Het gebruik van Adobe Analytics in de betaalomgeving van de Belastingdienst |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Aerdts , Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van Mick Beer van 2 juni 2026, getiteld «Een Amerikaans reclamebedrijf krijgt een verslag van elke klik terwijl jij je belasting betaalt»1?
Klopt het dat binnen Mijn Belastingdienst, na inloggen met DigiD, bij het openen van een aanslag en het starten of annuleren van een betaling via iDEAL of Wero, gegevens worden verzonden naar adobe-analytics-dc.belastingdienst.nl en dat dit domein technisch doorverwijst naar Adobe-infrastructuur, waaronder data.adobedc.net?
Kunt u exact aangeven welke gegevens, parameters, events, headers en identifiers in deze betaalflow aan Adobe Analytics worden verzonden, waaronder in ieder geval gegevens over belastingmiddel, aanslagjaar, betaalstatus, betaalmethode, funnelstap, actieve tab, gebruikersinterfacevoorkeur, betaalstart, annulering of mislukte betaling?
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bij deze verwerking een Adobe Experience Cloud ID, ECID, MID of vergelijkbare persistente identifier wordt gebruikt en zo ja, wat de bewaartermijn is van de bijbehorende cookies of identifiers?
Kunt u bevestigen of uitsluiten dat bedragen, BSN, IBAN, betalingskenmerk, aanslagnummer, vorderingsidentificatie, claim-identifier, IP-adres, sessiegegevens, referrers of andere direct of indirect herleidbare gegevens aan Adobe of aan Adobe-gelieerde systemen worden verstrekt?
Wie is voor deze verwerking verwerkingsverantwoordelijke, wie is verwerker, en welke rol heeft Adobe juridisch en feitelijk bij deze verwerking: uitsluitend verwerker, zelfstandig verwerkingsverantwoordelijke of gezamenlijk verwerkingsverantwoordelijke?
Welke juridische grondslag bestaat er onder de AVG voor het meten van betaalgedrag binnen een verplichte overheidsdienst na DigiD-inlog, en hoe beoordeelt u daarbij noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Acht u voor het plaatsen of uitlezen van deze cookies of vergelijkbare trackingtechnologie toestemming vereist op grond van de Telecommunicatiewet/ePrivacy-regels, en zo nee, waarom kwalificeert deze verwerking volgens u als niet-privacygevoelige analytische meting?
Hoe verhoudt deze verwerking zich tot de cookieverklaring van de Belastingdienst, waarin staat dat de cookies geen persoonsgegevens vastleggen en niet tot personen herleidbaar zijn, en tot de privacyverklaring waarin staat dat persoonsgegevens alleen worden gebruikt voor wettelijke taken en doelen die daar direct uit voortvloeien?
Is voorafgaand aan deze inzet van Adobe Analytics in Mijn Belastingdienst en de betaalflow een DPIA, risicoanalyse, verwerkersovereenkomst, doorgiftebeoordeling en inkoopafweging opgesteld, en zijn de Functionaris Gegevensbescherming, CPO, CISO, CIO Rijk, Auditdienst Rijk of Autoriteit Persoonsgegevens hierbij betrokken geweest?
Kunt u bij de risico-inschatting onderscheid maken tussen wat theoretisch mogelijk, aannemelijk, waarschijnlijk en urgent is ten aanzien van koppeling van fiscaal betaalgedrag aan een persistent profiel, doorgifte buiten de EU/EER, toegang door derde partijen, ketenafhankelijkheid en gevolgen voor burgers die wettelijk verplicht zijn belasting te betalen?
Bent u bereid de verzending van betaalflowgegevens aan Adobe Analytics per direct te laten onderzoeken en, zolang rechtmatigheid en proportionaliteit niet overtuigend zijn vastgesteld, tijdelijk stop te zetten, de Kamer binnen twee weken een tijdlijn, technische analyse, DPIA, verwerkersovereenkomst en relevante beslisnota’s te sturen voor zover juridisch mogelijk, en deze vragen afzonderlijk te beantwoorden?
De fiscale behandeling van kampeervoertuigen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Wat zijn de exacte totale opbrengsten uit de MRB voor kampeerauto’s (campers) in het eerste kwartaal (Q1) van 2026, vergeleken met de eerste kwartalen (Q1) van 2025, 2024, 2023 en 2022 nu het kwarttarief per 1 januari 2026 is omgezet in een halftarief?
Klopt het dat een burger, die zijn voertuig schorst en deze schorsing binnen één maand weer opheft, met terugwerkende kracht alsnog het volle MRB-tarief over die periode moet betalen (bovenop het betaalde schorsingstarief van de RDW)?
Zo ja, op welk artikel in de wet is dit gebaseerd?
Hoe beoordeelt u de juridische en morele houdbaarheid van deze «één-maand-regel» bij schorsing, aangezien de burger gedurende de schorsingsperiode aantoonbaar geen gebruik heeft gemaakt (en mocht maken) van de openbare weg en de MRB feitelijk fungeert als betaling voor een niet-geleverde overheidsdienst?
Bent u bereid om, mede in het licht van de verdubbeling van de MRB voor campers per 2026, het schorsingssysteem te moderniseren en flexibeler te maken (bijvoorbeeld door schorsen per dag of week mogelijk te maken zonder fiscale naheffing), zodat seizoensgebruikers niet onnodig financieel worden gestraft?
Accijnsinkomsten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u het forse verschil van 830 miljoen euro verlies aan accijnsinkomsten op tabak (dat is zo’n 7 procent van de totale accijnzen) tussen inschatting en uiteindelijke opbrengsten verklaren?
Betekent dit dat de gedragseffecten van de accijnsverhogingen in 2023 en 2024 te laag zijn ingeschat? Bent u bereid de gedragseffecten bij te stellen?
Wat bent u van plan aan de bijstelling van 830 miljoen euro op 3,38 miljard euro geraamde inkomsten te doen, terwijl de rookprevalentie niet sterker is afgenomen dan verwacht? Duidt dit op een serieuze misrekening?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1,6 miljard euro uitgegeven zou worden aan versterking en perspectief, daarvan is 644 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit zeer problematisch is?
Ruim tien jaar na de start van de versterking zijn er 5.147 woningen daadwerkelijk versterkt of herbouwd opgeleverd, zo’n 8.700 woningen moeten nog versterkt of herbouwd worden; erkent u dat dit nog steeds veel te traag gaat?
Voor 2025 werd geraamd dat er 1.165 miljoen euro uitgegeven zou worden aan schades, daarvan is 221 miljoen euro niet uitgegeven; erkent u dat dit problematisch is?
De grootste onderbesteding op uw begroting is de post duurzaam herstel, een regeling waar gedupeerden al zeer lang op wachten; erkent u dat het in 2025 op de plank laten liggen van 168 miljoen euro zeer problematisch is?
Een voorbeeld van bewoners die al zeer lang wachten zijn de bewoners aan de Schipsloot in Loppersum: op de plek waar in 2015 werd aangekondigd dat de versterking daar zou beginnen, wachten gedupeerden nog; begrijpt u dat dit zeer problematisch is?
In uw Kamerbrief reageert u op de situatie aan de Schipsloot, echter de bewoners geven aan dat er veel fouten in uw brief staan; heeft u voor u deze Kamerbrief schreef ook contact gezocht met de betrokken bewoners? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?1
De bewoners zijn allen ingedeeld in clusters, zij geven aan dat deze complexe systematiek al jaren de werkelijkheid bepaalt waar zij dagelijks mee te maken hebben. Waarom is gekozen voor zo’n complex en bureaucratisch systeem?
De clustering zou volgens de bestuurlijke afspraken bedoeld zijn om verschillen binnen een buurt te voorkomen, nu ontstaan juist grote verschillen tussen twee straten. Kunt u uitleggen waarom het doel «verschillen tegengaan» lijkt te zijn losgelaten?
In uw Kamerbrief geeft u een, voor de bewoners, nieuwe reden dat er een knip is ontstaan in de behandeling van bewoners in cluster 1, namelijk zorgen dat het proces «ongewijzigd door kon lopen», bewoners zien echter dat er in hun straat juist sprake is van stilstand. Kunt u uw argumentatie onderbouwen?2
De bewoners van de Schipsloot herkennen zich niet in uw woorden dat «hetzelfde vastgestelde proces» wordt gevolgd als voor de Middenstraat binnen cluster 1; bij de Middenstraat heeft namelijk een collectieve scenario-afweging plaatsgevonden voor de straat als geheel, maar aan de Schipsloot niet. Kunt u verduidelijken waarom u dan toch spreekt van «hetzelfde vastgestelde proces»?
Waarom is de scenario-afweging richting sloop/nieuwbouw voor de Middenstraat gebaseerd op ramingen en moet voor diezelfde scenario-afweging aan de Schipsloot gewacht worden op het beschikbaar zijn van definitieve uitvoeringsontwerpen, aannemersbegrotingen en definitieve kosten?
Erkent u dat dit handelen op gespannen voet staat met de wijze waarop de routekaart voor onaanvaardbare verschillen door de toenmalig Staatssecretaris is omschreven in de Kamerbrief van 27 maart 2025?3
Begrijpt u dat bewoners die al zo lang in onzekerheid zitten en zien dat zij ongelijk behandeld worden, aangeven dat hun realiteit haaks staat op de woorden in uw Kamerbrief dat «bewoners hebben recht op duidelijkheid over wat zij kunnen verwachten en op een overheid die haar beloftes nakomt»? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?4
Hoe gaat u uw slotzin waarmaken «dat vertrouwen wordt niet gewonnen met woorden, maar met daden: door afspraken na te komen, bewoners serieus te nemen en knelpunten proactief op te lossen»?5
Ook huurders in de Middenstraat en de Schipsloot geven aan dat zij eveneens in grote onzekerheid zitten over wat er met hun huis gaat gebeuren en zij niet actief betrokken worden bij het gehele proces (niet uitgenodigd voor bewonersbijeenkomsten of informatieavonden); erkent u dit signaal? Erkent u dat veel meer huurders deze ervaring hebben? Wat gaat u hiermee doen?
Huurders voelen zich onzichtbaar, terwijl in communicatie naar buiten vaak wel de indruk wordt gewekt dat het om besluitvorming over hele straten, blokken of clusters gaat. Hoe gaat u zorgen dat huurders tijdig en gelijkwaardig worden geïnformeerd?
Hoe voorkomt u dat er besluiten worden genomen die direct invloed hebben op de veiligheid en woonomgeving van huurders zonder dat zij daarin worden meegenomen?
Na de parlementaire enquête is besloten dat onuitlegbare verschillen in de versterking worden rechtgezet en huurders daarom recht krijgen op vergoedingen die er eerder alleen voor eigenaren waren (onder andere maatregel 8 en 12 Nij Begun). Hoe staat het met de uitvoering hiervan? Hebben alle huurders gekregen waar zij recht op hebben?
Erkent u dat er opnieuw signalen zijn van huurders die alsnog een vergoeding (zoals de verhuisvergoeding) (nog) niet krijgen? Wat gaat u hieraan doen?
In de Tweede Kamer is er door verschillende partijen al vele jaren aandacht gevraagd voor straten en buurten die vastlopen of ongelijk behandeld worden, zo was er in 2020 veel aandacht voor «het vergeten hoekje» en de actie «en wij dan» in de wijk Opwierde in Appingedam. Erkent u dat veel bewoners van die buurt, zes jaar na de acties en elf jaar na de start van de versterking, nog in onzekerheid zitten?
Bewoners die inmiddels al vijftien maanden in een wisselwoning wonen, geven aan dat pas recent hun oude woning is gesloopt, delen hun grote zorgen dat de herbouw nog zeer lang kan gaan duren, aangezien er momenteel sprake is van een complex en vertraagd traject waarin conflicten zijn ontstaan en waarbij juridische en organisatorische processen elkaar raken. Kunt u deze bewoners meer zekerheid en duidelijkheid geven?
Welk tijdpad wordt er gevolgd en welke harde afspraken zijn er waar de bewoners op kunnen vertrouwen? Hoe wordt erop toegezien dat de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) de bestaande conflicten oplost?
De bewoners geven aan zich al jaren gegijzeld te voelen door een gevoel van voortdurende afhankelijkheid en gebrek aan regie, ook ervaren zij een gebrek aan communicatie over voortgang en knelpunten. Kunt u zorgen dat deze bewoners veel beter geïnformeerd worden en knelpunten worden opgelost?
Gebrekkige communicatie is een terugkerende klacht vanuit veel betrokken bewoners; hoe ziet u toe op verbetering van de communicatie?
Kunt u zich voorstellen wat zo lang vastzitten in een moeizaam verlopende versterkingsoperatie voor impact heeft op het welzijn en de gezondheid van de betrokkenen en hun gemeenschappen? Welke invloed heeft dit op de maatregelen die u neemt?
Hoe voorkomt u dat bewoners die uit huis moeten vanwege de versterkingsoperatie verschillen ervaren in de manier waarop ze tijdelijk gehuisvest worden en de financiering hiervan?
Herkent u de signalen over gebrekkige wisselwoningen? Wat gaat u hieraan doen? Herkent u de signalen over verschillen hierin tussen bewoners?
Naast noodkreten vanuit buurten en straten ontvangen we ook veel noodsignalen van bewoners die nog steeds vastlopen. Erkent u dat het daarom erg wrang is te lezen dat er ook veel geld op de plank blijft liggen bij de verschillende regelingen voor het oplossen van knelpunten en bijzondere situaties?
Hoe kan het dat er in 2025 veel minder is uitgegeven dan begroot voor vastgelopen situaties (2,7 en 4,7 miljoen euro), de commissie bijzondere situaties (1,6 miljoen euro) en knelpunten Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) (14,7 miljoen euro) terwijl er zoveel knelpunten en vastgelopen situaties zijn?
Ook mensen die bijgestaan worden door het interventieteam geven aan dat ze lang moeten wachten tot knopen worden doorgehakt en beloftes om voor een bepaalde datum duidelijkheid te geven niet worden gehaald. Kunt u aangeven hoe gezorgd kan worden dat beloftes worden nagekomen en er sneller duidelijkheid kan komen voor betrokken gedupeerden?
Tegelijkertijd geven bewoners aan dat zij wel strak worden gehouden en binnen termijnen moeten reageren; waarom doet de overheid niet wat zij wel van inwoners vraagt? Waarom is er niet meer coulance richting inwoners wanneer zij extra tijd nodig hebben?
Voor 2025 werd geraamd dat er 112 miljoen euro zou worden uitgegeven aan versterking in eigen beheer, daarvan is 78 miljoen euro niet uitgegeven. Erkent u dat dit zeer problematisch is?
Veel mensen willen in eigen beheer versterken om regie te houden op hun huis en leven, maar krijgen dit niet voor elkaar. Welke stappen gaat u zetten om te zorgen dat deze regeling goed gaat lopen?
In het laatste debat is u een casus voorgelegd van mensen in een monumentale boerderij die al jaren strijden om de inspectie in eigen beheer te mogen uitvoeren. Erkent u het belang van deze mogelijkheid van eigen regie en welke stappen wilt u zetten om te borgen dat ook inspectie in eigen beheer een serieuze optie wordt?
De Groninger Bodembeweging (GBB) laat in haar rapport «de staat van het kerngebied» duidelijk zien hoe bewoners in het kerngebied nog steeds te maken hebben met een stapeling van problemen en bewoners zich nog steeds in de steek gelaten voelen. Kunt u een reactie geven op dit rapport, waarbij u ook ingaat op welke acties u wilt ondernemen voor juist deze groep gedupeerden?6
Deelt u de mening van de GBB dat de focus moet verschuiven naar de zwaarst gedupeerden? Kunt u uw antwoord toelichten?
In 2023 werd de motie Beckerman/Nijboer aangenomen waarin het kabinet onder andere werd verzocht om onterecht afgewezen schades, zoals B- en C-schades van de Nederlandse Aardoliemaatschappij (NAM), alsnog te vergoeden; in 2025 presenteerde het kabinet een plan om uitvoering te geven aan deze motie. Kunt u de resultaten hiervan delen?7
Hoeveel gedupeerden hebben inmiddels vergoeding gekregen, hoeveel gedupeerden wachten nog? Waar zitten de knelpunten?
Hoe beoordelen gedupeerden de aanpak en de vergoeding?
In uw Kamerbrief over de gekozen uitwerking van de motie gaf u aan dat de door het kabinet gemaakte keuzes «niet voor iedereen een passende oplossing [zullen] bieden». Voor hoeveel gedupeerden komt er geen passende oplossing? Waar kunnen gedupeerden zich melden wanneer zij in deze groep vallen?8
Erkent u dat bewoners die genoegen moesten nemen met een korting van vijf procent op de taxatiewaarde van hun woning omdat zij vielen onder de Stichting Proef Koopinstrument (SPKI) en de opvolgers daarvan ongelijk zijn behandeld? Bent u bereidt dit alsnog recht te zetten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Achter elk onderbestedingscijfer in de verantwoordingsdagstukken zitten vaak schrijnende verhalen van mensen. Bent u bereid op korte termijn met de bewoners die de verhalen uit deze Kamervragen hebben gedeeld in gesprek te gaan?
In het vorige week gepresenteerde jaarverslag van de Nationale ombudsman waarschuwt deze voor het gevaar dat de overheid de behoefte van de burger te weinig centraal stelt in hersteltrajecten, zoals bij de toeslagenaffaire en de aardbevingsschade in Groningen. Herkent u dit? Zo ja, hoe zorgt u dat de behoefte van inwoners wel centraal komt te staan?
De Ombudsman waarschuwt voorts dat wanneer de overheid tekortschiet in hersteltrajecten, het vertrouwen van de burger verder afbrokkelt. Herkent u dit signaal en hoe gaat u hiermee om?
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het eerstvolgende Kamerdebat?
De Timmermans-taks |
|
Geert Wilders (PVV), Alexander Kops (PVV) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Timmermans-taks» tegen CO2-uitstoot gaat ons tot 70 euro per maand extra kosten: «Ingrepen van politiek nodig»»?1
Bent u ervan op hoogte dat de energierekening en autorijden voor heel veel mensen onbetaalbaar is geworden en circa 500.000 huishoudens in energiearmoede leven?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat door de aanstaande Europese CO2-heffing Emissions Trading System (ETS2) – de Timmermans-taks – gas, benzine en diesel nóg duurder zullen worden en dat huishoudens daardoor tot € 70 per maand, oftewel € 840 per jaar méér gaan betalen? Zo nee, hoe kunt u deze absurde lastenverhogende klimaattaks verdedigen?
Deelt u de conclusie dat de € 720 miljoen uit het Europees Sociaal Klimaatfonds, waarop Nederland ter compensatie van ETS2 beroep kan doen, neer zou komen op eenmalig € 85 per huishouden en dus niets anders is dan een doekje voor het bloeden?
Wat vindt u ervan dat de energierekening inmiddels voor meer dan de helft (58%) uit belastingen (energiebelasting en btw) en transportkosten bestaat en dat de Nederlanders, op Zweden na, het meest voor hun gas van heel Europa betalen? Wat vindt u ervan dat de Nederlandse benzineprijzen, op enkele landen na, tot de allerhoogste ter wereld behoren?
Deelt u dan ook de conclusie dat niet alleen de gestegen energieprijzen problematisch zijn, maar dat óók de belastingen op energie in Nederland veel te hoog zijn? Deelt u de mening dat deze belastingen niet steeds verder omhoog, maar juist omlaag moeten en dat er überhaupt geen nieuwe energiebelastingen, zoals ETS2, ingevoerd moeten worden?
Bent u ertoe bereid de Timmermans-taks naar de prullenbak te verwijzen en de Nederlanders te behoeden voor deze links-ideologische klimaatgekte? Zo nee, hoe reageert u dan op de oproep van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) om «snel passende maatregelen te nemen om alle negatieve effecten voor kwetsbare huishoudens te beperken»? Gaat u dat doen? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet?
De publicatie 'De hoogste bomen vangen minder wind: belastingdruk op inkomens en vermogens' van het CPB van 6 mei 2026. |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het rapport van het CPB en hoe beoordeelt u in grote lijnen de conclusies van het CPB?1
Is het volgens u terecht dat vermogen in box 2 volledig in de inkomens- en vermogenspositie van DGA’s wordt meegenomen, terwijl hier uiteindelijk bij uitkering toch een keer belasting over betaald zal moeten worden?
Bent u van mening dat de vermogenspositie van DGA’s verder genuanceerd zou moeten worden omdat in het box 2 vermogen ook de oudedagsvoorziening is opgebouwd, terwijl pensioenvermogen van werknemers (opgeteld zo’n € 1.800 miljard) opgebouwd in de tweede pijler niet wordt meegenomen in de vergelijking?
Klopt het dat het wel meenemen van pensioenvermogen in de vermogensvergelijking in een eerdere analyse van het CPB de verschillen met ca. 10% verkleinde?
Wat is volgens u de verwachte invloed op aanmerkelijk belangvermogen als gevolg van maatregelen die na 2019 zijn genomen, zoals een hoger en beperkter opstaptarief in de Vpb, twee tarieven in box 2 en inperking van lenen bij de eigen vennootschap, aangezien het CPB zich baseert op de geobserveerde groei tussen 2011 en 2019?
Klopt het dat het rapport niet alleen laat zien dat de hoogste inkomens en vermogens het sterkst zijn gegroeid en relatief minder belastingdruk ervaren, maar ook dat de welvaart in bredere zin in vrijwel alle inkomens- en vermogensgroepen is toegenomen?
Klopt het dat de groeiende vermogens bij doorsnee huishoudens vooral het gevolg zijn van eigenwoningbezit en klopt het dat de verschillen tussen kopers en huurders door de stijgende woningprijzen steeds groter worden?
Klopt het dat aan de onderkant van de inkomensverdeling een grote herverdeling plaatsvindt met toeslagen en belastingkortingen, die in het rapport niet in de vergelijking wordt meegenomen?
Klopt het dat vooral de belastingdruk (na herverdeling) op de middenklasse, ten opzichte van de laagste en hoogste inkomens, relatief hoger is?
Deelt u de mening dat, hoewel er iets af te dingen is op de mate van ongelijkheid die het CPB constateert, de boodschap van het rapport vooral is dat we moeten opletten dat welvaartsgroei zich niet te veel bij een of enkele groepen concentreert omdat dit negatieve effecten kan hebben voor de samenleving?
Hoewel het CPB ook constateert dat niet te zeggen is wat een optimale mate van ongelijkheid in een samenleving is, bent u van mening dat de inkomens- en vermogensverdeling op dit moment te scheef aan het verdelen is en dat maatregelen nodig zijn om meer balans te brengen?
Bent u het met ons eens dat fiscaliteit voor ondernemers vooral gericht moet zijn op het stimuleren van investeren, innoveren en werkgeverschap, en niet enkel op het «zijn» van ondernemer?
Bent u bereid, naar het voorstel van het CPB, in kaart te brengen of en hoe actief ondernemingsvermogen en passief beleggingsvermogen in BV’s gescheiden kan worden, zodat vermogen op de juiste plaats belast kan worden?
Ten aanzien van de mogelijkheid tot arbitrage tussen box 2 en box 3, welke effecten verwacht u van het voorgenomen nieuwe box 3-stelsel en vervolgens van de verdere doorontwikkeling tot een volledige vermogenswinstbelasting?
Wat zijn volgens u de oorzaken van de door het CPB geconstateerde (relatief) lage effectieve belasting over erfenissen van 12% en over schenkingen van 6%? Hoe zou dit, met het oog op de verwachte omvangrijke vermogensoverdrachten van ouders aan kinderen, meer in de buurt kunnen worden gebracht van de beoogde progressieve tarieven in de erf- en schenkbelasting?
Deelt u de mening dat ook een inkomensonafhankelijke arbeidskorting per gewerkt uur ondoelmatige inkomensverschillen tussen groepen kan verkleinen omdat dit economisch effectiever kan uitwerken als daadwerkelijke beloning voor meer werken?
Bent u voornemens om in uw plannen voor herziening van het belastingstelsel de boodschap van het CPB mee te nemen, namelijk om verschillende soorten inkomen en vermogen gelijker te belasten en fiscale regelingen die inefficiënt en scheef verdeeld zijn aan te pakken om economische verstoring te voorkomen?
Het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt |
|
Maarten Goudzwaard (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Kunt u duidelijkheid scheppen in de ramingsmethodiek achter de begrote jaarlijkse btw-opbrengst van 328 miljoen euro van het afschaffen van het laag btw-tarief op sierteelt?
Bent u bekend met het WUR-rapport doorrekening effecten van btw-verhoging op sierteeltproducten in Nederland en de Europese Unie (2023-120)?
Hoe verklaart u het verschil tussen de maximale netto btw-opbrengst van 159 miljoen euro volgens het WUR-rapport en de begrote 328 miljoen euro volgens de Voorjaarsnota?
In hoeverre zijn de financiële gevolgen van het mogelijke verlies van 2.440 voltijdbanen, waaronder extra uitgaven aan sociale zekerheid en lagere belastinginkomsten uit arbeid, volgens het WUR-rapport meegenomen in de Voorjaarsnota?
Het verlaagde btw-tarief is onder andere ingevoerd om bloemen en planten betaalbaar te maken en werkgelegenheid te stimuleren: hoe verhoudt het besluit van het kabinet zich tot deze voormalige doelstelling?
Heeft u onderzocht of deze maatregel per saldo contraproductief kan uitpakken voor de belastingopbrengst, indien de vraaguitval groter blijkt dan geraamd?
Welke meer doelmatige alternatieven heeft u overwogen alvorens te kiezen voor afschaffing van het verlaagde btw-tarief op sierteelt?
Welke lessen trekt u uit Spanje, waar een vergelijkbare btw-verhoging op sierteelt in 2012 één van de oorzaken was van een omzetdaling van ruim 25 procent en aanzienlijke bedrijfssluitingen, waarna de maatregel weer is teruggedraaid?
Bent u bereid de ramingen te actualiseren, waarbij op onderzoek gebaseerde prijselasticiteiten expliciet worden meegenomen en deze voordat verdere besluitvorming plaatsvindt aan de Kamer te sturen?
Kunt u toelichten hoe de maatregel zich verhoudt tot het doel van vergroening van stedelijk gebied en de publieke ruimte?
Het bericht dat een Amerikaanse farmaceut miljarden aan belastingvoordeel in NL ontvangt |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Amerikaanse farmaceut krijgt miljarden aan belastingvoordeel in Nederland (Trouw)»1?
Kunt u aangeven wat de tien grootste gebruikers van de innovatiebox zijn en wat de budgettaire derving is per bedrijf? Zo nee, waarom kunnen journalisten deze informatie dan wél boven tafel krijgen?
Klopt het dat ruim 90 procent van het voordeel uit de innovatiebox naar ASML, MSD & Booking gaat2? In hoeverre is deze belastingkorting doelmatig en politiek wenselijk volgens u?
Hoe legt u aan gewone belastingbetalers en mkb-ondernemers uit dat zij jaarlijks een miljard extra belasting moeten betalen voor een belastingkorting aan één bedrijf dat vrijwel al haar activiteiten naar het buitenland heeft verplaatst?
Wat is de economische onderbouwing achter het extra fiscaal stimuleren van zeer winstgevende uitvindingen uit het verleden? In hoeverre draagt dit daadwerkelijk bij aan extra innovatie bij uitdagers van gevestigde belangen?
Bent u bereid om de innovatiebox zo vorm te geven dat hij wél doelmatig wordt en meer gericht op kleinere bedrijven, bijvoorbeeld door nadere voorwaarden te stellen over maximaal fiscaal voordeel, door het voordeel te maximeren op daadwerkelijk gemaakte kosten voor desbetreffende innovatieve activiteiten of door een temporele beperking?
Bent u bereid om te voorkomen dat bedrijven die hun activiteiten (grotendeels) naar het buitenland verplaatsen nog langer gebruik kunnen maken van de innovatiebox? Zo nee, waarom niet?
Het Reuters-bericht 'Exclusive: Five EU finance ministers call for tax on energy companies' windfall profits' |
|
Laurens Dassen (Volt) |
|
Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Exclusive: Five EU finance Ministers call for tax on energy companies» windfall profits»?1
Ja.
Bent u benaderd door uw collega’s om mee te doen met deze oproep?
Ja.
Bent u voornemens zich aan te sluiten bij deze oproep? Zo nee, waarom niet?
Nederland heeft zich niet aangesloten bij deze oproep. Het is te vroeg om vast te stellen of er daadwerkelijk overwinsten in Nederland zijn gemaakt. Daarnaast wordt een eventuele hogere winst al belast met de vennootschapsbelasting en kan een extra belasting hier bovenop marktverstorend werken. Het kabinet is daarom terughoudend om bovenop de vennootschapsbelasting een extra belasting in te stellen.
Erkent u dat excessieve winsten van energiemaatschappijen als gevolg van crisis en toenemende inflatie ontwrichtend kunnen werken voor de maatschappij? Zo nee, waarom niet?
Het is niet de bedoeling dat olie- en gasbedrijven de winnaars van deze crisis worden. Vanwege de relatief beperkte stijging van de aardgasprijs ziet het kabinet op dit moment geen reden om te veronderstellen dat er sprake is van overwinst op de gasmarkt. Voor de oliemarkt geldt dat een groot deel van de toegenomen marges naar verwachting niet in Nederland neerslaan. Voor de Nederlandse raffinaderijen is het nog te vroeg om harde uitspraken te doen of er overwinsten worden gemaakt, het lijkt erop dat de theoretische marge (de zogeheten «crack spread») sinds de crisis in het Midden-Oosten is toegenomen, maar het is niet te zeggen of dit daadwerkelijk tot overwinsten leidt. Indien er hogere winsten worden gemaakt, dan wordt dit reeds belast met de vennootschapsbelasting. Het kabinet is terughoudend om hier bovenop een extra heffing in te stellen.
Bent u net als uw Europese collega’s van mening dat zij die profiteren van oorlog moeten bijdragen aan het verlichten van de lasten van de maatschappij als gevolg van diezelfde oorlog?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u deze vragen apart en voor 16 april 2026 beantwoorden?
Het is niet gelukt om deze vragen voor 16 april te beantwoorden vanwege de samenhang met de brief over de acties weerbaarheid energieschok die op 20 april jl. verzonden is.
Het bericht 'Belastingdienst zet agrarische bedrijfsopvolging op slot' |
|
Jan Arie Koorevaar (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
Eerenberg , van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het kennisgroep-standpunt van de Belastingdienst inzake gefaseerde bedrijfsoverdracht en het inbrengen van de onderneming in een BV?1
Ja.
Klopt het dat gefaseerde bedrijfsoverdrachten in de agrarische sector vaak voorkomen en soms jaren kunnen duren?
Gefaseerde bedrijfsoverdrachten komen voor en kunnen meerdere jaren duren. Voor een bedrijfsoverdracht in de familiesfeer geldt onder voorwaarden een vrijstelling van overdrachtsbelasting. Oorspronkelijk gold deze vrijstelling alleen in situaties dat de gehele onderneming in één keer werd overgedragen aan een kwalificerende overnemer of overnemers (bijvoorbeeld het kind of de kinderen van de ondernemer). De vrijstelling is in de loop van de tijd uitgebreid als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen. De vrijstelling kan vanaf eind 2000 ook worden toegepast als de gehele onderneming in fasen wordt overgedragen aan de kwalificerende overnemer of overnemers. Hiermee werd tegemoetgekomen aan de wens uit de praktijk een geleidelijke overgang van de onderneming naar de volgende generatie mogelijk te maken. De kwalificerende overnemers moeten hierbij de gehele onderneming voortzetten.
Klopt het dat de familievrijstelling in artikel 15, lid 1, onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (WBR) inhoudt dat geen overdrachtsbelasting wordt geheven bij de verkrijging van onroerende zaken als die onderdeel zijn van een onderneming, die binnen de familiekring wordt overgedragen?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de rechtsvorm van de onderneming hierbij geen materieel verschil maakt, omdat de vrijstelling behouden blijft als na gefaseerde overdracht een subjectieve onderneming wordt ingebracht in een BV?
Volgens de wettekst van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer is de vrijstelling van toepassing als één of meer kwalificerende verkrijgers al dan niet in fasen de gehele onderneming verkrijgen en voortzetten. Het doel van de vrijstelling is om de overdracht van de onderneming tijdens het leven van de ondernemer te faciliteren zodat versnippering bij zijn overlijden wordt voorkomen. Een verkrijging krachtens erfrecht van (onroerende zaken die behoren tot) een onderneming is namelijk niet belast met overdrachtsbelasting, terwijl een andere verkrijging dat in beginsel wel is. Als kwalificerende verkrijgers zijn aangemerkt de kinderen, kleinkinderen, broers en zusters van de ondernemer, of hun echtgenoten. Een BV of een andere rechtspersoon behoort niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt.
In een beleidsbesluit is een goedkeuring opgenomen.2 Deze goedkeuring is geschreven voor de situatie van een voltooide overdracht van de onderneming van bijvoorbeeld een vader aan een zoon, waarbij de vrijstelling aldus in beginsel van toepassing is. Of de onderneming in één keer of in fasen aan de zoon is overgedragen maakt niet uit, zolang het resultaat is dat hij de gehele onderneming heeft. Wel geldt de eis dat de zoon de door hem verkregen onderneming voor wat de bedrijfsvoering betreft in haar geheel moet voortzetten (voortzettingsvereiste). De goedkeuring heeft hierop betrekking. Als de zoon de onderneming inbrengt in een BV waarvan hij alle aandelen houdt dan blijft de door de zoon genoten vrijstelling van toepassing. Er moet dus wel sprake zijn van een daadwerkelijke voorzetting voor wat de bedrijfsvoering betreft van de gehele onderneming, maar voor de toepassing van de vrijstelling is het dan geen probleem als deze gehele voorzetting door de BV wordt gedaan waarvan de zoon alle aandelen houdt.
Bij een tussentijdse inbreng in geval van een gefaseerde overdracht kan er nog geen sprake zijn van voortzetting van de gehele onderneming omdat de bedrijfsoverdracht nog niet is voltooid.
Kunt u toelichten waarom op grond van het kennisgroepstandpunt de vrijstelling dan wel wordt teruggenomen als tijdens de gefaseerde overdracht de rechtsvorm wordt aangepast?
Zie antwoord vraag 4.
Wat maakt het volgens u materieel uit of iemand tijdens de gefaseerde bedrijfsoverdracht zijn onderneming in een BV laat overgaan, of daarna, omdat in beide situaties op enig moment enkel de rechtsvorm verandert, terwijl de materiële onderneming die onder de bedrijfsopvolgingsregeling is overgegaan juist blijft voortbestaan binnen de familiekring?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe past dit standpunt volgens u bij de bedoeling van de familievrijstelling?
Zoals ik hierboven heb weergegeven is de bedoeling van de familievrijstelling het voorkomen van versnippering bij overlijden, door overdracht tijdens het leven mogelijk te maken. Het standpunt betreft wetstoepassing en doet geen afbreuk aan deze bedoeling.
Bent u het ermee eens dat er goede bedrijfseconomische redenen kunnen zijn waarom een ondernemer zijn subjectieve onderneming wil inbrengen in een BV, bijvoorbeeld bij investeringsplannen, uitbreiding of willen beperken van zijn persoonlijke aansprakelijkheid?
Voor het wel of niet inbrengen van een onderneming in een rechtspersoon kunnen meerdere redenen aanwezig zijn. Naast de genoemde bedrijfseconomische voorbeelden kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van fiscale redenen of vermogensplanning. Het al dan niet inbrengen in een rechtspersoon is een keuze van de ondernemer.
Vindt u het terecht dat dit standpunt een ondernemer dwingt gedurende vele jaren persoonlijk risico te blijven dragen, terwijl dit mogelijk niet verstandig is vanuit het ondernemersperspectief?
Het staat een belastingplichtige vrij om te kiezen voor een rechtsvorm om een onderneming in te drijven en voor de wijze waarop een bedrijfsoverdracht is ingericht. Er bestaan hierbij in de praktijk vele varianten, waarbij iedere variant zijn eigen bedrijfseconomische, juridische en fiscale kenmerken en gevolgen heeft. De belastingheffing volgt in beginsel de juridische vormgeving. Daarnaast zijn aan vrijstellingen in de wet- en regelgeving voorwaarden verbonden. Het is aan de Belastingdienst om uitvoering te geven aan de geldende wet- en regelgeving. Als daarbij vragen opkomen over hoe een bepaalde wettelijke regel moet worden uitgelegd en toegepast, kan een kennisgroep van de Belastingdienst hierover een standpunt innemen. De standpunten geven uitleg aan wet- en regelgeving in een specifiek geval en zijn bindend voor de inspecteurs. Daarmee dragen ze bij aan de eenheid van beleid en uitvoering van de wet- en regelgeving door de Belastingdienst. De standpunten van kennisgroepen worden gepubliceerd op een externe website3, zodat deze kenbaar zijn voor iedereen.
Waarom heeft de kennisgroep volgens u het standpunt ingenomen dat dit toch een andere behandeling vereist, en waar zien zij de verschillen en risico’s?
Zie antwoord vraag 9.
Wat zijn volgens u de gevolgen van dit standpunt voor de agrarische praktijk?
Zoals gesteld bij de beantwoording op vragen 4, 5 en 6 geldt een BV of een andere rechtspersoon niet tot de groep van kwalificerende verkrijgers. Wanneer de kwalificerende verkrijger bij een gefaseerde bedrijfsoverdracht het gedeelte van de onderneming dat hij reeds heeft verkregen inbrengt in een BV, kan de overdracht van de gehele onderneming aan deze verkrijger niet worden voltooid. Gevolg is dat de in een eerdere fase toegepaste vrijstelling dan teruggenomen wordt. Het standpunt geeft uitleg aan wet- en regelgeving in deze situatie. Doordat de standpunten kenbaar zijn voor iedereen, kan de agrarische praktijk hier rekening mee houden. Hierbij geldt overigens dat deze vrijstelling niet beperkt is tot alleen agrarische ondernemingen.
Kunt u over dit standpunt in gesprek met de agrarische sector?
De Belastingdienst zal dit standpunt namens mij het agenderen bij het volgende overleg in het Platform Landbouw. Het Platform Landbouw is een periodiek overleg waarin LTO Nederland met de Belastingdienst in gesprek gaat over, onder andere, mogelijke (fiscale) knelpunten. Aan dit overleg nemen ook organisaties zoals bijvoorbeeld de Samenwerkende Registeraccountants- en administratieconsulenten (SRA) en de Vereniging van Accountants en Belastingadviesbureaus (VLB) deel. Ook het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur sluit hierbij aan. Daarnaast vindt conform de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) een evaluatie plaats van vrijstellingen overdrachtsbelasting in de ondernemingssfeer en vrijstellingen van technische aard. De vrijstelling van artikel 15 lid 1 letter b van de Wet op belastingen van rechtsverkeer zal hier deel van uitmaken. In dit onderzoek wordt de wetgeving op doeltreffendheid en doelmatigheid getoetst. Ook worden de knelpunten uit de praktijk meegenomen en bezien of deze kunnen worden weggenomen als uit de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. Deze resultaten verwachten we in de eerste helft van 2027 te presenteren aan uw Kamer.
De verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt tot een oordeel op stelselniveau?
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni 2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht. In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047, rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en deelt de Staatssecretaris de opvatting dat deze overweging als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert in de zin van dit arrest?
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen. Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752 inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200 x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen is zodoende geen sprake.
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt, niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3. In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37 van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze – niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen, cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin opgenomen eerdere arresten).
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt, als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit, of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren, terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie. Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig overbodig geworden.
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar € 210.000 zonder dividenduitkeringen en met slechts € 400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december 2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 euro overhoudt, terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen en waarbij de Staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar 1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van € 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR 2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig) ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige) ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige last teweegbrengen.
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat, zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder de VAB en zo ja, kan de Staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en zo nee, waarom niet?
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige last waar u aan refereert.
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald, waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat. Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal. De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat.
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van 25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk +15.000 euro, –5.000 euro, +15.000 euro, –5.000 euro en +5.000 euro met een totale VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4 procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van € 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel niet is onderkend?
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven, inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A, B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht. Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21) die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst. Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren. Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als afgedaan.
Het terugkrijgen van belastingrente door belastingplichtigen die te veel hebben betaald in box 3 |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Klopt het dat bezwaarmakers alleen belastingrente kunnen terugkrijgen als zij het OWR-formulier hebben ingediend voor de definitieve aanslag werd vastgesteld?
Dit klopt. Op grond van de huidige fiscale wet- en regelgeving1 vindt geen rentevergoeding plaats in het geval dat een definitieve aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. De hoofdregel op basis van wetgeving is dat bij rechtsherstel box 3 alleen (belasting)rente vergoed wordt als het formulier Opgaaf werkelijk rendement (formulier OWR) ingediend is voordat de definitieve aanslag is vastgesteld, aan alle overige wettelijke voorwaarden met betrekking tot belastingrentevergoeding is voldaan én dat formulier OWR leidt tot een teruggaaf van belasting.
Klopt het dat de Belastingdienst doelbewust belastingplichtigen heeft geadviseerd om geen actie te ondernemen in afwachting van een brief met nadere informatie, waardoor zij geen recht hebben op terugbetaling inclusief belastingrente?
De Belastingdienst heeft, onder andere per brief, belastingplichtigen geadviseerd om te wachten met indienen van gegevens inzake het werkelijk rendement (hierna: tegenbewijs leveren) tot de beschikbaarheid van het formulier OWR (in juli 2025) en tot het ontvangen van een attentiebrief voor een goed verloop van de hersteloperatie. Dit formulier OWR, waarvan het gebruik door een amendement van uw Kamer op de Wet tegenbewijsregeling box 3 verplicht is gesteld, is namelijk juist ontwikkeld om het rechtsherstel box 3 zo zorgvuldig en uitvoerbaar mogelijk te maken voor de Belastingdienst en de betrokken belastingplichtigen. Het vergoeden van belastingrente was geen overweging bij de communicatie hierover.
In juli 2025 was het formulier OWR klaar voor gebruik en konden belastingplichtigen het tegenbewijs leveren.2 Wegens dreigende verjaring van de aanslagtermijn is de Belastingdienst in een groot aantal gevallen genoodzaakt geweest om de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 vast te stellen, voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren. Het wettelijke gevolg van deze samenloop is dat in deze gevallen geen belastingrente wordt vergoed bij een latere belastingvermindering op grond van het ingediende formulier OWR.
Zo ja, is wat u betreft hier sprake van misleiding of een andere vorm van verwijtbaar handelen aan de kant van de Belastingdienst, aangezien dit burgers bewust in een positie heeft gemanoeuvreerd waarbij zij geen rente meer terugkrijgen naast de ambtshalve vermindering?
Er is geen sprake geweest van een bewuste misleiding of een andere bewuste handeling van de Belastingdienst om ervoor te zorgen dat een groep belastingplichtigen geen (belasting)rente zal krijgen bij hun belastingvermindering wegens het rechtsherstel box 3.
Zo ja, houdt u dan vast aan de aanpak van niet terugbetalen als het om een foutieve handelwijze van de Belastingdienst gaat waarbij belastingplichtigen financieel worden gedupeerd?
In navolging van mijn antwoord bij vraag 3, vind ik de kwalificatie foutieve handelwijze niet terecht. Zoals weergegeven bij vraag 1, geldt voor iedereen, binnen en buiten het rechtsherstel box 3, dat geen belastingrente wordt vergoed bij een vermindering van de aanslag bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure. Met alleen de belastingvermindering wordt passend en voldoende rechtsherstel geboden. Voorts zullen er veel gevallen zijn geweest waarbij ook geen belastingrente zou worden vergoed indien het tegenbewijs direct bij de aangifte geleverd had kunnen worden.
Om wel belastingrente te vergoeden aan de onderhavige groep belastingplichtigen zou de wet gewijzigd moeten worden. Een verruiming van de huidige wettelijke belastingrenteregeling acht ik echter niet wenselijk, omdat een dergelijke verruiming van de situaties waarin belastingrente verschuldigd is op juridische afbakeningsproblemen stuit. Het maken van een uitzondering op de huidige wettelijke regeling voor een grote groep belastingplichtigen, maakt de wettelijke regeling dat geen rentevergoeding plaatsvindt in het geval een eerder vastgestelde aanslag wordt verminderd bij bezwaar, via ambtshalve vermindering of naar aanleiding van een gerechtelijke procedure juridisch (zeer) kwetsbaar. Daarnaast zou een wetswijziging tijd kosten, waardoor de uitvoering van het rechtsherstel box 3 vertraging zou oplopen. Daardoor zouden belastingplichtigen mogelijk langer moeten wachten op de beoordeling van het formulier OWR en een eventuele teruggaaf van belasting. Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat conform de huidige wet geen belastingrente wordt vergoed als het formulier OWR is ontvangen na de definitieve aanslag. Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen, die nog van dekking had moeten worden voorzien.
Uw voorganger schreef in een kamerbrief van 18 december 2025 dat in een aantal gevallen, met name over belastingjaren 2021 en 2022, vanwege dreigende verjaring de definitieve aanslag in de tussenliggende periode is opgelegd. Om hoeveel gevallen gaat het?
Over het belastingjaar 2021 zijn circa 292.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd en over het belastingjaar 2022 zijn circa 905.000 definitieve aanslagen ter voorkoming van verjaring opgelegd.
Bent u het ermee eens dat het komen tot een passend antwoord op deze problematiek niet alleen een kwestie is van «wat juridisch noodzakelijk is», maar ook van wat wenselijk is vanuit de gedachte dat de overheid betrouwbaar en dienstbaar moet zijn?
Ik ben mij ervan bewust dat door de communicatie vanuit de Belastingdienst burgers mogelijk hebben gewacht met het indienen van de opgaaf werkelijk rendement tot het ontvangen van een attentiebrief. Ik ben het met u eens dat daarom ook anders naar het niet vergoeden van belastingrente bij het rechtsherstel box 3 kan worden gekeken. Echter, dit doet niet af aan de redenen, zoals vermeld bij het antwoord op vraag 4, om geen (belasting)rente te vergoeden.
In dezelfde kamerbrief van 18 december 2025 staat dat uw voorganger na een gedegen afweging tot de slotsom is gekomen dat er geen juridische noodzaak bestaat om de wettelijke regels rondom het vergoeden van belastingrente te verruimen. Kunt u dit uitgebreider toelichten? Bent u bereid een andere afweging te maken?
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat bij rechtsherstel box 3 als uitgangspunt geldt dat met alleen de belastingvermindering passend en voldoende rechtsherstel wordt geboden. Vanuit juridisch oogpunt is het vergoeden van (belasting)rente bij die vermindering derhalve niet noodzakelijk. De enige uitzondering hierop is wanneer op grond van de wet wel belastingrente vergoed dient te worden. Dit is alleen het geval wanneer het formulier OWR is ingediend voordat de definitieve aanslag is vastgesteld (inclusief het voldoen aan andere eerdergenoemde voorwaarden). De weergegeven samenloop van het vaststellen van de aanslagen inkomstenbelasting over 2021 en 2022 wegens dreigende verjaring voordat de belastingplichtigen tegenbewijs geleverd hadden of konden leveren, brengt geen juridische noodzaak met zich om de wettelijke regeling te verruimen. Ik kan mij voorstellen dat deze conclusie niet door iedere individuele belastingplichtige wordt begrepen. Echter, op grond van de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging kom ik, overeenkomstig mijn voorganger, tot de conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen.
Wat zou het budgettaire beslag zijn van het vergoeden van de rente voor niet bezwaarmakers tegen de voorlopige aanslag?
Indien was besloten om in deze gevallen de rente wel te vergoeden, zou dit hebben geleid tot een budgettaire derving van € 175 miljoen. Deze budgettaire derving had nog van dekking moeten worden voorzien.
Bent u bereid om een brief naar de Kamer te sturen met uitgewerkte opties voor het terugbetalen van belastingrente aan alle belastingplichtigen die te veel belasting hebben betaald in box 3, waarbij u ingaat op thema’s als kosten en rechtsongelijkheid?
Gezien de bij vraag 4 weergegeven belangenafweging en de daarop gebaseerde conclusie om de huidige wettelijke belastingrenteregeling niet te verruimen, meen ik dat het uitwerken van opties om in meer situaties van rechtsherstel box 3 belastingrente te vergoeden niet de juiste route is.
De uitspraak van zijn collega minister Heinen dat box 3 op de schop gaat |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van uw collega Minister Heinen over uw portefeuille dat box 3 opnieuw op de schop gaat1?
Het artikel uit de Volkskrant waarnaar verwezen wordt, is mij bekend.
Wat gaat u concreet wijzigen aan het wetsvoorstel en per wanneer?
Zoals ik ook heb geschreven in mijn brief van vrijdag 6 maart 2026 zet het kabinet de invoering van het nieuwe box 3-stelsel per 2028 door. In het coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet werkt aan het zo snel mogelijk invoeren van een vermogenswinstsystematiek na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel per 2028. In de tussentijd zal het kabinet opties in kaart brengen waarmee het wetsvoorstel verbeterd kan worden. Deze opties zullen vooral gericht zijn op het realiseren van voldoende maatschappelijk en politiek draagvlak.
Het kabinet onderzoekt onder andere het invoeren van achterwaartse verliesverrekening zoals voorgesteld in het eerdere amendement van het lid Hoogeveen2 en de motie Eerdmans/Bikker over achterwaartse verliesverrekening.3
Indien een aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 mogelijk is en van dekking kan worden voorzien, loopt dit mee in het pakket Belastingplan 2027. Over het traject van de doorontwikkeling van het nieuwe box 3-stelsel tot een vermogenswinstsystematiek ontvangt uw Kamer voor de zomer een brief.
Hoeveel gaat dit exact kosten (cumulatief, in honderden miljoenen nauwkeurig) aan budgettaire derving?
Er worden meerdere mogelijke aanpassingen onderzocht voor het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Eventuele budgettaire consequenties daarvan moeten in kaart worden gebracht. Voor de achterwaartse verliesverrekening is de budgettaire derving in kaart gebracht bij de appreciatie van de ingediende moties en amendementen.4
Wie gaat ervoor betalen? Kunt u garanderen dat de rekening niet terechtkomt bij gewone werkende mensen, dus dat de dekking volledig wordt gevonden in het domein vermogen/winst?
Een mogelijke aanpassing van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 zal meelopen in het pakket Belastingplan 2027. Op die manier kan een wijziging zorgvuldig worden voorbereid en kan de budgettaire verwerking worden betrokken in de augustusbesluitvorming. Voorstellen ter verbetering van het stelsel die gepaard gaan met een budgettaire derving zullen conform de begrotingsregels van dekking voorzien worden. Daarbij houdt het kabinet uiteraard ook zoveel mogelijk rekening met de aangenomen motie Eerdmans/Bikker.
Wat gaf de doorslag voor uw collega Minister Heinen om deze draai te maken? Welke informatie lag nog niet op tafel tijdens de uitvoerige wetsbehandeling en nu inmiddels wel?
Het kabinet heeft gereageerd op onrust die is ontstaan nadat het wetsvoorstel is aangenomen. Daarbij waren er ook veel signalen over de effecten van vermogensaanwasbelasting op het investeringsklimaat in Nederland. De Minister van Financiën is eindverantwoordelijk voor het totale uitgaven- en inkomstenkader en daarbij is ook het politieke en maatschappelijke draagvlak voor wetsvoorstellen met grote budgettaire consequenties van belang. Het kabinet gaat graag met uw Kamer in gesprek over verbeteringen aan het huidige wetsvoorstel, met het oog op het realiseren van breed politiek en maatschappelijk draagvlak.
Kunt u deze vragen, een voor een, binnen een week beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Ja.
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud en context en vergt juridische beoordeling.
Het Openbaar Ministerie beslist over het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Ik kan het OM dus geen opdracht geven om tot strafrechtelijk onderzoek over te gaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht te verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning. Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf.
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat de Stichting Migreat vanaf 1 januari 2022 de ANBI-status heeft. Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën2 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kan worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.3 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.4 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets. Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. De Belastingdienst verkrijgt die informatie niet automatisch, maar is daarvoor afhankelijk van partijen zoals het OM en de FIOD. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.5 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
Zoals in het antwoord op 3 en 4 is toegelicht is het neutrale karakter een belangrijke eigenschap van de ANBI-regeling. Daardoor hebben instellingen de vrijheid om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen. Zo kan bijvoorbeeld zowel een «pro-migratiedoelstelling» als een «anti-migratiedoelstelling» onder dezelfde voorwaarden als algemeen nuttig worden gezien. Het kabinet is niet voornemens hierin een wijziging aan te brengen.
Wel wordt de vrijheid voor ANBI’s om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen begrensd door de voor iedereen – en dus ook voor ANBI’s – geldende wet- en regelgeving. Een overtreding van deze geldende wet- en regelgeving kan echter pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.6
Het bericht ‘Overheid weigert herstel voor 1.800 jongeren uit toeslaenaffaire’ |
|
Inge van Dijk (CDA), Jimmy Dijk (SP), Lisa Westerveld (GL) |
|
Moes , Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid weigert herstel voor 800 jongeren uit toeslagenaffaire»?1
Ik ben op de hoogte van het artikel over het rapport van de kinderombudsmannen. Ik heb dit rapport samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in ontvangst genomen en hierover met hen gesproken.
Hoe beoordeelt u het signaal van de vijf Kinderombudsmannen in hun rapport «Niet mijn (studie)schuld», waarbij de Kinderombudsmannen, net als de Commissie Hamer en de VNG, al geruime tijd oproepen om gedupeerde jongeren te helpen met hun DUO-schulden?
Ik ben de kinderombudsmannen erkentelijk voor hun inspanningen om de impact die de toeslagenaffaire kan hebben op het leven van getroffen kinderen zichtbaar te maken. Het rapport schetst een ingrijpend beeld dat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en ik serieus nemen. Ik spreek regelmatig getroffen jongeren en hoor en zie hun verhalen, die stuk voor stuk uniek zijn. Ik wil mijn waardering uitspreken aan de jongeren die, soms opnieuw, hun verhalen hebben willen delen. Daarbij vind ik het belangrijk nogmaals te benadrukken wat we al doen voor deze jongeren die hun studielening hebben ingezet om in het gezinsinkomen te voorzien ten tijde van de toeslagenaffaire. Via de aanvullende schaderoute van de ouder wordt inkomensverlies vergoed. Deze compensatie is bedoeld voor het gezin. In de kabinetsreactie op het rapport zet ik deze en andere mogelijkheden verder uiteen.
Wat is volgens u de rol van (lokale) (Kinder-)ombudsmannen en andere instanties, ambtenaren en memo’s geweest bij het signaleren van de problematiek rondom het toeslagenschandaal?
Het negeren van noodsignalen was een van de belangrijke factoren bij het ontstaan en voortbestaan van de toeslagenaffaire, zoals het rapport «Ongekend onrecht» concludeert. Uiteindelijk hebben onder andere ombudsmannen, rechters en verschillende ambtenaren op meerdere momenten gewaarschuwd voor de problemen met de kinderopvangtoeslag.
Hoe is de overheid in uw ogen omgegaan met het tijdig en serieus reageren op dergelijke signalen, waardoor het toeslagenschandaal voorkomen had kunnen worden dan wel eerder kunnen worden opgemerkt?
Anders dan bij de situatie rondom studieschulden – die veelvuldig en uitgebreid aan bod is gekomen in onder meer Kamerdebatten, Kamerbrieven, interdepartementale overleggen en bijvoorbeeld het advies van de commissie Van Dam – drongen de signalen over de problemen met de kinderopvangtoeslag onvoldoende door tot de politiek-bestuurlijke omgeving. Daardoor kwam er te laat een politiek-bestuurlijke reactie op de problemen met de kinderopvangtoeslag en konden deze te lang blijven voortduren. Dit blijkt ook uit het rapport «Ongekend onrecht» van de parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag. Het kabinet heeft naar aanleiding van dat rapport veranderingen doorgevoerd, waarover de afgelopen jaren aan uw Kamer is gerapporteerd.
Welke zwaarwegende argumenten heeft u om het rapport van de Kinderombudsmannen terzijde te schuiven en te concluderen dat het probleem aan de jongeren ligt die de regelingen niet weten te vinden?2
Ik omarm en onderschrijf de waardevolle inzichten uit het rapport van de kinderombudsmannen. Ik betrek deze inzichten bij het beleid voor deze getroffen jongeren. Centraal daarin staat het feit dat de schadecompensatie binnen de hersteloperatie via de gedupeerde ouder als erkend slachtoffer verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Heeft de ouder inkomensverlies geleden waardoor het kind een studielening moest afsluiten, dan biedt de aanvullende schaderoute van de ouder schadevergoeding voor het inkomensverlies. Daarnaast maak ik mij blijvend sterk om de andere mogelijkheden die er zijn zo goed mogelijk in te zetten, zodat deze jongeren passende hulp en ondersteuning kunnen krijgen. Niet generiek, maar met een benadering die recht doet aan de verschillende situaties waarin jongeren en hun gezinnen zich bevinden. In de kabinetsreactie op dit rapport ga ik hier dieper op in.
Hoe wilt u – indachtig de titels van de rapporten van de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag (Ongekend Onrecht) en van de Parlementaire Enquête Fraudebeleid en Dienstverlening (Blind voor mens en recht) – voorkomen dat met het terzijde schuiven van het signaal van deze vijf kinderombudsmannen wederom een groep burgers onrecht wordt aangedaan?
De rapporten «Ongekend Onrecht» en «Blind voor mens en recht» hebben pijnlijk duidelijk gemaakt dat signalen van burgers onvoldoende werden herkend, met ernstige gevolgen van dien. Juist om herhaling daarvan te voorkomen neem ik de signalen van de kinderombudsmannen serieus. In dat kader heb ik, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het eindrapport van de kinderombudsmannen persoonlijk in ontvangst genomen en hebben wij met hen het gesprek gevoerd over hun bevindingen en aanbevelingen. De signalen uit dit rapport worden betrokken bij verdere (verbeter)maatregelen van de hersteloperatie en de ondersteuning van jongeren. In de kabinetsreactie op het eindrapport aan uw Kamer geef ik hier een nadere toelichting op.
Bent u het ermee eens dat het voor gedupeerde jongeren die al tijden wensen erkend te worden als slachtoffer van het handelen van de overheid helend kan werken als zij gezien en erkend worden als slachtoffer van het toeslagenschandaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van plan om deze jongeren alsnog te erkennen als slachtoffer?
Ik erken dat kinderen van gedupeerde ouders hebben geleden onder de toeslagenaffaire. Met die gedachte is ook de kindregeling speciaal voor hen opgezet. De kindregeling is bedoeld als erkenning van het leed, niet als een verplichting maar als tegemoetkoming, om te laten zien dat het kabinet het belangrijk vindt om hierin een gebaar te maken, aanvullend op de compensatie van de schade die via de gedupeerde ouders verloopt, als vertegenwoordiger van het gezin. Het kabinet heeft er namelijk voor gekozen erkend gedupeerde ouders te compenseren voor de schade in het gezin als gevolg van de toeslagenaffaire. Deze opzet van de hersteloperatie is door uw Kamer vastgesteld en goedgekeurd.
Binnen de kindregeling ontvangt elk getroffen kind een brief waarin de erkenning benadrukt wordt. Alle kinderen van erkend gedupeerde ouders ontvangen een tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro boven op de schadecompensatie aan hun ouders en zij krijgen indien gewenst brede ondersteuning van hun gemeente, waaronder hulp bij (problematische) schulden en financiën. Ook is er aanvullend aanbod op het gebied van emotioneel herstel en lotgenotencontact, een essentieel onderdeel van herstel en perspectief.
Bent u het – na uw eerdere weigering om onderzoek te doen naar het aantal jongeren van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden zijn ontstaan door het toeslagenschandaal en naar de hoogte van deze DUO-schulden, zoals de motie-Van Nispen c.s. (Kamerstukken II, 2025/26, 36 708, nr. 53) en motie Kat c.s. (Kamerstukken II, 2023/24, 31 066, nr. 1308) om vroegen – het ermee eens dat nu de Kinderombudsmannen zelf een onderzoek hebben uitgevoerd en 1.800 jongeren tellen met deze problematiek dat het om een relatief beperkte groep jongeren gaat van wie aannemelijk is dat de DUO-schulden door het toeslagenschandaal zijn ontstaan? Bent u het er tevens mee eens dat zelfs als het daadwerkelijke aantal driemaal zo hoog is het nog steeds een relatief beperkte groep jongeren betreft? Zo nee, welke reden heeft u om aan te nemen dat het nog veel meer jongeren betreft?
Het rapport van de kinderombudsmannen biedt waardevolle en belangrijke inzichten in de ervaringen van getroffen jongeren. Het onderzoek is gebaseerd op meldingen van jongeren zelf en draagt bij aan een beter begrip van de individuele problematiek, maar maakt het niet mogelijk om de totale omvang van de groep jongeren met een studieschuld als gevolg van de toeslagenaffaire vast te stellen. Ook gegevensuitwisseling tussen UHT en DUO zou geen inzicht geven in de daadwerkelijke problematiek van deze getroffen jongeren en in hoeverre de studieschuld het gevolg is van de toeslagenaffaire. De relatie tussen de studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag is alleen binnen het gezin te beoordelen, zoals wordt toegelicht in antwoord op vraag 5. Op andere manieren, zoals ook blijkt uit eerder actieonderzoek, is niet vast te stellen welk gedeelte van de studielening het gevolg is van de toeslagenaffaire. Daarbij komt dat de hersteloperatie ervoor zorgt dat schadecompensatie via de erkend gedupeerde ouder verloopt. Die compensatie is voor het hele gezin. Wij zetten daarbovenop in op passende, individuele ondersteuning voor getroffen jongeren, in plaats van een generieke benadering.
Bent u het ermee eens dat jongeren, die slachtoffer zijn geworden van het toeslagenschandaal en eigen schade & schulden hebben, principieel zélf ook op een directe manier geholpen moeten worden in het rechtzetten van onrecht zonder dat zij hiervoor naar hun ouders hoeven te stappen? Zo nee, waarom niet?
De besluiten die tot de toeslagenaffaire hebben geleid betroffen de kinderopvangtoeslag van de ouder. De compensatie van financiële schade vindt daarom plaats via de erkend gedupeerde ouder en ziet toe op diens hele gezin, omdat de schade voortvloeit uit de gedupeerdheid van de ouder en de gevolgen daarvan voor het gezin als geheel. Kinderen en jongeren zijn via hun ouders mogelijk ook geraakt door de toeslagenaffaire. Om dit leed te erkennen worden zij daarom aanvullend ondersteund via de kindregeling, zoals ook is toegelicht in antwoord op vraag 7. Deze regeling biedt een financiële (onverplichte) tegemoetkoming van maximaal 10.000 euro, brede ondersteuning door gemeenten inclusief hulp bij problematische schulden, en een aanbod op het gebied van emotioneel herstel, zoals lotgenotencontact en het opzetten van (culturele) initiatieven. De kindregeling is niet bedoeld om schade of schulden uit het verleden te compenseren, die regelingen bestaan via hun ouders.
Kunt u aangeven wat het doel en nut is van de tijdelijke telefoonlijn bij DUO, waar gedupeerde jongeren terecht kunnen met vragen? Hoelang blijft deze telefoonlijn in bedrijf?
Getroffen jongeren hebben aangegeven een drempel te ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Met deze lijn hoopt DUO die drempel weg te nemen. Wanneer getroffen jongeren met deze lijn bellen kunnen zij hun persoonlijke verhaal vertellen, maar is het niet nodig om in algemene zin uitgebreid toe te lichten dat de toeslagenaffaire impact heeft gehad op hun leven. Medewerkers weten dat deze getroffen jongeren bellen met een hulpvraag die voortkomt vanuit KOT. Zij staan klaar om, afhankelijk van de vraag, deze jongeren uitleg op maat te geven over bestaande voorzieningen die hen kunnen helpen. Ook willen we zorgdragen dat er extra bekendheid komt over de voorzieningen bij DUO.
De telefoonlijn is reeds bereikbaar en blijft in ieder geval tot en met augustus 2026 beschikbaar.
Klopt het dat DUO deze gedupeerde jongeren na een gesprek met de telefoonlijn naar de onderwijsinstelling verwijst, omdat de onderwijsinstelling zou moeten beoordelen of de jongere voor een uitzondering in aanmerking komt? Zelfs als de jongere die het betreft zijn studie al jaren geleden heeft behaald of afgebroken? Zo ja, bent u het ermee eens dat dit bijdraagt aan onnodige administratieve obstakels voor de betreffende jongeren? Is er een reden waarom DUO niet zelf het contact kan leggen met de onderwijsinstelling om de benodigde informatie op te halen? Zo nee, hoe verklaart u dat jongeren tegen dit soort problemen aanlopen?
Afhankelijk van de persoonlijke situatie van de getroffen jongeren kan het zijn dat DUO doorverwijst naar de onderwijsinstelling. Dit kan het geval zijn wanneer het niet mogelijk is voor een getroffen jongere om op tijd een diploma te halen of wanneer het helemaal niet meer mogelijk is een diploma te halen door een bijzondere omstandigheid. Het is wettelijk vastgelegd dat deze beoordeling – of sprake is van een bijzondere omstandigheid en of deze heeft geleid tot studievertraging – bij de onderwijsinstelling ligt.
Klopt het dat DUO geen schulden kwijtscheldt, behalve als de student in geval van bijzondere omstandigheden zijn studie heeft afgebroken of na tien jaar zijn diploma niet heeft gehaald?
Als de student binnen tien jaar een afsluitend diploma behaalt wordt de prestatiebeurs3 omgezet in een gift. Doet de student langer over het behalen van het diploma dan tien jaar, of behaalt de student helemaal geen diploma, dan wordt de prestatiebeurs niet omgezet in een gift. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheid waardoor de student studievertraging heeft opgelopen en door deze bijzondere omstandigheid niet binnen tien jaar een afsluitend diploma kan behalen, of helemaal geen diploma meer kan behalen. De studentdecaan of studiebegeleider beoordeelt aan de hand van de individuele situatie van de student of dit het geval is en of de student daarmee in aanmerking komt voor de voorziening prestatiebeurs.
Daarnaast vindt in algemene zin in een aantal situaties kwijtscheldingen van (een deel van) de studieschuld plaats, waaronder:
Wanneer bij een student de aanvullende beurs niet is omgezet in een gift en het inkomen twee jaar na afstuderen nog niet hoger is dan het gestelde grensbedrag, wordt de aanvullende beurs alsnog kwijtgescholden.
Aan het einde van de looptijd van de lening (15 of 35 jaar) wordt de nog resterende studieschuld kwijtgescholden.
Hoeveel gedupeerde jongeren vallen onder deze twee uitzonderingen? Vindt u dat u hen hiermee het toekomstperspectief biedt dat u hen toewenst?
Dat is niet bekend, omdat er geen juridische grondslag voor gegevensuitwisseling is tussen UHT en DUO. Daarom kan niet inzichtelijk worden gemaakt hoeveel getroffen jongeren gebruik hebben gemaakt van de voorziening prestatiebeurs. Voorts geldt dat zelfs als bij DUO bekend zou zijn wie de getroffen jongeren zijn, niet inzichtelijk gemaakt kan worden of zij in aanmerking zouden komen. Dit is immers afhankelijk van hun persoonlijke situatie.
De Kamer is meermaals geïnformeerd over de onmogelijkheid om inzicht te geven in de gegevens van getroffen jongeren bij DUO. Zie onder meer de 21e voortgangsrapportage over de hersteloperatie in reactie op de motie Van Nispen en de beantwoording op schriftelijke vragen van lid Dijk (SP)4.
Klopt het dat verzoeken voor maatwerk door DUO geregeld worden afgewezen? Welk percentage wordt afgewezen?
Aangenomen wordt dat met de term maatwerk in de vraag wordt verwezen naar het gebruik van de voorziening prestatiebeurs. Verzoeken in het kader van de voorziening prestatiebeurs worden ingediend na beoordeling van de persoonlijke situatie van de jongeren door de studentdecaan of studiebegeleider en, wanneer van toepassing, de behandelend arts. DUO neemt de beoordeling in meer dan 90% van de gevallen over.
Kunt u aangeven hoe vaak welke vorm van maatwerk door DUO is toegekend? Zo nee, hoe kunt u dan concluderen dat maatwerk door DUO een oplossing is voor de problemen van getroffen jongeren? Zo ja, kunt u aangeven hoe en of de gedupeerde jongeren met dit maatwerk ook daadwerkelijk zijn geholpen?
In het antwoord op vraag 13 is aangegeven dat niet bekend is hoe vaak gebruik gemaakt wordt van de voorziening prestatiebeurs door getroffen jongeren. Wel is bekend dat DUO in de praktijk ziet dat getroffen jongeren gebruik maken van deze voorzieningen. Daarom weten we dat een gedeelte van de getroffen jongeren de weg weet te vinden naar de studentdecanen of studiebegeleider.
Ik ben me er tegelijkertijd van bewust dat sommige jongeren een drempel ervaren bij het benaderen van (overheids)instanties. Zoals ik heb toegelicht in de kabinetsreactie zet ik mij extra in om deze drempels zoveel mogelijk te verlagen.
Hoe bent u van plan ervoor te zorgen dat de jongeren die het betreft deze telefoonlijn weten te vinden als u niet weet hoeveel en welke jongeren het precies betreft?
Het telefoonnummer wordt gepubliceerd op kindregelingvoorjou.nl en op duo.nl. Via sociale media, stakeholders en lokale netwerken van ouders en jongeren wordt dit bericht verspreid.
Bent u het ermee eens dat gedupeerde jongeren weer een toekomstperspectief verdienen?
Zeker. Deze jongeren verdienen inderdaad een toekomstperspectief (net als iedere jongere in Nederland): precies om die reden ontvangen zij een financiële tegemoetkoming uit de kindregeling en brede ondersteuning van hun gemeente, om per situatie te kijken naar wat er nodig is om het leven op de rit te krijgen en houden, aanvullend op de schadecompensatie aan hun ouders. Daarbij zetten wij ook in op het emotioneel herstel van deze jongeren. Want ook door te zorgen dat jongeren weer mentaal gezond en weerbaar zijn dragen we bij aan het toekomstperspectief van deze groep.
Bent u het ermee eens dat een diploma halen het beste instrument is voor een goed toekomstperspectief? Zo ja, wat is dan u reden, gelet op het feit dat de commissie Hamer aangeeft dat de brede ondersteuning vanuit de gemeenten onvoldoende is voor het toekomstperspectief van gedupeerde jongeren, om toch de nieuwe regeling voor studie en ontwikkeling, welke nu opgetuigd wordt voor gedupeerde uithuisgeplaatste kinderen, niet open te stellen voor álle gedupeerde jongeren?
Zoals in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Hamer is toegelicht, wordt de onderwijsvoorziening specifiek voor uithuisgeplaatste jongeren ontwikkeld, omdat zij te maken hebben gehad met meerdere momenten van overheidsingrijpen. De onderwijsvoorziening voor specifiek die doelgroep heeft mede als doel om specifiek deze groep op deze manier met hun ontwikkeling te helpen. Juist wanneer de uithuisplaatsing door de rechter is opgelegd én samenhangt met de gevolgen van de toeslagenaffaire, draagt de Staat immers een bijzondere verantwoordelijkheid: vanuit de rol die de toeslagenaffaire mogelijk heeft gespeeld in het gezin en als formeel verantwoordelijke voor het welzijn en de kansen van het kind tijdens en na de uithuisplaatsing.
Daarnaast vind ik het – net als uw Kamer – van belang dat er geïnvesteerd wordt in het toekomstperspectief van alle getroffen jongeren, bijvoorbeeld via de brede ondersteuning. In de kabinetsreactie op het rapport van de kinderombudsmannen licht ik verder toe hoe ik daar op in wil zetten.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven geen generieke regeling te willen treffen voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van de jongeren? Zo nee, wat heeft u dan precies aangeven
Dat klopt. We zijn het met de kinderombudsmannen eens dat een generieke regeling voor het kwijtschelden van alle studieschulden niet proportioneel is. Wij hebben ook in het gesprek toegelicht dat als ouders inkomensverlies hebben geleden ten tijde van de toeslagenaffaire, en dat hebben opgevangen door het inzetten van bijvoorbeeld een studielening van het kind, ouders gecompenseerd worden voor dat inkomensverlies in de schadeherstelroute. Deze compensatie is voor het hele gezin. Daarnaast zetten we in op het verlagen van drempels voor aanvullende mogelijkheden die er voor deze jongeren zijn, zoals ook uitgebreid is toegelicht in de kabinetsreactie.
Klopt het dat u in het gesprek met de Kinderombudsmannen heeft aangegeven dat volgens u de bestaande regelingen voor gedupeerde jongeren volstaan? Zo nee, wat heeft u dan precies aangegeven? Zo ja, kunt u onderbouwen hoe u tot deze conclusie komt, nu de Kinderombudsmannen in hun rapport juist gemotiveerd aangeven dat deze conclusie niet klopt en bestaande regelingen niet volstaan?
Ouders worden gecompenseerd voor schade die is ontstaan ten tijde van de toeslagenaffaire, zoals inkomensverlies. Als een kind het inkomensverlies heeft opgevangen, bijvoorbeeld met een studielening, dan kan de ouder dat vanuit de compensatie vergoeden, aangezien via de erkend gedupeerde ouder schade van het gezin wordt gecompenseerd. De kindregeling is daarnaast ontwikkeld om kinderen van gedupeerde ouders aanvullende steun, maatwerk en erkenning te bieden. De Minister van OCW en ik hebben in het gesprek met de kinderombudsmannen aangegeven dat dit pakket aan maatregelen voldoende is om getroffen kinderen te ondersteunen naar een hoopvolle toekomst. Zoals ook in de kabinetsreactie toegelicht, zijn we ons ervan bewust dat deze mogelijkheden niet altijd door iedereen goed gevonden en benut worden. We zetten daarom extra in om drempels te verlagen, zoals ook is toegelicht in de kabinetsreactie op het rapport.
Bent u het ermee eens dat de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam niet oproepen tot een generieke regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, maar juist oproepen tot een regeling voor het kwijtschelden van de DUO-schulden van gedupeerde jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan vanwege het toeslagenschandaal? Zo nee, kunt u aangeven waartoe de Kinderombudsmannen en de commissie Van Dam volgens u precies toe oproepen?
Ik herken dat de kinderombudsmannen oproepen tot kwijtschelding studieschulden bij DUO waarvan aannemelijk is dat deze door de toeslagenaffaire zijn ontstaan. Ik herken echter niet dat de commissie Van Dam oproept tot het kwijtschelden van deze studieschulden van getroffen jongeren. De commissie Van Dam vraagt aandacht voor de positie van getroffen jongeren en het belang van een zorgvuldige beoordeling van hun situatie, inclusief mogelijke studieschulden, maar doet geen specifieke aanbeveling om studieschulden waarvan aannemelijk is dat deze door het toeslagenschandaal zijn ontstaan kwijt te schelden. In het rapport staat onder meer dat sommige jongeren wel een studielening hebben afgesloten om in hun studiekosten te voorzien, net als vele andere studenten in Nederland wiens ouders niet gedupeerd zijn. Ook stelt het rapport dat weer een nieuwe route inrichten juist niet wenselijk is. Ook de Raad van State heeft eerder gewezen op de risico’s van verdere uitbreiding van de hersteloperatie5. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen, wordt dit via de schadepost inkomensverlies aan de ouder vergoed.
Wat is uw reactie ten aanzien van een (nadrukkelijk niet generieke) regeling waarbij de DUO-schulden van jongeren, die aannemelijk zijn ontstaan door het toeslagenschandaal worden kwijtgescholden? Bent u bereid een dergelijke regeling op te zetten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb begrip voor de zorgen rondom de studieschulden van jongeren die zijn geraakt door de toeslagenaffaire. Zoals ook in antwoord op vraag 21 is toegelicht, verloopt de compensatie van schade via de gedupeerde ouder. Als de ouder inkomensverlies heeft geleden waardoor het kind noodgedwongen een studielening is aangegaan om dat inkomensverlies op te vangen – en dus is ontstaan door de toeslagenaffaire – wordt dit via de schadepost inkomensverlies vergoed aan de ouder. Alleen op die manier, binnen het gezin, is een mogelijke relatie tussen een studielening en de problemen met de kinderopvangtoeslag te beoordelen. Een aparte regeling zoals bedoeld in de vraagstelling is daarnaast niet uitvoerbaar: iedere situatie is uniek en het is in de praktijk zeer ingewikkeld om objectief en zorgvuldig vast te stellen of en in welke mate een studieschuld het directe gevolg is van de toeslagenaffaire. Dit blijkt ook uit eerder actieonderzoek. Daarnaast zou kwijtschelding van studieleningen van getroffen kinderen zeer oneerlijk zijn ten opzichte van gezinnen die op een andere manier het hoofd boven water hebben gehouden tijdens de toeslagenaffaire. Ten slotte botst de voorgestelde regeling met de praktische en juridische inrichting van de hersteloperatie. De toeslagenbesluiten betroffen de ouder als aanvrager van de kinderopvangtoeslag. Financiële schadevergoeding is daarom verbonden aan de gedupeerdheid van de ouder en diens gezin, zoals vastgesteld door uw Kamer.
Om getroffen jongeren met studieschulden zoveel mogelijk aanvullend te helpen met de gevolgen die zij hebben ondervonden van de toeslagenaffaire via hun ouders, zet het kabinet erop in dat de bestaande mogelijkheden bij gemeenten, maar ook bij DUO, zo goed mogelijk worden ingezet en benut zodat jongeren passende hulp kunnen krijgen, toegespitst op hun persoonlijke situatie en behoefte. Voor een nadere toelichting hoe ik dit wil doen, verwijs ik graag naar de kabinetsreactie.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Er is uitstel gevraagd voor de termijn van de beantwoording, zodat de beantwoording van deze schriftelijke vragen gelijktijdig met de kabinetsreactie op het rapport met uw Kamer gedeeld zou kunnen worden.
Het artikel 'Toeslagouders opnieuw in de schulden door goedbedoelde betaalpauze’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Sandra Palmen (NSC) |
|
|
|
|
Klopt het dat de destijds ingestelde betaalpauze voor schulden van toeslagenouders in eerste instantie voor een jaar zou gelden, maar dat vervolgens de pauzeknop door is blijven lopen, zolang als de financiële beoordeling duurde?1
Ik zal de diverse pauzes eerst beschrijven om verwarring over de reikwijdte en duur daarvan te voorkomen. De invorderingspauze, ook wel betaalpauze genoemd, is ingesteld naar aanleiding van politieke debatten over de toeslagenaffaire. Openstaande vorderingen bij Dienst Toeslagen en de Belastingdienst zijn toen, op verzoek van de Tweede Kamer, gepauzeerd gedurende het proces bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT).
Aanleiding was de wens van de Kamer om de gedupeerden meer rust te geven ten tijde van de integrale beoordeling door UHT. Het uitgangspunt was vanaf het begin dat de invorderingspauze van kracht is tot het moment dat ouders de integrale beoordeling door UHT hebben doorlopen. Dat is belangrijk omdat het oordeel of iemand gedupeerd is of niet, na de integrale beoordeling kan wijzigen. Er is in de communicatie niet aangegeven dat het gaat om een pauzering van een jaar. Er is in de brieven aan burgers aangegeven dat de pauze duurt zolang UHT met de herbeoordeling bezig is. De integrale beoordeling heeft voor sommige ouders helaas vertraging opgelopen. Ik vind het heel vervelend als mensen daardoor het inzicht in hun schulden zijn kwijtgeraakt, terwijl de pauze was bedoeld om hen te helpen. Om in te spelen op de vertraging van integrale beoordelingen, is bij aanmelders na 1 maart 2023 de invorderingspauze beperkt tot belasting- en toeslagschulden die dateren van 2020 of eerder.
Het gefaseerd opstarten van de invordering is in de loop van 2024 gestart. Dat niet eerder is gestart, houdt verband met de voorbereidende werkzaamheden. Zo zijn eerst pilots uitgevoerd met kleine doelgroepen om de aanpak te testen en bij te schaven. Binnen de planning van deze voorbereidende werkzaamheden is in een algemene maatregel van bestuur geregeld dat invorderingsrente niet in rekening wordt gebracht over de gepauzeerde vorderingen.
Als bij uw Kamer het beeld bestaat dat de invorderingspauze een jaar zou duren, komt dat mogelijk doordat het moratorium, ook wel afkoelingsperiode genoemd, een jaar duurt. In dat jaar mogen (derde) publieke en private schuldeisers geen actieve incassomaatregelen nemen voor schulden die zijn ontstaan vóór de ontvangst van de € 30.000 of de eerste uitbetaling na een integrale beoordeling. Het moratorium ziet op publieke en private schulden van gedupeerden.
De invorderingspauze, waar het lid Inge van Dijk aan refereert, ziet op belasting- en toeslagschulden van mogelijk gedupeerden (aanmelders bij UHT). Dit is een grotere groep van circa 100.000 personen. Sinds april 2024 wordt de invordering van resterende schulden opgestart bij degenen binnen deze groep, die enkele maanden daaraan voorafgaand de integrale beoordeling hebben gekregen of daarvan hebben afgezien.
Waar hieronder in de beantwoording de term ouders wordt gebruikt, omvat deze term zowel gedupeerden als niet-gedupeerden. Circa de helft van aanmelders bij UHT die pauze hebben gekregen, zijn niet-gedupeerden.
Kunt u zich voorstellen dat door de herhaaldelijke grote vertragingen in de hersteloperatie in de afgelopen jaren, de schulden bij ouders steeds verder uit zicht zijn geraakt?
Ik kan me voorstellen dat ouders het overzicht kwijtraken op de totale belasting- en toeslagschulden, ondanks dat er veel is gedaan aan communicatie over de schulden. Toeslagen moeten voor mensen simpeler en begrijpelijker worden en mensen moeten zo min mogelijk worden geconfronteerd met (risico’s op) terugvorderingen. Zolang het toeslagenstelsel niet grondig is aangepast, blijven er helaas terugvorderingen ontstaan en kunnen schulden zich opstapelen. De stapel groeit in de loop der jaren als terugvorderingen en belastingaanslagen niet worden betaald.
Het doel van de pauze was om meer rust te geven tijdens het herstelproces. Om te zorgen dat mensen toch op de hoogte blijven van nieuwe schulden hebben Dienst Toeslagen en de Belastingdienst brieven gestuurd zoals de definitieve toekenning of terugvordering (Toeslagen), alsmede belastingaanslagen. In deze beschikkingen is aangegeven dat mensen de bedragen moeten betalen en hoe ze dat kunnen doen. Tijdens de pauze wordt betaling alleen niet afgedwongen. De Belastingdienst en Dienst Toeslagen hebben geen stappen gezet om deze bedragen actief te innen als ouders niet betalen. Ouders hebben dus na de beschikking geen herinnering, aanmaning of dwangbevel ontvangen waarin het verzoek om te betalen is herhaald. Dat zorgt ervoor dat ouders tijdens de hersteloperatie meer rust hebben gekregen. Het ontbreken van deze herhaaldelijke betaalverzoeken heeft de keerzijde dat ouders de schuld na ontvangst van de belastingaanslag of terugvordering eerder uit het oog kunnen verliezen. In het kader van extra dienstverlening ontvangen ouders twee schuldoverzichten op verschillende momenten in de aanloop naar de reguliere invordering van deze schulden. BelastingTelefoon-medewerkers zijn ingelicht over de mogelijkheid dat mensen, die bellen met vragen over hun schulden, zich niet bewust kunnen zijn van (het totaal van) alle belasting- en toeslagschulden, alsmede dat ouders emotioneel kunnen reageren. Mogelijk financieel kwetsbare ouders zijn en worden vooraf gebeld door het UHT-Serviceteam.2
Kunt u zich voorstellen dat mensen na een dergelijke lange radiostilte worden overvallen door een grote openstaande schuld, wat direct weer nieuwe stress oproept?
De keuze voor een betaalpauze betekent dat burgers met betaalproblemen op een later moment geconfronteerd worden met een (grote) openstaande schuld. Ik kan me voorstellen dat mensen stress ervaren door het betaalverzoek aan het einde van de pauze en inzicht in de totale som van schulden. Er is echter geen sprake van een volledige radiostilte of het overvallen van burgers met het feit dat er schulden zijn. De betrokken burgers zijn bij de aanmelding bij UHT geïnformeerd dat de pauzering tijdelijk zou zijn. De betrokkenen hebben (in sommige gevallen) tijdens de pauzering belastingaangifte gedaan. Belastingaanslagen en toeslagbeschikkingen zijn verstuurd.
Naast een gebrek aan inzicht in de schuldenpositie kan een gebrek aan inzicht in de oplossingen stress veroorzaken. Tegen het einde van de pauzering is ruim voor de uiterste betaaldatum gecommuniceerd over de schuld en is onder de aandacht gebracht dat een betalingsregeling kan worden aangevraagd (zie de brieven in het antwoord op vraag 7). Dit biedt de gelegenheid om op het betaalverzoek te anticiperen en betaalproblemen op te lossen. Medewerkers van de BelastingTelefoon zijn ingelicht om de persoonlijke betalingsregeling (nader) onder de aandacht te brengen bij burgers die betaalproblemen ervaren. De medewerkers proberen deze groep zo goed mogelijk te begeleiden bij het aanvragen van betalingsregelingen. Ook is de capaciteit vergroot bij het team dat de aanvragen voor betalingsregelingen verwerkt.
Klopt het dat schulden zelfs nog verder zijn opgelopen en hoe kan dit gebeuren als geen rente werd berekend over de gepauzeerde schulden?
Ik kan helaas niet beoordelen of schulden verder zijn opgelopen ten opzichte van de start van de hersteloperatie. De openstaande bedragen zijn bij deze groep namelijk niet meer inzichtelijk. Het UHT-label is bewust verwijderd bij de overgang naar het reguliere invorderingsproces, zodat de ouders niet meer als aparte groep worden gevolgd.3
Ik kan wel een verklaring geven voor mogelijke schuldenoploop. Als bij personen schulden zijn opgelopen, is dat het gevolg van het onbetaald laten van nieuwe belastingaanslagen en/of terugvorderingenbeschikkingen vanaf 2021. De kwijtschelding van schulden die het gevolg zijn van toeslagenaffaire beperkt zich namelijk tot en met 2020. In de daaropvolgende jaren kan de schuld dus oplopen, zeker bij degenen die maandelijks of jaarlijks belasting verschuldigd zijn. Deze situatie doet zich veelal voor bij mensen die inkomstenbelasting moeten bijbetalen. De redenen hiervoor kunnen zeer uiteenlopen. Daarnaast loopt de schuld op als meerdere tijdvakken omzetbelasting of loonheffing niet worden betaald. Ook de motorrijtuigenbelasting kent meerdere momenten per jaar waarop betaald moet worden.
Alle aanmelders bij UHT hebben de invorderingspauze gekregen, maar niet alle aanmelders zijn daadwerkelijk gedupeerd. Ik kan me voorstellen dat met name degenen, die zich voor 1 maart 2023 hebben aangemeld bij UHT, schulden in de periode 2023 tot en met 2025 hebben opgebouwd door niet te betalen tijdens de pauzering. Als diegenen op basis van de integrale beoordeling geen gedupeerde zijn, worden ook de oudere schulden niet kwijtgescholden. Er is dan sprake van een stapeling van schulden.
Dienst Toeslagen en de Belastingdienst rekenen geen invorderingsrente over de schulden waarbij de invordering is gepauzeerd. Dit geldt bij deze schulden ook voor de periode na opheffing van de pauzering.
Kunt u de signalen nagaan van ouders, die aangeven nooit communicatie te hebben ontvangen over de openstaande schulden, ook niet bij de jaarlijkse belastingaanslag/toeslagbeschikking?
Ik heb dit laten nagaan en kom tot de conclusie dat brieven zijn verstuurd. Het verzenden van toeslagbeschikkingen en het opleggen van belastingaanslagen (waarop de te betalen schuld is vermeld) is nooit gepauzeerd. Er zijn geen verstoringen gemeld met betrekking tot de postbezorging. Het versturen van brieven is alleen niet mogelijk geweest bij personen die zijn verhuisd en de adreswijziging niet hebben doorgegeven; zij hebben de «Vertrokken onbekend waarheen»-status in de Basisregistratie Personen. Wanneer deze personen pauze hebben gekregen en in een latere fase weer een adres bekend wordt, worden vanaf dat moment brieven gestuurd.
Bent u van mening dat de communicatie hierover richting ouders de afgelopen jaren echt helder is geweest en voldoende inzicht en handelingsperspectief heeft geboden?
Ik ben van mening dat de communicatie richting ouders de afgelopen jaren voldoende inzicht en handelingsperspectief heeft geboden, maar ik ben me er ook van bewust dat de communicatie de afgelopen jaren niet heeft aangespoord tot actie en daardoor onvoldoende effect kan hebben gehad. Het verzenden van betalingsherinneringen, aanmaningen en dwangbevelen maakt de urgentie helder en helpt om mensen in actie te laten komen, maar onderdeel van de pauze was juist om deze frequente betaalverzoeken niet te sturen. De Belastingdienst en Dienst Toeslagen realiseren zich dat de opstart van invordering zorgvuldig moet plaatsvinden en mensen verrast kunnen worden. De conceptbrieven over de opstart van de invordering (zie vraag 7) zijn voorgelegd aan het ouderpanel dat heeft ingestemd met de inhoud en vormgeving van de brieven. Mogelijk financieel kwetsbare ouders zijn en worden gebeld door het UHT-Serviceteam. Huisbezoeken vinden plaats in specifieke gevallen. Met burgers en stakeholders is ook gecommuniceerd via de UHT-website en er zijn webinars georganiseerd. Er is op www.toeslagen.nl/einde-pauze een webpagina voor deze groep gemaakt. De communicatie-aanpak wordt continu tegen het licht gehouden naar aanleiding van signalen. Zo is bij medewerkers van de BelastingTelefoon en het UHT-serviceteam uitgevraagd hoe de gesprekken met deze doelgroep verlopen. Daaruit blijkt dat er bij sommige ouders verwarring is over het proces van terugbetalen (o.a. door het verschil tussen de 12 maanden durende betalingsregeling van de Belastingdienst, de standaardbetalingsregeling van 24 maanden van Dienst Toeslagen en de persoonlijke betalingsregeling van Dienst Toeslagen). Er zijn geen signalen dat er iets misgaat in het aanvragen van betalingsregelingen, maar het is complex voor sommige ouders en ik begrijp dat. Medewerkers van de BelastingTelefoon proberen hen hier zo goed mogelijk bij te begeleiden.
Kunt u als bijlage bij uw beantwoording voorbeelden meesturen van de brieven, die hierover gedurende de afgelopen jaren zijn uitgegaan?
Bijgaand treft u de volgende vijf voorbeeldbrieven:
Verder zijn er diverse brieven verstuurd die zijn toegespitst op specifieke situaties zoals de situatie waarin voor het einde van de pauze al betaalafspraken zijn gemaakt. Dan zit er in de brief een op maat gemaakte boodschap, bijvoorbeeld: «u kunt blijven betalen volgens die afspraken». Ook zijn brieven toegesneden op specifieke doelgroepen zoals bewindvoerders/schuldhulpverleners/curatoren. Deze brieven zijn niet bijgevoegd.
De datum van verzenden van de bovengenoemde brieven hangt af van het moment waarop burgers zich aanmelden bij UHT en uitstromen uit het herstelproces.
Daarnaast zijn tijdens de pauzering beschikkingen vanuit Dienst Toeslagen en de Belastingdienst verstuurd. Deze zijn niet bijgevoegd. Beschikkingen die betrekking hebben op Inkomstenbelasting of toeslagen zijn ook digitaal inzichtelijk voor burgers.
Waarom zijn pas in 2024 en 2025 brieven gestuurd met een schuldenoverzicht, terwijl dit bijvoorbeeld bij de coronaschuldenregeling jaarlijks wordt gedaan, zodat mensen zicht kunnen houden op de openstaande schuld?
Ondernemers die in de coronaregeling zitten, krijgen ieder kwartaal een schuldenoverzicht met de resterende schuld. Ook voorafgaand aan de coronaregeling zijn schuldenoverzichten verstuurd.
Bij de UHT-invorderingspauze is niet voor dezelfde werkwijze gekozen om (mogelijk) gedupeerde ouders rust te bieden. Ouders kunnen door de brieven stress ervaren en de brieven als een aansporing zien om te betalen, wat op gespannen voet staat met de intentie achter de pauze. Conform het reguliere proces zijn tijdens de pauze wel beschikkingen verstuurd en zijn schuldoverzichten alleen op verzoek van de burger gestuurd. Via het overzicht betalen en ontvangen zijn schulden te zien in de online omgeving. Er zijn wel proactief schuldenoverzichten verstuurd voorafgaand aan de start van de invordering.
Is het volgens u, terugkijkend, eigenlijk verantwoord geweest om van ouders die jarenlang zoveel financiële stress hebben gehad, te verwachten dat zij hoge schulden in het oog zouden houden, zonder aanvullende begeleiding?
Het is niet realistisch om te verwachten dat alle gedupeerden en niet-gedupeerden die een pauze hebben gekregen zonder enige vorm van begeleiding voldoende inzicht hebben in hun schuldpositie en daarnaar kunnen handelen. Er is daarom sprake van een zekere mate van begeleiding om in te spelen op het risico dat ouders tijdens het UHT-proces betaalproblemen voor zich uitschuiven:
Het is voor de Belastingdienst en Dienst Toeslagen moeilijk in te schatten in hoeverre burgers behoefte hebben aan aanvullende begeleiding en of zij de schulden uit het oog zijn verloren. De schulden hebben een dynamisch karakter door betalingen en verrekeningen. De actuele openstaande bedragen voor deze groep ouders zijn voor de Belastingdienst en Dienst Toeslagen niet inzichtelijk, omdat het UHT-label in de invorderingssystemen bewust is verwijderd bij de overgang naar het reguliere invorderingsproces, zodat de ouders niet meer als aparte groep worden gevolgd. Bij circa 64.000 van de 100.000 aanmelders is het UHT-proces afgerond en is de invordering inmiddels opgestart.
Klopt het dat ouders de openstaande schulden, die waren ontstaan als gevolg van de toeslagenaffaire, na afronding van de financiële beoordeling en compensatie terug zouden moeten kunnen betalen en is daar volgens u nog steeds sprake van?
Het klopt niet dat ouders schulden moeten betalen die het gevolg zijn van de toeslagenaffaire. Bij de integrale beoordeling kijkt UHT of een ouder gedupeerd is. Toeslag- en belastingschulden die zijn ontstaan voor 1 januari 2021 worden bij erkend gedupeerden kwijtgescholden, behalve als deze voortkomen uit aantoonbare fraude, misbruik of strafbaar gedrag. De invordering wordt enkele maanden na afronding van de integrale beoordeling (of nadat de burger daarvan heeft afgezien) opgestart ten aanzien van belasting- en toeslagschulden die ondanks de UHT-procedure niet zijn kwijtgescholden. Dit betreft onder meer nieuwe schulden die tijdens de pauze zijn ontstaan. Het aanmelden bij UHT ontslaat burgers niet van de verplichting om uiteindelijk deze resterende schulden te betalen als er voldoende betaalcapaciteit is.
Kunt u de oorzaken aangeven waarom ouders de schulden nu in veel gevallen niet kunnen terugbetalen?
De aanname dat de ouders de schulden in veel gevallen niet kunnen (terug)betalen, gaat uit van de veronderstelling dat hun betaalcapaciteit ontoereikend is. Die veronderstelling kan ik niet bevestigen. De actuele openstaande bedragen zijn voor de groep aanmelders bij UHT niet inzichtelijk, omdat het UHT-label bewust is verwijderd bij de overgang naar het reguliere invorderingsproces zodat zij niet meer als aparte groep worden gevolgd.Er kan dus niet voor deze groep worden gemonitord hoeveel inmiddels is betaald of via verrekening is geïnd. Wel is duidelijk dat – voorafgaand aan de herstart van de invordering – circa 70% van de openstaande bedragen bestaan uit vorderingen die ouder zijn dan twee jaar. De belastingschulden zijn op dat moment over het algemeen hoger dan de toeslagschulden. Voor een opsomming van de mogelijke oorzaken voor het niet kunnen betalen van de schulden verwijs ik naar het antwoord op vraag 4. In aanvulling daarop lijkt bij sommige ouders multiproblematiek een rol te spelen, zo blijkt uit contact met de VNG.
Klopt het dat de regels voor een betalingsregeling of kwijtschelding van een schuld vaak streng zijn?
De regels voor het krijgen van een betalingsregeling bij Dienst Toeslagen zijn niet streng. Mensen die de toeslagschuld niet ineens kunnen betalen, kunnen standaard in 24 maandelijkse termijnen betalen.
Als dat niet lukt, kan een betalingsregeling naar draagkracht worden aangevraagd, waarbij na 24 maanden de resterende schuld niet wordt ingevorderd behoudens verrekening met eenmalig uit te betalen bedragen gedurende drie jaar. Na maximaal 5 jaar is dan de invordering gestopt.
Kwijtschelding is wettelijk niet mogelijk bij toeslagschulden die resteren na de integrale beoordeling door UHT.
Voor belastingschulden kan de belastingschuldige contact opnemen voor een betalingsregeling van in beginsel maximaal 12 maanden. Hierbij houdt de Belastingdienst rekening met de betalingscapaciteit van de aanvrager. In bijzondere omstandigheden kan de Belastingdienst voor belastingschulden een langere betalingsregeling dan 12 maanden toestaan. Als burgers hun belastingschuld niet volledig binnen 12 maanden kunnen betalen, toetst de Belastingdienst ambtshalve of kwijtschelding aan de orde kan zijn. Bij de toets wordt o.a. gekeken naar het type belastingschuld, de persoonlijke situatie (waaronder het inkomen en bezittingen zoals een auto en woning), alsmede de eventuele schulden die belastingschuldige bij derden heeft als de aflossing daarvan tot ongewenste effecten leidt. De Belastingdienst kent sinds 1 juli 2025 ook een verlengde betalingsregeling bij illiquide vermogen. Als het onredelijk bezwarend is om vermogensbestanddelen liquide te maken (zoals bij de eigen woning), kunnen particulieren onder voorwaarden een regeling voor 72 maanden krijgen. Het is ook mogelijk om (onder voorwaarden) kort (telefonisch) uitstel te vragen voor een maximale duur van vier maanden.
Wat zou volgens u in dit geval passend zijn met betrekking tot betalingsregelingen of kwijtscheldingen met in uw achterhoofd dat men ouders een nieuwe start wilde laten maken?
In het invorderingsproces wil ik oog hebben voor de mens. Zoals bij het antwoord op vraag 12 beschreven, wordt in het reguliere invorderingsproces rekening gehouden met burgers die te weinig betaalcapaciteit hebben: het is passend dat mensen, die betaalproblemen ervaren met toeslagschulden, een standaardbetalingsregeling van 24 maanden krijgen en – als dat niet toereikend is – hun betaalcapaciteit laten toetsen om een persoonlijke betalingsregeling bij Dienst Toeslagen te krijgen. Het is niet mogelijk om proactief een persoonlijke betalingsregeling te verstrekken omdat de burger eerst gegevens over zijn financiële situatie moet aanleveren via een digitaal formulier. De burger kan ook de Belastingtelefoon bellen om het formulier per post te krijgen. Aan de hand daarvan wordt de financiële situatie beoordeeld.
Het aanvragen van een betalingsregeling verloopt ook bij de Belastingdienst via een formulier. Hulp daarbij is beschikbaar via de BelastingTelefoon of er kan een afspraak worden gemaakt op een belastingkantoor bij de balie. Er wordt bij de behandeling van het verzoek om een betalingsregeling bij particulieren ambtshalve getoetst of kwijtschelding passend is. In beginsel komt een particulier die te goeder trouw heeft gehandeld in aanmerking voor kwijtschelding voor belastingschulden nadat hij 12 maanden zijn betalingscapaciteit heeft aangewend. Doordat schulden inmiddels over de jaren opgestapeld kunnen zijn, kan door de pauze de situatie zijn ontstaan dat minder betaald hoeft te worden dan wanneer de burger direct na het ontvangen van het aanslagbiljet had gevraagd om een betalingsregeling of kwijtschelding.
Ondernemers die (ook) bijzonder uitstel van betaling i.v.m. de coronacrisis hebben gevraagd, krijgen 60 maanden de tijd om hun belastingschuld terug te betalen. Over de opties om een betalingsregeling of kwijtschelding aan te vragen is gecommuniceerd naar de betrokkenen.
De volgende alternatieve oplossingen zijn overwogen:
Wat moeten ouders doen als zij nog geen reactie hebben op een verzoek tot een betalingsregeling of kwijtschelding, terwijl betalingsherinneringen binnen blijven komen en verlopen?
Wanneer een schriftelijk of digitaal verzoek wordt ingediend voor een betalingsregeling, een betalingsregeling op maat of een verzoek om kwijtschelding, wordt dit verzoek geregistreerd door Dienst Toeslagen en/of de Belastingdienst. Vanaf het moment van ontvangst handelt de ontvanger overeenkomstig het beleid dat wordt gevoerd als het verzoek is toegewezen, totdat het verzoek inhoudelijk is beoordeeld.4 Er worden dan geen betalingsherinneringen verstuurd. Nieuwe schulden die ontstaan moeten wel tijdig worden betaald en dat is een voorwaarde voor het verkrijgen en behouden van de betalingsregeling van de Belastingdienst.
Kun u aanvullende communicatie uit laten gaan wat ouders in deze situatie kunnen doen en bij wie ze terecht kunnen voor hulp, om zoveel mogelijk ouders te bereiken die mogelijk eerdere communicatie hebben gemist?
De communicatie-aanpak wordt continu tegen het licht gehouden. Aan de hand van signalen zijn aanvullende maatregelen getroffen:
Bent u ook bereid om te kijken naar verdere ondersteuning en begeleiding voor deze ouders, zodat zij ook echt een nieuwe start kunnen maken en zij de gevolgen van de toeslagenaffaire ook blijvend achter zich kunnen laten?
Ik vind het heel vervelend als mensen niet de hulp zouden krijgen die nodig is. Ik ben bereid om te kijken of de ondersteuning beter kan. Dienst Toeslagen biedt al de inzet van het Stella-team het team voor persoonlijke begeleiding, hulp aan de balie en getrainde medewerkers aan de telefoon.
Als ouders ondanks de communicatie en hulplijnen problemen ondervinden bij het betalen of aanvragen van een betalingsregeling, ligt de oplossing mogelijk bij hulpverlenende instanties. Met name als er multiproblematiek speelt, is dit het geval. Het bieden van ondersteuning aan de populatie, die problematische schulden heeft, kan de Belastingdienst en Dienst Toeslagen niet alleen. Dienst Toeslagen heeft sinds 9 februari 2026 een samenwerkingsovereenkomst met Geldfit. Dat is een hulpinstelling voor burgers en ondernemers met schulden. Ik zal verder kijken met de VNG of het mogelijk is om de ouders met problematische schulden (meer) maatwerk te verlenen. Dienst Toeslagen onderhoud contact met de VNG om signalen daarover uit te wisselen. In een paar grote gemeentes (Amsterdam en Rotterdam) is sprake van een grotere toestroom richting schuldhulpverlening. Naar aanleiding van een verzoek van de gemeente Amsterdam in samenwerking met de VNG hebben medewerkers van het Stella-team Toeslagen, het Stella-team Belastingdienst, Relatiebeheer Belastingdienst, het team Persoonlijke Begeleiding Toeslagen en het Landelijk Incasso Centrum van de Belastingdienst de zorgen en behoeften van ouders geïnventariseerd en hen waar mogelijk verder op weg geholpen. Naast het contact met de VNG is er contact met Stichting Lotgenoten en de oudercommissie om signalen op te halen en vragen te beantwoorden. Zoals in antwoord 15 aangegeven, betrekt Dienst Toeslagen ook intermediairs om burgers dichtbij in hun buurt te ondersteunen.
Het bericht ‘Versnippering binnen fiscus leidt tot grote verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslagen IB’ |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Vind u 3,9 miljard euro teveel betaalde belasting op voorlopige aanslag in 2022 te rechtvaardigen aan burgers en bedrijven?1
Een eerste voorlopige aanslag (EVA) is een schatting van de verschuldigde belasting door de Belastingdienst voor het lopende jaar, terwijl een voorlopige aanslag (VA) een later opgelegde of aangepaste schatting is op basis van nieuwe of aanvullende informatie. De eerste voorlopige aanslag wordt opgelegd aan burgers, waaronder ook ondernemers voor de inkomstenbelasting, maar een (E)VA inkomstenbelasting wordt niet opgelegd aan bedrijven. De (E)VA wordt opgelegd om te zorgen dat de belasting zoveel mogelijk tijdens het jaar zelf wordt betaald of ontvangen, in plaats van dat belastingplichtigen pas achteraf bij de definitieve aanslag (DA) bericht ontvangen over het volledig te betalen bedrag of dan pas de volledige teruggave ontvangen.
De EVA is gebaseerd op gegevens uit voorgaande jaren, die veelal door burgers aan de Belastingdienst zijn verstrekt via een aangifte of een verzoek om een VA. Op het moment van het opleggen van de EVA wordt gebruik gemaakt van de meest recente informatie die binnen de Belastingdienst beschikbaar is. Aangezien deze gegevens onderhevig zijn aan wijzigingen, zal de EVA afwijken van de DA. Dat is een voorzien onderdeel van het stelsel, en een verschil is daarmee te rechtvaardigen. De Belastingdienst ziet echter het belang er van in om de verschillen tussen de (E)VA en de DA te minimaliseren. Daarom informeert de Belastingdienst belastingplichtigen bij het opleggen van de EVA altijd over de gebruikte gegevens en roept zij hen op deze te controleren en waar nodig aan te passen via Mijn Belastingdienst.
Wat zijn de belangrijkste oorzaken van verschillen tussen de voorlopige en definitieve aanslag voor particulieren en voor het MKB?
De verschillen tussen de (E)VA en de DA ontstaan doordat een (E)VA is gebaseerd op gegevens van voorgaande jaren die bij de Belastingdienst bekend zijn. De DA daarentegen is gebaseerd op de gegevens uit de ingediende aangifte over het betreffende belastingjaar, getoetst aan de hand van contra-informatie die de Belastingdienst ontvangt van onder meer banken, werkgevers en uitkeringsinstanties. Deze informatie komt pas na afloop van het belastingjaar beschikbaar.
Bij burgers kunnen verschillen ontstaan in het inkomen, aftrekposten of vermogen. Bij ondernemers kunnen verschillen ontstaan door onder andere wisselende jaarlijkse omzetten of kostenposten. Wanneer burgers de Belastingdienst gedurende het belastingjaar niet voorzien van actuele gegevens, blijven deze verschillen gedurende het belastingjaar in stand. Voor het MKB geldt dat ongeveer 80% van de ondernemers gebruikmaakt van een fiscale dienstverlener. Deze dienstverleners kunnen becon-uitstel krijgen om de werkdruk te spreiden, wat kan oplopen tot maximaal zestien maanden. Daardoor wordt de (E)VA vaak gebaseerd op gegevens van twee tot drie jaar eerder. Bij burgers komt deze uitstelregeling minder vaak voor.
Klopt het dat verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag ook in belangrijke mate komen door het gebrek aan samenwerking tussen de Afdeling Centrale Administratieve Processen Inkomensheffing (CAP IH), die de voorlopige aanslagen oplegt en de specifieke directies Particulieren en MKB die de definitieve aanslagen opleggen?
De belangrijkste reden is de systematiek van de (E)VA zoals beantwoord in vraag 1. Het bevorderen van de samenwerking zal weinig invloed hebben op het verminderen van de verschillen. Dit is inherent aan de systematiek van de (E)VA. Manieren om de verschillen te verminderen staan opgenomen in het antwoord op vraag 7.
Waarom worden voorlopige en definitieve aanslagen via verschillende processen behandeld, terwijl het over dezelfde belastingplichtigen en belastingsoort gaat?
Het proces voor de (E)VA verschilt niet veel van dat van de DA. Een (E)VA wordt altijd gevolgd door een DA. De DA wordt opgelegd naar aanleiding van een door de burger ingediende aangifte over het betreffende jaar, in tegenstelling tot de (E)VA. Het onderscheid zit in de gebruikte gegevens. De (E)VA maakt gebruik van beschikbare gegevens uit een ingediend verzoek om VA of een aangifte van voorgaande jaren. De DA wordt vastgesteld op basis van actuele gegevens die door de burger zijn opgegeven en die worden getoetst aan de hand van contra-informatie. Deze systematiek zorgt ervoor dat het bedrag van de (E)VA in de DA wordt aangepast aan de werkelijke gegevens.
Bent u het ermee eens dat het minimaliseren van verschillen tussen voorlopige en definitieve aanslag wél tot de taakopdracht en doelstellingen van CAP IB en de desbetreffende directies zou moeten behoren?
Het minimaliseren van verschillen tussen de (E)VA en de DA behoort tot de gezamenlijke taakopdracht en doelstellingen van alle betrokken directies en ketens binnen de Belastingdienst. Het belang hiervan wordt onderkend. De Belastingdienst is hierin wel afhankelijk van de medewerking van burgers.
Welke mogelijkheden ziet u voor verbetering van de samenwerking tussen deze onderdelen en betere afstemming van de controles die zij uitvoeren?
De genoemde directies voeren nu elk een specifiek deel van het controleproces uit. In 2026 wordt onderzocht in hoeverre de ontwikkeling en toepassing van het beoordelingsproces meer in samenhang kan plaatsvinden met die van de DA. Dit kan leiden tot een betere afstemming van controles en een meer geïntegreerde werkwijze tussen de betrokken onderdelen. Door een gecombineerde herziening van het beoordelingsproces, een betere duiding van doelstellingen en intensievere samenwerking tussen directies ontstaat een meer samenhangende en effectieve controleaanpak voor zowel (E)VA als DA.
Welke verdere mogelijkheden ziet u om de aansluiting van voorlopige aanslag op definitieve aanslag te verbeteren, zodat de heffing bij burgers en bedrijven beter aansluit op de werkelijkheid?
Een mogelijke verbetering is om het formulier en/of het proces voor het indienen van een wijzigingsverzoek voor de VA gebruiksvriendelijker en beter kenbaar te maken. Vanwege beperkte IV-capaciteit is deze wens nog niet ingewilligd. Daarnaast worden er al campagnes ingezet om burgers te stimuleren tijdig een wijzigingsverzoek in te dienen. In deze campagnes wordt onder meer aandacht besteed aan het aanpassen van inkomensgegevens bij belangrijke life-events, zoals scheiden, een huis kopen of trouwen.
Welke mogelijkheden ziet u om het gebrek aan vaktechnische slagkracht bij CAP IH op te lossen?
Ter verbetering van de kwaliteit van de uitworpbehandeling is de Belastingdienst een overlegtraject gestart. Binnen dit traject worden geconstateerde knelpunten geanalyseerd en wordt bezien op welke wijze werk waarvoor veel vaktechnische kennis nodig is beter te beleggen binnen de Belastingdienst.
Het bericht 'Jetten verruimt de hypotheekrenteaftrek' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Kunt u de budgettaire gevolgen in kaart brengen van het niet kunnen handhaven van de 30-jaarstermijn in de hypotheekrenteaftrek per 2031 en verder, als dit betekent dat huishoudens met een oude hypotheek ook na 30 jaar nog gebruik blijven maken van de hypotheekrenteaftrek?1
In het ambtelijk rapport2 over het aflopen van de 30-jaarstermijn wordt onder andere ingegaan op de financiële gevolgen van de handhavingsproblematiek rondom de 30-jaarstermijn. Dit rapport is tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer verzonden. Zoals in het rapport staat beschreven kunnen de gemiste jaarlijkse belastingopbrengsten als geen besluitvorming plaatsvindt – en de huidige situatie dus in stand blijft – na 2031 oplopen tot boven de 100 miljoen euro per jaar door het (on)bewust overschrijden van de 30-jaarstermijn door burgers. Deze inschatting is met grote onzekerheden omgeven.
Kunt u uiteenzetten bij wat voor soort hypotheken hier een probleem ontstaat en wat de omvang hiervan is?
Het probleem zal zich voordoen bij alle hypotheken waarvoor de 30-jaarstermijn geldt. Dat zijn in eerste instantie vrijwel alle lopende hypotheken die zijn afgesloten voor 1 januari 2001 waarbij de 30-jaarstermijn op 1 januari 2001 is ingegaan en het recht op hypotheekrenteaftrek vanaf 1 januari 2031 vervalt. In de jaren erna geldt hetzelfde voor hypotheken die na 1 januari 2001 maar vóór 1 januari 2013 zijn afgesloten. In het rapport is opgenomen dat er ongeveer 2,7 miljoen hypotheken zijn die vermoedelijk een startdatum hebben van voor 2012. Daarnaast geldt voor hypotheken die voor 1 januari 2013 zijn afgesloten en na deze datum zijn overgesloten en aan de aflossingseis voldoen, een maximale periode van renteaftrek van 30 jaar. De periode van hypotheekrenteaftrek van vóór 1 januari 2013 vermindert dan de periode waarover de rente aftrekbaar is. De periode waarin recht bestaat op hypotheekrenteaftrek kan daardoor korter zijn dan de termijn van 360 maanden (30 jaar) waarin de hypotheek moet worden afgelost. In het hiervoor genoemde ambtelijke rapport wordt nader ingegaan op de risico’s en de mogelijke oplossingsrichtingen.
Waarom is nooit een goed administratiesysteem opgezet om te kunnen voldoen aan deze wettelijke verplichting en ter voorkoming van financiële derving?
De 30-jaarstermijn is per 1 januari 2001 ingevoerd. Het uitgangspunt van de huidige wetgeving is dat het primair aan belastingplichtigen is om aannemelijk te maken dat recht bestaat op een aftrek. Een vorig kabinet heeft in 2019 naar aanleiding van aanbevelingen van Panteia over het alsnog gaan opzetten van een dergelijk administratiesysteem aangegeven dit niet te gaan doen om de volgende redenen. Deze overwegingen zijn nog steeds relevant3:
Ook is eerder door mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van de kabinetsreactie op de evaluaties ingegaan op de uitvoeringsproblemen van de Belastingdienst.4
De Belastingdienst probeert belastingplichtigen overigens zo goed mogelijk in staat te stellen met zo min mogelijk inspanningen automatisch aan fiscale verplichtingen te kunnen voldoen. Een belangrijk instrument hierbij is bijvoorbeeld de vooraf ingevulde aangifte. Doordat er geen gegevens beschikbaar zijn, kunnen belastingplichtigen echter niet geholpen worden bij het onderbouwen van een recht op aftrek.
Verder was de invoering van de 30-jaarstermijn slechts een onderdeel van de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001. Er is destijds niet voor gekozen een dergelijk administratiesysteem op te zetten. Naast de bovengenoemde redenen om niet over te gaan op een administratiesysteem hadden destijds de invoering van het boxenstelsel (en de vermogensrendementsheffing), het vervangen van belastingvrije sommen door heffingskortingen en de introductie van uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de niet of weinig verdienende partner prioriteit. Ook toen waren er al uitdagingen op het gebied van ICT capaciteit. Het effect van de 30-jaarstermijn zou zich ook pas voor het eerst voordoen in 2031, terwijl deze onderdelen per 2001 in werking moesten treden.
Als er inderdaad sprake is van financiële derving, hoe dient deze dan begrotingstechnisch te worden gedekt?
Voor het inkomstenkader geldt als uitgangspunt geldt dat belastingplichtigen zich compliant gedragen. Mocht daar toch geen sprake van zijn dan maakt een eventuele financiële derving geen onderdeel uit van het inkomstenkader en is er geen sprake van een dekkingsopgave binnen de begrotingskaders. Binnen de kaders dient enkel te worden gecompenseerd voor beleidsmatige mutaties. In dit geval is geen sprake van een beleidswijziging. Een eventuele derving heeft wel gevolgen voor het EMU-saldo.
Klopt het dat de overheid van mensen verwacht dat zij het verlopen van de 30-jaarstermijn zelf verwerken in de aangifte en ligt de bewijslast bij de burger. Hoe gaat de Belastingdienst dit vervolgens controleren?
Ja dat is inderdaad het uitgangspunt op basis van de huidige wetgeving. De bewijslast voor inkomensverlagende posten ligt namelijk bij de belastingplichtige. Met het oog op de handhaving van de 30-jaarstermijn ondersteunt de Belastingdienst de burger daarbij met dienstverlening en communicatie. De burger wordt daarbij in de aangifte geholpen door hulpvragen. Dit zijn vragen die bedoeld zijn om de burger te helpen bij het invullen van de aangifte, maar de antwoorden op deze hulpvragen worden niet verstuurd aan de Belastingdienst. De Belastingdienst heeft geen, of slechts beperkt, gegevens over de precieze looptijd van leningen om de aangeleverde gegevens op grote schaal op juistheid te controleren. Toezicht op de 30-jaarstermijn zal daarom hoogstwaarschijnlijk steekproefsgewijs plaats gaan vinden, door gegevens op te vragen bij de belastingplichtige en deze vervolgens te beoordelen.
Is het verschil wat dan ontstaat tussen mensen bij het niet kunnen handhaven juridisch houdbaar of kan dit leiden tot procedures van mensen die ook langer aftrek willen in het kader van gelijke behandeling?
De Belastingdienst is bij de handhaving gebonden aan het gelijkheidsbeginsel. Elke belastingplichtige die aan de objectieve selectievoorwaarden voldoet zou gecontroleerd kunnen worden. In het geval een aangifte van een belastingplichtige wordt uitgeworpen, dan is het aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat er recht op de hypotheekrentaftrek bestaat. Als de belastingplichtige hier niet in slaagt, zal dit leiden tot een correctie van de aangifte inkomstenbelasting. Iedere belastingplichtige zou gecontroleerd kunnen worden en bij een onjuiste aangifte vindt een correctie plaats. Dit leidt dus niet tot een verschil van behandeling tussen belastingplichtigen.
Werkt de Belastingdienst aan oplossingsrichtingen over hoe om te gaan met het aflopen van de 30-jaarstermijn? Zo ja, wat zijn mogelijke oplossingsrichtingen en wat betekenen deze voor de uitvoering. Zo niet, waarom niet?
Zoals eerder genoemd is gewerkt aan een ambtelijk rapport over de 30-jaarsproblematiek bij de hypotheekrenteaftrek. Voor de mogelijke oplossingsrichtingen wordt naar dit rapport verwezen dat tegelijkertijd met deze antwoorden naar de Tweede Kamer is verstuurd.
De budgettaire derving van de nieuwe voorgestelde fiscale regeling om vastgoed uit te zonderen van de vermogensaanwasbelasting |
|
Luc Stultiens (GroenLinks-PvdA) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Klopt het dat u voornemens bent om vastgoed uit zonderen van de vermogensaanwasbelasting in box 3 door hiervoor een vermogenswinstbelasting te hanteren?
Ja. Met het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt voorgesteld om met ingang van 1 januari 2028 het werkelijke rendement te belasten in box 3. De belasting wordt als hoofdregel vormgegeven als een vermogensaanwasbelasting. Voor onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen geldt als uitzondering op de hoofdregel een vermogenswinstbelasting.
Klopt het dat u in het toetsingskader fiscale regelingen aangeeft dat deze uitzondering voor vastgoed «in de eerste jaren kan oplopen tot één miljard euro per jaar» maar niet aangeeft wat de totale budgettaire derving is?
Dat klopt. Ten behoeve van het toetsingskader fiscale regelingen is een eerste indicatie gegeven voor de kosten van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken, ten opzichte van een volledige vermogensaanwasbelasting. Recent is een gedetailleerde raming gemaakt, zie onderstaande tabel. De raming voor de budgettaire derving van een vermogenswinstbelasting op aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen staat in het toetsingskader.
3.538
3.225
2.925
2.721
2.506
2.335
2.176
2.065
1.925
533
Klopt het dat u in hetzelfde toetsingskader fiscale regelingen wél aangeeft wat de totale budgettaire derving is bij de uitzondering voor startups? Waarom heeft u hier wel het totale bedrag genoemd en bij de uitzondering voor vastgoed niet?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eerder in het verslag over het wetsvoorstel werkelijk rendement Box 3 hebben gevraagd wat de budgettaire gevolgen zijn van deze uitzondering voor vastgoed en dat daarop uw antwoord was dat deze uitzondering voor vastgoed de komende tien jaar zo’n 23 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
In de nota naar aanleiding van het verslag is een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA beantwoord over de budgettaire gevolgen als gekozen zou worden voor een volledige vermogensaanwasbelasting in plaats van het hybride stelsel (bij gelijkblijvende parameters).1 Daaruit valt inderdaad af te leiden dat het cumulatieve budgettaire belang van een vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de eerste 10 jaar uitkomt op circa 23 miljard euro. De structurele opbrengsten van een vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting (met gelijke parameters) zullen gelijk zijn.
Klopt het dat u tijdens het wetgevingsoverleg van maandag 19 januari 2026 hebt erkend dat deze uitzondering voor vastgoed de komende dertig jaar zo’n 42 miljard euro gaat kosten aan budgettaire derving?
Het klopt dat de vermogenswinstbelasting op onroerende zaken en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen in de komende dertig jaar cumulatief een budgettair belang van zo’n € 42 miljard heeft. Echter, het kabinet heeft als uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt. Ook bij een volledige vermogensaanwasbelasting zou het kabinet gekozen hebben voor een budgetneutrale invoering ten opzichte van het basispad. Het basispad is in dit geval het stelsel dat gold tot en met 2022 inclusief alle structurele wijzigingen sindsdien en exclusief de kosten van de hersteloperaties. Zodoende zouden de parameters van een stelsel met volledige vermogensaanwasbelasting worden aangepast zodat de opbrengst overeenkomt met de opbrengst van het hybride stelsel dat in het huidige wetsvoorstel is opgenomen. Er kan dus niet geconcludeerd worden dat een stelsel op basis van volledige vermogenswinstbelasting € 42 miljard meer oplevert in de eerste 30 jaar dan het voorgestelde hybride stelsel.
Wat is het totale bedrag dat deze uitzondering voor vastgoed gaat kosten, dus het totale bedrag (cumulatief) totaan het moment dat de structurele opbrengsten van vermogensaanwas en vermogenswinst aan elkaar gelijk zijn?
Het moment waarop de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid ligt verder in de toekomst dan het jaar tot waar op dit moment geraamd kan worden (2060). Het is dus niet mogelijk om een reeks te presenteren tot het moment dat de vermogenswinstbelasting volledig is ingegroeid.
Hoe is het mogelijk dat dit totale bedrag nooit eerder is gecommuniceerd richting de Kamer, terwijl het hier gaat om een nieuwe fiscale regeling die de overheid meer dan 42 miljard euro aan budgettaire derving gaat kosten?
Zie antwoord vraag 6.
Klopt het dat, in tegenstelling tot wat door sommige Kamerleden in het wetgevingsoverleg werd beweerd, deze budgettaire derving nooit wordt ingelopen omdat je bij een vermogenswinstbelasting constant (nieuwe) belastinginkomsten naar de toekomst doorschuift?
Het klopt dat bij een vermogenswinstbelasting de derving die in de eerste jaren ontstaat in latere jaren niet meer wordt ingelopen. Bij een vermogenswinstbelasting wordt pas belasting geheven op het moment van vervreemding. Dit betekent dat per jaar maar over een deel van de vermogensbestandsdelen belasting wordt geheven. Stel dat de gemiddelde bezitsduur 4 jaar is (in werkelijkheid is dit bij woningen aanzienlijk langer). Dan wordt per jaar over een kwart van de vermogensbestandsdelen belasting geheven. Pas als alle vermogensbestandsdelen minimaal één keer van eigenaar zijn gewisseld is de vermogenswinstbelasting volledig ingegroeid, maar de ontstane derving niet ingelopen.
Kunt u, in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet, heel stevig onderbouwen waarom deze fiscale uitzondering voor vastgoed doelmatig zou zijn, gelet op de budgettaire derving van minstens 42 miljard euro?
Voor alle vermogensbestanddelen geldt dat het werkelijke rendement wordt belast. Voor onroerende zaken wordt een vermogenswinstbelasting voorgesteld. De waardeontwikkeling wordt daardoor in de heffing betrokken bij vervreemding. Dit levert een liquiditeitsvoordeel op voor bezitters van onroerende zaken. Bezitters van onroerende zaken betalen in veel gevallen namelijk op een later moment belasting over hun vermogenswinst. Bij de indiening van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is als onderbouwing van de gemaakte beleidskeuzes opgemerkt dat in het wetsvoorstel een balans is gezocht tussen uitvoerbaarheid en doenlijkheid, het evenwichtig belasten van verschillende vermogensbestanddelen en het zo goed als mogelijk aansluiten bij het werkelijke rendement. Dit is onder andere tot uitdrukking gekomen in het vermogenswinststelsel voor onroerende zaken (en aandelen in of winstbewijzen van startende ondernemingen) en in de forfaitaire vaststelling van de vastgoedbijtelling. Het kabinet is van mening dat deze balans met het ingediende voorstel zo goed als mogelijk gevonden is en dat het voorstel daarmee ook doelmatig is.
Als onroerende zaken onder de vermogensaanwasbelasting belast zouden zijn, dan zou dit bij een grote, ongerealiseerde (dus niet in liquiditeiten tot uitdrukking komende) waardestijging bij een beperkt aantal belastingplichtigen kunnen leiden tot liquiditeitsproblemen. Indien belastingplichtigen in liquiditeitsproblemen komen bestaat onder omstandigheden de mogelijkheid tot een betalingsregeling bij de Belastingdienst. In het geval dat dit geen soelaas biedt, zou de belastingplichtige de onroerende zaak moeten verkopen om de belastingheffing over de vermogensaanwas van die onroerende zaak te kunnen voldoen. Daarbij komt dat onroerende zaken niet altijd eenvoudig zijn te verkopen. Als gevolg hiervan zouden deze bezitters van onroerende zaken eventueel met schuldproblematiek te maken kunnen krijgen. Dat wil het kabinet zo veel mogelijk voorkomen. Daarom is gekozen voor de systematiek van een vermogenswinstbelasting voor onroerende zaken.
Kunt u aangeven wat de totale budgettaire derving is van een vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting (cumulatief, tot aan het moment dat de opbrengsten structureel gelijk zijn)?
Zoals beschreven in het antwoord op vragen 4 en 5, zouden bij gelijkblijvende parameters de opbrengsten van een volledige vermogensaanwasbelasting in de eerste 10 jaar uitkomen op circa € 23 miljard euro meer dan in het voorgestelde hybride stelsel, oplopend tot circa € 42 miljard de eerste 30 jaar. De incidentele derving van een volledige vermogenswinstbelasting hangt af van de parameters die gekozen worden. In de Kamerbrief van 8 september 2023 is een eerste inschatting gemaakt dat de derving van een volledige vermogenswinstbelasting kan oplopen tot ruim boven de € 5 miljard in de eerste 5 jaar.2 Het kabinet heeft altijd het uitgangspunt gehanteerd dat de hervorming van box 3 budgettair neutraal uitpakt.
Kunt u deze vragen, een voor een, beantwoorden gelijktijdig met de toegezegde antwoorden op openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg?
De antwoorden op de openstaande vragen uit het wetgevingsoverleg zijn op 22 januari 2026 verzonden.3 Het is helaas niet gelukt om de beantwoording op deze vragen in die brief op te nemen.
Het bericht ‘Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Landen maken knieval voor regering-Trump met nieuwe belastingregels, Nederland loopt 120 miljoen euro mis»1?
Ja.
Klopt het dat het OECD Pillar 2 Side-by-Side Package niet alleen administratieve vereenvoudigingen bevat, maar ook materiële safe harbours introduceert die de werking van de Global Minimum Tax wezenlijk beperken?
Het Side-by-side pakket bestaat uit de volgende onderdelen:
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket, in het bijzonder het Side-by-Side-systeem, wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels.
Deelt u de analyse dat met name Amerikaans-geleide multinationale ondernemingen door de Side-by-Side Safe Harbour en de UPE Safe Harbour feitelijk worden afgeschermd van bijheffing onder de IIR en/of UTPR, terwijl EU-geleide groepen volledig onder het regime blijven vallen?
De inkomen-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel zijn op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel niet van toepassing op entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een uiteindelijkemoederentiteit (hoofdkantoor) in de VS. Omdat de VS al als een kwalificerende Side-by-Side-jurisdictie zijn aangemerkt, is de UPE veiligehavenregel niet aan de orde. Daarbij merkt het kabinet op dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffingsmaatregel. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side veiligehaven-jurisdicties.
Acht u dit verschil in behandeling verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling en het streven naar een level playing field binnen de interne markt?
Binnen de Europese Unie is Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie van toepassing. Ingevolge de richtlijn hebben 22 EU-lidstaten de minimumbelasting ingevoerd met inbegrip van de binnenlandse bijheffing. Vijf lidstaten met minder dan twaalf hoofdkantoren hebben gebruik gemaakt van de uitstelmogelijkheid van artikel 50 van de richtlijn.2 Multinationale groepen zijn binnen de EU in het overgrote deel van de gevallen onderworpen aan een binnenlandse bijheffing over laagbelaste winsten ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Kan het SbS Package erin resulteren dat (Nederlandse) bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar een Side-by-Side land teneinde te kunnen profiteren van de regeling?
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang. Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingsmaatregel worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Bent u voornemens het SbS Package in de Europese Unie te implementeren via artikel 32 van de Pillar Two-richtlijn? Zo ja, hoe voorkomt u dat deze bepaling daarmee wordt gebruikt voor inhoudelijke beleidswijzigingen in plaats van louter administratieve vereenvoudiging?
De OESO-regels over de minimumbelasting, in de vorm van de OESO-modelregels, commentaar of de nadere regelgeving in de vorm van administratieve richtsnoeren, werken niet direct door in de Nederlandse rechtsorde. Het IF noch de OESO kunnen bindende wetgeving vaststellen. Het kabinet zal de nadere regelgeving vanuit de OESO daarom telkens beoordelen en aan de hand daarvan – van geval tot geval – bepalen of de wettekst en de toelichting van de Wet minimumbelasting 2024 aanpassing behoeven.3 Dit geldt ook voor het thans afgesproken Side-by-Side pakket. Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd.4 Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot louter administratieve vereenvoudiging.
Bent u voornemens om zo snel mogelijk een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side Safe Harbour en de Qualified UPE Safe Harbour? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland zijn de Pijler 2-regels van toepassing in de vorm van de Wet minimumbelasting 2024. Daarom is er voor Nederland geen reden om een verzoek te doen voor kwalificatie van het Nederlandse stelsel voor de Side-by-Side veiligehavenregel en de UPE veiligehavenregel.
Hoe beoordeelt u de verenigbaarheid van deze dynamische verwijzing naar OECD-soft law met de Meroni-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die delegatie van discretionaire bevoegdheden van politieke aard verbiedt?
De vraag wordt zo geïnterpreteerd dat met «deze dynamische verwijzing» artikel 32 van Richtlijn (EU) 2022/2523 wordt bedoeld. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen.
Kunt u toelichten hoe rechtszekerheid voor belastingplichtigen wordt gewaarborgd, nu de kwalificatie van een «Qualified SbS Regime» berust op open en subjectieve criteria zoals een «materieel risico» en een «pragmatische, holistische beoordeling over tijd»?
Het IF bepaalt of een regime als een Qualified Side-by-Side-regime kan worden aangemerkt. Welke regimes daarvoor in aanmerking komen, zal centraal worden bijgehouden. Belastingplichtigen kunnen zich hierdoor op de hoogte stellen welke regimes als een Qualified Side-by-Side-regime kunnen worden aangemerkt.
Deelt u de zorg dat de vaststelling van een «Qualified SbS Regime» plaatsvindt buiten de EU-rechtsorde, zonder effectieve rechterlijke toetsing, terwijl deze vaststelling directe gevolgen heeft voor de toepassing van EU-belastingregels?
De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Het Hof van Justitie van de EU is in hoogste instantie bevoegd om het EU-recht uit te leggen. Dat geldt ook voor de uitleg van Richtlijn 2022/2523.
Heeft u laten toetsen of de SbS- en UPE-safe harbours kunnen kwalificeren als selectieve staatssteun? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Zo nee, waarom niet?
In het Werkingsverdrag betreffende de Europese Unie (VWEU) is vastgelegd aan welke voorwaarden voorstellen tot EU regelgeving moeten voldoen, zo ook aan de staatssteunregels (artikelen 107 e.v. VWEU). Lidstaten mogen er vanuit gaan dat de Europese Commissie regelgeving conform het VWEU voorstelt en daarbij geen strijd met de regelgeving met betrekking tot staatssteun ontstaat. In dit verband verwijs ik naar de mededeling van 12 januari 2026, van de Europese Commissie (zie antwoord bij vraag 8).
Onderschrijft u dat, indien deze safe harbours als ongeoorloofde staatssteun zouden worden aangemerkt, lidstaten gehouden kunnen zijn tot terugvordering van belastingvoordelen, met mogelijk aanzienlijke retroactieve belastingclaims tot gevolg?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de juridische risico’s van implementatie van het SbS Package en toe te zeggen dat Nederland zich in EU-verband zal verzetten tegen elke implementatie die verder gaat dan zuivere administratieve vereenvoudiging?
Het kabinet is voornemens om het Side-by-Side pakket in een separaat wetsvoorstel uit te werken, zoals in de Kamerbrief van 5 januari is aangekondigd. Dit wetsvoorstel zal naar verwachting vóór de zomer van 2026 worden ingediend bij uw Kamer. De Europese Commissie heeft in haar mededeling van 12 januari 2026 het Side-by-Side pakket erkend en de toepassing ervan in het kader van Richtlijn (EU) 2022/2523 bevestigd. Richtlijn (EU) 2022/2523 is dan ook geen beletsel om de bepalingen van het Side-by-Side pakket in de Wet minimumbelasting 2024 op te nemen. Overigens ziet artikel 32 van de richtlijn op de toepassing door EU-lidstaten van een kwalificerende internationale overeenkomst inzake veilige havens waarmee alle EU-lidstaten hebben ingestemd. Daarbij is geen beperking opgenomen tot zuivere administratieve vereenvoudiging.
Klopt het dat door het SbS Package Nederland 120 miljoen euro aan belastinginkomsten misloopt? Zo ja, waren deze inkomsten reeds ingeboekt in het inkomstenkader? Kunt u het verloop van de ramingen en de bijstellingen vanaf moment van opvoeren van de inkomsten uit de Wet minimumbelasting 2024 met de Kamer delen?
Bij de invoering in 2024 is geraamd dat Pijler 2 voor een structurele opbrengst van € 466 miljoen voor Nederland zou zorgen.5 Deze inkomsten zijn met aanname van de Wet minimumbelasting 2024 definitief ingeboekt in het inkomstenkader. Sinds 2024 maken de inkomsten uit pijler 2 daarmee deel uit van het basispad. De sindsdien aangebrachte wijzigingen in de Wet minimumbelasting 2024 hadden geen budgettaire gevolgen.
Met dit IF-akkoord is de situatie veranderd. De afgesproken aanpassingen leiden tot een budgettaire derving ten opzichte van het basispad. De derving van dit akkoord is voorlopig geraamd op circa € 120 miljoen per jaar. Bij de indiening van het wetsvoorstel ter uitvoering van dit akkoord zal, zoals gebruikelijk, een herijking plaatsvinden van deze budgettaire raming.
Ondanks deze budgettaire derving ten opzichte van het basispad, blijft de geraamde opbrengst van Pijler 2 voor Nederland ruimschoots positief. De verwachting blijft dat Nederland dankzij Pijler 2 uiteindelijk beter af is doordat fiscaal gedreven investeringen en fiscaal gedreven winstverschuiving zullen afnemen. Zonder dit akkoord zou de toekomst van Pijler 2 onzeker zijn, waarbij de gehele Pijler 2-opbrengst op de tocht zou staan. Een recent rapport van de OESO laat zien dat het wereldwijde gemiddelde vennootschapsbelastingtarief sinds de afspraken over Pijler 2 nu drie jaren op rij licht is gestegen, na tientallen jaren van daling.6 In een scenario zonder Pijler 2 zou een nieuwe race naar de bodem kunnen ontstaan, met grote druk om de tarieven in de Nederlandse vennootschapsbelasting te verlagen. Gegeven de huidige opbrengsten uit de vennootschapsbelasting van bijna € 50 miljard per jaar, zou een dergelijk scenario aanzienlijke consequenties voor de schatkist hebben.