Het bericht ‘Dat COC wil dat Nederland Amerikaanse haatprediker weert’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Malik Azmani (VVD) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dat COC wil dat Nederland Amerikaanse haatprediker weert»?1
Ja.
Kent u de extreem hatelijke uitspraken richting LHBT’ers van deze Amerikaanse prediker Steve Anderson en andere hatelijkheden richting bijvoorbeeld vrouwen en de Joodse gemeenschap?
Deelt u de mening dat deze prediker, die de bloedige aanslag op een homobar in Orlando, Verenigde Staten, «goed nieuws» heeft genoemd en stelt dat LGBT staat voor «Let God Burn Them», door zijn oproepen een gevaar kan vormen voor de openbare orde in Nederland en een zeer onveilige sfeer kan creëren voor onder andere de LHBT-gemeenschap in Nederland? Zo ja, welke acties bent u van plan te ondernemen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u voorts de mening dat mensen die haat en verderf prediken niets te zoeken hebben in Nederland? Zo ja, welke instrumenten heeft u hem aan te merken als ongewenste vreemdeling en de toegang tot Nederland te weren? Bent u bereid alles in het werk te stellen wat mogelijk is teneinde deze prediker uit Nederland te weren?
Deelt u de mening dat de vrijheid van meningsuiting een groot goed in Nederland, daar mag geen enkele twijfel over bestaan, en dat in dit geval de grenzen van deze vrijheid worden overschreden en misbruikt doordat er hatelijke en verderfelijke uitspraken worden gedaan over groepen in onze samenleving?
Is bekend welke podia deze haatprediker van plan is te bezoeken en op wiens uitnodiging hij naar Nederland komt? Welke rol ziet u voor de lokale driehoek in gemeenten die hij zal bezoeken om een dergelijk podium onmogelijk te maken? In het uiterste geval, indien deze man niet geweerd kan worden, bent u bereid in elke openbare zaal waar hij spreekt een officier van justitie en een politieagent paraat te laten zijn zodat er acuut ingegrepen kan worden op het moment dat hij de wet overschrijdt met zijn uitspraken?
Kent u het feit dat de haatprediker ook van plan is binnenkort Zweden en Ierland te bezoeken en heeft u contact gehad met uw collega’s in die en andere Europese landen? Is gezamenlijke inzet om deze man te weren besproken? Zo ja, welke acties worden ondernomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen en de Kamer hierover te informeren?
Op ambtelijk niveau zijn de genoemde landen geïnformeerd over de door mij genomen stappen.
Bent u bereid in EU-verband nogmaals te pleiten voor een gezamenlijke zwarte lijst met haatpredikers zodat predikers die door een buurland geweigerd worden niet uitwijken naar een ander EU-land? Zo nee, waarom niet? Deelt u de mening dat dit een belangrijke aanvulling is bovenop de registratie van visumplichtige haatpredikers?
Conform de Minister van Justitie en Veiligheid in zijn brief van 28 mei 2018 over de aanpak van extremistische sprekers2 schreef, blijft de Minister aandacht vragen voor de aanpak van extremistische sprekers in de EU-kopgroep van ministers van de meest betrokken lidstaten.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden in verband met het op korte termijn geplande bezoek van Anderson?
Ja.
Het bericht dat te weinig leraren getraind zijn in de aanpak van radicalisering |
|
Rudmer Heerema (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Slechts twee procent van de leraren getraind in aanpak radicalisering»?1
Ja.
Deelt u de mening dat adequate kennis van onderwijsprofessionals op het gebied van radicalisering cruciaal is om radicalisering te voorkomen, te herkennen en aan te pakken?
Een van de doelen van de aanpak radicalisering is het bevorderen van bewustzijn en deskundigheid van eerstelijns professionals zodat zij in staat gesteld worden om mogelijke gevallen van radicalisering in een vroeg stadium te signaleren en hierop te acteren. Onderwijsprofessionals zijn goed opgeleid en kunnen afwijkend gedrag van velerlei aard bij leerlingen signaleren en daarnaar handelen. Een training kan onderwijsprofessionals verder helpen om een proces van radicalisering tijdig te herkennen en hier adequaat op te reageren. Door een dergelijke training worden onderwijsprofessionals in staat gesteld om radicalisering te onderscheiden van puberaal gedrag, te weten hoe de verbinding te houden met jongeren en waar nodig door te schakelen naar justitiële- en zorg-instanties.
Hoe beoordeelt u het aantal meldingen dat door scholen wordt gedaan van signalen van radicalisering, namelijk: in het schooljaar 2017/2018 slechts één melding in het basisonderwijs en twee meldingen in het voortgezet onderwijs?
Er is bij de Vertrouwensinspecteurs van de Onderwijsinspectie in de periode 2017/2018 vanuit het primair onderwijs één melding ontvangen van radicalisering. In die zelfde periode zijn er twee meldingen uit het voortgezet onderwijs ontvangen. Meldingen van radicalisering kunnen echter overal binnenkomen, zoals bij een wijkteam, de politie, het meldpunt van een gemeente, de (jeugd)zorg of het veiligheidshuis. Waar deze meldingen ook binnen komen is het belangrijkste dat, als een school of onderwijsprofessional aangeeft hulp nodig te hebben bij het aanpakken van radicalisering, deze ook voorhanden is. In opdracht van het Ministerie van OCW is de Stichting School en Veiligheid (SSV) verantwoordelijk voor een landelijk ondersteuningsaanbod radicalisering en polarisatie in het onderwijs. Dat zijn trainingen, maar ook adviesgesprekken met scholen om ze te adviseren en te informeren hoe zij met radicalisering en polarisatie moeten omgaan. SSV biedt kennis en informatie aan en heeft bijvoorbeeld ook een helpdesk voor onderwijsprofessionals.
Deelt u de mening dat het aantal professionals in het onderwijs dat sinds 2015 bereikt is met training veel te laag is, gegeven ook het feit dat zowel de NCTV als AIVD hebben aangegeven bezorgd te zijn over de ontwikkelingen in het reguliere en informele onderwijs waarbinnen bepaalde «aanjagers» anti-integratieve boodschappen verkondigen? Deelt u de mening dat het aantal getrainde professionals in het onderwijs omhoog moet, teneinde signalen van radicalisering passend op te kunnen pakken? Zo nee, welke andere stappen onderneemt u wel om radicaliseringssignalen op te pakken?
Professionals spelen een belangrijke rol als het gaat om het herkennen en aanpakken van radicalisering. De docent, de jeugdhulpverlener of de wijkagent kan het verschil maken in zijn dagelijkse werk. Daarom hebben we de afgelopen periode geïnvesteerd in het bevorderen van het bewustzijn en deskundigheid van eerstelijns professionals, zodat zij vroegtijdig signalen van mogelijke radicalisering kunnen herkennen. Ook is hun handelingsperspectief vergroot. Er is een landelijke ondersteuningsstructuur tot stand gebracht. Het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR), de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit (ESS), de Stichting School en Veiligheid (SSV), Integraal Veilig Hoger Onderwijs (IV-HO) en het recent gelanceerde platform Jeugd preventie Extremisme en Polarisatie (JEP) bieden professionals en informele sleutelfiguren training en advies.
Van tevoren is geen cijfer vastgelegd over het minimaal (of maximaal) aantal docenten die een training moeten of kunnen volgen. Ik ben uiteraard vóór het trainen van docenten op het gebied van het voeren van het moeilijke gesprek over lastige maatschappelijke thema’s en discussies, en daar waar er specifiek aandacht moet zijn voor radicalisering gebeurt dat ook. We hebben via SSV inmiddels 5000 onderwijsprofessionals laten trainen, en dit aantal zal in de toekomst groeien door het blijvend aanbieden van trainingen.
Daarbij focussen we specifiek op de gebieden en gemeenten waar dit onderwerp meer speelt en bieden de trainingen daar via SSV, de gemeenten, de samenwerkingsverbanden, en andere partners in het sociaal domein aan de school. Daarnaast zijn door ESS sinds 2015 ruim 2000 professionals getraind met de training Omgaan met Extreme Idealen, waaronder een groot deel in het onderwijs. Ik verwijs u ook naar het kopje «voorkomen» in de NCTV Rapportage Integrale aanpak terrorisme van april 2019.
Gemeenten hebben, naast een preventieve rol, ook een cruciale rol bij het realiseren van een integrale lokale aanpak waarbij de verbinding zorg, onderwijs en veiligheid wordt doorontwikkeld en bestendigd. Binnen deze lokale aanpak worden er diverse programma’s door gemeenten ingezet om (onderwijs)professionals te trainen. Zo heeft de gemeente Utrecht het programma «Utrecht zijn we samen», waarin zij werken met de training «Vreedzaam» en traint de gemeente Den Haag haar professionals, waaronder onderwijspersoneel, via het Informatiepunt Preventie Polarisatie en Radicalisering (IPPR). Omdat de aanpak in Nederland op lokaal niveau ligt kunnen de gemeenten, samen met professionals, nagaan wat de behoefte is en welk programma men wil inzetten.
Waar het gaat om informele scholing zijn de wettelijke kaders van de onderwijswetgeving niet van toepassing. Onderwijsprofessionals spelen hier dus geen rol.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat het aantal getrainde onderwijsprofessionals stijgt? Bent u bijvoorbeeld bereid scholen (nogmaals) te informeren over de inhoud en het belang van het volgen van trainingen over radicalisering en polarisatie? Bent u bereid verplichtende maatregelen niet te schuwen wanneer het aanreiken van bijvoorbeeld extra informatie de afname van trainingen door onderwijsprofessionals niet significant doet toenemen? Zo nee, waarom niet?
Wij blijven scholen informeren, stimuleren en ondersteunen om trainingen te volgen. Het aanbieden van trainingen over radicalisering voor onderwijsprofessionals is in 2015 begonnen en blijven we de komende jaren ook uitvoeren. Zoals vermeld in de Kamerbrief3 die u parallel met deze beantwoording wordt toegezonden, gaan wij ons richten op de volgende drie pijlers:
Een specifieke training kan uiteraard helpen om het radicaliseringsproces tijdig te onderkennen en hier adequaat op te reageren. Er zijn in Nederland gebieden en gemeenten waar we weten dat het probleem speelt. Samen met de Rijkspartners en de gemeenten worden de trainingen gericht en specifiek bij die gemeenten aangeboden. Zoals ik bij antwoord 4 heb aangegeven zijn er daarnaast ook meerdere gemeenten die een eigen programma met trainingen inzetten.
Ik ben niet voornemens docenten te verplichten een training te volgen. Er zijn ook gebieden en gemeenten waar het probleem van radicalisering en polarisatie minder speelt. Wel zullen we waar mogelijk scholen attenderen op de mogelijkheid van deze trainingen.
Het bericht van de Commissariaat voor de Media ‘Commissariaat niet tevreden over beoordeling nevenfuncties KRO-NCRV’ |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de onderzoeksresultaten van het Commissariaat voor de Media in het bericht «Commissariaat niet tevreden over beoordeling nevenfuncties KRO-NCRV»?
Ja.
Deelt u de mening dat journalistieke onafhankelijkheid een belangrijke voorwaarde is zodat journalisten geloofwaardig en gedegen hun werk kunnen uitvoeren? Deelt u de opvatting dat de publieke omroep er daarom voor moet waken dat personeelsleden de schijn van belangenverstrengeling opwekken?
Journalistieke onafhankelijkheid is een kernwaarde van de journalistiek en in het bijzonder van het publieke mediabestel. Het is van belang dat (de schijn van) commerciële beïnvloeding van publiek media-aanbod wordt voorkomen. In de Mediawet 2008 staat niet voor niets dat de publieke mediadienst onafhankelijk is van commerciële- en overheidsinvloeden.
Deelt u de mening dat een register nevenfuncties bijdraagt aan transparantie en daarmee de schijn van belangenverstrengeling tegengaat? Zo ja, hoe verklaart u dat verschillende publieke omroepen een dergelijk register nog niet openbaar op hun website hebben staan?
Een register van nevenfuncties kan bijdragen aan transparantie en het voorkomen van (mogelijke) belangenverstrengeling. Op grond van de Governancecode Publieke Omroep 2018 (hierna: de Governancecode) dienen nevenfuncties gemeld te worden en getoetst op mogelijke belangenverstrengeling. De verplichting tot openbaarmaking van nevenfuncties geldt alleen voor topfunctionarissen en belangrijke journalistieke functionarissen.
Uit een inventarisatie van de Commissie Integriteit Publieke Omroep (hierna: CIPO) blijkt dat de media-instellingen en de NPO, overeenkomstig de Governancecode op hun websites nevenfuncties openbaar maken1.
Bent u ervan op de hoogte dat de KRO-NCRV stelt dat zij de aanbevelingen van het Commissariaat voor de Media hebben overgenomen en hebben geïmplementeerd? Deelt u de verwondering dat, ondanks deze toezegging, het register nevenfuncties van de KRO-NCRV nog steeds incompleet is, dat wil zeggen dat tot op de dag van vandaag de activiteiten van journalist Jaspers bij veevoerfabrikant «For Farmers» in het «register nevenfuncties» van de KRO-NCRV ontbreken?1
Zoals het bericht stelt was het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) niet tevreden over de wijze van beoordeling van de nevenfunctie van de betrokken presentatrice. Het Commissariaat is van oordeel dat KRO-NCRV onvoldoende zorgvuldig is geweest bij het beoordelen van de nevenfunctie en niet transparant is geweest op grond van welke overwegingen KRO-NCRV deze nevenfunctie heeft goedgekeurd. KRO-NCRV heeft de procedures op dit punt inmiddels aangepast.
CIPO heeft in januari 2019 een richtlijn opgesteld3 om nader te duiden in welke gevallen nevenfuncties van belangrijke presentatoren van journalistieke programma’s openbaar gemaakt dienen te worden. Volgens deze criteria worden de door de presentatrice gepresenteerde programma’s niet aangemerkt als journalistiek programma en hoeven de nevenfuncties niet openbaar te worden gemaakt.
Deelt u de mening dat transparantie over nevenactiviteiten van alle bestuurders, hoofd- en eindredacteuren en presentatoren de betrouwbaarheid van de publieke omroep ten goede komt? Wilt u zich inspannen om zoveel mogelijk transparantie te bewerkstelligen bij de omroepen over nevenactiviteiten?
Als een publieke media-instelling zorgt voor een zorgvuldige beoordelingsprocedure van nevenfuncties, verkleint de publieke media-instelling het risico op belangenverstrengeling. Het op orde hebben van dit soort beoordelingsprocedures en transparante verantwoording vormen belangrijke waarborgen voor de onafhankelijkheid van publieke media-instellingen.
Is het hanteren en bijhouden van een register nevenfuncties voor de omroepverenigingen en taakomroepen verplicht?
Op grond van de Governancecode is het bijhouden van een register nevenfuncties verplicht voor de publieke media-instellingen en de NPO.
Wie houdt toezicht of de registers van verscheidene publieke omroepen actief worden bijgehouden, wetende het register nevenfuncties, register geschenken en register financiële belangen en beleggingen?
Het toezicht op de naleving van de bepalingen over de openbare registers, en op de overige bepalingen van de Governancecode, ligt bij CIPO.
Wat zijn de consequenties als publieke omroepen de verschillende governancecodes overtreden, zoals de «Governancecode Publieke Omroep 2018» en «Governance en Interne Beheersing»?
CIPO houdt toezicht op de naleving van de Governancecode. De raad van bestuur van de NPO kan, als het toezicht op en de naleving van deze code door het bestuur en de raad van toezicht van media-instellingen tekort schiet, gebruik maken van zijn wettelijke bevoegdheden als bedoeld in artikel 2.154 van de Mediawet 2008 (inhouding op vastgestelde bedragen).
In de Beleidsregels Governance en Interne beheersing geeft het Commissariaat een nadere uitleg over de Mediawettelijke normen ten aanzien van de bestuurlijke organisatie (artikel 2.142a Mediawet 2008), belangenverstrengeling (artikel 2.142 Mediawet 2008) en interne bedrijfsprocessen (artikel 2.178 Mediawet 2008). Het Commissariaat is belast met het toezicht op de naleving van genoemde bepalingen in de Mediawet 2008. Het Commissariaat kan handhavend optreden bij overtreding van deze bepalingen. Op basis van het principe toezicht op maat bepaalt het Commissariaat wat het meest passende instrument is om in te zetten.
Mogelijke selectiviteit bij de NOS |
|
Martin Bosma (PVV) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van CBS News waarin wordt gemeld dat er definitief geen bewijs is voor de samenzweringstheorie dat er door Amerikanen (die al dan niet betrokken waren bij de campagne van Donald J. Trump) met de Russen werd samengewerkt om de verkiezingen te beïnvloeden?1
Ja.
Bent u bekend met de bepalingen in de mediawet die voorschrijven dat de publieke media evenwichtig, pluriform, gevarieerd en kwalitatief hoogstaand dienen te zijn en dat zij op evenwichtige wijze een beeld van de samenleving dienen te geven en dat ze horen te voldoen aan hoge journalistieke en professionele kwaliteitseisen?
Ja.
Ziet u het als uw taak om als Minister erop toe te zien dat wetten in Nederland, zoals de Mediawet, worden nageleefd?
Zoals het u bekend is, is het de taak van daartoe aangewezen toezichthouders om toezicht te houden op de naleving van wetten. Wat betreft de media, zowel de omroep als de geschreven pers, is de journalistieke kwaliteit onderwerp van zelfregulering zoals de journalistieke codes van de Raad voor de Journalistiek en het Genootschap van Hoofdredacteuren.
Vindt u dat de Mediawet wordt nageleefd als excuses van de NOS uitblijven voor de foutieve berichtgeving van de afgelopen jaren met betrekking tot Trump en «de Russen», dit tevens in het licht van een eerdere situatie waarbij de NOS wél excuses maakte voor de verslaglegging van een PVV-activiteit?2
De journalistieke inhoud en kwaliteit van berichtgeving en de afweging om tot correctie en/of het aanbieden van excuses over te gaan, is de autonome verantwoordelijkheid van de omroep en onderworpen aan de journalistieke normen die de sector bij wijze van zelfregulering heeft bepaald.
Het bericht dat er op basisschool de Stelaertshoeve in Tilburg door de GGD voorlichting wordt gegeven over de ramadan |
|
Bente Becker (VVD), Hayke Veldman (VVD) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Paul Blokhuis (staatssecretaris volksgezondheid, welzijn en sport) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op basisschool de Stelaertshoeve in Tilburg aan kinderen voorlichting over de ramadan wordt gegeven door de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD)?1
Ja
Wat is de insteek van de GGD bij de informatievoorziening richting de school? Is de bijeenkomst bedoeld voor alle kinderen op school of alleen voor kinderen die deelnemen aan de ramadan? Gaat het om inzicht in de beleving van de ramadan door kinderen en meer begrip daarvoor of over de gezondheidseffecten? Is het de bedoeling dat leerlingen met het onderwerp vervolgens in de les aan de slag gaan of staat de voorlichting op zichzelf?
De voorlichting over voeding en ramadan kwam tot stand in mei 2018, toen de ramadan samenviel met de examenperiode. De GGD Hart voor Brabant ontwikkelde toen een draaiboek voor het voortgezet onderwijs. Het draaiboek is via de site SportinTilburg beschikbaar voor algemeen gebruik in het kader van het JOGG-project (JOGG = Jongeren op gezond gewicht).
De voorlichting op de genoemde basisschool (in april 2019) had een iets andere insteek maar dezelfde doelen. De GGD adviseert scholen in Tilburg in het kader van de Gezonde School aanpak op diverse thema's zoals gezonde voeding, bewegen, weerbaarheid en seksualiteit. De GGD doet dat vanuit de lokale accenten die de gemeente legt bij het GGD-basispakket.
Naast de genoemde basisschool vroegen ook andere basisscholen voorlichting over de gezondheidsrisico's van vasten en tips om zo fit mogelijk te blijven, omdat vasten tijdens de periode van de CITO-(eind)toets een negatieve invloed kan hebben op de scores. De GGD verzorgde hierbij geen lessen aan kinderen, maar gaf de voorlichting tijdens een inloopbijeenkomst/ouderkamer voor ouders die hier interesse in hadden.
Kunt u aangeven of het de taak en/of beleid is van de GGD om op scholen te adviseren over de (gezondheids)effecten dan wel de beleving van de ramadan? Zo ja, betreft dit een apart programma dat de GGD zelf aanbiedt aan scholen of komt dit verzoek vanuit scholen zelf?
De GGD adviseert scholen in het kader van de Gezonde School aanpak, zie www.gezondeschool.nl.
De advisering door de GGD kan gaan over verschillende thema’s, zoals gezonde voeding, bewegen, weerbaarheid en seksualiteit. De school kiest daarbij zelf de (gezondheids)thema’s waarin ze ondersteuning van de GGD wil hebben.
Ook in dit geval kwam de genoemde basisschool met het verzoek aan de GGD om voorlichting aan ouders te geven over gezondheid (van kinderen) en de ramadan.
Op hoeveel scholen in Nederland wordt deze voorlichting gegeven en hoeveel middelen besteedt de GGD hieraan?
In Tilburg gaf de GGD deze voorlichting aan één school voor voortgezet onderwijs en een aantal basisscholen in Tilburg Noord. De geïnvesteerde tijd was enkele uren per school.
Voor geheel Nederland kan deze vraag niet beantwoord worden. Er vindt geen registratie plaats. De GGD levert lokaal maatwerk, dus reageert op vragen vanuit scholen.
Kunt u aangeven in hoeverre de informatie die door de GGD aan scholen, ouders en leerlingen wordt verstrekt over de gezondheidseffecten en beleving van de ramadan hen ook op een objectieve manier wijst op mogelijk negatieve effecten op de leerprestaties van kinderen zodat dit kan worden meegenomen in de afweging om al dan niet aan de ramadan deel te nemen?
De GGD belicht op een objectieve wijze wat ramadan voor invloeden kan hebben op leerprestaties. Er worden tips gegeven hoe deze periode voor gezondheid en leerprestaties zo gunstig mogelijk doorgebracht kan worden.
Is er bij de GGD ook breder aandacht voor informatieverstrekking richting scholen over de gezondheidseffecten en beleving van andere religieuze feesten en tradities? Zo nee, waarom niet en wat rechtvaardigt dit onderscheid?
De vraag om voorlichting past bij doelstellingen van de GGD: adviseren in het kader van de Gezonde School aanpak op diverse thema's, zoals gezonde voeding, bewegen, weerbaarheid en seksualiteit. Deze voorlichting stelde de GGD samen op speciaal verzoek van een school voor voortgezet onderwijs («Fit de Examens in...») om aandacht te besteden aan voeding tijdens de Ramadan. Op verzoek van de genoemde basisschool gaf de GGD aangepaste voorlichting over de combinatie CITO-(eind)toets en ramadan. Andere verzoeken voor gezondheidsvoorlichting in relatie tot andere religieuze feesten heeft de GGD Hart voor Brabant tot nu toe niet ontvangen.
Het bericht dat er op een basisschool in Tilburg ramadanvoorlichting wordt gegeven aan kinderen door de GGD |
|
Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV), Harm Beertema (PVV) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat er op basisschool de Stelaertshoeve te Tilburg ramadanvoorlichting wordt gegeven aan kinderen door de Gemeentelijke gezondheidsdienst (GGD)?1
Ja.
Deelt u de mening dat islamisering niet gestimuleerd dient te worden, maar bestreden en teruggedrongen? Zo nee, waarom niet?
De grondrechten gelijkheid, vrijheid van spreken en vrijheid van godsdienst, gelden voor iedereen in Nederland. Daardoor kunnen we in Nederland zelf kiezen hoe we ons leven inrichten, met wie we trouwen en of we geloven (of niet). Deze grondrechten zijn een essentieel element van de Nederlandse democratische rechtstaat.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat de GGD stopt met deze ontwrichtende onzin en de kinderen met rust laat? Zo nee, waarom niet?
Zoals aangegeven in de antwoorden van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op de Kamervragen van 28 mei 20192, adviseert de GGD scholen in het kader van de Gezonde School aanpak, zie www.gezondeschool.nl. De advisering door de GGD kan gaan over verschillende thema’s, zoals gezonde voeding, bewegen, weerbaarheid en seksualiteit. De school kiest daarbij zelf de (gezondheids-) thema’s waarin ze ondersteuning van de GGD wil hebben. In dit geval kwam de genoemde basisschool met het verzoek aan de GGD om voorlichting aan ouders te geven over gezondheid (van kinderen) en de ramadan. Scholen hebben in verband met de hun toekomende vrijheid van onderwijs ruimte om dergelijke activiteiten te organiseren. De vrijheid van onderwijs en vrijheid van godsdienst zijn grondrechten in onze samenleving waar het kabinet pal voor staat.
Wat zijn de jaarlijkse maatschappelijke kosten van ramadan vanwege ziekteverzuim, te laat komen, slecht slapen, ontregelde diabetes, ordeverstoring en ramadangerelateerde criminaliteit?
Ik zie geen aanleiding om hiernaar te kijken.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat heel Nederland vanaf dit jaar gevrijwaard blijft van allerhande islampromotie vanwege ramadan via de gezondheidszorg, onderwijs, staatstelevisie en -radio, sociale partners, et cetera? Bent u bereid daartoe snel in actie te komen?
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 gelden de grondrechten gelijkheid, vrijheid van spreken en vrijheid van godsdienst voor iedereen in Nederland. Daardoor kunnen we in Nederland zelf kiezen hoe we ons leven inrichten, met wie we trouwen en of we geloven (of niet). Het staat eenieder vrij daar al dan niet uiting aan te geven of aandacht aan te schenken. Deze grondrechten vormen een essentieel element van de democratische rechtstaat.
De islam is een godsdienst. Deze godsdienst valt net als andere religies in Nederland onder de vrijheid van godsdienst en is met dezelfde regels omgeven. Nederland is een pluriforme samenleving, waar – binnen de grenzen van de rechtsstaat – voor alle religies, overtuigingen en leefstijlen ruimte is.
Het bericht ‘Gemeente Enschede voorkomt faillissement BVO FC Twente met miljoenensteun’ |
|
Nevin Özütok (GL), Lisa Westerveld (GL) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «gemeente Enschede voorkomt faillissement BVO FC Twente met miljoenensteun»?1
Ja.
Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de overheid een commerciële en professionele sportclub miljoenen euro’s financiële steun geeft?
Het is in het kader van de autonomie van decentrale overheden, zoals verankerd in Grondwet en organieke wetten, aan de gemeente zelf om te bepalen welk beleid zij hanteert met betrekking tot een commerciële en professionele sportclub.
Wat is de inhoud van het steunplan van de gemeente Enschede aan BVO FC Twente? Hoeveel gemeenschapsgeld is in de afgelopen jaren naar BVO FC Twente gegaan en staat de komende jaren op de planning?
Met (financieel) betrokken partijen heeft FC Twente een herstructureringsplan opgesteld dat gericht is op een langjarig financieel gezond FC Twente. Naast bijdragen van onder andere de ABN AMRO bank, de club zelf en nieuwe investeerders draagt de gemeente Enschede ook bij aan het herstructureringsplan. De bijdrage van de gemeente bestaat uit een kwijtschelding van 5 miljoen euro en de omzetting van een groot deel (bijna 9 miljoen euro) van de gemeentelening in een achtergestelde lening. Meer informatie over het steunplan is opgenomen in het raadsbesluit van de gemeente Enschede van 8 april 2019 (het raadsvoorstel en onderliggen stukken is te vinden op https://ris2.ibabs.eu/Agenda/Details/enschede/6dd45bf0–679b-4426–881d-c311987a3b73). Op de verstrekte lening aan FC Twente is niet eerder afgeboekt. Door het nu genomen raadsbesluit wordt voor de eerste keer daadwerkelijk verlies geleden op de verstrekte financiering waaronder begrepen de omzetting in een achtergestelde lening. Met de afboeking wordt verondersteld dat de gemeente verder geen bijdragen doet en hiermee een faillissement van de club is afgewend en FC Twente de resterende schulden kan voldoen.
Wat is precies het juridisch kader waarbinnen de overheid een commercieel bedrijf financieel kan ondersteunen?
Als een decentrale overheid een commercieel bedrijf financieel wil ondersteunen, dient dat onder meer te gebeuren binnen de kaders van de Europese staatssteunregels en de Wet financiering decentrale overheden (Wet fido). Staatssteun is in principe verboden, omdat hiermee de eerlijke concurrentie kan worden verstoord. Echter, de Europese Commissie kan staatssteun onder bepaalde voorwaarden goedkeuren. Op grond van de Wet fido kunnen gemeenten voor de uitoefening van hun publieke taak onder meer leningen verstrekken en garanties verlenen. De publieke taak zelf wordt in de Wet fido niet nader omschreven. Wat de publieke taak is, wordt door de gemeente zelf bepaald. Hiermee wordt in lijn met de hiervoor genoemde wetgeving recht gedaan aan de gemeentelijke autonomie ten aanzien van de afbakening van de eigen publieke taak.
Het correct naleven van de staatssteunregels, inclusief het oordeel of er al dan niet sprake is van staatssteun, is primair aan de gemeente zelf. In dit geval stelt de gemeente zich op het standpunt dat er geen sprake is van staatssteun.
Het Rijk bevordert en faciliteert de goede naleving van de staatssteunregels, onder meer door het geven van voorlichting en het onderhouden van contacten met de Europese Commissie. Als er naar het oordeel van de steunverlenende overheid (mogelijk) sprake is van (meldingsplichtige) staatssteun, dan moet die in beginsel door middel van een meldingsprocedure worden voorgelegd aan de Europese Commissie. De Commissie beoordeelt of er inderdaad sprake is van staatssteun, en zo ja, of en onder welke voorwaarden die is toegestaan. Meldingsprocedures van decentrale overheden worden gecoördineerd door mijn ministerie.
Voldoet het besluit in deze casus aan de Europese en nationale wetgeving ter voorkoming van ongeoorloofde staatssteun? Zo ja, kunt u dit nader toelichten? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat het moeilijk uit te leggen is aan inwoners van de gemeente Enschede dat de gemeente moet bezuinigen op het sociaal domein, maar wel geld geeft aan een commercieel bedrijf? Zo nee, waarom niet?
Het is niet aan mij om te oordelen over de inzet van middelen door de gemeente.
Zijn er werknemers van BVO FC Twente die een salaris hebben dat boven de norm uit de Wet Normering Topinkomens (WNT) ligt? Zo ja, hoeveel?
De regels van de WNT zijn niet van toepassing op FC Twente, aangezien FC Twente niet een gesubsidieerde instelling is in de zin van de WNT. Hierbij moet sprake zijn van minimaal 500.000 euro subsidie per jaar gedurende 3 jaren die hiermee minimaal 50% van de inkomsten van de organisatie uitmaakt.
Een oordeel hierover is dan ook niet aan mij.
Deelt u de mening dat overheden geen steun zouden moeten verlenen aan professionele sportclubs die werknemers in dienst hebben die meer verdienen dan de norm uit de WNT? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Hoe vaak is het voorgekomen dat gemeenten commerciële sportclubs hebben geholpen met het afwenden van een faillissement? Hoe vaak is er onderzoek ingesteld door de Europese Commissie over de vraag of er sprake was van ongeoorloofde staatssteun? Om welke sportorganisaties ging dit?
Ik beschik niet over gegevens met betrekking tot het aantal keer dat gemeenten commerciële sportclubs hebben geholpen met het afwenden van een faillissement. Het is mij evenmin bekend of andere gemeenten het voornemen hebben om financiële steun te verlenen of op dit moment steun verlenen aan professionele sportclubs. Pas als er sprake is van staatssteun die ter goedkeuring moet worden aangemeld bij de Europese Commissie, heeft mijn ministerie een rol.
De Europese Commissie heeft in de periode 2011–2016 onderzocht of Nederlandse gemeenten staatssteun hadden verleend aan een aantal betaald voetbalorganisaties. Het ging om Vitesse, PSV, Willem II, NEC, MVV Maastricht en FC Den Bosch. De Europese Commissie stelde vast dat aan Vitesse en PSV geen staatssteun was verleend. De steun aan Willem II, NEC, MVV Maastricht en FC Den Bosch is als zijnde herstructureringssteun door de Europese Commissie goedgekeurd.
Zijn er op dit moment andere gemeenten die financiële steun verlenen of van plan zijn te gaan verlenen aan professionele sportclubs? Zo ja, welke gemeenten en welke clubs zijn dit?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid om in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) tot een handreiking te komen hoe gemeenten om zouden moeten gaan met de financiële steun aan professionele sportclubs? Zo nee, waarom niet?
In het verleden is in samenwerking met het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de VNG, het IPO en de KNVB een «Nationaal referentiekader steun aan betaald voetbal» tot stand gekomen. Dit referentiekader biedt de decentrale overheden een leidraad in de besluitvorming rond het inzetten van publieke middelen voor financiële steun aan betaald voetbalorganisaties (BVO’s). Hoewel het referentiekader gericht is op BVO’s, is de tekst ook relevant voor andere vormen van professionele sport. Meer recent is de publicatie van de «Factsheet staatssteun aan BVO’s» van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Hierin is onder meer opgenomen wat gemeenten kunnen doen om financiële steun aan BVO’s in overeenstemming met de staatssteunregels te verlenen.
Via onderstaande links zijn genoemde documenten te raadplegen:
Regeldruk bij volkscultuur en het adviesrapport Vermindering regeldruk bij evenementen in Limburg |
|
Chantal Nijkerken-de Haan (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het adviesrapport Vermindering regeldruk bij evenementen in Limburg?1
Ja.
Deelt u de mening dat de regeldruk op zowel gemeentelijk, provinciaal als landelijk niveau dergelijke volkscultuur onder druk zet en zelfs het voortbestaan kan bedreigen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik herken dat organisatoren van evenementen, festivals en optochten die in de volkscultuur en het immaterieel erfgoed plaatsvinden de afgelopen jaren in toenemende mate te maken hebben met de druk van regelgeving. Dat blijkt onder andere uit de inventarisatie die het Kenniscentrum Immaterieel Erfgoed Nederland (KIEN) in 2018 onder immaterieel erfgoedgemeenschappen heeft uitgevoerd naar de knelpunten en regeldruk bij het beoefenen van immaterieel erfgoed. Volgens deze inventarisatie hebben zij te maken met extra maatregelen, regels en kosten bij crowd management, veiligheidsplannen en vergunningaanvragen. Dat zet zware druk op desbetreffende gemeenschappen, aldus het KIEN.
Deze bevindingen komen overeen met de conclusies van het onderzoek van de provincie Limburg naar de regeldruk voor organisatoren van evenementen, waaronder carnavalsfestiviteiten en schuttersfeesten.
Deelt u de mening dat volkscultuur verbroedert, verbindt, inspireert en prikkelt en dat daarom zuinig met deze vormen van cultuur moet worden omgegaan? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met u eens dat volkscultuur en immaterieel erfgoed inspireren. Het samen beoefenen van immaterieel erfgoed verbindt mensen en geeft hen een gevoel van identiteit. Om het immaterieel erfgoed op eigentijdse wijze voor de toekomst te behouden en eigentijds te ontwikkelen voer ik in samenwerking met de andere overheden een actief beleid. In dat kader ondersteunt het rijksgesubsidieerde KIEN erfgoedgemeenschappen met informatie en kennis en voert het Fonds voor Cultuurparticipatie dit jaar en aankomende jaren een brede regeling «behoud en ontwikkeling immaterieel erfgoed» uit.
Herkent u de signalen van regeldruk op alle drie de overheidsniveaus die in dit rapport geschetst worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord onder 2.
Bent u bereid om met de opdrachtgever van dit onderzoek, de Provincie Limburg, te overleggen hoe deze knelpunten aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
Tijdens het VAO op 4 juli 2019 heb ik in antwoord op de motie van het lid Aartsen over knellende regelgeving voor verenigingen en organisaties op het gebied van volkscultuur en immaterieel erfgoed (Kamerstuk 32 820, nr. 307) toegezegd dat ik samen met de Staatssecretaris van BZK en in samenspraak met alle betrokkenen de knelpunten in kaart zal brengen en oplossingen zal verkennen om regeldruk te voorkomen bij volkscultuur en immaterieel erfgoed. Daartoe zal ik samen met het Ministerie van BZK een ronde tafel organiseren en de resultaten van het rapport van de provincie Limburg daarbij betrekken. Op basis van de uitkomsten van de ronde tafel zal een actieplan worden ontwikkeld dat aansluit bij het reeds gevoerde beleid, zoals het programma van BZK om knelpunten weg te nemen voor georganiseerde burgers en de trainingen die het KIEN dit jaar al organiseert om immaterieel erfgoedgemeenschappen te ondersteunen met informatie en kennis over regelgeving bij het organiseren van evenementen.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Zorgen over Buma State Leeuwarden nemen toe’ |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Zorgen over Buma State Leeuwarden nemen toe» met de bijbehorende foto’s en het onderliggende dossier bedreigd erfgoed?1
Ja.
Is het waar dat de voormalige boerderij Buma State op het perceel Lijnbaan 33 te Leeuwarden steeds verder in verval raakt?
Ja.
Is het waar dat het Van der Valk-concern in 2015 de betreffende bouwlocatie heeft aangekocht van de gemeente Leeuwarden, inclusief het archeologisch monument de terp Buma en het gemeentelijk monument Buma State?
Ja.
Is aan de koopovereenkomst destijds de voorwaarde verbonden, dat Van der Valk Buma State zou renoveren en ook de terp in stand zou houden en beheren?
Het betreft hier een gemeentelijk monument, waardoor het rijk geen betrokkenheid heeft in de advisering. De gemeente Leeuwarden laat mij weten dat er aan de koopovereenkomst inderdaad voorwaarden zijn verbonden die betrekking hebben op de renovatie en instandhouding van architectonische waarden van het gemeentelijke monument.
Met betrekking tot de terp, een terrein van hoge archeologische waarde (maar ook zonder rijksmonumentstatus) zijn geen bijzondere voorwaarden opgenomen in de overeenkomst.
Is het waar, dat Van der Valk in het voorjaar van 2017 een aanvraag voor sloop en herbouw van het achterhuis van de boerderij heeft ingediend bij de gemeente Leeuwarden? Zo ja, waarom heeft de gemeente Leeuwarden op die aanvraag nog steeds niet beslist?
Zoals ik hierboven reeds vermeldde, heeft het rijk in deze procedure geen betrokkenheid, aangezien het een gemeentelijk monument betreft. De gemeente Leeuwarden heeft mij over de gang van zaken als volgt geïnformeerd:
Op 23 mei 2017 heeft Van der Valk een eerste aanvraag voor verbouw, gedeeltelijke sloop en herbouw, en restauratie van de boerderij ingediend. Deze aanvraag is weer ingetrokken, op 24 november 2017, nadat Hûs en Hiem, Welstandsadvisering en Monumentenzorg in Friesland, een negatief advies had uitgebracht. Op 25 juli 2018 is een nieuwe aanvraag bij de gemeente binnengekomen. Op 31 augustus 2018 zijn ontbrekende gegevens opgevraagd. Deze gegevens hadden bovenal te maken met de Wet Natuurbescherming. Op grond van die wet is een gemeente verplicht een quick scan en een eventueel vervolgonderzoek te vragen naar (mogelijk) aanwezige flora en fauna. Op 8 april 2019 heeft de aanvrager de stukken compleet kunnen maken. Ook heeft de gemeente de benodigde provinciale verklaring van geen bedenkingen onlangs ontvangen. De gemeente legt de ontwerpvergunning binnenkort ter visie.
De gemeente kan alleen rechtsgeldig een besluit nemen op basis van een volledige aanvraag en nadat de wettelijk voorgeschreven procedure is gevolgd.
Deelt u de mening, dat het onwenselijk is dat vertraging in de vergunningverlening ertoe leidt dat monumenten verder in verval raken?
Indien vertraging in de vergunningverlening leidt tot verval, is dat uiteraard onwenselijk.
Hoe verhoudt de wet- en regelgeving die betrekking heeft op monumentenzorg zich tot het vereiste van een ecologische toets voor een omgevingsvergunning?
De wetgeving voor een omgevingsvergunning regelt géén onderlinge voorrang. Er is geen rangorde tussen aspecten van monumentenzorg en aspecten van flora- en fauna.
Bent u bereid om in overleg met gemeenten en provincies te werken aan stroomlijning van het proces van vergunningverlening?
Stroomlijning is voorzien door invoering van de Omgevingswet (naar verwachting 2021 in werking). De Omgevingswet beoogt de regels voor ruimtelijke ontwikkeling te vereenvoudigen en samen te voegen onder het motto «eenvoudiger beter». De relevante passages uit de Erfgoedwet zijn in deze wet geïntegreerd.
Daarnaast is het mogelijk om ook binnen het kader van bestaande wetgeving te komen tot stroomlijning van procedures. Ik heb begrepen dat er vanuit de Vereniging Friese Gemeenten het initiatief is genomen om bestuurlijk met de provincie Fryslân in gesprek te gaan over de gevolgen van de Wet Natuurbescherming. De inzet is om een meer praktische en minder tijdrovende werkwijze mogelijk te maken.
De algemene ledenvergadering van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen en het manifest ‘Versterk vrijwilligerswerk’ |
|
Hanke Bruins Slot (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het manifest «Versterk vrijwilligerswerk» van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen?1
Ja.
Ondersteunt u de doelstelling van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen om de band tussen de Nederlandse samenleving en het Oranjehuis te versterken?
Ja, wij zijn van mening dat de activiteiten die Oranjeverenigingen organiseren een positieve bijdrage leveren aan verbinding en verbroedering in de samenleving. We waarderen het waardevolle werk dat de vrijwilligers van Oranjeverenigingen verrichten om deze activiteiten tot een succes te maken.
Deelt u de mening dat Oranjeverenigingen met bijvoorbeeld de viering van Koningsdag en de herdenking op 4 mei en de viering van 5 mei bijdragen aan de verbinding en de verbroedering in de samenleving?
Zie antwoord vraag 2.
Herkent u de zorgen van de voorzitter van de landelijke Oranjebond over de toegenomen regeldruk die de organisatie van de activiteiten van de Oranjeverenigingen onder druk zet?2
Vrijwilligersorganisaties, zoals Oranjeverenigingen, kunnen te maken krijgen met wetten en regels die belemmerend werken. Dit heeft onder andere te maken met (nieuwe) regelgeving ten aanzien van veiligheid, privacy en aansprakelijkheid.
Het kabinet heeft diverse maatregelen genomen die het eenvoudiger maken om vrijwilligers te vinden en te binden, zoals de nieuwe regeling WW en vrijwilligers-werk, de regeling Gratis VOG voor vrijwilligers en de ophoging van de maximaal onbelaste vrijwilligersvergoeding per 1 januari 2019. Het kabinet onderzoekt daarnaast andere mogelijkheden om de regeldruk bij het organiseren van evenementen verder te verminderen.3
Wat vindt u van de vijf punten uit het manifest «Versterk vrijwilligerswerk» van de Koninklijke Bond van Oranjeverenigingen? Zou u apart op elk van de vijf punten willen reageren?
Heeft u al samen met gemeenten een schrapsessie met vrijwilligers georganiseerd?3 Welke resultaten heeft dit opgeleverd? En welke acties heeft u, de VNG dan wel de gemeenten genomen om de regeldruk voor vrijwilligers te verminderen en hen meer erkenning en waardering te geven?
Begin dit jaar zijn de leden van het wet- en regelgeving expertnetwerk vrijwilligerswerk, dat is ingericht door de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV), gevraagd om een overzicht te geven van urgente knelpunten en belemmeringen die hun oorsprong vinden in landelijke wet- en regelgeving. Hier zijn geen urgente knelpunten en belemmeringen uit naar voren gekomen. Dit voorjaar wordt met de NOV besproken op welke wijze verder invulling gegeven kan worden aan de in het Regeerakkoord aangekondigde schrapsessies. In ieder geval zal tijdens de nog te organiseren regionale bijeenkomsten vrijwilligerswerkbeleid, die onderdeel zijn van het programma Langer Thuis, aandacht zijn voor belemmeringen die vrijwilligers en vrijwilligersorganisaties ervaren.
Bij de beantwoording op de vragen 4 en 5.3 hebben we aangegeven welke acties het kabinet en de VNG onder andere in gang hebben gezet om de regeldruk voor vrijwilligers te verminderen en hen meer erkenning en waardering te geven.
Op welke wijze heeft u de aanbevelingen van het toenmalige Actal over het verminderen van regeldruk bij evenementen aan de VNG voorgelegd, zoals u eerder aan de Tweede Kamer heeft toegezegd?4 Tot welke resultaten heeft dit geleid op het gebied van: Wilt u per punt een overzicht geven van de genomen acties/maatregelen?
De meer algemene aanbevelingen van Actal zijn nader geconcretiseerd in het rapport Vermindering regeldruk evenementen.Dit rapport bevat praktische handvatten voor gemeenten en zal in nader overleg met provincies en gemeenten worden gebruikt om de regeldruk bij het organiseren van evenementen verder te verminderen.7
Bent u bereid om vanuit uw ministeries samen met de VNG een gezamenlijk actieplan tegen onnodige bureaucratie bij evenementen op te stellen?
Zie het antwoord op vraag 5.5
Kunt u deze schriftelijke vragen voor Koningsdag 2019 beantwoorden?
Nee. Omdat voor het beantwoorden van de vragen afstemming nodig was met verschillende departementen en de VNG is dit niet gelukt.
De uitzending van Tegenlicht omtrent Ruimtepuinruimer |
|
Jessica van Eijs (D66) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Tegenlicht uitzending van zondag 31 maart 2019 betreffende Ruimtepuinruimers?1
Ja.
Deelt u de mening dat ruimtepuin een groot gevaar vormt voor de ruimtevaartsector en voor de gehele mensheid, aangezien het effect kan hebben op het genereren van dataverkeer door satellieten?
De moderne samenleving is in belangrijke mate afhankelijk van infrastructuur in de ruimte. Ruimtepuin kan schade veroorzaken aan satellieten en andere infrastructuur in de ruimte en vormt als zodanig een risico voor het ongestoord functioneren van bepaalde sectoren en diensten welke deels of geheel afhankelijk zijn van deze ruimte infrastructuur.
Klopt het dat er op dit moment geen internationale wetgeving is die stelt dat ruimtepuin opgeruimd of voorkomen moet worden?
Geen van de vijf VN Ruimteverdragen verplicht tot het voorkomen of opruimen van ruimtepuin. Wel zijn er in de context van het VN Comité voor het Vreedzaam Gebruik van de Ruimte richtlijnen ontwikkeld over het verminderen van ruimtepuin. Deze richtlijnen zijn niet juridisch bindend. Ook de Europese Ruimtevaartorganisatie ESA kent standaarden en richtlijnen inzake het minimaliseren van ruimtepuin voor haar eigen activiteiten. Nederland onderschrijft het belang van de binnen de VN ontwikkelde richtlijnen, en heeft het verminderen en voorkomen van ruimtepuin als een van zijn prioriteiten aangemerkt in zijn inzet bij de bijeenkomsten van het VN Comité voor het Vreedzaam Gebruik van de Ruimte. Er is op dit moment onder VN lidstaten geen consensus over het entameren van onderhandelingen over een juridisch bindend instrument over het verminderen van ruimtepuin.
Klopt het dat de hoeveelheid satellieten die voor commerciële doeleinden gelanceerd wordt de afgelopen jaren snel gestegen is, waardoor ook de hoeveelheid ruimtepuin drastisch is toegenomen?
De huidige hoeveelheid ruimtepuin betreft de erfenis van ruim 50 jaar ruimtevaart. De recente stijging van het aantal lanceringen van satellieten heeft nagenoeg geen invloed op deze hoeveelheid ruimtepuin. Volgens de Index of Objects Launched into Outer Space, beheerd door United Nations Office for Outer Space Affairs (UNOOSA) zijn er in de jaren 2013 tot en met 2016 ruim 200 satellieten per jaar gelanceerd. Dit aantal is, vooral door de ontwikkeling van kleine satellieten, vanaf 2017 snel gestegen. In 2017 en 2018 zijn er respectievelijk 453 en 382 kleine satellieten gelanceerd.
Hoe verhoudt het Ruimteverdrag van de Verenigde Naties (VN) zich tot het internationale zeeverdrag en kunnen individuele landen die het VN-Ruimteverdrag hebben geratificeerd of ondertekend eigen regels opstellen over de exploitatie van de ruimte, zowel in de vorm van grondstofwinning, het claimen van grond en het gebruik van satellieten?
Het Verdrag uit 1967 inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, bevat regels over het gebruik van de kosmische ruimte, terwijl het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 1982 regels bevat over het gebruik van zeegebieden. Het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee maakt een onderscheid tussen gebieden buiten de nationale rechtsmacht van staten en gebieden die binnen de nationale rechtsmacht van staten vallen, waarbij een verschil gemaakt wordt tussen deze gebieden met betrekking tot de rechten en aanspraken van staten. Op grond van het Verdrag uit 1967 inzake de beginselen waaraan de activiteiten van Staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte vormt de gehele ruimte een gebied buiten de nationale rechtsmacht van staten. Met betrekking tot soevereiniteitsaanspraken in gebieden buiten de nationale rechtsmacht van staten bevatten beide verdragen dezelfde bepalingen. Partijen bij deze verdragen dienen hun verplichtingen te respecteren en nationale regels dienen in overeenstemming te zijn met die verplichtingen. Op grond van het verdrag van 1967 is de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, niet vatbaar voor toeëigening door staten door middel van soevereiniteitsaanspraken, gebruik of bezetting, of op enige andere wijze (artikel II), maar dit sluit de winning van grondstoffen en het gebruik van satellieten niet uit.
Wat is uw appreciatie over de wetgeving die Luxemburg heeft aangenomen om commerciële exploitatie van de ruimte mogelijk te maken?
De wetgeving van Luxemburg schrijft expliciet voor dat haar uitvoering in overeenstemming moet zijn met internationaal recht. Op grond hiervan mag aangenomen worden dat de uitvoering van deze wetgeving niet in strijd zal zijn met de verplichtingen onder internationaal recht die Luxemburg is aangegaan, met inbegrip van het Verdrag van 1967 inzake de beginselen waaraan de activiteiten van staten zijn onderworpen bij het onderzoek en gebruik van de kosmische ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen.
Klopt het dat een gelanceerd object in de ruimte, zoals een satelliet, eigendom blijft van de staat die het object gelanceerd heeft of het betreffende bedrijf, ook als het ruimtepuin is geworden? Zo ja, deelt u de mening dat de staat die het object heeft gelanceerd of het betreffende bedrijf verantwoordelijk is voor het opruimen van het puin? Zo nee, wie er dan verantwoordelijk?
In de VN Ruimteverdragen is het eigendom van een ruimteobject losgekoppeld van de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor de activiteiten van het ruimteobject. De VN Ruimteverdragen regelen de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van staten voor nationale ruimteactiviteiten, ook wanneer deze uitgevoerd worden door niet-statelijke entiteiten. Gedurende de operationele levensduur van de satelliet is het bedrijf dat de satelliet heeft doen lanceren de eigenaar van de satelliet, tenzij het eigendom wordt overgedragen. De lanceerstaat is op grond van de VN Ruimteverdragen in absolute zin aansprakelijk in geval van schade toegebracht op aarde of aan een luchtvaartuig in vlucht. Indien de schade toegebracht wordt in de ruimte dan is de lanceerstaat slechts aansprakelijk voor de satelliet indien de schade te wijten is aan zijn schuld of aan de schuld van personen voor wie hij verantwoordelijk is. Lanceerstaten moeten gelanceerde ruimteobjecten registreren bij de secretaris-generaal van de VN in een register met basisinformatie over het ruimteobject, de locatie ervan en het register bijwerken als het ruimteobject zich niet meer in een baan om de aarde bevindt of niet meer functioneel is.
De VN Ruimteverdragen gaan niet expliciet in op het probleem van de beperking van ruimtepuin. Niettemin kunnen lidstaten op basis van nationale ruimtevaartwetgeving en internationale richtlijnen voor het beperken van ruimtepuin er wel voor zorgen dat ruimteobjecten na de missie worden verwijderd (zie antwoord vraag 3).
In Nederland is het op basis van de Wet ruimtevaartactiviteiten verboden om zonder een daartoe verleende vergunning ruimtevaartactiviteiten te verrichten. De vergunning wordt verleend voor de duur van de betreffende ruimtevaartactiviteit. Ter bescherming van het milieu in de kosmische ruimte, dient de vergunninghouder voor zijn ruimteobjecten in de lage aardbaan (de baan om de aarde tot 2.000 kilometer boven het aardoppervlak) er voor te zorgen dat het ruimteobject geen schade veroorzaakt of kan veroorzaken aan het milieu in de ruimte en uiterlijk 25 jaar na de lancering volledig verbrandt in de dampkring.
Herinnert u zich dat u in het verslag van het schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda voor de Raad voor Concurrentievermogen op 29 en 30 november 2018 (Kamerstuk 21 501-30, nr. 445) hebt gesteld dat het huidige VN-Ruimteverdrag niet voorziet in een opruimplicht voor ruimtepuin? Maar wat staat er in dit VN-verdrag over het voorkomen van ruimtepuin? Deelt u de mening dat internationale verdragen over het voorkomen van ruimtepuin zeer belangrijk zijn in dit licht?
Ja, dat kan ik mij herinneren. Zie verder het antwoord op vraag 3.
Wat is de Nederlandse inzet tijdens de doorontwikkeling van het juridische regime voor ruimtevaartactiviteiten van de «Space2030»-agenda van de VN?
De «Space 2030»-agenda van de VN voorziet op dit moment niet in de doorontwikkeling van specifieke juridische regimes voor ruimtevaartactiviteiten. Deze agenda voorziet voornamelijk in de versterking van bestaande regimes, en het bepalen van de prioriteiten van het VN Comité voor het Vreedzaam Gebruik van de Ruimte. De Nederlandse inzet ziet toe op het ondersteunen van de ratificatie en naleving van de bestaande vijf VN Ruimteverdragen, het vergroten van de efficiëntie van de werkwijze van het VN Comité voor het Vreedzaam Gebruik van de Ruimte, en het benadrukken van het duurzaam gebruik van de ruimte. Hieronder valt ook de aandacht voor het verminderen van ruimtepuin en het ontwikkelen van beleid ten aanzien van het reguleren van ruimteverkeer.
Gaat Nederland een appreciatie vormen over het nieuwe juridische regime voor ruimtevaartactiviteiten? Zo ja, wanneer kan de Kamer een voorstel inzien?
Er is momenteel geen nieuw juridisch regime voorzien voor ruimtevaartactiviteiten. Zie het antwoord op vraag 9.
Deelt u de mening dat de Nederlandse inzet tijdens deze programmaontwikkelingen het voorkomen van ruimtepuin mee moet nemen als prioriteit?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat de VN zo snel als mogelijk regels moet opstellen over de exploitatie van de ruimte en ruimtepuin om te voorkomen dat in de toekomst de aarde nog meer dan nu omringt is door puin?
Ja, die mening deel ik, waarbij ik aanteken dat bij het opstellen van die regels voldoende rekening gehouden moet worden met technologische ontwikkelingen en het feit dat exploitatie van natuurlijke hulpbronnen in de ruimte nu nog niet mogelijk is. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Zijn er op dit moment voldoende middelen voor de Nederlandse ruimtevaartsector vrijgemaakt voor het voorkomen en opruimen van ruimtepuin en om de satellieten, waar Nederland in heeft geïnvesteerd, veilig te stellen?
De Nederlandse activiteiten en bijdrage op dit gebied zijn ingebed in een internationaal kader. Zo heeft Nederland in 2016 ingeschreven op het Space Situational Awareness programma van het Europese Ruimtevaart Agentschap (ESA). Binnen dit programma is er onder meer aandacht voor het in kaart brengen, het voorkomen en het opruimen van ruimtepuin. Over de Nederlandse budgettaire inzet voor 2020 en verder kom ik rond de zomer terug in de Nota Ruimtevaartbeleid 2019. Overigens zal de Europese Unie in het nieuwe Ruimtevaartprogramma het programma Space Surveillance and Tracking starten om de bestaande activiteiten in de EU te bundelen en gezamenlijk nieuwe kansen op te pakken. Hieronder valt ook het voorkomen en verwijderen van ruimtepuin en het verminderen van hiermee verbonden risico’s.
Het bericht dat kleine gemeenten met erfgoed hulp nodig hebben |
|
Peter Kwint (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het advies van de Raad voor Cultuur dat kleine gemeenten meer hulp en mogelijkheden moeten krijgen om hun erfgoed te kunnen beschermen?1
Ja.
Deelt u de mening dat het beschermen van cultureel erfgoed ook juist in kleinere gemeenten van belang is? Zo nee, waarom niet?
Ik ben met de Raad voor Cultuur (hierna de raad) van mening dat een goede erfgoedzorg in iedere gemeente, ongeacht de grootte, van belang is en dat hiervoor genoeg kennis, kunde en capaciteit beschikbaar moet zijn. De raad spoort in zijn advies gemeenten aan om ervoor te zorgen dat zij voldoende kennis in huis hebben.
Deelt u de mening van de Raad voor Cultuur dat het voor kleinere gemeenten makkelijker moet worden om dit erfgoed te kunnen beschermen? Zo nee, waarom niet?
De raad geeft in zijn advies aan dat het belangrijk is dat met name kleinere gemeenten door het Rijk en provincies worden ondersteund bij de omgang met erfgoed en het opstellen van omgevingsvisies. Ik onderschrijf het belang van ondersteuning van gemeenten en draag hier op verschillende manieren aan bij. Ik ondersteun de Erfgoedacademie die cursussen verzorgt voor onder meer gemeenteambtenaren over diverse aspecten van de erfgoedzorg en draag met provincies bij aan het netwerk van steunpunten cultureel erfgoed. Daarnaast adviseert de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed gemeenten bij transformaties van monumenten en helpt hen bij hun erfgoedzorgtaken door middel van kennisproducten zoals (verwachtings)kaarten, kennisplatforms en handreikingen. Samen met de provinciale steunpunten cultureel erfgoed worden bijeenkomsten georganiseerd om gemeenten te ondersteunen bij het opstellen van omgevingsvisies.
Wanneer komt u met een voorstel om kleinere gemeenten meer geld en mogelijkheden te geven om hun culturele erfgoed te kunnen beschermen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om te overleggen met de Minister van Binnenlandse Zaken en/of de provincies hoe de rol van provincies vorm kan krijgen, bijvoorbeeld bij de omgevingswet, om deze gemeenten te kunnen ondersteunen? Zo nee, waarom niet?
Ik werk reeds nauw samen met provincies, gemeenten en het Ministerie van Binnenlandse zaken. Zij zijn ook partners in de Erfgoeddeal, waarbinnen afspraken gemaakt worden over het benutten van erfgoed bij grote ruimtelijke opgaven. Met provincies en de provinciale steunpunten voer ik structureel overleg, waarin ook de ondersteuning van gemeenten bij het opstellen van Omgevingsvisies regelmatig aan de orde komt.
Specifiek ten aanzien van de Omgevingswet maak ik gebruik van een expertgroep, waarin naast veldpartijen ook de provincies vertegenwoordigd zijn.
Ik kom op het verzoek van uw Kamer met een schriftelijke reactie op het advies van de Raad voor Cultuur, waarin ik nader in zal gaan op de wijze waarop ik gemeenten ondersteun. Dit advies zal ik in mei aan uw Kamer sturen.
Betere richtlijnen voor een lager maatschappelijk OZB-tarief voor bij voorbeeld sportverenigingen en buurthuizen |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «VNG: betere richtlijnen voor maatschappelijk OZB-tarief»?1
Ja, het bericht is mij bekend.
Is het Ministerie van Financiën of het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ingegaan op het verzoek van de VNG tot overleg? Zo ja, kunt u aangeven wat de uitkomsten van dit overleg geweest zijn?
Met de VNG ben ik in overleg over deze bepaling waarmee een lager ozb-tarief ingesteld kan worden voor sportaccommodaties, dorpshuizen en andere instellingen met een maatschappelijk belang. De VNG zal allereerst de knelpunten die gemeenten ervaren inventariseren, aan de hand waarvan we nader in gesprek zullen gaan.
Bent u bekend met de volgende passage uit het Regeerakkoord: «Samen met de sportsector en gemeenten willen we de sport in Nederland financieel en organisatorisch versterken»?
Ja, in de zomer van 2018 heeft mijn collega, de Minister voor Medische Zorg en Sport met de sector het Sportakkoord, afgesloten. In dit akkoord zijn alle uitdagingen van de sportsector voor de komende jaren geformuleerd. Mijn collega is met NOC*NSF en de VSG aan het kijken waar inzet nodig is op het financieel en organisatorisch versterken van de sportsector.
Kunt u bevestigen dat het amendement-Omtzigt c.s. (Kamerstuk 35 026, nr. 52) gemeenten in staat stelt om hetzelfde te doen, namelijk sport, maar ook andere maatschappelijke organisaties financieel te versterken?
Gemeenten hebben meerdere mogelijkheden om sportverenigingen en andere maatschappelijke organisaties te ondersteunen. De toepassing van het lagere ozb-tarief is één van deze mogelijkheden. In het artikel geeft de VNG aan te twijfelen of de toepassing van het lagere ozb-tarief wel het juiste middel is ter ondersteuning, gelet op de uitvoerbaarheid en mogelijke rechtsongelijkheid die door de maatregel ontstaat. Te meer er ook andere mogelijkheden beschikbaar zijn zoals het verstrekken van een subsidie.
Deelt u de mening dat sportverenigingen, dorpshuizen en andere maatschappelijke organisaties (SBBI’s) en goede doelen (ANBI’s) geen bedrijven zijn en dat het rechtvaardig is als gemeenten de vrijheid hebben om deze organisaties anders te belasten dan commerciële bedrijven?
In de onroerendezaakbelasting wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën woningen en niet-woningen. Belastingheffing vindt derhalve plaats naar gelang het object en niet het subject. De invoering van het lagere ozb-tarief voor sportverenigingen e.a. sluit niet aan bij het objectieve karakter van deze heffing. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 2 brengt de VNG de hierdoor ontstane knelpunten in kaart.
Bent u bereid om met de VNG mee te denken om de mogelijkheden voor een lager OZB-tarief voor maatschappelijke organisaties te verwerken in de modelverordening, zodat gemeenten geholpen zijn bij de afweging en de juridische gevolgen van een lager OZB-tarief voor sportverenigingen, dorpshuizen, SBBI’s en ANBI’s?
Tijdens de gesprekken met de VNG zal worden bezien waar de knelpunten zich bevinden en welke oplossingen daarvoor mogelijk en wenselijk zijn.
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Ja.
Het bericht dat de beloning van Van Nieuwkerk binnen de regels is en geen schijnconstructie |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat volgens het NPO-onderzoek BNN-VARA en presentator Van Nieuwkerk voldoen aan de interne regels bij de publieke omroep ten aanzien van de beloning en WNT-normen?1
Ja.
Deelt u de interpretatie dat in dit onderzoek niet is gekeken naar eventuele constructies via buitenproducent MediaLane?
Uit de brief die ik op 27 maart 2019 van de NPO ontving, maak ik op dat de NPO ook heeft gekeken naar de afspraken tussen BNNVARA en de producent inzake de inzet van de betrokkene als presentator en anderszins, zoals met betrekking tot programmaontwikkeling. Ik heb, mede naar aanleiding van deze vragen, nogmaals expliciet bij de NPO, BNNVARA en NTR op dit punt geïnformeerd en van deze zijden is bevestigd dat uit het onderzoek niet is gebleken dat er sprake zou zijn van enige constructie.
Wat is de reden dat de NTR het programma College Tour ineens extern laat produceren?
Volgens de NTR en BNNVARA is de keuze een productie wel of niet uit te besteden een inhoudelijke, bedrijfsmatige keuze geweest. Dat College Tour voorheen intern geproduceerd werd had mede te maken met het feit dat de presentator van weleer in dienst was bij NTR en medebedenker van het format was. Met het vertrek van deze presentator naar RTL heeft NTR opnieuw een afweging gemaakt over de vorm waarin het programma geproduceerd gaat worden.
Hoe beoordeelt u het feit dat de NTR heeft besloten om het programma College Tour voor het eerst in 11 jaar niet meer zelf te produceren maar productie uit te besteden aan een buitenproducent?
Zie het antwoord op vraag 3. Omroepen zijn zelf verantwoordelijk voor vorm en inhoud van media-aanbod en de wijze van productie. De Mediawet 2008 bevat ook een verplichting een bepaald percentage uit te besteden aan buitenproducenten.
Bent u bereid de NPO op te dragen openheid te geven over de kosten die gemaakt worden voor het produceren van het programma College Tour, nu en in voorgaande jaren? Zo ja, wanneer kan de Kamer overzicht verwachten? Zo nee, waarom niet?
Opgave van de kosten per programma heeft geen toegevoegde waarde voor de openheid over salarissen. Daarover dienen de omroepen immers volgens de regels van de WNT en de afspraken met de NPO in het kader van het BPPO te rapporteren. Met uw Kamer is afgesproken dat over de programmakosten op genreniveau zal worden gerapporteerd.
Deelt u de mening dat geheimzinnigheid over de kosten van programma’s niet bijdraagt aan het draagvlak voor – en vertrouwen in de publieke omroep?
Zie antwoord vraag 5.
Zijn de kosten voor het produceren van het programma College Tour door het uitbesteden van de productie aan buitenproducent MediaLane significant gestegen? Zo ja, kunt u aangeven wat hiervan de reden is?
Volgens de NTR en BNNVARA wijken de kosten van het produceren van het programma College Tour niet significant af van de voor dergelijke producties gebruikelijke bedragen.
De NTR en BNNVARA hebben aangegeven dat er vergeleken met de eerdere kosten bij interne productie wel een beperkte verhoging van kosten optreedt. Dit valt volgens hen te verklaren uit het gegeven dat er door de producent een marktconforme productie-fee wordt gevraagd.
Deelt u de mening dat wanneer de kosten van het programma College Tour flink zijn gestegen door het plotseling uitbesteden van de productie aan MediaLane dat er sprake is van een constructie die bedoeld is om de regels inzake WNT-beloning en Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO) te omzeilen? Zo ja, bent u bereid om maatregelen te nemen om een einde te maken aan deze constructie?
Zoals in het antwoord op vraag 7 is aangegeven zijn de productiekosten niet significant gestegen. Volgens het persbericht van de NPO d.d. 27 maart 2019 is er geen sprake van een salarisconstructie. Dat is in het kader van mijn verzoek tot nadere informatie en deze vragen nogmaals door de betrokken organisaties bevestigd en nader onderbouwd. Op grond van de aan mij verstrekte vertrouwelijke informatie deel ik deze conclusie.
Desgevraagd heeft men aangegeven dat de inbreng van BNNVARA, binnen het lopende contract met de presentator, bestaat uit redactionele input en het beschikbaar stellen van de desbetreffende presentator. Op basis van de door BNNVARA aan de NPO verstrekte informatie en geraadpleegde documenten heeft de NPO in haar onderzoek vastgesteld dat het honorarium van de presentator van College Tour rechtstreeks door BNNVARA vanuit verenigingsmiddelen aan hem wordt betaald binnen de daarvoor geldende afspraken zoals neergelegd in het Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep en het toepasselijke overgangsrecht.
Het houden van dolfijnen in gevangenschap |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Geen dolfijnen meer in ons land? Minister wil het houden van dolfijnen in gevangenschap niet langer toelaten» over de Belgische Minister van Dierenwelzijn die het houden van dolfijnen in gevangenschap op termijn wil verbieden?1
Dit bericht is mij bekend.
Wat vindt u van de beslissing van uw collega in België?
Ik heb deze beslissing alleen nog via de media vernomen. Ik kan me voorstellen dat dit bericht veel reactie los kan maken bij verschillende partijen. Het is mij niet bekend of dit daadwerkelijk leidt tot het verbieden van het houden van dolfijnen in gevangenschap.
Wat vindt u van zijn uitspraak dat «het houden in gevangenschap van dolfijnen geen enkel nut heeft, we laten ze kunstjes doen in ruil voor een paar dode vissen»?
Het houden van dolfijnen in gevangenschap is slechts toegestaan als het een educatieve functie heeft. Shows met dolfijnen worden in dat licht beoordeeld.
Uiteraard heeft de betreffende houder wel de verantwoordelijkheid om te zorgen dat de dolfijnen conform alle voorschriften van het Besluit houders van dieren gehouden worden, zoals bijvoorbeeld voorschriften ten aanzien van soorteigen gedragingen, behoeften van individuele dieren, de verzorging van dieren, etc.
Vindt u het nog te verdedigen om dolfijnen te houden in gevangenschap? Zo ja, hoe kan het dat u en uw Belgische collega tot tegengestelde conclusies komen over de aanvaardbaarheid van het houden van dolfijnen in gevangenschap?
Ieder in gevangenschap levend dier leeft onder meer beperkingen dan een dier dat in de vrije natuur leeft. Dat geldt zeker voor wilde dieren, waaronder dolfijnen. Daarom gelden voor houders van een dierentuinvergunning, zoals voor het Dolfinarium, een aantal specifieke voorschriften, ter bescherming van het dierenwelzijn. Zo moeten dierentuindieren op zodanige wijze worden gehouden dat het soorteigen gedrag van de dieren wordt gerespecteerd en zoveel mogelijk in stand wordt gehouden.
Wist u dat dolfijnen in het wild tussen de 60 en 160 kilometer per dag afleggen, snelheden bereiken van bijna 50 kilometer per uur en honderden meters diep duiken? Zo ja, hoe rechtvaardigt u het houden van dolfijnen in kleine bassins waar ze na een paar meter duiken hun neus stoten?2
Deze punten zijn mij bekend. Het is aan de houder om rekening te houden met de intrinsieke waarde van de dolfijnen en om te zorgen dat de dolfijnen gehouden worden zonder dat het dierenwelzijn in gevaar komt. Educatie van het publiek en conservatie staan centraal in regels die gelden voor dierentuinen en vormen daarmee de rechtvaardiging van het houden van dieren in gevangenschap.
Wist u dat wetenschappers hebben ontdekt dat dolfijnen in het wild een complex sociaal netwerk onderhouden, waarbij zij graag optrekken met sommige dieren en andere individuen liever vermijden? Zo ja, hoe rechtvaardigt u het gevangen houden van dolfijnen in groepen in kleine bassins?3
Zie antwoord vraag 5.
Wist u dat wetenschappers hebben ontdekt dat dolfijnen in het wild bijzonder en sociaal complex paringsgedrag vertonen, zoals het brengen van «cadeaus» aan vrouwelijke dolfijnen? Zo ja, hoe rechtvaardigt u het gevangen houden van mannelijke dolfijnen in een showbassin zonder vrouwelijke soortgenoten?4
Zie antwoord vraag 5.
Worden nieuwe wetenschappelijke inzichten meegewogen in de vergunningverlening voor het gevangen houden van dolfijnen? Zo ja, hoe kunt u, gezien de huidige wetenschappelijke inzichten over de intelligentie en behoeften van dolfijnen, nog rechtvaardigen dat het Dolfinarium een dierentuinvergunning heeft?
Bij de vergunningverlening en wijzigingen in de dierentuinvergunning weegt de visitatiecommissie hedendaagse wetenschappelijke inzichten mee. Het Dolfinarium in Harderwijk heeft in 2003 een dierentuinenvergunning voor onbepaalde tijd ontvangen. Bij bijvoorbeeld wijzigingen in het dierenbestand of de huisvesting dient dit gemeld te worden bij RVO.nl die vervolgens beoordeelt of de vergunning aangepast moet worden. De vergunning van het Dolfinarium is voor het laatst gewijzigd in 2006. Daarnaast is met het Dolfinarium in 2017 gesproken over het aanpassen van de huidige koepelshow met educatie als uitgangspunt en waarbij rekening wordt gehouden met het natuurlijke gedrag van de dolfijnen. Tot op heden is de show helaas op deze punten niet naar behoren aangepast. Ik zal met het Dolfinarium concrete afspraken maken over het aanpassen van de show. Ik zal de show en de educatieve activiteiten van het Dolfinarium laten toetsen in het kader van de geldende normen in het Besluit houders van dieren.
Bent u ervan op de hoogte dat het Dolfinarium in Harderwijk uit de Vereniging voor Dierentuinen gestapt is, omdat ze naar eigen zeggen vanwege miljoenenverliezen van de afgelopen vijf jaar meer in de richting van «een vrijetijdspark met een breder aanbod dan dat van een traditioneel dierenpark willen» en dat «gasten meer vermaakt willen worden»?5
Het is mij bekend dat het Dolfinarium per 1 januari 2019 het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Dierentuinen (NVD) heeft opgezegd. Dit vind ik een slechte zaak, want het betekent dat onderlinge collegiale controle wegvalt. Ik zal daarom het Dolfinarium extra controleren nu zij niet meer lid zijn van de NVD.
Bent u ook op de hoogte van het feit dat acceptatie voor het gevangen houden van dolfijnen en walvissen voor vermaak in het Westen al jaren aan het afnemen is? Zo ja, denkt u dat het inkomensverlies van het Dolfinarium daar iets mee te maken heeft? Zo nee, waarom niet?6
De manier waarop de maatschappij kijkt naar dieren in gevangenschap is altijd aan verandering onderhevig. Ik kan me voorstellen dat mensen de negatieve kant zien van het gevangen houden van dolfijnen. Of dit ook van invloed is op het inkomen van het Dolfinarium is mij niet bekend.
Hoe rechtvaardigt u dat het Dolfinarium nog altijd een dierentuinvergunning heeft, zelfs nu zij openlijk toegeven zich op vermaak te willen richten en uit de Vereniging voor Dierentuinen zijn gestapt?
Het Dolfinarium is te allen tijde gebonden aan de voorwaarden van de dierentuinvergunning en de wettelijke voorschriften voor het houden van dieren en daar zal ik het Dolfinarium ook aan houden. Dit verandert niet met het opzeggen van het lidmaatschap van de NVD. Dierentuinen zijn overigens niet verplicht om lid te zijn van de NVD.
Deelt u de zorgen dat ieder jaar weer meer zeezoogdieren uit het wild gevangen worden en verkocht of gefokt worden, om dolfinaria over de hele wereld van nieuwe dolfijnen te voorzien?7
Alle soorten dolfijnen staan op Bijlage A van de Europese Verordening die het Internationale CITES-verdrag implementeert. Dit houdt in dat het niet mogelijk is voor commerciële doeleinden uit het wild gevangen dolfijnen in de EU te importeren. Voor niet commerciële doeleinden is wildvang alleen onder zeer strikte voorwaarden mogelijk. Van deze mogelijkheid wordt in de EU nauwelijks gebruik gemaakt. De meeste dolfijnen die in de EU worden gehouden, zijn in gevangenschap geboren.
Deelt u de mening dat het feit dat Nederland het houden van dolfijnen in gevangenschap nog wél toestaat, bijdraagt aan publieke opinievorming dat het acceptabel zou zijn om dieren voor vermaak te houden en hoe rechtvaardigt u dat in het licht van de internationaal stijgende vraag naar dolfijnen uit het wild voor dolfinaria?
Ja, dat zou kunnen. Daarom vind ik het belangrijk dat het Dolfinarium zich aan de vergunningvoorwaarden en de wettelijke voorschriften voor het houden van dieren houdt, omdat op die manier het welzijn van dolfijnen zo goed mogelijk wordt beschermd en de educatie centraal staat.
Zie verder mijn antwoord op vraag 12 over dolfijnen in het wild.
Hoe vaak wordt getoetst of het Dolfinarium terecht een dierentuinvergunning heeft?
Toetsing geschiedt door de visitatiecommissie dierentuinen van het Ministerie van LNV. Tot op heden vindt een toetsing plaats bij een aanvraag voor een vergunning of wijziging van de vergunning. Als er geen aanvraag voor wijziging van de vergunning wordt ingediend, dan wordt de vergunning verder niet meer getoetst. Een dierentuinvergunning is voor onbepaalde tijd afgegeven.
Ziet u aanleiding om de dierentuinvergunning opnieuw te toetsen gezien de plannen van uw collega in België, de entertainment plannen van het Dolfinarium en de zorgwekkende ontwikkelingen met betrekking tot het uit het wild vangen van dolfijnen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer?
Zoals hierboven aangegeven is met het Dolfinarium gesproken over het omvormen van de huidige show tot een show die uitgaat van educatie en meer rekening houdt met het natuurlijke gedrag van de dolfijnen. Ik zal hierover concrete afspraken met het Dolfinarium maken en het educatieve programma en de show door de visitatiecommissie dierentuinen laten toetsen, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 8. Deze inspectie door de visitatiecommissie is thans in voorbereiding. De NVWA zal in het vierde kwartaal het Dolfinarium controleren in het kader van een algehele dierentuinencontrole. Het Dolfinarium verwerft overigens sinds lange tijd geen dolfijnen meer die in het wild gevangen zijn.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keren dat Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de afgelopen vijf jaar op controle geweest bij het Dolfinarium en kunt u aangeven of er bij deze controles overtredingen zijn aangetroffen? Indien overtredingen zijn aangetroffen, welke en welke (disciplinaire) maatregelen vloeiden daaruit voort?
De NVWA heeft in 2014 een inspectie uitgevoerd op de vergunningsvoorwaarden van de dierentuinvergunning. Dit was in orde. Daarnaast heeft de NVWA in 2014 en 2016 een inspectie uitgevoerd naar aanleiding van meldingen inzake het welzijn van de dieren. Bij beide inspecties zijn geen overtredingen ten aanzien van welzijn geconstateerd.
Bent u bereid om u aan te sluiten bij de lange rij landen waar dolfinaria al verboden zijn en net als uw collega in België, met een voorstel te komen dolfinaria in Nederland te verbieden? Zo nee, waarom niet?
Zoals in eerdere antwoorden aangegeven vind ik het belangrijk dat het Dolfinarium zich aan de vergunningsvoorwaarden en de wettelijke voorschriften voor het houden van dieren houdt, omdat op die manier het welzijn van dolfijnen zo goed mogelijk wordt beschermd en de educatie centraal staat. Ik zal het Dolfinarium hier aan houden.
Het bericht ‘Amerikaanse immigratiedienst bouwde database van journalisten’ |
|
Lisa Westerveld (GL), Bram van Ojik (GL) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Amerikaanse immigratiedienst bouwde database van journalisten»?1
Ja
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat activisten en journalisten die kritisch hebben bericht over het Amerikaanse immigratiebeleid of als journalist verslag hebben gedaan van protesten en critici op het Amerikaanse immigratiebeleid, door deze immigratiedienst geregistreerd worden in een (geheime) database?
De waarde van gedegen en kritische journalistiek is groot. De media is met haar onafhankelijke journalistiek een belangrijke tegenmacht voor de overheid en het bedrijfsleven en stelt burgers in staat een objectieve mening te vormen en deel te nemen aan het publieke debat. Zij moeten dat in vrijheid kunnen doen. Ik ben er trots op dat wij in Nederland een vrij en gezond persklimaat kennen.
Het is van bijzonder belang dat het werk dat Nederlandse journalisten doen waar dan ook ter wereld in veiligheid kan gebeuren. Daarom is de bescherming van journalisten ook onderdeel van het internationale mensenrechtenbeleid, waarover de Minister van Buitenlandse Zaken uw Kamer heeft geïnformeerd.2
Werkt de Nederlandse overheid op enige wijze mee aan deze database of databestanden en informatie-uitwisseling van de Amerikaanse immigratiedienst of vergelijkbare Amerikaanse instanties?
Het Amerikaanse Customs and Border Protection (CBP) heeft aangegeven de lijst te hebben samengesteld. Hierbij is niet samengewerkt met de Nederlandse overheid. Op de betreffende lijst staan voor zover bekend geen Nederlandse journalisten en er hebben zich geen Nederlandse journalisten bij het ministerie gemeld.
Bent u ervan op de hoogte dat verschillende Nederlandse journalisten en correspondenten in hun publicaties ruimte hebben gegeven aan kritische meningen ten aanzien van het Amerikaanse immigratiebeleid? Kunt u uitsluiten dat deze Nederlandse staatsburgers in deze database zijn opgenomen? Zo nee, bent u bereid hierover uitsluitsel te krijgen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u ervan op de hoogte dat verschillende niet-Nederlandse journalisten en correspondenten, welke via Nederland of andere landen binnen het Koninkrijk gereisd zijn, in hun publicaties ruimte hebben gegeven aan kritische meningen ten aanzien van het Amerikaanse immigratiebeleid? Kunt u uitsluiten dat gegevens over deze personen middels samenwerking en/of uitwisseling tussen de Nederlandse overheid en de Amerikaanse immigratiedienst in deze database of vergelijkbare bestanden zijn opgenomen? Zo nee, bent u bereid hierover helderheid te krijgen?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid uw ongenoegen jegens de Amerikaanse overheid te uiten over het bestaan van deze database?
Het ligt niet voor de hand dat Nederland zich in deze discussie mengt. Indien uit het verloop van de verdere interne discussie in de VS – inclusief het eventueel doorlopen van verschillende (juridische) stappen door betreffende journalisten – zou blijken dat de persvrijheid in de Verenigde Staten in het geding is, kan dit veranderen.
Het bericht ‘Bunker van nazikopstuk uit foute handen houden’ |
|
Lenny Geluk-Poortvliet (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Bunker van nazikopstuk uit foute handen houden»?1
Ja.
Hebt u kennisgenomen van de oproep van burgers, wetenschappers, herinneringscentra, belangenorganisaties en verenigingen om de verkoop van de voormalige commandobunker van Seyss-Inquart in Wassenaar tijdelijk stop te zetten?
Ja.
Herinnert u zich uw antwoord in het wetgevingsoverleg over de Cultuurbegroting op 19 november 2018, dat de bunker wordt verkocht, met als voorwaarde dat hij als rijksmonument in stand gehouden wordt, «met alle voorwaarden van dien»?
Ja.
Deelt u de mening dat aan de verkoop van de commandobunker van Seyss-Inquart specifieke eisen gesteld moeten worden gezien het karakter van herinneringserfgoed uit de Tweede Wereldoorlog? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke eisen worden in dit verband door het Rijksvastgoedbedrijf gesteld?
Ja, het object is aangewezen als Rijksmonument en valt daarmee onder de werking van de Erfgoedwet. Omwille van een efficiënt en zorgvuldig verkoopproces van objecten waarbij mogelijk sprake is van herbestemming, is contact met andere overheden van belang. Uitvloeisel van de nauwe samenwerking met de gemeente Wassenaar, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Rijksvastgoedbedrijf is een op te stellen Nota van Uitgangspunten. Een Nota van Uitgangspunten is een planologisch kader, waarin de randvoorwaarden voor een passende en optimale invulling zijn opgenomen en geeft potentiële kopers duidelijkheid omtrent de herbestemmingsmogelijkheden van het object. Als extra borging voor het selecteren van marktpartijen met voldoende kennis en ervaring conform de op te stellen Nota van Uitgangspunten, zal voor de verkoop een voorselectie gelden.
De bunker Seyss Inquart |
|
Thierry Aartsen (VVD), Jan Middendorp (VVD) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de mededeling dat het Rijksvastgoedbedrijf binnenkort de Nota van Uitgangspunten rondom de bunker Seyss Inquart bekend maakt?1
Ja, sinds maart 2016 zijn de gemeente Wassenaar, de gemeente Den Haag, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Rijksvastgoedbedrijf in gesprek over de herontwikkeling en verkoop van de Seyss-Inquart Bunker te Wassenaar. Het object maakt onderdeel uit van de Atlantic Wall, is aangewezen als Rijksmonument en valt onder de werking van de Erfgoedwet. Het doel van deze intensieve samenwerking is om tot een gezamenlijke Nota van Uitgangspunten te komen, waarin tevens de cultuurhistorische waarden geborgd zullen worden. Het proces van het opstellen van de Nota van Uitgangspunten met voormelde partijen duurt momenteel nog voort. Op dit moment is dan ook geen zicht op welke termijn de Nota van Uitgangspunten tot stand zal komen, met dien verstande dat de uiteindelijke feitelijke vaststelling en publicatie geschiedt door de gemeente Wassenaar.
Bent u zich ervan bewust dat door middel van deze nota de verkoop van de bunker definitief wordt gemaakt?
Een zorgvuldig verkoopproces staat voorop. Bij verkopen waar sprake is van een herbestemming, is contact met andere overheden altijd aan de orde. Uitgangspunten voor een nieuwe bestemming worden vastgelegd in een Nota van Uitgangspunten. Dit is een planologisch kader, waarin de randvoorwaarden voor een passende en optimale invulling zijn opgenomen en geeft potentiële kopers duidelijkheid omtrent de herbestemmingsmogelijkheden van het object. De publicatie van een Nota van Uitgangspunten maakt een verkoop niet definitief aangezien een nota van uitgangspunten een onderdeel is van een verkoopproces.
Deelt u de mening dat geen onomkeerbare stappen genomen moeten worden vanwege de precaire beladenheid van dit erfgoed en dat het beter is om te wachten op het beleidskader? Zo nee, waarom niet?
Ja, die mening deel ik, er worden geen onomkeerbare stappen gezet in het onderhavige verkoopproces, vóórdat de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) de toegezegde visie met actieplan voor het erfgoed van de Tweede Wereldoorlog heeft gepresenteerd (uiterlijk 1 oktober 2019).
Wat vindt u ervan dat niet eerst de samenhangende visie en actieplan wordt afgewacht, alvorens besloten wordt over verkoop en/of herbestemming van de bunker Seyss Inquart? Hoe verhoudt deze actie zich tot de motie-Beckerman c.s. (Kamerstuk 32 820, nr. 261)?
De Minister van OCW heeft toegezegd voor 1 oktober 2019 de gevraagde visie met actieplan aan de Kamer aan te bieden. Aangezien het thans ingezette verkoopproces juist tot doel heeft om recht te doen aan de cultuurhistorische waarden van de Seyss-Inquart bunker, is er geen noodzaak om het verkoopproces op te schorten. Dit is ook niet de strekking van de motie Beckerman.
Bent u voornemens alsnog uitvoering te geven aan de bovengenoemde motie-Beckerman c.s., en de herbestemming en/of verkoop van de bunker te staken tot de samenhangende visie en actieplan bekend zijn gemaakt en vóórdat over wordt gegaan tot herbestemming en verkoop van de Seyss-Inquart bunker? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik ben voornemens om uitvoering te geven aan deze motie. De beladenheid van dit als rijksmonument aangewezen erfgoed en de cultuurhistorische waarde, zijn bekend. Het is van belang om de Seyss-Inquart bunker een toekomst te geven die passend is bij deze waarden. In overleg met betrokken gemeenten en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed is de vervreemdingsprocedure juist met dat oogmerk vormgegeven. Aangezien de motie Beckerman (Kamerstuk 32 820, nr. 267) niet strekt tot staking van het verkoopproces en de monumentale waarden zowel in de verkoopvoorbereiding, de uitvoering en de handhaving zorgvuldig geborgd zullen worden, wordt het verkoopproces gecontinueerd, maar worden er tot uiterlijk 1 oktober 2019 geen onomkeerbare stappen gezet.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, zie de hiervoor gegeven antwoorden.
Het bericht ‘Apple presenteert eigen streamingdienst Apple TV+ voor tv-series en films’ (Tweakers) |
|
Lisa Westerveld (GL) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat multinational Apple Inc. dit najaar een streamingdienst gaat lanceren in meer dan honderd landen?1
Ja.
Is er contact geweest over de plannen voor deze nieuwe streamingdienst tussen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) en Apple Inc.?
Nee.
Aan welke Nederlandse mediawetgeving moet de nieuwe streamingdienst van Apple Inc. voldoen om zijn activiteiten ook in Nederland te kunnen ontplooien?
Op grond van het land-van-oorsprong-beginsel in de Audiovisuele Mediadiensten-richtlijn (AVMDR) moet een bedrijf dat een audiovisuele mediadienst aanbiedt zich houden aan de mediawetgeving in het land van vestiging; in het geval van Apple is dat Ierland. Het bedrijf hoeft daarnaast niet ook nog te voldoen aan mediawetgeving in andere EU-lidstaten waar het ook audiovisuele mediadiensten aanbiedt. Een uitzondering hierop is als een lidstaat ervoor kiest om een financiële bijdrage aan Europese producties op te leggen aan aanbieders van mediadiensten over de grens. In de herziene richtlijn is namelijk een mogelijkheid opgenomen voor het geval een lidstaat aanbieders van mediadiensten die in zijn lidstaat zijn gevestigd verplicht om een financiële bijdrage te leveren aan het maken van Europese producties, bijvoorbeeld in de vorm van een directe investering in content (investeringsverplichting) of een bijdrage aan een nationaal fonds (heffing). In dat geval mag de lidstaat een dergelijke financiële bijdrage ook verlangen van aanbieders van mediadiensten die niet in zijn lidstaat zijn gevestigd maar die zich wel tot publiek op zijn grondgebied richten.
Bent u ervan op de hoogte dat Apple honderden miljarden euro's omzet genereert per jaar, beschikt over ruim 200 miljard euro aan financiële reserves en in slechts drie jaar tijd wereldwijd 20 procent aan marktaandeel heeft verworven met het streamen van muziek via Apple Music? Wat voor impact heeft de veronderstelde lancering van videostreamingdienst Apple TV+ op de Nederlandse televisie- en filmindustrie, naar uw verwachting?
Ik heb die cijfers ook gelezen in de media.
Er is op dit moment nog niet veel te zeggen over de impact van een mogelijke lancering van een videostreamingsdienst van Apple TV+ op de Nederlandse televisie- en filmindustrie.
Op basis van de herziene AVMDR dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat onder hun bevoegdheid vallende aanbieders van audiovisuele mediadiensten op aanvraag ten minste 30 % aan Europese producties opnemen in hun catalogi (quota) en dat die producties onder de aandacht gebracht worden (prominence). Deze verplichting biedt die aanbieders van een audiovisuele mediadienst een kans om op zoek te gaan naar goede content om daarmee aantrekkelijk te zijn voor het publiek. Voor de kijkers betekent de komst van nieuwe aanbieders (op aanvraag) meer keuzemogelijkheden.
Bent u ermee bekend dat streamingdienst Netflix volgens Telecompapers drie miljoen abonnees heeft in Nederland? Bent u ervan op de hoogte dat tot op heden de eerste volledig Nederlandse «original»-productie van Netflix nog gelanceerd moet worden? Zo ja, deelt u de mening dat het verstandig is om prikkels in te bouwen zodat grote internationale mediabedrijven gestimuleerd worden om te investeren in originele Nederlandse content wanneer hun afzetmarkt zich deels in ons land bevindt?
Ja, ik ben daarmee bekend en ik weet dat de eerste Nederlandse Netflix original in de maak is.
In de brief aan de Tweede Kamer van 2 juli jl. (Kamerstuk 32 820, nr. 249) hebben de Minister van OCW en ik een eerste reactie gegeven op het Sectoradvies Audiovisueel van de Raad voor Cultuur. In die brief hebben wij een onderzoek aangekondigd naar de werking van stimuleringsmaatregelen in de Nederlandse audiovisuele sector, waaronder heffingen en quota, en naar de gevolgen hiervan voor de verschillende eindexploitanten van culturele audiovisuele producten en voor de consument.
Wij zullen uw Kamer voor de zomer het onderzoeksrapport toezenden en informeren over welke maatregelen genomen zullen worden om het Nederlandse cultureel audiovisueel aanbod te stimuleren. Het eveneens in voornoemde brief aan de Kamer genoemde onderzoek van het European Audiovisual Observatory is te vinden via de volgende link: https://rm.coe.int/european-works-mapping/16809333a5.
Deelt u de mening dat het bedrijfsmodel van internationale videostreamingdiensten waarin (veel) geld wordt gegenereerd met het distribueren van content, terwijl er nauwelijks wordt geïnvesteerd in Nederlandse content, problematisch is voor de Nederlandse creatieve media-industrie?
Ik verwijs u naar bovengenoemde brief aan uw Kamer waarin uiteen gezet wordt wat er precies aan de hand is in de audiovisuele sector en welke gevolgen dit heeft voor de positie van het Nederlandse aanbod. Er wordt in de brief onder meer ingegaan op de ontwikkelingen die de Raad voor Cultuur beschrijft over de gevolgen van de toename aan internationaal audiovisueel aanbod op het Nederlands cultureel audiovisueel product. Het Nederlandse audiovisuele aanbod staat mede hierdoor onder druk. Door de grote hoeveelheid internationaal audiovisueel aanbod is het Nederlandse aanbod minder zichtbaar en wordt de exploitatie ervan moeilijker. De private investeringen in Nederlandse content nemen af waardoor de druk op publieke middelen toeneemt. Het cultureel audiovisueel product wordt daardoor voor het overgrote deel nog meer dan het al was een cultuurgoed in plaats van een economisch goed. De Minister van OCW en ik kijken daarom naar mogelijkheden om het Nederlands cultureel audiovisueel product te versterken.
Bent u bereid om verschillende scenario’s naar de Kamer te sturen met de te verwachten effecten voor de werkgelegenheid?
Zie het antwoord op vraag 5.
Cultuurbeleid is overigens niet primair gericht op het in stand houden of vergroten van de werkgelegenheid in de Nederlandse culturele- en audiovisuele sector. Het cultuurbeleid is gericht op de publieke waarde van het Nederlands cultureel audiovisueel product (films, series en documentaires). Het gaat daarbij om het scheppen van voorwaarden voor onze verhalen, voor verbeelding, voor kunst.
Bent u ervan op de hoogte dat eerder deze maand bekend werd dat The Walt Disney Company streamingdienst Disney+ in Nederland gaat uitrollen? Verwacht u binnen de komende paar jaar dat nog meer internationale videostreamingsdiensten hun diensten in Nederland gaan aanbieden?
Daar ben ik van op de hoogte.
Ik kan mij voorstellen dat, naast de reeds bestaande videostreamingdiensten in Nederland (zoals Netflix, Amazon Prime, Videoland en Pathé Thuis), de komende jaren – naast de reeds aangekondigde diensten van Apple en Disney – meer (inter)nationale bedrijven videostreamingsdiensten in Nederland zullen gaan aanbieden.
Deelt u de visie dat grote internationale videostreamingdiensten een disruptieve werking hebben op de Nederlandse creatieve media-industrie? Deelt u de mening dat er urgentie bestaat om een heffing in te voeren voor deze streamingaanbieders in navolging van verschillende Europese (buur-)landen en conform het advies van de Raad voor Cultuur? Zo ja, wanneer kan de Kamer de eerste beleidsuitwerking van een dergelijke heffing ontvangen? Zo nee, waarom deelt u deze visie en oplossingsrichting niet?
Zie de antwoorden op de vragen 4, 5 en 6.
Het bericht dat journalisten aangifte moeten doen |
|
Helma Lodders (VVD), Thierry Aartsen (VVD) |
|
Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Adema en Vermast: «Journalisten moeten aangifte kunnen doen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de bedreigingen aan het adres van journalisten van de regionale omroep Omroep Flevoland zorgwekkend en zeer ongewenst zijn?
Ik ben het met u eens dat bedreiging van journalisten onacceptabel en onaanvaardbaar is. Journalisten moeten hun werk in vrijheid en veiligheid kunnen doen. Zij verdienen, net als iedere burger, bescherming tegen agressie en geweld, en in het bijzonder vanwege de belangrijke rol die zij vervullen in het democratische proces van onze samenleving.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het doen van aangifte makkelijker wordt gemaakt voor journalisten? Zo ja, hoe bent u voornemens dit te doen? Zo nee, waarom niet?
Vrije nieuwsgaring is essentieel in onze samenleving, ongeacht of dat op lokaal, regionaal of nationaal niveau is. Bedreigingen en (gewelds)incidenten tegen journalisten zijn onacceptabel. Een journalist die aangifte wil doen van een strafbaar feit, moet dat in alle gevallen kunnen doen.
Naar aanleiding van het rapport «Een dreigend klimaat» is afgelopen zomer de Stuurgroep Agressie en Geweld tegen Journalisten opgericht. In het akkoord dat de deelnemende partijen, te weten de Nederlandse Vereniging van Journalisten (NVJ), het Genootschap van Hoofdredacteuren, de politie en het openbaar ministerie (OM), hebben gesloten, zijn diverse maatregelen opgenomen om de positie van journalisten tegen geweld en agressie te versterken. Maatregelen om het doen van aangifte te stimuleren, zijn onder andere normstelling, standaardisering, mede namens het slachtoffer aangifte doen (als werkgever/opdrachtgever) en het onderhouden van de contacten met politie en justitie namens het slachtoffer.
Wat is uw oordeel over het feit dat de politie heeft gezegd dat «bedreiging» te moeilijk te bewijzen zou zijn?
Een journalist, of ieder ander, die aangifte wil doen van een strafbaar feit, moet daar in alle gevallen de mogelijkheid toe hebben. Tijdens het aangiftegesprek kan de politie echter met de aangever in gesprek gaan over de vraag of er sprake is van een strafbaar feit en of aangifte het beste past bij de bedoeling van de aangever. Uit dit gesprek kan blijken dat een ander middel geschikter is om het probleem op te lossen dan een strafrechtelijke procedure. Tevens kan het de overtuiging van de politie zijn dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om tot een succesvolle procedure te komen. In deze gevallen wordt in ieder geval een melding van een incident, bedreiging of geweld in de systemen geregistreerd.
Bent u bereid maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat journalisten die bedreigd worden, de hulp krijgen die nodig is zodat zij hun werk normaal kunnen blijven doen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
In het akkoord zijn ook maatregelen opgenomen om journalisten te ondersteunen bij bedreiging, zoals het opvangen van slachtoffers in de eigen organisatie door middel van bijvoorbeeld psychische hulp of weerbaarheidstrainingen. Als er sprake is van een concrete reële bedreiging, dan is justitie aan zet en kan het slachtoffer in noodzakelijke gevallen via inschakeling door o.a. politie en OM (het stelsel bewaken en beveiligen) beveiligd worden.
Deze en andere onderdelen van het akkoord worden verder uitgewerkt in het project PersVeilig. Begin april is de website van het project met een meldpunt voor bedreigde journalisten gelanceerd.
Per 1 april jl. geldt ook de nieuwe OM aanwijzing die het mogelijk maakt om hogere straffen te eisen.