De misstanden op en rondom Indiase theeplantages |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de schrijnende conclusies uit het onderzoek «The bitter stories behind the UK national drink», die door het Britse BBC News en Radio 4’s File on Four op 8 september jl. zijn gepubliceerd?1 2
Ja.
Bent u op de hoogte van de misstanden op en rondom de theeplantages in het noordoosten van India, waar onder andere Unilever inkoopt? Zo ja, sinds wanneer?
Ja, sinds de publicatie van verschillende artikelen over het bovengenoemde onderzoek.
Wat is uw oordeel over de reactie van Unilever op het onderzoek, dat ondanks de door Unilever doorgevoerde verbeteringen er nog veel moet gebeuren?
Unilever erkent de problemen en het feit dat het langdurige processen zijn om, in nauwe samenwerking met haar partners in de keten, verbeteringen door te voeren en te laten beklijven. Unilever heeft laten zien met toewijding en lange adem te werken aan het tegengaan van misstanden in hun toeleveringsketen. Dit soort onderzoeken houdt Unilever en andere bedrijven scherp. Certificering door vrijwillige duurzaamheidsstandaarden zoals Rain Forest Alliance, kan echter geen 100% zekerheid bieden voor uitsluiting van misstanden. Binnen ISEAL-verband werken keurmerken zoals Rain Forest Alliance aan continue verbetering van hun standaard en verificatie. Het feit dat onlangs een groot keurmerk de certificering van een aantal grote Indiase plantages heeft ingetrokken laat zien dat dit zelfcorrigerende mechanisme werkt.
Op welke wijze kunt u met multinationals als Unilever dergelijke mensonterende misstanden, waaronder kinderarbeid, gebrek aan hygiëne en het ontbreken van een leefbaar loon, aanpakken? Kunt u daarbij, zoals uw beleid voorschrijft aan de hand van de OESO-richtlijnen, toelichten waar volgens u de verantwoordelijkheid van het bedrijf en die van de Nederlandse overheid elkaar raken?
Ondernemingen en overheden hebben verschillende verantwoordelijkheden op basis van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights. Wanneer een onderneming een risico op het veroorzaken van een ongunstig effect in de context van haar toeleveringsketen identificeert behoort zij de noodzakelijke stappen te ondernemen om dat effect af te wenden of te voorkomen. Overheden hebben de verantwoordelijkheid bescherming te bieden tegen mensenrechtenschendingen door derde partijen binnen het eigen territorium en jurisdictie. De Nederlandse overheid kan andere overheden op deze verantwoordelijkheid aanspreken.
Om misstanden in internationale productieketens aan te pakken streeft de Nederlandse overheid naar IMVO-convenanten binnen de Nederlandse sectoren met grote IMVO-risico’s in de productieketen. De voedingsmiddelensector is één van deze sectoren. Deze sector zet momenteel de eerste stappen om, aanvullend op bestaande duurzaamheidsinitiatieven in de sector, in samenwerking met IDH en in dialoog met relevante stakeholders, een overkoepelend convenant op te stellen waarin belangrijke sociale en ecologische thema’s worden uitgewerkt.
De structurele problemen in de Indiase theesector hebben verschillende oorzaken. Om deze problemen effectief te kunnen aanpakken is samenwerking tussen alle relevante partijen, te weten de Indiase overheid, theeproducenten, het (internationale) bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties, vereist. Het IMVO-convenant van de voedingsmiddelensector kan daaraan mogelijk bijdragen.
Welke rol en verantwoordelijkheid hebben lokale spelers, waaronder de Indiase overheid wiens wet volgens het onderzoek wordt ondermijnd?
Lokale spelers hebben vanzelfsprekend een grote rol. Zo hebben lokale werkgevers de plicht te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden voor hun werknemers en heeft de lokale overheid de plicht te zorgen voor een goede naleving van wetgeving op dit terrein. In de praktijk ontbreekt het echter vaak aan voldoende implementatie en naleving van wetgeving.
Vindt u dat de Nederlandse overheid afdoende zicht heeft op de mate waarin Nederlandse multinationals de OESO-richtlijnen naleven in hun productieketens? Zo nee, welke stappen gaat u nemen om daar meer inzicht in te krijgen?
Nederlandse multinationals kunnen nog stappen zetten ten aanzien van transparantie over de naleving van de OESO-richtlijnen. Vanuit de overheid wordt dit via verschillende maatregelen gestimuleerd. De overheid zet zich in voor de eerder genoemde IMVO-convenanten. Binnen deze convenanten maken bedrijfssectoren in multi-stakeholderverband afspraken over hoe IMVO-risico’s aangepakt en voorkomen kunnen worden. Hierbij wordt het SER advies «IMVO-convenanten» gevolgd, dit advies stelt dat transparantie één van de kernelementen is voor een effectief IMVO-convenant.
Verder stimuleert de overheid transparantie over MVO met de Transparantiebenchmark. Deze meet jaarlijks de transparantie in (maatschappelijke) verslaggeving van circa 500 van de grootste in Nederland actieve bedrijven. Hieraan is de Kristalprijs gekoppeld, die in samenwerking met de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) wordt uitgereikt voor het beste verslag. Uit de evaluatie (2013) is gebleken dat de Transparantiebenchmark een effectief en kostenefficiënt instrument is dat bijdraagt aan een toename van de transparantie in maatschappelijk verslaglegging en bij de helft van de onderzochte bedrijven bijdraagt aan een beter MVO-beleid.
Tot slot zal de EU-richtlijn over de bekendmaking van niet-financiële informatie (richtlijn 2014/95/EU) grote organisaties van openbaar belang (beursvennootschappen, banken en verzekeraars) met meer dan 500 werknemers verplichten (volgens het pas toe of leg uit principe) te rapporteren over hun beleid ten aanzien van milieu, mensenrechten, sociaal beleid, corruptie en omkoping. Zij kunnen hierbij gebruik maken van de OESO-richtlijnen. Uiterlijk 6 december 2016 moet deze EU-richtlijn zijn uitgewerkt in nationale regelgeving. Naar schatting zullen circa 115 Nederlandse organisaties onder deze verplichting vallen.
Daarnaast heeft de Nederlandse overheid overeenkomstig de OESO-richtlijnen een Nationaal Contactpunt (NCP) ingesteld waar personen, maatschappelijke organisaties of bedrijven terecht kunnen met meldingen over de toepassing van deze richtlijnen. Wanneer een melding ontvankelijk wordt verklaard, helpt het NCP bij het vinden van een oplossing. De uitkomst van een procedure wordt openbaar gemaakt. Op die manier wordt ook via dit kanaal bijgedragen aan inzicht over naleving van de OESO-richtlijnen.
De Europese migratieproblematiek |
|
Linda Voortman (GL), Joël Voordewind (CU), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Marianne Thieme (PvdD) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bij welke EU-lidstaten is de grens van opvang en asielverlening al overschreden?1
In de brief wordt gesproken van de grenzen van het stelsel. Dat is niet gelijk te stellen met de grenzen die op dit terrein voor elk land zouden gelden en betreft evenmin een louter cijfermatige grens. De vaak vreselijke beelden en berichten die in de afgelopen maanden in de media te zien waren, waaronder mensensmokkel, verstikking en verdrinking van migranten, zijn naar het oordeel van het kabinet een duidelijk teken dat het huidige stelsel zijn grenzen bereikt.
Kunt u aangeven waar die grens ligt en in hoeverre een EU-lidstaat zelf invloed heeft op deze grens?
Zie antwoord vraag 1.
Is de genoemde 110 miljoen euro bijdrage aan opvang in de regio extra geld of komt dit uit het bestaande noodhulpfonds?
Het Kabinet heeft 110 miljoen euro extra beschikbaar gesteld voor opvang in de Syrië regio. Dit wordt gedekt door het naar voren halen van middelen uit het ODA-budget die «vrij» besteedbaar zijn als gevolg van de groei van het BNP in toekomstige jaren.
Welke belangrijke transitlanden heeft u op het oog die opvang moeten bieden aan veilig en adequaat toegeruste gastgemeenschappen van een meer structurele aard?
In de komende weken vindt in EU-kader nader overleg plaats over de kabinetsplannen voor de korte en middellange termijn. Zodra in Europees verband de ideeën concreter vorm krijgen, kunnen we de plannen verder uitwerken samen met relevante opvanglanden, zoals de buurlanden van Syrië.
Zijn deze genoemde belangrijke transitlanden al benaderd of zij openstaan voor een dergelijke rol, zo ja, wat was de reactie? Zo nee, gaat dit nog wel gebeuren voordat Nederland dit standpunt in de Europese Raad uit gaat dragen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaan deze adequaat toegeruste gastgemeenschappen gerealiseerd en gefinancierd worden?
Een uitzichtloos verblijf in opvangkampen en geïmproviseerde verblijven moet worden vervangen door opvang in belangrijke transitlanden in veilig en adequaat toegeruste gastgemeenschappen van semipermanente aard. Er wordt al veel gedaan op dit terrein, zowel door landen van opvang zelf als door de hulporganisaties. Er is echter een groot tekort aan geld. Slechts 38% van het budget dat de VN nodig heeft voor het verlenen van humanitaire hulp in Syrië en de omringende landen is daadwerkelijk beschikbaar gesteld. Vluchtelingen ondervinden hiervan direct de consequenties: het Wereldvoedselprogramma heeft vanwege de financiële tekorten bijvoorbeeld flink moeten snijden in de voedseltoelagen voor vluchtelingen.
Het is van groot belang dat dit financiële gat zo spoedig mogelijk wordt gedicht om de vluchtelingen een veilig en humaan bestaan te bieden. Daarnaast zijn er investeringen nodig in infrastructuur en publieke voorzieningen om ook op de middellange termijn perspectief te kunnen bieden aan vluchtelingen en gastgemeenschappen. Volgens cijfers van UNICEF gaan 700.000 Syrische kinderen in Jordanië, Libanon en Turkije op dit moment niet naar school, vooral vanwege het overbelaste schoolsysteem. Momenteel wordt gekeken naar mogelijkheden om Libanon en Jordanië, landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen, toegang te geven tot concessionele leningen van o.a. Wereldbank, IMF en EBRD, mogelijk aangevuld met directe financiële steun. Daarnaast zal voldoende expertise beschikbaar gesteld moeten worden voor het aanpakken van problemen met publieke voorzieningen en door te investeren in scholing en werkgelegenheid. In dit kader financiert Nederland reeds programma’s in Libanon en Jordanië voor onderwijs, drinkwater en afvalverwerking voor vluchtelingen én de lokale bevolking. Nederland zet tevens in op innovatie van humanitaire hulp (zoals overschakelen naar cash hulp) om daarmee de kwaliteit en beschikbaarheid van deze hulp te vergroten.
Uiteindelijk zal de financiering van adequate, semipermanente opvang uit verschillende bronnen moeten komen. Dat zal een combinatie zijn van eigen middelen van opvanglanden, bijdragen van de EU en internationale organisaties als de Wereldbank en bijdragen van donoren zoals Nederland. Bezien zal moeten worden in hoeverre geld binnen de EU-begroting kan worden gevonden middels herprioritering. Zoals gesteld in de brief2 van 8 september jl. zal het kabinet aanvullende voorstellen uitwerken en hiervoor de komende periode structureel extra middelen voor reserveren.
Zoals uiteengezet in de kabinetsbrief van 8 september zijn de drijfveren voor veilige derde landen om vluchtelingen op te nemen de hulp en economische investeringen in die derde landen (die ook de lokale bevolking ten goede komen) gepaard met solide hervestiging, wat tevens een mate van burden-sharing met deze derde landen vormt.
Hoeveel besparingen verwacht u wanneer minder migranten doorreizen en asiel aanvragen in de EU?
Dit is in deze fase niet te kwantificeren.
Hoe werkt het zogenaamde overdrukventiel van hervestiging van vluchtelingen naar Europa op de regionale veilige opvang? Kunt u dit cijfermatig toelichten?
De EU moet op grotere schaal hervestigen dan de thans voorgenomen aantallen. Let wel, deze maatregel staat niet op zich. Door de kwaliteit van opvang in de regio te verbeteren en vluchtelingen ter plaatse betere perspectieven te geven, zullen minder mensen doorreizen en asiel aanvragen in de EU. Bovendien kunnen asielzoekers die afkomstig zijn uit regio’s waar veilige opvang beschikbaar is, na een snelle afwijzing teruggestuurd worden naar de eigen regio wanneer ze toch naar Europa komen. De noodzaak om asielzoekers binnen de EU te herverdelen op grond van herplaatsing zal daardoor afnemen. Dat betekent dat hervestiging de voornaamste mogelijkheid zou zijn om opvang en bescherming in de EU te genieten. Dat moet dan ook om een solide hervestigingsprogramma gaan. Hoeveel precies, zal onderwerp van bespreking binnen de EU en met opvanglanden moeten zijn. Dit komt ook uit de Voorzitterschapsconclusies van de JBZ-Raad van 14 september jl. naar voren.
Kan er uit uw brief worden opgemaakt dat er geen vluchtelingen naar Europa meer mogen komen tenzij dit zogenaamde overdrukventiel gebruikt wordt?
Nee, zoals in de brief staat aangegeven worden aanvragen van vluchtelingen uit delen van de wereld waar geen veilige opvang beschikbaar is in Europa inhoudelijk in behandeling genomen.
Kunt u juridisch onderbouwen waarom dit geen schending van het VN Vluchtelingenverdrag zal zijn?
Het VN vluchtelingenverdrag, en het daarin vastgelegde verbod op non-refoulement, sluit niet uit dat personen worden gestuurd naar een veilig gebied buiten Europa. Zoals gesteld in de kamerbrief van 8 september jl., zullen alleen personen worden teruggestuurd als zij uit delen van de wereld komen waar veilige opvang en adequate procedures beschikbaar zijn. Dit is ook opgenomen in paragraaf 15 van de conclusies van het Voorzitterschap n.a.v. de JBZ-Raad van 14 september jl. Ook de Procedurerichtlijn van de EU, die vanzelfsprekend voldoet aan de vereisten van het Vluchtelingenverdrag, voorziet erin dat een asielaanvraag niet-ontvankelijk kan worden verklaard als er een veilig derde land is. Vereisten daarbij zijn onder andere dat overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag het beginsel van non-refoulement in dat land gerespecteerd wordt, en de mogelijkheid bestaat om bescherming te ontvangen.
Welke mate van burden sharing is nodig teneinde draagvlak te creëren en de regio te ontlasten?
Zie antwoord vraag 6.
Wat acht u een realistisch vastgesteld quotum voor dit jaar voor de gehele EU?
Voor 2015 en 2016 heeft de Europese Commissie gepleit voor een te hervestigen aantal van 20.000 in het kader van een EU hervestigingsprogramma. De lidstaten gezamenlijk hebben zich hieraan gecommitteerd in Raadsconclusies.
Hoe bent u gekomen tot dit vastgestelde quotum? Kunt u inzicht bieden in het vaststellingsproces hiervan?
Zie antwoord vraag 12.
Hoe verwacht u dat de UNHCR voordrachten gaat formuleren en op welke criteria zal dat moeten gebeuren?
Met de UNHCR zal moeten worden bezien of en in hoeverre de huidige werkwijze aanpassing behoeft. Gelet op de schaalvergroting zou UNHCR intensiever ondersteund kunnen worden in dit proces door middel van het ontwikkelen van een «hotspot» aanpak. Het is niet bij voorbaat evident dat de criteria die de UNHCR nu hanteert aanpassing behoeven. Wel is het mogelijk dat in aanvulling daarop EU-lidstaten voorkeursprofielen opstellen.
In hoeverre is het niet inhoudelijk in behandeling nemen van een asielverzoek en het terugsturen van een asielzoeker in overeenstemming met artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens?
Mits er geen sprake is van (indirect-) refoulement past dit voorstel binnen de kaders van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Op basis van de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, staat Artikel 3 EVRM in de weg aan het terugsturen van een asielzoeker wanneer er substantiële gronden zijn om aan te nemen dat er een reëel risico is dat de betreffende persoon zal worden onderworpen aan foltering of aan onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Dit verbod bestaat onafhankelijk van de vraag of een eventueel asielverzoek inhoudelijk in behandeling is genomen.
Wat zijn de drijfveren van de veilige derdelanden om bescherming te bieden aan asielzoekers wier verzoek de EU niet inhoudelijk in behandeling wil nemen?
Zie antwoord vraag 6.
In welke delen van de wereld is geen veilige opvang beschikbaar?
Daar is in deze fase niet definitief op vooruit te lopen en dit zal in tijd ook kunnen verschillen. Landen die nu op onderdelen nog niet kwalificeren als veilig land, zouden met aanvullende investeringen en daartoe strekkende afspraken alsnog kunnen kwalificeren.
Moet er om vast te stellen waar een asielzoeker vandaan komt en wat zijn of haar asielgrond is niet eerst ook opvang geboden worden en capaciteit aanwezig zijn om dit vast te stellen? Hoe verhoudt zich dat tot de door uw verwachte besparingen die optreden wanneer minder migranten doorreizen en asiel aanvragen in de EU?
Ja, er zal in die situatie opvang worden geboden. Echter dit zal van korte duur zijn, omdat het gaat om een (niet-) ontvankelijkheidsbeoordeling die snel kan plaatsvinden. Wanneer asielzoekers weten dat zij na een snelle procedure worden teruggebracht naar de regio waar zij vandaan zijn gekomen, zal dit naar verwachting bovendien een sterk drukkend effect op de instroom hebben.
Wanneer verwacht u het beschreven essentiële eindpunt van de EU bereikt te hebben?
Het kabinet heeft in de brief van 8 september een einddoel geformuleerd om een koerswijziging in het Europese beleid tot stand te brengen. De steun voor de Nederlandse ideeën bij de JBZ-Raad van 14 september vormt een belangrijk eerste resultaat. Het is nu zaak hier in Europees en internationaal verband actief verder vorm aan te geven. Uiteraard is de volledige uitvoering hiervan niet alleen afhankelijk van de besluitvorming binnen de EU, maar ook van de overeenstemming met de betreffende derde landen. Daarom heeft het kabinet ook een visie neergelegd voor de tussenliggende fase.
Hoeveel EU-lidstaten moeten zich committeren aan dit einddoel voordat de tussenfase ingezet kan worden?
Brede overeenstemming is nodig over de elementen investeringen ten behoeve van goede opvang in de regio, solide hervestiging en een snelle afwijzing in de EU op veilige derde landen gronden gevolgd door terugkeer naar de regio om zo het cynische business-model van de mensensmokkelaars te ontmantelen en de instroom te verminderen. Met de bespreking van de tussenfase zoals omschreven in de brief van 8 september jl. kan wat Nederland betreft meteen een start worden gemaakt in verband met de thans voorliggende Commissievoorstellen.
Wanneer acht u een EU-idstaat voldoende gecommitteerd?
Zie antwoord vraag 20.
Aan welke componenten uit deze voorstellen moet tenminste voldaan worden voordat de tussenfase ingezet kan worden?
Zie antwoord vraag 20.
Welke termijn verbindt u aan deze tussenfase?
Zie antwoord vraag 20.
Welke concrete voorwaarden zijn er aan verbonden voordat de voorgestelde 7214 vluchtelingen kunnen worden opgenomen?
Naast de eerder genoemde voorwaarden van goede registratie en afname van vingerafdrukken bij binnenkomst als onderdeel van effectieve hotspots, zal Nederland verlangen dat iedere lidstaat zijn aandeel neemt. Bovendien is EU commitment aan het einddoel, zoals beschreven in de brief aan uw Kamer over de Europese asielproblematiek d.d. 8 september jl., een voorwaarde voor een succesvolle tussenfase. Het is namelijk door brede overeenstemming te bereiken over een dergelijk eindperspectief dat het nemen van tussentijdse stappen effectief kan zijn. Genoemd einddoel is opgenomen in de conclusies van het Voorzitterschap n.a.v. de JBZ Raad van 14 september jl. Over dit aspect bleek in de Raad consensus te bestaan.
Op welke termijn bent u van plan de Europese buitengrenzen te sluiten voor asielaanvragen van buiten Europa gedurende deze fase?
De Europese Unie staat onder een groeiende immigratiedruk waarvan de verwachting is dat deze op korte termijn niet zal afnemen. Het is noodzakelijk om de duurzaamheid van het bieden van internationale bescherming te borgen door middel van het vinden van gezamenlijke, deels nieuwe oplossingen. Zoals gesteld in de kamerbrief van 8 september jl., dienen derde landen te worden ondersteund om het perspectief in de regio van eerste opvang te vergroten, teneinde het model van risicovolle doorreis te doorbreken. Wanneer semipermanente opvang in de regio beschikbaar is, kunnen asielaanvragen van mensen die toch via andere wegen de EU bereiken, niet-ontvankelijk worden verklaard op veilige derde landen gronden en worden teruggebracht naar deze landen. Asielaanvragen van mensen die niet naar een veilig derde land kunnen worden teruggebracht, worden inhoudelijk behandeld in de EU. Van het sluiten van Europese buitengrenzen voor asielaanvragen is geen sprake. Voor het beter beheersbaar maken van de migratiestromen blijft effectieve grensbewaking uiteraard wel van groot belang, zoals ook opgenomen in paragraaf 2 van de conclusies van het Voorzitterschap n.a.v. de JBZ-Raad van 14 september jl.
Hoe ziet een geschikte Europese verdeelsleutel eruit? Wanneer wordt er voldoende rekening gehouden met de absorptiecapaciteit van een land?
In de verdeelsleutel die onderdeel uitmaakte van het eerdere, reeds aangenomen, Commissievoorstel werd relatief weinig rekening gehouden met de reeds gepleegde asielinspanningen van de lidstaten. Ik zou graag zien dat dat een belangrijkere plek in de verdeelsleutel krijgt. Tegelijk is duidelijk dat er geen wetenschappelijk optimum is bij het opstellen van een verdeelsleutel. Veel zal uiteindelijk aankomen op een redelijk debat met ruimte voor alle belangen en argumenten.
Waarom wordt er in deze voorgestelde tussenfase nog gebruik gemaakt van de bestaande Dublin-verordening, al dan niet met uitzonderingen?
In die tussenfase is de Dublin-verordening eerder belangrijker dan minder belangrijk. Als asielzoekers billijk over de EU worden verdeeld dan is de Dublin-verordening de manier om die verdeling te handhaven. Wel zal een aanpassing van de Dublin-verordening nodig zijn om die verdeling in de verordening in te brengen.
Kunt u onderbouwen waarom herplaatsing de voedingsbodem weg zou nemen voor mensensmokkel binnen de EU?
Mensensmokkel binnen de EU vindt nu plaats omdat migranten zich bewegen naar het EU-land van de eigen voorkeur. Met herplaatsing krijgt de asielzoeker een verantwoordelijke lidstaat toegewezen, onafhankelijk van het land van aanmelding. De asielzoeker kan zo niet meer het eigen voorkeursland bepalen en het illegaal doorreizen heeft dan ook geen doel meer. In het Raadsbesluit tot vaststelling van voorlopige maatregelen op het gebied van internationale bescherming ten gunste van Italië, Griekenland en Hongarije, stelt de Europese Commissie een aantal specifieke waarborgen en verplichtingen voor om secundaire migratiestromen na herplaatsing te beperken.
Is niet de verwachting dat juist mensensmokkelaars in de hand worden gespeeld als statushouders binnen de EU niet meer legaal mogen reizen?
Statushouders mogen momenteel reizen binnen de EU en dat verandert met deze aanpak niet. Voor smokkel van statushouders is dus geen enkele aanleiding. Statushouders mogen zich overigens momenteel niet vrijelijk vestigen in andere Lidstaten en dat blijft ook het geval.
Kunt u de contouren aangeven wat u binnen de grenzen van het redelijke en het haalbare acht teneinde rekening te houden met de persoonlijke voorkeuren van een persoon?
Het huidige uitgewerkte voorstel voor herplaatsing van 40.000 asielzoekers uit Italië en Griekenland biedt hiervoor reeds de nodige aanknopingspunten. Mogelijk dat dit nog nadere uitwerking in EU-verband zal krijgen. Een uitgangspunt dat in elk geval voorop moet staan is de eenheid van het gezin. Een voorkeur omdat een gezinslid al in een bepaalde lidstaat verblijft, zal dan ook als regel gehonoreerd moeten worden. Ook aspecten als arbeidsmarktperspectief voor een specifiek beroep en/of taalgebied zouden een rol moeten kunnen spelen, maar niet per se als hard criterium. Deze aspecten zouden bijvoorbeeld als leidend kunnen gelden voor zover de te verdelen aantallen daardoor niet in het gedrang komen. De uitvoerbaarheid van het stelsel zal hierbij een essentiële rol spelen.
Als het voornaamste obstakel voor terugkeer het gebrek aan medewerking van bepaalde derdelanden is, waarom wordt er dan wel uitgegaan van bereidheid van derdelanden om vluchtelingen op te nemen in plaats van de EU?
De meeste derde landen werken in voldoende mate mee aan terugkeer. De inzet van het kabinet is om in EU-verband een versterkte samenwerking op migratieterrein te realiseren met belangrijke landen buiten de EU. EU-ondersteuning van deze landen bij de aanpak van de uitdagingen op migratieterrein dient gepaard te gaan met goede samenwerking op terreinen als terugkeer en de aanpak van mensensmokkel en -handel. Voor de uitwerking van de kabinetsvoorstellen voor opvang in de regio denkt het kabinet in eerste instantie aan landen waarmee al een goede samenwerking op migratieterrein bestaat. Hulp en economische investeringen in deze landen (die ook de lokale bevolking ten goede komen) in combinatie met solide hervestiging zullen eveneens de samenwerking op terugkeer stimuleren.
Bent u bereid deze vragen voor woensdagavond 9 september 18.00 uur te beantwoorden?
De vragen zijn zo spoedig als mogelijk was beantwoord.
Het bericht “EU Squeezed $7.8 Billion Greek Bridge Loan Via ESM Loophole” |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «EU Squeezed $ 7.8 Billion Greek Bridge Loan Via ESM Loophole»? Klopt het dat de bruglening, die Griekenland deze zomer ontving in aanloop naar het derde pakket, op de wijze is vormgegeven zoals weergegeven in het artikel?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit artikel.
Op 17 juli heeft de Raad van Ministers besloten om 7,16 miljard euro brugfinanciering van het European Financial Stabilisation Mechanism (EFSM) toe te kennen aan Griekenland. De Tweede Kamer is hierover geïnformeerd per brief (kenmerk BFB 2015–88M). In deze brief is nader toegelicht welke voorwaarden hierbij gelden en hoe het risico voor de brugfinanciering is afgedekt. Hierbij geldt dat Griekenland zelf uiteindelijk het risico draagt doordat het gekort zal worden op uitkeringen uit EU fondsen als er onverhoopt wanbetaling zou optreden.
In het kader van een EFSM-programma kan de Europese Commissie vervolgens, zoals is vastgelegd in art. 2 van Council Regulation 407/2010, zelf kapitaal ophalen op de kapitaalmarkt of bij financiële instituties om dit programma te financieren. Zoals vermeld in het artikel van Bloomberg heeft de Commissie in dit geval het benodigde kapitaal verkregen door een belegging van het ESM. Het ESM heeft dit gedaan als onderdeel van het reguliere beleggingsbeleid. Zoals bekend heeft de Europese Commissie een zeer hoge kredietwaardigheid (zie ook het antwoord op vraag 2).
Heeft het ESM dus eigenlijk gewoon € 7 miljard aan Griekenland geleend en dat via het EFSM laten lopen in een periode dat het ESM niet aan Griekenland mocht lenen omdat er geen overeenstemming was?2
Nee. Het ESM heeft een lening verstrekt aan de Europese Commissie, had dus een vordering op de Commissie en is verder geen partij bij de bestemming die de Europese Commissie kiest voor het geleende geld. Het gaat hier uitdrukkelijk om een transactie die onderdeel uitmaakt van de beleggingsstrategie van het ESM en niet om financiële steun aan een lidstaat.
Het ESM plaatst voortdurend kapitaal bij andere instellingen en banken om de doelstellingen zoals verwoord in de ESM Guidelines on Investment Policy 3 te behalen. Dit document is met de Tweede Kamer gedeeld op 1 oktober 2012 (zie Kamerbrief met kenmerk BFB 2012–16719M).4 Eén van de beleggingsdoelstellingen van het ESM is om de waarde van het ESM kapitaal te behouden. Om dit te bereiken belegt het ESM in instellingen met minimaal een AA kredietrating. De EU is met een AAA rating bij Moody’s en Fitch en een AA+ rating bij Standard & Poor’s één van de instellingen waar het ESM kapitaal plaatst.
Heeft de Board of Governors van het ESM deze lening aan Griekenland op enig moment besproken en goedgekeurd? Zo ja, kunt u de notulen dan aan de Kamer doen toekomen?
De Raad van gouverneurs van het ESM heeft niet gesproken over de lening van het ESM aan de Commissie. De ESM Risk Board, een subcomité van de ESM Raad van bewind, is op de hoogte gesteld door het ESM Management over het voornemen om in de EU te beleggen en is toegelicht dat deze belegging past binnen het beleggingsbeleid van het ESM en voldoet aan de vastgelegde regels. De ESM Risk Board is op de hoogte gesteld omdat het ging om een grote belegging in één instelling. De ESM Risk Board hoeft geen toestemming te geven voor beleggingstransacties maar wordt wel vaker geïnformeerd over individuele beleggingstransacties als de aard of omvang van een transactie daar aanleiding toe geven.
Kunt u precies aangeven van welke wettelijke mogelijkheden er gebruik gemaakt is door het ESM bij deze bruglening?
Het ESM is geen partij bij de bruglening door het EFSM aan Griekenland.
In artikel 5 van het ESM-Verdrag is bepaald dat de uitvoering van het beleggingsbeleid van het ESM onder de verantwoordelijkheid van de Managing Director van het ESM valt. Het ESM verdrag is op 9 februari 2012 met de Tweede Kamer gedeeld (zie Kamerbrief met kenmerk BFB2012- 1304M) en op 24 mei 2012 heeft de Tweede Kamer goedkeuring verleend aan het ESM-verdrag. De ESM Guidelines on Investment Policy bepalen vervolgens de randvoorwaarden van het beleggingsbeleid. Zo zijn de beleggingsdoelen (art. 1) en de eisen aan de structuur van de beleggingsportefeuille (art. 4) vastgelegd. Ten slotte is in de zogenaamde Eligible Asset List (zie annex 1 van de Guidelines on Investment Policy) te vinden waar het ESM in kan beleggen. Hierin staan eisen m.b.t. tot de kredietrating van instellingen waarin geïnvesteerd wordt (minimaal AA rating), het type transactie (bijvoorbeeld kopen van obligaties of geldmarkttransacties) en het type instelling waarin belegd wordt (o.a. centrale banken en supranationale instellingen). De transactie met de EU voldoet aan deze eisen, het ging immers om een geldmarkttransactie met een voldoende kredietwaardige supranationale instelling.
Kunt u aangeven of er nog meer sluipwegen in het ESM zitten, waarmee de unanimiteit en het informatieprotocol aangaande (ESM-gerelateerde) crisismaatregelen in de eurozone omzeild kunnen worden en er toch direct of indirect geleend kan worden aan landen en/of instellingen in nood, maar dan zonder de waarborgen van het ESM-verdrag?
Er is geen sprake van sluipwegen, noch is het informatieprotocol omzeild. De Tweede Kamer is uitgebreid geïnformeerd over de brugfinanciering uit het EFSM en de daarbij behorende risico’s en voorwaarden. Over transacties op de kapitaalmarkt wordt door de Europese Commissie jaarlijks gerapporteerd aan de Raad van Ministers en het Europees parlement.5 Het ESM legt verantwoording af middels het jaarverslag, op 7 juli 2015 is het verslag over 2014 gedeeld met de Tweede Kamer (zie Kamerbrief met kenmerk BFB 2015–1512M). Ook is toen het jaarverslag van het ESM auditcomité vertrouwelijk met de Tweede Kamer gedeeld.
Zoals reeds aangegeven gaat het om een transactie die onderdeel uitmaakt van de beleggingsstrategie van het ESM. Het ESM kan alleen beleggen in instellingen of landen met minimaal een kredietrating van AA en de belegging moet passen binnen de richtlijnen en doelen die hiervoor vastgesteld zijn door de ESM Raad van bewind. Hieruit volgt dat het ESM het beleggingsbeleid niet kan gebruiken voor financiële (nood)steun aan landen.
Als een lidstaat een aanvraag voor financiële steun vanuit het ESM doet dan gelden daarvoor de gebruikelijke procedures voor een steunaanvraag. In ieder geval is instemming van de Raad van gouverneurs nodig en wordt het informatieprotocol zoals afgesproken met de Tweede Kamer gevolgd.
Waarom is niet vermeld dat de aflossing van de bruglening aan het EFSM door het ESM eigenlijk gewoon een kasrondje was dat begon en eindigde bij het ESM? Ofwel een aflossing van een lening aan het ESM door het ESM?3
De uitkering van een eerste tranche aan Griekenland als onderdeel van het ESM-programma staat los van de transactie tussen het ESM en de Europese Commissie. Ook zonder nieuw steunprogramma voor Griekenland zou het ESM gewoon volgens afspraak door de Commissie terugbetaald moeten worden. Het ging immers om een lening van het ESM aan de Europese Commissie en Griekenland was hier geen partij bij. Het is wel zo dat de uitkering van een eerste tranche uit het ESM-programma aan Griekenland de terugbetaling van Griekenland aan de Europese Commissie mogelijk maakte.
De veroordeling van journalisten in Egypte |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kunt u, naar aanleiding van uw verklaring van 29 augustus jl. met betrekking tot de drie in Egypte veroordeelde Al-Jazeera journalisten, specificeren op welke wijze u invulling geeft of heeft gegeven aan uw oproep aan de Egyptische autoriteiten om de veroordeelde journalisten vrij te laten?1
Na stevige internationale druk, heeft de Egyptische president Sisi op 23 september jl. ter gelegenheid van het islamitische Offerfeest onder andere gratie verleend aan twee Al Jazeera journalisten, Mohamed Fahmy en Baher Mohammed. De Al Jazeera journalist Peter Greste, die eerder dit jaar is overgedragen aan Australië, heeft geen pardon ontvangen. Ditzelfde geldt voor Rena Netjes en andere journalisten die in de Al Jazeera-zaak bij verstek zijn veroordeeld.
Het kabinet is opgelucht over de vrijlating. De Nederlandse inzet concentreert zich nu op het komen tot een oplossing voor de journalisten die bij verstek zijn veroordeeld en op een verbetering van de persvrijheid in Egypte in het algemeen.
Bent u bereid de druk op Egypte op te voeren, zowel bilateraal als door hiervoor steun te vergaren in Europees en internationaal verband, om te bevorderen dat de veroordeelde Al-Jazeera journalisten worden vrijgelaten? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u tevens bereid een pardon te bepleiten bij de Egyptische president voor de Nederlandse journalist Rena Netjes die in de Al Jazeera-zaak bij verstek voor tien jaar gevangenisstraf is veroordeeld? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken is in contact met Rena Netjes over de opportuniteit van een verzoek om een pardon, het eventuele moment en vorm daarvan. Omwille van de effectiviteit van eventuele vervolgstappen is het niet opportuun details bekend te maken.
Wat is de laatste stand van zaken van de rechtszaak waarbij dertien andere journalisten in april jl. tot levenslang en één tot de doodstraf veroordeeld werden en waartegen de International Federation of Journalists (IFJ) protest heeft aangetekend? Klopt het dat deze zaak binnenkort in hoger beroep dient?2
De zaak waarnaar u refereert, staat bekend als «Rabaa Operations Room». In deze zaak zijn in totaal 51 beschuldigden veroordeeld tot de doodstraf en levenslang, waaronder 14 journalisten en mediawerkers.3 Een van de 13 journalisten is Mohamed Sultan die naast de Egyptische nationaliteit ook de Amerikaanse nationaliteit bezit. Nadat hij afstand heeft gedaan van zijn Egyptische nationaliteit, is hij op 30 mei jl. overgedragen aan de Verenigde Staten. De andere veroordeelden zijn in beroep gegaan.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 1 en 2, is de Nederlandse inzet in Egypte niet alleen gericht op een oplossing voor de in absentia veroordeelde journalisten in de Al Jazeera-zaak, maar ook op een algemene verbetering van de persvrijheid en de situatie van journalisten in Egypte. De zaak waarnaar u in vraag 4 verwijst vormt hier onderdeel van. Zo hebben Nederland en de EU tijdens de Mensenrechtenraad (MRR) ernstige zorgen over de persvrijheid uitgesproken. Ook hebben de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken in een bilateraal gesprek met de Egyptische president Sisi en marge van de top in New York over de Duurzame Ontwikkelingsdoelen expliciet het belang van persvrijheid in Egypte benadrukt.
Op welke wijze heeft Nederland en/of de Europese Unie zich voor het lot van deze groep journalisten ingezet? Bent u bereid in aanloop naar het hoger beroep, bilateraal en in EU-verband, opnieuw aandacht voor deze zaak te vragen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat door de genoemde veroordelingen, alsmede door het aannemen van de controversiële anti-terrorismewet die onder andere voorziet in hoge boetes voor nieuwsartikelen die niet stroken met regeringsstandpunten, het juridisch stelsel in Egypte «uitgebreid is met een nieuwe lijst repressieve wetten en zich [nu] toe spitst op het verstikken van verzet en het verdrukken van fundamentele mensenrechten» onder het excuus van terreurbestrijding?3
De hoge boetes waarnaar u verwijst en die in de anti-terrorismewet zijn vastgesteld gelden specifiek voor het publiceren van feitelijke informatie over terroristische activiteiten en militaire operaties die niet in lijn is met de officiële verklaringen van het Egyptische Ministerie van Defensie. Dit is niet in overeenstemming met de persvrijheid en tevens in strijd met mensenrechtenstandaarden.
Ziet u bovenstaande zaken als een voorbeeld van het ondergeschikt maken van mensenrechten aan terreurbestrijding met als risico dat het «groepen [kan] marginaliseren en onderdrukken waardoor de voedingsbodem van terrorisme wordt vergroot», zoals u eerder schreef in antwoord op vragen over de onderdrukking van persvrijheid in Egypte?4
Ja.
Deelt u de mening dat de aangescherpte aanvallen op de persvrijheid door het regime al-Sisi de kans op democratisch gelegitimeerde parlementsverkiezingen aankomend najaar verkleinen? Zo ja, op welke wijze zet u bilateraal en in internationaal verband druk op het Egyptische regime om democratische verkiezingen te organiseren en de principes van de democratische rechtsstaat te respecteren?
Het belang van democratische verkiezingen en respect voor de democratische rechtsstaat staat centraal in de bilaterale contacten. Het is onder andere onderstreept in het bilaterale gesprek van de Minister-President en de Minister van Buitenlandse Zaken met Egypte en marge van de top in New York over de Duurzame Ontwikkelingsdoelen. Tenslotte maakt Nederland zich hard voor agendering van met name persvrijheid, vrijheid van vereniging en vergadering en implementatie van de Egyptische constitutie en internationale mensenrechtenverdragen tijdens het EU-Egypte subcomité voor mensenrechten, democratisering en goed bestuur, dat in het kader van de Associatiestructuren mogelijk dit najaar zal plaatsvinden.
Groeiende militaire steun van Rusland aan het Assad-regime en toenemende verdeeldheid binnen de anti-ISIS-coalitie |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het feit dat de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken zijn zorgen heeft geuit over de vermeende groeiende militaire aanwezigheid van Rusland in Syrië ter ondersteuning van het regime van Assad?1
Ja.
Heeft u signalen of berichten ontvangen die er op wijzen dat de Russische inmenging in het Syrische conflict toeneemt en dat Rusland militair personeel en materieel naar Syrië verscheept zoals bijvoorbeeld speciale militaire eenheden, behuizing voor militairen en een luchtverkeersleidingsysteem waar de BBC over rapporteert? Zo ja, hoe beoordeelt u deze signalen en berichtgeving?
Rusland ontkent niet dat het – ook al voordat de huidige crisis uitbrak – militair materieel en technische kennis levert aan het regime van Assad. Rusland beroept zich hierbij consequent op eerdere contractuele verplichtingen. Er zijn indicaties dat het aantal Russische militaire transporten naar Syrië (in ieder geval tijdelijk) toeneemt, zoals in de media is gemeld. Dit vindt het kabinet heel zorgwekkend.
Deelt u de zorgen van de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken dat grotere Russische inmenging in het Syrische conflict en meer Russische steun voor Assad leidt tot verdere escalatie van het conflict, tot voortgaand bloedvergieten onder de Syrische burgerbevolking (o.a. door vatenbommen) en tot nieuwe vluchtelingenstromen?
Landen die invloed hebben op partijen in Syrië dienen deze in versterkte mate uit te oefenen om zo een politieke oplossing dichterbij te brengen. Het is van groot belang dat Rusland zijn invloed op het Assad-regime aanwendt om het tot deelname aan een politiek proces te bewegen. Toenemende Russische militaire assistentie aan Assad kan hier haaks op komen te staan.
Nederland spreekt waar mogelijk Rusland aan op zijn verantwoordelijkheden. Tijdens het gesprek tussen Minister Koenders en Minister Lavrov op 5 juni jl. in Moskou is het belang van een politieke oplossing van het conflict in Syrië benadrukt. Door Nederland gesteunde pogingen in de VN-Veiligheidsraad een wapenembargo overeen te komen zijn eerder vastgelopen op gebrek aan medewerking van Rusland.
Deelt u de zorgen over de toenemende verdeeldheid binnen de internationale coalitie tegen ISIS waar naast de bovengenoemde Russische steun aan Assad tevens sprake is van Turkse bombardementen op Koerdische stellingen en verschil van inzicht bestaat tussen landen over de effectiviteit van luchtacties tegen ISIS zolang deze niet ondersteund worden door betrouwbare grondtroepen?
De coalitie is eensgezind van opvatting dat ISIS moet worden verslagen. Er is overeenstemming dat de luchtcampagne tegen ISIS resultaat boekt, maar ook dat er nog steeds significante inzet nodig is. Tevens is men het er in de coalitie over eens dat de luchtcampagne moet worden ondersteund door de inzet van betrouwbare grondtroepen. Hier richten de trainingsinspanningen van diverse coalitiepartners, waaronder Nederland, zich dan ook op.
Los van de bestrijding van ISIS in coalitieverband, hebben regionale spelers verschillende belangen in de oorlog in Syrië. Het is van belang dat deze verschillen van inzicht worden geadresseerd in een politiek proces en niet in een proxy-oorlog. Het is noodzakelijk dat alle partijen zich inzetten om een politieke oplossing voor Syrië dichterbij te brengen. Nederland benadrukt dit in alle relevante internationale overleggen. Het is belangrijk dat ook landen als Rusland en Iran bij een politieke oplossing worden betrokken. In dit kader zijn de inspanningen van VN-Gezant De Mistura van bijzonder belang. Het kabinet heeft intensief overleg over dit onderwerp mede in het licht van de aanstaande Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
De coalitie komt regelmatig bijeen, zowel in volledige bezetting van 62 landen, zoals en marge van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties eind september, als in kleiner verband van de 22 meest betrokken landen in de Small Group. Ook zijn er periodieke Chiefs of Defense (CHOD) conferenties van de coalitiepartners die militair actief zijn in de anti-ISIS coalitie.
Deelt u de noodzaak voor spoedig overleg tussen de leden van de internationale coalitie tegen ISIS, alsook in de VN-Veiligheidsraad, over de ontstane situatie waarin de onderlinge verdeeldheid geadresseerd wordt en waarin heldere afspraken worden gemaakt over een eenduidige bestrijding van ISIS en over een politieke oplossing voor de Syrische burgeroorlog? Zo ja, hoe zal u aandringen op spoedig overleg in coalitie- en VN-verband? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid in bilateraal en in internationaal verband uw zorgen uit te spreken over de groeiende Russische steun voor Assad en uw Russische collega aan te sporen militaire en politieke steun aan Assad stop te zetten en mee te werken aan een wapenstilstand en een politieke oplossing voor het conflict in Syrië? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Steunt u de Amerikaanse oproep aan Griekenland om het luchtruim te sluiten voor Russische vliegtuigen die naar Syrië vliegen om (militaire) hulp af te leveren en vindt u dat de EU als geheel het luchtruim hiervoor zou moeten sluiten? Zo nee, waarom niet?
De EU en de Verenigde Staten hebben een wapenembargo afgekondigd voor Syrië. Nederland is van mening dat alle EU-lidstaten ervoor moeten waken dat wapens Assad via de Europese Unie bereiken.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg over de Algemene Vergadering van de VN van woensdag 9 september a.s.?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord binnen de daarvoor geldende termijn.
De mogelijke gevolgen van het Trans-Atlantic Trade and Investment Partnerschip (TTIP) voor het beleid rond medicijnen en medische hulpmiddelen |
|
Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het position paper van de Europese overkoepelende organisatie van consumentenorganisaties (BEUC) over het TTIP en gezondheidszorg?1
Ja.
Deelt u de mening van de BEUC dat Europese nationale overheden volledige autonomie moeten behouden met betrekking tot het in het publieke belang nemen van besluiten rond prijs en vergoeding van genees- en hulpmiddelen? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Hoe staat u tegenover de wens vanuit de farmaceutische industrie om de transparantie over onderzoek naar medicijnen te begrenzen (12 jaar gegevensexclusiviteit voor biologicals), zoals uit de uitgelekte wensenlijst van de farmaceutische industrie zou blijken?2 3
TTIP is een belangrijke overeenkomst voor Nederland voor wat betreft de internationale handel. Ten aanzien van de intellectuele eigendomsrechten (waaronder het octrooirecht dat over de verlening van patenten gaat) zijn er nog geen concept onderhandelingsteksten beschikbaar. In het onderhandelingsmandaat4 dat de Commissie van de lidstaten heeft gekregen worden op het vlak van intellectuele eigendomsrechten alleen de geografische aanduidingen expliciet genoemd. De Commissie heeft aangegeven op de andere onderdelen van intellectueel eigendom zeer terughoudend te zijn. Bij consultaties met lidstaten zal Nederland, net als andere lidstaten, erop aandringen dat de Commissie binnen haar mandaat blijft.
Deelt u de mening van de BEUC dat door het beleid van de European Medicines Agency (EMA) rond de publicatie van en toegang tot klinische onderzoeksgegevens, Europa voorop loopt met betrekking tot transparantie? Deelt u de mening dat afspraken in het kader van het TTIP deze hoge standaard niet mogen schaden?
Ja, Nederland is voorstander van grotere transparantie ten aanzien van onderzoeksgegevens en registraties in plaats van beperking daarvan.
Hoe staat u tegenover de wens van de farmaceutische industrie om in het handelsverdrag afspraken op te nemen over intellectueel eigendom, waardoor generieke medicijnen in verdragslanden niet toegestaan zijn, zolang er nog discussie is over patenten, zoals blijkt uit uitgelekte conceptteksten rond het TTIP?4
De uitgelekte teksten waarnaar u verwijst, gaan niet over TTIP. De website Politico claimt dat dit een hoofdstuk is uit de onderhandelingen van het handelsverdrag tussen de VS en 11 andere landen, het Trans-Pacific Partnership. Voor de inzet in TTIP wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Kunt u bevestigen dat het uitbreiden van de bescherming van intellectueel eigendom, waardoor patenten verlengd worden, en generieke medicijnen minder snel op de markt komen, tot aanzienlijk hogere kosten voor geneesmiddelen kan leiden? Op welke wijze zal bijvoorbeeld het preferentiebeleid hieronder te lijden hebben?5
Met bescherming van intellectueel eigendom wordt beoogd een evenwicht te vinden tussen beloning voor gedane onderzoeksinvesteringen en het beschikbaar komen van de resultaten daarvan voor anderen. Zowel een te grote beperking als een te ruime bescherming van intellectueel eigendom kan nadelig zijn voor dat evenwicht en voor de beschikbaarheid van medicijnen. In zijn algemeenheid geldt dat een ruime beschikbaarheid van generieke geneesmiddelen een prijsdrukkend effect heeft.
Deelt u de mening van de BEUC dat het TTIP geen uitbreiding van de bescherming van intellectueel eigendom voor farmaceuten mag inhouden? Zo nee, waarom niet?
Voor dat antwoord wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3.
Op welke wijze zet u zich in om er voor te zorgen dat er geen afspraken in het TTIP zullen worden gemaakt, waardoor het moeilijker wordt generieke geneesmiddelen op de Europese markt te brengen? Bent u bereid hierover in contact te treden met de Europese Commissie? Op welke wijze houdt u de Kamer op de hoogte van de ontwikkelingen?
Nederland is, net als andere lidstaten, nauw betrokken bij de onderhandelingen die de Europese Commissie voert. Als er nieuwe EU-tekstvoorstellen komen, dan worden die met de lidstaten besproken.
Zoals in antwoord op vraag 3 is aangegeven, dringt Nederland aan op terughoudendheid als het gaat om afspraken over intellectueel eigendom.
Er zijn echter nog geen tekstvoorstellen over dit onderwerp gedaan. Wel heeft de Europese Commissie in een openbaar factsheet7 aangegeven dat er geen afspraken gemaakt worden die de bestaande balans tussen de belangen van bedrijven en burgers kan verstoren.
De Tweede Kamer vergadert vier keer per jaar over buitenlandse handel in de Algemene Overleggen (AO’s) voorafgaand aan elke (informele) Raad Buitenlandse Zaken over Handel in Brussel. Er is de afgelopen twee jaar in deze AO’s steeds over TTIP gesproken. De laatste overleggen vonden plaats op 11 maart, 9 april en 30 april. Op 30 september 2014 is een AO geheel gewijd aan TTIP en op 7 oktober jongstleden is ook een AO over TTIP in de Tweede Kamer gehouden. Door middel van moties geeft de Kamer een oordeel over de beleidsinzet van het kabinet.
Kunt u uw toezegging tijdens het Algemeen overleg EU-Gezondheidsraad van 17 juni jl. bevestigen dat in de TTIP-onderhandelingen het Nederlandse gemengde stelsel (privaat stelsel met publieke randvoorwaarden) op dezelfde wijze behandeld wordt als de zorgstelsels die publiek zijn, en dus uitgesloten wordt van de onderhandelingen?
In TTIP komt, zoals in alle EU vrijhandelsverdragen, een algemene bepaling die publieke diensten uitzondert van nieuwe verplichtingen in het vrijhandelsverdrag. Het staat de EU en lidstaten vrij om zelf te bepalen welke diensten zij als «publiek» beschouwen en zij hebben de vrijheid deze diensten in te richten zoals zij zelf willen, ook in de toekomst.
Daarnaast heeft de Commissie in Annex II van het voorstel voor het dienstenhoofdstuk een additionele uitzonderingsbepaling opgenomen. Het gaat daarbij om «alle gezondheidsdiensten die publieke financiering of enige vorm van ondersteuning van de Staat ontvangen».
Het kabinet bestudeert nog of het noodzakelijk is meer bepalingen op te nemen, zodat het Nederlandse zorgstelsel op gelijke wijze wordt uitgezonderd als geheel publieke zorgstelsels. Mocht dit het geval zijn, dan zullen we dat ook in de tekst opgenomen willen zien. In lijn met het antwoord op vraag 8 zal de Kamer op de hoogte worden gehouden van nieuwe ontwikkelingen.
Op welke wijze heeft u de zorgen die de Kamer tijdens het Algemeen overleg EU-Gezondheidsraad van 17 juni jl. overgebracht aan de mensen die betrokken zijn bij het TTIP en de onderhandelingen?
De Nederlandse inbreng voor de TTIP-onderhandelingen wordt in de Raad Buitenlandse Zaken Handel overgebracht aan de Europese Commissie en de andere lidstaten. Daarnaast is er op ambtelijk niveau continu contact met de Europese Commissie over de verschillende zorgen en belangen die Nederland in TTIP heeft.
Wapenexport naar Egypte |
|
Jasper van Dijk |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Herinnert u zich de brief over een door Nederland afgegeven vergunning ter waarde van ruim 34 miljoen euro voor de uitvoer via Frankrijk van militair materieel voor de Egyptische marine?1
Ja.
Kunt u aangeven welke rol de Egyptische marine specifiek speelt met betrekking tot het conflict in Jemen en daarbij aangeven of het waar is dat de Egyptische marine betrokken is bij de maritieme blokkade van Jemen? Klopt het dat Egyptische marineschepen Jemen hebben gebombardeerd en dat waarschuwingsschoten zijn gevuurd richting Iraanse marineschepen?2
Sinds maart 2015 is de Egyptische marine betrokken bij de militaire interventie in Jemen. Egypte heeft vier marineschepen naar de Golf van Aden gestuurd, die voorzover bij het kabinet bekend worden ingezet voor de handhaving van het VN-wapenembargo tegen de Houthi-rebellen van 14 april jl. (VNVR resolutie 2216).
Nederland heeft via verschillende kanalen navraag gedaan naar aanleiding van de mediaberichten dat Egyptische marineschepen Jemen hebben gebombardeerd en waarschuwingsschoten hebben afgevuurd richting Iraanse marineschepen. Op basis van de hieruit opgedane informatie kan het kabinet niet opmaken dat vanaf Egyptische schepen doelen in of voor de kust van Jemen zijn beschoten.
Deelt u de grote zorgen van onder meer hulporganisaties betreffende de ernstige gevolgen van de blokkade van Jemen door de coalitielanden onder leiding van Saudi-Arabië? Zo nee, waarom niet?3
Het kabinet deelt de zorgen over de gevolgen van de blokkade voor de humanitaire situatie in Jemen. Los van de blokkade is de humanitaire situatie in Jemen zeer ernstig. Tegelijkertijd speelt deze blokkade een belangrijke rol om het wapenembargo tegen de Houthi-rebellen te handhaven (VNVR resolutie 2216 van 14 april 2015). Het handhaven van dit wapenembargo is belangrijk om te voorkomen dat nog meer wapens het land in komen. Dit moet wel op proportionele wijze gebeuren.
Het kabinet verwelkomt daarom de overeenkomst die de VN en de Jemenitische regering hebben bereikt over een verificatiemechanisme voor commerciële import. Dit mechanisme vergemakkelijkt de controle op schepen, zodat humanitaire hulpgoederen sneller het land in kunnen komen. Als het mechanisme eind september geïmplementeerd is, worden alleen nog verdachte schepen gecontroleerd.
Ziet u naar aanleiding van het hierboven gevraagde reden de afgegeven vergunning voor de uitvoer van militair materieel voor de Egyptische marine te heroverwegen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nee. Het kabinet blijft bezorgd over de gevolgen van de blokkade in Jemen, waaraan de Egyptische marine deelneemt, maar het handhaven van het wapenembargo is van groot belang om te voorkomen dat nog meer wapens in de handen van Houthi-rebellen komen. Daarnaast voorziet de Egyptische marine in een legitieme veiligheidsbehoefte: zij bewaakt de grenzen en draagt bij aan maritieme veiligheid in de regio. Het bewaken van de vaarroutes is ook voor de EU en Nederland van belang. Een Nederlands radarsysteem kan daarbij bijvoorbeeld een belangrijke rol spelen.
De Egyptische veiligheidsbehoefte bleek opnieuw toen op 16 juli jl. een Egyptisch marinefregat aangevallen werd door een militante organisatie gelieerd aan ISIS. Verschillende mariniers raakten gewond toen het schip in brand vloog. Dit soort aanvallen van terroristen op Egyptische marineschepen zijn zorgwekkend en tonen de noodzaak aan van een goed beveiligde Middellandse Zee en terreurbestrijding in de Sinaï.
Een Nederlandse militair die overgelopen is naar IS |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse militair naar IS»?1
In hoeverre zal de wijze van screenen worden verzwaard nu bekend is dat een militair zijn kennis kan gaan misbruiken voor terreurdoeleinden?
Wordt het onderzoek, behalve bij de luchtmacht, ook bij de andere onderdelen van de krijgsmacht uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke nationaliteit(en) de betreffende militair heeft?
In hoeverre is de betreffende militair (nog) in beeld bij de inlichtingendiensten?
Hoeveel andere gevallen, naast O. Y., zijn er bekend van ex-militairen die zich hebben aangesloten bij islamitische terreurorganisaties?
Het bericht in de Telegraaf over 'dure reizen' door de defensietop |
|
Jasper van Dijk |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
Hoe oordeelt u over het bericht over de hoge reisuitgaven door de defensietop?1
Duizenden militairen zetten zich wereldwijd in voor vrede en veiligheid. Daarvoor werden in 2014 ruim 65.000 vliegreizen gemaakt. Ongeveer 35.000 daarvan vonden met militaire vliegtuigen plaats. Voor de overige 30.000 zijn vliegtickets gekocht, waarvan 1.330 businessclass tickets. Dit is twee procent van het totaal aantal vliegreizen.
In principe vliegen alle defensiemedewerkers economyclass. Rechtspositioneel is vastgelegd dat militairen in de rang van kolonel en hoger en burgerfunctionarissen met schaal 14 en hoger gerechtigd zijn om businessclass te vliegen. Daarnaast wordt businessclass gevlogen als de situatie dat vereist, bijvoorbeeld door persoonsbeveiligers die een topfunctionaris begeleiden of in geval van spoedeisende reparaties aan wapensystemen in een inzetgebied, indien alleen nog businessclass stoelen beschikbaar zijn. In dergelijke gevallen wordt een afweging op grond van operationele noodzaak en doelmatigheid gemaakt.
Vindt u deze uitgaven aanvaardbaar? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u een overzicht geven van alle vliegreizen (en bijbehorende kosten) die in de afgelopen twee jaar gemaakt zijn door de defensietop?
In overeenstemming met de personeelsrapportage, wordt onder «defensietop» verstaan alle militairen in de rang van brigade-generaal en hoger en de burgerfunctionarissen met schaal 16 en hoger.
De drie firstclass tickets in 2013 zijn aangeschaft voor binnenlandse vluchten in Noord-Amerika. De vliegmaatschappijen in kwestie maken voor binnenlandse vluchten geen onderscheid tussen firstclass en businessclass.
Kunt u een overzicht geven van alle andere declaraties en bijbehorende kosten die door Defensie-medewerkers gemaakt worden?
Defensiemedewerkers (inclusief de defensietop) hebben in 2013 voor in totaal ruim 63 miljoen euro aan kosten gedeclareerd. In 2014 bedroeg dit ruim 68 miljoen euro. Dit bedrag is opgebouwd uit tien verschillende soorten declarabele kosten waaronder studiekosten, verhuiskosten en kosten van dienstreizen in binnen- en buitenland. De genoemde bedragen zijn in de begroting van Defensie opgenomen bij de verschillende artikelen van de defensieonderdelen onder de rubriek «Overige exploitatie».
Hoe rijmt u dit met de grote tekorten bij Defensie, bijvoorbeeld als het gaat om munitie?
Er is geen verband. Zoals ik eerder op 31 augustus jl. heb geantwoord op schriftelijke vragen (Aanhangsel Handelingen TK, 2014–2015, nr. 3234), hebben variaties in het gebruik, lange levertijden en productievertragingen geleid tot het munitietekort voor opleidingen en trainingen.
Hoe rijmt u dit met het feit dat er nog altijd geen cao is afgesloten die breed wordt gedragen?
Er is geen verband. Op 2 oktober jl. is een akkoord met de centrales van overheidspersoneel bereikt, waarover ik uw Kamer dezelfde dag heb geïnformeerd.
Bent u van plan om het beleid rond vliegreizen en declaraties aan te scherpen? Zo ja, wat gaat u ondernemen?
Rechtspositioneel is vastgelegd dat militairen in de rang van generaal-majoor en hoger en burgerfunctionarissen met schaal 17 en hoger gerechtigd zijn om businessclass te vliegen binnen Europa. Sinds 2010 is het businessclass vliegen binnen Europa om budgettaire redenen ingeperkt. Dit is echter nog niet in de rechtspositie vastgelegd. Hiertoe wordt dit najaar een voorstel gedaan aan de centrales van overheidspersoneel. Daarnaast is een einde gemaakt aan het meereizen bij businessclass vluchten, wanneer een deel van het reisgezelschap op grond van rang of functie wel gebruik mag maken van businessclass. Verdere aanpassingen zijn niet voorzien.
Het bericht dat hoge militairen en beleidsambtenaren businessclass vliegen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat Defensie in 2014 1.330 businessclass-tickets heeft aangeschaft? Hoe heeft dat aantal zich sinds 2010 ontwikkeld?1
Ja, in de periode 2010–2014 fluctueert dit aantal tussen ongeveer 1.000 en 1.300 businessclass-tickets.
Hoe verklaart u het relatief hoge aantal businessclass-tickets dat werd aangeschaft door de Marechaussee?
Deze tickets zijn voor het grootste deel gekocht voor personeel van de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB) van de Marechaussee. Eén van de taken van de BSB is persoonsbeveiliging van topmilitairen, hoge ambtenaren en bewindslieden van meerdere departementen. Wanneer deze functionarissen gaan reizen zijn persoonsbeveiligers van de BSB altijd in hun directe omgeving aanwezig en zitten dus ook fysiek naast deze functionarissen wanneer zij businessclass reizen. Daarnaast voert de BSB ook beveiligingsopdrachten uit voor andere ministeries. In die gevallen is gereisd volgens de richtlijnen van de opdrachtgever. De vraag naar inzet van BSB-personeel voor bewakings- en beveiligingstaken in het buitenland is de laatste jaren toegenomen.
Welk percentage businessclass-tickets werd in 2014 gebruikt voor vluchten binnen Europa?
In 2014 zijn er 19.092 tickets aangeschaft voor vluchten binnen Europa. Van dit aantal waren 549 tickets voor businessclass vluchten. Dit is minder dan 3 procent van het totaal aantal tickets voor vluchten binnen Europa.
Waarom is het voor hoge militairen en beleidsambtenaren wel toegestaan om binnen Europa businessclass te vliegen?
Rechtspositioneel is vastgelegd dat militairen in de rang van generaal-majoor en hoger en burgerfunctionarissen met schaal 17 en hoger gerechtigd zijn om businessclass te vliegen binnen Europa. Sinds 2010 is het businessclass vliegen binnen Europa om budgettaire redenen ingeperkt. Dit is echter nog niet in de rechtspositie vastgelegd. Dat vereist overeenstemming met de centrales van overheidspersoneel.
Daarnaast wordt businessclass gevlogen als de situatie dat vereist, bijvoorbeeld door persoonsbeveiligers die een topfunctionaris begeleiden of bij vliegreizen in geval van spoedeisende reparaties aan wapensystemen in een inzetgebied, waarvoor alleen nog businessclass stoelen beschikbaar zijn. In dergelijke gevallen wordt een afweging op grond van operationele noodzaak en doelmatigheid gemaakt.
Acht u het noodzakelijk dat hoge militairen en beleidsambtenaren voor korte Europese vluchten businessclass vliegen? Zo ja, welke argumenten heeft u hiervoor?
Zie antwoord vraag 4.
Is het beleid ten aanzien van businessclass-tickets voor defensiepersoneel gelijk aan het beleid voor ambtenaren bij andere ministeries? Zo nee, waar wijkt het beleid bij defensie af?
Nee, dit verschilt per ministerie. Afwegingen tussen businessclass en economyclass worden soms gemaakt op grond van functie en schaal, soms op grond van reisduur en soms op grond van continentaal of intercontinentaal. Defensie voert een beleidslijn waarbij rechtspositioneel vastgelegde regels, operationele noodzaak en doelmatigheid bepalend zijn voor het vliegen in de economyclass of businessclass.
Ziet u mogelijkheden om de uitgaven voor vliegtickets, in 2014 23 miljoen euro, naar beneden bij te stellen door bijvoorbeeld meer economyclass-tickets te kopen en/of vaker militaire toestellen in te zetten?
Bij vliegreizen van en naar missiegebieden wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van militair luchttransport. De beschikbare capaciteit is echter beperkt en de inzet, met name bij kleine missies, niet altijd doelmatig.
Sinds 2010 is het vliegen in de businessclass om budgettaire redenen ingeperkt. Dit zal nog in de rechtspositie, na overeenstemming met de centrales voor overheidspersoneel, moeten worden vastgelegd.
Het bericht dat de fraude binnen de Europese begroting is toegenomen |
|
Harry van Bommel |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw reactie op het bericht «EU figures reveal increase in fraud within the EU budget?»1
Het bericht refereert aan het rapport: «Protection of the European Union’s financial interests – Fight against fraud 2014 Annual Report», dat op 31 juli 2015 is gepubliceerd door de Europese Commissie. Dit rapport wordt jaarlijks opgesteld in samenwerking met de lidstaten op grond van artikel 325 van het Verdrag betreffende de Werking van de EU. Nederland heeft ten behoeve van het rapport informatie gegeven over antifraudemaatregelen in ons land. Zo is er in 2013 een Anti Fraude Coördinatie Service (AFCOS) ingesteld bij het Douane Informatie Centrum (DIC), als centraal aanspreekpunt voor de Europese Commissie (DG OLAF). Verder vindt er in alle lidstaten voortaan een speciale audit plaats bij uitvoerende autoriteiten, om te controleren of er in de opzet van de beheers- en controlesystemen voor de besteding van EU-middelen, adequate fraudepreventiemaatregelen zijn genomen, conform nieuwe regelgeving voor de periode 2014–2020. Ook wordt momenteel onderzocht of Nederland gebruik kan maken van een risicomanagement tool van de Commissie genaamd ARACHNE. Ik ben met de Europese Commissie van mening dat er een zero-tolerance beleid moet zijn ten aanzien van fraude met EU middelen.
Kunt u bevestigen dat het percentage incidenten ten opzichte van 2013 met 48% is gestegen, en met 36% als het gaat om cash transacties? Hoe verklaart u deze stijgingen?2
Het onder vraag 1 genoemde rapport spreekt van een toename van 48% van het aantal gedetecteerde onregelmatigheden ten opzichte van 2013, en het daarbij behorende bedrag ligt met 36% hoger dan het bedrag aan onregelmatigheden in 2013. Hieruit volgt niet automatisch dat het aantal incidenten is toegenomen. De Commissie spreekt in haar rapport van een toegenomen effectiviteit in het bestrijden van fraude met EU middelen door de lidstaten, waardoor meer zaken aan het licht komen. De Commissie wijst eveneens op omstandigheden als de komende sluiting van de programmaperiode 2007–2013, waardoor het aantal transacties in absolute zin toeneemt, en de verbeterde kwaliteit van controles door de Commissie, Europese Rekenkamer en nationale opsporingsdiensten.
Bent u ervan op de hoogte dat de Europese Commissie de uitbetaling van 45 miljoen pond aan Schotland heeft opgeschort, nadat er onregelmatigheden geconstateerd waren die betrekking hadden op het Europese Sociale Fonds? Welke andere onregelmatigheden die dit jaar zijn voorgevallen zijn bij u bekend?3
Wanneer de Europese Commissie in een bepaalde lidstaat, of deelstaat daarbinnen, een zaak opent krijgen andere lidstaten daar geen melding van, anders dan de openbare rapportage in het rapport zoals vermeld onder vraag 1. Ik ben op deze wijze op de hoogte van de genoemde opschortingsmaatregelen en verwijs u graag naar ditzelfde rapport voor informatie over andere onregelmatigheden die dit jaar zijn voorgevallen. Zo meldt het rapport dat in 2014 de Commissie 16 nieuwe besluiten heeft genomen tot opschorting. Nederland rapporteert via de jaarlijkse Nationale Verklaring over de besteding van Europese middelen en onregelmatigheden in Nederland.
Welke oplossingen ziet u om de fraudegevoeligheid van de Europese begroting te verminderen? Is het verkleinen van de begroting wat u betreft een optie? Kunt u in uw antwoord specifiek ingaan op de rol van de diverse nationale en Europese instituties die betrokken zijn bij het opsporen en voorkomen van fraude?
Fraudegevoeligheid is niet per sé afhankelijk van de omvang van de begroting. De strijd tegen fraude wordt door de Commissie in samenwerking met de lidstaten gevoerd. Het centrale orgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van het antifraudebeleid is het onafhankelijke Europees Bureau voor Fraudebestrijding van de Commissie, OLAF. Autoriteiten in lidstaten die zijn belast met het beheer van de EU-middelen in hun land hebben een meldplicht voor zowel onregelmatigheden als vermoedens van fraude. Op grond van meldingen die bij OLAF worden gedaan door private of publieke bronnen kan OLAF besluiten een zaak te openen. Na onderzoek met de autoriteiten van de lidstaat worden er door OLAF aanbevelingen geformuleerd. Het is vervolgens aan de lidstaat om deze aanbevelingen op te volgen. Het opvolgen van de aanbevelingen wordt gemonitord door de Commissie.
Een belangrijk middel ter voorkoming van fraude is implementatie van een adequaat beheers- en controlesysteem door de lidstaten. De EU-regelgeving voor de begrotingsperiode 2014–2020 is op dit punt aangescherpt. Zo is bijvoorbeeld in de EU Verordening 1303/2013 voor Europese Structuur- en Investeringsfondsen de verplichting genomen dat autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor het financieel beheer van EU-middelen om via risicoanalyses doeltreffende fraudepreventiemaatregelen te nemen.
Bent u bereid om met uw Europese collega’s en relevante stakeholders, zoals de Europese Ombudsman en de Europese Rekenkamer, tijdens het Voorzitterschap in gesprek te gaan over een duurzame oplossing voor de structurele fraude met Europese gelden? Zo ja, kunt u aangeven welke initiatieven u daartoe zal ondernemen? Zal deze kwestie bijvoorbeeld aan de orde komen tijdens het seminar over het Meerjarig Financieel kader (MFK) dat u voornemens bent te organiseren in het kader van het Voorzitterschap?4
Tijdens het Nederlands Voorzitterschap vinden diverse reguliere overleggen plaats waar fraude met EU-middelen aan de orde wordt gesteld. Nederland is vertegenwoordigd in de hiertoe strekkende Europese organen en pleit daarbij o.a. voor strikte toepassing van regelgeving en nadruk op preventieve maatregelen en goed financieel beheer. Uw Kamer ontvangt binnenkort nadere informatie over de inzet van het kabinet op het Meerjarig Financieel Kader en de plek die de Voorzitterschapsconferentie daarbij inneemt.
Kunt u ingaan op de stand van zaken aangaande de voorstellen voor een meer transparante begrotingssystematiek en beter voorspelbare EU-afdrachten die u tijdens het Voorzitterschap wilt presenteren?5
Uw Kamer zal hierover worden geïnformeerd voorafgaand aan de behandeling van de ontwerpbegroting voor 2016 van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Hoe oordeelt u over de volgende opvatting van Pawel Swidlicki (Open Europe): «With the vast majority of fraud perpetrated at the national level, member states which persistently fail to improve their own detection and prevention procedures should see their funding reduced, although this is a problem exacerbated by the overly complex and inefficient design of the EU budget itself»?6
Over opvattingen van privépersonen zoals de heer Swidlicki doet het kabinet geen specifieke uitspraken.
Het bericht dat de Landmacht gaat snijden in het budget voor de 3600 reservisten |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Landmacht zet mes in budget reservisten?»1
Ja, dat ken ik.
In hoeverre klopt het dat de inzet van reservisten na 1 juli 2015 is beperkt en de Landmacht door de financiële ellende veel verplichtingen in Nederland niet kan nakomen?
De inzet van reservisten groeit veel sneller dan verwacht. Dat is positief en in lijn met de beoogde intensivering. Bij het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) dreigt dit jaar echter een overschrijding van het personeelsbudget. Om dat te voorkomen heeft het CLAS een tijdelijke beheersmaatregel genomen om de groeiende inzet van reservisten te temperen. Dit is in de huidige situatie onvermijdelijk omdat andere mogelijkheden om de personeelsuitgaven op korte termijn te verminderen, beperkt zijn.
De Landmacht komt haar verplichtingen na en beslist zelf of ze die met reservisten of beroepspersoneel uitvoert. Extra activiteiten buiten de reeds aangegane verplichtingen worden tot het einde van 2015 beperkt.
Kunt u precies aangeven welke nadelige effecten dit heeft voor de nationale veiligheid en op welke wijze er precies gesneden gaat worden in het budget voor reservisten?
De maatregel heeft geen nadelige effecten voor de nationale veiligheid. De vraag van civiele autoriteiten om ondersteuning door Defensie is groot, maar Defensie voldoet aan de vraag. Bij gelijktijdige nationale en internationale inzet, en door knelpunten in de materiële gereedheid (zie de inzetbaarheidsrapportage van 15 september jl., Kamerstuk 33 763, nr. 84), is soms prioriteitstelling noodzakelijk.
Waarom heeft u de Kamer hierover niet eerder en actief geïnformeerd? Hoe heeft u kunnen toestaan dat de situatie bij de Landmacht zo snel kon verslechteren?
In de periodieke rapportages en andere brieven aan uw Kamer (zie onder meer Kamerstukken 33 763, nr. 74, 78 en 84 en 34 200 X, nr. 1) is herhaaldelijk gemeld dat de inzetbaarheid en het voortzettingsvermogen van de krijgsmacht aan wezenlijke beperkingen onderhevig zijn. Voorts is er in dit geval sprake van een tijdelijke beheersmaatregel om budgetoverschrijding in 2015 te voorkomen.
Deelt u de mening dat dit na de berichtgeving over het schandalige munitietekort wederom een beschamende vertoning is?
Zie antwoord vraag 4.
Begrijpt u de grote zorgen van de commandant Landstrijdkrachten, dat ten aanzien van de nationale inzet de gevraagde capaciteit niet meer te allen tijde kan worden gegarandeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u inmiddels bereid de gemaakte NAVO-afspraak, dat er minimaal 2% van het nationaal inkomen wordt besteed aan defensie, na te komen en dus 5 miljard extra te investeren? Zo neen, waarom niet?
De financiële consequenties die het kabinet verbindt aan de versterking van de basisgereedheid zijn verwerkt en toegelicht in de Ontwerpbegroting 2016. Voorts zal het kabinet, mede naar aanleiding van de tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen aangenomen motie-Van der Staaij c.s. (Kamerstuk 34 300, nr. 27), werk maken van de vervolgstappen in het kader van het meerjarig perspectief, te weten: het verder versterken van de basisgereedheid, de versterking van de ondersteunende operationele eenheden, een gerichte kwantitatieve en kwalitatieve versterking van gevechtseenheden en de vervanging van wapensystemen.
Het snijden in budget voor reservisten |
|
Elbert Dijkgraaf (SGP) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de landmacht substantieel gaat snijden in het budget van reservisten?1 Zo ja, kunt u deze berichtgeving en de consequenties hiervan nader duiden?
De inzet van reservisten groeit veel sneller dan verwacht. Dat is positief en in lijn met de beoogde intensivering. Bij het Commando Landstrijdkrachten (CLAS) dreigt dit jaar echter een overschrijding van het personeelsbudget. Om dat te voorkomen heeft het CLAS een tijdelijke beheersmaatregel genomen om de groeiende inzet van reservisten te temperen. Dit is in de huidige situatie onvermijdelijk omdat andere mogelijkheden om de personeelsuitgaven op korte termijn te verminderen, beperkt zijn.
De Landmacht komt haar verplichtingen na en beslist zelf of ze die met reservisten of beroepspersoneel uitvoert. Extra activiteiten buiten de reeds aangegane verplichtingen worden tot het einde van 2015 beperkt.
Kunt u nader duiden op welke wijze en in hoeverre de betreffende legereenheden «hard» worden getroffen, zoals de commandant van de Landstrijdkrachten heeft aangeduid? Welke operationele beperkingen levert dit voor hen op?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre gaat deze ingreep ten koste van de noodzakelijke training van reservisten? Wat betekent dit voor de effectieve inzet van reservisten, ook voor de langere termijn?
Er is juist wel gekozen voor beperking van de ceremoniële, publieksgerichte activiteiten van reservisten. De resterende uren van 2015 worden met name besteed aan het waarborgen van de geoefendheid van de reservist, waardoor inzet bij calamiteiten gewaarborgd blijft.
Staat deze ingreep niet haaks op uw vigerende beleid ten aanzien van de gewenste inzet van reservisten en het benutten van het potentieel daarvan?
De inzet van reservisten groeit veel sneller dan verwacht. Dat is positief en in lijn met de beoogde intensivering. Het stemt ook hoopvol voor de toekomst. Daarnaast lopen de ontwikkeling en innovatie van het reservistenbeleid via pilots gewoon door.
De al gerealiseerde inzet in het eerste half jaar van 2015 zou, bij verdere onbeperkte inzet in het lopende jaar, tot een budgetoverschrijding bij het CLAS leiden. Om dat te voorkomen heeft het CLAS een tijdelijke beheersmaatregel genomen om de groeiende inzet van reservisten te temperen. De inzet van reservisten is in tegenstelling tot veel andere posten, direct beïnvloedbaar budget.
Kunt u de budgettaire noodzaak voor deze ingreep uitleggen? In hoeverre is deze ingreep tijdelijk van aard?
Zie antwoord vraag 4.
Welke concrete gevolgen heeft deze ingreep voor de inzet van Nederlandse militairen in crisisgebieden of voor de vervanging van militairen die worden uitgezonden?
Deze ingreep heeft geen gevolgen voor de inzet van Nederlandse militairen in crisisgebieden, omdat prioriteit wordt toegekend aan ingezette eenheden. De eenheden die worden ingezet, zijn daarvoor voldoende getraind, hebben voldoende personeel en worden uitgerust met voldoende geschikt materieel. Het kan wel gevolgen hebben voor de inzet van reservisten bij de vervanging van uitgezonden militairen in Nederland.
Waarom is er voor gekozen om primair hierop te bezuinigen en niet primair op de meer ceremoniële, publieksgerichte inzet van reservisten?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het bericht voor het overige, dat onbemande vliegtuigen voor bewaking en observatie door technische problemen niet kunnen vliegen; dat genietanks mankementen hebben waardoor hun inzet niet meer is gegarandeerd en dat er te weinig geld is voor training en scholing van de Explosieven Opruimingsdienst? Hoe kan dit op de kortst mogelijke termijn worden opgelost?
De kleine onbemande vliegtuigen zijn al geruime tijd niet inzetbaar voor nationale operaties in verband met technische problemen, die hebben geleid tot een onfortuinlijke landing. De Militaire Luchtvaart Autoriteit (MLA) heeft bepaald dat er niet gevlogen mag worden met deze kleine onbemande vliegtuigen boven bewoond gebied, tenzij het specifieke militaire inzet betreft. De fabrikant is bezig om dit technische probleem zo snel als mogelijk op te lossen. Daarna zal er opnieuw een luchtwaardigheidsbewijs moeten worden afgegeven.
De genietanks worden momenteel vervangen door de Kodiak. Het klopt dat de oude genietanks mankementen hebben waardoor hun inzet niet altijd meer gegarandeerd is. Defecte onderdelen worden zo snel als mogelijk vervangen.
Er is sprake van ondervulling en een hoge werkdruk bij de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EODD), mede door missies en de vele nationale inzetten. Het EODD-personeel dient over vele specialistische vaardigheden te beschikken. Dit vereist een langdurig scholings- en trainingstraject. Om de ondervulling op te lossen, is er een extra EODD-opleiding gestart waardoor er nu in totaal vijf opleidingen zijn de komende twee jaar. Door de schaarste aan gekwalificeerd EODD-personeel kan niet worden voldaan aan het gewenste aantal inzetbare EODD-ploegen. Desondanks worden alle aanvragen tot het ruimen van explosieven uitgevoerd.
Het achterhouden van TTIP-documenten |
|
Jasper van Dijk |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Wat is uw oordeel over het bericht «Tweede Kamer geen toegang meer tot TTIP-documenten»?1
Eind juli heeft de Europese Commissie besloten om het verslag van de laatste onderhandelingsronde van TTIP niet meer op vertrouwelijke basis met de lidstaten te delen. Eerder deelde de Commissie nog een hard copy van dit verslag met de verantwoordelijke ministeries in de verschillende lidstaten.
De Commissie heeft dit besluit genomen nadat eerdere vertrouwelijke onderhandelingsdocumenten uitgelekt waren. Eurocommissaris Malmström heeft toegezegd de beperking weer op te heffen, zodra lidstaten voldoende maatregelen hebben genomen om toekomstige lekken te voorkomen.
Het kabinet heeft zich uitgesproken tegen de huidige beperking in de toegang tot het laatste onderhandelingsverslag en heeft dit, evenals andere lidstaten, op diverse manieren kenbaar gemaakt aan de Commissie. Het is noodzakelijk dat lidstaten zo volledig mogelijk op de hoogte zijn van de onderhandelingen en experts bij de verschillende ministeries kunnen betrekken.
De Commissie heeft tegelijk aangekondigd dat de publieke verslagen van de onderhandelingsrondes uitgebreider gaan worden en in alle EU-talen beschikbaar komen. Tevens beziet de Commissie de mogelijkheid om de geconsolideerde teksten vertrouwelijk ter inzage te leggen op de verantwoordelijk departementen in de lidstaten. Dit zijn positieve stappen naar meer transparantie.
Klopt het dat de Tweede Kamer bepaalde onderhandelingsdocumenten inzake het TTIP-verdrag niet meer ontvangt? Zo ja, om welke documenten gaat het?
In Nederland wordt de Tweede Kamer geïnformeerd over de onderhandelingen via debatten en Kamerbrieven. Zo vindt voor elke Raad Buitenlandse Zaken Handel een Algemeen Overleg plaats met de Tweede Kamer, waarvoor apart een geannoteerde agenda wordt opgesteld. Hierin is sinds het begin van de onderhandelingen altijd gesproken over TTIP. In de Kamerbrief over TTIP van 22 april 2014 (Kamerstuk 21501-02, nr. 1372) heeft het kabinet daarnaast geschreven dat, indien gewenst, de Kamer voor elke nieuwe ronde vertrouwelijk inzage kan krijgen in de onderhandelingsdocumenten van de EU.
Is het waar dat er sinds juli tenminste één document in de geheime leeskamer in Brussel ligt, onder andere over «interne discussies en tactische overwegingen»?2
In Brussel is een leeskamer, de zogenaamde «reading room», waarin het verslag van de laatste onderhandelingsronde is in te zien voor Europarlementariërs. Dat is het document waar Eurocommissaris Malmström naar verwijst in het artikel.
Deelt u de mening dat dit grote ergernis oproept bij nationale parlementariërs, omdat zij op deze manier buiten de discussie over het TTIP-verdrag worden gehouden?
Zoals in antwoord op vraag 2 aangegeven, wordt de Tweede Kamer volop betrokken bij de discussie over TTIP. Sinds het begin van de onderhandelingen zijn er meer dan 15 debatten in de Tweede Kamer geweest over handelspolitiek, waar TTIP altijd een belangrijk onderwerp van gesprek was. Daarnaast zijn er meer dan 25 Kamerbrieven geweest over TTIP, waaronder geannoteerde agenda’s voor de Raad Buitenlandse Zaken Handel, beantwoording Kamervragen en andere Kamerbrieven over TTIP.
Betreurt u deze werkwijze? Wat onderneemt u om dit te voorkomen?
Zie antwoord vraag 4.
Klopt het dat slechts enkele Europarlementariërs in de geheime leeskamer inzage krijgen in beperkte delen van de onderhandelingsdocumenten die ook nog vaak verouderd zijn?
Alle Europarlementariërs hebben toegang tot de leeskamer in Brussel. Welke documenten Europarlementariërs in kunnen zien, is afhankelijk van het comité waarin zij zitten. Wat betreft het comité voor internationale handel (INTA) hebben de voorzitter, vicevoorzitter, coördinatoren van alle politieke partijen en rapporteurs toegang tot dezelfde documenten als lidstaten. Daarnaast kunnen per onderwerp ook andere Europarlementariërs van andere comités toegang krijgen als het een onderwerp betreft dat hen aangaat.
Deelt u de mening dat alle onderhandelingsdocumenten openbaar moeten worden zodat een volwaardig democratisch debat gevoerd kan worden over dit ingrijpende verdrag?
Het kabinet is voorstander van maximale transparantie van de onderhandelingen. De Europese Commissie publiceert al veel informatie. Zo worden alle EU-tekstvoorstellen online gepubliceerd, nadat een eerste versie met de VS is gedeeld. Ook is er voor elk hoofdstuk een toelichting van de inhoud en inzet van de EU en zijn er verschillende factsheets met verdere verdieping. Wel dient te worden bedacht dat iedere vorm van onderhandeling, of dit nu handelsakkoorden betreft of cao-onderhandelingen, gepaard gaat met enige mate van vertrouwelijkheid gedurende het proces. TTIP is daarin niet anders.
Het kabinet heeft in de Kamerbrief van 8 juni jl. toegelicht welke initiatieven al genomen zijn om het brede publiek te betrekken bij de onderhandelingen. Naast de regelmatige discussies in de Tweede Kamer, wordt het brede publiek geïnformeerd en geconsulteerd onder meer via de uitgebreide informatie op de website van de rijksoverheid en deelname aan publieke bijeenkomsten.
Klopt het dat ook de VS terughoudend zijn in het delen van documenten? Van welke Amerikaanse documenten bent u van mening dat zij openbaar moeten worden?3
De VS is terughoudend met het delen van documenten. Vorig jaar is op dit vlak een belangrijke stap gezet. Van hoofdstukken uit TTIP waar beide partijen een voorstel voor hebben gedaan, zijn in de reading room in Brussel geconsolideerde versies beschikbaar voor de eerder genoemde Europarlementariërs en experts van EU-lidstaten. Daarnaast is er in 2015 in de Amerikaanse ambassades in EU-hoofdsteden een reading room geopend, waar experts van overheden toegang tot hebben.
Bent u het er mee eens dat alle documenten over TTIP openbaar moeten worden omdat het een ingrijpend verdrag betreft met grote gevolgen voor de inwoners van de EU? Zo nee, hoe voorkomt u dat het TTIP-verdrag in de achterkamers wordt bedisseld?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat het debat over TTIP nu in zijn volle omvang moet worden gevoerd en niet pas als de onderhandelingen zijn afgerond, omdat de kans op wijziging dan minimaal is?
Zie antwoord vraag 7.
Het optreden van het Turkse leger en de politie in het zuidoosten van Turkije |
|
Harry van Bommel |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
Kent u de berichten «Urgent Call from Women in Turkey: Help Us Prevent Massacre» en «PKK uses dummies as booby traps in southeast Turkey»?1
Ja.
Wat is uw beeld van het recente optreden van het Turkse leger en de politie in het zuidoosten van Turkije en van het optreden van de PKK? Is er naar uw oordeel sprake van een oorlogssituatie in delen van het zuidoosten van Turkije?
De aanslagen door de PKK op politiemensen en soldaten, inclusief de meest recente aanslag in Daglica, zijn zeer ernstige incidenten. Door de opeenvolging van acties en tegenacties van beide zijden is de situatie in het zuidoosten fragiel, zoals ook wordt gereflecteerd in het reisadvies. Nederland erkent het recht van Turkije om zich te verdedigen tegen terroristische aanslagen, inclusief die van de PKK. Nederland heeft er daarbij op gewezen dat de maatregelen van de Turkse regering tegen terroristische dreigingen proportioneel moeten zijn. Het kabinet roept beide partijen op het vredesproces zo spoedig mogelijk te hervatten en verder bloedvergieten te voorkomen en benadrukt dat de mensenrechten moeten worden gerespecteerd.
Hoeveel slachtoffers zijn er aan beide kanten van het conflict gevallen sinds de escalatie van het geweld tussen het Turkse leger en de politie en de PKK sinds juli 2015? Hoeveel slachtoffers zijn burgers?
Het kabinet beschikt niet over geverifieerde cijfers wat betreft aantallen slachtoffers aan weerszijden.
Kunt u bevestigen dat plaatsen in het zuidoosten worden afgesloten door het Turkse leger en/of de politie waardoor inwoners het gebied niet meer kunnen verlaten? Wat zijn hiervan de gevolgen en hoe verhoudt dit beleid zich tot het internationaal recht?
Op basis van het internationaal recht mogen veiligheidsmaatregelen worden getroffen. Dergelijke veiligheidsmaatregelen dienen noodzakelijk en proportioneel van aard te zijn. Vanwege het oplaaiende geweld van de PKK zijn eind juli 37 tijdelijke veiligheidszones uitgeroepen voor een aantal provincies in het oosten en zuidoosten van Turkije met beperkingen voor de mobiliteit van burgers. Eind augustus waren 130 tijdelijke veiligheidszones ingesteld. Volgens de laatste gegevens (medio september) is het aantal van deze zones weer afgenomen tot 72. In deze zones is een aantal maatregelen van tijdelijke aard van kracht, zoals check-points en een avondklok. Het is echter niet zo dat inwoners deze zones niet kunnen verlaten.
Daarnaast hebben de Turkse autoriteiten recent uitgaansverboden ingesteld in de stad Cizre en in de wijken Silvan en Sur van de stad Dyarbakir. Burgers ter plaatse konden hun huizen gedurende enkele uren of dagen niet verlaten. Inmiddels zijn deze uitgaansverboden weer opgeheven.
Het voorstel van de Belgische premier om de Schengen-akkoorden open te breken |
|
Joram van Klaveren (GrBvK), Louis Bontes (GrBvK) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Charles Michel: «Pas Schengen-verdrag aan»?1
Ja.
Deelt u de mening dat zeker in deze tijd van terrorisme en massale immigratiestromen richting Europa, de Schengen-akkoorden robuuste oplossingen in de weg staan? Zo neen, waarom niet?
Vooralsnog is er geen noodzaak de Schengenregelgeving aan te passen om de illegale migratiestromen binnen het Schengengebied tegen te gaan. Binnen de huidige Schengenregelgeving en op grond van nationale regelgeving kunnen de nodige maatregelen worden genomen en kunnen de controles worden geïntensiveerd.
Nederland en de EU zijn alert op signalen voor mogelijk misbruik van de vluchtelingenstroom door terroristen of andere jihadistische organisaties naar het Europees grensgebied. De Europese Unie heeft hiervoor de nodige maatregelen getroffen om signalen van betrokkenheid bij terrorisme en jihadisme tijdig in het grenstoezicht te detecteren. De samenwerking met derde landen en Europese agentschappen is ook van groot belang.
Hoe duidt u de uitlatingen van de Duitse Minister van Binnenlandse Zaken die recent eveneens pleitte voor aanpassing van de Schengen-akkoorden?
De asielinstroom in Duitsland is ongekend hoog en om te voorkomen dat dit leidt tot onwenselijke situaties heeft Duitsland een aantal maatregelen genomen zoals de tijdelijke herinvoering van de binnengrenscontroles. Ik heb begrip voor de uitlatingen van de Duitse Minister en de beslissing van Duitsland om de controles aan de binnengrenzen tijdelijk weer in te voeren. Ook Nederland heeft extra maatregelen genomen en het toezicht in de binnengrenszone verscherpt om te voorkomen dat er schrijnende situaties ontstaan en om mensensmokkelaars op te sporen.
In hoeverre bent u bereid de Belgische premier voluit te steunen om de Schengen-akkoorden open te breken en u hier ook op Europees niveau voor in te zetten?
Vooralsnog is er geen noodzaak de Schengenregelgeving aan te passen om de illegale migratiestromen binnen het Schengengebied tegen te gaan. Binnen de huidige Schengenregelgeving en op grond van nationale regelgeving kunnen de controles, in de binnengrenszone worden geïntensiveerd.
Als uiterste maatregel kan tijdelijk de binnengrenscontrole van personen weer worden ingevoerd als een lidstaat langdurig verzuimt afdoende toezicht te houden op zijn deel van de buitengrens en deze situatie een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of binnenlandse veiligheid van andere lidstaten.
Op welke termijn gaat u gehoor geven aan de Belgische oproep om samen te komen met Frankrijk, Duitsland en België om de problemen die samenhangen met het opengrenzen-beleid te bespreken?
Het Luxemburgs Voorzitterschap heeft het initiatief reeds opgepakt. Tijdens de JBZ-raad van december 2015 willen zij de toekomst van het grensmanagement bespreken. De verwachting is dat intra-EU mobiliteit ook een onderwerp van bespreking zal zijn.
Ziet u inmiddels in dat het opzeggen van de Schengen-akkoorden noodzakelijk is om de groeiende terreur- en asielproblematiek het hoofd te bieden? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Begrijpt u dat de enige structurele oplossing van de immense asielproblematiek de invoering van het Australische model is? Zo neen, waarom niet?
Het kabinet heeft een middellangetermijnvisie uitgewerkt waarover u per brief over de Europese asielproblematiek van 8 september jl. bent geïnformeerd.
Burgerslachtoffers, oorlogsmisdadenen dreigende hongersnood in Jemen |
|
Michiel Servaes (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de recente berichten van Amnesty International en Human Rights Watch over grote aantallen burgerslachtoffers en vermeende oorlogsmisdaden in Jemen?1
Ja. Het kabinet vindt de bevindingen in de rapportages van Amnesty International en Human Rights Watch bijzonder verontrustend. Gezien de jarenlange betrokkenheid van Nederland in Jemen en de partnerrelatie worden de ontwikkelingen met grote zorg gevolgd (zie kamerbrief van 21 mei jl. 32 623-151).
Bent u bereid Saoedi-Arabië als aanvoerder van de coalitieaanvallen in Jemen bilateraal en in internationaal verband aan te spreken op de grote aantallen burgerslachtoffers en de berichten over grove schendingen van het oorlogsrecht door de coalitie? Zo nee, waarom niet?
Ja. Nederland is zeer alert op mogelijke mensenrechtenschendingen en schendingen van het humanitair oorlogsrecht in het huidige conflict en stelt deze waar mogelijk bij alle conflictpartijen aan de orde.
Bent u tevens bereid de grote zorgen hieromtrent tijdens de eerstvolgende VN-Mensenrechtenraad en Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) te benoemen en er op aan te dringen dat alle strijdende partijen in Jemen het oorlogsrecht en mensenrechten dienen te respecteren en er alles aan moeten doen om burgerslachtoffers te voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet ziet de komende Mensenrechtenraad (MRR) en de AVVN als passende fora om alle conflictpartijen in Jemen op te roepen tot het respecteren van de mensenrechten en het humanitair oorlogsrecht en zal dit ook doen.
Als de conflictpartijen voor de eerstvolgende zitting van de VN-Mensenrechtenraad nalaten om geloofwaardige stappen te zetten om de vermeende schendingen van het humanitair oorlogsrecht te onderzoeken, bent u dan bereid om tijdens die zitting op te roepen een internationale onderzoekscommissie in te stellen om dit onderzoek uit te voeren? Zo nee, waarom niet en op welk moment dan wel?
Het kabinet is zeer bezorgd over beschuldigingen van schendingen van het humanitair oorlogsrecht in Jemen en maakt zich sterk voor onderzoek hiernaar. Het kabinet hecht er belang aan dat dit onderzoek geloofwaardig is en gericht is op de vermeende schendingen door alle conflictpartijen. Nederland heeft een bijzondere positie in de MRR vanwege het co-auteurschap van de jaarlijkse resolutie over Jemen. Het is onze intentie om een onderzoek naar schendingen onderdeel te laten zijn van de resolutie.
Erkent u de zorgelijke waarschuwing van het VN World Food Programme (WFP) voor dreigende hongersnood in Jemen voor 6 tot 13 miljoen mensen en hoe reageert u op de oproep van de WFP om de gemaakte toezeggingen op het gebied van nood- en voedselhulp aan Jemen na te komen?
De berichtgeving over de naderende hongersnood en de grote aantallen ondervoede kinderen in Jemen baart het kabinet grote zorgen. Volgens de VN zijn inmiddels 21,1 miljoen mensen in het land (80% van de gehele bevolking) hulpbehoevend, waaronder 10 miljoen kinderen. Ernstige tekorten aan voedsel, schoon drinkwater, medicijnen, een nijpend tekort aan brandstof en stijgende voedselprijzen hebben grote gevolgen voor het dagelijks leven van de Jemenieten. Derhalve heeft het kabinet besloten tot een humanitaire bijdrage van 10 miljoen euro aan Jemen (zie Kamerbrief met kenmerk DSH-2015.475981). De bijdrage komt bovenop de eerdere bijdrage van 5 miljoen euro in mei jl. en brengt Nederlandse humanitaire bijdrage aan Jemen dit jaar op een totaal van 15 miljoen euro.
Daarnaast verstrekt Nederland algemene ongeoormerkte bijdragen aan internationale noodhulporganisaties en fondsen. In 2015 gaat het om: 55 miljoen euro aan het Central Emergency Response Fund (CERF), 40 miljoen euro aan het International Committee of the Red Cross (ICRC), 36 miljoen euro aan het World Food Program (WFP), 33 miljoen euro aan de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), 15 miljoen euro aan het United Nations Children Fund (UNICEF) en 5 miljoen euro aan de Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA). Door ongeoormerkte bijdragen te verstrekken, kunnen organisaties het geld inzetten daar waar de humanitaire noden het hoogst zijn. Aangezien Jemen behoort tot de humanitaire crises met de hoogste prioriteit wordt een deel van de Nederlandse algemene ongeoormerkte bijdragen aan internationale noodhulphulporganisaties besteed aan de humanitaire hulp in Jemen. Vanwege het ongeoormerkte karakter van de Nederlandse steun is pas na afloop van het lopende jaar duidelijk hoeveel Nederlands geld er in Jemen is besteed. Hierover zal het kabinet u informeren in de jaarlijkse Kamerbrief over de besteding van humanitaire hulp.
Met deze recente bijdrage hoopt Nederland een katalyserend effect te sorteren en andere donoren aan te sporen hun toegezegde bijdragen over te maken. Waar mogelijk, zullen wij dit in internationaal verband ook aan de orde stellen. Van het door Saoedi Arabië toegezegde bedrag van 274 miljoen dollar is na het verschijnen van bovengenoemde Kamerbrief inmiddels 241 miljoen dollar overgemaakt aan de VN.
Net als Nederland draagt de Europese Commissie substantieel bij aan het verlichten van de humanitaire noden in Jemen. De Europese Commissie heeft in 2015 tot nu toe een totale bijdrage van 35 miljoen euro gedaan.
Welke extra steun kunnen Nederland en de EU geven om een (nog grotere) humanitaire ramp in Jemen af te wenden? Bent u bereid deze dreigende hongersnood in elk geval tijdens de aankomende Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) en AVVN aan de orde te stellen?2
Zie antwoord vraag 5.
Het aftreden van de Griekse premier |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Sybrand van Haersma Buma (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA) |
|
|
|
|
Was het kabinet vóór het sluiten van het steunpakket op 19 augustus jl. op de hoogte van het voornemen van de Griekse premier om op 20 augustus af te treden en nieuwe verkiezingen uit te schrijven?1
Nee.
Zo ja, waarom heeft u dit dan niet in antwoord op mijn vragen over deze mogelijkheid in het debat gezegd?
Minister Dijsselbloem is, als voorzitter van de Eurogroep, donderdagmiddag gebeld door de Griekse Minister Tsakalotos om hem te informeren dat premier Tsipras waarschijnlijk later op de dag een speech zou houden waarbij hij zou aansturen op nieuwe verkiezingen. Een besluit tot vervroegde verkiezingen is een soeverein besluit van Griekenland.
Zo nee, wat vindt u van de handelwijze van premier Tsipras om dit voornemen niet vooraf met de Eurogroep te delen?
Zie antwoord vraag 2.
Erkent u dat dit opnieuw een deuk in het vertrouwen is ten aanzien van de Griekse regering?
Vast staat dat met Griekenland afspraken zijn gemaakt en dat Griekenland de aangegane verplichtingen moet nakomen. Het houden van vervroegde verkiezingen is niet in strijd met de overeenkomst tussen de Eurozone-landen. Het derde steunpakket is met brede steun door het Griekse parlement aangenomen: 222 van de 300 parlementariërs stemden voor. Daarbij zijn al drie pakketten met hervormingsmaatregelen door het Griekse parlement aangenomen. Uitkering van vervolg tranches vindt pas plaats nadat verdere stappen zijn gezet.
Wat zijn de consequenties voor de uitvoering van het steunpakket nu na het ontslag van Tsipras met een interim-regering zonder politiek mandaat moet worden samengewerkt?
Als in Griekenland een regering aftreedt binnen 12 maanden sinds de laatste verkiezingen, wat hier het geval is, dient de president volgens de Griekse Grondwet de op één- en twee na grootste partijen de gelegenheid te bieden om een regering te vormen. Elk van deze partijen heeft daarvoor maximaal drie dagen. Als dat niet lukt zal de president naar verwachting het parlement ontbinden en nieuwe verkiezingen uitschrijven. Die moeten gehouden worden in de periode tussen 22 en 30 dagen nadat het parlement is ontbonden.
Als de oppositiepartijen geen nieuwe regering kunnen vormen, wat momenteel de verwachting is, wordt een nieuwe interim-premier aangewezen door de president, waarbij hij volgens de Grondwet kiest tussen de voorzitter van de Raad van State, de beide Hooggerechtshoven of de Rekenkamer. Het is nog onduidelijk welke ministers in een interim-kabinet zouden komen.
Conform de Griekse Grondwet kan de interim-regering tot aan de vorming van een nieuw kabinet geen wettelijk bindende beslissingen nemen. De president kan dit eventueel wel doen bij voorlopig presidentieel decreet, dat later door het parlement met terugwerkende kracht moet worden goedgekeurd. De interim-regering kan uiteraard wel de inmiddels door het zittende parlement aangenomen «prior actions» uitvoeren, evenals aan het steunpakket gelieerde wetgeving voorbereiden die vervolgens aan het nieuw gekozen parlement wordt voorgelegd. Zie het antwoord op vraag vier voor eventuele consequenties voor de uitkering van financiële steun uit het steunpakket indien niet aan de vereiste voorwaarden is voldaan.
Bent u bereid de voorzitter van de Eurogroep een spoedvergadering te laten beleggen om de consequenties van deze stap voor het programma te bespreken?
De eerstvolgende vergadering van de Eurogroep zal op 12 september plaatsvinden.
Bent u bereid deze vragen vóór vrijdag 21 augustus om 12:00 uur te beantwoorden?
Deze vragen zijn zo spoedig mogelijk beantwoord.
De financiering van het verjaardagsfeestje van de VARA door het Vfonds |
|
Fred Teeven (VVD), Hanke Bruins Slot (CDA) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van de berichtgeving dat het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg (vfonds) het 90e verjaardagsfeestje van de VARA financiert?1
Ja.
Klopt het dat het vfonds een half miljoen euro aan de VARA geeft voor een vanaf komend najaar uit te zenden televisieserie over geschiedenis van de arbeider? Zo ja, hoe beoordeelt u dit?
Het Nationaal Fonds voor Vrede, Vrijheid en Veteranenzorg (vfonds) is een onafhankelijke stichting, met autonome zeggenschap over haar uitgaven. De directeur van het vfonds heeft namens de Raad van Bestuur desgevraagd bevestigd dat er sprake is van een subsidie voor twee afleveringen van een televisieserie van de VARA. Defensie subsidieert het vfonds niet.
Wat heeft de geschiedenis van de arbeider volgens u te maken met de doelstelling van het vfonds, namelijk inzet voor de erkenning en waardering van geüniformeerden die in dienst zijn van de Nederlandse overheid waar ook ter wereld? Herkent u zich in het geschetste beeld dat deze omvangrijke subsidie in kringen rond Defensie «met argusogen» wordt bezien?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat het subsidiebeleid van vfonds ondersteuning van producties in het algemeen en documentaires in het bijzonder uitsluit? Zo ja, hoe kan deze subsidie dan verleend zijn?
De subsidierichtlijnen van het vfonds worden vastgesteld door de Raad van Bestuur. Voor de precieze interpretatie daarvan verwijs ik naar de stichting.
Klopt het dat een subsidieverzoek voor een film over de slag om de Grebbeberg, een initiatief waarvoor de Commandant Landstrijdkrachten al steun toegezegd heeft middels materieel en logistieke hulp, door het vfonds is afgewezen? Staat de film door het uitblijven van steun van het vfonds op losse schroeven?
Voor de afhandeling van dit subsidieverzoek verwijs ik naar het vfonds. De initiatiefnemers van de speelfilm De Grebbeberg hebben laten weten door te gaan met hun initiatief.
Herinnert u zich uw uitspraak: «Daar waar het vfonds herprioriteert en dat eventueel gevolgen heeft voor de financiering van activiteiten of direct zorgtaken raakt, heb ik daar altijd overleg over met het vfonds. Het is dus nadrukkelijk niet zo dat het vfonds geïsoleerd optreedt en dat we straks out of the blue met de gevolgen daarvan worden geconfronteerd.»?2
Ja. Ik heb dat gezegd tijdens het notaoverleg over veteranen van 23 juni 2014, in relatie tot de financiering van veteranenactiviteiten en -zorg door het vfonds.
Heeft u overleg gehad met het vfonds over de financiering van de televisieserie van de VARA? In hoeverre heeft de subsidieverstrekking van een half miljoen euro gevolgen voor andere activiteiten of directe zorgtaken van het vfonds voor veteranen en andere Defensiegerelateerde activiteiten?
Neen, het vfonds is een onafhankelijke stichting en ik heb geen overleg gehad over deze subsidieverstrekking. Deze subsidieverstrekking heeft geen gevolgen voor de financiering van veteranenactiviteiten en -zorg door het vfonds. Er is daarom geen aanleiding voor overleg.
Herinnert u zich uw uitspraak: «Er kan geen sprake van zijn dat het vfonds geïsoleerd opereert en stappen zet zonder dat Defensie daar iets van weet terwijl het eventuele belangrijke taken van ons raakt. Als dat wel zo is, zal ik daar altijd op acteren.»?3
Ja. Ook dit heb ik gezegd tijdens het notaoverleg van 23 juni 2014, in relatie tot activiteiten van en zorg voor veteranen die het vfonds financiert.
Bent u bereid deze uitspraak gestand te doen?
Ja. Zoals vermeld in mijn brief over de financiering van de nuldelijnsondersteuning van veteranen van 26 januari jl. (Kamerstuk 30 139, nr. 143) en in de Veteranennota 2015 (Kamerstuk 30 139, nr. 148), ben ik in goed overleg met het vfonds op het gebied van de financiering van activiteiten inzake erkenning en waardering voor veteranen en inzake veteranenzorg.
Bent u bereid zich te distantiëren van de subsidieverstrekking van het vfonds aan de VARA en hierover tekst en uitleg te vragen? Zo nee, waarom niet?
Het vfonds is een onafhankelijke stichting.
Israëlische pestboetes voor Palestijnse boeren in de bezette gebieden |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht in het AD van 18 augustus getiteld «Nederland betaalt boetes Palestijnen met hulpgeld»?1
Ja.
Kunt u de beschreven praktijk in de bezette Westelijke Jordaanoever bevestigen waarin Nederland boetes betaalt voor het vrijgeven van door Israël inbeslaggenomen landbouwwerktuigen? Zo ja, hoe oordeelt u over deze inbeslagnames en het feit dat aan Palestijnen boeren forse bedragen worden gevraagd om hun eigendommen terug te krijgen?
Indien er sprake is van stillegging van projecten of inbeslagnames dringt Nederland aan bij de Israëlische autoriteiten op teruggave en toestaan van de uitvoering. De EU en Nederland dringen bij Israël consequent aan op de ontwikkeling van Area C ten behoeve van de Palestijnen en verzetten zich tegen de sloop van Palestijnse bezittingen, zoals verwoord in de Raadsconclusies van 20 juli 2015.
Naar oordeel van de internationale gemeenschap is voor opwaardering van landbouwgrond en landbouwwegen geen vergunning vereist (zie ook beantwoording van de vragen van de leden Sjoerdsma, 4 september 2015 met kenmerk MINBUZA-2015.408799, en Van Bommel, 4 september 2015 met kenmerk MINBUZA-2015.408786). In de optiek van Israël is hier echter wel een vergunning voor vereist. Daarom verordonneert Israël in sommige gevallen dat projecten moeten worden stilgelegd en neemt Israël soms materialen in beslag. Israël geeft echter in een zeer beperkt aantal gevallen een vergunning af. Ter illustratie, uit cijfers van de Wereldbank blijkt dat in 2010 Israël bij slechts 1,6% van alle aanvragen een vergunning verleende. In drie gevallen legde Israël een boete op, als voorwaarde voor teruggave van de inbeslaggenomen materialen. De boetes werden betaald door de uitvoerende partners en komen ten laste van de Nederlandse bijdrage aan het project.
In onderhavige gevallen hebben zowel de Nederlandse vertegenwoordiging in Ramallah als de ambassade in Tel Aviv deze gevallen meermaals opgebracht bij de Israëlische autoriteiten en hun onvrede over het stilleggen van de werkzaamheden geuit. Tevens hebben zij aangedrongen op een oplossing waardoor de activiteiten voortgezet konden worden. Vanwege het belang van de werkzaamheden stemde Nederland in met het gebruik van de financiële bijdrage om deze boetes te betalen.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat Nederlandse ontwikkelingshulp bedoeld voor landbouwprojecten in de bezette gebieden gebruikt wordt om deze pestboetes te betalen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid er bij de Israëlische regering op aan te dringen geen onterechte boetes te geven aan Palestijnse boeren en gesubsidieerde ontwikkelingsprojecten niet langer te frustreren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er in de afgelopen 5 jaar nog meer (mede) door Nederland gefinancierde ontwikkelingsprojecten in de bezette gebieden direct of indirect gefrustreerd of zelfs vernietigd?2 Zo ja, hoeveel hulpgeld is hier in de voorbije periode in totaal mee verloren gegaan?
In dit verband wijs ik op de vragen van het lid Knops over inbeslagname van irrigatiepijpen van Palestijnse boeren in de Jordaanvallei (2015D27538).
Het is vaker voorgekomen dat door Nederland gefinancierde projecten op de Westelijke Jordaanoever in de periode 2010–2015 schade ondervonden door sloop- en afbraakorders, maar ook vernielingen door kolonisten. Deze schade bedraagt ongeveer € 91.000. Dit betreft vooral schade aan gewassen, waterbakken en omheiningen, maar ook boetes. Daarnaast zijn materialen en machines in beslag genomen.
Deelt u de opvatting dat Nederlandse ontwikkelingshulp op geen enkele manier – direct of indirect – de illegale bezettingspolitiek mede mogelijk mag maken en niet mag bijdragen aan het behoud van de status quo in de bezette gebieden?
De doelstelling van Nederlandse ontwikkelingssamenwerking in de Palestijnse Gebieden is het verbeteren van de sociaaleconomische omstandigheden voor de Palestijnse bevolking, het opbouwen van de Palestijnse instellingen en de totstandkoming van een levensvatbare twee-statenoplossing. De Nederlandse inspanningen in Area C passen binnen dat kader.