De verkoop van Nederlandse MP5’s in een Maltese wapenhandel |
|
Martijn van Helvert (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw brief (van de Staatssecretaris van Defensie) van 10 december 2020 betreffende «Toezegging brief over verkoop handvuurwapens»?1 2
Ja.
Zien wij het goed dat in deze brief gesproken wordt over de verkoop van 1.275 stuks Glock handvuurwapens, daar waar in eerdere (media)berichten onzerzijds de indruk is ontstaan dat het om een beperkte partij Glocks ging en een grotere partij Heckler und Koch machinepistolen? Wanneer is u de exacte samenstelling van de verkochte partij duidelijk geworden?
Zoals ik in mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) heb aangegeven had de verkoop aan het desbetreffende Nederlandse bedrijf betrekking op 1.275 stuks Glock, 9 stuks m2.50 en 800 stuks MP5. Eerder is door RTLNieuws gevraagd of er een partij Glocks is verkocht. Dat is bevestigd.
Kunt u exact aangeven hoe de gunning van de verkoop aan het Nederlandse bedrijf is verlopen? Kunt u daarbij meer betekenis geven aan de zin «In 2019 heeft een Nederland bedrijf aangegeven geïnteresseerd te zijn in een deel van deze handvuurwapens»? Is er sprake geweest van een openbare inschrijving waarop partijen konden inschrijven of is direct gekoerst op één koper?
De voorgenomen verkoop is bekend gesteld onder de landen die vaker van Nederland kopen, via het netwerk van Defensie attachés en via contacten met leveranciers op de Defensiemarkt. Bij deze verkoop is na gesprekken gebleken dat er geen verkoopmogelijkheden aan landen waren, waardoor leveranciers op de Defensiemarkt in aanmerking kwamen en zijn gesprekken gevoerd met het betreffende Nederlandse bedrijf. De voorgenomen verkoop en de potentiële koper zijn ter verkrijging van toestemming voorgelegd aan de Commissie Verkoop Defensie Materiaal (CVDM). Naast het Ministerie van Defensie zijn het Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Financiën in de CVDM vertegenwoordigd. De CVDM heeft schriftelijk toestemming gegeven voor deze specifieke verkopen aan het betreffende Nederlandse bedrijf. Hierna zijn de onderhandelingen met het Nederlandse bedrijf afgerond en is het contract getekend.
Deelt u onze mening dat de verkoop van 2.084 handvuurwapens (1.275 stuks Glock, 9 stuks m2.50 en 800 stuks MP5) aan één wapenhandelaar niet anders kan betekenen dan dat u, althans de betrokken overheidsfunctionarissen, wisten dat zo’n grote partij nooit alleen verkocht kan worden op de Nederlandse markt en dat (dus) op voorhand duidelijk was dat deze wapens ook buiten Nederland verkocht gingen worden? Hoe verhoudt zich dit tot het staande beleid dat overtollige vuurwapens door de Nederlandse overheid in principe alleen in het buitenland worden afgestoten (aan andere overheden) na de gebruikelijke toetsing? Deelt u onze mening dat het onwenselijk is om zulke grote partijen te verkopen op de Nederlandse markt, hoezeer het ons ook bekend is dat een wapenhandelaar bij export een uitvoervergunning moet aanvragen?
De verkochte wapens waren niet in een erg goede staat en er was, zoals hierboven in het antwoord op vraag 3 aangegeven, geen verkoopmogelijkheid aan landen. Private partijen, zoals in dit geval het Nederlandse bedrijf, kunnen in de handelsketen een rol vervullen om, naast het verhandelen van wapens, diensten te leveren als het repareren of het reviseren van wapens alvorens die te verkopen. Het betreffende Nederlandse bedrijf beschikt over de noodzakelijke vergunningen om de hiervoor genoemde activiteiten te verrichten. Het bedrijf is daarnaast officieel dealer (licentiehouder) van de producent van de Glocks en de m2.50 en kan wapens in en buiten Nederland verkopen. Het Nederlandse bedrijf is voor nieuwe wapens geen licentiehouder of officieel handelsagent van de producent van de MP5 maar kan, mits in bezit van de vereiste vergunning(en), wel handelen in gebruikte MP5 wapens. Het bedrijf is gelet op het voorgaande niet afhankelijk van het aanbod van Defensiewapens en verkoopt ook regelmatig aan zowel overheidspartijen als ook aan private partijen, mits deze in bezit zijn van de vereiste vergunningen, in binnen- en buitenland.
Zoals in mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) vermeld is de staande praktijk sinds in ieder geval 2011 geweest dat overtollige handvuurwapens in beginsel werden afgestoten door verkoop aan een andere overheid na de gebruikelijke toetsing (waaronder de verkrijging van een uitvoervergunning, zie ook hieronder in het antwoord op vraag 5), of werden vernietigd als verkoop aan een andere overheid niet mogelijk bleek. Ik deel uw mening dat het onwenselijk is dat wapens in verkeerde handen zouden kunnen vallen. Daarom heb ik ook opdracht gegeven om een nieuw afwegingskader op te stellen voor het afstoten van overtollig Defensiematerieel, waarin het beleid wordt aangescherpt door de verkoop van handvuurwapens aan private partijen, niet zijnde de fabrikant of een licentiehouder van de fabrikant, uit te sluiten. Bij verkoop van handvuurwapens zal bovendien contractueel worden vastgelegd dat de eindgebruiker een overheidsorganisatie moet zijn. Over de uitkomsten van de herziening van het afwegingskader wordt u, zoals gemeld, nog geïnformeerd.
Bekent u bekend met de volgende post op de Facebook-pagina van Lock, Stock and Barrel Armoury (wapenhandel Malta) van 11 november 2020: «OPROEP ONZE NEDERLANDSE VRIENDEN! Als je een van deze originele HK MP 5 wilt kopen, stuur ons dan nu een berichtje en we schrijven je in op de lijst van degenen die uitgenodigd worden om er een te kiezen in Nederland!»? Kunt u duiden of hier sprake is van wapenverkoop vanuit Nederland, vanuit Malta of vanuit beide? Bij welk land zal een uitvoervergunning moeten worden aangevraagd en wie controleert of sprake is van een betrouwbare koper? Deelt u onze mening dat deze wijze van verkoop, gelet op de herkomst van de wapens (Defensie Nederland), ongewenst is, zowel qua uitstraling als qua risico’s?
Ik heb kennis genomen van het Facebook-bericht waaraan u refereert. Uit het Facebook bericht is niet op te maken vanuit welk land de wapenverkoop plaatsvindt en waar de wapens zich feitelijk bevinden. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het Maltese bedrijf in kwestie zich zal moeten houden aan de (Europese) wet- en regelgeving, die op het gebied van wapens en munitie en wapenhandel op Malta van toepassing is en dient te beschikken over de vereiste vergunningen, ongeacht waar vanuit de wapens worden verkocht. Zie nader het antwoord op vraag 6 hieronder. Het aanvragen van een eventuele uitvoervergunning (dan wel een invoervergunning) volgt uit de locatie waar de wapens zich feitelijk bevinden. Een potentiële koper, ook als het een Nederlandse koper betreft, moet eveneens over de vereiste vergunning beschikken om wapens voorhanden te hebben en deze vergunning aan de verkoper te overleggen om de koop te kunnen laten plaatsvinden. Het is aan de Maltese autoriteiten om toe te zien op de controle en handhaving daarvan.
Zoals altijd bij verkoop en uitvoer van wapens en wapensystemen staat voorop dat wordt gehandeld conform de geldende (Europese) wet- en regelgeving. Niettemin ben ik met u van mening dat het betreffende bericht op een Facebook-pagina en deze manier van verkoop niet gewenst is en ik verwijs u naar mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) over de maatregelen die ik heb genomen om dit in de toekomst tegen te gaan.
Alle in 2020 verleende uitvoervergunningen zullen te vinden zijn in de rapportage over het Nederlandse wapenexportbeleid 2020 op www.rijksoverheid.nl.1
Hoe verhoudt de onderhavige verkoop van 2.084 handvuurwapens van Defensie en de daartoe gemaakte keuzes zich tot Richtlijn (EU) 2017/853 alsmede de daarop aangepaste Nederlandse Wet Wapens en Munitie, in het bijzonder daar waar het gaat om het terugdringen van de handel in vuurwapens over landsgrenzen heen alsmede het deactiveren van vuurwapens? Kunt u de onderhavige verkoop beoordelen tegen een breder perspectief van toepasselijke Europese regelgeving?
De Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees parlement en de Raad van 17 mei 2017 (Richtlijn) wijzigt Richtlijn 91/477/EEG, beter bekend als de vuurwapenrichtlijn.
De Richtlijn heeft een evenwicht tot stand gebracht tussen enerzijds de verbintenis, om in het kader van de Europese Interne Markt, een zekere mate van vrij verkeer voor bepaalde vuurwapens en essentiële onderdelen daarvan binnen de Unie te waarborgen, en anderzijds die vrijheid in te perken voor voorwerpen, zoals vuurwapens, die de potentie hebben de publieke veiligheid in gevaar te brengen. Het doel van de Richtlijn is niet om (het bezit van) legale wapens of legale wapenhandel terug te dringen, maar om de handel hierin binnen strikte kaders te faciliteren.
De Richtlijn verplicht de lidstaten de activiteiten van wapenmakelaren, zoals die in de Richtlijn zijn gedefinieerd, aan dezelfde eisen te onderwerpen als wapenhandelaren aangezien zij vergelijkbare diensten verrichten. Zij moeten ingevolge artikel 4, derde lid, van de Richtlijn een vergunning hebben en worden gecontroleerd op integriteit en bekwaamheid.
Artikel 9 Wet Wapens en Munitie, dat de activiteiten waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd regelt, is met de implementatie van de herziene vuurwapenrichtlijn in 2018 uitgebreid met de activiteiten van wapenmakelaren. Wapenmakelaren beschikken, anders dan wapenhandelaren, niet over vuurwapens. Zij bemiddelen slechts tussen aanbieders en kopers. Op grond van Wet Wapens en Munitie is het verboden zonder vergunning een wapen of munitie te vervaardigen, te transformeren of in de uitoefening van een bedrijf uit te wisselen, te verhuren of anderszins ter beschikking te stellen, te herstellen, te beproeven of te verhandelen. Dit verbod is ook van toepassing op het onderhandelen over of regelen van transacties voor de aankoop, verkoop of levering van wapens of munitie of het organiseren van de overbrenging van wapens of munitie binnen, naar of vanuit een lidstaat van de Europese Unie. De verkoop van de handvuurwapens dient te voldoen aan de Europese Richtlijn en nationale wet- en regelgeving zoals hierboven vermeld.
Zoals ik hierboven in het antwoord op vraag 4 heb aangegeven, zal de aanscherping van het afstotingsbeleid dat handvuurwapens niet aan private partijen (niet zijnde de fabrikant of een licentiehouder van de fabrikant) worden verkocht in die zin bijdragen aan het terugdringen van de (internationale) handel in handvuurwapens.
Bent u bereid de onderhavige verkoop terug te draaien en de (nog te achterhalen) wapens alsnog te vernietigen? Bent u bereid de Kamer te informeren aan welke derde partijen de wapens die vooralsnog verkocht zijn, geleverd zijn? Bent u bereid in het toekomstig beleid de optie «verkoop aan derden zijnde particuliere handelaren» te schrappen?
Op 9 februari 2021 heeft uw Kamer de gewijzigde motie van de leden Van Helvert en Van Dam aangenomen (Kamerstuk 27 830, nr. 334) waarin de regering wordt verzocht om de verkochte wapens terug te kopen en de wapens alsnog te vernietigen.
Anders dan in de motie wordt verondersteld, heeft de onderhavige verkoop van de handvuurwapens niet in strijd met het beleid van de Europese Unie plaatsgevonden. De Europese wet- en regelgeving en de hieruit voortvloeiende regelgeving van de lidstaten is er niet op gericht om de (internationale) handel in vuurwapens terug te dringen, maar strekt ertoe het handelen en bezit van vuurwapens te reguleren en beheersbaar te houden.
De verkoop van de handvuurwapens door Defensie is rechtmatig verlopen en er zijn geen aanwijzingen dat dit anders zou zijn voor de handvuurwapens die zijn doorverkocht in transacties van opeenvolgende verkopers en kopers die daarna hebben plaatsgevonden.
Gelet op het voorgaande is er geen legitieme grondslag op basis waarvan ik toegang kan verkrijgen tot de informatie die benodigd is voor het terugkopen van de handvuurwapens en is het terugkopen bij de andere partijen niet af te dwingen. Niettemin heb ik de handvuurwapens, die nog niet zijn doorverkocht, teruggekocht van het Nederlandse bedrijf. Het betreft 7 stuks m2.50 en 5 stuks MP5.
Voor wat betreft de bereidheid in het toekomstig beleid de optie «verkoop aan derden zijnde particuliere handelaren» te schrappen, verwijs ik u naar mijn brief van 10 december 2020 (Kamerstuk 2020D51661 d.d. 10 december 2020) over de maatregelen die ik heb genomen.
De witwaspraktijken bij ING |
|
Pieter Omtzigt (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke vragen over het feit dat de top van ING (bestuur en commissarissen) niet eens opnieuw getoetst is door De Nederlandsche Bank (DNB) op geschiktheid naar aanleiding van de witwasschikking?1
Ja.
Hoe kijkt u ertegen aan dat dhr. Hamers nu wel vervolgd wordt en ... «[het] hof van oordeel [is] dat er voldoende aanknopingspunten zijn voor een succesvolle vervolging van deze voormalige bestuurder als feitelijke leidinggever van de door ING gepleegde strafbare feiten. Het hof acht de vervolging ook nodig om de navolgende redenen. De feiten zijn ernstig, met de bestuurder zelf is geen schikking getroffen en evenmin heeft hij publiekelijk verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen»?2 En hoe beziet u in dat licht het feit dat DNB tegelijkertijd niet eens een hertoets heeft uitgevoerd op de geschiktheid van dhr. Hamers?
Het Gerechtshof heeft bij uitspraak van 9 december 2020 de strafvervolging bevolen van de voormalige bestuursvoorzitter van ING als feitelijk leidinggevende van de door ING in die zaak gepleegde feiten.1 Het kabinet dient zich te onthouden van bemoeienis in individuele zaken en in dat verband ook met de in die zaken genomen vervolgingsbeslissing. Daarbij komt dat het oordeel of de voormalige bestuursvoorzitter van ING strafbare feiten heeft gepleegd is voorbehouden aan de strafrechter.
De tweede deelvraag impliceert dat de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Centrale Bank (ECB), al of niet op advies van DNB, heeft besloten om niet te hertoetsen. Dat weet ik niet. Op grond van de wettelijk verankerde toezichtsvertrouwelijkheid kan en mag de bevoegde toezichthouder geen uitspraken doen, ook niet naar mij, over de vraag of hertoetsing in individuele gevallen is overwogen, plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, en wat hier mogelijk de uitkomst van zou zijn.
In algemene zin is het zo dat de geschiktheid en betrouwbaarheid van beleidsbepalers doorlopende verplichtingen zijn voor beleidsbepalers van financiële instellingen die onder toezicht staan van de ECB, DNB en/of de AFM. Hierin ligt besloten dat, wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden of feiten, een redelijke aanleiding kan ontstaan om de geschiktheid en/of betrouwbaarheid van een al getoetste beleidsbepaler opnieuw te beoordelen. Ernstige integriteitsschendingen kunnen een redelijke aanleiding zijn tot hertoetsing. Wanneer in het zogenoemde vooronderzoek een redelijke aanleiding daartoe wordt vastgesteld, gaat de toezichthouder over tot de eigenlijke hertoetsing. In mijn brief van 28 oktober 2020 ben ik ingegaan op het wegingskader dat de toezichthouder hierbij hanteert.2 Het gaat bij hertoetsingen om een toezichtsbevoegdheid met een reparatoir karakter. Hertoetsingen hebben tot doel om aan de hand van het functioneren en handelen te onderzoeken of de betrokkene, met het oog op de toekomst, op dit moment nog geschikt en/of betrouwbaar is om zijn of haar huidige functie uit te oefenen. Het gaat hierbij om een andere beoordeling, op basis van een ander normenkader, dan die het OM en de strafrechter maken. In voornoemde brief komt verder naar voren dat schikkingen met, boetes aan of veroordelingen van een financiële instelling of een beleidsbepaler bij die instelling van invloed kunnen zijn op het oordeel over de geschiktheid en/of betrouwbaarheid. Zo stelt de toezichthouder bij veroordeling voor bepaalde ernstige misdrijven zelfs zonder nadere afweging vast dat de betrouwbaarheid van de betrokkene niet (meer) buiten twijfel staat. Dit is het geval als deze bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld ter zake van een dergelijk misdrijf, tenzij sinds het onherroepelijk worden van de uitspraak acht jaren of meer zijn verstreken.
Wanneer betaalde de ING Groep het laatste deel van de staatssteun terug aan het Rijk?
ING heeft op 7 november 2014 het laatste deel van de staatssteun terugbetaald.
Op welke wijze was de relatie tussen de Nederlandse overheid en ING geregeld in de periode dat ING profiteerde van de kapitaalinjectie door de Nederlandse overheid?
Ten tijde van de financiële crisis in 2008 verstrekte de Nederlandse overheid kapitaal aan banken en verzekeraars in Nederland die fundamenteel gezond en levensvatbaar waren.3 Om haar kapitaalpositie te versterken besloot ING in 2008 om gebruik te maken van deze kapitaalverstrekkingsfaciliteit van de Nederlandse overheid.
Bij de vormgeving van de steun aan ING werd gekozen voor core tier 1 securities. Deze core tier 1 securities zijn een mengvorm tussen een aandeel en een achtergestelde lening en kunnen getypeerd worden als converteerbare achtergestelde obligaties. Deze securities hadden geen stemrecht op de aandeelhoudersvergadering, maar er waren wel afspraken gemaakt over zeggenschap.
In de overeenkomst met ING waren afspraken op het terrein van governance en beloningsbeleid vastgelegd. Deze afspraken waren voornamelijk gericht op het beschermen van het financieel-economisch belang van de staat, het ontwikkelen van een duurzaam beloningsbeleid door de instelling en het vastleggen van het aanbevelingsrecht van de staat voor twee leden van de raad van commissarissen van ING.
Deze commissarissen hadden goedkeuringsrecht bij fundamentele beslissingen, zoals investeringen en fusies en overnames groter dan een kwart van het eigen vermogen, en een goedkeuringsrecht bij voorstellen aan de aandeelhouders over het beloningsbeleid. Door de staat aanbevolen commissarissen zijn, net als andere commissarissen, gehouden om in het belang van de vennootschap te handelen. Dat betekent dat de commissarissen onafhankelijk zijn en dus ook zonder last of ruggespraak met de staat kunnen besluiten over het gebruik van hun vetorechten.
Zijn er afspraken gemaakt of voorwaarden gesteld bij het verlenen van de kapitaalinjectie indien er sprake was van signalen rond witwaspraktijken? Zo ja, welke zijn dat? Heeft ING zich aan die afspraken gehouden?
Nee, in de overeenkomst uit 2008 zijn geen afspraken gemaakt of voorwaarden gesteld met betrekking tot signalen rond witwaspraktijken.
Zijn er op enig moment na signalen van witwaspraktijken afspraken gemaakt met ING (met de staat of met NL Financial Investments – NLFI)? Zo ja, welke zijn dat? Heeft ING zich aan die afspraken gehouden?
De staat heeft geen afspraken gemaakt met ING over het tegengaan van witwassen. NLFI speelde in het beheer van de kapitaalverstrekkingsfaciliteit geen rol. NLFI werd pas in 2011 opgericht, nadat kapitaalsteun aan ING was verleend. Bovendien werd het beheer van de steun aan ING destijds niet aan NLFI overgedragen, omdat er bij ING geen sprake was van aandeelhoudersrechten. NLFI is alleen belast met het uitvoeren van aandeelhouderschap namens de staat.
Deelt u de mening dat, zeker zolang ING profiteerde van de kapitaalinjectie, men dit bij eventuele aanwijzingen rond witwaspraktijken vanuit DNB of de Europese Centrale Bank (ECB) zou moeten delen met het Ministerie van Financiën?
Vanuit DNB of de ECB kunnen eventuele aanwijzingen die worden gericht aan een financiële instelling niet gedeeld worden met het Ministerie van Financiën, gezien de toezichtsvertrouwelijkheid waar beide toezichthouders aan gebonden zijn.
Indien het een bank betreft waarvan de Nederlandse overheid al dan niet middels NLFI (groot)aandeelhouder is, of die staatssteun geniet, dan ligt het voor de hand dat deze bank (al dan niet via NLFI) het Ministerie van Financiën (op hoofdlijnen) informeert over belangrijke kwesties, waaronder aanwijzingen van de toezichthouder. Een dergelijke aanwijzing blijft echter een aangelegenheid tussen de toezichthouder en de onder toezicht staande instelling, waarbij het Ministerie van Financiën als aandeelhouder of kapitaalverstrekker geen rol heeft.
Zijn er tussen 2008 en 2015 vanuit DNB, de ECB of het openbaar ministerie (in Nederland of elders) brieven gestuurd naar de Raad van Bestuur van ING die betrekking hebben op eventuele witwaspraktijken door de bank of kwetsbaarheden rondom witwassen?
DNB heeft op grond van artikel 22 van de Wwft een geheimhoudingsplicht. Dit betekent dat het DNB niet is toegestaan om informatie, die zij in het kader van haar toezichtstaak ontvangt of verstrekt, te delen met derden. DNB heeft desgevraagd dan ook laten weten niet te kunnen delen of dergelijke brieven zijn verstuurd naar de raad van bestuur van ING.
Ik kan u wel verwijzen naar de brief van DNB, die ik op 25 september 2018 heb gedeeld met uw Kamer.4 In deze brief gaat DNB, na de totstandkoming van de transactie, nader in op mijn vragen of DNB voldoende bevoegdheden en capaciteit heeft om effectief toezicht te houden op anti-witwasregelgeving, de inschatting van DNB van de mate waarin deze regelgeving wordt nageleefd door de bankensector en de wijze waarop is verzekerd dat ING in het vervolg haar rol als poortwachter naar behoren zal invullen. In deze brief schreef DNB tevens dat het OM eind 2015, in een periodiek overleg tussen het OM, de FIOD en DNB dat is bedoeld om handhavingsverzoeken te bespreken, aangaf signalen te hebben ontvangen die ING tot mogelijke verdachte maakten van onvoldoende naleving van Wwft-vereisten en schuldwitwassen. Deze signalen, zo schrijft DNB in de brief, sloten aan bij de bevindingen die DNB op basis van haar toezichtonderzoeken had gedaan ten aanzien van ING en waarvoor DNB reeds op herstel had aangedrongen middels oplegging van een last onder dwangsom.
De ECB heeft op grond van de Europese antiwitwaswetgeving geen taken en voert in dat kader derhalve geen toezicht uit op ING. Voor wat betreft haar prudentieel toezicht geldt voor de ECB eveneens dat de ECB geen informatie kan verstrekken in verband met de toezichtvertrouwelijkheid daarvan.
Het OM heeft desgevraagd gemeld dat er geen brieven zijn verstuurd naar de raad van bestuur van ING voor de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in 2016. In dat kader is met ING gecommuniceerd over de concrete verdenkingen en later over de buitengerechtelijke afdoening. Voor de stukken verwijs ik naar het besluit op het Wob-verzoek van 5 februari 2019.5
Kunt u een lijst van brieven vanuit DNB, de ECB of het OM (in Nederland of elders) geven, die naar de Raad van Bestuur van ING gestuurd zijn en die betrekking hebben op eventuele witwaspraktijken door de bank of kwetsbaarheden rondom witwassen en waarvan het Ministerie van Financiën (of enig ander onderdeel van de Nederlandse regering) op enig moment op de hoogte is gesteld? Kunt u de brieven met de Kamer delen en per brief aangeven wanneer de Nederlandse regering daarvan in kennis is gesteld?
Voor DNB en de ECB geldt een geheimhoudingsplicht voor toezichtsvertrouwelijke informatie. Het OM heeft gemeld dat voor de aanvang van het strafrechtelijk onderzoek in 2016 geen brieven zijn verstuurd naar de raad van bestuur van ING. Uit de archieven is niet gebleken dat het Ministerie van Financiën, of een ander onderdeel van de regering, op de hoogte is gesteld van dergelijke brieven in de periode voor de bekendmaking van de transactie. De enige uitzondering hierop is de fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) die, in het kader van het onderzoek dat zij uitvoerde onder leiding van het OM, op de hoogte was van de bevindingen bij ING. In het kader van volledigheid vat ik uw vraag op als een vraag naar documenten uit de periode tot aan 31 augustus 2018 (de datum waarop de – aanstaande – transactie mij en de rest van het ministerie bekend werd) waarin eventuele signalen over kwetsbaarheden zijn binnengekomen via een route waardoor zij niet in het archief zijn terechtgekomen. Daarom zal ik de komende tijd nagaan of de e-mailboxen van destijds verantwoordelijke hogere ambtenaren relevante informatie bevatten. Ik zal uw Kamer hier zo snel mogelijk over informeren.
Kunt u een lijst van brieven vanuit DNB, de ECB of het OM (in Nederland of elders) geven, die naar de Raad van Bestuur van ING gestuurd zijn en die betrekking hebben op eventuele witwaspraktijken door de bank of kwetsbaarheden rondom witwassen en waarvan de aandeelhouder NLFI op enig moment op de hoogte is gesteld? Kunt u de brieven met de Kamer delen en per brief aangeven wanneer de Nederlandse regering daarvan in kennis is gesteld?
NLFI heeft in het beheer van de kapitaalverstrekkingsfaciliteit geen rol gespeeld. Van brieven over dit thema aan NLFI is dan ook geen sprake.
Heeft de Raad van Bestuur van ING (of enig ander orgaan van ING) op enig moment brieven van DNB, ECB en/of het OM gedeeld met het de Minister van Financiën (of zijn vertegenwoordiger)? Zo ja, wanneer?
Uit de archieven is niet gebleken dat brieven van DNB, de ECB of het OM over witwassen aan de raad van bestuur van ING, zijn gedeeld met het ministerie en/of de Minister van Financiën. Omwille van de volledigheid zal ik nagaan of tot 31 augustus 2018, toen de (aanstaande) transactie mij bekend werd, dergelijke documenten zijn gedeeld met het Ministerie van Financiën en niet in het archief zijn terecht gekomen. Ik laat daarbij de FIOD buiten beschouwing omdat die bij het onderzoek betrokken was. Ik zal de komende tijd nagaan of de e-mailboxen van destijds verantwoordelijke hogere ambtenaren bij het Ministerie van Financiën relevante informatie daarover bevatten. Ik zal uw Kamer hier zo snel mogelijk over informeren.
Op welke momenten zijn NLFI en de Minister van Financiën geïnformeerd over signalen van witwassen bij ING? Kunt u die informatie met de Kamer delen?
Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 6. NLFI speelde geen rol in het beheer van de staatssteun aan ING. Ik ben nagegaan of in de archieven van het Ministerie van Financiën signalen van kwetsbaarheden rondom witwassen bij ING te vinden zijn. In de periode van de staatssteun en daarna heb ik dergelijke signalen niet terug kunnen vinden in het archief. Met de publicatie in maart 2017 van het jaarverslag over het jaar 2016, werd het strafrechtelijk onderzoek naar ING publiek bekend en dus ook bij mijn voorganger. Zoals ik onder meer in het debat van 16 januari 2019 over de transactie van het OM met ING met uw Kamer noemde, ben ik voor het eerst op vrijdag 31 augustus 2018 op de hoogte gesteld dat er een transactie zou worden gesloten, die op dinsdag 4 september 2018 bekend werd gemaakt.
Zoals hiervoor gemeld wil ik omwille van de volledigheid nagaan of er in de periode voorafgaand aan de transactie signalen over kwetsbaarheden zijn binnengekomen bij het Ministerie van Financiën, anders dan de FIOD, die per abuis niet in het archief terecht zijn gekomen. Daarom zal ik de komende tijd nagaan of dergelijke signalen te vinden zijn in de e-mailboxen van destijds verantwoordelijke hogere ambtenaren. Ik zal uw Kamer hier zo snel mogelijk over informeren.
Wat is de rol van de compliance-afdeling in een bank als ING?
De plicht tot naleving van de regelgeving met betrekking tot het voorkomen van gebruik van het financiële stelsel voor witwassen rust op de instelling die valt onder de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Op grond van die wet moet een instelling, zoals een bank, beschikken over een onafhankelijke en effectieve compliancefunctie. De compliancefunctie is gericht op het controleren van de naleving van wettelijke regels, en interne regels die de instelling zelf heeft opgesteld. De compliancefunctie controleert met andere woorden onder meer of binnen de bank de regels met betrekking tot cliëntenonderzoek en het melden van ongebruikelijke transacties worden nageleefd. Daarbij is de compliancefunctie op grond van de Wwft belast met het verstrekken van informatie over ongebruikelijke transacties aan de Financiële inlichtingen eenheid (FIU-Nederland).
Heeft de compliance-afdeling een rol in het tegengaan van eventuele witwaspraktijken met medewerking van medewerkers van een bank?
De compliancefunctie heeft tot taak het controleren of binnen de instelling de wettelijke regels en de eigen regels van de instelling worden nageleefd. Hieronder vallen ook regels omtrent het voorkomen van witwassen.
Deelt u de mening dat afbouw van de compliance-afdeling niet logisch is wanneer een bank een brief krijgt van toezichthouder(s) dat er sprake is van witwaspraktijken bij de desbetreffende bank?
Het is bij het voorkomen van het gebruik van het financiële stelsel voor witwassen van belang dat de compliancefunctie adequaat vervuld wordt en onafhankelijk en effectief haar werk kan doen. De adequate vervulling van de compliancefunctie staat voorop. Onduidelijk is waarop precies wordt gedoeld met afbouw van de compliancefunctie. Als een dergelijke afbouw ervoor zorgt dat de compliancefunctie niet (meer) adequaat kan worden vervuld is dat mijns inziens inderdaad onlogisch.
Hoeveel mensen waren werkzaam bij de compliance-afdeling ten tijde van de kapitaalinjectie door de Nederlandse overheid in ING?
Het Ministerie van Financiën heeft geen beschikking over dergelijke gegevens, noch zijn dergelijke gegevens openbaar. ING laat desgevraagd weten geen antwoord te kunnen geven op deze vragen, vanwege organisatorische herschikkingen over de gevraagde periode (2008–2014) en vanwege technische beperkingen van haar HR- en IT-systemen. ING verwijst in haar reactie ook naar het door het OM gepubliceerde feitenrelaas bij de schikking, waarin wordt uitgelegd dat de bestrijding en voorkoming van witwassen niet was belegd bij een compliance-afdeling: «Uit het strafrechtelijk onderzoek is naar voren gekomen dat de verantwoordelijkheid voor naleving van de Wwft was belegd bij drie verschillende onderdelen van ING NL, te weten de onderdelen «business», «compliance» en «interne audit dienst». Deze drie onderdelen vormen de zogenaamde «three lines of defense».»
Daarnaast is, zoals ik in eerdere beantwoording van vragen van uw Kamer schreef6, uit het strafrechtelijk onderzoek naar voren gekomen dat ING personele capaciteitsproblemen had bij de voor naleving van de Wwft relevante afdelingen, zoals de afdelingen die cliëntenonderzoeken uitvoerden en afdelingen waar medewerkers werkten die witwassignalen uit het transactiemonitoringssysteem onderzochten. Er werd te weinig personeel beschikbaar gesteld om deze werkzaamheden uit te voeren en ook om de problemen die bekend waren geworden binnen de organisatie voortvarend en structureel op te lossen. Ook had het wel beschikbare personeel niet altijd de benodigde kennis en ervaring om deze werkzaamheden uit te voeren. Uit het onderzoek is gebleken dat ING in de periode 2010 tot en met 2016 onvoldoende investeerde in personele capaciteit en kwaliteit.
Hoeveel mensen werkten er op de compliance-afdeling na de laatste aflossing door ING aan het Rijk in 2014?
Hiervoor verwijs ik naar het antwoord op de vorige vraag.
Is de reductie van de compliance-afdeling van ING voorgelegd aan NLFI en/of de Nederlandse overheid?
Een dergelijke reductie is niet voorgelegd. De bedrijfsvoering, waaronder de invulling van de compliance-afdeling, betreft een aangelegenheid waar het bestuur verantwoordelijk voor is en de raad van commissarissen toezicht op houdt.
NLFI had geen rol in het beheer van de staatssteun aan ING, aangezien er geen sprake was aandeelhoudersrechten.
Heeft NFLI en/of de Nederlandse regering ingestemd met de reductie van de compliance-afdeling van ING?
Nee, zie de beantwoording van de vorige vraag.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn een voor een beantwoord. Beantwoording binnen drie weken is helaas niet gelukt, omdat informatie moest worden gevraagd van ING en van het Ministerie van Justitie en Veiligheid voor de beantwoording.
De inzet tijdens de jaarwisseling |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel meer agenten staan ingeroosterd de aankomende jaarwisseling ten opzichte van voorgaande jaren?1
Hoeveel agenten er precies zijn ingeroosterd verschilt per eenheid. Daar waar nodig zet de politie extra agenten in.
Hoe staat het met eventueel aangekondigde politieacties tijdens de jaarwisseling?2
De politievakbonden hebben (nog) geen acties aangezegd.
Staan andere diensten klaar om «project X»-achtige taferelen te voorkomen?
De politie is zowel fysiek als digitaal alert op signalen en informatie die duiden op mogelijke ongeregeldheden, bijvoorbeeld op sociale media. Politie en hulpdiensten staan altijd klaar om bij dergelijke situaties op te treden of te assisteren.
Vindt u dat de politie voldoende voorbereid en toegerust is op de komende jaarwisseling? Zo nee, waarom niet?
Ja, de politie bereidt zich zowel regionaal als landelijk voor op de jaarwisseling. Daarbij wordt rekening gehouden met verschillende scenario’s.
Hebben gemeenten de mogelijkheid een (coronaproof) alternatief te organiseren als zij zich zorgen maken over escalatie in hun gemeente, zoals we de afgelopen dagen zagen in de gemeente Veen?3
Ja, het staat gemeenten vrij alternatieven te organiseren.
Kunt u deze vragen voor 31 december beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Het gedrag van Centric-topman Gerard Sanderink |
|
Mustafa Amhaouch (CDA), Evert Jan Slootweg (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Hans Vijlbrief (staatssecretaris financiën) (D66), Eric Wiebes (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen en antwoorden nog over de problemen bij Centric en Oranjewoud?1
Ja, die herinner ik me.
Heeft u kennisgenomen van het gedrag van dhr. Sanderink die een inspecteur bedreigd heeft en bewijsmateriaal vernietigd heeft?2
Ik heb dat uit de media vernomen.
Herinnert u zich dat hij eerder mails heeft gestuurd aan de directeur van de FIOD met in de cc: de Minister van Financiën, Staatssecretaris van Financiën, Secretaris-generaal MinFin, Directeur-generaal Belastingdienst, Minister van BZK, Staatssecretaris van BZK, Secretaris-generaal BZK, Minister van JenV, College van procureurs-generaal, Secretaris-generaal MinIenW?
Ja, dat herinner ik me.
Kunt u de mails en appjes die hij aan hoge overheidsfunctionarissen gestuurd heeft de afgelopen 18 maanden openbaar maken en aan de politie en het openbaar ministerie doen toekomen zodat zij toch in bezit komen van de mail?
Ik zie op dit moment geen redenen om bedoelde correspondentie openbaar te maken zonder dat daar een verzoek ligt van door u genoemde instanties. Dergelijke instanties kunnen de correspondentie indien benodigd bij de geadresseerden opvragen.
Bent u ervan op de hoogte dat dhr. Sanderink geen gevolg geeft aan een fors aantal gerechtelijke uitspraken?
Ik ben op de hoogte van berichtgeving in de media daarover. Het is aan de bij die procedures betrokken partijen om daar al of niet actie op te ondernemen.
Is het gepast voor DNB en de Nederlandse overheid om zaken te blijven doen met iemand die zich niet gerechtelijke uitspraken houdt en gezagsdragers bedreigt en dat nota bene in gevoelige materie zoals ICT en bij gevoelige instellingen zoals DNB?
Centric en Strukton maakten op 4 januari 2021 bekend dat de heer Sanderink met ingang van genoemde datum zijn bestuurlijke taken bij Centric en Strukton heeft neergelegd. Het is aan DNB als contractpartij van Centric om de kwaliteit van dienstverlening van Centric te monitoren. Dit is onderdeel van de eigen bedrijfsvoering van DNB als onafhankelijk toezichthouder.
Is DNB voor essentiele en gevoelige taken afhankelijk van software van Centric? Kan DNB zonder die software gewoon zijn taken voortzetten?
Voor zover mij bekend is DNB voor essentiele en gevoelige taken niet afhankelijk van software van Centric.
Wilt u deze Kamervragen doen toekomen aan De Nederlandsche Bank zodat die zelfstandig een afweging kan maken?
Ja.
Zijn er naast DNB nog andere overheidsinstellingen met cruciale functies die afhankelijk zijn van de software van Centric? Zo ja, welke?
Behalve van DNB ben ik niet op de hoogte van andere overheidsinstellingen met cruciale functies die diensten afnemen van Centric. Wel zijn er enkele staatsdeelnemingen die gebruik maken van de diensten van Centric. Zij houden ons op de hoogte van ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de rol van de huidige partner van de heer Sanderink die gevorderde mails en appjes gewist zou hebben? Kan iemand die gevorderde informatie wist betrokken zijn bij een onderneming die essentiele ICT levert aan de overheid?
Het is niet aan mij om een oordeel te vellen over het functioneren van een private onderneming dan wel de relatie tussen deze private onderneming en een individu.
Kunt u uiteenzetten welke bevoegdheden en verplichtingen de Raad van Commissarissen heeft indien een bestuurder duidelijk wetten overtreedt en niet handelt in het belang van de onderneming?
De wet (het Burgerlijk Wetboek) stelt voorop dat elke bestuurder tegenover de vennootschap verplicht is tot een behoorlijke taakvervulling. De raad van commissarissen van een NV of BV heeft de taak om toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de ondernemingen die daaraan verbonden zijn. Bestuurders en commissarissen dienen zich te richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.3 Bij de toezichthoudende taak van de raad van commissarissen past dat dit orgaan zo nodig kan ingrijpen in de vennootschap wanneer het vennootschappelijke belang dit vergt, binnen de bandbreedte van de wet en de statuten van de vennootschap.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden?
Vanwege de noodzakelijke interdepartementale afstemming is beantwoording binnen de geldende termijn niet haalbaar gebleken.
Het bloedbad van Sivas in Turkije |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich uw antwoorden nog herinneren op de schriftelijke vragen inzake een verzoek aan de Nederlandse ambassade in Turkije aangaande het bloedbad van Sivas op 2 juli 1993, waarbij ook de Nederlandse Carina Thuijs is vermoord door islamitisch fundamentalisten?1 2
Ja.
Dient uit uw eerdere beantwoording over de strafprocessen tegen verdachten in de zaak van het bloedbad van Sivas opgemaakt te worden dat geen enkel strafproces tegen verdachten door Nederland is gevolgd? Zo ja, waarom niet? Zo nee, welk strafproces heeft u wanneer, tegen welke verdachte(n), op welke wijze gevolgd?
Er zijn veel rechtszaken in Turkije waar Nederland aandacht voor heeft. Zo worden, indien mogelijk, bepaalde rechtszaken fysiek gemonitord door de Nederlandse Ambassade. Daarbij wordt prioriteit gegeven aan strafprocessen waar mensenrechtenverdedigers of Nederlandse burgers als verdachten terechtstaan.
Zoals vermeld in eerdere beantwoording was Nederland op de hoogte dat de volgende zitting op 20 januari jl. ging plaatsvinden. De Nederlandse Ambassade heeft deze hoorzitting bijgewoond.
Bent u bereid de lopende rechtszaak tegen drie verdachten, waarvan de volgende zitting op 20 januari 2021 zal plaatsvinden, actief bij te wonen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In reactie op uw antwoord dat aan Nederland door familie en verenigingen van Alevieten en slachtoffers niet zou zijn verzocht zich te voegen bij de rechtszaak tegen verdachten van de moordzaak vanwege de misdaad tegen Carina Thuijs: bent u bekend dat betrokkenen melden zich niet te herkennen in dit beeld? Bent u bereid dit verzoek alsnog te honoreren, mede tegen de achtergrond dat de Turkse Orde van Advocaten en rechters in Turkije deze zaak zien als een misdaad tegen de menselijkheid waarbij ook een Nederlandse is vermoord? Zo nee, waarom niet?3 4
De Nederlandse Ambassade heeft op 4 januari jl. hierover telefonisch contact gehad met een vertegenwoordiger van de nabestaanden, waarbij de Ambassade werd verzocht om zich te voegen in de rechtszaak en de rechtszitting op 20 januari a.s. bij te wonen. Zoals hierboven vermeld in antwoord op vraag 3 heeft Nederland de rechtszitting bijgewoond. Nederland zal deze zaak ook nauwgezet blijven volgen en in het bijzonder erop toezien dat het internationaal recht gerespecteerd wordt in dit proces. Er zijn echter geen aanwijzingen dat door de Turkse rechter het internationaal recht op onjuiste wijze geïnterpreteerd of toegepast is. Er is daarom vooralsnog geen reden voor Nederland om zich te mengen in de Turkse procedure door een voeging of op een andere wijze. Het uitgangspunt is dat Nederland de rechtsgang in andere landen respecteert en alleen overweegt zich daarin te mengen als de interpretatie of toepassing van internationaal recht niet in overeenstemming is met Nederlandse visie.
Bent u ervan op de hoogte dat de Duitse regering thans vast heeft kunnen stellen dat negen personen die in Turkije veroordeeld zijn in verband met de Sivas moorden, in Duitsland verblijven? Bent u gezien de ernst van de misdrijven, alsmede de moord op de Nederlandse Carina Thuijs, bereid contact met Duitsland op te nemen teneinde de mogelijkheden voor nader onderzoek en vervolging te overleggen? Zo nee, waarom niet?
De Nederlandse regering beschikt niet over informatie dat de Duitse regering thans heeft kunnen vaststellen dat genoemde 9 personen in Duitsland verblijven. Navraag bij Duitsland heeft geen aanvullende informatie opgeleverd. Mede gezien het antwoord bij vraag 4 en de beantwoording van schriftelijke vragen van uw Kamer d.d. 7 december 2020 (uw referentie Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2020–2021, nr. 1027), ziet de regering geen aanleiding om verdere stappen te ondernemen richting Duitsland.
De zorgen om bedreigde advocaten |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het item van EenVandaag: ««Kabinet moet bedreigde advocaten beter beschermen», zegt Landelijke Orde van Advocaten»?1
Er wordt door de betrokken diensten hard gewerkt om de veiligheidssituatie van advocaten te waarborgen. Er worden, passend bij dreiging en risico, beveiligingsmaatregelen getroffen voor een ieder die dat nodig heeft. Om dit nu en in de toekomst tijdig te kunnen blijven doen, investeer ik structureel 55 miljoen euro in de stelsels bewaken en beveiligen en getuigenbescherming2, zoals ik uw Kamer eerder heb laten weten. De verschillende versterkingstrajecten zijn reeds gestart. Eén van deze trajecten betreft het versterken van de weerbaarheid van de togaberoepen en journalisten. Hiertoe stel ik in 2021 3,5 miljoen euro beschikbaar en in de daaropvolgende jaren 1 miljoen euro. Hiermee worden beroepsgroepen door de overheid ondersteund om hun eigen weerbaarheid te vergroten en de werkgever om zijn rol op dit terrein goed te vervullen.
Hoe ernstig taxeert u de toenemende dreiging richting advocaten, zoals de beschietingen van kantoren en het aantal maal dat de noodtelefoon is gebeld, waaruit blijkt dat iedere week wel een advocaat in ons land te maken heeft met bedreiging, intimidatie, ernstige stalking en zelfs geweld?
Dat advocaten in toenemende mate te maken krijgen met intimidatie, bedreiging of geweld is een zeer ernstige ontwikkeling. Het is onacceptabel dat functionarissen die zich inzetten ten dienste van de rechtsorde gehinderd worden in de uitoefening van hun beroep. Advocaten hebben een essentiële rol in onze rechtsstaat en het is van belang dat zij deze veilig kunnen invullen en daartoe bescherming krijgen als dat nodig is.
Wat is uw reactie op de oproep dat meer gedaan kan en moet worden om de veiligheidssituatie van advocaten te verbeteren, op het gebied van investeringen, het afschermen van persoonsgegevens en het vervoer van strafadvocaten in grote zaken naar rechtbanken?
De veiligheidssituatie van advocaten, rechters, officieren en journalisten staat hoog op de agenda van het kabinet en de overheid levert een belangrijke bijdrage. Het is hierbij ook van belang te noemen dat veiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is, waarbij het uitgangspunt geldt dat de verantwoordelijkheid eerst bij personen zelf ligt en bij de organisaties waar deze personen werkzaam zijn of door vertegenwoordigd worden.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 wordt er reeds geïnvesteerd in het stelsel bewaken en beveiligen en daarbij het versterken van de weerbaarheid van onder andere de advocatuur.
Op het gebied van het afschermen van persoonsgegevens is in het economisch en maatschappelijk verkeer een goede balans tussen toegankelijkheid van persoonsgegevens in het belang van de rechtszekerheid enerzijds en bescherming van de persoonsgegevens inclusief veiligheidsaspecten anderzijds cruciaal. Het is van belang hier telkens een zorgvuldige afweging in te maken. In het schriftelijk overleg over Ondernemen en Bedrijfsfinanciering heeft de Staatssecretaris van EZK uw Kamer geïnformeerd dat de Kamer van Koophandel op korte termijn kan overgaan tot het afschermen van woonadresgegevens. Individuen, zoals een ondernemer of een advocaat, kunnen ervoor kiezen om een ander vestigingsadres dan het woonadres op te geven. Zo maakt de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) het mogelijk voor leden die online of fysiek bedreigd worden om gebruik te maken van het vestigingsadres van de NVJ. Ook is geregeld dat persoonsgegevens bij het Kadaster vanwege veiligheidsoverwegingen in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen afgeschermd kunnen worden.
Met betrekking tot het vervoer van strafrechtadvocaten kan ik in algemene zin aangeven dat wanneer dreiging en risico hiertoe aanleiding geven, er door de overheid besloten kan worden om aanvullende beveiligingsmaatregelen te treffen ten aanzien van het vervoer. Beveiligingsmaatregelen worden vormgegeven als resultaat van een zorgvuldige afweging tussen dreiging en risico, proportionaliteit van de maatregelen en de impact ervan op de betreffende persoon, waarbij de veiligheid altijd voorop staat.
Vindt u bij nader inzien het idee van de wijkplaats, een soort «safehouse» waar bedreige personen zoals advocaten of journalisten na een periode van heftige dreigementen door kunnen werken of even kunnen bijkomen met hun gezin, nu toch een interessante gedachte?
Het is essentieel om eerst goed in kaart te brengen en een gemeenschappelijk beeld te hebben van waar de behoefte ligt, hoe (een) eventuele wijkplaats(en) eruit zou(den) moeten zien, wat hier voor nodig is en in welke mate dit concept bijdraagt aan de weerbaarheid. Hier wordt over gesproken in het traject ter versterking van de weerbaarheid van de togaberoepen en journalisten. Wanneer er concrete plannen liggen, ben ik bereid om te kijken of en op welke wijze de overheid dit (financieel) kan ondersteunen in aanvulling op de eigen bijdrage van de beroepsgroepen die van hen verwacht wordt in het kader van de werkgeversverantwoordelijkheid.
Waarom bent u tot nu toe niet bereid een bijdrage te leveren aan de wijkplaats?
Zie antwoord vraag 4.
Wat is nu uw reactie op de aangehouden motie Van Nispen over het opzetten van een wijkplaats voor togadragers die de regering verzoekt om in overleg met de beroepsgroepen eenmalig te investeren in het opzetten van een wijkplaats voor togadragers, en tevens om bij andere personen die vanuit hun werk (agenten, leraren, journalisten) een bijdrage leveren aan de rechtsstaat en bescherming van onze grondrechten (zoals de vrijheid van meningsuiting), de behoefte naar een wijkplaats te inventariseren en waar nodig dit te faciliteren?2
Zie antwoord vraag 4.
Bent u bereid over al deze onderwerpen en zorgen met spoed in gesprek te gaan met de Nederlandse Orde van Advocaten en de Kamer hierover nog in januari inhoudelijk te informeren?
Er vindt reeds periodiek overleg plaats met de kwartiermakers van de togaberoepen en journalisten in het kader van het versterken van de weerbaarheid van deze beroepsgroepen. De Nederlandse Orde van Advocaten is hierin vertegenwoordigd. De voorstellen van de beroepsgroepen voor het versterken van de weerbaarheid worden hier besproken en in gezamenlijkheid bezien. Eind januari staat er wederom een bijeenkomst gepland en zal onder andere de behoefte aan het opzetten van een wijkplaats worden besproken. Wanneer er uitkomsten zijn ten aanzien van de wijkplaats, wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.
Het bericht ‘Gevangenis Vught verdacht van financiering terrorisme’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de gevangenis Vught verdacht wordt van het financieren van terrorisme? Zo nee, waarom niet?1
Ja.
Hoe is het mogelijk dat de gevangenis in Vught geld naar de veroordeelde terrorist Mohammed D. overmaakte? Bent u bereid de verantwoordelijke personen die zaten te slapen te ontslaan en te straffen? Zo nee, waarom niet?
Gedetineerden beschikken over een rekening courant bij de penitentiaire inrichting waarop zij tot beperkte hoogte middelen kunnen ontvangen. Het gaat om middelen overgemaakt door derden of om loon uit in detentie verrichte arbeid.
Het is aan het Openbaar Ministerie om onderzoek te doen naar mogelijke overtredingen van de Sanctieregeling Terrorisme.
Bent u bereid maatregelen te treffen tegen de gevangenis in Vught, zodat dit soort blunders nooit meer kunnen gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Bij de inwerkingtreding van de Sanctieregeling Terrorisme is nagelaten om een ontheffing ten behoeve van DJI aan te vragen. In mei 2019 echter heeft de Minister van Financiën ten behoeve van DJI een ontheffing afgegeven. Deze ontheffing verleent toestemming om handelingen te verrichten die verboden zijn op grond van de bevriezingsmaatregel. In de beantwoording van vragen gesteld door de leden Van Laan-Geselschap en Van Wijngaarden van 12 juni 2019 heb ik uw Kamer hierover nader geïnformeerd.2
De ontheffing maakt mogelijk dat DJI aan personen op de nationale sanctielijst terrorisme loon mag betalen en gemaximeerde bedragen van slechts één aangewezen contactpersoon mag storten op de rekening courant van de gedetineerden ten behoeve van uitgaven voor primaire levensbehoeften. Deze contactpersoon moet hiervoor ook een ontheffing aanvragen. Tevens kan DJI namens de gedetineerde verschuldigd geld betalen aan derden, zoals een schadevergoeding aan slachtoffers.
Bent u bereid per direct een einde aan te maken aan het idiote feit dat gevangenen geld gestort kunnen krijgen en het feit dat terroristen in de gevangenis betaald worden voor klusjes in de gevangenis? Zo nee, waarom niet?
Nee. In de eerdergenoemde beantwoording van Kamervragen is aangegeven dat het om een aantal redenen wenselijk is dat er beperkte middelen beschikbaar zijn voor gedetineerden in detentie. DJI kan op deze manier, namens de betreffende gedetineerden, schadevergoedingen aan slachtoffers of andere boetes vanuit detentie voldoen. Gedetineerden kunnen met deze middelen aankopen doen uit de gevangeniswinkel. De beschikking over beperkte middelen draagt bovendien bij aan resocialisatie, re-integratie en zelfredzaamheid. Ten slotte is DJI verplicht loon uit te keren voor in de inrichting verrichte arbeid.
Bent u met de mening eens dat terroristen helemaal niet hagelslag in een gevangeniswinkel moeten kunnen kopen, maar permanent in volledige beperking zouden moeten zitten op water en brood? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zie daarvoor het antwoord op de vorige vraag.
In eerdere antwoorden op vragen van uw Kamer heb ik aangegeven dat de veiligheid centraal staat in de Terroristenafdelingen, en de mogelijkheden geschetst om contacten van deze gedetineerden met anderen te beperken.3 Ik acht een structurele volledige beperking van gedetineerden met een terroristische achtergrond niet nodig.
Klopt het dat de slechts tot drie jaar cel veroordeelde terrorist Mohammed D. inmiddels weer vrij rondloopt? Zo ja, bent u bereid hem op te sporen en deze gevaarlijke terrorist per direct het land uit te knikkeren? Zo nee, waarom niet?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin kan het Nederlanderschap worden ingetrokken na een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf en wanneer betrokkene naast de Nederlandse een of meer andere nationaliteiten heeft. In dat geval werkt de Dienst Terugkeer en Vertrek in een zo vroeg mogelijk stadium aan het vertrek van deze persoon. Bij personen die (nog) Nederlander zijn kan de overheid geen dwang toepassen het land te verlaten. Nadat het besluit tot intrekking kenbaar is gemaakt en betrokkene geen rechtmatig verblijf in Nederland meer heeft, kan het gedwongen dan wel zelfstandig vertrektraject worden ingezet.
Chinese surveillanceapparatuur |
|
Martijn van Helvert (CDA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Huawei software voor de herkenning van gezichten van Oeigoeren testte?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze berichtgeving?
Het kabinet kan de berichtgeving niet bevestigen op basis van eigen informatie.
Is dergelijke herkenningssoftware, gericht op een bepaalde bevolkingsgroep, volgens u in strijd met mensenrechten en bovendien een uiting van racisme?
Het gebruik van gezichtsherkenningssoftware is op zichzelf geen schending van internationale mensenrechten, hoewel er wel vanuit diverse mensenrechtenorganen zorgen zijn geuit over het gebruik van biometrische data, zoals wordt verzameld bij gezichtsherkenningssoftware, en het effect wat een dergelijke technologie kan hebben op, bijvoorbeeld, het recht op privacy.
Met betrekking tot het gebruik van gezichtsherkenningssoftware waarbij dit wordt ingezet ter herkenning van gezichten van bepaalde bevolkingsgroepen, dient opgemerkt te worden dat op grond van internationale mensenrechtenverdragen het niet is toegestaan een onderscheid te maken op basis van bijvoorbeeld, ras, afkomst of etniciteit. Het kabinet benadrukt dat ook China zich via de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) heeft gecommitteerd aan mensenrechten, dat deze universeel zijn en dat eenieder aanspraak heeft op alle rechten en vrijheden die in de UVRM worden opgesomd – zonder enig onderscheid van welke aard ook. Het verbod op discriminatie is specifiek neergelegd in het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, welke China heeft geratificeerd.
Indien er derhalve bij de inzet van gezichtsherkenning, en bij het gebruik van de gegevens die hierbij verzameld kunnen worden, door China onderscheid gemaakt wordt op grond van etniciteit (in dit geval de Oeigoeren) of gezichtsherkenningssoftware wordt ingezet die enkel gericht is op de specifieke gezichten van Oeigoeren, dan is het waarschijnlijk dat het discriminatieverbod zoals neergelegd in internationale mensenrechtenverdragen wordt geschonden.
Onder de OESO-richtlijnen wordt van bedrijven verwacht dat zij voorkomen en tegengaan dat hun producten worden gebruikt voor discriminerende doeleinden. China is geen lid van de OESO, wat betekent dat de Chinese overheid niet verwacht van Chinese bedrijven dat zij de OESO-richtlijnen naleven. De Wereldhandelsorganisatie (WTO) stelt geen eisen aan producten, en kent met name regels om handelsbarrières tegen te gaan.
Kunt u aangeven of, en zo ja welke, internationale verdragen China schendt met het gebruik van deze software voor de herkenning van gezichten van specifiek Oeigoeren?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven of Huawei in strijd handelt met internationale afspraken onder bijvoorbeeld de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), het Handvest van de Verenigde Naties (VN), de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking (OESO) of enige andere internationale conventies?
Zie antwoord vraag 3.
Heeft u contact gehad met Huawei over deze onthulling en zo ja, wat was hun verklaring voor het ontwikkelen van een Oeigoer-alarm? En zo nee, wanneer bent u van plan contact met hen op te nemen om uw afschuw uit te spreken over dergelijke «slimme» surveillancemiddelen die worden ingezet om Chinese minderheden te onderdrukken?
Huawei heeft zijn positie in deze kwestie gecommuniceerd via een verklaring op de website van Huawei Nederland.2 Het bedrijf stelt onder andere dat «de applicatie niet geïmplementeerd [is] in de praktijk» en dat «onze technologieën niet [zijn] ontworpen om etnische groepen te identificeren». Het Ministerie van Buitenlandse Zaken kan deze uitleg van Huawei op basis van eigen informatie niet bevestigen. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft het onderwerp van het mogelijke misbruik van de gezichtsherkenningssoftware aan de orde gesteld tijdens een recent courtesy gesprek met het bedrijf. Huawei heeft daarbij aangegeven dat dit ingaat tegen het beleid van het bedrijf. Medewerkers van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zijn over dit onderwerp op 25 februari jl. uitgebreider in gesprek met Huawei gegaan. Daarbij hebben zij ook de zorgen van het kabinet met betrekking tot etnische profilering, discriminatie en gebruik van technologie voor mensenrechtenschendingen overgebracht en Huawei op de maatschappelijke verantwoordelijkheid gewezen.
In hoeverre acht u het wenselijk dat Chinese bedrijven die de onderdrukking van Oeigoeren in China faciliteren actief zijn op de Nederlandse en de Europese markt? En kunt u aantonen dat die bedrijven niet ook dergelijke praktijken binnen de Europese Unie bezigen?
Het kabinet heeft geen overzicht van de activiteiten van Chinese bedrijven in de EU en kan geen uitspraken doen over mogelijke bijdragen van individuele bedrijven aan onderdrukking in Xinjiang.
Kunt u binnen de Europese Unie pleiten voor een onderzoek naar Chinese bedrijven die zowel de onderdrukking en de uitbuiting van Oeigoeren in China faciliteren als actief zijn op de Europese markt? Zo nee, waarom niet? En zo ja, wanneer en waar gaat u dat doen?
Nederland en (de lidstaten van) de Europese Unie volgen de mensenrechtensituatie nauwgezet. Via het postennetwerk in China houdt Nederland zich op de hoogte van de ontwikkelingen in Xinjiang en de rest van het land. Nederlandse diplomaten houden contact met bedrijven, ngo’s, en mensenrechtenverdedigers en hebben daarbij ook aandacht voor surveillance en de rol van het Chinese bedrijfsleven. De informatiepositie van Nederland wordt gesteund door samenwerking met de delegatie van de EU, gelijkgestemde landen en onderzoeksinstellingen. Gezien alles wat er al gaande is, acht ik een oproep tot een onderzoek naar Chinese bedrijven die zowel de onderdrukking en de uitbuiting van Oeigoeren in China faciliteren als actief zijn op de Europese markt, niet nodig.
Is het mogelijk om, naar Amerikaans voorbeeld, in de Europese Unie te komen tot een zwarte lijst met buitenlandse bedrijven die actief handelen in strijd met de Europese waarden en belangen, waardoor Europese bedrijven een exportlicentie nodig hebben om zaken met hen te doen? Bent u bereid hiervoor te pleiten?
De juridische basis voor het EU-exportcontrolebeleid voor dual-use goederen is de EU Dual Use Verordening. Deze voorziet niet in een «zwarte lijst»-methodiek. Controle vindt plaats op basis van een lijst van dual-use goederen die in deze EU-verordening is bijgevoegd. Deze controlelijst wordt jaarlijks geactualiseerd op basis van internationale afspraken in exportcontroleregimes over te controleren goederen en technologie. Nederlandse bedrijven zijn verplicht een exportvergunning aan te vragen als zij goederen of technologie op deze EU-controlelijst willen exporteren buiten de EU. Het kabinet maakt een inschatting van het risico dat de eindgebruiker de goederen voor ongewenst militair eindgebruik inzet. Mocht het risico op militair eindgebruik of mensenrechtenschendingen te groot zijn dan wijst het kabinet een vergunningaanvraag af. Het kabinet maakt daarbij ook gebruik van de informatie die de lidstaten van de Europese Unie delen over afgewezen vergunningaanvragen. Zo probeert de EU te voorkomen dat de ontvangers, ofwel eindgebruikers de goederen en technologie in een andere lidstaat kopen. Dit waarborgt tegelijkertijd een gelijk speelveld voor het Europese bedrijfsleven. Het kabinet is geen voorstander van de toevoeging van een «zwarte lijst» als onderdeel van het exportcontrolestelsel en benadert exportcontrole vanuit het risico dat met de levering van goederen gepaard gaat.
Bent u bekend met het bericht dat de Europese Unie gebruikmaakt van temperatuurcamera's van het Chinese bedrijf Hikvision?2
Ja.
Bent u bekend met het gegeven dat Hikvision bewakingscamera’s levert voor de Chinese interneringskampen en heel Xinjang volhangt met camera’s van dit bedrijf?
Het is bekend dat Hikvision een grote speler in de surveillancesystemenmarkt is, maar het kabinet heeft geen zicht op waar camera’s en andere apparatuur van dit bedrijf geïnstalleerd zijn.
Hebben de EU-instellingen de temperatuurcamera’s van Hikvision inmiddels vervangen door apparatuur van bedrijven die geen grootschalige mensenrechtenschendingen faciliteren?Zo nee, waarom niet en kunt u dit zo spoedig mogelijk bepleiten?
Het kabinet heeft de Europese Commissie, de Europese Dienst voor Extern Optreden en het Europese parlement gewezen op de kwetsbaarheden. Uiteindelijk ligt de verantwoordelijkheid voor het beheer van de temperatuurcamera’s bij de EU-instellingen.
Maken naar uw weten Nederlandse overheidsinstellingen gebruik van surveillanceapparatuur van Chinese bedrijven die in China betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen? En zo ja, deelt u dan de mening dat deze zo snel mogelijk moeten worden vervangen door apparatuur van «schone» bedrijven?
Er bestaat geen compleet overzicht van de gebruikte surveillanceapparatuur binnen alle overheidsinstellingen.
Kunt u onderzoeken in hoeverre surveillanceapparatuur van Chinese bedrijven die betrokken zijn bij mensenrechtenschending in China, is uitgerold in Nederland en naar aanleiding van dit onderzoek aangeven welke grenzen u hieraan wilt stellen?
Het kabinet houdt geen overzicht bij van de merkkeuzes door private partijen voor surveillanceapparatuur. Wel verwacht het kabinet van alle Nederlandse bedrijven die internationaal ondernemen dat zij de OESO-richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen (OESO-richtlijnen) en de UN Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP’s) naleven. Dit houdt in dat bedrijven in kaart brengen in hoeverre zij via hun bedrijfsactiviteiten en ketenpartners verbonden zijn aan risico’s voor mens en milieu, en hun invloed aan te wenden om deze risico’s te voorkomen en aan te pakken, de aanpak hiervan te monitoren en hier verantwoording over af te leggen.
Is de tijd niet gekomen, ook mede in het licht van de recente onthullingen over de massale dwangarbeid in de Chinese regio Xinjang, dat u samen met uw Europese collega’s een veel hardere koers gaat varen tegenover China? Hoelang worden deze massale mensenrechtenschendingen nog door de vingers gezien?
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 16 december jl. in haar gesprek met de viceminister van het Chinese Ministerie van Handel, Yu Jianhua, China opgeroepen om toegang te verlenen tot Xinjiang en bedrijven in staat te stellen hundue diligence uit te voeren. Mensenrechten zijn ook aan de orde gekomen tijdens het gesprek van Minister-President Mark Rutte en Premier Li Keqiang op 23 december 2020. Naast bilaterale kanalen spreekt Nederland China ook aan op de mensenrechtensituatie via multilaterale gremia zoals de Verenigde Naties (VN) en in EU-verband. In het recent onderhandelde Comprehensive Agreement on Investment (CAI) tussen de EU en China is overeengekomen dat China zich voortdurend zal inspannen de openstaande fundamentele ILO conventies – waaronder die over dwangarbeid – te ratificeren en implementeren. Nederland heeft zich hier tijdens de onderhandelingen hard voor gemaakt.
De Raad Buitenlandse Zaken heeft op 22 maart 2021 een pakket listings aangenomen in het kader van de EU-mensenrechtensanctieregime waarin vier personen en een entiteit verantwoordelijk voor mensenrechtenschendingen in Xinjiang sancties zijn opgelegd, conform de moties Sjoerdsma c.s. (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1596), Ploumen (Kamerstuk 35 570 V, nr. 43) en Kuzu (Kamerstuk 35 570 V, nr. 53)
Tijdens de 46e sessie van de VN Mensenrechtenraad in maart 2021 heeft Nederland in een gezamenlijke verklaring met 25 andere EU-lidstaten in de VN Mensenrechtenraad aandacht gevraagd voor onder andere de wijdverspreide surveillance en beperking van vrijheden in Xinjiang.
Het bericht ‘Kabinet, schep duidelijkheid over de verhuisboete voor bedrijven’ |
|
Helma Lodders (VVD) |
|
Eric Wiebes (VVD), Hans Vijlbrief (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van VNO-NCW/MKB-Nederland; «Kabinet, schep duidelijkheid over de verhuisboete voor bedrijven»?1
Ja
Herkent en deelt u de zorgen die in ondernemend Nederland leven bij zowel grotere ondernemingen, als het midden- en kleinbedrijf (mkb) over (het boven de markt hangen van) de Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting die niet alleen effect heeft op verhuizing van bedrijven naar het Verenigd Koninkrijk maar ook naar landen als Spanje, Frankrijk, Italië en de Verenigde Staten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, graag een toelichting.
De initiatiefnemer tracht met het initiatiefwetsvoorstel te voorkomen dat de Nederlandse dividendbelastingclaim verloren gaat indien een hoofdkantoor vertrekt uit Nederland door af te rekenen over de opgebouwde (latente) winstreserves. Middels een verhaalsrecht kan het vertrekkende lichaam in theorie deze dividendbelasting claimen bij de aandeelhouders, terwijl deze dividenden nog niet ter beschikking zijn gesteld aan de aandeelhouders. Uit de toelichting bij de vierde nota van wijziging kan worden opgemaakt dat het wetsvoorstel zich eenzijdig richt op enkele specifieke bedrijven. Ook dit heeft een negatieve impact op de betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid van Nederland als vestigingsland. Bovendien zijn er op dit moment geen andere landen die een soortgelijke eindheffing kennen. Deze additionele belasting zal een negatief effect hebben op de bedrijven die zich in Nederland willen vestigen, terwijl het beleid van Nederland erop gericht is handelsbarrières te voorkomen. De door deze bedrijven in Nederland opgebouwde (latente) winstreserves worden immers, bij een vertrek uit Nederland richting een kwalificerende staat, in de heffing betrokken ongeacht een latere belastingheffing bij de aandeelhouders. Dit gaat verder dan de aanpak van belastingontwijking en zet de aantrekkelijkheid van Nederland, zeker in vergelijking tot andere (lid)staten, onder druk. Tot slot leiden de vele wijzigingen in de inwerkingtreding in het algemeen tot (rechts)onzekerheid voor lichamen en hun (potentiële) aandeelhouders. Onzekerheid in het overheidsbeleid – en dus ook ten aanzien van het initiatiefwetsvoorstel – kan van negatieve invloed zijn op (toekomstige) investeringsbeslissingen in Nederland. Bij de NFIA hebben verschillende buitenlandse bedrijven reeds aangegeven dat men zich zorgen maakt over (de dynamiek rond) het voorstel.
Overigens geldt dat het initiatiefwetsvoorstel meerdere keren (ingrijpend) is gewijzigd, voor het laatst bij vierde nota van wijziging.2 Het vertrek van een lichaam naar een andere staat betekent niet zonder meer dat er dient te worden afgerekend over de dividendbelastingclaim. In de huidige vorm van het initiatiefwetsvoorstel geldt dat de geïntroduceerde eindafrekening in de dividendbelasting slechts ziet op (latente) winstreserves van een lichaam dat vertrekt uit Nederland naar een land buiten de EU of de EER dat geen bronheffing op dividenden kent of dat bij binnenkomst de (latente) winstreserves aanmerkt als gestort kapitaal. Gelet op de voorgaande beperkingen zal een verhuizing van een bedrijf naar Spanje, Frankrijk en Italië geen eindheffing tot gevolg hebben. Dit geldt ook voor de Verenigde Staten omdat die wel een bronbelasting kennen op dividenden.
Daarnaast kent het initiatiefwetsvoorstel franchise van € 50 miljoen. Dat betekent dat dat alleen dividendbelasting is verschuldigd voor zover de waarde in het economische verkeer van het vermogen het op de aandelen gestorte kapitaal van het vertrekkende lichaam het bedrag van de franchise van € 50 miljoen overstijgt. Dit betekent dat het initiatiefwetsvoorstel geen MKB-bedrijven zou moeten raken.
Wat doet de voorliggende Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting met het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat? In hoeverre draagt de Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting bij aan de stabiliteit en de betrouwbaarheid van het Nederlandse investeringsklimaat in internationaal verband? Wat betekent de onzekerheid over de mogelijke introductie van een conditionele eindafrekening, maar zeker ook dit gehele proces waarbij de conditionele eindafrekening maar boven de markt blijft hangen inclusief de terugwerkende kracht, voor de aantrekkelijkheid van Nederland voor buitenlandse bedrijven en/of investeerders? In hoeverre draagt het voorliggende initiatiefwetvoorstel bij aan het behoud en het aantrekken van grotere internationale ondernemingen? Kunt u bij deze analyse ook de NFIA (Netherlands Foreign Investment Agency) betrekken? Wat betekent deze wet voor mkb-bedrijven die hun bedrijfsactiviteiten in het buitenland willen uitbreiden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u ingaan op de juridische houdbaarheid van deze spoedwet? Kunt u tevens ingaan hoe deze wet zich verhoudt tot het bestaande belastingstelsel en de verdragsverplichtingen?
Het kabinet heeft meerdere bezwaren tegen het initiatiefwetsvoorstel. In de kabinetsreactie van vandaag worden deze bezwaren uitgebreid toegelicht. In de kern gaat het om de volgende bezwaren:
De doeltreffendheid en doelmatigheid van het initiatiefwetsvoorstel zijn twijfelachtig.
De in het initiatiefwetsvoorstel voorgestelde wijzigingen betekenen een ingrijpende stelselwijziging van de Wet op de dividendbelasting 1965, terwijl de heffing beperkt is tot een zeer kleine groep aandeelhouders.
De uitoefening van het verhaalsrecht van de vennootschap op de aandeelhouders is te gecompliceerd.
Er is een reële kans dat een rechter het initiatiefwetsvoorstel strijdig acht met Nederlandse belastingverdragen en de goede trouw die Nederland bij de uitleg en toepassing daarvan in acht moet nemen.
De voorgestelde heffing is naar de mening van het kabinet in strijd met het vrije verkeer van kapitaal.
De voorgestelde franchise van € 50 miljoen kan, nu dit niet objectief lijkt te kunnen worden gemotiveerd, leiden tot een selectief voordeel en derhalve tot een risico van staatssteun ten behoeve van ondernemingen die onder die drempel vallen.
Het initiatiefwetsvoorstel is zeer lastig uitvoerbaar.
De terugwerkende kracht van de in het initiatiefwetsvoorstel opgenomen maatregelen lijkt niet gerechtvaardigd en de vele wijzigingen in de inwerkingtreding leiden tot (rechts)onzekerheid voor lichamen en hun (potentiële) aandeelhouders.
De eindheffing heeft een negatieve impact op investeringen in Nederland.
De Afdeling heeft op 2 september 2020, 30 september 2020 en – na de vierde nota van wijziging – opnieuw op 13 april 2022 advies uitgebracht. De Afdeling heeft zich in al haar adviezen kritisch uitgelaten over het initiatiefwetsvoorstel, met name in verhouding tot de belastingverdragen, de verenigbaarheid met het Unierecht, de vestigingsplaatsfictie en de terugwerkende kracht. Daarom adviseert de afdeling om het voorstel niet in behandeling te nemen.
De initiatiefnemer van de Spoedwet conditionele eindafrekening dividendbelasting zal te zijner tijd om een officiële kabinetsreactie vragen, maar deze leden hechten veel waarde aan zo snel mogelijk duidelijkheid door het kabinet over de (on)wenselijkheid van deze conditionele eindafrekening dividendbelasting, de juridische haalbaarheid en de gevolgen voor BV Nederland, Nederlandse bedrijven en de werkgelegenheid. Kunt u daarop reageren en reflecteren ook het advies van de Raad van State in acht nemend?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht ‘Brandbom bij Syrisch gezin in Heerlen: burenruzie of racisme’ |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brandbom bij Syrisch gezin in Heerlen: burenruzie of racisme» en de situatie rondom het Syrische gezin dat maandenlang bedreigd, geïntimideerd en gewelddadig wordt aangevallen door bewoners uit de eigen buurt?1
Ja.
Heeft u kennisgenomen van de beelden van de bedreiging, intimidatie en geweld jegens het vluchtelingengezin, die circuleren op verschillende sociale media kanalen? Zo ja, wat vindt u daarvan?
In het algemeen wil ik benadrukken dat intimidatie, geweld en bedreiging niet thuishoren in onze samenleving. Politie en het OM hebben onderzoek ingesteld naar de incidenten. Lopende dit onderzoek wil ik niet inhoudelijk ingaan op deze specifieke casus en de eventuele incidenten. Het gezin in kwestie betreft heeft niet de vluchtelingenstatus maar het betreft statushouders.
Kunt u toezeggen dat u alles in het werk zal stellen om de veiligheid van het Syrische vluchtelingengezin en andere betrokkenen te garanderen?
De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar burgers ligt primair bij de lokale overheid. Met alle ketenpartners (gemeente, politie, OM, Veiligheidshuis, woningcorporaties) wordt er volop ingezet om de leefbaarheid voor en veiligheid van betrokkenen en omwonenden zo goed mogelijk te kunnen waarborgen. Daarnaast wordt er gezocht naar nieuwe (structurele) huisvesting voor beide gezinnen. Zij zijn momenteel ondergebracht in tijdelijke huisvesting elders in het land.
Deelt u de mening dat alle vormen van bedreiging, intimidatie en geweld jegens vluchtelingen te allen tijde onacceptabel zijn? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het in deze kwestie niet gaat om een burenruzie, gezien de ernst van de situatie?
Uit welke hoek waren de bedreigingen, intimidatie en geweld jegens het vluchtelingengezin volgens u afkomstig?
Loopt er inmiddels een strafrechtelijk onderzoek naar de bedreigingen, intimidatie en geweld jegens het Syrische gezin? Zo ja, hoe ziet dit onderzoek er uit? Zo nee, waarom niet?
Heeft u contact gehad met de personen in kwestie en het bevoegd gezag om uw steun te betuigen en mogelijk ondersteuning te leveren waar nodig? Zo nee, waarom niet?
Vanuit de lokale organisaties is er intensief contact met beide gezinnen en wordt de nodige ondersteuning aangeboden.
Op welke manier ondersteunt u de initiatieven of organisaties die zich reeds inzetten voor een sociaal veilig klimaat in de eigen omgeving en de veiligheid en bescherming van vluchtelingen?
De lokale leefbaarheid en veiligheid is primair een verantwoordelijkheid van het lokale bestuur. De gemeenten hebben daarom de regierol in vergelijkbare kwesties.
Het lokale bestuur verantwoordt zich over zijn handelen aan de gemeenteraad.
Hoe vaak hebben vluchtelingen in de afgelopen twaalf maanden te maken gehad met ernstige bedreigingen, intimidatie en geweld? Hoe vaak hebben deze bedreigingen, intimidatie en geweld jegens vluchtelingen geleid tot een strafrechtelijk onderzoek?
Deze informatie kan niet uit de registratiesystemen van de politie worden verkregen. De politie registreert geen afkomst of migratiestatus.
Deelt u de mening dat een goede afstemming en samenwerking tussen de betrokken overheidsinstanties en de burger essentieel zijn, zodat bij dergelijke gebeurtenissen snel ingegrepen kan worden?
In Heerlen werken de betrokken partijen aan oplossingen voor deze casus die ten goede komen aan betreffende gezinnen en de getroffen buurtbewoners om zowel de rust en veiligheid in de buurt terug te brengen als de rust veiligheid van beide gezinnen.
Op welke manier gaat u de lopende aandacht en initiatieven voor de veiligheid en bescherming van vluchtelingen ondersteunen? Op welke manier gaat u voorkomen dat situaties zoals die in Heerlen zich niet meer voordoen, zodat de veiligheid van vluchtelingen gegarandeerd kan worden?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u van mening dat de overheidsinstanties voldoende mogelijkheden bieden om de veiligheid van vluchtelingen te waarborgen? Zo ja, bent u bereid deze mogelijkheden te vergroten met extra middelen en ondersteuning? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 11.
Deelt u de mening dat er passende en sensitieve hulp en zorg moeten worden aangeboden aan het vluchtelingengezin in kwestie, gezien de emotionele schade die de maandenlange bedreigingen en intimidatie hebben opgeleverd? Zo ja, bent u bereid dit te doen voor alle vluchtelingen in dergelijke situaties? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bekend met de rol van de woningcorporatie Vincio Wonen (voorheen: De Voorzorg) in deze kwestie? Zo ja, hoe zou u deze omschrijven?
Ja. Vincio Wonen is de verhuurder van de woningen die het hier betreft. Woningcorporaties zijn medeverantwoordelijk voor het bieden van kwalitatief goede huisvesting aan statushouders in een prettige woonomgeving. Vincio Wonen is uit dien hoofde al langere tijd intensief betrokken bij het vinden van oplossingen voor de onderhavige problematiek.
Vanuit haar rol als verhuurder heeft Vincio Wonen deelgenomen aan gesprekken met politie en andere betrokken partijen. Toen de meldingen en incidenten in aantal en ernst toenamen, is in samenspraak met het gezin door Vincio Wonen naar een andere woonruimte gezocht. Deze is ook gevonden, maar uiteindelijk is op basis van verschillende overwegingen door het gezin besloten hier geen gebruik van te maken.
Bent u bekend met het externe onderzoek naar woningstichting De Voorzorg in 2018, waaruit is gebleken dat de woningstichting jarenlang kandidaat-huurders zou hebben geweerd op basis van ras, uiterlijke kenmerken, (lichaams)geur, medicijngebruik, seksuele geaardheid, strafrechtelijk verleden, godsdienst en levensovertuiging en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan discriminatie en racisme?
Ja, de toenmalige woningstichting De Voorzorg – de rechtsvoorganger van Vincio Wonen – gaf een onafhankelijk onderzoeksbureau in 2018 opdracht tot het doen van onderzoek naar mogelijke discriminatie. Het onderzoeksbureau constateerde dat De Voorzorg bij de toewijzing van huurwoningen gegevens van aspirant huurders had laten meewegen zoals ras, godsdienst, gezondheid en medicijngebruik en lichaamsgeur.
Op basis van dit externe onderzoek werd geconcludeerd dat De Voorzorg zich in de periode 2013 – 2016 schuldig maakte aan discriminatie. De Voorzorg heeft in 2018, na het aantreden van de huidige directeur, hier zelf melding van gemaakt bij het Openbaar Ministerie. Dit gebeurde in nauw overleg met de Autoriteit woningcorporaties (Aw). De Aw was betrokken bij het duiden van mogelijk strafbaar handelen en het doen van aangifte bij het OM. In 2018 is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld door het OM naar De Voorzorg. Die zaak is in 2019 geseponeerd wegens gebrek aan bewijs.
Deelt u de mening dat het ontoelaatbaar en als zeer schokkend wordt ervaren wanneer een woningcorporatie zich schuldig maakt aan discriminatie en racisme? Zo ja, waarom zijn er geen verdere maatregelen getroffen in de zaak van woningstichting De Voorzorg? Zo nee, waarom niet?
Ja, het is absoluut ontoelaatbaar wanneer een woningcorporatie zich schuldig maakt aan discriminatie. Er zijn na het onderzoek van 2018 maatregelen genomen, onder leiding van een nieuw bestuur en Raad van Commissarissen, om discriminatie bij woningtoewijzing te voorkomen, onder andere door de procedures aan te passen en te verscherpen.
Bent u bekend met de uitspraak van de rechtbank betreffende het kortgeding om het Syrische gezin eerder uit de woning over te plaatsen?2
Ja.
Is de samenwerking tussen de betrokken instanties na de uitspraak van de rechter geïntensiveerd? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Er was al langere tijd sprake van een intensieve samenwerking tussen de instanties. Ook na de uitspraak is deze samenwerking voortgezet. De gemeente Heerlen is op dit moment in gesprek met andere gemeenten en corporaties voor nieuwe structurele huisvesting.
Bent u bereid opnieuw onderzoek te doen naar de woningcorporatie Vincio Wonen, naar aanleiding van de ernstige nalatigheid binnen deze kwestie? Zo nee, waarom niet?
Het incident dat in het aangehaalde krantenbericht is beschreven is voor Vincio Wonen aanleiding om nader onderzoek te (laten) doen naar uitingen op social media, om met zekerheid uit te kunnen sluiten dat Vincio, of individuele medewerkers van Vincio, zich in deze kwestie discriminerend heeft/hebben uitgelaten of op enige andere wijze discriminerend heeft/hebben gehandeld. Dit is een lopend onderzoek. De Aw houdt toezicht op de uitkomsten en (vervolg)acties van de corporatie. De Aw kijkt of corporaties goed bestuurd worden en integer handelen.
Bent u bekend met de rol van de gemeente Heerlen in deze kwestie? Zo ja, hoe zou u deze omschrijven?
De lokale leefbaarheid en veiligheid is primair een verantwoordelijkheid van het lokale bestuur. De gemeente Heerlen heeft in deze kwestie daarom de regie genomen. Het Veiligheidshuis Parkstad Limburg begeleidt het proces in operationele zin. Vanuit de gemeente en andere instanties werd er sinds langere tijd hulp en ondersteuning geboden aan beide gezinnen. Veiligheid voor betrokkenen stond hierbij voorop. In dat kader zijn er vele gesprekken met betrokkenen gevoerd en aanvullende maatregelen genomen, waaronder tijdelijk cameratoezicht. Nadat de kwestie landelijk in de media werd gebracht, kon de veiligheid voor betrokkenen en de buurt niet meer worden gegarandeerd. Beide gezinnen zijn vervolgens ondergebracht in tijdelijke huisvesting elders in het land. Tevens is er geïnvesteerd om de leefbaarheid en veiligheid in de buurt te herstellen. Het lokale bestuur verantwoordt zich over zijn handelen aan de gemeenteraad. Dit is een democratisch verantwoordingsproces waar ik niet in wil en kan treden.
Deelt u de mening dat de gemeente Heerlen zich onvoldoende heeft ingezet om haar eigen inwoners te beschermen en de veiligheid te waarborgen binnen de eigen gemeente? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Waarom heeft de gemeente Heerlen geen gehoor gegeven aan de meerdere personen en instanties die de gemeente herhaaldelijk hebben geprobeerd te informeren over deze kwestie?
Zie antwoord vraag 21.
Kunt u de reactie van de woordvoerder van de gemeente Heerlen toelichten, waarin hij spreekt over «dingen die aan de beide zijden zijn gedaan, die de relatie onderling niet ten goede komen»?
Hiervoor verwijs ik naar de gemeente Heerlen.
Bent u bekend met de rol van de politie Heerlen in deze kwestie? Zo ja, hoe zou u deze omschrijven?
De politie heeft onder regie van de gemeente en in samenspraak met de andere instanties gezocht naar de meest effectieve interventie. In eerste instantie is geprobeerd het conflict op te lossen en te bemiddelen tussen betrokkenen. In dat kader hebben er gesprekken plaatsgevonden met de politie, Vincio Wonen, andere betrokken (zorg)partijen en de buurtbewoners. Dit heeft niet het gewenste effect gehad. In tussentijd heeft de politie en specifiek de wijkagent met ketenpartners gezocht naar een passende en duurzame oplossing voor de betrokken partijen.
Waarom zijn de meerdere aangiften, gedaan door het vluchtelingengezin bij de politie, gekenmerkt als «incidenten»? Deelt u de mening dat opeenvolgende bedreigingen, intimidaties en geweldplegingen geen incidenten meer zijn? Zo ja, waarom is er dan niet ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 25.
Kunt u het gezamenlijk bericht van de gemeente Heerlen en de politie Heerlen toelichten, specifiek waar er wordt gesproken over de «eenzijdige berichtgeving»?
Zie antwoord vraag 24.
Deelt u de mening dat de samenwerking tussen de verschillende instanties in deze kwestie ernstig is mislukt en als gevolg daarvan heeft geleid tot falend beleid om de eigen inwoners te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Bent u bereid een onderzoek in te stellen naar de bedreigingen, intimidatie en geweld die het vluchtelingengezin heeft moeten ondervinden en naar de rol van de betrokken instanties binnen deze kwestie? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 21.
Het bericht 'Eerst Assads strijder, nu asiel in Nederland' |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht waar het onderzoek wordt gepresenteerd over de aanwezigheid en dreiging van sympathisanten en misdadigers van het Assad-regime in Nederland met de titel «Eerst Assads strijder, nu asiel in Nederland»?1
Ja.
Deelt u de grote zorgen over de aanwezigheid en dreiging van sympathisanten en misdadigers van het Assad-regime in Nederland? Zo ja, welke stappen bent u bereid te zetten om dit probleem aan te pakken? Zo nee, waarom niet?
De mogelijkheid dat er sympathisanten en misdadigers van het Assad-regime in Nederland rondlopen is zorgelijk. Het uitsluiten van bescherming en uitzetten of vervolgen van plegers van internationale misdrijven, waaronder oorlogsmisdrijven, die zich in Nederland bevinden, heeft een continue hoge prioriteit in zowel de strafrecht- als de asielketen. Nederland mag geen vluchthaven zijn voor personen die zich schuldig hebben gemaakt aan deze ernstige misdrijven. Het 1F-beleid is er dan ook op gericht plegers van oorlogs- en andere internationale misdrijven te identificeren en deze groep rechtmatig verblijf in Nederland te onthouden. Er is intensieve samenwerking tussen de asiel- en de strafrechtketen om, waar mogelijk, personen met een 1F-status strafrechtelijk te vervolgen. Hierover wordt de Tweede Kamer jaarlijks geïnformeerd met de Rapportagebrief Internationale Misdrijven.
Dit kabinet hecht grote waarde aan de strijd tegen straffeloosheid voor internationale misdrijven. Het opsporen en vervolgen van deze misdrijven is een uiterst complexe zaak en vergt vaak uitgebreid onderzoek. Zowel bewijsvoering als bewijsvergaring voor deze misdrijven is lastiger dan voor commune delicten. Om deze ingewikkelde taak het hoofd te bieden, is de vaste formatie van het Team Internationale Misdrijven van de politie onlangs nog uitgebreid van 32 naar 43 FTE.2 Hiermee wordt structureel voorzien in de benodigde specialistische- en opsporingsbevoegde capaciteit die de aanpak van deze zeer ernstige misdrijven vergt.
Voor een gedetailleerde uiteenzetting van de verschillende stappen die de Nederlandse overheid neemt verwijs ik u naar de meest recente rapportagebrief internationale misdrijven.3
Hoe beoordeelt u de constatering van het NRC, dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst drie handlangers van het Syrische regime een verblijfsvergunning heeft verleend en dat enkele Syriërs vanuit Nederland nog contacten onderhouden met het regime van Assad?
Ik kan niet ingaan op deze individuele zaken of personen. In het algemeen kan ik u over 1F-onderzoeken mededelen dat dit altijd een individuele beoordeling betreft en uitgebreid juridisch onderzoek inhoudt. Niemand wordt door de IND op basis van één eigenschap, één melding, of één foto aangewezen als oorlogsmisdadiger. Alleen op basis van grondige analyse van achtergrond en context en de aannemelijkheid van ernstige vermoedens dat iemand persoonlijke misdrijven heeft gepleegd of gefaciliteerd, kan de IND oordelen dat een persoon dient te worden uitgesloten van de bescherming van het Vluchtelingenverdrag.
Was u op de hoogte van de aanwezigheid van sympathisanten en misdadigers van het Assad-regime in Nederland? Zo ja, waarom is er niet tot vervolging overgegaan? Zo nee, welke gevolgen heeft dat voor de verblijfsvergunningen die reeds zijn verleend?
Zoals reeds aangegeven kan ik niet ingaan op individuele zaken. Wel kan ik u in algemene zin mededelen dat alle meldingen en signalen die wijzen op mogelijke internationale misdrijven zoals omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, serieus worden genomen en indien daar voldoende aanleiding toe bestaat ook nader worden onderzocht.
Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt een 1F-onderzoek altijd een individuele beoordeling en zorgvuldig juridisch onderzoek in. Dat geldt uiteraard ook voor 1F-onderzoeken naar personen die reeds een verblijfsvergunning hebben. Volledigheidshalve kan ik u mededelen dat zich tussen de Syrische asielzoekers die 1F tegengeworpen hebben gekregen ook personen bevinden die oorlogsmisdrijven hebben gepleegd terwijl zij onderdeel uitmaakten van het leger of het Assad-regime.
Voordat tot vervolging kan worden overgegaan moet eerst een strafrechtelijk onderzoek plaatsvinden. Zowel het OM als de politie heeft daarom gespecialiseerde teams die zich uitsluitend bezighouden met de opsporing en vervolging van deze misdrijven. Zij zullen strafrechtelijk onderzoek instellen op basis van de Wet Internationale Misdrijven in geval er mensen zich in Nederland bevinden, er een concrete verdenking bestaat dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven en er voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging bestaat.
Niet elke aanwijzing is echter voldoende om ook te kunnen spreken van een strafrechtelijke verdenking die de start van een strafrechtelijk onderzoek rechtvaardigt. Dit vergt, net als andere meldingen die bij het Team Internationale Misdrijven worden gedaan, nader onderzoek naar ondersteunend bewijs, veelal in de vorm van getuigenverklaringen. Mede om die reden zijn opsporingsonderzoeken naar internationale misdrijven (genocide, oorlogsmisdrijven, misdrijven tegen de menselijkheid, foltering, gedwongen verdwijning, agressie) in de regel complex en zeer tijdrovend.
Bent u bereid de handlangers van het Syrische regime te vervolgen en te berechten binnen de kaders van de rechtstaat? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Aan de hand van welke criteria zijn de mensen beoordeeld waarvan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgelopen zomer heeft laten weten 12.570 dossiers van Syrische vluchtelingen opnieuw te hebben beoordeeld op een «ernstige vermoeden van internationale misdrijven» en waaruit bij slechts één persoon voldoende aanwijzingen gevonden zijn om de verblijfsvergunningen in te trekken?
De herbeoordeling zoals bedoeld in de brief van 30 juni 2020 betrof een projectmatige herbeoordeling van álle dossiers die aan de volgende criteria voldeden:
Bij de herbeoordeling is gekeken naar signalen die wijzen op betrokkenheid bij misdrijven zoals omschreven in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Ik verwijs voor verdere informatie over deze herbeoordeling naar de Kamerbrief van 30 juni 2020.
Omdat er recent al een grootschalige herbeoordeling van Syrische asielzoekers aan de hand van bovenstaande criteria heeft plaatsgevonden zie ik momenteel geen aanleiding om een nieuw onderzoek te starten.
Bent u bereid een onderzoek te starten naar de aard en omvang van aanwezigheid van sympathisanten en misdadigers van het Assad-regime in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u ervan op de hoogte dat de aanwezigheid van misdadigers/sympathisanten van het Assad-regime tot onrust bij de Syrische gemeenschap in Nederland leidt, gezien deskundigen schatten dat er in Nederland enkele tientallen Syriërs verblijven die door het regime zijn ingezet om demonstranten in elkaar te slaan, burgers te martelen of te vermoorden?
Ik begrijp dat de mogelijke aanwezigheid van misdadigers/sympathisanten van het Assad regime in Nederland tot onrust bij de Syrische gemeenschap kan leiden. Dit is dan ook de voornaamste reden voor het Nederlandse 1F beleid. Het doel is om slachtoffers van internationale misdrijven bescherming te bieden en om te voorkomen dat de daders straffeloos in Nederland kunnen verblijven. Zie ook mijn antwoord op vraag 2. In deze procedures wordt reeds gebruik gemaakt van de kennis van verschillende organisaties en experts.
Ook voor de strafrechtelijke aanpak van internationale misdrijven kunnen non-gouvernementele organisaties een belangrijke rol spelen omdat zij vaak over een goede informatiepositie beschikken. Zoals in de rapportagebrief internationale misdrijven 2018 is aangegeven wordt door het OM en de politie nauw samengewerkt met dit soort organisaties omdat zij vaak direct toegang hebben tot documenten en getuigen die waardevol bewijs kunnen leveren voor een strafrechtelijk onderzoek.4
Bent u bereid het gesprek aan te gaan met maatschappelijke organisaties die beschikken over de juiste kennis en expertise, om dit probleem te verhelpen? Zo ja, kent u deze maatschappelijke organisaties?
Zie antwoord vraag 8.
Bent u bekend met het VN-Vluchtelingenverdrag, dat Syriërs de mogelijkheid geeft om asiel aan te vragen in Nederland en daarmee als erkende vluchteling het recht hebben op veiligheid en bescherming van de Nederlandse regering?
Ja.
Bent u bekend met de verdwijning van de Syrische activist, klokkenluider en vluchteling Mazen Al-Humada, die getuigde over zijn mishandeling binnen de martelkamers van het regime van Assad?
Ja.
Hoe verhoudt de verdwijning van Mazen Al-Humada zich tot het recht om veiligheid en bescherming te krijgen door de Nederlandse regering?
Zoals u weet kan ik niet ingaan op individuele zaken. In het algemeen kan ik u mededelen dat het kabinet zich inzet om een ieder die bedreigd wordt, bescherming te bieden.
Deelt u de mening dat de Nederlandse regering zich onvoldoende heeft ingezet om Syrische vluchtelingen, zoals Mazen Al-Humada, te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 12.
Bent u bereid een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar de verdwijning van Mazen Al-Humada en hem zo mogelijk een veilige terugkeer naar Nederland te bieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe bent u van plan dit onderzoek concreet uit te voeren?
Ook hier geldt dat ik niet kan ingaan op individuele zaken. Bovendien is het al dan niet starten van (strafrechtelijke) onderzoeken een bevoegdheid die uitdrukkelijk aan het OM toebehoort. Aan dergelijke beslissingen kunnen verschillende factoren en beginselen ten grondslag liggen.
Deelt u de mening dat enkel de morele steun van de Nederlandse regering ontoereikend is om de veiligheid en bescherming te bieden waar Syrische vluchtelingen het recht op hebben?
Momenteel krijgen Syrische vluchtelingen in de regel een verblijfvergunning in Nederland, met uitzonderingen van personen waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven als oorlogsmisdrijven of terrorisme. Syrische statushouders hebben recht op en toegang tot alle benodigde voorzieningen om een bestaan op te bouwen en te integreren in de Nederlandse samenleving.
Ik deel dus niet uw mening dat er enkel sprake is van morele steun door de Nederlandse regering.
Bent u bereid extra middelen in te zetten om de veiligheid en bescherming van Syrische vluchtelingen die worden geïntimideerd en/of bedreigd vanuit het regime van president Assad te verbeteren? Zo nee, waarom niet?
Zoals reeds benoemd in mijn antwoord op vraag 15 hebben Syrische vluchtelingen toegang tot alle benodigde voorzieningen waaronder ook de politie. Net als gewone Nederlanders kunnen zij aangifte doen en de bescherming inroepen van de politie wanneer dat nodig is. Ik zie momenteel dan ook geen reden om extra middelen in te zetten om de veiligheid en bescherming van Syrische vluchtelingen te verbeteren.
Bent u bereid een disciplinaire aanpak te hanteren, waarbij de Nederlandse regering hard optreedt tegen de invloed van de Syrische inlichtingendiensten in Nederland, verdachten van deelname aan misdaden van het Assad-regime hier vervolgd worden conform het internationaal recht en ten slotte passende en sensitieve hulp en zorg te bieden aan Syrische vluchtelingen?
In de eerste plaats heeft het kabinet begin 2018 een aanpak ontwikkeld voor het tegengaan van doelbewuste, stelselmatige en vaak heimelijke activiteiten van statelijke actoren (of actoren die aan statelijke actoren zijn te relateren) in Nederland. Dit omdat het kabinet ongewenste buitenlandse inmenging volstrekt onwenselijk acht, omdat statelijke actoren hiermee kunnen komen aan het fundament van de Nederlandse democratische rechtsorde en de open samenleving. Voor een effectieve aanpak van ongewenste buitenlandse inmenging zetten we allereerst in op het continu versterken van onze informatiepositie, onder ander door onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Daarnaast zetten we in op samenwerking met onze internationale partners, met name binnen Europa. Onze nationale aanpak tot slot bestaat uit het aanspreken van landen die zich schuldig maken aan ongewenste inmenging in Nederland, het verhogen van de weerbaarheid van de kwetsbare groepen in Nederland die hier doelwit van zijn en het gecoördineerd optreden en verstoren bij actuele of dreigende incidenten, waarbij we een mix van bestuurlijke en strafrechtelijke maatregelen inzetten.
Zoals in het antwoord op vragen 4 en 5 is aangegeven zal er, op het moment dat er mensen zich in Nederland bevinden en er een concrete verdenking bestaat dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan internationale misdrijven, en wanneer er voldoende reëel perspectief op succesvolle opsporing en vervolging bestaat, strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld.
Bent u bereid aanklagers ook gebruik te laten maken van de bevoegdheid om schendingen van het internationaal strafrecht hier in Nederland te vervolgen, zoals in Duitsland, waar op grond van hetuniversal jurisdiction misdadigers van het Assad-regime vervolgd worden?
Nederland maakt reeds gebruik van de mogelijkheid om internationale misdrijven te vervolgen op basis van universal jurisdiction. Universele rechtsmacht betreft rechtsmacht die uitsluitend is gebaseerd op de aard en ernst van het misdrijf, ongeacht of er een direct aanknopingspunt is met de rechtsorde van de Staat die die rechtsmacht claimt, zoals de plaats van het misdrijf of de nationaliteit van de verdachte of het slachtoffer. In Nederland hebben wij voor internationale misdrijven zogenaamde secundaire universele rechtsmacht. Dit houdt in dat het enige aanknopingspunt dat nodig is om rechtsmacht uit te oefenen de aanwezigheid van de verdachte op Nederlands grondgebied is. Voor voorbeelden van zaken waarin op basis van universele rechtsmacht in Nederland vervolging is ingesteld verwijs ik u naar de meest recente rapportagebrief internationale misdrijven.5
Deelt u de mening dat de Nederlandse regering zich niet langer meer kan verschuilen achter het argument dat de diplomatieke banden met president Assad verbroken zijn en zou moeten handelen naar de juridische mogelijkheden die er wel zijn teneinde vluchtelingen te beschermen?
Zoals in de Rapportagebrieven internationale misdrijven jaarlijks aan uw Kamer duidelijk wordt gemaakt, kent Nederland een uitgebreide ketenaanpak gericht op de aanpak van internationale misdrijven. Verschillende overheidsorganisaties werken op nationaal en internationaal gebied nauw samen met hun partners (zowel overheidspartners als non-gouvernementele partners) aan de bewerkstelliging van hun gezamenlijke doel: straffeloosheid tegengaan en voorkomen dat zij die zich schuldig hebben gemaakt aan deze verschrikkelijke misdrijven een veilige haven vinden.
Wilt u zo vriendelijk zijn om bovenstaande vragen elk afzonderlijk en uitvoerig te beantwoorden?
Gelet op de samenhang tussen sommige vragen heb ik deze gezamenlijk beantwoord. Wel heb ik elke vraag zo uitvoerig mogelijk beantwoord.
Wederom seksueel grensoverschrijdend gedrag op de faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam (UvA) |
|
Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «De wrange afloop van MeToo-klacht bij de UvA»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat zich wederom een situatie rondom seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft voorgedaan die blijkbaar pas consequenties kreeg toen journalisten hier opvolging aan gaven?
Ik betreur het ten zeerste dat zich een situatie rondom seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft voorgedaan op de UvA waarbij de klager ontevreden is over de afhandeling van de klacht door de UvA.
De UvA heeft mij geïnformeerd dat de formele klacht van de studente deels gegrond is verklaard door het College van Bestuur, en dat er met de betreffende docent bindende afspraken gemaakt zijn over zijn gedrag. In het najaar van 2020 zijn er nieuwe signalen ontvangen over ongewenst gedrag van de docent. Gezien het verleden heeft de decaan na deze nieuwe signalen een extern bureau opdracht gegeven onderzoek te doen. Voor de periode dat dit onderzoek loopt is de docent volledig uit het onderwijs gehaald.
Heeft u contact gehad met de betreffende instelling om na te gaan waarom de docent in kwestie op non-actief is geplaatst zodra NRC Handelsblad vragen stelde over deze kwestie? Zo nee, wilt u dat doen?
Ja, ik heb contact gehad met de UvA. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 is de docent voor de periode dat het onderzoek naar zijn gedrag loopt volledig uit het onderwijs gehaald. De aanleiding voor het onderzoek waren volgens de UvA nieuwe signalen over het gedrag van deze docent.
Hoe kijkt u ernaar dat er volgens de UvA geen aanknopingspunten waren voor nader onderzoek omdat andere slachtoffers geen formele klacht wilden of konden indienen omdat dit niet op anonieme basis kan? Bent u van mening dat dit beleid bijdraagt aan een veilige sociale omgeving voor personen die melding willen maken van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, welke vervolgstappen vloeien hieruit voort?
De UvA heeft mij geïnformeerd dat – na het deels gegrond verklaren van de klacht – is nagegaan of nader onderzoek mogelijk was op basis van enkele andere signalen die alleen bij de vertrouwenspersoon bekend waren. De vertrouwenspersoon had tijdens de klachtprocedure aangegeven dat die meldingen er waren, maar kan zonder toestemming van de melder geen nadere informatie delen over de aard van een melding. In samenspraak met de vertrouwenspersoon is er contact geweest met degenen die zich hadden gemeld, maar zij gaven aan niet verder mee te willen werken aan vervolgonderzoek. Er zijn wel gesprekken gevoerd met enkele docenten om na te gaan of er aanknopingspunten waren voor vervolgonderzoek. Dat bleek niet het geval. Het uitgangspunt voor nader onderzoek was overigens niet dat er een formele klacht zou moeten worden ingediend of dat dit niet op anonieme basis zou kunnen.
In het rapport Evaluatie universitaire ombudsfunctie2 wordt ingegaan op de wenselijkheid en het beleid ten aanzien van anoniem melden: Anoniem melden betekent dat de melder zich niet bekend maakt aan vertrouwenspersoon of ombudsfunctionaris. Het is lastig om een anonieme melding te behandelen omdat de context van het grensoverschrijdend gedrag relevant is voor het begrijpen en onderzoeken van de melding. Niettemin kan het waardevol zijn om op basis van anonieme signalen in een vroegtijdig stadium onderzoek te doen. In het Landelijk kader voor invulling universitaire ombudsfunctie3 wordt het wel of niet toestaan van anonieme meldingen aan de instelling overgelaten.
De vertrouwelijkheid van een melding wordt door zowel vertrouwenspersoon als ombudsfunctionaris gegarandeerd. De anonimiteit zal op verzoek van de melder altijd geborgd worden. In het Evaluatierapport universitaire ombudsfunctie4 wordt erop aangedrongen om in de informatievoorziening over de ombudsfunctionaris op te nemen dat de anonimiteit van de melder gewaarborgd is. Dit kan tevens de meldingsbereidheid vergroten.
Wat vindt u ervan dat een slachtoffer van grensoverschrijdend gedrag zich gedwongen ziet van stad en/of instelling te veranderen omdat de dader ongemoeid zijn werkzaamheden mag voortzetten?
Ik betreur het als slachtoffers zich genoodzaakt voelen dergelijke keuzes te maken.
Erkent u dat het anonimiseren van officiële klachten een grote drempel voor de meldingsbereidheid zou wegnemen? Deelt u de zienswijze dat er mogelijkheden zijn om hoor en wederhoor anoniem te faciliteren?
De anonimiteit van de melder kan bij vertrouwenspersoon en ombudsfunctionaris geborgd blijven. Het is belangrijk om dit helder aan studenten en medewerkers te communiceren om de meldingsbereidheid te vergroten. Bij de klachtencommissie is dit niet mogelijk. Wel zou het mogelijk moeten zijn dat klager en beklaagde elkaar niet tegenkomen bij de hoor en wederhoor.
Deelt u de mening dat het niet afhankelijk mag zijn op welke instelling iemand onderwijs geniet of werkt voor de manier waarop een klacht over ongewenst gedrag wordt behandeld en opgevolgd? Zo ja, bent u bereid dit beleid gelijk te trekken voor alle instellingen door een nationaal en onafhankelijk meldpunt op te richten?
Ik acht het van belang dat op iedere instelling dezelfde mogelijkheden zijn om ongewenst gedrag te melden en klachten in te dienen. Alle universiteiten hebben dan ook een gedragscode sociale veiligheid en een klachtencommissie, in de cao is de aanstelling en taakstelling van vertrouwenspersonen vastgelegd. Daarnaast is er in de cao Nederlandse Universiteiten 2020 afgesproken dat er een ombudsfunctie wordt ingericht op alle universiteiten. Universiteiten krijgen een jaar de tijd om dit te regelen.
De behandeling en opvolging van klachten is echter altijd context gebonden, de specifieke omgeving is relevant voor het begrijpen en onderzoeken van de casus. Voor de opvolging van klachten is er geen uniform beleid mogelijk, dit betreft immers altijd het maken van contextgevoelige afwegingen in een specifieke casus. Dit is ook waarom één nationaal meldpunt geen uitkomst is om intimidatie tegen te gaan: dit plaatst de melding en aanpak van wangedrag te ver weg van de werkvloer.
Is het feit dat er zich weer een casus van grensoverschrijdend gedrag voordoet op nota bene dezelfde faculteit als enige tijd geleden ook het geval was, ondanks de aanwezigheid van een ombudspersoon, reden om te starten met het heroverwegen van een nationaal, onafhankelijk en laagdrempelig meldpunt zoals is gevraagd in motie van de leden Kerstens en Van den Hul? Zo nee, wanneer voorziet u hier wel reden toe?2 3
Onderzoeken van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren, de vakbonden FNV/VAWO en Promovendi Netwerk Nederland, naast de aandacht voor #metoo casussen in de media maken duidelijk dat er gewerkt moet worden aan het verbeteren van de sociale veiligheid. Dat gebeurt ook op verschillende manieren. Zo zal op iedere universiteit een ombudsfunctionaris worden aangesteld. Naast het verbeteren van de hulp- en zorgstructuur, gaat het ook om het creëren van bewustzijn en een cultuurverandering.
Deelt u tevens de aanname dat een verhaal als dit (en de vele voorgaande) hoogstwaarschijnlijk afbreuk doen aan de bereidheid melding te maken van grensoverschrijdend gedrag, aangezien nieuwe slachtoffers zich mogelijk gesterkt zien in hun overtuiging dat hun melding (bijna) geen verschil maakt?
Uit het NRC artikel #metoo-klacht heeft zelden gevolgen7 blijkt dat sinds de #metoo beweging in 2017 begon het aantal klachten bij universitaire klachtencommissies en het aantal meldingen bij vertrouwenspersonen van universiteiten is gestegen. Juist de aandacht voor sociale veiligheid – ook voor wat hierin niet goed gaat – en de in gang gezette verbeteringen, kunnen de meldingsbereidheid verder vergroten.
Kunt u een tijdspad bieden voor wanneer de Kamer de eerste resultaten kan verwachten van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) onderzoekscommissie onder leiding van Naomi Ellemers en wanneer studenten, medewerkers en promovendi hiervan de eerste concrete effecten zullen merken?
Ik verwacht dat het advies van de KNAW voor december 2021 wordt uitgebracht.
Kunt u een beeld schetsen van hoe de huidige coronacrisis impact heeft of kan hebben op de sociale veiligheid gezien het feit dat contact nu wellicht vaker één op één plaatsvindt? Op welke manier houdt uw beleid daar rekening mee?
Ik heb geen aanwijzingen dat de coronacrisis impact heeft (in positieve of negatieve zin) op de sociale veiligheid.
Vindt u dat er zo snel mogelijk maatregelen moeten worden getroffen om dit soort misstanden, die grote effecten hebben op individuele levens alsook een verziekte cultuur, voor toekomstige generaties studenten, promovendi en medewerkers te voorkomen?
Vooropgesteld staat dat ik het van groot belang acht dat universiteiten een zodanig veilige en bewuste werk- en studieomgeving creëren dat wangedrag zoveel mogelijk voorkomen kan worden. Universiteiten nemen hierin hun verantwoordelijkheid door: de hulp- en zorgstructuur uit te breiden, wangedrag bespreekbaar te maken, adequaat in te grijpen en slachtoffers toereikende hulp te bieden. Ik heb er vertrouwen in dat de acties die reeds in gang zijn gezet daartoe bijdragen, en tevens een cultuurverandering in gang zetten.
Daarnaast verwacht ik dat het KNAW-advies (over de preventie en aanpak van ongewenst gedrag) concrete handvatten zal bieden om de huidige wetenschapscultuur en -structuur te veranderen. Zodoende levert het advies – naast de huidige maatregelen van universiteiten – een bijdrage om op een (meer) preventieve manier een veilig en duurzaam leer- en onderzoeksklimaat teweeg te brengen.
Brandbom bij Syrisch gezin in Heerlen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in De Limburger «Brandbom bij «Syrisch gezin in Heerlen: burenruzie of racisme?» van 12 december 2020?1
Ja.
Klopt het dat er eerder al meerdere aangiftes van intimidatie en mishandeling bij de politie waren gedaan door het Syrische gezin tegen buurtbewoners?
In het verleden zijn door verschillende personen, die woonachtig zijn en of waren in de betreffende straat in Heerlen, meldingen en aangiften gedaan.
Kunt u aangeven of de politie onderzoekt of de aanslag met brandbom en eerdere intimidatie het gevolg zijn van racisme?
Ik kan geen uitspraken doen over individuele politie-onderzoeken.
Klopt het dat politie, gemeenten en de woningbouwcorporatie al maanden op de hoogte waren van het conflict in de buurt tussen dit gezin en de verschillende buren? Zo ja, kunt u aangeven op welke wijze zij hebben opgetreden om de veiligheid te bewaken?
De lokale leefbaarheid en veiligheid is primair een verantwoordelijkheid van het lokale bestuur. De gemeente Heerlen heeft in deze kwestie daarom de regie genomen.
Het Veiligheidshuis Parkstad Limburg begeleidt het proces in operationele zin. Vanuit de gemeente en andere instanties werd er sinds langere tijd hulp en ondersteuning geboden aan beide gezinnen. Veiligheid voor betrokkenen stond hierbij voorop. In dat kader zijn er vele gesprekken met betrokkenen gevoerd en aanvullende maatregelen genomen, waaronder tijdelijk cameratoezicht. Nadat de kwestie landelijk in de media werd gebracht, kon de veiligheid voor betrokkenen en de buurt niet meer worden gegarandeerd. Beide gezinnen zijn vervolgens ondergebracht in tijdelijke huisvesting elders in het land. Tevens is er geïnvesteerd om de leefbaarheid en veiligheid in de buurt te herstellen. Het lokale bestuur verantwoordt zich over zijn handelen aan de gemeenteraad.
Deelt u de mening dat politie, gemeenten en woningbouwcorporatie tijdig stappen moeten zetten om te voorkomen dat langdurige conflicten escaleren tot geweld?
Ja, wij onderschrijven de mening dat er door middel van een integrale aanpak, dus met alle ketenpartners samen, moet worden ingezet op het voorkomen van langdurige problemen en een mogelijke escalatie tot geweld. Naast het onderschrijven, werken wij al langere tijd op deze manier.
Om van deze casus te leren wordt, onder regie van de gemeente Heerlen, op korte termijn een onderzoek opgestart.
Klopt het dat dit gezin na de aanslag met een brandbom geen bescherming heeft gekregen en is ondergedoken?
Dit is onjuist. Na dit incident zijn er in het kader van de veiligheid van de beide betrokken gezinnen en de omwonenden een tweetal mobiele camera’s geplaatst. Daarnaast wordt er gezocht naar nieuwe (structurele) huisvesting voor beide gezinnen. Zij zijn momenteel ondergebracht in tijdelijke huisvesting elders in het land.
Welke stappen gaat u zetten om de veiligheid in buurten te verbeteren en gezinnen die te maken krijgen met intimidatie of racisme te beschermen?
De lokale leefbaarheid en veiligheid is primair een verantwoordelijkheid van het lokale bestuur. De gemeente Heerlen heeft in deze kwestie daarom de regie genomen. Het Veiligheidshuis Parkstad Limburg begeleidt het proces in operationele zin. De betrokken instanties hebben vanuit hun eigen rol een verantwoordelijkheid voor een leefbare en veilige woonomgeving. Ook de gemeente investeert, samen met haar partners (w.o. ook de politie maar ook de corporaties) volop door de inzet van wijkboa’s en buurtregisseurs die samen met de wijkagent (politie), de sociale consulenten (corporaties), maar ook het welzijns- en opbouwwerk, zorgen voor een goed samenwerkende en dekkende structuur.
Kent u de website van New Insight Consulting?
Ja.
Kent u de berichten op de betreffende website over Arabische lessen voor de politie bedoeld voor hun werkzaamheden in de dagelijkse praktijk?1
Ja.
Deelt u de mening dat de voertaal hier Nederlands is en de politie dan ook Nederlands dient te spreken met burgers en dit de omgekeerde wereld is? Zo nee, waarom niet?
Waarom wordt de kostbare tijd van politieagenten besteed aan het volgen van taal- en cultuurlessen in plaats van die tijd te besteden aan het handhaven van de openbare orde en het opsporen van strafbare feiten?
Waarom wordt belastinggeld besteed aan een activiteit die op geen enkele wijze bijdraagt aan de uitvoering van bovengenoemde werkzaamheden van de politie?
Bent u bereid om de betreffende korpsen en/of de korpsleiding hier op te wijzen en er voor te zorgen dat aan deze en vergelijkbare activiteiten per direct een einde wordt gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Stalking |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de berichtgeving over de stalkingszaak in Vogelenzang, «Acht jaar gestalkt en bedreigd door een jeugdvriendje: «Mijn jeugd vergald en niemand die wat doet»»?1
Het verhaal van Esmee en Jan Dusseljee laat zien dat de impact van stalking groot is. Mensen verdienen bescherming als er een dusdanige inbreuk wordt gemaakt op hun privéleven.
Erkent u dat deze zaak niet op zichzelf staat, maar dit soort stalkingszaken nog steeds geregeld voorkomen?
Stalking komt helaas nog regelmatig voor in Nederland. In 2019 heeft de politie 4010 aangiftes van belaging (art. 285b Wetboek van Strafrecht) opgenomen of ambtshalve opgemaakt.2 De aandacht voor stalking is de afgelopen periode sterk toegenomen. Naar aanleiding van het rapport van de Inspectie van Justitie en Veiligheid over de aanpak van de stalking door Bekir E. (het Inspectierapport) zijn er maatregelen genomen door politie, Openbaar Ministerie (OM), Veilig Thuis en Reclassering Nederland. Deze maatregelen zien er onder meer op dat stalking sneller wordt herkend, de risico’s juist worden ingeschat en de slachtofferveiligheid wordt versterkt. Hiermee moet worden voorkomen dat slachtoffers niet beschermd worden tegen stalking en de stalker geen consequenties ondervindt van zijn acties.
Wat is uw reactie op het bericht dat de slachtoffers in deze zaak ervaren hebben dat het doen van aangifte ontmoedigd werd in deze zaak?
Iedereen moet de mogelijkheid hebben om van strafbare feiten aangifte te doen. Zoals de politie zelf ook aangeeft in dit bericht, heeft de politie in deze zaak in eerste instantie niet adequaat gehandeld. Stalking heeft binnen de politie een hoge prioriteit en ik heb tijdens verschillende werkbezoeken gezien dat politieagenten zijn doordrongen van de ernst van dit delict. De politie werkt ook aan deskundigheidsbevordering op gebied van huiselijk geweld en kindermishandeling, waaronder ex-partnerstalking. Dit moet er onder meer toe leiden dat slachtoffers niet worden ontmoedigd om aangifte te doen.
Bent u bekend met het bestaan van de stalkings-app die onzichtbaar op de telefoons van slachtoffers van stalking worden geïnstalleerd?2 Wat wordt er gedaan om grote gevolgen van het bestaan en de inzet van dergelijke apps te voorkomen?
Ik ben bekend met het bestaan van spy-apps die gebruikt kunnen worden om iemand te stalken. Als een slachtoffer van stalking zich bij de politie meldt, dan bespreekt de politie welke beschermende maatregelen het slachtoffer zelf of de politie kan nemen. Digitale veiligheid is onderdeel van dit gesprek, waarbij ook aandacht is voor het gebruik van zogenoemde spy-apps. Waar nodig wordt digitale recherche ingezet.
Wat zijn de resultaten met de SASH-formulieren tot op heden?
Sinds 1 maart 2019 kan het SASH-formulier worden geregistreerd in het registratiesysteem van de politie. Met het SASH-instrument wordt het risico ingeschat dat een slachtoffer loopt. In 2020 heeft de politie in totaal 6.663 SASH-formulieren opgemaakt. Hieronder kunnen zich ook enkele SASH-formulieren bevinden die zijn gekoppeld aan een incident van een voorgaand jaar.
Welke beleidswijzigingen zijn nog onderweg om ernstige vormen van stalking aan te pakken?
Voor de stand van zaken van de uitvoering van de maatregelen zoals genoemd in mijn reactie op het Inspectierapport verwijs ik u naar de vijfde voortgangsrapportage Geweld hoort nergens thuis.4 In het bijzonder wijs ik erop dat het OM haar richtlijnen voor strafvordering belaging en huiselijk geweld heeft herzien en dat deze per 1 maart 2021 in werking treden. Belangrijke wijziging is dat het OM in (ex-partner)stalkingzaken in beginsel zal dagvaarden waarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd wordt. Dit biedt de mogelijkheid om voorwaarden te vorderen die kunnen bijdragen aan de veiligheid van het slachtoffer.
Is er volgens u voldoende aandacht voor slachtoffers van stalking bij de politie en is er voldoende capaciteit om alle signalen serieus in behandeling te nemen?
Het Inspectierapport heeft geleid tot een verhoogde aandacht bij zowel de politie als andere betrokken partijen, zoals Veilig Thuis, OM en de Reclassering. Dit zie ik ook tijdens de werkbezoeken die ik afleg om te kunnen zien hoe de maatregelen zoals genoemd in mijn reactie op het Inspectierapport worden geïmplementeerd. Bij de politie is deze aandacht onder meer geborgd in de werkinstructie stalking. Onderdeel hiervan is dat als een slachtoffer aangifte doet, het risico wordt ingeschat met behulp van de SASH. Afhankelijk van de uitkomst van deze risicoscreening wordt de opvolging in de zaak met netwerkpartners bepaald. Indien wordt ingeschat dat het gaat om een midden of hoog risico, wordt binnen het politiebasisteam van het gebied waar het slachtoffer woont altijd een casusregisseur aangewezen. Deze heeft het overzicht en de regie binnen de politie. Hiermee is er voldoende aandacht voor slachtoffers van stalking. Het is aan de lokale driehoek om prioriteiten te bepalen en keuzes te maken over de inzet van de capaciteit van de politie.
Wat is uw reactie op de notitie van de SP-fractie over stalking3 ter onderbouwing van de aangehouden motie Van Nispen c.s.4? Wat is nu uw reactie op het voorstel om met een voorstel te komen om ervoor te zorgen dat contact-, locatie- en gebiedsverboden eenvoudiger kunnen worden opgelegd aan stalkers en bedreigers om zo sneller te kunnen reageren op bedreigingen en stalkingen en slachtoffers sneller bescherming te bieden?
De wens om snel een contact- of locatieverbod op te kunnen leggen is begrijpelijk, nu stalking een grote impact heeft op het slachtoffer. De gedragsaanwijzing (art. 509hh Wetboek van Strafvordering) is een geschikt instrument om het voortduren van stalken te stoppen, dat ook in de praktijk regelmatig wordt ingezet. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 7, vult de politie bij een melding of aangifte van stalking altijd de SASH in. Indien er sprake is van een hoog risico, neemt de politie direct contact op met onder meer het OM om veiligheidsmaatregelen te bespreken. De officier van justitie zal de zaak beoordelen en zo nodig direct maatregelen treffen, bijvoorbeeld in de vorm van een contact- of locatieverbod. Indien iemand wordt aangehouden wegens stalking wordt de zaak op ZSM behandeld. Hier wordt ook expliciet gekeken naar de veiligheid en of het slachtoffer bescherming behoeft aan de hand van het SASH. Waar nodig, kan de officier van justitie snel een contact- of locatieverbod opleggen. In de praktijk kan dus al snel een contact- en locatieverbod worden opgelegd, ook kort na het moment dat het slachtoffer aangifte doet. Hiervoor is de geadviseerde wetswijziging niet nodig.
Aanslagen op drie Poolse winkels |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de drie aanslagen die kort na elkaar, op 8 en 9 december 2020, zijn gepleegd op Poolse winkels onder de naam Biedronka, in Aalsmeer, Heeswijk-Dinther en Beverwijk?1
Ja.
Kunt u uitsluiten dat deze drie bomaanslagen in verband met elkaar staan?
De recherche is onder leiding van het openbaar ministerie een uitgebreid opsporingsonderzoek gestart. Meerdere aspecten worden in dit onderzoek meegenomen. Naast een mogelijk verband tussen de zaken wordt uiteraard ook gekeken naar een mogelijk motief/de achtergrond van de aanslagen. Meerdere scenario’s worden in dat verband onderzocht. Vooralsnog zijn deze ontploffingen niet te duiden als vorm van terrorisme. Ook is nog niet te zeggen of deze aanslagen specifiek gericht waren op Poolse mensen in Nederland. Daarvoor is meer informatie nodig, onder andere wat betreft het motief van de aanslagen.
Zijn deze bomaanslagen volgens u te duiden als een vorm van terrorisme? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid de politie de opdracht te geven hieraan de hoogste prioriteit te geven en alle middelen die nodig zijn ter beschikking te stellen?
Zie antwoord vraag 2.
Welke motieven kunnen er volgens u zijn bij de daders? Gaat het om afpersing, afgunst, of het willen uitschakelen van een concurrent? Of gaat het om een aanslag op etnisch ondernemerschap of anti-polonisme (discriminatie van mensen met een Poolse achtergrond)?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat dit soort bomaanslagen volstrekt onacceptabel is en de rechtsorde schokt en daarmee erger is dan «gewone» criminaliteit?
Als Minister van Justitie en Veiligheid maak ik mij sterk voor de bestrijding van alle vormen van criminaliteit, zeker ook als het gaat om dit soort aanslagen. Ik deel de mening dat die volstrekt onacceptabel zijn. Er bestaat niet zoiets als «gewone» criminaliteit. Wel kent het strafrecht verschillende gradaties van ernst van een delict. Een delict dat levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kan vormen, zoals een aanslag als deze, is uiteraard als zeer ernstig te kwalificeren.
Deelt u de mening dat iedereen, ook in de uitoefening van bedrijf, of godsdienst, mag genieten van door de overheid gegarandeerde veiligheid?
Het zorgen voor een veilige samenleving is een kerntaak van de overheid. Daarnaast is veiligheid ook een gedeelde verantwoordelijkheid van alle burgers en organisaties in Nederland. Zij zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun veiligheid. Wanneer zij niet op eigen kracht voldoende weerstand kunnen bieden tegen de dreiging en het risico kan de overheid aanvullende beveiligingsmaatregelen treffen. Daarbij staat de veiligheid van de persoon of het object centraal. De overheid biedt hierin maatwerk, waarbij absolute veiligheid echter nooit te garanderen is.
Hoe kunt u er voor zorgen dat alle bedreigde gebedshuizen, winkels, restaurants en andere gebouwen op verzoek beveiliging van overheidswege kunnen krijgen?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht 'We gaan niet de hele dag meekijken' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «We gaan niet de hele dag meekijken»?1
Ja.
Kunt u – op hoofdlijnen – aangeven op welke wijze politiemedewerkers met toegang tot de politiesystemen gecontroleerd gaan worden om te zien of ze geen vreemd zoekgedrag vertonen? Kunt u daarbij duiden op welke wijze opvolging wordt gegeven aan afwijkende signalen en op welke wijze «het gesprek met de medewerker» ingebed is in de vervolgaanpak?
Burgers mogen ervan uitgaan dat informatie die bij de politie bekend is uiterst zorgvuldig wordt behandeld en beschermd. Het lekken van informatie brengt naast de inbreuk op de privacy van de betrokkene mogelijk ook de veiligheid van operaties en mensen in gevaar. De politie gaat daarom oneigenlijk gebruik van de politiesystemen sneller detecteren met de bedoeling deze eerder te stoppen. Recente corruptiezaken onderstrepen het belang van verscherpte aandacht voor de aanpak van het lekken van informatie.
Daartoe is een systeem en werkwijze in ontwikkeling met als doel om in een vroegtijdig stadium mogelijk misbruik door gericht binnendringen van de politiesystemen (hacken) en lekken van informatie van binnenuit te detecteren en voorkomen. Het systeem geeft een indicatie of mogelijk sprake is van afwijkend zoekgedrag op basis van een groot aantal indicatoren, waaronder het historische patroon van bevraging en een vergelijking met het gemiddelde bevragingspatroon van collega’s. Deze indicatoren zijn gebaseerd op input en ervaringen van experts binnen de politieorganisatie plus de analyse van casuïstiek. Een voorbeeld van een indicator is het doen van bevragingen met betrekking tot een onderzoek waar de betreffende functionaris geen rol in heeft. Het is belangrijk om op te merken dat «afwijkend zoekgedrag» niet perse «fout gedrag» hoeft te betekenen.
Om te zorgen dat er geen sprake is van automatische besluitvorming en er altijd een mens meekijkt en beslist, wordt een indicatie door specialisten geanalyseerd en gewogen. Als er vervolgens aanleiding is tot verdere actie wordt de indicatie besproken met de leidinggevende die een nadere afweging maakt voor het vervolg. In de gevallen dat sprake is van een harde verdenking van bijvoorbeeld corruptie in relatie tot georganiseerde criminaliteit wordt uiteraard een passende aanpak gekozen.
De gehele aanpak is op dit moment nog in ontwikkeling en het perspectief van medewerkers speelt daarbij een belangrijke rol. De medezeggenschap is akkoord gegaan met de ontwikkelingsfase, neemt vanaf de start deel aan de begeleidingsgroep en stuurgroep en zal bij de landelijke inrichting en uitrol om instemming worden gevraagd. Het ondersteunen van alle integere politiemedewerkers en het belang van hun vertrouwen wordt nadrukkelijk onderkend.
Wat zijn atypische signalen waarop vreemd zoekgedrag geconstateerd gaat worden precies? Kunt u dit nader duiden?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u uitleggen hoe het juridisch raamwerk van dit systeem precies in elkaar zit? Is het een werkgever toegestaan om het zoekgedrag van medewerkers op deze manier te monitoren?
De verwerking van informatie door de politie wordt uitgevoerd binnen de wettelijke kaders van de Wet politiegegevens (WPG). Artikel 3 WPG vereist dat politiegegevens slechts worden verwerkt voor zover dit behoorlijk en rechtmatig is. Door middel van het actief loggen van de verwerking van politiegegevens kan de rechtmatigheid van de verwerking worden gecontroleerd. Het bijhouden en beoordelen daarvan volgt daarnaast uit artikel 4a WPG. Daarin is geregeld dat de politie passende technische en organisatorische maatregelen moet treffen om een passend beveiligingsniveau te waarborgen. Deze zogenaamde verplichting tot informatiebeveiliging vereist dat «logbestanden van gebeurtenissen die gebruikersactiviteiten, uitzonderingen en informatiebeveiligingsgebeurtenissen registreren, behoren te worden gemaakt, bewaard en regelmatig worden beoordeeld». De Autoriteit Persoonsgegevens heeft daarbij duidelijk aangegeven, dat deze (impliciete) monitoringsverplichting niet alleen achteraf geldt. Ook moeten de logbestanden proactief gecontroleerd worden op indicaties van onrechtmatige toegang of onregelmatig gebruik van politiegegevens. Om logbestanden te kunnen monitoren of beoordelen is het nodig om vooraf indicaties vast te stellen waarop deze beoordeling kan plaatsvinden.
In de WPG is tevens een expliciete verplichting voor de politie opgenomen om langs elektronische weg een aantal verwerkingen van politiegegevens in geautomatiseerde systemen vast te leggen (artikel 32a WPG). Deze verplichting tot logging vloeit voort uit EU richtlijn 2016/680 betreffende de gegevensbescherming inzake opsporing en vervolging. De logbestanden mogen uitsluitend worden gebruikt om te controleren of de gegevensverwerking rechtmatig is, om interne controle uit te oefenen, om de integriteit en de beveiliging van de gegevens te garanderen en om strafrechtelijke procedures te waarborgen. Hierbij omvat interne controle mede het voeren van interne tuchtprocedures.
Op basis van het gegevensbeschermingsrecht is het dus toegestaan, en zelfs verplicht dat dergelijke handelingen van politiemedewerkers worden gelogd en gemonitord.
De verplichting tot logging van artikel 32a WPG is nog niet in werking getreden. De EU richtlijn biedt de mogelijkheid tot uitstel van inwerkingtreding tot 2023. Dit geeft de politie ruimte en tijd om de ICT-systemen geleidelijk aan te passen.
Klopt het dat de MEOS-applicatie (Mobiel Effectier Op Straat) voor iedere operationele politieman beschikbaar is, inclusief aspiranten van politie vanaf hun eerste werkdag? Klopt het dat MEOS voor iedere individuele politieman 24 uur per dag beschikbaar is, 365 dagen per jaar? Klopt het dat MEOS door iedere politieman overal ter wereld (waar een internetaansluiting is) te raadplegen is?
De MEOS-applicatie is voor operationele doeleinden altijd en overal beschikbaar voor alle medewerkers in de operatie; hieronder vallen ook aspiranten die immers als onderdeel van hun opleiding ook ingezet worden op straat en daartoe worden toegerust met onder andere de MEOS-applicatie en zo de noodzakelijke ervaring hiermee opdoen. In het nieuwe politieonderwijs (PO 21) zijn aspiranten in het eerste jaar meer op school en zullen zij door middel van een speciale oefenomgeving -die op dit moment ontwikkeld wordt- zich bekwamen in het gebruik van het MEOS-systeem. Technisch bestaat de mogelijkheid MEOS te raadplegen in het buitenland, maar dit is uiteraard alleen geoorloofd als het om het operationeel belang gaat. Het is niet toegestaan politie informatie voor andere doeleinden dan de operationele taak te gebruiken.
Op welke wijze kan een politieman die zich oprecht zorgen maakt over een omstandigheid op de grens van werk en privé op een fatsoenlijke en rechtmatige wijze gebruik maken van informatie uit politiesystemen? Kunt u de beantwoording van deze casus toespitsen op 2 specifieke situaties: (1) er komen nieuwe buren waarbij de betrokken politieambtenaar in ernstige mate twijfelt of het aangaan van een normale burenrelatie zich verhoudt tot een integere beroepsuitoefening en (2) een familielid van de politieambtenaar gaat een relatie aan met een persoon die in zijn gedrag tekenen van een actieve criminele loopbaan laat zien?
Zoals ik hiervoor al heb aangegeven is het niet toegestaan politie informatie voor andere doeleinden dan de operationele taak te gebruiken. Als een politiefunctionaris in persoon, via een familielid of een andere nauwe relatie betrokken is bij een bepaalde situatie die op zichzelf aanleiding geeft tot het raadplegen van politiesystemen, dan moet deze functionaris die situatie bespreken met zijn leidinggevende. In veel van dergelijke situaties bestaat overigens per definitie de noodzaak om het eventuele veiligheidsrisico te melden bij de leidinggevende.
Het bericht dat er losgeld is gevraagd om gehackte gemeentedata terug te krijgen |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de weigering van de burgemeester om losgeld te betalen om gehackte gemeentedata weer terug te krijgen? Zo nee, waarom niet?1
Ja. Het betalen van losgeld is zeer onwenselijk, omdat dit het crimineel verdienmodel ondersteunt. De politie ziet bovendien dat losgeld door criminelen direct wordt geïnvesteerd in nieuwe ransomware-aanvallen. Het advies is daarom om altijd aangifte te doen bij de politie en geen losgeld te betalen.
Is dit vaker voorgekomen bij publieke instellingen? In hoeveel gevallen is er eventueel losgeld betaald? Kunt u hier een overzicht van geven?
De politie registreert niet apart of er sprake is van een publieke instelling. Daarom is het, zoals is aangegeven bij de beantwoording op schriftelijke Kamervragen over de ransomware-aanval op de Universiteit Maastricht, bij meldingen en aangiften op korte termijn niet te zeggen of er sprake is van een publieke instelling.2 Uit een analyse van de politie blijkt dat in de jaren 2018, 2019 en 2020 (tot half december) er respectievelijk 180, 188 en 186 meldingen en aangiften van ransomware-aanvallen bij de politie zijn gedaan. In zijn algemeenheid is bekend dat bij cybercrimedelicten de aangifte- of meldingsbereidheid laag is. Dit geldt ook voor aangiften van ransomware. Er is geen volledig beeld van gevallen waarbij er door publieke instellingen losgeld is betaald.
Hoe wordt voorkomen dat andere gemeenten slachtoffer worden van dit soort afpersing? Worden door u extra maatregelen getroffen naar aanleiding van deze zaak?
Gemeenten werken aan constante verbetering van de digitale weerbaarheid, waarbij de Informatiebeveiligingsdienst (IBD) alle gemeenten ondersteunt als Computer Emergency Response Team (CERT). Daarmee wordt de kans op een succesvolle aanval verminderd.
De IBD heeft de rol van CERT in het kader van de Wet Beveiliging Netwerk- en Informatiesystemen (Wet BNI) en vormt de verbindende schakel tussen het Nationaal Cybersecurity Centrum (NCSC) en gemeenten. Vanuit deze rol ondersteunt de IBD de gemeente Hof van Twente en informeert waar nodig andere gemeenten.
Verder biedt de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde gemeentelijke Agenda Digitale Veiligheid 2020–20243 handelingsperspectief aan alle gemeenten. De hoofdonderwerpen van deze agenda zijn: bewustwording, governance, risicogericht handelen en werken als één overheid. De Agenda biedt ook handvatten bij het voorkomen en oplossen van cyberincidenten.
Gemeenten gebruiken voor hun informatiebeveiliging de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO), welke geldt als basisnormenkader voor informatiebeveiliging bij de gehele overheid. Het Ministerie van BZK voert onderhoud op de BIO4 in samenspraak met de bestuurslagen Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen.
Om alle overheden ook te laten oefenen met cybersecurity-incidenten, organiseert het Ministerie van BZK sinds 2019 een Overheidsbrede Cyberoefening5 welke jaarlijks plaatsvindt, met in het programma een prominente plek voor een gesimuleerde hackaanval. Het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen oefenen aan de hand van een zo realistisch mogelijk scenario. Tijdens de Overheidsbrede Cyberoefening van 2021 zal het thema ransomware prominent op de agenda staan en worden de geleerde lessen overheidsbreed gedeeld. Dit naar aanleiding van de gebeurtenis bij de gemeente Hof van Twente.
Verder is met subsidie vanuit het Ministerie van BZK begin 2020 een drietal gemeentelijke cyberoefenpakketten6 ontwikkeld en gratis beschikbaar gesteld aan alle gemeenten. De cyberoefenpakketten zijn tot stand gekomen in nauwe samenwerking met het Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement (het COT). De cyberoefenpakketten bieden alle gemeenten op diverse niveaus van de organisatie handelingsperspectief ten aanzien van crisismanagement.
De bovengenoemde activiteiten leveren een bijdrage aan een verhoogde digitale weerbaarheid bij de overheid. Zodoende worden er geen extra maatregelen getroffen naar aanleiding van de gebeurtenis bij de gemeente Hof van Twente, met uitzondering van het delen van de geleerde lessen tijdens de Overheidsbrede Cyberoefening 2021. Cybersecurity-incidenten zijn lastig te voorspellen en te voorkomen. Het permanent oefenen is van groot belang voor het overheidsbrede samenspel met relevante private partijen. Op die manier kan er al aan de voorkant beter op elkaar worden ingespeeld.
Hoeveel afpersers van soortgelijke gevallen (publiek of privaat) zijn er in de afgelopen tien jaar veroordeeld? Hoe gaat u de pakkans van deze criminelen vergroten?
Ransomware is geen apart delict en wordt niet als zodanig geregistreerd door het OM en de Rechtspraak. De tenlastelegging van ransomware bestaat uit een combinatie van verschillende strafbare feiten, zoals computervredebreuk en afpersing. Per zaak kan de samenstelling van deze strafbare feiten verschillen. Het is daarom niet bekend hoeveel veroordelingen voor ransomware hebben plaatsgevonden. Wel blijkt dat er sinds 2015 in Nederland enkele zaken zijn geweest met een veroordeling voor een combinatie van afpersing (317 Sr) met computervredebreuk (138ab Sr), het gebruik van een technisch hulpmiddel (139d Sr) of opzettelijke computersabotage (350a Sr), dan wel poging daartoe. Het gaat hierbij om veroordelingen in eerste aanleg. De wetsartikelen 138a, 139d en 350a zijn in 2015 in hun huidige vorm in werking getreden.
De opsporing in het digitale domein kent verschillende uitdagingen. De grenzeloosheid van het internet zorgt dat daders vaak zelf niet in het land aanwezig zijn waar zij slachtoffers maken, of dat het land van waaruit de dader zijn activiteiten uitvoert zeer lastig te achterhalen is. Ransomware wordt gepleegd door verschillende typen daders. Zware cybercriminele organisaties richten ransomware-aanvallen op grote bedrijven en organisaties. Daarnaast zijn er individuele daders die ransomware-as-a-service van criminele dienstverleners afnemen en meer ongericht middelgrote tot kleine organisaties aanvallen. Al deze dadercategorieën kennen een sterke internationale component.
De investeringen in de politie en de strafrechtketen uit het Regeerakkoord hebben een versterking van de capaciteit voor de aanpak van cybercrime mogelijk gemaakt. Zo beschikt elke regionale eenheid inmiddels over een cybercrimeteam. Daarnaast bestrijdt het Team High Tech Crime (THTC) ransomware in het segment van zware, georganiseerde cybercrime met een internationale component. In het kader van de EU en de Raad van Europa wordt gewerkt aan het verbeteren van de internationale mogelijkheden voor de opsporing. Tot slot is het van belang preventieve maatregelen te nemen, zoals het verhogen van de digitale weerbaarheid. Hierbij is het van belang dat organisaties basismaatregelen nemen, zoals het patchen van systemen.
Het bericht 'Meerdere OMT-leden bedreigd en thuis opgezocht' |
|
Madeleine van Toorenburg (CDA), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennis genomen van bovengenoemd bericht?1
Ja.
Klopt het dat meerdere leden van het OMT zijn bedreigd? Kunt u aangeven of hiertegen (al) is opgetreden?
De politie heeft mij laten weten op de hoogte te zijn van de bedreigingen en daar waar mogelijk nader onderzoek naar te doen. Zoals uw Kamer weet kan ik over lopende zaken niet verder in detail treden.
Deelt u de mening dat de bedreigingen volstrekt onacceptabel zijn?
Die mening deel ik. Bedreiging of het anderszins overtreden van de wet is in z’n algemeenheid niet toelaatbaar, en is zeker jegens personen met een publieke taak of personen die vanuit hun expertise mij of het kabinet adviseren volstrekt onacceptabel. Kamerleden, leden van het OMT, wetenschappers en ambtenaren moeten zich te allen tijde vrij en veilig kunnen voelen, zowel in hun beroepsuitoefening als privé. Voor Kamerleden en OMT-leden brengt dat ook met zich mee dat zij zich vrij moeten voelen hun standpunten in het openbaar toe te lichten. Voor OMT-leden is dat ook een onderdeel van hun adviserende taak.
Leden van het OMT kunnen bij de politie aangifte doen van bedreiging. In het geval van meldingen of aangiften van bedreiging door Kamerleden is het Team Bedreigde Politici van de politie-eenheid Den Haag en het Openbaar Ministerie aangewezen om dit op te pakken. Het Openbaar Ministerie zal in dit soort zaken gevolg geven aan iedere opsporingsindicatie. Per zaak wordt heel nauwkeurig gekeken wat kan en moet gebeuren om verdachten op te sporen. Daarbij worden alle mogelijkheden benut.
OMT-leden, politici en ambtenaren hebben allen een publieke taak. Indien er sprake is van een strafbare gedraging tegen iemand met een publieke taak dan zullen politie en het Openbaar Ministerie daar streng en snel tegen optreden, conform de opsporings- en vervolgingsafspraken zoals omschreven in de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA).2
Deelt u de mening dat het thuis opzoeken van wetenschappers, maar ook van politici, ambtenaren en anderen die zich voor de publieke zaak inzetten, niet aanvaardbaar is vanwege de intimiderende werking die hiervan uitgaat? Zo ja, wat kunt u doen om dit verschijnsel tegen te gaan? Zo niet, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u, vanzelfsprekend zonder in details te treden, garanderen dat leden van het OMT adequaat worden beveiligd, indien daar noodzaak toe is? Welke knelpunten ziet u bij het beveiligen van de OMT-leden?
Indien dreiging en risico daartoe aanleiding geven worden door de overheid passende beveiligingsmaatregelen genomen. Deze zijn aanvullend op de maatregelen die personen of hun werkgever zelf kunnen treffen om weerstand te bieden tegen de dreiging. De verantwoordelijkheid voor het treffen van deze aanvullende maatregelen is belegd bij de lokale hoofdofficier van justitie.
In algemene zin kan ik aangeven, zoals ik uw Kamer heb laten weten in mijn brief over het brede offensief tegen georganiseerde criminaliteit3, dat de vraag naar beveiligingsmaatregelen is toegenomen. Daarom heb ik structurele middelen beschikbaar gesteld ter versterking van het stelsel bewaken en beveiligen over de gehele linie. Beveiligingsmaatregelen kunnen hierdoor tijdig, effectief en adequaat ingezet worden wanneer er sprake is van dreiging, risico of de mogelijkheid van geweld.
Is het nog steeds de bedoeling dat het gewijzigde Handelsregisterbesluit per 1 januari 2021 inwerking treedt, zodat de woonadressen van alle natuurlijke personen dan worden afgeschermd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn daarmee dit soort praktijken dan opgelost? Welke gaten blijven er in het systeem, waardoor kwaadwillenden gemakkelijk informatie kunnen opvragen over woonadressen? Hoe kunnen natuurlijke personen in de tussentijd regelen dat hun woonadressen worden afgeschermd?
De Staatsecretaris van EZK heeft u in het schriftelijk overleg over Ondernemen en Bedrijfsfinanciering geïnformeerd dat de Kamer van Koophandel op korte termijn kan overgaan tot het afschermen van woonadresgegevens.4 In het handelsregister zijn woonadressen dan nog altijd wel opgenomen, maar ze zijn niet meer openbaar. Er geldt een uitzondering voor autoriteiten die een gerechtvaardigde grond hebben om ze te raadplegen (bijvoorbeeld deurwaarders). Indien het woonadres van de ondernemer gelijk is aan het vestigingsadres van de onderneming, dan blijft het adres echter zichtbaar in het handelsregister als vestigingsadres. Dit is de strekking van de aanpassing van het Handelsregisterbesluit 2008 die in voorbereiding is. Deze moet nog worden voorgelegd aan de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad van State. Inwerkingtreding van de afscherming van woonadressen wordt voorzien uiterlijk per 1 juli 2021.
Verder wordt door middel van nieuwe gebruiksvoorwaarden voor handelsregisterinformatie ook het gebruik van adresgegevens door derden strikter gereguleerd om de privacy van geregistreerde personen beter te beschermen.
Daarnaast wil ik benadrukken dat als een ondernemer zijn privésfeer sterk wil afschermen hij hier bij de keuze van een vestigingsadres rekening mee kan houden. Veel ondernemers zijn niet afhankelijk van een fysieke of vaste werkplek en werken vanuit huis of op locaties van klanten. Ook als dit het geval is kan de ondernemer de keuze maken voor een ander vestigingsadres dan zijn woonadres. De praktijk biedt hiervoor verschillende oplossingen, zoals een vestiging bij een domicilieverlener. Zo biedt de Nederlandse Vereniging voor Journalisten (NVJ) leden die online of fysiek bedreigd worden de mogelijkheid gebruik te maken van het vestigingsadres van de NVJ. Ik heb uw Kamer bij brief van 17 december jl. over bovenstaande tevens nader geïnformeerd naar aanleiding van de motie van het lid Yesilgöz-Zegerius c.s.5
Bent u bereid uw antwoorden2 op vragen van het lid Groothuizen (D66) over het afschermen van de gegevens van advocaten in het kadaster te herzien en daarbij ook te kijken naar wetenschappers, politici en bestuurders? Zo niet, waarom niet?
Op schriftelijke vragen van het lid Groothuizen (D66) over het afschermen van de gegevens van advocaten in het kadaster heeft de Minister voor Rechtsbescherming bij brief d.d. 20 april 20207 aangegeven dat afscherming van persoonsgegevens in het Kadaster mogelijk is. In artikel 37a van het Kadasterbesluit, dat op 1 juli 2019 in werking is getreden, is geregeld dat persoonsgegevens bij het Kadaster vanwege veiligheidsoverwegingen afgeschermd kunnen worden. Voorwaarde is dat personen zijn opgenomen in het stelsel bewaken en beveiligen. Dit kan gelden voor personen in het zogenoemde rijksdomein die vanwege het nationale belang van het ambt op de limitatieve lijst van het stelsel bewaken en beveiligen staan. Voor personen die vallen binnen het decentrale gedeelte van het stelsel bewaken en beveiligen geldt dat Politie en OM beoordelen of de dreiging aanleiding geeft om een persoon op te nemen in het stelsel bewaken en beveiligen. Deze regeling is niet beperkt tot alleen advocaten, maar kan ook gelden voor andere beroepsgroepen, waaronder OMT-leden.
Hoe staat het met uw onderzoek naar het verschijnsel «doxing» en de manier waarop hiertegen op basis van de Algemene verordening gegevensbescherming kan worden opgetreden, zoals u heeft toegezegd op 24 november jl?
Het verschijnsel «doxing» is het vergaren en eventueel publiceren van (persoonlijke) gegevens van een individu, vaak met de bedoeling om het «slachtoffer» voor schut te zetten. Daarnaast kan het gaan om intimidatie, chantage en te kijk zetten, maar tevens om activisme waarbij misstanden aan de kaak worden gesteld.
Het (her)publiceren van iemands persoonsgegevens is een verwerking van persoonsgegevens, waarop de AVG van toepassing is. Zoals bij elke verwerking van persoonsgegevens, moet degene die die persoonsgegevens (her)publiceert, zich kunnen beroepen op een van de zes grondslagen van de AVG. Dat is bij doxing vaak niet mogelijk, waarmee grofweg gesteld kan worden dat doxing niet is toegestaan volgens de AVG. Dit nog daargelaten dat wanneer bijzondere persoonsgegevens in het spel zijn, de verwerking daarvan verboden is op grond van de AVG, tenzij aan een van de voorwaarden uit artikel 9 AVG wordt voldaan. Ook daar zal bij doxing geen sprake van zijn.
Het heeft de voorkeur van het kabinet om niet op elk fenomeen op internet een separaat beleidskader te ontwikkelen, maar om deze fenomenen steeds te categoriseren en van daaruit een handelingskader aan slachtoffers en aan handhavers te bieden. Ik heb er daarom voor gekozen geen separaat onderzoek te starten naar het fenomeen doxing; het beleidskader rond de aanpak van verschillende vormen van internetpesten, dat op korte termijn aan uw Kamer zal worden aangeboden, zal ook van toepassing zijn op privacyschendingen in de vorm van doxing.
De AP is bekend met «doxing». De AP is als toezichthouder bevoegd om tegen dergelijke inbreuken op de AVG op te treden.
De handhaving van het vuurwerkverbod door gemeentelijke handhavers (domein 1) boa’s. |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de regeling van de Staatsecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van 4 september 2020, nr. IENW/BSK-2020/162203 tot wijziging van de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk in verband met het niet langer als consumentenvuurwerk aanwijzen van enkele typen vuurwerk?1
Ja.
Deelt u mijn waarneming dat met deze regeling een deel van het (F2 en F3) vuurwerk dat tijdens eerdere jaarwisselingen in Nederland was toegestaan, niet langer als toegestaan consumentenvuurwerk gekwalificeerd kan worden en daarmee valt onder de categorie illegaal vuurwerk?
Met de regeling2 wordt categorie F3 vuurwerk, enkelschotsbuizen, knalvuurwerk (inclusief knalstrengen) en vuurpijlen verboden voor consumenten. Hierdoor zijn de regels voor consumentenvuurwerk voor dit vuurwerk niet meer van toepassing en is het illegaal voor consumenten om dit vuurwerk af te steken, te vervoeren of in bezit te hebben. Ook mag dit vuurwerk vanaf 1 december 2020 niet meer aanwezig zijn bij opslaglocaties voor consumentenvuurwerk3.
Bent u bekend met de inhoud van uw brief d.d. 13 november 20202 over het kabinetsbesluit tot een tijdelijk vuurwerkverbod?2
Ja.
Deelt u mijn waarneming dat, in ieder geval voor de jaarwisseling 2020/2021, met de uitwerking van het in deze brief beschreven beleid de categorie toegestaan consumentenvuurwerk kleiner zal worden en de categorie illegaal vuurwerk (aanmerkelijk) uitgebreid zal worden?
Met het tijdelijke en eenmalige verbod op eindejaarsvuurwerk voor de jaarwisseling 2020/2021 mogen consumenten vuurwerk in de categorie F2 niet afsteken, in bezit hebben5, en/of vervoeren. Fop- en schertsvuurwerk, dat het gehele jaar verkrijgbaar is en mag worden afgestoken, blijft wel toegestaan. Dit is een inperking van het consumentenvuurwerk ten opzichte van de jaarwisseling 2019/2020.
Klopt het dat gemeentelijke handhavers domein 1 (boa’s) uitsluitend bevoegd zijn op het handhaven van consumentenvuurwerk en niet mogen handhaven op illegaal vuurwerk? Zit er qua bevoegdheden van boa’s een verschil tussen het handhavend optreden bij het tot ontbranding brengen van vuurwerk dan wel het vervoeren van vuurwerk? Mogen handhavers personen die (knal)vuurwerk afsteken staande houden tot de politie arriveert? Mag alleen de politie handhaven op illegaal vuurwerk?
Buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) Domein I (Openbare ruimte) zijn bevoegd voor de strafrechtelijke handhaving van het tot ontbranding brengen van vuurwerk buiten de toegestane afsteektijden. De komende jaarwisseling mag er vanwege het tijdelijk vuurwerkverbod geen vuurwerk worden afgestoken. Boa’s blijven bevoegd voor de strafrechtelijke handhaving van het tot ontbranding brengen van vuurwerk. Boa’s domein I kunnen niet strafrechtelijk handhaven op het bezit en vervoeren van vuurwerk (het voorhanden hebben). Zij mogen dus bij personen die vuurwerk afsteken verbaliserend optreden. Voor het handhaven op bezit en vervoer en inbeslagname kunnen boa’s mensen staande houden tot de politie arriveert.
Kunt u beschrijven hoe de wettelijke bevoegdheid van boa’s in relatie tot het handhaven van de vuurwerkwetgeving (in brede zin) geregeld is? Kunt u hierin betrekken welke betekenis aan het begrip «vuurwerk» in artikel 2.3.6 Vuurwerkbesluit moet worden toegekend: consumentenvuurwerk, illegaal vuurwerk, of beide? Hoe verhoudt zich dit tot de feitcode die het Openbaar Ministerie voor dit strafbare feit hanteert («consumentenvuurwerk»)? Kunt u hierin betrekken lijst 1 van de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar?3
Boa’s zijn belast met de opsporing van de strafbare feiten in hun domein, zoals vastgelegd in de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar. Artikel 2.3.6 Vuurwerkbesluit is opgenomen in Domeinlijst I. Op het tot ontbranding brengen van vuurwerk kunnen dus de boa’s in domein I handhavend optreden. Zoals genoemd in het antwoord op vraag 5, betreft het hier al het vuurwerk, behalve fop- en schertsvuurwerk.
Boa’s kunnen zelfstandig handhaven op het afsteken van vuurwerk. Onder andere vanwege de veiligheid zijn boa’s niet belast met het determineren van het afgestoken vuurwerk en het afvoeren van vuurwerk. Boa’s kunnen dus bij het horen van een knal of zien van een vuurpijl een proces-verbaal schrijven op feitcode H171.
Deelt u mijn mening dat het beslist onwenselijk is als uitsluitend de politie handhavend kan optreden bij illegaal afgestoken vuurwerk? Legt dit niet onevenredig veel druk bij de toch al overbelaste politie?
Buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) Domein I (Openbare ruimte) zijn bevoegd voor de strafrechtelijke handhaving van het tot ontbranding brengen van vuurwerk buiten de toegestane afsteektijden. Boa’s en politie opereren complementair en versterken elkaar. Boa’s zijn de ogen en oren op straat en kunnen daar ingrijpen waar de leefbaarheid wordt aangetast. De politie is primair aan zet wanneer het gaat om het handhaven van de openbare orde en de veiligheid. In situaties waar sprake is van verhoogd risico, treden boa’s in principe niet op. Dat heeft te maken met het leefbaarheidscriterium dat volgt uit de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar.7 Daarin is opgenomen dat boa’s niet optreden wanneer er sprake is van een te verwachten gevaarlijke of gewelddadige setting. Wanneer de boa dergelijke situaties tegenkomt, zal hij een beroep doen op de politie. Hierover dienen lokale afspraken gemaakt te worden.
Bent u voornemens te regelen dat ook gemeentelijke handhavers domein 1 kunnen handhaven op illegaal (verboden) vuurwerk, zeker tijdens de dagen en nachten rond de komende jaarwisseling? Kloppen berichten dat deze handhavers nu al uit diensten worden uitgeroosterd, omdat ze simpelweg geen bevoegdheid hebben om op te treden? Op welke wijze kan dit «juridische gat» op zo kort mogelijke termijn gedicht worden?
Boa’s domein I (Openbare Ruimte) zijn reeds bevoegd voor de strafrechtelijke handhaving van het tot ontbranding brengen van vuurwerk buiten de toegestane afsteektijden. Aangezien deze handhavers onder andere werkgevers, zoals gemeenten, vallen, kan ik geen uitspraken doen over hun dienstroosters. Zoals ik heb geantwoord bij vraag 7, treden boa’s Domein I niet op wanneer er sprake is van een te verwachten gevaarlijke of gewelddadige setting. Dat is geen juridisch gat, maar een bewuste en verantwoorde keuze. Er dienen lokale afspraken gemaakt te worden over de dagen en tijden waarop boa’s worden ingezet evenals de manier van samenwerking met de politie indien zij op zaken stuiten die hun bevoegdheid overstijgt, daarbij het leefbaarheidscriterium in acht nemend.
Bent u bereid, gelet op de urgentie van het onderwerp, deze vragen op zo kort mogelijke termijn, doch uiterlijk vóór 28 december 2020 te beantwoorden?
Ja.