Postbezorging in Caribisch Nederland |
|
Mei Li Vos (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Bonaire, Sint Eustatius, Saba krijgen een nieuwe postbode»1 en «Postbezorging BES in overleg met inwoners en ondernemers»?2 Herinnert u zich eveneens uw antwoorden op eerdere vragen?3
Ja.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over het gunningsproces en de uitkomsten daarvan?4
Met het oog op de verlening van een nieuwe concessie is een zogenaamde offerteaanvraag openbaar gemaakt om aan geïnteresseerde partijen de gelegenheid te bieden een inschrijving te doen. De offerteaanvraag is op 27 juni 2013 gepubliceerd op de website van TenderNed. Ingevolge de offerteaanvraag moet bij een inschrijving worden voldaan aan de in de wet en in de concessiebeschikking bepaalde verplichtingen en voorwaarden. Tot 26 augustus 2013 konden partijen een inschrijving doen met gebruikmaking van het bij de offerteaanvraag gevoegde inschrijvingsmodel.
Er is tot deze datum één inschrijving ontvangen die aan de voorwaarden voldeed. Op 17 oktober jongstleden is de betreffende onderneming, Flamingo Communications, aangewezen als concessiehouder voor de postdienstverlening in Caribisch Nederland vanaf 1 januari 2014 (Staatscourant 2013, nummer 30604).
Wat gaat er voor de burgers van Caribisch Nederland verbeteren nu een nieuw bedrijf per 1 januari 2014 de post gaat bezorgen?
Flamingo Communications is een lokaal bedrijf op Bonaire dat Caribisch Nederland goed kent. Op basis van gesprekken tussen het Ministerie van Economische Zaken en Flamingo Communications is inzicht in hun businesscase gekregen. Op basis daarvan verwacht ik dat Flamingo Communications in staat zal zijn de postdienstverlening volgens de concessievoorwaarden uit te voeren. Door het aanvaarden van de concessievoorwaarden heeft Flamingo Communications zich hiertoe ook verplicht. Daarnaast heeft Flamingo Communications afspraken gemaakt met Nieuwe Post Nederlandse Antillen, de huidige concessiehouder, opdat de overgang van de concessie soepel kan verlopen. Met het oog op de nieuwe concessieverlening is een nieuwe afweging met betrekking tot die concessievoorwaarden gemaakt. Voor de betaalbaarheid en de toegankelijkheid van de postdienstverlening zijn zowel de schaal van de postdienstverlening als bepaalde kenmerken van het verzorgingsgebied van belang. Hoe groter het volume aan poststukken en hoe kleiner de afstand binnen het verzorgingsgebied, hoe lager de kosten per postzending. In Caribisch Nederland is sprake van een relatief klein volume aan poststukken en een verspreid gelegen verzorgingsgebied, gezien de afstand tussen Bonaire enerzijds en Saba en Sint Eustatius anderzijds. Daarnaast is er vanwege toenemende elektronische substitutie sprake van teruglopende volumes. Tegen deze achtergrond zijn de voorwaarden van de bestaande concessie op verschillende punten aangepast. Het belangrijkste is dat de frequentie van het ophalen en bezorgen van de post is teruggebracht van vijf dagen naar drie dagen per week. Mede in verband hiermee is de norm voor de maximale overkomstduur versoepeld. Met deze aanpassingen wordt bijgedragen aan de mogelijkheid van een rendabele exploitatie van de postdienstverlening gedurende de looptijd van de concessie zonder de actuele behoeften van gebruikers uit het oog te verliezen. Voor het overige blijven voor de postdiensten goeddeels dezelfde concessievoorwaarden gelden als die in de vorige concessie zijn opgenomen.
Waarom is gekozen voor een bedrijf dat geen ervaring heeft met postbezorging? Welke garanties zijn er afgegeven, die maken dat er dit keer wel vanuit kan worden gegaan dat afspraken worden nagekomen? Op welke punten wijken de nu gehanteerde concessievoorwaarden af van de oude?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom is gekozen voor een overeenkomst van tien jaar, waar voorheen een overeenkomst van drie jaar gebruikelijk was? Welke instrumenten heeft de concessieverlener in handen, als blijkt dat het bedrijf zich niet aan de voorwaarden houdt?
De bestaande concessie tot postdienstverlening is in 2003 voor 20 jaar verleend. Bij de staatkundige hervorming is de Wet post BES ingevoerd waarin is bepaald dat de bestaande postconcessie afloopt per 31 december 2012, met de mogelijkheid van een eenmalige verlenging van maximaal 3 jaar. De huidige concessie is met een jaar verlengd, tot 1 januari 2014. Verder wordt in de Wet post BES bepaald dat de postconcessie voor ten minste 10 jaar wordt verleend. Een termijn korter dan 10 jaar is niet aantrekkelijk voor een concessiehouder, aangezien er dan onvoldoende tijd is om de benodigde investeringen te kunnen terugverdienen.
Gedurende de looptijd heeft de overheid diverse instrumenten in handen om ervoor te zorgen dat de concessiehouder zich aan de voorwaarden houdt.
De Autoriteit Consument en Markt (ACM) ziet er op toe dat de concessiehouder zijn verplichtingen naleeft. In dat kader kan de ACM zo nodig een aanwijzing geven. Bij het niet naleven van de aanwijzing kan de ACM vervolgens een boete opleggen. Tenslotte kan de concessie ingetrokken worden indien de concessiehouder zich niet aan de wettelijke regels of aan de voorwaarden van de concessiebeschikking houdt. Intrekking is een ingrijpend middel en zal dan ook alleen in het uiterste geval gebruikt worden.
Waar doelt de directeur van het nieuwe postbedrijf op als hij zegt dat het «postconcept drastisch wordt veranderd en vernieuwd»? Zijn de andere services waar hij over spreekt (drukwerk, webwinkels en pakketvervoer) ook onderdeel van de overeenkomst?
Flamingo Communications wil de kwaliteit van de postdienstverlening verbeteren. Hiertoe wordt begin 2014 gekeken hoe de klanten de huidige postdienstverlening ervaren en welke zaken prioriteit genieten. Op basis hiervan zal Flamingo Communications verbeteringen doorvoeren. Overigens blijven de voorwaarden die gelden op grond van de wet en de concessiebeschikking daarbij vanzelfsprekend van toepassing. Flamingo Communications heeft als concessiehouder het alleenrecht op het vervoer van brieven tot 2 kilogram. Zoals in het interview aangegeven, is Flamingo Communications daarnaast voornemens andere diensten aan te bieden, bijvoorbeeld op het gebied van e-commerce. Deze diensten vormen geen onderdeel van de concessie.
Wat zijn de redenen voor de prijsstijging naar 88 dollarcent? Hoe groot is deze prijsstijging? Acht u deze stijging acceptabel? Zo ja, wat krijgt de bevolking van Caribisch Nederland ervoor terug?
Flamingo Communications heeft aangegeven een verhoging van de postzegelprijs noodzakelijk te achten voor een rendabele exploitatie van de concessie. Flamingo Communications zal vanaf 1 januari 2014 een postzegelprijs van $ 0,88 hanteren (omgerekend ongeveer € 0,66) voor lokale brievenpost. De huidige postzegelprijs in Caribisch Nederland is $ 0,66. Ik acht deze verhoging acceptabel. Ter vergelijking, de reguliere postzegelprijs in Nederland zal per 1 januari 2014 € 0,64 bedragen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 3 en 4 is naast dalende postvolumes in Caribisch Nederland sprake van een relatief klein volume aan poststukken en een verspreid gelegen verzorgingsgebied.
Kunt u de Kamer informeren over de voortgang rondom «het voornemen van de Bestuurscolleges van Bonaire, Sint Eustatius en Saba om straatnamen en huisnummers op bestuurlijk niveau vast te stellen, kenbaar te maken aan bewoners en eigenaren en deze zichtbaar te maken in de openbare ruimte»?5
De openbare lichamen hebben ieder een eigen traject voor straatnamen en huisnummers gestart. De voortgang verschilt dan ook per eiland. De eilanden beogen alle drie hun traject rondom vaststelling in 2014 af te ronden. In Saba is de bestuurlijke vaststelling dit najaar afgerond, de benodigde communicatiestappen worden komend voorjaar gezet en medio 2014 zullen de straatnaamborden zijn geplaatst en de nummerborden zijn uitgereikt. Ook Sint Eustatius rondt de bestuurlijke vaststelling nog in 2013 af en zet de benodigde communicatiestappen komend voorjaar. Plaatsing van de straatnaamborden en uitreiking van de nummerborden zijn voorzien voor medio 2014. Bonaire beoogt de bestuurlijke vaststelling komend voorjaar af te ronden en de overige acties in de zomer van 2014 uit te voeren. Alle drie de eilanden beogen de vastgestelde adressen uiterlijk in de zomer van 2014 in de bevolkingsadministraties «PIVA» te verwerken en sluiten hun traject af met een controle op de plaatsing van de nummerborden.
Kunt u de Kamer eveneens informeren of binnenkort postcodes worden ingevoerd op de eilanden, dit mede gezien het feit dat inwoners van de eilanden problemen ondervinden bij het online bestellen van producten bij (Nederlandse) webwinkels? Is het invoeren van één postcode per eiland een oplossing voor dit probleem?
Zoals aangegeven in antwoorden op eerdere vragen van uw Kamer heeft een systeem van postcodes vooral betekenis voor de bezorgkwaliteit van brieven als er sprake is van een fijnmazig en uitgebreid netwerk van bezorgpunten. Dit is in Caribisch Nederland niet het geval (zie Kamerstukken II 2011/2012, aanhangsel 2891). Ik verwacht dat de vaststelling van straatnamen en huisnummers door de Bestuurscolleges in Caribisch Nederland en de doorvoering van deze straatnamen en huisnummers in de bevolkingsadministraties «PIVA» en in de openbare ruimte zullen bijdragen aan een betere bezorgkwaliteit. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 6 is Flamingo Communications voornemens om naast de bezorging van brieven ook andere diensten aan te bieden, bijvoorbeeld op het gebied van e-commerce. Flamingo Communications is van oordeel dat op het gebied van e-commerce een systeem van postcodes van waarde zou kunnen zijn. In dit kader verkent Flamingo Communications de optie van invoering van een systeem van postcodes per wijk in Caribisch Nederland. Een (gefaseerde) invoering van een dergelijk systeem vergt echter de benodigde financiële investeringen en de benodigde tijd. Het is aan Flamingo Communications of andere geïnteresseerden om, indien gewenst, uitvoering te geven aan een dergelijk systeem.
Het bericht ’Ambtenaar verdacht van lekken over moskee-internaten ontslagen’ |
|
Roelof Bisschop (SGP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Ambtenaar verdacht van lekken over moskee-internaten ontslagen»?1
Ja.
In hoeverre vindt u het begrijpelijk dat de gemeente als grond voor ontslag opvoert dat de klokkenluider een gevoel van onveiligheid heeft gecreëerd in de organisatie, terwijl de wethouder erkent dat de gemeente juist op het punt waarover de klokkenluider heeft geklaagd – namelijk consequente controle op veiligheid – fouten heeft gemaakt?
Over de rechtspositionele situatie van individuele ambtenaren en de afwegingen die daarbij door het betreffende bevoegd gezag zijn gemaakt kunnen geen mededelingen worden gedaan. De uiteindelijke beoordeling van de in deze zaak door de gemeente Rotterdam genomen rechtspositionele besluiten is aan de rechter. Het past mij als minister niet om commentaar te geven op het feitencomplex in deze zaak. Het is de gemeente Rotterdam die het ontslagbesluit heeft genomen en het is nu aan de rechter om dat ontslag te beoordelen.
Artikel 125quinquies, derde lid van de Ambtenarenwet bevat een rechtsbeschermingsbepaling krachtens welke de ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden meldt volgens de vigerende klokkenluidersregeling (in dit geval van de gemeente Rotterdam) als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie zal ondervinden tijdens en na het volgen van die procedure (benadelingsverbod). Deze bepaling maakt onderdeel uit van het toetsingskader dat aan de rechter ter beschikking staat.
Als het rapport van Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten (BING) naar mogelijke misstanden in de deelgemeente Feijenoord door de rechter in dit verband relevant wordt geacht, zal hij dat bij zijn beoordeling van het ontslag betrekken.
In hoeverre voldoet de huidige klokkenluidersregeling op grond van de Ambtenarenwet indien blijkt dat een klokkenluider alsnog strafontslag krijgt nadat hij zonder succes een procedure bij de gemeentelijke ombudsman heeft gevolgd? Welke betekenis moet in dit verband worden toegekend aan het onafhankelijk onderzoek waaruit is gebleken dat de gemeente zich, ten aanzien van het punt waarover de klokkenluider de publiciteit heeft gezocht, schuldig heeft gemaakt aan onbehoorlijk bestuur, dat sprake was van oneigenlijke druk op ambtenaren en dat dit alles was ingebed in een cultuur van vriendjespolitiek?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre worden provincies voldoende in staat gesteld hun toezichthoudende taak uit te voeren? Wat zijn de resultaten van het overleg met de provincies?
Sinds de herziening van het interbestuurlijk toezicht, berust het toezicht op het fysieke domein (of het domein leefomgeving) bij de provincie. Het toezicht is met de herziening verschoven van de Inspectie Leefomgeving en Transport naar de provincies. Het overleg over het interbestuurlijk toezicht met de provincies heeft er met name toe geleid dat er met ingang van 1 januari 2013 een bedrag van 1.254.000 euro wordt toegevoegd aan het Provinciefonds. Het toezicht wordt sober, terughoudend en efficiënt uitgevoerd. In de bestuurlijke verhoudingen zijn horizontale controle en verantwoording het uitgangspunt. De uitvoering van taken berust bij het college en de raad controleert.
In hoeverre vormt het onderzoek van BING voor het Openbaar ministerie aanleiding om haar onderzoek naar de zaak van de klokkenluider te staken?
Op dit moment wordt de aangifte van de gemeente Rotterdam van het lekken van vertrouwelijke informatie aan derden door het Openbaar Ministerie beoordeeld. Het rapport van BING is bij de aangifte gevoegd en zal worden betrokken bij de beoordeling of de ambtenaar al dan niet strafrechtelijk wordt vervolgd.
Signalen dat Sint Maarten zich bij het verlenen van de Nederlandse nationaliteit niet houdt aan de Rijkswet op het Nederlanderschap |
|
André Bosman (VVD), Malik Azmani (VVD), Roald van der Linde (VVD) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Zijn u signalen bekend dat Sint Maarten zich bij het verlenen van de Nederlandse nationaliteit niet houdt aan de Rijkswet op het Nederlanderschap? Wat zijn de gevolgen als Sint Maarten zich niet houdt aan de regels voor het verkrijgen van het Nederlanderschap? Bent u zo nodig bereid om maatregelen te nemen? Zo nee, waarom niet?1
Signalen als bedoeld in de eerste vraag zijn ons niet bekend. Over de berichtgeving in de Volkskrant heeft de Minister van Justitie van Sint Maarten de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 4 november jl. een brief gestuurd met bijgevoegd een op 3 november jl. door hem uitgebracht persbericht waarin hij afstand neemt van het mediabericht in de Volkskrant. De Minister van Justitie van Sint Maarten geeft in zijn persbericht aan dat uitsluitend de Koninkrijksregering de bevoegdheid heeft om paspoorten uit te geven en om vreemdelingen te naturaliseren. Tevens benadrukt hij dat door de regering van Sint Maarten geen verzoek is gedaan aan de Koninkrijksregering daarin verandering te brengen.
In hoeverre klopt het dat de minister van Justitie van Sint Maarten immigranten gemakkelijker een Nederlands paspoort wil geven om zo samenhang onder de bevolking te creëren en daarmee de economie te stimuleren? Heeft u daarover contact gehad met deze minister? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat het geven van een Nederlands paspoort niet dé oplossing is voor de gewenste samenhang onder de bevolking en het stimuleren van de economie? Hoe ziet u dat?
Ja. De adhesie in een samenleving en de ontwikkeling van de economie is niet afhankelijk van een gezamenlijk paspoort.
Deelt u de mening dat het geven van een Nederlands paspoort niet gemakkelijker gemaakt moet worden in de huidige staatsrechtelijke constellatie voor specifiek Sint Maarten en dat de regels omtrent het verkrijgen van een Nederlands paspoort gelijk moeten blijven binnen het gehele Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
Ja. Binnen het Koninkrijk is het beginsel van eenheid van naturalisatievereisten een belangrijke voorwaarde voor eenheid van nationaliteit. Eenzelfde op eenheid binnen het Koninkrijk gericht streven geldt voor het afgeven van een paspoort op grond van de Paspoortwet.
Het ontslag na melding misstanden moskee-internaten |
|
Joram van Klaveren (PVV) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Klokkenluider moskee-internaten ontslagen»?1
ja.
Hoe duidt u het gegeven dat een medewerker die ernstige misstanden heeft gemeld bij een moskee-internaat, vervolgens gehinderd werd bij de uitvoering van zijn wettelijke taak, uiteindelijk ontslagen is?
Over de rechtspositionele situatie van individuele ambtenaren en de afwegingen die daarbij door het betreffende bevoegd gezag zijn gemaakt kunnen geen mededelingen worden gedaan. De uiteindelijke beoordeling van de in deze zaak door de gemeente Rotterdam genomen rechtspositionele besluiten is aan de rechter. Het past mij als minister niet om commentaar te geven op het feitencomplex in deze zaak. Het is de gemeente Rotterdam die het ontslagbesluit heeft genomen en het is nu aan de rechter om dat ontslag te beoordelen.
Als het rapport van Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten (BING) naar mogelijke misstanden in de deelgemeente Feijenoord door de rechter in dit verband relevant wordt geacht, zal hij dat bij zijn beoordeling van het ontslag betrekken.
Ik verwijs u verder naar de eerdere beantwoording van schriftelijke vragen van het lid Van Klaveren (ingezonden 2 juli 2013), Vergaderjaar 2012–2013, Aanhangsel nr. 2954
Hoe verhoudt het ontslag van deze dappere medewerker zich tot de bevindingen in het rapport van het Bureau Integriteit Nederlandse Gemeenten dat er sprake was van PvdA-cliëntelisme, machtsbederf en intimidatie?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u het inzicht dat deze medewerker geen ontslag, maar juist extra waardering verdient voor het aan de kaak stellen van zowel veiligheidsproblemen bij de illegale poldermadrassa als bestuurlijke misstanden in het stadsdeel? Zo neen, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen om de betreffende ambtenaar zijn baan terug te geven en de verantwoordelijke bestuurder aan te pakken voor de misstanden?
Ik ben niet voornemens te interfereren in een zaak die tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeente Rotterdam moet worden gerekend.
Het ontslag van de klokkenluider moskee-internaten |
|
Ronald van Raak (SP), Gert-Jan Segers (CU) |
|
Lodewijk Asscher (viceminister-president , minister sociale zaken en werkgelegenheid) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Klokkenluider moskee-internaten ontslagen»?1
Ja.
Waarom is deze werknemer ontslagen?
Over de rechtspositionele situatie van individuele ambtenaren en de afwegingen die daarbij door het betreffende bevoegd gezag zijn gemaakt kunnen geen mededelingen worden gedaan. De uiteindelijke beoordeling van de in deze zaak door de gemeente Rotterdam genomen rechtspositionele besluiten is aan de rechter. Het past mij als minister niet om commentaar te geven op het feitencomplex in deze zaak. Het is de gemeente Rotterdam die het ontslagbesluit heeft genomen en het is nu aan de rechter om dat ontslag te beoordelen. Het is niet nodig om daarnaast een gesprek aan te gaan met de gemeente Rotterdam.
Heeft deze werknemer te goeder trouw en naar behoren een melding gemaakt van de misstanden in de moskee-internaten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u dit ontslag in de lijn van het voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Schouw, Voortman, Segers, Ouwehand en Klein houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders?2 Had deze werknemer bij het nog op te richten Huis voor klokkenluiders een melding kunnen maken van de misstanden en daardoor rechtsbescherming kunnen krijgen en niet ontslagen hoeven worden?
Het voorstel van wet van de leden Van Raak, Fokke, Schouw, Voortman, Segers, Ouwehand en Klein houdende de oprichting van een Huis voor klokkenluiders wordt momenteel behandeld door de Tweede Kamer. De voortgezette plenaire behandeling staat vooralsnog geagendeerd in week 50 (10-12 december 2013). Op grond van het voorstel, het ingediende amendement Bisschop (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 258, nr. 12) en de reactie van de indieners daarop (Kamerstukken II, 2012–2013, 33 258, nr. 14) kan een werknemer, in casu deze ambtenaar bij het Huis het vermoeden van een misstand melden, nadat hij dit vermoeden binnen zijn organisatie aan de orde heeft gesteld en er geen oplossing is gevonden voor de misstand. De werknemer houdt volgens de indieners altijd de mogelijkheid om direct met zijn melding naar het Huis te gaan, als daartoe aanleiding bestaat wegens een «dringende reden». Het is aan het Huis om te oordelen of betrokkene zich terecht tot het Huis heeft gewend of dat de melder de kwestie eerst intern aanhangig dient te maken. De melder kan het Huis verzoeken een onderzoek in te stellen naar het vermoeden van een misstand voor zover het maatschappelijk belang ernstig in het geding is. Of de gang naar het Huis voor klokkenluiders ertoe zou leiden dat de ambtenaar rechtsbescherming zou krijgen en niet ontslagen had hoeven worden, is een hypothetische vraag. Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de waardering van het totale feitencomplex in deze zaak.
Ik wijs u er in dit verband op dat het huidige artikel 125quinquies, derde lid van de Ambtenarenwet een rechtsbeschermingsbepaling bevat krachtens welke de ambtenaar die te goeder trouw de bij hem levende vermoedens van misstanden meldt volgens de vigerende klokkenluidersregeling (in dit geval van de gemeente Rotterdam) als gevolg van het melden van die vermoedens geen nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie zal ondervinden tijdens en na het volgen van die procedure (benadelingsverbod). Het initiatiefvoorstel voegt hieraan toe dat het benadelingsverbod ook betrekking heeft op de situatie waarin een melding is gedaan bij het Huis voor Klokkenluiders.
Heeft de gemeente conform de huidige regeling voor klokkenluiders gehandeld?
Zie hierboven onder vraag 2 en 3.
Bent u bereid hierover een gesprek aan te gaan met gemeente Rotterdam?
Zie hierboven onder vraag 2 en 3.
De staatsrechtelijke problemen met betrekking tot het kort na elkaar houden van Provinciale Statenverkiezingen in Noord-Holland, Utrecht en Flevoland |
|
Gerard Schouw (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw brief van 3 juli 2013 waarin u ingaat op de alternatieven voor de tussentijdse herindelingsverkiezingen bij de provincies?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat in de artikelen 52 en 55 van de Grondwet is voorzien in een harde koppeling tussen de verkiezing van de leden van de Provinciale Staten en van de Eerste Kamer, in die zin dat na elke verkiezing van de leden van de Provinciale Staten binnen drie maanden de leden van de Eerste Kamer dienen te worden gekozen? Zo nee, waarom niet?
In mijn brief van 3 juli j.l. heb ik uiteengezet dat het grondwettelijke stelsel van de artikelen 52 en 55 van de Grondwet voorziet in een koppeling van verkiezing van de leden van de Eerste Kamer door de leden van provinciale staten. In het geval van ontbinding van de Eerste Kamer is de verkiezing van dit orgaan echter niet gekoppeld aan de verkiezing van de leden van provinciale staten. Bij de laatste algehele grondwetsherziening is in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 1979/80, 14 223, nr.9, blz.9) met betrekking tot het huidige artikel 55 van de Grondwet ook stilgestaan bij de gevolgen voor de zittingsduur en de verkiezing van de Eerste Kamer in het geval dat de zittingsduur van enkele en niet alle provinciale staten wordt verlengd of verkort. Daarbij werd in het bijzonder gedacht aan het geval dat sommige provincies wel bij een provinciale herindeling betrokken zouden zijn en andere niet. In dat geval vinden alleen in de bij een herindeling betrokken provincies tussentijdse statenverkiezingen plaats, zonder dat dit verdere gevolgen heeft voor de zittingsduur van de Eerste Kamer en een tussentijdse Eerste-Kamerverkiezing tot gevolg zou hebben.
In «De Grondwetsherzieningen 1983 en 1987» stelt prof. mr. C.A.J.M. Kortmann dat artikel 52, tweede lid, van de Grondwet de wetgever verplicht de zittingsduur van de Eerste Kamer aan te passen, indien de wetgever de grondwettelijke zittingsduur van de provinciale staten bij wijze van uitzondering verlengt of verkort, bijvoorbeeld in het geval van een samenvoeging van provincies. Een dergelijke verlenging moet dan betrekking hebben op de zittingsduur van alle colleges van provinciale staten. Wordt niet voor alle colleges de zittingsduur vastgesteld, dan leidt dit niet tot een aanpassing van de zittingsduur van de Eerste Kamer (blz. 201). Ook in «Grondwet, Tekst & Commentaar» gaat prof. mr. P.P.T. Bovend’Eert ervan uit dat de wetgever alleen verplicht is tot overeenkomstige verlenging van de zittingsduur van de Eerste Kamer, indien de zittingsduur van de – i.c. alle – provinciale staten wordt verlengd of verkort (blz.2.
Is uw stelling: «Artikel 52 Grondwet dient niet zodanig gelezen te worden dat indien de zittingsduur van provinciale staten in slechts enkele provincies wegens een provinciale herindeling wordt gewijzigd, ook de zittingsduur van de Eerste Kamer moet worden aangepast» de vaste staatsrechtelijke uitleg van dit artikel? Op welke rechtsgeleerde literatuur beroept u zich hierbij?
Zie antwoord vraag 2.
Is er sprake van strijdigheid met uw uitspraak in genoemde brief: «Naar vaste uitleg is het de bedoeling dat de samenstelling van de Eerste Kamer, behoudens in geval van ontbinding, wordt bepaald door de nieuw gekozen staten in alle provincies en niet deels door nieuw gevormde staten en deels door staten in oude samenstelling», indien vanaf 2016 de samenstelling van de Eerste Kamer louter gebaseerd zou zijn op de verkiezing van de leden van Provinciale Staten van 2015, met voorbijgaan aan de recentere verkiezing van een deel van de leden van Provinciale Staten in een nieuwe provincie?
In de passage uit mijn brief van 3 juli waaraan u refereert verkende ik de – theoretische – mogelijkheid om tussentijds de zittingsduur van alleen de colleges van de provinciale staten van de provincies Flevoland, Noord-Holland en Utrecht te verlengen en van de overige provincies niet. In die situatie zouden de zittende leden van de bij de provinciale herindeling betrokken provincies samen met de nieuw gekozen staten leden van de overige provincies de leden van de Eerste Kamer kiezen. Een dergelijke mogelijkheid stuit af op de grondwettelijke koppeling tussen de verkiezingen van de provinciale staten en de leden van de Eerste Kamer.
Zoals aan de orde is gekomen in de beantwoording van vraag 2 en 3, is de vraag of een provinciale herindeling waarbij alleen de zittingsduur van de provinciale staten die daarbij betrokken zijn wordt verlengd of verkort gevolgen moet hebben voor de zittingsduur van de Eerste Kamer en een tussentijdse verkiezing van de Eerste Kamer met zich mee moet brengen bij de grondwetsherziening ontkennend beantwoord.
Is niet de eenvoudigste manier om grondwettelijke complicaties te voorkomen het uitstellen van de verkiezing van alle leden van Provinciale Staten èn de daarop volgende verkiezing van de leden van de Eerste Kamer tot 2016? Waarom zou, mede gelet op het voordeel van het voorkomen van grondwettelijke complicaties, een herindeling van drie provincies waarin ca. 25% van de Nederlandse bevolking woonachtig is onvoldoende rechtvaardiging opleveren voor dit beperkte uitstel?
Zoals ik in mijn brief van 3 juli 2013 aan de orde heb gesteld, vind ik het onwenselijk om vooruitlopend op de besluitvorming over de samenvoeging van de drie provincies de wetgever reeds een besluit te laten nemen over de verlenging van de zittingsduur van de staten in alle twaalf provincies en van de Eerste Kamer. Daar komt bij dat daarmee de besluitvorming over de provinciale herindeling onder (extra) tijdsdruk wordt geplaatst. Vanwege de voorbereidingen die politieke partijen moeten treffen in aanloop naar de reguliere statenverkiezingen, dient het tussentijds verlengen van de zittingsduur tijdig voor de kandidaatstelling voor die verkiezing te zijn afgerond. Dat betekent dat het wetsvoorstel waarin de verlenging wordt geregeld uiterlijk 1 december 2014 in werking zou moeten treden.
Waarom zou een verlenging van de zittingsduur van Provinciale Staten en de Eerste Kamer niet in hetzelfde wetsvoorstel geregeld kunnen worden als de samenvoeging van de drie provincies?
Zie mijn antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden voor het Algemeen overleg Verkiezingsaangelegenheden van 5 november a.s.?
Ja.
Het bericht " Leugens en bedrog bij burgerzaken" |
|
Eddy van Hijum (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Frans Weekers (staatssecretaris financiën) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de blog «Leugens en bedrog bij burgerzaken» en het RTL nieuws van 20 oktober 2013 over dit onderwerp1?
Ja.
Kunt u de notitie over belastingnomaden onmiddellijk aan de Kamer doen toekomen?
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft u dit rapport bij brief ter vertrouwelijke behandeling toegezonden.
Wanneer is de notitie over belastingnomaden bij u bekend geworden en welke actie heeft u ondernomen om de geconstateerde fraude tegen te gaan?
In de brief aan de Tweede Kamer van 4 mei 2013 (Kamerstuk 17 050, nr. 432) is toegelicht dat het LIEC (Landelijk Inlichtingen en Expertisecentrum) op 21 januari 2013 het dossier aan het ministerie van BZK heeft toegestuurd. Daarbij is gemeld dat op 14 maart 2013 het ministerie van BZK een antwoordbrief heeft gestuurd aan het LIEC, waarin staat vermeld dat ambtenaren van het ministerie van BZK gesprekken hebben gevoerd met gemeenten en de Belastingdienst in algemene zin over de relatie tussen registratie in de gemeentelijke basisregistratie persoonsgegevens (GBA) en potentiële fraude.
Wat betreft het dossier belastingnomaden is aan het LIEC in die antwoordbrief specifiek toegelicht wat de werkzaamheden zijn van de Taskforce VOW (Vertrokken onbekend waarheen). Deze Taskforce – waaraan BZK, gemeenten en diverse uitvoeringsorganisaties deelnemen – is praktisch aan de slag om de mensen boven water te krijgen die wel aangifte hebben gedaan van vertrek, maar toch in Nederland lijken te verblijven. Aan het LIEC is verder toegelicht dat deze groep wordt aangepakt door het verrichten van adresonderzoeken door gemeenten, het doen van bestandsvergelijkingen tussen bijvoorbeeld GBA en UWV, en door het uitbrengen van circulaires, waarbij gemeenten best practices worden aangereikt bij het doen van adresonderzoek. De maatregelen en resultaten zijn medegedeeld aan uw Kamer in de brief van 23 mei 2013 (Kamerstuk 27 859, nr. 65).
Eind 2012 heeft het LIEC contact opgenomen met de FIOD over de opvolging van het dossier. Hierop volgden een aantal gesprekken tussen het LIEC en de FIOD. In januari 2013 heeft de FIOD – conform het advies in het bestuurlijk dossier – besloten nader onderzoek naar dit fenomeen uit te voeren. Hierbij is o.a. de opsteller van het rapport betrokken. Het ministerie van Financiën is in mei 2013 op de hoogte gebracht van dit rapport en het onderzoek.
Het onderzoek van de FIOD richt zich op het in kaart brengen van de verschillende typen criminelen die zich bij de GBA uitschrijven om zo justitieel en fiscaal buiten het zicht van de overheid te blijven. Tevens wordt gekeken naar de mogelijke omvang van dit fenomeen. Afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek, kunnen passende maatregelen genomen worden.
Hoeveel mensen hebben zich in 2010, 2011 en 2012 uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens (GBA)?
Het is voor mensen niet mogelijk om zichzelf uit te schrijven uit de GBA. De procedure is dat zij aangifte doen van vertrek, waarna de gemeente de aangifte beoordeelt en verwerkt in de GBA. De gemeente kan ook zonder aangifte constateren dat iemand vertrokken is en dit feit registreren. In de gevraagde jaren zijn de volgende aantallen mensen uit de Gemeentelijke Basisadministratie geregistreerd als vertrokken:
2010
91.450
2011
106.185
2012
110.356
Hoeveel van de mensen die zich hebben laten uitschrijven uit de GBA in 2010, 2011 en 2012, hebben nog een belastingaangifte gedaan over de laatste periode voor emigratie?
Over de gevraagde jaren hebben de volgende aantallen mensen aangifte gedaan omdat zij emigreerden:
2010
20.564
2011
22.161
2012
15.124 (schatting tot en met 1 oktober 2013)
De mensen die in de GBA als vertrokken zijn geregistreerd, zijn niet een op een belastingplichtig. Deze nieuwe status hoeft derhalve in zichzelf geen gevolgen te hebben voor de belastingheffing. Bijvoorbeeld doordat er onder de als vertrokken geregistreerden vaak kinderen of weinig verdienende partners zitten.
Moeten mensen die zich hebben laten uitschrijven en belastingaangifte doen, ook opgeven in welk land zij zijn gaan wonen en wat hun fiscale nummer in dat land is (burgerservicenummer, sofinummer, of een relevant nummer)? Zo nee, waarom niet?
Burgers die bij hun gemeente aangifte doen van vertrek naar het buitenland (emigratie), moeten daarbij ook het land en adres opgeven waarnaar zij vertrekken, voor zover die dan bekend zijn. Het identificerende persoonsnummer (of relevante variant) in dat nieuwe woonland (voor zover er in dat land een dergelijk nummer bestaat c.q. dat al op voorhand aan betrokkene is toegekend) hoeven zij niet te melden als het gaat om de registratie van de emigratie in de GBA.
Met de komst van de BRP (Basisregistratie personen, de opvolger van de GBA) worden ook niet-ingezetenen geregistreerd, bijvoorbeeld personen die hier tijdelijk werken. Dat levert een completer beeld op van deze niet-ingezetenen, ondermeer over hun adres in het buitenland.
De Belastingdienst onderzoekt naar aanmelding van het uit de GBA ontvangen signaal van uitschrijving of deze burger nog fiscale banden met Nederland houdt/heeft. Als dat zo is dan ontvangt hij van de Belastingdienst een M-biljet op het laatst bekende adres.
Overigens geldt dat als een persoon als «vertrokken onbekend waarheen» uit de GBA wordt uitgeschreven, de Belastingdienst de uitbetaling van eventuele toeslagen of voorlopige teruggaven stopzet; nog openstaande fiscale vorderingen blijven van kracht.
Van hoeveel mensen die geëmigreerd zijn in 2010, 2011 en 2012 heeft de Belastingdienst gegevens uitgewisseld met de landen waar ze nu wonen, ten einde te verifiëren of ze daar wonen, of zij het juiste inkomen in het gebroken jaar hebben aangegeven et cetera? En van hoeveel mensen heeft de Belastingdienst dus geen gegevens uitgewisseld?
Zoals bij vraag 6 is aangegeven vindt er in eerste instantie een administratief onderzoek plaats. Daarnaast bestaat de mogelijkheid om gericht (op dossierniveau) informatie uit te wisselen met buitenlandse Belastingdiensten.
Echter, indien concrete gegevens over o.a. het vermoedelijke buitenlandse adres ontbreken, is het voor de Belastingdienst niet mogelijk om daarover met het buitenland informatie uit te wisselen.
Krijgt iemand met de Nederlandse nationaliteit, die geen belastingaangifte gedaan heeft bij emigratie en/of nergens woont, gewoon een paspoort als hij dat aanvraagt? Zo ja, waarom?
De Paspoortwet kent verschillende gronden om een nieuw paspoort te weigeren, danwel een reeds uitgegeven paspoort in te houden zodat het vervolgens vervallen kan worden verklaard. Dit kan onder meer in het geval dat personen die nalatig zijn in het nakomen van zijn verplichting tot betaling van in een der landen van het Koninkrijk verschuldigde én er het ernstige vermoeden bestaat dat hij zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken (art 22 Paspoortwet).
Indien iemand zich uitschrijft uit de GBA met als doel zich onzichtbaar te maken voor de Nederlandse overheid, om zo (onder meer) niet aan zijn verplichtingen jegens die overheid te voldoen, dan kan de betrokken bewindspersoon bij de Minister van BZK een verzoek doen de personalia van de betrokken persoon op te nemen in het Register paspoortsignaleringen. Het gevolg hiervan is dat een (nieuw) paspoort kan worden geweigerd dan wel in het in bezit zijnde paspoort kan worden ingehouden opdat het vervallen kan worden verklaard. Op dit moment zijn er circa 40 mensen gesignaleerd om deze reden.
Vindt u dat de Belastingdienst en andere overheden adequaat gehandeld hebben in dit dossier?
Het rapport beschrijft criminele elementen die onder radar willen blijven voor de hele Nederlandse overheid, dus niet alleen voor de Belastingdienst.
Dergelijke problematiek kan alleen maar in gezamenlijkheid, door op te treden als één overheid, worden aangepakt. Bijvoorbeeld in samenwerkingsverbanden waarin door verschillende partners zoals gemeenten, politie, OM, Belastingdienst wordt geparticipeerd. Hierin kan relevante informatie van verschillende overheidsdiensten bij elkaar worden gebracht, waardoor er een beter en completer beeld ontstaat en het lastiger wordt gemaakt om geheel buiten het zicht van de overheid te blijven. De structuur van de RIECs (Regionale Informatie- en Expertise Centra) kan hierbij een goede rol vervullen.
Het kabinet voert een actief beleid om fraude over de volle breedte te voorkómen en bestrijden en regelingen fraudebestendiger maken. In december 2013 wordt de Kamer nader geïnformeerd over de Rijksbrede aanpak van fraude en de maatregelen die daaruit voortvloeien.
Wilt u deze vragen voor maandag 28 oktober 9.00 uur beantwoorden, omdat de Kamer op die dag een wetgevingsoverleg heeft over onder andere de aanpak van belastingfraude en het zeer zinnig is om deze informatie daar bij te betrekken?
Deze vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord.
Integriteitsonderzoeken onder gevangenispersoneel |
|
Nine Kooiman (SP) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het feit dat jaarlijks gemiddeld 35 medewerkers in gevangenissen worden ontslagen wegens integriteitsschendingen?1 Wat is uw verklaring voor de grote verschillen tussen de inrichtingen?2
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) pakt geconstateerde integritsschendingen direct aan. In 2010 heeft DJI een vernieuwde gedragscode ingevoerd waardoor er een sterkere bewustwording van integriteit binnen de inrichtingen is. De lichte stijging van het aantal strafontslagen in 2011 en 2012 houdt mogelijk hiermee verband. De verschillen per inrichting kunnen deels worden verklaard door de omvang van de inrichtingen. Ook waren er bepaalde inrichtingen met naar verhouding meer integriteitsschendingen. Daaraan is door de leiding van DJI extra aandacht besteed.
Wat is uw verklaring voor het feit dat het aantal strafontslagen ieder jaar stijgt?3 4
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de kritische opmerkingen over het Bureau Veiligheid & Integreit, dat dit geen onafhankelijke instantie is, partijdig zou zijn ten faveure van de inrichting en dat het Bureau soms wordt ingezet om lastige medewerkers er uit te werken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het Bureau Veiligheid & Integriteit (BV&I) valt rechtstreeks onder de hoofddirecteur van DJI. De onderzoeken voldoen aan de gestelde eisen van zorgvuldigheid, zoals het toepassen van hoor en wederhoor. Onderzoeken van BV&I blijken ook in rechterlijke procedures de toets der kritiek te kunnen doorstaan.
Hoe is het gesteld met de bescherming van klokkenluiders binnen het gevangeniswezen? Worden mensen die misstanden melden of kritiek uiten voldoende beschermd? Kunt u uw antwoord toelichten?
DJI werkt conform het Besluit van 15 december 2009, houdende een regeling voor het melden van een vermoeden van een misstand bij de sectoren Rijk en Politie (Staatsblad Jaargang 2009, Nr. 572). In deze «klokkenluidersregeling» van het Rijk is geregeld dat werknemers bij de overheid vermoedens van misstanden bij overheidsorganisaties moeten kunnen melden zonder dat zij ten gevolge van die melding nadelen ondervinden. Dit besluit wordt door DJI onverkort toegepast. Hierdoor is een adequate bescherming van melders van vermeende misstanden binnen het gevangeniswezen gewaarborgd.
Is het waar dat geregeld de melder wordt overgeplaatst of zelfs er uit wordt gewerkt, maar dat het eigenlijke probleem niet wordt opgelost?
Nee, dat is niet waar.
Ziet u mogelijkheden maatregelen te nemen om melders van misstanden in het gevangeniswezen betere bescherming te bieden, zodat problemen kunnen worden opgelost en deze klokkenluiders zelf niets hoeven te vrezen, waardoor de integriteit binnen het gevangeniswezen zal toenemen? Zo ja, welke?
Zie antwoord vraag 4.
Nationale koppen ten aanzien van Europese regelgeving op het gebied van landbouw, natuur en visserij |
|
Bart de Liefde (VVD), Rudmer Heerema (VVD), André Bosman (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Sharon Dijksma (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog uw toezegging tijdens de behandeling van de begroting Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2013 om voor het zomerreces 2013 een overzicht te sturen van Europese wet- en regelgeving die strenger is geïnterpreteerd door de Nederlandse overheid voor landbouwers, tuinders en vissers? Zo ja, kunt u toelichten waarom het niet gelukt is dit overzicht voor het zomerreces naar de Kamer te sturen?
Over de toezegging heb ik uw Kamer per brief geïnformeerd op 26 juni 2013. (Kamerstukken II 2012–2013, 21 501-32, nr. 722). Daarbij heb ik verwezen naar het brede onderzoek naar de nationale implementatie van Europese regelgeving naar aanleiding van de motie Van der Burg (Kamerstukken II, 2007/08, 29 515, nr. 2013), dat de minister van Economische Zaken na de zomer naar uw Kamer zou sturen. Uw Kamer heeft dit onderzoek ontvangen op 12 september 2013 (Kamerstukken II 2012/2013, 29 362, nr. 224, bijlage 249702).
Herinnert u zich nog uw toezegging in het schriftelijk overleg inzake de Landbouw- en Visserijraad, vastgesteld op 15 juli 2013, om voor de begrotingsbehandeling een overzicht naar de Kamer te sturen van alle Europese richtlijnen op het gebied van landbouw, natuur en visserij en de Nederlandse implementatie daarvan, specifiek de «nationale koppen» ten aanzien van deze Europese regels? Zo ja, kunt u bevestigen of het lukt om dit overzicht ruim op tijd voor de begrotingsbehandeling Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2014 naar de Kamer te sturen?
In de bijlage1 bij deze brief is per beleidsterrein of wetgevingscomplex beschreven wat het Europeesrechtelijke en nationaal wettelijke kader is en van welke nationale koppen hierbij op hoofdlijnen sprake is. Als nationale koppen zijn beschouwd die regels die zijn gesteld op onderwerpen die in EU-regelgeving zijn vervat en die stringenter zijn dan de betreffende EU-regelgeving. Geïnventariseerd is vigerende regelgeving. Nieuwe of in voorbereiding zijnde maatregelen zijn niet betrokken in deze inventarisatie. Het algemene uitgangspunt bij de nationale uitvoering en implementatie van Europese regels blijft dat deze lastenluw, dat wil zeggen met zo min mogelijk lasten voor het bedrijfsleven, geschiedt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn hiervan af te wijken.
Kunt u in het overzicht ingaan op de gevolgen van «nationale koppen» ten aanzien van Europese regels op het gebied van dierenwelzijn, diergezondheid, plantgezondheid, gewasbeschermingsmiddelen, natuur, milieu, implementatie van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid en Gemeenschappelijk Visserijbeleid et cetera voor de administratieve lasten en nalevingskosten voor overheden, bedrijfsleven en burgers, en kunt in het overzicht ook aangeven wat de gevolgen van de «nationale koppen» zijn voor de economische ontwikkeling van bedrijven? Zo nee, waarom niet?
Regeldruk effecten worden bij het in kaart brengen uitgesplitst naar eenmalige dan wel structurele administratieve lasten en eenmalige dan wel structurele nalevingskosten. Daarnaast wordt per regeling aangegeven of de regeldruk effecten hun oorsprong hebben in internationale verplichtingen, of het gaat om de nationale implementatie van internationale verplichtingen, of dat het wetgeving betreft van nationale oorsprong. Sinds dit kabinet wordt tevens aangegeven of voor de minst belastende instrumentalisering van beleid is gekozen. Onder dit reeds brede palet van categorieën is niet voorzien in een nog fijnmazigere uitsplitsing, naar het bedrag dat binnen de categorieën aan te merken is als regeldruk ten gevolge van een nationale kop.
Ten algemene geldt dat de economische ontwikkeling gebaat is bij het verminderen regeldruk, dus ook bij het daar waar mogelijk schrappen van nationale koppen. Minder regeldruk leidt in beginsel immers tot een potentieel lagere kostprijs en een versnelling van (vergunning)procedures, waardoor economische capaciteiten beter kunnen worden benut.
Kunt u voorafgaand aan de begrotingsbehandeling Economische Zaken, onderdeel Landbouw en Natuur voor het jaar 2014 ook een overzicht sturen van alle regels die zijn verminderd, vereenvoudigd of geschrapt voor de landbouwers, tuinders en vissers in het kader van de afspraken uit het regeerakkoord om per 2017 een structurele verlaging van de regeldruk te hebben van 2,5 miljard euro en de minder meetbare, maar zeer merkbare regeldruk te verminderen in tenminste vijftien regeldichte sectoren, zoals agri & food? Zo nee, waarom niet?
Over de voortgang ten aanzien van de ambitie om de regeldruk per 2017 met 2,5 miljard euro te verminderen wordt uw Kamer twee maal per jaar geïnformeerd. Zoals gesteld in de Kamerbrief «Verzamelbrief regeldruk» van de minister van Economische Zaken (Kamerstuk 29 362 nr. 224, d.d. 12 september 2013), is gestart met een maatwerkaanpak regeldruk op enkele regeldichte domeinen, waaronder het agro & food domein. Over de maatwerkaanpak in het agro & food domein is in consulterende zin reeds gesproken met een aantal sectororganisaties. De verwachting is dat vóór het eind van dit jaar de uitvraag bij de sectororganisaties zal starten, waarna deze organisaties de mogelijkheid krijgen om knelpunten en mogelijke oplossingsrichtingen bij hun respectievelijke achterbannen te inventariseren. Deze zullen gezamenlijk met het bedrijfsleven worden geanalyseerd. Daarna zal uw Kamer hierover worden gerapporteerd.
Hieronder is aangegeven op welke wijze de regeldruk voor bedrijven op het gebied van landbouw, natuur en visserij zich naar huidige inzichten zal ontwikkelen. Het is een overzicht waarin zowel toenames als afnames van regeldruk zijn opgenomen. Geregistreerd zijn maatregelen met een regeldruk effect groter dan 100.000 euro. Het weergegeven regeldrukeffect is de som van structurele administratieve lasten en structurele nalevingskosten. Tegenover de toename van de regeldruk in 2014 staat dat sinds de start van dit kabinet tot eind 2013 een reductie zal worden behaald van 5,0 miljoen euro2.
De uitkomst van de discussie met uw Kamer over het mogelijk afschaffen van het dierrechtenstelsel in 2015 bepaalt of hiermee al dan niet een lastendrukvermindering kan worden gerealiseerd.
1
Meststelsel (stelsel van verantwoorde mestafzet)
1,0
2
PAS (Programmatische Aanpak Stikstof)
-1,7
3
Wetsvoorstel natuurbescherming
-0,5
4
Afschaffen bedrijfsregister agrarische bedrijven
-5,2
5
Vleesketen
-2,0
6
I&R paard
4,0
7
Besluit gezelschapsdieren (regels voor houden van dieren)
2,0
8
Diergeneesmiddelen (reglementering toediening door houders)
9,9
9
SGGV-casus Gewasbescherming
-2,6
10
Ontmantelen pbo’s
p.m.
Deelt u de opvatting dat met de toenemende regeldruk voor landbouwers, tuinbouwers en vissers het steeds moeilijker wordt om te ondernemen en hun koppositie als tweede voedselexporteur in de wereld vast te houden en dat hierdoor de goede naam van de Nederlandse land- en tuinbouw en visserijsector in het gedrang komt? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 101 in de »Antwoorden schriftelijke vragen begroting Economische Zaken 2013, Deel Landbouw en Natuur»(Kamerstukken II 2012/13, 33 750-XIII, nr. 9), waarin wordt aangegeven dat een van de speerpunten van het kabinet is het inzetten op een ondernemend Nederland, met een sterke internationale concurrentiepositie en een excellent ondernemersklimaat. Ondernemers moeten de ruimte krijgen om te ondernemen, te groeien en te vernieuwen, zowel om de huidige crisis het hoofd te bieden als om voorbereid te zijn op de economische ontwikkelingen van de toekomst. Een van de instrumenten hiervoor is het aanpakken van de door ondernemers ervaren regeldruk, zoals ik dit via de maatwerkaanpak wil vormgeven. Tegelijkertijd moet niet uit het oog worden verloren dat voor de degelijke exportpositie van Nederland regelgeving nuttig en noodzakelijk is.
Deelt u de opvatting dat de toenemende regeldruk voor de land- en tuinbouw en visserij ook deels wordt veroorzaakt doordat enkele organisaties, zoals Wakker Dier, een negatief en ongecontroleerd beeld neerzetten van de sectoren? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 101 in de »Antwoorden schriftelijke vragen begroting Economische Zaken 2013, Deel Landbouw en Natuur» (Kamerstukken II 2012/13, 33 750-XIII, nr. 9). Daarnaast wil ik opmerken dat nieuwe wet- en regelgeving tot stand komt volgens de daarvoor geldende regels en procedures. Een onderdeel van deze regels en procedures is de behandeling van nieuwe wet- en regelgeving in uw Kamer, waarbij de effecten op regeldruk kunnen worden betrokken bij het debat.
De wachtgeldregeling van de burgemeester van Groningen |
|
Manon Fokke (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kritiek op wachtgeld voor Rehwinkel»?1
Ja.
Betreft het wachtgeld van de burgemeester van Groningen wachtgeld dat voortvloeit uit de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa)?
Ja.
Kent de Appa een sollicitatieplicht voor voormalig politieke ambtsdragers waaronder burgemeesters? Zo ja, waaruit bestaat die sollicitatieplicht?
Ja, er is een sollicitatieplicht. De sollicitatieplicht geldt zolang er aanspraak bestaat op de Appa-uitkering.
De kern van de sollicitatieplicht bestaat uit het opstellen van een plan. In het plan wordt vastgelegd op welke wijze de gewezen politieke ambtsdrager wordt begeleid bij het verkrijgen van passende arbeid. Het plan bevat de sollicitatieactiviteiten, de eventueel te volgen cursussen, overige activiteiten en het tijdpad en de wijze waarop en de frequentie waarin de contacten met het re-integratiebedrijf plaatsvinden. Ook maakt onderdeel uit van het plan op welke wijze gebruik wordt gemaakt van planmatige begeleiding en ondersteuning. Het is een op maat gemaakt plan, dat dus per individu verschilt en dat wordt vastgesteld door of namens het bestuursorgaan dat de Appa-uitkering betaalt. In het plan wordt ook aangegeven of planmatige begeleiding noodzakelijk is. Dit in relatie tot de mate van afstand tot de arbeidsmarkt. De sollicitatieplicht gaat in drie maanden na aftreden. Het voldoen aan het vastgestelde plan, betekent dat gevolg wordt gegeven aan de sollicitatieplicht.
Hoe wordt de sollicitatieplicht voor voormalig politieke ambtsdragers gehandhaafd? Wie ziet toe dat de sollicitatieplicht wordt nagekomen? Aan de hand van welke concrete criteria wordt bepaald of aan de sollicitatieplicht wordt voldaan?
Het bestuursorgaan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Appa-uitkering is ook verantwoordelijk voor de re-integratie. Het bestuursorgaan kan de uitvoering van de sollicitatieplicht opdragen aan een uitvoeringsorganisatie. In dat geval is de uitvoeringsorganisatie, namens het bestuursorgaan, verantwoordelijk voor de handhaving van de sollicitatieplicht. Zoals beantwoord bij vraag 3, wordt aan de sollicitatieplicht voldaan indien de gewezen politieke ambtsdrager de in het plan opgenomen activiteiten verricht. Elke drie maanden wordt het plan geëvalueerd en indien nodig bijgesteld.
Welke gevolgen voor het recht op wachtgeld zijn er indien een voormalig politiek ambtsdrager niet of niet voldoende aan de sollicitatieplicht voldoet? Kan bijvoorbeeld het wachtgeld geheel of gedeeltelijk worden gekort?
Het niet of ten dele niet voldoen aan de sollicitatieplicht betekent dat door of namens het bestuursorgaan, een sanctie kan worden opgelegd. Het sanctie-regime is vormgegeven als een systeem van inhoudingen op de Appa-uitkering. Wanneer een inhouding wordt toegepast, betekent dit dat de uitvoeringsorganisatie een bepaald percentage van de Appa-uitkering niet uitkeert. De inhouding kan oplopen tot 100%.
Zijn u concrete voorbeelden bekend van voormalig politieke ambtsdragers waarbij geconstateerd werd dat er niet of niet geheel aan de sollicitatieplicht werd voldaan? Zo ja, in hoeveel gevallen en wat waren de consequenties van het niet nakomen van die plicht? Zo nee, waarom niet en kan dat iets zeggen over de wijze waarop de sollicitatieplicht uit de Appa wordt gehandhaafd?
De uitvoering van de Appa en de daarin opgenomen sollicitatieplicht is voor wat betreft ministers, staatssecretarissen, leden van de Tweede Kamer, voorzitters van de Eerste Kamer, Rijksvertegenwoordigers BES, Nationale Ombudsman, waarnemend Commissarissen van de Koning, waarnemend burgemeesters en herindelingsburgemeesters de verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De uitvoering ten aanzien van andere politieke ambtsdragers is een verantwoordelijkheid van de verschillende, decentrale bestuursorganen.
Voor wat betreft het aandachtsgebied van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is tot op heden geen sprake geweest van gewezen politieke ambtsdragers die niet voldoen of niet hebben voldaan aan de sollicitatieplicht.
Bij brief van 18 april 2013, (Kamerstuk II 28 479, nr. 65), heb ik u hieromtrent geïnformeerd in het kader van de evaluatie van de Appa-sollicitatieplicht in het jaar 2012.
Kan het aanvaarden van een onbetaalde functie een voormalig politieke ambtsdrager ontslaan van zijn sollicitatieplicht? Zo ja, in welke gevallen kan dat? Zo nee, waarom niet?
Nee. De bedoeling van re-integratie is dat de gewezen politieke ambtsdrager een nieuwe, betaalde functie verkrijgt en daarmee niet langer gebruik hoeft te maken van een toegekende Appa-uitkering. De wet verplicht de gewezen politieke ambtsdrager om in voldoende mate te trachten passende arbeid te vinden en mee te werken aan activiteiten die bevorderlijk zijn voor zijn inschakeling in de arbeid. Hij dient daarbij te voorkomen dat hij door eigen toedoen geen passende arbeid verkrijgt.
Is het in het kader van het nakomen van de sollicitatieplicht op grond van de Appa relevant of iemand in het buitenland woont? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De sollicitatieplicht is gekoppeld aan het recht op de Appa-uitkering. Ook in het buitenland moet de gewezen politieke ambtsdrager die een Appa-uitkering geniet, dus voldoen aan de verplichtingen voor het recht op uitkering. Eventuele sancties uit de Appa werken dan ook door als de gewezen politieke ambtsdrager in het buitenland woont. Op welke wijze invulling wordt gegeven aan de sollicitatieplicht, is niet in algemene zin te beantwoorden. Dit hangt af van de individuele omstandigheden.
Deelt u de mening dat ten aanzien van het nakomen van sollicitatieverplichtingen voormalig politieke ambtsdragers gelijk moeten worden behandeld met burgers die vanwege werkloosheid een uitkering nodig hebben? Zo ja, is er in de wet en de praktijk al sprake van die gelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Ja. Er is bij het vormgeven van de sollicitatieverplichtingen naar gestreefd zoveel mogelijk in de pas te lopen met hetgeen voor werknemers geldt. Zo is het sanctieregime uit de Appa afgeleid van het vergelijkbare regime voor WW-uitkeringsgerechtigden. De uitkering kan inderdaad geheel of gedeeltelijk worden gekort als betrokkene niet of niet voldoende aan de sollicitatieplicht voldoet.
De peildatum van de automatische kwijtschelding van gemeentelijke belastingen |
|
Tjitske Siderius (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat bij automatische kwijtschelding van gemeentelijke belastingen de toetsing exclusief door het Inlichtingenbureau plaats vindt en daarbij voor alle gemeenten hetzelfde landelijke peilmoment wordt gehanteerd, te weten 31 december van het jaar voorafgaand aan het moment van toetsing?1
Bij de zogenoemde geautomatiseerde kwijtschelding van gemeentelijke en waterschapsbelastingen vindt de toetsing inderdaad exclusief door het Inlichtingenbureau plaats. Het Inlichtingenbureau is opgericht in 2001 door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede op initiatief van Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en Divosa (vereniging van managers van sociale diensten). Het is een organisatie voor gemeenten en andere overheden. Zij helpen voornamelijk gemeenten bij het bepalen op welke ondersteuning burgers recht hebben. Denk bijvoorbeeld aan een bijstandsuitkering, bijzondere bijstand of kwijtschelding van gemeentelijke belastingen. Op dit moment wordt voor alle gemeenten die van de diensten van het Inlichtingenbureau gebruik maken op hetzelfde peilmoment getoetst. Dit is niet zozeer beleid, maar hangt samen met technische beperkingen en de beschikbaarheid van informatie die van externe bronnen als de Belastingdienst en het UWV afkomstig zijn.
Is het waar dat het landelijke peilmoment alleen gehanteerd wordt bij automatische kwijtschelding van belastingen en dat bij het individueel aanvragen van kwijtschelding als peildatum de datum waarop het verzoek om kwijtschelding is aangevraagd dient?2
Zoals onder 1 aangegeven heeft het peilmoment van de geautomatiseerde kwijtschelding te maken met technische beperkingen en beschikbaarheid van informatie van externe bronnen, waardoor het moment wordt beïnvloed. Bij individuele toetsing worden gegevens die potentiële kwijtscheldingsgerechtigde zelf aanleveren getoetst. Die zullen actueler zijn. Een individueel kwijtscheldingsverzoek kan op elke moment tijdens het invorderingsproces worden gedaan, waardoor het peilmoment kan verschillen per individueel geval.
Bent u voornemens om het ongelukkige peilmoment voor toetsing van het vermogen bij automatische kwijtschelding van gemeentelijke belastingen te wijzigen – bijvoorbeeld twee weken te vervroegen – zodat mensen automatisch aanspraak kunnen maken op hun recht op kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en niet worden geconfronteerd met een bezwaarprocedure om hun recht te halen óf alsnog individueel kwijtschelding moeten aanvragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregel gaat u nemen?
Er bestaat geen verplichting om gebruik te maken van geautomatiseerde kwijtschelding. Het is vooral een vermindering van de administratieve lasten voor de burger en de gemeente, op basis van de aanname dat er niets veranderd in de situatie van de aanvrager van kwijtschelding. Op basis van de informatie die ik heb over de geautomatiseerde kwijtschelding heb ik niet de indruk dat het door het Inlichtingenbureau gebruikte peilmoment op dit moment tot grote problemen leidt. Het Inlichtingenbureau voert zijn geautomatiseerde toets uit op basis van betrouwbare informatie van externe bronnen. Deze informatie is nu eenmaal niet eerder beschikbaar. Als er een belemmering is voor het geautomatiseerd verlenen van kwijtschelding, kan de belastingplichtige een aanvraag indienen die dan handmatig wordt getoetst. De mogelijkheid tot het indienen van een individueel kwijtscheldingsverzoek blijft daarnaast bestaan. Dit verzoek wordt dan individueel beoordeeld. Overigens worden de aanslagen voor de gemeentelijke belastingen op zijn vroegst pas op 31 januari van het belastingjaar verzonden. Ik ben dan ook niet voornemens te verzoeken het toetsmoment van geautomatiseerde kwijtschelding aan te passen.
Het efficiënt omgaan met Wob-verzoeken door gemeenten |
|
Manon Fokke (PvdA), Astrid Oosenbrug (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Wobber krijgt kort-door-de-bocht antwoord» (www.binnenlandsbestuur.nl )?1 Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over het misbruiken van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB)?2
Ja.
Kan een gemeente door in een antwoord op een WOB-verzoek te verwijzen naar al openbaar verkrijgbare informatie volgens de daarvoor geldende wettelijke eisen aan dat WOB-verzoek voldoen? Zo ja, kan daarmee oneigenlijk gebruik van de WOB en de «Wet dwangsom en direct beroep bij niet tijdig beslissen» op relatief eenvoudige wijze worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?
De Wet openbaarheid van bestuur (Wob) heeft geen betrekking op informatie die al publiek toegankelijk (openbaar) is. Indien een verzoek om openbaarmaking van informatie uitsluitend betrekking heeft op al openbare informatie is het gebruikelijk dat het bestuursorgaan als service verwijst naar de vindplaats van die openbare informatie. Indien dit schriftelijk gebeurt is dat een feitelijke antwoordbrief van het bestuursorgaan en geen Wob-besluit. De Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (hierna: Wet dwangsom) is hierop dan ook niet van toepassing. Of in het door u aangehaalde concrete geval sprake was van een verzoek om openbaarmaking van informatie dat geheel betrekking had op al openbare informatie, kan ik niet beoordelen.
Is een gemeente op grond van de WOB verplicht om uit een grotere hoeveelheid beschikbare openbare informatie een specifiek op een WOB-verzoek gericht antwoord te distilleren? Zo ja, op grond waarvan bestaat die verplichting en waarom zou de wobber niet zelf moeten zorgen voor het vinden van die informatie? Zo nee, waarom niet?
Indien wordt verzocht om openbaarmaking van informatie die al openbaar is, kan een bestuursorgaan op grond van de wettelijke eisen volstaan met de mededeling dat de informatie reeds openbaar is. De Wob heeft immers geen betrekking op openbare informatie. Zie verder het antwoord op vraag 2.
Heeft iemand die gebruik wil maken van de mogelijkheid om op grond van de WOB informatie op te vragen, een plicht om eerst zelf op zoek te gaan naar de door hem gevraagde informatie? Zo ja, waar houdt deze plicht op? Zo nee, waarom niet, en deelt u dan de mening dat er in enige vorm een dergelijke drempel zou moeten komen in het geval het om al openbaar beschikbare informatie gaat?
In algemene zin ben ik van oordeel dat het voor zich spreekt dat degene die op zoek is naar het antwoord op een vraag eerst zelf op zoek gaat naar het antwoord. Indien iemand met een beroep op de Wob aan een bestuursorgaan vraagt om informatie, houdt dit in, gelet op het stelsel van die wet, dat diegene verzoekt om openbaarmaking van informatie die nog niet openbaar is. Voor zover de informatie waarom met een beroep op de Wob wordt verzocht reeds openbaar blijkt te zijn, kan, zoals hiervoor al is opgemerkt, het bestuursorgaan de verzoeker daarop wijzen en aan diegene meedelen dat de informatie reeds openbaar is.
Deelt u de mening dat het in het bericht genoemde WOB-verzoek om alle vanaf 1988 door de gemeente Hoogeveen afgehandelde vergunningen, bezwaarschriften enzovoorts aan de aanvrager op te sturen, tenminste de schijn wekt van een WOB-verzoek waarbij het niet om de daadwerkelijke informatie gaat maar louter om een financiële vergoeding op grond van de Wet dwangsom en direct beroep bij niet tijdig beslissen? Zo ja, gaat u bij het door u aangekondigde «op korte termijn paal en perk stellen aan oneigenlijk gebruik van de Wob» ook eisen stellen om kennelijk onredelijke of onzinnige Wob-verzoeken te beperken? Zo nee, waarom niet?
In het bericht «Wobber krijgt kort-door-de-bocht antwoord» wordt melding gemaakt van de in het Wob-verzoek opgenomen mogelijkheid om dat verzoek af te kopen. Daarmee wekt het verzoek zeker de indruk dat het niet gericht is op het verkrijgen van informatie, maar op het geld verdienen aan de Wob.
De afgelopen periode is onderzoek gedaan naar de effecten van drie recent in de Algemene wet bestuursrecht ingevoerde «versnellingsinstrumenten», waaronder de Wet dwangsom. Daarbij is op verzoek van mij en mijn ambtgenoot van Veiligheid en Justitie het gesignaleerde oneigenlijk gebruik van de Wet dwangsom bij met name de Wob betrokken. Mede op basis van de resultaten van dit onderzoek bezie ik op welke wijze op korte termijn paal en perk kan worden gesteld aan oneigenlijk gebruik (ook wel misbruik of kennelijk onredelijk gebruik) van de Wob. Verzoeken als het onderhavige zullen daarbij ook worden bezien.
Op welke termijn gaat u de resultaten van uw aangekondigd onderzoek bekend maken en komt u met concrete voorstellen om het misbruik van de Wob aan te pakken?
Zie antwoord vraag 5.
Het korten van topinkomens in de zorg |
|
Otwin van Dijk (PvdA), John Kerstens (PvdA) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Rotterdam kort zorginstelling met topinkomen»1 en herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen over het opleggen van salarisnormen aan een zorginstelling door gemeenten?2
Ja.
Heeft u met instemming kennisgenomen van het voornemen van het gemeentebestuur van Rotterdam om op te treden tegen topinkomens bij zorginstellingen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Onmatige beloningen in de publieke en de semipublieke sectoren zijn, of deze zich nu op centraal of decentraal niveau voordoen, onwenselijk. Dit is door mij meermalen uiteengezet. De Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) verzet zich niet tegen het door decentrale bestuursorganen door middel van de subsidievoorwaarden stellen van aanvullende of verdergaande beperkingen aan de bezoldiging van medewerkers en bestuurders van door deze bestuursorganen gesubsidieerde instellingen. In het Algemeen Overleg van 14 februari 2013 met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van Uw Kamer naar aanleiding van de rapportage 2011 van de Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde topinkomens (WOPT) heb ik aangegeven in verband met het topinkomensbeleid met de VNG in overleg te willen treden. Het ligt in de rede, hierbij ook te spreken over het afstemmen van het normeringsbeleid en over het juridisch instrumentarium dat rijk en gemeenten ten dienste staat.
In dit geval wil Rotterdam gaan optreden tegen zorgaanbieders die ook in het kader van de Wmo gecontracteerd worden. Het zijn instellingen die al onder de WNT vallen waardoor betrokken functionarissen aanspraak kunnen maken op het overgangsrecht van de WNT. Uit de berichtgeving maak ik op dat de gemeente Rotterdam in die aanspraak wil treden. Of dit overgangsrecht via subsidievoorwaarden terzijde kan worden geschoven, zal moeten blijken. Evenzo het terugvorderen van het volledige bedrag van de normoverschrijding in geval de betreffende instelling slechts voor een deel door de gemeente wordt bekostigd. De minister van VWS vindt dat zorginstellingen niet geconfronteerd moeten worden met tegenstrijdige regelgeving met kans op gerechtelijke procedures. Hoewel ik niet de vrijheid van het lokaal bestuur wil beperken om eigen keuzes te maken, lijkt het mij verstandig om het beleid van de centrale en de decentrale overheden op elkaar af te stemmen. En dat niet achteraf, maar vooraf. Daarom ga ik ook het bovengenoemde overleg voeren.
Hoeveel gemeenten of andere decentrale bestuursorganen stellen aan de Wet normering topinkomens aanvullende of verdergaande voorwaarden aan de bezoldiging van medewerkers en bestuurders van instellingen die zij subsidiëren?
De gemeente Amsterdam heeft inmiddels kenbaar gemaakt het voorbeeld van Rotterdam te willen volgen.
Deelt u de mening dat gemeenten en andere decentrale bestuursorganen gestimuleerd moeten worden om door middel van subsidievoorwaarden invloed uit te oefenen op de topinkomens van de gesubsidieerde instellingen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat gaat u doen om gemeenten en andere decentrale bestuursorganen aan te zetten tot het stellen van subsidievoorwaarden aan instellingen die topinkomens uitkeren?
Zie het antwoord op vraag 2.
Wat is de stand van uw overleg met de VNG over het topinkomensbeleid en het juridisch instrumentarium dat het Rijk en gemeenten hebben om daar invloed op uit te oefenen? Over welke instrumenten, anders dan het korten van subsidie, beschikken gemeenten om invloed uit te oefenen op topinkomens van gesubsidieerde instellingen?
Het afstemmen van topinkomensbeleid op centraal en decentraal niveau in het kader van de WNT is geagendeerd voor het overleg met de VNG, zie mijn antwoord op vraag 2. Daarin komt ook de consultatie aan de orde ten behoeve van het conceptwetsvoorstel tot verlaging van het bezoldigingsmaximum naar 100% van het ministersalaris. Deze consultatie gaat nog dit kalenderjaar van start.
Wat is de stand van zaken met de model-subsidieregeling van de VNG waarin aandacht wordt geschonken aan het voorkomen dat subsidiegeld wordt besteed aan (te) hoge topsalarissen bij gesubsidieerde instellingen?
Op 27 september 2013 heeft de VNG door middel van een brief de herziene Model-Algemene subsidieverordening 2013 aan haar leden gestuurd.3 In de bijlage is een modelsubsidieregeling opgenomen, waarin nader op dit onderwerp wordt ingegaan.
Over leegstand van het CBS-gebouw in Leidschendam-Voorburg |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de situatie rond het leegstaande CBS-gebouw in Leidschendam-Voorburg?
Ja
Hoe verhoudt het verkooptraject van dit gebouw zich tot de structuurvisie van de gemeente Leidschendam-Voorburg, die zich richt op woningbouw?
Het verkooptraject (privaatrechtelijke handeling van de Rijksoverheid) van dit gebouw staat de Structuurvisie (publiekrechtelijke bevoegdheid van de gemeente zonder rechtstreekse werking) niet in de weg.
Voor een nieuwe eigenaar is deze Structuurvisie een solide basis om met de gemeente het herbestemmingsproces van kantoor naar woningen, op te pakken.
Is het waar dat het pand in zijn huidige staat niet bruikbaar is vanwege brandonveiligheid? Is herbestemming van het gebouw denkbaar en haalbaar?
Ten tijde van gebruik van het pand als kantoor voldeed het pand aan de eisen van brandveiligheid. Inmiddels zijn de eisen van het Bouwbesluit dusdanig gewijzigd, ook voor bestaande bouw, dat voor een hernieuwde ingebruikname als kantoor het nodige aangepast moet worden. De Staat heeft echter geen intenties in die richting.
Herbestemming van het gebouw naar woningdoeleinden is goed denkbaar. De haalbaarheid van een dergelijke herontwikkeling hangt af van de omvang van de wensen van de gemeente enerzijds en de marktmogelijkheden in de vorm van woningopbrengsten, bouw- en sloopkosten, anderzijds.
Is het waar dat de kosten van leegstand ongeveer een miljoen euro per jaar zijn, zoals in NRC Handelsblad van 21 augustus1 wordt gemeld? Zo nee, om welk bedrag gaat het dan? Is het waar dat deze leegstandskosten worden gemaakt sinds 2008?
Nee. Het object staat sinds 1 september 2008 leeg.
De leegstandskosten bedragen sinds 2008 t/m 2012 ca. € 2,4 mln. Sinds de gemeente geen medewerking meer verleent aan de interim-huisvesting van bedrijven, is er een hek om het pand gezet en bedragen de kosten in 2013 ca. € 150.000,– voor met name het hoogst noodzakelijke onderhoud, nutsvoorzieningen en bewaking.
Welke boekwaarde hebben het gebouw en het onderliggende perceel? Is verkoop, sloop of renovatie van dit specifieke pand opgenomen in de Rijksbegroting?2
Welke procesafspraken zijn gemaakt met de gemeente? Zijn er onderhandelingen gaande?
De acties van de regering van Sint Maarten om een onafhankelijk onderzoek naar goed bestuur te dwarsbomen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het feit dat de minister-president van Sint Maarten ambtenaren feitelijk heeft verboden om mee te werken aan het onderzoek dat de Rijksministerraad heeft gelast naar de integriteit van het bestuur van dit eiland?1
Het artikel uit de Daily Herald van 3 oktober 2013, waarnaar u verwijst in de voetnoot, is mij bekend. De minister-president wijst volgens de krant op de mogelijke bevoegdheid van de regering om ambtenaren te verbieden om aan een onderzoek mee te werken. Ik ga er van uit dat de regering van Sint Maarten zal meewerken aan het onderzoek conform besluit van de Rijksministerraad.
Wat is uw oordeel over het feit dat de minister-president dit verbod te allen tijde zal handhaven, zelfs als de Raad van State uitspreekt dat het voorgenomen onderzoek in overeenstemming is met het Statuut?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 1.
Wat is uw oordeel over de opmerking van de minister-president van Sint Maarten dat het voorgenomen onderzoek een «schaamteloos bemoeizuchtige» inmenging is in de interne aangelegenheden van het eiland?
Het is mij bekend dat de regering van Sint Maarten in plaats van het onderzoek conform het Koninklijk Besluit nu inmiddels zelf werkt aan een onderzoeksopdracht naar de deugdelijkheid van haar bestuur. Feit is dat daarvoor al veel eerder aanleiding was. Sint Maarten is reeds langere tijd in het nieuws naar aanleiding van incidenten en geruchten over integriteit-schendingen van politici en er zijn percepties over het bestaan van corruptie. Er is een algemeen gedeeld gevoel bij burgers, bedrijven en buitenlandse overheden dat de deugdelijkheid en het behoorlijk functioneren van het bestuur in ruime zin op Sint Maarten een probleem vormt dat groter en dieper is dan zich laat aanzien. Met de regering van Sint Maarten is regelmatig overleg gevoerd over de in het land ontstane situatie. Het is de Rijksministerraad niet voldoende gebleken dat de regering van Sint Maarten daar alle zorg en aandacht voor heeft gehad, en uiteindelijk komt de reputatie van het Koninkrijk in het geding. Dan is het een taak en verantwoordelijkheid van de Koninkrijksregering om die maatregelen te nemen die nodig zijn. Het staat de regering van Sint Maarten natuurlijk vrij alsnog zelf een onderzoek te starten. Dit komt echter niet in de plaats van het onderzoek waartoe de Rijksministerraad nu opdracht aan de Gouverneur heeft gegeven.
Bent u bereid tegemoet te komen aan het verzoek van de minister van Justitie van Sint Maarten, dat als dit onderzoek doorgang vindt Nederland evengoed de onafhankelijkheidsverklaring kan mailen?
Dat verzoek is door de regering van Sint Maarten niet aan de Koninkrijksregering gedaan.
Deelt u de opvatting dat deze opmerkingen van leden van de regering van Sint Maarten een onderzoek overbodig maken, omdat deze leden niet de intentie lijken te hebben zich te houden aan afspraken binnen het Koninkrijk?
Ik ga er van uit dat de regering van Sint Maarten mee zal werken aan uitvoering van het besluit van de Koninkrijksregering.
De mogelijke sluiting van de Saint James School of Medicine op Bonaire |
|
Mohammed Mohandis (PvdA), Roelof van Laar (PvdA) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Saint James School of Medicine moet Bonaire verlaten»?1
Ja, dat ken ik.
Is het waar dat de Saint James School of Medicine per 1 januari 2015 haar deuren zal moeten sluiten?
De Saint James School of Medicine moet om de registratie in het Amerikaanse register van buitenlandse medische opleidingen (de IMED listing van de Educational Commission for Foreign Medical Graduates [ECFMG]) voort te zetten, zijn erkend door de Nederlandse overheid. Die erkenning heeft de instelling niet verkregen. Ik verwijs voorts naar mijn antwoord op vraag 3.
Is de genoemde reden, namelijk het niet voldoen aan de eisen van de Nederlandse onderwijsinspectie, de reden dat de school dicht moet? Zo ja, aan welke eisen voldoet de school niet (volledig)?
De Saint James School of Medicine was door de Nederlandse Antillen erkend zonder dat aan het erkenningsbesluit een beoordeling van de onderwijskwaliteit ten grondslag heeft gelegen. In het Landsbesluit van de Nederlandse Antillen d.d. 12/01/2000 is expliciet vermeld: «This document should however not be considered as a statement of accreditation of said school’s academic program». Na de transitie van Bonaire naar het land Nederland geldt de Nederlandse wetgeving en daarin is accreditatie van de opleiding wel een vereiste voor erkenning door de Nederlandse overheid. Om geaccrediteerd onderwijs te kunnen verzorgen moet de instelling zijn aangemerkt als een rechtspersoon voor hoger onderwijs. De medical school heeft, gezien de eis van ECFMG, ervoor gekozen rechtspersoon voor hoger onderwijs te worden. In dat verband moet op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) een procedure worden gevolgd, waarvan een verzwaarde toets nieuwe opleiding en een onderzoek door de Inspectie van het Onderwijs deel uitmaken. Indien de uitkomst van beide positief is, neemt de minister een positief besluit en maakt de instelling als rechtspersoon voor hoger onderwijs deel uit van het hoger onderwijsbestel. De medical school heeft ervoor gekozen na het onderzoek in het kader van de toets nieuwe opleiding, de aanvraag voor die toets in te trekken. Daarmee is de door de WHW voorgeschreven procedure stilgezet. De instelling kan wel blijven bestaan, maar is daarmee geen instelling voor hoger onderwijs naar Nederlands recht geworden. ECFMG heeft ervoor gekozen haar erkenning afhankelijk te stellen van de Nederlandse erkenning. Nu daar geen sprake van is, erkent ECFMG de instelling niet meer.
Is de stelling van Partido Demoktratiko Boneriano juist dat het vertrek van de school ernstige financiële en economische gevolgen zal hebben voor Bonaire? Is het waar dat de school voor bijna tien miljoen dollar bijdraagt aan de economie van het eiland? Kunt u dit bedrag nader specificeren?
Een vertrek van de medical school zal onvermijdelijk enige gevolgen hebben voor de economie van het eiland. Over de omvang daarvan kan ik geen uitspraak doen.
Welke inspanningen zijn er de afgelopen periode gepleegd om te voorkomen dat de school dicht moet? Welke mogelijkheden zijn er nog om sluiting te voorkomen?
Al in 2008–2009 heeft de NVAO een kwaliteitsbeoordeling van Saint James School of Medicine uitgevoerd op verzoek van de instelling, de toenmalig minister van OCW en de minister van onderwijs van de Nederlandse Antillen. Saint James School of Medicine heeft destijds ook die aanvraag ingetrokken. De instelling heeft wel een NVAO rapport ontvangen met expertoordelen en aanbevelingen voor verbetering. Dit rapport heeft de instelling kunnen gebruiken voor kwaliteitsverbetering en voorbereiding op de aanvraag bij de NVAO in 2011. De Nederlandse overheid heeft zich bereid verklaard gedurende een (overgangs)periode de bestaande situatie voort te zetten, zodat de registratie in IMED gehandhaafd kon blijven. ECFMG heeft de registratie in IMED op verzoek van OCW verlengd tot 1 oktober 2013 om de instelling de gelegenheid te geven aan de eisen van de Nederlandse wet te voldoen. Saint James School of Medicine is er herhaaldelijk op gewezen dat uiterlijk op 1 oktober 2013 de procedure voor rechtspersoon hoger onderwijs succesvol moest zijn doorlopen om de tijdelijke erkenning om te kunnen zetten in een permanente erkenning. Met deze verlenging is Saint James School of Medicine voldoende in de gelegenheid gesteld om erkenning te verkrijgen. De daarvoor gehanteerde termijn was alleszins redelijk.
Heeft de sluiting van de Saint James School of Medicine op Bonaire gevolgen voor de Saba University School of Medicine? Zo ja, welke? Antilliaans Dagblad, 30 september 2013
Nee, de Saba University of Medicine heeft de procedure zoals beschreven in mijn antwoord op vraag 2, met positief gevolg doorlopen en is erkend rechtspersoon voor hoger onderwijs. Dit betekent dat zij op de lijst van ECFMG blijft staan.
Het op het laatste moment verplaatsen van de gay Pride op Curaçao |
|
André Bosman (VVD), Tamara van Ark (VVD) |
|
Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Klopt het dat de vergunning voor de locatie op het laatste moment is aangepast? Zo ja, heeft u zicht op de redenen? Hoe weegt u deze in het licht van het recht op vereniging en demonstratie?
Zoals u weet zijn het handhaven van de openbare orde en veiligheid taken die bij de regering horen van het autonome land Curaçao.
Het is aan de overheid van Curaçao om een afweging te maken in hoeverre het nodig is om aanvullende eisen te stellen aan de organisatie van de Gay Pride om daarmee de openbare orde en veiligheid te handhaven. De afwegingen die daarbij gemaakt zijn, zijn mij niet bekend aangezien dit een autonome aangelegenheid van het land Curaçao is.
Deelt u de mening dat het zorgelijk is dat in het koninkrijk de gaypride niet mag plaatsvinden in het centrum van de hoofdstad van Curaçao? Bent u bereid hier actie op te ondernemen?
Zie antwoord vraag 1.
Vindt u dat met het verplaatsen van de gaypride het recht om bijeen te komen geweld wordt aangedaan?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe weegt u de oproep van parlementariërs om zich tegen homoseksualiteit uit te spreken en dit kenbaar te maken?
Ik wil het beeld dat verschillende parlementariërs deze oproep hebben gedaan graag nuanceren. Mij is slechts een brief van één parlementslid bekend. Over deze brief heeft de minister-president van Curaçao, tevens leider van de partij van het betrokken Statenlid, inmiddels verklaard dat deze op persoonlijke titel is geschreven en niet namens de Pueblo Soberano en evenmin namens de regering van Curaçao.
Hoe wordt de veiligheid en vrijheid van meningsuiting van lesbiennes, homo's, biseksuelen en transgenders (LHBT's) op Curaçao, onderdeel van het koninkrijk, gewaarborgd?
Er hebben mij geen signalen bereikt dat de veiligheid en vrijheid van meningsuiting van lesbiennes, homo's, biseksuelen en transgenders (LHBT's) op Curaçao niet gewaarborgd worden. Ter illustratie kan ik minister-president Asjes van Curaçao citeren, die op zijn persconferentie na afloop van de vergadering van de ministerraad van Curaçao verklaarde dat zijn regering de vrijheid van meningsuiting en demonstratie volledig respecteert, ook als het genoemde groepen betreft.
Ter verdere illustratie van de algemene houding van de overheid van Curaçao ten opzichte van minderheidsgroepen verwijs ik u nog naar de website van de Curaçao Tourist Board – een overheidsstichting – die Curaçao promoot als een homo-vriendelijke vakantiebestemming: «een leef en laat leven atmosfeer».
Vanzelfsprekend zal ik de ontwikkelingen op dit terrein binnen het Koninkrijk nauwgezet blijven volgen.
Het niet doorgaan van de Gay Pride op Curaçao |
|
Roelof van Laar (PvdA), Keklik Yücel (PvdA) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Jet Bussemaker (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u de berichten «Eerste Gay Pride Curaçao gaat niet door» en «Veel rumoer rond eerste Curaçao Pride»?1 2
Ja.
Is het waar dat de eerste Gay Pride op Curaçao niet in oorspronkelijke vorm door kon gaan omdat de regering op het laatste moment aanvullende eisen stelde aan de organisatie? Zo ja, waarom werden deze eisen op het laatste moment nog gesteld? Zo nee, wat is er niet juist?
Zoals u weet zijn het handhaven van de openbare orde en veiligheid taken die bij de regering van het autonome land Curaçao horen.
Het is aan de overheid van Curaçao om een afweging te maken in hoeverre het nodig is om aanvullende eisen te stellen aan de organisatie van de Gay Pride om daarmee de openbare orde en veiligheid te handhaven. De afwegingen die daarbij gemaakt zijn, zijn mij niet bekend aangezien dit een autonome aangelegenheid van het land Curaçao is. Over de brief van het Statenlid Raveneau heeft de minister-president van Curaçao, tevens leider van de partij van mevrouw Raveneau, inmiddels verklaard dat deze op persoonlijke titel geschreven is en niet namens de Pueblo Soberano of de regering van Curaçao.
Is het waar dat de politie op Curaçao «het meedragen van vlaggen, foto's en andere demonstratie-attributen gevaarlijk[achtte]»? Zo ja, waarom achtte de politie op Curaçao dit gevaarlijk?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitsluiten dat het stellen van nadere voorwaarden door de politie enig verband hield met de brief die parlementslid Raveneau schreef aan de kerkleiders op Curaçao? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid om tijdens uw contacten met Curaçao namens de Nederlandse regering aan de regering van Curaçao op ondubbelzinnige wijze duidelijk te maken dat rechten van homo’s, lesbiennes, biseksuelen en transgenders (LHBT’ers) volledig moeten worden gerespecteerd? Is de regering van Curaçao bereid de organisatie van de in mei 2014 geplande regionale Caribische editie van de Gay Pride de garantie te geven dat dit evenement, met respect voor de vrijheid van meningsuiting, door kan gaan? Kunt u de Kamer nog voor de begrotingsbehandeling Koninkrijksrelaties en de begrotingsbehandeling Onderwijs, Cultuur en Wetenschap informeren over de uitkomsten van dit overleg?
Ook het emancipatiebeleid is een taak die bij de regering van het autonome land Curaçao behoort. Mij hebben geen signalen bereikt dat rechten van homo’s, lesbiennes, biseksuelen en transgenders (LHBT’ers) op Curaçao niet gerespecteerd zouden worden. Op zijn persconferentie na afloop van de vergadering van de ministerraad van Curaçao verklaarde minister-president Asjes dat zijn regering geen problemen verwacht met de Caribische editie van de Gay Pride in mei volgend jaar en dat hij de vrijheid van meningsuiting en demonstratie volledig respecteert, ook als het genoemde groepen betreft.
Ter illustratie van de algemene houding van de overheid van Curaçao verwijs ik u nog naar de website van de Curaçao Tourist Board – een overheidsstichting – die Curaçao promoot als een homo-vriendelijke vakantiebestemming: «een leef en laat leven atmosfeer».
Het kabinet steunt het homo-emancipatieproces in het Caribische deel van het Koninkrijk met een jaarlijkse financiële bijdrage van de minister van OCW aan het Pink Orange Akkoord-project van lokale homo-organisaties en COC Nederland. De bijdrage is bestemd voor capaciteitsversterking van de lokale LHBT-gemeenschap op de eilanden door lotgenotencontactactiviteiten, deskundigheidsbevordering en «nuldelijns» hulpverlening.
De Curaçaose organisatie FOKO is een van de partners in het Pink Orange Akkoord. Op 26 en 27 oktober komen de Pink Orange Akkoord-partijen bijeen op Aruba, om over de capaciteitsversterking en het homo-emancipatieproces op de eilanden verder te spreken.
Vanzelfsprekend zal ik de ontwikkelingen op dit terrein binnen het Koninkrijk nauwgezet blijven volgen.
Het bericht dat de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk (de BAR-gemeenten) de huishoudelijke verzorging kapot bezuinigingen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Martin van Rijn (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Zorgverlening BAR-gemeenten wijzigt»?1
Naar aanleiding van berichtgeving in de media heb ik informatie ingewonnen bij de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk. Naar ik heb begrepen eindigen aan het einde van dit jaar de huidige overeenkomsten die de BAR-gemeenten hebben voor het leveren van de huishoudelijke verzorging. De gemeenten zijn voornemens nieuwe overeenkomsten aan te gaan voor de periode vanaf 1 januari 2014. De colleges hebben de beleidsmatige uitgangspunten voor deze overeenkomsten onlangs vastgesteld ten behoeve van het debat en de besluitvorming in de betreffende gemeenteraden.
Op basis van de mij ter beschikking gestelde informatie heb ik het beeld dat de BAR-gemeenten voor de huishoudelijke hulp een voorziening willen opzetten die bestaat uit twee onderdelen. Een onderdeel heeft betrekking op meer eenvoudige ondersteuning en het andere onderdeel op de meer complexe ondersteuning. Als de gemeente op basis van intakegesprekken besluit dat de aanvrager gecompenseerd dient te worden, dan kan de aanvrager toegang krijgen tot de voorziening voor eenvoudige danwel complexe ondersteuning. De gemeente wil maatwerk bieden waarbij het beoogde resultaat centraal staat (bijvoorbeeld een schoon huis). De aanvrager zal dan in gesprek gaan met een intermediair die op basis van het besluit van de gemeente (eenvoudige danwel complexe ondersteuning) beoordeelt wat nodig is om het beoogde resultaat te bereiken. De intermediair selecteert de aanbieders op basis van criteria die door de gemeenten zijn gesteld. De cliënt kiest uiteindelijk zelf de aanbieder. Deze situatie geldt in 2014 alleen voor de nieuwe cliënten. De bestaande cliënten krijgen de ondersteuning in 2014 van de huidige aanbieders.
Deelt u de mening dat de gemeenten Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk (de BAR-gemeenten) in strijd met de wet handelen, daar zij geen zorg in natura aanbieden voor huishoudelijke verzorging, maar deze zorg eerst laten inzetten door vrijwilligers, mantelzorgers en familie? Zo nee, waarom niet?
Uit de door de gemeenten geformuleerde beleidsuitgangspunten voor de nieuwe overeenkomsten blijkt dat zij inzetten op resultaat via maatwerk. Een bijkomend uitgangspunt is dat aandacht wordt besteed aan de mogelijkheden van het sociale netwerk van de aanvrager. Deze uitgangspunten verhouden zich met het bepaalde in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Gemeenten zijn op grond van deze wet verantwoordelijk om voorzieningen te treffen, om personen met een beperkte zelfredzaamheid in staat te stellen om onder meer een huishouden te voeren. Bij het bepalen van de voorziening kunnen en moeten zij rekening houden met de kenmerken van de specifieke situatie. Dat kan ook betekenen dat een voorziening in natura niet nodig is omdat het sociale netwerk van de aanvrager aangesproken kan worden, of omdat een algemene voorziening volstaat. Mocht dit echter niet het geval zijn, dan zullen de gemeenten een voorziening in natura aanbieden. Ik heb, op basis van de mij nu beschikbare informatie, geen aanleiding om te veronderstellen dat gemeenten hun verantwoordelijkheid op grond van de wet niet zullen nemen. Daarbij geldt dat het voor de cliënt altijd mogelijk is om bezwaar (en beroep) aan te tekenen tegen de besluitvorming op een aanvraag door de gemeente.
Wat vindt u van het feit dat de BAR-gemeenten op een andere manier gaan indiceren, namelijk in plaats van op uren op een «gezamenlijk bepaald» resultaat zoals «een schoon huis»? Wie bepaalt wat een schoon huis is en hoeveel tijd nodig is om dit resultaat de bereiken: de cliënt, de huishoudelijk verzorgende, de aanbieder? Op welke manier gaat de opdrachtgever bewaken dat op voldoende wijze invulling wordt gegeven aan de indicatie? Komt er een gemeentelijk tarief voor een schoon huis of wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie, en welke bandbreedte heeft deze?
Gemeenten blijven gehouden aan het wettelijk kader. De gemeente is op grond van de Wmo gehouden de voorziening te richten op het te bereiken resultaat. Dit vraagt een zorgvuldige afweging door de gemeente en de mogelijkheid voor de burger die het niet eens is met de gekozen oplossing om bezwaar en eventueel beroep aan te tekenen. Het is daarbij niet vooraf te zeggen hoeveel tijd nodig is om het benodigde resultaat te bereiken, dat hangt af van de cliënt, zijn persoonskenmerken en behoeften en zijn sociale netwerk. Navraag bij de BAR-gemeenten leert dat ten aanzien van de invulling van de geboden oplossing geldt dat als een burger de geboden oplossing onvoldoende compenserend acht voor zijn of haar beperkingen, hij naar de gemeente kan voor een gesprek over een (eventuele) alternatieve oplossing. De gemeenteraden zullen een tarief per uur vaststellen voor de aanbieders waarbij zij het ter zake bepaalde in de Wmo in acht zullen moeten nemen.
Deelt u de mening dat de kracht van de huishoudelijk verzorgende de combinatie van huishoudelijk werk en zorg (ondersteunen en signaleren) is? Zo ja, deelt u de mening dat je deze zorg dus niet kunt splitsen in schoon huis en aan begeleiding overgedragen zorg (ondersteuning, signaleren)?2 Zo ja, welke maatregelen gaat u treffen? Zo nee, waarom niet?
Ik ben van mening dat de specifieke situatie van een persoon, zijn kenmerken, zijn behoeften en de mogelijkheden van zijn omgeving bepalend zijn voor de vraag of en zo ja, welke voorziening geboden is om hem in staat te stellen een huishouden te voeren. Het is aan de gemeenten om dit in gesprek met de aanvragers zorgvuldig in kaart te brengen.
Beseft u dat deze mensen nu al hooguit de benodigde uren huishoudelijke verzorging krijgen en dat deze uren niet zomaar zijn afgegeven? Mogen deze in noodzakelijke zorg worden gekort? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het is aan gemeenten om in gesprek met de bestaande en nieuwe cliënten, binnen de kaders van de wet en het (gewijzigde) gemeentelijk beleid tot een zorgvuldige afweging te komen. Als onderdeel van deze afweging dient uiteraard rekening te worden gehouden met de uitgangspositie van de bestaande cliënt. Ook voor een nieuwe invulling van de voorziening geldt dat deze passend moet zijn en de cliënt, gegeven zijn specifieke situatie, in staat moet stellen tot het voeren van een huishouden.
Deelt u de mening dat het schrappen van het aantal uren huishoudelijke verzorging puur een kille bezuiniging is en dat dit in strijd is met de zorgplicht die gemeenten moeten bieden? Zo ja, welke maatregelen gaat u hiertegen treffen? Zo nee, waarom niet?
Op basis van de mij ter beschikking staande informatie stel ik vast dat de gemeenten binnen hun mogelijkheden verantwoordelijkheid nemen om de burgers die zijn aangewezen op huishoudelijke verzorging zo goed mogelijk te ondersteunen. Met de nieuwe werkwijze die meer gericht is op het te bereiken resultaat wordt mede beoogd om verschraling van de hulpverlening te voorkomen. De dienstverlening zal wijkgericht georganiseerd worden en de relatie van de cliënt en zijn dienstverlener worden zoveel in stand gehouden. Daar waar zou blijken dat de beleidsuitgangspunten van de BAR-gemeente, in opzet of in de uitvoering daarvan zich niet verhouden met de wettelijke kaders, zal ik de gemeenten daarop aanspreken en zo nodig verdergaande maatregelen treffen. Zoals ik hiervoor heb aangegeven is een dergelijke situatie niet aan de orde.
De gemeenten gaan deze nieuwe manier van werken invoeren nadat met de mensen thuis is gesproken; bent u van mening dat, zolang er geen nieuwe indicatie is, degene die huishoudelijke zorg heeft het recht op het aantal geïndiceerde uren behoudt?
Ja.
De gemeenten gaan vrijwilligers en collectieve voorzieningen inzetten; welke delen van de huishoudelijke verzorging betreft dit, hoe wordt verdringing voorkomen en wat indien er onvoldoende vrijwilligers/bijstandsgerechtigden zijn?
Navraag leert dat de colleges van burgemeester en wethouders van de BAR-gemeenten denken aan collectieve voorzieningen voor bijvoorbeeld wassen, strijken en boodschappen doen. De gemeenten garanderen dat het uitgangspunt hierbij blijft dat geboden voorziening passend moet zijn, met andere woorden gericht moet zijn op het in staat stellen van mensen tot het voeren van een huishouden.
De BAR-gemeenten overleggen met de huidige aanbieders (Aafje) over een overgangsregeling, maar dat gaat niet soepel omdat Aafje het tarief onvoldoende vindt; hoe gaat u voorkomen dat Aafje opnieuw voor alle 550 werknemers collectief ontslag aanvraagt?
De colleges van burgemeester en wethouders van de BAR-gemeenten hebben met de betrokken aanbieders (waaronder Aafje) een overeenkomst bereikt voor 2014. Er is nu dan ook geen aanleiding voor een collectieve ontslagaanvraag van de zijde van de huidige aanbieders.
Deelt u de mening dat de gemeenten er voor moeten zorgen dat de werknemers van de oude aanbieders worden overgenomen door de nieuwe aanbieders? Zo ja, hoe gaat u daarvoor zorgen?
Artikel 10a van de Wmo biedt waarborgen voor een verantwoorde aanpak. Nieuwe aanbieders zijn op grond hiervan gehouden om met de oude aanbieders te overleggen over de overname van betrokken personeel. Dat is geen garantie dat overeenstemming wordt bereikt over de overgang van (alle) medewerkers, maar het overleg kan dit wel zo veel mogelijk bevorderen. De betrokken colleges van burgemeester en wethouders hebben de (wettelijke) taak er op toe te zien dat het hiervoor bedoelde overleg wordt gevoerd. De zorg voor de positie van de werknemers wordt daarnaast versterkt door de afspraken die werkgevers- en werknemersorganisaties in de algemeen verbindend verklaarde CAO Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg (cao VVT) hierover hebben gemaakt. Het is primair aan sociale partners om hieraan uitvoering te geven en een goede gang van zaken te bewaken.
Ik heb tijdens het algemeen overleg op 11 september jl. over het ontslag van thuiszorgmedewerkers toegezegd dat ik bereid ben om te bezien of de regels in de huidige en de nieuwe Wmo aangescherpt kunnen worden. Naar huidig inzicht kan een dergelijke aanscherping zich toespitsen op de tijdige afronding van een inkoopprocedure van een gemeente zodat er voldoende tijd is om zorgvuldig met de gevolgen om te gaan voor cliënten en werknemers en het zoveel mogelijk in stand houden van de bestaande relatie tussen cliënt en hulpverlener. Dat geldt naast de al bestaande regels met betrekking tot de vaststelling van basistarieven die het hanteren van cao-lonen door aanbieders als uitgangspunt hebben. Ik ben hierover in overleg met de VNG.
Wat is uw mening over het voornemen van de BAR-gemeenten om alle werknemers onder te brengen in een alfaplusconstructie en wat houdt deze zogenaamde omegaconstructie in? Deelt u de mening dat dit ongewenst en in strijd met de wet is, en hoe gaat u dit voorkomen?
De BAR-gemeenten hebben mij laten weten dat zij ook in 2014, overeenkomstig het daartoe in de Wmo bepaalde, de vrijheid van de cliënt zullen garanderen daar waar het gaat om de keuze tussen een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Nu de keuze bij de cliënt blijft liggen is er geen sprake van strijdigheid met de wet. In de brief van de Minister van VWS en mijzelf van 25 oktober 2013 (TK 2013 – 2014, 29 282, nr. 181) hebben wij aangegeven het onwenselijk te beschouwen dat gemeenten initiatieven nemen of nalaten gericht op het doen afnemen van voorzieningen natura en de doen toenemen van het gebruik van persoonsgebonden budgetten. Gemeenten dienen cliënten goed voor te lichten, maar de keuze bij de cliënt te laten. Ik heb op dit moment geen aanleiding om te veronderstellen dat gemeenten dit niet zullen doen. De BAR-gemeenten geven aan, dat daar waar alfahulpen zullen worden ingezet, deze aanvullende vergoedingen ontvangen van de budgethouder waarmee zij op basis van vrijwilligheid werknemersverzekeringen kunnen afsluiten.
Vindt u het wenselijk dat de BAR-gemeenten een intermediair willen inhuren die overeenkomsten sluit met zorgaanbieders en het aanspreekpunt is voor deze gemeenten voor de huishoudelijke verzorging? Is dit niet in strijd met de wet? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op grond van de Wmo is de verantwoordelijkheid voor het verlenen maatschappelijke ondersteuning, waaronder huishoudelijke hulp, neergelegd bij de gemeenten. Het is aan gemeenten om, binnen de wettelijke kaders, beleid te formuleren en keuzes te maken ten aanzien van de uitvoering, waaronder de inrichting van de communicatie met cliënten.
Vindt u het wenselijk dat de BAR-gemeenten besluiten om een intermediair als spreekpunt te laten fungeren en dat de BAR-gemeenten hierdoor onbereikbaar worden voor mensen die zorg nodig hebben? Zo ja, waarom? Zo nee, welke maatregelen gaat u treffen?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid om in gesprek te gaan met de BAR-gemeenten om te zorgen dat de huishoudelijke verzorging gewaarborgd wordt met goede tarieven, dat mensen hun vertrouwde thuiszorgmedewerker behouden en dat de rechtspositie van thuiszorgmedewerkers goed wordt geregeld? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op de voorgaande vragen heb ik toegelicht dat ik op dit moment geen aanwijzingen heb dat de betrokken partijen hun verantwoordelijkheden niet nemen of de wettelijke kaders niet in acht nemen.
Hoeveel en welke gemeenten zijn voornemens of werken nu al met een intermediair die de huishoudelijke verzorging regelt? Bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Deze informatie heb ik niet, want dit wordt niet centraal bijgehouden. Ik zie op dit moment, onder verwijzing op mijn antwoord op de vragen 12 en 13, geen aanleiding om een dergelijk onderzoek te starten.
Deelt u de mening dat er mogelijk sprake kan zijn van belangenverstrengeling, omdat een intermediair in de belangen van de gemeente kan werken en hierdoor kan aansturen op goedkope schoonmaakbedrijven in plaats van thuiszorgaanbieders? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, die mening deel ik niet. Gemeenten zijn gehouden de Wmo uit te voeren en daarmee de kwaliteit van maatschappelijke ondersteuning van cliënten te waarborgen. Vanuit die verantwoordelijkheid maken gemeenten afspraken met de betrokken aanbieders over de kwaliteit van de dienstverlening. Daar waar een cliënt de verleende ondersteuning als onvoldoende beoordeelt en dit tot een verschil van inzicht met de gemeente leidt, heeft hij de mogelijkheid om daartegen bezwaar aan te tekenen en eventueel in beroep te gaan.
Deelt u de mening dat de BAR-gemeenten voorsorteren op de mogelijke bezuinigingen in de huishoudelijke zorg die niet eerder dan in 2015 ingaan? Zo nee, waarom niet?
Zoals ik in het antwoord op vraag 6 heb aangegeven zien de BAR-gemeenten het meer resultaatgericht organiseren van de ondersteuning als een goede manier om verschraling van dienstverlening zo veel mogelijk te voorkomen en wordt tevens geanticipeerd op de nieuwe situatie in 2015. Door in 2014 te starten met deze nieuwe werkwijze, willen de BAR-gemeenten zich goed voorbereiden op de grote wetswijzigingen die per 2015 van kracht zullen zijn. Daar waar zou blijken dat de beleidsuitgangspunten van de BAR-gemeenten, in opzet of in de uitvoering daarvan zich niet verhouden met de (huidige) wettelijke kaders, zal ik de gemeenten daarop aanspreken en zo nodig verdergaande maatregelen treffen. Zoals ik hiervoor heb aangegeven is een dergelijke situatie niet aan de orde.
Deelt u de analyse dat de gemeenten niet meer voldoen aan de wettelijke verplichting, die in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is opgenomen, dat een gemeente huishoudelijke verzorging in natura dient te verzorgen voor inwoners? Zo ja, wat gaat u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie mijn antwoord op vraag 11.
Bezuinigingen als gevolg van niet-aangenomen wetten |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Is het waar dat u voornemens bent vanaf 2015 € 18 mln. uit het gemeentefonds te nemen naar aanleiding van het niet aangenomen initiatiefwetsvoorstel-Heijnen (Kamerstukken 33 084) om het aantal raadsleden met ongeveer vijftienhonderd te verminderen?1
Het klopt dat er een uitname van € 18 miljoen uit het gemeentefonds plaatsvindt vanaf 2015. Echter, deze uitname vindt plaats op basis van het Regeerakkoord en niet op basis van het niet aannemen van het initiatiefwetsvoorstel Heijnen.
Waarom voert u de financiële gevolgen van een niet aangenomen wetsvoorstel toch door?
De regering was voorstander van dit initiatiefwetsvoorstel van de heer Heijnen, maar zoals het Regeerakkoord stelt zijn hoe dan ook de taakstellende bedragen uit het Regeerakkoord leidend.
Wat betekent dit voor de gemeenten? Waarop gaan zij bezuinigen om deze generale korting te compenseren, nu het aantal raadsleden en de daarmee gemoeide kosten gewoon gelijk blijven?
Het afwijzen van het wetsvoorstel betekent dat gemeenten door andere maatregelen op het terrein van bestuur de besparing moeten bereiken. Bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft de regering daar reeds op gewezen. Naar ik aanneem is dat meegewogen door de fracties die in de Eerste Kamer tegen het wetsvoorstel waren. De precieze invulling van de te bereiken besparing is aan gemeenten; het kabinet treedt niet in de autonomie van lokale overheden.
Bij welke niet doorgevoerde beleidsvoornemens en wetten bent u nog meer van plan de bezuinigingen wel door te voeren?
De bedragen zoals genoemd in de tabellen uit de financiële bijlage van het Regeerakkoord zijn in alle gevallen leidend. (pagina 44 Regeerakkoord)
Acht u het omgekeerde ook mogelijk, bijvoorbeeld dat u de geplande decentralisaties in de jeugdzorg en AWBZ wel doorvoert, maar de bezuinigingen die daarmee samenhangen niet? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 4.