecteuren en leraren. Bij de invulling van de bezuiniging op passend onderwijs wordt het reguliere onderwijs zoveel mogelijk ontzien, omdat juist van het reguliere onderwijs veel wordt gevraagd in het nieuwe stelsel passend onderwijs. Bekend is dat niets zo belangrijk is voor de kwaliteit van het onderwijs en de prestaties van leerlingen als goede leraren voor de klas. Zoals in het Actieplan leraar 2020- een krachtig beroep staat investeert dit kabinet in zowel nieuwe als zittende leraren, juist ook ten aanzien van het omgaan met verschillen tussen leerlingen. Leraren zullen meer worden toegerust om op de juiste wijze om te gaan met leerlingen met verschillende zorgbehoeften. Dit zal ook de «gewone» leerlingen en de kwaliteit van het onderwijs ten goede komen.
Op welke termijn heeft u er zicht of de voorspelde vergroting van de klassengrootte daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en bent u bereid de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren?
Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte en kan daarom ook niet de ontwikkeling van de groepsgrootte volgen. Het is een zaak van schoolbesturen, zoals altijd in overleg met de medezeggenschapsraad, hoe zij de beschikbare middelen voor de inrichting van het onderwijs inzetten. Ik richt mij vanuit mijn verantwoordelijkheid op de kwaliteit van het onderwijs.
Het bericht dat klassen in het basisonderwijs uitpuilen |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het artikel dat klassen in het basisonderwijs komend schooljaar een stuk groter zullen zijn dan afgelopen schooljaar?1
Ik kan mij niet vinden in de conclusies van het artikel.
Onderschrijft u de constatering van de PO-raad dat de klassen groter zullen worden na de zomer? Zo nee, waarom niet?
Besturen kiezen zelf hoe zij de middelen die ze ter beschikking hebben inzetten voor het onderwijs. Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte. Sinds 2002 wordt de bekostiging van basisscholen gebaseerd op 20 leerlingen per fte voor de onderbouw en 28 leerlingen per fte voor de bovenbouw. Dit betreft een onderbouwing van de opbouw van de bekostiging. Het is aan de schoolbesturen zelf om te bepalen hoeveel en op welke manier zij personeel inzetten. De Inspectie van het onderwijs houdt toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. De bezuinigingen op bestuur en management en de groeimiddelen die het vorige kabinet heeft doorgevoerd betreffen circa 2% van de bekostiging van basisscholen. De door de PO-raad gesuggereerde stijging van de groepsgrootte van gemiddeld 12% staat niet in verhouding tot deze bezuiniging. Het is mij dan ook onduidelijk waarop de PO-raad haar gegevens op baseert.
Klopt het dat het snijden in het personeelsbestand van scholen onvermijdelijk is door de rijks- en gemeentebezuinigingen van de afgelopen jaren en het gebrek aan compensatie voor bijvoorbeeld gestegen energieprijzen?2
De bezuinigingen op bestuur en management en de groeimiddelen die het vorige kabinet heeft genomen betreffen circa 2% van de bekostiging van basisscholen. De bekostiging van basisscholen is de afgelopen jaren volledig geïndexeerd. De materiële instandhouding kent een jaarlijks wettelijk verplichte indexering. In de Wet op het primair onderwijs is bepaald dat de materiële instandhouding iedere vijf jaar geëvalueerd wordt. De laatste evaluatie is in 2011 afgerond en aan u toegezonden op 26 april 2011 (TK 2010 – 2011, 31 293, nr. 100). Uit deze evaluatie blijkt dat schoolbesturen in de periode 2006 tot en met 2009 4% meer uitgegeven hebben dan zij voor materiële instandhouding bekostigd kregen. Dit betreft 0,37% van de totale bekostiging. Gezien de geringe afwijking tussen bekostiging en feitelijke uitgaven zie ik geen reden om tot bijstelling van de bekostiging over te gaan. Schoolbesturen zijn vrij in de besteding van middelen. In de toekenning van de bekostiging wordt onderscheid gemaakt tussen materiële instandhouding en personele bekostiging. Maar voor de schoolbesturen is sprake van één budget waarvoor goed onderwijs gegeven moet worden. Het komt de kwaliteit van het onderwijs ten goede als scholen bestedingsvrijheid hebben. Ik wil dan ook niet ingrijpen in deze vrijheid van scholen.
Deelt u de mening van de PO-raad dat het onwenselijk is als de klassen in het basisonderwijs steeds groter worden?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk bewijs dat de groepsgrootte van invloed is op de kwaliteit van onderwijs. Het CPB heeft onderzoek gedaan naar toonaangevende wetenschappelijke studies op het gebied van klassengrootte. Een deel van de (quasi) experimentele studies, waaronder die voor Nederland, vindt geen effect van een verandering in de klassengrootte op de leerprestaties. De Inspectie van het Onderwijs heeft in 2006 onderzoek gedaan naar de effecten van maatregelen om klassen te verkleinen. Dit onderzoek wijst uit dat klassenverkleining geen effect heeft op de kwaliteit van het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs beoordeelt de kwaliteit van het primair onderwijs als voldoende. In het Onderwijsverslag over het schooljaar 2009–2010 concludeert de Inspectie onder andere dat het aantal zeer zwakke basisscholen daalt en dat leerlingen op de basisscholen beter presteren. Ik vertrouw op de professionaliteit van de besturen en de schoolteams om bij de inrichting van het onderwijs de juiste keuzes te maken bij de verdeling van de middelen, zodat de kwaliteit gewaarborgd blijft.
Ziet u een risico voor de kwaliteit van het onderwijs met deze steeds groter wordende klassen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik heb geen gegevens over de groepsgrootte. Voor mij is de kwaliteit van het onderwijs leidend. De kwaliteit is voldoende en stijgende, zo constateert de Inspectie in het meest recente onderwijsverslag. Het is mijn ambitie om met kracht door te gaan met de verbetering van deze kwaliteit. Deze ambities en de daarbij behorende concrete beleidsmaatregelen staan beschreven in het Actieplan Basis voor presteren en het Actieplan Leraar 2020- Een krachtig beroep. Door uitvoering te geven aan de actieplannen, in samenspraak met het onderwijsveld, werken we aan een versterking van de kwaliteit.
Klopt het dat u al veel langer weet dat de klassen in het basisonderwijs aan het groeien zijn, als gevolg van bezuinigingen door het rijk? Zo ja, waarom hebt u niet eerder actie ondernomen?
Zie antwoord vraag 5.
Ziet u risico’s in de combinatie van de invoering van het zogenaamde «passend onderwijs» en de groeiende groepsgrootte? Zo neen, waarom niet? Zo ja, welke risico’s?
In de huidige inrichting van de zorg en extra ondersteuning in het onderwijs bestaan verschillende systemen naast elkaar. In het nieuwe stelsel passend onderwijs wordt gestreefd naar één – zo veel mogelijk- integraal systeem, waarbij de nieuwe samenwerkingsverbanden op basis van hun zorgplan verantwoordelijk worden voor de toewijzing van extra ondersteuning en begeleiding. Zij hebben daarin veel meer vrijheid dan nu het geval is ten aanzien van het inzetten van de zorgmiddelen, waardoor meer maatwerk mogelijk is. Daarbij is hetniet zo dat bij de invoering van het nieuwe stelsel passend onderwijs alle leerlingen vanuit het speciaal onderwijs ineens naar het regulier onderwijs moeten. Het speciaal onderwijs blijft gewoon bestaan.
Bent u nog steeds van mening dat de verantwoordelijkheid voor de grotere klassen enkel bij de schoolbesturen ligt?3 Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen om de klassenvergroting te stoppen?
De lumpsumbekostiging is ingevoerd zodat schoolbesturen een integrale afweging van uitgaven en doelen kunnen maken en maatwerk kunnen leveren. Een schoolbestuur doet dat in samenspraak met de directie van een school. Daarnaast speelt ook de medezeggenschapsraad een rol. In samenspraak met directeuren, leraren en medezeggenschapspartners is het schoolbestuur uiteindelijk verantwoordelijk voor de inrichting van het onderwijs en daarbij ook over de organisatie, samenstelling en omvang van de groepen. Ik ga niet ingrijpen in deze inrichtingsvrijheid van schoolbesturen.
Bent u bereid met voorstellen te komen om de klassengrootte te maximeren op 25 leerlingen? Zo ja, wanneer? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 8.
Ouders die een leraar betalen van een bekostigde school |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de artikelen «Ouders betalen leraar»1 en «Ouders gevraagd om geld voor extra leraar»2?
Voor mijn reactie verwijs ik u naar mijn antwoorden op de onderstaande vragen.
Hoe is het idee ontstaan dat ouders allen 300 euro meebetalen aan het salaris van een leerkracht? Kwam dit idee van de ouders of van de school?
Uit contact met het bevoegd gezag is gebleken dat het initiatief vanuit het team en de ouders is gekomen en dat het bevoegd gezag het voorstel heeft overgenomen.
Deelt u de mening van de directeur van basisschool De Basis in het Groningse Mussel dat de kwaliteit van het onderwijs wordt aangetast wanneer er nog maar twee groepen zouden zijn voor de hele basisschool? Zo ja, hoe gaat u voorkomen dat de onderwijskwaliteit wordt aangetast? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet geheel. Het kan voor leraren lastig zijn om aan een combinatiegroep (een samenvoeging van twee of meer leerjaren in één groep) les te geven, maar het is zeker mogelijk. De Inspectie van het Onderwijs wijst er in het Onderwijsverslag 2009/2010 op dat verreweg de meeste kleine scholen ten minste voldoende kwaliteit leveren. Dat geldt ook voor De Basis (zie ook mijn antwoord op vraag 4).
Wel is het zo dat kleine scholen een grotere kans hebben om zwak of zeer zwak te worden. Om die reden heb ik in het actieplan «Basis voor Presteren» aangekondigd dat er een programma komt om kleine scholen te ondersteunen bij het (blijvend) realiseren van een goede onderwijskwaliteit. De doelgroep van dit programma bestaat uit scholen met minder dan vijftig leerlingen. De Basis hoort daar ook toe.
Begrijpt u de wanhoop van de ouders die vrezen voor de kwaliteit van het onderwijs voor hun kinderen? Zo ja, hoe gaat u deze vrees wegnemen?
Ik betreur het als ouders wanhopig zijn en vrezen voor de kwaliteit van het onderwijs. Daar is volgens mij geen reden toe, gelet op de bevindingen van de inspectie. Tijdens een inspectieonderzoek dat op 24 november 2010 is uitgevoerd, heeft De Basis het vertrouwen van de Inspectie van het Onderwijs gekregen. In februari 2011 is op grond hiervan het basisarrangement toegekend. Dit betekent dat het onderwijs op De Basis van voldoende niveau is. Ik hoop dat deze positieve bevindingen de onrust bij de ouders kunnen wegnemen.
Wat is uw oordeel over het feit dat ouders de docent zelf gaan betalen, omdat deze anders wordt wegbezuinigd? Deelt u de mening dat niet de ouders, maar het schoolbestuur moet zorgen voor genoeg leerkrachten? Zo ja, wat gaat u doen? Zo nee, waarom niet?
De rijksbekostiging is toereikend voor het inrichten van het onderwijs op kleine scholen. Deze scholen krijgen relatief meer geld per kind, onder andere vanwege de kleine scholentoeslag.
Het schoolbestuur is verder verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod. Het moet de rijksbekostiging aanwenden voor het onderwijsproces op de school. Dit betekent ook dat men moet zorgen voor voldoende leerkrachten om het onderwijs te geven. Het is daarom niet nodig dat ouders een leraar gaan betalen. Zij kunnen daartoe evenmin verplicht worden gesteld. Het basisonderwijs is immers gratis. Het staat ouders vrij om op vrijwillige basis een ouderbijdrage te geven.
Deelt u de mening dat het onwettig en onaanvaardbaar is dat ouders leerkrachten zelf gaan betalen, aangezien het hier om het primaire onderwijsproces gaat? Wat gaat u doen om deze situatie ongedaan te maken zonder dat de leerlingen er de dupe van worden?
Een bestuur mag aan ouders een extra bijdrage vragen maar dit is te allen tijde op vrijwillige basis. Bovendien dient goedkeuring te worden gevraagd aan de medezeggenschapsraad. Essentiële besluiten met betrekking tot het schoolbeleid, waaronder de vaststelling of wijziging van de hoogte en de bestemming van de ouderbijdrage zijn namelijk onderworpen aan het instemmingsrecht van de (oudergeleding) van de medezeggenschapsraad. Het aanvaarden van extra (ouder)bijdragen voor het aanstellen van een leerkracht moet dan ook deze instemming hebben.
Indien een ouderbijdrage wordt gebruikt voor het aanstellen van een extra leerkracht die ingezet wordt voor het geven van onderwijs, kunnen kinderen van ouders die hieraan niet mee kunnen of willen betalen, hiervan niet worden uitgesloten.
Deelt u de mening dat dit soort oplossingen alleen mogelijk is voor ouders die genoeg geld hebben? Zo ja, hoe voorkomt u dat publieke scholen op deze manier deels privaat worden?
Deze mening deel ik niet. Het basisonderwijs is gratis. Het bijdragen door ouders aan de kosten van een extra leraar is niet nodig, omdat de rijksbekostiging toereikend is.
Wat zijn de voorschriften over de besteding van giften van religieuze instellingen aan scholen? Mogen scholen deze giften inzetten voor zaken die het primaire proces raken, zoals onderwijzend personeel?
Met een groot aantal onderwijspartners is in februari 2009 het convenant «Scholen voor primair en voortgezet onderwijs en sponsoring» afgesloten. Hierin staat opgenomen dat een gift wordt gezien als een donatie. Dat is een geldelijke bijdrage, niet gebaseerd op de onderwijswetgeving en de ouderbijdragen, waarvoor het bevoegd gezag geen tegenprestatie levert.
In het convenant staat opgenomen dat de continuïteit van het onderwijs niet in gevaar mag komen doordat op enig moment sponsormiddelen of donaties wegvallen (art. 6). Het uitvoeren van aan de school wettelijk opgedragen kernactiviteiten, mag niet afhankelijk worden van de extra middelen.
In dit verband merk ik nogmaals op dat de overheid zorgt voor de reguliere bekostiging van de scholen waarmee men in staat is te voldoen aan de wettelijke verplichtingen.
Wanneer kunnen wij uw plannen tegemoet zien om de bevolkingskrimp in goede banen te leiden? Bent u bereid schoolbesturen die te maken hebben met krimp tegemoet te treden wanneer zij vanwege die krimp in financiële moeilijkheden komen?
Op 14 september 2011 heb ik de Tweede Kamer geïnformeerd over de onderzoeksresultaten van het Instituut voor Onderzoek van Overheidsuitgaven over de kostenontwikkeling bij schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs die te maken hebben met krimp. In mijn beleidsreactie, waarnaar ik hier volledigheidshalve verwijs, zet ik uiteen welke maatregelen ik tref op dit thema.
Het bericht 'Onderwijsassistent kan niet begrijpend lezen |
|
Jack Biskop (CDA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Onderwijsassistent kan niet begrijpend lezen»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de resultaten van het Amsterdamse onderzoek, dat nog niet de helft van de onderwijsassistenten op Amsterdamse basisscholen een voldoende haalt voor een toets begrijpend lezen?
Dat vind ik zorgwekkend. Ik vind het dan ook een goede zaak dat de Amsterdamse schoolbesturen bijscholing organiseren ter verbetering van de taalvaardigheid van hun onderwijsassistenten.
In hoeverre acht u de resultaten van het Amsterdamse onderzoek representatief voor het kennisniveau van onderwijsassistenten in de rest van het land?
Omdat het onderzoek alleen in Amsterdam is uitgevoerd, kan ik over de representativiteit geen uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat in het onderzoek door de koepelorganisatie voor Amsterdamse schoolbesturen in het primair onderwijs gebruik is gemaakt van een toets, die aansluit bij de nieuwe exameneisen die vanaf schooljaar 2013–2014 aan mbo'ers worden gesteld? Klopt het dat in de afgelopen jaren in het mbo extra is geïnvesteerd in taal en rekenen? In hoeverre acht u deze extra inzet geslaagd gezien de resultaten van het Amsterdamse onderzoek?
De koepelorganisatie geeft inderdaad aan dat de toets die zij aan de onderwijsassistenten van de basisscholen hebben voorgelegd is afgestemd op de nieuwe exameneisen voor Nederlandse taal in het mbo.
In het mbo wordt inderdaad vanaf 2010 volop geïnvesteerd in taal- en rekenonderwijs. Alle studenten die vanaf 2010–2011 met de mbo-opleiding Onderwijsassistent zijn begonnen, krijgen voortaan taal- en rekenonderwijs dat afgestemd is op de nieuwe referentieniveaus. Vanaf 2013–2014 zullen deze referentieniveaus centraal worden geëxamineerd.
De onderwijsassistenten die in Amsterdam zijn getoetst, hebben nog niet kunnen profiteren van mijn gevoerde beleid. De Amsterdamse onderzoeksresultaten bevestigen wel de noodzaak van het door mij ingezette beleid voor taal en rekenen in het mbo.
Overweegt u op grond van deze onderzoeksresultaten het beleid ten aanzien van het taalonderwijs op het mbo nader aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze dan? Zo nee, waarom niet?
Het tijdpad voor invoering van de referentieniveaus, zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 heb geschetst, getuigt reeds van de hoge prioriteit die ik geef aan een goede beheersing van taal en rekenen.
Ziet u binnen de bestaande kaders mogelijkheden om te zorgen dat onderwijsassistenten die de komende jaren afstuderen een voldoende taal- en rekenniveau hebben? Hoe denkt u dit te gaan bereiken?
Ja, mijn beleid gericht op de referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in het mbo betekent dat onderwijsassistenten die in 2014 hun mbo-diploma behalen, aan de hand van resultaten van centrale examens Nederlandse taal en rekenen, kunnen aantonen over voldoende taal- en rekenvaardigheden te beschikken. Ook de in 2012 of 2013 afgestudeerde onderwijsassistenten hebben taal- en rekenonderwijs achter de rug. Zo hebben deze studenten verplichte schoolexamens Nederlands afgelegd, en hebben zij taal- en rekenonderwijs gehad in het kader van hun beroep en ter voorbereiding op een eventuele doorstroom naar de Pabo.
Op welke wijze denkt u onderwijsassistenten, die in het verleden zijn afgestudeerd, op een voldoende niveau van taal en rekenen te brengen?
Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van hun personeel. Indien wordt geconstateerd dat de onderwijsassistenten werkzaam op een basisschool onvoldoende bekwaam zijn op het terrein van taal en/of rekenen, is het de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om te zorgen voor bijscholing.
Als in hetzelfde bericht wordt aangeduid dat Amsterdam werkt aan een ambitieus plan om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen, onder andere door het verbeteren van het resultaat van de Cito-toets, welke lessen kunnen uit deze aanpak dan worden getrokken voor alle basisscholen en zo mogelijk ook voor het mbo?
De plannen van Amsterdam om de kwaliteit van het onderwijs te verhogen en het resultaat van de Cito-toets te verbeteren sluiten heel goed aan op mijn actieplan Basis voor presteren. Met dit actieplan wil ik stimuleren dat alle basisscholen hogere ambities stellen op het terrein van de leerprestaties en meer opbrengstgericht werken. Ook sluiten de plannen van Amsterdam goed aan bij mijn beleid voor taal en rekenen voor het mbo.
Het bericht dat scholen steeds minder geld over houden |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het bericht dat steeds meer scholen een negatief financieel resultaat hebben?1
Bij brief van 20 januari 2011 (260053) heb ik u geïnformeerd over de financiële jaarcijfers van het primair en voortgezet onderwijs. Hierin heb ik geschetst dat het primair onderwijs in 2009 inderdaad voor het eerst een negatief financieel exploitatie resultaat heeft. Vermindering van opgebouwde vermogens is alleen mogelijk met negatieve exploitatieresultaten. Ik beschouw het daarom niet per definitie als problematisch wanneer scholen tijdelijk een negatief resultaat behalen. Scholen kunnen zo beschikbare middelen uit hun vermogen inzetten voor de onderwijsexploitatie (primair proces, bv extra leerkrachten) of om onderwijsvoorzieningen uit te breiden (bv lesmateriaal, ICT, enz.) waarbij de onderwijskwaliteit op een doelmatige wijze wordt versterkt. Uiteraard is het niet de bedoeling dat instellingen financieel gezien in de gevarenzone terechtkomen. Daarom is het risicogerichte toezicht van de Inspectie van het Onderwijs er mede op gericht tijdig die instellingen te signaleren waarbij zich dat zou kunnen (gaan) voordoen.
Hoe komt het dat het primair onderwijs in zijn geheel 14 miljoen euro meer heeft uitgegeven dan ontvangen? Waar is dit geld aan uitgegeven?
Zoals in bovengenoemde brief is gemeld, is er vooral veel geïnvesteerd in materiële vaste activa als schoolborden, meubels en lesmethoden. Daarnaast merk ik op dat scholen niet altijd goed anticiperen op lange termijnontwikkelingen. Het maken van meerjarenbegrotingen is nog geen gemeengoed binnen het primair onderwijs. Zo kan het gebeuren dat de leerlingenaantallen dalen, terwijl dat zich niet vertaalt in de personele bezetting. Ik zet daarom ook sterk in op het verbeteren van de financiële deskundigheid binnen het primair onderwijs.
Hoeveel van de scholen voor primair onderwijs met een negatief financieel resultaat hebben dit kunnen opvangen met reserves? Voor hoe lange tijd is het opeten van de eigen reserve een optie? Wat is de oplossing voor deze scholen op lange termijn?
De scholen met een negatief exploitatieresultaat hebben dit op kunnen vangen met hun reserves. Scholen in het primair onderwijs hebben, zoals de Commissie Don al constateerde, een relatief ruime vermogenspositie. Zij moeten echter op tijd starten met het maken van de juiste keuzes in relatie tot de financiële positie op de langere termijn om problemen in de toekomst te voorkomen.
Hoeveel scholen hebben een negatief financieel resultaat, maar niet voldoende eigen reserve om het negatieve financieel resultaat op te vangen?
Het komt sporadisch voor dat scholen in financiële problemen komen. Er zijn dan verschillende mogelijkheden. Bijna altijd zoeken scholen naar oplossingen voordat de financiële problemen zover komen, dat ze niet meer op te lossen zijn. Schoolbesturen kunnen gaan samenwerken met anderen of fuseren. Een klein aantal scholen maakt gebruik van schatkistbankieren, maar dat wijst niet noodzakelijkerwijs op financiële problemen. In de afgelopen jaren gaat het om gemiddeld één school per jaar die in de financiële problemen komt.
Hoeveel scholen komen in de problemen door een negatief financieel resultaat? Hoe zijn deze over Nederland verdeeld?
Zie antwoord op vraag 4.
Deelt u de analyse dat de bekostiging voor het primair onderwijs ontoereikend is, nu blijkt dat in 2009 de personele kosten met 9% en de lasten voor huisvesting met 18% zijn gestegen, terwijl de rijksbijdrage slechts met 8% is gestegen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de bekostiging voor het primair onderwijs naar boven bij te stellen, zodat basisscholen zich niet in de schulden hoeven te steken om personeel uit te betalen en de kachel te laten branden in de winter?
Er is onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van de materiële kosten in relatie tot de ontwikkeling van de bekostiging. Daarnaast laat ik onderzoeken wat de ontwikkeling is geweest van de gemiddelde personeelslast waarop de personele bekostiging is gebaseerd en de daadwerkelijke loonkosten. Over de resultaten van deze onderzoeken zal ik u in mijn brief die ik tijdens het AO over de lumpsumbekostiging heb toegezegd informeren. Deze brief is op 26 april jongstleden aan u toegezonden.
Hoe lang kunnen de tekorten in het primair en voortgezet onderwijs nog worden opgevangen door rente-inkomsten over opgebouwde reserves?
Het is aan de onderwijsinstellingen om tijdig maatregelen te nemen die de financiële continuïteit waarborgen. De Inspectie van het Onderwijs houdt er toezicht op wanneer een instelling op grond van de daartoe geëigende kengetallen in de gevarenzone zou kunnen verkeren. Ik ben van mening dat de hoogte van de lumpsum toereikend is om dat op verantwoorde wijze te kunnen doen. Het is belangrijk dat de sector de financiële deskundigheid bevordert. Ik ben in gesprek met de PO-Raad daarover en constateer dat het Plan van Aanpak «Eerst kiezen, dan delen» een goede stap voorwaarts is. Scholen moeten beter in staat zijn om meerjarenbegrotingen te maken, om daarmee hun personeelsplanning en financiële planning beter vorm te geven in relatie tot opbrengst gericht werken.
Hoe doorbreekt u de trend dat steeds minder scholen in het primair en voortgezet onderwijs een positief financieel resultaat halen, aangezien dit aantal tussen 2006 en 2009 is gedaald van driekwart van alle scholen naar nog maar de helft?
Van een trend die doorbroken moet worden is geen sprake. Gemiddeld gesproken is het niet gewenst als een sector meerjarig een positief financieel resultaat laat zien, want dat zou betekenen dat structurele middelen die zijn bedoeld voor het onderwijs niet daaraan besteed worden. Overigens geldt voor nagenoeg alle onderwijsinstellingen dat zij niet in financiële problemen verkeren en kwalitatief goed onderwijs leveren.
Bent u bereid meer geld in het onderwijs te investeren voordat nog meer scholen en daarmee de onderwijskwaliteit in de problemen komen door tekortschietende financiering vanuit het rijk? Zo nee, waarom laat u het onderwijs aan haar lot over?23
Zoals hiervoor aangegeven is er geen sprake van een tekortschietende financiering. De meeste scholen komen goed uit met de beschikbare middelen. Daarnaast zijn er scholen die tekenen vertonen van «ruime» middelen – en daarnaar doet de Inspectie van het Onderwijs nader onderzoek naar aanleiding van het rapport van de commissie Don – en scholen die tekenen vertonen van «krappe» middelen. De lumpsumbekostiging betekent dat scholen zelf verantwoordelijk zijn voor hun financiële huishouden. Daar hoort bij dat zij keuzes en een meerjaren begroting moeten maken. Ik merk te vaak dat dit niet gebeurt. Daardoor hebben scholen meer leerkrachten in dienst, dan je op grond van hun leerlingenaantallen zou verwachten. Daarom investeer ik ook in het verbeteren van de financiële deskundigheid.
Basisschool As Siddieq |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State1 inzake de bekostiging van basisschool As Siddieq?
Ja.
Bent u van mening dat artikel 8, derde lid van de Wet op het primair onderwijs onvoldoende houvast biedt om scholen die integratie belemmeren aan te kunnen pakken?
Gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (hierna: de Afdeling) moet onderscheid worden gemaakt tussen de situatie dat een school, naar het oordeel van de inspectie, onvoldoende doet aan integratie en de situatie dat een school passief blijft of integratie zelfs belemmert.
Volgens de uitspraak volgt uit de wetsgeschiedenis dat de burgerschapsbepaling in artikel 8, derde lid, onder b van de Wet op het primair onderwijs (WPO) scholen een grote vrijheid laat bij het vormgeven van de doelstellingen van burgerschapsvorming en integratie. Het bevoegd gezag handelt volgens de Afdeling alleen in strijd met die bepaling indien het op geen enkele wijze gestalte heeft gegeven aan onderwijs dat mede is gericht op het bevorderen van actief burgerschap en sociale integratie. Wanneer de inspectie zou constateren dat een school passief blijft in zijn burgerschapsopdracht, dat wil zeggen helemaal niets zou doen, zou er volgens de uitspraak dus grond zijn voor een bekostigingssanctie.
Indien een school – zoals in de vraag vermeld – integratie zou belemmeren of tegenwerken, is mijns inziens sprake van een situatie die een ernstiger wetsovertreding oplevert dan een situatie waarin een school in het geheel niets doet aan burgerschapsvorming. Uitgaande van de uitspraak kan dus ook en zeker in die situatie een bekostigingssanctie worden opgelegd.
Resumerend ben ik daarom van mening dat de huidige burgerschapsbepaling, mede gezien de uitspraak van de Afdeling, voldoende houvast biedt om scholen aan te kunnen pakken die integratie belemmeren.
Voor een goed begrip wijs ik erop dat de As Siddieq-school niet tot deze categorie scholen behoorde. De school kreeg een sanctie opgelegd omdat de school de burgerschapsvorming onvoldoende invulde. De inspectie oordeelde niet dat de school de burgerschapsbepaling in het geheel niet naleefde of integratie belemmerde.
Bent u van mening dat in toekomstige soortgelijke rechtszaken, in het geval een school die integratie belemmert en waar u wil ingrijpen, een beroep moet worden gedaan op artikel 9 eerste en tweede lid2 in samenhang met de daarop gebaseerde kerndoelen of dat er een omissie in de wetgeving bestaat?
Indien zich in de toekomst een rechtszaak zou voordoen, waarbij een school integratie belemmert, biedt de burgerschapsbepaling naar mijn mening een voldoende grondslag voor toepassing van een bekostigingssanctie. Ik verwijs in dit verband naar mijn antwoord op vraag 2.
Bent u van mening dat de uitspraak van de Raad van State op een verkeerde argumentatie in uw Besluit wijst of op een omissie in de wet?
Het besluit van mijn voorganger berustte, naast de burgerschapsbepaling, mede op de aan burgerschapsvorming gerelateerde kerndoelen als bedoeld in artikel 9 van de WPO. De Afdeling heeft er echter op gewezen dat scholen beleidsvrijheid hebben bij de invulling van het in de wet neergelegde algemene uitgangspunt van burgerschapsvorming en sociale integratie. Deze vrijheid mag niet worden beknot met aan burgerschapsvorming gerelateerde kerndoelen. Daarvoor biedt de wet namelijk geen grondslag. Mijns inziens zou het voor de uitspraak geen verschil hebben gemaakt als het besluit explicieter op de genoemde, en globaal geformuleerde, kerndoelen was gebaseerd.
Zoals ik in het antwoord op vraag 2 al heb aangegeven, biedt de wet een basis voor het sanctioneren van scholen die niets doen aan de burgerschapsopdracht of deze tegenwerken. In die gevallen kan dus niet worden gesproken van een omissie in de wet.
Bent u van mening dat deze specifieke uitspraak betekent dat een minister in zijn algemeenheid, zoals besproken in het debat over segregatie en integratie in het onderwijs3, wellicht onvoldoende instrumenten heeft om in te grijpen op die scholen die integratie belemmeren? Zo ja, bent u bereid om de (aangehouden) motie van de leden Elias en Sterk4 alsnog uit te voeren om op zoek te gaan naar de eventueel noodzakelijke instrumenten?
Zoals ik in antwoord op vraag 2. reeds heb uiteengezet, ben ik van mening dat ik over voldoende instrumenten beschik om in te grijpen op die scholen die integratie belemmeren.
Islamitische scholen die slechter scoren |
|
Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel ´Islamitische basisscholen scoren slechter»?1
Ja.
Deelt u de visie dat het zorgelijk is dat van de islamitische scholen drie op de vier scholen een voldoende scoren, 20 procent als zwak wordt beoordeelt en 7,5 procent zelfs als zeer zwak? Zo nee, waarom niet?
Ik deel die mening in zoverre, dat ik elke school die onvoldoende kwaliteit levert zorgelijk vind. Dat geldt voor alle scholen, ongeacht de denominatie van de school. Bij de percentages moet overigens bedacht worden, dat het om een relatief klein aantal scholen gaat. Op de peildatum die de inspectie in haar berichtgeving hanteert (1 september 2010) waren er 3 scholen op islamitische grondslag zeer zwak. In het meest recente overzicht van de inspectie (peildatum 1 maart 2011) zijn dat er nog 2.
In dit verband wijs ik graag op de positieve ontwikkeling die het islamitisch basisonderwijs doormaakt. In een jaar is het percentage islamitische basisscholen met ten minste voldoende kwaliteit gestegen van circa 60% naar iets meer dan 70%. Ik ben trots op de scholen die die verbetering gerealiseerd hebben. De Islamitische Besturenorganisatie (ISBO) heeft aan die verbetering bijgedragen met de Kwaliteitsaanpak Islamitisch Onderwijs. Deze aanpak, die ik ondersteun, wordt ook de komende jaren nog voortgezet. Daarmee toont het islamitisch basisonderwijs aan dat ze de kwaliteitsopdracht serieus neemt en dat ze er alles aan doet om waar nodig de kwaliteit te verbeteren. Dit neemt niet weg dat ik niet zal aarzelen om in te grijpen als de onderwijskwaliteit onder de maat is.
Wist u dat, ondanks dat islamitische scholen vaker een voldoende scoren, ze toch nog ver achterblijven bij andere scholen? Deelt u de mening dat dit maar weer eens aantoont dat islamitische scholen er niet in slagen onderwijs aan te bieden volgens de Nederlandse maatstaven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat islamitisch onderwijs niet past in Nederland, omdat het onze westerse kernwaarden afwijst en een isolerend karakter heeft? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Het Nederlandse onderwijsbestel biedt ruimte aan scholen op islamitische grondslag, zoals het ruimte biedt aan bijvoorbeeld katholiek, protestants-christelijk, reformatorisch of joods-orthodox onderwijs. Uw stelling dat het islamitisch onderwijs anti-westers en isolerend zou zijn deel ik evenmin. Alle scholen, ongeacht hun grondslag, hebben zich te houden aan de wettelijke regels van onze democratische rechtsstaat. Indien een school hierin tekortschiet tref ik maatregelen.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen ten einde islamitische scholen in Nederland te sluiten?
Ik heb geen voornemens om de bekostiging van scholen in te trekken, omdat ze islamitisch zijn. Wel is het zo dat scholen die langdurig onvoldoende kwaliteit leveren geconfronteerd zullen worden met intrekking van de bekostiging of sluiting. Ik verwijs hiervoor naar mijn brief over zeer zwakke scholen van 10 februari 2010 (Kamerstukken II 2010/11 31 293, nr. 86).
De financiering van de functiemix van leraren |
|
Jeroen Dijsselbloem (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Is het waar dat de gemiddelde personeelslast (GPL) voor 2010–2011 in het primair onderwijs verhoogd is met 0,093% en dat dit percentage gebaseerd is op de totale kosten die de invoering van de functiemix voor de gehele sector met zich mee brengt?
Met ingang van 1 augustus 2010 is ten opzichte van het schooljaar 2009–2010 de gemiddelde personele last (GPL) voor de personeelscategorie leraar in het Primair Onderwijs aangepast in verband met de maatregelen uit het Convenant Leerkracht van Nederland (Staatscourant, 14 april 2010, nr. 5854). Het ging daarbij om een verhoging van 0,463% voor de verdere inkorting van de carrièrelijnen èn voor de invoering van de landelijke functiemix. Door de onderlinge samenhang van de maatregelen uit het Convenant LeerKracht is een uitsplitsing naar maatregel niet te geven. Het percentage van 0,463% is gebaseerd op een raming van de kosten van de maatregelen voor de PO-sector (Onderwijsarbeidsmarktramingen).
In 2009 is de GPL verhoogd in verband met de toekenning van een toelage aan de leerkrachten op het einde van hun schaal en een eerste inkorting van de carrièrelijnen.
De in de vraag vermeldde 0,093 % is de geschatte verhoging, specifiek en alleen ten behoeve van de functiemix ingaande 1 augustus 2010 (en dus niet die per 1 januari 2011) en maakt onderdeel uit van de 0,463%.
Hoeveel leerkrachten, aangegeven per LA-trede, zijn met ingang van schooljaar 2010–2011 gepromoveerd naar de hogere LB-schaal?
In oktober 2009 werden in het BAO 2113 leerkrachten in salarisschaal LB betaald (omgerekend 1626 fte), in oktober 2010 waren dit 7376 leerkrachten (5753 fte). Per saldo is het aantal leerkrachten in salarisschaal LB dus met 5263 toegenomen (4127 fte). Het aandeel LB in het totale arbeidsvolume leerkrachten is daarmee toegenomen van 1,9 naar 6,7 procent.
De toename was verspreid over alle periodieken van salarisschaal LB.
Kent u de signalen vanuit het onderwijsveld dat met name meer ervaren leerkrachten promoveren naar een LB-schaal, waardoor de loonkosten voor schoolbesturen gemiddeld hoger zijn dan de gemiddelde loonkostenverhoging waar het ministerie van Onderwijs bij de invoering van uit ging?
Ja, de signalen uit het onderwijsveld, dat de gemiddelde loonkostenverhoging voor de functiemix hoger uitvalt dan het financieel kader in het Convenant Leerkracht van Nederland, zijn bekend, evenals het signaal dat het promoveren naar een LB-schaal van meer ervaren leerkrachten een van de oorzaken is van die hogere kosten. De uitwerking van de promotiecriteria en het promotiebeleid, en daarmee de keuze om meer ervaren leerkrachten te promoveren, is aan de schoolbesturen en de scholen.
OCW gaat over deze signalen in gesprek met de medeondertekenaars van het convenant.
Hoeveel is daadwerkelijk de gemiddelde personeelslast voor 2010–2011 toegenomen?
Een inschatting van de ontwikkeling van de (gerealiseerde) personeelslasten in 2010 of 2011 is op dit moment niet beschikbaar. De Dienst Uitvoering Onderwijs verwerkt momenteel de door salarisverwerkers (Raet, ADP, Merces, Centric, etc.) aangeleverde financiële gegevens over het kalenderjaar 2010.
Zijn er verschillen te zien tussen de personeelslasten van verschillende schoolbesturen en is er een verschil tussen kleine en grote schoolbesturen?
Zie ook het antwoord op vorige vraag. Er is op dit moment geen inschatting beschikbaar van de personeelslasten naar omvang van het schoolbestuur.
Met betrekking tot de te realiseren percentages zijn voor kleine schoolbesturen en scholen aanvullende afspraken gemaakt met de PO-Raad en de vakbonden.
Is het waar dat, doordat de kosten lineair toenemen, de gemiddelde personeelslast de komende jaren flink omhoog gaat?
Ja, de gemiddelde personeelslast gaat in het kader van de beloningsmaatregelen uit het Convenant LeerKracht van Nederland de komende jaren flink omhoog. Ook de bekostiging door OCW in het kader van het convenant (functiemix, kortere salarislijnen, schaaluitloopbedrag, verbetering salarispositie adjunctdirecteuren, toelage directeuren) loopt op: in 2010 € 176 miljoen, in 2015 € 257 miljoen, oplopend tot € 311 miljoen vanaf 2019. Deze bedragen zijn hoger dan de bedragen die zijn opgenomen in het convenant in verband met loonbijstellingen tot en met 2009.
Blijft het uitgangspunt dat 75% van de toename van de personeelslasten via de lumpsum moet worden vergoed, ook op langere termijn?
In het Convenant Leerkracht van Nederland hebben de sociale partners voor de sector primair onderwijs afgesproken dat, naast een bijdrage uit de convenantsmiddelen, de werkgevers vanuit de Van Rijn-middelen 25% zullen bijdragen aan de invoering van de functiemix. Deze afspraak vormt de basis voor het financieel kader voor het primair onderwijs, zoals vastgelegd in het convenant: in 2009 € 122 miljoen, in 2010 € 163 miljoen, in 2011 € 186 miljoen, in 2012 € 238 miljoen en in 2020 € 389 miljoen. Deze bedragen blijven het uitgangspunt.
Het gaat hierbij om het financieel kader voor alle maatregelen in het convenant met betrekking tot het primair onderwijs (functiemix, kortere salarislijnen, schaaluitloopbedrag, verbetering salarispositie adjunctdirecteuren, toelage directeuren). De feitelijke bedragen (zie antwoord op vraag 6) zijn hoger dan de bedragen die zijn opgenomen in het convenant in verband met loonbijstellingen tot en met 2009.
Politiek gekleurde informatie verspreid onder ouders van leerlingen op de Christelijke Basisschool Het Klinket te Arnhem |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Heeft u kennisgenomen van de brief getiteld «Protesteer mee tegen bezuinigingen op passend onderwijs» die verspreid is onder de ouders van leerlingen op de Christelijke Basisschool Het Klinket, waarin de schoolleider Loes Hilderink van de betreffende school oproept tot protest tegen de bezuinigingen op het passend onderwijs?1
Ja.
Deelt u de opvatting van de school dat de brief een onjuiste weergave van feiten inzake het kabinetsbeleid met betrekking tot passend onderwijs geeft en daarmee een eenzijdige en politiek gekleurde boodschap bevat?
In betreffende brief wordt uitgegaan van twee onjuiste veronderstellingen over de plannen op het passend onderwijs. Ten eerste wordt gesteld dat er door de bezuinigingen «... voor tienduizenden leerlingen geen plaats meer zal zijn in het speciaal onderwijs.» De capaciteit van de huidige bijna 70 000 plekken blijft bij de invoering van passend onderwijs echter bekostigd. Wel wordt deze bekostiging in het speciaal onderwijs iets lager met als gevolg dat daar de klassen gemiddeld 10% groter worden.
In de brief wordt verder aangegeven dat reguliere basisscholen «... meer zorgleerlingen krijgen, die eigenlijk niet geholpen kunnen worden in de basisschool en ook niet meer doorverwezen kunnen worden naar het speciaal basisonderwijs». Dit is onjuist. Het geld van de huidige rugzakjes voor extra begeleiding blijft bij het reguliere onderwijs. Hier wordt niet op bezuinigd. Daarnaast ontvangen reguliere scholen extra geld om begeleiding van zorgleerlingen op maat in te richten. Verder blijft het mogelijk leerlingen door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. De school van aanmelding kan ervoor kiezen om onderwijs op de eigen school aan te bieden, maar kan ook een aanbod doen bij een andere school of in het speciaal onderwijs.
Om dit soort misverstanden te voorkomen en weg te nemen heb ik besloten alle scholen op verschillende manieren te informeren over mijn plannen. Zoals ik in het vragenuurtje op 8 maart heb aangegeven, ga ik alle schoolbesturen, scholen en medezeggenschapsraden in het primair onderwijs een brief sturen over de voorstellen passend onderwijs. Hiermee wil ik de verkeerde beelden in de media rechtzetten. Verder houd ik het veld op de hoogte via de nieuwsbrief van de directie Primair Onderwijs. Ook is op de website van de Rijksoverheid een onderwerp «passend onderwijs» aangemaakt waar mensen actuele informatie kunnen vinden: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs
Deelt u de opvatting dat een schoolleider geen eenzijdige politieke boodschappen behoort te verspreiden in en om een school?
Zoals ik u op 11 februari 2011 heb aangegeven in mijn antwoord aan de leden Wilders, Bosma en Beertema is de taak van de directeur van een school omschreven in artikel 29, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs (WPO): «Bij de directeur van een school berust, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding van een school.» Op grond van de artikelen 30a en 31 van de WPO kan het bevoegd gezag hem bij wet opgedragen taken en bevoegdheden delegeren of mandateren aan (onder andere) de directeur.
Tot de bovengenoemde, al dan niet gedelegeerde of gemandateerde, taken van de directeur behoort uiteraard niet het uiten van een mening over een politieke partij. Dat neemt niet weg dat het de directeur in beginsel vrijstaat zijn mening te uiten over zaken die niet met die taken in verband staan. Zoals bekend is het uiten van een mening immers vrij, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Het betreft hier een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet.
Heeft u kennisgenomen van het feit dat zowel tijdens de Nationale Voorleesdag op 19 januari 2011 als tijdens de Warme Truiendag op 4 februari 2011 de Arnhemse SP-Wethouder Blijenberg op uitnodiging deze basisschool bezocht, terwijl andere politici de school in die periode niet bezochten?2 Lijkt hiermee volgens u «Het Klinket» een wel erg eenzijdig politiek podium te bieden, waarvan geen sprake behoort te zijn?
Ja, van dit feit heb ik kennis genomen.
In Arnhem is mevrouw Blijenberg Wethouder onderwijs en jeugd. Op de Nationale Voorleesdag en de Warme Truiendag bezochten in diverse gemeenten betrokken wethouders scholen in het land, zo ook binnen Arnhem. Verder staat het scholen vrij om te beslissen wie zij uitnodigen.
Heeft u kennisgenomen van het bericht «School roept ouders op tot verzet tegen kabinet»3 waarin het schoolbestuur aangeeft dat het niet aan de school is om stemadviezen te geven, maar desondanks niet aangeeft de brief hierin te zullen trekken? Hoe beoordeelt u het handelen van het schoolbestuur?
Ja, ik heb kennis genomen van het bericht.
Voor mijn antwoord verwijs ik naar vraag 3.
Het ontslag van conciërges op basisscholen |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Halbe Zijlstra (staatssecretaris onderwijs, cultuur en wetenschap) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de zorgwekkende signalen uit het onderwijsveld dat mogelijk op korte termijn massaontslagen zullen vallen bij conciërges?
Ik heb vernomen dat enkele gemeenten het voornemen hebben om de subsidies voor o.a. ID banen stop te zetten. Het gaat hier om gemeentelijk beleid.
Bent u ervan op de hoogte dat dit voor een groot deel wordt veroorzaakt doordat de huidige financiële regeling waarmee conciërges op verschillende scholen worden betaald, spoedig zal verdwijnen?
Scholen financieren hun conciërges vanuit twee geldstromen: een vanuit de gemeente en een vanuit OCW.
Het is mij bekend dat een aantal gemeenten de inzet van hun middelen voor de ID-banen heroverwegen of reeds gestopt hebben.
De door OCW beschikbaar gestelde conciërge regeling eindigt in augustus 2012.
Binnenkort ontvangt u een brief over de herziening van het subsidiebeleid. Hierin worden ook voorstellen geformuleerd over het inzetten van middelen ten behoeve van de conciërgeregeling.
Kunt u uitleggen hoe het komt dat het aantal ondersteunende functies binnen het primair onderwijs is toegenomen? Kunt u aangeven welk soort ondersteunende functies het betreft en welke werkdruk die functies opleveren en bij wie?
De scholen in het primair onderwijs bepalen zelf hun personeelsbeleid en naar welke ondersteunende functies hun prioriteit uitgaat. Dit is met de introductie van de lumpsum financiering ook zo geregeld. Het benaderen van de scholen voor specifieke informatie hierover zou leiden tot ongewenste toename van administratieve lastendruk en ligt niet voor de hand.
Denkt u dat de toename van de ondersteunende functies ligt aan het feit dat de administratieve lastendruk van de leerkrachten is toegenomen?
Ik heb geen indicatie dat dit het geval is.
Erkent u de meerwaarde van de ondersteunende functies binnen het primair onderwijs? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen om het voor de scholen meer dragelijk te maken? Zo nee, wat gaat u ondernemen om de administratieve lasten te verlichten?
Ja, ik acht ondersteunende functies van belang, de scholen bepalen hier echter zelf hun eigen personeelsbeleid.
Overigens heeft het ministerie van OCW de afgelopen jaren actief ingezet op vermindering van de administratieve lasten voor scholen onder meer door invoering van het risicogericht inspectietoezicht, invoering van het Basisregister Onderwijsnummer en de versimpeling van de verzuimmelding.
Kunt u uitleggen waarom u in een reactie op eerdere vragen1 aangaf dat er fors wordt geïnvesteerd in extra conciërges en administratieve krachten terwijl in de praktijk, zo blijkt nu weer, ontslagen vallen of dreigen te vallen omdat er geen budget meer is voor de uitbetaling van salarissen voor de conciërges in bijvoorbeeld de gemeente Apeldoorn?2
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid maatregelen te treffen om de dreigende massaontslagen van conciërges tegen te houden zodat zij binnen het onderwijs kunnen worden behouden?
In mijn antwoord op uw vraag 2 ben ik hier nader op ingegaan.
Het ontbreken van vrije schoolkeuze voor ouders in stadsdeel Amsterdam-West |
|
|
|
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Gedoemd tot zwarte school»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de kern van ons onderwijssysteem de vrije schoolkeuze van ouders is en dat het schoolbeleid in stadsdeel Amsterdam-West, waarbij leerlingen op basis van postcode over scholen worden verdeeld, met deze vrijheid in strijd is? Zo nee, waarom niet?
Ik sta als minister pal voor de vrijheid van onderwijs en de vrije schoolkeuze van ouders. De door u aangehaalde casus is een initiatief van de schoolbesturen in het stadsdeel geweest, die op basis van vrijwilligheid samenwerken. Bijzondere scholen hebben de bevoegdheid tot het vaststellen van een toelatingsbeleid op denominatieve of andere gronden.
Navraag bij de gemeente Amsterdam heeft uitgewezen dat ouders een verzoek tot heroverweging kunnen indienen als de ouder van mening is dat de regels die gelden voor het plaatsen niet juist zijn toegepast en/of plaatsing op de toegewezen school buitengewoon onbillijk uitwerkt.
Tenslotte kunnen ouders zich eventueel tot de rechter wenden.
Deelt u de mening dat wetenschappelijk steeds vaker vastgesteld wordt, dat een zwarte school niet slechter presteert dan zogeheten «gemengde» scholen? Zo nee, waarom niet?
Het klopt dat er in de wetenschap geen eenduidigheid is over de positieve effecten van het mengen van scholen op de schoolprestaties.
Over welke middelen beschikt u om het beleid van het stadsdeel Amsterdam-West een halt toe te roepen? Bent u bereid deze middelen in te zetten? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Ik heb geen bevoegdheid om in te grijpen in het toelatingsbeleid van schoolbesturen. Het gaat hier om een lokaal initiatief. Als minister van OCW wil ik ervoor zorgen dat scholen goed presteren. Daar sta ik voor. Door voor- en vroegschoolse educatie, schakelklassen, verlengde onderwijstijd etc. wil ik de kwaliteit van het onderwijs verbeteren. Ik vind het, mits dit gebeurt binnen de kaders die de wet stelt, te waarderen dat er daarnaast lokale initiatieven zijn, die van onderop (met betrokkenheid van ouders, schoolbesturen en gemeenten) proberen om leerlingen van verschillende komaf samen naar school te laten gaan.
Bent u bereid deze vragen voor het te plannen plenair debat over de kabinetsreactie op basis van de inaugurele reden van Prof. dr. Dronkers inzake de effecten van etnische diversiteit op onderwijsprestaties te beantwoorden?2
Ja.
Spreidingsbeleid |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u bevestigen dat uw beleid niet langer gefocust is op zwarte scholen maar op zwakke scholen?1 Hoe wilt u omgaan met lokale overheden die desondanks aan vormen van «postcodebeleid doen»? In hoeverre belemmert dit soort gedwongen spreidingsbeleid de vrije schoolkeuze?2
Ik hecht aan de vrijheid van onderwijs. Ik ben er, mits dit gebeurt binnen de kaders die de wet stelt, niet op tegen dat er lokale initiatieven zijn, die van onderop proberen om leerlingen van verschillende komaf samen naar school laten gaan.
Het aan kinderen opdringen van een eenzijdige klimaattheorie |
|
Richard de Mos (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de acties «Warme Truiendag» en «Yes-Young Specialists», alsmede de uitzending van het Jeugdjournaal op 26 januari jongstleden?
Ja.
Deelt u de mening dat het klimaatdebat nog volop gaande is, waardoor het onwenselijk is dat kinderen een eenzijdige klimaattheorie krijgen opgedrongen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan scholen zelf van welke leermiddelen zij gebruik maken. Ik verwijs u kortheidshalve naar het antwoord van staatssecretaris Atsma (Infrastructuur en Milieu), kamerstuk 675van 2 december 2010 op de vragen van de leden De Mos en Beertema (beiden PVV) aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, de minister Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie over het bericht «Wateratlas vertelt groot verhaal» (ingezonden 9 november 2010).
Bent u van mening dat scholen moeten afzien van meedoen aan deze indoctrinatie en hun aandacht beter kunnen besteden aan kinderen fatsoenlijk leren lezen en rekenen? Zo nee, waarom niet?
Zie de beantwoording van vraag 2.
Hoeveel rijkssubsidie is er gereserveerd voor beide klimaatalarmistische acties? Zijn er meer van dit soort projecten gepland of lopend? Bent u bereid deze subsidies te beëindigen? Zo nee, wilt u er tenminste voor zorgen dat klimaatvoorlichting evenwichtig wordt?
De actie «Warme Truiendag» wordt uitgevoerd door de Vereniging Klimaatverbond Nederland, zij hebben in 2011 geen rijkssubsidie ontvangen voor deze actie.
Het project «Yes! Young European Specialists» wordt deels gefinancierd door het Europafonds van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Het is een van de projecten die door de organisatie WorldSchool – gericht op internationalisering van het onderwijs – wordt uitgevoerd met als doel om samen met onder meer het Instituut Clingendael, Europarlementariërs en Universiteiten leerlingen te laten participeren in onderzoeksopdrachten over Europese onderwerpen, gerelateerd aan klimaat en energie.
Zie verder de beantwoording van vraag 2.
De IQ-grens voor begeleiding |
|
Agnes Wolbert (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «IQ-maatregel getuigt van politieke domheid»?1
Ja.
Deelt u de mening van de Inspectie voor de Gezondheidszorg2 dat voor mensen met een licht verstandelijke beperking of mensen die zwakbegaafd zijn, niet het IQ, maar de problemen en beperkingen waarmee zij te maken hebben bepalen of zij zorg nodig hebben?
De hoogte van het IQ bepaalt inderdaad niet uitsluitend of iemand zorg nodig heeft. Dat wordt bepaald door de beperkingen en problemen die iemand heeft om te kunnen functioneren in het dagelijks leven. De problemen waar iemand mee kampt, bepalen dus de zorgbehoefte. De gebruikte IQ-grenzen bepalen wel mede of iemand voor AWBZ-zorg in aanmerking komt of op zorg vanuit een ander kader is aangewezen. In die zin verschil ik dus niet van mening met de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
Kunt u een overzicht geven van de groep mensen die door de kabinetsmaatregel om begeleiding voor mensen met een IQ >70 niet meer uit de AWBZ te vergoeden, zoals uw staatssecretaris heeft toegezegd op 10 november 2010? Om hoeveel mensen gaat dit? Welk deel van hen is jonger dan 18? Met welke problematiek hebben deze mensen te maken? Welk deel van deze mensen heeft te maken met lichamelijke, psychische, psychiatrische of verslavingsproblematiek?
Op dit moment laat ik onderzoek doen naar de omvang van de groep cliënten met een IQ tussen de 70 en 85 die gebruikmaken van AWBZ-zorg. Het onderzoek richt zich op zowel jongeren als volwassen. Ook wordt meegenomen welke zorgvraag deze mensen hebben en van welke AWBZ-zorg ze gebruik maken. Ik verwacht in april 2011 het eindrapport en zal u dan nader informeren.
Kunt u aangeven wat de gevolgen van deze kabinetsmaatregel zijn voor de jeugdzorg, zoals uw staatssecretaris heeft toegezegd op 10 november 2010?
Een deel van de groep met een IQ tussen 70 en 85 betreft jongeren. Sommige jongeren zouden een beroep kunnen gaan doen op jeugdzorg. Het onderzoek, waar ik ook in mijn antwoord op vraag 3 naar verwijs, zal ook duidelijkheid geven over de omvang van de groep jongeren.
Kunt u een overzicht geven van de cumulatieve gevolgen van het kabinetsbeleid waarmee deze groep mogelijk te maken krijgt? Op welke manier valt het schrappen van begeleiding uit de AWBZ, bezuinigingen op Wajong, de bezuinigingen in de jeugdzorg, de «bijstelling» van het passend onderwijs en het korten van het Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo-budget samen op het bordje van zwakbegaafde mensen?
De positie van kwetsbare jongeren heeft mijn bijzondere aandacht. Verschillende maatregelen in het Regeerakkoord beïnvloeden de positie van kwetsbare jongeren. Om die reden heb ik met mijn collega’s van OCW, SZW en VenJ afgesproken de genoemde maatregelen uit het Regeerakkoord in nauwe afstemming uit te werken.
Zwakbegaafde mensen kunnen van de door u genoemde regelingen gebruik maken, veelal zonder de voor hen zo noodzakelijke integrale aanpak. Daarom biedt de decentralisatie van onder meer de jeugdzorg, de AWBZ-begeleiding en de Wajong naar gemeenten kansen voor het realiseren van een meer samenhangend onderwijs-zorg-arbeidsmarktbeleid op lokaal en regionaal niveau. Door financiering en regie in één hand te leggen kan efficiënter worden samengewerkt door alle partijen, ook als het gaat om kwetsbare jongeren. Het Rijk zal gemeenten hierbij actief en in samenhang ondersteunen, waarbij het realiseren van een integrale benadering, met name voor jongeren, centraal staat.
Wat is uw reactie op de vrees van gemeenten dat zij door gebrek aan expertise en financiële middelen vanuit de Wmo niet de nodige zorg kunnen bieden aan mensen die bij het wegvallen van begeleiding bij hen aankloppen?
Op dit moment is het kabinet in overleg met de gemeenten over een zogenaamd hoofdlijnenakkoord. Deze onderwerpen zijn daar onderwerp van gesprek.
Uiteraard zorg ik samen met de VNG voor een zorgvuldig implementatietraject richting cliënten, gemeenten en aanbieders zodat mensen die niet zelfstandig kunnen participeren adequaat ondersteund worden.
Hoeveel mensen zullen door het wegvallen van begeleiding niet meer zelfstandig kunnen wonen, zullen aangewezen zijn op intramurale zorg of zullen ontsporen, met alle gevolgen van dien?
Met de integrale aanpak zoals ik die voorsta, wil ik voorkomen dat mensen met een IQ tussen de 70 en 85 tussen wal en schip vallen. Dit doe ik door samen met gemeenten, jeugdzorg en onderwijs de implementatie zorgvuldig vorm te geven. In het Regeerakkoord is er ook rekening mee gehouden dat hier extra middelen voor kunnen worden ingezet.
De kaalslag op de scholen in Noord Nederland |
|
Tjeerd van Dekken (PvdA), Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kaalslag op lagere scholen in Noorden»? Zo ja, wat is uw reactie hierop?1
Ja, zie voor mijn reactie de beantwoording van de volgende vragen.
Deelt u de mening dat krimp in veel gemeenten in Nederland een groot probleem betekent voor het onderwijs en de kwaliteit van het onderwijs?
Door de krimp in een aantal gemeenten in Nederland zal het aantal leerlingen afnemen, wat merkbaar wordt voor de onderwijsvoorzieningen. Wanneer scholen te klein worden kan de onderwijskwaliteit in gevaar komen. Vanuit het ministerie van OCW wordt gestimuleerd dat de betreffende regio’s tijdig passende maatregelen nemen om ook in krimpgebieden de kwaliteit, toegankelijkheid en diversiteit van het onderwijsaanbod te garanderen.
Is het waar dat in het Noorden van het land de komende jaren vijfduizend arbeidsplaatsen in het basisonderwijs zullen verdwijnen, zoals de OSG groep in haar onderzoek stelt? Hoe kijkt u hier tegen aan?
Uit het onderzoek van de OSG groep blijkt dit niet. Een aantal schoolbesturen in het noorden heeft blijkbaar deze conclusie getrokken. Als het aantal leerlingen daalt, zijn er natuurlijk minder leraren nodig. Hoeveel arbeidsplaatsen er in krimpgebieden verloren zullen gaan is niet precies te bepalen en is sterk afhankelijk van de gehanteerde prognosemodellen. Het is wel te verwachten dat de komende jaren een aantal arbeidsplaatsen in het basisonderwijs verloren zal gaan als gevolg van de krimp. Dit betekent echter niet automatisch dat dit met gedwongen ontslagen gepaard zal gaan. Door de vergrijzing van het lerarenbestand zal volgens de prognoses ook in de krimpgebieden voldoende werkgelegenheid blijven bestaan voor zittende en nieuwe leraren.
Is het waar dat de exploitatie van kleine scholen duurder is dan van grotere scholen, is hierover onderzoek verricht, zo ja welk onderzoek en wat zijn hiervan de conclusies?
In het algemeen is het waar dat de kosten per leerling van kleine scholen hoger zijn dan van grotere scholen. Kleine scholen worden voor deze kosten gecompenseerd door de vaste voet in de bekostiging van basisscholen en door de kleinescholentoeslag. Op dit moment wordt onderzoek gedaan naar de zogenaamde kostenremanentie bij kleine scholen. De vraag staat daarbij centraal of de toename van de bekostiging per leerling voldoende is om de (verwachte) stijging van de kosten per leerling te accommoderen. Het onderzoek wordt binnenkort afgerond.
Bent u van mening dat de huidige manier van bekostiging onvoldoende rekening houdt met het specifieke karakter van scholen in het Noorden en krimpgebieden?
Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 4 wordt in de huidige bekostigingssystematiek rekening gehouden met het specifieke karakter van deze scholen. Het bovengenoemde onderzoek zal moeten uitwijzen of het stelsel voldoende is ingericht op krimp.
Is het binnen de huidige wetgeving mogelijk om de financiering van scholen, zoals bijvoorbeeld in krimpgemeenten, anders en gedifferentieerder te regelen? Zo ja op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Binnen de huidige wet- en regelgeving is het al mogelijk om aan een kleinescholentoeslag te verstrekken aan scholen in krimpgebieden. Verder werkt de daling van het aantal leerlingen met vertraging door in de bekostiging. Ook worden de opheffingsnormen verlaagd als het aantal leerlingen daalt. Er hebben al aanpassingen in het stelsel plaatsgevonden. Het is nu mogelijk scholen tijdelijk onder de absolute norm van 23 leerlingen in stand te houden. De samenwerkingsschool die een oplossing kan zijn in krimpgebieden is wettelijk geregeld. Er komt nog een wetsvoorstel dat het scholen mogelijk maakt vijf jaar in plaats van drie jaar onder de opheffingsnorm te zitten. De komende periode wordt nagegaan op welke wijze de kwaliteit van het onderwijs in krimpgebieden verder gewaarborgd kan blijven.
Deelt u de mening dat door het verdwijnen van onder andere conciërges op kleine scholen de werkdruk van leerkrachten hoger wordt, waardoor door allerlei neventaken de leerkracht minder aandacht kan geven aan de leerlingen, met als gevolg een teruglopende kwaliteit van het onderwijs?
In het algemeen kunnen grotere scholen over een gevarieerder personeelsbestand beschikken dan kleine scholen. Ook de functie van conciërge valt daar onder. Bij kleine scholen kan de kwaliteit onder druk komen te staan wat ook blijkt uit het relatieve grote aantal zwakke en zeer scholen. Dat heeft vooral te maken met de noodzaak combinatieklassen te vormen. Deze klassen vragen een andere vaardigheid van leraren.
Houdt de onderwijsinspectie voldoende rekening met regionale verschillen in haar beoordeling van scholen, specifiek met de beoordeling van plattelandsscholen in relatie tot minder financiën?
De onderwijsinspectie beoordeelt de scholen uitsluitend op de onderwijskwaliteit ongeacht de grootte van de school.
Het mengen van zwarte en witte scholen in Rotterdam |
|
Metin Çelik (PvdA) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Mengen zwarte en witte scholen geen prioriteit meer» van 31 januari 2011, gebracht door RTV Rijnmond?1
Ja.
Steunt u de argumenten van wethouder De Jonge van Rotterdam om te stoppen met het stimuleren van het ontstaan van gemengde scholen?
Ja.
Wat vindt u van het feit dat de gemeente Rotterdam niet meer zelf actief gemengde scholen opzet of nastreeft?
De beste manier om integratie te bevorderen is de kwaliteit van het onderwijs voor achterstandsleerlingen te verbeteren. Er wordt dus – ook door de gemeente Rotterdam – volop ingezet om de kwaliteit van de scholen te verbeteren. Er is geen eenduidig bewijs voor dat het mengen van scholen leidt tot betere resultaten.
Heeft u met wethouder De Jonge van Rotterdam in de afgelopen maanden over dit onderwerp gesproken? Zo ja, was de uitkomst van dat gesprek?
Ja. De wethouder van onderwijs van Rotterdam en ik zitten volstrekt op dezelfde lijn.
Wat vindt u van de argumenten van wethouder De Jonge van Rotterdam dat schoolprestaties moeten verbeteren en dat dit niet kan door het laten ontstaan van gemengde scholen en dat er andere maatregelen nodig zijn, als meer leertijd, meer betrokkenheid van ouders en goede docenten?
Ik ben het met wethouder De Jonge eens dat waar het gaat om het verbeteren van de prestaties van leerlingen, vooral ingezet moet worden op meer leertijd, goede docenten en betrokken ouders.
Onderzoek dat uitwijst dat de uitgangspunten voor het beleid om scholen geen geld te geven voor het wegwerken van achterstanden van allochtone kinderen niet kloppen |
|
Gerard Schouw (D66), Boris van der Ham (D66) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek «Schoolprestaties van oude en nieuwe gewichtenleerlingen»?1
Ja.
Hoe verhouden de uitkomsten van dit onderzoek – namelijk dat etnische afkomst wel degelijk bepalend is voor de achterstand waarmee allochtone kinderen zowel beginnen als eindigen in het basisonderwijs – zich volgens u tot de argumenten van uw voorganger voor het aanpassen van de gewichtenregeling?
De informatie is niet nieuw. Bij de voorstellen voor de nieuwe gewichtenregeling was bekend dat naast het opleidingsniveau van de ouders ook andere factoren een rol spelen. Er is een ook een verband tussen etniciteit, thuistaal, taalbeheersing van kinderen, lage inkomens en afhankelijkheid van uitkeringen enerzijds en onderwijsachterstanden anderzijds. Destijds is besloten met zeer brede steun van de Kamer dat naast opleidingsniveau van de ouders niet de etniciteit als tweede criterium gebruikt zou worden, maar een ander criterium.
Gekozen is voor zowel lage inkomens als afhankelijkheid van uitkeringen als tweede element van de regeling. Dit staat bekend als de impulsregeling: hiermee worden scholen die in gebieden staan met een combinatie van lage inkomens en veel uitkeringen, extra bekostigd per gewichtenleerling.
Levert dit onderzoek wat u betreft voldoende bewijs voor het bestaan van een onderscheid tussen de schoolprestaties van allochtone en autochtone leerlingen, ongeacht of hun ouders hoog- of laagopgeleid zijn?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Is dit onderzoek een reden om af te wijken van het beleid van uw voorganger om geen onderscheid te maken tussen allochtone en autochtone kinderen bij het verdelen van geld voor het wegwerken van achterstanden op school? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid verder onderzoek te doen naar de oorzaken van de achterstanden van allochtone kinderen, ongeacht het opleidingsniveau van hun ouders, wanneer zij aan de basisschool beginnen? Zo nee, waarom niet?
Er is veel onderzoek gedaan naar de oorzaken van achterstanden bij (allochtone) kinderen bij aanvang van de basisschool. Inmiddels is ook bekend dat de belangrijkste oorzaak hiervoor ligt bij het (lage) opleidingsniveau van de ouders (Wat ’t zwaarste weegt, Onderwijsraad 2001).
Omdat uit onderzoek is gebleken dat daarnaast ook het inkomen, de afhankelijkheid van uitkeringen en etnische afkomst een rol spelen, heb ik de eerste twee elementen met brede steun uit uw Kamer gebruikt bij de recente impulsregeling (zie ook mijn antwoord op vraag 2). Mede daarom zie ik op dit moment geen reden om nog nader onderzoek te doen.
Wat is uw reactie op de uitspraak van de PO-raad, dat het aantal achterstandsleerlingen en enkel is teruggelopen door een veranderde definitie en dat daardoor een verdere bezuiniging van 50 miljoen euro op het budget voor deze leerlingen onverstandig is?2
Bij de invoering van de nieuwe gewichtenregeling is door de andere definitie het aantal gewichtenleerlingen verminderd. Door het verhogen van het geld per gewichtenleerling en het invoeren van de impulsgebieden zijn de uitgaven voor de gewichtenregeling van 2006 tot 2010 gestegen. De daling van het aantal gewichtenleerlingen na 2010, dus nadat de nieuwe regeling is ingevoerd, is een autonome ontwikkeling die het hogere opleidingsniveau van de bevolking weerspiegelt en niet een gevolg is van de nieuwe gewichtenregeling.
Een partijpolitieke email van een schooldirecteur |
|
Harm Beertema (PVV) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van bijgevoegde interne email van de directeur van basisschool Hazesprong in Nijmegen?1
Ja.
Is het de taak van een schooldirecteur zijn afkeer van een politieke partij te ventileren tegenover het gehele onderwijzend personeel?
De taak van de directeur van een school is omschreven in artikel 29, eerste lid van de Wet op het primair onderwijs (WPO): «Bij de directeur van een school berust, onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag, de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding van een school.» Op grond van de artikelen 30a en 31 van de WPO kan het bevoegd gezag hem bij wet opgedragen taken en bevoegdheden delegeren of mandateren aan (onder andere) de directeur.
Tot de bovengenoemde, al dan niet gedelegeerde of gemandateerde, taken van de directeur behoort uiteraard niet het uiten van een mening over een politieke partij. Dat neemt niet weg dat het de directeur in beginsel vrijstaat zijn mening te uiten over zaken die niet met die taken in verband staan. Zoals bekend is het uiten van een mening immers vrij, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Het betreft hier een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 7 van de Grondwet.
De Hazesprong is een bijzondere school, ressorterend onder de Stichting Sint Josephusscholen in en om Nijmegen. Binnen het bijzonder onderwijs is het Burgerlijk Wetboek van toepassing op de arbeidsverhoudingen. De eis van goed werknemerschap uit hoofde van artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek kan meebrengen dat een werknemer zich van bepaalde uitlatingen dient te onthouden omdat die indruisen tegen belangen van de werkgever. Of dat hier het geval is, is ter beoordeling van het bevoegd gezag van de school van de betrokken directeur.
Overigens stelt artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) strenge eisen aan de beperking van de vrijheid van meningsuiting van (onder andere) werknemers.
Deelt u de mening dat met deze politieke actie bovengenoemde directeur heeft aangetoond niet geschikt te zijn voor het onderwijs en per onmiddellijk dient te vertrekken? Zo nee, waarom niet?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is toegelicht, betreft het hier een aangelegenheid tussen de directeur en zijn werkgever. Of aan de zijde van de werkgever belangen zijn geschaad is ter beoordeling van die werkgever. Ook het eventuele besluit de betrokken directeur op basis hiervan te ontslaan, is exclusief voorbehouden aan de werkgever. Ik verwijs in dit verband naar artikel 33a van de WPO. Gelet hierop en mede in aanmerking genomen dat de benoeming en het ontslag van onderwijspersoneel onder de grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs valt, onthoud ik mij hier van een mening.
Bent u bereid uw invloed aan het wenden ten einde het schoolbestuur ervan te overtuigen deze directeur voor ontslag voor te dragen?
Nee, zie het antwoord op vraag 3.
De zorgwekkende financiële situatie bij onderwijsstichting SKOZOK |
|
Manja Smits (SP) |
|
Marja van Bijsterveldt (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is de huidige financiële situatie bij onderwijsstichting SKOZOK (Samen Koersen op Zichtbare Onderwijs Kwaliteit)?1
Mijn beeld van de financiële positie van onderwijsstichting SKOZOK is grotendeels gebaseerd op het meest recente jaarverslag waarover ik beschik; dat van 2009. Het jaarverslag 2009 van onderwijsstichting SKOZOK laat zien dat het positieve resultaat van de jaren daarvoor in 2009 is omgeslagen in een negatief resultaat. Een negatief resultaat hoeft op zichzelf geen probleem te zijn; dit kan ook het gevolg zijn van investeringen ten laste van het vermogen. Eind 2009 waren de vermogenspositie en de liquiditeit van SKOZOK uitstekend.
Wat zijn de oorzaken van de financiële problemen bij onderwijsstichting SKOZOK?
Uit de gegevens waarover ik beschik komt het beeld naar voren dat het dalende aantal leerlingen de afgelopen jaren door het schoolbestuur niet is vertaald in een daling van het aantal leraren. In het jaarverslag 2009 merkt het schoolbestuur zelf op dat het tekort met name wordt veroorzaakt door een te hoge personele inzet. Dit heeft het schoolbestuur mij ook bevestigd. Ook blijkt uit datzelfde jaarverslag dat het bestuur in 2009 nog geen gebruik maakte van een meerjarenbegroting. Dit onderstreept het belang van de acties die ik samen met de PO-raad onderneem om de financiële deskundigheid te bevorderen.
Hoeveel geld kreeg SKOZOK minder vanuit het rijk vanwege de miljoenenbezuiniging op het bestuur en management van basisscholen en de bezuiniging op de groeiregeling? Hoe heeft SKOZOK deze bezuiniging daadwerkelijk vormgegeven?
Als gevolg van de bezuinigingen heeft het schoolbestuur circa € 360 000 minder ontvangen op een totale lumpsumuitkering van circa € 26,5 miljoen. Het schoolbestuur SKOZOK is vrij in de wijze waarop zij de bezuiniging vormgeeft en legt daar horizontaal verantwoording over af. Zie ook het antwoord op vraag 5.
Bent u nog steeds van mening dat «gezien de omvang van de bezuiniging schoolbesturen in staat moeten zijn de kwaliteit van het onderwijs te ontzien?»2 Kunt u uw antwoord toelichten? Geldt dit ook voor onderwijsstichting SKOZOK? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, de verandering in de lumpsumuitkering waar besturen als gevolg van de bezuinigingen mee geconfronteerd worden, is van dezelfde omvang als de budgetschommelingen die jaarlijks worden veroorzaakt door veranderende leerlingaantallen. In het geval van SKOZOK bedraagt de percentuele verandering van de lumpsumuitkering iets meer dan 1%, terwijl de schommelingen in de lumpsum zonder de bezuiniging zich jaarlijks tussen de 1% à 2% bevinden.
In hoeverre komen deze bezuinigingen op het bordje van personeel en leerlingen terecht?
Het vorige kabinet heeft een duidelijk signaal afgegeven aan de besturen om het primaire proces bij de uitwerking van de bezuinigingen te ontzien. Uiteindelijk zijn het echter de schoolbesturen die in overleg met directeuren en medezeggenschapspartners de bezuinigingen concreet invulling geven, daarbij rekening houdend met de individuele situatie en behoefte van de school. Dat kan ertoe leiden dat schoolbesturen afwijken van de richting die vanuit het Rijk is meegegeven.
Hoeveel leraren worden er ontslagen bij SKOZOK? Voor hoeveel andere personeelsleden dreigt ontslag? Wat is hun functie? In hoeverre is deze ontslagronde het gevolg van de door vorige kabinet ingezette bezuinigingen op bestuur en management, in hoeverre is ze het gevolg van financieel wanbeheer van het schoolbestuur?
Het bestuur is vrij in de keuzes die het maakt inzake de financiële huishouding. Dit gaat in overleg met directeuren en medezeggenschapspartners. Het schoolbestuur legt daar vervolgens horizontaal verantwoording over af. Dit geldt ook voor de keuzes die in bovenstaande vragen besloten liggen.
Wat gaat er veranderen qua arbeidsvoorwaarden bij SKOZOK, bijvoorbeeld wat betreft de Bapo-regeling3, vervanging bij zwangerschapsverlof, ouderschapsverlof, compensatieverlof, etc.?
De genoemde secundaire arbeidsvoorwaarden zijn onderdeel van de decentrale CAO; eventuele veranderingen in deze arbeidsvoorwaarden worden overeengekomen tussen de werkgeversorganisatie (PO-Raad) en de vakbonden. De secundaire arbeidsvoorwaarden voor het primair onderwijs zijn per 1 augustus 2006 gedecentraliseerd. Vanaf deze datum maakt de minister van OCW met de vakbonden in de centrale CAO Primair Onderwijs uitsluitend nog afspraken over de zogeheten protocolonderwerpen (algemene salarisontwikkeling, algemene arbeidsduur en bovenwettelijke sociale zekerheid). Over de overige onderwerpen worden afspraken gemaakt in de decentrale CAO PO.
Hoeveel basisscholen geven aan dat zij het primair proces niet kunnen ontzien bij de verwerking van de landelijke bezuinigingen op basisonderwijs?
Van een aantal schoolbesturen heb ik brieven ontvangen waarin zij de zorg uitspreken het primaire proces niet te kunnen ontzien als gevolg van de bezuinigingen. De SP heeft mij tijdens de begrotingsbehandeling het rapport «Minder geld, grotere klassen» aangeboden, waarin op basis van een enquête onder een aantal schoolbesturen wordt ingegaan op het effect van de bezuinigingen op het primaire proces. Ik kom daar binnenkort in een brief aan uw Kamer op terug.
Kunt u garanderen dat dit aantal niet nog verder oploopt door de geplande bezuinigingen op wat u passend onderwijs noemt? Kunt u uw antwoord toelichten?
De maatregelen bij passend onderwijs staan niet op zichzelf maar zijn onderdeel van een breder pakket met naast bezuinigingen ook investeringen van vergelijkbare omvang. Binnen de onderwijsbegroting worden de prioriteiten herschikt ten gunste van de kwaliteit van het onderwijs. In het kader van mijn plannen voor passend onderwijs heb ik de Kamer over de financiële gevolgen voor de sector geïnformeerd.
Bent u in algemene zin van mening dat bij financieel wanbeheer door een overkoepelend bestuur, het niet uit te leggen is dat er voor dat falende bestuur geen consequenties aan verbonden zijn?
In het belang van de onderwijskwaliteit en de rechtmatige en doelmatige besteding van middelen vind ik dat financieel wanbeheer in het algemeen niet zonder consequenties kan blijven. Bestuurders dienen zich intern en extern te verantwoorden. Tot welke consequenties de interne verantwoording kan leiden is afhankelijk van de gekozen rechtspersoonlijkheid en de statutaire bepalingen van de rechtspersoon. Op basis van de externe verantwoording ziet de Inspectie van het Onderwijs toe op de rechtmatige besteding van middelen en spreekt zij besturen aan op de doelmatige inzet van middelen.
Bent u bereid om schoolbesturen die te maken hebben met krimp tegemoet te treden wanneer zij vanwege die krimp in financiële moeilijkheden komen?
Vooraleerst is het onvermijdelijk dat een daling van het aantal leerlingen leidt tot een daling van de bekostiging; van schoolbesturen wordt gevraagd hun formatie hierop aan te passen. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel wil ik primair de kwaliteit, toegankelijkheid en diversiteit van het onderwijsaanbod borgen, ook in krimpgebieden. Om adequaat op de gevolgen van krimp in te kunnen spelen is kennis nodig. Daartoe wordt er momenteel een aantal onderzoeken uitgevoerd rond het onderwerp krimp. Een belangrijke vraag in deze onderzoeken is of krimp inderdaad tot financiële moeilijkheden leidt voor schoolbesturen. Op basis van de uitkomsten van de onderzoeken zal ik mij beraden op eventuele vervolgstappen. Daarnaast werk ik aan een experimenteerartikel in de WPO, zodat kan worden geëxperimenteerd met een herschikking van voorzieningen en vergaande sectoroverstijgende samenwerking. Daarmee wordt meer ruimte gecreëerd om tot onconventionele oplossingen te komen om een kwalitatief goed en divers opleidingsaanbod in stand te houden.