Bosbranden voor palmolie in Indonesië. |
|
Jan Vos (PvdA) |
|
Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Indonesië brandt voor palmolie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de stappen die de overheid van Indonesië volgens de auteurs zet tegen het branden van bos en regenwoud voor palmolieplantages?
De omvang van het probleem met de branden is nog steeds enorm. Het is bemoedigend dat de overheid van Indonesië duidelijk stappen zet om het probleem aan te pakken, zoals ook uit het artikel blijkt. Indonesië heeft een eigen standaard in het leven geroepen voor duurzame productie op de palmolieplantages in de vorm van de Indonesian Sustainable Palm Oil (ISPO) criteria. Dit is vastgelegd in regelgeving en geeft de overheid een basis om op te treden.
Het is een positieve ontwikkeling dat grote spelers in de private sector zich op het gebied van palmolie committeren aan duurzame productie en grondstoffen voorziening, die ook verder gaat dan de ISPO criteria vereisen. We sporen de Indonesische autoriteiten aan, bijvoorbeeld in een gesprek met de Inspecteur-Generaal Landbouw op 12 oktober j.l., deze ruimte te gebruiken om sneller grotere stappen te zetten in het terugdringen van de bosbranden.
Kunt u aan de hand van concrete voorbeelden uitleggen wat het Nederlandse beleid en een bedrijf als Unilever hebben bijgedragen aan deze «kentering», zoals de krant het recente optreden van de Indonesische overheid noemt?
Al in 2013 heb ik met mijn Indonesische collega van Handel een seminar in Jakarta georganiseerd rond ketenverduurzaming. Nederland ondersteunt via IDH en maatschappelijke organisaties als Solidaridad de verduurzaming van de productie van palmolie in Indonesië, inclusief die van kleine boeren. Ook is Nederland betrokken bij de kennisontwikkeling rond de productie op veengronden (grote boosdoeners bij de branden). Dit draagt bij aan een betere planning van het landgebruik, maar heeft ook de interesse gewekt van een groot concessie bedrijf om kwetsbare gebieden te kunnen ontzien bij de exploitatie. Daarnaast zet Nederland in op ondersteuning van de markttransformatie naar import van duurzame palmolie binnen de EU, o.a. via een conferentie rond de EU en Mondiale Waardenketens in december in Amsterdam, en bevorderen we kennisuitwisseling op dit thema met Chinese importeurs in China. China is wereldwijd de derde grootste importeur na India en Europa.
Een bedrijf als Unilever is van groot belang als voorloper en trend-setter bij de ketenverduurzaming van palmolie. Unilever heeft zich al vroeg gecommitteerd aan duurzame palmolie en dat is internationaal opgevallen, gezien de omvang van haar belang in de keten. Ook heeft Unilever zich ingezet om de Round Table on Sustainable Palm Oil (RSPO) functioneel en internationaal geaccepteerd te krijgen. RSPO is een initiatief van bedrijven en maatschappelijk organisaties dat mondiaal de criteria bepaalt voor duurzame palmolie. Inmiddels voldoet 20% van de wereldproductie aan die norm. Unilever werkt, ook in Indonesië, aan het volledig in kaart brengen van de supply chain om op die manier de herkomst van palmolie als grondstof te kennen en vervolgens te kunnen monitoren. Dat wordt verder ondersteund door de samenwerking tussen Unilever en het World Resources Institute bij het programma Global Forest Watch, dat real-time informatie geeft over ontbossing en bosbranden.
Wat zijn de belangrijkste «lessons learned» van wat er vooraf ging aan de in vraag 3 genoemde «kentering»? En wat zijn de vervolgstappen om de levensgevaarlijke aswolken boven Borneo, Sumatra en in de verdere regio in de toekomst te voorkomen?
Het is zoals gezegd goed dat er regelgeving tot stand is gekomen in 2011 onder ISPO. Maar het is ook Indonesië bekend dat iedere regelgeving uiteraard betekenisloos is zonder handhaving.
Verder wordt 80% van de productie geëxporteerd. Het zal Indonesië niet ontgaan zijn dat in ieder geval in Europa en Noord-Amerika de marktvraag naar duurzaam geproduceerde palmolie is toegenomen. Grote bedrijven in verwerking en retail reageren daarop met de eisen die zij stellen aan hun grondstoffenleveranciers.
Niet onbelangrijk bovendien is dat er lokaal aanzienlijke gezondheidsschade optreedt door de aswolken, niet alleen in buurlanden, maar zeker ook voor de bevolking van Sumatra en Kalimantan zelf.
Om dergelijke aswolken in de toekomst te voorkomen zijn er, naast handhaving van de regelgeving, twee zaken van belang. Indonesië schat dat er 5 miljoen kleinschalige boeren betrokken zijn bij de productie van palmolie. De Indonesische autoriteiten moeten deze boeren helpen organiseren en betrekken in duurzame productie ketens via intensivering van die productie en vernieuwing van oude aanplant. Hun productie kan vaak meer dan verdubbeld worden op bestaand areaal. Dat is goed voor het inkomen van deze boeren en goed voor het milieu.
Ten tweede moedig ik de Indonesische autoriteiten aan open te staan voor de internationale marktontwikkelingen en bedrijven die zich verplichten aan duurzaamheidsmaatregelen en standaarden, nationaal (zoals de Indonesian Palm Oil Pledge, IPOP) en internationaal (zoals RSPO), de ruimte te geven deze ook in praktijk te brengen en daarin de kleinschalige boerenbedrijven te betrekken.
Hoe beoordeelt u de ambities van Unilever op het gebied van duurzame palmolie?
Ik beoordeel die ambities als positief.
Deelt u de mening dat deze aanpak ook in andere landen en sectoren kan worden ingezet? Bent u bereid om daar internationaal bondgenoten voor te zoeken? Zo ja, aan wie of wat denkt u concreet?
Het samenspel tussen publieke en private partijen, inclusief maatschappelijke organisaties, wordt al ingezet voor de verduurzaming van ketens in andere landen en sectoren. Voorbeelden zijn textiel in Bangladesh en Pakistan, cacao in Ghana en ook in Indonesië en soja in Brazilië. Nederland steunt ook de Tropical Forest Alliance (TFA2020), als initiatief van het World Economic Forum en het Consumer Goods Forum (grote multinationale ondernemingen), dat een push moet geven om in 2020 keten-gedreven ontbossing te stoppen. Met het Wereldnatuurfonds, IUCN, Solidaridad en UTZ worden vanaf volgend jaar nieuwe strategische partnerschappen uitgevoerd, die capaciteit bij lokale maatschappelijke organisaties voor ketenverduurzaming helpen versterken. Nederland zal samenwerking van partijen in verschillende ketens verder proactief promoten in voorbereiding op het Nederlandse EU voorzitterschap, o.a. via een high-level conferentie «EU and Global Value Chains» op 7 december in Amsterdam. Nederland verwelkomt meer EU beleidscoherentie tussen handel- en OS-beleid met een focus op IMVO.
Hoe verhouden de Nederlandse inspanningen zoals in Indonesië zich met overig beleid op het gebied van Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen, zoals de IMVO-convenanten?
Het beleid om te komen tot IMVO-convenanten heeft tot doel dat bedrijfssectoren en hun stakeholders tot concrete afspraken komen over de wijze waarop risico’s op schending van mensenrechten en milieu structureel worden weggenomen. Deze afspraken worden bij voorkeur vastgelegd in IMVO-convenanten en dragen daarmee bij aan de verdere verduurzaming van waardenketens. Bij het afsluiten van IMVO-convenanten wordt er rekening gehouden met en aangesloten op bestaande duurzaamheidsinitiatieven in sectoren. In de voedingsmiddelensector hebben de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en Centrum Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) het initiatief genomen om in dialoog met relevante stakeholders en in aanvulling op bestaande duurzaamheidsinitiatieven, zoals de Taskforce Duurzame Palmolie, een overkoepelend IMVO-convenant voedsel (waaronder palmolie) op te stellen waarin belangrijke sociale en ecologische thema’s worden uitgewerkt. Het gaat dan vooral om de uitvoering van due diligence en ketenverantwoordelijkheid volgens de OESO-richtlijnen verder te concretiseren en te stimuleren.
Een tekort aan bommen boven Irak voor Nederlandse F16’s |
|
Fred Teeven (VVD), Ronald Vuijk (VVD) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nederlandse F-16’s boven Irak kampen met bommentekort»?1
Ja.
In hoeverre is er daadwerkelijk sprake van een tekort aan bommen die de Nederlandse luchtmacht gebruikt bij bombardementen op ISIS boven Irak? Indien er sprake is van een tekort, wat is de omvang daarvan en hoe lang is dit tekort al in zicht bij Defensie?
Er is op dit moment geen tekort aan bommen voor de Nederlandse F-16’s die worden ingezet in de strijd tegen ISIS. Wel kunnen bepaalde bommen, afhankelijk van het type wapeninzet, op termijn opraken. Het wapenarsenaal voor deze missie bestaat uit een aantal typen precisie geleide wapens, waarvan de inzet fluctueert. Vanaf het tweede kwartaal 2015 is er coalitiebreed een stijging van het verbruik van een bepaald type waar te nemen. Dit wordt mede veroorzaakt door de toegenomen inzet in stedelijke gebieden. Dit grotere verbruik betekende dat de Nederlandse voorraad van deze bommen sneller daalde dan verwacht. In reactie hierop wordt het gebruik van wapens bijgestuurd en wordt, waar mogelijk, meer gevarieerd. Terugvallen op coalitiepartners is vanwege de gebruikte configuratie en beschikbare voorraden, beperkt mogelijk.
Welke consequenties heeft een tekort aan bommen mogelijk voor de Nederlandse bijdrage aan de strijd tegen ISIS? Kunnen Nederlandse F-16’s nog aanvalstaken uitvoeren wanneer sprake is van een tekort aan bommen? Hoe zit dat als de voorraad bommen helemaal op zou raken? Graag een toelichting.
Nederlandse F-16’s voeren vrijwel dagelijks missies uit in de strijd tegen ISIS met verschillende precisiewapens. Door te variëren met wapens die in verschillende mate voorradig zijn, kunnen de Nederlandse F-16’s aanvalstaken uitvoeren tot het einde van het Nederlandse mandaat. In het uiterste geval, dus indien een bepaald type bommen niet meer voorradig zou zijn, kan worden teruggevallen op andere typen bommen. De consequentie van het niet beschikbaar hebben van een bepaald type bom kan zijn dat in een specifieke situatie een bepaald doel niet door Nederlandse F-16’s kan worden aangevallen (bijvoorbeeld wanneer de kans op nevenschade te groot wordt geacht) of dat additionele wapeninzet benodigd is om hetzelfde gewenste effect te bereiken.
Indien er sprake is van een tekort, waaraan is het ontstaan daarvan te wijten? Wijkt het voorziene gebruik van bommen in de strijd tegen ISIS af van het daadwerkelijke gebruik in de praktijk? Zo ja, op welke wijze en wat is daarvan de oorzaak? Wordt hiermee rekening gehouden bij het plaatsen van nieuwe bestellingen?
Zie het antwoord op vraag 2.
Zijn er al in een eerder stadium (her)bestellingen gedaan voor de typen bommen die het betreft? Zo ja, wanneer is de levering van deze bestelling voorzien? Zo nee, waarom niet?
Ja, er zijn in een eerder stadium bestellingen gedaan. Een deel van deze bestellingen is inmiddels ontvangen. Let wel, omdat het verbruik van precisiewapens coalitiebreed is toegenomen, en deze wapens door een beperkt aantal bedrijven worden gemaakt, heeft dit geleid tot lange levertijden. Met het oog op deze lange levertijden alsmede het hoge verbruik van de bommen zouden bepaalde leveringsdata zonder aanvullende maatregelen kritisch kunnen worden. Om die reden wordt via militaire en diplomatieke kanalen getracht de (deel-)leveringen zeker te stellen dan wel te bespoedigen.
Is het mogelijk extra maatregelen te nemen in de bestelketen van dit type munitie, waardoor vraag en aanbod en voorraad en verbruik in de toekomst beter op elkaar worden afgestemd? Graag een toelichting.
Dit type munitie is over het algemeen niet snel te verkrijgen. Er is sprake van een beperkt aantal fabrikanten waarvan de productiecapaciteit beperkt is. Fabrikanten hebben geen voorraden liggen en zijn afhankelijk van veel toeleveranciers van componenten. Anderzijds, te hoge aantallen munitie aanschaffen en langdurig op voorraad leggen kan leiden tot veroudering en dus afkeuring. De vraag wordt bepaald door het type conflict, het doelaanbod en de modus operandi die mede wordt bepaald door de partners die samen met Nederland deelnemen aan de missie. Iedere deelname aan een missie geeft nieuwe inzichten in de benodigde munitie. Op grond van deze inzichten wordt bezien of de voorraden in de toekomst dienen te worden aangepast.
Bij welke bondgenoten zijn inmiddels verzoeken ingediend om de voorraad bommen aan te vullen? Kunt u een overzicht geven van de reacties van deze bondgenoten op dit verzoek en de motivatie die daarbij werd gegeven? Bestaan er mogelijkheden om via bondgenoten op korte termijn bommen geleverd te krijgen?
Met een aantal coalitiepartners wordt al geruime tijd overlegd over de mogelijkheid tot snellere aanvulling van de voorraden door het lenen van munitie. Het aantal partners waarvan kan worden geleend, is echter beperkt. Dit heeft te maken met de verschillende versies die in gebruik zijn. Het gevoerde overleg heeft geleid tot het aanvullen van de voorraad. Ook op dit moment vindt hierover overleg plaats. Uiteraard moet de geleende munitie in een later stadium weer aan het donerende land worden teruggegeven. Tevens wordt met de Verenigde Staten en de producenten overlegd over prioritering van bestelorders en mogelijke versnelde deelleveringen. Hierbij geldt dat Nederland niet het enige land is met deze behoefte. NB: En marge van de bijeenkomst van Navo-ministers van Defensie is deze week door een aantal landen, waaronder Nederland, een letter of intent getekend inzake de gezamenlijke aanschaf van precision guided munitions (PGM). Doel hiervan is om de gezamenlijk verwerving en onderlinge uitwisseling van precisiemunitie te vergemakkelijken.
Hoe rijmt u de berichten over tekorten en lange levertijden met informatie, die Kamerleden kregen tijdens een werkbezoek aan de missie, die wees op een voorraad bommen die groot genoeg zou zijn?
In het tweede kwartaal van 2015 is de opslagcapaciteit van de munitieopslag in het missiegebied verdubbeld. De aanwezige voorraad is gekoppeld aan logistieke normen voor tijdige aanvoer. Hiermee wordt de munitie voor de in te zetten F-16’s zeker gesteld. In het inzetgebied is echter geen inzicht in de totale munitieketen. Daarnaast heeft de eerder vermelde verplaatsing van de gevraagde inzet naar stedelijke gebieden een groter verbruik van specifieke typen precisiebommen veroorzaakt (zie antwoord op vraag 2). Dit grotere verbruik betekende voor Nederland dat de voorraad van dit type bommen sneller daalde dan verwacht. De operationele inzet is niet in het geding.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de Raad van Ministers van de EU-lidstaten (hierna: Raad) van mening is dat de Europese Ombudsman niet bevoegd is om onderzoek te doen naar de transparantie van trilogen tussen EC, EP en ER?1
Ja.
Wat is de onderbouwing van deze reactie van de Raad, en wat is uw opvatting over deze stellingname? Welke positie heeft Nederland hierin ingenomen?
Het document zoals gepubliceerd op Statewatch (document 11873/15) is in Raadsverband niet besproken. Op 29 oktober jl. stond de officiële reactie (13281/15) van de Raad geagendeerd. Nederland is akkoord gegaan met de reactie. Binnen de Raad leven vragen over de reikwijdte van het onderzoek van de Europese ombudsman in het licht van de argumenten voor het vermoeden van wanbeheer bij trilogen. Nederland heeft begrip voor deze afwegingen. Ook voor Nederland geldt dat artikel 228 van het EU-Werkingsverdrag en het statuut van de Europese Ombudsman leidend zijn voor de bevoegdheden van de ombudsman. Om deze reden kon Nederland instemmen met de reactie zoals voorgesteld door het huidige voorzitterschap. Ook hebben zowel het Europees parlement als de Europese Commissie langs dezelfde lijn gereageerd.
Dat laat onverlet dat het kabinet van mening is dat transparantie met betrekking tot trilogen verbeterd kan worden. Dit heeft Nederland dan ook actief naar voren gebracht in raadsverband bij de behandeling van de reactie.
Deelt u de mening dat het in het belang van de Europese burger en het democratische proces is dat de trilogen, waar op Europees niveau zeer gewichtige politieke deals worden gesloten, transparanter kunnen en moeten worden? Zo ja, kunt u dit toelichten?
Het kabinet hecht grote waarde aan transparantie binnen het Europese besluitvormingsproces en draagt dit binnen de Europese Unie actief uit. Zo heeft het kabinet het initiatief genomen om met Denemarken, Estland, Finland, Slovenië en Zweden een gezamenlijk non-paper op te stellen om de transparantie binnen het Europese besluitvormingsproces binnen de Raad onder de aandacht te brengen en te verbeteren. In dit non-paper wordt ook speciale aandacht geschonken aan het vergroten van de transparantie met betrekking tot trilogen. Dit non-paper is op 26 juni 2015 aan uw Kamer gestuurd (zie Kamerstuk: 21501-02-1512). Hoewel de marges beperkt zijn, blijft Nederland zich samen en in overleg met de bovengenoemde lidstaten, binnen de Raad inzetten voor meer transparantie.
Deelt u de mening dat de Europese Ombudsman, die juist tot voorname taak heeft om het Europees bestuur te kunnen onderzoeken op goed bestuur, waaronder de openbaarheid van documenten en correspondentie met burgers, onbetwist bevoegd zou moeten zijn om de transparantie van het instrument van de trilogen te onderzoeken? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Met betrekking tot de bevoegdheden van de ombudsman, zijn artikel 228 van het EU-Werkingsverdrag en het statuut van de Europese Ombudsman leidend. De ombudsman kan op eigen initiatief dan wel naar aanleiding van een klacht een onderzoek starten naar mogelijk wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie en het Gerecht. Indien de ombudsman een geval van wanbeheer ontdekt, kan hij aanbevelingen doen om dit te verhelpen.
Bent u bereid namens Nederland alsnog sterk aan te dringen op volledige instemming en coöperatie met het onderzoek van de Europese Ombudsman? Zo ja, op welke wijze kunt u dit signaal overbrengen? Kunt u het verdere proces van dit onderzoek van de Europese Ombudsman schetsen en aangeven hoe dit nu verder zal gaan?
Op maandag 28 september is de Europese Ombudsman in haar openingsspeech van het door haar georganiseerde evenement «Trilogues and transparent law-making» kort ingegaan op het traject van het onderzoek. Aangegeven is dat het onderzoek zich in een vroeg stadium begeeft. De drie Europese instellingen zijn benaderd met de vraag om mee te werken aan het onderzoek. Deze reacties en gegevens van de instellingen op het verzoek worden door de ombudsman als onderdeel gezien van een bredere «mapping exercise». Een exercitie, voorafgaand aan een publieke consultatie, om een overzicht te verkrijgen van de noodzakelijke documenten gerelateerd aan trilogen. Voor de positie van Nederland verwijs ik naar het antwoord op vraag 2.
Kunt u tevens uiteenzetten hoe dit standpunt van de Raad zich verhoudt tot het recente pakket voor Betere Regelgeving van de Europese Commissie, een uitgebreide agenda voor het transparanter en beter maken van Europese regelgeving? Op welke wijze zouden de uitkomsten van het onderzoek van de Europese Ombudsman over trilogen juist mooi in het verlengde van de uitvoering van dat pakket kunnen liggen?
Nederland is voorstander van een ambitieuze Europese agenda voor betere regelgeving. Nederland zou graag zien dat ten aanzien van transparantie in het Europese besluitvormingsproces voortgang wordt geboekt (zie Kamerstuk 22 112 nr 1984). Nederland heeft in de standpuntbepaling van de Raad steeds benadrukt dat transparantie beter moet worden vastgelegd in het IIA en zal zich daarvoor blijven inzetten in samenwerking met andere gelijkgezinde lidstaten. Op het moment dat de resultaten van het onderzoek openbaar zijn, kan worden bezien hoe deze kunnen worden betrokken bij de uitvoering van het pakket voor betere regelgeving.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voorafgaand aan het Algemeen overleg over de Raad Algemene Zaken voorzien op 8 oktober aanstaande?
Hierbij doe ik u de beantwoording zo spoedig mogelijk toekomen na de behandeling van het verzoek van de ombudsman in raadsverband.
De oplaaiende terreur in Nigeria |
|
Han ten Broeke (VVD), Michiel Servaes (PvdA), Raymond Knops (CDA), Joram van Klaveren (GrBvK), Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over vrijwel dagelijkse aanvallen op burgers – waaronder veel christenen – in Centraal-Nigeria? Hoe duidt u deze actuele situatie?1
Ik heb kennis genomen van het door u genoemde artikel.
Centraal Nigeria kampt sinds 1994 met geweldsuitbarstingen, voornamelijk tussen herders («settlers») en inheemse boeren. Sindsdien is geweld in de Middle Belt helaas een alledaags en regelmatig terugkerend verschijnsel. De recente incidenten vormen hierop geen uitzondering. Etnische en religieuze factoren spelen hierbij zeker een rol, maar de grondoorzaken van het geweld in de regio zijn grotendeels economisch. Veelal gaat het, naast veeroof, om conflicten over verleende privileges aan de inheemse bevolking, grondgebruik en toegang tot water. De strijd gaat veelal tussen enerzijds de islamitische Fulani en Hausa, herders die zich door verwoestijning genoodzaakt zien steeds verder Centraal Nigeria binnen te trekken en anderzijds de inheemse boeren wiens voorouders uit het gebied komen, waaronder de christelijke Berom. Het ontoereikende nationale en lokale beleid ten aanzien van de herders die minder rechten en privileges krijgen, heeft de spanningen verergerd en de etnische en religieuze sentimenten aangewakkerd. Ook zijn in de regio bendes actief die van de ontstane instabiliteit gebruik maken, vee roven en verhandelen, en andere misdrijven plegen.
Boko Haram heeft kans gezien zich in de grote steden van de Middle Belt te vestigen met een aantal semi-autonome cellen. Zij hebben daarbij kunnen profiteren van het feit dat de Nigeriaanse veiligheidstroepen hun inspanningen concentreren op het Noordoosten. De cellen hebben de afgelopen vijf maanden een aantal aanslagen gepleegd, onder andere in de steden Kaduna, Jos en Zaria. Met de aanslagen lijken ze de al bestaande tegenstellingen te willen verscherpen en gebruik te maken van de wrok onder de islamitische bevolking, die heeft geleden onder de (tegen)aanvallen van christelijke groeperingen.
Er zijn geen aanwijzingen dat Boko Haram achter de recente aanvallen op christenen zit. Zowel onder de inheemse boeren, zoals de Berom, als onder de Fulani en Hausa herders, bestaan gewelddadige groepen die aanvallen uitvoeren op burgers. Beide gemeenschappen worden zwaar getroffen door de terreur in de regio. De roep om wraak die daarop volgt wakkert weer nieuwe gewelddadige acties aan. Ik zou dan ook niet willen spreken van «een patroon van systematische aanvallen op kerken en christenen», maar eerder van een moeilijk doorbreekbare vicieuze cirkel van vergeldingsacties tussen verschillende groepen. In het licht van bovenstaande kan ik ook niet stellen dat Boko Haram in de Middle Beltprimair verantwoordelijk is voor het aanhoudende geweld.
Welke gemeenschappen worden momenteel in het bijzonder getroffen door deze terreur? Is er inderdaad sprake van «een patroon van systematische aanvallen op kerken en christenen», zoals diverse kerkelijke leiders aangeven? Welke trends ziet u?
Zie antwoord vraag 1.
Welke groepen zijn primair verantwoordelijk voor deze aanslagen? Is dit Boko Haram of zijn er momenteel ook andere terreurgroepen actief?
Zie antwoord vraag 1.
In hoeverre is het nieuw dat ook Centraal-Nigeria nu voortdurend wordt getroffen door aanslagen en niet alleen het Noorden?
Zie antwoord vraag 1.
Doet de Nigeriaanse regering er in uw ogen alles aan om haar burgers hiertegen te beschermen? Waarin uit zich dit? Wat is op dit onderdeel uw mening over president Muhammadu Buhari?
De gewelddadigheden tegen de bevolking maken duidelijk dat de Nigeriaanse autoriteiten niet effectief zijn geweest in de bescherming van burgers. Het ontbreken van effectief overheidsoptreden heeft ook geleid tot een wildgroei van gewelddadige groeperingen, die zich verder hebben kunnen ontwikkelen en professionaliseren. Verder is het feit dat er in Centraal en Noordoost Nigeria grote hoeveelheden kleine wapens voor handen zijn een complicerende factor bij het streven van de Nigeriaanse regering om het geweld onder controle te krijgen.
De aanpak van de regering ten aanzien van het beschermen van burgers verschilt van staat tot staat. In het Noordoosten wordt, onder leiding van gouverneurs, gecoördineerd actie ondernomen door het leger, de politie en lokale burgerwachten («Joint Task Force»). In de Middle Belt is minder van dit soort gecoördineerde activiteit te zien.
In de grotere steden van de Middle Belt zijn het leger en de politie sterk aanwezig. De politie heeft een anti-veeroof eenheid, maar deze is onvoldoende getraind en uitgerust. Een Special Task Force van het Nigeriaanse leger, bedoeld om de rust in Plateau te bewaren, heeft onlangs voor het eerst hard opgetreden tegen militanten. De gouverneur van Plateau heeft recentelijk een uit veertien leden bestaande commissie (zeven Berom en zeven Fulani) opgedragen te zoeken naar oplossingen om te komen tot duurzame vrede en verzoening. Deze «peace committee» is inmiddels bijeengekomen, onder voorzitterschap van een overheidsfunctionaris. Nigeriaanse autoriteiten steunen daarnaast pogingen van NGO’s om een dialoog tot stand te brengen tussen de diverse bevolkingsgroepen. Hoewel met de dialogen veel wordt bereikt, is er ook behoefte aan een duurzaam proces van vredesopbouw voor de lange termijn.
Het doel van de nieuwe regering om het aantal kleine wapens terug te dringen,
de sterke aanwezigheid van politie en leger in Noordoost Nigeria, het uitwerken van een soft approach (zie ook beantwoording vraag 6 hieronder) en de toezegging van Buhari om actie te ondernemen tegen schendingen van mensenrechten door het Nigeriaanse leger zijn voorbeelden van recente stappen die de Nigeriaanse regering onderneemt om haar burgers te beschermen. Buhari lijkt de bescherming van burgers serieus te nemen. Tegelijk is duidelijk dat hij daarbij afhankelijk is van de bereidheid en het vermogen van Nigeriaanse overheidsinstellingen en -instrumenten.
Hoe ontwikkelt zich de strijd tegen Boko Haram? Is de machtspositie van deze terreurbeweging in de afgelopen periode kleiner geworden, en zo ja, waaruit blijkt dit vooral? Kunt u hierbij tevens ingaan op de trends ten aanzien van gepleegde aanslagen, doelwitten, ontvoeringen, aantallen en categorieën van slachtoffers, etc.?
Boko Haram heeft in de periode februari tot mei een aantal gevoelige klappen gekregen maar is zeker nog niet verslagen. Het uitroepen van het kalifaat door Boko Haram in de zomer van 2014, en het daarbij bezetten van een vast territorium maakte het makkelijker voor het Nigeriaanse leger om met reguliere operaties binnen korte tijd successen te boeken in de strijd tegen Boko Haram. Dat is gebeurd, en het grootste deel van de eerder bezette gebieden en steden is heroverd door de inzet van de MNJTF, de regionale coalitie. Boko Haram heeft zich terug getrokken in het Sambisa Forest en de Mandarabergen op de grens met Kameroen. Het verlies van territorium heeft Boko Haram gedwongen om terug te vallen op haar «oude» tactiek van vóór het uitroepen van het kalifaat: terroristische aanslagen op soft targets en hit and run operaties. Deze werkwijze is veel lastiger te bestrijden door het leger en om Boko Haram te verslaan zal dan ook meer nodig zijn dan strikt militair optreden. Boko Haram is in het defensief, maar dat betekent niet dat de beweging verslagen is. De capaciteit voor het bezetten van territorium is geslonken, maar de capaciteit voor terroristische aanslagen is nog erg groot.
Het leger, gesteund door de luchtmacht, zegt succes te boeken in het Noordoosten tegen Boko Haram. Het nieuwe leiderschap van de strijdkrachten lijkt krachtdadiger en effectiever op te treden dan de voorgangers. Concrete resultaten zijn moeilijk meetbaar omdat het conflictgebied nog steeds moeilijk toegankelijk is. Er komen met regelmaat berichten binnen dat mensen zijn bevrijd uit Boko Haram kampen. Uit NGO-bronnen komt het beeld naar voren dat Boko Haram in delen van Borno nog steeds relatief vrij kan opereren. Het leger en de politie lijken nog niet in staat om een continue afschrikwekkende en daadkrachtige presentie te realiseren in het conflictgebied.
Het aantal terreuraanslagen in Nigeria is sinds de verkiezingen toegenomen. De aanslagen zijn voornamelijk gericht tegen «soft targets» als markten, verkeersknooppunten, moskeeën en restaurants, en lijken er vooral op gericht te zijn om grote aantallen burgerslachtoffers te maken. Waar de organisatie zich in eerste instantie beperkte tot steden en dorpen in Borno, vonden gaandeweg ook aanslagen daarbuiten plaats, evenals in buurlanden Niger, Kameroen en Tsjaad. Zo kwamen er vrijdag 2 oktober 15 mensen om het leven bij bomaanslagen in Abuja. Dit was de eerste aanslag in 15 maanden voor de hoofdstad. Daarnaast pleegde Boko Haram in het weekend van 10 oktober aanslagen in Kameroen en Tsjaad, waarbij in totaal meer dan 45 slachtoffers vielen. De zelfmoordaanslagen worden in toenemende mate uitgevoerd door vrouwen en kinderen, zo ook de recente aanslagen in Kameroen en Tsjaad.
De eerste stappen die Buhari zet in de strijd tegen Boko Haram, naar eigen zeggen zijn hoogste prioriteit, zijn hoopgevend. De president heeft in juli een geheel nieuwe legertop benoemd. Deze benoemingen zijn een belangrijk signaal dat de president nieuw leiderschap zoekt dat een impuls kan geven aan de strijd tegen Boko Haram. Het lijkt erop dat president Buhari kiest voor enerzijds vers bloed en anderzijds voor mensen met een bewezen staat van dienst die niet of nauwelijks besmet zijn door corruptie. Daarnaast heeft Buhari een aantal strategische militaire besluiten genomen, waaronder het verplaatsen van de operationele aansturing van de militaire operatie van Abuja naar Maiduguri en het verwijderen van militaire controleposten in het hele land. Voor de operationalisering van de MNJTF, een regionale troepenmacht, heeft Buhari USD 21 miljoen vrij gemaakt.
Naast militaire acties en plannen lijkt bij Buhari en zijn adviseurs het besef aanwezig te zijn dat ook de onderliggende sociaaleconomische problemen moeten worden geadresseerd om Boko Haram te verdrijven. Binnen het Office of the National Security Adviser (ONSA) is er een afdeling opgericht die deze soft approach momenteel uitwerkt.
Niettemin is daadwerkelijke vooruitgang traag en wordt uit alles duidelijk dat president Buhari niet over een nacht ijs gaat, hetgeen onder meer blijkt uit het feit dat hij veel tijd neemt voor het aanstellen van zijn ministersploeg.
Verloopt de afstemming tussen Nigeria en haar buurlanden in de strijd tegen Boko Haram nog op vruchtbare wijze? Welke betrokkenheid toont de internationale gemeenschap hierbij?
De aanpak van Boko Haram is primair een Nigeriaanse verantwoordelijkheid. De regionale dimensie van Boko Haram vereist echter ook een regionale benadering. Het is daarom aan de buurlanden Tsjaad, Niger, Kameroen en Benin om een effectieve samenwerking op te zetten. President Buhari heeft – als een van zijn eerste daden als president – een belangrijke impuls gegeven aan regionale samenwerking door in de eerste maanden meteen naar Niger, Tsjaad, Kameroen én Benin te reizen voor overleg over een gezamenlijke aanpak van Boko Haram.
Tijdens deze bezoeken zijn afspraken gemaakt over de regionale troepenmacht, de Multi National Joint Taskforce (MNJTF). Belangrijk is vooral de afspraak dat de MNJTF «de grens over mag», waardoor troepen uit buurlanden tot in Nigeria Boko Haram-strijders militair mogen aangrijpen. Omdat Boko Haram activiteiten ontplooit die de formele landsgrenzen overschrijden is dit een belangrijk onderdeel van de samenwerking.
De gedetailleerde, operationele uitwerking van de MNJTF heeft echter vertraging opgelopen, onder andere vanwege grote onderlinge verschillen in cultuur, taal en organisatie tussen Nigeria, Niger, Tsjaad, Kameroen en Benin. De EU heeft aangeboden om financieel bij te dragen, maar heeft nog geen officieel steunverzoek ontvangen. Ook de besprekingen tussen het Lake Chad Bassin Commission (de regionale organisatie van landen grenzend aan het Tsjaadmeer) en de Afrikaanse Unie, die beide een rol hebben bij de operationalisering van de MNJTF, verlopen moeizaam.
Zoals eerder toegelicht in de Kamerbrief van april, is de Nederlandse inzet er voornamelijk op gericht om de Nigeriaanse autoriteiten hun verantwoordelijkheid voor bescherming van de eigen burgerbevolking te laten nemen en een effectieve regionale aanpak te bevorderen. Om zoveel mogelijk effect te sorteren zoekt Nederland aansluiting bij internationale initiatieven, vooral binnen en via de EU.
De betrokkenheid van de EU bij de strijd tegen Boko Haram blijkt onder meer uit het aannemen van een geïntegreerde Political Framework for Crisis Approach Boko Haram(PFCA). Hierin wordt regionale en nationale assistentie geboden aan Nigeria om de vicieuze cirkel van geweld te helpen doorbreken en om bij te dragen aan hervormingen op het gebied van goed bestuur en sociaaleconomische ontwikkeling in Noordoost Nigeria. De EU doet dit door middel van politieke dialoog, als ook met ontwikkelingsactiviteiten gericht op de aanpak van grondoorzaken van radicalisering en geweld. Zo financiert de EU onder het PFCA een programma om de participatie van vrouwen in vredesopbouw te versterken en heeft de EU een counter-terrorism package (EUR 9,9 mln) aangenomen dat zich richt op het verbeteren van het Nigeriaanse veiligheidsbeleid. Daarnaast omvat het PFCA activiteiten gericht op de bescherming van de jeugd en de preventie van radicalisering door middel van psychosociale hulp voor kinderen en jongeren in Noordoost Nigeria.
De dialoog met Nigeria over de aanpak van Boko Haram voert de EU vooralsnog voornamelijk op hoogambtelijk niveau. De politieke ingangen voor dialoog zijn beperkt, gegeven het feit dat Buhari nog geen ministersploeg heeft aangesteld.
Op welke wijze bent u in staat, waar mogelijk in internationaal verband, om de druk op de Nigeriaanse regering te handhaven om werk te blijven maken van de strijd tegen Boko Haram en om een structurele aanpak te realiseren van de onderliggende oorzaken van het geweld in Nigeria? Welke resultaten worden hier geboekt?
Zie antwoord vraag 7.
Welke ontwikkelingen zijn momenteel zichtbaar op het terrein van de humanitaire hulpverlening aan de bijna 2 miljoen ontheemden?
Het aanhoudende geweld door Boko Haram in de Noordoostelijke provincies van Nigeria heeft eind september 2015 geleid tot 2,2 miljoen ontheemden in Nigeria. 58% van de ontheemden in Nigeria zijn kinderen, waarvan de helft zelfs onder de vijf jaar oud is. In totaal zijn er rondom Lake Chad 2,5 miljoen mensen ontheemd, die momenteel in Nigeria, Tsjaad, Kameroen en Niger verblijven.
Per 10 september zijn er 10.943 Nigerianen teruggekeerd vanuit Kameroen. Hervestiging wordt nu georganiseerd en noodvoedsel, woonvoorzieningen en zorg zijn geleverd door de National Emergency Management Agency (NEMA), Adamawa and Borno State Emergency Management Agencies en humanitaire partners. Vanwege het aanhoudende geweld en de slechte toegang tot de getroffen gebieden in het noordoosten heeft het VN Wereldvoedselprogramma (WFP) sinds 17 augustus de United Nations Humanitarian Air Service (UNHAS) ingezet voor het faciliteren van toegang van humanitaire hulp tot het Noordoosten.
Nederland is de vijfde donor van humanitaire hulp aan de crisis in Nigeria. Nederland draagt EUR 5,3 miljoen bij aan de crisis in Nigeria door het werk van Nederlandse NGO’s (Save the Children, Oxfam Novib, Stichting Vluchteling en Tear) in het kader van de Dutch Relief Alliance, genoemd in de Kamerbrief van 4 juni jongstleden. Het programma draagt bij aan het lenigen van de noden op het gebied van Food Security & Livelihoods, WASH, Protection & Health in de noordoostelijke staten Borno, Adamawa en Gombe. Daarnaast is humanitaire capaciteitsopbouw van de lokale overheden en organisaties een belangrijk deel van het programma.
Naast bilaterale steun verstrekt Nederland ook ongeoormerkte bijdragen aan internationale noodhulporganisaties -en fondsen. In 2015 gaat het om 55 miljoen euro aan het Central Emergency Response Fund (CERF), 50 miljoen euro aan het International Committee of the Red Cross (ICRC), 36 miljoen euro aan het WFP, 33 miljoen euro aan de United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR), 15 miljoen euro aan het United Nations Children Fund (UNICEF) en 5 miljoen euro aan de Office for the Coordination of Humanitarian Affairs (OCHA). Door ongeoormerkte bijdragen te verstrekken, kunnen organisaties het geld inzetten daar waar de humanitaire noden het hoogst zijn.
Klopt het bericht dat de fondsen voor humanitaire hulp snel slinken en dat van de toegezegde humanitaire hulp nog geen 30% is binnengekomen? Hoe kunnen deze falende donoren hierop worden aangesproken?
Volgens OCHA komt de behoefte aan financiering voor humanitaire hulp voor Nigeria op basis van het Nigeria Humanitarian Response Plan uit op USD 100,3 mln. Hiervan is op 30 september 2015 47% toegezegd en grotendeels uitbetaald.
Nederland staat in de top 10 van humanitaire donoren wereldwijd en onderschrijft het belang van humanitaire hulp en de noodzaak voor snel uitbetalen van toegezegde financiering. Daar waar mogelijk zal Nederland in bilaterale gesprekken en in internationale fora opbrengen dat het van groot belang is dat humanitaire toezeggingen snel uitbetaald worden.
Ziet u nog nieuwe of aanvullende mogelijkheden binnen het Nederlandse genderbeleid om specifiek aandacht te schenken aan het lijden van meisjes en vrouwen als gevolg van het handelen van Boko Haram?
De bescherming van meisjes en vrouwen tegen (seksueel) geweld is een prioriteit voor het Nederlands en buitenlands beleid. 28 april jongstleden, informeerde ik u over de Nederlandse inzet voor meisjes en vrouwen die slachtoffer zijn geworden van Boko Haram. Verschillende projecten van vrouwenrechtenorganisaties in Nigeria worden op dit moment gesteund door Nederland, onder andere door middel van het Funding Leadership Opportunities for Women (FLOW) fonds. Deze projecten richten zich onder meer op bestrijding van geweld tegen vrouwen en gender-based violence in Nigeria en bevorderen de deelname van vrouwen in vredesprocessen en in de politiek. Het FLOW-fonds is inmiddels in zijn tweede fase beland. Nieuwe projectvoorstellen kunnen in deze fase worden ingediend, ook voor Nigeria.
De plaatsing van nieuwe kernwapens in Duitsland |
|
Harry van Bommel , Jasper van Dijk |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
Bent u bekend met de ZDF uitzending, waaruit blijkt dat Duitsland 112 miljoen euro investeert in de upgrade van de WS3 bunkers, landingsbaan en andere faciliteiten op Buchel Airbase?1
Ja.
Zijn er kosten geraamd door Nederland voor vergelijkbare upgrades van WS3 bunkers op Volkel Airbase, van de landingsbaan of eventueel andere kosten in verband met de Nederlandse kernwapentaken? Zo ja, hoeveel?
Het vernieuwen van rol- en startbanen hoort bij het periodieke onderhoud van een luchtmachtbasis.
Het upgrade-programma van de WS-3 systemen wordt door de NAVO gefinancierd, aangezien deze systemen van de NAVO zijn.
Op grond van bondgenootschappelijke afspraken worden er geen mededelingen gedaan over de kernwapentaak van Nederland.
Hoe oordeelt u over het bericht «Rusland in geweer tegen nieuwe atoombommen VS» over de plaatsing van nieuwe kernwapens in Duitsland?2
Het kabinet wil niet speculeren over de mogelijke Russische interpretatie van het levensverlengingsprogramma voor de Amerikaanse B61.
Hoe oordeelt u over de opstelling van Moskou dat een reactie niet kan uitblijven, vanwege de verstoring van het strategisch evenwicht?
Zie antwoord vraag 3.
Erkent u dat de modernisering van kernwapens in strijd is met uw streven naar wereldwijde kernontwapening (de zgn. Global Zero)?
Neen. Het levensduurverlengingsprogramma voor de B61 is bedoeld om de veiligheid, beveiliging en effectiviteit van dit wapen blijvend te garanderen. Het Amerikaanse «Nuclear Posture Review Report» van april 2010 stelt dat de levensduurverlengingsprogramma’s geen nieuwe militaire capaciteiten zullen opleveren. Zie ook antwoord op vraag 8.
Erkent u dat de modernisering van kernwapens in Europa kan leiden tot een ongewenste nieuwe wapenwedloop? Wat onderneemt u daartegen?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat, nu de JSF geen kernwapentaak zal krijgen, het moderniseren van de op Volkel aanwezige kernwapens overbodig is?3 Bent u bereid kenbaar te maken dat de op Volkel aanwezige kernwapens derhalve niet gemoderniseerd hoeven te worden?
Het zal nog geruime tijd duren, zeker tot 2024, voordat de F-16 niet meer in gebruik is. Hoe het geheel van afschrikkings- en defensiecapaciteiten van de NAVO er dan uitziet, is nu niet te voorspellen. Wel staat vast dat het thema tot die tijd regelmatig onderwerp van discussie zal zijn in het bondgenootschap.
Nederland wil in deze discussie een actieve rol blijven spelen.
Voor het standpunt van het kabinet ten aanzien van de eventuele kernwapentaak voor de vervanger van de F16 verwijzen wij u naar de brieven van 14 januari 20144 en van 2 september 20145.
Bent u bereid in internationale fora te pleiten voor het afzien van de modernisering van kernwapens? Zo nee, waarom niet?
Neen. Het levensverlengingsprogramma is de verantwoordelijkheid van de Amerikaanse overheid en is gericht op beveiliging, veiligheid en effectiviteit van de kernwapens. Wel zal Nederland zich blijven inzetten voor de condities die verdere ontwapening mogelijk maken, de rol van kernwapens in militaire doctrines verder terug te dringen en voortgang te maken in de multilaterale onderhandelingen over nucleaire non-proliferatie en ontwapening.
Kindermisbruik in Afghanistan |
|
Angelien Eijsink (PvdA), Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Amerikaanse soldaten moesten kindermisbruik Afghanistan negeren»?1
Zoals de artikelen van Schut en Van Baarle laten zien, is dit een complex onderwerp.
Deelt u de mening dat de Amerikaanse soldaten niet hadden moeten wegkijken toen een Afghaans jongetje misbruikt werd? Zo nee, waarom niet?
Het ontbreekt Defensie aan informatie om de Amerikaanse casuïstiek volledig te kunnen beoordelen.
Deelt u de mening dat het gebruik «bacha bazi» haaks staat op het bevorderen van de mensenrechten, wat een van de doelen was en is van de Nederlandse inzet in Afghanistan?
Ja. Het gebruik van «bacha bazi» staat haaks op het bevorderen van de mensenrechten.
Was er voorafgaand aan deelname aan de missie in Afghanistan het gebruik «bacha bazi» bij u bekend? Zo nee, op welk moment was het u wel bekend dat er sprake was van dit soort praktijken?
Bij aanvang van de Nederlandse deelneming in Coalitie-geleide operaties in Afghanistan in 2002 was Defensie niet bekend met het fenomeen «bacha bazi». De bekendheid hiermee ontstond naarmate Defensie meer ervaring opdeed in Afghanistan; meer in het bijzonder als gevolg van de eerste ontmoetingen, of gezamenlijke operaties, met lokale machthebbers en Afghaanse veiligheidsdiensten.
Klopt het dat er geen richtlijnen zijn voor Nederlandse militairen hoe zij moeten handelen ten aanzien van het gebruik «bacha bazi» en het misbruik van jongetjes?2 Zo ja, kunt u toelichten wat de reden daarvan is? Zo nee, kunt u toelichten welke richtlijnen er zijn?
Ja. Hier zijn geen specifieke richtlijnen voor. Defensie herkent de confrontatie met «bacha bazi» als een moreel dilemma. Gedurende de loopbaan van een militair worden op diverse momenten trainingen verzorgd over het omgaan met morele dilemma’s. Hierbij wordt een denkmodel gehanteerd, het zogenoemde Ethisch Bewustwordingsmodel, voor het nemen van weloverwogen beslissingen in ethische probleemsituaties. De militair leert door dit model toe te passen, bewuster om te gaan met ethische dilemma's en bovendien kan hij/zij achteraf zijn/haar beslissing verantwoorden. Daarnaast worden militairen tijdens de Missie Gerichte Instructie, in voorbereiding op hun missie, geïnformeerd over «bacha bazi» (zie ook het antwoord op vraag 6).
Klopt het dat Nederlandse militairen niet voorbereid waren op het gebruik van «bacha bazi», omdat dit niet was opgenomen in het opwerktraject en de pre-deployment training voor uitzending?3 Zo ja, wat is de reden dat Nederlandse militairen hier niet op werden en/of worden voorbereid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Bij aanvang van de Nederlandse deelneming in Coalitie-geleide operaties in Afghanistan in 2002 was Defensie niet bekend met het fenomeen «bacha bazi». Er werd derhalve tijdens het opwerktraject geen aandacht geschonken aan het gebruik ervan. Naarmate de bekendheid van Defensie met het fenomeen «bacha bazi» toenam, is het onderwerp genoemd als een binnen de Afghaanse samenleving zeer omstreden «culturele eigenheid» tijdens de lessen Cultural Awareness binnen de Missie Gerichte Instructie.
Begrijpt u dat bij gebrek aan voorbereiding en richtlijnen Nederlandse militairen voor een moreel dilemma kunnen komen te staan wanneer zij met dit gebruik worden geconfronteerd? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Een militair wordt echter gedurende zijn of haar gehele loopbaan op diverse momenten getraind om morele dilemma’s te herkennen en hiermee om te gaan.
Is er op enig moment sprake van geweest dat het gebruik «bacha bazi» werd gepraktiseerd op Nederlandse bases, dan wel bases waar Nederlandse militairen actief waren of zijn?
Het gebruik van «bacha bazi» op Nederlandse- of Coalitiebases zou een overtreding zijn geweest van de geldende voorschriften. Het is niet bekend of er zich in het tijdvak van de Nederlandse deelneming aan Coalitie-operaties in Afghanistan een dergelijke overtreding heeft voorgedaan op bases waar Nederlandse militairen actief waren.
Op welke wijze is er omgegaan met meldingen van Nederlandse militairen in Afghanistan die misbruik van Afghaanse jongetjes hebben opgemerkt of waargenomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In erkenning van de Afghaanse jurisdictie, en bij afwezigheid van een specifieke juridische kaderstelling voor het omgaan met «bacha bazi», hebben Nederlandse commandanten pragmatische oplossingen gekozen; bijvoorbeeld door de aanwezigheid van minderjarigen op Nederlandse bases, alsook op bases van Afghaanse veiligheidsdiensten die onder Nederlandse toezicht stonden, te verbieden. Daarnaast doorlopen Nederlandse militairen na uitzending een missie-specifiek zorgtraject, waarbij deelnemers doelbewust op indringende ervaringen, bijvoorbeeld als gevolg van moreel kritische situaties, zoals de confrontatie met «bacha bazi», worden bevraagd.
Is er specifieke nazorg ontwikkeld voor militairen die geconfronteerd zijn met de praktijk van «bacha bazi»? Zo ja, kunt u dit toelichten? Zo nee, waarom niet?
Na elke missie wordt een missie-specifiek nazorgtraject uitgevoerd. In dit traject is op meerdere momenten aandacht voor indringende ervaringen van militairen die ze hebben opgedaan tijdens hun missie. Naast dit traject kunnen militairen en veteranen aankloppen bij de hulpverleningsinstanties van Defensie als zij problemen ervaren na terugkeer van een missie.
Kunt u toelichten op welke manier er nu aandacht wordt besteed aan mensenrechten en kinderrechten in voorbereiding van en tijdens missies? Worden er specifieke richtlijnen ontworpen voor individuele militairen? Zijn er instructies voor Nederlandse militairen om op te treden bij (ernstige) schendingen van kinder- en mensenrechten? Zo nee, waarom niet?
Tijdens de Missie Gerichte Instructie worden lessen gegeven waarin basiskennis over Humanitair Recht en mensenrechten wordt aangereikt. Deze lessen gaan echter alleen in op naleving van deze rechten door Nederlandse militairen zelf. Daarnaast wordt tijdens de les Macht en Ethiek aandacht besteed aan morele dillema’s. Tijdens missies, zoals in Afghanistan, zijn er wel richtlijnen voor de naleving van mensenrechten.
Kunt u zo vriendelijk zijn deze vragen te beantwoorden ruim voor het wetgevingsoverleg Personeel voorzien op 2 november aanstaande?
Ja.
Kunt u zo vriendelijk zijn om bovenstaande vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat Saudi-Arabië een 21-jarige activist gaat onthoofden en kruisigen |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Saudi Arabia preparing to behead and crucify 21-year-old Shia activist»?1 Wat is uw reactie op dit bericht?
Ja.
Het kabinet zet zich al jarenlang in voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en is zeer geschokt over de berichtgeving over een dergelijk vonnis. Bovendien is het opleggen van de doodstraf aan iemand die ten tijde van het vermeende misdrijf minderjarig was een schending van het VN-Kinderrechtenverdrag waar ook Saudi-Arabië partij bij is.
Heeft de Nederlandse ambassade of de EU-delegatie het proces tegen Ali Mohammed al Nimr gemonitord en rechtszaken bijgewoond? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse ambassade heeft de ontwikkelingen in de zaak gevolgd maar de rechtszaak niet bijgewoond. De internationale gemeenschap was niet tijdig op de hoogte was van de rechtszaak.
Bent u bereid om een demarche uit te voeren om uw bezwaren over dit vonnis aan de Saudische ambassadeur over te brengen?
Nederland heeft zich met andere (EU-)partners beraad over deze straf en over de meest effectieve inzet door de internationale gemeenschap. Vanuit die zienswijze zullen de EU en lidstaten in hun contacten met de Saoedische autoriteiten hun zorgen omtrent deze zaak opbrengen.
Bent u bereid in EU-verband erop aan te dringen bij de Saudische autoriteiten om Ali Mohammed al Nimr vrij te laten? Indien nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is u bekend over de redenen voor de veroordeling van Ali Mohammed al Nimr? Is het waar dat hij is veroordeeld voor daden die hij heeft gepleegd toen hij minderjarig was?
Ali Mohammed al-Nimr werd ter dood veroordeeld voor 14 aanklachten die hij gepleegd zou hebben toen hij 17 jaar was. Sommige aanklachten kunnen resulteren in de toepassing van de bestraffing voor het oorlog voeren tegen God en/of het verspreiden van corruptie op aarde. Dit soort misdrijven worden binnen de wetgeving van Saoedi-Arabië gekwalificeerd als het zwaarste soort. De rechter heeft nog niet besloten hoe de straf ten uitvoer wordt gebracht.
Bent u op de hoogte van de benoeming van een Saudische diplomaat tot voorzitter van een belangrijk forum in de VN Mensenrechtenraad? Zo ja, op welke manier heeft Nederland tijdens de VN Mensenrechtenraad zich uitgesproken voor of tegen de benoeming van de Saoedische diplomaat?
Ja.
De Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in Genève van Saoedi-Arabië, Faisal Trad, is door zijn regionale groep, de Aziatische groep, aangewezen als lid van de zogeheten Consultative Group. De regionale groepen stellen zelf iemand uit hun midden aan in deze commissie. Deze persoon functioneert vervolgens op persoonlijke titel. De adviezen van de Consultative Group komen tot stand op basis van strikte voorschriften en zijn openbaar. Nederland heeft geen betrokkenheid gehad bij de benoeming van de Saoedische ambassadeur tot voorzitter van de zogeheten Consultative Group.
Het Saoedische voornemen een tiener te kruisigen en te onthoofden |
|
Louis Bontes (GrBvK), Joram van Klaveren (GrBvK) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Saoedi-Arabië gaat tiener kruisigen en onthoofden»?1
Ja.
Deelt u de walging dat Saoedi-Arabië voornemens is een tiener te kruisigen en te onthoofden?
Het kabinet zet zich al jarenlang in voor wereldwijde afschaffing van de doodstraf, en is zeer geschokt over het nieuws van deze vermeende opgelegde straf. Bovendien is het opleggen van de doodstraf aan iemand die ten tijde van het begane misdrijf minderjarig was een schending van het VN-Kinderrechtenverdrag waar ook Saudi-Arabië partij bij is.
Bent u bereid maximale druk uit te oefenen op dit land, mede in internationaal verband, om te voorkomen dat dit barbaarse voornemen wordt omgezet in daden?
Nederland heeft zich met andere (EU-)partners beraad over deze straf en over de meest effectieve inzet door de internationale gemeenschap. Vanuit die zienswijze zullen de EU en lidstaten in hun contacten met de Saoedische autoriteiten hun grote zorgen omtrent deze zaak opbrengen.
Ziet u in dat de VN Mensenrechtenraad totaal ongeloofwaardig is geworden nu deze zich laat adviseren door een panel dat uitgerekend een Saoedische diplomaat als voorzitter heeft gekregen? Bent u bereid dit in VN-verband uit te spreken?
Voor de Nederlandse regering is de Mensenrechtenraad één van de belangrijkste fora waar landen, lid of geen lid, aangesproken kunnen worden op mensenrechtenschendingen. De Permanent Vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties in Genève van Saoedi-Arabië, Faisal Trad, is door zijn regionale groep, de Aziatische groep, aangewezen als lid van de zogeheten Consultative Group. De adviezen van de Consultative Group komen tot stand op basis van strikte voorschriften en zijn openbaar.
Deelt u de mening dat de Saoedische ambassadeur ons land dient te verlaten als men vasthoudt aan het voornemen de jongen te doden vanwege een demonstratie voor meer democratie? Zo neen, waarom niet?
Nee. Het kabinet is van mening dat het openhouden van diplomatieke kanalen Nederland voorziet van de mogelijkheid om verscheidene zaken, waaronder mensenrechtenkwesties, te bespreken.
Een in Saudi-Arabië opgelegde doodstraf |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat de jonge Saudische activist Ali Mohammed Baqir al-Nimr onlangs ter dood is veroordeeld voor feiten die hij gepleegd zou hebben toen hij 17 was en dat zijn executie op korte termijn kan worden uitgevoerd?1
Ja.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat de veroordeling van de Saudiër vernietigd dient te worden omdat er sprake was van een oneerlijk proces en het internationaalrechtelijk verboden is de doodstraf op te leggen aan een minderjarige? Indien neen, waarom niet? Indien ja, bent u bereid direct bij de Saudische autoriteiten te pleiten voor het niet uitvoeren van de straf?
Nederland is principieel tegen de doodstraf en draagt dit ondubbelzinnig uit. Het nieuws over het vonnis, en de manier waarop dat zou kunnen worden uitgevoerd, heeft het kabinet zeer geschokt. Bovendien is het opleggen van de doodstraf aan iemand die ten tijde van het begane misdrijf minderjarig was een schending van het VN-Kinderrechtenverdrag waar ook Saudi-Arabië partij bij is. Nederland heeft zich met andere (EU-)partners beraad over deze straf en over de meest effectieve inzet door de internationale gemeenschap. Vanuit die zienswijze zullen de EU en lidstaten in hun contacten met de Saoedische autoriteiten hun zorgen omtrent deze zaak opbrengen.
Wat is uw beeld van het gebruik van marteling, specifiek met betrekking tot deze zaak en meer in het algemeen, door de Saudische autoriteiten om bekentenissen af te dwingen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Er zijn berichten dat in het geval van Ali Mohammed al-Nimr sprake is geweest van marteling om tot een bekentenis te komen. Als dit inderdaad het geval is, betreurt het kabinet dit ten zeerste en zal dit meenemen wanneer deze kwestie wordt opgebracht bij de Saoedische autoriteiten. Marteling is een schending van het VN-Anti-folteringsverdrag. Ook Saoedi-Arabië is partij bij dit verdrag en zou deze praktijken niet mogen bezigen.
Kunt u bevestigen dat deze doodstraf uitgevoerd gaat worden door middel van onthoofding en kruisiging? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Indien ja, hoe beoordeelt u dit mogelijke handelen van een bondgenoot van het westen in de strijd tegen Islamitische Staat, die onder andere juist aangevallen wordt vanwege dergelijke mensenrechtenschendingen?
Ali Mohammed al-Nimr werd ter dood veroordeeld voor 14 aanklachten, waarvan een aantal kunnen resulteren in de toepassing van de bestraffing voor het oorlog voeren tegen God en/of het verspreiden van corruptie op aarde. Dit soort misdrijven worden binnen de wetgeving van Saoedi-Arabië gekwalificeerd als het zwaarste soort. De rechter heeft nog niet besloten hoe de straf ten uitvoer wordt gebracht. Dat laat onverlet dat Nederland principieel tegen de doodstraf is en er naar streeft de Saoedische autoriteiten ertoe te bewegen af te zien van de uitvoer van het vonnis.
De aanstelling van een Saoediër als voorzitter van VN mensenrechtenpanel |
|
Michiel Servaes (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het bericht dat de Saoedische ambassadeur in Genève, Faisal Trad, onlangs is aangesteld als hoofd van de VN Mensenrechtenraad?1
Deelt u de mening dat het toewijzen van deze positie aan een vertegenwoordiger van Saoedi-Arabië – dat tot de grootste mensenrechtenschenders ter wereld wordt gerekend en bijvoorbeeld door de organisatie Freedom House is ingedeeld in de categorie «worst of the worst» – de geloofwaardigheid van de VN Mensenrechtenraad en van de VN als geheel ernstig schaadt? Zo nee, waarom niet?2
Deelt u de mening dat deze aanstelling een klap in het gezicht is van alle mensenrechtenactivisten, vrouwen, Lesbische, Homoseksuele, Biseksuele personen en Transgenders (LHBT) en anderen van wie fundamentele rechten dagelijks in Saoedi-Arabië worden geschonden?
Deelt u de opvatting van de vrouw van de Saoedische blogger Raif Badawi, die vanwege zijn blogs onrechtmatig is opgepakt en gestraft wordt met stokslagen, dat dit een vrijbrief is voor de Saoedische overheid om door te gaan met grove mensenrechtenschendingen? Zo nee, waarom niet?
Was Nederland als lid van de VN Mensenrechtenraad op de hoogte van deze benoeming en heeft u zich hiertegen verzet? Zo ja, op welke wijze heeft u dit gedaan? Zo nee, bent u bereid zich alsnog publiekelijk en op de eerstvolgende zitting van de VN Mensenrechtenraad uit te spreken tegen de benoeming van de Saoedische diplomaat?
Kunt u zich vinden in de uitspraak van Hillel Neuer, directeur van de niet-gouvernementele organisatie UN Watch, dat deze VN-benoeming is «als het aanstellen van een pyromaan tot brandweerchef»?3
Bent u bereid steun te geven aan de oproep van UN Watch aan Hoge Vertegenwoordiger Mogherini om de aanstelling van de Saoediër te veroordelen en aan te sturen op het terugdraaien van zijn benoeming? Zo ja, hoe zult u aan deze oproep gehoor geven? Zo nee, waarom niet?
De in Suriname vermiste helikopter met een Nederlander aan boord |
|
Harry van Bommel , Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
In het Algemeen overleg over Suriname van 9 september jl. meldde u dat Suriname het Nederlandse aanbod tot hulp bij het zoeken naar een in Suriname vermiste helikopter met een Nederlander aan boord «in beraad had» wat is thans de stand van zaken?
Zoals gebruikelijk bij vergelijkbare vermissingszaken, biedt Nederland aan de lokale autoriteiten in het land waar de vermissing plaatsvindt, assistentie aan. Op 26 mei 2015 – drie dagen na de vermissing van de helikopter – heeft de Nederlandse ambassade te Paramaribo assistentie in de vorm van expertise op het gebied van search and rescue aangeboden aan de Surinaamse autoriteiten. Op 9 juni 2015 heeft Suriname van het aanbod gebruik gemaakt. Specialisten van het Ministerie van Defensie, waaronder spoorzoekers en beeldanalisten, hebben informatie geanalyseerd die vanuit Suriname was toegestuurd en advies uitgebracht aan de desbetreffende Surinaamse autoriteiten.
Welk aanbod heeft Nederland precies aan Suriname gedaan om te helpen bij het zoeken naar de betreffende helikopter en de bemanning?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de Nederlandse overheid om apparatuur is gevraagd waarmee door bladerdek kan worden gekeken, maar dat Nederland niet over die apparatuur beschikt?
Ja. Suriname heeft op 5 augustus 2015 een aanvullend hulpverzoek ingediend waarin werd gevraagd om inzet van een «Foliage Penetrating Search Radar». Binnen Defensie is dergelijke apparatuur niet beschikbaar. Er is daarna gezocht naar alternatieven, maar zonder resultaat. Nederland heeft moeten constateren dat niet aan het verzoek kon worden voldaan. Dit is op 4 september 2015 aan de Surinaamse autoriteiten meegedeeld.
Is overwogen om bedoelde apparatuur van derden te huren om zodoende effectief te kunnen zoeken naar de vermiste helikopter en personen die aan boord waren? Indien neen, waarom niet?
Het is, net zoals bij alle consulaire gevallen, aan het land waar de vermissing plaatsvindt om in contact te treden met derde partijen.
Bent u bereid de beschikbaarheid en effectiviteit van bedoelde apparatuur te onderzoeken en te overwegen deze in te zetten bij de zoekactie naar de vermiste helikopter en personen die aan boord waren? Indien neen, waarom niet?
Zoals vermeld in het antwoord op vraag 3, is uit onderzoek inmiddels gebleken dat Nederland niet over dergelijke apparatuur of alternatieven daarvoor beschikt. Indien Suriname met een ander verzoek om hulp, inzet materieel of advies komt, zal Nederland onderzoeken of hieraan kan worden voldaan.
Oplopende spanningen in Turkije |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wie wil vechten in Turkije, gaat nu los» over de oplopende spanningen in Turkije?1
Ja.
Wat is uw beeld van het aantal doden als gevolg van het geëscaleerde geweld tussen enerzijds Turkse militairen en politieagenten en anderzijds de PKK en daaraan gelieerde groepen? Kunt u aangeven hoeveel slachtoffers (ongeveer) aan beide kanten zijn gevallen en hoeveel slachtoffers burgers zijn?
Het kabinet beschikt niet over geverifieerde cijfers wat betreft aantallen slachtoffers aan weerszijden.
Kunt u bevestigen dat kantoren van de pro-Koerdische politieke partij HDP op grote schaal zijn aangevallen en dat Koerdische burgers zijn aangevallen door nationalistische groepen? Hoe beoordeelt u het optreden van de Turkse autoriteiten om deze aanvallen tegen te gaan?
Ja, kantoren van de HDP en Koerdische burgers zijn aangevallen. Premier Davutoğlu en de vicepremiers Akdoğan en Kurtulmus hebben dit opgelaaide geweld ten stelligste veroordeeld. De Turkse politie trad op tegen de aanvallen, maar was vaak laat ter plekke.
Hoe beoordeelt u de Turkse inval in het noorden van Irak om PKK-strijders aan te vallen? Is dit, en zijn de luchtaanvallen op doelen in Irak, in lijn met het internationaal recht? Zo ja, kunt u uw antwoord toelichten?
Turkije voert acties uit tegen de PKK, ook in Noord-Irak.
Net als andere landen heeft Turkije het recht zich te verdedigen tegen terroristische daden. Nederland blijft van mening dat maatregelen van Turkije tegen terroristische dreigingen, ook als die uitgaan van de PKK, proportioneel moeten zijn. Verdere escalatie in de regio moet worden voorkomen. Nederland heeft Turkije en de betrokken Koerdische groeperingen opgeroepen het vredesproces te continueren en het staakt-het-vuren in acht te blijven nemen. Diverse bondgenoten hebben gelijkluidende oproepen aan Turkije gedaan.
Is het waar dat in Turkije een wet is aangenomen die bepaalt dat Turkse veiligheidsfunctionarissen met scherp mogen schieten op demonstranten en dat dit ook gebeurt, met dodelijk gevolg?2 Indien neen, wat zijn hier dan de feiten?
De Domestic Security Billvan april van dit jaar geeft politieagenten de bevoegdheid om een vuurwapen te gebruiken om te voorkomen dat er een aanval met een «molotov of een daarop lijkend wapen» plaatsvindt tegen gebouwen, voertuigen of mensen. Het is mij niet bekend of er door gericht politiegeweld dodelijke slachtoffers onder burgers zijn gevallen.
Deelt u de zorgen dat onder de huidige omstandigheden eerlijke verkiezingen, die gepland staan voor later dit jaar, (in delen van het land) niet mogelijk zijn?
Vooralsnog gaan de verkiezingen op 1 november door als gepland. Turkije heeft, zoals gebruikelijk, ODIHR om verkiezingswaarneming gevraagd. Op korte termijn zal hiervoor een Needs Assession Missionnaar Turkije reizen. Nederland is voornemens aan deze waarnemingsmissie deel te nemen.
Bent u bereid de strijdende partijen in Turkije op te roepen tot een staakt-het-vuren? Indien neen, waarom niet?
Ja. Nederland heeft Turkije en de betrokken Koerdische groeperingen opgeroepen het vredesproces te continueren en het staakt-het-vuren in acht te blijven nemen.
Ongewenste beïnvloeding van de stemming voor de Nederlandse mensenrechtenprijs ‘De Tulp’ |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Rechts Israël saboteert De Tulp»?1
Zie antwoord op vraag 6.
Klopt het dat de stemming voor De Tulp beïnvloed is door de rechts-nationalistische organisatie «My Israel»?
«My Israel» heeft een oproep gedaan niet op de organisatie «B’Tselem» te stemmen. Van de 70.853 stemmen die op de top-3 kandidaten zijn uitgebracht, kwamen er ongeveer 50.000 uit Israël. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat de oproep van «My Israel» invloed heeft gehad op de stemming.
Klopt het dat deze organisatie het stemadvies heeft gegeven niet op de organisatie B’tselem, die mensenrechtenschendingen tegen Palestijnen in bezet gebied rapporteert, te stemmen?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe groot de invloed is geweest van de rechts-nationalistische organisatie «My Israel» op de uiteindelijke uitslag van de stemming voor «De Tulp»?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt «My Israel» in enige vorm of via enige wijze door de Israëlische overheid gefinancierd?
«My Israel« is een netwerk van pro-Israëlische activisten op internet. Het is onduidelijk of en op welke wijze «My Israel« financiering ontvangt. Er kan derhalve niet worden vastgesteld of er een financiële relatie bestaat tussen «My Israel» en de Israëlische overheid.
Welke consequenties verbindt u aan deze ongewenste beïnvloeding? Bent u van mening dat deze beïnvloeding van belang is voor de geldigheid van de stemming? Bent u voornemens stappen en/of acties te ondernemen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet acht vreedzaam debat en discussie over de kandidaten op zich positief. Uiteindelijk kan openlijk debat over mensenrechtenonderwerpen bijdragen aan zichtbaarheid voor mensenrechtenverdedigers (individuen en organisaties) en verbetering van de mensenrechtensituatie. Het kabinet betreurt evenwel dat door de proteststemmen de positieve steun voor kandidaten onderbelicht kan zijn gebleven.
Het kabinet is zich er van bewust dat bij een internetstemming dergelijke initiatieven mogelijk zijn. Tegelijkertijd is de publiekskeuze maar één onderdeel van een uitgebreid selectieproces, zoals uitgelegd op www.humanrightstulip.nl. Overigens zijn voor de publieksstemming waarborgen ingebouwd om frauduleuze stemmen te voorkomen. Zo wordt maximaal één stem per e-mailadres meegeteld en worden stemmen vanuit automatisch gegenereerde e-mailadressen niet meegeteld.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor 10 december 2015, de internationale dag van de mensenrechten, waarop de winnaar van «De Tulp» bekend wordt gemaakt?
Ja.
De verbanning van twee journalisten uit Oekraïne |
|
Han ten Broeke (VVD) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ukraine bans journalists who «threaten national interests» from country»?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat op bevel van de Oekraïense president twee journalisten van de BBC uit Oekraïne zijn gezet? Zo ja, hoe beoordeelt u dit incident?
Het klopt dat een aantal buitenlandse journalisten, waaronder ook twee in Moskou werkende BBC-journalisten, aanvankelijk op de Oekraïense sanctielijst zijn geplaatst. Deze journalisten zijn echter niet uit Oekraïne gezet. Na breed nationaal en internationaal protest, waar ook Nederland zich in kon vinden, zijn de zes westerse journalisten van de sanctielijst gehaald en hebben de Oekraïense autoriteiten excuses aangeboden.
Kunt u een appreciatie geven van de persvrijheid in Oekraïne? Hoe heeft deze zich in de afgelopen jaren ontwikkeld? Vindt u dat Oekraïne onafhankelijke verslaggeving van het conflict in Oost-Oekraïne voldoende faciliteert?
In het grootste, door de Oekraïne gecontroleerde, deel van het land is de algemene mediavrijheid sinds de val van president Janoekovitsj toegenomen. Er is minder vijandigheid en druk van de zijde van de overheid, ook op de media in staatseigendom. De pluriformiteit van het aanbod van informatie neemt toe, zowel op het internet, als in de geschreven pers, op de radio en televisie. In het Freedom of the Press rapport 2015 (van het Freedom House) is Oekraïne in de ranglijst gestegen van de 60ste plaats (2013) naar de 58ste plaats. Hieraan heeft ook verbetering van de wetgeving, zoals de wet op toegang tot informatie en de toegenomen onafhankelijkheid van televisie en pers bijgedragen. In de bezette gebieden staan de media onder sterke invloed van Rusland met bijbehorende intimidatie en beïnvloeding van journalisten. Voor heel Oekraïne geldt dat neutrale, onafhankelijke berichtgeving over het conflict in de huidige situatie een grote uitdaging blijft.
Welke verplichtingen schept het recent met Oekraïne gesloten associatieakkoord precies ten aanzien van persvrijheid? Wordt Oekraïne in het kader van dit akkoord geacht verbeteringen door te voeren op het gebied van persvrijheid?
Voor alle Associatieakkoorden geldt dat fundamentele waarden als respect voor mensenrechten en fundamentele vrijheden expliciet ten grondslag aan het akkoord liggen. Dit geldt ook voor het Associatieakkoord met Oekraïne. In Associatieakkoorden zijn geen bijzondere bepalingen over persvrijheid opgenomen. Dit geldt ook voor het Akkoord met Oekraïne.
Bent u bereid deze vragen vóór het Algemeen overleg over de Raad Buitenlandse Zaken op 8 oktober 2015 te beantwoorden?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
Dublin-overdrachten naar Hongarije |
|
Sharon Gesthuizen (GL), Joël Voordewind (CU), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de misstanden in Hongarije ten aanzien van de opvang zoals ook was te zien in de uitzending van Nieuwsuur van vrijdag 11 september jl.? Wat is daarop uw reactie?
Ja. Voor mijn reactie verwijs ik u naar mijn antwoorden van heden op de vragen van de leden Voortman (Groenlinks), Kuiken en Maij (PvdA).
Klopt het dat Nederland nog altijd mensen middels de Dublin-verordening terugstuurt naar Hongarije? Zo ja hoeveel mensen betreft het op de korte termijn?
Ja, Nederland past de Dublin-verordening toe ten opzichte van Hongarije. Van 1 januari 2015 t/m 19 augustus heeft de IND 230 claims gelegd op Hongarije. In deze periode heeft Hongarije 160 claims van Nederland geaccordeerd, waarvan een aantal al in 2014 ingediend waren. Circa 30 zaken zitten in de caseload van DT&V.
Hoeveel mensen zijn er recentelijk, in de afgelopen drie maanden, teruggestuurd naar Hongarije?
In de periode 15 juni t/m 15 september 2015 is 1 persoon teruggekeerd naar Hongarije op basis van een Dublin-claim. Oorzaak is het gehele proces dat moet worden doorlopen van afhandeling van een claim tot en met het daadwerkelijk realiseren van het vertrek.
Wat gaat u, zelfstandig en in EU-verband, doen teneinde helderheid te krijgen over de situatie in Hongarije?
Zoals geantwoord op de vragen van de leden Voortman, Kuiken en Maij ligt het primair bij de Europese Commissie om te beoordelen of het optreden van de regering van Hongarije in lijn is met de EU-verdragen en wetgeving. Hiernaast volgt Nederland de ontwikkelingen, onder andere via rapportages van de Nederlandse ambassade in Boedapest.
Bent u bereid uitzettingen naar Hongarije op te schorten totdat er helderheid is over deze situatie? Zo nee, bent u dan in ieder geval bereid de uitzettingen naar Hongarije van minderjarige asielzoekers op te schorten?
Zoals geantwoord op de vragen van de leden Voortman, Kuiken en Maij houd ik vast aan het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten opzichte van Hongarije en zie ik onvoldoende aanleiding om Dublinoverdrachten op te schorten. De vraag naar de juridische toelaatbaarheid van een overdracht naar Hongarije, ligt nu ook voor bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Overigens worden alleenstaande minderjarige asielzoekers in het algemeen niet overgedragen aan een andere lidstaat, tenzij de overdracht juist in hun belang zou zijn.
Welke consequenties worden door het kabinet verbonden aan mogelijke schendingen van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens door Hongarije waar het teruggestuurde asielzoekers betreft?
In het kader van de Dublinverordening is belangrijk dat met de overdracht het EVRM en het EU-Handvest niet worden geschonden. Naar mijn mening, blijkt uit de beschikbare informatie niet dat met een overdracht naar Hongarije deze verdragen zouden worden geschonden. Zoals ook aangegeven ligt deze vraag nu ter beoordeling voor bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Hoe verhoudt de Nederlandse positie om Dublin-overdrachten naar Hongarije uit te blijven voeren zich, tot het Duitse en Oostenrijkse besluit om deze op te schorten?
Het is niet juist dat vanuit Oostenrijk en Duitsland geen Dublin-overdrachten (meer) zouden plaatsvinden naar Hongarije.
Bent u op de hoogte van het voornemen van Hongarije om asielzoekers terug te sturen naar Servië, een land buiten de EU? Wat is daarop uw reactie?
Ja. De EU-procedurerichtlijn biedt daartoe ook de ruimte, en biedt tegelijk de asielzoeker wel de mogelijkheid om aan te tonen dat in zijn individuele geval hij niet in Servië om bescherming kon vragen.
De uitspraken dat een Nederlandse militair die is overgelopen naar ISIS beter ‘daar kan sneuvelen’ |
|
Alexander Pechtold (D66), Wassila Hachchi (D66) |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (minister defensie) (VVD), Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u toelichten wat u verstaat onder een «feitelijke constatering» in uw opmerking over de Nederlandse militair die overgelopen is naar ISIS beter daar kan sneuvelen?1
Het betreft de feitelijke constatering dat de beantwoording van de stelling die destijds aan de Minister-President is voorgelegd, een keuze betrof uit twee expliciete antwoorden: sneuvelen of terugkeren.
Hoe moeten we uw opvatting dat de Nederlandse militair die overgelopen is naar ISIS beter daar kan sneuvelen interpreteren, als dit niet uw «wens» is en ook geen kabinetsbeleid?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat een uitspraak van een Minister of Minister-President in functie altijd kabinetsbeleid is, en dat er geen mogelijkheid is tot een persoonlijke mening, aangezien dit afwijkt van de eenheid van kabinetsbeleid? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tegenover de opmerking dat de uitspraak over de Nederlandse sergeant van de luchtmacht «geen kabinetsbeleid» is?
In de Nederlandse verhoudingen geldt, zoals recent ook is uitgelegd in de bijlage bij de begroting van het Ministerie van Algemene Zaken 2016 (Kamerstukken II 2015/16, 34 300 III, nr. 1, blz. 22–23) dat individuele bewindspersonen in beginsel geen uitlatingen doen die niet passen bij de grondwettelijke taakomschrijving van de ministerraad, zijn reglement van orde en de collectieve verantwoordelijkheid van de leden van de raad. In de gevallen waarin geen sprake is van een op basis van het reglement van orde voor de ministerraad genomen besluit over een bepaald onderwerp van algemeen regeringsbeleid, kunnen uitlatingen van individuele bewindspersonen over een dergelijk onderwerp plaatsvinden, indien vaststaat dat deze in overeenstemming zijn met de individuele en collectieve ministeriële verantwoordelijkheid voor een goede taakuitoefening van de ministerraad en zijn onderraden en commissies. Dit kan het geval zijn indien uit de aard van de situatie waarin dergelijke uitlatingen zijn gedaan onmiskenbaar volgt dat de eenheid van beleid in de zin van art. 45 Grondwet en het Reglement van Orde voor de ministerraad niet aan de orde kan zijn, zoals bij een verkiezingscampagne, partijbijeenkomst, beschouwingen over de langere termijn of het optreden als lid van de Staten-Generaal (art. 57, derde lid, Grondwet).
De uitspraak die de Minister-President heeft gedaan over de Nederlandse militair die is overgelopen naar ISIS, moet geplaatst worden in laatstgenoemde categorie. Het is een reactie op een feitelijke meerkeuzevraag die werd gesteld naar aanleiding van een eerdere uitspraak van de Minister-President gedaan tijdens een verkiezingsdebat. De Minister van Defensie heeft tijdens het algemeen overleg over het jaarverslag van de MIVD op 9 september jl. gezegd dat als haar «op dat moment eenzelfde meerkeuzevraag was voorgelegd», zij hetzelfde antwoord zou hebben gegeven. De eenheid van het kabinetsbeleid is daardoor niet in het geding.
Bent u er zich van bewust dat in de Grondwet staat dat de Ministers de ministerraad vormen, de Minister-President deze ministerraad voorzit, en dat deze ministerraad besluit over het algemeen regeringsbeleid en de eenheid van dat beleid?2 Zo ja, kunt u toelichten waarom u stelt dat uw uitspraken tijdens een persconferentie over de ministerraad géén kabinetsbeleid zijn?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat uitspraken gedaan door een Minister in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dus ook tijdens een Algemeen overleg, kabinetsbeleid is? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u zich er van bewust dat in Nederland de doodstraf niet kan worden opgelegd? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot uw uitspraak dat de Nederlandse militair die is overgelopen naar ISIS beter kan sneuvelen?
Ja. Er is geen relatie tussen de in de vraagstelling genoemde onderwerpen.
Betekent de uitspraak dat de Nederlandse militair die overgelopen is naar ISIS beter daar kan sneuvelen, dat deze actief dienende militair nu persona non grata is? Zo nee, waarom niet?
De betrokken persoon zal, zoals alle jihadgangers, bij terugkeer naar Nederland worden aangehouden en verhoord. Uiteraard wordt hierbij per geval bekeken wat de meest doeltreffende en toepasbare maatregelen zijn. Alle mogelijke instrumenten worden ingezet om de nationale veiligheid te beschermen.
Het Openbaar Ministerie (OM) is een onderzoek gestart naar strafbare feiten. Nu er op dit moment een strafrechtelijk onderzoek loopt, kunnen er geen verdere mededelingen over deze zaak worden gedaan. Het OM beslist op grond van de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek of deze militair vervolgd dient te worden en zo ja, welk strafrechtelijk regime van toepassing is.
Klopt het dat een Nederlander die in vreemde krijgsdienst treedt volgens de Wet op het Nederlanderschap zijn Nederlanderschap verliest?3
Op grond artikel 15, eerste lid, sub e van de Rijkswet op het Nederlanderschap verliest een Nederlander van rechtswege de Nederlandse nationaliteit indien hij zich vrijwillig in vreemde krijgsdienst begeeft van een staat die betrokken is bij gevechtshandelingen tegen het Koninkrijk dan wel tegen een bondgenootschap waarvan het Koninkrijk lid is. Aansluiting bij een terroristische organisatie valt hier echter niet onder, omdat hierbij geen sprake is van een staat.
Om de nationale veiligheid te kunnen beschermen tegen terugkerende jihadgangers waarvan een dreiging voor de nationale veiligheid uitgaat, heeft de Minister van Veiligheid en Justitie een voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in voorbereiding. Zodra het voorstel tot wet wordt verheven en in werking is getreden wordt het mogelijk om in verband met de nationale veiligheid het Nederlanderschap in te trekken van een persoon die zich heeft aangesloten bij een terroristische organisatie en waarvan een dreiging uitgaat voor de nationale veiligheid, tenzij dit leidt tot staatloosheid. Na het verlies van het Nederlanderschap wordt betrokkene tot ongewenst vreemdeling verklaard. Dit wetsvoorstel ligt voor advies bij de Afdeling advisering van de Raad van State.
Het in de Eerste Kamer aanhangige voorstel tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter verruiming van de mogelijkheden voor het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven zal het mogelijk maken het Nederlanderschap in te trekken indien de persoon is veroordeeld voor bijvoorbeeld het meewerken of deelnemen aan training voor terroristische activiteiten (artikel 134a Wetboek van Strafrecht), mits dit niet leidt tot staatloosheid.
Over individuele gevallen en eventuele maatregelen die aan deze persoon worden opgelegd, kunnen geen uitspraken worden gedaan. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7, zal de persoon, zoals alle jihadgangers, bij terugkeer worden aangehouden en verhoord. Alle mogelijke instrumenten worden ingezet om de nationale veiligheid te beschermen.
Bent u van plan de Nederlandse sergeant van de luchtmacht die overgelopen is naar ISIS zijn Nederlanderschap te ontnemen?
Zie antwoord vraag 8.
Is de regering actief op zoek naar de Nederlandse militair die is overgelopen naar ISIS? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In het belang van het lopende onderzoek en met het oog op de operationele veiligheid evenals de veiligheid van onze militairen kan ik geen verdere mededelingen doen. Evenmin treed ik naar buiten over de middelen die worden ingezet om verdachten op te sporen.
Is er een officieel uitleveringsverzoek van Nederland voor de Nederlandse actief dienende militair die is overgelopen naar ISIS? Zo ja, aan wie is dit uitleveringsverzoek gericht? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Op basis van welke informatie en feiten bent u er zo zeker van dat deze actief dienende militair daadwerkelijk vrijwillig is overgelopen? Houdt u rekening met de mogelijkheid dat deze militair krijgsgevangene is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 10.
Indien de Nederlandse militair die overgelopen is naar ISIS wordt gevonden, wordt hij dan bestraft op basis van de wet Militaire strafrechtspraak en/of de wet Militair tuchtrecht? Zo nee, waarom niet, en wat gebeurt er dan wel?
Militair tuchtrecht is slechts aan de orde in geval van normovertredingen die de dagelijkse discipline betreffen. Gezien de strafrechtelijke aard van de zaak is tuchtrecht daarom niet primair aan de orde.
Nu er op dit moment een strafrechtelijk onderzoek loopt kunnen er geen verdere mededelingen over deze zaak worden gedaan. Het OM beslist op grond van de uitkomsten van het strafrechtelijk onderzoek of deze militair vervolgd dient te worden en zo ja, welk strafrechtelijk regime van toepassing is.
Wat is de maximale straf die deze militair kan krijgen voor het feit dat hij is overgelopen naar ISIS op basis van het wetboek Militair strafrecht?4
Het is aan het OM om op grond van de bevindingen van het strafrechtelijke onderzoek te beslissen of de betrokken militair dient te worden vervolgd en zo ja, voor welke strafbare feiten. Omdat het strafrechtelijk onderzoek nog gaande is, kunnen daar op dit moment geen inhoudelijke mededelingen over worden gedaan.
Bent u er zich van bewust dat indien de deserteur wordt opgepakt en in Nederland berecht, hij een lagere straf kan krijgen als gevolg van publieke veroordeling naar aanleiding van uw uitspraken en de ophef die zij veroorzaken? Heeft dit niet tot gevolg dat u juist het tegenovergestelde bereikt van wat u oorspronkelijk heeft beoogd? Graag een toelichting.
Deze hypothetische vraag laat zich per definitie niet vooraf beantwoorden.
Betekent uw uitspraak dat de militair die is overgelopen «beter daar kan sneuvelen» dat u van mening bent dat de doodstraf meer gepast vindt voor deserteurs dan een gevangenisstraf, zoals deze nu geldt op basis van het wetboek Militair strafrecht?
Nee. Zie het antwoord op vraag 6.
Kunt u zo vriendelijk zijn om bovenstaande vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De 70e Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Ten behoeve van de voorbereiding van de AVVN nodigt uw ministerie «vertegenwoordigers van het maatschappelijk veld» te weten jongeren-, vrouwen-, werkgevers- en werknemersorganisaties uit1 waarom nodigt het ministerie geen ouderenorganisaties uit?
Het is goed gebruik dat de Minister van Buitenlandse Zaken elk jaar leden van het parlement en vertegenwoordigers van het maatschappelijke veld uitnodigt om als onderdeel van een politiek-maatschappelijke delegatie een bezoek te brengen aan de Verenigde Naties in New York. Tijdens het bezoek wordt de delegatie onder andere in de gelegenheid gesteld om bijeenkomsten bij te wonen van de AVVN, die elk jaar vergadert van september tot ongeveer het einde van het kalenderjaar. Dit jaar vond de opening van de zogenaamde ministeriële week plaats op 28 september. Het bezoek van de politiek-maatschappelijke delegatie zal plaatsvinden van 19 t/m 23 oktober.
Het parlement en de deelnemende organisaties, met uitzondering van de jongerenorganisatie, trekken zelf geen leeftijdsgrenzen als het gaat om het afvaardigen van een delegatielid en vertegenwoordigen zodoende de gehele Nederlandse samenleving. Zo neemt dhr. Krol dit jaar deel aan de politiek-maatschappelijke delegatie namens zijn partij 50PLUS, die opkomt voor de belangen van ouderen. De verschillende deelnemende organisaties kunnen zelf kiezen wie ze afvaardigen.
Bent u bereid ouderenorganisaties alsnog uit te nodigen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 1.
Welke mogelijkheden ziet u om de demografische ontwikkelingen in verschillende landen en de gevolgen (en mogelijke oplossingen) daarvan aan te kaarten tijdens de AVVN?
Demografische ontwikkelingen hebben grote impact op welvaart en welzijn van samenlevingen. Omdat het aantal kinderen dat wordt geboren grote invloed heeft op deze ontwikkelingen zet Nederland vooral in op de bevordering van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten (SRGR), inclusief gendergelijkheid, family planning en anti-conceptie. SRGR en gendergelijkheid zijn Nederlandse speerpunten. In de 70ste zitting van de AVVN zal Nederland daarom aandringen op uitvoering van de Actieprogramma’s van de Conferentie over bevolking en ontwikkeling (ICPD, Cairo, 1994), de vierde Wereldvrouwenconferentie (Beijing, 1995) en de uitkomsten van hun reviews. Verder zet Nederland zich in voor de uitvoering van Nederlandse beleidsprioriteiten in de Tweede en Derde Commissie, de Commission on the Status of Women, de Commission on Population and Development en in de fondsen en programma’s, waaronder het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA). Deze organisatie houdt zich bezig met SRGR, gendergelijkheid en demografische ontwikkelingen. UNFPA is leidend in het uitvoeren van volkstellingen, vooral in zuidelijke landen, ongeveer elke tien jaar. De uitkomsten van deze volkstellingen vormen weer de basis voor bevolkingsprognoses, waardoor bevolkingsgroei, krimp, bevolkingssamenstelling en vergrijzing in kaart gebracht worden. UNFPA ondersteunt overheden om deze bevolkingsontwikkelingen te analyseren en te gebruiken voor planningsdoeleinden.
Tijdens de jaarlijkse sessie van de VN Commissie over Bevolking en Ontwikkeling worden demografische ontwikkelingen besproken en de gevolgen daarvan voor algemene ontwikkelingen van landen. Daarnaast komen demografische ontwikkelingen ter sprake in de AVVN. De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft zich tijdens de ministeriële week van de AVVN, eind september, ingezet voor de wereldwijde verbetering van de positie van vrouwen en meisjes en vooruitgang op SRGR. Zij heeft tijdens de top aan een aantal evenementen deelgenomen over dit onderwerp. Voorafgaand aan de ministeriële week zijn de «Sustainable Development Goals» aangenomen. Nederland heeft zich sterk ingezet voor de doelen over seksuele en reproductieve gezondheid en rechten en gendergelijkheid en zal aan de verwezenlijking daarvan blijven werken.
Welke mogelijkheden ziet u om de wereldwijde demografische ontwikkelingen en de verschillen tussen continenten aan te kaarten tijdens de AVVN?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid deze vragen op zeer korte termijn te beantwoorden?
Ja, op zo kort mogelijke termijn.
De besteding van een IMF-lening aan Oekraïne |
|
Harry van Bommel , Arnold Merkies (SP) |
|
Jeroen Dijsselbloem (minister financiën) (PvdA), Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Undelivered Goods, How $ 1.8 billion in aid to Ukraine was funneled to the outposts of the international finance galaxy»?1
Van het bericht hebben we kennis genomen.
Kunt u bevestigen dat een groot deel van de miljardenlening van het IMF aan Oekraïne van april vorig jaar binnen korte tijd het land heeft verlaten via banken en rekeningen die gerelateerd kunnen worden aan de Oekraïense oligarch Igor Kolomoisky? Indien neen, wat zijn hier dan de feiten?
Het IMF keert financiering in delen uit gedurende de looptijd van een IMF programma, onder voorbehoud van tussentijdse beoordelingen. Het IMF heeft van het SBA (Stand-By Arrangement) programma dat Oekraïne met het IMF is overeengekomen in april 2014, in totaal SDR 2,972 miljard (ongeveer 3,7 miljard euro) financiering uitgekeerd. Het SBA programma is in maart 2015 omgezet naar een langduriger nieuw programma van 12,4 miljard SDR voor de periode maart 2015 t/m maart 2019, na goedkeuring in de Raad van Bestuur van het IMF. Hiervan is momenteel SDR 4,728 miljard (ongeveer 5,9 miljard euro) uitgekeerd.
Het IMF-programma heeft als doel om de economische situatie in Oekraïne te stabiliseren. Onderdeel van het programma is de herkapitalisatie van Oekraïense banken. De financiële sector stond er als gevolg van kapitaaluitstroom door het conflict met Rusland en de verslechterde politieke en economische situatie slecht voor. Voor de herkapitalisatie van de commerciële banken, inclusief PrivatBank, is geen IMF programmageld gebruikt. Banken in handen van de overheid hebben financiering ontvangen, maar via de Oekraïense overheid, in de vorm van overheidsobligaties. PrivatBank is een van de grootste commerciële banken.
Als onderdeel van het IMF programma hebben alle commerciële banken twee rondes van diagnostische studies moeten ondergaan. De eerste Asset Quality Review (AQR) is afgerond in de herfst van 2014 en keek toe op de herkapitalisatie van de banken. Voor deze review konden de 15 grootste banken, waar PrivatBank onderdeel van uit maakt, één van de vier grote accountantskantoren selecteren, waarbij als voorwaarde gold dat een bank niet hetzelfde accountantskantoor kon kiezen waarmee het al een contract had voor de analyse van de jaarrekening. De AQRs werden gedaan volgens Terms of Reference ontwikkeld met assistentie van het IMF en de Wereldbank. Alle banken hebben de deadline voor herkapitalisatie gehaald (eind juni 2015).
Vervolgens heeft er een tweede test plaatsgevonden waarbij uitzonderlijke verliezen – veroorzaakt door de economische omstandigheden van eind 2014 en begin 2015 – en de exposure van banken ten opzichte van gerelateerde partijen in kaart zijn gebracht. Hierbij zijn nieuwe Asset Quality Reviews uitgevoerd door de Nationale Bank van Oekraïne, wederom volgens Terms of Reference ontwikkeld met assistentie van het IMF en de Wereldbank. Deze review wordt op dit moment afgerond.
Op het IMF programma van Oekraïne is daarnaast het «safeguards» beleid van toepassing waarin is vastgelegd dat het IMF structureel controleert of centrale banken zelf voldoende controle-, audit- en rapportagesystemen hebben voor het beheer van de ontvangen middelen van het IMF. In 2015 heeft het IMF een beoordeling gemaakt van de besteding van de IMF middelen door de Oekraïense centrale bank. De uitkomsten van de beoordeling zijn vertrouwelijk, maar het IMF heeft aangegeven dat er bij de beoordeling van de Oekraïense centrale bank geen onregelmatigheden zijn gevonden.
In reactie op de berichten in de pers waaraan wordt gerefereerd heeft het IMF overigens in een recente persconferentie gesteld dat de beschuldigingen ongegrond zijn.
Wat is het aandeel van Nederland in deze lening?
De steun aan Oekraïne is verstrekt uit de algemene middelen van het IMF. Alle leden dragen bij aan deze middelen, waaronder ook Nederland. De algemene middelen bestaan uit quota- en tijdelijke middelen. Als lid van het IMF heeft Nederland zowel permanente quota- als tijdelijke middelen voor het IMF ter beschikking gesteld, waar het Fonds een beroep op kan doen. Het is daardoor niet direct te herleiden wat het Nederlands aandeel in de financiering voor Oekraïne is.
Kunt u toelichten waar dit deel van de lening van het IMF voor bedoeld was en waarvoor dit is/wordt gebruikt en in wiens handen het nu is?
Zie antwoord vraag 2.
Is er met betrekking tot het gebruik van dit geld sprake geweest van illegaal handelen?
Zie antwoord vraag 2.
Moet hier geconcludeerd worden dat IMF-geld is misbruikt om de rekening van een rijke oligarch te spekken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de accountants die de boeken van de desbetreffende banken controleerden, door deze banken zelf uitgekozen werden, terwijl dit eigenlijk een taak van het IMF is? Kunt u toelichten waarop u uw antwoord baseert?2
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid te pleiten voor nader onderzoek naar de uiteindelijk belanghebbenden van zowel de 54 offshore entiteiten die verbonden zijn aan de PrivatBank en eigenaar zijn van de Oekraïense bedrijven die geld hebben geleend van de PrivatBank, als de zes buitenlandse leverantiebedrijven, indien deze informatie nog niet beschikbaar is? Zo neen, kunt u uw antwoord toelichten?
Aangezien het standaard beleid is dat het IMF de besteding van haar publieke middelen controleert en dit recent is gebeurd in het geval van Oekraïne, zien wij geen noodzaak om voor nader onderzoek te pleiten.
Hoe verhoudt de besteding van de 1.8 miljard dollar zich tot uw eerdere uitspraken over het leningenpakket aan Oekraïne, waarin de nadruk wordt gelegd op het voldoen aan de voorwaarden die gesteld werden aan de lening van de zijde van de Oekraïense regering? Is het transparant kunnen maken van de besteding van IMF-leningen ook onderdeel van deze voorwaarden? Zo neen, bent u dan bereid om hier ogenblikkelijk voor te pleiten, om te voorkomen dat Europees belastinggeld verdwijnt in de zakken van oligarchen, terwijl de plaatselijke bevolking te lijden heeft onder de geëiste hervormingen en bezuinigingen?3
Zoals hierboven toegelicht zijn er strenge voorwaarden verbonden aan het programma van Oekraïne en de besteding van publieke middelen. De voorwaarden voor het programma en het beleid van het IMF zijn openbaar en dus transparant. Het IMF ziet toe op de besteding van de IMF-middelen en volgt daarbij internationale standaarden.
Bent u bereid bij de Oekraïense autoriteiten opheldering over deze kwestie te vragen en de Kamer daarover te informeren?
Zie antwoord vraag 8.
De uitzetting van journaliste Frederike Geerdink |
|
Marit Maij (PvdA) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzetting van journaliste Frederike Geerdink vanuit Turkije naar Nederland?1
Fréderike Geerdink werd op 5 september jl. in het zuidoosten van Turkije gearresteerd. Dit gebeurde in een periode van aanzienlijke spanningen in de regio tussen Turkse strijdkrachten en strijders van de verboden Koerdische afscheidingsbeweging PKK. Volgens de Turkse autoriteiten bevond zij zich, samen met een groep activisten, in verboden gebied. Mevrouw Geerdink is na haar arrestatie enkele dagen gedetineerd. Op 9 september jl. werd haar te kennen gegeven dat zij op grond van artikel 54 1d van de law on foreigners and international protection zou worden uitgezet. Zij heeft een verklaring ondertekend waarin zij verklaarde het land vrijwillig te verlaten, in de veronderstelling dat terugkeer op termijn hiermee vergemakkelijkt zou kunnen worden.
Nederland maakt zich als bekend al langer zorgen over persvrijheid en vrijheid van meningsuiting in Turkije. Na bekendwording van haar arrestatie heeft Nederland, net als bij haar eerdere arrestatie in januari, onmiddellijk contact gezocht met de Turkse autoriteiten om de Nederlandse zorgen over de arrestatie kenbaar te maken, te wijzen op de geldende principes van persvrijheid en de verwachting uit te spreken dat alle vereisten voor goede procesgang in acht genomen zouden worden.
Kunt u exact de gronden en omstandigheden schetsen waaronder haar uitzetting heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft de Nederlandse regering richting Turkije pogingen ondernomen om de uitzetting van Geerdink te verhinderen? Zo ja, welke? Waarom hebben deze initiatieven niet tot resultaat geleid?
De Nederlandse ambassade te Ankara heeft mevrouw Geerdink de gebruikelijke consulaire bijstand verleend. Zo heeft de ambassade op verschillende niveaus en bij diverse gelegenheden bij de Turkse autoriteiten aandacht gevraagd voor haar zaak en de verwachtingen van een gedegen procesgang. Dit is onder andere gebeurd door de Nederlandse ambassadeur bij de Turkse premier Davutoglu.
Mevrouw Geerdink heeft op basis van vrijwilligheid het land verlaten. In hoeverre zij de omstandigheden waarin dit is gebeurd wil aanvechten bij de Turkse autoriteiten is een besluit van mevrouw Geerdink zelf en een civielrechtelijke aangelegenheid.
Welke andere initiatieven heeft u genomen om Geerdink te helpen, en wat heeft u bereikt? Welke initiatieven neemt u nog in deze zaak om de toelating van Geerdink in Turkije in de toekomst mogelijk te maken? Wat kunt u nog doen voor andere journalisten in Turkije die met dezelfde risico’s als Geerdink te maken hebben?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om in Europees en internationaal verband op te komen voor alle journalisten die in Turkije worden vastgehouden of worden geïntimideerd met invallen en onderzoeken? Zo ja, op welke wijze?
Nederland maakt zich wereldwijd sterk voor de pers- en mediavrijheid, ook in Turkije. De ontwikkelingen op dat vlak stemmen tot zorg; ook bij internationale partners. Zaken als die van mevrouw Geerdink of de gedeporteerde Britse journalisten van Vice News hebben de journalistieke werkzaamheden in m.n. het zuidoosten ingeperkt. Ook de afgelopen maanden zijn enkele sociale media tijdelijk afgesloten. Pers- en mediavrijheid worden nauwgezet gemonitord door de Europese Commissie in het kader van de jaarlijkse voortgangsrapportages van Turkije, en zullen weer aandacht krijgen in de rapportage die in oktober zal verschijnen. Pers- en mediavrijheid maken vast onderdeel uit van de Europese dialoog met Turkije.
Deelt u de mening dat situaties als deze een enorme knauw geven aan de persvrijheid in Turkije en dat dit voor een kandidaat-lidstaat van de EU niet acceptabel is?
Zie antwoord vraag 5.
De sociale dimensie van de EU |
|
Anoushka Schut-Welkzijn (VVD) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
In uw verslag van de Informele Raad WSBVC, Onderdeel Werkgelegenheid en Sociaal Beleid, van 16–17 juli 2015 te Luxemburg schrijft u dat een meerderheid van de lidstaten voorstander is van het versterken van de sociale dimensie van de EU; wat wordt er volgens u verstaan onder een sociale dimensie? Wat was de Nederlandse inbreng op dit punt? Deelt u de mening dat sociaal beleid subsidiair een competentie is van de afzonderlijke lidstaten?1
De Europese sociale dimensie is een breed begrip, waarover in EU verband al langer gesproken wordt. De crisis heeft grote sociale gevolgen gehad. De werkloosheid in Europa is opgelopen en het aantal mensen dat in armoede leeft is gestegen. Dit roept de vraag op of het nodig is om de Europese sociale dimensie te versterken. De crisis heeft ook aangetoond dat de economieën van de lidstaten van de EU sterk met elkaar verweven zijn. Kwetsbaarheden in één land kunnen ook de andere landen raken. Verdere integratie van arbeidsmarkten en coördinatie van sociaal beleid zouden de schokbestendigheid van Europese economieën kunnen versterken.
Nederland is van mening dat een combinatie van houdbare overheidsfinanciën, het doorvoeren van noodzakelijke structurele hervormingen en het stimuleren van investeringen cruciaal zijn om een Europa met gezonde overheidsfinanciën en duurzame economische groei te realiseren. In de Nederlandse visie, zoals ook ingebracht tijdens de informele Raad WSBVC in Luxemburg, zou de Europese sociale dimensie de volgende elementen moeten bevatten:
Sociaal en werkgelegenheidsbeleid is primair een competentie van de lidstaten zelf. De rol van de Europese Unie met betrekking tot sociaal beleid is ondersteunend en coördinerend. Nederland heeft niet de intentie om deze bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de EU aan te passen. Dit zou bovendien een verdragswijziging impliceren. Lidstaten zijn dus primair aan zet als het gaat om het vormgeven van sociaal beleid. Lidstaten kunnen van elkaar leren hoe sociaal beleid het meest effectief vormgegeven kan worden door uitwisseling van ervaringen en «best practices». Ik ben er voorstander van om te bekijken hoe bestaande EU instrumenten zoals het Europees Semester, de Open Methode voor Coördinatie en het Europees Sociaal Fonds (ESF) nog beter ingezet kunnen worden om de effectiviteit van werkgelegenheids- en sociaal zekerheidsbeleid in de lidstaten te vergroten.
De verwachting is dat het Luxemburgse voorzitterschap tijdens de Raad WSBVC van december Raadsconclusies zal willen aannemen over versterking van de Europese sociale dimensie. U zult voorafgaand aan de Raad zoals gebruikelijk door middel van een geannoteerde agenda worden geïnformeerd over de Nederlandse inzet.
Hoe verhoudt een «sociale dimensie» zich tot de wens van de Nederlandse regering om tot «minder Europa» te komen»? Wanneer zal de discussie over de sociale dimensie in Europese context voortgezet worden? Wilt u aangeven wanneer u de Kamer hierover verder informeert?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u duiden wat bedoeld is met «sympathiek staan tegenover het idee van een sociale Eurogroep»? Wat was de inzet van de Nederlandse regering op dit punt? Waarom vindt u dat niet-Eurozone landen niet moeten worden uitgesloten van een sociale Eurozone-groep? Deelt u de mening dat ook in de Eurozone, sociaal beleid een competentie van de lidstaten is en moet blijven?
Ik bedoel dat ik geen bezwaar heb tegen een discussie over de sociale dimensie van EMU governance in eurozone verband, zonder vooruit te lopen op de uitkomst van een dergelijke discussie. Ik vind dat niet-eurozonelanden van deze discussie niet moeten worden uitgesloten, omdat sociaal beleid en de Europese sociale dimensie onderwerpen zijn die alle lidstaten aangaan.
Zoals ook in het antwoord op vraag 1 en 2 aangegeven, is Nederland geen voorstander van een gewijzigde bevoegdheidsverdeling tussen de lidstaten en de EU op het gebied van sociaal beleid.
Wilt u deze vragen beantwoorden voor 30 september, zodat deze betrokken kunnen worden bij het Algemeen overleg Raad Werkgelegenheid en Sociaal Beleid voorzien op 1 oktober?
Ja.