Het bericht dat de Russische overheid nieuwe stappen heeft gezet ten aanzien van de buitenlandse financiering van Russische ngo’s |
|
Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Russische overheid nieuwe stappen heeft gezet ten aanzien van de buitenlandse financiering van Russische niet-gouvernementele organisaties (NGO's)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze stappen?
Vanaf het moment dat wetgeving inzake NGO’s (buitenlandse financiering en betiteling als «buitenlands agent») vorige zomer in Rusland aan de orde is, hebben mijn EU-collega’s en ikzelf hier herhaaldelijk tegenover Rusland onze zorgen kenbaar gemaakt. Ook de EU Hoge Vertegenwoordiger Catherine Ashton heeft op 26 maart 2013 in een verklaring haar zorgen uitgesproken over de NGO wetgeving en de onderzoeken bij NGO’s die vorige maand in gang zijn gezet.
Deelt u de mening dat de mensenrechtensituatie in Rusland in het algemeen slechter is geworden sinds Poetin opnieuw president van Rusland is geworden? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering maakt zich zorgen over een aantal wetten dat sinds het voorjaar 2012 is aangenomen. Met deze wetten heeft Rusland rechten ingeperkt, waaraan ook Rusland in internationaal verband is gecommitteerd.
Zo ja, is de Minister-President bereid zijn zorgen te uiten over de mensenrechtensituatie in Rusland tijdens de ontmoeting met president Poetin op 8 april van dit jaar? Is hij daarbij bereid aan te dringen op meer vrijheid voor maatschappelijke organisaties in Rusland?
De mensenrechtensituatie in Rusland is één van de onderwerpen van gesprek tijdens de ontmoeting met president Poetin op 8 april aanstaande. Daarbij zal worden aangedrongen op het nakomen van internationale afspraken ten aanzien van burgerlijke vrijheden en op het belang van maatschappelijke organisaties en de betrokkenheid van de eigen burgers voor de ontwikkeling van de samenleving.
Kunt u ingaan op de discussie die tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 maart is gevoerd over de mensenrechtensituatie in Rusland? Deelt u de mening dat de EU een gezamenlijke uitspraak zou moeten doen over het belang dat zij hecht aan mensenrechten binnen de strategische relatie met Rusland? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe zult u bevorderen dat de EU een dergelijke uitspraak zal doen?
Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 11 maart jl. hebben de ministers uitgebreid het strategisch partnerschap met Rusland besproken. Ikzelf heb daarbij het belang benadrukt van respectvolle maar duidelijke boodschappen aan Rusland over de binnenlandse situatie. Alle lidstaten hebben hun zorgen kenbaar gemaakt over de binnenlandse ontwikkelingen en hebben herbevestigd dat gemeenschappelijke waarden een essentieel onderdeel zijn van de relatie tussen de EU en Rusland. Binnen de EU zijn wij het er over eens dat alleen door eensgezind en gezamenlijk optreden een zinvolle dialoog met Rusland kan worden gevoerd. Ook ik zal mij daarvoor blijven inzetten.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het algemeen overleg over Rusland van 3 april a.s.?
Ja.
De verslechterende situatie van mensenrechtenverdedigers in Colombia |
|
Marit Maij (PvdA), Désirée Bonis (PvdA) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving omtrent de verslechterende situatie van mensenrechtenverdedigers in Colombia en de problemen omtrent de landteruggave aan oorspronkelijke rechtmatige eigenaren in Curvaradó River Basin? 1 2
Ja.
Deelt u de opvatting dat bedreigingen van en geweld tegen de mensenrechtenverdedigers in Colombia onacceptabel zijn en dat de Colombiaanse overheid alles in het werk moet stellen om de veiligheid van mensenrechtenverdedigers te waarborgen? Zo ja, wilt u deze boodschap overbrengen aan de Colombiaanse overheid? Zo nee, waarom niet?
Ja en die boodschap is herhaaldelijk overgebracht in de dialoog met de Colombiaanse autoriteiten. Het kabinet zal dit blijven doen.
Deelt u de constatering van José de Jesús Orozco – president van de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten – dat in Colombia de obstakels die mensenrechtenverdedigers tegenkomen hen ervan weerhouden hun werk veilig uit te kunnen voeren?
De Colombiaanse overheid heeft een uitgebreid programma om mensenrechtenverdedigers te beschermen. Sommige mensenrechtenverdedigers hebben daar geen vertrouwen in en willen er geen gebruik van maken. Dit neemt niet weg dat er voor verdedigers, ook waar bescherming wordt geboden, veiligheidsrisico’s bestaan en dat velen aan bedreigingen blootstaan.
Bent u bereid om de Colombiaanse overheid aan te sporen door te gaan met onderzoek naar alle bedreigingen en moorden die hebben plaatsgevonden in de humanitaire zones, en specifiek naar de moord op Manuel Ruiz en zijn 15-jarige zoon, die vermoord zijn omdat ze zich inzetten voor de teruggave van geroofd land aan oorspronkelijke eigenaren?
In de contacten met de autoriteiten in Bogota en met de Colombiaanse ambassade in Den Haag wordt dit punt opgebracht.
Wilt u de Colombiaanse overheid oproepen de verantwoordelijken voor deze misdaden te bestraffen, herhaling koste wat het kost te voorkomen, en de aanwezigheid van vermeende paramilitairen te onderzoeken in Curvarado en Jiguamiando? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Ik zal bij de Colombiaanse autoriteiten aandringen op onderzoek, berechting en bestraffing om herhaling te voorkomen. Dit doe ik tijdens de Universal Periodic Review van de Mensenrechtenraad (23 april) en in de politieke dialoog.
Bent u bereid de Colombiaanse overheid aan te sporen om het integrale plan ter voorkoming van mensenrechtenschendingen en bescherming van mensenrechten en de sanering van het territorium te presenteren en implementeren zoals in verschillende gerechtelijke uitspraken is gesteld en om de gerechtelijke uitspraak 299 te implementeren die een nieuwe risico evaluatie vraagt van Maria Ligia Chaverra en Enrique Petro? Zo nee, waarom niet?
Ik zal zowel in de bilaterale dialoog als in EU-verband, de Colombiaanse overheid aansporen gerechtelijke uitspraken met betrekking tot de mensenrechten te implementeren.
Bent u voornemens de Colombiaanse overheid aan te sporen om elk type laster tegen mensenrechtenverdedigers en de leden van de humanitaire zone tegen te gaan? Wilt u er bij de Colombiaanse overheid op aandringen dat ze zich houdt aan de richtlijn 09 van het ministerie van Defensie waarin staat dat leden van het Colombiaanse leger zich moeten onthouden van ongefundeerde verklaringen die mensenrechtenverdedigers in gevaar brengen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke wijze?
Nederland heeft een programma ondersteund dat was gericht op de implementatie van maatregelen ter bevordering van de mensenrechten binnen de krijgsmacht. Nederland blijft in zijn ontmoetingen met het ministerie van Defensie aandacht vragen voor mensenrechten en het tegengaan van straffeloosheid van door de krijgsmacht begane schendingen.
In gevallen waar laster aantoonbaar is, zal dit opgebracht worden in de dialoog.
Een Chinees veiligheidssysteem in Tibet |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «China creëert «orwelliaans» veiligheidssysteem in Tibet» en het daaraan verwante artikel «China: Alarming New Surveillance, Security in Tibet»?1 2
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat China sinds januari 2012 een veiligheidssysteem (GRID) in de Tibetaanse Autonome Regio heeft geïmplementeerd, volgens Chinese bronnen als een manier om de toegang van de burgers tot basisvoorzieningen te vergroten, maar de facto een controlemechanisme om «kritische» groepen Tibetanen scherper in de gaten te houden?
Het systeem van «rastering» wordt door heel China toegepast. Het houdt in dat stedelijke gemeenschappen in kleine eenheden worden opgedeeld, en dat binnen elke eenheid informatie wordt verzameld die in een database wordt opgeslagen. De bedoeling is dat stadsbesturen publieke diensten en middelen zo gerichter kunnen inzetten. Zowel binnen als buiten China worden zorgen geuit dat het systeem de mogelijkheid biedt om inbreuk te maken op de persoonlijke levenssfeer van burgers.
Wat is uw mening over het extra monitoren van het dagelijkse leven van Tibetanen, het plaatsen van 676 permanente politieposten alsmede patrouillering en onwettige huiszoekingen door zogenaamde «Red Armband Patrols»?
Nederland maakt zich zorgen over de inperking van vrijheden van Tibetaanse burgers en heeft recentelijk, mede in EU-verband en VN verband, diverse malen de Chinese regering opgeroepen zowel de burger- en politieke rechten als de economische, sociale en culturele rechten van de Tibetaanse bevolking te respecteren. Daarnaast dringt Nederland, mede in EU verband, bij de Chinese regering aan op het adresseren van de diepgewortelde oorzaken van onvrede en frustraties van de Tibetanen. Verder spoort Nederland, mede in EU verband, beide partijen aan op een hervatting van de dialoog tussen de vertegenwoordigers van de Tibetaanse bevolking en de Chinese autoriteiten.
Hoe zijn volgens u de recente ontwikkelingen in Tibet en de algehele jarenlange onderdrukking van het Tibetaanse volk verenigbaar met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), zoals ook onderschreven door China in 1948?
Zie antwoord vraag 3.
Wat is uw mening over het feit dat China het uit de UVRM voortvloeiende Internationaal Verdrag inzake Burger en Politieke Rechten wel getekend heeft, maar nog altijd niet geratificeerd?
Sinds de ondertekening van China van het BuPo-verdrag in 1998, dringen Nederland en de EU aan op spoedige ratificatie van het BuPo-verdrag. De bilaterale mensenrechtenconsultaties en de EU-China mensenrechtendialoog zijn hier mede op gericht. Tegelijkertijd moedigen Nederland en de EU China aan institutionele en juridische hervormingen door te voeren die de weg voor ratificatie effenen. Waar mogelijk wordt concrete ondersteuning geboden in de vorm van samenwerking en projecten. Ratificatie moet leiden tot betere bescherming van de burger- en politieke rechten van alle Chinese burgers, inclusief de Tibetaanse bevolking.
Wat gebeurt er concreet op bilateraal niveau en binnen EU-verband om China te bewegen tot ratificatie van dit verdrag en hoe zou dit kunnen bijdragen aan een oplossing voor het Chinese conflict met Tibet?
Zie antwoord vraag 5.
Is er al een politiek dialoog geagendeerd met de nieuwe Chinese autoriteiten? Zo ja, bent u van plan deze kwestie te bespreken? Wat is uw huidige inschatting van de te varen koers van het nieuwe Chinese regime in de kwestie Tibet?
Het nieuwe leiderschap heeft nog geen ingrijpende beleidswijzigingen ten aanzien van Tibet geformuleerd. Zolang geen verbeteringen in de situatie zich voordoen, zal Nederland, mede in EU-verband zich blijven inzetten om de situatie van Tibetanen regelmatig onder de aandacht van de Chinese autoriteiten te brengen, zowel tijdens de EU-China mensenrechtendialoog als in verklaringen en demarches. De mensenrechtenambassadeur heeft in december 2012 een bezoek gebracht aan de Tibetaanse wijk in Chengdu en met de Tibetaanse gemeenschap gesproken. Zijn verzoek om Tibet of de Tibetaanse gebieden in de provincie Sichuan te bezoeken werd door de Chinese autoriteiten niet gehonoreerd. Het mensenrechtenfonds zal Tibetaanse projecten blijven ondersteunen.
Bent u bereid om in EU-verband een steviger geluid te laten horen richting China met betrekking tot de onderdrukking van Tibetanen en de inperking van hun vrijheden en het GRID veiligheidssysteem hoge prioriteit te geven op de agenda van de EU-China Mensenrechtendialoog? Indien neen, waarom niet? Zo ja, op welke wijze zult u dat doen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht ‘FBI-agenten hacken mee met de Nederlandse politie’ en de detentieomstandigheden van de Nederlander in de Verenigde Staten |
|
Harry van Bommel (SP), Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich eerdere vragen over de uitlevering van de Nederlander D. S. vanuit Roemenië aan de Verenigde Staten?1 Blijft u er bij dat in Nederland geen opsporingshandelingen zijn verricht en dat Nederland niet op de hoogte was van de voorgenomen aanhouding van betrokkene in Roemenië?
Ja.
Kloppen de feiten in de berichtgeving over deze zaak in Vrij Nederland?2 Zo nee, welke onderdelen uit deze reconstructie kloppen niet?
Ik kan slechts reageren op de weergave van gebeurtenissen waarvan ik kennis draag. Nederland was niet betrokken bij contacten tussen de Amerikaanse autoriteiten en David S. voorafgaand aan zijn aanhouding in Roemenië. Of de reconstructie van de zaak in Vrij Nederland volledig klopt is mij dan ook niet bekend. Ik verwijs naar het antwoord op de (eerdere) Kamervragen waarin ik heb uiteengezet welke rol Nederland in deze zaak heeft gehad.
Wat is uw reactie op de brief van de advocaat van betrokkene?3
Mijn reactie deel ik per brief mee aan de advocaat van David S. Ten aanzien van brieven van en aan advocaten geldt dat deze naar hun aard vertrouwelijk zijn. Openbaarmaking van mijn brief aan de advocaat van David S. is daarom niet aan de orde. Dat de raadsman van David S. ervoor heeft gekozen zijn brief openbaar te maken brengt niet met zich dat ik dat ook doe.
Wat is in deze zaak nu precies de rol van Nederland geweest? Is Nederland op de hoogte gesteld van het feit dat tegen D. S. in de Verenigde Staten een formele aanklacht is ingediend op 16 maart, al dan niet toevallig enkele dagen voor zijn vertrek naar Roemenië? Zo ja, wat is er in die tussenliggende dagen aan formeel of informeel overleg geweest met de Amerikaanse autoriteiten over deze zaak? Zo nee, wat zegt dat over de strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en de Verenigde Staten als dergelijke informatie over de aanstaande aanhouding van een onderdaan niet wordt gedeeld?
De Nederlandse politie droeg er kennis van dat tegen David S. een Amerikaans onderzoek liep. Dat zijn aanhouding was bevolen, was Nederland niet bekend. Daarover heeft evenmin overleg met de Amerikaanse autoriteiten plaatsgevonden. Dat heeft geen betekenis voor de strafrechtelijke samenwerking tussen Nederland en de Verenigde Staten. Geen land is gehouden informatie te delen over een op handen zijnde aanhouding van een verdachte met diens land van herkomst.
Zijn er in deze zaak door de Amerikaanse autoriteiten zonder toestemming van Nederland opsporingshandelingen verricht? Welke consequenties verbindt u hieraan?
Nee. Tussen de VS en Nederland geldt een rechtshulpverdrag. Dat verdrag schrijft voor dat voor onderzoekshandelingen op elkaars grondgebied een rechtshulpverzoek nodig is. In deze zaak zijn er op Nederlands grondgebied geen opsporingshandelingen verricht en was Nederlandse toestemming niet vereist.
Bent u bereid de door deze advocaat gevraagde transparantie over de opsporing in deze zaak te verschaffen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover Nederland een rol heeft gehad in de opsporing heb ik daarover duidelijkheid verschaft.
Deelt u de zorg over de detentieomstandigheden van betrokkene, gelet op het langdurige verblijf in de isoleercel?4 Bent u bereid bij uw Amerikaanse ambtgenoot aan te dringen op een voortvarende afhandeling en goedkeuring van een in te dienen verzoek op grond van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS), zodat hij zo snel mogelijk naar Nederland terug kan keren? Zo nee, waarom niet?
Er geldt tussen Nederland en Amerika een verdrag op grond waarvan straffen in het eigen land kunnen worden uitgezeten. Zodra het Amerikaanse vonnis onherroepelijk is geworden, kan betrokkene een verzoek doen op basis van dit verdrag. Als de Amerikaanse autoriteiten hieraan willen meewerken, zal dat met welwillendheid en zo nodig met voorrang in behandeling worden genomen. Ik ben bereid in deze zaak met de Amerikaanse autoriteiten contact op te nemen om zo mogelijk de procedure te bespoedigen.
Is het waar dat sprake is van een «embedded»-programma5 waarin «veel intensiever (...) dan gebruikelijk» wordt samengewerkt met buitenlandse politiediensten? Zijn inderdaad Amerikaanse cyberagenten fulltime aanwezig bij de High Tech Crime Unit? Zo ja, op welke rechtsbasis is sprake van een dergelijke samenwerking? Is een dergelijke samenwerking omgekeerd ook denkbaar? Kunnen Nederlands medewerkers van inlichtingendiensten op een dergelijke manier meedraaien bij Amerikaanse opsporingsinstanties?
Nederland en de VS werken veelvuldig samen bij de opsporing van strafbare feiten en het is om die reden dat over en weer verbindingsambtenaren op elkaars grondgebied zijn gestationeerd. Deze verbindingsofficieren zijn verbonden aan de Ambassade overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van het op 18 april 1961 tot stand gekomen Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (Trb. 1962, 101). Een buitenlandse verbindingsofficier vervult zijn taken binnen het raam van zijn bevoegdheden met inachtneming van de bepalingen van de Nederlandse wet- en regelgeving. Een van de Amerikaanse FBI-verbindingsofficieren heeft als voornaamste taak de bestrijding van «cybercrime». Dit betekent in de praktijk dat hij frequent contact heeft met de Nederlandse politie. Voor een nadere toelichting op de rol van Amerikaanse politieambtenaren verwijs ik naar mijn eerdere mededelingen aan uw Kamer op vragen over de rol van de Amerikaanse DEA in Nederland (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010–2011, 24 077, nr. 258, pagina6. Ik stel mij onverkort op het standpunt dat de VS zich aan de regels houden.
De recente rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot witwassen |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de jurisprudentie van de Hoge Raad over (de strafbaarheid van) witwassen, in het bijzonder de recente jurisprudentie op dat vlak, waarvoor ook aandacht is gevraagd in het februarinummer van «Opportuun»?1
Ja.
Klopt het dat door deze jurisprudentie het enkele voorhanden hebben van een voorwerp, dat afkomstig is uit een door de bezitter van dat voorwerp gepleegd strafbaar feit, niet meer kan worden gekwalificeerd als witwassen?
Een zodanig verstrekkende conclusie kan niet aan de rechtspraak van de Hoge Raad worden verbonden. Blijkens deze jurisprudentie2 is de Hoge Raad van oordeel dat het voorhanden hebben van opbrengsten afkomstig van een door de verdachte zelf begaan misdrijf witwassen oplevert, wanneer dit voorhanden hebben het karakter heeft van het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Onder deze voorwaarden blijft vervolging wegens witwassen mogelijk, ook in geval het gaat om het voorhanden hebben van de opbrengsten van door de verdachte zelf gepleegde misdrijven.
Klopt het dat de verdachte hiermee kan profiteren van het in een laat stadium kenbaar maken dat het voorwerp in kwestie afkomstig is van een door hemzelf gepleegd strafbaar feit, omdat het ten laste gelegde feit dan weliswaar kan worden bewezen maar niet kan worden gekwalificeerd als witwassen in de zin van artikel 420bis van het wetboek van Strafrecht?
Een dergelijk verweer zou uitsluitend relevant kunnen zijn als enkel de gedraging voorhanden hebben in de tenlastelegging is opgenomen, terwijl daarbij het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp niet nader is of kan worden onderbouwd. Bovendien zal de verdachte slechts dan een succesvol beroep op dit kwalificatieverweer kunnen doen, als zijn verklaring het feitencomplex zodanig completeert dat hieruit een gronddelict kan worden gedestilleerd, waarvan het vaststaat dat hij het zelf heeft gepleegd. Als het hiervoor genoemde van toepassing is, kan de tenlastelegging in bepaalde gevallen worden gewijzigd naar het gronddelict of kan een nieuwe vervolging worden gestart indien het Openbaar Ministerie (OM) dat opportuun acht. De gedraging van verdachte kan dan nog steeds aan het oordeel van de feitenrechter worden onderworpen.
Betekent deze jurisprudentie dat het Openbaar Ministerie (OM) moet gaan vervolgen voor het gronddelict op het moment dat duidelijk is dat de voorwerpen afkomstig zijn van een door de verdachte gepleegd strafbaar feit? Welke consequenties heeft dit voor de bewijsbaarheid en aanpak van crimineel vermogen? Heeft het OM de capaciteit om telkens alle bestanddelen van het gronddelict uit te rechercheren?
Nee. Het is aan het OM om te bepalen voor welke feiten de verdachte zal worden vervolgd. Dat kan een vervolging wegens louter het witwassen zijn, een vervolging wegens enkel het gronddelict, of een vervolging voor beide feiten behelzen. Zoals in antwoord op vraag 2 uiteengezet, blijft er op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad ruimte voor vervolging van personen ter zake van witwassen wegens het voorhanden hebben van opbrengsten van door henzelf gepleegde feiten; namelijk wanneer dit voorhanden hebben het karakter van verbergen of verhullen van de criminele herkomst heeft. Daarnaast kunnen in voorkomende gevallen ook andere witwashandelingen – zoals het verbergen, verhullen, overdragen en omzetten van opbrengsten van misdrijven –, zoals omschreven in artikel 420bis, eerste lid, Sr, ten laste worden gelegd aan verdachten die de opbrengsten van door henzelf gepleegde misdrijven trachten wit te wassen. Het is aan het OM om hiervoor bewijs te leveren en hierin keuzes te maken.
Hoe dient het OM om te gaan met de situatie waarin pas in een laat stadium, al dan niet door verklaringen van de verdachte, blijkt dat de voorwerpen afkomstig zijn van een door de verdachte gepleegd strafbaar feit?
Zie antwoord vraag 3.
Klopt het dat deze rechtspraak strijdig is met de oorspronkelijke, uit de memorie van toelichting vrij expliciet blijkende, bedoeling van de wetgever het mogelijk te maken zowel ter zake van het gronddelict als ter zake van witwassen van voorwerpen die zijn verkregen met het gronddelict te vervolgen of daaruit te kiezen?
Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat de wetgever met de introductie van een aparte strafbaarstelling van witwassen naast de reeds bestaande heling-artikelen mede het oog heeft gehad het witwassen van opbrengsten van een door de verdachte zelf gepleegd misdrijf strafbaar te doen zijn. Dit betekent ook dat in beginsel voor beide misdrijven tegelijk kan worden vervolgd.3
Zoals in antwoord op de vragen 2 en 4 uiteengezet, blijft er op basis van de rechtspraak van de Hoge Raad ruimte voor vervolging van personen ter zake van witwassen van opbrengsten van door henzelf gepleegde feiten. Het spreekt voor zich dat ik de ontwikkelingen in de rechtspraak met belangstelling volg. Voorshands zie ik geen reden om een wetswijziging te overwegen.
Betekent deze jurisprudentie dat de Hoge Raad via een omweg de zogenaamde «heler-steler-regel» opnieuw invoert? Deelt u de mening dat dit een onwenselijke ontwikkeling is of ziet u significante ontwikkelingen die de herinvoering van de heler-steler-regel rechtvaardigen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat in de rechtspraak wordt gekozen voor een uitleg van een wetsartikel die lijnrecht tegen de bedoeling van de wetgever, zoals uit de de memorie van toelichting blijkt, indruist? Ziet u reden om dit te betrekken in het aankomende wetsvoorstel met betrekking tot witwassen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier?
Zie antwoord vraag 6.
Weet u dat een bijkomend effect van deze rechtspraak is dat het verbeurd verklaren van de voorwerpen in kwestie niet mogelijk was vanwege het ontslag van alle rechtsvervolging? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat deze uitkomst tot gevolg heeft dat de voorwerpen in kwestie niet verbeurd kunnen worden verklaard?
In geval een verdachte niet schuldig wordt verklaard aan het begaan van een misdrijf, kan daarvoor ook geen straf – zoals verbeurdverklaring – worden opgelegd. Dat is gegeven ons wettelijk stelsel de logische en begrijpelijke consequentie.
Verzwaart deze jurisprudentie de zogenaamde «patseraanpak» van het OM op basis waarvan vermogen wordt afgenomen louter op basis van het strafbaar feit van het voorhanden hebben van grote sommen geld, zonder dat de herkomst hiervan bekend is? Zo ja, deelt u de mening dat dat een onwenselijke ontwikkeling is? Wat gaat u hieraan doen? Hoe dient het OM dan in de toekomst om te gaan met aangetroffen tassen met veel geld of criminelen die rijden in dure auto’s?
Het antwoord op de eerste deelvraag luidt, onder verwijzing naar de hierboven door mij gegeven antwoorden, in beginsel ontkennend. Ik blijf de ontwikkelingen in de rechtspraak op dit punt nauwlettend volgen.
Hongaarse onderscheidingen |
|
Mark Verheijen (VVD) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hongarije verder op drift»?1
Ja.
Deelt u de zorgen dat, tevens na de omstreden grondwetswijziging vorige week, de situatie in Hongarije de verkeerde kant op dreigt te gaan en hoe beoordeelt u deze situatie?
Ik deel uw zorgen. Over de laatste grondwetswijzigingen ging uw Kamer recentelijk een brief toe (reactie op het verzoek van het lid Klaver inzake de aangenomen amendementen op de Hongaarse grondwet, Kamerstuk 21 501-20 nr. 776, dd 14 maart 2013).
Intolerantie, racisme en extreemrechts gedachtengoed staan lijnrecht tegenover de waarden van de Europese Unie. Het toekennen van hoge onderscheidingen aan drie personen waarvan bekend is dat zij grove discriminerende uitspraken hebben gedaan geeft geen pas. Intolerantie moet worden bestreden, niet beloond.
Mede dankzij een krachtig protest van vijftien eerder onderscheiden Hongaarse journalisten – die dreigden hun onderscheiding in te leveren – heeft één van de betreffende personen, de journalist Ferenc Szaniszló, zijn decoratie geretourneerd. Ook de Hongaarse minister van Human Resources- die claimde niet op de hoogte te zijn van de discriminerende uitspraken van Szaniszló toen hij de onderscheiding toekende – had daartoe opgeroepen. Het is vooralsnog onduidelijk of de overige twee omstreden personen, de archeoloog Kornél Bakay en de zanger János Petrás, hun onderscheidingen zullen inleveren. Nederland zou dat toejuichen.
Hoe rijmt u de uitreiking van de betreffende onderscheidingen aan personen met antisemitische en extreemrechtse ideeën met het concept van de Europese waardengemeenschap?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid deze zaken in breed Europees verband ter discussie te stellen en zo ja, hoe ziet u dit voor ogen?
De zorgen over de ontwikkeling van de Hongaarse rechtsstaat – waar ook zaken als discriminatie en de positie van minderheden onder vallen – worden in Europees verband reeds breed besproken. Zowel de Europese Commissie als de Raad van Europa hebben in het recente verleden een goede en constructieve rol vervuld toen eerdere Hongaarse wetsvoorstellen tot internationale zorgen leidden. Commissievoorzitter Barroso en Eurocommissarissen Reding en Kroes spreken Hongarije geregeld rechtstreeks aan op de zorgen van de Commissie inzake rechtsstaat en media. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, Jagland, doet dat eveneens. De meest recente ontwikkelingen in Hongarije werden besproken tijdens de Europese Raad van 14 en 15 maart jl. (het verslag ging uw Kamer toe op 19 maart jl.). In het Europees Parlement werd op 12 en 13 maart jl. gedebatteerd over Hongarije. Ook binnen de Raad van Europa blijft Hongarije op de agenda staan, onder andere in context van rapporten van de Venetiëcommissie.
De komende maanden doen de Europese Commissie en de Raad van Europa onderzoek naar de recente amendementen op de Hongaarse grondwet. Het onderzoek van de Europese Commissie zal naar verwachting binnen een maand worden afgerond en zal zich richten op de compatibiliteit van de amendementen met het EU-recht. Het onderzoek van de Venetiëcommissie richt zich op de compatibiliteit van de amendementen met de conventies van de Raad van Europa. Hongarije heeft aangegeven medewerking te verlenen aan de onderzoeken.
In de discussies die zullen volgen op beide rapporten zullen ook de bredere ontwikkelingen van de Hongaarse rechtsstaat aan de orde worden gesteld, ook door Nederland. Of de uiteindelijke bevindingen van de Commissie en de Raad van Europa aanleiding zullen geven tot nadere acties, zoals bijvoorbeeld inbreukprocedures, zal moeten blijken.
Hoe zal de EU handelen indien Hongarije het huidige pad blijft bewandelen?
Zie antwoord vraag 4.
Welke bilaterale acties bent u van plan te ondernemen?
De Nederlandse zorgen over de recente ontwikkelingen zijn, naast de reguliere diplomatieke contacten in Boedapest en Den Haag, opgebracht in contacten tussen minister-president Rutte en zijn Hongaarse collega Orbán tijdens de Europese Raad van 14-15 maart jl., evenals in contacten met mijn Hongaarse collega Martonyi tijdens het informeel overleg van Europese ministers van Buitenlandse Zaken («Gymnich») op 22 maart jl.
De rechtsstatelijke ontwikkelingen in Hongarije zijn bij uitstek een kwestie die in breed Europees verband besproken moeten worden. De Europese Commissie, de Raad van Europa en het Europees Parlement hebben daarbij een belangrijke functie. Nederland zal deze instanties blijven aansporen deze rol te blijven vervullen.
Op basis van het in antwoord 4 en 5 genoemde onderzoek van de Europese Commissie en de Raad van Europa zal eventueel tot nadere actie worden besloten.
Beleggingen van het ABP in Hospira |
|
Roos Vermeij (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jetta Klijnsma (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Pensioenfonds onder vuur om executiemiddel»?1
Ja.
Wat is uw mening als betrokken werkgever bij het pensioenfonds ABP over de belegging in het farmaceutische bedrijf Hospira, dat een injectiestop levert die in de Verenigde Staten wordt gebruikt bij het uitvoeren van de doodstraf?
Het pensioenfondsbestuur is verantwoordelijk voor de uitvoering van een pensioenregeling en het beleggingsbeleid. Bestuursleden worden benoemd door de sociale partners en besturen zonder last en ruggespraak. Daarbij moeten zij handelen in het belang van de deelnemer en binnen de wettelijke kaders die voor alle beleggers gelden. Zolang de beleggingen in het farmaceutische bedrijf Hospira binnen het wettelijke kader vallen, is het aan het bestuur om het beleggingsbeleid te bepalen. Als coördinerend minister voor het arbeidsvoorwaardenbeleid in de publieke sector vervult de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties daar geen rol in.
Op welke manier kan de overheid als werkgever invloed uitoefenen op het (maatschappelijk verantwoord) beleggingsbeleid van het pensioenfonds ABP?
Het kabinet verwacht van alle Nederlandse bedrijven dat zij in het buitenland de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen naleven. De in de UN Guiding Principles on Business and Human Rights beschreven verantwoordelijkheid van bedrijven om mensenrechten te respecteren is onder Nederlands voorzitterschap in de herziene OESO Richtlijnen opgenomen in mei 2011. Naast toevoeging van een hoofdstuk over mensenrechten en bedrijfsleven betrof dit de beschrijving van «due diligence» als een algemeen principe voor een maatschappelijk verantwoorde bedrijfsvoering.
Het ABP is een geprivatiseerd pensioenfonds. Dat betekent dat de overheid/het kabinet daar geen directe invloed op uitoefent. Het ABP-bestuur is verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid en legt daarover verantwoording af aan het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan bestaat uit vertegenwoordigers van deelnemers, gepensioneerden en werkgevers.
Het ABP heeft specifiek beleid inzake verantwoord beleggen. Zij hebben daartoe ESG-criteria opgesteld, waarbij ESG staat voor environment, social en governance. Dit beleid is gebaseerd op nationale en internationale wet- en regelgeving en internationale standaarden. Deze hebben betrekking op duurzaamheid en goed ondernemingsbestuur. Daarbij gaat het onder andere om thema’s op het gebied van milieu en mensenrechten. Eén van die standaarden is de UN Global Compact. Het ABP verwacht van de bedrijven waarin het belegt dat deze bedrijven de uitgangspunten uit deze Global Compact naleven.
In het verantwoordingsorgaan wordt regelmatig met het ABP-bestuur gesproken over de vraag of de beleggingen voldoen aan haar eigen ESG-criteria en die waaraan Nederland zich ook in internationale context verbonden heeft. In dit orgaan participeert onder andere de sectorwerkgever Rijk.
Welke inbreng heeft u als werkgever gehad bij het opstellen van het mensenrechtenbeleid bij het fonds?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u het ABP inmiddels laten weten niet betrokken te willen zijn bij beleggingen waarbij mensenrechten in het geding zijn, zoals nu bij Hospira het geval is? Zo nee, op welke termijn gaat u met het ABP in gesprek?
Het ABP heeft er voor gekozen om de nationale wetgeving en internationale gedragsverplichtingen van de Nederlandse overheid als norm te nemen om te beoordelen waar het fonds wel en niet in belegt. Beleid van het ABP is daarmee dat het niet wil beleggen in ondernemingen die in strijd met mensenrechten handelen. In het algemeen geldt dat het ABP een engagement traject (een dialoog met de onderneming) met ondernemingen aangaat wanneer zij niet aan de nationale en internationale wet- en regelgeving en internationale standaarden voldoen, om op die manier het beleid van de ondernemingen te veranderen. Mocht een engagement traject niet leiden tot een verandering van het beleid van Hospira, dan kan de ultieme consequentie van het engagement proces zijn om niet meer in de onderneming te beleggen.
Het ABP heeft kenbaar gemaakt de afgelopen weken intensief contact gehad te hebben met Hospira. Mede naar aanleiding van deze contacten heeft Hospira aangegeven dat Hospira in de week van 25 maart is gestart met het opleggen van restricties aan haar distributeurs. Deze distributeurs dienen een contract te ondertekenen waarin zij aangeven drie stoffen van Hospira die gebruikt kunnen worden voor injecties ten behoeve van de doodstraf niet meer te leveren aan US State Prison Hospitals. Hospira heeft het ABP aangegeven maatregelen te nemen wanneer distributeurs zich niet willen committeren aan deze afspraak. Het ABP zal de komende tijd nauw contact onderhouden met Hospira om de naleving van deze afspraken te controleren.
Het beleid van het ABP, dat stelt dat producten van Hospira (waaronder Propofol) niet worden gebruikt bij executies, maar alleen voor medische doeleinden, sluit hiermee aan op het kabinetsbeleid. Met het ABP-bestuur vindt regelmatig overleg plaats. Tijdens deze overleggen komt ook het onderwerp maatschappelijk verantwoord beleggen aan de orde.
Zijn er u meer oproepen bekend van belangenorganisaties om niet te beleggen in bepaalde bedrijven? Zo ja, welke zijn dit en op welke manier heeft u hierbij gehandeld?
Met enige regelmaat krijgen leden van het kabinet oproepen van belangenorganisaties en vragen vanuit uw Kamer over beleggingen van pensioenfondsen. Het afgelopen jaar bijvoorbeeld over kernwapens, duurzaamheid en de mensenrechtensituatie bij plantages in Mozambique.
Uitgangspunt in de reactie daarop is dat het kabinet zich in haar wetgevende rol terughoudend opstelt ten aanzien van de wijze waarop individuele fondsen invulling geven aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid. Pensioenfondsen moeten de ruimte hebben om hun verantwoordelijkheid zelf waar te kunnen maken en zoals onder meer blijkt uit de onderhavige casus hebben fondsen meerdere instrumenten om effectief op te treden. Dat uitgangspunt laat onverlet dat het kabinet in enkele gevallen de door uw Kamer aangedragen vragen over specifieke beleggingen onder de aandacht van pensioenfondsen heeft gebracht. In één uitzonderlijk geval is de regering gekomen tot een verbod. Directe investeringen in bedrijven die clustermunitie produceren, zijn verboden met het oog op het onaanvaardbaar humanitair leed dat clustermunitie veroorzaakt.
Het Rijk is naast wetgever ook werkgever. Met het ABP-bestuur vinden zoals gezegd in dat kader regelmatig overleggen plaats, waarin ook het onderwerp maatschappelijk verantwoord beleggen aan de orde komt. In het geval van de investeringen van het ABP in plantages in Mozambique heeft de sectorwerkgever Rijk bijvoorbeeld een vraag over de gevolgen van deze investering voor de mensenrechten ingebracht in een overleg over verantwoord beleggen tussen het verantwoordingsorgaan en het bestuur van het ABP (Kamerstukken II 2012/13, Aanhangsel van de handelingen, nr. 693).
In Turkije opgepakte vakbondsleden |
|
Sadet Karabulut , Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Turkish police target leftists after U.S. embassy bombing»?1
Ja
Kunt u bevestigen dat de Turkse politie na het dodelijke incident bij de Amerikaanse ambassade op 1 februari 2013 167 arrestatiebevelen heeft uitgevaardigd en dat inmiddels meer dan honderd mensen, waaronder leden van de onafhankelijke vakbond KESK, zijn opgepakt? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Kunt u aangeven hoeveel van de opgepakte individuen leden van de vakbond KESK of andere vakbonden zijn?
Vóór 1 februari 2013 zaten 58 leden van KESK vast. De verdenking luidt dat zij lid zijn van een terroristische organisatie, de DHKP-C.
Op 19 februari 2013 zijn 170 personen aangehouden op dezelfde verdenking. Van deze 170 bevinden zich nog 68 personen in hechtenis; zij zijn allemaal lid van KESK. De tenlastelegging is nog niet bekend.
Kunt u verder bevestigen dat in het afgelopen jaar 59 leden van de KESK vanwege hun vakbondsactiviteiten zijn gedetineerd? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u aangeven op basis van welke beschuldiging(en) en welke wetgeving de bij vraag 2 genoemde mensen gearresteerd zijn? Betreft het hier anti-terrorismewetgeving?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting van Amnesty International dat vakbondswetten in Turkije in strijd zijn met internationale standaarden met betrekking tot vakbondsrechten? Indien neen, waarom niet?2
De ILO heeft herhaaldelijk aangegeven hoe Turkije de wetgeving m.b.t. vakbonden zou moeten aanpassen om strijdigheid met de fundamentele ILO conventies 87 (vrijheid van vakvereniging) en 98 (recht op collectief onderhandelen) op te heffen. Turkije heeft inmiddels op enkele punten verbetering aangebracht. In haar laatste voortgangsrapport oordeelt de Europese Commissie dat in Turkije het recht van vereniging grotendeels in lijn is met Europese standaarden. Echter, er is nog niet voldaan aan de noodzaak om het wettelijk kader voor politieke partijen en vakbonden te veranderen.
Deelt u de opvatting van Human Rights Watch dat er grote problemen bestaan met betrekking tot de huidige anti-terrorismewetgeving in Turkije? Indien neen, waarom niet? Kunt u uw antwoord toelichten?3
Turkije werkt aan de invoering van het vierde justitiële hervormingspakket.
Doel van dit pakket is onder meer om het aantal gedetineerden in voorarrest drastisch terug te brengen door de definitie van terrorisme te vernauwen tot geweld-gerelateerde daden.
Bent u bereid bij Turkije aandacht te vragen voor het belang dat vakbondswetgeving en anti-terrorismewetgeving in lijn met internationaal rechtelijke standaarden zijn? Bent u bereid te pleiten voor een eerlijk proces voor de bij vraag 2 genoemde opgepakte individuen? Indien neen, waarom niet?
Het justitiële hervormingsproces, in het kader waarvan anti-terrorismewetgeving een prominent onderwerp is, is regelmatig punt van aandacht in gesprekken met de Turkse regering, ook in het kader van het EU-toetredingsproces van Turkije. Vakbondswetgeving is eveneens regelmatig onderwerp van gesprek tussen de EU en Turkije en binnen de ILO. Nederland mengt zich niet in de Turkse rechtsgang, wel zal Nederland de processen met belangstelling volgen.
Executies in Saoedi-Arabië |
|
Harry van Bommel (SP) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Saudi Arabia executes seven men for armed robbery»?1 Kunt u bevestigen dat deze zeven in 2009 veroordeelde individuen onlangs zijn geëxecuteerd?
Ja. De zeven mannen zijn inderdaad geëxecuteerd.
Deelt u de kritiek van onafhankelijke VN-experts en Amnesty International betreffende deze zaak, namelijk dat de beschuldigingen tegen de geëxecuteerden verzonnen waren, dat de processen oneerlijk waren en dat marteling plaats zou hebben gevonden tijdens de processen? Indien neen, waarom niet?
Nederland deelt de ernstige zorgen van VN-experts en Amnesty International over berichten over de oneerlijke procesgang en berichten dat de veroordelingen grotendeels gebaseerd zouden zijn op bekentenissen verkregen door marteling.
Is het waar dat twee van de geëxecuteerden nog minderjarig waren toen zij hun vermeende misdaden begingen? Indien neen, wat zijn dan de feiten?
In de media wordt veelvuldig bericht dat twee van de geëxecuteerden minderjarig waren ten tijde van hun vermeende misdaad. Dit kan tot op heden niet met zekerheid worden bevestigd.
Bent u ermee bekend dat de mensenrechtenambassadeur tijdens zijn bezoek aan Saoedi-Arabië vorig jaar er in het bijzonder voor pleitte de doodstraf in het geval van minderjarige daders niet ten uitvoer te brengen en dat er onder beleidsmakers in Saoedi-Arabië een voorzichtige discussie plaatsvindt over de tenuitvoerlegging van de doodstraf in geval van minderjarigheid?2 Hoe beoordeelt u in dit licht de recente executies in Saoedi-Arabië? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Het feit dat onder Saoedische beleidsmakers een voorzichtige discussie plaatsvindt over het doodstrafbeleid en minderjarigheid blijkt onder andere uit de oproep van de Shura Council in 2008 om de minderjarigheidsgrens van 15 jaar naar 18 jaar te verhogen. In 2010 werd opnieuw gedebatteerd over de leeftijdsgrens met betrekking tot een wet tegen kindermishandeling. Helaas hebben deze discussies nog niet geleid tot concrete beleidswijziging.
Ik betreur in hoge mate dat acties van de mensenrechtenambassadeur en van vele mensenrechtenorganisaties, de EU en de VN niet hebben kunnen voorkomen dat de zeven mannen zijn geëxecuteerd.
Kunt u bevestigen dat in 2012 ten minste 69 mensen zijn geëxecuteerd in Saoedi-Arabië? Indien neen, wat zijn dan de feiten? Hoeveel van hen waren minderjarig toen zij hun vermeende strafbare feiten begingen?
Cijfers van internationale NGO’s en persbureaus wijzen er inderdaad op dat er in 2012 ten minste 69 executies hebben plaatsgevonden in Saoedi-Arabië. Er zijn geen gegevens bekend van personen in 2012 die ten tijde van hun vermeende misdrijf nog minderjarig waren.
Deelt u de opvatting dat meer druk op Saoedi-Arabië nodig is zodat het land een einde maakt aan het uitvoeren van de doodstraf in het algemeen en de doodstraf voor minderjarigen in het bijzonder? Indien neen, waarom niet? Indien ja, hoe bent u van plan hier invulling aan te geven? Kunt u uw antwoord toelichten?
Nederland streeft naar de wereldwijde afschaffing van de doodstraf en zal zich hiervoor blijven inzetten. Gezien de mogelijke betrokkenheid van minderjarigen gaat in dit kader extra aandacht uit naar Saoedi-Arabië. Nederland zet de continue dialoog over het doodstrafbeleid met de Saoedische autoriteiten voort. Aangezien de EU meer gewicht in de schaal legt, zullen wij dat vooral samen met EU partners doen.
De wijziging van de grondwet in Hongarije |
|
Michiel Servaes (PvdA), Jesse Klaver (GL) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD), Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de grondwetswijziging in Hongarije waarover gisteren in het Hongaarse parlement werd gestemd en waardoor onder andere de bevoegdheden van het Constitutioneel Hof worden beperkt? Wat zijn volgens u de gevolgen van deze grondwetswijziging voor het functioneren van de Hongaarse rechtsstaat? Deelt u de zorg dat onder meer de gewenste speelruimte voor de rechterlijke macht, de media, de oppositie en andere onafhankelijke critici beperkt wordt en dat daarmee de noodzakelijke «checks and balances» onder druk staan?1
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik u naar de separate brief over dit onderwerp die uw Kamer toeging naar aanleiding van het verzoek van het lid Klaver tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 12 maart jl. Zoals in die brief wordt vermeld, deelt het kabinet de zorgen die vanuit de Raad van Europa en de Europese Unie zijn overgebracht en heeft het kabinet die zorgen ook aan Hongarije kenbaar gemaakt.
Deelt u de inschatting dat de wijziging van de Hongaarse grondwet raakt aan de Europese waarden die de grondslag vormen van de samenwerking in de Europese Unie? Zo ja, bent u dan bereid om deze kwestie aan de orde te stellen tijdens de aankomende Europese Raad van 14–15 maart?
Het kabinet deelt de brede internationale zorgen over de amendementen. De kwestie staat niet formeel geagendeerd voor de Europese Raad, maar zal naar verwachting wel aan de orde komen. Het is overigens aan de Europese Commissie om te bepalen of Hongarije zijn verplichtingen onder de EU-verdragen heeft geschonden.
Zouden de zorgelijke ontwikkelingen in Hongarije volgens u onderwerp moeten zijn van het toekomstige «mechanism to safeguard fundamental values in Member States», waar de minister van Buitenlandse Zaken samen met zijn Duitse, Finse en Deense collega's vorige week in een brief aan de President van de Europese Commissie Barroso op aandrong?
Ja. Een afschrift van deze brief ging uw Kamer toe.
Op welke wijze stelt u voor dat de Commissie, als hoeder van de Europese verdragen, een sterkere rol gaat spelen bij het toezicht op ontwikkelingen zoals die plaatsvinden in Hongarije? Hoe en waar zou deze verantwoordelijkheid precies moeten worden belegd?
Het kabinet zal, samen met de andere lidstaten die de brief hebben geschreven en mogelijk ook andere lidstaten die voorstander zijn van de totstandkoming van een dergelijk mechanisme, in overleg treden met de Europese Commissie en de lidstaten van de EU om deze aspecten verder uit te werken.
Hoe beoordeelt u de aanbevelingen en suggesties voor beter toezicht op democratische en rechtstatelijke ontwikkelingen in Europees verband die worden gedaan in het rapport «Safeguarding democracy inside the EU. Brussels and the future of liberal order»(Transatlantic Academy, 2012–2013, no. 3)? Wat vindt u van het voorstel in dit rapport om, in plaats van de Europese Commissie te belasten met een monitoringtaak, deze bevoegdheid te beleggen bij een separate «Kopenhagen Commissie»?
Zoals in de brief aangegeven zijn de vier ondertekenaars voorstander van een sterkere rol van de Europese Commissie in dezen.
Ziet u, gezien het feit dat deze nieuwe mechanismen voor monitoring van de rechtstaat binnen de EU nog vorm moeten krijgen, een rol weggelegd voor de Raad van Europa aangaande de zorgelijke ontwikkelingen in Hongarije? Is het mogelijk dat de Europese Raad van eind deze week een verzoek doet aan de Raad van Europa om zich te buigen over de situatie in Hongarije?
De Raad van Europa (RvE) heeft zijn eigen verantwoordelijkheden naast die van de Europese Unie en zal die naar het oordeel van het kabinet ook zonder aansporing van de Europese Raad nemen. De RvE heeft, zowel in politieke zin door de SG van de RvE als in juridisch adviserende zin door de Europese Commissie Democracy through Law (ook wel Venetië Commissie), al waardevol werk verricht rondom eerdere internationale zorgen over Hongaarse wetgevingsprocessen. De Secretaris-Generaal van de Raad van Europa, Thorbjørn Jagland, heeft 8 maart jl. de Venetië Commissie gevraagd de amendementen grondig te onderzoeken.
Welke andere mogelijkheden zijn er om ontwikkelingen, zoals die plaatsvonden in Hongarije, in Europees verband aan de orde te stellen?
Naar het oordeel van het kabinet zijn de Europese Unie en de Raad van Europa de meest aangewezen fora om dit soort ontwikkelingen te bespreken.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor aanvang van het plenaire debat ter voorbereiding op de Europese Raad van 14–15 maart?
Ja.
Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie |
|
Harry van Bommel (SP), Désirée Bonis (PvdA), Bram van Ojik (GL), Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de situatie van de Palestijnse burgers Samer Issawi1 en Ayman Sharawneh2 in Israëlische gevangenschap, die reeds langere tijd in hongerstaking zijn en nu in levensgevaar verkeren?
Ayman Sharawneh is op 17 maart ontslagen uit Israëlische detentie en overgebracht naar Gaza waar hij 10 jaar moet verblijven alvorens terug te kunnen keren naar zijn woonplaats op de Westelijke Jordaanoever. De Palestijnse gevangene Samer Issawi is eind februari overgebracht naar het penitentiair ziekenhuis in Israël als gevolg van de langdurige hongerstaking.
Deelt u de mening dat bij deze gevangenschap feitelijk sprake is van administratieve detentie, aangezien de tenlasteleggingen niet door een onafhankelijke rechter zijn getoetst?
Er is geen sprake van administratieve detentie. In het geval van Ayman Sharawneh en Samer Issawi is de rechtsgang uitgemond respectievelijk kan die uitmonden – afhankelijk van eventueel ingesteld beroep door de heer Issawi zelf – in toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie, in beide gevallen het Hooggerechtshof.
Deelt u de mening dat dit des te ernstiger is aangezien het ontbreken van een behoorlijke rechtsgang in beide gevallen leidt tot een detentie van tientallen jaren?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid bilateraal of in EU-verband te interveniëren om voor beide gedetineerden te bewerkstelligen dat zij hun hongerstaking kunnen opgeven op basis van een geloofwaardige toezegging dat de aanklachten tegen hen op korte termijn behandeld zullen worden in een behoorlijk proces door een civiele rechtbank? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering deelt de zorgen over de schaal en duur van deze detenties. De situatie van de Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie wordt door Nederland en de EU nauwgezet gevolgd. In februari jl. heeft de EU-vertegen-woordiger in Tel Aviv administratieve detentie bij de Israëlische autoriteiten aan de orde gesteld. Ook tijdens het EU-Israël-sub comité voor politieke dialoog op 11 december 2012 stond de kwestie op de agenda. Op 16 februari jl. gaf de woordvoerder van de Hoge Vertegenwoordiger een verklaring af waarin de HV oproept tot nakoming van het recht op familiebezoek, naleving van internationale verplichtingen en het indienen van formele aanklachten tegen de gedetineerden.
Deelt u de mening van mensenrechtenorganisaties in en buiten Israël dat de Israëlische autoriteiten de rechtsorde ondermijnen c.q. mensenrechten schenden door de schaal waarop zij mensen in administratieve hechtenis nemen (enige honderden op enig moment) en de duur van die hechtenis (oplopend tot enige jaren)? Zo nee, waarom niet? Zo ja: welke stappen gaat u bilateraal en in EU-verband zetten om Israël hierop aan te spreken?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de bezorgdheid van Israëlische mensenrechtenorganisaties als B’tselem en Hamoked – die daarover, met financiële steun van de EU, rapport uitbrachten – over de mishandeling van Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie?
De regering deelt de zorg over de omstandigheden in de Israëlische gevangenissen en de behandeling van de gedetineerden, zoals geschetst door B’tselem3 en Hamoked in hun rapport in 2010. De behandeling van gevangenen moet in overeenstemming zijn met het internationale recht, waaronder ook humanitair oorlogsrecht en mensenrechten.
Na de vrijlating van de Israëlische militair Gilad Shalit in oktober 2011 hebben de Palestijnse gedetineerden en de Israëlische gevangenisautoriteit in mei 2012 een afspraak gemaakt om de situatie voor de Palestijnse gevangenen in Israëlische detentie te verbeteren. Het is echter niet mogelijk om een volledig beeld te krijgen van de omvang en impact van de verbeteringen, zolang de overeen-gekomen regeling niet wordt vrijgegeven.
Deelt u de opvatting van de Verenigde Naties3 dat onafhankelijk en transparant onderzoek geboden is naar de omstandigheden waaronder Arafat Jaradat overleed in Israëlische gevangenschap rond 22 februari jl. en dat de resultaten daarvan zo spoedig mogelijk openbaar gemaakt moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja: bent u bereid bilateraal en via de EU aan te dringen op een dergelijk onderzoek?
De regering deelt de opvatting dat onafhankelijk onderzoek naar deze omstandigheden geboden is en meent dat de uitkomsten openbaar moeten zijn.
Eind februari heeft een eerste onderzoek plaatsgehad waarbij een Palestijnse patholoog-anatoom aanwezig was. Deze claimde dat Arafat Jaradat was gemarteld. Het Israëlische ministerie van Volksgezondheid stelt echter dat er – afgezien van de fysieke gevolgen van een langdurige reanimatie – geen verwondingen op het lichaam van Jaradat zijn gevonden. Het ministerie baseert zich daarbij op een onderzoek dat mede is uitgevoerd door het Nationaal Centrum voor Forensische Geneeskunde en het Pathologisch instituut. Er zal uitgebreider onderzoek naar de doodsoorzaak plaatsvinden.
Uitspraken van de president van het gerechtshof Den Bosch |
|
Jeroen Recourt (PvdA), Albert de Vries (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zeeland op het verkeerde been gezet» in de Provinciale Zeeuwse Courant van 9 maart 2013?
Ja.
Klopt het dat u de Kamer in december 2012 heeft medegedeeld dat Middelburg een zittingsplaats wordt van het gerechtshof Den Bosch en dat daardoor ook hoger beroepszaken in Zeeland behandeld kunnen worden?
Ja. In artikel 2 onder d van het Besluit zittingsplaatsen gerechten (Stb. 2012, nr. 601) is bepaald dat onder meer Middelburg een zittingsplaats is van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Dit betekent dat hoger beroepzaken in Zeeland kunnen worden behandeld.
Wat vindt u van de uitspraak van de president van het gerechtshof Den Bosch dat uw uitspraak «feitelijk juist is, al gaan we het in beginsel niet doen»?
De bevoegdheid om binnen het ressort te bepalen waar zaken worden afgedaan, is wettelijk toebedeeld aan het gerechtsbestuur (artikel 21 van de Wet op de rechterlijke organisatie). Hierbij dient het gerechtsbestuur rekening te houden met in ieder geval het belang van een goede toegankelijkheid van de rechtspraak. In het ressort Den Bosch is onder meer Middelburg als zittingsplaats aangewezen. Als er zaken worden behandeld met bijvoorbeeld een groot belang voor de provincie Zeeland, of een zaak waarbij veel regionale partijen zijn betrokken, dan kan het gerechtsbestuur ervoor kiezen de zittingen in Middelburg te houden.
Staat u achter deze uitspraak? Zo ja, betekent dat dan dat er ondanks de gewekte verwachtingen geen hoger beroep zittingen in Zeeland plaats zullen vinden? Zo nee, wat gaat u doen om de president duidelijk te maken dat uw toezegging aan Zeeland serieus genomen moet worden en er dus wel regelmatig hoger beroepszaken in Middelburg gehouden moeten worden?
Met de stelling dat in beginsel geen hoger beroepzaken in Middelburg worden gedaan, kan ik mij niet verenigen. Nu ik, mede gelet op de wettelijke systematiek, de uitspraak van de president niet anders kan begrijpen dan dat hij tot uitdrukking heeft willen brengen dat zaken in Den Bosch worden behandeld, maar dat zaken ook in Middelburg zullen worden afgedaan, kan ik mij daarin vinden.
Kunt u zich voorstellen dat de uitspraken van de president van het gerechtshof in Den Bosch in Zeeland tot verontwaardiging leiden en het vertrouwen in andere toezeggingen, onder andere met betrekking tot de beschikbaarheid van openbaar ministerie, rechtbank en politie in Zeeland, op de proef stelt? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 14 december 2012 (Kamerstuk II 29 628, nr. 348) ben ik helder geweest over mijn visie op het locatiebeleid en meer specifiek over wat mijn verwachtingen zijn voor de regio Zeeland. Ik doe mijn toezeggingen gestand.
De hack op het Groene Hart Ziekenhuis |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsbericht dat journalist Brenno de Winter gevraagd is te getuigen over de hack op Groene Hart Ziekenhuis, waar documenten op een publiek toegankelijke internetserver stonden? Kunt u dit uitleggen hoe dit mogelijk is?1
De heer de Winter is door de politie uitgenodigd als getuige om in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar een hack bij het Groene Hart Ziekenhuis een aantal vragen van de politie te beantwoorden.
Een ieder waarvan wordt vermoed dat diens getuigenverklaringen kunnen bijdragen aan het oplossen van (ernstige) strafbare feiten, kan worden uitgenodigd voor een getuigenverhoor bij de politie. Zo’n getuigenis in de opsporingsfase gebeurt op basis van vrijwilligheid. Daarnaast geldt voor journalisten onverminderd het recht op bronbescherming waar zij zich op kunnen beroepen.
Bent u bekent met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 2007 over de zaak Koen Voskuil?
Ja. In deze zaak werd een journalist tijdens de behandeling van een strafzaak in hoger beroep op vordering van de verdediging gegijzeld door het Hof Amsterdam omdat hij zijn bron niet bekend wilde maken. Het Hof in Straatsburg oordeelde dat de gijzeling een disproportionele schending had opgeleverd van het recht op bronbescherming van de journalist.
Ik zie geen samenhang met de kwestie waarop deze Kamervragen betrekking hebben, namelijk de uitnodiging aan de journalist Brenno de Winter om vragen van de politie te beantwoorden in een lopend strafrechtelijk onderzoek. Van inbreuk op de bronbescherming van de journalist is in dit geval geen sprake. Dit geldt in het bijzonder nu de aangehouden hacker zichzelf reeds aan de politie kenbaar had gemaakt als bron van de journalist.
Hoe staat het in Nederland met het verschoningsrecht van journalisten als gevolg van onder andere deze uitspraak? In hoeverre is de betreffende uitspraak in wetgeving omgezet?
De diverse uitspraken van het EHRM over de bronbescherming en het verschoningsrecht van journalisten worden als leidend beschouwd bij het opsporings- en vervolgingsbeleid van de politie en justitie in Nederland voor zover hierbij een journalist betrokken is. Zo is in 2012 de Aanwijzing toepassing dwangmiddelen tegen journalisten van het College van procureurs-generaal aangepast mede naar aanleiding van het Sanoma-arrest van het EHRM van 14 september 2010.
Eveneens naar aanleiding van het Sanoma-arrest is een aanvulling van het wetsvoorstel Bronbescherming in voorbereiding genomen, waarin voorafgaande rechterlijke toetsing van dwangmiddelen tegen verschoningsgerechtigden is opgenomen. Zoals in de brief van 7 december 2012 van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mede namens mij, is aangekondigd, is inmiddels een aanvullend advies gevraagd aan de Raad van State (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012–2013, 30977, nr.2. De voorbereiding van het wetsvoorstel is aangehouden omdat wij de uitspraak van het EHRM in de zaak van De Telegraaf tegen de Staat wilden afwachten teneinde met de resultaten daarvan tijdig rekening te kunnen houden. In dezelfde brief treft u de conclusies die wij aan het arrest hebben verbonden.
Weet u dat in een korte tijd meerdere kwetsbaarheden bij zorggerelateerde instellingen aan het licht zijn gebracht? Is het beleid om iedereen die een misstand aan het licht brengt te vervolgen? Zijn er ook omstandigheden denkbaar waarbij u samenwerkt met deze personen met als hoger doel kwetsbaarheden in de beveiliging van computersystemen te voorkomen en bestrijden?
Ja, dat is bekend. Het is goed wanneer kwetsbaarheden bij zorggerelateerde instellingen aan het licht worden gebracht. Dat neemt niet weg dat, indien het aantonen van kwetsbaarheden gepaard gaat met een strafbaar feit, dit strafrechtelijk kan worden onderzocht door het openbaar ministerie. Dit vloeit voort uit het zeer zwaarwegend maatschappelijk belang dat gemoeid is met de bescherming van gevoelige persoonsgegevens zoals medische informatie.
Bij een hack uit «ethische» motieven kan sprake zijn van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid, dat wil zeggen dat de verdachte het feit bewijsbaar heeft begaan maar dat hij hiervoor niet strafbaar is. Er moet dan wel zijn gebleken dat er voor de hacker geen andere (minder ingrijpende) methoden voorhanden waren om de kwetsbaarheden aan te tonen en dat hij hierbij de nodige zorgvuldigheid heeft betracht; belangen van derden mogen niet onnodig zijn geschonden. In deze zaak waren er redenen om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de ethische motieven van de verdachte.
Bij het Team High Tech Crime van de Nederlandse Politie werken personen die over dezelfde vaardigheden beschikken als hackers. Zij spelen een belangrijke rol in de opsporing van ernstigere vormen van cybercrime.
Bent u bekend met het richtsnoer van het College bescherming persoonsgegevens met betrekking tot de NEN-7510 norm (de door het Nederlands Normalisatie-instituut ontwikkelde norm voor Informatiebeveiliging voor de zorgsector in Nederland)? Deelt u de visie van experts dat de NEN-norm de minimale basis voor beveiliging in de zorg vormt? Zo nee, waarom niet?
Ik ben bekend met de Richtsnoeren Beveiliging van het College bescherming persoonsgegevens (CBP). Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de juistheid, actualiteit en beveiliging van de zorginhoudelijke gegevens. In artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) staat deze verplichting tot beveiliging in algemene zin opgenomen. Specifiek voor informatiebeveiliging in de zorg zijn normen beschikbaar van het Nederlands Normalisatie-instituut, te weten NEN-normen 7510 tot en met 7513. Op 21 december 2012 is het wetsvoorstel inzake cliëntenrechten bij elektronische verwerking van gegevens aangeboden aan uw Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012–2013, 33509, nr.3. Naar de genoemde NEN-normen zal in de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 26 Wbp dwingend worden verwezen.
De Inspectie voor de gezondheidszorg (IGZ) houdt zorgbreed risicogericht toezicht. Er worden geen lijsten bijgehouden van zorgverleners en zorginstellingen waar is getoetst op de NEN-norm. Uiteraard wordt wel een overzicht bijgehouden van zorgaanbieders waar de IGZ inspecties heeft uitgevoerd. In haar toezicht op de informatiebeveiliging door zorginstellingen betrekt de IGZ ook de NEN-normen. In 2003 en in 2007 heeft de IGZ telkens bij 20 Nederlandse ziekenhuizen een onderzoek uitgevoerd naar de mate van informatiebeveiliging. Het onderzoek in 2007 heeft de IGZ overigens samen met het CBP uitgevoerd. De onderzoeksresultaten waren voor de IGZ aanleiding om vervolgens aan alle ziekenhuizen te vragen zich in 2010 extern te laten auditen op de mate van informatiebeveiliging. Alle ziekenhuizen hebben hieraan gehoor gegeven en hebben toen uiteindelijk een voldoende score laten zien.
Voorwaarde voor aansluiting op de zorginfrastructuur (voorheen het Landelijk Schakelpunt) is dat het zorginformatiesysteem van de zorgaanbieder, en het gebruik daarvan, voldoet aan de eisen van een goed beheerd zorgsysteem (GBZ). Deze GBZ-eisen zijn onder andere gebaseerd op relevante onderdelen van de NEN-norm 7510. Op sommige onderdelen zijn specifiekere eisen gesteld. Het is aan de zorgaanbieder om aan deze eisen te voldoen.
Het is overigens aan de verantwoordelijke van het informatiesysteem om te borgen dat de informatie-uitwisseling tussen zorgaanbieders voldoet aan geldende wet- en regelgeving. Hier wordt ook strikt op toegezien; enerzijds ziet het CBP toe op de naleving van de Wbp en aanverwante wetten, anderzijds ziet de IGZ erop toe dat er verantwoorde zorg wordt geleverd en dat de beveiliging van medische dossiers op orde is. Het toezicht op de informatiebeveiliging is momenteel voldoende belegd bij de IGZ en het CBP en de huidige wettelijke bepalingen en bestaande veldnormen bieden voldoende aanknopingspunten voor toezicht op de beveiliging van medische dossiers.
Kunt u een actuele lijst samenstellen van zorgverleners en zorginstellingen waar is getoetst op de NEN-norm, waar deze toetsing niet heeft plaatsgevonden en wat de resultaten van de toetsing is geweest? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u van mening dat het mogelijk is te beginnen met een Landelijk elektronisch patiëntendossier (EPD) of een Landelijk Schakelpunt op het moment dat een aangesloten zorgverlener of zorginstelling niet aan de NEN-norm voldoet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Welke capaciteit wordt door de overheid ingezet voor het afdwingen van deze NEN-norm en het verlenen ondersteuning daarbij?
Zie antwoord vraag 5.
Welk prioritering geeft de overheid aan het naleven van beveiligingsnormen binnen het zorgdomein in relatie tot het aanpakken van hackers die actief lekken kenbaar maken?
Dit onderwerp krijgt momenteel nadrukkelijk de aandacht van de overheid en van het veld. Zoals ik reeds heb aangegeven in de «Leidraad om te komen tot een praktijk van responsible disclosure» (Kamerstukken II, vergaderjaar 2012–2013, 26 643, nr. 264) kan responsible disclosure een belangrijk middel zijn om bij te dragen aan ICT-beveiliging. Door een kwetsbaarheid op een meer besloten wijze en in samenwerking met de getroffen organisatie kenbaar te maken (de verantwoorde of «responsible» disclosure) kunnen de gevolgen voor deze organisatie beperkt worden terwijl ook het publieke belang wordt gediend. Dit heeft nadrukkelijk de voorkeur boven het direct volledig publiekelijk bekend maken van een kwetsbaarheid (full disclosure). De door het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) opgestelde leidraad dient dan ook om het toepassen van responsible disclosure bij alle partijen te stimuleren. Deze zal in de Zorg Information Sharing and Analysis Center (ISAC) onder de aandacht worden gebracht van het zorgveld.
Overigens wordt er gewerkt aan een meldplicht voor datalekken die inhoudt dat datalekken onder meer moeten worden gemeld bij het CBP. Dit is verwerkt in het wetsvoorstel «Gebruik camerabeelden en meldplicht datalekken» van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Hoeveel opsporingscapaciteit is ingezet bij het opsporen van hackers die kwetsbaarheden bij het Groene Hart Ziekenhuis hebben aangetoond?
Het onderzoek naar de hack op het Groene Hartziekenhuis is nog niet afgerond. Om die reden kan ik geen uitspraken doen over de hoeveelheid opsporingscapaciteit die is ingezet bij het opsporen van de hackers.
Turkse vluchtelingenkampen alias jihadistische rekruteringskampen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Christians Squeezed Out by Violent Struggle in North Syria» en «Syrië telt spoedig geen christenen meer», waarin onder meer de problemen van Syrische christenen in Turkije worden aangekaart?1
Ja.
Bent u ermee bekend dat in Turkse vluchtelingenkampen de terreurorganisatie Jahbat al Nusra gevluchte Syrische mannen die de strijdbare leeftijd hebben, rekruteert en terugstuurt naar Syrië om daar jihad te voeren?
Er is geen bevestigde informatie beschikbaar over vluchtelingen in Turkse vluchtelingenkampen die gerekruteerd worden door de terreurorganisatie Jahbat al Nusra. Ik zie daarom geen aanleiding dit aan te kaarten.
Deelt u de mening dat het onbestaanbaar is dat in Turkije door de VN-gefinancierde vluchtelingenkampen, waar Nederland ook flink aan bijdraagt, omgetoverd blijken te worden tot rekruteringskampen voor jihadisten? Zo ja, bent u bereid dit aan te kaarten bij de VN en Turkije en geen euro meer over te maken voor noodhulp aan Syrische vluchtelingenkampen via de VN zolang deze situatie voortduurt?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de Iraakse constatering dat de steun van Turkije aan de Syrische oppositie ook een destabiliserend effect heeft op Irak? Welke consequenties verbindt u daaraan? 2
De federale regering in Bagdad, die een moeizame relatie met Turkije onderhoudt, maakt zich zorgen over de ontwikkelingen in Syrië en de mogelijke consequenties hiervan voor de eigen soennitische minderheid. Nederland blijft, net als de EU en de VN, tegenover Irak benadrukken dat een stabiel en verenigd Irak belangrijk is voor de stabiliteit in de regio.
Deelt u de mening dat er snel een oplossing moet komen voor de naar Turkije gevluchte Syrische christenen, die aangeven zich onveilig te voelen door de rebellen in de kampen en die geen liefdadigheidshulp ontvangen vanwege hun christen-zijn?
Volgens UNHCR zijn er geen aanwijzingen voor «sektarisch» geweld richting Syrische christenen in Turkse vluchtelingenkampen. Syrische christenen kiezen er veelal voor om, met toestemming van de autoriteiten, buiten de vluchtelingenkampen te verblijven. UNHCR heeft contact met enkele van deze vluchtelingen.
Heeft u kennisgenomen van het verzoek van Syria Request, waarin wordt beschreven dat de meeste Syrische christenen uit Hassaka ervoor kiezen 850 kilometer dwars door het Syrische oorlogsgebied te vluchten, naar Libanon, omdat Turkije hen de toegang weigert tot Tur Abdin?
Ja, Syria’s Request is door mijn ministerie geïnformeerd dat er geen informatie is die erop wijst dat Turkije vluchtelingen de toegang weigert tot Tur Abdin.
Hoe apprecieert u in dit kader de toezegging van Ankara om een apart vluchtelingenkamp voor Syrische christenen op te zetten indien nodig? Is de Turkse regering bereid om in het Tur Abdin een vluchtelingenkamp in te richten, en zo ja, hoeveel Syrische-christelijke vluchtelingen is Turkije bereid hierin toe te laten en wat gebeurt er met de overigen?
Deze toezegging wordt door UNHCR Turkije niet bevestigd.
Hatelijke uitlatingen van de Turkse premier Erdogan over het Zionisme |
|
Kees van der Staaij (SGP), Joël Voordewind (CU) |
|
Frans Timmermans (minister buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving waarin is vermeld dat de Turkse premier Erdogan Zionisme heeft omschreven als een misdaad tegen de menselijkheid?1 Hoe beoordeelt u de gedane uitlatingen?
Ja, ik heb kennis genomen van de uitspraak van premier Erdoğan. Ik neem hier uitdrukkelijk afstand van. De uitspraak kan niet door de beugel en ik heb er alle begrip voor dat in Israël hierop ontstemd is gereageerd. Dit soort uitspraken schaadt een gunstig klimaat voor vrede in de regio en ze hinderen normalisering van de betrekkingen tussen Turkije en Israël. Nederland blijft een groot voorstander van een toenadering tussen Turkije en Israël en zal zich hiervoor ook sterk blijven maken.
Wat betekenen deze uitspraken in uw ogen voor de relatie tussen Turkije en Israël? Heeft u de indruk dat Turkije aanstuurt op een steeds hardere confrontatie met Israël?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft u uw verontwaardiging over deze uitlatingen laten blijken? Bent u bereid om de Turkse ambassadeur te ontbieden om uw afkeuring uit te spreken over deze uitspraken? Zo nee, waarom niet?
Zoals gezegd kan de uitspraak niet door de beugel en neem ik er uitdrukkelijk afstand van. De Nederlandse positie ter zake wordt blijvend op politiek en ambtelijk niveau bij Turkije uitgedragen en dat is ook naar aanleiding van deze concrete uitspraak gebeurd.
Hoe heeft de Nederlandse delegatie gereageerd tijdens de VN-bijeenkomst waar deze uitlatingen zijn gedaan? Heeft deze delegatie van zijn afkeuring laten blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de Secretaris-Generaal van de VN Ban Ki-Moon – die aanwezig was op de betreffende bijeenkomst – de uitlatingen van premier Erdogan niet heeft veroordeeld, terwijl zijn voorganger Kofi Anan destijds heel expliciet de link tussen Zionisme en racisme heeft veroordeeld?
Secretaris-Generaal van de VN Ban Ki-Moon heeft afstand genomen van de uitlatingen en gezegd: «it is unfortunate that such hurtful and divisive comments were uttered at a meeting being held under the theme of responsible leadership.»
In België woonachtige verdachten van een mishandeling te Eindhoven |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Cassatie laat uitlevering van minderjarigen niet toe» en het in het bericht genoemde arrest van het Belgische Hof van Cassatie?1
Ja.
Deelt u de conclusie dat het genoemde arrest kan betekenen dat België niet langer minderjarige ingezetenen, die verdacht worden van een strafbaar feit, in het buitenland zal uitleveren? Zo ja, maakt het daarbij uit over welke nationaliteit de ingezetene beschikt? Zo nee, waarom niet?
Bij de uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op strafvervolging is de nationaliteit van de betrokken persoon geen weigeringsgrond. Dit volgt uit het Kaderbesluit EAB. De leeftijd van de betrokken persoon kan in zoverre relevant zijn dat als de betrokkene krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat nog niet strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld vanwege zijn leeftijd, dit een weigeringsgrond voor overlevering is. Dit vloeit voort uit artikel 3 van het Kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel.
In het betreffende arrest van het Belgische Hof van Cassatie ging het om een aanhoudingsbevel ter fine van strafexecutie. De minderjarige waar het arrest over gaat, was al door een Roemeense rechtbank veroordeeld. Het valt te bezien of het Hof van Cassatie een analoge redenering zal volgen voor een aanhoudingsbevel ter fine van vervolging. De conclusie dat verdachte minderjarigen niet meer zullen kunnen worden overgeleverd, kan dan ook niet op voorhand worden getrokken.
Is het waar dat landen die ingezetenen niet uitleveren zelf zorg dragen voor de vervolging van die ingezetenen als die verdacht worden van het plegen van een strafbaar feit in het buitenland? Zo ja, op grond van welke internationale verplichtingen? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het aut dedere aut judicare beginsel, dient een land ofwel uit te leveren, ofwel zelf te vervolgen. De niet-uitlevering brengt dus de verplichting met zich om zelf te vervolgen. Deze verplichting strekt zich uit over eigen onderdanen en ingezetenen en dus ook over minderjarigen voor zover zij vatbaar zijn voor vervolging onder het gewone strafrecht.
Het is naar Belgisch recht mogelijk een persoon die feiten pleegde op de leeftijd van 16 of 17 voor de jeugdrechtbank te vervolgen. Artikel 44 van de Belgische jeugdbeschermingswet laat dit toe, op basis van de (ouderlijke) verblijfplaats van de verdachte, of de plaats van aantreffen.
Bent u van mening dat, in het geval België niet langer minderjarige ingezetenen zou uitleveren, het zelf zorg zou moeten dragen voor vervolging? Zo ja, over welke wettelijke mogelijkheden daartoe beschikt België? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Het bericht dat het Openbaar Ministerie gelogen heeft in een zedenzaak |
|
Jan de Wit |
|
Opstelten (minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van drie rechtspsychologen waaruit blijkt dat de politie en het Openbaar Ministerie (OM) hebben gelogen in een Bredase zedenzaak?1
Voor de beantwoording van deze vragen verwijs ik naar de brief (Kamerstuk II 33400-VI, nr. 99) die ik uw Kamer heden heb toegezonden over deze zaak.
Hoe kan het dat er geen alarmbellen bij de politie zijn afgegaan toen bleek dat de aangever al eerder valse aangifte van misbruik had gedaan? Hoe is het mogelijk dat ontlastende verklaringen door de politie simpelweg werden geschrapt en alternatieve verklaringen niet werden onderzocht?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe is het mogelijk dat op deze wijze fouten zijn gemaakt en dat er kennelijk zo aangestuurd wordt op een veroordeling, ondanks alle lessen die getrokken zijn uit gerechtelijke dwalingen in het verleden?
Zie antwoord vraag 1.
Wat gaat er met de conclusies van dit onderzoek gebeuren? Welke gevolgen heeft dit voor het OM, de politie en de betrokken officier van justitie in het bijzonder?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de dramatische gevolgen voor de persoon die destijds (ten onrechte) verdachte was in deze zaak, die slachtoffer is geworden van de hele situatie? Kan het slachtoffer excuses, genoegdoening en eventuele schadevergoeding tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
De achterstanden bij de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen, de vakantieplannen en het vaststellen van de identiteit van veroordeelden |
|
Ard van der Steur (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van RTL Nieuws «Veroordeelden pas na 14 maanden in de cel»?1
Ja.
Zijn de in de uitzending genoemde cijfers juist? Zo nee, wat zijn de juiste cijfers?
De cijfers die RTL Nieuws in de uitzending presenteerde zijn niet juist. Dit geldt ook voor de cijfers die vermeld zijn in het document dat aan RTL Nieuws is verstrekt. Deze cijfers hebben namelijk een indicatief karakter – zo zijn personen die direct vanuit voorlopige hechtenis een vrijheidsstraf ondergaan niet meegenomen – en zijn om deze reden ongeschikt om te gebruiken als representatieve cijfers voor het presteren van de executieketen. Op dit moment werkt het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan het verkrijgen van een objectief en betrouwbaar beeld van de prestaties in de executieketen via de zogenoemde kpi-monitor. De meest recente meting van het WODC laat zien dat voor de gevangenisstraffen de werkelijke doorlooptijd lager ligt dan de in de uitzending van RTL Nieuws genoemde cijfers.
Acht u het wenselijk dat het gemiddeld meer dan een jaar duurt voordat een gevangenisstraf ten uitvoer wordt gelegd?
Nee, dit acht ik onwenselijk. Daarom werk ik samen met de partners in de executieketen aan het formuleren van een norm voor het starten van de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen. Uw Kamer zal ik voor het begin van het zomerreces hierover informeren.
Acht u het wenselijk dat bij het uitzitten van een gevangenisstraf rekening wordt gehouden met de vakantieplannen van veroordeelden?
Zoals in de Aanwijzing Executie staat beschreven komt een aantal veroordeelden in aanmerking voor het zogenoemde zelfmeldbeleid. Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) bepaalt in opdracht van het Openbaar Ministerie of een veroordeelde met een lopend vonnis in aanmerking komt voor de status van zelfmelder.
Wanneer iemand deze zelfmeldstatus heeft verkregen en een oproep tot melden bij een penitentiaire inrichting of de politie heeft ontvangen, kan deze uitstel aanvragen voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging. Er kunnen bepaalde omstandigheden zijn waardoor een zelfmelder zich genoodzaakt ziet een uitstelverzoek in te dienen, zoals problemen die zich in de werksituatie kunnen voortdoen, of gezinsproblematiek.
In de Aanwijzing Executie wordt aangegeven dat «een reeds geboekte vakantie» eveneens reden kan zijn tot het verlenen van uitstel van de start van de tenuitvoerlegging. Toekenning van een uitstel op basis van deze omstandigheid acht ik zeer onwenselijk. Derhalve heb ik met het Openbaar Ministerie afgesproken dat de regels voor de toekenning van het uitstel van tenuitvoerlegging bij de zelfmeldprocedure worden aangepast. In afwachting daarvan zal een eventueel verzoek om uitstel door betrokken organisaties op deze grond niet worden gehonoreerd.
Acht u het wenselijk dat van veroordeelden die geen identiteitsbewijs bij zich hebben, de uitvoering van de gevangenisstraf wordt opgeschort totdat zij zich met identiteitsbewijs melden?
Neen. Dit is echter ook niet het geval. Door middel van het toepassen van biometrie in de penitentiaire inrichting kan namelijk de identiteit van de veroordeelde worden vastgesteld.
In de brief die een zelfmelder ontvangt staat inderdaad aangegeven dat het niet in bezit hebben van een identiteitsbewijs een reden is om de tenuitvoerlegging op te schorten. In de praktijk is hiervan geen sprake. De brief zal op dit punt worden aangepast.
Wat is uw oordeel over de overige cijfers die vermeld zijn in het document dat aan RTL Nieuws werd verstrekt?
Zie antwoord vraag 2.
Adoptie uit Ethiopië |
|
Foort van Oosten (VVD), Ingrid de Caluwé (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Lilianne Ploumen (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de uitzending van Brandpunt van 24 februari 2013 over misstanden bij adopties van kinderen uit Ethiopië al dan niet door tussenkomst van Wereldkinderen en van het bericht «Nederland telt vele Betty's» in de Volkskrant van 27 februari 2013?
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat Wereldkinderen onderdeel uitmaakt van de alliantie Together4Change, die in 2010 ruim 52 miljoen euro uit het Mede Financierings Stelsel (MFS-II) heeft ontvangen, waarmee Wereldkinderen in onder andere Ethiopië projecten voor kinderrechten en kinderwelzijn uitvoert?
Wereldkinderen maakt inderdaad deel uit van de MFS II-alliantie Together4Change, waarvan de organisatie ICS (Investing in Children and their Societies) penvoerder is. Deze alliantie ontvangt 46 mln. euro financiering uit het Medefinancieringsstelsel MFS II voor de jaren 2011 t/m 2015. Ik kan bevestigen dat Wereldkinderen in Ethiopië in samenwerking met lokale partners projecten uitvoert die op het terrein van kinderrechten, kinderwelzijn, alternatieve zorg en sociaal economische versterking van gezinnen liggen, maar niet op het terrein van interlandelijke adoptie.
Is het mogelijk dat de adopties via Wereldkinderen, waar in Brandpunt aan wordt gerefereerd, uit deze MFS-II-gelden zijn gefinancierd? Zo ja, waarom wordt ervoor gekozen om adoptieactiviteiten met gelden bestemd voor ontwikkelingshulp te ondersteunen? Wat is de relevantie van adoptie voor ontwikkelingshulp?
Het is uitgesloten dat de adopties via Wereldkinderen waaraan in Brandpunt wordt gerefereerd uit MFS-II middelen zijn gefinancierd. De desbetreffende adopties vonden in de periode 2004–2005 plaats. De MFS-II subsidie is pas vanaf 2011 beschikbaar gesteld. De MFS II Alliantie Together4Change werkt juist aan versterking van lokale structuren voor kind- en jeugdbescherming zodat kinderen op een adequate manier binnen hun eigen gezin of gemeenschap kunnen worden opgevangen. De door het ministerie van Buitenlandse Zaken beschikbaar gestelde gelden aan de Together4Change Alliantie worden niet besteed aan activiteiten op het gebied van interlandelijke adoptie.
In hoeverre worden de overige Nederlandse adoptievergunninghouders (deels) uit overheidsgelden gefinancierd, al dan niet via middelen bestemd voor ontwikkelingssamenwerking? Is er ook sprake van indirecte ondersteuning van betreffende adoptieorganisaties door ondersteuning met ontwikkelingsgelden van aan de organisaties gelieerde ontwikkelingsorganisaties of -programma's?
Geeft voornoemde uitzending u aanleiding acties te ondernemen ter zake (lopende) adoptieprocedures uit Ethiopië? Zo ja, welke maatregelen zullen genomen worden?
De extra waarborgen die Nederland heeft ingevoerd om de adoptieprocedures meer in lijn te krijgen met de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag staan beschreven in mijn brief aan de Tweede Kamer op 16 februari 2010 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 31 265, nr.32). In de brief aan uw Kamer van 13 maart 2012 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33 199, nr.1) over de beleidsdoorlichting staat tevens vermeld welke maatregelen ik heb genomen om betere controle uit te voeren op de adoptieprocedures. Daarnaast draagt een aanpassing van het kwaliteitskader, de nauwe contacten met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de informatie-uitwisseling tussen de Europese Centrale autoriteiten ertoe bij dat er meer en beter zicht is op de zorgvuldigheid en zuiverheid van de adoptieprocedures. Gelet op deze maatregelen is het niet noodzakelijk om nu actie te ondernemen.
In hoeverre zijn adoptieorganisaties strafbaar of vervolgbaar naar Nederlands recht, indien zou worden vastgesteld dat adoptieprocedures niet conform de regelgeving zouden zijn verlopen?
Adoptieorganisaties zijn niet strafrechtelijk vervolgbaar. In bepaalde situaties kunnen medewerkers wel vervolgd worden. Ook bestaat de mogelijkheid om de vergunning van de vergunninghoudende instelling in te trekken (artikel 18 Wobka).
Wat zijn de familierechtelijke en internationaal privaatrechtelijke gevolgen voor geadopteerde kinderen nadat is vastgesteld dat een adoptieprocedure met misstanden zou zijn omgeven en het betrokken kind onvrijwillig zou zijn afgestaan? Houdt een adoptie dan stand?
Als de adoptiebeschikking in Nederland is erkend, dan geldt ook naar Nederlands recht dat de adoptie tot stand gekomen is. Deze adoptie houdt dan naar Nederlands recht stand, tenzij de Nederlandse rechter een verzoek van de geadopteerde tot herroeping van de adoptie toewijst. Als de in het buitenland tot stand gekomen adoptie niet in Nederland wordt erkend, bijvoorbeeld omdat sprake is van strijd met de openbare orde, dan bestaat die adoptie naar Nederlands recht niet.
Klopt het dat nagenoeg uitgesloten is dat adopties na 2010 zonder medeweten van biologische ouders tot stand zijn gekomen? Hoe wordt bovendien gecontroleerd dat biologische ouders inderdaad dood zijn, indien dit in een adoptieprocedure zou worden opgeworpen?
Eén van de extra waarborgen die in de procedure gevoegd zijn, is dat er een vertegenwoordiger van de Nederlandse vergunninghouder de biologische ouders bezoekt en (nogmaals) uitlegt wat de consequentie is van het afstand doen van hun kind voor interlandelijke adoptie. Hiermee is het risico tot een minimum beperkt dat ouders niet op de hoogte zijn van de consequenties van interlandelijke adoptie. Verder is het in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de Ethiopische autoriteiten om zich er zeker van te stellen dat de informatie die in het Ethiopische adoptiedossier aanwezig is, juist is.
Interlandelijke adoptie uit Ethiopië |
|
Jeroen Recourt (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Brandpunt over interlandelijke adoptie uit Ethiopië?1
Ja
Is het waar dat er diverse kinderen uit Ethiopië zijn geadopteerd, waarbij met de procedure voor adoptie naar Nederland is gefraudeerd? Herinnert u zich uw antwoorden op eerdere vragen over dit onderwerp?2 Is er naar aanleiding van de uitzending van Brandpunt reden om aan te nemen dat er na 2010 alsnog adopties hebben plaatsgevonden door middel van bemiddeling van Stichting Wereldkinderen? Is er na 2010 door deze vergunninghouder op andere wijze onzorgvuldig gehandeld rond adopties uit Ethiopië? Wat zijn uw ervaringen met de andere vergunninghouder voor dit land, Stichting Afrika? Wat is de uitkomst van het onderzoek dat deze stichting heeft uitgevoerd naar de dossiers en achtergronden van de kinderen in procedure? Worden er op dit moment nog of weer adopties uitgevoerd vanuit Ethiopië?
Er is niet gefraudeerd met adopties vanuit Ethiopië. Wel zijn er onzorgvuldigheden in de procedure geconstateerd die in het verleden hebben plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan zijn er extra waarborgen in de procedures gevoegd. Deze maatregelen zijn beschreven in mijn brief aan uw Kamer van 16 februari 2010 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2009–2010, 31 265, nr.32). Er is geen reden aan te nemen dat er na 2010 nog nieuwe adopties vanuit Ethiopië hebben plaatsgevonden via Vereniging Wereldkinderen. Immers, Vereniging Wereldkinderen heeft sinds 2009 alleen lopende procedures afgerond en heeft daarna geen nieuwe bemiddelingen meer gerealiseerd.
Naar aanleiding van de signalen over onzorgvuldige procedures heeft Stichting Afrika voor alle dossiers die toen in procedure waren extra onderzoek verricht door alle biologische ouders nogmaals te bezoeken, te counselen en nogmaals te laten tekenen voor hun afstand. Stichting Afrika heeft in 2009 tevens twee werkbezoeken afgelegd aan Ethiopië. Stichting Afrika werkt sindsdien met de extra waarborgen, zoals beschreven in mijn brief aan uw Kamer op 16 februari 2010, waardoor de procedures meer in lijn zijn met de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag.
Stichting Afrika heeft in 2012 16 kinderen uit Ethiopië geadopteerd.
Hoe beoordeelt u de uitspraak in de uitzending dat adoptiefouders, die in Nederland geen informatie krijgen en daarmee in onzekerheid blijven over de zorgvuldigheid van adoptieprocedures, en ouders, die in Ethiopië op zoek zijn naar hun biologische kinderen, en adoptiekinderen, die te horen krijgen dat hun biologische ouders dood zijn terwijl ze nog leven, allen slachtoffer zijn van een falend adoptiebeleid?
Als de zogenoemde adoptiedriehoek (kind, biologische ouders en adoptiefouders) het gevoel heeft slachtoffer te zijn van een falend adoptiebeleid dan betreur ik dat. Echter, uitgangspunt voor een goede adoptieprocedure is dat alle beschikbare informatie, waar mogelijk, gedeeld wordt met betrokken partijen.
Heeft Vereniging Wereldkinderen een rol gespeeld bij onzorgvuldige en onzuivere adoptieprocedures vanuit Ethiopië? Zo ja, welke? Zo nee, hoe verklaart u dan de uitspraken dienaangaande gedaan in de uitzending van Brandpunt? Bent u bereid om interlandelijke adopties vanuit Ethiopië via deze vergunninghouder ook formeel stil te leggen totdat is vast komen te staan dat de zorgvuldigheid en zuiverheid van de adoptieprocedures in Ethiopië gewaarborgd zijn?
Adoptieprocedures via Wereldkinderen hebben op legitieme wijze plaatsgevonden, waarbij wel achteraf is gebleken dat er een aantal verbeteringen nodig waren om de procedures zorgvuldiger te maken. Door het invoeren van een aantal extra maatregelen zijn de procedures meer in lijn met de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag. Stichting Afrika voert de procedures uit conform de «nieuwe» werkwijze. Vereniging Wereldkinderen bemiddelt al enige jaren niet meer uit Ethiopië. Ik zie dan ook geen aanleiding om adopties uit Ethiopië via Wereldkinderen formeel stil te leggen.
Deelt u de mening dat interlandelijke adoptie altijd zodanig moet plaatsvinden dat daarmee het hoogste belang van het kind wordt nagestreefd, de grondrechten van het kind worden geëerbiedigd en kinderhandel wordt voorkomen? Zo ja, op welke wijze kan bewerkstelligd worden dat er meer en betere controle wordt uitgeoefend op de zuiverheid en zorgvuldigheid bij interlandelijke adoptieprocedures vanuit met name Afrikaanse landen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel uw mening. In mijn brief van 13 maart 2012 aan uw Kamer (Kamerstukken II, vergaderjaar 2011–2012, 33 199, nr. 1) over de beleidsdoorlichting uit 2012 staat vermeld welke maatregelen ik heb genomen om betere controle uit te voeren op de adoptieprocedures. Daarnaast draagt een aanpassing van het kwaliteitskader, de nauwe contacten met het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de informatie-uitwisseling tussen de Europese Centrale autoriteiten ertoe bij dat er meer en beter zicht is op de zorgvuldigheid en zuiverheid van de adoptieprocedures.
Waaruit bestaan de extra waarborgen die in 2010 zijn ingevoerd bij procedures voor interlandelijke adoptie vanuit Ethiopië?
Ik verwijs u naar mijn brief aan uw Kamer van 16 februari 2010.
In hoeverre is het mogelijk om in een zo vroeg mogelijk stadium in de adoptieprocedure een zorgvuldigheidstoets door de Nederlandse autoriteiten uit te laten voeren, vergelijkbaar met de toets in het kader van de machtiging tot voorlopig verblijf (MVV), voor het uitreizen vanuit deze Afrikaanse landen naar Nederland?
Met de Tweede Kamer afgesproken dat de IND een verkorte MVV toets doet in het kader van interlandelijke adoptieprocedures. In dat licht wordt er ook door de Nederlandse vergunninghouders ieder matchingsvoorstel ter beoordeling voorgelegd aan de Nederlandse Centrale autoriteit. De Centrale autoriteit beoordeelt het matchingsvoorstel voordat het voorstel daadwerkelijk aan de aspirant-adoptiefouders gedaan wordt. De beoordeling vindt plaats aan de hand van het kwaliteitskader voor vergunninghouders. Een adoptie kan geen doorgang vinden als de Centrale autoriteit geen toestemming heeft gegeven. De IND weegt de toestemming van de Centrale autoriteit mee in de beoordeling van een MVV aanvraag.
Bent u bereid om in samenspraak met de minister van Buitenlandse Zaken ambtsberichten op te laten stellen waarin de situatie in Afrikaanse landen beschreven kan worden, voor zover van belang voor de beoordeling van de zorgvuldigheid en zuiverheid van adoptieprocedures aldaar? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer een nader voorstel dienaangaande verwachten? Zo nee, waarom niet?
Als blijkt dat dat er vanuit de vergunninghouder, of de contacten tussen de Europese Centrale autoriteiten, onvoldoende informatie beschikbaar komt over de adoptiesituatie in een land, kan en zal ik gebruik maken van de specifieke kennis en ervaring op het gebied van adoptiewetgeving en procedures van de Nederlandse ambassade in de betreffende landen in aanvulling op de andere informatiekanalen. Het gebruik maken van ambtsberichten zoals u voorstelt, acht ik daarom niet nodig.