Het stopzetten van het luchtalarm |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Kati Piri (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u nader toelichten waarom er geen middelen zijn gevonden om het luchtalarm als middel in crisissituaties te behouden, zoals aangekondigd in uw brief van 18 mei 2026?1
Hoeveel geld zou het structureel kosten om het luchtalarm na 1 januari 2028 alsnog te behouden?
Ziet u mogelijkheden om het luchtalarm in de toekomst te dekken met de aanvullende Defensiemiddelen in het kader van de nationale weerbaarheid?
Deelt u de analyse dat het afsluiten van het luchtalarm onwenselijk is, gezien het belang van redundantie in de crisiscommunicatie? Is het niet in elke situatie beter als het luchtalarm en NL-Alert (of alternatieven) naast elkaar bestaan?
Hoe kijkt u naar het gegeven dat het horen van het luchtalarm en het ontvangen van een NL-Alert een andere lading heeft voor de toehoorder? Waarop baseert u dat het luchtalarm en NL-Alert dezelfde staat van paraatheid teweegbrengt bij burgers?
Erkent u dat, in een heftige ramp of crisis, ook sprake kan zijn van sabotage van mobiele netwerken? Waarop baseert u dat NL-Alert in dergelijke situaties altijd bruikbaar zal zijn?
Is het bereik van NL-Alert, met een stabiele dekking van 92%, voldoende om in een crisissituatie iedereen te bereiken? Hoe verwacht u dit bereik te vergroten?
Kunt u onderbouwen dat een alternatief systeem als NL-Alert, waar mensen een telefoon voor nodig hebben, goed digitaal toegankelijk is?
Bent u bekend met Project Särimner, een Zweedse infrastructuur waarin «datanodes» worden gebouwd die in het geval van sabotage of verstoring onafhankelijk van elkaar crisisinformatie kunnen uitwisselen?2
Bent u bereid om een oplossing zoals Project Särimner nader te onderzoeken als aanvulling op de nationale crisisinfrastructuur?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en nog vóór het commissiedebat over nationale veiligheid, weerbaarheid, brandweer en crisisbeheersing van 10 juni 2026 beantwoorden?
Het niet verruimen van de hypotheekrenteaftrek |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat het maximale aftrektarief voor de hypotheekrenteaftrek in het huidige jaar 37,56 procent bedraagt? Klopt het dat dit kabinet voornemens was om de hypotheekrenteaftrek te verruimen naar 38,19 procent (2027) en 38,23 procent (structureel), een verruiming van € 281 miljoen?
Kunt u aangeven wat de hoogte was van de hypotheekrenteaftrek in de afgelopen tien jaar en per jaar aangeven of dit tarief wel/niet gelijk was aan het tarief tweede schijf?
Klopt het dat de hoogte van de hypotheekrenteaftrek niet per definitie gelijk hoeft te zijn aan het tarief van de tweede schijf en dat het dus een politieke keuze is wat de hoogte is van de hypotheekrenteaftrek?
Klopt het dat het beleidsmatig verlagen van het maximale aftrekpercentage mogelijk is per 1 januari 2028? Klopt het dat het aanpassen van het eigenwoningforfait mogelijk is per 1 januari 2027?
Erkent u dan ook dat de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) wel degelijk uitvoerbaar is, dat de motie geen geld kost maar geld oplevert en dat er dus geen enkele valide reden is om de motie niet uit te voeren?
Hebt u meegekregen dat Minister Heinen aangeeft dat hij deze motie «niet kan uitvoeren»1? Kunt u nogmaals bevestigen dat deze motie wel degelijk uitvoerbaar is, dat het een politieke keuze is wat het tarief van de hypotheekrenteaftrek de komende jaren zal zijn en dat een Kamermeerderheid heeft aangegeven het huidige tarief (37,56 procent) van de hypotheekrenteaftrek niet te willen verruimen?
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat fiscaliteit van 24 juni 2026 en daarbij klip en klaar bevestigen dat u de aangenomen motie Stultiens (Kamerstuk 36 915, nr. 4) gewoon zal gaan uitvoeren?
Onbetaalbare hypotheeklasten |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Zorgen bij huiseigenaren over hypotheeklasten: «Echt een keerpunt»» en met het onderliggende onderzoek van de Nationale Hypotheek Garantie (NHG)?1
Deelt u de analyse van NHG-directeur Van der Linde dat de financiële positie van Nederlandse huiseigenaren structureel verslechtert?
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, wat is dan volgens u de grondoorzaak voor de verslechtering van deze positie?
Wat is uw verklaring voor het gegeven dat het percentage huiseigenaren tot 34 jaar dat het eigen inkomen onvoldoende vindt om de woonlasten te betalen, is verdubbeld en acht u dit een aanvaardbare uitkomst van het gevoerde beleid?
Erkent u dat de sterk gestegen huizenprijzen mede het gevolg zijn van een door de overheid kunstmatig beperkt woningaanbod en jarenlang ruim monetair beleid van de Europese Centrale Bank?
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, waarom niet?
In hoeverre dragen de stapeling van verduurzamingsverplichtingen, energiebelastingen en netbeheerkosten bij aan de structureel hoge woonlasten van huiseigenaren?
Kunt u de bij vraag zeven aangeleverde kostenposten afzonderlijk kwantificeren?
Wat zegt het over de wenselijkheid van verduurzamingsinvesteringen dat Roald van der Linde (directeur NHG) aangeeft dat de betalingsachterstanden voornamelijk worden veroorzaakt door verduurzamingsinvesteringen die jongeren moeten betalen omdat zij de hoge energieprijzen willen drukken?
Hoe verhoudt de constatering dat Nederland nog altijd een van de landen met de hoogste woonlasten van de eurozone is zich tot de belofte van opeenvolgende kabinetten dat wonen betaalbaar zou worden?
Bent u bereid uit te sluiten dat de hypotheekrenteaftrek verder wordt afgebouwd of beperkt, gelet op de toenemende betalingsproblemen onder huiseigenaren?
Hoe beoordeelt u het feit dat een groot deel van de ondervraagden bezuinigt op vakanties, restaurantbezoek en zelfs boodschappen om de woonlasten te kunnen dragen?
Wat zeggen de bij vraag 12 beschreven bezuinigingen volgens u over de kwaliteit van leven, de bestedingsruimte en de koopkracht van hardwerkende Nederlanders?
Wat gaat het kabinet doen aan psychische en financiële druk die het lasten- en woningbeleid op burgers legt, aangezien één op de vijf ondervraagden stress, slecht slapen en moedeloosheid ervaart door de financiële situatie?
Deelt u de opvatting dat woonlasten stijgen wanneer het aanbod van woningen de vraag ernaar niet kan bijbenen?
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 15 bevestigend luidt, bent u het dan eens dat de fundamentele oplossing voor de hoge woonlasten ligt in méér bouwen in plaats van in nieuwe subsidies, garanties of inkomensafhankelijke regelingen die de symptomen bestrijden? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre is EU-regelgeving – waaronder de herziene Energy Performance of Buildings Directive (EPBD) en bijbehorende verduurzamingsverplichtingen – verantwoordelijk voor de gestegen woonlasten door enerzijds nieuwbouw duurder te maken en anderzijds kostbare energiebesparende verbouwingen af te dwingen?
In hoeverre blijft er door de herziene EPBD nog beleidsruimte van het kabinet over om de woonlasten voor huiseigenaren te verlagen?
Bent u bereid zich in Brussel in te zetten voor het terugdringen van deze verplichtingen?
Kunt u een internationale vergelijking geven van de ontwikkeling van de woonlasten en huizenprijzen in Nederland ten opzichte van vergelijkbare EU-lidstaten over de afgelopen tien jaar, en daarbij aangeven welke landen erin slagen wonen wél betaalbaar te houden, inclusief een analyse over waarom hen dit lukt?
Bent u bereid een concreet en afrekenbaar pakket te presenteren – inclusief lastenverlaging en versnelling van de bouw – dat de woonlasten voor met name jonge huiseigenaren binnen deze kabinetsperiode aantoonbaar verlaagt, en de Kamer daarover voor Prinsjesdag te informeren?
Indien het antwoord op vraag 22 ontkennend luidt, waarom laat u deze groep in de steek?
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
De toegankelijkheid van het notariaat op Bonaire |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jeltje Straatman (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met bericht «Ministerie verwijst bij klachten notarissen Bonaire naar toezichthouder»?1
Hoe beoordeelt u de in het artikel geschetste zorgen over aanhoudende lange wachttijden, de verminderde toegang tot het notariaat en de signalen van mogelijk ongelijke behandeling? Kunt u aangeven op welke wijze daar tot nu toe vanuit het ministerie aandacht voor is geweest?
Bent u het ermee eens dat een goed functionerend en toegankelijk notariaat op Bonaire essentieel is voor niet alleen de lokale economie, maar ook voor de rechtszekerheid en rechtsbescherming op Bonaire?
Kunt u, gezien het gegeven dat direct toezicht bij de Kamer van Toezicht van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie belegd is, aangeven hoeveel klachten bij de Kamer van Toezicht zijn binnengekomen over het functioneren van het notariaat op Bonaire en in hoeverre dit heeft geleid tot verdere maatregelen? Kunt u daarbij ook ingaan op de vraag of naar uw oordeel de rol als toezichthouder voldoende bekend is om effectief te functioneren?
Welke mogelijkheden ziet u om de situatie te verbeteren?
De prijsstijgingen van kunstmest als gevolg van de sluiting van de Straat van Hormuz |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
van Essen , Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD van 5 april 2026, getiteld «Raakt Iran-oorlog ook productie kunstmest en ons voedsel? «Het kan nijpend worden»»?1
Bent u bekend met het artikel van RTV Noord van 17 april 2026, getiteld «Boeren voeren eigen mest af en kopen kunstmest: «Volslagen maf»»?2
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om te voorkomen dat de stijgende kunstmestprijzen zich vertalen in hogere voedselproductieprijzen en dalende rentabiliteit voor Nederlandse boeren?
Kunt u bevestigen dat een Nederlandse boer die zijn gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen heeft bereikt géén extra dierlijke mest meer mag uitrijden – ook niet als hij nog behoefte heeft aan extra stikstof – en daardoor wordt gedwongen kunstmest aan te kopen?
Acht u het wenselijk dat op dit moment grote hoeveelheden dierlijke mest uit Nederland wordt geëxporteerd, terwijl tegelijkertijd grote hoeveelheden kunstmest naar Nederland wordt geïmporteerd? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Bent u het ermee eens dat het tegenstrijdig en onwenselijk is dat Nederlandse boeren worden gedwongen duurdere en steeds schaarser wordende kunstmest in te kopen terwijl in eigen land dierlijke mest beschikbaar is die deze kunstmest zou kunnen vervangen? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel kilogram (stikstof en fosfaat uit) kunstmest zou op dit moment per jaar kunnen worden vervangen door het dierlijke mestoverschot volledig uit te rijden? Kunt u uw antwoord toelichten?
Hoeveel kosten zou de Nederlandse agrarische sector daarmee op dit moment per jaar kunnen besparen? Kunt u deze kosten uitsplitsen in afvoerkosten van het dierlijke mestoverschot en aanschafkosten van kunstmest? Kunt u uw antwoord toelichten?
Wat is het verschil tussen stikstof (en fosfaat) afkomstig uit kunstmest, dierlijke mest en andere bronnen zoals Renure, oftewel verwerkte dierlijke mest?
Erkent u dat enkel de geplande maatregelen om Renure te mogen gebruiken bovenop de bestaande gebruiksnorm voor dierlijke mest onnodige kosten met zich meebrengen, omdat dierlijke mest van zichzelf al gebruiksklaar is? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bereid de stikstof- en fosfaatgebruiksnormen voor meststoffen per direct te verruimen naar het niveau van vóór afschaffing van de derogatie en de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen te schrappen of tenminste te verhogen – al dan niet met goedkeuring van de Europese Unie – zodat Nederlandse boeren bij oplopende kunstmestschaarste niet zonder betaalbare bemesting komen te zitten, juist nu kunstmestprijzen in één maand met tientallen procenten zijn gestegen – en vervolgens niet zijn gedaald – en verdere schaarste dreigt door de oorlog in het Midden-Oosten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien het antwoord op vraag 11 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zich zo spoedig mogelijk in Europees verband voor deze maatregelen in te zetten? Zo ja, hoe gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, bent u dan tenminste bereid zo spoedig mogelijk een tijdelijke ontheffing of verhoogde gebruiksnorm voor dierlijke mest aan te vragen bij de Europese Commissie, zodat boeren minder afhankelijk worden van geïmporteerde kunstmest? Zo nee, waarom niet?
Kunt u bovenstaande vragen zo snel mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Het bericht dat de eigenaar van Ticketmaster schuldig is bevonden aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten |
|
Jan Schoonis (D66) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Eigenaar Ticketmaster schuldig aan monopolie en te hoge prijzen voor concerten in VS»?1
Herkent u dat dezelfde combinatie van ticketverkoop, concertpromotie en afspraken met zalen ook in Nederland grotendeels via dit ene concern verloopt?
Krijgt u signalen van consumenten, kleinere zalen en onafhankelijke promotors over prijzen, service fees en voorwaarden bij Ticketmaster?
Bent u bereid de New Competition Tool zo vorm te geven dat deze ook kan worden ingezet tegen structurele marktmacht in verticaal geïntegreerde markten zoals ticketing, zonder dat er een recente fusie nodig is?
Wat vindt u van dynamic pricing en service fees die pas aan het einde van het bestelproces zichtbaar worden? Zijn de huidige consumentenregels hier toereikend, en worden ze in de praktijk nageleefd?
Welke bestaande bevoegdheden – artikel 24 Mededingingswet, (Europese) mededingings- en consumentenregels – kunt u nu al inzetten, vooruitlopend op nieuwe wetgeving?
Zet u zich in Brussel in voor een Europese aanpak van marktmacht in de ticketingsector?
Kunt u de Kamer vóór het zomerreces informeren over de voortgang van de call-in bevoegdheid en NCT, gesprekken met de ACM over ticketing, en de Nederlandse inzet in Europa?
De grote kostenstijging van de 24-uurs bezorging van rouwkaarten |
|
Tom van der Lee (GL) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Klopt het dat vanaf juli voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur een apart en aanzienlijk hoger tarief zal gaan gelden dan het reguliere posttarief? Zo ja, hoe wordt dit tarief vastgesteld?
Ja, voor bezorging van rouwpost binnen 24 uur gaat per 1 juli 2026 inderdaad een hoger tarief gelden. Voor rouwpost is PostNL bezig een apart proces in te richten, waarbij deze post via het pakketnetwerk meegenomen en bezorgd wordt. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in het hogere tarief. Burgers hebben ook de mogelijkheid om een brief niet als rouwbrieven aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief binnen twee dagen bezorgd tegen het tarief van reguliere UPD-post.
De tariefruimte en tarieven voor de UPD-post worden elk jaar getoetst door de ACM, waarna PostNL daarbinnen de tarieven per UPD-postsoort kan vaststellen. Na de beoordeling door de ACM, zal PostNL hierover extern communiceren wat de definitieve tarieven worden.
Vind u het wenselijk dat nabestaanden in een periode van rouw mogelijk geconfronteerd worden met fors hogere kosten voor het informeren van familie en kennissen?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan bezorging van rouwpost binnen één dag richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief.
De burger heeft ook de keuze om rouwpost niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen de voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Daarbij hebben mensen ook de mogelijkheid om rouwpost met een langere overkomstduur tegen een lager tarief te versturen, of te kiezen voor een digitaal bericht. Dat wordt al veel gedaan.
Hoe groot is het aandeel van rouwpost binnen de universele postdienst, zowel in aantallen als in verhouding tot het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Vindt u dat er voldoende wettelijke of beleidsmatige waarborgen bestaan om een tijdige, toegankelijke en betaalbare bezorging van rouwpost te bewerkstelligen?
In het gewijzigde Postbesluit heb ik de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Daarmee blijft de wettelijke verplichting voor de UPD-verlener om rouwpost en medische post binnen 24 uur te bezorgen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten.
Zolang PostNL invulling geeft aan de wettelijke verplichting om rouwpost binnen één dag te bezorgen, is het aan PostNL om eventueel ook dit soort post als een reguliere UPD-brief te bezorgen waarbij een andere overkomstduur of tarief van toepassing is. Het is vervolgens aan de burger om op basis van deze opties een keuze te maken.
In hoeverre bent u van mening dat rouwpost een bijzondere maatschappelijke functie vervult die een uitzonderingspositie rechtvaardigt ten opzichte van reguliere post?
Ik ben van mening dat tijdige en betrouwbare bezorging in het geval van zowel rouwpost als medische post belangrijk is. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit ook gekozen voor andere wettelijke kwaliteitseisen voor bezorging van rouwpost en medische post ten opzichte van de reguliere UPD-post. Daarmee is bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een betrouwbaarheid van 95% nog steeds gewaarborgd. Tegelijkertijd ben ik niet van mening dat het een dusdanig bijzondere maatschappelijke functie vervult om daarvoor een uitzondering te maken.
Zijn er alternatieven onderzocht om de kosten voor rouwpost te beperken, bijvoorbeeld via een sociaal tarief, compensatieregeling of uitzonderingsregeling? Zo nee, waarom niet?
Nee. Hoewel ik mij kan voorstellen dat de prijsstijging van de rouwpost voor mensen in tijden van rouw zwaar kan vallen, is het PostNL dat ervoor kiest om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. De verhoging is namelijk een weerspiegeling van stijgende kosten. Verder past het binnen de wettelijke tariefruimte.
Welke rol spelen de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en het kabinet bij de beoordeling van nieuwe tarieven voor spoedpost, waaronder rouwpost?
Rouwpost en medische post zijn onderdeel van de UPD. De ACM stelt jaarlijks de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. Eind mei 2026 verstrekt PostNL de gegevens aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor 2027.
Het staat PostNL overigens vrij om te bepalen hoe ze de bezorging van UPD-post, waaronder rouwpost, logistiek organiseert. PostNL kan ervoor kiezen rouwpost via haar pakketnetwerk te bezorgen.
Het kabinet heeft de wettelijke kaders bepaald waarbinnen de ACM de tariefruimte voor de UPD vaststelt. De ACM toetst of de tarieven van UPD-producten daarbinnen passen. Het kabinet heeft geen rol bij de vaststelling van tarieven die PostNL rekent voor UPD en niet-UPD post.
PostNL heeft aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct buiten de UPD komt voor consumentenpost met bezorging binnen 24 uur. Rouwpost en medische post vallen niet onder dit prioriteitsproduct. Daarnaast bieden ook andere marktpartijen prioriteitsproducten aan. Het prioriteitsproduct van PostNL wordt binnen één dag (D+1) bezorgd en PostNL zal hiervoor een hogere prijs rekenen dan voor de UPD-post. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en het tarief ervan maakt dan ook geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Verwacht u dat de aangekondigde wijzigingen ook gevolgen zullen hebben voor medische post of andere maatschappelijk urgente poststromen? Zo ja, welke?
Zoals in vraag 3 en 5 toegelicht, heb ik in het gewijzigde Postbesluit gekozen voor behoud van de huidige wettelijke verplichting van de UPD-verlener om bezorging van rouwpost en medische post binnen 24 uur en met een hoge bezorgzekerheidseis van ten minste 95% aan te bieden. De voorgenomen wijziging in het Postbesluit om de overkomstduur naar D+2 te verlengen voor reguliere UPD-post vanaf 1 juli 2026 heeft dus geen invloed op de overkomstduur en bezorgzekerheid van rouwpost en medische post.
PostNL heeft ervoor gekozen om medische post – net als rouwpost – vanaf juli 2026 via het pakkettennetwerk te gaan bezorgen tegen een hoger tarief. Het voorgenomen nieuwe tarief voor medische post is vergelijkbaar met het voorgenomen nieuwe tarief voor rouwpost binnen de UPD en is onderdeel van de tariefmelding bij de ACM. Voor rouwpost en medische post die binnen twee dagen wordt bezorgd, hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post.
Bent u bereid in overleg te treden met PostNL en relevante stakeholders om te voorkomen dat tijdige bezorging van rouwpost voor mensen onbetaalbaar wordt, en de Kamer hierover te informeren?
Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD ben ik regelmatig in contact met de ACM, PostNL en andere relevante stakeholders. Het is aan de ACM om te toetsen of de voorgenomen tarieven van PostNL voor producten onder de reikwijdte van de UPD vallen binnen de door de ACM volgens de wettelijke kaders vastgestelde tariefruimte.
Het artikel 'ING krijgt Russisch dochterbedrijf maar niet verkocht' |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op bericht dat het ING nog steeds niet lukt om van haar Russische bankactiviteiten af te komen?1
Het kabinet moedigt bedrijven actief aan om vanwege de oorlog in Oekraïne niet langer actief te zijn op de Russische markt en wijst bedrijven op de risico’s van zaken doen in Rusland.
Sinds de invoer van de sancties tegen Rusland na de inval in Oekraïne geldt dat diverse bedrijven hun activiteiten hebben gestopt, het land hebben verlaten of bezig zijn om zich terug te trekken uit Rusland. Vertrekken uit Rusland is echter niet altijd eenvoudig. Het presidentieel decreet van september 2022, verbiedt buitenlandse bedrijven uit «onvriendelijke landen», waaronder de EU, hun activiteiten vrijelijk te verkopen. Bedrijven kunnen slechts op basis van een speciale vergunning van de Russische autoriteiten activiteiten verkopen. Voor verkoop van een bank is bovendien vereist dat de beoogde koper wordt goedgekeurd. In het onderhavige geval heeft ING bekendgemaakt dat de benodigde toestemmingen niet zijn verleend.
In hoeverre gaan de activiteiten en dienstverlening van ING momenteel door in Rusland, ondanks het voornemen de activiteiten in Rusland af te bouwen?
Wegens bedrijfsvertrouwelijkheid ga ik niet in op investeringen van private instellingen. In zijn algemeenheid kan ik zeggen dat ING eerder in persberichten heeft aangegeven dat zij sinds 2022 haar activiteiten in Rusland afbouwt en geen nieuwe zaken met Russische cliënten meer doet.
Waarom is de dienstverlening van ING in Rusland niet gestaakt, ondanks dat er geen overname kandidaat is gevonden?
Hoewel het kabinet bedrijven actief aanmoedigt om niet langer actief te zijn op de Russische markt, is het aan bedrijven zelf om te beoordelen wat de beste manier is om hiermee om te gaan. Daarbij geldt dat het staken van de dienstverlening niet altijd mogelijk is. Daarnaast is de vraag of het staken van de dienstverlening, bijvoorbeeld via liquidatie, wenselijk is. In dat geval zouden bezittingen namelijk ook in Russische handen kunnen komen, waarbij er mogelijk minder controle is op de bestemming van de bezittingen. Ik heb geen zicht op de specifieke afweging bij ING.
Waarom geeft u geen antwoord op de vraag of ING is doorgegaan met het financieren van de Russische staat na de illegale inval in Oekraïne in februari 2022? Bent u bereid deze vraag alsnog, in algemene zin, te beantwoorden zonder bedrijfsgevoelige informatie te delen?2
Zoals bij de beantwoording op vraag 2 aangegeven, kan ik geen uitspraken doen over de investeringen van private bedrijven. Wel heeft de Minister van Financiën verschillende keren contact gehad met ING over het voornemen van ING om haar dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Over de contacten kunnen verder geen inhoudelijke mededelingen worden gedaan.
De Minister van Financiën en ik zijn verder niet betrokken bij het voornemen van ING om uit Rusland te vertrekken of de activiteiten van het dochterbedrijf in Rusland te verkopen. Zie ook de beantwoording van de Kamervragen die op 8 april 2026 zijn gesteld door het lid Van Eijk (VVD) over het bericht «ING ziet af van verkoop Russische dochter».
Het bericht ‘Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro's per kaart kosten’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD: «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Hoe groot is de omvang van de rouwpost binnen de universele postdienst (UPD), zowel in absolute aantallen als in percentage van het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Is het zeker dat de prijs van een rouwzegel binnenkort hoger komt te liggen dan reguliere postzegels?
Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan de bezorging binnen één dag voor rouw- en medische post richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief. De burger heeft ook de keuze om een rouwbrief niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen een voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Waarop is de uitspraak van Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (BGNU) gebaseerd dat de prijs van een rouwzegel mogelijk zal stijgen van € 1,40 naar circa € 3,25?
PostNL heeft in een eerder stadium aangegeven dat de prijzen voor de rouwpost binnen de UPD hoger zullen worden. Het is aan PostNL om hierover met partijen te communiceren, nadat de ACM de tarieven getoetst heeft. Ieder jaar legt PostNL de voorgenomen wijziging van de tarieven ter toetsing voor bij de ACM. De ACM beoordeelt momenteel of deze wijziging past binnen de door de ACM vastgestelde tariefruimte. PostNL zal vervolgens bekendmaken wat de definitieve tarieven worden.
Klopt het dat er gesprekken lopen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over een apart tarief voor zogenaamde «pripost» waar rouwpost onder komt te vallen?
Nee, dat klopt niet. Rouwpost blijft, ook na 1 juli, als aparte postsoort onder de UPD vallen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen vast. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. PostNL heeft de gegevens verstrekt aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor rouwpost en medische post vanaf juli 2026.
Daarbij heeft PostNL ook aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct komt, waar rouwpost dus niet onder valt, met bezorging binnen D+1 voor consumentenpost en dat hiervoor een apart tarief zal gelden. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en daarom maakt het voorgenomen tarief geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Op welke wijze bent u betrokken bij deze gesprekken en besluitvorming?
Bij de vaststelling van de tarieven binnen de wettelijke tariefruimte en de contacten daarover tussen de ACM en PostNL ben ik niet betrokken. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD heb ik wel regelmatig contact met de ACM en PostNL.
Hoe beoordeelt u een mogelijk hoger tarief voor rouwpost, in het licht van de terechte uitzonderingspositie voor rouw- en medische post in het Postbesluit ten aanzien van de bezorgtermijn (één dag) en de betrouwbaarheid (95%)?
Ik vind het belangrijk dat mensen de mogelijkheid houden tot snelle en betrouwbare bezorging van hun rouw- en medische post. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Tegelijkertijd is duidelijk dat PostNL hogere kosten maakt voor snelle bezorging en hoge betrouwbaarheid. Die kosten zullen in rekening gebracht moeten worden. Van belang hierbij is wel dat mensen de mogelijkheid behouden om rouwpost die binnen twee dagen bezorgd wordt tegen een lager tarief te kunnen versturen. Ook kan rouwpost via een digitaal bericht verstuurd worden. Dit wordt al veel gedaan. Er zijn dus alternatieven beschikbaar.
In hoeverre is bij de totstandkoming van het Postbesluit rekening gehouden met mogelijke gevolgen van deze uitzonderingspositie voor de tarifering van rouwpost?
Bij de aanpassing van het Postbesluit is rekening gehouden met de mogelijkheid dat PostNL ervoor kiest om voor een postproduct met snelle bezorging een hoger tarief te rekenen2. Dat weerspiegelt immers de kosten ervan. Dit is toegestaan zolang het tarief past binnen de wettelijke tariefruimte.
Deze aanpassing van het Postbesluit is mede gebaseerd op het onderzoek «De postmarkt in transitie» van de ACM van medio 2025. Daarin constateert de ACM dat bij de overgang naar D+2 voor standaard UPD-brieven, urgente brieven waarvoor het D+1 servicekader blijft gelden, zoals rouwpost, via het pakkettennetwerk zullen worden bezorgd tegen een aanzienlijk hoger tarief.
Hoe weegt u de mogelijke gevolgen van een hoger tarief voor rouwpost voor burgers die in een periode van rouw afhankelijk zijn van tijdige en betaalbare postbezorging?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Het is aan PostNL om constant een afweging te maken tussen enerzijds de stijgende kosten, afnemende volumes en arbeidsmarktkrapte en anderzijds de voorkeuren van gebruikers van postdiensten. In die afweging kan het voorkomen dat PostNL keuzes maakt die ertoe leiden dat burgers van dezelfde dienstverlening gebruik kunnen blijven maken tegen hogere prijzen. Binnen de wettelijke tariefruimte kan PostNL ervoor kiezen om de tarieven van postsoorten te verhogen. Het is in deze afweging en in de gehele context van de postmarkt dat PostNL ervoor kiest de prijzen voor postbezorging te verhogen. Dit kan ertoe leiden dat mensen hun rouwberichten via digitale alternatieven gaan versturen. Dit wordt overigens al veel gedaan.
Bent u het ermee eens dat een prijsstijging naar circa € 3,25 voor rouwpost onwenselijk is?
Ik ben mij ervan bewust dat een prijsverhoging vervelend kan zijn, maar PostNL kiest ervoor om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. Hierbij handelt PostNL binnen de ruimte die wordt gegeven. Dit geldt ook voor postdiensten, en in het bijzonder voor post die binnen een korte termijn met hoge betrouwbaarheid bezorgd moet worden. Dat is ook van toepassing op rouwpost.
Welke mogelijkheden ziet u om deze prijsstijging te voorkomen?
Het is aan de ACM om te toetsen of de prijsstijging past binnen de wettelijke tariefruimte. De ACM toetst dit op dit moment.
Het bericht ‘PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten’ |
|
Arend Kisteman (VVD) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «PostNL schuift met winsten van kwakkelend postbedrijf naar pakketten»?1
Ja.
Hoe reflecteert u op het bericht dat PostNL met winsten zou schuiven tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf?
Ik herken dat de geïntegreerde bedrijfsvoering van PostNL een eenduidige scheiding van kosten en winsten binnen PostNL complex maakt. Op dit moment hebben zowel de ACM als ik geen concrete aanwijzingen dat PostNL met winsten schuift tussen het post- en het pakketdeel van het bedrijf. In de beantwoording van vraag 4 ga ik nader in op het gehanteerde systeem en het toezicht van ACM.
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht – overeenkomstig artikel 14 van de Postrichtlijn – PostNL als UPD-verlener een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten, en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Nadere regels over de inrichting en toerekening van de boekhouding en over de wijze waarop de toerekening van kosten en opbrengsten inzichtelijk moet worden gemaakt, zijn vastgelegd in de Postregeling 2009 (artikelen 13 en 13a). Binnen deze wettelijke kaders houdt ACM toezicht en kan PostNL bepalen welke kosten aan de UPD worden toegerekend.
Voor de kostentoerekening hanteert PostNL een kostentoerekeningsysteem (KTS) dat in 2015 is goedgekeurd door de ACM. Onder het door de ACM goedgekeurde KTS vallen alle kosten die uitsluitend worden gemaakt voor het uitvoeren van diensten die onder de UPD vallen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de kosten die PostNL maakt voor het legen van de brievenbussen. Andere kosten die zowel worden gemaakt voor de uitvoering van UPD-diensten als voor andere activiteiten, mag PostNL uitsluitend toerekenen voor zover de Postregeling 2009 dit toestaat. PostNL legt hier jaarlijks achteraf een door een accountant gecontroleerde financiële verantwoording over af.
Hoe kijkt u naar het subsidieverzoek van PostNL, met deze verschuivingen in het achterhoofd?
Zoals in de beantwoording van vraag 2 uiteengezet, hebben de ACM en ik geen aanwijzingen dat PostNL in strijd met het KTS handelt. Ik zie verder geen direct verband tussen deze berichtgeving en het subsidieverzoek van PostNL. Het subsidieverzoek van PostNL is door mijn ambtsvoorganger in 2025 afgewezen, omdat subsidie onnodig is bij realistische kaders voor de uitvoering van de UPD. Realistische kaders ontstaan door de voorgenomen versoepelingen van de bezorgeisen in het Postbesluit 2009.2
Bent u er nog steeds van overtuigd dat het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat of de Autoriteit Consument & Markt (ACM) een duidelijk beeld hebben van de omrekeningfactor van de universele postdienst (UPD) binnen het bedrijf? Hebben zij een duidelijk beeld van de feitelijke omzetten en winsten binnen de stromingen bij PostNL?
De ACM houdt toezicht op een juiste toerekening van kosten door PostNL binnen het KTS. De ACM heeft het KTS in 2023 globaal bekeken en geen afwijkingen ten opzichte van de huidige wet- en regelgeving geconstateerd. Wel geeft de ACM aan dat er vooraf een bepaalde toerekeningsratio voor gedeelde kosten wordt vastgesteld en dat deze niet altijd in lijn hoeft te zijn met de daadwerkelijke ratio aan kosten die voor UPD en niet-UPD werkzaamheden gemaakt worden. Zo kan het bijvoorbeeld wettelijk toegestaan zijn om 50% van de kosten van het loon van de postbode of de kosten van het sorteercentrum toe te rekenen aan de UPD, terwijl de tas van de postbode en de sorteermachine niet altijd voor 50% met UPD-post gevuld hoeft te zijn. Naast de toerekening van kosten is er sprake van onderlinge leveringen tussen de post- en pakketdivisie (en vice versa). Deze worden in eerste instantie op marktconforme tarieven bij elkaar in rekening gebracht. Aan het einde van het jaar worden deze onderlinge leveringen tegen (integrale kostprijs) opnieuw berekend en als zodanig in de financiële verantwoording verwerkt. Volgens ACM is deze werkwijze van herberekening naar integrale kostprijs in overeenstemming met het KTS. Ten slotte ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is.
Ik ben in gesprek met de ACM om te verkennen of en hoe dit systeem versimpeld kan worden, zodat toezicht door de ACM eenvoudiger en effectiever kan worden uitgevoerd.
Wat doet dit bericht met uw visie op de toekomst van de postmarkt? Geeft dit bericht aanleiding om in de Postwet 2009 op te nemen dat de aanbieder van de UPD een gescheiden boekhouding moet voeren zodat de ACM goed toezicht kan houden?
Artikel 22 van de Postwet 2009 verplicht PostNL al om een boekhoudkundige scheiding aan te brengen tussen kosten en opbrengsten van de UPD en andere activiteiten en deze inzichtelijk te maken aan de ACM. Zoals in de beantwoording van vraag 2 en 4 nader toegelicht houdt ACM hierop toezicht.
Daarnaast kan de ACM in principe op ieder moment besluiten tot een herbeoordeling van het kostentoerekeningsysteem dat wordt gehanteerd; de specifieke meldingen en informatieverplichtingen in de Postregeling zijn slechts voorbeelden van logische momenten voor toetsing, en doen niets af aan haar bevoegdheid om ook tussentijds gegevens op te vragen en handhavend op te treden. Naast deze specifieke informatiebepalingen heeft de ACM ook de algemene bevoegdheid om alle gegevens en inlichtingen op te vragen die zij nodig heeft om het toezicht op de Postwet 2009 uit te kunnen voeren.3 Zoals hierboven beschreven ziet de ACM dat het huidige KTS-model complex en onnodig gedetailleerd is. Herbeoordeling is daarom een intensief proces waarbij discussies kunnen ontstaan tussen de ACM en PostNL over de noodzaak en proportionaliteit van een herbeoordeling.
In gesprekken met de ACM wordt bekeken of zij in de praktijk voldoende toegerust is om toezicht te houden op de kostentoerekening en de naleving van de regels rond de UPD. Als uit de gesprekken blijkt dat aanvullende taken of bevoegdheden nodig zijn om het publiek belang beter te borgen, zal ik bezien hoe hieraan opvolging kan worden gegeven. De ACM geeft aan dat om toezicht te houden op (de ontwikkeling van) de kosten van de UPD het van belang is dat er een transparant KTS door PostNL wordt opgesteld dat vooraf wordt goedgekeurd door de ACM. Na ingebruikname is het van belang dat dit KTS periodiek wordt geactualiseerd en opnieuw vooraf wordt beoordeeld door de ACM.
Wanneer kan de Kamer uw visie op de postmarkt verwachten?
Zoals verzocht in de motie van Kisteman c.s.4 zal ik een routekaart uitwerken voor de toekomst van de postmarkt. Mijn voornemen is om deze voor de zomer naar de Kamer te sturen.
Een visie op de postmarkt op hoofdlijnen, waaronder het creëren van ruimte voor concurrentie en de transitie naar een brede bezorgmarkt is op 10 februari jl. gegeven in de nota naar aanleiding van het nader verslag bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Postwet 20095. Kort samengevat is deze visie dat het primair aan marktpartijen is om te bepalen hoe zij actief zijn op de postmarkt. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om de wettelijke kaders zó vorm te geven dat zij ruimte bieden voor vernieuwing, samenwerking en nieuwe vormen van dienstverlening. Alleen zo kan een bredere bezorgmarkt ontstaan waarin niet alleen efficiëntie, maar ook innovatie en toekomstbestendige werkgelegenheid een plek krijgen, en waarin het ook in de toekomst vanzelfsprekend blijft dat mensen elkaar een kaartje of brief kunnen sturen. Deze transitie naar een bredere bezorgmarkt vraagt om realisme. De UPD is geen exclusief recht en kan niet worden ingezet als instrument om marktposities te verdelen. Door het wettelijk kader te moderniseren, ontstaat ruimte voor meer partijen om op een verantwoorde manier postdiensten aan te bieden. Dat vergroot de kans dat nieuwe aanbieders – zoals folder en pakketbezorgers – daadwerkelijk toetreden tot relevante postsegmenten, zoals brievenbuspakketjes, aangetekende post en prioriteitspost, voor zover daar in de markt blijvend vraag naar bestaat. De rol van de overheid is in dit proces het wegnemen van belemmeringen en het bewaken van een evenwichtig speelveld, zodat deze ontwikkeling kan plaatsvinden zonder dat de continuïteit van de UPD in gevaar komt. Zo kan de bezorgmarkt zich geleidelijk verbreden, terwijl de publieke dienstverlening geborgd blijft.
De aardbeving in Eleveld op 14 oktober 2026 en de belofte voor een nieuwe regeling |
|
Ulaş Köse (D66), Henk Jumelet (CDA) |
|
de Bat |
|
|
|
|
Gelet op het feit dat de Commissie Mijnbouwschade in eerdere gevallen 440.000 euro aan onderzoeks- en proceskosten heeft gemaakt tegenover slechts € 80.000 aan uitgekeerde herstelgelden en zij het hier zelf ook niet mee eens is, hoe wordt bij de uitwerking van een nieuwe regeling geborgd dat een proportioneel en maatschappelijk uitlegbaar deel van de middelen daadwerkelijk terechtkomt bij herstel en compensatie voor bewoners?
Welke uitgangspunten hanteert u om te waarborgen dat de nieuwe regeling uitgaat van vertrouwen in bewoners, in plaats van wantrouwen en bewijsdruk?
Welke waarborgen komen er voor een eenvoudige, laagdrempelige en snelle afhandeling van kleine en evidente schadegevallen?
Op welke wijze wordt in de uitwerking expliciet rekening gehouden met de impact van schade en procedures op het welzijn en vertrouwen van bewoners, en welke ondersteuning wordt daarbij geboden?
Hoe wordt voorkomen dat bewoners met vergelijkbare schade uitsluitend op basis van het moment van melding of afhandeling verschillend worden behandeld?
Bent u bekend met het feit dat dat na de aardbeving bij Eleveld een situatie is ontstaan waarbij de straat of postcode van inwoners bepalend is voor de hoogte en toegankelijkheid van schadevergoeding, doordat er verschillende regelingen gelden van Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) en de Commissie Mijnbouwschade? Hoe beoordeelt u deze ontstane tweedeling, waarbij inwoners in vergelijkbare situaties ongelijk worden behandeld?
Deelt u de opvatting dat de huidige situatie, met meerdere loketten en regelingen voor schadeafhandeling in hetzelfde gebied, leidt tot onduidelijkheid en ongelijkheid voor gedupeerden? In hoeverre ziet u een oplossing in het organiseren van één centraal loket voor mijnbouwschade (één loket voor alle gedupeerden) om in dit gebied te zorgen voor een eerlijkere, transparantere en toegankelijkere afhandeling?
Welke andere mogelijkheden ziet u om de onwenselijke situatie te repareren waarin bewoners die dichter bij het epicentrum wonen soms juist onder een ongunstiger regime vallen, waarbij zij moeten aantonen dat schade door de aardbeving is veroorzaakt, terwijl in andere gebieden die met schade door dezelfde aardbeving kampen het bewijsvermoeden geldt?
Wordt ook bezien of voor eerder afgehandelde gevallen een vorm van herbeoordeling, nabetaling of aanvullende compensatie mogelijk is om de gehanteerde regeling gelijk te trekken?
De verhaalbaarheid van schadevergoedingen in het Groningse gasdossier |
|
Ranjith Clemminck (JA21) |
|
Pieter Heerma (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met berichtgeving, onder andere in De Telegraaf, waarin aandeelhouders van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), te weten Shell en ExxonMobil, stellen dat de Nederlandse Staat mogelijk te ruimhartige schadevergoedingen uitkeert die buiten de contractuele afspraken vallen?1
Ja.
Waarop baseert u de veronderstelling dat de kosten van schadeherstel, versterking en compensatie volledig op de NAM kunnen worden verhaald?
Uit de Tijdelijke wet Groningen (TwG) volgt welke kosten bij NAM in rekening moeten worden gebracht. Per heffingsbesluit wordt beoordeeld en toegelicht of de kosten die zijn gemaakt in het kader van de schadeafhandeling en versterkingsoperatie op basis van de eisen uit de TwG kunnen worden geheven. Indien met compensatie wordt gedoeld op de uitgaven voor de sociale en economische agenda dan wijs ik erop dat deze uitgaven niet verhaald worden op de NAM.
In hoeverre bent u bekend met het standpunt van de aandeelhouders van de NAM dat bepaalde schadevergoedingen, zoals forfaitaire of ruimhartige regelingen, niet onder de oorspronkelijke aansprakelijkheidsafspraken vallen?
De standpunten van de NAM en de aandeelhouders van NAM dat bepaalde kosten in verband met de schadeafhandeling niet aan NAM zouden kunnen worden doorbelast op grond van de Tijdelijke wet Groningen zijn mij bekend. De standpunten van NAM zijn recent nog aan de orde gekomen tijdens de (openbare) zitting van de rechtbank Noord-Nederland van medio maart jl. inzake de beroepsprocedures van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021.
Kunt u uitsluiten dat een rechter of arbitragepanel uiteindelijk oordeelt dat (een deel van) de kosten van schadeherstel en compensatie niet op de NAM kan worden verhaald en daarom voor rekening van de Nederlandse Staat komt?
Nee.
Kunt u uiteenzetten welke categorieën van schade en compensatie het kabinet volledig verhaalbaar acht op de NAM?
De kosten voor de schadeafhandeling acht ik op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het Instituut Mijnbouwschade Groningen zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Het gaat dan bijvoorbeeld om schadevergoedingen die zijn uitgekeerd aan gedupeerden.
Kunt u tevens aangeven welke categorieën van kosten mogelijk buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen?
Kosten die buiten de aansprakelijkheid van de NAM vallen zijn bijvoorbeeld onverplichte tegemoetkomingen (zoals de verduurzamingsmaatregelen, de knelpuntenregelingen en een deel van de totale kosten van daadwerkelijk herstel) alsmede de kosten ter uitvoering van de sociale agenda en de economische agenda.
Kunt u, indien bepaalde kosten mogelijk niet verhaalbaar blijken, inzicht geven in de potentiële financiële omvang hiervan voor de Nederlandse Staat?
Ik kan op dit moment geen inschatting geven van de potentiële financiële omvang van niet verhaalbare kosten. Een groot deel van de kosten dat al aan NAM is doorbelast, staat ter discussie in bezwaarprocedures of ligt nu ter beoordeling voor bij een rechtbank of een scheidsgerecht. Voor andere kosten zal de omvang pas duidelijk worden bij het vaststellen van de eerstvolgende heffingsbesluiten.
Heeft het kabinet een actuele risicoanalyse gemaakt van het scenario waarin een rechter of arbitragepanel oordeelt dat een deel van de uitgekeerde schadevergoedingen niet op de NAM kan worden afgewenteld?
Gelet op de procespositie van de Staat is het niet in het belang van de Staat om hier nu concreet op in te gaan. Op basis van de meest recente berichtgeving van de scheidsgerechten wordt eind tweede kwartaal van 2026 een vonnis verwacht in eerste fase in de arbitrage versterken en in de arbitrage schade. Daarnaast heeft de rechtbank Noord-Nederland aangekondigd op 12 juni a.s. uitspraak te willen doen in het beroep van NAM tegen de beslissingen op bezwaar over de heffingsbesluiten fysieke schade 2020 en waardedaling 2020 en 2021. Ik wil daar nu niet op vooruitlopen.
Zo ja, wat is de uitkomst van deze risicoanalyse en over welke orde van grootte spreken we dan? Gaat het hierbij om honderden miljoenen euro’s of daadwerkelijk om miljarden euro’s?
Zie antwoord op vraag 8.
Waarom is de presentatie van het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) uit de openbaarheid gehaald, en kan deze alsnog met de Kamer worden gedeeld?
Het document van het IMG is niet openbaar, omdat het valt onder het verschoningsrecht van zijn advocaat. Dat betekent dat het gaat om vertrouwelijke informatie en persoonlijke beleidsopvattingen ten behoeve van intern beraad. Op 21 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in beroep2 bevestigd dat het IMG openbaarmaking op goede gronden heeft geweigerd.
Kunt u het rapport dat ten grondslag ligt aan de presentatie van het IMG waarnaar wordt verwezen, met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet? Kunt u daarbij tevens aangeven welke aanvullende bevindingen en analyses in dit onderliggende rapport zijn opgenomen die niet in de presentatie zijn verwerkt?
Nee, zie antwoord op vraag 10.
Beschikt het kabinet over andere rapporten, analyses of documentatie van vergelijkbare aard met betrekking tot bevingsrisico’s, schade-inschattingen of financiële risico’s in het Groningse gasdossier? Zo ja, kunt u deze documenten met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben graag bereid in een vertrouwelijke (technische) briefing de Kamer hierover te informeren, maar gelet op de procespositie van de Staat vind ik op dit moment een antwoord op deze vraag hier niet passend.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is indien de Nederlandse belastingbetaler uiteindelijk opdraait voor kosten die volgens het kabinet op de NAM verhaald zouden moeten worden?
Deze visie deel ik niet. Op dit moment wordt al het mogelijke gedaan om de kosten voor de schade-afhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen binnen de kaders van de Tijdelijke Wet Groningen te verhalen op de NAM. De schadeafhandeling en de versterkingsoperatie in Groningen dienen evenwel een zwaarwegend doel. Het kabinet heeft dan ook besloten dat het koste wat het kost zo lang als het nodig is moet worden doorgezet. Gelet op de baten die de Nederlandse samenleving jarenlang heeft genoten van de Groningse gaswinning, is het acceptabel dat de kosten daarvoor – voor zover die niet op NAM kunnen worden verhaald – voor rekening van de Staat komen.
Is de Kamer eerder geïnformeerd over het risico dat een deel van de uitgekeerde schade niet verhaald kan worden op de NAM en dat daardoor de Staat een financieel risico loopt? Zo ja, wanneer en op welke wijze is de Kamer hierover geïnformeerd?
Ja, de Kamer is hierover geïnformeerd. Zo is de Kamer begin 2024 door de toenmalig informateur Plasterk geïnformeerd over de budgettaire tegenvallers en risico’s bij de verschillende departementen. In dat kader is door het Ministerie van EZK gewezen op risico’s voortvloeiend uit de arbitrageprocedures (zie Bijlagen bij eindverslag informateur Plasterk dd. 12 februari 2024 pagina 33). Ook in de meest recente Kamerbrief over de stand van zaken in de juridische procedures NAM, Shell en ExxonMobil is nadrukkelijk benoemd dat er afhankelijk van de uitspraken van het scheidsgerecht in de arbitrages sprake is van mogelijke budgettaire risico’s (zie Kamerstukken II, 2025–2026, 33 529, nr 1340).
Verder wijs ik er op dat op verzoek van de Eerste Kamer op 21 mei 2024 en 28 januari 2025 vertrouwelijke technische briefings hebben plaatsgevonden.
Is er op de Rijksbegroting een budget gereserveerd om mogelijke financiële risico’s op te vangen indien de kosten niet op de NAM kunnen worden verhaald? Zo ja, waar en om welke bedragen gaat het? Zo nee, waarom acht het kabinet dit niet noodzakelijk?
Nee, het kabinet acht dit niet noodzakelijk. De kosten voor de schadeafhandeling acht het kabinet op grond van de Tijdelijke wet Groningen volledig verhaalbaar op NAM voor zover de kosten door het IMG zijn gemaakt in verband met de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden. Voor de aanvullende PEGA-maatregelen heeft het kabinet aan de voorkant geld gereserveerd. Voor kosten die nu zijn opgenomen in een heffing zijn geen voorzieningen of reserveringen getroffen. Ik wil niet vooruitlopen op uitspraken in de verschillende procedures.
Bent u bereid de Algemene Rekenkamer te verzoeken onderzoek te doen naar de vraag of de rijksoverheid in het kader van het Groningse gasdossier publiek geld zinnig, zuinig en zorgvuldig besteedt?
Jaarlijks ontvangt de Kamer reeds de onafhankelijk opgestelde Staat van Groningen en Noord-Drenthe waarin onder meer de stand van zaken rondom schadeafhandeling en de versterkingsoperatie uitvoerig wordt belicht. Daarnaast zal de Algemene Rekenkamer in zijn verantwoordingsonderzoek over 2025 opnieuw ingaan op de doelmatigheid en doeltreffendheid van maatregelen die zijn genomen om de schadeafhandeling en uitvoering van de versterking te verbeteren. Het verantwoordingsonderzoek verschijnt op de derde woensdag van mei (woensdag 20 mei 2026).
Op welke wijze is het fraudebeleid en het fraudedetectieprotocol bij schadeafhandeling aangepast naar aanleiding van de aanhouding van vijf verdachten door de FIOD in een onderzoek naar subsidiefraude?2
Het IMG kent met het Bureau Bijzonder Onderzoek (BBO) een gespecialiseerd team dat onderzoek doet naar fraudemeldingen en malversaties binnen de schadeafhandeling. De FIOD, onder leiding van het Openbaar Ministerie, heeft vijf verdachten aangehouden in het kader van een onderzoek naar subsidiefraude rondom aardbevingsschade in Groningen. Naar aanleiding van de aanhoudingen heeft het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) samen met het IMG maatregelen genomen om de kans op waardevermeerderingssubsidiefraude te beperken. De FIOD en het Openbaar Ministerie zijn nadere onderzoeken naar deze vorm van subsidiefraude aan het voorbereiden. Om potentiële fraudeurs niet wijzer te maken, wordt niet nader geduid om welke maatregelen het precies gaat. Het IMG blijft alle meldingen met een vermoeden van fraude onderzoeken en treft waar nodig maatregelen.
Bent u bereid de Kamer jaarlijks te informeren over de fraudebestrijding binnen het schadeherstel, waaronder cijfers over terugvorderingen, signalen van misbruik en het aantal aangiftes?
Ja. Het IMG rapporteert sinds 2024 in zijn jaarverslag al over de fraudebestrijding. Dit jaarverslag wordt uw Kamer jaarlijks door IMG aangeboden, laatstelijk op 27 maart jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden uiterlijk een week voorafgaand aan het commissiedebat Herstel Groningen van 22 april 2026?
Ja.
Cumulatieve hydrodynamische effecten van offshore windparken op de Noordzee |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recent gepubliceerde studie «Cumulative hydrodynamic impacts of offshore wind farms on North Sea currents and surface temperatures»1, waaruit blijkt dat offshore windparken substantiële veranderingen veroorzaken in stromingen, menging en temperatuur in de Noordzee?
Ja.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat grootschalige uitrol van windparken de gemiddelde oppervlakte-stromingssnelheid met 10% tot 20% kan verlagen, en lokaal zelfs meer dan 20%? Welke implicaties heeft dit volgens u voor veiligheid, scheepvaart, ecologie en morfologie?
Dit onderzoek draagt bij aan het vergroten van de wetenschappelijke kennis over de effecten van windenergie op zee op de omstandigheden op de Noordzee. Het sluit aan bij onderzoek dat ikzelf hiernaar laat uitvoeren, bijvoorbeeld via het Wind op Zee Ecologisch Programma (Wozep) en het Monitorings- en Onderzoeksprogramma Scheepvaartveiligheid Wind op Zee (MosWoz).
In het Wozep-programma wordt sinds 2019 onderzoek verricht naar effecten van windenergie op het Noordzee ecosysteem, waaronder de hydrodynamische effecten van de uitrol van offshore wind in de Nederlandse én de internationale Noordzee. Hieruit zijn meerdere rapportages2 voortgekomen.
Offshore windparken kunnen leiden tot (lokale) veranderingen in de waterkolom. Wat deze veranderingen daadwerkelijk inhouden voor het mariene leven, waaronder vis, is nog in onderzoek. De huidige kennis biedt vooralsnog geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Ik wijs er overigens op dat de door het lid Vermeer geciteerde studie uitgaat van deels hypothetische windparken, bovenop de werkelijke Nederlandse situatie. Naar verwachting zijn de uiteindelijke effecten dus kleiner dan deze studie schetst.
Voor scheepvaartveiligheid is in Nederland het MosWoz-programma opgezet. Binnen dit programma laat ik onderzoek uitvoeren naar de effecten op de scheepvaartveiligheid van windparken op zee. De door het lid Vermeer genoemde vragen met betrekking tot scheepvaartveiligheid komen in dit programma aan de orde.
De studie laat zien dat zowel wind- als getijwakes turbulentie en mengprocessen veranderen, met sterke lokale hotspots bij turbinefundaties en grootschalige afname van verticale menging buiten windparken. In hoeverre worden deze hydrodynamische veranderingen momenteel meegenomen in MER-procedures en vergunningverlening?
Zoals in het antwoord op vraag 1 is aangegeven worden deze effecten door het kabinet onderkend en vindt hier vervolgonderzoek naar plaats. De verschillende milieueffectrapportages (MER) bij de kavelbesluiten voor windenergie op zee besteden ook aandacht aan de hydrodynamische veranderingen als gevolg van windparken. Het is verplicht in de MER-procedures voor de kavelbesluiten de meest recente wetenschappelijke inzichten mee te nemen, inclusief alle onzekerheden, dus ook deze.
Welke risico’s ziet u voor zuurstofhuishouding, eutrofiëring en visbestanden, met name in kwetsbare gebieden zoals de Oyster Grounds, aangezien de studie aantoont dat stratificatie in grote delen van de Noordzee sterker wordt door verminderde verticale menging, inclusief het ondieper worden van de pycnocline met circa 2 meter?
Zie de antwoorden op de vragen 1 en 2. In de door het lid Vermeer geciteerde studie en de door mij aangehaalde studies worden veranderingen geconstateerd. Wat deze veranderingen ecologisch inhouden, onder andere ten aanzien van de visbestanden, is nog onderwerp van onderzoek. Zodra duidelijk is wat de effecten van de veranderingen zijn op de ecologie en de visbestanden neemt het kabinet deze kennis mee in haar beleid.
Waarom kent het Nederlandse ruimtelijke beleid momenteel geen minimale afstandsnormen gebaseerd op hydrodynamische of ecologische criteria, aangezien de studie benadrukt dat turbine-spacing (1.000 meter versus 3.000 meter) een cruciale factor is voor de omvang van hydrodynamische verstoring?
Tot op heden is de kennis van hydrodynamische of ecologische aspecten nog onvoldoende robuust om deze te vertalen naar minimale afstandsnormen. Bij het ontwerp van de Nederlandse windparken op zee wordt tot nu toe vooral gestuurd op relatief compacte windparken om buiten de windparken zoveel mogelijk ruimte over te laten voor andere activiteiten, zoals visserij. Overigens zijn de afstanden tussen de windturbines dan nog steeds groter dan 1.000 meter. Het vergroten van de onderlinge afstanden tussen de windturbines laat ik onderzoeken voor toekomstige windparken op zee vanwege de mogelijk positieve effecten op de businesscase van windparken op zee en op de Noordzeenatuur. Dit betekent echter wel dat bij een gelijkblijvende bijdrage van windenergie op zee aan ons energiesysteem meer ruimte op zee benodigd zal zijn.
Hoe beoordeelt u de conclusie dat de totale impact van toekomstige windparken lijkt op een additionele antropogene klimaatforcing, met hydrodynamische en thermische veranderingen die zich op bekkenniveau verspreiden? Vindt u dat dit type effecten voldoende worden erkend in internationale afspraken binnen Noordzeesamenwerking?
Ik kan nog geen conclusies beoordelen omdat het onderzoek hiernaar nog in volle gang is, waaronder binnen de programma’s Wozep en MONS. Daarnaast wordt hiervoor internationale samenwerking op het gebied van modelontwikkeling en -validatie opgezet. Ook de betekenis van de gemodelleerde veranderingen voor de Noordzeenatuur is nog in onderzoek bij de genoemde onderzoeksprogramma’s.
Acht u het wenselijk om conform de aanbeveling van de onderzoekers over te stappen op volledig gekoppelde atmosfeer-oceaanmodellen bij de beoordeling van offshore windprojecten, gezien het feit dat atmosferische terugkoppelingen (zoals veranderende windpatronen) de huidige resultaten nog kunnen versterken?
Vooralsnog is er vanuit het Wozep-programma geconcludeerd dat het nog niet zinvol is om in te zetten op dit type van modelverbetering, zolang nog niet duidelijk is of en hoe de doorwerking van effecten op hydrodynamische omstandigheden doorwerken in de voedselketen of naar beschermde diersoorten.
Kunt u aangeven hoe het huidige Nederlandse beleid borgt dat cumulatieve, grensoverschrijdende en langjarige hydrodynamische effecten voldoende worden meegenomen, aangezien de studie suggereert dat cumulatieve effecten een grotere rol spelen dan tot nu toe aangenomen en zich honderden kilometers van de windparken kunnen manifesteren?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om, samen met buurlanden rond de Noordzee, een actualisatie van de gezamenlijke strategische impactanalyses uit te voeren waarin deze nieuwe bevindingen expliciet worden geïntegreerd, zodat toekomstige windenergieontwikkeling niet leidt tot onvoorziene grootschalige veranderingen van het Noordzeesysteem?
In het kader van de internationale samenwerking neemt ons land onder andere deel aan een werkstroom binnen het Greater North Sea Basin Initiative (GNSBI) om een zo compleet mogelijk beeld te verkrijgen van alle drukfactoren op de Noordzeenatuur. Daar wordt uitgewisseld over methodiekontwikkeling, tussen landen en andere regionale organisaties zoals OSPAR en ICES, om de cumulatieve druk van bijvoorbeeld visserij, scheepvaart, mijnbouw, maar ook windenergie op zee op vergelijkbare wijze inzichtelijk te maken.
Indien u dat niet van plan bent, waarom niet?
Ik onderken dat het belangrijk is om de effecten van windparken op de Noordzee en de daar aanwezige natuur in kaart te brengen en heb daar, in samenwerkingen met de andere departementen, onderzoeksprogramma’s voor opgezet. Ook internationaal vraag ik aandacht hiervoor. Met de huidige kennis is er echter geen aanleiding om de uitrol van windenergie op zee aan te passen.
Het bericht ‘Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche’. |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Asielzoekers en Oekraïners uitgebuit bij Ibis Hotel, meer misstanden in de branche»?1
Ja.
Kunt u zich vinden in de lezing van deskundigen dat hier sprake is van mensenhandel en uitbuiting?
Het onderzoek van de Arbeidsinspectie loopt nog. Over de inhoud en voortgang van lopende onderzoeken kan de Arbeidsinspectie geen uitspraken doen.
Vindt u het ook Nederland onwaardig dat asielzoekers en Oekraïners op deze manier worden uitgebuit zonder geldige werkpapieren en tegen zeer lage vergoedingen?
Misstanden en uitbuiting van asielzoekers en mensen die zijn gevlucht uit Oekraïne, zijn onacceptabel.
Iedereen die in Nederland werkt heeft recht op eerlijk, gezond en veilig werk. Zij moeten – conform wet- en regelgeving en cao’s – tegen goede arbeidsvoorwaarden en onder goede arbeidsomstandigheden kunnen werken.
Het is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van werkgevers om werknemers onder goede arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden te laten werken.
Heeft u zicht op hoe wijdverspreid de problemen met illegale tewerkstelling en onderbetaling zijn in de schoonmaaksector en of dit ook in andere sectoren is gesignaleerd? Zo niet, bent u bereid dit uit te zoeken?
In de technische verkenning naar een sectoraal in- en uitleenverbod en verplicht percentage indiensttreding is geconstateerd dat er in onderdelen van de schoonmaak-, transport-, en teeltsector verhoogde arbeidsrisico’s zijn. Ook is er op sommige plekken in deze sectoren een hoog percentage overtredingen geconstateerd. Op dit moment wordt nader onderzoek gedaan naar deze sectoren. Dit betreft de arbeidsrisico’s en de overtredingen en misstanden, en waar deze zich voordoen in de sector.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. De analyse in de genoemde verkenning laat zien dat dit zich vertaalt in een relatief hoog aantal overtredingen van arbeidswetten in de gehele sector.
Hoe gaat u erop toezien dat deze schoonmakers alsnog de betaling krijgen waar zij recht op hebben?
De Arbeidsinspectie houdt toezicht op naleving van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Als er indicaties zijn dat werknemers niet het wettelijk minimumuurloon krijgen, dan wordt hierop gecontroleerd ongeacht de verblijfsstatus van de werknemers. Indien er onderbetaling wordt vastgesteld door de inspecteur, dan wordt er een nabetalingsbrief gestuurd aan de werkgever. De werkgever krijgt vier weken de tijd om een nabetaling te doen. Er kan een last onder dwangsom worden opgelegd als er niet is nabetaald. De werknemer ontvangt een brief, waarin wordt aangegeven dat onderbetaling is geconstateerd. Deze werknemersbrief is in verschillende talen beschikbaar. Omdat de Arbeidsinspectie alleen controleert op het bruto minimumuurloon, wordt in deze brief naar het Juridisch Loket verwezen voor het eventuele problemen met het ontvangen cao-loon.
De Arbeidsinspectie heeft geen bevoegdheid om loon te vorderen namens de werknemer, ongeacht of het een vreemdeling is die illegaal is tewerkgesteld. Op grond van artikel 23 van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) kan de illegaal tewerkgestelde vreemdeling door middel van een rechtsvermoeden zelf een loonvordering instellen tegen zijn werkgever. Dit betreft enkel een civielrechtelijke mogelijkheid. De Arbeidsinspectie informeert de werknemer over diens rechten en plichten door tijdens controles een visitekaartje uit te delen van de website workinnl.nl. Daarnaast worden de overtredingen van de Wav met bedrijfsnamen openbaar gemaakt via de website «inspectieresultaten» van de Arbeidsinspectie. Daarmee is ook voor een (voormalig) werknemer zichtbaar dat de werkgever is beboet en kan deze gedupeerde en/of diens gemachtigde een civielrechtelijke procedure starten.
Bent u het eens dat deze situatie kon ontstaan doordat constructies met schimmige tussenpersonen op onze arbeidsmarkt worden toegestaan? Zo niet, waarom niet?
Het staat partijen vrij om arbeidskrachten in te huren zolang de wet daarbij wordt nageleefd. Bij het ontstaan van lange doorleenketens wordt onduidelijk wie de werkgever is van de werknemer. Om naleving te bevorderen is er een fiscale ketenaansprakelijkheid en een civiele ketenaansprakelijkheid voor betaling van het juiste loon. Dit betekent dat naast de werkgever ook de directe opdrachtgever aangesproken kan worden op het voldoen van volgens de wet en cao verschuldigde loon. Dit is met de invoering van de Wet aanpak schijnconstructies per 1 juli 2015 geregeld. Als een werknemer de directe opdrachtgever niet kan aanspreken, dan kan de werknemer naar alle volgende schakels in de keten gaan. Dit is erop gericht om onderbetaling en (ander) misbruik van ketenconstructies tegen te gaan.
Daarnaast geldt de Wet terbeschikkingstelling arbeidskrachten (Wtta) ook bij doorleenketens. De Wtta zorgt ervoor dat uitleners alleen nog werknemers mogen uitlenen als ze worden toegelaten op de uitleenmarkt. Ook mogen ondernemingen die werknemers inlenen alleen nog samenwerken met uitleners die zijn toegelaten tot de uitleenmarkt. Hierdoor kunnen de verschillende schakels in de keten worden aangesproken op naleving van wet- en regelgeving.
Hoe weegt u het feit dat de inhurende hotelketen wijst naar het Duitse schoonmaakbedrijf, en ook zij weer wijzen naar een volgend ingehuurd bedrijf?
Het is onwenselijk als partijen naar elkaar wijzen en niemand verantwoordelijkheid neemt voor het juist naleven van wet- en regelgeving. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 6 is er in verschillende wetten een ketenaansprakelijkheid opgenomen waardoor ook inhurende partijen aangesproken kunnen worden.
Bent u het eens dat zolang het bedrijf waar de werkzaamheden uiteindelijk plaatsvinden – en waar de werknemers mee te maken krijgen – niet hoofdverantwoordelijk wordt gehouden voor uitbuiting er steeds met vingers gewezen zal worden? Zo nee, waarom niet?
In de eerste plaats is de werkgever met wie de arbeidskracht het dienstverband is overeengekomen verantwoordelijk. Indien nodig biedt de wet, zie het antwoord bij vraag 6 en 7, de mogelijkheid om ook de hoofdopdrachtgever aan te spreken voor betaling van het juiste loon.
Het vereiste van het hebben van een tewerkstellingsvergunning ligt bij de werkgever op grond van de Wet arbeid vreemdelingen. Iedere werkgever in de keten is verantwoordelijk voor de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen. Onder het begrip «werkgever» in de zin van de Wet arbeid vreemdeling valt o.a. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten. De inlener wordt dus ook als werkgever gezien.
Voor Oekraïense burgers die in Nederland onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vallen, geldt dat zij in Nederland arbeid in loondienst mogen verrichten zonder tewerkstellingsvergunning. De werkgever moet hen wel melden bij het UWV2. Voor mensen in de asielprocedure geldt dat zij mogen werken indien hun werkgever een tewerkstellingsvergunning heeft gekregen van het UWV3.
Daarnaast wordt er met het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel4 de strafrechtelijke aansprakelijkheid van arbeidsuitbuiting verruimd. In de beoogde nieuwe wetgeving richt de strafbaarstelling zich ook tot inleenconstructies. Wanneer een persoon of bedrijf via een uitzendbureau arbeidsmigranten tewerkstelt en weet of hele duidelijke signalen krijgt dat de betreffende persoon door het uitzendbureau ernstig wordt benadeeld of wordt uitgebuit, dan kan de inlener strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de verantwoordelijkheid voor correcte tewerkstelling en fatsoenlijke betaling meer bij de inhuren bedrijven komt te liggen?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u het eens dat gezien deze uitbuiting waar uitzendbureaus een grote rol in speelden, en gezien de eerdere signalen vanuit de arbeidsinspectie over de schoonmaaksector2, het passend zou zijn om in deze sector een verbod op uitzendbureaus in te stellen? Of bent u op zijn minst bereid dit te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Zoals beantwoord bij vraag 4 wordt op dit moment nader onderzoek gedaan naar de schoonmaaksector. Ook ben ik in gesprek met de sector over wat de partijen zelf kunnen doen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek en de opbrengsten van deze gesprekken ga ik mij beraden op de verdere te nemen stappen.
In de vleessector zijn de grootste risico’s geconstateerd. Door het vorige kabinet is daarom besloten een in- en uitleenverbod voor te bereiden als stok achter de deur voor de vleessector. De standaarden om te bepalen of een in- en uitleenverbod nodig is, gelden voor alle sectoren. Op dit moment wordt de impact en effectiviteit van een verbod verder ondergezocht. Dit kabinet zal vervolgens besluiten of verdere stappen, bijvoorbeeld het daadwerkelijk invoeren van een verbod, gepast en evenredig is. Ook zullen we bezien of in alle sectoren met verhoogde arbeidsrisico’s voldoende voortgang is geboekt.
Hoe ziet u een verbod op onderaanneming in de schoonmaaksector? Wat zijn hier de mogelijkheden voor?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bekend met het onderzoek van de Justitiecommissie van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, waarin Nederlandse en Europese organisaties onder vuur worden genomen vanwege hun rol bij de handhaving van de Digital Services Act (DSA)?1
Ja.
Bent u eveneens bekend met de reactie van Bits of Freedom en Justice for Prosperity? Wat is hierop uw reactie?2
Ja. Het kabinet onderschrijft het belang van de handhaving van Europese digitale wetgeving. Toezichthouders en NGO’s spelen een belangrijke rol hierin en het kabinet zet zich ervoor in dat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken zonder belemmering kunnen uitvoeren.
Hoe reageert u op de aantijgingen die in het rapport worden gemaakt, waaronder richting de Autoriteit Consument & Markt (ACM) en NGO’s als Bits of Freedom en Justice for Prosperity?3
Het kabinet herkent zich niet in de uitspraken die worden gedaan in het rapport.
Kunt u bevestigen dat de ACM simpelweg haar wettelijke taak uitvoert door de DSA te handhaven? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Dat kan het kabinet bevestigen en die zienswijze deelt het kabinet.
Kunt u bevestigen dat Bits of Freedom en Justice for Prosperity hun maatschappelijke taak vervullen door betrokken te zijn bij de handhaving van de DSA? Deelt u de zienswijze van de indieners dat dit op geen enkele manier onder druk mag worden gezet door andere overheden?
Dat kan het kabinet bevestigen en die zienswijze deelt het kabinet. De effectiviteit van de DSA wordt niet alleen bepaald door handhaving door toezichthouders, maar ook door bijdragen van maatschappelijke organisaties, onderzoekers, gebruikers van platforms en onafhankelijke geschilbeslechtingsorganen, die allemaal rechten ontlenen aan de DSA.
Welke status heeft dit rapport? Heeft u reden om te geloven dat hieruit sancties of maatregelen richting EU-lidstaten kunnen of zullen volgen?
Dit document is een staff report van de Republikeinse meerderheid van het Judiciary Committee in het Huis van Afgevaardigden van de VS. Met dit rapport op zichzelf kunnen geen sancties of maatregelen jegens EU-lidstaten worden ingesteld.
Wat vindt u van de beschuldiging dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onder druk worden gezet omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren? Heeft u hierover contact gehad met Amerikaanse vertegenwoordigers? Zo niet, kunt u dit alsnog doen?
Het kabinet vindt het niet passend dat Nederlandse toezichthouders en NGO’s onderwerp zijn van kritiek omdat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken uitvoeren. Het betreft wetgeving die democratisch tot stand is gekomen. Het is onjuist om natuurlijke personen of organisaties daarop aan te spreken. Toezichthouders en NGO’s spelen een belangrijke rol in het Nederlandse bestel en het kabinet zet zich ervoor in dat zij hun wettelijke en maatschappelijke taken zonder belemmering kunnen uitvoeren.
Er is via verschillende kanalen regulier contact met Amerikaanse vertegenwoordigers. In die contacten heeft het kabinet ook haar zienswijze over deze casus uitgedragen. Zoals dat wanneer er een dispuut over beleid of regelgeving is, de discussie daarover via politici en beleidsmakers gevoerd moet worden.
In algemene zin blijft het kabinet zich inspannen voor de trans-Atlantische band. Tegelijkertijd benutten we diplomatieke kanalen om de VS aan te spreken wanneer hun acties onze waarden en belangen ondermijnen, altijd met oog voor de relatie en het behoud van kritieke veiligheidsbelangen.
Bent u op de hoogte van berichtgeving waaruit blijkt dat de Amerikaanse overheid VS-diplomaten in Europa heeft geïnstrueerd om de DSA te traineren en frustreren?4 Hoe kijkt u naar deze werkwijze van de Verenigde Staten?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 9.
Is de Amerikaanse ambassade in Nederland ook actief bezig met verzet tegen de handhaving van de DSA? Kunt u dit bevestigen, en toezeggen dat u contact met de ambassade opneemt om op te komen voor de vrijheid van onze toezichthouders en NGO’s?
Het staat de Amerikaanse regering vrij een positie te hebben op de DSA en deze uit te dragen.
Het kabinet is in gesprek met vertegenwoordigers van de Amerikaanse regering over de DSA. De precieze inhoud van deze gesprekken is vertrouwelijk, maar in algemene zin spant het kabinet zich ervoor in dat toezichthouders en NGO’s hun wettelijke en maatschappelijke taak zonder belemmering kunnen vervullen. Hiermee geeft het kabinet uitvoering aan het regeerakkoord waarin staat dat diplomatieke kanalen worden benut om de VS aan te spreken wanneer hun acties onze waarden en belangen ondermijnen, altijd met oog voor de relatie en het behoud van kritieke veiligheidsbelangen.
Veroordeelt u de handelwijze van de Amerikaanse justitiecommissie, nu Nederlandse organisaties onder schot staan voor het uitvoeren van hun wettelijke en maatschappelijke taken?
Het kabinet deelt de inhoud van het rapport niet. Zie verder het antwoord op vraag 7.
Bent u bereid maatregelen te nemen om de ACM, Bits of Freedom en Justice for Prosperity te beschermen tegen mogelijke Amerikaanse maatregelen naar aanleiding van het rapport van de justitiecommissie?
De inzet van het kabinet is erop gericht dat toezichthouders en NGO’s hun wettelijke en maatschappelijke taak zonder belemmering kunnen uitvoeren. Maatschappelijke organisaties hebben daarbij het recht op vereniging en vrijheid van meningsuiting. Mogelijke maatregelen naar aanleiding van het rapport tegen deze organisaties zal het kabinet volgen en het kabinet zal daarbij opkomen voor hun belangen.
Zegt u toe om deze Nederlandse organisaties bij te staan als tegen hen een inreisverbod wordt ingevoerd? Op welke manier kunt u hen hulp aanbieden?
Zie de beantwoording van vraag 11. Het kabinet volgt de ontwikkelingen en zal indien nodig opkomen voor de belangen van deze organisaties. Van inreisverboden is op dit moment echter geen sprake.
Hoe reageert u, in het licht van het rapport uit het Huis van Afgevaardigden, op het feit dat de Verenigde Staten eerder toegang tot het land hebben geweigerd voor Eurocommissaris Thierry Breton en vier vertegenwoordigers van NGO’s?
Zoals reeds aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van de leden Kathmann, van der Lee en Dassen over de aangekondigde tegenreactie van de Verenigde Staten gericht op Europese techbedrijven, heeft het kabinet net als de Europese Commissie en diverse andere EU-lidstaten zijn zorgen uitgesproken over deze visa-restricties en deze veroordeeld.
Veroordeelt u, net als de Europese Commissie, de handelwijze van de Verenigde Staten nu zij pleitbezorgers van techregulering bestraffen?
Zie het antwoord op vraag 13.
Deelt u de zorgen van de indiener dat de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU en haar lidstaten kan leiden tot aarzeling bij het versterken en handhaven van Europese techregulering, zoals scherpere maatregelen tegen manipulatieve algoritmen en een digitaledienstenbelasting?
Het kabinet steunt de Europese Commissie en andere toezichthouders in het onverkort en niet-discriminatoir handhaven van de DSA, ongeacht waar de bedrijven vandaan komen. Op dit moment lopen diverse onderzoeken en procedures naar bedrijven, waardoor het kabinet op dit moment geen zorgen heeft dat de houding van de VS leidt tot terughoudendheid of aarzeling bij handhaving.
Bent u het met de indiener eens dat Europa juist ondubbelzinnig en eensgezind moet blijven pleiten voor het strenger handhaven van wet- en regelgeving die de macht van Big Tech beteugelen, zoals gevraagd in de motie-Kathmann [Kamerstuk 30 821-264]?
Het kabinet steunt de Europese Commissie in het handhaven van de Europese digitale wetgeving en onderstreept het belang bij het als EU eensgezind op te treden in het geval van druk of tegenmaatregelen.
Ziet u in de vijandige houding van de Verenigde Staten richting de EU aanleiding om versneld te verkennen hoe Nederland haar afhankelijkheid van Amerikaanse techdiensten kan afbouwen, zowel in de ICT-dienstverlening als bij de communicatieplatforms?
De VS zijn de wereldmacht met wie wij de meeste belangen delen. We blijven ons daarom inspannen voor goede trans-Atlantische relaties. Tegelijkertijd is het kabinet zich bewust van potentiële risico’s van afhankelijkheden. In het regeerakkoord wordt dan ook stevig ingezet op het versterken van onze digitale autonomie. Hiertoe zet het kabinet onder andere in op het versterken van de Europese digitale sector, met stimulerende, beschermende en partner maatregelen (promote, protect, partner).
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de Rabobank als eerste grootbank de mogelijkheden voor aflossingsvrij lenen vergaand gaat inperken. |
|
Teun van Dijck (PVV), Jeremy Mooiman (PVV) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Strengere hypotheekvoorwaarden Rabobank: aflossingsvrij lenen ingeperkt»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Rabobank deze maatregelen gaat nemen in relatie tot het feit dat bijna de helft (45 procent) van de totale hypotheekportefeuille in Nederland uit aflossingsvrije hypotheken bestaat?
Banken zijn op grond van de Wet op het financieel toezicht verplicht om de risico’s die zijn verbonden aan hun dienstverlening op adequate wijze te beheersen. DNB en de AFM houden daar toezicht op. Het is niet aan mij om het beleid van een individuele bank of maatregelen van de onafhankelijke toezichthouders te beoordelen. Wel blijf ik met toezichthouders en aanbieders in gesprek over de impact van de aangekondigde maatregelen.
Rabobank maakte bekend dat de bank en haar dochteronderneming Obvion het beleid ten aanzien van aflossingsvrije hypotheken gaat aanscherpen. Rabobank heeft hierover de afgelopen jaren intensief overleg gehad met de toezichthouders.2 De Nederlandsche Bank (DNB) schrijft op haar website dat zij een verhoogd risico ziet bij aflossingsvrije hypotheken ten opzichte van aflossende hypotheken. DNB licht daarbij toe dat de terugbetaling van aflossingsvrije hypotheken meestal afhankelijk is van de waarde van de woning en dat er bij aflossingsvrije hypotheken onzekerheid is over toekomstige betaalbaarheid. DNB vindt het belangrijk dat instellingen deze extra risico’s adequaat beheersen.3 Ook de Autoriteit Financiële Markten (AFM) besteedt in haar toezicht aandacht aan de risico’s van aflossingsvrije hypotheken. Zij benadrukt dat het belangrijk is dat aanbieders klanten met een aflossingsvrije hypotheek zorgvuldig blijven behandelen en klanten niet onevenredig worden getroffen door maatregelen van instellingen om risico’s te beheersen.4
Welke gevolgen heeft dit voor bestaande klanten met een aflossingsvrije hypotheek, ook indien hun woonsituatie verandert?
Wat de gevolgen van de aanscherping in het beleid van Rabobank zijn voor individuele klanten, hangt af van de specifieke situatie. Ik maak uit de berichtgeving op dat de aanscherping van het beleid ziet op bestaande en nieuwe klanten die verhuizen, of bijvoorbeeld doorstromen naar een nieuwe woning, en daarmee een nieuwe hypotheek afsluiten. Ook bij herfinancieringen en verhogingen van bestaande hypotheken, gaat per mei het nieuwe beleid gelden. Bestaande klanten die niets wijzigen aan hun hypotheek, worden hier volgens Rabobank niet door geraakt. Rabobank meldt dat in bijzondere situaties, zoals bij overlijden of klanten die uit elkaar gaan, er indien nodig samen met klanten naar passende oplossingen gekeken.
Bent u het eens met het standpunt dat de hypotheekrente veel te hoog is in Nederland (inmiddels boven de vier procent) en dat de woningmarkt met het aanscherpen van hypotheekregels alleen maar verder op slot raakt? Zo nee, waarom niet?
Ik volg de ontwikkelingen op de hypotheekmarkt nauwgezet en blijf daarover in gesprek met aanbieders van hypothecair krediet en de toezichthouders. Als gevolg van een bredere stijging van marktrentes is het gemiddelde rentepercentage van door banken aangeboden hypothecaire kredieten voor huishoudens sinds medio 2022 stijgende. Wat het specifieke rentepercentage is dat aan consumenten gerekend wordt, hangt onder andere af van de aanbieder en de door de consument gekozen rentevastperiode. In Europees vergelijkend perspectief zijn er EU-lidstaten waar de gemiddelde hypotheekrente hoger is en lidstaten waar deze lager is dan in Nederland.
De gemiddelde hypotheekrente of rente over nieuwe hypothecaire kredieten geven een beperkt beeld van de daadwerkelijke woonlasten van consumenten. Uit data van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt bijvoorbeeld dat het percentage van het inkomen dat Nederlandse huishoudens aan hypotheeklasten kwijt zijn, de afgelopen jaren is gedaald.5 Recente data laten bovendien zien dat het aantal transacties van bestaande koopwoningen stijgende is.6
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat grootbanken de hypotheekrente verlagen en de hypotheekvoorwaarden versoepelen in plaats van verder blijven aanscherpen? Bent u bereid om op zijn minst met grootbanken in gesprek te gaan hierover?
Zie antwoord vraag 4.
De uitvoer van Nederlandse honden naar Israël |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Femke Wiersma (BBB), Heijnen , Ruben Brekelmans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat hondenleverancier Four Winds K9 zichzelf heeft opgeheven nadat het bedrijf meerdere malen per brief is verzocht om inzage in de documenten over hun uitvoer naar Israël?1
Ja.
Kunt u op basis van douanegegevens een overzicht geven van het aantal honden dat sinds 2020 vanuit Nederland naar Israël is uitgevoerd, uitgesplitst per jaar en per maand?
Als een aangever goederen wil in-, uit- of doorvoeren, moet hiervoor een aangifte worden gedaan bij de Douane. Hierbij moet een aangever ook de goederencode (zogenaamde GN-code) van het goed opgeven. Deze goederencodes worden op Europees niveau vastgesteld en geven aan welke invoer- of uitvoertarieven voor een bepaald goed gelden. In deze indeling bestaat echter geen afzonderlijke goederencode voor honden. Honden vallen onder de categorie «andere levende dieren». Hierdoor vallen honden voor de aangifte onder dezelfde GN-code als bijvoorbeeld katten.
Om het aantal uitgevoerde honden te bepalen is het derhalve niet voldoende om enkel naar deze goederencode te kijken. Om de vraag te beantwoorden, is daarom gekeken naar de tekstuele goederenomschrijving in de aangiften ten uitvoer binnen de categorie «andere levende dieren». In dit veld moet de exporteur een handelsbenaming opgeven ten aanzien van de uit te voeren goederen. Voor de invulling van de handelsbenaming bestaat geen verplichte of voorgeschreven vorm of systematiek. De omschrijving «hond» volstaat hiervoor, maar dit kan ook specifiek een hondenras zijn of een andere beschrijving. De hieronder genoemde aantallen zijn tot stand gekomen door in de aangiftegegevens met betrekking tot de uitvoer van levende dieren onder de bovengenoemde GN-code met een goederenomschrijving met daarin de termen «hond» of «honden» te kijken. Het daadwerkelijke aantal uitgevoerde honden kan daarom hoger liggen.
Het is voor de Douane niet mogelijk om, zonder strafrechtelijke vordering, data over uitvoeraangiften van meer dan vijf jaar terug op te leveren. Hieronder zijn daarom de aantallen aanvragen voor de uitvoer van honden naar Israël voor de periode 2021 tot en met 2025 opgenomen. Onderstaande uitgesplitste cijfers slaan op de aanvragen ten uitvoer per maand. Daarnaast is er per het totaal aantal honden aangegeven dat daadwerkelijk de EU uit is gegaan via Nederland.
Januari
11
Januari
2
Januari
7
Februari
7
Februari
16
Februari
8
Maart
8
Maart
0
Maart
9
April
2
April
1
April
0
Mei
6
Mei
14
Mei
8
Juni
16
Juni
2
Juni
0
Juli
5
Juli
0
Juli
1
Augustus
2
Augustus
14
Augustus
25
September
September
1
September
5
Oktober
9
Oktober
0
Oktober
0
November
4
November
18
November
4
December
13
December
1
December
14
Januari
0
Januari
10
Februari
12
Februari
8
Maart
11
Maart
1
April
10
April
15
Mei
2
Mei
5
Juni
6
Juni
0
Juli
5
Juli
4
Augustus
18
Augustus
0
September
13
September
7
Oktober
4
Oktober
0
November
14
November
3
December
3
December
0
Kunt u aangeven hoeveel aanvragen voor veterinaire certificering ten behoeve van de uitvoer van honden naar Israël in de afgelopen jaren zijn ingediend en hoeveel daarvan door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit zijn goedgekeurd, en op basis van welke veterinaire en administratieve toetsingscriteria deze certificering wordt verleend?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
Kunt u de in vraag 2 en 3 genoemde aantallen uitsplitsen naar uitvoer door particuliere personen enerzijds en uitvoer door bedrijven of andere rechtspersonen anderzijds?
Op basis van de uitvoeraangiften is het voor de Douane niet altijd met zekerheid te bepalen of de aangever een particulier of een bedrijf of ander rechtspersoon is. Ook zijn er bijvoorbeeld logistiek dienstverleners die voor particulieren uitvoeraangiften doen. Op basis van de entiteit die de uitvoeraangifte heeft gedaan, kan daarom niet met zekerheid worden gesteld of honden die worden uitgevoerd uiteindelijk bestemd zijn van particulieren of bedrijven of andere rechtspersonen. De NVWA houdt dergelijke gegevens niet bij.
Beschikken de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de Douane over cijfers met betrekking tot veterinaire keuringen en afgegeven certificaten voor de uitvoer van honden naar Israël in 2025, en zo ja, kan de Kamer inzicht krijgen in deze gegevens, bij voorkeur uitgesplitst per maand?
Voor de uitvoer van honden naar derde landen (landen buiten de EU) is veterinaire exportcertificering geen wettelijke verplichting en dus worden ook geen aanvragen voor veterinaire certificering ingediend. De NVWA controleert bij export van honden naar derde landen uitsluitend het EU-dierenpaspoort op basis van de geldende gezondheidsvereisten (zoals bijvoorbeeld vaccinatiegegevens) van het land van bestemming.
De Douane heeft geen veterinaire taak bij uitvoerzendingen van honden en houdt daarvan dus geen documenten of gegevens bij. In de taakbijlagen voor zowel niet-commercieel verkeer van Gezelschapsdieren als de commerciële veterinaire zendingen staat beschreven dat de Douane alleen bij binnenbrengen en/of invoer een controletaak heeft.
Is bij de goedkeuring van uitvoer naar Israël beoordeeld of de honden kunnen worden ingezet voor militaire of repressieve doeleinden, en zo ja, hoe is deze risico-inschatting vastgelegd?
Het is niet wettelijk verplicht om bij de uitvoer van honden naar Israël het doel van de dieren te registreren. Deze beoordeling vindt niet plaats. De huidige wet- en regelgeving met betrekking tot exportcontrole is vastgelegd in Europese wetgeving en gericht op goederen die onder specifieke controlelijsten vallen. Het kabinet heeft uw Kamer eerder geïnformeerd over de inzet om honden alsnog toe te voegen aan de controlelijst van de EU Dual-Use verordening. De uitkomst van deze gesprekken was dat de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Commissie geen mogelijkheid zien om honden aan te merken als dual-use «producten».
Er wordt op verzoek van de Kamer nog een verkenning uitgevoerd naar andere maatregelen om de uitvoer van honden te reguleren. De Minister van Buitenlandse Zaken heeft toegezegd uw Kamer hierover uiterlijk in het eerste kwartaal van 2026 te informeren.2
Acht u het wenselijk dat een bedrijf door zichzelf op te heffen feitelijk kan voorkomen dat er volledige duidelijkheid komt over mogelijke misstanden bij de uitvoer van honden?
Ik deel niet de veronderstelling dat een bedrijf door zichzelf op te heffen kan voorkomen dat onderzoek wordt verricht naar mogelijke misstanden.
Kunt u toelichten welke vormen van samenwerking de Nederlandse overheid, inclusief ministeries, uitvoeringsorganisaties of ambassades, heeft gehad met Four Winds K9 of aanverwante K9-bedrijven?
Vanuit het Programma Ondersteuning Buitenland Beleid (POBB) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken is er eenmalig financiële steun verleend met als doel het versterken van de havenbeveiliging en de samenwerking tussen de autoriteiten van Costa Rica en Nederland, om illegale drugshandel naar Nederland te verminderen. Het POBB richt zich op de financiering van activiteiten die de doelstellingen van het Nederlands buitenlandbeleid ondersteunen. De projecten dienen, direct of indirect, een bijdrage te leveren aan het behalen van de geopolitieke doelstellingen van dit beleid. Als onderdeel van het project «K9 Detection Dogs» heeft Four Winds K9 tien honden aangekocht met de financiële steun uit het POBB. De honden zijn vervolgens gedoneerd aan de drugspolitie van Costa Rica. Dit initiatief is in lijn met één van de prioriteiten van de Nederlandse samenwerking met Latijns-Amerika en de Caribische regio, namelijk het bestrijden van grensoverschrijdende georganiseerde criminaliteit.
Bent u bekend met een LinkedIn-bericht van de Nederlandse ambassade in Costa Rica van 22 september 2024 waarin sprake lijkt te zijn van betrokkenheid bij of promotie van Four Winds K9 activiteiten, en kunt u toelichten wat de aard van deze betrokkenheid was?2
Zie het antwoord op vraag 8.
Heeft Nederland in de afgelopen tien jaar honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd aan buitenlandse overheden of veiligheidsdiensten, waaronder Israël? Zo ja, aan welke landen, om hoeveel honden ging het, en onder welke voorwaarden?
Zie het antwoord op vraag 8 en 9. Er zijn geen honden geschonken, gefinancierd of op andere wijze geleverd door Nederland aan andere landen dan Costa Rica.
Welke mensenrechten- en eindgebruikerschecks zijn uitgevoerd bij het schenken of uitvoeren van honden aan buitenlandse veiligheidsdiensten, en hoe wordt gecontroleerd of deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
In het geval van Costa Rica heeft Nederland via het POBB-programma bijgedragen aan de aanschaf van honden ter ondersteuning van de operationele activiteiten van de drugspolitie. De ambassade ontvangt ook regelmatig terugkoppeling over de hoeveelheden drugs die de gedoneerde honden hebben onderschept. Er was geen reden tot het uitvoeren van een specifieke mensenrechten- en eindgebruikerscheck. Costa Rica is een gelijkgezind land, onder meer ten aanzien van mensenrechten en democratie.
Acht u de huidige wet- en regelgeving toereikend om te voorkomen dat vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden worden ingezet voor vormen van geweldgebruik die naar Nederlandse maatstaven als buitensporig of onrechtmatig zouden gelden, en zo ja, waarop baseert u dat oordeel?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bereid de Kamer te informeren over welke aanvullende maatregelen worden onderzocht om meer inzicht te krijgen in de uitvoer, het eindgebruik en de handhaving rondom vanuit Nederland uitgevoerde diensthonden, en hoe daarbij wordt gewaarborgd dat deze honden niet worden ingezet bij mensenrechtenschendingen?
Zie het antwoord op vraag 6.
Bent u bekend met publieke uitingen van Four Winds DiagNose UAE, waarin wordt gesteld dat in samenwerking met de Federal Customs Authority in korte tijd een volledige canine unit van 50 handlers en honden is opgezet in de Verenigde Arabische Emiraten?3
Ja.
Kunt u toelichten of en in hoeverre de Nederlandse overheid op de hoogte was van deze activiteiten van het VAE-zusterbedrijf van Four Winds, en of hierover informatie is gedeeld tussen Nederlandse toezichthouders en buitenlandse autoriteiten?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft naar aanleiding van de motie-Teunissen d.d. 10 april 2025 gesproken met een viertal bedrijven, waaronder Four Winds K9. In dat gesprek zijn de activiteiten van dit bedrijf, en ook de samenwerking met Four Winds DiagNose UAE, aan de orde gekomen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken en Nederlandse toezichthouders hebben verder geen zicht in welke mate Four Winds K9 contact heeft met andere overheden. Four Winds K9 is door BZ gewezen op hun eigen verantwoordelijkheden inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen zoals vastgelegd in de OESO-richtlijnen en de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights. Het kabinet heeft uw Kamer geïnformeerd over de uitkomsten van deze gesprekken.5 De gesprekken hebben geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek.
Acht u het relevant dat een bedrijf dat in Nederland honden exporteerde naar Israël, via een zusterbedrijf actief is in de VAE in nauwe samenwerking met overheidsdiensten, en ziet u aanleiding om te onderzoeken of kennis, training of honden vanuit Nederland indirect zijn ingezet bij deze activiteiten?
Zie het antwoord op vraag 15.
Kunt u deze vragen binnen twee weken beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt de vragen binnen twee weken te beantwoorden.
Het artikel ‘Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben’ |
|
Hanneke van der Werf (D66), Felix Klos (D66) |
|
Sophie Hermans (minister klimaat en groene groei, minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Oekraïne wil oude gasinstallaties uit Groningen hebben»1, waarin wordt beschreven dat Oekraïne gebaat zou zijn bij het direct overnemen van Nederlandse gasinstallaties die door de sluiting van de Groningse gaskraan in ons land zijn afgedankt en ongebruikt staan te wachten op ontmanteling?
Ja.
Erkent het kabinet het essentiële belang van een snelle reparatie van de Oekraïense gas-infrastructuur voor het moreel van de Oekraïense bevolking en dus ook voor veiligheid van Europa?
Ja. Sinds het begin van de grootschalige invasie in Oekraïne heeft Rusland de energie-infrastructuur in Oekraïne met continue en doelgerichte aanvallen verwoest. Op 14 januari jl. heeft president Zelensky de noodtoestand betreft de energiesituatie uitgeroepen. Meer dan 60% van de energiecapaciteit, onder meer gasproductiefaciliteiten, is verwoest en zitten dagelijks zo’n 6 miljoen Oekraïners zonder stroom en verwarming. Nederland steunt Oekraïne onverminderd via militaire en niet-militaire steun. Zo heb ik onlangs een bezoek aan Oekraïne gebracht, vergezeld door een handelsmissie van 17 bedrijven uit de energie- en gezondheidssector. Met de recent aangekondigde extra 23 miljoen energiesteun draagt Nederland in 2.026 EUR 133 miljoen bij aan energiesteun aan Oekraïne.2 Deze steun is gericht op het financieren van gasaankopen, het uitvoeren van urgente reparaties, het herstellen van onder meer energiecentrales en het leveren van energiemateriaal zoals generatoren en transformatoren. Sinds de start van de oorlog zijn ruim 250 vrachtwagens met energiemateriaal naar Oekraïne gereden.
Op welke termijn kunnen ongebruikte Groningse pompen en kranen naar Oekraïne worden gebracht?
In verband met de veiligheidssituatie in Oekraïne kunnen we geen uitspraken doen over concrete leveringen.
Kan het kabinet zeggen of er genoeg ongebruikte installaties in Groningen beschikbaar zijn om de schade van de Russische aanvallen in Oekraïne in zijn geheel te compenseren?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de schade aan het Oekraïense energiesysteem enorm. Het beschikbare materiaal van de NAM op zich zelf is helaas niet voldoende om alle beschadigde infrastructuur te repareren of vervangen. Daarom zet het kabinet in op diverse steunkanalen, zowel bilateraal als multilateraal. Het kabinet blijft kijken naar mogelijkheden voor steun aan Oekraïne.
Is het kabinet bereid ondersteuning te bieden bij het transport van (onderdelen van) oude gasinstallaties?
Het kabinet financiert ook de transportkosten van energiematerieel als onderdeel van onze in-kind (het leveren van materiele steun) bijdragen. Een deel van het beveiligde transport wordt daarnaast gefinancierd door de Europese Commissie.
Is de NAM bereid het materiaal kosteloos beschikbaar te stellen? Zo nee, is het kabinet bereid financiële ondersteuning te bieden en deze te beschouwen als onderdeel van de steun aan Oekraïne, zodat Oekraïne in geen geval zelf voor de installaties hoeft te betalen?
Het kabinet biedt financiële ondersteuning voor het inkopen en leveren van in-kind materiaal aan Oekraïne. Tot nog toe zijn ruim 250 vrachtwagens met materiaal aan Oekraïne geleverd, afkomstig van verschillende bedrijven. In 2026 is 25 miljoen beschikbaar voor in-kind steun aan Oekraïne waaronder gasmateriaal via de NAM. Het kabinet kan geen uitspraken doen over de bereidheid van de NAM om al dan niet goederen te doneren.
Kan het kabinet het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) aanspreken voor de kosten van aanschaf en transport van de benodigde materialen?
Het kabinet financiert het Europese fonds voor de Oekraïense energiesector (UESF) met een totale bijdrage van EUR 100 miljoen sinds de start van de oorlog. Deze bijdrage richt zich op het financieren van de hoogste urgente energienoden zoals geprioriteerd door Oekraïne en levert energiegoederen aan Oekraïne, zoals transformatoren, gasturbines en generatoren voor urgent herstel van beschadigde energie-infrastructuur. Die Nederlandse bijdrage wordt onder meer gebruikt voor herstel van beschadigde energiecentrales en netverbindingen in de regio’s Kharkiv, Donetsk en Vinnytsja. Daarnaast financiert het fonds, ook met een Nederlands bijdrage, de plaatsing van zonnepanelen op ziekenhuizen zodat deze operationeel blijven in het geval van stroomuitval. Het UESF maakt voor de inkoop van goederen gebruik van Europese aanbestedingen op basis van steunverzoeken die door het Oekraïense energieministerie ingediend worden.
Welke maatregelen treft het kabinet om waar nodig exportvergunningen versneld gereed te brengen?
Gezien het energiegoederen en energie-gerelateerd materiaal voor civiele doelen betreft zijn exportvergunningen niet aan de orde.
Onderschrijft het kabinet de gedachte dat een snelle levering van gasinstallaties hoge kosten voor Oekraïne en zijn partners in Europa kan voorkomen, gegeven het feit dat Oekraïne alleen al om de winter door te komen voor bijna twee miljard euro aan gasimport moet uitgeven?
Gezien de omvang van de schade aan de Oekraïense infrastructuur is het helaas niet mogelijk te voorkomen dat Oekraïne gas moet inkopen om de winter door te komen. In samenwerking met de Europese Commissie en diverse landen zoals Duitsland en Italië heeft de European Bank for Reconstuction and Development daarom extra financiering ter beschikking gesteld voor gasaankopen. Nederland draagt hier tevens aan bij. Dit is aanvullend aan de noodsteun gericht op het operationeel houden van het Oekraïense gas- en elektriciteitsnetwerk via UESF en de in-kind regeling.
Wilt u deze vragen één voor één uiterlijk voor 10 uur 's ochtends op woensdag 14 januari 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden betrokken kunnen worden bij het eerstvolgende commissiedebat over gas?
Tijdens het Commissiedebat Gasmarkt van 14 januari jl. is de inzet betreft het leveren van onderdelen van de Groningse gaswinning voor de wederopbouw van de Oekraïense gasinfrastructuur ter sprake gekomen. Deze inzet past binnen de bredere Nederlandse steun aan Oekraïne.
De compensatieregeling vuurwerkbranche |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de «compensatieregeling» voor ondernemers uit de vuurwerkbranche die gedwongen moeten stoppen in verband met het verbod op consumentenvuurwerk?
Ja. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft het afgelopen jaar gewerkt aan een nadeelcompensatieregeling voor ondernemers uit de vuurwerkbranche. De uitgangspuntenbrief is 8 mei 2026 naar uw Kamer gestuurd. Van dwang om het gehele bedrijf te stoppen is geen sprake.
Hoe verhoudt het ontbreken van een goede compensatie zich tot uw eerdere publieke uitspraken waarin u stelde te «streven naar een nette en eerlijke compensatie»?
De afgelopen maand zijn de laatste gesprekken zowel interdepartementaal als met de vuurwerkbranche gevoerd en inmiddels zijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling bekend. In de Kamerbrief van 8 mei 2026 kunt u deze uitgangspunten vinden. Komende maand worden de uitgangspunten nader uitgewerkt in een beleidsregel nadeelcompensatie voor de detailhandelaren en een convenant voor de importeurs. Met deze uitgangspunten is er invulling gegeven aan de voorwaarde om te komen tot een nette en eerlijke nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkondernemers. Voor detailhandelaren, die veelal vuurwerk verkopen als nevenactiviteit, gaat het om een forfaitaire regeling. Voor vuurwerkimporteurs wordt er een convenant opgesteld.
Hoe beoordeelt u het risico dat honderden ondernemers failliet dreigen te gaan, omdat zij worden geconfronteerd met het verbod, maar noch kunnen overstappen op andere bedrijfsmodellen, noch hun investeringen kunnen terugverdienen?
Een meerderheid van zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamer heeft bij de behandeling van de Wet veilige jaarwisseling duidelijk uitgesproken dat er een landelijk vuurwerkverbod moet komen en bij voorkeur zo snel mogelijk. Bij de afweging van een landelijk verbod zijn de gevolgen daarvan voor vuurvuurwerkondernemers door beide Kamers onderkend en meegewogen. Dat heeft geleid tot het aan de inwerkingtreding verbinden van de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling. Het Ministerie van IenW geeft uitvoering aan deze voorwaarde. In de Kamerbrief van 8 mei 2026 is de uitwerking van deze voorwaarde opgenomen.
Wordt de schade voor vuurwerkondernemers die hebben geïnvesteerd in inpandige bunkers, externe opslaglocaties en zware veiligheidsvoorzieningen, gecompenseerd, aangezien deze investeringen door het verbod waardeloos worden? Zo nee, waarom niet?
De hoogte van de nadeelcompensatie wordt gebaseerd op winstderving en een vergoeding voor andere schade dan winstderving die rechtstreeks voortvloeit uit het vuurwerkverbod (onder andere ontslag- en/of transitiekosten voor afvloeiing van personeel voor zover deze een rechtstreeks causaal verband hebben met het landelijk vuurwerkverbod). Eventuele waardedaling van onroerende goederen als gevolg van het vuurwerkverbod valt volgens deze benadering onder het normaal ondernemersrisico. Daarbij speelt mee dat in veel gevallen de gedane investeringen na de vuurwerkramp in Enschede (13 mei 2000) reeds zijn terugverdiend.
Hoe wordt in de compensatieregeling omgegaan met ondernemers die nog voor meerdere jaren vastzitten aan langdurige huurcontracten, terwijl zij geen inkomsten meer kunnen genereren uit de verkoop van vuurwerk?
Alleen detailhandelaren die langdurige huurovereenkomsten hebben gesloten die zij niet zonder vergoeding binnen afzienbare tijd kunnen opzeggen en evenmin kunnen gebruiken voor de rest van hun bedrijfsactiviteiten, lijden mogelijk deze schade. Het gaat dan vermoedelijk alleen om (een deel van) de detailhandelaren die uitsluitend vuurwerk verkopen en naar verwachting ook een hogere nadeelcompensatie voor de winstderving ontvangen. Naast een vergoeding voor winstderving, wordt in algemene zin voorzien in een forfaitaire vergoeding van 15% en een vast bedrag van € 3.500 voor diverse schadeposten, waar deze post ook onder valt.
Bent u bereid om in de compensatieregeling een aparte component op te nemen voor transitievergoedingen die moeten worden betaald aan personeel dat vanwege het verbod moet worden ontslagen?
Voor detailhandelaren wordt naast een vergoeding voor winstderving, in algemene zin voorzien in een forfaitaire vergoeding van 15% en een vast bedrag van € 3.500 voor diverse schadeposten, waar deze post ook onder valt.
Voor de importeurs wordt hierin tegemoetgekomen voor zover deze kosten een rechtstreeks causaal verband hebben met het landelijk vuurwerkverbod.
Bent u van mening dat het eerlijk is om het verdienmodel van ondernemers af te nemen en om hen vervolgens te compenseren met slechts een percentage van de jaaromzet?
Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is door de Eerste en Tweede Kamer de voorwaarde verbonden dat er een compensatieregeling ligt. De juridische grondslag van de compensatie aan vuurwerkondernemers is gevonden in het nadeelcompensatierecht, dat is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico. Binnen deze kaders wordt de nadeelcompensatieregeling uitgewerkt. Hierbij is maximaal gezocht naar een nette en eerlijke regeling zonder daarbij de grens van staatssteun te overschrijden. In de Kamerbrief van 8 mei 2026 is dit nader toegelicht.
Deelt u de mening dat wetgeving die ondernemers dwingt hun (kern)activiteit te beëindigen zonder adequate compensatie, op gespannen voet staat met de rechtsstaat, het eigendomsrecht en de beginselen van behoorlijk bestuur?
Ja. Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling is door de Eerste en Tweede Kamer de voorwaarde verbonden dat er een compensatieregeling ligt. Ons inziens wordt met de aan uw Kamer toegestuurde uitgangspunten voor een nadeelcompensatieregeling een adequate nadeelcompensatie geboden.1
Bent u bekend met het amendement van het lid Michon-Derkzen (Kamerstuk 35 386, nr. 16) dat voorschrijft dat het ontwerp-koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de wet via een zware voorhangprocedure aan de Staten-Generaal moet worden voorgelegd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat het amendement duidelijk stelt dat voor inwerkingtreding van de wet een «eerlijke en nette compensatieregeling» moet zijn vastgesteld in afstemming met de vuurwerkbranche? Zo ja, kunt u toelichten welke criteria u hanteert om te beoordelen of aan deze voorwaarde is voldaan?
Naar het oordeel van het kabinet wordt aan de voorwaarde van een nadeelcompensatieregeling voldaan op het moment dat het kabinet de uitgangspunten van een nadeelcompensatieregeling aan beide Kamers stuurt, inclusief dekking op de begroting van het Ministerie van IenW. Hiervoor is allereerst samen met de brancheverenigingen van de importeurs (BPN) en de detailhandelaren (VuurwerkCheck, SVNC en INretail) gewerkt aan het in kaart brengen van alle kostenposten die het gevolg zijn van het landelijk vuurwerkverbod. Hiervoor is, conform de aangenomen motie Van der Plas2, een onafhankelijk expert gevraagd. Deze heeft alle informatie, aangeleverd door de importeurs en detailhandelaren, geanalyseerd en aan de hand daarvan een conceptrapport opgesteld de financiële gevolgen van het vuurwerkverbod. Dit conceptrapport is aan alle partijen voor reactie voorgelegd, waarna het rapport (hierna: deskundigenrapport) is vastgesteld.3 Met bovenstaande aanpak is invulling gegeven aan de motie van de leden Eerdmans en Van der Plas.4 Vervolgens is, met inachtneming van de juridische kaders van het nadeelcompensatierecht, bepaald welke kostenposten voor nadeelcompensatie in aanmerking komen. Dit is besproken met de vuurwerkbranche. Binnen deze kaders heb ik gezocht naar een nette en eerlijke nadeelcompensatieregeling. Een te hoge compensatie zou kunnen leiden tot terugvordering vanwege het verstrekken van ongeoorloofde staatssteun.
Het is aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan die met het amendement Michon-Derkzen5 aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling worden gesteld.
Erkent u dat het ontbreken van een volledige compensatieregeling betekent dat de wet, conform de voorwaarden van het amendement, niet in werking kan treden? Zo nee, waarom niet?
Zoals al bij vraag 10 is weergegeven is het aan beide Kamers om te bepalen of en wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan die met het amendement Michon-Derkzen6 aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling worden gesteld.
Wanneer kunnen de Kamer en de branche een volledig uitgewerkte compensatieregeling verwachten die voldoet aan de voorwaarden van het amendement, inclusief een sluitende financiële dekking?
De Kamerbrief met de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbedrijven is op 8 mei 2026 naar beide Kamers gezonden.7 Met de vertegenwoordigers van de branchevereniging van de importeurs is afgesproken dat op basis van de uitgangspunten het convenant op korte termijn wordt voorbereid. Zodra het convenant is afgerond wordt dit, naar verwachting medio juni 2026, naar beide Kamers toegestuurd.
De uitgangspunten voor de detailhandelaren worden nader uitgewerkt in een beleidsregel met een rekenformule om de hoogte van de nadeelcompensatie per ondernemer te kunnen bepalen. Met de detailhandel is afgesproken dat een concept van de beleidsregel zal worden voorgelegd aan de brancheverenigingen. Wanneer de beleidsregel is vastgesteld, naar verwachting in juni, zal ik deze ook aan u toesturen.
Kunt u uiterlijk op 1 februari 2026 bevestigen dat er voldoende budget beschikbaar is voor de compensatieregeling? Zo nee, bent u dan bereid tot uitstel van de invoering van de wet, totdat er voldaan is aan een eerlijke en nette compensatieregeling?
Om uitvoering te geven aan het breed aangenomen amendement en de nadrukkelijke wens daarin om de dekking te vinden binnen de IenW-begroting, wordt de dekking voor een belangrijk deel gevonden binnen het Mobiliteitsfonds (MF) en een beperkt deel uit resterende middelen van de Aanvullende Post van Klimaatakkoord Rutte III. Deze resterende middelen zijn overgeboekt bij Voorjaarsnota 2026 naar de begroting van IenW. Specifiek zal de dekking nu binnen het Mobiliteitsfonds worden ingeboekt bij de KCI strategie van ProRail: Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten (KCI). Er zal nog een brede afweging binnen het MF plaatsvinden zoals gemeld in de brief van 16 maart jl. over prioritering fondsen.