Het bericht ‘iPhone 14 kan vanaf nu noodoproepen sturen via satellieten’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «iPhone 14 kan vanaf nu noodoproepen sturen via satellieten»?1
Ja.
Hoe kijkt u naar deze ontwikkeling? Juicht u het toe dat een dergelijke dienst op termijn ook in Nederland beschikbaar komt?
Wij kijken altijd naar nieuwe ontwikkelingen om de bereikbaarheid van hulpdiensten te verbeteren. Maar dat doen we wel vanuit de Nederlandse context. Dus ook rekening houdend met de uitstekende dekking die mobiele netwerken in Nederland hebben, waarbij iedere telefoon via elke provider met de 112-centrale kan bellen, ook als de eigen provider geen dekking heeft op de plek waar men zich bevindt. Op dit moment is moeilijk te zeggen of deze dienst een toegevoegde waarde heeft.
Zijn er andere initiatieven bij u bekend, die gebruikmaken van nieuwe technologieën, die ervoor kunnen zorgen dat betere communicatie met bijvoorbeeld hulpdiensten mogelijk is op plekken met slecht mobiel bereik?
Een voorwaarde om mobiel te kunnen communiceren, is dat er enig mobiel bereik is, via een van de Nederlandse providers. Bellen naar 112 via wifi is een recente ontwikkeling die een alternatief biedt als mobiele dekking binnenshuis te wensen over laat, hiervoor verwijs ik naar mijn brief van 28 juni 2022.2
Wat vindt u ervan dat bij noodoproepen via deze nieuwe dienst in sommige gevallen eerst contact wordt gemaakt met Apple-callcenters? Wat zijn hiervan de mogelijke voor- en nadelen?
Deze noodoproepen gaan in eerste instantie via een Apple-contactcenter, als de alarmcentrale zelf geen SMS kan ontvangen. Dat is niet echt handig, nog afgezien van alle privacygevoelige informatie die soms moet worden uitgewisseld. Ook is niet zeker dat deze dienst in alle gevallen volledig gratis blijft voor de gebruikers en alarmcentrale, zoals de Europese regelgeving voorschrijft. Een ander mogelijk nadeel van deze dienst is dat bijvoorbeeld het telefoonnummer niet wordt doorgegeven.
Biedt deze ontwikkeling een kans voor Nederland om de gebrekkige bereikbaarheid van 112 in sommige gebieden te verbeteren?
Deze dienst biedt enkel een zeer eenvoudige oplossing voor wie buiten staat, met vrij zicht naar boven. Dus niet gehinderd door gebladerte, steile wanden of bebouwing. Je kunt namelijk enkel via SMS-berichten communiceren. Verder moet je je telefoon met de hand richten op een satelliet gedurende het verzenden of ontvangen van je SMS-bericht. Je telefoon geeft aan welke kant je op moet richten. Tijdens het verzenden moet je de satelliet met je telefoon blijven volgen. In dat opzicht verwacht ik niet dat deze dienst echt veel toevoegt aan de bereikbaarheid van 112 in Nederland.
Ziet u voor de overheid een rol weggelegd om dergelijke technieken te omarmen en te adapteren, zodat deze technieken ook publiek beschikbaar komen?
Zaken als de bereikbaarheid van 112 zijn zaken die we vooral op EU-niveau moeten oppakken. Het zou ook niet goed zijn om voorop te lopen bij een nieuwe ontwikkeling die slechts door één leverancier ondersteund wordt, vanwege de marktverstorende effecten daarvan.
Is al uitvoering gegeven aan de toezegging uit de brief2 over de uitvoering van de motie van de leden Inge van Dijk en Rajkowski over het ontsluiten van de «witte gebieden»3 en de motie van het lid Inge van Dijk c.s. over technologische alternatieven voor snel internet onderzoeken4 om te onderzoeken of er een centrale plek kan komen waar mensen melding kunnen doen van gebrekkige bereikbaarheid van 112?
Er is nog geen uitvoering gegeven aan het voornemen om te onderzoeken of er een centrale plek kan komen waar mensen melding kunnen doen van gebrekkige bereikbaarheid van 112. Het is de bedoeling om in de loop van 2023 het aangekondigde onderzoek op te pakken. De afgelopen tijd is prioriteit gegeven aan een ander onderdeel van de aangekondigde acties om de bereikbaarheid van 112 te waarborgen en verbeteren. Namelijk zeker stellen dat de ondersteuning van bellen via 4G («VoLTE») op orde komt. Dit is essentieel om ervoor te zorgen dat de voorgenomen afschakeling van 2G en 3G niet gaat leiden tot een verslechtering van de bestaande bereikbaarheid van 112. De Kamer had daar ook aandacht voor gevraagd tijdens het Commissiedebat Telecomraad van 31 mei jl. en er is toen toegezegd om daaraan te gaan werken. Met VoLTE kan bovendien een kleine verbetering in de bereikbaarheid van 112 worden bereikt. Er is aldus voor gekozen om de beschikbare capaciteit eerst in te zetten op het waarborgen van de bestaande bereikbaarheid van 112.
Spionage met gebruik van Pegasus- of vergelijkbare software |
|
Renske Leijten (SP), Jasper van Dijk (SP) |
|
Kajsa Ollongren (minister defensie) (D66), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat er geen onderscheid in veiligheidsrisico wordt gemaakt tussen ministers, topambtenaren en ander rijkspersoneel als het gaat om digitale veiligheid? Geldt dit beleid Rijksbreed? Zo ja, waarom wordt er geen onderscheid gemaakt, terwijl het zeer goed voorstelbaar is dat hooggeplaatste functionarissen over meer essentiële informatie beschikken en daardoor eerder het doelwit van spionage of een hack zullen zijn?1
Iedere overheidsorganisatie is in eerste plaats zelf verantwoordelijk voor haar digitale veiligheid, en die van haar medewerkers. Voor zowel Rijksoverheden als medeoverheden biedt onder meer de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) wel een aantal kaders en regels. De BIO bevat een palet aan maatregelen die iedere overheidsorganisatie moet nemen, inclusief een risicobeoordeling. De BIO richt zich hiermee niet alleen op specifieke personen of middelen, maar leidt voor iedere organisatie tot een integrale risicogebaseerde aanpak. Voor de rijksoverheid zien de Audit Dienst Rijk (ADR) en de Algemene Rekenkamer (ARK) hierop toe. CISO Rijk monitort, vanuit het CIO-stelsel Rijk, de implementatie van beleid op het gebied van dataveiligheid bij de departementen.
Hierbij geldt nog een specifieke set regels voor omgang met gerubriceerde informatie bij de rijksoverheid. Dit is vastgelegd in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI), dat voorschrijft hoe met gerubriceerde informatie moet worden omgegaan. Dit geldt voor alle rijksambtenaren die vanuit hun werk incidenteel of structureel met gerubriceerde informatie moeten werken. Om het werken met dergelijke informatie mogelijk te maken worden er ook onder meer technische, facilitaire en organisatorische maatregelen genomen, en worden er specifieke middelen en netwerken ter beschikking gesteld om veilig met dergelijke informatie te kunnen werken.
Het gaat hier om kaders die in overeenstemming met de ministerraad zijn vastgesteld om te kunnen waarborgen dat de Ministers hun verantwoordelijkheid voor de digitale veiligheid en een zorgvuldige omgang met gerubriceerde informatie waar kunnen maken. Bij hun aantreden krijgen bewindspersonen instructies over veiligheidsrisico’s. In het «Blauwe Boek» worden bewindspersonen gewezen op het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst/Bijzondere Informatie (VIR-BI)2. Ook krijgen zij middelen aangeboden zoals telefoons.
Deelt u de mening van de beveiligingsspecialist die stelt dat het met het huidige beveiligingsniveau niet te achterhalen is of digitale apparatuur gehackt is met geavanceerdere hacksoftware zoals Pegasus? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de in het antwoord op vraag 1 genoemde Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) worden drie beveiligingsniveaus onderkend, de zogenaamde basisbeveiligingsniveaus (BBN). Er is sprake van basisbeveiligingsniveau 2 wanneer er wordt gewerkt met (departementaal) vertrouwelijke informatie. In dat geval gaat de BIO uit van het concept «assume breach». In feite houdt men er rekening mee dat een systeem vroeg of laat kan worden binnengedrongen door een geavanceerde kwaadwillende actor. Dat betekent dat maatregelen zoals detectie moeten worden ingeregeld, zodat achteraf effectief kan worden opgetreden. Zoals ook toegelicht in het antwoord op vraag 1 zijn departementen zelf verantwoordelijk voor het implementeren van relevante maatregelen zoals detectiemechanismen.
Garanties zijn echter niet te geven. Dat geldt zeker voor mobiele telefoons, waar binnendringsoftware zoals Pegasus op is gericht. Er is sprake van een continue wedloop van geavanceerde digitale actoren die hun werkwijzen zo aanpassen dat ze niet of moeilijk gedetecteerd kunnen worden. Bovendien maakt een mobiele telefoon per definitie gebruik van een publiek netwerk en is er beperkte controle mogelijk op de software die aanwezig is op een telefoon en is detectie van malware op een telefoon ingewikkeld. De AIVD adviseert daarom terughoudend te zijn met het voeren van (bedrijfs)gevoelige gesprekken via of in de aanwezigheid van een mobiele telefoon.
Gaat u de beveiligingsmaatregelen verhogen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het kabinet neemt de statelijke dreiging en risico’s rondom digitale veiligheid bij de overheid serieus. Dat betekent dat het stelsel van maatregelen continu in ontwikkeling blijft. Informatiebeveiliging bij de overheid is dan ook een belangrijk element in de Werkagenda waardengedreven digitalisering en de Nederlandse Cyber Security Strategie, waaruit verschillende acties volgen. Voor de gehele overheid worden wettelijke eisen voor veiligheid ingericht, ook in lijn onder meer met de Europese richtlijn voor Netwerk- en Informatiebeveiliging (NIB). Het gevolg hiervan zal zijn dat de hiervoor genoemde BIO in de wet als eis geborgd zal zijn. Er wordt verder generiek toezicht ingericht en ook dit wordt via een wettelijke verankering geborgd.
Wordt er naar aanleiding van nieuwe beschikbare informatie over landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht een nieuwe afweging gemaakt of de inzet van bepaalde software nog gerechtvaardigd is, als blijkt dat dergelijke landen gebruik maken van dezelfde software?2, 3
Het is van belang dat opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten beschikken over effectieve bevoegdheden voor het uitvoeren van hun wettelijke taak. Die bevoegdheden worden vormgegeven door de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (Wiv 2017) en de Wet Computercriminaliteit III. Daarin zijn naast de bevoegdheid van het binnendringen in een geautomatiseerd werk ook de bijbehorende waarborgen verankerd. Voor de uitvoering van deze bevoegdheden kunnen politie, AIVD en MIVD gebruik maken van specifieke soften hardware. De rechtmatigheid daarvan volgt dus uit juridische grondslagen met bijbehorende waarborgen uit hierboven genoemde wetgeving. De rechtmatigheid van de inzet van een bevoegdheid wordt niet bepaald door de gebruikte technologie maar door het geheel van juridische en operationele aspecten van de specifieke casus die gewogen wordt.
Zoals aangegeven in de Kamervragen van de leden Omtzigt (CDA) en van Dijk (SP) (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2021–2022, nr. 3252) mogen leveranciers van binnendringsoftware die wordt ingekocht door opsporingsdiensten niet leveren aan dubieuze regimes. Het gaat om landen die zich schuldig maken aan ernstige schendingen van mensenrechten of internationaal humanitair recht.5 Om deze reden voert de politie een toets uit voordat over wordt gegaan tot de aanschaf van binnendringsoftware.
In deze toets wordt de leverancier gevraagd niet te hebben geleverd aan landen waartegen vanuit de EU of de VN restrictieve sancties bestaan en wordt gecontroleerd of in het land waar de leverancier is gevestigd een exportcontroleregime bestaat waar het respecteren van mensenrechten een onderdeel is in de beoordeling voor het verstrekken van een exportvergunning6.
De politie past dit beleid toe en eist van leveranciers een bevestiging dat niet aan dergelijke landen wordt geleverd. Aanvullend hierop wordt door de politie deze toets periodiek herhaald. De Wet computercriminaliteit III is recentelijk geëvalueerd en naar verwachting kan in het voorjaar 2023 de beleidsreactie aan uw Kamer worden gezonden7.
De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen ten behoeve van hun wettelijke taakuitvoering en omgeven door waarborgen bijzondere bevoegdheden inzetten. Over de wijze waarop deze organisaties gebruik maken van hun wettelijk toegekende bijzondere bevoegdheden, en over de afwegingen die daarbij worden gemaakt, kan in het openbaar geen mededeling worden gedaan.
Deelt u de mening dat het gebruik van dergelijke software de democratische rechtstaat veel schade kan berokkenen, als het wordt ingezet tegen de eigen onschuldige inwoners of het gebruikt wordt om functionarissen van andere lidstaten te bespioneren? Zo nee, kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
Het kabinet acht het onrechtmatig gebruik van binnendringsoftware onaanvaardbaar. Dit geldt ook wanneer het om onrechtmatige inzet tegen advocaten, politici, mensenrechtenverdedigers en journalisten gaat. Naast de nationale wetgeving is ook het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens belangrijk in de weging van de rechtmatigheid. In het geval van onrechtmatig gebruik kan de inzet van dit soort software de democratische rechtsstaat schade berokkenen.
Het uitvoeren van de bevoegdheid tot binnendringen in een geautomatiseerd werk door Nederlandse overheidsdiensten is aan strenge voorwaarden en stevige waarborgen gebonden. Deze bevoegdheid kan alleen worden ingezet wanneer minder ingrijpende bevoegdheden niet bruikbaar zijn voor het gestelde doel, en de inzet noodzakelijk en proportioneel is. Voor de voorwaarden en waarborgen die gelden bij de eventuele inzet van binnendringsoftware wordt verwezen naar Kamervragen van de leden Omtzigt (Omtzigt) en Van Dijk (SP) of de samenvatting in antwoord op vraag 6.8 Tegelijkertijd is de rechtmatige inzet van de bevoegdheid tot binnendringen in een geautomatiseerd werk van belang voor onze democratische rechtsstaat. Criminelen en kwaadwillende statelijke actoren zijn een reële bedreiging voor onze maatschappelijke orde, de nationale veiligheid, de mogelijkheid van burgers om vrijelijk van hun rechten te genieten en ons verdienvermogen.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat deze software ofwel in het geheel niet gebruikt wordt, dan wel aan strikte regels en toezicht onderworpen wordt, zowel op nationaal als internationaal niveau? Zo nee, waarom niet?
Gegeven het belang van de rechtmatige inzet van binnendringsoftware voor onze democratische rechtsstaat zoals beschreven in antwoord op vraag 5 is het onwenselijk om het gebruik van binnendringsoftware categoriaal te verbieden. Ook deelt het kabinet de opvatting dat inzet van dergelijke software enkel wenselijk is wanneer deze is gebonden aan strikte regels omtrent proportionaliteit, subsidiariteit en noodzakelijkheid, en er sprake is van onafhankelijk toezicht.
Effectief en gedetailleerd toezicht op de inzet van middelen door opsporings-, inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan echter, gezien de benodigde toegang tot bijzondere informatie, enkel nationaal vormgegeven zijn.
In de opsporing vindt de uitvoering van de binnendringbevoegdheid plaats onder het gezag van de officier van justitie. Die houdt voor, tijdens en na de inzet door de politie toezicht op de rechtmatigheid van de opsporing en daarmee op de uitvoering van deze bevoegdheid. Een officier van justitie mag een bevel voor het binnendringen in een geautomatiseerd werk slechts geven na voorafgaande machtiging door een rechter-commissaris. Deze rechter toetst een voorgenomen inzet eveneens vooraf. Na afronding van een inzet wordt deze door de politie in processen-verbaal verantwoord. Tijdens de behandeling ter terechtzitting kan de rechter de rechtmatigheid van de inzet beoordelen. De afweging van de proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van de software is in eerste instantie aan de officier van justitie, die na machtiging van de rechter-commissaris bevoegd is tot het bevelen van het onderzoek in een geautomatiseerd werk. Deze afweging wordt getoetst door de Centrale Toetsingscommissie bij het OM die het College van Procureurs-generaal adviseert.
De Inspectie Justitie en Veiligheid (IJenV) houdt eveneens toezicht op de inzet van binnendringsoftware door het technisch team van de politie. De afweging van het Openbaar Ministerie valt buiten de bevoegdheid van de IJenV. Toezicht op het Openbaar Ministerie wordt op grond van artikel 122 van de wet RO door de procureur-generaal van de Hoge Raad der Nederlanden verricht.
De AIVD en de MIVD mogen onder strikte wettelijke voorwaarden bijzondere bevoegdheden inzetten ten behoeve van de nationale veiligheid. Deze bevoegdheden zijn aan voorwaarden gebonden, die zijn vastgelegd in de Wiv 2017. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten
(CTIVD) houdt toezicht op de juiste toepassing van die wet. De Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden (TIB) richt zich op toetsing voorafgaand aan de inzet van bepaalde bevoegdheden, waaronder het binnendringen in een geautomatiseerd werk. De CTIVD houdt toezicht tijdens en na afloop van inzet van een bevoegdheid.
Verder kan worden gewezen op de internationale afspraken die zijn gemaakt in het kader van toezicht op de handel in binnendringsoftware, zoals de recent geactualiseerde dual-use verordening van de Europese Unie en het Wassenaar Arrangement.
Deelt u de mening dat globale transparantie over of dergelijke software aangekocht is en gebruikt wordt wenselijk is, zodat het parlement de controlerende taak kan uitvoeren? Kunt u uw antwoord uitgebreid toelichten?
In de opsporing worden ten behoeve van de transparantie jaarlijks statistieken van het gebruik van binnendringsoftware openbaar gemaakt. Het verstrekken van informatie aan derden over welke specifieke software de politie beschikt en gebruikt bij de inzet van deze bijzondere opsporingsbevoegdheid, brengt onaanvaardbare risico’s met zich mee voor de inzetbaarheid van die middelen en daarmee het opsporingsbelang. De verwerving van binnendringsoft- en hardware vindt bij de politie onder geheimhouding plaats. Het is voor de afscherming van middelen en methodieken niet mogelijk om openbaar inzicht te geven in welke software de politie gebruikt bij de uitvoering van deze bevoegdheid.
Ook voor de AIVD en de MIVD is transparantie belangrijk. Daarom publiceren de diensten een openbaar jaarverslag en wordt waar mogelijk in de openbaarheid verantwoording afgelegd over het werk van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Tegelijkertijd zijn beide diensten ook wettelijk gehouden aan geheimhouding, onder andere over de werkwijze. Dat geldt dus ook voor de inzet van de bevoegdheid tot het binnendringen in een geautomatiseerd werk. De CTIVD en TIB houden toezicht op de taakuitvoering van de diensten. De openbare (jaar)verslagen van de CTIVD en de TIB worden met de Kamer en het publiek gedeeld. Parlementaire controle op de taakuitvoering van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten vindt, wanneer nodig vanwege de geheime aspecten, via de geëigende kanalen plaats.
Kunt u aangeven of volgens u het gebruik van dit soort software van Israëlische makelij past binnen de aangenomen Kamermotie waarin uitdrukkelijk de wens is uitgesproken om dergelijke apparatuur niet aan te schaffen uit landen zoals Israël?4
In de verzamelbrief politie van 19 oktober jl. wordt geschetst hoe uitvoering wordt gegeven aan de motie Van Nispen waarin de regering wordt verzocht bij aanbestedingen voor apparatuur, zoals afluisterapparatuur, drones en ANPRcamera’s, aan veiligheidsvereisten een zwaarder belang toe te kennen en te streven naar apparatuur uit Nederland of op z’n minst uit landen binnen de
Europese Unie.10 Zoals in de verzamelbrief is gemeld, moeten Nederlandse overheden en uitvoeringsdiensten zo nodig kunnen beschikken over kwalitatief hoogwaardige producten en diensten, ook van buitenlandse leveranciers, of over producten en diensten die deels in het buitenland zijn ontwikkeld of geproduceerd. Het uitgangspunt is dat het gebruik van apparatuur en programmatuur veilig moet zijn en dat eventuele risico’s beperkt en/of gemonitord worden. Er kunnen bijvoorbeeld technische beveiligings- of organisatorische maatregelen worden getroffen binnen de eigen organisatie. Ook kunnen strenge eisen gesteld worden aan de beveiliging van producten en diensten en kunnen ondernemers gevestigd in bepaalde landen uitgesloten worden van aanbestedingsprocedures. Voorgaande wordt bij alle eventuele aanschaf van binnendringsoftware in acht genomen.
Specifiek in het kader van binnendringsoftware kan ten eerste worden gewezen op de specifieke regelgeving voor de aanschaf van binnendringsoftware genoemd in antwoord op vragen 3 en 4. Ten tweede wordt het doel onderschreven om het betreden van de markt van dergelijke software tot een minimum te beperken. Ten derde dient een technisch hulpmiddel beveiligd te zijn tegen wijziging van geregistreerde gegevens en kennisneming hiervan door onbevoegden
De ‘escalatie kanalen’ en het ‘desinformatieteam BZK’ naar aanleiding van een Wob-verzoek |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() |
Is de Minister zich ervan bewust dat de Interdepartementale Werkgroep Desinformatie in een advies aan het Nationaal Kernteam Crisiscommunicatie te kennen heeft gegeven dat het BZK desinformatieteam toegang heeft «tot zogeheten «escalatie kanalen» van Facebook, Google en Twitter»?1
Ja. Het Ministerie van BZK heeft de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, Twitter, TikTok en Snapchat. Trusted flaggers» meldingen worden door de genoemde sociale media platformen met prioriteit behandeld. Deze trusted flagger status kunnen deze online platformen ook geven aan andere overheidsorganisaties of NGO’s.2 Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen rondom verkiezingen: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken hierbij hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het ministerie heeft via deze kanalen geen bevoegdheid bepaalde content te laten verwijderen.
Sinds wanneer zijn deze drie «escalatie kanalen» operationeel?
Het Ministerie van BZK is sinds mei 2019 trusted flagger binnen het Partner Support Portal bij Twitter. Dit account is aangevraagd in aanloop naar de provinciale staten verkiezing van 2019 en geactiveerd in mei 2019. Van dit account is tot 11 maart 2021 geen gebruik gemaakt.
Het Ministerie van BZK is sinds medio 2019 trusted flagger binnen het Election Security Escalation Channel van Facebook (nu Meta). Van dit account is tot 9 maart 2021 geen gebruik gemaakt.
Het Ministerie van BZK heeft bij Google, TikTok en Snapchat de status van «trusted flagger» gekregen in aanloop naar de Tweede Kamerverkiezing van 2021.
Wie heeft waarom het initiatief genomen tot het oprichten van deze drie «escalatie kanalen»?
In 2019 boden Twitter en Facebook het ministerie de mogelijkheid een account aan te maken als trusted flagger zodat meldingen van het ministerie over des- of misinformatie, waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden, met prioriteit zouden worden behandeld. Het ministerie heeft gebruik gemaakt van dit aanbod maar de accounts pas in 2021 voor het eerst gebruikt.
In aanloop naar de Tweede Kamerverkiezing van 2021 was er extra aandacht voor het tegengaan van desinformatie. In deze context is door meer online platformen de mogelijkheid tot het worden van «trusted flagger» opengesteld. Het ministerie heeft hier gebruik van gemaakt. Dit om voorbereid te zijn, mocht er veel desinformatie rondgaan over het verkiezingsproces.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Facebook via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Facebook ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» medio 2019 heeft het Ministerie van BZK vier keer een casus voorgedragen bij Facebook/Meta gedaan.
De eerste melding bij Facebook/Meta werd gedaan op 9 maart 2021. Het betrof een video die rondging op Facebook, waarin werd gezegd dat je door te gaan stemmen gelijk toestemming zou geven voor een covid-19 vaccinatie. Deze informatie is op 8 maart 2021 ontkracht door onafhankelijke factcheckers.3 Het Ministerie van BZK heeft Facebook daarom op deze factcheck gewezen en gevraagd naar deze video te kijken. Facebook heeft daarop aangegeven dat de video voorzien is van een label vanwege de factcheck door onafhankelijke factcheckers.
De tweede melding werd gedaan op 17 maart 2021. Het betrof een bericht dat op Facebook en Twitter werd verspreid, waarin werd gezegd dat je deze verkiezingen twee vakjes rood mocht kleuren op het stembiljet. «Twijfel je nog steeds tussen de PVV en FvD? Vergeet niet, dit jaar mag je twee vakjes rood kleuren op het stembiljet», was te lezen in diverse berichten. Deze informatie is op 16 maart 2021 ontkracht door onafhankelijke factcheckers van DPA-factchecking. 4 Na deze factcheck werden dergelijke berichten al vaak van een label voorzien door Facebook, maar niet overal. Het Ministerie van BZK heeft daarom een melding gedaan van zeven berichten die nog niet van een dergelijk label waren voorzien.5 Ook heeft het Ministerie van BZK zelf een bericht op Twitter geplaatst in reactie op deze berichtgeving. Het inkleuren van twee vakjes leidt namelijk tot een ongeldige stem. Facebook heeft de zeven berichten daarna van een label voorzien.
De derde melding werd gedaan op 18 november 2021 namens een gemeente die een vraag had gesteld rondom de herindelingsverkiezingen voor de nieuwe gemeente Dijk en Waard, maar die zelf geen reactie kreeg van Meta. Het betrof een melding dat een link naar de lokale Stemwijzer werd geblokkeerd wanneer de gemeente deze op haar pagina wilde plaatsen kort voor de herindelingsverkiezingen. Het Ministerie van BZK vernam op 18 december 2021 van Facebook dat het probleem was opgelost.
De vierde en laatste melding bij Facebook/Meta werd gedaan op 9 maart 2022 namens een gemeente die een vraag had gesteld rondom de gemeenteraadsverkiezingen, maar die zelf geen reactie kreeg van Meta. Het betrof een melding van een raadslid uit de gemeente Beek dat zijn Instagram pagina en die van de lokale CDA-afdeling waren geblokkeerd, een paar dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen. De gemeente kreeg zelf geen gehoor bij Meta, dus het Ministerie van BZK heeft het verzoek van de gemeente om te kijken wat er mis ging, overgebracht aan Meta. Meta liet het ministerie weten dat de accounts gedeblokkeerd waren, maar gaf geen reden voor de blokkade.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Google via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Google ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» heeft het Ministerie van BZK geen enkele casus voorgedragen bij Google.
Hoeveel verzoeken zijn er, sinds de oprichting van het «escalatie kanaal», door de overheid ingediend bij Twitter via het «escalatie kanaal»? Hoeveel van deze verzoeken zijn door Twitter ingewilligd en hoeveel niet?
Sinds het verkrijgen van de status «trusted flagger» op 3 mei 2019 heeft het Ministerie van BZK tweemaal een casus voorgedragen bij Twitter.
De eerste melding werd gedaan op 11 maart 2021. Het betrof een mail van de gemeente Midden-Delfland dat haar Twitteraccount geblokkeerd was, en Twitter haar hier geen reden voor gaf. Het ministerie heeft bij Twitter navraag gedaan, waarbij Twitter reageerde er een probleem was met het verifiëren van een telefoonnummer dat aan het account gekoppeld was, maar dat het account inmiddels weer gedeblokkeerd was.
De tweede melding werd gedaan op 17 maart 2021. Het betrof een zelfde casus als beschreven onder vraag 4, de tweede melding bij Facebook. Het Ministerie van BZK heeft verder niet gevolgd wat Twitter met de gedane melding heeft gedaan.
Zijn verzoeken vanuit de staat via de «escalatie kanalen» altijd verzoeken om desinformatie te verwijderen of zijn er ook andere type verzoeken die via de «escalatie kanalen' kunnen worden doorgegeven?
Zoals ook opgemerkt in de beantwoording van vraag 1 kan het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» niet gebruiken om een verzoek tot verwijdering in te dienen. De status dient als middel om een melding te doen van berichten waarvan het ministerie vermoedt dat ze niet voldoen aan de gebruikersvoorwaarden van bedrijven. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan, maken hierbij nog altijd hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden, en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het Ministerie van BZK zet de status van «trusted flagger» met grote terughoudendheid in: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van misleidende informatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Of wanneer een gemeente rondom verkiezingen een vraag had voor Meta en zelf geen gehoor kreeg.
Kan de Minister de Kamer een afschrift toesturen van alle verzoeken die door het BZK desinformatieteam via deze drie «escalatie kanalen» zijn ingediend bij Facebook, Google en Twitter?
Ja, de afschriften zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.
Kan de Minister de Kamer een afschrift toesturen van de reacties van Facebook, Google en Twitter op alle verzoeken die door het BZK desinformatieteam via deze drie «escalatie kanalen» zijn ingediend bij Facebook, Google en Twitter?
Ja, de afschriften zijn als bijlage toegevoegd bij deze brief.
Hoe stelt het BZK desinformatieteam vast dat er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade toe te brengen?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Zoals aangegeven in eerdere Kamerbrieven is dit primair een taak van onafhankelijke factcheckers, media en wetenschappers. Wel heeft het Ministerie van BZK de taak om de integriteit van de verkiezingen te beschermen. Waar het gaat om misleidende of onjuiste informatie over het verkiezingsproces, zoals onjuiste informatie over de sluitingstijden van stemlokalen of de wijze van stemmen, kan het ministerie deze toetsen aan de geldende regels en procedures.
Betekent «doelbewust» dat het BZK desinformatieteam (om immers vast te kunnen stellen of er sprake is van «desinformatie» of niet) bij elk verzoek dat wordt ingediend via een «escalatie kanaal», eerst moet vaststellen wat de intentie van de verspreider van «desinformatie» is? Of betekent het iets anders? En betekent «doel om schade toe te brengen» dat deze intentie ook kwaadwillend moet zijn? Of betekent het iets anders?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. De afdeling Democratie van BZK gebruikt de status van «trusted flagger» met grote terughoudendheid: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Dit volgt uit de verantwoordelijkheid van BZK voor het beschermen van de integriteit van het verkiezingsproces. Het risico op belemmering van de integriteit van het verkiezingsproces staat daarbij centraal, niet de intentie van de verspreider.
Hoe slaagt het BZK desinformatieteam erin een onderscheid te maken tussen het bewust en het onbewust verspreiden van misleidende informatie? Welke methode, welke instrumenten, welke protocollen worden daarvoor gehanteerd? Kan de Minister een paar voorbeelden geven van het bewust versus het onbewust verspreiden van misleidende informatie?
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces belemmering zou kunnen ondervinden, kan het ministerie een melding doen bij een onder vraag 1 genoemde bedrijven... Voor het onderscheid tussen bewuste en onbewuste verspreiding van misleidende informatie kijken bedrijven bijvoorbeeld naar technieken die worden ingezet om berichten te verspreiden. Zo hadden internetdiensten Facebook, Twitter, Google, Microsoft, TikTok en Snapchat richting de Tweede Kamerverkiezing van 2021 maatregelen genomen om misinformatie en desinformatie tegen te gaan en hierop extra alert te zijn. Dit betekende onder meer dat door internetdiensten actief gezocht is naar gecoördineerd niet-authentiek gedrag die berichten kunstmatig populairder kunnen laten lijken.6
Staat er wellicht ergens op een ons nog onbekend «Ministerie van Waarheid» een apparaat waarmee men niet alleen met absolute zekerheid kan vaststellen of iets «waar» of «niet waar» (en dus wel of niet «misleidend») is, maar kan dit apparaat misschien gelijk ook feilloos de goedwillende dan wel kwaadwillende intentie van de verspreider van de misleidende informatie vaststellen?2 En als zo’n apparaat niet bestaat, hoe kan de Minister er dan zeker van zijn dat verzoeken ingediend door de staat bij Facebook, Google en Twitter via de «escalatie kanalen» om «desinformatie» te verwijderen niet onbedoeld resulteren in censuur van informatie die niet (doelbewust) misleidend is? Censuur die dus gelijk staat aan het onterecht en onnodig beknotten van de vrijheid van meningsuiting?
Nee, een dergelijk apparaat en het «Ministerie van Waarheid» bestaan allebei niet in Nederland.
De afdeling Democratie van BZK stelt niet zelf vast of er op sociale media doelbewust misleidende informatie wordt verspreid met het doel om schade aan te richten. Wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces belemmering zou kunnen ondervinden, kan het ministerie een melding doen bij een onder vraag 1 genoemde bedrijven. De betreffende bedrijven bij wie de melding wordt gedaan, maken altijd hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Hiervoor maken zij gebruik van de eigen gebruikersvoorwaarden.
Door gebruik te maken van diensten van online platformen – bijvoorbeeld door een account aan te maken, het online spelen van games, het plaatsen van eigen content of het lezen van content van overige gebruikers – stemmen gebruikers in met de gebruikersvoorwaarden van dat online platform. Hiermee gaan zij een civielrechtelijke overeenkomst met dat platform aan, waarbij het toepasselijke rechtsstelsel bij geschillen wordt bepaald door het betreffende platform. In het kader van de contractvrijheid staat het aanbieders van online platformen vrij om grenzen te stellen aan het soort content op hun platform en de manier waarop hun platform wordt gebruikt. Ook staat het hen vrij actie te ondernemen indien zij van mening zijn dat gebruikers hun gebruiksvoorwaarden overtreden. Dat behelst ook de mogelijkheid om content te verwijderen of een gebruikersaccount op te schorten. Het idee hierachter is, dat gebruikers zelf de vrijheid en mogelijkheid hebben om te bepalen of zij gebruik maken van een bepaald online platform – en daarmee instemmen met de gebruikersvoorwaarden – of niet. Voor meer informatie verwijs ik u graag door naar de Kamerbrief over contentmoderatie en vrijheid van meningsuiting op online platformen van 21 september 2021.8
Kan de Minister de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Chinese TikTok-medewerkers krijgen toegang tot data Europese gebruikers’ |
|
Henri Bontenbal (CDA), Queeny Rajkowski (VVD), Hind Dekker-Abdulaziz (D66), Farid Azarkan (DENK), Danai van Weerdenburg (PVV), Marieke Koekkoek (D66), Renske Leijten (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Bouchallikh , Joost Eerdmans (EénNL), Don Ceder (CU) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
Bent u bekend met het bericht «Chinese TikTok-medewerkers krijgen toegang tot data Europese gebruikers»?1
Ja, daarmee ben ik bekend.
Kunt u een schatting geven hoeveel Nederlanders momenteel gebruik maken van TikTok? Hoeveel van deze gebruikers zijn kinderen?
In januari 2022 waren er ongeveer drie miljoen Nederlandse gebruikers van TikTok.2 De minimumleeftijd voor het gebruik van TikTok, volgens het beleid van TikTok, is 13 jaar. Bij TikTok is nagevraagd hoeveel van de gebruikers in Nederland minderjarig zijn. Hierbij heeft TikTok aangegeven dat zij deze informatie niet openbaar kunnen maken, omdat het voor TikTok bedrijfsgevoelige informatie betreft. Het is moeilijk met zekerheid vast te stellen hoeveel van de Nederlandse gebruikers minderjarig zijn. Hierbij speelt een rol dat de juistheid van de door gebruikers opgegeven leeftijd door TikTok niet wordt geverifieerd. Minderjarigen kunnen zich daarom als meerderjarigen voordoen. Uit onderzoek van de Britse (telecom) toezichthouder Office of Communications (Ofcom) bleek vorige maand dat één op de drie Britse kinderen een sociale media-account voor volwassenen heeft.3 Naar alle verwachting zijn er ook in Nederland kinderen die een account voor een volwassene hebben.
Welke medewerkers hebben toegang tot de verzamelde informatie? Klopt het dat een deel van de medewerkers van TikTok een dubbelrol hebben bij de Chinese Communistische Partij en dat dus de Chinese overheid toegang krijgt tot al deze persoonlijke informatie?
Op dit moment weten we niet welke medewerkers van TikTok toegang hebben tot welke gegevens. TikTok is benaderd om hier meer informatie over te geven, maar TikTok heeft aangegeven hier geen antwoord op te kunnen geven. Uiteraard zou ik het absoluut onacceptabel vinden als persoonsgegevens in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) worden doorgegeven aan de Chinese overheid.
De voorwaarden waaronder persoonsgegevens vanuit de EU naar derde landen kunnen worden doorgegeven liggen vast in de AVG. Doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen, waaronder China, dient plaats te vinden volgens hoofdstuk V van de AVG. Of er bij TikTok sprake is van een onrechtmatige doorgifte, is niet aan mij of dit kabinet om vast te stellen, maar aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) of diens collega in de lidstaat waar TikTok haar hoofdzetel heeft.
Momenteel doet de Ierse toezichthouder (DPC) als leidende autoriteit van de EU onderzoek naar de wijze waarop TikTok persoonsgegevens verwerkt. Het betreft een tweetal onderzoeken. Het eerste onderzoek richt zich op de verwerking van persoonsgegevens van minderjarige gebruikers in de context van de platforminstellingen van het TikTok-platform met betrekking tot accounts van gebruikers jonger dan 18 jaar en leeftijdsverificatiemaatregelen. Het onderzoek gaat ook na of TikTok heeft voldaan aan de transparantieverplichtingen van de AVG in het kader van de verwerking van persoonsgegevens van gebruikers jonger dan 18 jaar. Het tweede onderzoek richt zich op de overdracht door TikTok van persoonsgegevens naar derde landen waaronder China en de naleving van de vereisten van de AVG voor deze overdrachten.
De DPC is beide onderzoeken gestart in september 2021. De DPC heeft haar ontwerpbesluit in het eerste onderzoek begin september 2022 voorgelegd aan de toezichthouders – waaronder de AP – in de andere lidstaten. Dit maakt deel uit van het proces op grond van artikel 60 van de AVG. Voor het tweede onderzoek waar het gaat om de doorgifte naar derde landen heeft de Minister voor Rechtsbescherming de AP gevraagd om bij haar Ierse collega te vragen naar de stand van zaken van dit onderzoek.
Kunt u toelichten om wat voor een data het hier gaat? Gaat het hier om persoonsgegevens, persoonlijke voorkeuren of psychologische profielen?
Het is mij niet bekend welke gegevens op welke manier verwerkt worden en welke TikTok-medewerkers toegang hebben tot welke gegevens. TikTok geeft in zijn privacybeleid aan welke gegevens worden verzameld. In zijn beleid schrijft TikTok dat gegevens onder drie categorieën wordt verzameld: (1) informatie die de gebruiker verstrekt, (2) automatisch verzamelde informatie en (3) informatie uit andere bronnen.
Het gaat hier o.a. om profielinformatie, gebruikerscontent en informatie uit directe berichten van gebruikers, maar ook om locatiegegevens van de gebruikers, technische gegevens met betrekking tot het apparaat van de gebruiker, gebruikers informatie en cookies. Ook wordt in gevallen door adverteerders op TikTok informatie over gebruikers gedeeld met TikTok.4
Acht u het wenselijk dat de Chinese overheid toegang heeft tot dit soort informatie, met name ook over kinderen?
Zoals ik in antwoord op vraag 3 schreef, zou ik het absoluut onacceptabel vinden als persoonsgegevens in strijd met de AVG worden doorgegeven aan de Chinese overheid. Binnenkort ga ik met TikTok in gesprek in het kader van een serie gesprekken met verschillende grote tech-bedrijven. In dat gesprek zullen de hierboven genoemde uitgangspunten bij TikTok onder de aandacht worden gebracht.
Bent u bereid om TikTok per direct op te roepen geen gegevens van Europese gebruikers opgeslagen binnen de Europese Unie met China te delen?
Zoals gemeld in antwoord op vraag 3 kan doorgifte van persoonsgegevens in derde landen rechtmatig plaatsvinden, mits voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van de AVG. Op 18 juni 2021 heeft het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) richtsnoeren vastgesteld die beogen bedrijven en organisaties handvatten te bieden bij de beoordeling welke aanvullende maatregelen zij kunnen treffen bij de verwerking – waaronder doorgifte – van persoonsgegevens met derde landen om te voldoen aan de voorwaarden van de AVG.
Ik vind het onacceptabel indien gegevens van Nederlandse burgers onrechtmatig worden gedeeld met de Chinese overheid. Binnenkort spreek ik met TikTok in het kader van een serie gesprekken met verschillende grote tech-bedrijven. De hierboven genoemde uitgangspunten zullen bij TikTok onder de aandacht worden gebracht, mede naar aanleiding van de berichtgeving hierover. Het blijft aan de onafhankelijke toezichthouder om de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen te onderzoeken en daar op te handhaven.
Welke stappen acht u noodzakelijk richting TikTok in Nederland en de Europese Unie zolang persoonlijke gegevens terecht komen in handen van de Chinese overheid?
Het is in de eerste plaats aan de onafhankelijke toezichthouder om onderzoek te doen naar rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens, en om daar vervolgens tegen op te treden. In het stelsel van de AVG zijn geen bevoegdheden toegekend aan het kabinet. Daarbij wil ik graag opmerken dat de toezichthouder binnen de AVG een breed scala aan bevoegdheden heeft tot het nemen van corrigerende maatregelen mocht zij dat nodig achten. De toezichthouder kan bijvoorbeeld de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker waarschuwen, berispen of gelasten een verzoek van betrokkene voor de uitoefening van zijn of haar rechten in te willigen. Ook kan er ook een geldboete worden opgelegd en de toezichthouder kan ook een tijdelijk of definitief verwerkingsverbod opleggen of gelasten de gegevensstromen naar een ontvanger in een derde land op te schorten.
Zoals gezegd in het antwoord op vraag 3, voert de DPC momenteel onderzoek uit naar of de doorgifte van persoonsgegevens naar derde landen – waaronder China – voldoet aan de AVG-vereisten voor deze doorgifte. Daarnaast heeft de AP vorig jaar een boete van 750.000 euro aan TikTok opgelegd wegens het schenden van de privacy van jonge kinderen. De informatie die de Nederlandse gebruikers van TikTok kregen bij het installeren en gebruiken van de app was in het Engels en daardoor niet goed te begrijpen door jonge kinderen. Door de privacyverklaring niet in het Nederlands aan te bieden, legde TikTok onvoldoende uit hoe de app persoonsgegevens verzamelt, verwerkt en gebruikt. Tijdens het onderzoek door de AP heeft TikTok zich gevestigd in Ierland en de AP was vanaf dat moment alleen nog bevoegd om te oordelen over de privacyverklaring van TikTok, omdat de overtreding was beëindigd.
Wat betreft de inzet van TikTok voor overheidscommunicatie kan ik u melden dat de Dienst Publiek en Communicatie (DPC) van het Ministerie van Algemene Zaken (AZ) sinds september adviseert om de inzet van TikTok voor de rijksoverheid op te schorten vanwege zorgen over gegevensbescherming.
Welke stappen worden er op dit moment binnen de Europese Unie gezet om de juridische kaders ten aanzien van adequate beveiliging van data-transfers wereldwijd te verduidelijken en uit te breiden om te voorkomen dat buitenlandse inlichtingendiensten toegang krijgen tot persoonsgegevens van Europese gebruikers?
Binnen de EU zijn bepalingen uit de AVG t.a.v. adequate beveiliging van data-transfer verduidelijkt via richtsnoeren van de EDPB (zie ook antwoord op vraag 6).5 Deze richtsnoeren beogen organisaties handvatten te bieden voor veiligheidsmaatregelen bij de verwerking – waaronder doorgifte – van persoonsgegevens met derde landen om te voldoen aan de voorwaarden van de AVG. Zo worden in deze richtsnoeren praktische voorbeelden gegeven van hoe veiligheidsmaatregelen getroffen kunnen worden. In deze richtlijnen staat bijvoorbeeld hoe gegevens gepseudonimiseerd kunnen worden doorgegeven en hoe gegevens versleuteld kunnen worden om deze te beschermen tegen toegang voor overheidsinstanties van het derde land.
Welke stappen zet u richting de Europese Commissie om hier aandacht voor te vragen en actie op te ondernemen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Hoe geeft u uitvoering aan de afspraak uit het coalitieakkoord dat we kinderen beschermen door ze het recht te geven niet gevolgd te worden en geen dataprofielen te krijgen?
Wat betreft het recht van kinderen om niet gevolgd te worden en geen dataprofiel te krijgen is Europese wetgeving van belang. In het gegevensbeschermingsrecht hebben kinderen het recht op specifieke bescherming, met name bij het gebruik van hun persoonsgegevens voor marketingdoeleinden of voor het opstellen van persoonlijkheids- of gebruikersprofielen (overweging 38 AVG). Deze bescherming zal versterkt worden door de Digital Services Act (DSA) die in 2024 in werking treedt. Het wordt dan voor zeer grote platforms zoals TikTok verboden om data van minderjarigen te verzamelen voor het profileren voor marketingdoeleinden
De Europese Commissie heeft in de geactualiseerde Better Internet For Kids (BIK+) strategie aangekondigd een EU gedragscode voor leeftijdsgeschikt ontwerpen te gaan publiceren. Deze gedragscode moet er aan bijdragen dat de verplichtingen neergelegd in de DSA en AVG worden nageleefd om zo te voorkomen dat kinderen gevolgd worden en dataprofielen krijgen. Wij zijn nauw betrokken bij deze Europese ontwikkelingen en maken ons er hard voor om de bescherming van kinderen in de digitale wereld verder te versterken.
Kunt u deze vragen nog voor het begrotingsdebat Digitale Zaken op 14 november 2022 afzonderlijk beantwoorden?2
Ja.
Een ‘speciale portal’ bij techbedrijven |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met berichten dat de Biden regering een «speciale portal» bij techbedrijven heeft voor het aangeven van desinformatie?1
Ja.
Heeft de Nederlandse staat ook toegang tot een dergelijke speciale portal bij Twitter (of Facebook of Instagram) voor het aangeven van desinformatie, misinformatie of nepnieuws bij deze techbedrijven?
Het Ministerie van BZK heeft geen toegang tot een Content Request System zoals beschreven in de artikelen in de bijlagen. Wel heeft het Ministerie van BZK de status van «trusted flagger» bij Meta, Google, Twitter, TikTok en Snapchat. Trusted flaggers» meldingen worden door de genoemde sociale media platformen met prioriteit behandeld. Deze trusted flagger status kunnen deze online platformen ook geven aan andere overheidsorganisaties of NGO’s.2 Het Ministerie van BZK zet dit middel met grote terughoudendheid in en alleen rondom verkiezingen: wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat de integriteit van het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden. Of wanneer een gemeente rondom verkiezingen een vraag had voor Meta en zelf geen gehoor kreeg. De bedrijven waarbij een melding wordt gedaan maken hierbij hun eigen onafhankelijke afweging of er sprake is van een overtreding van de gebruikersvoorwaarden en dus of verwijdering, labelen of een andere actie gerechtvaardigd is. Het ministerie heeft via deze kanalen geen bevoegdheid bepaalde content te laten verwijderen.
Voor meer informatie over deze status van «trusted flaggers» verwijs ik u naar de beantwoording van de Kamervragen over de «escalatie kanalen» en het «desinformatieteam BZK» naar aanleiding van een Wob-verzoek die u op 7 november 2022 aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2022–2023, nr. 914).
Onderhoudt de Nederlandse staat contact met de bovengenoemde drie sociale mediabedrijven en indien dit het geval is door wie en op welke manier (bijvoorbeeld telefonisch, via mailverkeer) en waarom wordt dit contact onderhouden?
Ja. Het Ministerie van BZK houdt vanwege verschillende redenen contact met bovengenoemde bedrijven. Dit contact kan zowel op ambtelijk als op ministerieel niveau plaatsvinden. Het kan bestaan uit telefonisch contact, mailverkeer, of gesprekken in persoon. Zo heeft de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 8 juni 2022 een kennismakingsgesprek gehad met vertegenwoordigers van Meta, waarover die dag op Twitter publiekelijk is gecommuniceerd.3 In het kader van hoor en wederhoor is er contact met Meta over het DPIA traject Facebook Pages4. Via de status van «trusted flagger» kan het ministerie contact op nemen met deze bedrijven wanneer er een vermoeden bestaat van de verspreiding van des- of misinformatie waarvan de inhoud als gevolg heeft dat het verkiezingsproces, een vitaal onderdeel van de democratie, belemmering zou kunnen ondervinden.
Het bericht dat Koningin Máxima pleit voor de digitale euro |
|
Derk Jan Eppink (JA21) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
![]() |
Sprak Koningin Maxima in haar pleidooi voor een digitale euro tijdens haar bezoek aan het Internationaal Monetair Fonds (IMF) in Washington DC, mede namens de regering?
Koningin Máxima heeft haar uitspraken gedaan uit hoofde van haar UNSGSA-rol voor inclusieve financiering voor ontwikkeling. In haar speech heeft zij geen pleidooi gehouden voor (de invoering van) een digitale euro, maar heeft zij gesproken over de mogelijke kansen voor financiële inclusie, maar ook de risico’s van de ontwikkeling van digitale centrale bankgeld in het algemeen.1 Dit wordt beschreven in het door u aangehaalde artikel. Deze uitspraken zijn in lijn met de standpunten van het kabinet ten aanzien van de digitale euro.
Wat zijn de staatsrechtelijke contouren waarbinnen het Koninklijk Huis opiniërende politieke uitspraken mag doen en is er vooraf overleg met u? Zo ja, in welke vorm?
Er is ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning en andere leden van het Koninklijk Huis. De betekenis van deze ministeriële verantwoordelijkheid is toegelicht in de voorlichting van de Raad van State uit 2010.2
Waar ligt de scheidslijn voor het kabinet, waarna uitspraken van het Koninklijk Huis als partijdig worden aangemerkt?
Zie antwoord vraag 2.
Is er een protocol om te voorkomen dat leden van het Koninklijk Huis politiek partijdige uitspraken doen? Zo ja, hoe en door wie wordt dit getoetst?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzien van de digitale euro en onderschrijft u de uitspraken van Koningin Máxima bij het IMF over digitaal geld in het algemeen?1
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 2 van het lid Van Houwelingen spreek ik zeer regelmatig met de Kamer over de discussies op EU-niveau over de ontwikkeling van een mogelijke digitale euro. De Kamer is meermaals schriftelijk geïnformeerd over het kabinetstandpunt over de ontwikkeling van een mogelijke digitale euro.4 Daarnaast vinden er regelmatig besprekingen plaats in de Eurogroep. De Kamer wordt van tevoren via de geannoteerde agenda geïnformeerd over de Nederlandse inzet bij deze besprekingen in de Eurogroep, en deze inzet wordt regelmatig besproken in de voorbereidende commissiedebatten.5
Het kabinet heeft een positieve grondhouding tegenover de digitale euro – het zou bijvoorbeeld kunnen bijdragen aan een innovatiever en veiliger betalingsverkeer, en aan het in stand houden van een vorm van publiek geld. Dat gezegd hebbende moet hierbij wel aan een aantal randvoorwaarden voldaan worden, onder meer op het gebied van privacy en financiële stabiliteit. De eventuele risico’s van de invoering van een digitale euro moeten daarom goed in kaart worden gebracht en worden gemitigeerd. Daarnaast dient de invoering van een digitale euro een solide democratische basis te hebben, wat betekent dat besluitvorming hierover op politiek niveau moet plaatsvinden.
Hoewel Koningin Máxima sprak vanuit haar UNSGSA-rol voor inclusieve financiering voor ontwikkeling, en daarbij ook niet specifiek sprak over de digitale euro of het Nederlandse standpunt hierover, zijn haar uitspraken in lijn met dit kabinetstandpunt.
Bent u het ermee eens dat Koningin Máxima met haar pleidooi voor de digitale euro zich partijdig heeft opgesteld? Zo ja, is er contact geweest tussen het kabinet en het Koninklijk Huis over deze gang van zaken, en kunt u ons mededelen welke communicatie hieruit volgde?
Er is ministeriële verantwoordelijkheid voor de Koning en andere leden van het Koninklijk Huis. De betekenis van deze ministeriële verantwoordelijkheid is toegelicht in de voorlichting van de Raad van State uit 2010.6 Zie het antwoord op vraag 1 en 5. Koningin Máxima heeft geen pleidooi gehouden voor (de invoering van) de digitale euro. De inhoud van de toespraak die valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid is in lijn met het kabinetsbeleid.
Deelt u de analyse dat met een digitale euro macht verschuift van commerciële banken naar centrale banken, en met name naar de Europese Centrale Bank en ziet u deze verschuiving ook als problematisch?
Ik hecht er allereerst aan te benadrukken dat er momenteel sprake is van een verkenning naar de invoering van de digitale euro. Over de eventuele daadwerkelijke invoering ervan dient nog besloten te worden. Onderdeel van die besluitvorming zijn de ontwerpkeuzes. De ontwerpkeuzes zijn bepalend voor de ordening van het banken- en betalingslandschap en de rol van de ECB daarbinnen.
Het kabinet ziet de potentiële meerwaarde van een digitale euro in het behoud van publiek geld en het beschikken over een publiek alternatief in de betaalinfrastructuur. Deze kabinetsinzet bouwt voort op bredere maatschappelijke discussies in Nederland. Een belangrijke aanleiding voor Nederland voor het nader onderzoeken van de invoering van digitaal centrale bankgeld komt voort uit eerdere maatschappelijke initiatieven over de inrichting van het financiële systeem en de rol van commerciële banken hierin. In 2019 heeft de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) het rapport Geld en Schuld gepubliceerd7, waarin de WRR onder meer adviseert om te kijken naar een betere verankering van de publieke dimensie in banken, met name in het betalingsverkeer. Hierbij geeft de WRR aan dat de ontwikkeling van digitaal centrale bankgeld hieraan kan bijdragen.
Een ander risico van volledige afhankelijkheid van commerciële banken is het feit dat financiële dienstverlening, en met name het betalingsverkeer, in toenemende mate gedigitaliseerd wordt. In een ander rapport, Voorbereiden op Digitale Ontwrichting8, heeft de WRR gewaarschuwd dat de hoge mate van afhankelijkheid van een klein aantal digitale systemen tot risico’s kan leiden als deze systemen uitvallen. De ontwikkeling van een extra betaalsysteem, bijvoorbeeld via de ontwikkeling van een digitale euro, zorgt voor extra terugvalopties in het geval het commerciële girale systeem uitvalt.
Een laatste aanleiding is de afname van het gebruik van contant geld in Nederland, wat momenteel de enige vorm van publiek geld is. Het gebruik van contant geld is in korte tijd erg gedaald, waardoor de afhankelijkheid van commerciële banken voor het betalingsverkeer is gegroeid in de afgelopen 10 jaar. Daarnaast hebben de banken de kosten die zij rekenen voor chartale dienstverlening de laatste jaren verhoogd – de Tweede Kamer vraagt hier terecht regelmatig aandacht voor. De toegang tot een publieke vorm van geld is zeer belangrijk voor het onderliggende vertrouwen in commerciële financiële instellingen. Met een digitale euro, die geen vervanging zal zijn van contant geld, maar er complementair aan zal zijn, wordt ook voor de toekomst de beschikbaarheid van een publieke vorm van geld gewaarborgd.
Zoals in antwoord op vraag 5 aangegeven zijn er aan de andere kant ook potentiële negatieve aspecten of risico’s bij de invoering van een digitale euro. Deze risico’s dienen wat het kabinet betreft goed in kaart gebracht te worden en voldoende gemitigeerd te zijn voordat overgegaan kan worden tot de invoering van een digitale euro.
Bent u het ermee eens dat de privacy van Nederlandse burgers (zoals steeds meer inzage in het betalingsverkeer) in het geding kan komen bij de invoering van een digitale euro?
Ik heb uw Kamer eerder aangegeven dat een hoge mate van privacy en niet-programmeerbaarheid randvoorwaarden moeten zijn bij de ontwikkeling van een mogelijke digitale euro. Zo heb ik opgeroepen om te kijken naar de mogelijkheid voor anonieme betalingen tot een bepaald bedrag. Dit heb ik ook uitgedragen richting de Europese Commissie en de ECB, onder andere in een gezamenlijk non-paper met Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje over de digitale euro9. Dit is in lijn met de moties Alkaya-Heinen10 en Heinen-Alkaya11, waarvan de laatste ook door JA21 is gesteund.
Wat is de procedure voor het invoeren van een digitale euro?
Ik heb meermaals met uw Kamer gesproken over het belang van democratische besluitvorming over de eventuele invoering van een digitale euro. Conform de wens van de Kamer heeft het kabinet dit regelmatig onder de aandacht gebracht bij de ECB en de Europese Commissie, bijvoorbeeld in het eerdergenoemde gezamenlijke non-paper met Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje.
Mede naar aanleiding van deze inzet vindt er regelmatig een discussie in de Eurogroep plaats over de digitale euro. De Commissie heeft aangekondigd om in het voorjaar van 2023 met een wetgevend voorstel te komen over de digitale euro. Hierbij zal, naar verwachting, ook de verdere politieke discussie en besluitvorming over de wenselijkheid van de invoering van een digitale euro plaatsvinden. Het voorstel zal gebaseerd zijn op art. 133 van het Verdrag betreffende de werking van de EU, dat expliciet voorschrijft dat het Europees Parlement en de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure, na raadpleging van de ECB, besluiten over de invoering van een digitale euro. Hierbij wordt de Tweede Kamer via de bestaande reguliere processen betrokken.
Momenteel bevindt de digitale euro zich bij de ECB nog in de onderzoeksfase. Deze fase duurt naar verwachting tot het najaar van 2023. Na deze fase zal de governing council van de ECB besluiten of de ECB zelf een noodzaak ziet om een digitale euro te ontwikkelen.
Wat voor effect zou een digitale euro hebben op de vitaliteit van de bancaire sector in Nederland?
Het is nog te vroeg om de effecten van de digitale euro op de Nederlandse bancaire sector nader te duiden. Allereerst moeten de exacte ontwerpkenmerken van een digitale euro nog vastgesteld worden. Daarnaast zal de impact afhangen van de mate waarin gebruikers belang hechten aan specifieke kenmerken van de digitale euro en hoe dit zich verhoudt ten opzichte van beschikbare alternatieven zoals contant geld en bankdeposito’s.
Ik verwacht dat, als besloten wordt tot invoering van de digitale euro, banken en andere financiële dienstverleners als intermediair tussen ECB en eindgebruikers zullen fungeren. De digitale euro kan hiermee innovatie, diversiteit en concurrentie in de financiële sector aanjagen. De digitale euro kan bovendien dienen als een pan-Europese open basis-infrastructuur voor het betalingsverkeer. Private partijen, zoals banken en fintechs, kunnen met behulp van de digitale euro voor de hele eurozone nieuwe toepassingsmogelijkheden voor bank- en betaaldiensten gaan ontwikkelen. De digitale euro kan tevens de concurrentie in de financiële sector vergroten doordat het aanbieden van dienstverlening rond betaalrekeningen voor een bredere groep bedrijven mogelijk wordt. Dit kan in potentie de vitaliteit van de bancaire sector, zowel voor Nederland alsook het eurogebied, verbeteren. Tegelijkertijd dienen risico’s te worden gemitigeerd. De invoering van een digitale euro mag niet ten koste gaan van financiële stabiliteit en het monetaire transmissiemechanisme belemmeren.
Kunt u garanderen dat de digitale euro geen opstapje is naar het uitfaseren van contant geld of het omzeilen van commerciële banken?
Ik heb meermaals aangegeven dat een digitale euro contant geld niet mag vervangen, waaronder in een gezamenlijk non-paper met Duitsland, Frankrijk, Italië en Spanje. De Europese Commissie12 en Europese Centrale Bank13 hebben dit ook meermaals aangegeven. In regelgeving op EU-niveau is reeds vastgelegd dat eurobiljetten14 en -munten15 wettig betaalmiddel zijn. Daarnaast is de Europese Commissie voornemens om begin 2023 met nieuwe voorstellen te komen om de positie van contant geld als wettig betaalmiddel te versterken.16
Bent u bereid wettelijk vast te leggen dat contant geld altijd een betaalmogelijkheid moet blijven?
Zie antwoord vraag 11.
Was het warme pleidooi van Koningin Máxima voor de digitale euro, in het licht van de variëteit aan aspecten en de vele onbekende factoren, enigszins voorbarig?
In haar speech heeft Koningin Máxima niet uitgesproken voorstander te zijn van de invoering van een digitale euro. Koningin Máxima heeft aangegeven dat digitaal centrale bankgeld in het algemeen voor financiële inclusie potentiële voordelen kent. Hierbij heeft Koningin Máxima evenwel aangegeven dat er ook risico’s zijn en dat verder onderzoek nodig is. Dit wordt ook beschreven in het door u aangehaalde artikel. Dit afgewogen standpunt is in lijn met de visie van het kabinet, zoals in antwoord op vraag 5 aangegeven.
De inbreuk op de privacy van Nederlandse studenten door Amerikaanse techbedrijven |
|
Olaf Ephraim (FVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Kent u de alarmerende nieuwsberichten van de NOS («Driekwart Nederlandse studentendata opgeslagen bij Amerikaanse techbedrijven»1), Scienceguide2 en KNAW3 waaruit blijkt dat nu 3/4 van de gegevens van Nederlandse studenten in handen is van datacentra van commerciële Amerikaanse Tech bedrijven ten opzichte van 25% in 2015?
Ja.
Erkent u dat de onafhankelijkheid en integriteit van universiteiten sterk in het geding is nu de gegevens grotendeels in handen zijn van Amerikaanse «tech bedrijven» als Amazon, Microsoft en Google en dat dit een ongewenste situatie is die onderzocht en gestopt dient te worden?
De onafhankelijkheid en integriteit van universiteiten is niet (per definitie) in het geding door het gebruik van clouddiensten. Het gebruik van zulke diensten is sterk groeiend vanwege de voordelen die het biedt. Instellingen moeten zich tegelijkertijd bewust zijn van de risico’s en van de afhankelijkheden die door zulke overeenkomsten kunnen ontstaan.
Ik vind dat de keuze voor leveranciers onderdeel is van de autonomie die universiteiten hebben. Bij elke afspraak tot commerciële dienstverlening bestaat een zekere afhankelijkheid. Deze is niet inherent beperkend voor de vrije keuze van universiteiten, en ondermijnt niet inherent de wetenschappelijke integriteit. Dergelijke risico’s moeten onderdeel zijn van de afweging van de instelling voordat en terwijl de dienst wordt afgenomen.
Verder is het belangrijk om open source alternatieven te verkennen, op nationaal en Europees niveau. Mijn voorganger heeft dit ook eerder in Brussel aangekaart bij de Europese Commissie en hen verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen4. Tegelijkertijd bevordert SURF het onderzoeken van mogelijke alternatieven. SURF biedt een mix van eigen clouddiensten en aanbod van marktpartijen. Binnen de SURFcumulus cloud dienst van SURF bieden 13 leveranciers hun diensten aan. Zo is SURF actief in de European Open Science cloud van de EU en lid van GAIA-X. Daarnaast draait bijvoorbeeld SURFdrive, voor het opslaan en delen van data, op daar onderliggende Europese open software zoals ownCloud. SURF is continu met leden in gesprek over deze kwesties.
In mijn kamerbrief van 14 juli 2022, over het verhogen van digitale veiligheid in onderwijs en onderzoek5, ga ik dieper in op hoe wij de sector bij hun digitale veiligheid ondersteunen, ondanks het feit dat zij daar zelf verantwoordelijk voor zijn. Zo faciliteren wij Data Protection Impact Assessments (DPIA’s), op producten die in het onderwijs veel gebruikt worden. Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de motie van de leden Kwint en Van Meenen.6 Door de DPIA’s kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten. De DPIA’s, waarbij de instellingen worden ondersteund door SURF, sluiten aan op het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP).
Een eerder uitgevoerde DPIA van Microsoft maakte ook duidelijk dat er voor het gebruik van bepaalde Microsoft-producten geen grote risico’s overblijven, mits de gebruiker een aantal maatregelen neemt om de risico’s te mitigeren. Bij het assessment van Google zijn privacyrisico’s geconstateerd, met name over hun omgang met metadata. Vervolgens zijn met Google afspraken gemaakt over het mitigeren van deze geconstateerde risico’s. In algemene zin is het beheersen van risico’s ook een essentieel onderdeel in de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) 2022–2028 die recent is gepubliceerd.7
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de VH en UNL.
Ziet u ook de ernst van de gevaren in van het afstandsonderwijs dat halsoverkop in Coronatijd moest worden ingevoerd en kunt u deze in kaart brengen alsmede eventuele oplossingen?
Gedurende de lockdown was fysiek onderwijs zeer beperkt mogelijk. Om de studievoortgang van studenten te bewaken, zijn onderwijsinstellingen destijds tijdelijk overgestapt naar voornamelijk afstandsonderwijs. Volledig afstandsonderwijs kent nadelen, maar daardoor konden studenten gedurende de lockdown wel blijven studeren. Daarnaast is het bekend dat afstandsonderwijs risico’s met zich kan meebrengen rondom privacy en digitale veiligheid. Het is daarbij wel belangrijk om te noemen dat er vele soorten van afstandsonderwijs mogelijk zijn en dat zij ook een eigen risicoprofiel kennen. De risico’s moeten worden afgewogen, waarbij de voordelen kunnen opwegen tegen de nadelen.
Hoger onderwijsinstellingen werken aan de privacybescherming naar aanleiding van het advies van de AP. Daarin krijgen onderwijsinstellingen ondersteuning van SURF, bijvoorbeeld met betrekking tot DPIA’s. Eind juni 2022 publiceerde SURF het nieuwe «SURF audit toetsingskader Privacy 2022» waarmee een pilot wordt gestart bij de bij SURF aangesloten onderwijsinstellingen. Het toetsingskader zal door het hoger onderwijs worden gebruikt voor gegevensbeschermingsbeleid in overeenstemming met privacyregelgeving. De verwachting van SURF is dat het nieuwe toetsingskader inzicht zal geven in het privacy volwassenheidsniveau van het hoger onderwijs. Eind 2022 worden de resultaten van de pilot door SURF bekendgemaakt.
Wat is er aan concrete maatregelen genomen sinds hoogleraren en internetexperts al jaren geleden waarschuwden voor het gevaar van dat data van studenten konden worden misbruikt voor commerciële en politieke doeleinden?
Door instellingen worden DPIA’s uitgevoerd om risico’s scherp te krijgen en te kunnen mitigeren. Daarnaast worden contractonderhandelingen met grote leveranciers in het onderwijs centraal gevoerd.8 Zo kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten en kunnen alle instellingen gebruikmaken van dezelfde contractvoorwaarden. We sluiten daarmee aan op het advies van de AP. In de Kamerbrief over het verhogen van digitale veiligheid in onderwijs en onderzoek van 14 juli jl. ga ik ook in op de genomen maatregelen9. Het risico dat statelijke actoren toegang krijgen tot gegevens van instellingen wordt door het kabinet tegengegaan met de aanpak Kennisveiligheid en de aanpak Tegengaan Statelijke Dreigingen.10, 11
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de VH en UNL. SURF, koepels en marktpartijen trekken gezamenlijk op in de uitvoering en er wordt continu bekeken of er waarborgen kunnen worden verbeterd.
Denkt u ook niet dat zolang de veiligheid van studentengegevens niet gegarandeerd kan worden, digitaal onderwijs beperkt dient plaats te vinden, mede in acht genomen dat digitaal onderwijs niet automatisch leidt tot beter onderwijs4?
Door de instellingen en de koepels wordt hard gewerkt aan het verhogen van de digitale weerbaarheid naar een niveau dat aantoonbaar veiligheid biedt en de continuïteit en kwaliteit van onderwijs en onderzoek waarborgt. Daarbij is 100 procent veiligheid moeilijk te garanderen. Om dit zo goed als mogelijk te bewerkstelligen worden gemeenschappelijke uitgangspunten voor de hele onderwijs en -onderzoeksector gehanteerd. Ook worden sectorspecifieke afspraken gemaakt, omdat de risico’s en de mate van volwassenheid tussen sectoren kunnen verschillen. In de Kamerbrief Verhogen digitale veiligheid onderwijs en onderzoek van 14 juli jl. heb ik uiteengezet welke maatregelen de instellingen hebben genomen en verder gaan nemen om de cyberweerbaarheid van hun instelling te verhogen.13 Het gaat hierbij om maatregelen ten aanzien van vergroten van bewustzijn, borgen van risicomanagement en kennis-en informatiedeling.
Het is de verantwoordelijkheid van scholen en instellingen om goed onderwijs te bieden en de risico’s die digitaal onderwijs met zich meebrengen in ogenschouw te nemen. Digitalisering kan helpen de onderwijskwaliteit te verbeteren, mits scholen en instellingen vanuit hun eigen onderwijskundige visie passende en doordachte keuzes maken. Wanneer instellingen ervoor kiezen om digitale hulpmiddelen in te zetten in hun onderwijs, dan zijn zij verantwoordelijk voor een zorgvuldige en weloverwogen omgang met persoonsgegevens, conform de AVG. Het is dan ook van groot belang dat gegevens van studenten en leerlingen veilig en verantwoord verwerkt worden door scholen en instellingen.
Bestaan er plannen om universiteiten eigen programma’s en datacentra te laten ontwikkelen, zoals de Universiteit van Osnabrück het programma BigBlueButton heeft ontwikkeld5?
Nee, deze plannen zijn er niet. Wel helpt SURF om mogelijke Europese alternatieven te bevorderen of onderzoeken. SURF biedt een mix van eigen clouddiensten en aanbod van marktpartijen. Binnen de SURFcumulus cloud dienst van SURF bieden 13 leveranciers hun diensten aan. Zo is SURF actief in de European Open Science Cloud van de EU en lid van GAIA-X. Daarnaast draait bijvoorbeeld SURFdrive, voor het opslaan en delen van data, op daar onderliggende Europese open software zoals ownCloud. SURF gaat continu met leden in gesprek over alternatieven om zo onder andere vendor lock-in tegen te gaan.
Overigens wordt BigBlueButton ook door Nederlandse onderwijsinstellingen ingezet. SURF biedt met Filesender een dienst voor het veilig en versleuteld online versturen van bestanden, via Nederlandse servers. Filesender is open source en SURF draagt actief bij aan de ontwikkeling hiervan. Andere voorbeelden van programma’s die in eigen beheer zijn ontwikkeld en vervolgens aan instellingen worden aangeboden zijn SURFconext, eduVPN, eduroam en SURFdrive.
Kunt u deze vragen op tijd beantwoorden voor het begrotingsdebat in week 47?
Helaas is dit niet gelukt.
Het bericht ‘Studentgegevens ondanks kritiek massaal in de Amerikaanse cloud gezet’ |
|
Henri Bontenbal (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Studentgegevens ondanks kritiek massaal in de Amerikaanse cloud gezet»1?
Ja.
Kunt u bevestigen dat op dit moment 75% van alle Nederlandse studentgegevens opgeslagen staat bij (Amerikaanse) big tech-cloudaanbieders? In hoeverre geldt dit ook voor onderzoeksgegevens en digitale lessystemen?
Eigen gegevens over het cloudgebruik door universiteiten zijn niet bekend bij het Ministerie van OCW. Instellingen zijn zelf eigenaar van data en «verwerkingsverantwoordelijke» zoals bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ze zijn dan ook vrij en zelf verantwoordelijk voor het vormgeven en aangaan van samenwerkingen op het gebied van ICT en het gebruik van cloud. Uiteraard moeten die samenwerkingen in lijn zijn met de AVG, waarin ook bepalingen over het delen van data met derde landen zijn opgenomen. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) ziet toe op de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in het onderwijs. Om het onderwerp public cloudgebruik verder op te pakken willen wij, in lijn met het Rijksbreed cloudbeleid 2022, sessies organiseren om het onderwerp verder uit te dragen. Hierbij willen wij graag maatschappelijk relevante organisaties, waaronder kennisinstellingen, uitnodigen. Daarnaast gaan we dit onderwerp verder oppakken in het kader van de Werkagenda Waardengedreven Digitalisering.
In de Kamerbrief van 14 juli 2022, over het verhogen van digitale veiligheid in onderwijs en onderzoek2, wordt door de Minister van OCW ook ingegaan op hoe de sector daarbij wordt ondersteund, bijvoorbeeld door het faciliteren van Data Protection Impact Assessments (DPIA’s), op producten die in het onderwijs veel gebruikt worden. Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de motie van de leden Kwint en Van Meenen.3 Door de DPIA’s kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten. De DPIA’s, waarbij de instellingen worden ondersteund door SURF en SIVON, sluiten aan op het advies van de AP.
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd door Versnellingsplan ICT4. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de onderwijs koepelorganisaties Universiteiten van Nederland (UNL) en de Vereniging Hogescholen (VH).
Deelt u de mening dat deze situatie het risico op privacyschending, spionage en een verlies van strategische autonomie met zich meebrengt?
Het kabinet ziet de genoemde risico’s, en heeft daartoe reeds verschillende stappen gezet. Deze worden hierna kort uiteen gezet.
Voor wat betreft privacy worden er Data Protection Impact Assessments (DPIA’s) uitgevoerd en worden contractonderhandelingen met grote leveranciers in het onderwijs centraal gevoerd.5 Daarmee kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten en kunnen alle instellingen gebruikmaken van dezelfde contractvoorwaarden. Hiermee wordt aangesloten op het advies van de AP.
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de VH en UNL. SURF, koepels en marktpartijen trekken gezamenlijk op in de uitvoering en er wordt continu bekeken of er waarborgen kunnen worden verbeterd.
Voor wat betreft spionage weten we dat kennisinstellingen doelwit zijn van spionageactiviteiten. Een aantal staten voert een offensief programma tegen Nederlandse belangen en probeert onder andere aan unieke Nederlandse kennis (bijvoorbeeld onderzoeksgegevens) en technologieën te komen. Daarbij is in een aantal, veelal autoritaire staten, een nauwe verwevenheid tussen het bedrijfsleven en de overheid.6, 7 Deze risico´s adresseert het kabinet met de aanpak Kennisveiligheid en de aanpak Tegengaan Statelijke Dreigingen.8c9
In de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit is opgenomen dat kennisinstellingen een zorgplicht hebben voor een werkomgeving waarin goed onderzoek gewaarborgd wordt. Databeheer wordt daarin expliciet genoemd. In de Nationale Leidraad Kennisveiligheid is ook een hoofdstuk over digitale beschermingsmaatregelen en cyberveiligheid opgenomen. Zo worden instellingen die met sensitieve onderzoeksdata of resultaten werken gewezen op het nemen van maatregelen op het gebied van rubricering, autorisatie en de implementatie van specifieke organisatorische en technologische maatregelen om mogelijke aanvallen te detecteren en te monitoren om zodoende de risico’s beter te borgen.
Voor strategische autonomie heeft het kabinet op 8 november jl. de kabinetsbrede visie op de open strategische autonomie van de EU naar de Kamer gestuurd.10 Het kabinet werkt verder onder coördinatie van EZK aan een nadere invulling van de digitale autonomie van de digitale economie en infrastructuur. Deze invulling is naar verwachting in de loop van 2023 gereed.
Welke afspraken maken Nederlandse (hoger)onderwijsinstellingen met techbedrijven bij het aangaan van contracten over bijvoorbeeld (economische) veiligheid en privacy? In hoeverre is hier überhaupt ruimte voor in de onderhandeling?
Onderwijsinstellingen zijn, conform de AVG, verantwoordelijk voor de omgang met persoonsgegevens en worden geacht hier zorgvuldig invulling aan te geven. Wanneer een instelling gebruik maakt van een product of dienst waarbij persoonsgegevens worden verwerkt moeten zij met de betreffende leverancier een verwerkersovereenkomst afsluiten waarin wordt vastgelegd welke persoonsgegevens voor welke doeleinden mogen worden verwerkt en onder welke voorwaarden dat gebeurt. Om de veiligheid van gegevensverwerkingen te waarborgen en te voorkomen dat een verwerking inbreuk maakt op de AVG, moet de verwerkingsverantwoordelijke de aan de verwerking inherente risico’s beoordelen en op grond van een objectieve en zo concreet mogelijke risicobeoordeling passende technische en organisatorische maatregelen nemen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat op het risico is afgestemd. Als een verwerking toch een hoog risico blijft inhouden dan is voorafgaand aan de verwerking een DPIA verplicht, zodat op basis daarvan maatregelen kunnen worden genomen om die risico’s te voorkomen of te reduceren. Zo maakte een eerder uitgevoerd assessment van Microsoft duidelijk dat er voor het gebruik van bepaalde Microsoft-producten geen grote risico’s overblijven, mits de gebruiker een aantal maatregelen neemt om de risico’s te mitigeren. Bij het assessment van Google zijn privacyrisico’s geconstateerd, met name over hun omgang met metadata. Vervolgens zijn met Google afspraken gemaakt over het mitigeren van deze geconstateerde risico’s. Met leveranciers van producten die veel gebruikt worden in het onderwijs, worden deze contracten centraal uitonderhandeld door SURF en worden dan ook afspraken gemaakt over veiligheid en privacy.11 Deze contracten gelden dan voor de hele sector zodat niet iedere instelling zelf deze onderhandelingen hoeft te doen en alle instellingen ook onder dezelfde voorwaarden producten kunnen gebruiken. Tevens is het omgaan met kennis uit gevoelige kennisdomeinen expliciet opgenomen in de Nationale Leidraad Kennisveiligheid.
In hoeverre kunt u centrale kaders bieden aan onderwijsinstellingen die zien op het waarborgen van privacy, online veiligheid en strategische onafhankelijkheid in de samenwerking met cloudbedrijven? Ziet u hier voor uzelf een rol weggelegd?
In de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 heb ik uiteengezet hoe het kabinet, en de Minister van OCW in het bijzonder, hiermee omgaan. In de kamerbrief over het verhogen digitale veiligheid onderwijs en onderzoek van 14 juli 2022 gaat de Minister dieper in op de stappen die gezamenlijk worden gezet.12
Welke serieuze alternatieven zijn er voor onderwijsinstellingen, maar ook voor de rijksoverheid, voor het gebruik van cloudoplossingen van Amerikaanse techbedrijven?
Het kabinet zet zich er op in om door middel van verschillende initiatieven concurrentie op de markt voor clouddiensten te stimuleren. Door meer concurrentie kunnen alternatieve aanbieders van clouddiensten, waaronder Europese aanbieders, inspelen op de vraag vanuit onderwijsinstellingen en de rijksoverheid. Initiatieven die hieraan bijdragen zijn onder andere de DMA en de Dataverordening, de IPCEI Cloud Infrastructure and Services en het GAIA-X project.
Voorts wordt momenteel in het kader van de Cyberbeveiligingsverordening (Cyber Security Act) een Europees certificatieschema ontwikkeld voor de clouddiensten. De cyberbeveiligingsverordening is een Europese verordening, die een Europees kader introduceert op het gebied van cyberbeveiligingscertificering. De cyberbeveiligingsverordening maakt het mogelijk om op Europees niveau cyberbeveiligingscertificeringsregelingen (in de praktijk ook wel aangeduid als «certificatieschema’s») vast te stellen voor categorieën van ICT-producten, -diensten en -processen. In opdracht van de Europese Commissie wordt thans een cyberbeveiligingscertificeringsregeling voor de clouddiensten (de zgn. Europese Cloud certificering schema) met cyberbeveiligingsvoorschriften ontwikkeld. Naar verwachting zal dit schema medio 2023 worden opgeleverd. Na de implementatie hiervan zullen de cloudaanbieders binnen twee jaar moeten voldoen aan de vereiste security maatregelen.
Wat is de status van de voorbereiding van de investeringsvoorstellen in het kader van de IPCEI Cloud2?
De Nederlandse investeringsvoorstellen voor IPCEI Cloud zijn op 4 april jl. bij de Europese Commissie ingediend. Het verplichte goedkeuringsproces voor de voorstellen neemt door de omvang en complexiteit van deze IPCEI meer tijd in beslag dan eerder aangenomen door alle betrokken partijen. De huidige verwachting is dat dit proces begin 2023 zal worden afgerond, waarna de Tweede Kamer geïnformeerd kan worden over de investeringsvoorstellen die voor subsidie in aanmerking komen.
Bent u bereid om te onderzoeken of de rijksoverheid samen met onderwijsinstellingen initiatieven kan opstarten of ondersteunen die zien op het ontwikkelingen van eigen cloudoplossingen? Op welke manier zou u kunnen aanhaken bij Europese initiatieven?
SURF biedt een mix van eigen clouddiensten en aanbod van marktpartijen. Binnen de SURFcumulus cloud dienst van SURF bieden 13 leveranciers hun diensten aan. Dit betreft Nederlandse, Europese en Amerikaanse aanbieders, grote en kleinere leveranciers. Verder heeft SURF eigen clouddiensten, op eigen rekensystemen van SURF, waaronder de Nationale Supercomputer Snellius. Met SURFdrive, Research Drive en SURFfilesender, kunnen bestanden worden opgeslagen en verstuurd. Ook voert SURF projecten uit waarin verkenningen plaatsvinden binnen diverse toepassingsgebieden waarin wordt gekeken naar open source alternatieven, zoals voor een samenwerkingsomgeving – zoals officeapplicaties –, een leeromgeving, enquête tools en grafische software. De verkenningen moeten antwoord geven op vragen over de gebruiksvriendelijkheid, de toepasbaarheid binnen een bestaande organisatie, support en ondersteuning, beheer, security, privacy, mogelijkheden om te koppelen met andere onderwijssystemen en een duurzame en gezonde governance als het gaat om de betrouwbaarheid van de software en de community daaromheen.
De Minister van OCW heeft in 2021 heeft de Europese Commissie verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen.14 Vooralsnog heeft dit in EU-verband niet tot concrete vervolgacties op onderwijsgebied geleid.15 Nederland zal hiervoor aandacht blijven vragen. Ook zal Nederland een gezonde(re) marktwerking, publieke waarden en onderwijskwaliteit blijven agenderen in het Europese debat.
Het bericht dat studentgegevens ondanks kritiek massaal in de cloud zijn gezet |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Wat is uw reactie op het bericht «Studentgegevens ondanks kritiek massaal in de cloud gezet»?1
Ik herken de bezorgdheid die uw Kamer hierover uit. Het gebruik van clouddiensten is sterk groeiend vanwege de voordelen die het biedt. Er zijn internationaal vele aanbieders, en het is afhankelijk van de leverancier en contractbepalingen of de privacy in het geding zou zijn of niet. Net als bij andere vormen van uitbesteding is het nodig de voordelen en de risico’s af te wegen. Dat is een afweging die een kennisinstelling zelf maakt. Dat maakt dat ik over digitale veiligheid, privacy en de daarbij horende risico’s al langer in gesprek ben met de sector.
Waarom hebben het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, universiteiten en hogescholen de waarschuwingen van experts in de wind geslagen en driekwart van hun studentgegevens opgeslagen bij datacenters van Microsoft en Amazon?
Ik deel de stelling niet dat universiteiten en hogescholen de waarschuwingen in de wind hebben geslagen. In de gesprekken die ik met de sector voer, merk ik dat digitale veiligheid serieus wordt genomen. We maken gezamenlijk werk van digitale veiligheid. Een belangrijk voorbeeld zijn Data Protection Impact Assessments (DPIA’s). Dit zijn risicoanalyses die we samen met SURF, Kennisnet en SIVON faciliteren2 op producten die in het onderwijs veel gebruikt worden. Daardoor kunnen instellingen beter geïnformeerde afwegingen maken over de privacy van leerlingen en studenten.
Een eerder uitgevoerde DPIA van Microsoft maakte duidelijk dat er voor het gebruik van bepaalde Microsoft-producten geen grote risico’s overblijven, mits de gebruiker een aantal mitigerende maatregelen neemt. Bij het assessment van Google zijn privacyrisico’s geconstateerd, met name over hun omgang met metadata. Vervolgens zijn met Google afspraken gemaakt over het mitigeren van deze geconstateerde risico’s. In algemene zin is het beheersen van risico’s ook een essentieel onderdeel in de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) 2022–2028 die recent is gepubliceerd.3
In meerdere Kamerbrieven heb ik uiteengezet welke maatregelen (hoger) onderwijsinstellingen precies nemen om de digitale veiligheid en de cyberweerbaarheid van de sector te vergroten, zo ook in mijn laatste Kamerbrief over digitale veiligheid4. Bij die maatregelen ligt prioriteit op het vergroten van bewustzijn rondom cyberdreigingen, het borgen van risicomanagement om meer inzicht te krijgen in de risico’s en deze op kosteneffectieve wijze te mitigeren én aandacht voor (keten-) samenwerking om kennis-en informatiedeling over risico’s, monitoring en detectie te vergroten. Verder is in de Nationale Leidraad Kennisveiligheid een hoofdstuk over cyberveiligheid opgenomen. Tot slot werkt SURF met de aangesloten instellingen, onderwijskoepels, ketenpartners en marktpartijen doorlopend aan het verbeteren en waarborgen van de digitale veiligheid.
Erkent u dat het cloudgebruik omstreden is, omdat de privacy in het geding is? Welke mogelijke gevaren liggen op de loer door dit cloudgebruik?
Zoals ik bij vraag 1 schreef zijn er internationaal vele aanbieders, en het is afhankelijk van de leverancier en contractbepalingen of de privacy in het geding zou zijn of niet. Net als bij andere vormen van uitbesteding is het zinvol de voordelen en de risico’s af te wegen en dat doen de instellingen ook.
Om de veiligheid van gegevensverwerkingen te waarborgen en te voorkomen dat een verwerking inbreuk maakt op de AVG, moet de verwerkingsverantwoordelijke de aan de verwerking inherente risico’s beoordelen. Zo kan die op grond van een objectieve en zo concreet mogelijke risicobeoordeling passende technische en organisatorische maatregelen nemen. Die maatregelen moeten passen bij de grootte van het risico. Als een verwerking toch een hoog risico blijft inhouden, dan is voorafgaand aan de verwerking een DPIA verplicht, zodat op basis daarvan maatregelen kunnen worden genomen om die risico’s te voorkomen of te reduceren.
Mocht de verwerking van persoonsgegevens door Clouddiensten van buiten de Europese Unie plaatsvinden, dan is het verder belangrijk dat inzichtelijk wordt gemaakt hoe dit rechtmatig plaatsvindt. Een dergelijke verwerking kan rechtmatig zijn, mits voldaan aan de voorwaarden van hoofdstuk V van de AVG. Daarbij is het van belang dat de richtsnoeren die op 18 juni 2021 zijn vastgesteld door het Europees Comité voor Gegevensbescherming (EDPB) worden gevolgd. Deze richtsnoeren beogen bedrijven en organisaties conform de AVG handvatten te bieden bij de beoordeling welke aanvullende maatregelen zij kunnen treffen bij de verwerking van persoonsgegevens door derden.
Waarom kiezen hogescholen en universiteiten ervoor om studentgegevens op te slaan bij datacenters van buitenlandse techreuzen? Bent u bereid om hier een stokje voor te steken?
Instellingen zijn zelf eigenaar van data en «verwerkingsverantwoordelijke» zoals bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ze zijn dan ook vrij en zelf verantwoordelijk voor het vormgeven en aangaan van samenwerkingen op het gebied van ICT en het gebruik van clouddiensten.
Instellingen moeten zeer zorgvuldig met persoonsgegevens omgaan en zij moeten de juiste technische en organisatorische maatregelen nemen om risico’s voor betrokkenen zoveel mogelijk te beperken. Daarbij moet geldende wet- en regelgeving worden nageleefd. Dat wordt onder andere geëffectueerd met de eerdergenoemde DPIA’s en geborgd met de implementatie van de Nationale Leidraad Kennisveiligheid. Zoals ik eerder noemde moeten instellingen gedetailleerde risicoanalyses uitvoeren. Op basis van die analyses kan SURF onderhandelen met leveranciers, om te borgen dat met name niet-Europese leveranciers zich aan Europese (en Nederlandse) wetgeving houden.
De Nederlandse onderwijswereld gebruikt, net als de rest van de maatschappij, op grote schaal de digitale diensten van een beperkte groep van grote Amerikaanse techbedrijven. In ons veld helpt SURF met het bevorderen of onderzoeken van mogelijke Europese alternatieven onder meer om vendor lock-in te voorkomen. Zo is SURF actief in de European Open Science Cloud van de EU en lid van GAIA-X. Daarnaast draait bijvoorbeeld SURFdrive, voor het opslaan en delen van data, op daar onderliggende Europese open software zoals ownCloud. Ook wordt momenteel, in het kader van de Cyberbeveiligingsverordening (Cyber Security Act), een Europees certificatieschema ontwikkeld voor de clouddiensten. De cyberbeveiligingsverordening is een Europese verordening, die een Europees kader introduceert op het gebied van cyberbeveiligingscertificering.
Klopt het dat Amerikaanse opsporingsdiensten toegang kunnen hebben tot de studentgegevens van Nederlandse studenten? Welke andere (buitenlandse) instanties hebben inzage in deze gegevens?
Onder de AVG (GDPR) is doorgifte van persoonsgegevens naar een land buiten de Europese Economische Ruimte (EER) alleen toegestaan als dat land persoonsgegevens even goed beschermt als landen binnen de EER.5 Nationale wetgeving in de VS kent bevoegdheden voor inlichtingendiensten om toegang te verkrijgen tot persoonsgegevens van EU-burgers. Datadoorgifte tussen de EU en de Verenigde Staten (VS) was mogelijk via de EU-VS Privacy Shield afspraken. Op 16 juli 2020 heeft het Hof van Justitie van EU deze afspraken echter ongeldig verklaard. Het beschermingsniveau was onvoldoende. Dit betekent dat voor doorgifte van persoonsgegevens aan de VS, het EU-VS privacy shield niet meer gebruikt mag worden en de gegevensverantwoordelijke aanvullende waarborgen moet treffen.
Op 25 maart 2022 maakten president Von der Leyen en president Biden bekend dat ze een principeakkoord hebben bereikt over nieuwe afspraken voor datadoorgifte. Op 7 oktober 2022 ondertekende president Biden een Executive Order voor implementatie van deze afspraken. De Executive Order introduceert nieuwe bindende waarborgen om alle door het Hof van Justitie van de EU aan de orde gestelde punten aan te pakken, de toegang tot EU-gegevens door Amerikaanse inlichtingendiensten te beperken en een Data Protection Review Court in te stellen.6
SURF werkt ook actief aan dit onderwerp. Binnen de Taskforce Beyond Privacy Shield werkt SURF samen met de onderwijs- en onderzoekssector om te bepalen hoe de sector het beste met deze situatie kan omgaan. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan aanbevelingen en best practices voor een veilige internationale uitwisseling van persoonsgegevens en alternatieven voor het EU-VS Privacy Shield. SURF en de leden kunnen deze aanbevelingen en best practices gebruiken binnen de eigen organisatie.7
De Cloud Act en wet- en regelgeving uit andere landen maakt het in theorie mogelijk dat opsporingsdiensten toegang krijgen tot deze gegevens. Een risicobeoordeling kan als uitkomst hebben dat dat risico niet onacceptabel groot is. Echter, het is niet uitgesloten dat nadere regelgeving dit anders maakt. Aan het einde van dit jaar wordt namelijk onder meer nadere guidance verwacht van de EDPB (privacytoezichthouders van de EU lidstaten) aangaande internationale doorgifte van persoonsgegevens. Onder meer het Strategisch Leveranciersmanagement Microsoft (SLM) Rijk volgt deze ontwikkelingen op de voet.
Bent u van mening dat studentgegevens niet door commerciële partijen bewaard moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Universiteiten en hogescholen zijn vrij om de softwareleveranciers te kiezen die het beste bij hun activiteiten passen, of deze partijen nu een winstoogmerk hebben of niet. Uiteraard zijn de eerder genoemde waarborgen en risicoanalyses belangrijk bij het kiezen van leveranciers.
Van welke andere commerciële bedrijven zijn universiteiten en hogescholen nog meer afhankelijk? Vindt u dat deze commerciële afhankelijkheid onwenselijk is en de vrije keuze van universiteiten en wetenschappelijke integriteit ondermijnt?
Een lijst van alle commerciële bedrijven waarmee instellingen zaken doen kan ik niet te geven. De keuze voor leveranciers is onderdeel van de autonomie die universiteiten en hogescholen hebben. Bij elke afspraak tot commerciële dienstverlening bestaat een zekere afhankelijkheid. Deze is niet inherent beperkend voor de vrije keuze van universiteiten, en ondermijnt niet inherent de wetenschappelijke integriteit. Dergelijke risico’s moeten onderdeel zijn van de afweging van de instelling, voordat en terwijl de dienst wordt afgenomen. Dit geldt voor commerciële en voor niet-commerciële dienstverlening.
Verder is het belangrijk om open source alternatieven te verkennen, op nationaal en Europees niveau. Dit heeft mijn voorganger ook eerder in Brussel aangekaart bij de Europese Commissie en hen verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen.
Bent u bereid om in samenspraak met deskundigen en onderwijsinstellingen de mogelijkheid van een alternatief in eigen beheer te onderzoeken, zodat hogescholen en universiteiten niet meer afhankelijk zijn van techreuzen?
Zoals ik bij vraag 4 benoemde voert SURF projecten uit waarin wordt gekeken naar open source alternatieven, o.a. voor open source leeromgeving, open source samenwerkingsomgeving (waar de bekende officeapplicaties incl. videobellen een subonderdeel van kunnen zijn), open source enquête tools en meer keuzes in grafische software, ook in open source varianten. De verkenningen moeten antwoord geven op vragen over o.a. de gebruiksvriendelijkheid, de toepasbaarheid binnen een bestaande organisatie, support en ondersteuning, beheer, security, privacy, betrouwbaarheid en kansen van die software in relatie tot andere onderwijssystemen.
Mijn voorganger heeft de Europese Commissie verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen.8 Vooralsnog heeft dit in EU-verband niet tot concrete vervolgacties op onderwijsgebied geleid.9 Nederland zal hiervoor aandacht blijven vragen. Ook zal Nederland een gezonde(re) marktwerking, publieke waarden en onderwijskwaliteit blijven agenderen in het Europese debat.
Kunt u een overzicht geven van de bedragen die worden overgemaakt naar deze techreuzen door hogescholen en universiteiten voor de data-opslag?
Het is niet mogelijk om een dergelijk overzicht te geven, omdat het veld decentraal georganiseerd is en de instellingen autonoom keuzes maken. Dergelijke afspraken worden niet bij OCW gemeld.
Bent u bereid om met hogescholen en universiteiten in gesprek te gaan om een einde te maken aan het opslaan van studentgegevens bij techreuzen?
In dit vraagstuk vind ik het niet zozeer van belang of de gegevens bij een «techreus» zijn opgeslagen of bij een andere commerciële of niet-commerciële aanbieder. Het opslaan van gegevens in de cloud kent, naast risico’s, ook voordelen voor de instellingen. Ik ben bereid om, naast de inspanningen die ik eerder noemde, in de periodieke gesprekken die ik met de instellingen voer, het gesprek aan te gaan over het opslaan van studentgegevens bij derden. Een einde maken aan het extern opslaan van gegevens is daarbij echter geen uitgangspunt door de autonomie die instellingen hebben en de risicoanalyses en maatregelen die door de instellingen worden toegepast.
Het artikel ‘Studentgegevens ondanks kritiek massaal in de Amerikaanse cloud gezet’ |
|
Hatte van der Woude (VVD) |
|
Robbert Dijkgraaf (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Studentgegevens ondanks kritiek massaal in de Amerikaanse cloud gezet»?1
Ja.
Heeft u, in het kader van kennisveiligheid en als stelselverantwoordelijke, eigen gegevens over de aard en omvang van cloudgebruik door universiteiten? Komen die overeen met de gegevens die deze internationale studie heeft gevonden?
Eigen gegevens over het cloudgebruik door universiteiten heb ik niet. Instellingen zijn zelf eigenaar van data en «verwerkingsverantwoordelijke» zoals bedoeld in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Ze zijn dan ook vrij en zelf verantwoordelijk voor het vormgeven en aangaan van samenwerkingen op het gebied van ICT en het gebruik van clouddiensten. Instellingen moeten zeer zorgvuldig met persoonsgegevens omgaan en zij moeten de juiste technische en organisatorische maatregelen nemen om risico’s voor betrokkenen zoveel mogelijk te beperken. De Autoriteit Persoonsgegevens (AP), waarin ook bepalingen over het verstrekken van data aan derde landen zijn opgenomen, ziet toe op de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in het onderwijs. Wanneer een derde partij wordt ingezet bij de verwerking van persoonsgegevens, zal elke instelling zich ervan moeten vergewissen dat zij enkel een beroep doet op partijen die voldoende waarborgen bieden, om zo te kunnen voldoen aan de vereisten van de AVG. De AP ziet toe op de zorgvuldige omgang met persoonsgegevens in het onderwijs.
Bent u het eens met de auteur en de stellers van eerdere noodkreten vanuit universiteiten en de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), dat het risicovol is om universiteiten afhankelijk te laten zijn van techbedrijven voor hun gegevensbeheer?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s die voortkomen uit de afhankelijkheid en marktmacht van grote IT dienstverleners. Juist omdat we de mogelijke risico’s erkennen, zetten we als kabinet in op goede risicoanalyses en de bevordering van concurrentie. Ook brengen we ons beleid en dat van het veld in lijn met Europese Verordeningen op dit gebied, waaronder de Cyber Security Act. Zie voor meer details de antwoorden op de volgende vragen.
In mijn kamerbrief van 14 juli 2022, over het verhogen van digitale veiligheid in onderwijs en onderzoek2, ga ik dieper in op hoe wij de sector bij hun digitale veiligheid ondersteunen, wat niet wegneemt dat zij daar uiteindelijk zelf verantwoordelijk voor zijn. Zo faciliteren wij Data Protection Impact Assessments (DPIA’s), op producten die in het onderwijs veel gebruikt worden. Daarmee geeft het kabinet uitvoering aan de motie van de leden Kwint en Van Meenen.3 Door de DPIA’s kunnen instellingen beter geïnformeerde keuzes maken over de privacy van leerlingen en studenten. De DPIA’s, waarbij de instellingen worden ondersteund door SURF, sluiten aan op het advies van de AP.
Een eerder uitgevoerde DPIA van Microsoft maakte ook duidelijk dat er voor het gebruik van bepaalde Microsoft-producten geen grote risico’s overblijven, mits de gebruiker een aantal mitigerende maatregelen neemt. Bij het assessment van Google zijn privacyrisico’s geconstateerd, met name over hun omgang met metadata. Vervolgens zijn met Google afspraken gemaakt over het mitigeren van deze geconstateerde risico’s. In algemene zin is het beheersen van risico’s ook een essentieel onderdeel in de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) 2022–2028 die recent is gepubliceerd.4
Verder is op 11 mei 2022 het «Referentiekader privacy en ethiek voor studiedata» voor verantwoord gebruik van studiedata gepubliceerd. Hierin zijn gezamenlijke kaders bepaald die zorgvuldige omgang met studiedata en studentgegevens bevorderen. Het referentiekader is omarmd door de VH en UNL.
Vindt u dat hierin een risico schuilt op misbruik van data van studenten en docenten door Big Tech?
Het gebruik van clouddiensten is sterk groeiend vanwege de voordelen die het biedt. Er zijn internationaal vele aanbieders en ook SURF biedt een mix van eigen clouddiensten en aanbod van marktpartijen. Het is afhankelijk van de leverancier en de contractbepalingen of de privacy van gebruikers in het geding zou zijn of niet. Net als bij andere vormen van uitbesteding is het nodig de voordelen, nadelen en de risico’s af te wegen.
Als onderwijsinstellingen voor een bepaald platform kiezen, zijn zij verantwoordelijk voor een zorgvuldige omgang met de persoonsgegevens van leerlingen, studenten en docenten en de naleving van privacywetgeving, waarvan de AVG de belangrijkste is. Instellingen moeten onder meer zorgdragen voor het opstellen van informatiebeveiligings- en privacybeleid, de aanstelling van een functionaris voor de gegevensbescherming, de inrichting van toegangs- en beheerrechten in ICT-systemen, de logging hiervan, de uitvoering van risicoanalyses (waarbij prioriteit wordt gegeven aan het analyseren van de diensten die op grote schaal worden gebruikt) en het afsluiten van verwerkersovereenkomsten met leveranciers.5 SURF ondersteunt de instellingen bij het maken van deze afwegingen en ook in de NLCS wordt de uitvoering van risicoanalyses gestimuleerd. De AP kan op verzoek een advies geven en houdt toezicht op de naleving van de wettelijke regels voor bescherming van persoonsgegevens.
Ziet u daarnaast een risico op te grote economische afhankelijkheid van universiteiten van Big Tech?
Het kabinet is zich bewust van de risico’s die voortkomen uit de marktmacht van grote IT dienstverleners. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) heeft recent een marktstudie uitgevoerd naar de markt voor clouddiensten.6De ACM benoemt daarin het ingesloten raken van gebruikers (lock-in effecten) als een van de belangrijkste risico’s in deze markt. Daarnaast benoemt de ACM dat de grootste actieve spelers op de markt verschillende diensten aanbieden in de keten, waarmee het moeilijk concurreren is voor kleinere aanbieders van clouddiensten. En doordat het voor gebruikers moeilijk is om over te stappen naar een andere aanbieder en er steeds minder aanbieders zijn, worden ze steeds afhankelijker van de aanbieder. Dit geldt voor burgers en voor universiteiten. Hierdoor heeft de aanbieder van clouddiensten op de langere termijn minder prikkels om betere of goedkopere diensten aan te bieden. Mede vanwege dit risico zet Nederland zich al langer in voor meer concurrentie in digitale markten, waaronder de markt voor clouddiensten. Daar ga ik dieper op in bij vraag negen.
Bent u zich bewust van het spionagerisico dat schuilt in het opslaan van onderzoeksgegevens in systemen die onder wetgeving van een ander land vallen? Welke afspraken zijn gemaakt in het kader van cyberveiligheid met universiteiten over het opslaan van onderzoeksgegevens op deze manier?
Ja, het kabinet is zich van dit risico bewust. Het kan voorkomen dat kennisinstellingen doelwit zijn van spionageactiviteiten. Een aantal staten voert een offensief programma om bijvoorbeeld aan unieke Nederlandse kennis (zoals onderzoeksgegevens) en technologieën te komen. Daarbij is in een aantal, veelal autoritaire staten, een nauwe verwevenheid tussen het bedrijfsleven en de overheid., 7, 8 Deze risico´s adresseert het kabinet met de aanpak Kennisveiligheid en de aanpak Tegengaan Statelijke Dreigingen., 9, 10
In de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit is opgenomen dat kennisinstellingen een zorgplicht hebben voor een werkomgeving waarin goed onderzoek gewaarborgd wordt. Databeheer wordt daarin expliciet genoemd. Bovendien is in de Nationale Leidraad Kennisveiligheid ook een hoofdstuk over digitale beschermingsmaatregelen en cyberveiligheid opgenomen. Zo worden instellingen die met sensitieve onderzoeksdata of resultaten werken gewezen op het nemen van maatregelen op het gebied van rubricering, autorisatie en de implementatie van specifieke organisatorische en technologische (veiligheids-) maatregelen.
Zijn er specifiek afspraken die voorkomen dat kennis uit gevoelige kennisdomeinen, zoals in het geval van dual-use-producten, op die manier worden opgeslagen? Zo nee, bent u bezig met het opstellen van afspraken?
Ja, zulke afspraken zijn gemaakt door mijn collega M.BHOS van BZ. Navraag bij haar leert dat de overdracht van dual-use-software en -technologie naar buiten het douanegebied van de Europese Unie aan exportcontrole wordt onderworpen. Dit staat in de herziene EU dual-use-verordening 2021/821. Hieronder wordt onder andere (en niet uitsluitend) overdracht via de cloud verstaan. De wijze waarop deze controle kan en zou moeten plaatsvinden, is momenteel onderdeel van besprekingen in EU-verband over de implementatie van de dual-use-verordening.
Nederland heeft reeds beleid omtrent export via de cloud geïmplementeerd. Voor de export vanuit Nederland van dual-use-kennis en -technologie gelden dezelfde regels als voor de export van goederen en apparatuur. Aan de opslag van dual-use-technologie worden daarom ook specifieke eisen gesteld. Deze informatie moet volgens de industriestandaarden worden opgeslagen. Deze industriestandaarden zijn bedoeld om de onrechtmatige toegang tot deze data te voorkomen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft hierover een factsheet11 opgesteld voor het bedrijfsleven en is hierover blijvend in gesprek met de industrie.
Op welke manier is een beheersing van bovengenoemde risico’s verwerkt in de nieuwe aanpak kennisveiligheid voor het hoger onderwijs?
De aanpak kennisveiligheid bestaat uit een palet aan beleidsmaatregelen die elkaar aanvullen. Een van de maatregelen is de Nationale Leidraad Kennisveiligheid, waarin de bovengenoemde risico’s en de mitigatie daarvan wordt behandeld. De Leidraad gaat onder andere in op het toetsen en inschatten van risico’s, risicomanagement en cyberveiligheid. Eind dit jaar gaat een externe audit van start om bij de universiteiten en hogescholen om te toetsen hoe ver zij zijn met de implementatie van de Leidraad. Zie ook mijn antwoord bij vraag 9.
Welke stappen onderneemt u om economische onafhankelijkheid en kennisveiligheid te borgen?
Ik zal in het onderstaande antwoord eerst ingaan op kennisveiligheid en daarna economische afhankelijkheid.
De maatregelen op het gebied van kennisveiligheid zijn te verdelen in drie onderdelen. Ten eerste zet het kabinet in op het versterken van bewustzijn bij en zelfregulering door de kennisinstellingen. De rijksoverheid heeft samen met kennisinstellingen de Nationale Leidraad Kennisveiligheid opgesteld. Over de implementatie van de maatregelen in deze leidraad zijn afspraken gemaakt in het bestuursakkoord hoger onderwijs en wetenschap. Onderdeel van die afspraken is dat kennisinstellingen op systematische wijze risicoanalyses uitvoeren op kennisveiligheid, waarna zij rapporteren aan hun Raden van Toezicht. Ik spreek vervolgens met de Raden van Toezicht gezamenlijk over de bevindingen. Op de implementatie van de Leidraad, waar de risicoanalyse onderdeel van uitmaakt, wordt een externe audit uitgevoerd. Ook het Rijksbrede Loket Kennisveiligheid en de bestuurlijke kennisveiligheidsdialoog dragen bij aan bewustwording en zelfregulering op dit thema.
Ten tweede zet het kabinet in op het instellen van een toetsingsmechanisme voor de meest sensitieve kennisgebieden. Zoals in de laatste voortgangsrapportage over kennisveiligheid al werd aangekondigd, zal het toetsingskader op zijn vroegst in 2023 in werking treden, gezien invoering van de maatregel complex en ingrijpend is. Het kabinet onderstreept daarbij het belang van zorgvuldigheid en van draagvlak onder de Nederlandse kennisinstellingen.
Ten derde zet het kabinet in, met gelijkgezinde landen, op afstemming en samenwerking in de EU en internationaal op het gebied van kennisveiligheid. Eind dit jaar ontvangt de Kamer een brief waarin de voortgang van de kennisveiligheidsmaatregelen wordt geschetst.
Op het gebied van economische afhankelijkheid heeft het kabinet zich de afgelopen jaren sterk gemaakt voor het aanpakken van de macht van Big Tech, via inzet voor de Digital Markets Act (DMA). De DMA gaat gelden voor poortwachters, dit zijn platforms waar gebruikers niet of nauwelijks meer omheen kunnen. Deze Europese regelgeving heeft als doel om gebruikers te beschermen en te zorgen voor meer concurrentie op digitale markten. De DMA zal onder andere voor clouddiensten gaan gelden en bevat diverse verplichtingen waar poortwachters die clouddiensten aanbieden zich aan moeten houden. Poortwachters mogen bijvoorbeeld de mogelijkheid voor gebruikers van clouddiensten om over te stappen naar een andere aanbieder niet belemmeren. In een marktstudie naar de markt voor clouddiensten noemt de ACM de DMA als een van de instrumenten die kan bijdragen aan het verminderen van afhankelijkheid en het stimuleren van concurrentie in de cloudmarkt.12 De DMA is in september aangenomen door het Europees Parlement en de Raad. Vanaf 2024 zullen de verplichtingen uit de DMA gaan gelden voor aangewezen poortwachters.
Ook de aankomende Dataverordening zal naar verwachting bijdragen aan concurrentie in de cloudmarkt, door het wegnemen van financiële, contractuele en technische barrières om tussen clouddiensten over te stappen. Nederland zet hier ook op in bij de onderhandelingen over de Dataverordening. Het verlagen van deze barrières zal op den duur de economische en strategische positie van Nederland en Europa versterken. Er wordt ook geïnvesteerd in de ontwikkeling van alternatieve cloudoplossingen via bijvoorbeeld de IPCEI Cloud Infrastructure and Services.
Daarnaast heeft mijn voorganger de Europese Commissie verzocht om de ontwikkeling van openbare opensource alternatieven voor grote particuliere digitale platforms te ondersteunen.13 Vooralsnog heeft dit in EU-verband niet tot concrete vervolgacties op onderwijsgebied geleid.14 Nederland zal hiervoor aandacht blijven vragen. Ook zal Nederland een gezonde(re) marktwerking, publieke waarden en onderwijskwaliteit blijven agenderen in het Europese debat.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor de begrotingsbehandeling van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en tevens meenemen in de update over de nieuwe aanpak kennisveiligheid die is toegezegd voor het einde van dit jaar?
Ja.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Internet kan tientallen euro’s goedkoper in Nederland’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD), Martijn Grevink (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Internet kan tientallen euro’s goedkoper in Nederland»?1
Ja.
Herkent u de suggestie die het artikel wekt, dat de prijzen in Nederland voor toegang tot het internet veel hoger zijn dan in andere relevante landen met vergelijkbare open en kennisintensieve economieën? Zo ja, hoe heeft deze prijs zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Zo nee, waarom niet?
Uit internationaal vergelijkende onderzoeken blijkt dat de prijzen voor internettoegang in Nederland relatief hoog zijn.2 Uit de Europese Digital Economy and Society Index (DESI) komt naar voren dat het prijsniveau in Nederland zich de afgelopen jaren richting het EU-gemiddelde beweegt maar daar nog altijd boven ligt. In de tabel is de breedbandprijsindex van de top 4 van landen in de DESI weergegeven (hogere prijzen vertalen zich in een lagere score op deze indicator).
Prijsindex breedband (score 0–100)
DESI 2020
DESI 2021
DESI 2022
Finland
DESI: 1
connectiviteit: 8
75
74
79
Denemarken
DESI: 2
connectiviteit: 1
61
60
58
Nederland
DESI: 3
connectiviteit: 2
56
61
68
Zweden
DESI: 4
connectiviteit: 9
65
69
76
EU
64
69
73
Hoe verhouden deze prijzen voor toegang tot het internet zich tot de zin in het coalitieakkoord: «Nederland wordt het digitale knooppunt van Europa en krijgt robuust, supersnel en veilig internet in alle delen van het land»?
Deze ambitie in het coalitieakkoord richt zich – naast het behouden en verder versterken van de positie van Nederland als digitaal knooppunt in Europa – in de eerste plaats op de beschikbaarheid van snel internet in alle delen van het land, inclusief de resterende buitengebieden waar nu nog niet overal snel internet is uitgerold.3 Uiteraard moet snel internet niet alleen beschikbaar zijn in de zin dat de infrastructuur aanwezig is, maar moet het afnemen van internettoegangsdiensten ook beschikbaar zijn tegen een redelijke prijs, oftewel betaalbaar zijn. Hoge prijzen leiden ertoe dat consumenten, ondanks de zeer hoge beschikbaarheid van snel internet in Nederland, relatief lage snelheden afnemen. Meer dan 99% van de huishoudens in Nederland kan beschikken over een vaste verbinding van tenminste 100 Megabit per seconde (Mbps), maar slechts 54% van de huishoudens neemt dit af als abonnementsnelheid.4 Nederland scoort in de DESI-index de tiende plaats op het percentage huishoudens dat tenminste 100 Mbps afneemt.
Herkent u het beeld, zoals geschetst in het artikel, dat toetreding tot de internetmarkt belemmerend kan zijn voor nieuwe partijen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit? Zo nee, waarom niet?
Op grond van de Europese Telecomcode (richtlijn (EU) 2018/1972) is het aan de onafhankelijke markttoezichthouder, in Nederland de ACM, om een oordeel te vellen over de concurrentie op de internetmarkt. In het besluit van de ACM van 25 augustus jl.5 concludeert de ACM dat de internetmarkt zich kenmerkt als oligopolie en dat de prijzen voor internettoegang in Nederland relatief hoog zijn. Daarom heeft de ACM toezeggingen van KPN en Glaspoort inzake verbeterde toegangstarieven en -voorwaarden bindend verklaard in dit besluit. De ACM werkt momenteel aan een nieuwe marktanalyse.6 In de marktanalyse zal de ACM rekening houden met de verbeterde toegangstarieven en -voorwaarden waar KPN en Glaspoort aan gebonden zijn op grond van het besluit van 25 augustus.
Erkent u dat het van belang is dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) snel de onderzoeksresultaten van de marktanalyse publiceert op basis waarvan de openstelling kan worden bewerkstelligd? Wanneer verwacht u de resultaten?
Ja, waarbij zorgvuldigheid voorop staat. De ACM heeft mij laten weten dat deze grondige marktanalyse meer tijd vergt dan in augustus was voorzien en niet meer voor het einde van het jaar zal worden gepubliceerd. De ACM streeft ernaar de marktanalyse zo spoedig mogelijk te publiceren voor consultatie.
Deelt u de mening dat het wenselijk is dat het internet door een gezonde en open markt betaalbaar, toegankelijk en aantrekkelijk is, zodat iedereen meegenomen kan worden in de digitaliserende samenleving? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het is mijn rol om te zorgen voor goede wettelijke kaders die de ACM in staat stellen de rol als onafhankelijk markttoezichthouder goed te kunnen vervullen. Nederland heeft zich bij de Europese onderhandelingen over de Telecomcode (richtlijn (EU) 2018/1972) met succes ingezet voor een goed reguleringsinstrumentarium voor de ACM en een voortvarende implementatie daarvan in de Telecommunicatiewet.7 Het is aan de ACM als onafhankelijk markttoezichthouder om te bepalen welke regulering zij passend acht om de concurrentie op de internetmarkt te waarborgen, en vervolgens aan de rechter om de ACM-besluiten te toetsen. Ik volg dit nauwlettend gezien het grote belang van goede concurrentie, betaalbaarheid en keuzevrijheid op de Nederlandse internetmarkt.
Bent u bereid om met een voorstel te komen, mede op basis van het onderzoek van de ACM, om barrières en belemmeringen weg te nemen zodat de markt toegankelijker wordt voor toetreders en consumenten hiervan kunnen profiteren? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit voorstel ontvangen? Zo nee, waarom niet?
Deze voorstellen heeft uw Kamer eerder ontvangen in de vorm van de twee wetsvoorstellen waarmee de Europese Telecomcode is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet8 en die beiden als hamerstuk door uw Kamer zijn aangenomen. Hiermee is onder andere een nieuw instrument voor toegangsregulering geïmplementeerd waar Nederland zich in Europa sterk voor heeft gemaakt en zijn overstapdrempels om te wisselen van internetaanbieder verder verlaagd. Het toepassen van het reguleringsinstrumentarium geschiedt op grond van de Telecomcode door de ACM als onafhankelijk markttoezichthouder.
Het bericht 'De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland' |
|
Anne Kuik (CDA), Henri Bontenbal (CDA) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Wat vindt u van de conclusie van het artikel dat websites zoals 8kun en Daily Stormer, die bron zijn van haatzaaiende teksten, racisme, rechts-extremistisch gedachtengoed en kinderporno, en bijna overal in de wereld geweerd worden, nog steeds gehost en gefaciliteerd worden via Nederland?
In Nederland zijn het aanzetten tot haat en geweld en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno strafbaar. Dat geldt ook op het internet. Internet-tussenpersonen zijn gehouden op te treden indien zij weten dat er illegaal materiaal op hun servers of platformen staat. Daar spreek ik hen ook op aan. Gelukkig werkt het grootste gedeelte van de internetbedrijven goed mee om illegale content snel te verwijderen. Desondanks kan nooit helemaal worden voorkomen dat hun klanten illegaal materiaal opslaan of online zetten. Voor de aanpak van illegale online content is samenwerking met de internetsector cruciaal.
Het is niet eenvoudig om het opslaan of online plaatsen van illegale content aan te pakken. Het is bij wet verboden om aan internettussenpersonen een algehele monitoringsverplichting op te leggen. Veel Nederlandse datacentra verhuren opslagruimte en verzorgen de aansluiting daarvan op het internet. Hun klanten plaatsen daar hun netwerkapparatuur, servers en opslagruimte voor webhosting. Deze hostingdiensten worden vaak doorverhuurd aan tussenpersonen in andere landen (die de webhosting daar veelal onder een eigen merk leveren), die vervolgens weer webruimte verhuren aan privépersonen of organisaties. Zij kunnen de ruimte bijvoorbeeld gebruiken om hun eigen website in te richten. Datacentra hebben daarom niet altijd zicht op wie aan het eind van de keten precies gebruik maken van hun diensten en welke content er wordt gehost. Wel zijn zij gehouden te acteren indien ze er weet van krijgen dat de content die ze hosten illegaal is. In dit specifieke geval is dat ook gebeurd en is de content niet meer bereikbaar via een Nederlandse server.
De inzet op het bestrijden van illegale content is er in eerste instantie op gericht om deze content zo snel mogelijk te verwijderen danwel ontoegankelijk te maken. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, dan is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd.
Deelt u de mening dat Nederland als gewilde plek voor hosting- en datacentrumdiensten ook koploper moet zijn in het weren van ongewenste en strafbare online content?
Ja die mening deel ik. Nederland is al koploper in de aanpak van online seksueel kindermisbruik en zet zich in voor een Europese aanpak daarvan. Ook met betrekking tot de oprichting van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) loopt Nederland voorop in het bestrijden van strafbare online content. In Nederland wordt al een aantal jaren succesvol samengewerkt tussen de internetsector en overheid op het gebied van illegale content. Overheid en internetsector richten zich daarbij op het zo snel mogelijk offline halen van de aangetroffen illegale content. Een hostingprovider moet acteren als hij er weet van krijgt dat de online content die hij host een illegaal karakter heeft. Het beleid richt zich daarom op het notificeren en doen verwijderen van illegale (dat wil zeggen strafbare of anderszins onrechtmatige) content. Bij het tegengaan van strafbare content (terroristisch of kinderpornografisch materiaal en hate speech) heeft de overheid een actieve rol in de opsporing en vervolging. Bij onrechtmatige (maar niet strafbare) content – content die schade toebrengt aan individuen, zoals privacy-schendingen – is die rol vooral faciliterend, bijvoorbeeld door het subsidiëren van een meldpunt. Via zo’n meldpunt wordt strafbare en onrechtmatige content onder de aandacht gebracht van een internettussenpersoon, die op grond van bestaande wet- en regelgeving gehouden is daarop te acteren. Ongewenste (maar niet onrechtmatige) content (zoals de meeste vormen van desinformatie) wordt niet verwijderd. Wel zijn er andere instrumenten om hierop te reageren (o.a. fact checking, counterspeech, verwijzen naar officiële websites, aanpassen (zoek)algoritmes, etc.).
Zijn er naast de in het artikel genoemde websites nog andere soortgelijke rioolwebsites die via Nederland gehost of gefaciliteerd worden? Heeft u hier voldoende zicht op?
Datacentra hebben niet altijd zicht op wie aan het eind van de keten precies gebruik maken van hun diensten en welke content er wordt gehost. Wel zijn zij gehouden te acteren indien ze er weet van krijgen dat de content die ze hosten illegaal is. Er bestaat geen wettelijk kader voor toezicht op de content die in Nederland wordt gehost.
In hoeverre is er sprake van strafbare feiten als Nederlandse bedrijven websites hosten en faciliteren die haatzaaiende teksten, racisme, rechts-extremistisch gedachtengoed en kinderporno verspreiden?
Criminelen misbruiken diensten van hostingproviders voor illegale activiteiten. Veel hostingproviders treden hier adequaat tegen op. Voor hostingproviders die willens en wetens criminaliteit faciliteren kan een strafrechtelijke aanpak passend zijn. Om de schaalvoordelen van hostingdiensten, dat wil zeggen de grootte van de datacapaciteit die geleverd kan worden, minder toegankelijk te maken voor criminelen, is het van belang dat alle hostingproviders hier maatregelen tegen nemen. Daarnaast heeft de politie onlangs diverse hostingproviders op de hoogte gesteld van criminele dienstverleners die mogelijk misbruik maken van hun systemen. Daarbij is verzocht, indien deze partijen bij deze hostingproviders bekend zijn, deze niet meer als klant te accepteren. Onlangs heeft het Gerechtshof in Den Haag bepaald dat dergelijke dienstverleners onder omstandigheden niet zijn uitgesloten van strafrechtelijke aansprakelijkheid, ook niet als zij geen bevel tot ontoegankelijk maken van gegevens hebben ontvangen. Deze uitspraak biedt mogelijkheden voor vervolging van hostingproviders die criminelen actief helpen.
Welke mogelijkheden heeft u om strafrechtelijk of bestuursrechtelijk op te treden tegen het hosten of faciliteren van dergelijke websites via Nederland?
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaar feit. Dit is geregeld in artikel 125p Sv. Onrechtmatige content kan ontoegankelijk worden gemaakt na een bevel daartoe van de civiele rechter.
Zoals reeds bekend bij uw Kamer, heeft het kabinet de oprichting van een Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) aangekondigd. De Raad van State heeft op 4 mei jl. geadviseerd over het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Dit advies wordt nu verwerkt, zodat het wetsvoorstel daarna op korte termijn aan de Kamer kan worden aangeboden. Deze Autoriteit krijgt de wettelijke bevoegdheid aanbieders van hostingdiensten op bestuursrechtelijke basis te verplichten online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal op hun server ontoegankelijk te maken of te verwijderen danwel deze partijen op te dragen passende en evenredige maatregelen te treffen om de opslag en doorgifte van online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal via hun diensten te beperken. Hiermee krijgt de Autoriteit middelen om in te grijpen indien de zelfregulering hapert, bijvoorbeeld wanneer een hoster weigert gehoor te geven aan een verwijderverzoek van illegale content in het zelfreguleringskader. Zoals de naam al zegt, zal de ATKM zich alleen richten op terroristisch en kinderpornografisch materiaal, en blijft online hate speech zoals verspreid via Daily Stormer en 8kun buiten de reikwijdte van deze Autoriteit. Online hate speech kan worden gemeld bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND). Dit meldpunt wordt door de sector beschouwd als een trusted flagger, waardoor meldingen vanuit dit meldpunt richting de sector in vrijwel alle gevallen leiden tot het verwijderen of ontoegankelijk maken van de gewraakte content.
De inzet bij de bestrijding van illegale content gaat voor een belangrijk deel uit van zelfregulering door de internetsector. De Nederlandse overheid werkt reeds jaren samen met de internetsector aan de bestrijding van illegale content online. Zo is er al in 2008 een Notice-and-Takedown (NTD) gedragscode overeengekomen tussen overheden, internetaanbieders, hostingbedrijven, en andere tussenpersonen.2 Daar is in 2018 een addendum op gekomen voor het verbeteren van de bestrijding van materiaal van online kindermisbruik. Aanvullend bevat de in 2021 geactualiseerde Gedragscode Abusebestrijding maatregelen die hostingproviders kunnen nemen tegen misbruik van hun diensten voor meerdere vormen van illegale activiteiten. Tenslotte zijn ook in EU-verband afspraken gemaakt, zoals de Code of conduct on countering illegal hate speech uit 2016.
De Digital Services Act (DSA) biedt in vergelijking met de Richtlijn Elektronische Handel een meer gepreciseerd kader waarbinnen hostingbedrijven een beroep kunnen doen op uitsluiting van aansprakelijkheid met betrekking tot de informatie die zij hosten. Ook bevat de DSA onderdelen die de bestrijding van illegale content in de toekomst verder kunnen verbeteren. Om hier optimaal uitvoering aan te geven en gebruik van te maken zal de huidige NTD gedragscode de komende tijd vanuit een publiek-private samenwerking nog eens tegen het licht worden gehouden. Bij de onderhandelingen over de DSA heeft Nederland er overigens voor gepleit om aanvullend op dit alles een zorgplicht voor hostingbedrijven op te nemen. Dit voorstel kreeg helaas onvoldoende steun bij andere Lidstaten.3
Aanvullend subsidieert de overheid een aantal meldpunten om illegale content onder de aandacht te brengen van platformen, providers en hosters. Deze meldpunten hebben veelal de status van trusted flagger, en hebben daarmee ook het vertrouwen van de sector. Content die zij als «illegaal» betitelen wordt in dat kader in de meeste gevallen ook daadwerkelijk ontoegankelijk gemaakt. Het kabinet zet de komende jaren in op het verder optimaliseren van opvolging van meldingen van deze meldpunten en zal daarbij ook bezien voor welke andere vormen van illegale content een meldvoorziening dient te worden ingericht.
Bent u bereid om naar aanleiding van dit artikel stappen te ondernemen tegen het hosten of faciliteren van dergelijke websites?
Het huidig wettelijk kader om stappen te ondernemen tegen het hosten of faciliteren van websites die illegale content bevatten, biedt geen ruimte om additionele verplichtingen op te leggen. De systematiek waarbij melding gemaakt kan worden bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND) werkt goed. In vrijwel alle gevallen leidt een verwijderverzoek van MiND daadwerkelijk tot het verwijderen of ontoegankelijk maken van de content.
Dat betekent niet dat er niet wordt gekeken wat er nog meer kan worden gedaan om deze illegale content aan te pakken. Specifiek ten aanzien van de aanpak van online hate speech voert mijn ministerie momenteel in samenwerking met de Ministeries van BZK, OCW en SZW een inventarisatie uit naar hoe de aanpak van online hate speech vormgegeven en geïntensiveerd kan worden. Hiermee wordt een eerste aanzet gedaan voor een interdepartementale aanpak tegen online hate speech. Uw Kamer wordt voor het einde van het jaar over deze aanpak geïnformeerd.
Wat is de status van het conceptwetsvoorstel Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal? Heeft u zicht op wanneer het wetsvoorstel bij de Kamer kan worden ingediend?
Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt momenteel verwerkt. Het wetsvoorstel zal naar verwachting op korte termijn aan de Kamer worden aangeboden.
Biedt het conceptwetsvoorstel Wet bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal mogelijkheden om dergelijke websites aan te pakken?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de laatste paragraaf van het antwoord op vraag 6.
Zou het geven van een bindende aanwijzing aan aanbieders die betrokken zijn bij de opslag of doorgifte van kinderporno uitgebreid kunnen worden naar aanbieders die betrokken zijn bij opslag of doorgifte van evident racistische of haatzaaiende teksten en complottheorieën? Wat zijn hiervan voor- en nadelen?
Internettussenpersonen die ervan op de hoogte worden gebracht dat de content die zij hosten illegaal is, dienen op grond daarvan te acteren om niet aansprakelijkheid gesteld te kunnen worden. Dat geldt niet alleen voor kinderporno, maar ook voor andere illegale content zoals evident racistische of haatzaaiende teksten.
Het verspreiden van complottheorieën kan gepaard gaan met strafbare feiten, zoals bedreiging, smaad of laster of met onrechtmatige gedragingen. Zo laat het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van 7 november jl. zien dat geloof in complottheorieën kan leiden tot anti-overheidsextremisme. In die gevallen zijn internet service providers (ISPs) en hosting service providers (HSPs) wel gehouden om te acteren, maar dan op basis van de strafbare of onrechtmatige gedraging en niet omdat het complottheorieën betreft. Daar waar complottheorieën aanzetten tot terrorisme kan de eerdergenoemde Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) straks ingrijpen door het uitvaardigen van een verwijderbevel.
Het bericht ‘De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland’ |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «De meest gehate sites ter wereld, in de lucht via Flevoland»1?
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Klopt het bericht dat het Russische hostingbedrijf «VDSina» direct, dan wel indirect, illegale websites online kon/kan hosten via Nederlandse datacenters van bedrijven als Serverius? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
In Nederland zijn het aanzetten tot haat en geweld en het vervaardigen en verspreiden van kinderporno strafbaar. Dat geldt ook op het internet. Internet-tussenpersonen zijn gehouden op te treden indien zij weten dat er illegaal materiaal op hun servers of platformen staat. Daar spreken wij hen ook op aan. Gelukkig werkt het grootste gedeelte van de internetbedrijven goed mee om illegale content snel te verwijderen. Desondanks kan nooit helemaal worden voorkomen dat hun klanten illegaal materiaal opslaan of online zetten. Voor de aanpak van illegale online content is samenwerking met de internetsector cruciaal.
Het is niet eenvoudig om het opslaan of online plaatsen van illegale content aan te pakken. Het is bij wet verboden om aan internettussenpersonen een algehele monitoringsverplichting op te leggen. Veel Nederlandse datacentra verhuren opslagruimte en verzorgen de aansluiting daarvan op het internet. Hun klanten plaatsen daar hun netwerkapparatuur, servers en opslagruimte voor webhosting. Deze hostingdiensten worden vaak doorverhuurd aan tussenpersonen in andere landen (die de webhosting daar veelal onder een eigen merk leveren), die vervolgens weer webruimte verhuren aan privépersonen of organisaties. Zij kunnen de ruimte bijvoorbeeld gebruiken om hun eigen website in te richten. Datacentra hebben daarom niet altijd zicht op wie aan het eind van de keten precies gebruik maken van hun diensten en welke content er wordt gehost. Wel zijn zij gehouden te acteren indien ze er weet van krijgen dat de content die ze hosten illegaal is. In dit specifieke geval is dat ook gebeurd en is de content niet meer bereikbaar via een Nederlandse server.
De inzet op het bestrijden van illegale content is er in eerste instantie op gericht om deze content zo snel mogelijk te verwijderen danwel ontoegankelijk te maken. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, dan is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd.
Klopt het dat websites met rechts-extremistische en neonazistische content, zoals als 8kun en Daily Stormer, in heel weinig landen hun websites online kunnen zetten maar dat hiervoor wel mogelijkheden zijn in Nederland? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Nee, dat klopt niet. Ook in Nederland kan actie worden ondernomen tegen illegale content die aanzet tot discriminatie, haat en geweld, zoals bedoeld in artikel 137d Sr. In Nederland geldt voor wat betreft de aansprakelijkheid van datacentra de Richtlijn Elektronische Handel zoals geïmplementeerd in artikel 6:196c BW en artikel 54a Sr jo artikel 125p Sv. Die richtlijn, die vanaf begin 2024 wordt vervangen door de Digital Services Act (DSA), geldt ook in andere lidstaten van de Europese Unie. Wel kunnen de mogelijkheden om actie te ondernemen en de daarop toepasselijke regelgeving in landen verschillen.
Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2, is de inzet op het bestrijden van illegale content er in eerste instantie op gericht om deze content zo snel mogelijk te verwijderen danwel ontoegankelijk te maken. Illegaal online materiaal kan worden gemeld en verwijderd via de afspraken in het kader van de zelfregulering van de internetsector (Notice and Take Down). Is er sprake van kinderpornografisch materiaal, dan is er binnenkort ook de Autoriteit Online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), die een bestuursrechtelijk verwijderbevel kan uitvaardigen en een last onder dwangsom of bestuurlijke boete kan opleggen indien de content niet wordt verwijderd.
Bent u het ermee eens dat het zeer problematisch is wanneer rechts-extremistische en illegale content online staan via Nederlandse digitale infrastructuur? Zo ja, op welke manieren pakt u dit aan?
Ja die mening delen wij. Nederland is koploper in de aanpak van online seksueel kindermisbruik en zet zich in voor een Europese aanpak daarvan. Ook met betrekking tot de oprichting van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) loopt Nederland voorop in het bestrijden van strafbare online content. In Nederland wordt al een aantal jaren succesvol samengewerkt tussen de internetsector en overheid op het gebied van illegale content. Overheid en internetsector richten zich daarbij op het zo snel mogelijk offline halen van de aangetroffen illegale content. Een hostingprovider moet acteren als hij er weet van krijgt dat de online content die hij host een illegaal karakter heeft. Het beleid richt zich daarom op het notificeren en doen verwijderen van illegale (dat wil zeggen strafbare of anderszins onrechtmatige) content. Bij het tegengaan van strafbare content (terroristisch of kinderpornografisch materiaal en hate speech) heeft de overheid een actieve rol in de opsporing en vervolging. Bij onrechtmatige (maar niet strafbare) content – content die schade toebrengt aan individuen, zoals privacy-schendingen – is die rol vooral faciliterend, bijvoorbeeld door het subsidiëren van een meldpunt. Via zo’n meldpunt wordt strafbare en onrechtmatige content onder de aandacht gebracht van een internettussenpersoon, die op grond van bestaande wet- en regelgeving gehouden is daarop te acteren. Ongewenste (maar niet onrechtmatige) content (zoals de meeste vormen van desinformatie) wordt niet verwijderd. Wel zijn er andere instrumenten om hierop te reageren (o.a. fact checking, counterspeech, verwijzen naar officiële websites, aanpassen (zoek)algoritmes, etc.).
Welke instrumenten heeft de overheid om in te grijpen wanneer illegale content het wereldwijde web in wordt geslingerd via Nederlandse bedrijven? Worden desbetreffende instrumenten daadwerkelijk ingezet? Zijn er bijvoorbeeld verzoeken gedaan aan Serverius om de dienstverlening aan VDSina en daarmee 8kun en Daily Storm stop te zetten? Zo ja, door wie zijn die verzoeken gedaan en wat was hiervan het resultaat? Zo nee, waarom niet?
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaar feit. Dit is geregeld in artikel 125p Sv. Onrechtmatige content kan ontoegankelijk worden gemaakt na een bevel daartoe van de civiele rechter.
Zoals reeds bekend bij uw Kamer, heeft het kabinet de oprichting van een Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) aangekondigd. De Raad van State heeft op 4 mei jl. geadviseerd over het wetsvoorstel bestuursrechtelijke aanpak online kinderpornografisch materiaal. Dit advies wordt nu verwerkt, zodat het wetsvoorstel daarna op korte termijn aan de Kamer kan worden aangeboden. Deze Autoriteit krijgt de wettelijke bevoegdheid aanbieders van hostingdiensten op bestuursrechtelijke basis te verplichten online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal op hun server ontoegankelijk te maken of te verwijderen danwel deze partijen op te dragen passende en evenredige maatregelen te treffen om de opslag en doorgifte van online kinderpornografisch en/of terroristisch materiaal via hun diensten te beperken. Hiermee krijgt de Autoriteit middelen om in te grijpen indien de zelfregulering hapert, bijvoorbeeld wanneer een hoster weigert gehoor te geven aan een verwijderverzoek van illegale content in het zelfreguleringskader. Zoals de naam al zegt, zal de ATKM zich alleen richten op terroristisch en kinderpornografisch materiaal, en blijft online hate speech zoals verspreid via Daily Stormer en 8kun buiten de reikwijdte van deze Autoriteit. Online hate speech kan worden gemeld bij het Meldpunt Internet Discriminatie (MiND). Dit meldpunt wordt door de sector beschouwd als een trusted flagger, waardoor meldingen vanuit dit meldpunt richting de sector in vrijwel alle gevallen leiden tot het verwijderen of ontoegankelijk maken van de gewraakte content.
De inzet bij de bestrijding van illegale content gaat voor een belangrijk deel uit van zelfregulering door de internetsector. De Nederlandse overheid werkt reeds jaren samen met de internetsector aan de bestrijding van illegale content online. Zo is er al in 2008 een Notice-and-Takedown (NTD) gedragscode overeengekomen tussen overheden, internetaanbieders, hostingbedrijven, en andere tussenpersonen.2 Daar is in 2018 een addendum op gekomen voor het verbeteren van de bestrijding van materiaal van online kindermisbruik. Aanvullend bevat de in 2021 geactualiseerde Gedragscode Abusebestrijding maatregelen die hostingproviders kunnen nemen tegen misbruik van hun diensten voor meerdere vormen van illegale activiteiten. Tenslotte zijn ook in EU-verband afspraken gemaakt, zoals de Code of conduct on countering illegal hate speech uit 2016.
De Digital Service Act (DSA) biedt in vergelijking met de Richtlijn Elektronische Handel een meer gepreciseerd kader waarbinnen hostingbedrijven een beroep kunnen doen op uitsluiting van aansprakelijkheid met betrekking tot de informatie die zij hosten. Ook bevat de DSA onderdelen die de bestrijding van illegale content in de toekomst verder kunnen verbeteren. Om hier optimaal uitvoering aan te geven en gebruik van te maken zal de huidige NTD gedragscode de komende tijd vanuit een publiek-private samenwerking nog eens tegen het licht worden gehouden. Bij de onderhandelingen over de DSA heeft Nederland er overigens voor gepleit om aanvullend op dit alles een zorgplicht voor hostingbedrijven op te nemen. Dit voorstel kreeg helaas onvoldoende steun bij andere Lidstaten.3
Aanvullend subsidieert de overheid een aantal meldpunten om illegale content onder de aandacht te brengen van platformen, providers en hosters. Deze meldpunten hebben veelal de status van trusted flagger, en hebben daarmee ook het vertrouwen van de sector. Content die zij als «illegaal» betitelen wordt in dat kader in de meeste gevallen ook daadwerkelijk ontoegankelijk gemaakt. Het kabinet zet de komende jaren in op het verder optimaliseren van opvolging van meldingen van deze meldpunten en zal daarbij ook bezien voor welke andere vormen van illegale content een meldvoorziening dient te worden ingericht.
Klopt het dat 8kun en Daily Stormer niet meer via Nederlandse bedrijven online staan? Zo ja, kunt u dit bevestigen en toelichten? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat klopt. Op het moment dat de tussenpersoon die de content had ondergebracht bij de Nederlandse hoster werd geïnformeerd dat deze websites via zijn servers online werden gezet, is de content verwijderd door deze tussenpersoon. Het Nederlandse datacenter Serverius heeft hiervoor zelf geen actie hoeven te ondernemen.
Welke invloed gaat de Digital Services Act hebben op het ingrijpen bij dit soort praktijken? Is Nederland al klaar voor de komst van de Digital Services Act wat betreft het voorkomen dat websites als 8kun en Daily Stormer via Nederland online kunnen worden gezet? Zo ja, in welke genomen maatregelen is dit zichtbaar? Zo nee, welke stappen moeten nog genomen worden?
De DSA is een volgende stap in de richting om verplichtingen en verantwoordelijkheden van internettussenpersonen én de overheid voor de bestrijding van illegale content aan te scherpen. Zoals onder meer de verplichting voor tussenpersonen om een contactpersoon te hebben voor overheden zodat er snel kan worden opgetreden tegen illegale content. Wanneer websites illegale content bevatten, kunnen deze instrumenten worden benut. De verplichtingen uit de DSA worden op 17 februari 2024 van kracht. De komende tijd wordt gewerkt aan de voorbereiding daarvan in Nederland.
Is de Minister het ermee eens dat het zeer wenselijke is om zo snel mogelijk de structuren en processen in orde te hebben om de Digital Services Act uit te kunnen voeren? Zo nee, waarom niet?
Ja. Dit vereist allereerst keuzes over de organisatie van het toezicht, zodat de toekomstig toezichthouder(s) zich kunnen voorbereiden op hun taken, en de noodzakelijke uitvoeringswetgeving tot stand kan worden gebracht. In het verslag houdende vragen en antwoorden op de begrotingsstaten van de Ministeries van EZK, JenV en BZK die zien op digitale zaken is hier meer informatie over gegeven. In het bijzonder in de antwoorden op vragen 58 t/m 61, 162, 184 t/m 186.
Uitgangspunt voor een succesvolle uitvoering is ook een samenwerking tussen internetsector en overheid die is gebaseerd op wederzijds begrip, vertrouwen en op het wederzijds belang om illegale content te bestrijden. De eerdere zelfreguleringsafspraken uit de genoemde NTD gedragscode illustreren dat dit mogelijk is en dat er bij een groot deel van de internetsector bereidheid bestaat om haar verantwoordelijkheid te nemen in de bestrijding van illegale content online.
Is de Minister het ermee eens dat het onwenselijk is dat Nederlandse bedrijven zaken doen met partijen die berucht zijn om het faciliteren van botnets? Zo nee, waarom niet?
Ja, dat vinden wij onwenselijk. Internettussenpersonen die ervan op de hoogte worden gebracht dat de content die zij hosten illegaal is, dienen op grond daarvan te acteren om niet aansprakelijkheid gesteld te kunnen worden. Dat geldt niet alleen voor kinderporno, maar ook voor andere illegale content zoals evident racistische of haatzaaiende teksten.
Wat heeft tot nu toe de inventarisatie van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) samen met het Digital Trust Center (DTC) en de Anti-Abuse Network coalitie opgeleverd? Zijn er concrete aanbevelingen of maatregelen op tafel gekomen om meer informatie te delen over kwetsbaarheden? Zo nee, wat is de laatste stand van zaken van de inventarisatie?
Het Anti-Abuse Netwerk (AAN-coalitie) is een samenwerkingsverband waarvan zowel het Digital Trust Center (DTC), het Ministerie van EZK als de politie deelnemer zijn en waarbij het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) als agenda lid zijn aangesloten. Daarnaast nemen onderzoeksinstellingen en private organisaties deel aan de coalitie. Het AAN werkt aan een veilige en betrouwbare online infrastructuur. De inventarisatie van het AAN heeft knelpunten en randvoorwaarden opgeleverd welke mede als input hebben gediend voor de Nederlandse Cybersecuritystrategie (NLCS) welke eerder met uw Kamer is gedeeld. De AAN-coalitie heeft de uitkomsten van haar inventarisatie verwerkt in de «Metrokaart en knelpunten «Technisch Abuse»»4 uit december 2020 waarnaar wordt verwezen in het Cyclotron rapport. Dit rapport is eerder als bijlage bij de brief5 over de NLCS met uw Kamer gedeeld. Op dit moment zijn er bijeenkomsten van de AAN-coalitie en zijn de deelnemers actief betrokken bij de actieplannen die worden uitgewerkt naar aanleiding van de NLCS.
Hoe ziet u het spanningsveld tussen vrij ondernemen met daarbij het vrij verhuren van serverruimte aan (onbekende) partijen en het misbruik maken van de Nederlandse digitale infrastructuur waarbij websites met illegale en rechts-extremistische content online kunnen worden gezet?
In veel gevallen gaat het ondernemerschap goed samen met verantwoordelijk gedrag richting de samenleving. In het geval van de hostingsector blijkt dat onder meer bij bedrijven die zich vrijwillig houden aan de Gedragscode Abusebestrijding en de NTD gedragscode.
Het verhuren van serverruimte aan partijen die daar vervolgens illegale content plaatsen maakt een hosting service provider (HSP) nog geen kwaadwillende actor. Daarvan is pas sprake als evident is dat zij niet slechts slachtoffer zijn van misbruik van hun faciliteiten maar bewust illegale content faciliteren. Zo heeft het Gerechtshof in Den Haag recentelijk bepaald dat een telecommunicatiedienstprovider die zich ervan bewust is dat zijn klanten crimineel gedrag vertonen en/of criminele content aanwezig hebben dan wel verspreiden, en deze klanten daarbij desalniettemin faciliteert, mogelijk strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden, ook als de Officier van Justitie niet vooraf een verwijderbevel heeft afgegeven. Of daar sprake van is, dient per geval te worden beoordeeld.
Het bericht ‘Internet kan tientallen euro’s goedkoper in Nederland’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Klopt het dat Nederland de hoogste internetprijzen van Europa heeft? Zo ja, wat is hiervan de reden?1
Uit internationaal vergelijkende onderzoeken blijkt dat de prijzen voor internettoegang in Nederland relatief hoog zijn.2 Er is in deze onderzoeken niet gekeken naar de verklaring van het verschil in prijzen. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld de kwaliteit van de netwerken (die in Nederland zeer hoog is) en de mate van concurrentie in de markt (waar in de verdere antwoorden op wordt ingegaan).
Bent u het eens met de conclusie van het artikel dat er op dit moment te weinig concurrentie is op de internetmarkt in Nederland?
Op grond van de Europese Telecomcode (richtlijn (EU) 2018/1972) is het aan de onafhankelijke markttoezichthouder, in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM), om een oordeel te vellen over de concurrentie op de internetmarkt.
Deelt u de conclusie van de Autoriteit Consument & Markt (ACM) in een besluit van 25 augustus 2022 dat de internetmarkt zich kenmerkt als oligopolie en dat er risico’s zijn dat de concurrentie op de internetmarkt verzwakt?
Ja.
Deelt u de conclusie van het artikel dat het internet in Nederland tientallen euro’s goedkoper kan als er meer concurrentie is op de internetmarkt in Nederland?
Het is aan ACM om een oordeel te vellen over de concurrentie en de tarieven op de internetmarkt. In het besluit van de ACM van 25 augustus jl.3 waar de vraagsteller naar verwijst in vraag 3 concludeert de ACM dat de internetmarkt zich kenmerkt als oligopolie en dat de prijzen voor internettoegang in Nederland relatief hoog zijn. Ik verwijs naar het antwoord op de vragen 7 en 8 voor de acties die de ACM neemt om de concurrentie te bevorderen.
Deelt u de mening dat meer concurrentie op de internetmarkt uiteindelijk in het belang is van de Nederlandse consument?
Ja, goede concurrentie is essentieel voor het waarborgen van een goed aanbod van internetdiensten van goede kwaliteit tegen een redelijke prijs en keuzevrijheid voor de consument.
Deelt u de mening dat (snel) internet een basisvoorziening is die overal in Nederland beschikbaar moet zijn tegen een redelijke en in internationaal perspectief marktconforme prijs?
Ja.
Welke mogelijkheden zijn er om de concurrentie op de internetmarkt te bevorderen en welke instrumenten heeft u om bij een groeiende marktmacht van enkele aanbieders regulerend op te treden?
Het is mijn rol om te zorgen voor goede wettelijke kaders die de ACM in staat stellen de rol als onafhankelijk markttoezichthouder goed te kunnen vervullen. Nederland heeft zich bij de Europese onderhandelingen over de Telecomcode met succes ingezet voor een goed reguleringsinstrumentarium voor de ACM en een voortvarende implementatie daarvan in de Telecommunicatiewet.4 Het is aan de ACM als onafhankelijk markttoezichthouder om te bepalen welke regulering zij passend acht om de concurrentie op de internetmarkt te waarborgen. Ik volg dit nauwlettend gezien het grote belang van goede concurrentie, betaalbaarheid en keuzevrijheid op de Nederlandse internetmarkt.
Allereerst is er het sectorspecifieke instrumentarium voor de ACM in de Telecommunicatiewet om de concurrentie in de internetmarkt te waarborgen gezien de kenmerken van deze markt met hoge en niet-tijdelijke toegangsbelemmeringen.5 Dit betreft het maken van periodieke marktanalyses, waarin de ACM beoordeeld of bepaalde telecomaanbieders beschikken over aanmerkelijke marktmacht en zo ja, op welke wijze toegang tot de vaste telecomnetwerken moet worden gereguleerd. Goede toegang tot vaste netwerken voor internetaanbieders die geen of een beperkt eigen netwerk hebben is een essentiële randvoorwaarde voor goede concurrentie op de internetmarkt. De ACM werkt momenteel aan een nieuwe marktanalyse.6 In de marktanalyse zal de ACM rekening houden met de verbeterde toegangstarieven en -voorwaarden waar KPN en Glaspoort aan gebonden zijn op grond van het besluit van 25 augustus jl.
Daarnaast kan de ACM ook toegang tot de vaste netwerken reguleren indien er sprake is van «moeilijk te repliceren netwerkelementen». Hiervan is sprake als het zeer moeilijk is een nieuw netwerk aan te leggen en er aan andere aanvullende voorwaarden (bijvoorbeeld een zeer nadelig effect voor consumenten) wordt voldaan.7 Nederland heeft zich bij de Europese onderhandelingen over de Telecomcode ingezet voor dit aanvullende instrument. Aanbieder YouCa, die aan bod komt in het artikel in het Financieele Dagblad van 18 september, heeft op basis van dit instrument een verzoek om toegang tot het kabelnetwerk van VodafoneZiggo in Amsterdam bij de ACM ingediend. Dit verzoek is bij de ACM in behandeling.8
Naast het sectorspecifieke instrumentarium in de Telecommunicatiewet is er het generieke instrumentarium van de Mededingingswet en de Instellingswet ACM,- dat door de ACM is ingezet in het besluit van 25 augustus jl.
Ziet u voor uzelf een rol weggelegd om concurrentie op de internetmarkt te bevorderen en zo ja, welke stappen onderneemt u hiertoe?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘ProRail dumpt Chinese bewakingscamera’s, de NS laat ze hangen’ |
|
Fahid Minhas (VVD), Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Vivianne Heijnen (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (CDA), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «ProRail dumpt Chinese bewakingscamera’s, de NS laat ze hangen»?1
Ja, wij zijn bekend met het bericht.
Klopt het bericht dat de NS duizenden nieuwe Chinese camera’s heeft besteld? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
De camera's vormen onderdeel van een Europese aanbesteding voor de modernisering van de materieelserie VIRM2/3 en een Europese aanbesteding van de nieuwbouw van de materieelserie ICNG. Deze aanbestedingen zijn gegund aan Europese treinfabrikanten, die op hun beurt voor een deel van deze levering gebruik maken van Chinese onderleveranciers.
NS heeft bij de Staatssecretaris van IenW aangegeven dat zij diverse maatregelen heeft getroffen zodat (statelijke) actoren niet van buitenaf bij de inhoud of de besturing van de camera’s kunnen komen. Eén van de maatregelen is dat deze camera’s zich bevinden in een afgesloten en beveiligd (intern) netwerk dat niet is gekoppeld aan het internet. Dit betekent volgens NS dat niemand van buitenaf bij de inhoud of besturing van de camera’s kan komen. Daarnaast heeft NS bij de Staatssecretaris aangegeven gebruik te maken van de adviezen van de rijksoverheid, zie ook het antwoord op vraag 7.
Op welke plekken heeft de NS momenteel Chinese camera’s hangen en op welke plekken komen de Chinese camera’s nog te hangen? Hoeveel Chinese camera’s hangen er op dit moment binnen treinen en op en rondom stations?
NS heeft geen camera’s van Chinese makelij op stations. Momenteel gebruikt NS camera’s van Chinese makelij alleen in een aantal type treinen. Na modernisering bevat de materieelserie VIRM 2/3 camera’s van Chinese makelij evenals de (nieuwe) materieelserie ICNG.
Welke eisen gaat u opnemen in de nieuwe Hoofdrailnetconcessie ten aanzien van het gebruik van Chinese camera’s op stations en in treinen?
In het Programma van Eisen vraagt de Staatssecretaris van IenW de beoogd concessiehouder, een rol te spelen op het gebied van terrorismebestrijding, o.a. door het beschikbaar hebben van cameratoezicht in de trein. De Staatssecretaris van IenW vindt het belangrijk om de beoogd concessiehouder vrij te laten in de bedrijfsvoering, opdat zij haar kennis en expertise optimaal kan benutten. Er is daarom gekozen voor outputsturing waar het kan en inputsturing waar ik dat nodig acht met het oog op de maatschappelijke meerwaarde. Het meegeven van specificaties voor het type te gebruiken camera’s past daar niet in. Ook hanteert NS nu ook al de adviezen van de rijksoverheid, zie ook het antwoord op vraag 7.
Bent u ervan op de hoogte dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) vervoer van personen en goederen over (hoofd)spoorweginfrastructuur aanmerkt als vitale infrastructuur? Zo ja, hoe weegt u de aanschaf van producten en diensten van landen met een offensieve cyberstrategie gericht tegen Nederland in de vitale infrastructuur?
Ja. Voor het identificeren van vitale processen zijn de betrokken Ministers van vakdepartementen verantwoordelijk. Het proces vervoer van personen en goederen over de (hoofd)spoorweginfrastructuur is door de Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangemerkt als een vitaal proces2. Dit betekent dat aanbieders van een dienst binnen dit proces kunnen worden aangemerkt als vitale aanbieder en aanbieder van een essentiële dienst (AED), waarmee ze onder het regime van de Wet bescherming netwerk- en informatiesystemen (Wbni) vallen. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat de NS camera’s inzet en aankoopt die worden gemaakt door Chinese techbedrijven die deels in handen zijn van de Chinese staat? Zo ja, in hoeverre zit het kabinet strak op de aanbestedingen uit landen met een offensief cyberprogramma (onder andere China) bij organisaties waar de overheid aandelen in heeft? Zo nee, waarom niet?
Ten aanzien van de inkoop van producten en diensten is het overheidsbeleid dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen. Ter ondersteuning van dit beleid zijn er instrumenten voor de rijksoverheid, medeoverheden en vitale aanbieders ontwikkeld die organisaties handvatten bieden bij het maken van een risicoanalyse en het nemen van mitigerende maatregelen. Behoeftestellende partijen zijn zelf verantwoordelijk voor de toepassing van dit instrumentarium en het meewegen van nationale veiligheidsrisico’s, waarbij het Rijk gevraagd en ongevraagd advies en ondersteuning kan bieden.
Zo wordt bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur rekening gehouden met eventuele risico’s in relatie tot de leverancier (zoals een offensief cyberprogramma gericht tegen Nederland), en met risico’s die zich kunnen voordoen het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om de toegang tot systemen door derden. Daarbij kunnen als mitigerende maatregelen bijvoorbeeld strenge eisen worden gesteld door de opdrachtgever aan de (informatie)beveiliging van producten en diensten. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Geeft de rijksoverheid adviezen aan derde belanghebbenden die deel uitmaken van de door de NCTV gekwalificeerde vitale infrastructuur over de aanschaf van camera’s? Zo ja, hoe zou de aanschaf van de Chinese camera’s door de NS passen in het advies van de rijksoverheid? Zo nee, waarom niet?
Vitale aanbieders zijn onder meer op basis van wetgeving, waaronder de Wbni, verplicht tot het treffen van passende maatregelen ter beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen (zorgplicht). Ook dienen zij inzicht te hebben in de risico’s die hun dienstverlening ten aanzien van het vitale proces kunnen raken.
Vitale aanbieders zijn daarbij zelf verantwoordelijk voor het treffen van de juiste maatregelen. Sectorale toezichthouders houden toezicht op de wijze waarop vitale aanbieders invulling geven aan deze zorgplicht.
Ten aanzien van de inkoop van producten en diensten is het overheidsbeleid dat nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen. Ter ondersteuning van dit beleid zijn er instrumenten voor de rijksoverheid, medeoverheden en vitale aanbieders ontwikkeld die organisaties handvatten bieden bij het maken van een risicoanalyse en het nemen van mitigerende maatregelen. Behoeftestellende partijen zijn zelf verantwoordelijk voor de toepassing van dit instrumentarium en het meewegen van nationale veiligheidsrisico’s, waarbij het Rijk gevraagd en ongevraagd advies en ondersteuning kan bieden.
Zo wordt bij de aanschaf en implementatie van gevoelige apparatuur rekening gehouden met eventuele risico’s in relatie tot de leverancier (zoals een offensief cyberprogramma gericht tegen Nederland), en met risico’s die zich kunnen voordoen in het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om de toegang tot systemen door derden. Daarbij kunnen als mitigerende maatregelen bijvoorbeeld strenge eisen worden gesteld door de opdrachtgever aan de (informatie)beveiliging van producten en diensten.
NS heeft bij de verwerving van de camera’s, in lijn met dit beleid, nationale veiligheidsrisico’s meegewogen aan de hand van het genoemde instrumentarium en hiertoe nadere maatregelen getroffen zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2.
Klopt het bericht dat het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) nog geen negatief advies heeft gegeven over de merken Dahua en Hikvision? Zo ja, waarom is er tot op heden nog geen negatief advies gegeven? Zo nee, wat is hiervoor nodig?
Het NCSC geeft geen advies over individuele producten of diensten. Het NCSC raadt organisaties aan om risicomanagement te implementeren in hun organisatie en dit ook toe te passen bij het aanschaffen van producten en diensten. De risico’s die verbonden zijn aan bepaalde producten of diensten zijn erg afhankelijk van hoe een product of dienst wordt ingezet bij een individuele organisatie. Om daar duidelijkheid over te krijgen adviseert het NCSC om een specifieke risicoanalyse uit te voeren. Hiermee kan op basis van dreigingen, de te beschermen belangen, nationale veiligheidsoverwegingen en mogelijke maatregelen een risicoafweging worden gemaakt. Daardoor kan een passend pakket aan weerbaarheidsmaatregelen geïmplementeerd worden. Vitale aanbieders zijn hier zelf verantwoordelijk voor.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat miljoenen Nederlanders worden gefilmd door omstreden Chinese camera’s waarvan niet duidelijk is wat er met deze beelden wordt gedaan? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om ervoor te zorgen dat deze Chinese camera’s er niet komen?
De toepassing van camera’s in de openbare ruimte en op stations hebben een rol in het borgen van veiligheid voor het publiek dat daar aanwezig is. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 heeft NS diverse maatregelen getroffen zodat statelijke actoren niet van buitenaf bij de inhoud of de besturing van de camera’s kunnen komen.
Nederland en de EU spreken in verschillende verbanden, waaronder binnen de VN, met China over dataveiligheid. Centraal hierbij staat de bescherming van privacy, zoals de naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), bescherming van mensenrechten en het tegengaan van ongepaste toegang van overheden tot datagegevens. Zoals aangegeven in de Notitie3 «Nederland-China: Een nieuwe balans» staat het kabinet achter striktere handhaving en sterker uitdragen van bestaande standaarden en normen, zoals de Europese regelgeving op het gebied van data, bescherming van persoonsgegevens en privacy en productveiligheid.
Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) gelden er regels voor de verwerking van persoonsgegevens, zo ook wanneer de verwerking plaatsvindt door middel van camerabeelden. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om deze wettelijk verplichte regels in acht te nemen. Daartoe behoort dat de verwerking van persoonsgegevens goed is beveiligd. Ook staat de AVG de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen niet dan onder strikte voorwaarden toe. Doorgifte is namelijk slechts toegestaan op grond van een van de wettelijke bepalingen uit hoofdstuk V van de AVG. Aangezien voor China geen door de Europese Commissie genomen adequaatheidsbesluit bestaat, waarin wordt besloten dat dit land een passend beschermingsniveau waarborgt, kan structurele doorgifte van persoonsgegevens alleen plaatsvinden voor zover er door de verwerkingsverantwoordelijke «passende waarborgen» worden geboden. Het is aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP), de toezichthouder op de AVG, om erop toe te zien dat er passende waarborgen zijn getroffen. Als dit niet het geval is heeft de AP onder meer de bevoegdheid om boetes op te leggen, maar ook om de verwerking te verbieden.
Wanneer kan de Kamer de uitvoering van de aangenomen motie Rajkowski en Van Weerdenburg (Kamerstuk 26 643, nr. 830) en de uitvoering van de overgenomen motie Rajkowski c.s. (Kamerstuk 26 643, nr. 874) verwachten?
Zoals verzocht in de overgenomen motie4 Rajkowski c.s. zal de Kamer nog voor het kerstreces geïnformeerd worden over de verzochte richtlijn voor de rijksoverheid en haar leveranciers, om producten of diensten van organisaties en bedrijven uit landen met een offensieve cyberagenda gericht tegen Nederland uit bepaalde aanbestedingen te kunnen weren. Hierin wordt ook meegenomen de toezegging aan de Kamerlid Rajkowski voor een onderzoek over hoe dit zou kunnen, zoals gedaan in het debat met de Commissie Digitale Zaken over de digitale overheid, datagebruik en algoritmen, digitale identiteit van 22 maart 2022. Op 5 april 2022 is de motie5 van de leden Rajkowski en Van Weerdenburg aangenomen die het kabinet verzoekt een scan uit te voeren op de aanwezigheid van apparatuur of programmatuur van organisaties uit landen met een tegen Nederland gerichte offensieve cyberagenda in de vitale infrastructuur. Op dit moment wordt door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in samenwerking met de betrokken departementen, verkend op welke manier opvolging kan worden gegeven aan de deze motie.
Het bericht ‘NIST kiest wapens tegen kwantumcomputer als cryptokraker’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (minister justitie en veiligheid) (VVD), Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «NIST kiest wapens tegen kwantumcomputer als cryptokraker»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat kwantumcomputers een serieus gevaar kunnen vormen voor het Nederlandse briefgeheim en veilige communicatie tussen o.a. veiligheidsdiensten, Nederlandse burgers onderling en voor onze ondernemers in het kader van bedrijfsgeheimen? Zo ja, hoe beoordeelt u dit gevaar? Zo nee, waarom niet?
Ja. De komst van de kwantumcomputer brengt risico’s met zich mee op het gebied van informatiebeveiliging. Sommige cryptografische standaarden die nu veilig worden geacht, zullen door de komst van kwantumcomputers niet meer veilig zijn, waaronder cryptografie die nu veelvuldig wordt gebruikt voor het beveiligen van internetverkeer.
Zoals ook benoemd in de AIVD-brochure «Bereid je voor op de dreiging van kwantumcomputers», achten experts de kans klein maar reëel dat kwantumcomputers in 2030 al krachtig genoeg zullen zijn om de huidige cryptografische standaarden te breken.2 Informatie die gedurende een langere periode vertrouwelijk moet blijven, waaronder staatsgeheimen, moet daarom zo snel mogelijk al beschermd worden tegen store now, decrypt later-aanvallen3. Deze dreiging wordt ook gesignaleerd door het NCSC, dat de afgelopen jaren heeft opgeroepen tot het starten met het voorbereiden op de komst van kwantumcomputers, bijvoorbeeld via de NCSC-factsheet «Postkwantumcryptografie».4
Voor de rijksoverheid en medeoverheden, maar ook voor de private sector, betekent dit dat zij zullen moeten migreren naar kwantumveilige systemen en technologieën. Deze migratie is omvangrijk, en zal zo snel mogelijk gestart moeten worden om op tijd voorbereid te zijn op de dreiging van kwantumcomputers.
Op welke wijze borgt u tijdig met oplossingen te komen tegen de komst van kwantumcomputers zodat inwoners van Nederland veilig digitaal kunnen communiceren en persoonsgegevens en bedrijfs- en staatsgeheimen goed beveiligd kunnen blijven? Welke concrete stappen zijn hier de afgelopen jaren voor gezet en welke stappen bent u nog voornemens te zetten?
Gezien de hierboven gesignaleerde veiligheidsrisico’s voor de overheid, burgers en bedrijven, zet het kabinet zich, met partners uit de private sector en wetenschap, op verschillende wijzen in om maatregelen en technologieën te ontwikkelen die deze risico’s kunnen helpen mitigeren.
Voor de verwerking van gerubriceerde gegevens zijn al geruime tijd kwantumveilige producten beschikbaar. Volgend uit het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijksdienst Bijzondere Informatie (VIRBI) is kwantumveiligheid sinds 2020 een harde eis voor producten waarmee gerubriceerde gegevens verwerkt worden. Het gaat dan om gegevens gerubriceerd als departementaal vertrouwelijk en hoger. Om te borgen dat de rijksoverheid ook in de toekomst kan beschikken over beveiligingsproducten voor vertrouwelijke informatie, wordt er in het kader van de Nationale Cryptostrategie (NCS) geïnvesteerd in de ontwikkeling van deze producten. Dit maakt het mogelijk om in te spelen op risico’s rondom kwantumcomputing voor wat betreft de rijksoverheid. Hierbij wordt in samenwerking met bedrijven en experts onder meer gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe beveiligingsproducten en het doorontwikkelen van bestaande producten.
Deze producten zullen gebruikmaken van post-quantumcryptografie (PQC). Dit is een vorm van cryptografie die gebaseerd is op wiskundige problemen die niet effectief te kraken zijn met een kwantumcomputer. In 2023 zal de AIVD in samenwerking met TNO en het Centrum voor Wiskunde en Informatica (CWI) een kwantum Migratie Handleiding publiceren die overheden, bedrijven en burgers kunnen gebruiken als handvat voor migratie naar kwantumveilige communicatie. Deze handleiding beschrijft de verschillende doelgroepen en bijbehorende (technische) stappen die genomen kunnen worden.
Het kabinet investeert via het Nationaal Groeifonds fors in de Nationale Agenda kwantumtechnologie (zie beneden het antwoord op vraag 10). Naast de inzet vanuit het Groeifonds hebben departementen een aantal jaar geleden gezamenlijk het initiatief genomen om binnen de Nationale Wetenschapsagenda (NWA) uit 2018 met het programma «Cybersecurity – naar een veilig en betrouwbaar digitaal domein» aan de slag te gaan om oplossingen te vinden voor vraagstukken rond internetveiligheid. Daarbinnen is een project gefinancierd tegen het gevaar van het breken van versleutelingsschema’s door kwantumcomputers.5 Daarnaast werkt de overheid samen met private partijen en wetenschappers, onder leiding van het ECP, aan het ontwikkelen van werelds eerste kwantum Impact Assessment (QIA). Organisaties die met kwantumtechnologie willen gaan werken, kunnen dan het QIA doen, om te bepalen wat juridische, ethische en maatschappelijke consequenties zijn van het inzetten van deze technologie. De kennis en producten ontwikkeld via deze trajecten zullen door overheid, bedrijven en burgers benut kunnen worden om zich te beveiligen en om kwantumtechnologie op een verantwoorde wijze te gebruiken.
Er wordt niet alleen op nationaal niveau geïnvesteerd en samengewerkt, maar ook op Europees niveau. Die Europese inzet is uiteengezet in het antwoord op vraag 9.
Binnen de rijksoverheid zijn departementen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid voor informatiebeveiliging ook verantwoordelijk om hun belangrijkste processen en andere belangen te beschermen tegen de dreiging van de kwantumcomputer op de toegepaste cryptografie. Om de departementen hierbij te helpen wordt er momenteel op verzoek van het CIO-beraad vanuit de I-strategie Rijk 2022 – 2025, interdepartementaal gewerkt aan een plan voor een gezamenlijke aanpak van deze dreiging, zodat kennis en kunde gedeeld worden, centraal een beeld ontstaat hoe ver de departementen zijn en om de krachten te bundelen onder andere met betrekking tot leveranciersmanagement. BZK zal de medeoverheden wijzen op het belang van spoedige inzet op kwantumcryptografie, en de door de rijksoverheid opgedane ervaring met hen delen, om hen snel op gang te helpen. Er is daarnaast ook een kwantum InnovatieHub rijksoverheid. Dit is een netwerk van geïnteresseerden in kwantumtechnologie en de impact voor de rijksoverheid. Dit netwerk heeft de afgelopen jaren een grote rol gespeeld in het vergroten van het bewustzijn omtrent de impact van kwantumtechnologie binnen de rijksoverheid.
Welke voorbereidingen neemt u op de komst van de kwantumcomputers? Welke voorbereidingen worden hier getroffen, ook eventueel in samenwerking met private sectoren?
Zie antwoord vraag 3.
Welke gevolgen ziet u voor de rijksoverheid en lagere overheden met de komst van kwantumcomputers wat betreft het inrichten van de systemen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u samen met bedrijven en experts op zoek naar oplossingen om encryptie bestendig te maken tegen de komst van kwantumcomputers? Zo ja, wat is de status van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u al een selectie gemaakt van alternatieve cryptografische methoden die niet vatbaar zijn voor het kwantumrekengeweld? Zo ja, welke methoden vallen binnen deze selectie? Zo nee, wanneer verwacht u met een selectie te komen?
Zoals aangegeven in het antwoord op vragen 3, 4 en 6, wordt voor wat betreft het adresseren van de risico’s van kwantumcomputing, door de overheid fors geïnvesteerd. Daarnaast werken cybersecurity experts en cryptologen van de rijksoverheid ook nauw samen met experts uit de private sector en wetenschap. Hierbij wordt breder gekeken naar het vraagstuk dan sec de ontwikkeling van cryptografie, maar ook de implementatie in beveiligingsproducten, standaardisering en migratie-adviezen. Die brede inzet moet de komende jaren leiden tot adviezen en producten die overheid, bedrijven en burgers kunnen gebruiken om zich te beveiligen tegen de dreiging van kwantumcomputing.
Naar aanleiding van de selectie van NIST heeft het NCSC in juli 2022 beveiligingsrichtlijnen gepubliceerd.6 In deze beveiligingsrichtlijnen adviseert het NCSC over het gebruik van specifieke algoritmes waar organisaties gebruik van kunnen maken bij het inrichten van hun architectuur die gebruik maakt van een combinatie van traditionele en kwantum-veilige algoritmes. Daarnaast publiceerde het NCSC in 2017 al de factsheet postkwantumcryptografie.
De AIVD heeft voor het gebruik van cryptografie voor het versleutelen van gerubriceerde informatie klassieke en nieuwe cryptografische methoden beoordeeld op mogelijk gebruik als post-quantum cryptografie (PQC), en daarover gepubliceerd in de brochure «Bereid je voor op de dreiging van kwantumcomputers». Hierin wordt een combinatie van traditionele cryptografie en PQC, een zogeheten hybride constructie, aangeraden voor die systemen waar niet gewacht kan worden op standaardisatie van PQC. Ook is het voor alle organisaties die werken met gevoelige informatie belangrijk om te beginnen met de migratie hiervan naar kwantumveilige systemen. In de eerste fasen van deze migratie kan een inventarisatie plaatsvinden van systemen die voor de komst van een kwantumcomputer al gemigreerd moeten worden, en wanneer deze migratie moet plaatsvinden.
Een ander veelgenoemde technologie voor het beveiligen van communicatie is kwantum key distribution (QKD). Echter, in de eerdergenoemde AIVD-brochure, beoordeelt de AIVD, QKD zonder het gebruik van PQC als ongeschikt voor het beveiligen van gevoelige informatie. De reden hiervoor is dat QKD sommige, maar niet alle benodigde veiligheidsfuncties vervult. Daarom adviseert de AIVD in alle gevallen om voor de verwerking van gevoelige informatie ook PQC te gebruiken. Onderzoek naar QKD zorgt wel voor kennisopbouw over de onderliggende kwantumtechnologieën. Daarom is het alsnog belangrijk om ook onderzoek te doen naar QKD, ondanks dat QKD op zichzelf ongeschikt is voor het beveiligen van gevoelige communicatie.
In het kader van het plan van aanpak dat voor de rijksoverheid wordt ontwikkeld, is een van de elementen waar binnen het migratieplan naar wordt gekeken de zogenaamde «crypto-agitatie». Dit concept maakt het mogelijk om flexibel en gemakkelijk over te schakelen op verschillende soorten cryptografie, bijvoorbeeld door hardware te gebruiken die dit mogelijk maakt. Dit zou de overstap voor een deel kunnen versnellen. Daarnaast kan dit concept worden ingezet voor producten en diensten die nu worden ontwikkeld en gebruik gaan maken van cryptografie.
Bent u het met de experts uit het artikel eens dat het verstandig kan zijn alvast in te zetten op een combinatie van traditionele cryptografie en de nieuwe, nog niet volledig uitontwikkelde, postkwantummethoden? Zo ja, hoe gaat u dit vormgeven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Is Nederland aangesloten bij de Europese programma’s die betrekking hebben op kwantumcomputers? Zo ja, op welke manier heeft Nederland dit vormgegeven? Wat heeft dit concreet tot nu toe opgeleverd? Zo nee, waarom niet?
Ja, Nederland neemt deel aan Europese programma’s die ook betrekking hebben op kwantumcomputers, zoals Digital Europe en Horizon Europe.
Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap in 2016 heeft de Europese Commissie het EU kwantum Technologies flagship gelanceerd, een R&D programma voor Europese consortia met een budget van 1 miljard euro. Van de totaal 146 miljoen euro uit de eerste fase van het flagship onder Horizon 2020 (2014–2020) namen Nederlandse kennisinstellingen deel voor 10,6 miljoen euro, een percentage van 7,28% – ruim meer dan het gemiddelde Nederlandse aandeel in Horizon 2020. Voor twee consortia op het gebied van kwantum Internet (TU Delft) en kwantum sensing (UvA) is Nederland penvoerder.
Daarnaast heeft Nederland een belangrijke rol in EuroQCI, het Europese programma voor kwantum-communicatie, waar QKD als technologie centraal staat. De Nederlandse inzet in dit EuroQCI programma wordt door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en kwantumDeltaNL interdepartementaal afgestemd met vertegenwoordigers van onder meer J&V, DEF, BZ en BZK.
In de eerste fase van dit EuroQCI programma, ontvangt een Nederlands consortium met Stichting kwantum Delta als penvoerder cofinanciering van 5 miljoen euro uit het Digital Europe Programma. Het gaat hierbij om het project «QCINed: Towards a National kwantum Communication Infrastructure in The Netherlands» waarbij een experimenteel kwantum communicatienetwerk wordt opgezet door Nederlandse kennisinstellingen met participatie door verschillende ministeries en Rijksuitvoeringsorganisaties.
Deze projecten zitten momenteel in hun eerste fases, en zullen de komende jaren hun resultaten gaan opleveren. Wel heeft de projectontwikkelfase al bijgedragen aan meer samenwerking tussen Nederlandse en Europese partners op dit gebied.
Hoeveel geld is tot op heden uit het groeifonds beschikbaar gesteld voor de ontwikkeling van kwantum technologie? Welk deel van dit budget is de afgelopen jaren, of zal de komende jaren ook worden geïnvesteerd in het ontwikkelen van deze technologie?
In de eerste ronde van het Nationaal Groeifonds is 615 miljoen euro gereserveerd voor de uitvoering van de Nationale Agenda kwantumtechnologie. Het voorstel kwantumDeltaNL richt zich op het versterken van Nederlands kwantum-ecosysteem, door te investeren in (1) kwantumcomputing, (2) kwantumnetwerken en (3) kwantumsensing. Behalve investeringen in R&D wordt het budget ook gebruikt voor een valorisatieprogramma, voor campusontwikkeling, en voor versterking van de nationale onderzoeksinfrastructuur via NanolabNL. Tevens is er aandacht voor de maatschappelijke impact van deze nieuwe technologie.
Van het bedrag van 615 miljoen uit het nationaal groeifonds is 54 miljoen euro direct toegekend voor Fase 1 van dit programma, welke is gestart in september 2021. Na positieve beoordeling van de uitvoering van Fase 1 is door het kabinet inmiddels ook de voorwaardelijke toekenning voor Fase 2 omgezet in een definitieve toekenning voor het bedrag van 228 miljoen euro. Na een tussentijdse evaluatie in 2025 zal een besluit worden genomen over de reservering van 333 miljoen euro voor Fase 3 van dit programma.
Bent u het ermee eens dat de Nederlandse economie kan profiteren van de mogelijkheden van kwantumcomputers? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier?
Ja, het kabinet is het hier mee eens. Om deze reden heeft de Adviescommissie Nationaal Groeifonds destijds positief geadviseerd om het kwantumDeltaNL project te honoreren. Kwantum is een ontwikkelende technologie, die een «game-changer» kan zijn op het gebied van rekenkracht en daarmee voor nieuwe verdienmodellen en oplossingen voor maatschappelijke problemen kan zorgen.
Op dit moment zien we een snelle groei van bedrijvigheid rondom deze sleuteltechnologie. Het ecosysteem van kwantumDeltaNL breidt zich snel uit met Nederlandse en buitenlandse startups en scale-ups die werken aan innovatieve componenten en services voor kwantumcomputers en kwantuminternet.
In het kader van het publiek-private samenwerkingsplatform voor cybersecurity kennis en innovatie dcypher wordt door de overheid, het bedrijfsleven en kennisinstellingen samengewerkt aan de ontwikkeling van innovatieve producten en diensten op het gebied van cryptocommunicatie. In aanvulling op de Nationale Crypto Strategie richt deze routekaart cryptocommunicatie zich voornamelijk op het ontwikkelen van het Nederlandse verdienvermogen met betrekking tot cryptografie op zoals dat binnen de overheid en het bedrijfsleven worden toegepast. Post-kwantum cryptografie is hier een belangrijk onderdeel van.
Het bericht ‘Overheid schendt eigen regels door cookies van derden toe te laten op websites’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Overheid schendt eigen regels door cookies van derden toe te laten op websites»1?
Ja.
Klopt het bericht dat cookies van derden op talloze websites van provincies, gemeenten en aan de overheid gelieerde organisaties te vinden zijn?
Voor een overheidswebsite gelden dezelfde vereisten voor het plaatsen van cookies als voor andere websites. De voorwaarden voor het gebruik van trackingtechnologieën, waaronder cookies, zijn opgenomen in de Europese ePrivacy richtlijn.2 In Nederland is de ePrivacy richtlijn geïmplementeerd in artikel 11.7a van de Telecommunicatiewet. De Telecommunicatiewet staat daarom ook wel bekend als de «Cookiewet». Bij het gebruik van cookies die ook persoonsgegevens verzamelen, zoals bij de tracking cookies het geval is, is ook de Algemene verordening gegevensbescherming van toepassing.
De belangrijkste vereisten voor het plaatsen van cookies zijn dat de bezoeker vrij toestemming heeft gegeven voor de gegevensverwerking en dat de bezoeker tijdig en adequaat is geïnformeerd. Technisch noodzakelijke, functionele en niet-privacy gevoelige analytische cookies hebben echter nauwelijks tot geen gevolgen voor de privacy van de bezoekers van een website. Daarom hoeft bij deze cookies geen toestemming gevraagd te worden. De Telecommunicatiewet maakt daarbij geen onderscheid tussen cookies van de aanbieder van de website en cookies afkomstig van derden.
Op de website «Mag een website ongevraagd cookies plaatsen? | Rijksoverheid.nl» wordt nadere toelichting gegeven over het gebruik van cookies. Hier wordt uiteengezet dat websites toestemming moeten vragen voor plaatsing van cookies. Daarbij geldt een uitzondering voor cookies die geen of weinig inbreuk op de privacy maken, zoals bijvoorbeeld analytische cookies of functionele cookies die nodig zijn om een dienst of webshop te laten functioneren. Voor bijvoorbeeld tracking cookies, die individueel surfgedrag bijhouden en profielen opstellen om bijvoorbeeld gerichte advertenties mogelijk te maken, is wel toestemming nodig voor het plaatsen van cookies. Dergelijke tracking cookies zijn meestal van derde partijen.
Ook op de website van zowel de Autoriteit Consument en Markt (ACM) 3 als de Autoriteit Persoonsgegevens (AP)4 wordt toelichting gegeven. Buiten deze wetgeving zijn er geen specifieke overheidsbrede en/of rijksbrede kaders of richtlijnen voor cookies op overheidswebsites. Het is de verantwoordelijkheid van iedere overheidsorganisatie die een website maakt om in lijn met de wetgeving te handelen.
Omdat ik het belangrijk vind dat de overheidswebsites voldoen aan geldende wet- en regelgeving, zal ik medeoverheden en rijksoverheidsorganisaties per brief wijzen op het belang hieraan te voldoen, en te verzoeken dit voor hun websites na te gaan. In overleg met de medeoverheden zal ik verder met hen verkennen of het wenselijk is een handreiking te ontwikkelen over hoe deze regelgeving ook voor nieuwe websites goed is te implementeren.
Zo ja, waarom gebruiken provincies, gemeenten en aan de overheid gelieerde organisaties deze cookies van derden?
Zie antwoord vraag 2.
Aan welke cookie-eisen, met betrekking tot cookies van derden, moet een overheidswebsite voldoen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u het ermee eens dat cookies van derden niet wenselijk zijn op overheids- en op aan overheid gelieerde websites? Zo ja, welke stappen gaat u ondernemen om deze cookies te weren van overheids- en aan overheid gelieerde websites? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het belangrijk dat burgers veilig gebruik kunnen maken van de websites van de overheid, en dat hun privacy daarbij wordt verzekerd. Het plaatsen van trackingcookies door derden staat daarmee op gespannen voet. De overheid moet natuurlijk het goede voorbeeld geven. Het is daarom vanzelfsprekend en noodzakelijk dat overheidswebsites in ieder geval voldoen aan de huidige wetgeving. Daarom zal ik zoals bij het vorige antwoord aangegeven met de medeoverheden een handreiking opstellen voor het goed implementeren van de relevante wetgeving bij overheidswebsites. In het overleg over de handreiking zal ik in overleg met de overheden ook het gesprek aangaan over de wenselijkheid van het gebruik van (tracking) cookies door de overheid.
In hoeverre acht u het mogelijk om, zoals de onderzoekers voorstellen, de inhoud die overheden nodig hebben op hun websites niet te halen van commerciële sites en media, maar van eigen publieke servers?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat PostNL een nieuwe digitale kloof creëert door afschaffing van papieren ‘niet-thuisberichtjes’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Micky Adriaansens (minister economische zaken) (VVD) |
|
![]() |
Bent u bekend met het artikel «Niet thuis om een pakketje aan te nemen? PostNL laat geen briefje meer achter, maar mailt»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schrappen van papieren «niet-thuisberichtjes» tot problemen kan leiden voor mensen die niet van online diensten gebruik kunnen maken?
De papieren berichten worden niet volledig geschrapt. Bij pakketverzendingen die vallen onder de universele postdienst (UPD) en bij medische en aangetekende post krijgen mensen nog steeds een papieren «niet-thuisbericht» indien PostNL geen e-mailadres of telefoonnummer heeft gekregen van de ontvanger van het pakket. Bij UPD-pakketverzendingen kan bijvoorbeeld gedacht worden aan pakketten die mensen sturen naar familie of vrienden. Ook mensen die geen e-mailadres of mobiel nummer hebben, behouden daarom de mogelijkheid om UPD-pakketjes te ontvangen.
Pakketjes die worden besteld via webwinkels vallen niet onder de UPD. Het online bestellen van producten veronderstelt ook dat de besteller voldoende digitaal vaardig is en beschikt over een e-mailadres zodat hij of zij op de hoogte kan worden gesteld van de status van de bestelling. Bij veel webwinkels kan de consument van tevoren aangeven op welke wijze en waar een pakket bezorgd moet worden.
Ondanks dat mensen voor het ontvangen van UPD-pakketten de mogelijkheid van een fysiek «niet-thuisbericht» behouden, ziet het kabinet dat digitalisering een belangrijk onderdeel is van onze samenleving. Voor het online bestellen van producten moet iemand over bepaalde vaardigheden beschikken en is het hebben van een e-mailadres vaak vereist. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen kan deelnemen aan deze samenleving. Via het programma Digitale inclusie zet de rijksoverheid zich daarom op allerlei manieren in om mensen te helpen bij het regelen van zaken waarbij digitale systemen een rol spelen.
Vindt u ook dat de gekozen oplossing, het versturen van een sms-bericht, tot problemen kan leiden voor mensen die geen mobiele telefoon hebben?
Zie antwoord vraag 2.
Vindt u het daarom ook zorgwekkend dat grote groepen mensen hiermee nog verder op afstand komen te staan van de samenleving, doordat zij onvoldoende mogelijkheden hebben om gebruik te maken van online diensten en daardoor mogelijk geen pakketjes meer kunnen ontvangen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u tevens van mening dat het ontvangen van pakketten een cruciale functie vervult voor veel mensen, zeker mensen die slecht ter been zijn?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 vindt het kabinet het belangrijk dat iedereen kan deelnemen aan het maatschappelijk en economisch verkeer. Dat geldt ook voor het ontvangen van pakketten. PostNL geeft, mede met het oog op groepen die minder digitaal vaardig zijn, nog steeds papieren «niet-thuisberichten» af bij UPD-pakketten. Via het programma Digitale inclusiezet ook de overheid zich in voor een samenleving waarin iedereen kan deelnemen.
Bent u daarom ook van mening dat een bedrijf als PostNL ook een verantwoordelijkheid heeft om mensen die niet van online diensten gebruik kunnen maken nu en in de toekomst te ondersteunen?
PostNL geeft aan dat zij een verantwoordelijkheid ervaart om mensen die niet digitaal vaardig zijn te ondersteunen. De fysieke post is immers een belangrijk communicatiemiddel voor deze doelgroep. Mede met het oog op deze groep mensen heeft PostNL er bij de invoering van de digitale kennisgeving voor gekozen om ook de optie van fysieke kennisgeving te behouden voor ontvangers van UPD-pakketten.
Deelt u daarom ook de mening dat PostNL er, in navolging van de aangenomen motie-Kathmann c.s.2, voor dient zorg te dragen dat er ten allen tijde een offline mogelijkheid beschikbaar dient te zijn?
De motie-Kathmann heeft betrekking op overheidsdiensten, zorgverzekeraars en woningbouwcorporaties. De pakketverzending van PostNL is geen overheidsdienst en valt daarom buiten de reikwijdte van deze motie.
Ondanks dat de pakketverzending geen overheidsdienst is, geeft PostNL wel aan dat zij een verantwoordelijkheid ervaart om mensen die niet digitaal vaardig zijn te ondersteunen. PostNL biedt daarom ook de mogelijkheid van een papieren «niet-thuisbericht» voor ontvangers van UPD-pakketten. Verder neemt PostNL in voorkomende gevallen deel aan landelijke overleggen met belangenorganisaties, de overheid en andere stakeholders over hoe de toegankelijkheid van dienstverlening voor mensen die minder digitaal vaardig zijn kan worden geborgd en/of verbeterd.
Welke mogelijkheden heeft u om van PostNL te verwachten dat niet-digivaardigen ook ondersteund worden?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 geldt voor de wettelijk vastgelegde UPD-diensten dat PostNL de optie van een fysieke kennisgeving blijft hanteren, waardoor ook niet-digitaal vaardigen ondersteund worden.
De pakketten van zakelijke verzenders (zoals online bestellingen bij webwinkels) vallen niet onder de wettelijk vastgelegde UPD-diensten. Hier is sprake van een vrije markt, waarbij verschillende pakketbezorgers concurreren op prijs en dienstverlening. De consument heeft vaak keuze tussen pakketvervoerders, tijdstip van aflevering en manier van aflevering. Het is niet aan mij om te bepalen hoe die dienstverlening eruit moet zien, maar in de strijd om een klant te behouden zullen pakketvervoerders hun dienstverlening wel moeten afstemmen op de behoeften van de consument.
Bent u bereid om het probleem van niet-digivaardigen met PostNL te bespreken en gezamenlijk met hen tot een oplossing te komen voor mensen die van de afschaffing van de papieren «niet-thuisberichtjes» de dupe zijn?
Zoals aangegeven in de antwoorden op vraag 2, 3 en 4 behoudt PostNL de mogelijkheid voor ontvangers van pakketten om papieren «niet-thuisberichtjes» te ontvangen. Daarnaast geeft PostNL aan dat zij ook een verantwoordelijkheid ervaart om pakketbezorging toegankelijk te houden voor mensen die niet digitaal vaardig zijn. PostNL voert daar ook gesprekken over met ouderenbonden en andere stakeholders. Ik zie daarom geen noodzaak om nu zelf een gesprek met PostNL te voeren over dit onderwerp.
De mogelijkheid tot online stemmen voor Nederlanders in het buitenland. |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Mark Strolenberg (VVD), Joost Sneller (D66), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Wopke Hoekstra (viceminister-president , minister buitenlandse zaken) (CDA), Hanke Bruins Slot (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
![]() ![]() |
Bent u bekend met het artikel «Expats kick-off French legislative elections with online voting»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat het bij de afgelopen parlementsverkiezingen voor Fransen die in het buitenland wonen, mogelijk is om digitaal te stemmen?
Het is mij bekend dat het voor Fransen die buiten Frankrijk wonen een aantal jaar mogelijk is geweest om te stemmen via internet. Hiervan heeft mijn ambtsvoorganger in 2016 melding gemaakt bij uw Kamer.2 In 2017 heeft de Franse regering besloten het stemmen via internet op te schorten vanwege het zeer hoge risico op cyberdreigingen. Na de parlementsverkiezingen in 2017 heeft de Franse regering het voornemen geuit het mogelijk te maken voor Fransen die buiten Frankrijk wonen om bij de parlementsverkiezingen in 2022 weer via internet te stemmen. Deze mogelijkheid wordt deze kiezers geboden naast de mogelijkheden om per brief, per volmacht of bij een consulaire post te stemmen.
Kunt u aangeven in welke andere landen binnen de EU het mogelijk is om digitaal te stemmen (voor inwoners die in het buitenland wonen)?
Behalve voor Fransen die buiten Frankrijk wonen bij parlementsverkiezingen is het in Estland mogelijk om via het internet te stemmen. Verder kent Litouwen sinds 2020 de wettelijke mogelijkheid voor kiezers in het buitenland om via internet te stemmen, maar van die mogelijkheid is tot nog toe geen gebruik gemaakt.3
Deelt u de mening dat digitaal stemmen voor Nederlanders buiten Nederland veel voordelen zou hebben, zoals gemak en de zekerheid dat de stem (op tijd) aankomt?
Of een nieuwe wijze van stemmen in Nederland kan worden ingevoerd wordt beoordeeld in het licht van de waarborgen waaraan het verkiezingsproces moet voldoen, te weten transparantie, controleerbaarheid, integriteit, kiesgerechtigheid, stemvrijheid, stemgeheim, uniciteit en toegankelijkheid.4 Het introduceren van internetstemmen maakt het verkiezingsproces kwetsbaar voor cyberrisico’s waarbij er risico’s zijn voor deze waarborgen, zoals het stemgeheim, de stemvrijheid en de integriteit. Deze waarborgen wegen zwaar. Omdat bij het uitbrengen van de stem nu geen digitale middelen worden gebruikt, is er geen kwetsbaarheid voor digitale dreigingen en digitale risico’s. Bovendien is het stemproces achteraf controleerbaar (zie verder het antwoord op vraag 6).
Welke stappen zijn er sinds de Tweede Kamerverkiezingen van 2021 gezet om het digitaal stemmen (vanuit het buitenland) mogelijk te maken?
Bij de evaluatie van de afgelopen Tweede Kamerverkiezing heeft mijn ambtsvoorganger de door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de Kiesraad, VNG en NVVB opgestelde Verkiezingsagenda 2030 aan uw Kamer toegezonden met daarin mogelijke verbeteringen in het verkiezingsproces voor de komende jaren.5 In de Verkiezingsagenda 2030 zijn, mede gelet op hetgeen is toegelicht in de antwoorden op de vragen 4 en 6, geen voornemens opgenomen om stemmen via het internet (vanuit het buitenland) mogelijk te maken. Er zijn hiertoe dan ook geen stappen gezet.
Kunt u aangeven waarom het op dit moment nog niet mogelijk is om digitaal te stemmen voor Nederlanders in het buitenland? Wat zijn de grootste uitdagingen om dit mogelijk te maken?
In juni 2018 heeft het kabinet een standpunt ingenomen over elektronisch stemmen.6 Het kabinet constateerde daarbij dat ten opzichte van enkele jaren daarvóór de risico's hiervan zijn toegenomen. Het gaat dan om risico’s voor de waarborgen waaraan het verkiezingsproces moet voldoen, zoals het stemgeheim, de stemvrijheid en de integriteit. Omdat het uitbrengen van de stem niet via digitale middelen gebeurt, is er geen kwetsbaarheid voor digitale dreigingen en digitale risico’s. Bovendien is het stemproces achteraf controleerbaar. Het kabinet wil, gelet op de dreigingen die worden onderkend, die kwetsbaarheden niet in het stemproces introduceren. Dit standpunt is nadien herhaaldelijk bevestigd.7 Er is geen aanleiding dat standpunt te heroverwegen.
Ik constateer dat ook in andere landen die conclusie wordt getrokken. In het voorjaar van 2020 heeft de Belgische overheid een studie laten uitvoeren naar de haalbaarheid van de invoering van internetstemmen.8 De studie is uitgevoerd door een consortium van universiteiten (Université libre de Bruxelles, Vrije Universiteit Brussel, KU Leuven, UCLouvain). Als onderdeel van de studie is gekeken naar de ontwikkelingen van internetstemmen in de recente jaren. Daaruit blijkt dat het aantal landen dat de stap naar internetstemmen heeft gezet, vrijwel nihil is. In de studie wordt geconcludeerd dat de komende jaren de stap naar internetstemmen niet moet worden gezet omdat:
De veiligheidsgaranties niet voldoende zijn;
De transparantie en de controleerbaarheid van de procedure niet gewaarborgd kunnen worden;
De kosten, hoewel het moeilijk is deze precies in te schatten, hoog zullen zijn.
Hoe gaat Frankrijk om met deze zelfde uitdagingen? Waarom is het voor Fransen in het buitenland wel mogelijk om veilig digitaal te stemmen?
Franse kiezers in het buitenland kunnen gebruikmaken van de mogelijkheid om via het internet te stemmen bij de Franse parlementsverkiezingen en consulaire verkiezingen. Bij andere verkiezingen, zoals de presidentiële verkiezingen en de Europees Parlementsverkiezingen, is deze mogelijkheid er niet. De mogelijkheid om als Franse kiezer in het buitenland via het internet te stemmen voor de parlementsverkiezingen bestond eerder in 2012. In aanloop naar de parlementsverkiezingen van 2017 werd de mogelijkheid afgeschaft vanwege de hoge risico’s op cyberdreigingen.9 In de aanloop naar de parlementsverkiezingen van 2022 heeft de Franse regering een andere afweging gemaakt ten aanzien van de introductie van risico’s rond de waarborgen van het verkiezingsproces.
Bent u bereid met uw Franse collega’s te spreken over digitaal stemmen, en informatie en ervaringen uit te wisselen?
Op Europees niveau worden kennis en ervaringen omtrent de organisatie van verkiezingen met elkaar uitgewisseld. Naar aanleiding van de covid-19 pandemie verkennen verschillende landen opnieuw de mogelijkheden en onmogelijkheden tot stemmen via het internet. Ontwikkelingen en ervaringen van de landen omtrent stemmen via het internet volg ik.
Welke inspanningen verricht u om het aantal geregistreerde stemgerechtigde Nederlanders in het buitenland te verhogen? Bent u bereid te informeren welke inspanningen Frankrijk hiertoe verricht?
Een belangrijke stap in het verhogen van het aantal Nederlanders buiten Nederland dat zich als kiezer registreert was de invoering in april 2017 van de permanente registratie. Vanaf dat moment hoeft een kiezer buiten Nederland zich nog maar eenmalig te registreren en niet meer voor elke verkiezing opnieuw. Hij krijgt dan automatisch de stembescheiden voor elke verkiezing toegezonden. Sinds de invoering van de permanente registratie ontvangt iedere Nederlander die uit Nederland vertrekt, en bij vertrek een adres in het buitenland opgeeft, een brief van de gemeente Den Haag met het persoonlijke verzoek zich te registreren om te stemmen vanuit het buitenland. Daarnaast geeft de gemeente Den Haag, op grond van de Kieswet verantwoordelijk voor (het beheer van) de permanente registratie en voor het organiseren van de verkiezingen voor de kiezers buiten Nederland, op allerlei andere wijzen bekendheid aan de registratiemogelijkheid, onder meer via de website stemmenvanuithetbuitenland.nl, via advertenties in sociale media en waar mogelijk via verenigingen van Nederlanders in het buitenland. Ook het Ministerie van Buitenlandse Zaken zet zich ervoor in, al dan niet via het postennetwerk, om hieraan bekendheid te geven. Bijvoorbeeld via de website NederlandWereldwijd.nl en via de social-mediakanalen van de ambassades in landen met grote Nederlandse gemeenschappen.
Ik ben graag bereid om via het Ministerie van Buitenlandse Zaken te proberen te achterhalen welke inspanningen Frankrijk in dit verband verricht.
Gaat u onderzoeken of, mede op basis van de ervaringen in Frankrijk, digitaal stemmen mogelijk te maken is voor Nederlanders in het buitenland?
Gelet op het kabinetsstandpunt omtrent stemmen per internet zoals verwoord in het antwoord op de vragen 4 en 6, ligt het uitvoeren van een dergelijk onderzoek niet in de rede en bestaat daartoe geen voornemen.
Wel volgt het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties nieuwe ontwikkelingen binnen het verkiezingsproces nauwgezet, ook als het gaat om digitalisering. De hiervoor genoemde Verkiezingsagenda 203010 benadrukt in dat verband dat nieuwe innovatieve technologieën mogelijk een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van het verkiezingsproces en dat er onderzoek naar nieuwe technologieën dient plaats te vinden. Dit onderzoek wordt dit jaar opgestart. Bij de vraag of nieuwe technologieën kunnen worden ingevoerd, dienen steeds de waarborgen van het verkiezingsproces te worden betrokken.
Het bericht ‘Directie IT-bedrijf Centric stapt op na conflict met eigenaar Sanderink’. |
|
Queeny Rajkowski (VVD) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
![]() |
Bent u bekend met het bericht «Directie IT-bedrijf Centric stapt op na conflict met eigenaar Sanderink»1?
Ja.
Kan het opstappen van de complete uitvoerende directie van het IT-bedrijf Centric, de onrust en het jarenlange interne conflict gevolgen hebben voor de continuïteit van de dienstverlening aan de rijksoverheid? Zo ja, welke gevolgen kan dit hebben voor de dienstverlening? Wilt u in uw beantwoording ook gemeenten meenemen, aangezien Centric een grote leverancier is voor gemeenten? Zo nee, waarom niet?
Het volume van opdrachten van de rijksoverheid bij Centric is beperkt. Daar waar we contractuele afspraken met Centric hebben, gaan wij ervan uit dat zij zich daaraan houden. Mocht dat niet zo zijn, dan zal Centric daar door de contractpartners op moeten worden aangesproken.
Vanuit mijn ministerie is er contact geweest met Centric. In dat contact hebben we de verzekering gekregen dat vooralsnog alle contractuele afspraken uitgevoerd kunnen worden.
De VNG staat in goed contact met haar leden en de gebruikersvereniging Centric en staat beide desgevraagd met raad en daad terzijde. Uit de contacten van het bestuur van de gebruikersvereniging Centric met de directie van de divisie Public Sector Solutions van Centric blijkt niet dat de dienstverlening aan de leden en andere overheidsorganisaties op dit moment in gevaar is.