Een bericht dat in de Haagse wijk Valkenbos-Regentes een dodelijke steekpartij heeft plaatsgevonden |
|
Chris van Dam (CDA), Madeleine van Toorenburg (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de dodelijke steekpartij die in de nacht van 17 op 18 april 2020 in de Haagse wijk Valkenbos-Regentes heeft plaatsgevonden?1
Ja.
Kunt u zich voorstellen dat gelet op: de bewoners in de wijk helemaal klaar zijn met de huidige aanpak van drugsoverlast, criminaliteit en overlast?
De dodelijke steekpartij is vreselijk voor de naasten van het slachtoffer, maar ook confronterend voor de bewoners van de Haagse wijk. Ik ben op 12 maart 2020 op werkbezoek geweest in de Weimarstraat en heb gesproken met bewoners. Ik kan mij voorstellen dat zij zich zorgen maken over drugsoverlast en geweldsincidenten in hun buurt. Op vrijdag 24 april jl. stuurde ik u een brief over het brede offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit. In de komende jaren wordt 150 miljoen euro structureel uitgetrokken voor deze aanpak. Het geld wordt onder meer besteed aan het opzetten van een Multidisciplinair Interventieteam, dat de grote criminele netwerken gaat aanpakken. Daarnaast komt incidenteel geld beschikbaar voor de lokale en regionale aanpak. De middelen zijn aanvullend op de 110 miljoen euro die in de najaarsnota incidenteel beschikbaar kwam voor de aanpak van de criminele industrie. Met deze gelden moeten drugsoverlast, criminaliteit en overlast worden teruggedrongen.
Bent u bekend met de brieven die Stichting MafuganovaValkenbosch, WijWeimar en andere vertegenwoordigers van bewoners en bedrijven hebben gezonden aan burgemeester Remkes, soms in afschrift aan u? Kunt u aangeven – al dan niet na navraag bij de burgemeester – hoe op deze brieven gereageerd gaat worden?
Ja, ik ben bekend met de brieven die aan mij in afschrift zijn verzonden en ik heb navraag gedaan bij de gemeente Den Haag over de brieven die aan burgemeester Remkes zijn verzonden. Aangegeven is dat op 26 maart 2020 door Stichting MafuganovaValkenbosch, WijWeimar en de BIZ Weimarstraat gezamenlijk een brief geschreven is aan burgemeester Remkes met het dringende verzoek tot verlenging van de inzet van de transformatiemanager3. Hierop is door de stadsdeeldirecteur Segbroek, namens de burgemeester, aan de partijen schriftelijk aangegeven dat de gemeente voornemens is om de opdracht van de transformatiemanager te verlengen. Tevens is aan mij aangegeven dat eind april Stichting MafuganovaValkenbosch en WijWeimar een brief aan burgemeester Remkes hebben gericht over de aanpak Weimarstraat. Ik kan u aangeven dat mij is verteld dat het college van Den Haag hier spoedig op zal antwoorden.
Kunt u aangeven welke controle- en opsporingsactiviteiten het afgelopen jaar van de zijde van de politie en het openbaar ministerie zijn verricht ten aanzien van drugscriminaliteit in de Weimarstraat, tussen de Valkenboskade en de Beeklaan? Met welke frequentie en door welke instantie(s) worden de coffeeshops in dit gedeelte van Den Haag gecontroleerd op de AHOJG-criteria? Wat heeft dit opgeleverd?
De gemeente Den Haag en de politie hebben aan mij aangegeven dat alle coffeeshops in Den Haag meerdere keer per jaar worden gecontroleerd door de politie op de AHOJG-criteria. Dit gebeurt in samenwerking met de gemeente. Deze controles hebben uitgewezen dat de AHOJG-criteria niet werden overtreden. De politie heeft het afgelopen jaar verschillende controle- en opsporingsactiviteiten uitgevoerd in de Weimarstraat en omgeving. Tevens heeft de politie een verkeerscontrole georganiseerd in de Weimarstraat waaruit informatie is voortgekomen die de input heeft gevormd voor verdere (opsporings)onderzoeken. Ook heeft eind 2019 een Integrale Handhavingsactie in het gebied Regentesse-Valkenboskwartier, waar de Weimarstraat onder valt, plaats gevonden. De politie, Brandweer, HTM, Haagse Pandbrigade, Stedin, NVWA, Parkeren, Handhavingsteam, gemeentelijke Belastingzaken en de Rijksbelastingdienst hebben het gebied gezamenlijk aan controles onderworpen.
Wat vindt u ervan dat nagenoeg alle coffeeshops in de Weimarstraat in de onmiddellijke nabijheid van een schoolgebouw staan, waar bij afwisseling basisscholen gebruik van maken, op dit moment basisschool de Toermalijn?
In de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie zijn de landelijke gedoogvoorwaarden voor coffeeshops vastgelegd. Er is voor gekozen dat een minimale afstand tussen coffeeshops en scholen niet één van deze landelijke gedoogvoorwaarden is, omdat bij het verkleinen van de zichtbaarheid van coffeeshops voor scholieren lokaal maatwerk past.4 Gemeenten kunnen naast de criteria uit de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie in het lokale coffeeshopbeleid zelf additionele criteria toevoegen, zoals een afstandscriterium, zodat een gemeente zelf kan beoordelen wat lokaal het beste werkt. De gemeente Den Haag heeft aangegeven dat in Den Haag al geruime tijd geldt dat coffeeshops niet zichtbaar mogen zijn vanaf de voordeur van basisscholen. Voor scholen van het Voortgezet Onderwijs en Middelbaar Beroepsonderwijs geldt dat coffeeshops op een minimale afstand van 250 meter moeten liggen. De coffeeshops in de Weimarstraat voldoen hieraan, aldus de gemeente. De coffeeshops zijn niet zichtbaar vanaf de voordeur van basisschool de Toermalijn, die op deze locatie op de Weimarstraat een tijdelijke vestiging kent.
Deelt u de opvatting dat in dit deel van de stad Den Haag sprake is van overconcentratie aan coffeeshops? Deelt u de mening dat deze overconcentratie ten koste gaat van de leefbaarheid en de openbare orde in dit gedeelte van de stad Den Haag?
De gemeente Den Haag heeft mij gewezen op de commissiebrief van juni 20195 waarin het Haagse college een uiteenzetting heeft gegeven van het huidige coffeeshopbeleid en hoe dit uitwerkt in de praktijk. Het college geeft daarin aan formeel twee overconcentratiegebieden van coffeeshops te kennen, waaronder ook het gebied in de Weimarstraat valt. In deze brief is stilgestaan bij de overconcentratiegebieden en het daaraan verbonden verplaatsingsbeleid. Daarin is bepaald dat coffeeshops vanuit de overconcentratiegebieden verplaatst mogen worden naar een coffeeshoplocatie buiten dat gebied die vrijvalt, bijvoorbeeld na intrekking van de exploitatievergunning in verband met de Wet BIBOB, of naar een andere passende locatie. Het college van Den Haag heeft in haar coalitieakkoord «Samen voor de stad: coalitieakkoord 2019–2022» tevens aangegeven de overlast afkomstig door overconcentratie van coffeeshops aan te willen pakken door verplaatsing te vergemakkelijken.
Bent u bereid te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om aan de AHOJG-criteria een nieuw criterium toe te voegen, namelijk een Concentratiecriterium, inhoudende dat coffeeshops een bepaalde afstand ten opzichte van elkaar dienen te hebben?
Nee, ik zie geen meerwaarde in het toevoegen van een extra landelijk criterium om de volgende redenen. Ten eerste ben ik van mening dat het juist belangrijk is dat er lokaal maatwerk mogelijk is ten aanzien van de vestiging van coffeeshops. Er is niet op voorhand in een regel te voorzien die eisen stelt aan de vestigingsmogelijkheden van coffeeshops die in elke gemeente op dezelfde wijze uitpakt. Gemeenten zijn daarom vrij om het lokale coffeeshopbeleid zelf in te vullen, mits zij zich houden aan de landelijke kaders die staan opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet. Zo hebben in 2018 27,5% van de coffeeshopgemeenten een vestigingscriterium in het beleid opgenomen, waarbij er minimale onderlinge afstand tussen coffeeshops moet zijn.6 Het is dus niet noodzakelijk dat dit ook een landelijk criterium wordt. Ten tweede biedt het overlastcriterium de mogelijkheid dat bij overlast veroorzaakt door coffeeshops het Openbaar Ministerie de coffeeshophouder strafrechtelijk kan vervolgen en de burgemeester handhavend kan optreden. Ik zie om bovenstaande redenen dus geen meerwaarde in een extra landelijk criterium.
Welke actie mogen de bewoners en de fatsoenlijke ondernemers op korte termijn verwachten van handhavers, politie en justitie om de openbare orde, de nachtelijke rust en veiligheidsgevoelens terug te brengen in de straat?
Ik vind het belangrijk dat elke burger op de overheid moet kunnen rekenen om veilig te kunnen wonen in zijn of haar eigen wijk. De politie is belast met het handhaven van de openbare orde en veiligheid. Dat betekent dat er een rol is voor de politie bij het voorkomen en het aanpakken van onveilige situaties zoals die als gevolg van drugsoverlast kunnen ontstaan. De politie en de gemeente Den Haag hebben mij geïnformeerd dat de Weimarstraat de laatste jaren vanuit handhavingsoogpunt veel aandacht heeft gekregen en dit zal behouden. Dat betekent dat handhaving en politie optreden tegen openbare orde- en leefbaarheids problematiek als mede strafbare gedragingen. Malafide ondernemingen worden daarnaast in samenspraak met ketenpartners aangepakt. In de Weimarstraat is in maart 2019 een tijdelijke openbare orde camera geplaatst. Ik heb begrepen dat omwonenden en ondernemers over het algemeen positief gestemd over de aanwezigheid van deze openbare orde camera zijn. De gemeente Den Haag heeft laten weten dat er recent (mei) een evaluatie van het toezicht van de openbare orde camera heeft plaatsgevonden. Uitkomst is dat de openbare orde camera op de Weimarstraat is verlengd voor in ieder geval de duur van één jaar. De politie en het handhavingsteam van de gemeente Den Haag opereren al lange tijd vanuit dezelfde locatie en zij hebben mij geïnformeerd dat
dit zorgt voor een efficiënte én effectieve samenwerking in het stadsdeel Segbroek waar de Weimarstraat onderdeel van uit maakt. De burgemeester heeft de Weimarstraat als pilotgebied benoemd om, in het kader van de aanpak ondermijning, aan de slag te gaan. De burgemeester heeft aangegeven in de Weimarstraat te willen starten met een nieuw APV instrument dat op 6 februari 2020 door de Haagse gemeenteraad is vastgesteld.
Teneinde een gezond ondernemingsklimaat te stimuleren is in de APV een artikel opgenomen dat de burgemeester de mogelijkheid geeft om waar nodig met een aanwijzing een vergunningplicht te introduceren voor bedrijfsmatige activiteiten in voor publiek toegankelijke gebouwen, een branche of gebied. Ook start er in juni een gebiedsmanager voor onder andere de Weimarstraat.
Het bericht ‘Amsterdams homokoppel uitgescholden en bespuugd’ |
|
Kirsten van den Hul (PvdA), Nevin Özütok (GL), Vera Bergkamp (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Amsterdams homokoppel uitgescholden en bespuugd»?1
Ja, dit bericht is mij bekend.
Wat vindt u van het feit dat anno 2020 mensen vanwege hun seksuele gerichtheid (en/of gendergerichtheid of -expressie) nog steeds op straat worden gediscrimineerd en met dergelijk respectloos gedrag worden geconfronteerd?
Dit vind ik onacceptabel. Discriminatie, op welke grond dan ook, is in Nederland niet toegestaan.
Bent u het ermee eens dat dergelijk discriminatoir geweld ervoor zorgt dat lhbti-ers zich niet veilig voelen en daardoor minder zichtbaar zichzelf durven te zijn op straat?
Ieder mens zou zich veilig moeten kunnen voelen en zichzelf kunnen zijn op straat.
Of in dit specifieke geval sprake is geweest van geweld met een discriminatoire achtergrond, moet nog door uiteindelijk een rechter worden vastgesteld.
Het recent aan uw Kamer aangeboden WODC-onderzoek «Speciale behoeften van slachtoffers van hate crime ten aanzien van het strafproces en de slachtofferhulp»2 bevestigt dat het discriminatie-aspect van invloed is op de ernst en de duur van de psychosociale gevolgen van het delict. In vergelijking met «reguliere» slachtoffers hebben slachtoffers van een commuun delict met een discriminatie-aspect gemiddeld meer te lijden onder het strafbare feit. Zij hebben bijvoorbeeld vaker en langer last van depressieve gevoelens, woede, angst en stress als gevolg van het delict. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn dat het discriminatoire motief het delict persoonlijker maakt dan delicten zonder haatmotief, dat de slachtoffers in zekere zin «inwisselbaar» (en daarmee machtelozer) zijn, en dat veel van deze slachtoffers gedurende hun leven herhaaldelijk te maken krijgen met hate crime. Juist deze cumulatieve impact kan ernstige gevolgen teweegbrengen.
Bent u ermee bekend dat veel hate crime slachtoffers terugdeinzen voor het doen van aangifte en dat zij dus al problemen ervaren vóórdat er strikt genomen sprake is van een strafprocedure?2
Ja. Uit het hierboven aangehaalde WODC-onderzoek komt ook naar voren dat de meldingsbereidheid bij slachtoffers van hate crime laag is.
Hoe kijkt u aan tegen publieke informatie- en bewustwordingscampagnes die hate crime slachtoffers informeren over hun rechten om aangifte te stimuleren? Bent u bereid hier (meer) werk van te maken?
Zoals ik heb aangekondigd in het Actieplan Veiligheid LHBTI, dat ik op 2 april 2019 aan uw Kamer heb aangeboden (2018–2019, nr. 303), zet ik in op diverse trajecten die het proces van melding en aangifte en het oppakken van die meldingen en aangiften verder verbeteren. Hierover ga ik in gesprek met politie, OM en belangenorganisaties. Het is daarbij mijn streven dat alle meldingen en aangiften tenminste worden geadresseerd, binnen dan wel buiten het strafrecht. Ik ben voornemens dit traject af te ronden met een publiekscampagne gericht op de meldings- en aangiftebereidheid van LHBTI.
Bent u bekend met het feit dat binnen de lhbti-gemeenschap een algemeen gebrek aan vertrouwen in de rechtshandhavende instanties bestaat, en concrete negatieve ervaringen met de politie ook een belangrijke rol kunnen spelen?3 Bent u tevens bekend met het feit dat slachtoffers zich ook laten weerhouden van aangifte omdat zij hun homo- of biseksuele georiënteerdheid of hun transgenderachtergrond niet bekend willen maken?
Ja, deze problematiek is mij bekend.
Bent u het ermee eens dat vanuit de overheid alle mogelijke inzet moet worden gepleegd om de veiligheid van lhbti-ers te vergroten zodat zij zichtbaar zichzelf kunnen zijn zonder om die reden te worden bedreigd of mishandeld?
In het reeds eerder aangehaalde Actieplan Veiligheid LHBTI staat een overzicht van de inzet van de rijksoverheid en van de G4 om de veiligheid van LHBTI’s te vergroten. Daarnaast ben ik voornemens om samen met mijn collega van OCW en met de G4 te bezien of het onderzoek naar de achtergrond van daders van geweld tegen LHBTI’s kan worden geactualiseerd. Voorts heb ik gevraagd om ook met het COC en andere organisaties die opkomen voor de belangen van LHBTI’s te mogen spreken. Ik wil graag met hen om de tafel om te bespreken wat er vanuit mijn ministerie kan worden ondernomen om vooral bij jonge mensen respect voor ieders seksuele gerichtheid en geslacht een vanzelfsprekendheid te laten zijn.
Bent u met het oog daarop bereid om alsnog gespecialiseerde discriminatierechercheurs in te voeren, zodat slachtoffers van hate crimes meer gestimuleerd zullen zijn tot het doen van een melding of aangifte?4 Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om hiertoe bijvoorbeeld een pilot te starten om hiermee ervaring op te doen? Zo nee, waarom niet?
De politie is er voor iedereen. Dat betekent ook dat slachtoffers bij elke politiemedewerker terecht moeten kunnen als zij melding willen maken van discriminatie. De politie kiest daarmee niet voor verdergaande functiespecialisatie op dit terrein, maar zorgt dat elke politiemedewerker in generalistische zin kennis heeft van het fenomeen discriminatie en haar verschillende uitingsvormen, het feit dat discriminatie strafbaar is en een discriminatieaspect bij een commuun delict strafverzwarend kan zijn en weten hoe het (kwetsbare) slachtoffer van discriminatie correct moet worden bejegend. De opleidingen bij de politie zijn daarop gericht. De politie zorgt er eveneens voor dat kennis en inzichten op het terrein van de verschillende leefstijlen en culturen in onze samenleving ook in haar organisatie aanwezig zijn en beschikbaar via het Netwerk Divers Vakmanschap die in alle eenheden een plek hebben gekregen. In dit netwerk zijn de informele diversiteitsnetwerken binnen de politie, zoals Roze in Blauw, vertegenwoordigd. Zij onderhouden de contacten met de groepen in de samenleving. Er zijn meerdere manieren waarop een behoefte tot specialisatie op het terrein van discriminatie kan worden georganiseerd. De politie in Nederland maakt een keuze voor het Netwerk Divers Vakmanschap als middel om de expertise op dit terrein te borgen en te verspreiden.
Kunt u bevestigen dat volgens het onderzoeksrapport van het WODC het inzetten van gespecialiseerde hate crime agenten en officieren van justitie door veel buitenlandse respondenten steevast als een best practice wordt beschouwd en ook enkele geïnterviewde belangenorganisaties daar heil in zien?5
Er zijn meerdere manieren waarop een behoefte tot specialisatie op het terrein van discriminatie kan worden georganiseerd. In het WODC-rapport wordt niet de aanbeveling gedaan om te gaan werken met gespecialiseerde hate crime afdelingen en/of gespecialiseerde rechercheurs. De politie in Nederland maakt een keuze voor het Netwerk Divers Vakmanschap als middel om de expertise op divers vakmanschap te borgen en te verspreiden. Daarnaast werken politie, OM en antidiscriminatie voorzieningen bij gemeenten nauw samen op basis van een periodieke geüpdatete lijst van meldingen, aangiftes, mutaties en processen-verbaal van discriminatie, zodat discriminatie-incidenten betekenisvol worden afgedaan. Voor de nabije toekomst geldt dat de politie, als een extra voorziening om de specifieke kennis over de aanpak van discriminatie te borgen en te delen, een landelijke coördinatiefunctie zal inrichten.
Een specialistische functie of afdeling binnen de politie voor de aanpak van hate crime past niet in de Nederlandse juridische context waarbinnen de opsporing en vervolging functioneert. Dit in tegenstelling tot landen als het Verenigd Koninkrijk. De strafwetgeving in Nederland kent immers het juridische begrip hate crime niet. Het is daarom niet mogelijk om de best practices uit de in het onderzoek genoemde landen rechtstreeks door te vertalen naar de Nederlandse situatie. Nederland kent een aantal discriminatiebepalingen in het Wetboek van Strafrecht (zoals bijvoorbeeld art. 137c, a 137d en 137e) maar het merendeel van de discriminatie-incidenten zijn commune delicten (zoals bedreiging, geweld, bekladding) met een discriminatoir aspect. Dit betekent dat slachtoffers aangifte doen van een commuun delict. Het discriminatoire aspect kan door het slachtoffer worden gemeld en politiemedewerkers zullen het slachtoffer ook actief bevragen indien zij het vermoeden hebben dat dit speelt. Dat betekent dat alle politiemedewerkers in generalistische zin die kennis moeten hebben om discriminatie te herkennen en aan te pakken. Dit maakt onderdeel uit van de individuele beoordeling van de kwetsbaarheid van slachtoffers bij de aangifte van een incident.
Het OM beschikt op ieder arrondissementsparket op het gebied van discriminatie over gespecialiseerde discriminatie Officieren van Justitie, die vaak ondersteund worden door een discriminatiesecretaris dan wel beleidsmedewerker. Daarnaast heeft het OM een Landelijk Expertisecentrum discriminatie (het LECD). Iedere officier in NL kan discriminatiezaken doen en kan voor meer ingewikkelde of meer principiële casussen terecht bij de lokale discriminatie OvJ en het LECD.
Wat vindt u van de in het WODC-rapport voorgestelde maatregel – zoals ook toegepast in het Verenigd Koninkrijk – dat bepaalde politiekorpsen (in grote stedelijke gebieden) werken met gespecialiseerde hate crime afdelingen, waarbij de meeste korpsen (daarnaast) gespecialiseerde agenten hebben die zijn belast met het onderzoeken van hate crime?6
Zie antwoord vraag 9.
Welke mogelijkheden ziet u om een dergelijke maatregel ook in Nederland door te voeren?
Zie antwoord vraag 9.
In hoeverre staat u in contact met landen als het Verenigd Koninkrijk en Zweden die reeds ervaring hebben met de inzet van gespecialiseerde rechercheurs en, zo ja, welke lessen kunt u uit hun ervaring trekken? Zo nee, bent u bereid dit alsnog op te pakken?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u het ermee eens dat een betere borging en officiële erkenning van een informeel medewerkersnetwerk zoals Roze in Blauw binnen de politieorganisatie ertoe leidt dat slachtoffers zich hierdoor daadwerkelijk serieus genomen weten en zich gesterkt voelen bij het doen van aangifte?7 Kunt u aangeven welke acties u onderneemt om Roze in Blauw nog beter binnen de politieorganisatie te verankeren?
Juist doordat de informele diversiteitsnetwerken in de politieorganisatie, zoals Roze in Blauw, de laatste anderhalf jaar zijn verbonden en ondergebracht bij het formele Netwerk Divers Vakmanschap, zijn zij verankerd in de politieorganisatie. Binnenkort spreek ik met de Korpsleiding door over de wijze waarop de politie de ondersteuning van slachtoffers – en met inbreng van Roze en Blauw – organiseert.
Kunt u aangeven of politieagenten in opleiding allemaal worden getraind in het omgaan met hate crime (slachtoffers) en/of discriminatie?
Al tijdens de introductie en daarna in de opleiding wordt veel aandacht besteed aan de vier onderliggende kernwaarden van de politie: integer, betrouwbaar, moedig en verbindend. Hierbij komt ook artikel 1 van de Grondwet, het artikel over gelijke behandeling, het discriminatieverbod en discriminatie aan bod. De vier kernwaarden van de politie vormen de basis voor elke politieagent.
Er is in het curriculum van de basispolitieopleiding van aspiranten volop aandacht voor wet- en regelgeving met betrekking tot discriminatie, voor sociaal-communicatieve vaardigheden die daarmee samenhangen, en voor het omgaan met morele dilemma’s die daaruit voortvloeien. Omdat de basispolitieopleiding is opgebouwd rond de beroepstaken van de politie (handhaving, noodhulp, opsporing, signaleren en adviseren) worden de aspiranten vooral praktisch getraind, met casuïstiek op het gebied van diversiteit en discriminatie. Tijdens het aanleren van het opnemen van een aangifte wordt bijvoorbeeld specifiek aandacht besteed aan het beleid van het OM, zoals dat is neergelegd in de aanwijzing discriminatie. Tegengaan van discriminatie is een speerpunt en een aangifte van discriminatie moet altijd opgenomen worden door de verbalisant en moet ook worden ingestuurd aan het OM. Docenten in het politieonderwijs gebruiken actuele berichtgeving over casussen strafbare feiten en het optreden van de politie daarin.
Klopt het dat discriminatie weliswaar is «gemainstreamd» in de initiële opleiding, maar dat het nog beter moet worden verankerd in het verplichte curriculum van de Politieacademie?
Kunt u aangeven of de modules die Roze in Blauw verzorgt aan de Politieacademie een verplichtend karakter hebben of dat het keuzemodules betreft? Indien het laatste het geval is, bent u bereid om deze modules alsnog verplicht te laten opnemen in het curriculum?
Bent u bereid om binnen het curriculum van de Politieacademie alsnog een leerlijn (lhbti)-discriminatie te ontwikkelen, waarmee de kennis over dit onderwerp binnen de politieorganisatie wordt geborgd en daarmee een bijdrage kan worden geleverd aan de vergroting van de meldings- en aangiftebereidheid van slachtoffers?8 Zo nee, waarom niet?
Kunt u aangeven of de specialistische kennis en vaardigheden bij alle medewerkers voldoende is geborgd door middel van verplichte training voor alle (frontoffice) agenten?
Wat vindt u van de in Italië en het Verenigd Koninkrijk bestaande mogelijkheid om gebruik te maken van zogenaamde (laagdrempelige) reporting centers?9
Hoe kijkt u aan tegen de mogelijkheid om door een verbalisant of verhoorder met dezelfde achtergrondkenmerken als het hate crime slachtoffer te worden geholpen, een recht waarop bijvoorbeeld alle hate crime slachtoffers in Finland in beginsel recht hebben, en de in Ierland bestaande LGBT Liaison Officers en Ethnic Liaison Officers?
Wat vindt u van de best practice in Griekenland, namelijk de introductie van gespecialiseerde officieren van justitie in 24 steden, hetgeen heeft geleid tot meer zichtbaarheid van hate crime binnen parketten? Hoe kijkt u aan tegen de in Griekenland bestaande mogelijkheid voor slachtoffers om aangifte te doen bij een parket, in plaats van bij een politiebureau?
Kunt u aangeven wanneer – in navolging van de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb)- ook in het Wetboek van Strafrecht de term «hetero- of homoseksuele gerichtheid» wordt vervangen door «seksuele gerichtheid»? Welk tijdpad wordt hiervoor gehanteerd?
Kunt u de Kamer informeren over het wetstraject tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht waarbij de discriminatiegrond «genderidentiteit en genderexpressie»10 wordt toegevoegd aan de artikelen 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht, in lijn met uw toezegging in de nota naar aanleiding van het verslag bij het wetsvoorstel dat leidde tot de Wet herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen? Welk tijdpad wordt hiervoor gehanteerd?
Bent u bereid om in de artikelen 137c en 137e van het Wetboek van Strafrecht ook de discriminatiegrond «geslachtskenmerken» mee te nemen, conform het bepaalde in artikel 1, tweede lid, van de Awgb?
Het bericht ‘Te koop: openbare orde en veiligheid; Onderzoek Beveiligingsmultinational G4S en de VVD-lobby’. |
|
Kees Verhoeven (D66), Chris van Dam (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in De Groene Amsterdammer van 15 april 2020, «Te koop: openbare orde en veiligheid; Onderzoek Beveiligingsmultinational G4S en de VVD-lobby»?1
Ja.
In hoeverre is de Kamer geïnformeerd door uw voorganger ten aanzien van het convenant dat in 2016 is getekend en dat het delen van data van sensoren tussen bedrijven, politie, Openbaar Ministerie (OM) en overheid makkelijker maakt? Is sprake van een convenant of een intentieverklaring? Bent u bereid dit convenant alsnog aan de Kamer toe te zenden? Is er sinds 2016 sprake geweest van een update?
In 2016 is door het Ministerie van Justitie en Veiligheid, de politie, de Nederlandse Veiligheidsbranche en de Federatie Veilig Nederland (destijds VEBON-NOVB) een intentieverklaring ondertekend over hun onderlinge samenwerking op het gebied van sensing.2 Er is geen sprake van een convenant. Over de ondertekening is destijds door verschillende partijen in de openbaarheid verklaard. De intentieverklaring treft uw Kamer bijgevoegd aan. De intentieverklaring heeft geen vervolg gekregen in de vorm van een hernieuwde verklaring of een convenant.
De Kamer is gezien de beperkte strekking destijds niet separaat over de intentieverklaring geïnformeerd. Wel is uw Kamer in november 2015 geïnformeerd over de Visie op sensing.3 De intentieverklaring kan gezien worden als een bevestiging van die visie en borduurt erop voort. Over de inzet van sensing door de politie is uw Kamer sindsdien meermaals geïnformeerd.4
Acht u het wenselijk dat dergelijke vergaande publiek-private samenwerking tot stand kan komen zonder enige politieke controle of zeggenschap?
Zie antwoord vraag 2.
Biedt het convenant voldoende basis om data die door sensoren zijn verzameld in de openbare ruimte te kunnen delen tussen bedrijven, politie, OM en andere overheidsinstanties? Wat voor soort data worden gedeeld, zijn er afspraken gemaakt over het gebruik daarvan en over bewaartermijnen? Kunt u deze vragen beantwoorden inclusief het schetsen van regels voortvloeiend uit wettelijke bepalingen van de Algemene verordening gegevensbescherming en de Wet politiegegevens?
In de verklaring wordt de intentie uitgesproken om data die met eigen sensoren is verkregen zo direct mogelijk en in wederkerigheid met elkaar te delen, met inachtneming van daartoe bestaande kaders en verantwoordelijkheden. Er zijn geen afspraken gemaakt over het soort data dat wordt gedeeld, het gebruik daarvan en de bewaartermijnen.
In zijn algemeenheid geldt dat data die door de politie wordt verkregen voor de uitvoering van haar taak politiegegevens zijn volgens de Wet Politiegegevens (Wpg). De wettelijke kaders voor de doorgifte of verstrekking van politiegegevens aan anderen dan politie en Koninklijke marechaussee staan beschreven in paragraaf 3 van de Wpg. Dergelijke wettelijke bepalingen zijn, zoals ook expliciet is opgenomen in de intentieverklaring, altijd leidend. Voor het verstrekken of doorgeven van politie- of justitiegegevens zijn altijd de bepalingen uit de Wpg en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) leidend.
G4S is een private organisatie en dient zich bij «het oogsten van data» aan de bepalingen in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) te houden. De AVG schrijft regels voor ten aanzien van het verzamelen en verwerken van persoonsgegevens. De Autoriteit Persoonsgegevens is op dit gebied de handhavende autoriteit.
Op welke wijze is gewaarborgd dat particuliere beveiligingsorganisaties publiek gesenste data niet kunnen benutten voor andere taken of doeleinden dan strikt voor de taak waarvoor zij zijn gecontracteerd? Wilt u de in het artikel aangehaalde uitspraak van G4S-topman Levinsohn dat «het oogsten van data topprioriteit is voor het bedrijf» in uw antwoord betrekken?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u inzichtelijk maken in hoeveel gevallen en op welke wijze al gebruik gemaakt is en wordt van dit convenant?
De politie heeft mij desgevraagd laten weten dat de veiligheidsbranche na de ondertekening van de intentieverklaring is uitgenodigd om zelf proeven te doen met sensortoepassingen, gebaseerd op de aanpak van de politie, en de ervaringen vervolgens uit te wisselen. Zoals gezegd is hier geen opvolging aan gegeven.
Waar het gaat om gebruik van data van particuliere beveiligingsbedrijven door politie of justitie kan de officier van justitie dergelijke data vorderen in een opsporingsonderzoek. Bedrijven kunnen er ook zelf voor kiezen om, binnen de kaders van de AVG, data beschikbaar te stellen aan de politie, zoals dat bijvoorbeeld gebeurt in het kader van Live View, waarbij bij een alarmerende situatie beelden direct met de meldkamers kunnen worden gedeeld. Ook kan sprake zijn van een vorm van technisch medegebruik van private sensoren, waarbij de data ook beschikbaar is voor de uitvoering van de politietaak. Hierbij geldt dat er altijd een eigen aparte verkrijgingsgrond nodig is en er nooit kan worden verwezen naar een algemeen convenant.
Kunt u aangeven binnen welk wettelijk kader gemeenten in de openbare ruimte camera’s kunnen toepassen, dan wel beveiligingsbedrijven en particulieren kunnen toestaan om camera’s toe te passen? Kunt u specifiek aandacht besteden aan de termijn waarbinnen een camera ergens mag hangen en de bewaartermijn voor beelden van die camera?
Cameratoezicht door gemeenten in de openbare ruimte is geregeld in artikel 151c van de Gemeentewet (Gw). In het negende lid van dit artikel is aangegeven dat de persoonsgegevens die worden verwerkt door middel van dit cameratoezicht politiegegevens in de zin van de Wet politiegegevens (Wpg) zijn. Dit betekent dat de korpschef verwerkingsverantwoordelijke is. De burgemeester kan besluiten tot inzet van dit cameratoezicht indien de gemeenteraad hem bij verordening daartoe de bevoegdheid heeft verleend. De burgemeester stelt in overleg met de officier van justitie de periode vast waarin in het belang van de handhaving van de openbare orde daadwerkelijk gebruik van de camera’s plaatsvindt en de met de camera’s gemaakte beelden in elk geval rechtstreeks worden bekeken (derde lid). De burgemeester besluit binnen welk gebied het cameratoezicht plaatsvindt en voor welke duur de gebiedsaanwijzing geldt binnen de marges van de verordening. De bewaartermijn van de beelden is geregeld in art 151c, negende lid. Vindt het cameratoezicht plaats onder het regime van artikel 151c Gemeentewet, dan mogen de beelden ten hoogste vier weken worden bewaard. Een uitzondering op deze regel vormen alle beelden waarop strafbare feiten zijn vastgelegd en de beelden die door de politie ingezet worden voor de opsporing en vervolging van de verdachten van een gepleegd strafbaar feit.
Cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de openbare orde is uitsluitend voorbehouden aan gemeenten op grond van artikel 151c Gemeentewet. Bij de private beveiliging van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen of goederen met behulp van camera’s is het in sommige gevallen onvermijdelijk dat een deel van de openbare ruimte in beeld wordt gebracht.5 Op dit cameratoezicht door private organisaties is de Algemene Verordening gegevensbescherming (AVG) van toepassing.
Welke wettelijke grondslag gebruiken politie, OM, overheid en de private sector om de camerabeelden te delen met elkaar?
De wettelijke grondslagen hiervoor zijn gelegen in de Wpg, Wsjg en de AVG. Een officier van justitie kan camerabeelden van private partijen vorderen ten behoeve van de strafvordering. Het delen van beelden door politie kan uitsluitend op grond van de Wpg.
Hebt u een beeld hoe gemeenten omgaan met camera’s en sensors in de openbare ruimte en onder meer de opslag van deze data? Ziet u veel verschillen tussen gemeenten? Hoe worden gemeenten geïnformeerd over wat wettelijk is toegestaan op dit vlak? In welke mate houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht hierop?
Gemeenten zetten camera’s (en sensoren) wisselend in, ook de opslag van de beelden wisselt sterk. Enkele gemeenten hebben zelf hun eigen toezichtruimte. Het verwerken van de gegevens is voorbehouden aan de politie.
Gemeenten worden op diverse wijzen geïnformeerd over wat wettelijk is toegestaan op dit vlak. Zo heeft de Autoriteit Persoonsgegevens beleidsregels cameratoezicht uitgebracht. Ook is informatie te raadplegen via het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (het CCV). Veel gemeenten nemen in de eerste plaats contact op met het CCV bij vragen over camera’s.
Vanwege de bovengenoemde verantwoordelijkheid van de korpschef waar het gaat om het verwerken van de gegevens wordt hierover door de gemeenten ook gesproken met de politie.
De Autoriteit Persoonsgegevens ziet toe op de naleving van de AVG en aanverwante wetten, waaronder de Wpg. Daartoe beschikt de Autoriteit Persoonsgegevens over een aantal middelen, waaronder het instellen van een onderzoek naar de naleving van relevante wetgeving.6
Wordt in de publieke ruimte door particuliere beveiligingsbedrijven gemaakt van camera’s met gezichtsherkenningstechnologie?
Uit artikel 9 van de AVG volgt dat biometrische gegevens die verwerkt worden met het oog op de unieke identificatie van een persoon, bijzondere persoonsgegevens zijn. Verwerking hiervan is verboden, tenzij een van de specifieke uitzonderingen van toepassing is, zoals expliciete toestemming door de betrokkene of wanneer het gaat om openbare gegevens. Particuliere beveiligingsbedrijven komen in principe niet voor de uitzonderingsgronden in aanmerking.
Op welke wijze wordt gegarandeerd dat beelden van camera’s in de openbare ruimte geverifieerd worden op echtheid? Hoe wordt voorkomen dat door (cyber)criminelen beelden (bijvoorbeeld na een hack) gemanipuleerd kunnen worden?
Zoals beschreven in mijn brief van 20 november 20197 is het overheidsbeleid dat bij de aanschaf en installatie van beveiligingsapparatuur nationale veiligheidsoverwegingen worden meegewogen bij de inkoop en aanbesteding van beveiligingsproducten en hieraan gerelateerde diensten. Bij de aanschaf van gevoelige apparatuur zal volgens dit beleid bij aanschaf en implementatie rekening worden gehouden met zowel eventuele risico’s in relatie tot de leverancier als met het concrete gebruik van de systemen, bijvoorbeeld waar het gaat om de controle op toegang tot het systeem door derden. Eind vorig jaar heeft het Kabinet een verscherpt inkoop- en aanbestedingsbeleid ten aanzien van nationale veiligheidsrisico’s geïmplementeerd alsmede een instrumentarium om dit beleid te ondersteunen. Dit instrumentarium wordt ook ter beschikking gesteld aan bedrijven en organisaties uit vitale sectoren en medeoverheden.
Wat is de betrokkenheid van grote beveiligingsbedrijven als G4S, Trigion en Securitas bij het «verhuren» van buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) aan gemeenten en aan andere overheidsorganen? Hoe verhoudt zich in deze gevallen de private aanstelling van een boa tot de publieke taak van opsporingsambtenaar? Op welke wijze wordt voorkomen dat publieke en private informatiestromen en belangen door elkaar heen gaan lopen? Wie houdt hier toezicht op?
Voor de inhuur van boa’s gelden de Beleidsregels Buitengewoon opsporingsambtenaar. In algemene zin geldt het uitgangspunt dat boa’s in bezoldigde dienst moeten zijn van een overheidsorgaan. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk, deze worden ook in de beleidsregels beschreven. Inhuur van boa-bekwame functionarissen die werken voor particuliere bedrijven is alleen mogelijk als voldaan is aan een aantal voorwaarden, waaronder toestemming van de lokale driehoek. Ook mag een ingehuurde boa geen toegang hebben tot politie- en of opsporingssystemen. Bovendien geldt voor ingehuurde boa’s dat zij moeten voldoen aan dezelfde eisen en gehouden zijn aan dezelfde voorwaarden zoals deze gelden voor niet-ingehuurde boa’s.
Wat is uw oordeel over de in het artikel geconstateerde samenloop van functies van de heer Joustra in zijn voormalige hoedanigheid van voorzitter van de Onderzoeksraad voor Veiligheid én lid van de Raad van advies van G4S?
De heer Joustra had in de periode dat hij voorzitter was van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid (OVV) een nevenfunctie bij G4S Group. Medewerkers van de OVV hebben de status van rijksambtenaar. Voor ambtenaren gelden regels en richtlijnen over hun integriteit, waaronder de verplichting om nevenwerkzaamheden te melden. Voor zover mij bekend heeft de heer Joustra zich hieraan gehouden.
Het bericht dat openbare orde en veiligheid te koop is |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Sinds wanneer bent u op de hoogte van de wel erg nauwe banden tussen (oud)VVD-politici en de beveiligingsmultionational G4S?1
Voormalig bewindslieden zijn gebonden aan het «Handboek voor bewindspersonen», waarin is vastgelegd dat zij binnen een periode van twee jaar na hun aftreden niet aanvaardbaar zijn als lobbyist namens een bedrijf, een semipublieke organisatie of een lobbyorganisatie die belangen behartigt op het beleidsterrein van de gewezen bewindspersoon. Ook voor ambtenaren gelden regels om de integriteit zoveel mogelijk te borgen, waaronder het melden van nevenwerkzaamheden. Ik ga ervan uit dat deze voorschriften in de in het artikel genoemde gevallen niet zijn geschonden. De in het artikel genoemde betrokkenheid van (oud-)politici bij het bedrijf G4S betreft overigens openbare informatie.
Hoeveel publiek-private projecten liepen en lopen er met deze multinational?
Ik beschik niet over een uitputtend overzicht van de publiek-private projecten waar G4S bij betrokken is. De politie heeft mij desgevraagd laten weten dat er op dit moment geen sprake is van samenwerking tussen de politie en private partijen op het gebied van sensing.
Hoeveel publiek geld is er gemoeid met deze projecten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel sensingprojecten zijn er sinds 2012 gestart? Welke projecten zijn dit?
Welke (decentrale) overheden en overheidsinstanties waren bij deze projecten betrokken?
Welke formele en informele afspraken zijn er gemaakt over deze projecten?
Waarom is de Tweede Kamer niet over deze afspraken geïnformeerd?
Deelt u de mening dat veiligheid primair een publieke zaak is? Zo nee, waarom niet?
Veiligheid is een belangrijke taak van de overheid, maar ook een gedeelde verantwoordelijkheid van alle burgers in Nederland. Ik acht het dan ook waardevol dat de overheid samen kan werken met andere partijen, waaronder bedrijven, om binnen de kaders van de wet samen te werken aan een veilig Nederland.
Hoe beoordeelt u de miljoenenbezuiniging op de politie van een voormalig VVD-minister die nu verkondigt dat particuliere beveiligers politietaken moeten overnemen omdat er grote tekorten zijn?
Sinds de start van de Nationale Politie in 2013 is door opeenvolgende kabinetten fors in de politie geïnvesteerd. De zorg voor toezicht en handhaving in onze samenleving is bovendien geen exclusieve taak voor de politie. Ook anderen hebben hierin een taak, zoals bijvoorbeeld buitengewone opsporingsambtenaren en ook particuliere beveiligers.
Wat gaat u ondernemen om de invloed van grote beveiligingsmultinationals aan banden te leggen?
Zie antwoord vraag 8.
Het in gevaar brengen van Nederlanders door het in brand steken van zendmasten |
|
Kees Verhoeven (D66), Jan Paternotte (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dutch telecommunications towers damaged by 5G protestors»?1
Ja, hier hebben wij kennis van genomen.
Kunt u bevestigen dat de wetenschap geen enkele indicatie heeft voor welk verband dan ook tussen 5G en het nieuwe coronavirus, en de belagers van zendmasten zich derhalve laten leiden door complottheorieën?
De Europese Commissie2 en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en het Kennisplatform EMV3 hebben reeds benadrukt dat er geen enkel verband is tussen COVID-19 en 5G-technologie, en dat virussen niet worden verspreid via radiogolven/mobiele netwerken.4
Hoeveel aanvallen op zendmasten hebben de afgelopen maand plaatsgevonden en tot welke schade hebben deze geleid?
Op het moment van schrijven is sprake van 29 door de politie geregistreerde incidenten van brandstichting. Daarnaast zijn diverse incidenten bekend van overige vormen van vandalisme, die niet met zekerheid zijn te verbinden aan de geregistreerde incidenten, bijvoorbeeld omdat niet vast staat of het motief vandalisme of diefstal was.
De schade varieert sterk tussen de verschillende incidenten, waardoor geen eenduidig algemeen antwoord is te geven ten aanzien van hersteltermijnen of economische schade. Vast staat wel dat de schade aanzienlijk is.
Is er sprake van een toename van aanvallen op zendmasten dit jaar? Zo ja, hoe verhoudt deze zich tot incidenten in voorgaande jaren?
Voor zover bekend zijn er in Nederland in de afgelopen jaren geen eerdere incidenten gemeld van brandstichting bij zendmasten. Dit is daarmee een nieuw risico dat aandacht vraagt van zowel de sector als de overheid.
Hoe vaak zijn hulpdiensten in gebieden rondom een zendmast onbereikbaar geweest in die periode?
Het alarmnummer 1-1-2 is zowel via vaste- als mobiele netwerken bereikbaar. Ten minste één brand heeft mogelijk impact gehad op de bereikbaarheid van 1-1-2. Deze situatie heeft voor zover bekend niet geleid tot persoonlijke ongevallen. De branden hebben tot op heden geen impact gehad op de communicatie tussen de hulpdiensten (C2000).
Welke maatregelen wilt u treffen om deze vitale infrastructuur te beschermen tegen aanvallen door brandstichters?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) staat in nauw overleg met de sector, het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en de Landelijke Eenheid van de politie om te bezien in hoeverre aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
De C2000-masten zullen extra beveiligd worden. Vanuit veiligheidsoogpunt ga ik niet in op de specifieke beveiligingsmaatregelen. De maatregelen hebben zowel een preventieve als repressieve werking. De meest kritische masten zullen eerst beveiligd worden. Het kost naar verwachting ongeveer drie maanden om alle masten te beveiligen.
In hoeverre hebben andere landen te maken met aanvallen op hun infrastructuur van telecommunicatie met hetzelfde motief, namelijk complottheorieën over 5G en het coronavirus?
Verschillende landen in Europa hebben te maken met vandalisme gericht op hun infrastructuur van telecommunicatie. De online verspreiding van onjuiste informatie met betrekking tot COVID-19 lijkt hierin een rol te spelen.
Bent u bekend met de groep of groepen die betrokken zijn bij deze brandstichtingen? Kunt u aangeven of het hier gaat om grensoverschrijdende netwerken?
De afgelopen weken hebben er verschillende incidenten plaats gevonden rondom zendmasten in Nederland. De incidenten variëren van sabotage tot brandstichting. Protesten tegen zendmasten zijn niet nieuw, maar het heeft nog niet eerder geleid tot extremistische protestacties in de vorm van de sabotage en brandstichting van de afgelopen weken. Onder anti-5G- en anti-overheidsbewegingen doen verschillende complottheorieën de ronde, onder andere over de veronderstelde relatie tussen 5G-netwerken en de verspreiding van COVID-19. Tussen de branden is geen relatie gebleken.
Vindt volgens u de verspreiding van deze complottheorieën enkel organisch plaats of is er sprake van een georganiseerde inzet van desinformatie? Indien u nog geen antwoord heeft op deze vraag, bent u bereid te onderzoeken of, en zo ja, hoe deze complottheorieën actief verspreid worden door professionele verspreiders van desinformatie?
De verspreiding van onjuiste informatie over COVID-19 en 5G verloopt zowel ongeorganiseerd (door bijv. individuen) als georganiseerd (bijv. in echokamers op sociale media). In Nederland staan de betrokken ministeries en diensten doorlopend in nauw contact om informatie over en signalen van mogelijke desinformatieactiviteiten te delen, te duiden en daarop zo nodig te acteren. Deze informatie en signalen over COVID-19 worden ook bij elkaar gebracht in de bestaande crisisstructuur.Ook via het Rapid Alert Systeem van de Europese Unie wordt informatie gedeeld tussen de lidstaten en EU-instituties.
Bent u bereid een (video)conferentie van telecomministers te initiëren om deze gevaarlijke trend te agenderen en de EU-informatie te gaan uitwisselen over de aanvallen op zendmasten?
Op 5 mei jl. vond er een informele Telecomraad plaats, waarin ik (de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat) aandacht heb gevraagd voor de onjuiste informatie over 5G in relatie tot COVID-19 en andere negatieve gezondheidseffecten en de recente branden in zendmasten.
De betrokkenheid van Nederland bij spionageoperatie ‘Rubicon’ en afluistergenootschap ‘Maximator’ |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Sinds wanneer bent u op de hoogte van de betrokkenheid van ons land bij spionageoperatie «Rubicon»? Wanneer was uw ministerie hiervan op de hoogte? Wie heeft wanneer besloten tot deelname aan deze spionageoperatie? Is deze operatie nog steeds aan de gang?1
In het openbaar worden geen uitspraken gedaan over het kennisniveau en de werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
In algemene zin kunnen we zeggen dat samenwerking met buitenlandse diensten een belangrijk onderdeel is van het werk van de AIVD en de MIVD en noodzakelijk is voor de goede taakuitvoering. De Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD) ziet toe op de rechtmatige uitvoering van deze bevoegdheid.
Sinds wanneer bent u op de hoogte van onze betrokkenheid bij het afluistergenootschap «Maximator»? Wanneer was uw ministerie hiervan op de hoogte? Wie heeft wanneer besloten tot deelname aan dit afluistergenootschap? Is het waar dat dit verbond bestaat uit Nederland, Duitsland, Frankrijk, Zweden en Denemarken? Is dit afluistergenootschap nog altijd actief?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is het actief afluisteren van buurlanden en bondgenoten zoals België en Italië volgens u gewenst? Waarom is het volgens u geoorloofd? Waarom mogen Nederlandse geheime diensten hier aan meewerken? Gebeurt dit nog altijd?
Zie antwoord vraag 1.
Welke Nederlandse bedrijven zijn nu of in het verleden direct of indirect betrokken geweest bij «Operatie Rubicon»? Is het waar dat Philips bij deze operatie betrokken is geweest? Wisten deze bedrijven bij wat voor soort operatie zij betrokken waren? Wisten de bedrijven dat in deze operatie agenten en andere betrokkenen om het leven zijn gekomen? Hebben vertegenwoordigers van deze bedrijven zélf ooit gevaar gelopen?
In het openbaar worden geen uitspraken gedaan over het kennisniveau en de werkwijze van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.
In algemene zin geldt dat op grond van artikel 41 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 de diensten bevoegd zijn tot de inzet van agenten. De CTIVD ziet toe op de rechtmatige uitvoering van deze bijzondere bevoegdheid.
Is het geoorloofd dat vertegenwoordigers van bedrijven, zonder dat ze dit weten, door geheime diensten worden ingezet als agenten? Is het waar dat Crypto AG, maar ook Philips, mensen naar landen als Iran, Saoedi-Arabië, China en Turkije stuurde met afgezwakte apparaten, zonder dat die mensen wisten dat ze betrokken waren bij een operatie in het kader van «Rubicon»? Wanneer wist u dat vertegenwoordigers van bedrijven die, zonder het te weten, actief waren in het kader van «Rubicon», gevangen hebben gezeten en zelfs zijn vermoord in Iran, Pakistan en Saoedi-Arabië?
Zie antwoord vraag 4.
Welke geheime diensten in ons land waren betrokken bij afluistergenootschap «Maximator»? Welke geheime diensten in ons land waren betrokken bij spionageoperatie «Rubicon»? Hebben bepaalde diensten wél en andere niet bepaalde gegevens gekregen? Wist bijvoorbeeld de Militaire Inlichtingendienst hoe de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) was betrokken? Kreeg het Technisch Informatie Verwerkingscentrum (TIVC), de afluisterdienst van de Marine, informatie over de afgezwakte Aroflex die, op verzoek van de National Security Agency (NSA) en met medewerking van het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging (NBV), een afdeling van de BVD, aan Turkije werd geleverd?
Zie antwoord vraag 1.
Het bericht 'Wéér twee gsm-masten in brand, terrorismebestrijder bezorgd' |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Wéér twee gsm-masten in brand, terrorismebestrijder bezorgd»?1
Ja, hier hebben wij kennis van genomen.
Is de veiligheid van omwonenden van de zendmasten op enig moment in het geding geweest?
Brandstichting brengt naast de economische schade ook evident risico’s met zich mee voor personen, wanneer de kans bestaat dat de brand overslaat van de zendmast of antenne-installatie naar omliggende bebouwing. Deze incidenten zijn dan ook volstrekt onacceptabel.
De veiligheid van omwonenden is voor zover bekend niet in het geding geweest in de gevallen van (poging tot) brandstichting tot nu toe. Ook hebben zich voor zover bekend geen persoonlijke ongevallen voorgedaan.
In het volgende antwoord gaan wij verder in op risico’s die kunnen ontstaan door mogelijk verminderde beschikbaarheid van het mobiele netwerk en mogelijke gevolgen voor de bereikbaarheid van 1-1-2.
Hebben de branden gevolgen gehad voor de mobiele bereikbaarheid in de regio, waaronder de bereikbaarheid van alarmnummer 112?
Het alarmnummer 1-1-2 is zowel via vaste- als mobiele netwerken bereikbaar. Ten minste één brand heeft mogelijk impact gehad op de bereikbaarheid van 1-1-2. Deze situatie heeft voor zover bekend niet geleid tot persoonlijke ongevallen.
Hoe groot is de schade aan beide zendmasten? Wanneer is deze naar verwachting verholpen? Welke kosten zijn hiermee gemoeid?
De schade varieert sterk tussen de verschillende incidenten, waardoor geen eenduidig algemeen antwoord is te geven ten aanzien van hersteltermijnen of economische schade. Vast staat wel dat de schade aanzienlijk is.
Zijn u naast de branden in de zendmasten in bovengenoemde plaats en die in Nuenen en Liessel nog andere incidenten bij zendmasten en 5G-infrastructuur bekend?
Ja, naast de branden in de zendmasten in Oudenbosch en die in Nuenen en Liessel zijn er nog andere incidenten bij zendmasten bekend. Er zijn geen incidenten bekend met 5G-antennes. Op het moment van schrijven is sprake van 29 door de politie geregistreerde incidenten van brandstichting. Daarnaast zijn diverse incidenten bekend van overige vormen van vandalisme, die niet met zekerheid zijn te verbinden aan de geregistreerde incidenten, bijvoorbeeld omdat niet vast staat of het motief vandalisme of diefstal was.
Kunt u bevestigen dat in alle gevallen sprake is van (het vermoeden van) brandstichting? Is uw indruk dat het hier gaat om activisme tegen 5G? Hoezeer is dergelijk activisme bij de autoriteiten in beeld? Is er een link met vermeende complottheorieën rond het Coronavirus? Is er een verband met soortgelijke brandstichtingen zoals bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk?
De afgelopen weken hebben er verschillende incidenten plaats gevonden rondom zendmasten in Nederland. De incidenten variëren van sabotage tot brandstichting. Ook in andere Europese landen vinden brandstichtingen en sabotageacties plaats. Protesten tegen zendmasten en zorgen van burgers om straling zijn niet nieuw, maar het heeft nog niet eerder geleid tot extremistische protestacties in de vorm van de sabotage en brandstichting zoals in de afgelopen weken.
Door de er anti-5G- en anti-overheidsbewegingen doen verschillende complottheorieën de ronde, onder andere over een veronderstelde relatie tussen 5G-netwerken en de verspreiding van COVID-19. Het is voorstelbaar dat het plotselinge geweld mede is geïnstigeerd door complotdenkers met als doel de Nederlandse bevolking te «beschermen» tegen de – in hun ogen gevaarlijke – overheid. Mogelijk spelen verveling en frustratie gekoppeld aan gedwongen thuiszitten een rol. De politie doet onderzoek naar de verdachten en hun motieven. Of en in hoeverre er een verband is met soortgelijke brandstichtingen in het buitenland is onderwerp van het lopende onderzoek.
Hoe gemakkelijk is het om schade toe te brengen aan zendmasten en andere onderdelen van de 5G-infrastructuur? Wie is primair verantwoordelijk voor de beveiliging?
Omdat brandstichting in zendmasten tot enkele weken geleden niet in Nederland voorkwam zijn zendmasten hier tot heden niet specifiek tegen beveiligd.
Bovendien staan zendmasten in het buitengebied afgelegen. De eigenaren van de betreffende grond, zendmasten en (telecom)infrastructuur zijn primair verantwoordelijk voor de beveiliging. Dit kan soms een exploitant van masten zijn, en soms de mobiele operator zelf.
Zijn deze incidenten voor u reden om, in samenspraak met telecomproviders, de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en andere betrokken partijen (bijvoorbeeld gemeenten) de kwetsbaarheid en beveiliging van zendmasten en 5G-infrastructuur opnieuw tegen het licht te houden en (extra) maatregelen te overwegen? Bijvoorbeeld vanwege het «copycat-effect»?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) staat in nauw overleg met de sector, het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en de politie om te bezien in hoeverre aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Het is op dit moment te vroeg om in te gaan op specifieke beveiligingsmaatregelen.
Is uw indruk dat gemeenten voldoende klaar zijn voor de uitrol van 5G in Nederland, ook waar het gaat om het veiligheidsvraagstuk?
Ja, bijvoorbeeld VodafoneZiggo biedt sinds 28 april jl. 5G aan in de helft van Nederland en belooft eind juli landelijke dekking te hebben. Om ook de verdere uitrol van 5G in de komende jaren soepel te laten verlopen en gemeenten daarop voor te bereiden, voert EZK specifiek beleid gericht op ondersteuning van gemeenten. Veel van deze acties vloeien voort uit het Actieplan Digitale Connectiviteit2, maar daaraan worden naar behoefte ook nieuwe acties toegevoegd. Zo is EZK in het najaar van 2019 het gesprek aangegaan met meer dan 200 gemeenten en provincies over de uitdagingen rondom de uitrol van nieuwe telecommunicatienetwerken waaronder 5G door middel van zeven regionale gesprekstafels. Het antennebureau vernieuwt dit jaar haar modelverordening lokaal antennebeleid, het Kennisplatform EMV heeft deze maand nieuwe informatie ontsloten over de mogelijke gezondheidseffecten van straling speciaal gericht op gemeenten. Periodiek overleggen gemeenten, operators en het Rijk met elkaar in het antennebeleidsoverleg. Recentelijk is in dat overleg besloten het huidige antenneconvenant eind van dit jaar opnieuw te verlengen omdat het blijkt te voldoen aan de behoeften van de betrokken partijen.
Ondertussen vernemen wij dat operators en gemeenten elkaar – mede naar aanleiding van de gesprekstafels – steeds beter weten te vinden: meer een meer gemeenten en operators gaan vooraf met elkaar om de tafel om een plaatsingsplangesprek te voeren waarin partijen het gesprek aangaan om te bekijken wat geschikte locaties zijn voor de plaatsing van nieuwe antennes. Ten slotte hanteert EZK sinds eind 2019 een nieuwsbrief waarin het gemeenten maandelijks bijpraat over nieuwe ontwikkelingen en nieuwe tools ter ondersteuning ten aanzien van de uitrol van nieuwe telecomnetwerken, waaronder 5G.
Op het punt van de veiligheid van C2000-masten heeft de Landelijke Eenheid van de Politie de lokale basiseenheden geïnformeerd over de recente brandstichting in zendmasten, met het verzoek om extra toezicht te houden. Via de lokale driehoek kan besloten worden om ook gemeentelijke handhavers te betrekken bij de aanpak van het vandalisme.
Het bericht dat de coronamaatregelen door een tbs-kliniek niet nageleefd (kunnen) worden |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Heeft u kennisgenomen van de noodkreet van medewerkers en tbs-patiënten van het forensisch psychiatrisch centrum (fpc) Oostvaarderskliniek in Almere, dat richtlijnen van het RIVM met voeten worden getreden?1
Ja.
Gelden de coronamaatregelen ook voor tbs-klinieken? Zo ja, hoe wordt erop toegezien dat de tbs-klinieken zich ook aan de regels houden? Kunt u garanderen dat alle tbs-klinieken zich aan de maatregelen houden? Zo nee, waarom niet?
Ja, vanzelfsprekend werken de klinieken conform de geldende richtlijnen en maatregelen. Ik zie dat de klinieken hard en toegewijd werken. DJI staat in nauw contact met de klinieken, hieruit blijkt dat ze erg hun best doen om hun werk binnen de geldende richtlijnen in de huidige situatie zo goed mogelijk te doen. Ik heb daarvoor veel waardering, als ook voor de inzet en betrokkenheid van de medewerkers.
Is er voor al het personeel dat in tbs-klinieken werkt voldoende beschermend materiaal, bijvoorbeeld handschoenen en mondkapjes, zodat zij elke dag beschermd hun werk kunnen doen? Zo ja, is het ook verplicht voor medewerkers om dit te gebruiken? Zo nee, waarom niet en hoe snel denkt u dit wél geregeld te hebben?
Als het gaat om persoonlijke beschermingsmiddelen volgt DJI voor tbs-klinieken onverkort de richtlijnen van het RIVM inzake de (intramurale) ggz. Medisch personeel of medewerkers die in contact komen met mogelijk besmette patiënten gebruiken beschermingsmiddelen. Voor het hanteren van deze richtlijnen zijn vooralsnog voldoende beschermingsmiddelen beschikbaar.
Wordt al het personeel dat in tbs-klinieken werkt getest op het dragen van het coronavirus, ook als zij (nog) geen symptomen vertonen? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te realiseren? Bent u ook bereid personeel te laten testen op de aanwezigheid van antistoffen in het bloed?
DJI volgt voor tbs-klinieken de richtlijnen van het RIVM inzake testbeleid voor medewerkers in de ggz. Medewerkers met corona-gerelateerde klachten die werkzaam zijn in een tbs-kliniek kunnen worden getest na advies van de bedrijfsarts. Betrouwbare antistoffentesten zijn op dit moment nog niet beschikbaar. Op dit moment onderzoekt het RIVM nog welke antistoffentest het meest betrouwbare resultaat geeft.
Klopt het dat één werknemer van de tbs-kliniek in Almere op dit moment in het ziekenhuis ligt vanwege COVID-19? Zijn alle patiënten en collega-medewerkers waarmee deze persoon in contact is geweest getest op COVID-19? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog zo spoedig mogelijk te laten doen om verdere verspreiding zo veel als mogelijk te voorkomen?
Tot mijn spijt ben ik geïnformeerd over het trieste nieuws dat een medewerker van de tbs-kliniek in Almere aan de gevolgen van corona is overleden. Ik heb mijn medeleven betuigd aan de nabestaanden. De leiding van DJI staat in direct contact met zowel familie als medewerkers om steun te verlenen. Patiënten en medewerkers worden ook in deze situatie getest volgens het beleid van het RIVM. Bij ontwikkeling van klachten volgt direct thuisisolatie bij medewerkers of isolatie op de kamer in het geval van patiënten.
In welk opzicht helpt het dat de overdrachtsbijeenkomsten van medewerkers zijn ingekort? Het gaat toch niet om hoe lang mensen bij elkaar zijn, maar of zij voldoende afstand (minstens anderhalve meter) houden van elkaar? Wat wordt er in de tbs-klinieken aan gedaan om die anderhalve meter te allen tijde te respecteren?
Het verkorten van de duur van gezamenlijke bijeenkomsten zoals een overdracht helpt in het beperken van de risico’s. Ook kunnen dergelijke maatregelen nodig zijn vanuit efficiënte personele inzet. Tevens worden bewegingen in en uit de instellingen en binnen instellingen waar mogelijk vermeden, onder andere door het opschorten van bezoek en verloven. Zoals eerder genoemd wordt in de tbs-klinieken volgens de richtlijnen van het RIVM gewerkt. Daar waar bescherming kan worden gerealiseerd door 1,5 meter afstand te houden, gebeurt dat. Waar niet, daar worden op maat aanvullende beschermingsmaatregelen getroffen.
Kunt u deze vragen binnen een week beantwoorden?
Dat is tot mijn spijt niet gelukt.
Het niet naleven van coronavoorschriften op vliegveld Eindhoven |
|
Jasper van Dijk (SP), Cem Laçin |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht: «Volle vliegtuigen op «Asperge Airport» Eindhoven; luchthaven worstelt met die 1,5 meter»?1
Ik ben bekend met het bericht. Het Europees Luchtvaartagentschap EASA heeft op 26 maart 2020 richtlijnen uitgebracht voor het management van cabinepersoneel in relatie tot de uitbraak van het coronavirus.2 EASA beveelt Europese luchtvaartmaatschappijen onder meer aan om alle niet-essentiële interactie tussen cabinepersoneel en passagiers zoveel als praktisch haalbaar aan te passen om het risico op besmetting te reduceren. EASA heeft deze richtlijnen kenbaar gemaakt bij alle Europese maatschappijen. Mede op basis hiervan hebben luchtvaartmaatschappijen een groot aantal maatregelen genomen. Ook heeft Eindhoven Airport maatregelen genomen om te zorgen dat de in Nederland geldende maatregelen worden nageleefd.
Is het juist dat op vliegveld Eindhoven «vier keer per dag vliegtuigen met Roemenen en Hongaren landen die allemaal in donkere busjes verdwijnen»?
Uit navraag bij Eindhoven Airport blijkt dat in de week van 30 maart tot en met 5 april (de week van het verschijnen van het artikel in het Eindhovens Dagblad) in totaal 4 charters uit Roemenië op de luchthaven zijn geland in plaats van 4 per dag, waarmee Oost-Europese werknemers werden vervoerd. Het totaal aantal binnenkomende vluchten per dag lag in die week op 3 tot 5, waaronder vluchten vanaf London Stansted, die een ander profiel passagiers kennen dan waar het in dit artikel om gaat. Inmiddels ligt het aantal vluchten per dag op circa 3.
Klopt het dat Oost-Europese werknemers vanwege corona per vliegtuig aankomen omdat een lege bus die volgens de voorschriften rijdt duurder is dan een vol vliegtuig waarbij de regels worden genegeerd?
De luchtvaartmaatschappij dienen de Europese richtlijnen aan boord van hun toestellen na te leven. Daarnaast heeft Eindhoven Airport maatregelen genomen om de passagiers op de hoogte te stellen van de geldende Coronamaatregelen in Nederland en de boetes die staan op overtreding van deze voorschriften. Passagiers uit Oost-Europese landen worden sinds begin april in hun eigen taal gewezen op de geldende maatregelen. De luchthaven heeft de maatregelen opgeschaald en extra mankracht ingezet om de passagiersstromen beter te begeleiden bij het inchecken, de security en de bagageafhandeling.
Deelt u de mening dat de voorschriften rond corona hier grootschalig worden genegeerd en dat deze werkwijze onaanvaardbaar is?2
Zie antwoord vraag 3.
Is hier sprake van een economisch delict? Zo nee, waarom niet?
Nee, er is geen sprake van een economisch delict. Er gelden in dit kader geen voorschriften waarvan de overtreding een economisch delict oplevert. Als gezegd heeft de luchthaven maatregelen genomen om te voldoen aan de geldende maatregelen in Nederland. De luchthaven heeft de maatregelen opgeschaald en extra mankracht ingezet om de passagiersstromen beter te begeleiden en te informeren.
Waarom zijn deze vluchten niet onmiddellijk stilgelegd?
Er zijn geen beperkingen voor het vliegverkeer vanuit Europese lidstaten en daardoor worden de vluchten naar Eindhoven niet geweigerd. Alle Europese maatschappijen hebben de EASA-richtlijnen ontvangen en dienen deze richtlijnen doorvoeren in hun operaties. Lidstaten moeten toegang verlenen aan EU- ingezetenen. Ik zal de vluchten derhalve niet stilleggen. Op Eindhoven Airport worden de passagiers gewezen op het in acht nemen van de geldende maatregelen in Nederland. Er wordt gehandhaafd op gepaste afstand, ook in het gezamenlijk vervoer.
Welke maatregelen worden getroffen om het cabinepersoneel te beschermen tegen besmettingsgevaar?
Het is aan de luchtvaartmaatschappij, in dit geval Wizz Air, om maatregelen te nemen om het cabinepersoneel te beschermen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1 heeft EASA op 26 maart 2020 richtlijnen uitgebracht voor het management van cabinepersoneel in relatie tot de uitbraak van het coronavirus.
De precieze invulling hiervan verschilt per luchtvaartmaatschappij. Het contact tussen cabinepersoneel en passagiers wordt beperkt door alleen noodzakelijke handelingen uit te voeren. Onder meer de service aan de passagiers wordt in veel gevallen aangepast. Ook worden bemanningsleden in sommige gevallen uitgerust met beschermende middelen zoals mondkapjes en handschoenen.
Gaat u ervoor zorgen dat deze vluchten worden stilgelegd zolang ze niet voldoen aan de voorschriften? Zo nee, waarom niet?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 6 kunnen vluchten naar Eindhoven Airport niet worden geweigerd.
Het verbieden van samenkomsten buiten de publieke ruimte |
|
Maarten Groothuizen (D66), Joost Sneller (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van het opiniestuk «Noodverordening tegen samenkomsten bedreigt onze privésfeer»?1
Ja.
Leest u de noodverordeningen ook aldus dat het verbod op samenkomsten buiten de publieke ruimte (mede) zien op woningen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja. Het verbod op samenkomsten is een maatregel die noodzakelijk is om de verdere verspreiding van het Corona-virus tegen te gaan en vloeit voort uit een opdracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s. In de toelichting van de modelnoodverordening is opgenomen dat ook kan worden opgetreden tegen samenkomsten buiten de publieke ruimte, zoals «coronafeestjes» in studentenhuizen, garages, loodsen en dergelijke.
Kunt ingaan op de centrale stellingen van het opiniestuk, namelijk dat een verbod op samenkomsten buiten de publieke ruimte een te vergaande beperking is van de persoonlijke levenssfeer en het begrip «samenkomsten» onvoldoende is begrensd?
Op grond van artikel 7 van de Wet publieke gezondheid (Wpg) kan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) voorzitters van de veiligheidsregio’s opdragen hoe de bestrijding ter hand te nemen van een (direct dreigende) epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A. Om te voldoen aan deze opdracht zet de voorzitter van de veiligheidsregio zijn bestaande bevoegdheden op het terrein van openbare orde en ter beperking van gevaar in. Dit betreft onder meer de bevoegdheid om een noodverordening vast te stellen, in dit geval onder andere om een verbod in te stellen op «alle overige samenkomsten», dat wil zeggen andere samenkomsten dan vergunnings- en meldplichtige evenementen. Grondslag voor het vaststellen van de noodverordeningen is artikel 39 van de Wet veiligheidsregio's in combinatie met artikel 176 van de Gemeentewet. In zijn algemeenheid geldt dat een noodverordening voldoende bepaalde voorschriften moet bevatten om te kunnen worden nageleefd en gehandhaafd. Ook geldt dat voor zover voorschriften in een noodverordening een inperking vormen op grondrechten en mensenrechten deze voorschriften moeten passen binnen de beperkingssystematiek van de Grondwet, het EVRM, het EU-recht en ander internationaal recht. De voorzitters van de veiligheidsregio’s bepalen wanneer bestuurlijk wordt opgetreden tegen samenkomsten buiten de publieke ruimte met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en evenredigheid. Strafrechtelijk optreden vindt plaats onder het gezag van de officier van justitie. Wanneer wordt getreden in de persoonlijke levenssfeer dient terughoudendheid voorop te staan en is van belang dat optreden beperkt blijft tot verboden samenkomsten waarmee evident de volksgezondheid in gevaar wordt gebracht. Het is uiteindelijk aan de strafrechter of de bestuursrechter om te oordelen over het verbod en of het optreden in een concrete situatie de persoonlijke levenssfeer raakt.
Hoe verhoudt een verbod op samenkomsten buiten de publiek ruimte zich tot de artikelen 10 en 12 van de Grondwet?
In zijn algemeenheid geldt dat artikel 12 van de Grondwet regels bevat over het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Het vaststellen van een verbod op samenkomsten buiten de publieke ruimte betreft als zodanig geen binnentredingskwestie. Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet bevat ieders recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen. Het zal, ook bij een verbod dat (mede) ziet op een woning en dat zijn grondslag vindt in een noodbevoegdheid van de voorzitter van de veiligheidsregio, afhangen van de concrete situatie of dat verbod de persoonlijke levenssfeer daadwerkelijk raakt en is uiteindelijk aan de strafrechter of de bestuursrechter om in een concreet geval te beoordelen. Daarbij moet in ogenschouw worden genomen dat de betreffende maatregelen steeds moeten worden bezien in het licht van de bestrijding van een levensbedreigend virus. Daarbij rusten op de overheid eveneens verplichtingen om het leven en de gezondheid van haar burgers te beschermen.
Hoe verhoudt een verbod op samenkomsten buiten de publieke ruimte zich tot artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM)?
Ik stel voorop dat hoe het verbod op samenkomsten buiten de publieke ruimte zich verhoudt tot artikel 8 EVRM afhankelijk is van de concrete situatie. Als in excessieve situaties buiten de publieke ruimte wordt opgetreden, is het uiteindelijk aan de strafrechter of de bestuursrechter om dat optreden in het concrete geval te beoordelen in het licht van artikel 8 EVRM. Artikel 8 EVRM voorziet onder meer in het recht op respect voor privé en familieleven en de eigen woning. In zijn algemeenheid geldt dat bepaalde beperkingen op dit recht mogelijk zijn, indien in overeenstemming met de wet en noodzakelijk in een democratische samenleving. Artikel 8 EVRM noemt daarbij specifiek het legitieme doel van de bescherming van de gezondheid. Zoals aangegeven zijn de huidige maatregelen in een acute, onvoorziene crisissituatie tot stand gebracht in de vorm van noodverordeningen in opdracht van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op grond van artikel 7 van de Wet publieke gezondheid. Deze vormen een voor de ontstane crisissituatie belangrijk en noodzakelijk juridisch kader. Noodverordeningen passen binnen de wettelijke kaders van de Wet publieke gezondheid in samenhang met de Wet veiligheidsregio's, en in algemene zin kan dan ook worden gesteld dat noodverordeningen als zodanig Europeesrechtelijk voldoen als basis voor strafrechtelijke handhaving. Dat neemt niet weg dat, zoals beschreven in de brief die op 1 mei 2020 aan uw Kamer is verzonden, in een rechtsstaat noodverordeningen niet al te lang kunnen duren, mede met het oog op de voortdurende gevolgen voor de vrijheden en grondrechten van een ieder. Het kabinet vindt het belangrijk een aanvullend wettelijk instrumentarium te creëren voor de volgende fase waarin de crisisbestrijding terecht is gekomen. Daarom heeft het kabinet het voornemen om voor deze bijzondere situatie op korte termijn een voorstel in procedure te brengen voor tijdelijke wetgeving in formele zin die geldt in Europees en Caribisch Nederland, met daarin bepalingen over bevoegdheidsverdeling, maatregelen voor zover die vrijheden en grondrechten van burgers beperken, toezicht en handhaving, rechtsbescherming en procedurele waarborgen. Deze tijdelijke wetgeving zal bestaan in een aanvulling op het bestaande instrumentarium in de Wet publieke gezondheid en andere bestaande wetten en vormt dan tijdelijk een juridische basis voor een samenleving waarin een «anderhalvemeternorm» en hygiënenormen van groot belang zijn.
Op grond van welk samenstel van wettelijke bepalingen kan een (bijzondere) opsporingsambtenaar, een toezichthouder of een ambtenaar van de Koninklijke Marechausse (KMar) een woning betreden om vast te stellen of er een verboden samenkomst plaatsvindt?
Voorop staat dat toezichthouders en opsporingsambtenaren woningen mogen betreden als de bewoner hiervoor toestemming geeft. Hiervoor bestaat geen wettelijke bepaling en deze is ook niet nodig. Het binnentreden zonder toestemming van de bewoner is gereguleerd via de Algemene wet op het binnentreden en vereist in principe een schriftelijke machtiging. Mede afhankelijk van door een gemeenteraad gemaakte keuzes kan ook artikel 149a van de Gemeentewet een grondslag bieden. Deze bepaling geeft de gemeenteraad namelijk de mogelijkheid onder omstandigheden een binnentredingsbevoegdheid te regelen bij overtreding van een voorschrift van een verordening, dat strekt tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of tot bescherming van het leven of de gezondheid van personen. Strafvorderlijk geldt dat iedere opsporingsambtenaar een woning kan betreden ter aanhouding van de verdachte (artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering). Dit geldt dus bijvoorbeeld ten aanzien van mensen die daar aanwezig zijn uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld voortvloeit dat zij een noodverordening overtreden (artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering).
Hoe verhoudt het verbod op samenkomsten buiten de publieke ruimte zich tot u in het opiniestuk geciteerde uitspraak dat «[t]huis [.[in ons land nog altijd de privésfeer [is]?
Op de verhouding met de woning in relatie tot de privésfeer ben ik reeds in gegaan bij de beantwoording van vragen 3 t/m 5.
Bent u bereid om, in overleg met de voorzitters van de Veiligheidsregio’s, te komen tot een betere omschrijving van het begrip «samenkomsten»? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?
Vertegenwoordigers van de Veiligheidsregio’s zijn vanaf het begin betrokken geweest in de overleggen over de bestrijding van de coronacrisis. Vanaf het moment dat de eerste opdrachten op grond van artikel 7 Wet publieke gezondheid zijn gegeven, worden regelmatig ervaringen gedeeld uit de uitvoeringspraktijk. Ook juridische vraagstukken komen daarbij aan de orde, waaronder die rondom het begrip «samenkomsten». In dit verband is relevant dat, zoals bij de beantwoording van vraag 5 is vermeld, een wetsvoorstel in voorbereiding is waarin ook de normstelling rond samenkomsten wordt betrokken.
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Beantwoording eerder dan vandaag was niet mogelijk.
Het bericht dat een terrorist in Oman is opgehaald en naar Nederland is gebracht |
|
Theo Hiddema (FVD), Thierry Baudet (FVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Somaliëganger (38) opgepakt op Schiphol»?1
Ja.
Wanneer bent u erover geïnformeerd dat de 38-jarige man is afgereisd naar Somalië om zich aan te sluiten bij een of meerdere islamitische terreurorganisaties en deel te nemen aan de gewapende jihad?
In verband met de lopend strafzaak naar deze persoon kan ik niet ingaan op de details van deze specifieke casus.
Wanneer en op welke welke wijze heeft deze terrorist ooit de Nederlandse nationaliteit verkregen? Had hij naast de Nederlandse, nog een of meerdere andere nationaliteiten?
In verband met de lopend strafzaak naar deze persoon kan ik niet ingaan op de details van deze specifieke casus.
Van welke terroristische misdrijven wordt de man precies verdacht? Hoe bent u achter deze informatie gekomen?
Zoals gepubliceerd in het persbericht van het Openbaar Ministerie2 wordt de man verdacht van deelneming aan een terroristische organisatie. Hij zou in 2010 zijn uitgereisd naar Somalië om vermoedelijk deel te nemen aan de gewapende strijd van een of meer terroristische organisaties, zoals Al-Shabaab of Al Qaida. Het strafrechtelijk onderzoek is op dit moment gaande.
Wanneer, waarom en door wie is besloten om hem op zijn verzoek in Oman op te halen en naar Nederland te brengen?
Voor iedere Nederlandse uitreiziger is het beleid dat als een persoon zich meldt bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging er (consulaire) bijstand verleend wordt volgens de reguliere kaders gericht op een gecontroleerde terugkeer naar Nederland met het oog op vervolging en berechting. Daarbij worden ook de autoriteiten van het land in kwestie geïnformeerd, om lokale rechtspleging niet in de weg te staan. Bij terugkomst in Nederland worden zij aangehouden op grond van verdenking van een terroristisch misdrijf. Veroordeelden voor en verdachten van een terroristisch misdrijf worden op één van de speciale terroristenafdelingen (TA’s) geplaatst.
Houdt u er rekening mee dat het niet lukt om voldoende wettig bewijsmateriaal te verzamelen van de terroristische misdrijven die hij duizenden kilometers verderop heeft gepleegd?
Elke onderkende terugkeerder wordt bij terugkeer op Schiphol aangehouden. Het Openbaar Ministerie zal, indien het opportuniteitsbeginsel dit toelaat, een verdachte vervolgen voor deelname aan een terroristische organisatie. Buiten het strafrechtelijke kader zijn ook bestuursrechtelijke interventies mogelijk, bijvoorbeeld vanuit de tijdelijke wet bestuursmaatregelen terrorisme.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat deze man geen gevaar voor de Nederlandse bevolking vormt wanneer hij op vrije voeten wordt gesteld?
Om de risico’s die van jihadisten uit gaan te verminderen worden door alle relevante partners (internationaal, nationaal en lokaal) de beschikbare middelen ingezet. Tevens worden terugkeerders in een lokaal multidisciplinair casusoverleg besproken met het doel passende maatregelen te treffen. Op basis van een risico-inschatting wordt per geval bepaald welke maatregelen worden getroffen. Terugkeerders zijn onder andere onderwerp van strafrechtelijk onderzoek en kunnen onderwerp zijn van inlichtingenmatig onderzoek. Politie en AIVD maken bij onderkende terugkeerders een inschatting van de dreiging, houden hen daar waar mogelijk en noodzakelijk scherp in beeld en zijn alert. Na een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf kan bij een tweede nationaliteit ook het Nederlanderschap worden ingetrokken.
Heeft u onderzocht wat de mogelijkheden zijn om zijn Nederlandse nationaliteit af te pakken en hem als ongewenst vreemdeling te laten verklaren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek?
Zonder in te gaan op de details van deze casus is het algemeen beleid dat indien iemand is teruggekeerd naar Nederland en indien er sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 14, tweede lid aanhef en onder b, Rijkswet op het Nederlanderschap vindt een beoordeling plaats of het Nederlanderschap kan worden ingetrokken. Voorwaarde hiervoor is onder andere dat de persoon een tweede nationaliteit heeft, zodat betrokkene na intrekking van het Nederlanderschap niet stateloos wordt. Na intrekking van het Nederlanderschap wordt onder regie van de Dienst Terugkeer en Vertrek ingezet op vertrek naar het land van de tweede nationaliteit.
Hoeveel mensen zijn er naar schatting in totaal afgereisd vanuit Nederland naar Somalië om zich aan te melden bij een terroristische organisatie? Hoeveel van hen zijn teruggekeerd, hoeveel zijn omgekomen en hoeveel zijn nog in het buitenland?
Er zijn slechts enkele personen vanuit Nederland uitgereisd naar Somalië om zich aan te sluiten bij een terroristische organisatie, zoals Al-Shabaab of Al Qaida.
De repatriëring van Nederlanders in het buitenland |
|
Raymond de Roon (PVV), Thierry Baudet (FVD), Bram van Ojik (GL), Femke Merel Arissen (PvdT), Joël Voordewind (CU), Martijn van Helvert (CDA), Wybren van Haga (Lid-Haga), Sadet Karabulut (SP), Tunahan Kuzu (DENK), Kees van der Staaij (SGP), Lilianne Ploumen (PvdA), Sjoerd Sjoerdsma (D66), Lammert van Raan (PvdD), Henk Krol (VVD) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel Nederlanders zitten er volgens de tot u beschikbare informatie nog vast in het buitenland zonder dat zij op dit moment naar huis kunnen vliegen?
Op 8 april jl. is de registratie voor Bijzondere Bijstand Buitenland gesloten (ref. Kamerstuk 32 734, nr. 462). Alle aandacht gaat op dit moment uit naar het organiseren van de veilige thuiskomst van de resterende gestrande reizigers. Op het moment van sluiten van de registratie hadden zich in totaal ruim 25.000 gestrande Nederlandse reizigers geregistreerd.
Van de geregistreerde Nederlandse burgers zijn er circa 5.375 met 32 speciale vluchten – uitgevoerd in het kader van het «Convenant Bijzondere Bijstand Buitenland» – naar huis gebracht. Circa 10.000 geregistreerde reizigers wisten daarnaast, vaak met advies en ondersteuning van Buitenlandse Zaken, op andere wijze huiswaarts te keren of geven aan om andere redenen niet langer gebruik te willen of hoeven maken van Bijzondere Bijstand Buitenland. Op moment van schrijven staan nog circa 8.000 Nederlanders geregistreerd die hebben aangegeven bijstand te wensen bij terugkeer naar Nederland behoeven. Een deel van deze 8.000 Nederlanders verblijft overigens in landen van waaruit commercieel nog kan worden gevlogen. De speciale vluchten uitgevoerd in het kader van het «Convenant Bijzondere Bijstand Buitenland» richten zich op gestrande Nederlandse reizigers die geen beroep kunnen doen op een reisorganisatie of luchtvaartmaatschappij.
Hoeveel Nederlanders die zich op dit moment ingeschreven hebben op www.bijzonderebijstandbuitenland.nl bevinden zich nu nog in het buitenland?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u ermee bekend dat van de grote groep Nederlanders die tegen hun wil nog vastzitten in het buitenland, een aanzienlijk deel al meerdere malen tickets terug naar Nederland heeft gekocht zonder dat zij uiteindelijk van een vlucht gebruik konden maken, noch dat zij de kosten hiervan terugkrijgen?
Ik ben bekend met deze situatie. De coronacrisis brengt voor veel Nederlanders in binnen- en buitenland onzekerheden, vragen en problemen mee. Daar is veel begrip voor. Met de grootst mogelijke inspanning van personeel in Nederland en het buitenland, en in nauwe samenwerking met o.a. organisaties uit de reissector, verzekeraars, luchtvaartmaatschappijen wordt eraan gewerkt om gestrande Nederlandse reizigers in het buitenland te helpen zo snel mogelijk terug te keren naar Nederland.
Bent u ermee bekend dat van de grote groep Nederlanders die tegen hun wil nog vastzitten in het buitenland, een aanzienlijk deel gedwongen is tot hoge extra kosten voor verblijf, levensonderhoud, en bijvoorbeeld telefoonkosten voor contact met het thuisfront?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verhoudt de Nederlandse financiële regeling zich tot de regelingen van andere EU-landen voor repatriëring, zoals Duitsland, waarbij enkel de in de consulaire wet bepaalde kosten gedragen hoeven te worden door de reiziger?
De Nederlandse aanpak lijkt op de aanpak van een groot aantal andere EU-lidstaten en andere buitenlandse partners. Tot nu toe hebben – naast Nederland – verscheidene EU-lidstaten en het Verenigd Koninkrijk nationale repatriëringsvluchten aangemeld bij het Europees Civiel Beschermingsmechanisme (UCPM). De praktische vormgeving van die repatriëringsvluchten verschilt per lidstaat, vooral wat betreft de samenwerking met de private sector. In enkele EU-lidstaten worden ook vluchten bij een nationale luchtvaartmaatschappij gecharterd door de overheid.
Net als veel andere landen heeft Nederland er met het Convenant Bijzondere Bijstand Buitenland voor gekozen om in te zetten op het maximaal samenwerken met actoren uit de private sector (reisorganisaties, luchtvaartmaatschappijen, alarmcentrales, verzekeraars) bij een zelfstandige uitvoer van de vluchten. Op deze wijze legt Nederland een belangrijke focus op de eigen verantwoordelijkheid van de burger, meer dan in andere landen het geval is.
Het Verenigd Koninkrijk kent een systeem vergelijkbaar met Nederland, dat uit gaat van repatriëringsvluchten vanuit moeilijk bereikbare landen in aanvulling op reguliere commerciële vluchten. Voor deze repatriëringsvluchten wordt net als in Nederland een eigen bijdrage gerekend, bedoeld om de kosten van deze aanpak zoveel mogelijk te mitigeren.
Voor de volledigheid bevestig ik daarbij nogmaals dat de eigen bijdrage niet voldoende zal zijn om alle kosten van de veilige terugkeer te dekken. Gestrande reizigers leveren op die wijze een financiële bijdrage aan de daadwerkelijke kosten, die hoger zullen liggen.
Bent u het ermee eens dat het veilig terugkrijgen van deze groep Nederlanders de allerhoogste prioriteit moet hebben?
Ja. Het snel, veilig en gezond terughalen van Nederlandse reizigers uit het buitenland heeft de hoogste prioriteit. Wij zullen dan ook geen Nederlandse reiziger laten staan als het erop aan komt. Daarom is ook niet gekozen voor een betaling vooraf, maar om de bijdrage achteraf te verrekenen. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat het een complexe en unieke operatie gaat: het betreft hier ongekend grote aantallen reizigers en voor een succesvolle repatriëringsvlucht zijn we ook afhankelijk van de medewerking van de lokale autoriteiten. In sommige gevallen zal het niet mogelijk zijn om op korte termijn een veilige terugkeer naar Nederland te organiseren.
Bent u het ermee eens dat individuele financiële overwegingen of kosten geen obstakel voor repatriëring mogen zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid om Jordanië, Israël, Libanon en de Palestijnse Gebieden toe te voegen aan de lijst waarvoor het tarief van 300 euro geldt?
Ik ben bereid welwillend te kijken naar het verzoek om Jordanië, Israël, Libanon en de Palestijnse Gebieden toe te voegen aan de lijst waarvoor het tarief van 300 euro geldt.
Bent u bereid om een coulance-regeling te treffen voor bepaalde gevallen, bijvoorbeeld voor mensen die al hoge kosten hebben gemaakt voor verlengd verblijf, voor de aankoop van tickets die uiteindelijk geen heil boden, of voor mensen die in financiële problemen komen door de gevraagde bijdrage? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse consulaire bijstand gaat uit van een eigen verantwoordelijkheid van Nederlandse reizigers. Dit uitgangspunt is herhaaldelijk met uw Kamer besproken in de debatten naar aanleiding van de jaarlijkse «Staat van het Consulaire». Dit geldt ook in de huidige situatie als het gaat om de verantwoordelijkheid van reizigers om voor hun reis en onderdak te zorgen en waar mogelijk zelfstandig hun terugkeer te organiseren via commercieel beschikbare vluchten.
Om reizigers bij te staan in het maken van een geïnformeerde afweging over hun reis, publiceert het Ministerie van Buitenlandse Zaken voor elk land een reisadvies. Reeds op 17 maart jl. werd reizigers wereldwijd aangeraden alleen nog naar het buitenland te reizen indien strikt noodzakelijk, en wanneer zij reeds in het buitenland waren, om na te gaan of verblijf in het buitenland noodzakelijk was en of er mogelijkheden tot vertrek waren.
Toen bleek dat reizen vanuit sommige locaties niet langer mogelijk was, is het convenant Bijzondere Bijstand Buitenland opgezet om in deze uitzonderlijke omstandigheden gestrande reizigers te helpen die vastzitten in landen waar langs commerciële weg geen terugvlucht meer mogelijk is. Ik heb uiteraard begrip voor de onderliggende zorgen, wij zullen dan ook geen Nederlandse reiziger laten staan als het erop aan komt. Dat is ook de reden waarom niet is gekozen voor betaling vooraf, maar om bijdrage achteraf te verrekenen. Een dergelijke eigen bijdrage is logisch en passend omdat op deze wijze Nederlandse reizigers worden bijgestaan, het gelijkheidsbeginsel wordt toegepast, prudent met publieke middelen wordt omgegaan en eventueel misbruik waar mogelijk wordt tegengegaan. De verplichte bijdrage zal worden benut om de totale kosten van deze aanpak zoveel mogelijk te mitigeren en op deze manier zo veel mogelijk gestrande Nederlandse reizigers te kunnen helpen door de gezamenlijke inspanningen in het kader van de uitvoering van het «Convenant Bijzondere Bijstand Buitenland» met de alarmcentrales, de reisbranche, luchtvaartmaatschappijen, verzekeraars en de rijksoverheid.
Daarnaast zijn er serieuze gevolgen voor de overheidsfinanciën die voortkomen uit de ontwikkelingen rondom het Corona-virus, ook voor Buitenlandse Zaken en voor Consulaire zaken. In het licht van de eigen verantwoordelijkheid en de negatieve impact op de Rijksbegroting acht ik een coulanceregeling niet opportuun. Wel is voorzien in een zorgvuldig betaalsysteem, waarbij betalingsregelingen en gespreide verrekening mogelijk worden gemaakt.
De effecten van de coronamaatregelen op geweld achter de voordeur |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de plannen van Minister Schiappa in Frankrijk waar naar aanleiding van een stijging van 30 procent van het aantal meldingen over geweld achter de voordeur een noodpakket is gelanceerd met onder andere extra middelen, extra opvang en laagdrempelige meldpunten in supermarkten en apotheken?1
Acht u het wenselijk om, zoals in Frankrijk en Spanje reeds het geval is, een codewoord te introduceren voor het veilig melden van geweld achter de voordeur, bij bijvoorbeeld apotheken? Zo ja, bent u bereid hier per ommegaande in overleg met Veilig Thuis en andere ketenpartners werk van te maken? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het juist in lockdown-situaties voor slachtoffers extra lastig is om geweld te melden? Zo ja, deelt u dat het wenselijk is om, zoals in Frankrijk, slachtoffers de mogelijkheid te bieden per sms melding te doen van geweld achter de voordeur?
Bent u reeds bekend met de stijging van het aantal meldingen in Brabant en Friesland? Bent u bereid om met de te verwachten verdere toename van geweld achter de voordeur gedurende deze crisis extra aandacht te besteden aan het bereiken van slachtoffers en bieden van hulp? Zo ja, hoe gaat u de hulplijn van Veilig Thuis gedurende de coronacrisis breder onder de aandacht brengen in Nederland? Zo nee, waarom niet?2 3
Bent u bekend met de oproep van Kinderombudsvrouw Kalverboer om kinderen in onveilige thuissituaties naar school te halen? Deelt u de wens dat kinderen die opvang krijgen omdat zij in onveilige thuissituaties zitten, ook op veiligheid moeten kunnen rekenen als zij ziekteverschijnselen krijgen? Kunt u toelichten hoe wordt voorkomen dat deze kwetsbare kinderen wegens ziekteverschijnselen alsnog thuis komen te zitten?4
De extreem-rechtse organisatie Feuertag Division |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving over de extreemrechtse organisatie Feuertag Division?1
Ja, ik heb kennis genomen van de berichtgeving over de extreemrechtse organisatie Feuerkrieg Division. De organisatie Feuertag Division is mij niet bekend.
Klopt het dat het openbaar ministerie (OM) in Den Haag op de hoogte is van de berichten die de Nederlandse leden van Feuerkrieg Division op internet plaatsen?
Het OM doet geen mededelingen over al dan niet lopende zaken.
Heeft het OM, de politie of de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst u, al dan niet uitvoerig, op de hoogte gebracht van de activiteiten van Feuertag Division, al dan niet in relatie tot de gebeurtenissen in Hanau op 19 februari jl.?
Het OM, de Nationale Politie noch de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst doet mededelingen over al dan niet lopende zaken. In algemene zin worden ontwikkelingen binnen het rechts-extremisme en de dreiging die daarvan uitgaat, scherp in de gaten gehouden.
Was de moordenaar van Hanau, Tobias R., ook lid van Feuertag Division, of een andere extreemrechtse organisatie?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitsluiten dat een dergelijke moordaanslag, waarbij negen mensen met een migratieachtergrond zijn omgekomen, ook in Nederland kan plaatsvinden?
Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) nr. 522 en de Kamerbrief naar aanleiding van de aanslag in Hanau3 is de rechts-extremistische scene in Nederland klein, gefragmenteerd en tot nu toe vrijwel geweldloos. De geweldsdreiging in algemene zin is beperkt, maar het rechts-extremistische (online) landschap is aan verandering onderhevig en is daardoor onvoorspelbaarder dan voorheen. Daarbij is het (online) taalgebruik steeds agressiever en opruiender geworden. Ook heerst er in rechts-extremistische kringen een grote fascinatie voor vuurwapens. In Nederland bestaat het risico voornamelijk uit rechts-extremistisch georiënteerde eenlingen die online inspiratie opdoen of uit gewelddadige eenlingen die copy-cat gedrag vertonen naar aanleiding van aanslagen in het buitenland, zoals ook beschreven in het jaarverslag 2019 van de AIVD. Het gebruik van geweld door (snel radicaliserende) rechts-extremistische eenlingen of kleine groepen is een reëel risico volgens NCTV en AIVD.
Welke acties onderneemt u om een dergelijke terroristische moordaanslag in Nederland te voorkomen?
Het kabinet zet zich in om de rechts-extremistische dreiging tegen te gaan en te voorkomen dat mensen radicaliseren. Zo wordt de lokale, persoonsgerichte aanpak ingezet wanneer er sprake is van radicalisering of rechts-extremistische uitingen door individuen, met als doel de dreiging die van een persoon uitgaat te onderkennen en daarop te interveniëren. Op landelijk niveau zet de overheid zich in om terroristische en extremistische uitingen, zowel online als offline, geen vat te laten krijgen op de samenleving. Wanneer er sprake is van extremistische gedragingen die een vermoeden van een strafbaar feit opleveren, kan het Openbaar Ministerie een strafrechtelijk onderzoek instellen en indien opportuun overgaan tot vervolging. Het Rijksopleidingsinstituut tegengaan Radicalisering (ROR) biedt trainingen aan voor professionals om rechts-extremisme te herkennen en handelingsvaardigheid te bevorderen. De NCTV en de Expertise unit Sociale Stabiliteit (SZW) ondersteunen gemeenten met advies over beleid en (lokale) aanpak. Indien daar aanleiding toe is kan de AIVD een onderzoek starten. Op de werkwijze van de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten kan ik niet ingaan.
Wat gaat u ondernemen tegen de activiteiten van Feuertag Division in Nederland?
Indien er concrete aanwijzingen zijn voor een dreiging in Nederland of richting Nederlandse belangen zal daartegen worden opgetreden. Ook partnerlanden houden de dreiging nauwlettend in de gaten en acteren daarop wanneer nodig. In mijn antwoord op vraag 6 ga ik nader in op de aanpak van rechts-extremisme.
Ten aanzien van de Feuerkrieg Division en soortgelijke organisaties dient benadrukt te worden dat deze organisatie geen robuuste presentie heeft in de publieke ruimte in Nederland. Er is hier geen sprake van een traditionele organisatie. Het gaat om individuen die, verspreid over ruim 15 landen, verbinding zoeken op het internet via fluïde verbanden met gemeenschappelijk fascistisch en neonazistisch gedachtengoed.
Klopt het dat deze organisatie mede wordt geleid vanuit Nederland?
Er is geen sprake van een traditionele organisatie met een duidelijke of formele leiding. De organisatie betreft een fluïde verband waarin personen zich als leider trachten te profileren.
In algemene zin kan ik stellen dat rechts-extremistische online verbanden de laatste jaren een sterk grensoverschrijdend karakter ontwikkeld hebben en zich richten op internationale onderwerpen, waardoor zij verschillende groepen pogen te verenigen en de versplintering binnen het rechts-extremisme proberen tegen te gaan. Eventuele Nederlandse presentie op dit soort fora wordt uiteraard serieus genomen.
Welke rol speelt de persoon die volgens het artikel deze organisatie zou leiden hierin?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele personen. In algemene zin kan ik u melden dat personen die een dreiging vormen voor de nationale veiligheid nauwlettend in de gaten worden gehouden. Het OM, politie, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en andere betrokken organisaties zijn alert. Wanneer er sprake is van extremistische gedragingen die een strafbaar feit opleveren, kan het Openbaar Ministerie onderzoek instellen en overgaan tot vervolging.
Klopt het dat Feuertag Division een rassenoorlog wil ontketenen en daartoe aanslagen wil plegen? Wat gaat u doen om dit te voorkomen?
In algemene zin kan ik melden dat op veel online rechts-extremistische fora verering van het fascisme, Hitler en neonazisme voorkomt, waarin ook theorieën worden verspreid dat overheden bewust migranten toelaten om rassenvermenging te bespoedigen. In sommige gevallen komt online ook verering van geweld voor om de rassenvermenging tegen te gaan. Het is onacceptabel als personen buitenwettelijke (gewelds)-middelen inzetten tegen andere groepen. In mijn antwoord op vraag 6 ga ik nader in op de aanpak van rechts-extremisme.
Klopt het dat deze organisatie een aanslag zou willen plegen op de Nederlandse politici Mark Rutte en Jesse Klaver? Wat gaat u doen om dit te voorkomen?
Ik kan geen uitspraken doen over concrete casuïstiek. In algemene zin geldt dat er op internetfora soms sprake is van het publiceren van (persoonlijke) gegevens van een individu, het zogenaamde «doxing». Dit wordt uitermate serieus genomen. In het stelsel Bewaken en Beveiligen werken OM, politie, inlichtingen- en veiligheidsdiensten en bestuurlijke organisaties samen. Binnen dit stelsel is geregeld hoe op basis van dreigings- en risico-informatie tot beveiligingsmaatregelen wordt besloten en wie verantwoordelijk is voor de uitvoering. Over eventuele beveiligingsmaatregelen wordt vanzelfsprekend geen mededeling gedaan.
Klopt het dat de fietsroute die Mark Rutte aflegt tussen zijn woning en het Binnenhof, op Telegram is gezet?
Zie antwoord vraag 11.
Klopt het dat deze organisatie het coronavirus wil verspreiden onder bepaalde bevolkingsgroepen?
Op verschillende internationale webfora als 4chan en 8kun worden rechts-extremisten opgeroepen COVID-19 te gebruiken als biologisch wapen tegen bijvoorbeeld moslims en joden. In Nederland is tot nu toe geen sprake van signalen van dergelijke acties of online oproepen daartoe. Ook in Europa is hier nauwelijks sprake van.
Welke acties gaat u ondernemen om deze extreemrechtse organisatie op te sporen, uit te schakelen en zijn leden te vervolgen?
Zie antwoord 6.
De aangenomen noodwet van de Hongaarse president Orbán |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het Hongaarse parlement op 30 maart 2020 instemde met de omstreden noodwet, die regeren per decreet voor onbepaalde tijd mogelijk maakt?1
Ja.
Wat is uw reactie op het feit dat de Hongaarse regering nu voor onbepaalde tijd zonder tussenkomst van het parlement besluiten kan maken en wetgeving buiten werking kan stellen?
Wat is uw reactie op de bepaling die het mogelijk maakt journalisten tot vijf jaar gevangenis op te leggen wanneer zij nepnieuws of «onwaarheden» verspreiden die het overheidsbeleid frustreren?
Deelt u de mening dat ondanks dat de coronacrisis om uitzonderlijke maatregelen vraagt, deze wet beginselen van de democratische rechtsstaat met de voeten treedt?
Bent u van mening dat de huidige situatie in Hongarije voldoet aan de vereisten van een democratische rechtsstaat zoals gesteld in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie? Zo ja, waarom? Zo nee, bent u bereid uw zorgen over deze wetgeving over te brengen aan uw Hongaarse ambtsgenoot en uw ambtsgenoot hierop aan te spreken?
Bent u bereid deze zorgelijke situatie in de eerstvolgende Raad Algemene Zaken aan de orde te stellen, samen met gelijkstemde landen?
Kunt u toelichten hoe deze situatie de artikel 7-procedure tegen Hongarije beïnvloedt?
De artikel 7-procedure jegens Hongarije vindt sinds het initiëren ervan door het Europees parlement op 12 september 2018 zijn voortgang in de Raad. De procedure ziet op die onderwerpen die zijn opgenomen in het met redenen omklede voorstel van het Europees parlement. De op 30 maart jl. aangenomen noodwetgeving als zodanig valt daar in beginsel niet onder, al zullen specifieke onderdelen of toepassingen ervan mogelijk wel vallen onder onderwerpen uit het met redenen omklede voorstel. Inmiddels hebben twee hoorzittingen met Hongarije plaatsgevonden in het kader van de artikel 7-procedure, en wordt de stand van zaken van de procedure ook regelmatig op de agenda van de Raad Algemene Zaken geplaatst. Het kabinet zal zich hiervoor samen met gelijkgezinde lidstaten blijven inspannen, en hoopt dat de politieke druk die regelmatige agendering van de procedure meebrengt zijn vruchten zal afwerpen. Het afzien van de Hongaarse regering vorig jaar om een aparte bestuursrechtelijke kolom in te voeren moet mede in dat licht gezien worden.
Deelt u de overtuiging dat zogeheten conditionaliteit in de Europese meerjarenbegroting moet worden ingevoerd, dat wil zeggen dat Europese subsidies kunnen worden ingetrokken wanneer de rechtsstaat met de voeten getreden wordt? Kunt u toelichten hoe u zich hiervoor ingezet heeft en welke stappen bent u van plan de komende tijd te zetten om conditionaliteit in de begroting te waarborgen?
Nederland is uitgesproken voorstander van een koppeling tussen ontvangst van EU-middelen en de naleving van rechtsstatelijkheidsbeginselen, gelet op de zorgen die bestaan over de rechtsstaat. Sterke conditionaliteiten zijn voor Nederland onlosmakelijk verbonden met een moderne EU-begroting. Het kabinet zal zich in de MFK-onderhandelingen blijven inzetten om een zo sterk en effectief mogelijke conditionaliteit inzake rechtsstatelijkheid de eindstreep van de MFK-onderhandelingen te laten halen.
Kunt u de stand van zaken toelichten met betrekking tot de jaarlijkse rechtsstatelijkheidstoets die de Europese Commissie (COM (2019) 163 final) vorig jaar april heeft voorgesteld? Hoe heeft u, gelet op de motie Paternotte/Omtzigt (Kamerstuk 21 501-02 nr. 2043), zich hiervoor ingezet? Klopt het dat deze toets dit jaar voor het eerst zal plaatsvinden?
Bij de bespreking van de toetsingscyclus in de Raad Algemene Zaken op 16 september 2019 heeft het kabinet zijn steun voor de toetsingscyclus uitgesproken. Tevens heeft Nederland daar in lijn met de motie-Paternotte/Omtzigt een brede reikwijdte bepleit, evenals als het betrekken van externe experts. Het kabinet is verheugd dat de Commissie dit in de door haar gedeelde modaliteiten voor de toetsingscyclus heeft overgenomen. Het is verder juist dat de door de Commissie aangekondigde jaarlijkse toetsingscyclus voor de rechtsstaat dit jaar voor het eerst zijn beslag zal krijgen. De Commissie heeft de lidstaten verzocht in mei daartoe input te verstrekken met betrekking tot de situatie van de nationale rechtsstaat. Het kabinet is voornemens de Nederlandse inzending publiek te maken. Op basis van de input van lidstaten, justitiële netwerken, ngo’s en andere relevante actoren zal de Commissie vervolgens begin van het najaar haar eerste jaarlijkse rapport presenteren. Dit zal vervolgens onderwerp zijn van bespreking in de Raad Algemene Zaken tijdens zijn jaarlijkse rechtsstatelijkheidsdialoog. Deze zal hoogstwaarschijnlijk later dit jaar plaatsvinden onder Duits voorzitterschap. Het kabinet zet er tevens op in dat ook in de JBZ-raad een dialoog over rechtsstatelijkheid gebaseerd op elementen uit de toetsingscyclus zal worden gevoerd. Het is voor het kabinet van cruciaal belang dat alle lidstaten aangesproken moeten kunnen worden op het naleven van waarden als de rechtsstaat waaraan zij zich vrijelijk hebben gecommitteerd. De rechtsstaat is het fundament waarop het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten is gebaseerd; erosie daarvan gaat ons allen daarom aan. Adequate follow-up van de toetsingscyclus zal voor Nederland daarom een belangrijk aandachtspunt zijn.
Wat is de vervolgstap in de Raad wanneer de resultaten van de rechtsstatelijkheidstoets beschikbaar zijn? Wat is uw inzet hierbij? Hoe waarborgt u dat deze toets optimaal gebruikt wordt?
Zie antwoord vraag 9.
De website coronaverlies.nl |
|
Chris van Dam (CDA), Erik Ronnes (CDA), Hilde Palland (CDA) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de website coronaverlies.nl1 en de diensten die daar door Meldpunt Collectief Onrecht B.V. worden aangeboden?
Ja, overigens heb ik gezien dat de website coronaverlies.nl inmiddels offline is gehaald.
Bent u daarnaast bekend met de televisie-uitzending van Radar2, waarin Stichting Meldpunt Collectief Onrecht als misleidend wordt bestempeld om haar pogingen erf- en/of schenkbelasting via de Europese rechter terug te halen, en dat deze diensten tevens worden gepromoot op de website van coronaverlies.nl?
Ja.
Kunt u aangeven of de diensten en informatie die worden aangeboden op coronaverlies.nl daadwerkelijk bedoeld zijn om ondernemers te helpen om schade aangericht door de coronacrisis te verminderen, of bent u van mening dat dit niets meer is dan een crimineel die probeert een slaatje uit de coronacrisis te slaan door ondernemers die door de coronacrisis al in zwaar weer verkeren te duperen?
Het is niet aan het kabinet om te beoordelen of diensten die worden aangeboden op websites als coronaverlies.nl legitiem zijn. Indien ondernemers van mening zijn dat zij zijn opgelicht, kunnen zij hiervan aangifte doen. Het is vervolgens aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of er sprake is van een redelijk vermoeden van een strafbaar feit en of er een strafrechtelijk onderzoek zal plaatsvinden. De strafrechter beoordeelt uiteindelijk of sprake is van enig strafbaar handelen.
Deelt u de mening dat coronaverlies.nl wel erg veel gelijkenissen vertoont met bijvoorbeeld Stichting Loterijverlies dan wel Loterijverlies B.V. (bekend van loterijverlies.nl), waarvan Radar eveneens aantoonde dat een deel van het ingelegde geld in de zakken van de oprichter verdween?3
Zie antwoord vraag 3.
De in 2013 ingezette fraudemaatregelen door het kabinet naar aanleiding van de morele corruptie door targets bij de Belastingdienst en de relatie met de Ministeriele commissie aanpak fraude |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Mark Rutte (minister-president , minister algemene zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe reageert u op het oordeel van de Adviescommissie uitvoering toeslagen over het feit dat toezicht en fraudebestrijding bij de Belastingdienst «zichzelf moest terugverdienen» en dat dit een vorm van morele corruptie is?1
Ik ben het eens met dat oordeel. Tussen de Belastingdienst en de departementen waar besparingen op de programma-uitgaven werden verwacht is afgesproken dat als de besparingen van de extra maatregelen lager zouden uitvallen dan verwacht de betrokken departementen hiervoor gecompenseerd zouden worden door de Belastingdienst. Hoewel begrijpelijk, ben ik het eens met de conclusie van de Adviescommissie uitvoering toeslagen dat het niet gewenst is om de financiering afhankelijk te maken van de daadwerkelijke opbrengsten van fraudebestrijding. Het begrotingsbedrag kan daardoor taakstellend worden voor de opbrengst van de uitvoering en dat vind ik met de kennis van nu onwenselijk.
Kunt u aangeven welke afspraken in 2013 precies zijn gemaakt over het aanpakken van fraude en het mechanisme dat ze de inzet moesten terugverdienen?
In zijn brief van 10 mei 20132 heeft de Staatssecretaris van Financiën maatregelen aangekondigd ter voorkoming en bestrijding van fraude met toeslagen. Daarna heeft het Ministerie van Financiën overleg gevoerd met de opdrachtgevende Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om te bezien of zij bereid waren de extra uitvoeringskosten van de Belastingdienst te dragen, omdat de «opbrengsten» (lagere programma uitgaven) bij de departementen neerslaan. De extra uitvoeringskosten zijn berekend op € 25 miljoen per jaar voor de Belastingdienst en € 8 miljoen per jaar voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en koninkrijksrelaties, waarvan € 3 mln. structureel kan worden ingezet voor de gemeenten, die met het GBA-loket een belangrijke rol hebben bij het signaleren van fraude. Tussen de Belastingdienst en de departementen is afgesproken dat de implementatie en realisatie van de maatregelen intensief gemonitord zouden worden. Ook is afgesproken dat als de besparingen lager uitvallen dan € 33 miljoen per jaar de betrokken departementen gecompenseerd zouden worden door de Belastingdienst. In de Memorie van Toelichting van de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit3 worden de uitvoeringkosten van de Belastingdienst vermeld, en wordt aangegeven dat deze worden gedekt uit de besparing op de programma-uitgaven aan toeslagen. De afspraak over de dekking en de monitoring van de € 33 miljoen aan gezamenlijke uitvoeringskosten is vermeld in de toelichting op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor 20144.
Welke wetenschappelijke basis of welke adviezen lagen ten grondslag aan deze wijze van fraude opsporen? Kunt u deze naar de Kamer sturen?
Er heeft geen wetenschappelijk advies ten grondslag gelegen aan de wijze waarop gezocht is naar budgettaire dekking voor de extra uitvoeringskosten van de in mei 2013 aangekondigde maatregelen door middel van een business case en de daarop volgende monitoring van uitkomsten5.
Is het besluit voor het werken met een «business case», waarmee bepaalde investeringen in toezicht terugverdiend moesten worden, breder ingezet bij de rijksoverheid als gevolg van de afspraken uit 2013? Kunt u uw antwoord toelichten?2
Kosten-batenanalyses zijn in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 en van belang voor een doelmatige en doeltreffende aanwending van publieke middelen. Dergelijke analyses zijn dan ook gebruikt bij het uitwerken van maatregelen tegen fraude.7 De in deze analyses geraamde opbrengsten hebben als zodanig geen taakstellend karakter, maar dienen slechts om een beeld te geven van de te verwachte resultaten.
Kunt u aangeven of de gekozen aanpak om fraudeopsporing zichzelf te laten terug betalen onderdeel is geweest van overleg en besluitvorming van de Ministeriële Commissie Aanpak Fraude? Zo ja, kunt u aangeven wat er besproken en besloten is op welk moment?
De ministeriële commissie Aanpak Fraude is 11 keer bijeengekomen, waaronder 1 keer pro forma, tussen 3 september 2013 en 9 juni 2015. Tot de oprichting van deze tijdelijke commissie is besloten in de ministerraad van 14 juni 2013. De doelstelling was om een bijdrage te leveren aan een rijksbrede aanpak van fraude met publieke middelen. De ministeriële commissie Aanpak Fraude richtte zich daarbij voornamelijk op departement overstijgende onderwerpen zoals gegevensuitwisseling, mogelijke frauderisico’s met rijkssubsidies en identiteitsfraude. In de ministeriële commissie Aanpak Fraude is tevens gesproken over kosten-batenanalyses van maatregelen tegen fraude. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven zijn dergelijke analyses niet ongebruikelijk en in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016.
Morele corruptie bij de Belastingdienst door het stellen van een minimumbedrag voor het terugvorderen van toeslagen |
|
Renske Leijten (SP) |
|
Alexandra van Huffelen (staatssecretaris financiën) (D66), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven welke minimumbedragen voor het terugvorderen van toeslagen gehanteerd zijn door de Belastingdienst/Toeslagen? Kunt u dit aangeven per jaar dat de minimumbedragen gehanteerd zijn?1
Om uw goed te kunnen beantwoorden is het van belang om kort te schetsen wat de context is waarin de Businesscase Intensivering Toezicht Toeslagen in 2013 tot stand is gekomen. De Dienst Toeslagen van de Belastingdienst verstrekte in die tijd jaarlijks ca. 9 mln. toeslagen aan ca. 6,9 mln. aanvragers. Deze toeslagen werden in maandelijkse voorschotten uitbetaald. Er werden ca. 1,1 miljoen nieuwe aanvragen en ca. 6,3 miljoen mutaties verwerkt en ongeveer € 12 mld aan toeslagen uitgekeerd. Binnen de wettelijke termijn van 8 weken werden voorschotten toegekend, voordat controle kon plaatsvinden. Na controle werd, indien aan de orde, teruggevorderd of terugbetaald. In de regel gebeurde dat, tot wel twee jaar, na het moment van uitbetaling. Dat was bij de opzet van het toeslagen-stelsel een politieke keuze, maar tegelijkertijd maakte dat het systeem kwetsbaar voor misbruik. Dit leverde destijds een spanningsveld op tussen dienstverlening enerzijds en fraudebestrijding anderzijds. De nadruk kwam door concrete fraudezaken, zoals de toeslagfraude door Bulgaren, steeds meer op fraudebestrijding te liggen.
Door de gekozen methodiek van voorschotten had Toeslagen tot 2012 niet de beschikking over alle informatie die nodig was om de rechtmatigheid van een toeslagaanvraag direct te kunnen valideren. De invoering van het Toeslagen-Verstrekkings-Systeem (TVS, per 1 januari 2012) maakte het meer dan voorheen mogelijk toezicht uit te oefenen in de voorschotfase. Daarvoor was het van belang om in een vroeg stadium al over de daarvoor benodigde informatie te beschikken. Deze werkwijze vereiste tevens een investering in de informatievoorziening in een context van de toen opgelegde taakstellingen en bezuinigingen. Deze werkwijze is vervolgens uitgewerkt en toegelicht in de Businesscase Intensivering Toezicht Toeslagen die als bijlage bij deze beantwoording is toegevoegd. Dergelijke kosten-batenanalyses zijn in lijn met artikel 3.1 van de Comptabiliteitswet 2016 en van belang voor een doelmatige en doeltreffende aanwending van publieke middelen. Deze analyses zijn dan ook gebruikt bij het uitwerken van maatregelen tegen fraude. Tussen de Belastingdienst en de departementen waar besparingen op de programma-uitgaven werden verwacht is in dit geval ook afgesproken dat als de besparingen van de extra maatregelen lager zouden uitvallen dan verwacht de betrokken departementen hiervoor gecompenseerd zouden worden door de Belastingdienst. Hoewel dit laatste begrijpelijk is, ben ik het eens met de conclusie van de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen dat het niet gewenst is om de financiering afhankelijk te maken van de daadwerkelijke opbrengsten van fraudebestrijding. Het begrotingsbedrag werd daarmee taakstellend voor de opbrengst van de uitvoering en dat vind ik onwenselijk.
De extra uitvoeringskosten van deze maatregelen zijn destijds berekend op € 25 miljoen per jaar voor de Belastingdienst en € 8 miljoen per jaar voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, waarvan € 3 mln. structureel kon worden ingezet voor de gemeenten, die met het GBA-loket een belangrijke rol hebben bij het signaleren van fraude. Tussen de Belastingdienst en de departementen is afgesproken dat de implementatie en realisatie van de maatregelen intensief gemonitord zouden worden. Ook is afgesproken dat als de besparingen van de extra maatregelen lager uitvallen dan € 33 miljoen per jaar de betrokken departementen gecompenseerd zouden worden door de Belastingdienst. In de memorie van toelichting van de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit2 worden de uitvoeringkosten van de Belastingdienst vermeld, en wordt aangegeven dat deze worden gedekt uit de besparing op de programma-uitgaven aan toeslagen. De afspraak over de dekking en de monitoring van de € 33 miljoen aan gezamenlijke uitvoeringskosten is vermeld in de toelichting op de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor 2014.3 De budgetoverheveling vanaf 2014 is structureel en geldt nog steeds, de monitoring van de opbrengsten is begin 2019 gestopt.
Kunt u aangeven welke berekeningen ten grondslag hebben gelegen aan het «terugverdienen» van extra personeel en een computersysteem? Kunt u deze «business case Fraude» naar de Kamer sturen?
In de bijlage treft u de bedoelde business case Intensivering toezicht Toeslagen aan.
De opbrengst van de maatregelen bestond uit de toeslagen die te hoog of onterecht aangevraagd bleken te zijn, en die nog niet uitbetaald waren. Als uitgangspunt werd gehanteerd dat zonder de maatregelen de correcties hadden plaatsgevonden in de fase van het definitief toekennen. Als een correctie bij definitief toekennen plaatsvindt, is het te hoge voorschot reeds uitbetaald en moet daarom teruggevorderd worden. Omdat dit door de maatregelen werd voorkomen, werd een inschatting gemaakt van het bedrag aan voorkomen terugvorderingen dat oninbaar zou zijn geweest.4 Dit werd beschouwd als opbrengst van de maatregelen. Als bij het toezicht bleek dat een reeds uitbetaald bedrag teruggevorderd moest worden, werd dit niet meegerekend als opbrengst.
Deze benadering is toegelicht in de Nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet aanpak fraude toeslagen en fiscaliteit. Daarin is eveneens aangegeven dat de fraudemaatregelen ertoe leiden dat ook onterechte aanvragen worden tegengehouden die niet als fraude te kwalificeren zijn.
Voor de monitoring van de opbrengst zijn, anders dan de business case aangeeft, opgelegde boetes niet meegeteld. Over de afgelopen jaren is ongeveer 8% van de aanvragen en mutaties die op grond van verhoogd risico geselecteerd zijn voor toezicht, naar boven bijgesteld omdat bij dit toezicht bleek dat de aanvrager recht had op een hoger bedrag dan uit zijn initiële aanvraag of mutatie volgde. De hogere toekenningen zijn niet in mindering gebracht op de gemeten opbrengst.
Klopt het dat tot in 2018 werkt is met het hanteren van een minimumbedrag dat koste wat kost gehaald moest worden? Zo ja, tot welke gevolgen heeft dit in dat jaar geleid – als het gaat om het aantal bezwaren en achterstanden van behandeling van bezwaren?
Zoals in de antwoord 1. is aangegeven is vanuit de programma-budgetten voor kinderopvangtoeslag en huurtoeslag een bedrag van € 33 miljoen structureel ingeboekt als dekking voor onder meer de € 25 miljoen extra uitvoeringskosten van de Belastingdienst. De implementatie en realisatie van de maatregelen zijn intensief gemonitord, mede omdat was afgesproken dat als de besparingen lager uitvallen dan € 33 miljoen de betrokken departementen gecompenseerd zouden worden door de Belastingdienst.
De monitoring door Toeslagen ging uit van € 25 miljoen per jaar aan opbrengsten. In 2015 en in 2018 heeft bijsturing plaatsgevonden op het aantal op grond van verhoogd risico in het toezicht te betrekken toeslagen, omdat de beoogde opbrengst voor één of meer van de toeslagen anders niet gehaald zou worden. Het aantal toeslagen dat in 2015 en 2018 op grond van verhoogd risico in het toezicht betrokken is, ligt met een aantal van ca. 33.000 alsnog onder het aantal dat in de bij antwoord 2. gevoegde business case verwacht werd (40.000–200.000 aanvragen en mutaties op jaarbasis). In de praktijk bleek dat het aantal wat mede gegeven de beschikbare capaciteit behandeld werd lager was dan de in de business case geraamde aantallen. De realisatie van de opbrengst van € 25 miljoen of € 33 miljoen heeft voor de jaren vanaf 2014 geen deel uitgemaakt van de managementafspraken binnen de Belastingdienst of van de kpi’s in het jaarcontract. De budgettoedeling binnen de Belastingdienst aan Toeslagen is evenmin afhankelijk gemaakt van de gemeten opbrengst.
In het antwoord op vraag 8 wordt ingegaan op het aantal ontvangen bezwaren en de tijdige afdoening van bezwaren.
Erkent u dat het opsporen van fraude ook moet plaatsvinden als het opsporen meer kost dan het oplevert? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ja, dat vind ik ook. Daarom wordt er niet meer gewerkt met een business case of de monitoring daarop.
Is het juist om te veronderstellen dat er door het moeten halen van een minimumbedrag bepaalde groepen met hoge toeslagen harder zijn aangepakt dan mensen met andere toeslagen? Kunt u uw antwoord toelichten?
In de businesscase intensivering toezicht toeslagen staat dat met de nieuwe maatregelen wordt voorkomen dat tot uitbetaling van onrechtmatige aanvragen wordt overgegaan en dat de systemen vervuilen. Toezicht in de voorschotfase voorkomt dat bedragen ten onrechte worden uitgekeerd die later moeten worden teruggevorderd. Als vóór de uitbetaling voorkomen wordt dat mensen een te hoog voorschot ontvangen, wordt ook voorkomen dat zij voor dit te hoge voorschot op een later moment een (mogelijk grote) terugvordering krijgen. De keuze zat daarmee voornamelijk in het naar voren halen van het reguliere toezicht om zo onjuiste of te hoge voorschotbetalingen te voorkomen. Het naar voren halen van het toezicht als zodanig is geen onderdeel van hetgeen de Adviescommissie Uitvoering Toeslagen heeft beschreven als «institutionele vooringenomenheid» in de context van een vermoeden van onrechtmatig handelen van een gastouderbureau, waarbij individuele kinderopvangtoeslagen gerelateerd aan dit gastouderbureau vanuit ditzelfde vermoeden behandeld zijn.
Is er door het halen van het minimumbedrag mogelijk «institutioneel vooringenomen» handelen ontstaan richting ouders die verweten werd onterecht kinderopvangtoeslag te hebben gekregen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u aangeven welke redenen ten grondslag hebben gelegen aan het staken van het werken met een minimumbedrag dat opgehaald moest worden met de fraude-opsporing? Kunt u aangeven wie dit besluit heeft genomen?
In 2018 heeft de Belastingdienst aangegeven dat de opbrengst van € 25 miljoen voor dat jaar niet gehaald zou gaan worden. Daarbij is aangegeven dat naarmate onjuiste aanvragen aan de voorkant voorkomen worden, de gemeten opbrengst afneemt. De voor toezicht geselecteerde aanvragen leidden minder vaak dan voorheen tot een correctie. Ook is geconcludeerd dat van de systematiek van rekenregels op jaarbasis voor de bepaling van de opbrengst een onjuiste prikkel uitgaat: omdat alleen de voorkomen uitbetaling van onterecht of te hoog aangevraagde voorschotten voor het restant van het lopende toeslagjaar in aanmerking werd genomen, leidde toezicht aan het begin van het jaar tot een hogere opbrengst dan toezicht dat later in het jaar uitgevoerd werd. Dit terwijl toezicht later in het jaar er ook voor kan zorgen dat de voorschottoekenning voor het volgende toeslagjaar goed is. Het besluit om te stoppen met de monitoring van de opbrengst is genomen in een ambtelijk overleg tussen het Ministerie van Financiën en de ministeries die beleids- en budgetverantwoordelijk zijn voor de verschillende toeslagen.
Hoe vaak heeft de Belastingdienst/Toeslagen te maken gehad met achterstanden bij bezwaren en beroep en wat is er met die achterstanden gebeurd? Kunt u hiervan een eerlijk overzicht geven?
In de jaren vanaf 2013 tot en met 2019 heeft Toeslagen in 2015 en 2016 de streefwaarde van 90%–95% voor het binnen Awb-termijn afdoen van bezwaren tegen definitieve toekenningen niet gehaald.
59.200
89.900
76.800
73.200
37.600
29.300
24.600
98%
94%
85%
83%
96%
94%
92%
De oorzaak van de niet-tijdige afhandeling van bezwaren hield enerzijds verband met een gebrek aan capaciteit en anderzijds met de grotere hoeveelheid ontvangen bezwaren. In 2014 en 2015 heeft Toeslagen te maken gehad met een grotere instroom van bezwaren, die samenhing met de versnelling van het definitief toekennen. Vanaf de laatste viermaanperiode van 2015 is de oplopende voorraad bezwaren aangepakt en zijn (tijdelijk) extra middelen ingezet. In 2016 is gekozen voor twee sporen. Met extra capaciteitsinzet is de oude voorraad zoveel mogelijk afgebouwd. Bij de nieuwe instroom was tijdige afdoening leidend. Over heel 2016 gezien was het niet realiseren van de norm voor de afwikkeling voor bezwaren binnen de Awb-termijn het gevolg van het afhandelen van de oude voorraad van vóór 2016. De nieuwe instroom werd wel in lijn met de norm voor tijdige afwikkeling afgehandeld. In 2019 zijn voorraden bezwaren gestegen, en is het aandeel bezwaren dat binnen Awb-termijn is afgedaan gedaald. Daardoor is Toeslagen het jaar 2020 begonnen met achterstanden.
Er bestaan op dit moment achterstanden bij de afdeling Beroep bij Toeslagen die zichtbaar worden in het niet halen van gewenste termijnen. Toeslagen slaagt er daarom niet in om binnen 4 weken na ontvangst van het beroepsschrift een verweerschrift in te dienen. In een groot deel van de zaken worden de op de zaak betrekking hebbende stukken (de inventarislijst) overlegd binnen de termijn van 4 weken. Er wordt in een meerderheid van de gevallen, binnen minimaal elf dagen voor de zitting, een verweerschrift ingediend. Ook is Toeslagen op een enkel, door overmacht veroorzaakt geval na, altijd vertegenwoordigd op de zitting.
Het tekort aan capaciteit voor beroepszaken is in 2019 door personeelsverloop opgelopen. De volgende maatregelen ter verbetering zijn sinds 2019 getroffen: Aan ervaren, naar andere functies binnen Financiën vertrokken medewerkers en aan medewerkers van andere onderdelen van de Belastingdienst is gevraagd om tijdelijk verweerschriften te schrijven en/of Toeslagen op zittingen te vertegenwoordigen. Daarnaast is gedurende 2019 en 2020 nieuw personeel geworven dat deels nog wordt opgeleid en ingewerkt. Deze maand wordt een plan van aanpak opgeleverd om de opgelopen achterstanden in het reguliere proces zo spoedig mogelijk in te lopen.
Zijn er meer onderdelen binnen de Belastingdienst die moesten voldoen aan minimumnormen? Zo ja, welke zijn of waren dit?
In de toelichting op beleidsartikel 1 Belastingen van de begroting van het Ministerie van Financiën zijn onder het kopje Toezicht als KPI’s de bruto opbrengst van de correctie voor respectievelijk aangiftebehandeling Inkomensheffing (voor Particulieren en MKB), aangiftenbehandeling Vpb voor het MKB en boekenonderzoeken MKB opgenomen.
De FIOD kent in beperkte mate normeringen bij zijn opsporingsactiviteiten. De afgelopen jaren is bij een aantal extra investeringen in de aanpak van fraude doelstelling afgesproken (afpakken van crimineel verworven vermogen). De daarmee samenhangende incassodoelstellingen bedragen in totaal € 128,3 mln. opbrengst per jaar. Daarbij wordt opgemerkt dat de realisatie van de incasso mede afhankelijk is van het Openbaar Ministerie (eventuele schikkingen en transacties) en de uitkomsten van rechtszittingen.
De berichtgeving omtrent de bewapening van boa’s |
|
Monica den Boer (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Ben u bekend met het bericht «Nieuwe maatregelen: burgemeesters blij, boa’s willen pepperspray»?1
Ja, ik heb kennis genomen van dit bericht.
Welke rol denkt u dat de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) zullen vervullen in het handhaven van de op 23 maart 2020 door u aangekondigde maatregelen omtrent het tegengaan van verspreiding van het coronavirus? Hebben zij voldoende bevoegdheden om deze maatregelen te handhaven?
Voor de handhaving van de aangekondigde maatregelen om verspreiding van COVID-19 tegen te gaan gelden noodverordeningen, vastgesteld door de voorzitters van de veiligheidsregio`s. Boa`s die werkzaam zijn in de domeinen I (openbare orde), II (milieu, welzijn en infrastructuur) en IV (openbaar vervoer) kunnen een rol krijgen bij de handhaving van deze noodverordeningen. Om deze boa`s bevoegd te maken is de Regeling domeinlijsten aangepast.2 In deze lijsten staat op welke feiten boa’s kunnen handhaven. In de veiligheidsregio’s worden vervolgens concrete afspraken gemaakt over de wijze waarop boa’s in deze domeinen worden ingezet.
Bent u van mening dat de huidige boa-uitrusting voldoet aan de taak die hen met deze nieuwe maatregelen te wachten staat? Worden de boa's voldoende beschermd tegen besmetting met het coronavirus?
De uitrusting van boa`s zoals bijvoorbeeld met bodycams en steekwerende vesten, waaronder tevens begrepen beschermingsmiddelen tegen besmetting met COVID-19, is in essentie een verantwoordelijkheid van de werkgevers van de boa`s. Zij beoordelen op lokaal niveau met welke uitrusting een boa wordt toegerust. Hetzelfde geldt voor andere beschermingsmiddelen, zoals mondkapjes.
Hoe verloopt op dit moment de samenwerking tussen boa’s en politie? In hoeverre is sprake van structurele informatie-uitwisseling tussen boa's en politie door middel van gezamenlijke briefings? Kan de politie op basis van locatie-informatie altijd voorzien in assistentie aan een boa in nood?
Het thema samenwerking tussen boa`s met de politie is onderdeel van de te vormen beleids- en uitvoeringsagenda, zoals ook genoemd in mijn brief van 16 december 2019.3 In deze agenda worden voorstellen gedaan voor verbeteringen in de (operationele) samenwerking tussen politie en boa’s en de veiligheid van boa’s bij de taakuitoefening. Het belang van een goede samenwerking tussen politie en boa’s wordt tevens onderschreven in de visie van de politie «Boa’s en politie, niet naast elkaar maar met elkaar», die per brief van 10 december 20184 de Kamer is aangeboden. Hierin wordt onder andere adequate informatiedeling tussen politie en boa’s en back-up (assistentieverlening) door de politie benoemd als uitgangspunten voor een goede onderlinge samenwerking.
Zowel de beleids- en uitvoeringsagenda als het visiedocument van de politie, besteden aandacht aan de mogelijkheden om de informatie-uitwisseling tussen de politie en boa’s verder te verbeteren. Hiertoe worden op steeds meer plaatsen gezamenlijke briefings gehouden, wordt gezamenlijk gesurveilleerd en wordt desgevraagd informatie overgedragen. De samenwerking tussen politie en boa’s geschiedt op basis van goede afspraken die op lokaal niveau worden gemaakt. Ondanks dat de intensiteit van samenwerking nog niet overal op gelijk niveau is, heb ik vooralsnog geen signalen ontvangen dat dit thans in de praktijk tot problemen leidt. Voor de handhaving van de maatregelen in het kader van de huidige noodverordeningen is dat niet anders.
Zijn alle boa’s in Nederland uitgerust met een goed werkende portofoon? Zo nee, waarom niet en per wanneer wel? Hebben zij via de portofoon altijd de mogelijkheid van contact met een regionale meldkamer?
Of, en zo ja, hoeveel, portofoons door een aangewezen gebruiker van C2000 aan een organisatie in gebruik worden gegeven, wordt in onderling overleg tussen de werkgevers van boa`s en de aangewezen gebruiker bepaald. Dit zogenoemde gelieerdengebruik is altijd op vrijwillige basis van de organisatie en gericht op de OOV-taak van de aangewezen gebruiker. Dit geldt ook voor het gebruik van C2000-portofoons door de boa’s die gelieerd zijn aan de politie. Iedere gebruiker van het C2000-netwerk kan door middel van de noodknop op zijn of haar portofoon contact opnemen met de meldkamer.
Deelt u de opvatting van de Bredase wethouder dat boa’s met meer verdedigingsmiddelen zouden moeten worden uitgerust, waar op 7 maart 2020 al toe opgeroepen is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?2
Zoals ook aangegeven in mijn brief van 16 december 20196 kunnen boa’s, indien noodzakelijk, voor hun taakuitvoering worden toegerust met handboeien en geweldsmiddelen. Afhankelijk van het domein waarin een boa werkzaam is betreft het de volgende geweldsmiddelen: wapenstok, pepperspray, vuurwapen en surveillancehond (gecertificeerde diensthond). Op lokaal niveau wordt op aanvraag van een werkgever bekeken of een geweldsmiddel conform de geldende beleidsregels kan worden toegekend. De aanvrager dient de noodzaak hiertoe en de bekwaamheid in de omgang met het betreffende geweldsmiddel aan te tonen. Toekenning van geweldsmiddelen geschiedt namens mij door de Dienst Justis, op advies van de (direct) toezichthouder. De wijze van beoordeling en toetsing blijft ook thans, met de COVID19 crisis, van toepassing
Bent u van mening dat indien boa’s de beschikking zouden krijgen over nieuwe taken, bevoegdheden, of middelen, er een aanpassing moet komen van de training, opleiding en professionalisering van boa's? Zo ja, wat is uw aanpak? Zo nee, waarom niet?
Vooralsnog zie ik daartoe geen noodzaak. Om aangesteld te kunnen worden als buitengewoon opsporingsambtenaar dient de functionaris aangetoond te hebben voldoende getraind, geoefend en vakbekwaam te zijn voor de taakuitoefening en daarnaast ook over voldoende vaardigheden te beschikken voor geweldstoepassing. Iemand beschikt over bekwaamheid als diegene daarvoor de vastgestelde basiskennis en vaardigheden bezit. Het basisbekwaamheidsexamen bestaat uit een deel rechtskennis en een praktijkgericht onderdeel waar de boa sanctionerend moet optreden. Hierop worden boa’s getoetst en beoordeeld. Bij een positief resultaat wordt een «getuigschrift boa» uitgereikt. Binnen een jaar na het behalen van het getuigschrift kan een titel van opsporingsbevoegdheid worden aangevraagd en kan betrokkene als boa worden beëdigd, aangesteld en aanvangen met de werkzaamheden.
Het optreden van de boa geschiedt binnen het palet van signaleren – aanspreken – waarschuwen en, indien nodig, feitelijk handhaven (en dus bekeuren). Ook dit handelingsperspectief is een onderdeel van de training, opleiding en vakbekwaamheid. Zowel theoretische kennis als de vaardigheden om sanctionerend op te treden en adequaat te handelen tijdens een dienstverlenings- en calamiteiten situatie worden geëxamineerd.
Wat is de stand van zaken in de uitvoering van de motie-Den Boer c.s. over een visie op de toekomst van de politiefunctie in Nederland? Kunt u concreet aangeven wanneer en hoe deze motie wordt uitgevoerd?3
Conform mijn toezegging aan uw Kamer, heb ik op 10 januari jl. de motie besproken met de (wnd.) voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Na dit gesprek is de uitvoering van de motie van start gegaan. In samenspraak met de WRR verken ik nu een te volgen traject om te komen tot het gevraagde in de motie. Het streven is om nog voor het zomerreces experts bijeen te brengen. Mede op basis van de inbreng van de experts wordt dit traject na de zomer vervolgd.
De maatregelen die worden getroffen in het gevangeniswezen in verband met het COVID-19 virus |
|
Michiel van Nispen |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
Op welke wijze vindt op dit moment overleg plaats met deskundigen, vertegenwoordigers van gevangenispersoneel en anderen om er voor te zorgen dat de maatregelen om verspreiding van het Coronavirus in het gevangeniswezen zoveel mogelijk te voorkomen zo effectief mogelijk zijn, in het belang van het personeel, de gedetineerden en familieleden, maar dat tegelijkertijd de rechtspositie van alle betrokken en de proportionaliteit in acht genomen worden?
Per brief van 13 maart bent u geïnformeerd over de maatregelen die de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) treft tot en met 31 maart treft om de verspreiding van COVID-19 binnen de inrichtingen tegen te gaan.1 Deze maatregelen worden verlengd tot 6 april. Het kabinet zal op 31 maart een besluit nemen over het vervolg van de aanpak van COVID-19. Op basis hiervan zal ik uw Kamer informeren over de gevolgen van dat besluit voor de executie van straffen en maatregelen.
Binnen DJI is een centraal crisisteam ingericht. Dit crisisteam overlegt dagelijks en onderhoudt intensief contact met onder andere het RIVM en de centrale ondernemingsraad van DJI. Driemaal per week wordt vanuit het crisisteam direct aan mij gerapporteerd. Daarnaast heeft elke penitentiaire inrichting (hierna: inrichting) een actieteam ingericht. Dit team coördineert per inrichting de maatregelen. De inrichtingen kunnen contact opnemen met het centrale crisisteam voor duiding en advies.
Alle maatregelen uit de brief van 13 maart zijn vooraf juridisch getoetst. Het stelsel van rechtsbescherming is niet aangepast. Gedetineerden kunnen als zij dat wensen tegen de maatregelen in beklag bij de commissie van toezicht.
Kunt u verduidelijken wat het protocol is wanneer de partner van een medewerker van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) alle symptomen van het Coronavirus vertoont? Moet de medewerker, die zelf geen symptomen vertoont gewoon komen werken of moet hij/zij dan thuis blijven?
Zoals ik in mijn brief van 13 maart jongstleden heb aangegeven geldt voor het personeel in de inrichtingen dat zij werken in een cruciale functie om Nederland draaiend te houden, vergelijkbaar met andere zorgverleners. Daarom wordt het advies gevolgd dat het RIVM heeft gegeven voor zorgverleners buiten de ziekenhuizen. Dit betekent dat medewerkers die geen corona gerelateerde klachten vertonen, kunnen blijven werken, ook indien hun partner corona gerelateerde klachten heeft. Een eventuele wijziging van de richtlijn van het RIVM wordt opgevolgd.
Wat doet DJI om personeel zich zo veilig mogelijk te laten voelen en zo verantwoord mogelijk hun werk te kunnen laten doen? Kunnen alle richtlijnen worden nageleefd? Wie bepaalt welke medewerkers en functiegroepen wel/niet verantwoord thuis hun werk kunnen doen? Waar kan personeel met Coronavirus gerelateerde vragen zich toe wenden?
Het werk dat medewerkers van DJI doen, is van cruciaal belang voor de samenleving, zij dragen bij aan een veiliger Nederland. Het beschermen van DJI personeel heeft dan ook hoogste prioriteit, juist nu hun werk extra uitdagingen kent. DJI heeft de maatregelen waarover ik u per brief van 13 maart heb geïnformeerd genomen om medewerkers en justitiabelen te beschermen tegen besmetting en de veiligheid in de inrichting te waarborgen.
De richtlijnen van het RIVM en de brede kabinetsmaatregelen zijn leidend bij de manier waarop de medewerkers op een veilige wijze hun werk kunnen uitvoeren. Medewerkers kunnen bij hun leidinggevende terecht met vragen, ook over de eventuele wenselijkheid om thuis te werken. De leidinggevenden bij DJI zijn geïnformeerd over de mogelijkheden om bijzonder verlof te verlenen of kort of langer durend zorgverlof.
Op welke wijze worden medewerkers in de Penitentiaire Inrichtingen en ook in het gevangenisziekenhuis (Justitieel Medisch Centrum voor Somatische Zorg, JCvSZ) op dit moment beschermd wanneer zij contact hebben met mogelijk besmette gedetineerden?
Medewerkers die gedetineerden verzorgen die mogelijk besmet zijn moeten goed worden beschermd tegen het virus. Zij krijgen minimaal een chirurgisch mondneusmasker en handschoenen. Daarmee volgt DJI de richtlijnen van het RIVM.
Zijn alle mensen die contact hebben gehad met besmette gedetineerden getest op het hebben van het Coronavirus, in het bijzonder de behandelend arts(en)?1
Nee. Net zoals dat buiten inrichtingen gebeurt, is het beleid dat bij een bevestigde besmetting de GGD bepaalt of er nader onderzoek naar de omgeving van de persoon wordt uitgevoerd.
Wat is er op dit moment nog mogelijk qua arbeid in detentie? Deelt u de mening dat arbeid op dit moment zo zinvol mogelijk ingericht zou moeten worden? Klopt het dat op dit moment in zes inrichtingen door gedetineerden mondkapjes gemaakt worden? Welke mogelijkheden zijn er om dit uit te breiden naar meer inrichtingen?2
Arbeid is nog steeds mogelijk en blijft aanbevolen als nuttige dagbesteding. Daarbij worden de richtlijnen van het RIVM zoveel mogelijk gevolgd ten aanzien van afstand en hygiëne. Groepsgroottes worden waar nodig ingeperkt om de voorschriften te kunnen waarmaken. Op dit moment worden in vijf inrichtingen mondkapjes geproduceerd. In enkele inrichtingen worden voorbereidingen getroffen deze te gaan produceren.
Klopt het dat gedetineerden in de zeer beperkt beveiligde inrichting (ZBBI-regime) hun straf zoveel mogelijk extramuraal uit mogen zitten? Wordt daarbij onderscheid gemaakt in gedetineerden waarbij wel of niet nog een hoger beroep loopt? Zo ja, waarom?
Zoals ik uw Kamer 13 maart jongstleden heb geïnformeerd, geldt voor personen aan het einde van hun gevangenisstraf in een zeer beperkt beveiligde inrichting dat zij buiten de inrichting verblijven in de vorm van een verloftoekenning. Hieraan kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals elektronisch toezicht. Gedetineerden die nog in afwachting zijn van het hoger beroep blijven in de inrichting op grond van voorlopige hechtenis. Het is aan de rechter voorbehouden om de voorlopige hechtenis op te heffen.
Krijgen gedetineerden van het ZBBI-regime die hun straf door de Corona-maatregelen buiten de muren van de gevangenis mogen uitzitten altijd een enkelband om? Zijn er genoeg enkelbanden beschikbaar om iedereen die op dit moment in het ZBBI-regime zit met een enkelband zijn straf buiten de muren van de gevangenis uit te laten zitten? Zo nee, hoe groot is het tekort aan enkelbanden ten opzichte van het aantal ZBBI-gedetineerden?
Alle ZBBI-ers die naar aanleiding van de corona-maatregelen buiten de inrichting mogen verblijven zijn onder elektronisch toezicht geplaatst. Op dit moment is er geen tekort. Om te voorkomen dat een tekort zou ontstaan zijn alle betrokken organisaties tevens hard bezig om de capaciteit uit te breiden.
Lukt het in het gevangeniswezen ook iedereen minstens anderhalve meter afstand van elkaar te laten houden? Is het, met dit advies in het achterhoofd, nog verantwoord om meerdere gedetineerden per cel te plaatsen? Zo ja, waarom? Zou het niet beter zijn om, uit voorzorg, gedetineerden op enkelcel te plaatsen? Welke mogelijkheden zijn er om nu het aantal meerpersoonscellen in ieder geval te verminderen?
Gedetineerden en personeel bewaren zo goed mogelijk anderhalve meter afstand van elkaar. Personeel wijst gedetineerden hier op, maar dit is ook een verantwoordelijkheid van gedetineerden zelf. Waar nodig zijn maatregelen getroffen om deze afstand te kunnen bewaren, bijvoorbeeld door het verkleinen van groepsgroottes.
Met de inzet van meerpersoonscellen wordt zorgvuldig omgegaan. Bij klachten die passen bij een corona-infectie wordt een persoon niet in een meerpersoonscel geplaatst. Signalen van mogelijke gezondheidsklachten worden direct opgevolgd. Deze maatregelen moeten voorkomen dat gedetineerden met verdenking van een corona-infectie verblijven bij gedetineerden zonder verdenking. De maatregelen waarover uw Kamer 13 maart is geïnformeerd hebben de instroom van gedetineerden beperkt en de uitstroom bevorderd. Er is daarom sprake van een daling van het meerpersoonscellengebruik. Dat biedt meer ruimte om personen in een eenpersoonscel te plaatsen.