Het Moederdagrapport |
|
Jasper van Dijk (SP), Roelof van Laar (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Investeren in moeders loont» en het rapport «State of the World Mothers 2014» van kinderrechtenorganisatie Save the Children?1
De aanbevelingen uit het rapport omarm ik. Om de millenniumdoelen 4 (terugdringen kindersterfte) en 5 (terugdringen moedersterfte) te realiseren, is het nodig om juist die vrouwen te bereiken die de grootste risico’s lopen. Dat zijn vooral jonge meisjes en vrouwen in conflictsituaties. Ook zij hebben recht op goede medische zorg tijdens de zwangerschap en rondom de bevalling. Daarnaast is het belangrijk bescherming te bieden tegen (de gevolgen van) seksueel geweld. Om dit te bewerkstelligen, ondersteunen wij bijvoorbeeld activiteiten van UN Women en UNICEF onder Syrische vluchtelingen in Libanon en Jordanië. Dit is onderdeel van programma’s die worden uitgevoerd in het kader van de speerpunten Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) en Veiligheid en Rechtsorde.
Deelt u de mening dat moeder- en kindsterfte in fragiele staten (en noodsituaties) extra aandacht behoeft? Zo ja, wat gaat u hiervoor doen?
Ja, ik deel die mening. Daarom besteed ik extra aandacht aan deze problematiek. Complicaties tijdens zwangerschap en bevalling en direct na geboorte zijn een van de belangrijkste oorzaken voor moeder- en kindersterfte. Toegang tot seksuele voorlichting, family planning en medische zorg tijdens de zwangerschap en rondom de bevalling zijn daarom essentieel. De dynamiek van conflictsituaties vereist niet alleen ondersteuning van specifieke SRGR-programma’s, maar ook onderhandelingen met strijdende groeperingen om (mobiele) gezondheidsteams toegang te bieden. Waar mogelijk breng ik dit ter sprake in gesprekken met regeringsleiders. Ook werken we samen met verschillende organisaties om vrouwen te ondersteunen in de meest onbereikbare gebieden, bijvoorbeeld in het programma Making Sexual and Reproductive Health Work for the Next Generation,dat wordt uitgevoerd door Cordaid in de DRC.
Kunt u aangeven wat Nederland doet – in zowel materiële als immateriële zin – om (meisjes)onderwijs te promoten en onderwijs in conflictlanden te garanderen en inkomensgenererende activiteiten te verbeteren? Welke mogelijkheden ziet u om hierin nog effectiever op te treden?
Nederland speelt een rol in het versterken van onderwijs in langdurige conflictsituaties, bijvoorbeeld via het UNICEF programma Peacebuilding, Education and Advocacyen het NICHE-programma (Netherlands Initiative for Capacity development in Higher Education). In Burundi steunt Nederland de organisatie Care die zwangere meisjes de mogelijkheid biedt om via een lening inkomensgenererende activiteiten te starten. De Girl Power Alliantie draagt bij aan de versterking van de sociaal-economische positie van meisjes en jonge vrouwen via beroepsonderwijs in tien landen, waaronder ook (post)conflictlanden als Liberia, Pakistan en Sierra Leone. Via het Global Partnership for Education (GPE) ondersteun ik de deelname van meisjes aan kwalitatief goed onderwijs in fragiele staten met beurzen, het aanstellen van vrouwelijke leerkrachten en het opnemen van life skills in het curriculum.
Op welke wijze ondersteunt en promoot Nederland de «Lucens Guidelines», de richtlijnen die op basis van de universele rechten van de mens en internationaal recht scholen uitroepen tot een veilige zone tijdens gewapende conflicten?
De Global Coalition to Protect Education from Attack (GCPEA) is een samenwerkingsverband van ngo’s en VN-organisaties ter bescherming van onderwijs in conflictsituaties. In 2012 heeft deze coalitie het initiatief genomen om richtlijnen op te stellen over de bescherming van scholen en universiteiten tegen militair gebruik in gewapende conflicten. Dit heeft in 2013 geleid tot de totstandkoming van een eerste versie van de «Lucens Guidelines». Het voornemen van de GCPEA is om de richtlijnen af te ronden op basis van een brede consultatie. Al in een vroeg stadium heeft Nederland daarbij een actieve inbreng gehad. Nederland blijft nauw betrokken bij het verdere consultatieproces over de richtlijnen, en dringt aan op betrokkenheid van andere staten, waaronder staten die zelf partij zijn bij een gewapend conflict.
Kunt u aangeven op welke wijze Nederland zich inzet voor (verbetering van) reproductieve gezondheid in (post-)conflictlanden?
Bilateraal worden in (post)conflictlanden als Burundi, Mali en Jemen programma’s uitgevoerd die zich richten op betere zorg rond zwangerschap en bevalling, betere toegang tot informatie en tot anticonceptie. Via het regionale Grote Merenprogramma wordt ingezet op bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes, op verbetering van seksuele voorlichting aan jongeren en op toegang tot voorbehoedsmiddelen. Nederland financiert ook Artsen Zonder Grenzen en het Nederlandse Rode Kruis die werken in (post)conflictregio’s. Verder ondersteunt Nederland multilaterale organisaties als UNFPA die bijdragen aan de (weder)opbouw van gezondheidszorgsystemen, met daarbij een specifieke focus op reproductieve gezondheid. In Zuid-Soedan werkt het KIT aan betere toegang tot reproductieve zorg voor vrouwen en meisjes, onder andere door steun aan de opleiding van verloskundigen.
Welke mogelijkheden ziet u om de richtlijnen en de programmering van de Infant and Young Child Feeding (IYCF) strategie in noodsituaties te verbeteren?
Het Nederlandse humanitaire hulpbeleid stelt ongeoormerkte bijdragen voor humanitaire hulp beschikbaar aan multi-donor fondsen, relevante VN-organisaties en de International Committee of the Red Cross (ICRC). Deze organisaties zetten de fondsen snel en effectief in om in de meest dringende behoeften te voorzien. VN-organisaties als UNICEF en WHO zien daarbij toe op de toepassing van de Global Strategy for Infant and Young Child Feeding, ook in noodsituaties.
Deelt u de mening dat zowel bij de post-2015 agenda als bij de Wereld Humanitaire Top in 2016 Nederland sterk in moet zetten op een verbetering van moeder- en kindsterfte in fragiele staten, aangezien een meerderheid van deze sterfgevallen plaatsvindt in fragiele staten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Ja, deze mening deel ik. De verwezenlijking van de millenniumdoelen 4 en 5 blijft achter bij de ambities van de internationale gemeenschap in 2000. In mijn beleid blijf ik daarom inzetten op meer informatie over seksualiteit, een groter aanbod van en meer keuze aan voorbehoedsmiddelen en kwalitatief goede seksuele en reproductieve zorg voor iedereen. Internationaal is Nederland op dit terrein een voortrekker in de post-2015 discussies. In juni zal mijn collega Timmermans deelnemen aan een internationale top in Londen voor de preventie van seksueel geweld in conflictsituaties. Ook via onze kandidatuur voor de VN-Veiligheidsraad brengt Nederland de seksuele en reproductieve rechten van meisjes en vrouwen in conflictsituaties onder de aandacht van de internationale gemeenschap.
Kunt u aangeven wat de Nederlandse inzet zal zijn bij het Every Newborn Action Plan dat deze maand gelanceerd wordt bij de World Health Assembly? Bent u bereid bij deze gelegenheid extra aandacht te vragen voor kindersterfte in fragiele staten? Zo neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Nederland heeft in de World Health Assembly (WHA) ingestemd met het concept Actieplan voor de Gezondheid van Pasgeborenen. De EU heeft in een verklaring dit Actieplan verwelkomd en daarin nadrukkelijk gewezen op het belang van het continuüm van zorg voor zwangere vrouwen, moeders, pasgeboren, zuigelingen en kinderen. Daarbij vindt Nederland dat de focus niet uitsluitend op pasgeborenen gericht moet zijn. Oorzaken van aandoeningen onder pasgeborenen zijn juist vaak te vinden in slechte zorg rond zwangerschap en bevalling en in gebrek aan kraamzorg. De Nederlandse inzet blijft gericht op SRGR in den brede.
Welke effecten heeft het afnemen van het budget voor ontwikkelingssamenwerking (ODA) dat besteed wordt via de Nederlandse ambassades in de transitielanden, op het verminderen van moedersterfte en het verbeteren van sanitatie en Seksuele en Reproductieve Gezondheid en Rechten (SRGR) in deze landen, aangezien verschillende van deze landen zeer slecht scoren op de Moederindex? Kunt u hierbij specifiek ingaan op Bangladesh (nr. 130), Ghana (nr. 150), Mozambique (nr. 138), Oeganda (nr. 133) en Kenia (nr. 143)?
In de looptijd van de huidige meerjarige strategische plannen (2014–2017) wordt het budget voor de transitielanden Bangladesh, Ghana, Mozambique, Oeganda en Kenia niet verminderd. Wel vindt er enige verschuiving plaats van steun aan de publieke gezondheidssector naar bevordering van private sector-investeringen voor gezondheid in de SRGR-partnerlanden Bangladesh, Ghana en Mozambique.
Op middellange termijn zullen de Nederlandse publieke investeringen in SRGR in genoemde landen afnemen. In welke mate de overheid van die landen, of andere partijen, inclusief private partijen, deze investeringen voor hun rekening zullen nemen, is nu nog niet duidelijk. Nederland zal zich inzetten voor een zorgvuldige transitie.
Turkse weigering om slachtoffers van Turkse invasie op Cyprus te compenseren |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkey will ignore ECHR ruling to pay compensation to Greek Cyprus»?1
Ja.
Wat is uw oordeel over het feit dat Turkije de uitspraak van het Mensenrechtenhof naast zich neerlegt, waarin het land wordt veroordeeld om de slachtoffers van de Turkse invasie op Cyprus met 90 miljoen euro te compenseren?
Uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn bindend voor de betrokken staat, in dit geval Turkije. Het kabinet gaat er dan ook van uit dat Turkije deze uitspraak ten uitvoer zal leggen.
Welke mogelijkheden ziet u om wanbetaler Turkije zo ver te krijgen om deze slachtoffers na 40 jaar wel te compenseren?
Nu de uitspraak van het Hof er ligt, zal de tenuitvoerlegging daarvan worden geagendeerd in het Comité van Ministers van de Raad van Europa. Nederland zal zich er in het Comité voor inzetten dat Turkije aan zijn verplichtingen voldoet.
Het Oxfam-rapport Business Among Friends |
|
Jasper van Dijk (SP), Arnold Merkies (SP) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van Oxfam getiteld «Business Among Friends – Why corporate tax dodgers are not yet losing sleep over global tax reform»?1
Business Among Friends: Why corporate tax dodgers are not yet losing sleep over global tax reform
Ja
Bent u het eens met de uitspraak «The OECD’s Arm’s Length Principle, which is based on comparable market prices that do not really correspond to reality, provides several loopholes through which MNCs avoid tax»? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik ben het niet eens met de suggestie dat het arm’s length beginsel leidt tot belastingontwijking, wel met de stelling dat het beginsel niet altijd perfect werkt.
De Transfer Pricing Guidelines van de OESO, waarin het arm’s length beginsel is uitgewerkt, zijn er op gericht te bereiken dat de winst daar belast wordt waar deze binnen het concern gegenereerd wordt. Daartoe wordt het zogenoemde arm’s length beginsel gehanteerd dat ook in de Nederlandse wet is verwerkt. Dat beginsel schrijft voor dat verbonden entiteiten met elkaar moeten handelen zoals zij onder vergelijkbare omstandigheden met onafhankelijke partijen zouden doen.
Dat dit niet in alle gevallen leidt tot een voor alle betrokkenen bevredigend resultaat wordt breed gedeeld en daarom wordt binnen het Base Erosion and Profit Shifting (BEPS) project van de OESO en G20 aan oplossingen daarvoor gewerkt.
In antwoord op eerdere vragen2 gaf u aan dat in de OESO Richtlijnen voor Transfer Pricing verbetering mogelijk is; welke verbeteringen hebt u voor ogen? In hoeverre komt het op 14 november 2013 door uw voorganger genomen Besluit tegemoet aan de verbeteringen die u voor ogen hebt?3
Verbetering van de Transfer Pricing Guidelines zal vooral gericht moeten zijn op het belasten van winsten daar waar de economische activiteiten plaatsvinden die deze winsten genereren. Met name het verplaatsen van het juridisch eigendom van makkelijk verplaatsbare activa zoals vorderingen, licenties en andere immateriële activa, zonder de bijbehorende economische activiteiten, maakt het multinationale concerns mogelijk om winsten kunstmatig te verschuiven.
Verbeterde Guidelines zullen dit soort praktijken zoveel mogelijk moeten voorkomen. In de actiepunten 8, 9 en 10 van het Action Plan on Base Erosion and Profit Shifting van de OESO worden de hoofdlijnen van verbeteringen in de Transfer Pricing Guidelines aangegeven. Nederland hecht belang aan deze actiepunten en draagt actief bij aan het zoeken naar verbeteringen.
In het besluit van 14 november 2013 is met name ten aanzien van materiële en immateriële activa, inkopen in concernverband en interne herverzekeringsactiviteiten beleid opgenomen om onzakelijke verschuiving van winst te bestrijden. In de desbetreffende paragrafen wordt een duidelijk verband gelegd tussen economische activiteiten en de daarmee gegenereerde winst.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de belangen van ontwikkelingslanden, die geen lid zijn van de OESO en derhalve niet meebeslissen over nieuw op te stellen OESO-standaarden, worden geborgd?
Naar mijn mening zorgt de OESO daar zelf in voldoende mate voor.
In het OESO-project inzake Base Erosion and Profit Shifting (BEPS-project) werken OESO-lidstaten en G20-landen aan voorstellen tegen grondslaguitholling en winstverschuivingen. De problematiek van grondslaguitholling en winstverschuivingen in ontwikkelingslanden is in technisch opzicht niet wezenlijk anders dan de problematiek waar voornoemde landen mee worden geconfronteerd. Bovendien gaat het om landen met uiteenlopende economische structuur en ontwikkelingsniveau die in het BEPS-project actief zijn. Daarom zullen ook ontwikkelingslanden naar verwachting baat hebben bij de uitkomsten van het BEPS-project.
Bij het vinden van deze oplossingen wordt uitdrukkelijk ook een dialoog onderhouden met ontwikkelingslanden. Nederland heeft hier ook meerdere malen aandacht voor gevraagd bij de OESO en het stemt tot tevredenheid hoe de OESO hier inhoud aan geeft. Nog voordat de werkgroepen begonnen aan hun werk was in september 2013 een bijeenkomst georganiseerd waar een groot aantal ontwikkelingslanden bij betrokken was. Dit voorjaar zijn op instigatie van de OESO o.a. regionale bijeenkomsten gehouden, georganiseerd door o.a. het African Tax Administration Forum (ATAF) en de Latijns Amerikaanse evenknie CIAT. De directeur van het «Centre for Tax Policy and Administration» bij de OESO heeft in de BEPS Webcast van 24 mei nogmaals gezegd te gaan voor 100% betrokkenheid van alle landen, dus inclusief de ontwikkelingslanden.
Daarnaast heeft het VN Committee of Experts on International Cooperation in Tax Matters initiatieven genomen om ontwikkelingslanden bij het BEPS project te betrekken.4
Tot slot is er de problematiek van implementatie en uitvoering in ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden zijn extra kwetsbaar door beperkte mankracht binnen belastingdiensten en het gebrek aan fiscaal-juridische opleidingen. Nederland zet daarom actief in op training van belastinginspecteurs en beleidsmedewerkers in ontwikkelingslanden. In het kader van het samenwerkingsverband tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en van Financiën ondersteunt Nederland diverse projecten financieel en met mankracht.
Deelt u de conclusie dat het bedrijfsleven disproportioneel vertegenwoordigd wordt ten opzichte van het maatschappelijk middenveld in consultatierondes over country-by-country reporting?
Publieke consultatierondes zoals die recent bij de OESO inzake Transfer Pricing documentatie en country-by-country reporting staan open voor alle geïnteresseerde partijen. Of en in welke mate belanghebbende partijen daarvan gebruik willen maken is aan die partijen zelf. Wel leert de ervaring dat partijen die zelf geraakt worden door voorgestelde maatregelen vaker reageren.
Het bombarderen van een ziekenhuis in het Nuba gebergte in Soedan |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Agnes Mulder (CDA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten over een bombardement op het enige ziekenhuis in het Nuba gebergte in Soedan op 1 en 2 mei jl. door het Soedanese leger?
De schriftelijke vragen van leden Omtzigt en Agnes Mulder (beiden CDA), vraagnummer 2014Z08503, zijn beantwoord middels de brief « Reactie op het verzoek van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken inzake de actuele politieke situatie in Sudan » (Kamerstuk 22 831, nr. 99).
Wat is of zal de reactie zijn van de EU of de VN op deze ernstige schending van het internationaal humanitair recht?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat de Nederlandse regering verder doen om deze wandaad, onderdeel van dagelijkse bombardementen door het Soedanese regime in het Nuba gebergte, te veroordelen, ook gezien de rol die Nederland ooit speelde als voorzitter van de Drie Gebieden-werkgroep?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de opvatting dat het bombardement op het ziekenhuis onderdeel uitmaakt van een strategie om angst te zaaien onder de lokale bevolking, door middel van buitenproportionele luchtaanvallen?
Zie antwoord vraag 1.
Is er voor zover u bekend onderzoek gedaan naar de mate van vervlechting van de Soedanese private sector met de staat en militaire sector? Welke analyse ligt ten grondslag aan uw antwoord op eerdere vragen (Kamerstuk 21 501-02, nr. 1311) dat de private sector en de ontwikkeling daarvan een belangrijk element van stabiliteit vormen en openheid in de Soedanese samenleving bevorderen?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe voorkomt u dat Nederlandse investeringen in de private sector ontwikkeling in Soedan de facto de repressie van dat staatsapparaat zullen bevorderen, leidend tot onder meer inperking van de politieke ruimte, vrijheid van meningsuiting en zelfs het bombarderen van burgerdoelen zoals het genoemde ziekenhuis in het Nuba gebergte?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te stoppen met handelsbevordering in Soedan en over te gaan tot ontmoedigingsbeleid ten aanzien van handel met Soedan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u uitleggen hoe het in de antwoorden op de eerdere vragen genoemde objectieve beeld geschetst wordt van de politieke en mensenrechtencontext? Hoeveel Nederlandse bedrijven (inclusief in Nederland geregistreerde postbusbedrijven) melden zich hiervoor jaarlijks bij ministerie of ambassade? Zijn er ook bedrijven die investeren in Soedan zonder eerst advies in te winnen bij ministerie of ambassade?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is de rol van ministerie of ambassade geweest bij het tot stand komen van het bezoek van Mussa Ahmed (presidential Advisor, Beja Congress), Kamal Ismael Saeed (State Minister of Investment (NCP)), Amna Mohammed Saleh Dirar (State Minister of Labor (Eastern Democratic Party) en Hashim Mohamed Ali Hangag (Secretary, Republican Palace) aan de EU, waarbij zij onder meer een tweede donorbijeenkomst voor Oost Soedan willen bespreken, en Parijs, Berlijn en Amsterdam deze week? Bent u bereid het bombardement op het ziekenhuis door het Soedanese regeringsleger bij deze delegatie aan de orde te stellen en te veroordelen of heeft u dit reeds gedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u van mening dat het ontvangen van dergelijke delegaties westerse regeringen in staat stelt invloed uit te oefenen op het Soedanese regime? Kunt u aannemelijk maken op basis van concrete voorbeelden en ervaringen dat een dergelijke invloed zich inderdaad doet gelden?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u aangeven hoe het staat met de uitvoering van de motie Omtzigt (Kamerstuk 33 750 V, nr. 32) waarin de regering gevraagd wordt te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor cross border humanitaire hulp naar met name het Nuba gebergte en Blue Nile?
Zie antwoord vraag 1.
Zeggenschap van lidstaten bij het afsluiten van handelsverdragen |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «EU-land niet meer altijd eigen baas bij ruzie met buitenlands bedrijf»?1
Het bericht gaat in op de verordening voor de financiële aansprakelijkheid bij arbitragegeschillen. De beweringen over deze verordening berusten, zoals blijkt uit de antwoorden op de vragen 10 en 11, deels op feitelijke onjuistheden.
Voorts wordt de vraag opgeworpen of vrijhandelsakkoorden tussen de Europese Unie en derde landen, waaronder die met Canada, alleen door de Europese instellingen of ook door de lidstaten goedgekeurd moeten worden. Hierover bestaat tussen de lidstaten en de Europese Commissie nog geen overeenstemming. Tijdens de RBZ Handel van 8 mei jl. benadrukten de lidstaten dat het vrijhandelsakkoord met Canada een gemengd akkoord is en door zowel de EU als de lidstaten zouden moeten worden goedgekeurd. Ook over het vrijhandelsakkoord met Singapore, dat op 20 september 2013 geparafeerd werd door de hoofdonderhandelaars, is nog verdeeldheid tussen de lidstaten en de Europese Commissie over dit competentievraagstuk. Nederland is van mening dat brede Europese vrijhandelsakkoorden als gemengde verdragen gekwalificeerd dienen te worden en dus door de Europese Unie én alle lidstaten, geratificeerd moeten worden. Instemming van het parlement maakt deel uit van de nationale goedkeuringsprocedure.
Hoe oordeelt u over het feit dat Europees Commissaris voor Handel De Gucht wil vermijden dat nationale parlementen hun goedkeuring aan het vrijhandelsverdrag tussen Canada en de EU (CETA) moeten verlenen?
Anders dan Europees Commissaris voor Handel De Gucht, ga ik ervan uit dat conform bestaande praktijk het vrijhandelsverdrag tussen Canada en de EU een zogenaamd «gemengd akkoord» is, dat zowel door de Europese Unie als de lidstaten goedgekeurd moet worden. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw is de Europese Unie exclusief bevoegd op het beleidsterrein van de gemeenschappelijke handelspolitiek en de douane-unie. Op grond van het Verdrag van Lissabon vallen sinds 1 december 2009 ook buitenlandse directe investeringen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek. CETA bestrijkt terreinen, die niet geheel onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen. Dit is met name het geval voor specifieke onderdelen op het gebied van diensten en investeringen. CETA heeft daardoor een gemengd karakter en zou naar de mening van het kabinet gesloten moeten worden tussen de Europese Unie en haar lidstaten enerzijds, en Canada anderzijds. Meest recentelijk zijn bijvoorbeeld ook het Economische Partnerschapsakkoord met de Caribische-regio en het vrijhandelsakkoord met Colombia/Peru door zowel de Europese Unie als de lidstaten goedgekeurd.
Klopt het, dat De Gucht heeft gezegd: «Hebben we echt 27 aanvullende ratificaties nodig als het Europees Parlement het ook kan doen?» Wat vindt u van deze opstelling van de Europese Commissie?
Commissaris De Gucht meent dat CETA onder de exclusieve competentie van de Europese Unie valt en derhalve alleen door de Europese Unie goedgekeurd hoeft te worden. Hij wijst daarbij op het risico dat 28 nationale ratificaties het proces tot inwerkingtreding ernstig kunnen vertragen. Zoals hiervoor aangegeven, is het kabinet een andere mening toegedaan.
Wat onderneemt u om ervoor te zorgen dat CETA de status van een «gemengd akkoord» behoudt, zodat het verdrag door de lidstaten geratificeerd moet worden?
Een meerderheid van de lidstaten is voorstander van een «gemengd akkoord» overeenkomstig de bestaande praktijk. Ik zet mij ervoor in dat CETA een gemengd verdrag wordt, zodat ook het Nederlands parlement de mogelijkheid krijgt met het akkoord in te stemmen. Daartoe roep ik de Europese Commissie op af te zien van een «EU-only» goedkeuring van CETA en ervoor te zorgen dat CETA als een «gemengd akkoord» door zowel de Europese Unie als haar lidstaten ondertekend en geratificeerd wordt. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken Handel van 8 mei jl. heeft Nederland, samen met andere lidstaten, de Europese Commissie opgeroepen het vrijhandelsverdrag met Canada óók door de lidstaten te laten goedkeuren. Het Griekse voorzitterschap sprak na afloop van deze Raad van een «unaniem signaal».
Wat onderneemt u indien het Europese Hof De Gucht in het gelijk stelt en oordeelt dat CETA onder de exclusieve competentie van de EU valt? Hoe rijmt u een dergelijke opvatting met het feit dat een meerderheid van de lidstaten van mening is dat onderdelen van de hoofdstukken over diensten en investeringsbescherming onder de competentie van de lidstaten vallen?2
Het staat nog niet vast dat Commissaris De Gucht dit vraagstuk ook daadwerkelijk aan het Europees Hof van Justitie zal voorleggen. Met een dergelijke procedure is immers ook veel tijd gemoeid. Ik wil niet vooruitlopen op een procedure die nog niet aanhangig is gemaakt. Tenzij het Europees Hof van Justitie anders zou oordelen, pleit ik ervoor dat CETA óók door de lidstaten, en dus de nationale parlementen, goedgekeurd moet worden.
Wat zijn de gevolgen voor de ratificatie van het vrijhandelsverdrag tussen de VS en de EU (TTIP), indien CETA gekwalificeerd wordt als een exclusieve competentie van de EU?
Dat is op voorhand niet in te schatten. Dit is afhankelijk van een eventuele uitspraak van het Europees Hof van Justitie. Bovendien hangt dit af van de onderwerpen die CETA en TTIP zullen bestrijken en van de vraag in hoeverre deze akkoorden qua reikwijdte met elkaar zullen overeenkomen. Of TTIP inhoudelijk gelijk zal zijn aan CETA kan pas worden vastgesteld, op het moment dat er een akkoord over TTIP is uitonderhandeld.
Deelt u de mening dat goedkeuring van TTIP altijd aan het Nederlandse parlement moet worden voorgelegd, aangezien hiertoe een motie is aangenomen?3
Na afronding van de onderhandelingen over TTIP, zal de Raad en het Europees Parlement in moeten stemmen met het uiteindelijke akkoord. Zou TTIP een «EU-only» akkoord zijn, dan zullen de lidstaten geen partij zijn bij het akkoord en is ratificatie ervan door de lidstaten niet aan de orde. In dat geval wordt het akkoord dus niet aan het Nederlandse parlement ter goedkeuring voorgelegd. Maar als TTIP een «gemengd akkoord» betreft dan moeten ook nationale parlementen instemmen met het voorliggende verdrag. Nederland zet samen met andere lidstaten in op een gemengd akkoord, gelet op de breedte van de onderwerpen.
Wat zijn de «netelige kwesties» waarover de Canadese media berichten omtrent de afronding van de onderhandelingen over het CETA-verdrag?
Sinds 2009 wordt er met Canada onderhandeld over een vrijhandelsverdrag. Op 18 oktober 2013 jl. bereikten de EU en Canada een principe-akkoord. Sindsdien worden de laatste openstaande, met name technische, details uitonderhandeld. Dit betreft openstaande punten op het terrein van diensten en investeringsbescherming. Ik verwacht overigens dat, ondanks de verdeeldheid over de nog openstaande kwesties, de onderhandelingen met Canada binnen afzienbare tijd worden afgerond.
Wordt het hoofdstuk over investeringsbescherming in CETA ook meegenomen in het onderzoek naar investeringsbescherming in TTIP, dat u tijdens de begrotingsbehandeling Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft toegezegd? Deelt u de mening dat dit onderzoek eerst moet worden afgerond, voordat u kunt instemmen met een dergelijk hoofdstuk?
Conform mijn toezegging naar aanleiding van de motie Van Ojik – om op korte termijn een onderzoek in te stellen naar de potentiële sociale en milieurisico’s en de gevolgen van het ISDS voor het handelsakkoord tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie – brengt het onderzoek de kansen en risico’s van investeringsbescherming (ISDS) in TTIP in kaart. Ondanks dat CETA niet wordt genoemd in deze motie, houd ik de samenhang tussen CETA, TTIP en het door mij uitgezette onderzoek nauwlettend in de gaten. Zoals ik eerder aangaf bevat ISDS in het CETA-akkoord, zoals het er nu ligt, allerlei waarborgen welke wij goed bekijken alvorens hiermee te kunnen instemmen. Ik neem daarbij ook de resultaten mee van studies die op dat moment daarnaar zijn gedaan. Het betreft bijvoorbeeld een bestaande studie van het International Institute for Sustainable Development (IISD) over ISDS in CETA. Ik zal ook de voorlopige resultaten van het ISDS-onderzoek in TTIP gebruiken, afhankelijk van wanneer CETA is afgerond. Daarnaast stel ik, zoals aangegeven in mijn brief aan de Kamer van 29 april 2014 jl., op het moment dat de definitieve tekst gereed is en aan de lidstaten wordt voorgelegd, de Kamer nog in de gelegenheid vertrouwelijk kennis te nemen van de definitieve ISDS-tekst in CETA.
Klopt het, dat op de agenda van de laatste RBZ Handel als hamerstuk een verordening stond «die regelt dat lidstaten tegen hun eigen wil in kunnen worden gedwongen om een bepaald standpunt in te nemen, als ze door een investeerder uit een niet-EU-land worden aangeklaagd»? Is dit punt inderdaad zonder enig debat als hamerstuk aangenomen?
Nee, dat klopt niet. In eerdere compromisvoorstellen was inderdaad een dergelijk bepaling in artikel 9 van de verordening voor de financiële aansprakelijkheid bij arbitragegeschillen opgenomen. Juist dankzij de inzet van Nederland en in samenwerking met een aantal andere lidstaten, is deze bepaling niet in de uiteindelijke versie opgenomen. De verordening is meerdere keren in uw Kamer aan de orde geweest tijdens Algemene Overleggen over RBZ Handel, waarbij ik duidelijk heb onderstreept het niet wenselijk te vinden dat de Europese Commissie een lidstaat dwingt een bepaald standpunt in te nemen. Er staat nu in artikel 9 dat de Europese Commissie consultaties met de betreffende lidstaat kan starten en haar visie via een niet-bindende analyse over een bepaald punt in een geschil kenbaar kan maken. Omdat deze analyse niet-bindend is opgesteld kan de Europese Commissie een lidstaat niet dwingen om een bepaald standpunt in te nemen.
Klopt het, dat «de Commissie lidstaten zelfs kan dwingen in een investeringsgeschil te schikken»? Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is om deze zaken als hamerstuk af te doen en dat op zijn minst de Tweede Kamer hierover moet kunnen spreken?
Nee, dat klopt niet. Artikel 13 van eerdergenoemde verordening schrijft een procedure voor over het (uitzonderlijke) geval waarbij de Europese Unie een geschil van een lidstaat overneemt en de Europese Commissie de zaak wenst te schikken. In eerdere compromisvoorstellen was inderdaad een dergelijk bepaling in artikel 13 op genomen. Maar deze bepaling is – mede dankzij de inzet van Nederland en in samenwerking met andere lidstaten – in de uiteindelijke versie gewijzigd. In de finale versie van artikel 13 staat nu uitdrukkelijk dat de Europese Commissie geschillen namens de lidstaten alleen mag schikken als dit voor de betreffende lidstaat geen enkele budgettaire of financiële implicatie oplevert. Zoals eerder aangeven is deze verordening meerdere keren in de Tweede Kamer besproken. Van meet af aan heb ik gesteld dat het onwenselijk zou zijn als de Europese Commissie tegen de wil van de lidstaat een geschil zou kunnen schikken waarbij de betreffende lidstaat ongewild financieel getroffen zou worden. Ik ben tevreden dat deze inzet gerealiseerd is.
Het rapport “The European Union Integrity System” van Transparency International |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Elbert Dijkgraaf (SGP), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het rapport «The European Union Integrity System» van Transparency International over de zwakke plekken in de EU op het gebied van gebrek aan openheid en mogelijkheden tot corruptie?1
Ja.
Kunt u voor elk van de 12 aanbevelingen aangeven of u vindt dat er opvolging aan gegeven moet worden en op welke wijze?
De aanbevelingen hebben met name betrekking op openbaarheid van bestuur en de bestrijding van corruptie en belangenverstrengeling.
Het kabinet hecht aan een zo groot mogelijke transparantie ten aanzien van Europese wetgevings- en besluitvormingsprocessen. De inspanningen van het kabinet richten zich onder meer op de aanpassing van de Eurowob aan het Verdrag van Lissabon en de vergroting van de actieve openbaarheid van de besluitvorming binnen de Raad. Het kabinet is voorstander van aansluiting van de Raad bij het transparantieregister van de Commissie en Europees Parlement, om zo meer inzicht te bieden in lobbyactiviteiten bij deze instelling.
De bestrijding en preventie van corruptie en belangenverstrengeling is een zaak die alle Europese instellingen aangaat. Met de nieuwe richtlijn 883/2013 is de effectiviteit en efficiëntie van OLAF sinds eind vorig jaar versterkt. Daarnaast heeft het kabinet in Raadsverband ingebracht dat in de volgende EU anti-corruptierapportages ook de EU-instellingen moeten worden onderworpen aan een evaluatie. Bovendien steunt het kabinet een volwaardige toetreding van de EU tot de Groep Staten tegen Corruptie van de Raad van Europa (GRECO), met het gevolg dat de EU instellingen kunnen worden onderworpen aan periodieke evaluaties door de Raad van Europa. Deze laatste twee punten staan op de agenda van de JBZ-Raad op 5-6 juni a.s. en uw Kamer zal geïnformeerd worden over de uitkomsten.
Bent u bereid om dit rapport op de agenda van de Europese Raad te plaatsen en publiekelijk een reactie te geven op 12 aanbevelingen?
De aanbevelingen en constateringen die in het rapport van Transparency International worden gedaan dienen volgens het kabinet aan de orde te worden gesteld in de EU-instellingen die bij het wetgevingsproces betrokken zijn. Aangezien de Europese Raad noch een wetgevingstaak, noch een controlerende taak heeft, ligt bespreking van dit onderwerp binnen de Europese Raad dus niet voor de hand. Veel van de aanbevelingen die in het rapport zijn gedaan worden momenteel al in de Raad besproken. Het standpunt van het kabinet ten aanzien van de bestrijding van corruptie en openbaarheid van bestuur is reeds publiek, ook in correspondentie met uw Kamer (zie Kamerbrief «Bestrijding georganiseerde criminaliteit», TK 2012–2013, 29 911, nr. 78; Kamerbrief over de evaluatie van GRECO, TK 2012–2013, 33 400, nr. 78; Kabinetsappreciatie Hofuitspraak Access Info Europe, 22 112-1830).
Wie moet in de ogen van de Nederlandse regering de EU controleren op rechtsstatelijkheid, nu de EU de rechtsstatelijkheid van de lidstaten controleert?
Het kabinet acht het van belang dat principes van de rechtsstaat in de gehele EU op alle niveaus worden nageleefd. Hiertoe dient tussen de instellingen van de EU sprake te zijn van deling der machten, en dienen de Europese instellingen grondrechten na te leven. Het Grondrechtenagentschap (FRA) speelt hierbij als onafhankelijke leverancier van data en adviezen over mensenrechtenkwesties een belangrijke rol. Ook acht het kabinet toetreding van de EU tot het EVRM en de GRECO van groot belang. Deze versterking van extern toezicht door de Raad van Europa kan leiden tot bevordering van rechtsstatelijkheid, evenals de bestrijding en preventie van corruptie binnen de EU instellingen.
Overigens is het niet zo dat uitsluitend de EU de rechtsstatelijkheid van de lidstaten controleert, juist de lidstaten zelf hebben hierin een essentiële taak te vervullen.
Het bericht “Na weken van desinteresse wil de wereld dat Nigeriaanse meisjes thuis komen” |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Na weken van desinteresse wil de wereld dat Nigeriaanse meisjes thuis komen»?1
Bent u ervan op de hoogte dat de Verenigde Staten, China, Groot-Brittannië en Frankrijk hebben toegezegd hulp te bieden in de zoektocht naar de 230 ontvoerde Nigeriaanse schoolmeisjes?
Ja.
Biedt de Nederlandse ambassade in Abuja ondersteuning voor de zoektocht naar de 230 ontvoerde Nigeriaanse schoolmeisjes? Zo ja, in hoeverre? Zo neen, bent u bereid deze zoektocht te ondersteunen?
Ja. Nederland heeft in een brief van de Minister-President aan President Goodluck hulp aangeboden. Indien de Nigeriaanse autoriteiten Nederland verzoeken een specifieke bijdrage aan de zoektocht te leveren, zal Nederland daar welwillend naar kijken.
Wordt er in EU-verband ondersteuning verleend in de zoektocht naar de 230 ontvoerde schoolmeisjes? Zo ja, in hoeverre? Zo neen, bent u bereid hiervoor te pleiten tijdens de Raad Buitenlandse Zaken op 12 mei 2014?
De Raad Buitenlandse Zaken van 12 mei 2014 heeft opgeroepen de schoolmeisjes onmiddellijk vrij te laten en de daders te bestraffen. Ook hebben de EU en de EU lidstaten steun aangeboden om te helpen burgers beter te beschermen. Met name de cultuur van straffeloosheid rond seksueel geweld in conflictsituaties dient te worden bestreden.
In de dialoog met Nigeria wijzen EU lidstaten op de verantwoordelijkheid van de Nigeriaanse autoriteiten om de veiligheid van burgers te garanderen. De EU helpt de Nigeriaanse autoriteiten bij de aanpak van de onderliggende oorzaken van de onveiligheid, bijvoorbeeld met het stabiliteitsinstrument van de EU. Daaruit worden verschillende programma’s gefinancierd op het gebied van vrede en mediation en projecten die bijdragen aan de versterking van de rechtsstaat. Vanuit het 10e Europese Ontwikkelingsfonds wordt brede ondersteuning geboden op het gebied van democratisering, rule of law, water, sanitatie en gezondheidszorg. Het 11e Ontwikkelingsfonds zal zich richten op zelfredzaamheid van de bevolking van het noorden van het land.
Bent u van mening dat een dergelijke ontvoering valt onder de definitie van terrorisme zoals vastgesteld in het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad Buitenlandse Zaken 2001/931/GBVB?2
Ja.
Is het u bekend of Boko Haram ook financiering vanuit landen van de Europese Unie ontvangt? Wat doet de EU om dergelijke financiering te voorkomen?
Nederland heeft geen aanwijzingen dat Boko Haram financiering ontvangt vanuit de EU. Op dit moment staat Boko Haram niet genoemd in het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB (de EU-terrorismelijst), wat een instrumentarium is om terrorisme financiering tegen te gaan. Nederland zet zich in Europees verband in om maatregelen tegen Boko Haram te nemen.
Bent u bereid om tijdens de Raad Buitenlandse zaken van 12 mei 2014 te ervoor te pleiten om de terroristische organisatie Boko Haram op de Europese terreurlijst te plaatsen?
Ja. Nederland heeft tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 12 mei 2014 opnieuw gepleit voor het opnemen van Boko Haram op de Europese terreurlijst. Ook de VN Veiligheidsraad werkt aan maatregelen tegen Boko Haram.
De aangenomen motie Omtzigt (33750 V nr. 30) |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Peter Oskam (CDA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de door de Kamer aangenomen motie-Omtzigt van 27 november 2013, die stelt dat de Nederlandse regering niet altijd op de hoogte is van veroordelingen van Nederlanders voor zedendelicten in het buitenland; constateert dat deze delinquenten daardoor een VOG (verklaring omtrent het gedrag) kunnen krijgen in Nederland en aan de slag kunnen in bijvoorbeeld de kinderopvang; en de regering verzoekt in kaart te brengen welke informatie uitgewisseld wordt en met welke landen en binnen vier maanden met dit overzicht te komen en een plan van aanpak met Memorandums of Understanding en verdragen om deze informatie altijd te ontvangen, zodat kinderen in Nederland en elders beter beschermd worden?1
Ja.
Kunt u dit overzicht zo spoedig mogelijk aan de Kamer doen toekomen?
Op grond van het Europees verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken uit 1959 en het kaderbesluit 2005/876/JBZ stelt elke centrale autoriteit de centrale autoriteiten van de andere lidstaten onverwijld in kennis van de strafvonnissen en van de nadien met betrekking tot die vonnissen genomen maatregelen die ten aanzien van onderdanen van deze lidstaten zijn uitgesproken en in het strafregister zijn opgenomen. Dit betekent dat Nederland ten aanzien van Nederlanders door andere EU lidstaten op de hoogte wordt gesteld van strafvonnissen uit die EU-lidstaten. Deze vonnissen worden in de Nederlandse Justitiële gegevens opgenomen en worden in voorkomend geval meegenomen in de beoordeling voor de Verklaring Omtrent het Gedrag.
Volgens de richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, waarvan de implementatietermijn op 18 december 2013 jl. afliep, wisselen EU-landen informatie uit over veroordelingen van EU-onderdanen voor zedenmisdrijven. Ook als deze informatie verband houdt met een procedure die betrekking heeft op de toegang tot werkzaamheden waarbij sprake is van regelmatig contact met kinderen. Indien een EU-onderdaan (bijvoorbeeld een Nederlander) in een ander EU-land (bijvoorbeeld Duitsland) wordt veroordeeld voor een zedendelict, dan behoort Duitsland dit volgens eerdergenoemd rechtshulpverdrag en de afspraken rond het European Criminal Records Information System (ECRIS) te melden aan Nederland. In het geval de betrokkene in een ander EU-land (bijvoorbeeld België) solliciteert, kan de centrale autoriteit van België in Nederland informeren of relevante justitiële antecedenten aan de orde zijn die een bezwaar vormen voor het werken met kinderen. De Duitse veroordeling wordt dan door Nederland aan België gemeld.
In Nederland wordt deze relevante justitiële informatie van een EU-onderdaan die in Nederland met kinderen wil gaan werken door de dienst Justis betrokken bij de aanvraag van de VOG. Sinds oktober 2012 heeft Justis ruim 7.300 van dit soort verzoeken om informatie uitgezet. In vier gevallen heeft dit geleid tot de weigering van de VOG-aanvraag. De volgende landen werken nog niet volledig mee aan de informatieverzoeken die door Nederland in het kader van de Europese uitwisseling van informatie over zedendelicten worden uitgezet: Zweden, Hongarije, Ierland en Oostenrijk. Via de Europese Commissie worden deze landen aangesproken op het naleven van de bovengenoemde richtlijn. Er wordt niet apart geregistreerd in hoeveel gevallen de VOG is geweigerd aan iemand met een Nederlands paspoort voor een veroordeling voor een zedendelict in het buitenland.
In tegenstelling tot de afspraken die gelden binnen EU-verband, wordt niet op structurele wijze strafrechtelijke informatie uitgewisseld met landen buiten de EU. De belangrijkste redenen daarvoor zijn gelegen in het feit dat de strafmaat en wijze van registratie van veroordelingen in niet EU-landen onvoldoende zijn geharmoniseerd. Bovendien is de uitwisseling van strafrechtelijke informatie gebaseerd op het principe van wederkerigheid. Nederland is terughoudend met het delen van informatie met landen buiten de EU waar de rechtsbescherming van het individu onvoldoende is gewaarborgd.
De informatie-uitwisseling met landen buiten de EU vindt wel plaats, maar op gevalsbasis. Hierbij moet vooral worden gedacht aan de gevallen waarin sprake is van strafrechtelijke opsporing of vervolging van een zedendelinquent, en waarin Nederland informatie heeft die voor het vervolgende land van belang is. Evenzeer kan de omgekeerde situatie zich voordoen: een onderzoek in Nederland waarvoor buitenlandse informatie benodigd is. Dergelijke informatie-uitwisseling vindt plaats door middel van een internationaal rechtshulpverzoek. Deze vorm van informatie-uitwisseling, die voor een gedeelte plaatsvindt op politieel niveau, kan in het gros van de gevallen plaatsvinden zonder dat daarvoor een verdrag vereist is. Voor zover dat laatste wel het geval is, kan het VN-verdrag ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit (het UNTOC-verdrag) dienen als grondslag voor rechtshulpverlening indien het delict georganiseerd van aard en grensoverschrijdend is. Bij dit verdrag zijn 176 landen aangesloten.
Met betrekking tot de informatie over gedetineerden in buitenlandse gevangenissen buiten de EU, die consulaire bijstand ontvangen, heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken over de afgelopen twaalf maanden (peildatum begin juni 2014) geconstateerd dat in zes zaken de aanklacht luidt «sexual abuse of a minor». De landen waar deze zaken bekend zijn, zijn: Australië, Filipijnen, Suriname, Thailand en de Verenigde Staten. Buitenlandse Zaken ontvangt geen informatie van buitenlandse overheden over veroordelingen in strafzaken. De informatie komt veelal van de gedetineerde, zijn advocaat of familie.
Nederland heeft concreet aan Thailand verzocht om een verdrag te sluiten ter bevordering van de uitwisseling van informatie over zedendelinquenten. Mede gelet op de recente politieke ontwikkelingen in Thailand heeft dit verzoek nog niet geresulteerd in concrete acties. Een en ander illustreert dat het sluiten van verdragen met bronlanden van kindersekstoerisme zeer complex is. Mede in dit verband verkent Nederland samen met andere Europese landen de mogelijkheden om nauwer samen te werken met Interpol om het alerteringssysteem van Interpol beter te benutten ter voorkoming van kindersekstoerisme. Tevens wordt onderzocht of naar voorbeeld van de VOG-systematiek in Nederland in samenwerking met Interpol een «internationale VOG» kan worden gecreëerd om het risico te beperken dat daders van zedenmisdrijven niet zomaar in een ander land bij of met kinderen kunnen werken.
Tot slot wijs ik uw Kamer op het plan van aanpak kindersekstoerisme dat op 19 oktober 2013 naar uw Kamer is gestuurd. Dit plan kent een meerjarig karakter en is gebaseerd op een drietal actielijnen te weten: 1) Inzet op preventie 2) Strafrechtelijke aanpak en 3) Nationale en internationale samenwerking. In reactie op de motie van de leden Voordewind en Segers over het intrekken van het paspoort bij veroordeelde pedoseksuelen, heb ik als actie opgenomen dat in voorkomende gevallen bij veroordeelde pedoseksuelen met een hoog recidiverisico wordt overgegaan tot de indiening van een verzoek tot het weigeren of vervallen verklaren van het paspoort (TK 2013–14 31 015, nr. 95). Halfjaarlijks wordt uw Kamer in de voortgangsbrief kinderpornografie en kindersekstoerisme geïnformeerd over de voortgang van alle in het plan van aanpak opgenomen maatregelen. De eerstvolgende voortgangsrapportage wordt komende juli aan uw Kamer toegezonden.
Van hoeveel en van welke landen heeft u de afgelopen 12 maanden informatie ontvangen over Nederlanders die voor een zedendelict veroordeeld zijn?
Zie antwoord vraag 2.
Van hoeveel mensen met een Nederlands paspoort is een veroordeling voor een zedendelict in het buitenland bekend, waardoor zij in Nederland op dit moment geen Verklaring Omtrent het Gedrag kunnen ontvangen om bijvoorbeeld in de kinderopvang te gaan werken?
Zie antwoord vraag 2.
Indien iemand uit land A komt en in land B veroordeeld is (zoals Robert M. die uit Letland komt en in Duitsland veroordeeld was), kan hij dan in Nederland een VOG krijgen als hij geen veroordelingen in land A of Nederland heeft?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen acht u noodzakelijk om internationale gegevens uit te wisselen zodat mensen die in één land voor zedenmisdrijven veroordeeld worden, niet zomaar in een ander land bij of met kinderen kunnen werken?
Zie antwoord vraag 2.
In Brunei Darussalam ingevoerde wetgeving |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Brunei Darussalam: Revoke new Penal Code allowing stoning, whipping and amputation»?1
Ja.
Kunt u uw oordeel geven over deze in Brunei Darussalam ingevoerde wetgeving? Deelt u de zorgen van Amnesty International hierover?
Het van kracht worden van de strafrechtelijke bepalingen van de «Syariah Penal Code» (SPC), geeft aanleiding tot zorg. De sharia was al van toepassing op het familierecht en wordt met invoering van de SPC in drie fases qua werkingsgebied verder uitgebreid. De eerste fase werd van kracht op 1 mei 2014. Het betreft in deze fase overtredingen die tot een geldboete of gevangenisstraf kunnen leiden. In de tweede fase van invoering, waarschijnlijk in de tweede helft van 2015 en in ieder geval 12 maanden na publicatie van uitvoeringsbepalingen neer te leggen in de «Syariah Criminal Procedure Code» (SCPC), wordt fysieke bestraffing mogelijk.
Herinnert u zich uw uitlatingen tijdens een debat in november 2013 dat er op het gebied van de mensenrechten in Brunei Darussalam sprake is van verslechtering, met name door de invoering van de sharia en dat u zich in Europees verband met uw collega’s zult verstaan over de manier waarop de EU het beste hierop kan reageren?2
Ja.
Kunt u aangeven wat het resultaat hiervan is? Hoe reageert de EU op de in Brunei Darussalam aangenomen wetgeving?
De Nederlandse zorgen worden in EU kader breed gedeeld. Dit kwam aan de orde bij de bespreking over de voortgang van de onderhandelingen over het Partnerschaps- en Samenwerkingsverdrag met Brunei Darussalam die medio 2012 werden gestart. Er bestaat overeenstemming niet tot parafering over te gaan alvorens de mensenrechtensituatie en in het bijzonder de uitwerking van de invoeringsbepalingen van de SPC door de EU opnieuw zijn beoordeeld.
Tijdens de «Universal Periodic Review» van Brunei Darussalam in het kader van de de Mensenrechtenraad op 2 mei 2014 heeft Nederland zorgen over de invoering van de SPC kenbaar gemaakt en bepleit dat deze wet wordt uitgewerkt in overeenstemming met internationale maatstaven voor mensenrechten.
Kunt u verder aangeven wat voor invloed de in Brunei Darussalam ingevoerde wetgeving heeft op de warme banden tussen het Koningshuis en de Sultan van Brunei en op de nauwe betrekkingen tussen beide landen?
In lijn met de besprekingen in EU verband zal de wijze waarop de SPC verdere uitwerking krijgt in uitvoeringsbepalingen worden afgewacht.
Tentendoeken als bescherming tegen raketaanvallen |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Dun tentendoek moet raketten stoppen»?1
Ja.
In hoeverre deelt u de visie dat Nederlandse militairen al vanaf dag één gehuisvest hadden moeten worden in gepantserde containers en niet in tenten?
Defensie neemt de Force Protection uitermate serieus. Nederlandse militairen worden altijd uitgerust met de middelen die het beste passen bij de omstandigheden ter plaatse. Bij het bepalen van de kwaliteitseisen voor huisvesting is gekeken naar het dreigingsniveau en het geheel aan maatregelen dat tegen deze dreiging kan worden genomen. De afgelopen maanden is Gao diverse keren doelwit geweest van indirecte beschietingen (beschietingen zonder direct zicht op het doel). Het is de verwachting dat de frequentie van de indirecte beschietingen zal toenemen. Dit wijkt niet af van het dreigingsbeeld.
Zoals aangekondigd in de brief van 28 maart jl. over de transporthelikopters in MINUSMA is besloten beschermende containers aan te schaffen om de risico’s voor de Nederlandse militairen verder te beperken. Vooralsnog is Nederland hiermee voorloper in MINUSMA. Het is niet mogelijk vanaf de eerste dag alle militairen in containers te huisvesten. Zo moeten de militairen van de genie eerst het kamp opbouwen om de containers te kunnen plaatsen. Door de levertijd van de containers wordt ook een deel van de hoofdmacht in de beginperiode van de missie in tenten ondergebracht. Gezien het dreigingsniveau en de beschermende maatregelen die zijn getroffen, is deze aanpak verantwoord. Het dreigingsbeeld wordt dagelijks gemonitord. Defensie zal niet aarzelen om aanvullende maatregelen te nemen indien dat nodig is.
Kunt u aangeven hoe het kan dat na de misser met de Chinook-transportheli's ook het beleid met betrekking tot de huisvesting van onze militairen niet vlekkeloos verloopt?
Gedurende de planningsfase van de Nederlandse bijdrage aan de missie is nadrukkelijk gekeken naar de beschikbaarheid van transporthelikopters. Toen Nederland de bijdrage aan de missie samenstelde, was de force generation nog gaande en was het de verwachting bij de VN dat andere landen geschikte transporthelikopters zouden leveren. Toen duidelijk werd dat dit niet het geval was en er geen toestellen beschikbaar kwamen met de vereiste capaciteiten (voor medische evacuatie die onder alle omstandigheden zouden kunnen worden ingezet), heeft het kabinet alsnog besloten transporthelikopters aan de Nederlandse bijdrage toe te voegen.
De VN gaan uit van het huisvesten van militairen in tenten. Op grond van dit uitgangspunt is de locatie verkend en de planning begonnen. Op grond van de ervaringen sindsdien is alsnog besloten onze militairen te huisvesten in beschermende containers.
Deelt u de visie dat Nederlandse militairen altijd uitgerust zouden moeten zijn met het beste materieel dat voorhanden is? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe is deze situatie met de tenten dan mogelijk?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van mening dat Nederland fors dient te investeren in de verwaarloosde krijgsmacht en minimaal 2% van het bnp dient vrij te maken voor defensie? Zo neen, waarom niet?
Nederland heeft een moderne en professionele krijgsmacht die is toegerust op haar taak. Met de nota In het belang van Nederland zijn ambitie en middelen met elkaar in evenwicht gebracht. Ik ben blij met de toevoeging van het extra budget aan de defensiebegroting bij het begrotingsakkoord in het najaar van 2013. Een robuuste en responsieve krijgsmacht is in het belang van Nederland. Dat gaat niet vanzelf. Het vraagt om een besef van de waarde van Defensie. Zie ook het antwoord op vraag 2 en 4.
Overtredingen met voertuigen voorzien van buitenlandse kentekens |
|
Peter Oskam (CDA), Sander de Rouwe (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht geven van de afgelopen vijf jaar van alle aantallen overtredingen, uitgesplitst per jaar, land van herkomst, kenteken en soort overtreding, die zijn waargenomen door flitsapparatuur en die zijn begaan met voertuigen met een buitenlands kenteken, die afkomstig zijn uit EU-lidstaten anders dan België (BE), Duitsland (DE) en Zwitserland (CH)?
De digitale handhavingsapparatuur (trajectcontrolesystemen, flitspalen en mobiele radarsets) is op dit moment alleen ingesteld om de kentekens uit Nederland, Duitsland, België en Zwitserland te herkennen. De apparatuur herkent geen kentekens uit andere landen.
Kunt u, indien de cijfers uit de voorgaande vraag niet beschikbaar zijn, alle relevant beschikbare schattingen, ramingen en andere informatie verstrekken met betrekking tot genoemde overtredingen met voertuigen voorzien van buitenlandse kentekens?
De politie heeft gedurende één week in augustus 2010 bij alle trajectcontrolesystemen bijgehouden wat het land is waar het overtredende voertuig is geregistreerd anders dan Nederland, België, Duitsland en Zwitserland. Uit deze cijfers bleek dat 3 procent Poolse kentekens waren, 1,5 procent Frans en 0,9 procent Brits. De aantallen van overige landen waren dusdanig klein dat hieruit geen conclusies konden worden getrokken. Het beeld dat uit deze kortdurende meting naar voren komt, wordt ondersteund door een overzicht van het CJIB over het aantal staande houdingen van buitenlandse verkeersovertreders in 2012. Ook hieruit komt het beeld naar voren dat van de buitenlandse verkeersovertreders Polen en Fransen het meeste worden staande gehouden als Belgen, Duitsers en Zwitsers buiten beschouwing worden gelaten.
Afgezien van deze cijfers zijn er geen schattingen of ramingen van de aantallen geflitste kentekens uit andere landen dan Nederland, Duitsland, België of Zwitserland. Gezien de cijfers over het aantal EU-onderdanen uit andere landen dat woonachtig is in Nederland, de cijfers over toerisme en het aandeel vrachtwagens met buitenlandse kentekens op de Nederlandse snelwegen valt evenwel logischerwijs te verwachten dat voertuigen met kentekens uit Frankrijk en Polen na voertuigen met kentekens uit Duitsland en België het meest worden geflitst.
Kunt u over de afgelopen vijf jaar aangeven hoeveel verkeersovertredingen in Nederland met een buitenlands kenteken jaarlijks geregistreerd zijn en hoeveel hiervan daadwerkelijke qua aantallen en geldbedragen geïnd zijn?
In de periode 2009 tot en met 2013 zijn 2.859.717 verkeersovertredingen in Nederland ter inning aan het CJIB aangeboden met de code «niet Nederlands kenteken». Daarvan zijn 2.259.220 zaken als «betaald» geregistreerd. Daarmee is een bedrag van € 150.541.863 geïnd.
Wat wordt gedaan met de overtredingen met een buitenlands kenteken van de afgelopen vijf jaar die nog niet geïnd zijn en hoeveel zijn dit?
Opgelegde boetes die nog niet geïnd zijn kunnen nog «open» staan. Dat betekent dat deze het reguliere incassotraject nog niet geheel hebben doorlopen en een betaling nog kan volgen. Opgelegde boetes die in het reguliere incassotraject oninbaar blijken, kunnen voor inning op grond van het Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB L 76, blz. 16) worden overgedragen aan het land van de kentekenhouder of zij kunnen worden opgenomen in het opsporingsregister, zodat inning kan plaatsvinden wanneer de kentekenhouder weer in Nederland wordt aangetroffen. Voor de periode 2009 tot en met 2013 is dit met betrekking tot 182.932 zaken het geval.
Klopt het dat de inning van boetes ten gevolge van overtredingen met buitenlandse kentekens op Nederlands grondgebied heel moeilijk gaat? Welke invloed heeft dit op de verkeersveiligheid?
De mogelijkheden om boetes op buitenlandse kentekens te innen zijn iets beperkter dan voor boetes op Nederlandse kentekens, maar het is niet zo dat deze inning veel moeilijker gaat.
Wat is de stand van zaken aangaande de Cross Border Enforcement (CBE)-richtlijn die een efficiënte uitwisseling van buitenlandse boetes mogelijk moet maken? Is deze inmiddels volledig operationeel, zo ja, wat zijn hier de eerste resultaten van?
Op grond van de bedoelde richtlijn moesten lidstaten vóór 7 november 2013 hun kentekenregister (geautomatiseerd) openstellen zodat andere lidstaten de mogelijkheid hebben om de naam- en adresgegevens van buitenlandse kentekenhouders op te vragen die een verkeersovertreding hebben begaan. Nederland heeft aan deze verplichtingen voldaan. Alleen lidstaten die hun kentekenregister eveneens reeds hebben opengesteld mogen het Nederlandse kentekenregister raadplegen.
In november 2013 hebben naast Nederland ook België en Duitsland hun kentekenregister opengesteld. Sinds kort geldt dit ook voor Bulgarije, Frankrijk, Litouwen, Polen en Zweden.
De verwerking van verkeersovertredingen (met name snelheidsovertredingen en roodlichtpassages die door digitale handhavingsmiddelen zijn geconstateerd) die in Nederland zijn gepleegd door voertuigen met een kenteken uit andere landen dan die uit Duitsland, België en Zwitserland, wordt gefaseerd ten uitvoering gebracht. In de eerste fase wordt de handhaving- en executieketen aangepast voor kentekens uit een aantal geselecteerde landen. Gekozen is voor Franse en Poolse kentekens, omdat met voertuigen met deze kentekens – zoals in antwoord op vraag 2 is toegelicht – naar verwachting de meeste overtredingen worden begaan na voertuigen met Belgische en Duitse kentekens. In de fases erna worden telkens andere landen toegevoegd aan de handhaving- en executieketen.
Kunt u de Kamer doen toekomen het «Rapport Bevindingen van Werkgroep Implementatie CBE-richtlijn en Verdrag met België», zoals is vastgesteld op 2 september 2013 en beschikbaar is op het ministerie van Veiligheid en Justitie?
Dit rapport is een intern ambtelijk werkdocument zonder formele status en is niet bedoeld of geschikt voor publicatie.
Hoe vaak heeft Nederland, sinds aansluiting bij de CBE-richtlijn, van andere landen (anders dan BE, DE of CH) boetes ontvangen van aldaar geconstateerde overtredingen begaan door auto’s met een Nederlands kenteken?
Alleen de lidstaat die een boete oplegt beschikt over cijfers van het aantal Nederlandse kentekenhouders dat een verkeersboete heeft ontvangen uit die lidstaat.
Hoe vaak heeft Nederland sinds aansluiting bij de CBE-richtlijn, gegevens van geflitste buitenlandse kentekens (anders dan BE, DU of CHE) verstuurd naar betreffende landen van herkomst?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 6. Bestuurders van voertuigen met kentekens uit andere landen dan België, Duitsland en Zwitserland worden momenteel uitsluitend beboet door deze bestuurders staande te houden.
Het rapport van Oxfam Novib over belastingontwijking door bedrijven |
|
Roelof van Laar (PvdA), Henk Nijboer (PvdA) |
|
Eric Wiebes (staatssecretaris financiën) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Business Among Friends» van Oxfam Novib?1
Ja
Deelt u de conclusie van Oxfam Novib dat de belastinginkomsten in sommige ontwikkelingslanden met meer dan 100 procent kunnen stijgen als multinationals belasting afdragen in landen waar ze economisch actief zijn? Zo nee, waarom niet?
Mijn indruk uit de publicaties van Oxfam Novib is dat de suggestie dat de belastinginkomsten in sommige ontwikkelingslanden met meer dan 100 procent kunnen stijgen als multinationals belasting afdragen in landen waar ze economisch actief zijn, niet zo zeer gebaseerd is op het rapport «Business Among Friends» als wel vooruit loopt op een nog te publiceren onderzoek door Alex Cobham en Petr Janský.2
Zonder kennis van dat rapport is de gestelde vraag niet te beantwoorden. Het antwoord zal in elk geval afhangen van de wijze waarop in dat onderzoek invulling wordt gegeven aan «het afdragen van belasting in landen waar ondernemingen actief zijn».
Deelt u de mening dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft in het behoud van de belastinggrondslag van ontwikkelingslanden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe ziet deze verantwoordelijkheid er volgens u uit en op welke wijze geeft Nederland hier internationaal uiting aan? In het bijzonder, hoe verhoudt het delen van Nederlandse fiscale expertise met ontwikkelingslanden zich tot de inspanningen van andere Europese landen?
In de notitie Fiscaal Verdragsbeleid 2011 en de brief aan de Kamer van 30 augustus 2013 staat dat Nederland speciale aandacht heeft voor de bijzondere positie van ontwikkelingslanden. Belangrijke aandachtspunten zijn de ruimte voor bronheffingen en het actief aanbieden om anti-misbruikbepalingen in het verdrag op te nemen. Op dit moment is Nederland bezig met het benaderen van 23 ontwikkelingslanden over het opnemen van een anti-misbruikbepaling in het bestaande belastingverdrag. Nederland loopt op dit punt internationaal voorop. Daarnaast is Nederland actief op het gebied van het verlenen van technische assistentie aan ontwikkelingslanden. Dat doet Nederland zowel bilateraal als via multilaterale programma’s, bijvoorbeeld van de OESO; uit het bijgevoegde (meeste recente) overzicht van het OESO-programma blijkt dat de Nederland op dat terrein relatief veel doet. In de bijlage bij deze brief treft u een overzicht aan van de bijdragen3.
Wat is uw reactie op de aanbeveling van Oxfam Novib meer landen een gelijke stem te geven bij de totstandkoming van het actieplan om grondslagerosie en winstverschuiving tegen te gaan? Deelt u zowel de zorg als de door deze organisatie aangedragen oplossing? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet onderschrijft het belang van het tegengaan van agressieve fiscale planning door grote of beursgenoteerde (internationaal opererende) bedrijven, die door middel van fiscale planning zorgdragen voor erosie van belastinggrondslagen. Hieraan kan onder meer rapportage door grote of beursgenoteerde bedrijven volgens het principe van country-by-country reporting over belastingbetalingen in de landen waarin zij actief zijn, bijdragen. Nederland geeft dan ook volop steun aan internationale initiatieven tot bevordering van transparantie door middel van belastingrapportages. In de EU geldt een dergelijke verplichting inmiddels voor multinationals in de mijnbouw, bosbouw en financiële sector. Daarbij heeft Nederland wel aandacht voor de mogelijk negatieve economische consequenties van publieke beschikbaarheid van deze informatie. Nederland heeft er bij de onderhandelingen inzake de Richtlijn voor bekendmaking niet-financiële informatie en diversiteitbeleid voor gepleit dat de EU Commissie een onderzoek uitvoert naar de impact van publieke country-by-country reporting voor alle sectoren. Eind februari 2014 hebben de Raad en het Europees Parlement in triloogonderhandelingen een akkoord bereikt over deze richtlijn. Op 15 april heeft het Europees Parlement met de richtlijn ingestemd, naar verwachting zal de Raad de richtlijn na de zomer bekrachtigen. In de richtlijn is een bepaling opgenomen op basis waarvan de EU Commissie uiterlijk in juli 2018 een evaluatie afrondt en rapporteert over de mogelijkheid van het introduceren van een verplichting voor grote ondernemingen om jaarlijks een country-by-country rapportage te vervaardigen, die minstens informatie bevat over gemaakte winst, betaalde winstbelasting en ontvangen overheidssubsidie.
Deelt u de mening dat het belangrijk is dat multinationals openheid van zaken geven over de winsten die ze per land maken, zodat schadelijke belastingontwijking door winstverschuiving kan worden voorkomen? Zo nee, waarom niet? Wat zijn de inspanningen van Nederland om in Brussel country-by-country-reporting verplicht te stellen voor multinationals? Wanneer worden de resultaten van het aangekondigde «impact assessment» naar de Kamer gestuurd?2
Het bericht dat Suriname van de Toescheidingsovereenkomst af wil |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Suriname wil einde aan rechten «Suri-Nederlanders»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de wens van Suriname om de Toescheidingsovereenkomst op te zeggen? Welke stappen zijn of worden er in deze richting gezet?
Eenzijdige opzegging van de Toescheidingsovereenkomst (hierna: TO) is verdragsrechtelijk niet mogelijk. In 2005 maakte de toenmalige Surinaamse regering kenbaar de TO op te willen zeggen. Nederland is geen voorstander van beëindiging van de TO, zolang de rechten die een bepaalde groep Surinaamse Nederlanders aan de TO kunnen ontlenen niet voldoende zijn gewaarborgd. In 2010 vond de laatste onderhandelingsronde plaats. Vanuit de huidige Surinaamse regering zijn vooralsnog geen initiatieven genomen om de onderhandelingen voort te zetten.
Is er ambtelijk overleg met Suriname over de wens tot opzegging van het verdrag? Indien ja, kunt u toelichten hoe deze dialoog verloopt?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat Suriname stelt dat het verdrag nooit heeft gewerkt en het ook nooit zal werken, terwijl u stelt dat de mening dat het verdrag nooit heeft gewerkt niet wordt gedeeld?
Het primaire doel van de TO was – in het licht van de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 – de toekenning van nationaliteit te regelen van Nederlanders van Surinaamse afkomst. Dat doel is bereikt.
Kunt u aangeven of, en zo ja op welke terreinen, Suriname zich niet aan de in het verdrag overeengekomen afspraken houdt?
Zie het antwoord op vraag 4; het hoofddoel van de TO is bereikt. De onderhandelingen tussen Suriname en Nederland naar aanleiding van de Surinaamse wens tot beëindiging van de TO concentreerden zich met name op de leden 2 en 3 van artikel 5 van de TO en de aldaar geformuleerde rechten van een groep Nederlanders van Surinaamse afkomst. Deze bepalingen worden in de praktijk door Suriname niet nageleefd. Zoals laatstelijk aan uw Kamer medegedeeld in de brief van 26 augustus 2011 van mijn ambtsvoorganger2 heeft Nederland begrip voor het feit dat Suriname bepaalde van die rechten, met name grondwettelijke rechten zoals actief en passief kiesrecht, wil voorbehouden aan personen met de Surinaamse nationaliteit. Waar het gaat om bijvoorbeeld rechten met betrekking tot reizen en het verwerven van grond dienen deze rechten echter onverkort gewaarborgd te blijven.
Deelt u de opvatting dat de nieuwe Surinaamse diasporawet die de Toescheidingsovereenkomst zou moeten vervangen, veel minder ver gaat dan het huidige verdrag met Nederland? Indien ja, kunt u toelichten op welke punten de diasporawet minder ver gaat?
De nieuwe Surinaamse diasporawet heeft een geheel andere vorm en karakter dan de TO. De diasporawet is immers geen nationaliteitsregeling. Voor zover de vraag doelt op een vergelijking van de diasporawet met de in het antwoord op vraag 5 genoemde bepalingen van de TO, deelt het kabinet die opvatting niet, omdat de diasporawet een veel grotere groep personen betreft. Van vervanging is bovendien geen sprake zolang de TO nog van kracht is.
Is het kabinet bereid om, zoals eerder gesuggereerd, naar het Internationaal Gerechtshof te stappen als Suriname de Toescheidingsovereenkomst eenzijdig naast zich neer zou leggen? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord op de vragen 2 en 3. De TO is niet beëindigd. Het ligt dan ook niet voor de hand dat Nederland naar het Internationaal Gerechtshof stapt.
Het bericht dat de plaatsvervangend Secretaris-Generaal van de Navo Rusland tot tegenstander verklaarde |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «NATO official: Russia now an adversary»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de plaatsvervangend Secretaris-Generaal van de Navo heeft uitgesproken dat de Navo nu Rusland als een tegenstander beschouwt?
Plv. SG NAVO Vershbow heeft niet namens het Bondgenootschap gesproken; hij heeft zijn eigen mening gegeven.
Waarop is diens uitspraak gebaseerd dat Rusland de Navo als tegenstander ziet?
Dat is het Kabinet niet bekend.
Wie heeft deze plaatsvervangend Secretaris-Generaal gemachtigd om Rusland tot tegenstander van de Navo te verklaren?
Zie antwoord op vraag 2.
Vindt u dat deze uitspraak een toegevoegde waarde heeft? Zo ja, waaruit bestaat die dan?
Nee, de NAVO-ministers hebben begin april afgesproken dat de praktische NAVO-samenwerking met Rusland in het kader van de NAVO-Rusland Raad wordt opgeschort, maar dat het diplomatieke kanaal openblijft. Voor Nederland blijft een strategisch partnerschap van de NAVO met Rusland het langere termijndoel, hoezeer de huidige situatie de voorwaarden daarvoor ook onder druk heeft gezet
Sprak de plaatsvervangend Secretaris-Generaal ook namens het Navo-lid Nederland?
Zie antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om afstand te nemen van deze uitspraak? Zo nee, waarom niet?
Nee, Vershbow heeft immers niet namens het Bondgenootschap gesproken; hij heeft zijn eigen mening verwoord.
Gaat u er voor pleiten dat de Navo deze uitspraak terugneemt? Zo nee, waarom niet?
Nee, belangrijker dan de vraag of Rusland momenteel al dan niet een tegenstander is van de NAVO, is de vraag welke gevolgen de crisis in Oekraïne moet hebben voor de relatie tussen de NAVO en Rusland. De discussie daarover is gaande binnen het Bondgenootschap, mede in aanloop naar de ministeriële bijeenkomsten op het niveau van de Ministers van Defensie en Buitenlandse Zaken in juni en de NAVO-top in september 2014.
Wilt u elk van deze vragen afzonderlijk en uiterlijk 13 mei 2014 beantwoorden?
Ja.
De voortgaande subsidiëring van anti-Israël organisaties |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «$ 17.6 million from European Consortium inflames conflict, supports legal warfare»?1
Ja.
Klopt het dat de anti-Israëlische organisaties Badil (verheerlijken van zelfmoordenaars), Addameer (oprichter in verband gebracht met de Palestijnse terreurorganisatie PFLP) en Al-Haq (keurt terreur tegen burgers goed) gesteund worden met Nederlandse belastinggeld, via de organisatie The Human Rights and International Humanitarian Law Secretariat?
Bescherming van mensenrechten is een prioriteit van het kabinet. In dat kader verleent Nederland, samen met Denemarken, Zweden en Zwitserland, via het Human Rights and International Humanitarian Law Secretariat ondersteuning aan Palestijnse en Israëlische NGOs, waaronder de mensenrechtenorganisaties Badil, Addameer en Al-Haq. Het secretariaat steunt deze organisaties omdat zij opkomen voor de rechten van Palestijnse burgers en schendingen door de Palestijnse en Israëlische autoriteiten aan de orde stellen.
Het secretariaat hanteert een zorgvuldige selectieprocedure. Betrokken organisaties dienen zich te houden aan VN-standaarden en bij de beoordeling van financieringsaanvragen wordt gekeken of financiering van het donorconsortium niet gebruikt wordt voor activiteiten die in strijd zijn met internationaal recht. In het geval van discriminatie, oproepen tot geweld, of haatzaaien kan de overeenkomst tijdelijk opgezegd worden, waarna het secretariaat in gesprek treedt met de ondersteunde organisaties om aanpassingen te realiseren. Dit is eerder gebeurd bij Badil (ref. Kamerbrief d.d. 23 augustus 2011 met kenmerk 2011Z4315/2011D11358). Wanneer de problemen niet naar tevredenheid worden opgelost heeft het secretariaat het recht de bijdrage stop te zetten.
Waarom blijft de Nederlandse staat direct en indirect anti-Israëlische organisaties steunen?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u inmiddels bereid een onderzoek in te stellen naar hulporganisaties die direct of indirect Nederlands belastinggeld ontvangen en anti-Israëlische propaganda sponseren? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet is van mening dat de procedures van het Human Rights and International Humanitarian Law Secretariat voldoende waarborgen bieden.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om te zorgen dat er geen cent Nederlands belastinggeld meer gebruikt wordt om de bevriende staat Israël te demoniseren en tegen te werken?
Het kabinet ziet op grond van het bovenstaande geen aanleiding om aanvullende maatregelen te treffen.
Het bericht dat leden van het Europees Parlement 200 miljoen euro hebben gedeclareerd |
|
Geert Wilders (PVV), Barry Madlener (PVV) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «EP declareerde 200 miljoen aan kantoorkosten»?1
Ja.
Is het kabinet met ons van mening dat deze declaraties streng moeten worden gecontroleerd? Zo nee, waarom niet?
Voor kantoorkosten krijgt een lid van het Europees Parlement een forfaitaire vergoeding, waarvoor geen declaraties hoeven worden ingediend. Een dergelijke forfaitaire regeling beoogt de administratieve lasten van het Europees Parlement te verlichten. Leden van de Tweede Kamer kennen een vergelijkbare regeling.
Is het bericht juist dat enkele Nederlandse EP-leden van de VVD geen bonnetjes overleggen of bewaren, zodat er dus niet kan worden gecontroleerd of er niet gefraudeerd wordt met deze kantoorkosten?
Zie antwoord vraag 2.
Wat gaat het kabinet ondernemen om ervoor te zorgen dat alle EP-leden worden gecontroleerd op de rechtmatigheid van uitgaven en dat EP-leden die frauderen worden gestraft?
Het kabinet hecht aan een degelijke verantwoording van publieke middelen. Leden van het Europees Parlement ontvangen hun salaris en onkostenvergoedingen uit de begroting van het Europees Parlement als onderdeel van de EU-begroting. De publieke controle op deze uitgaven is de verantwoordelijkheid van de Europese Rekenkamer. De controlesystemen van het Europees Parlement functioneren volgens de Europese Rekenkamer doeltreffend (Jaarverslag 2012).
De arrestatie van een Britse politicus wegens het citeren van Winston Churchill |
|
Raymond de Roon (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Paul Weston – Victim of Sharia: Arrested For Quoting Winston Churchill»1 en «Arrested for quoting Winston Churchill: European election candidate accused of religious and racial harassment after he repeats wartime prime minister’s words on Islam during campaign speech»?2
Ja
Deelt u de mening dat de arrestatie van de politicus Paul Weston een grove schending is van de vrijheid van meningsuiting en getuigt van dhimmi-gedrag? Zo nee, waarom niet?
Eenieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting en conform de drieledige toets van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 19 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten zijn beperkingen aan die vrijheid alleen toegestaan indien deze in de wet zijn opgenomen, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De vrijheid van meningsuiting brengt ook plichten en verantwoordelijkheden met zich mee. Het is aan een onafhankelijke rechter om vast te stellen of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting in dit geval zijn overschreden.
De precieze redenen voor de kennelijke arrestatie van dhr. Weston waar de genoemde persberichten melding van maken, zijn het Kabinet niet bekend. In andere perspublicaties wordt gesteld dat de aanleiding gelegen zou zijn in het feit dat dhr. Weston geen vergunning had voor het geven van een speech met een megafoon en niet reageerde op een verzoek van de politie om door te lopen.
Deelt u de mening dat deze gebeurtenis niet op zichzelf staat, maar exemplarisch is voor de staat van belegering waarin de vrijheid van meningsuiting zich bevindt door de opmars van islamcensuur in het Westen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u bevestigen dat Paul Weston een tweejarige gevangenisstraf riskeert wegens het simpelweg voorlezen van een gedeelte uit Winston Churchill’s boek «The River War» over het militante en sociale achteruitgang bewerkstelligende karakter van de islam?3
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u bij de Britse minister van Justitie aandringen op onmiddellijke buiten vervolging stelling van Paul Weston? Zo ja, wilt u de Kamer op de hoogte stellen van de Britse reactie? Zo nee, waarom niet?
Het Kabinet heeft het volste vertrouwen in het Britse rechtssysteem, en ziet geen aanleiding hierover met de Britse autoriteiten contact op te nemen.
Wat gaat u doen om te voorkomen dat de vrijheid van meningsuiting zowel nationaal als internationaal op de islamitische slachtbank van moslimintolerantie wordt geofferd?
Vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst of levensovertuiging zijn prioriteiten van het Nederlandse mensenrechtenbeleid. De Nederlandse inzet op dit gebied staat beschreven in de beleidsbrief «Respect en recht voor ieder mens» (Kamerstuk 32 735 nr. 78). Nederland voert op dit punt reeds een actief beleid in internationale gremia zoals de VN, EU en de Raad van Europa.
Bent u bereid in internationale gremia aandacht te vragen voor het gevaar dat antiracismewetten en strafrechtbepalingen over belediging van geloof en/of groepen misbruikt worden om kritiek op de islam de mond te snoeren?
Zie antwoord vraag 6.
Op welke wijze gaat u de strijd voor behoud van de vrijheid van meningsuiting vormgeven, mede in het licht van de voorgenomen toenadering tot de Organisatie Islamitische Samenwerking, die immers streeft naar een internationaal blasfemieverbod en de aanjager is van het knevelen van de vrijheid van meningsuiting in Westerse landen onder het mom van de strijd tegen «islamofobie»?
Zie antwoord vraag 6.
Het bericht dat de Joint Strike Fighter niet onzichtbaar is voor moderne Russische en Chinese radarsystemen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «JSF niet onzichtbaar voor Russische en Chinese radar» en «New U.S. Stealth Jet Can’t Hide From Russian Radar»?1
Ja.
Welke gevolgen gaat u verbinden aan de aanschaf van de Joint Strike Fighter (JSF) indien vóór de definitieve bestelling van het aantal JSF-toestellen blijkt dat het toestel niet beantwoordt aan de toegezegde stealth eigenschappen?
De F-35 zal moeten voldoen aan de gestelde operationele en technische eisen, waaronder die betreffende stealth eigenschappen. Het F-35 Joint Program Office (JPO) ziet er op toe dat dit gebeurt. Er is – zoals ook uit de door u geciteerde artikelen blijkt – sprake van een voortdurende wedloop tussen radarsystemen en technologieën waarmee radardetectie kan worden vermeden of geminimaliseerd. Deze wedloop zal ook in de komende jaren worden voortgezet. De keuze voor de F-35 is mede gemaakt op grond van de toekomstbestendigheid van het toestel. Het toestel kan worden doorontwikkeld om in te spelen op toekomstige ontwikkelingen op het gebied van radartechnologie.
Bent u bereid navraag te doen bij Lockheed Martin en het Amerikaanse Ministerie van Defensie over de berichtgeving dat moderne Russische en Chinese radarsystemen de JSF stealth eigenschappen waardeloos maken? Zo nee, waarom niet?
In beginsel ben ik daartoe bereid, maar de berichtgeving geeft daarvoor geen aanleiding. Defensie heeft doorlopend contact met het Amerikaanse ministerie van Defensie, in het bijzonder het JPO over de ontwikkeling en capaciteiten van de F-35 en beschikt daardoor over actuele en uitgebreide kennis van de operationele capaciteiten van het vliegtuig, waaronder de stealth kwaliteiten. Daarnaast volgt Defensie de ontwikkelingen op het gebied van militaire technologie, zoals radarsystemen, op de voet.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Amerikanen kennelijk dermate weinig vertrouwen hebben in de stealth eigenschappen van de JSF dat ze het toestel bij aanvalsmissies alleen op pad willen sturen met een speciale versie van de F-18, om zodoende een zwaar beveiligd luchtruim binnen te kunnen vliegen?2
In dit artikel, dat specifiek gaat over de Amerikaanse marine, komt de EA-18G Growler van Boeing aan de orde. Dit toestel is ontwikkeld voor elektronische oorlogsvoering en wordt sinds 2007 geleverd. In het operatieconcept van de Amerikaanse marine opereren F/A-18E/F toestellen samen met de EA-18G Growler.
In het artikel staan uitspraken van een bron uit de industrie die de capaciteiten van de EA-18G Growler beklemtoont. De F-35 zal in staat zijn zelfstandig missies uit te voeren in zwaar beveiligd luchtruim, het toestel is daarbij niet afhankelijk van de EA-18G Growler. De Amerikaanse luchtvloot is samengesteld uit verschillende type vliegtuigen, waaronder de F/A-18E/F/G. Dat zal zo blijven. Voor elk type missie kan Amerika dus een keuze maken uit (een combinatie van) de beschikbare typen toestellen die elkaar ondersteunen. Uit het artikel blijkt echter ook dat de Amerikaanse marine geen structureel budget voor extra EA-18G Growler toestellen heeft gereserveerd. Het artikel moet worden gezien in het licht van de congressionele behandeling van de Amerikaanse defensiebegroting.
Deelt u de mening dat de JSF inmiddels niet meer het toestel is dat stond in de verkoopcatalogus, waar dit kabinet zich zo blind op staarde? Kunnen we nog wel spreken van een vijfde generatie gevechtsvliegtuig?
Nee. Afgaande op de reeds gemaakte vorderingen in het F-35 programma zal het toestel, dat nog wel in ontwikkeling is, voldoen aan de gestelde operationele en technische eisen. Het JPO ziet er op toe dat die eisen worden gehaald. Zodoende zal het toestel de zes door Nederland bepaalde missie-typen kunnen uitvoeren.
Ja, de F-35 is een vijfde generatie gevechtstoestel.
De invoering van de sharia in Brunei |
|
Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Shariawetgeving Brunei donderdag van kracht»?1
Ja.
Klopt het dat vanaf donderdag de sharia van kracht zal zijn in Brunei? Zo ja, deelt u de afschuw van dit gegeven?
Ja, de strafrechtelijke bepalingen van de «Syariah Penal Code» (SPC) zullen in drie fasen worden ingevoerd. De eerste fase ging op 30 april in, het betreft daarin overtredingen die tot een geldboete of gevangenisstraf kunnen leiden.
In de bijeenkomst met Brunei Darussalam in het kader van «Universal Periodic Review» van de UNHRC op 2 mei 2014 werden de Nederlandse zorgen geuit over de invoering van de SPC en bepleit dat deze wet in overeenstemming met internationale standaards voor mensenrechten voor alle burgers wordt ingevoerd.
Kunt u aangeven hoeveel Nederlanders zich momenteel in Brunei bevinden?
Momenteel bevinden zich ca. 375 Nederlanders in Brunei Darussalam.
Klopt het dat de sharia-wetgeving in Brunei ook zal gelden voor niet-moslims? Zo ja, in welke opzichten zal dit zo zijn?
De sharia-wetgeving is van toepassing op zowel moslims als niet-moslims, tenzij daarover expliciete bepalingen in de SPC zijn opgenomen, en strekt zich ook uit tot buitenlanders die in Brunei Darussalam verblijven en niet-islamitische ingezetenen van het land. Bepaalde delen van de sharia-wetgeving gelden uitsluitend voor moslims. Het ontbreekt vooralsnog aan eenduidige regels die van toepassing zijn op niet-islamitische buitenlanders.
Welke maatregelen zullen er getroffen worden om te voorkomen dat landgenoten berecht kunnen worden onder de primitieve islamitische wetgeving?
In nauw contact met de in Brunei Darussalam gevestigde ambassades van EU-lidstaten en het daar gevestigde internationale bedrijfsleven zal worden beoordeeld hoe de invoering en handhaving van de nieuwe wetgeving zich zal ontwikkelen. In contacten met Brunei Darussalam zullen nadere vragen ter verduidelijking m.n. op het punt van de toepasbaarheid op niet-moslims worden gesteld.
In de informatieverschaffing aan Nederlandse burgers reizende en/of verblijvende in Brunei Darussalam zal worden gewezen op het toegenomen risico persoonlijk in een strafrechtelijke procedure op grond van de SPC betrokken te raken.
Aparte berechting voor Veteranen |
|
Angelien Eijsink (PvdA) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten «Veteranen willen aparte berechting» en «Veteranen met trauma’s verdienen eigen rechtbank»?1 2
Ja.
Beschikt u over statistische gegevens van het aantal veteranen welke jaarlijks in aanraking komen met justitie? Zo ja, hoe gebruikt u deze informatie? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Ik beschik niet over statistische gegevens over het aantal veteranen dat jaarlijks in aanraking komt met justitie. Wel heb ik de beschikking over het rapport «Politie in aanraking met veteranen» uit 2011. Dit rapport geeft de resultaten weer van onderzoek uitgevoerd door de politieregio Kennemerland, de Politieacademie en het Veteraneninstituut. Het onderzoek heeft aangetoond dat veteranen niet vaker, maar juist minder vaak betrokken zijn bij strafrechtelijke incidenten in vergelijking met de referentiegroep van Nederlandse mannen van twintig jaar en ouder. De conclusie van het onderzoek is dat de bevindingen geen aanleiding vormen om nadere doelgerichte maatregelen te nemen. Ik acht aanvullend onderzoek dan ook niet nodig.
Zijn er statistische gegevens beschikbaar van het aantal veteranen dat jaarlijks in aanraking komt met justitie, waarvan is vastgesteld dat zij psychisch beschadigd zijn (PTSS)? Zo ja, hoe gebruikt u deze informatie? Zo nee, bent u dan bereid onderzoek daarnaar te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Houden commune strafrechters voldoende rekening met een dienst gerelateerd trauma van een veteraan? Zo ja, wat is het verschil op dit punt met de Militaire Kamers van de rechtbank en het Hof in Arnhem?
Indien een veteraan als verdachte van een strafbaar feit wordt aangemerkt wordt zijn zaak behandeld bij een van de commune gerechten. Commune strafrechters houden, net als in het militaire recht zoals dat wordt toegepast in de Militaire Kamers van de rechtbank en Hof in Arnhem, altijd rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachten, ook als het gaat om psychische aandoeningen die hun oorzaak vinden in militaire acties. Als er aanwijzingen zijn dat verdachten psychische problemen ondervinden, worden in het strafrecht frequent deskundigen ingezet zoals psychologen en psychiaters. Strafrechters zijn daarmee vertrouwd.
Biedt het strafrecht voldoende middelen om naast het opleggen van een straf ook een passend behandeltraject op te leggen aan de veteraan met een dienst gerelateerd trauma? Zo ja, kunt u dat nader toelichten? Kan deze zorg in alle penitentiaire inrichtingen worden geboden?
Het strafrecht biedt voldoende middelen om een passend behandeltraject op te leggen. De rechter kan bijvoorbeeld in het kader van de voorwaardelijke veroordeling als bijzondere voorwaarde opleggen dat betrokkene moet worden opgenomen in een zorginstelling, zich verplicht onder behandeling dient te laten stellen van een deskundige of zorginstelling of moet verblijven in een Regionale Instelling voor Beschermd Wonen. Ten behoeve van de beoordeling door de rechter wordt, indien sprake is van een zorgvraag bij betrokkene, een indicatiestelling afgegeven door de reclassering of het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Met deze indicatie wordt de zorg- en beveiligingsbehoefte in kaart gebracht. Op basis daarvan kan de rechter in het kader van een voorwaardelijke sanctie op de persoon toegesneden voorwaarden stellen. Ook in detentie staat de persoonsgerichte aanpak centraal. Dat betekent dat de gedetineerde bij binnenkomst wordt gescreend. Daar hoort ook een medische intake bij, waarbij zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de gegevens die bij ketenpartners over betrokkene bekend zijn. Op basis van deze screening wordt een detentie- en re-integratieplan opgesteld voor betrokkene. In het kader daarvan wordt ook vastgesteld in hoeverre betrokkene (forensische) zorg nodig heeft. Zo is in detentie sprake van een laagdrempelige toegang tot een psycholoog en is in iedere P.I. een EZV (extra zorgvoorziening) ingericht. Als betrokkene meer geestelijke gezondheidszorg nodig heeft dan de basiszorg biedt, wordt een indicatie afgegeven voor forensische zorg. Dit kan in de vorm van ambulante zorg die door de GGz binnen detentie wordt verleend en in de vorm van klinische zorg. Indien klinische zorg is aangewezen geldt het principe dat betrokkene naar de GGz wordt toegeleid, tenzij veiligheidsoverwegingen zich hiertegen verzetten. De hierboven toegelichte persoonsgerichte aanpak binnen detentie maakt een op doelgroepen gericht specifiek beleid onnodig.
Het bovenstaande laat onverlet dat de zorgplicht van Defensie met zich mee brengt dat een veteraan te allen tijde een beroep kan doen op het Veteranenloket ter ondersteuning van zijn zorgbehoefte.
Indien een veteraan met een dienstgerelateerd trauma in detentie verblijft, kan hem dan direct de nodige behandeling en zorg worden geboden? Zo ja, kunt u nader beschrijven waaruit die behandeling en zorg uit kan bestaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de ervaringen van de zogenoemde «Russell rechtbanken» in de Verenigde Staten? Zo ja, kunt u die kennis delen met de Kamer? Zo nee, op welke wijze gaat u informatie verwerven bij uw Amerikaanse ambtgenoot?
Ik ben bekend met de ervaringen van de zogenoemde «Russell rechtbanken». Gelet op de bevindingen van de rapportage «Politie in aanraking met veteranen» van juni 2011 ben ik van mening dat we niet moeten streven naar het instellen van speciale rechtbanken voor veteranen. De conclusies van dit rapport nopen niet tot het treffen van bijzondere maatregelen. Bovendien zijn er binnen het commune recht afdoende mogelijkheden om recht te doen aan dienst gerelateerde trauma’s van veteranen.
Wat is uw visie op het instellen van een dergelijke rechtbank, die gelet op de aard van de problematiek, dienstbaar zou kunnen zijn aan alle geüniformeerden in overheidsdienst in gelijke omstandigheden?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe staat u tegenover het voorstel van de advocaten S.M. Diekstra en R.G. van der Laan om een speciale rechterlijke voorziening te treffen voor de berechting van veteranen met een dienst gerelateerd trauma? Bent u bereid te laten onderzoeken wat de meerwaarde van een speciale rechterlijke voorziening kan zijn bij de berechting van veteranen met een dienst gerelateerd trauma? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Op welke wijze geeft de reclassering invulling aan de terugkeer in de maatschappij van de veteranen? Ziet u hier mogelijkheden voor verbetering of aanpassing?
De invulling van het reclasseringstoezicht is afgestemd op de persoon van de dader. Hierbij staan de kans op recidive, factoren die aanleiding geven tot delict gedrag en factoren die delict gedrag kunnen voorkomen centraal. Op basis van een wetenschappelijk diagnose-instrument wordt de kans op recidive en de factoren die aanleiding geven tot delict gedrag bepaald. Naar aanleiding van deze risico-inventarisatie wordt een op maat gemaakt plan van aanpak opgesteld. Dit plan van aanpak bevat interventies die zijn gericht op de factoren die aanleiding geven tot delict gedrag én op het verminderen en voorkomen van recidive. Er is geen specifieke vorm van reclasseringstoezicht voor veteranen. Dit is ook niet noodzakelijk, want ieder reclasseringstoezicht is al afgestemd op de persoon van de dader en zijn/haar kenmerkende problematiek. Ik acht de afstemming van het reclasseringstoezicht op de persoon van de dader voldoende en zie geen aanleiding tot verbetering of aanpassing van het reclasseringstoezicht.