Een meervoudig moordenaar die onder een flink deel van zijn gevangenisstraf uit probeert te komen |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht: «Ontsnapt rambo dankzij tbs-truc?»?1
Ja.
Wanneer wordt uw voornemen om de zogenaamde Fokkensregeling (waardoor tot gevangenisstraf en tbs veroordeelde misdadigers een flink deel van hun gevangenisstraf niet hoeven uit te zitten) in te trekken, omgezet in daden?
Het ontwerp voor de aanpassing van de Penitentiaire maatregel, waarin de herziening van de Fokkensregeling is opgenomen, ligt thans voor advies bij de Raad van State. Uitgaande van een adviestermijn van drie maanden door de Raad van State, is inwerkingtreding uiterlijk in het vierde kwartaal van 2010 mogelijk.
Is het waar dat slachtoffers en nabestaanden in een procedure bij de Raad voor Strafrechtstoepassing over toepassing van de Fokkensregeling geen spreekrecht hebben?
Ja, dat is het geval. Het spreekrecht is geregeld in artikel 302 van het Wetboek van Strafvordering en ziet op het spreken tijdens de zitting in het strafproces tegen verdachten. Deze regeling ziet niet op de procedure bij de Raad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).
De Raad toetst beslissingen die in het kader van de tenuitvoerlegging zijn genomen over personen die een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel ondergaan: gedetineerden, ter beschikking gestelden en jeugdigen. De Raad toetst aan de wet (met name de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen) of de overheid voldoende oog houdt voor de rechtspositie en goede bejegening van deze personen.
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat criminelen in deze procedure kunnen vragen om hun gevangenisstraf flink in te korten, terwijl slachtoffers en nabestaanden daarover hun mening niet kenbaar kunnen maken? Zo nee, waarom niet?
Het huidige spreekrecht voor slachtoffers geeft hen de mogelijkheid om gedurende het strafproces aan de rechter kenbaar te maken wat de gevolgen zijn van het delict op hun leven. Deze vorm van spreekrecht is niet van toepassing op de fase van tenuitvoerlegging van de straf of maatregel.
Dat betekent niet dat slachtofferbelangen er in deze fase niet toe doen. Ik ben van mening dat bij beslissingen over verlof en invrijheidstelling de slachtofferbelangen moeten worden meegewogen, overigens zonder dat verlofbewegingen en invrijheidstelling volledig afhankelijk zouden worden van het slachtoffer en diens belangen. Op dit moment verken ik de mogelijkheden van het betrekken van de belangen van slachtoffers bij de tenuitvoerlegging van de straf, in de werkprocessen rond de verlofverlening bij tbs-gestelden en bij verlof in het kader van een gevangenisstraf.
Op 1 januari 2011 is de inwerkingtreding voorzien van de Wet ter versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1). Slachtoffers krijgen door middel van deze wet een recht op informatie over de strafrechtelijke procedure en de mogelijkheden van schadevergoeding.
Een onderzoeksrapport over de uitvoering van het spreekrecht in de strafprocedure verwacht ik deze zomer. De uitkomsten daarvan zal ik met uw Kamer delen.
Bent u voornemens in aansluiting op het invoeren van de wet spreekrecht voor slachtoffers, op korte termijn een spreekrecht voor slachtoffers/nabestaanden te realiseren in dergelijke procedures bij de Raad voor Strafrechtstoepassing? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de beveiliging van de samenleving veel beter gediend is met afschaffing van de tbs en oplegging van zeer langdurige gevangenisstraffen aan gevaarlijke misdadigers? Zo nee, waarom niet?
Deze mening deel ik niet. De beveiliging van de samenleving wordt beter gediend met het tijdens de strafrechtelijke maatregel behandelen van de psychische stoornis van personen die ernstige delicten plegen. De samenleving is er niet mee gediend dat personen na een lange gevangenisstraf zonder behandeling met gevaar voor anderen terugkeren in de samenleving.
Een Rijksrecherche onderzoek naar de schrijfproeven in de Deventer moordzaak |
|
Alexander Pechtold (D66) |
|
|
|
|
Erkent u dat het overschrijven van een hele bladzijde strijdig is met de forensische norm voor het afnemen van een schrijfproef?1
Nee. De betreffende FT-norm schrijft slechts voor dat de tekst aan de betrokkene moet worden gedicteerd. Het gedeeltelijk overschrijven van de gedicteerde tekst is op zichzelf niet in strijd met die norm. Wel meen ik dat het overschrijven als bijzonderheid had moeten worden vermeld in het proces-verbaal van de betreffende schrijfproef.
Waarop baseert u de «overschrijfhypothese» terwijl die door de feiten en de betrokken getuigen wordt tegengesproken en allen stellen dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan?
De «overschrijfhypothese» biedt een logische verklaring voor de herstelactie die mogelijk heeft plaatsgevonden nadat klaarblijkelijk was geconstateerd dat mevrouw W. de gedicteerde tekst op de achterkant van het eerste blad doorschreef. Zij past bovendien bij de verklaringen die mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche heeft afgelegd en bij de destijds gemaakte aantekeningen in haar agenda. De enkele omstandigheid dat een aantal door de Rijksrecherche gehoorde getuigen heeft verklaard «dat alles volgens de richtlijnen is verlopen en zich geen bijzonderheden hebben voorgedaan», doet aan de aannemelijkheid van de overschrijfhypothese niet af.
Uit welke agenda-aantekeningen of verklaring van mevrouw W., van haar advocaat of van de betrokken rechercheur blijkt dat er een hele bladzijde zou zijn overgeschreven en de originele bladzijde is weggegooid?
Dat kan volgen uit de agenda-aantekeningen van mevrouw W. bij de datum 3 april 2006. Over die aantekeningen heeft mevrouw W. tegenover de Rijksrecherche verklaard dat zij zich meent te herinneren dat zij op het eerste blad op de achterzijde verder schreef, omdat zij de voorzijde had volgeschreven en dat dat niet de bedoeling was, omdat de tekst niet mocht doordrukken.
Verder verklaarde zij dat zij vervolgens op een nieuw blad moest verder schrijven en dat zij een nieuw blad uitgereikt kreeg waarop zij de proef had voortgezet.
Mede op basis daarvan is van de gang van zaken tijdens de schrijfproef een reconstructie gemaakt. Die geeft grond voor de aanname dat de bladzijde waarvan de achterzijde was beschreven, is weggegooid.
Waarom heeft de Rijksrecherche de mogelijkheid van het weggooien niet onderzocht, nu dit de pijler lijkt te zijn onder uw antwoord?
De mogelijkheid van het weggooien heeft wel deel uitgemaakt van het onderzoek door de Rijksrecherche. Getuigen zijn ernaar gevraagd, maar wisten zich de relevante feitelijke details niet of slechts ten dele te herinneren. Zie voorts het antwoord op vraag 3.
Waar in het rapport en door welke onderzoeksactiviteiten is de fraudehypothese van de Rijksrecherche weerlegd, anders dan het horen van getuige F. die slechts verklaart dat het ontbreken van de passage niet van invloed is geweest op de uitslag?
Deze fraudehypothese is door de Rijksrecherche geformuleerd ten behoeve van haar feitenonderzoek. Zij is vervolgens niet aannemelijk geoordeeld. Zie ook het antwoord op vraag 6. De getuige F. heeft overigens niets verklaard over de totstandkoming van de schrijfproef, maar over de bruikbaarheid van het resultaat voor het handschriftvergelijkend onderzoek. Ik citeer uit zijn verklaring: «De bedoeling is dat wij een stuk handgeschreven tekst of een aantal handtekeningen ontvangen dat wij als vergelijkingsmateriaal kunnen gebruiken. Indien er niet geheel is voldaan aan de richtlijnen, wil dat niet zeggen dat dit meteen onbruikbaar is. We hadden voldoende aan het aangeleverde materiaal om tot een oordeel te komen».
Uit de verklaring van getuige F. kan worden geconcludeerd dat, indien de FT-norm wel was overschreden, het materiaal volgens getuige F. niettemin bruikbaar zou zijn geweest.
Waarom zijn de in de bijlage2 opgenomen tegenstrijdige verklaringen van betrokkenen en onregelmatigheden in combinatie met de onmogelijke tijdlijn en de onverklaard gebleven ontbrekende passage, in tegenstelling tot hetgeen fraude-experts3 en statistici (zoals Richard Gill) volgens u geen aanwijzingen voor frauduleus handelen?
Met «frauduleus handelen» wordt kennelijk gedoeld op de mogelijkheid dat een ander dan mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd, of dat mevrouw W. een aantal gedicteerde woorden bewust niet heeft opgeschreven. Het onderzoek van de Rijksrecherche geeft evenwel geen reden om eraan te twijfelen dat mevrouw W. de schrijfproef heeft afgelegd. De schrijfproefformulieren van mevrouw W. zijn daadwerkelijk beschreven door mevrouw W., gezien de door het NFI geconstateerde sterke samenhang tussen dit handschrift en het van mevrouw W. afkomstige handschrift op andere ter vergelijking gebruikte dragers. Voorts valt niet in te zien hoe met het enkele niet opschrijven van 15 van de 131 gedicteerde woorden het resultaat van het handschriftvergelijkend onderzoek zodanig zou kunnen worden beïnvloed, dat daardoor niet meer zou kunnen worden vastgesteld dat mevrouw W. de auteur is van de anonieme briefjes.
Het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut en het onderzoek door het Britse Forensic Science Services hebben tot slot geen aanwijzingen opgeleverd dat de tekst op de anonieme briefjes van dezelfde schrijver afkomstig is, noch dat die afkomstig is van een van de deelnemers aan de schrijfproef.
Hoe verhouden deze feiten en verklaringen zich tot uw antwoord op de achtste vraag van de eerder gestelde Kamervragen dat de geformuleerde eventualiteiten zich niet hebben voorgedaan?
Zie het antwoord op vraag 8.
Kunt u per punt van bijlage 1 uiteenzetten waarom de Rijksrecherche geen onderzoek (aanvullende vragen etc.) naar de fraudeaanwijzingen heeft verricht dan wel kunt u de pagina’s noemen, waarop de onderzoeksactiviteiten (inclusief de uitkomsten) zijn beschreven?
De herstelhypothese is niet onverenigbaar met de in de bijlage gereleveerde «feiten en verklaringen». De fraudehypothese heeft wel deel uitgemaakt van het feitenonderzoek van de Rijksrecherche maar is ondanks de «feiten en verklaringen» niet aannemelijk geworden.
Naar tijdstippen heeft de Rijksrecherche wel onderzoek gedaan, maar er is onduidelijkheid blijven bestaan over het exacte tijdstip waarop de opdracht tot het uitvoeren van de schrijfproeven bij het korps Noord- en Oost Gelderland is binnengekomen. Dit is ook vermeld in het persbericht en in mijn antwoord op vraag 7 van eerdere vragen van het lid Pechtold (D66) over een Rijksrechercheonderzoek naar schrijfproeven in het kader van de Deventer moordzaak en het klachtrecht bij het Openbaar Ministerie (TK 2009–2010, 1788). Ook dat doet echter in mijn ogen niet af aan de aannemelijkheid van de herstelhypothese en onaannemelijkheid van de fraudehypothese.
Het bericht "Fileleed is goudmijn justitie" |
|
Marianne Thieme (PvdD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Fileleed is goudmijn justitie»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het gebruiken van kentekens voor strafrechtelijk onderzoek die afkomstig zijn van Rijkswaterstaat, die ze verzamelt met het doel om het fileprobleem in kaart te brengen?
Het vorderen en gebruiken van door derden (personen, instanties en bedrijven) verzamelde gegevens voor strafrechtelijk onderzoek is toegestaan op grond van artikel 126nc-uh van het Wetboek van Strafvordering, waarin de regeling over de bevoegdheden tot het vorderen van gegevens is opgenomen. Op grond van deze bepalingen, in het bijzonder de artikelen 126nc tot en met 126ne, kunnen de door Rijkswaterstaat verzamelde kentekengegevens worden gevorderd en is Rijkswaterstaat verplicht de gegevens te verstrekken zonder dat daar een eigen afweging of toetsing aan de Wet bescherming persoonsgegevens aan vooraf gaat.
Zodra de gegevens verwerkt zijn door het Openbaar Ministerie zijn het strafvorderlijke gegevens en is de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) van toepassing. Art. 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wpb) bepaalt dat het regime van de Wpb niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de Wjsg.
Is het gebruiken van persoonsgegevens van Rijkswaterstaat voor strafrechtelijk onderzoek in lijn met de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet bevoegdheden bevorderen gegevens?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat de bestanden van Rijkswaterstaat aan het ministerie van Justitie meer mogelijkheden bieden dan politiegegevens omdat de gegevens bij Rijkswaterstaat een jaar mogen worden bewaard? Zo ja, hoe wilt u deze lacune in de wetgeving op gaan vullen?
Nee. Alle persoonsgegevens worden uiterlijk drie maanden nadat het verkeers- of vervoerkundig onderzoek is afgesloten, door Rijkswaterstaat vernietigd. Dat betekent dat alle bestanden met kentekens worden vernietigd en er alleen statistische gegevens overblijven.
Hoe lang mag het ministerie van Justitie gegevens die via Rijkswaterstaat zijn opgevraagd bewaren? Wie heeft toegang tot de gegevens?
Zoals gezegd vallen de van Rijkswaterstaat gevorderde gegevens onder het regime van de Wjsg en zijn de bewaartermijnen van deze wet van toepassing.
Voor zover de strafvorderlijke gegevens misdrijven betreffen, worden deze verwijderd dertig jaren na onherroepelijke afdoening van de strafzaak in het kader waarvan die gegevens zijn verwerkt of het recht tot strafvordering door verjaring is vervallen dan wel twintig jaren na het overlijden van betrokkene.
Gegevens over overtredingen worden verwijderd vijf jaren na onherroepelijke afdoening van de strafzaak in het kader waarvan die gegevens zijn verwerkt of het vervallen van het recht tot strafvordering door verjaring dan wel twee jaren na het overlijden van betrokkene.
Het betreft strafvorderlijke gegevens, waartoe de officier van justitie en opsporingsambtenaren toegang hebben.
Waarom wordt het advies van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) met betrekking tot het verwerken van kentekengegevens niet gevolgd, namelijk dat gescande kentekens die geen «hit» opleveren direct door de politie moeten worden vernietigd?
Het advies van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) heeft betrekking op de zg. automatische kentekenherkenning (ANPR) met betrekking tot door de politie zelf ingezette camera’s en niet op door Rijkswaterstaat in het kader van het in kaart brengen van de verkeersstromen en het fileprobleem verzamelde kentekengegevens.
Voor wat betreft de standpuntbepaling inzake het advies van het CBP, verwijs ik u naar mijn brief aan de Tweede Kamer van 2 februari 2010 (TK 2009–2010, 31 051, nr. 6).
Is het waar dat het op voorhand niet mogelijk is voor automobilisten om zich uit het bestand te laten halen van Rijkswaterstaat? Zo ja, bent u bereid om dit beleid aan te passen zodat automobilisten voordat ze worden geregistreerd kunnen aangeven of ze aan het onderzoek mee willen doen?
Ja. Het is inderdaad niet mogelijk voor automobilisten om op voorhand te kennen te geven dat men niet geregistreerd wenst te worden. Automobilisten die gebruik maken van een bepaald traject ontvangen een brief op het huisadres met de vraag of men bereid is om mee te werken aan het onderzoek of programma. Alleen indien betrokkene aangeeft te willen participeren in een mobiliteitsprogramma worden de gegevens bewaard; in alle andere gevallen worden de gegevens verwijderd. Deze werkwijze is in lijn met de Wet bescherming persoonsgegevens en over deze werkwijze hebben mijn ambtgenoot van Verkeer en Waterstaat nauwelijks enige klachten van weggebruikers bereikt. Mijn ambtgenoot van Verkeer en Waterstaat ziet dan ook geen aanleiding om het beleid in dezen aan te passen.
De gevolgen voor de politie- en justitiepraktijk van de uitleg van artikel 126nd, eerste lid, Sv door de Hoge Raad |
|
Fred Teeven (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van de Hoge Raad van 23 maart 2010?
Ja.
Deelt u de mening dat de uitleg van de Hoge Raad inzake artikel 126nd, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) grote gevolgen kan hebben voor de hedendaagse (werk)praktijk van de politie en het openbaar ministerie?1 Wat was de aanleiding voor het Openbaar Ministerie om beroep in cassatie in te stellen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 2 juni 2008? Heeft dit ook te maken met de verstrekkende gevolgen die deze beschikking zou kunnen hebben voor de hedendaagse politie- en justitiepraktijk?
De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 23 maart 2010, waarin de vraag aan de orde was welke bevoegdheid uit het Wetboek van Strafvordering moet worden aangewend voor het vorderen van (pas)foto's van kaarthouders van een OV-chipkaart, foto’s bestempeld als bijzondere persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens, nu uit een foto het ras van een persoon kan worden afgeleid. De Hoge Raad verwijst hierbij naar de memorie van toelichting bij de Wet bescherming persoonsgegevens. Deze gegevens kunnen volgens de Hoge Raad uitsluitend worden gevorderd op grond van artikel 126nf Sv. Dat wil zeggen dat daarvoor een machtiging van de rechter-commissaris noodzakelijk is. De uitleg van de Hoge Raad van artikel 126nf, eerste lid, Sv heeft in zoverre gevolgen voor de praktijk dat in ieder geval vorderingen ten behoeve van gegevensverwerkingen met betrekking tot pasfoto’s, in combinatie met andere persoonsgegevens, voortaan alleen na rechterlijke machtiging kunnen worden gedaan.
Het belang van het instellen van het cassatieberoep was met name gelegen in het aan de Hoge Raad voorleggen van de vraag of het vorderen van gegevens die onder meer foto’s betreffen, valt onder artikel 126nd, eerste lid Sv of 126nf Sv.
Bent u van oordeel dat deze uitspraak ook gevolgen kan hebben voor de werkwijze van de politie bij het opvragen van camerabeelden? Deelt u de mening dat de rechter-commissaris niet onnodig en belemmerend moet worden ingeschakeld in de opsporing van strafbare feiten?
Ik sta op het standpunt dat deze uitspraak niet de in de vraag bedoelde gevolgen heeft. Beelden van particuliere bewakingscamera's zijn naar mijn oordeel van een andere aard dan een bestand met pasfoto's en daaraan gekoppelde andere persoonsgegevens. In recente uitspraken van de Rechtbank Zutphen, het Gerechtshof ’s Gravenhage en het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch2 komt dit ook tot uitdrukking. In geval van pasfoto’s op toegangspasjes is er een koppeling met andere persoonsgegevens, gekoppeld aan het verlenen van toegang of andere rechten. In geval van bewakingscamera’s is vooraf onbekend of en van welke personen beelden worden gemaakt en wat daarop wel of niet zichtbaar zal zijn. Ook zijn daarbij geen andere persoonsgegevens bekend. Dergelijke camerabeelden worden om die reden bij de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens niet als bijzondere persoonsgegevens gezien. Zoals in het antwoord op vraag vier aan de orde komt, is dit voor de uitleg van artikel 126nf van belang.
Waar het Wetboek van Strafvordering voorschrijft dat de rechter-commissaris voor een bepaalde opsporingshandeling een voorafgaande machtiging moet afgeven, dient dit voorschrift uiteraard te worden nageleefd.
Deelt u de mening dat het nooit de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest om het vragen van foto’s en/of beeltenissen van verdachten onder het strenge regime van artikel 126nf Sv te brengen? Kan de uitleg van de Hoge Raad met zich meebrengen dat voor feiten als winkeldiefstal, inbraken in winkels en bedrijven, woninginbraken, mishandelingen, vernielingen, zakkenrollerij en oplichting geen gebruik meer kan worden gemaakt van foto’s en/of (andere) beeltenissen van de verdachte, omdat in geval van verdenking voor deze feiten geen sprake is van een ernstige inbreuk op de rechtsorde?
De uitleg van artikel 126nf moet in het bredere perspectief worden geplaatst van de discussie over het vorderen van gegevens en de recente ontwikkelingen op het gebied van privacy in zowel Nederlands als Europees verband. Zoals in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel waarin artikel 126nf is geïntroduceerd naar voren komt, moet voor de uitleg van het begrip gevoelige gegevens worden gekeken naar de toepassing van artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Kamerstukken II, 2003–2004, 29 441, nr. 3, p. 10). Bij de totstandkoming van het artikel is gestreefd naar een voldoende afgewogen waarborging van veiligheid enerzijds en privacy anderzijds, waaruit het huidige stelsel van gegevensvordering is voortgekomen. Onderdeel van dat stelsel is dat aan bijzondere persoonsgegevens een andere bescherming wordt verleend dan aan gegevens die deze status niet hebben. Ik zie in deze uitspraak vooralsnog geen aanleiding tot wetswijziging. Of sprake is van bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens is in concreto ter beoordeling van de officier van justitie.
Ook indien er sprake is van bijzondere persoonsgegevens, wil dit niet zeggen dat deze persoonsgegevens niet gevorderd zouden mogen worden. Alsdan dient wel de bevoegdheid van artikel 126nf te worden toegepast en zal de rechter-commissaris een verzoek tot machtiging van het OM beoordelen.
Geeft rechtsoverweging 2.6 van de uitspraak van 23 maart 2010, waarin de Hoge Raad overweegt dat uit de wetsgeschiedenis niet alleen volgt dat gegevens die direct het ras van een persoon betreffen als «gevoelige» informatie moeten worden aangemerkt in de zin van artikel 126nd, tweede lid, Sv, maar ook die gegevens waaruit informatie over het ras van een persoon kan worden afgeleid, u aanleiding de wet op dit punt te wijzigen?
Gegeven de beperkte reikwijdte van de beschikking (zie antwoord 3) zie ik vooralsnog geen aanleiding, wetswijziging voor te stellen.