"De Blauwe Haven" |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat de voormalig projectleider van De Blauwe Haven disciplinair is bestraft met een terugzetting in rang en salaris en vervolgens wordt geplaatst in een andere, niet-leidinggevende functie?
Ja.
Wat is uw oordeel over deze disciplinaire maatregel? Acht u deze, gelet op de ernst van de geconstateerde misstanden en de voorbeeldfunctie van een leidinggevende binnen de politie, proportioneel?
In algemene zin vind ik het belangrijk dat meldingen van ongewenst gedrag en misstanden serieus worden onderzocht en dat de opgelegde maatregelen passend zijn. Ik heb vertrouwen in de werkwijze van het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO) en maatregelen die het bevoegd gezag neemt. In individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken over de exacte gedragingen, overwegingen en opgelegde disciplinaire maatregelen.
Deelt u de opvatting dat van leidinggevenden binnen de politie mag worden verwacht dat zij actief zorgdragen voor een sociaal veilige werkomgeving en dat het niet ingrijpen bij seksueel grensoverschrijdend gedrag een ernstige schending van die verantwoordelijkheid vormt? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de relatief beperkte disciplinaire sanctie die in dit geval is opgelegd?
Ik deel de opvatting dat leidinggevenden bij de politie een belangrijke taak hebben bij het signaleren en voorkomen van ongewenst gedrag. Van hen wordt verwacht dat zij actief bijdragen aan een sociaal veilig werkklimaat. Hun houding en gedrag straalt af op andere politiemedewerkers. Ook de manier waarop zij met een melding van grensoverschrijdend gedrag omgaan, kan invloed hebben op het gevoel van procedurele rechtvaardigheid van betrokkene. Voor leidinggevenden is het herkennen en erkennen van ongewenst en (seksueel) overschrijdend gedrag belangrijk. Zij moeten in staat zijn om het gesprek hierover aan te gaan in het team, maar ook moeten zij weten bij wie een medewerker terecht kan en wat de formele stappen zijn voor het vervolgtraject. Samen met de korpschef zet ik mij ervoor in dat leidinggevenden worden getraind en opgeleid op een wijze dat zij hun rol goed kunnen vervullen en kunnen bijdragen aan een veilige en inclusieve werkcultuur.
Voor wat betreft de opgelegde disciplinaire maatregel verwijs ik u naar het antwoord op vraag 2.
Welke norm geldt volgens u voor leidinggevenden die op de hoogte zijn van seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar nalaten in te grijpen? Wanneer is dergelijk nalaten volgens u aanleiding voor disciplinair ontslag?
Medewerkers die op de hoogte zijn van misstanden worden aangemoedigd dit te melden. Dit geldt nog meer voor medewerkers in een leidinggevende positie. Van hen wordt verwacht dat zij actief bijdragen aan een sociaal veilig werkklimaat. Het nalaten om in te grijpen en/of het laten voortbestaan van een ongewenste situatie in hun team kan hen worden aangerekend als een vorm van plichtsverzuim.
Deelt u de opvatting dat een disciplinaire maatregel bij ernstig plichtsverzuim door een leidinggevende niet alleen recht moet doen aan de individuele zaak, maar ook een duidelijke norm moet uitdragen richting de gehele politieorganisatie? Zo ja, bent u van mening dat de in deze zaak opgelegde maatregel aan die norm voldoet? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik deel de opvatting dat een disciplinaire maatregel zowel recht moet doen aan een individuele kwestie maar ook normstellend moet zijn in algemene zin. Hierbij geldt dat medewerkers van de politie een veilige werkomgeving moeten hebben. Iedere vorm van ongewenst gedrag keuren de korpsleiding en ik af. Ik vind het daarom extra belangrijk dat meldingen van ongewenst gedrag en misstanden serieus worden opgepakt en er vanuit de organisatie een reactie volgt. Dit draagt bij aan een gevoel van procedurele rechtvaardigheid en bevestigt de norm.
In individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken over de exacte gedragingen, overwegingen en opgelegde disciplinaire maatregelen.
Hoe verhoudt de uitspraak van de korpschef dat met de opgelegde maatregelen duidelijk wordt gemaakt dat grensoverschrijdend gedrag binnen de politie niet wordt geaccepteerd, zich tot de keuze om de betrokken leidinggevende niet disciplinair te ontslaan, maar over te plaatsen naar een andere functie?
Ik vind het belangrijk dat meldingen van grensoverschrijdend gedrag en misstanden serieus worden onderzocht en dat de opgelegde maatregelen passend zijn. Hiervoor wordt een zorgvuldig proces doorlopen waarbij verschillende waarborgen gelden, zodat op gelijke wijze wordt getoetst welke disciplinaire straf in een concreet geval passend is. Dit proces blijft maatwerk. Op basis van de uitkomsten van een disciplinair onderzoek kan aan de medewerker een straf worden opgelegd wegens plichtsverzuim.
Een straf wegens plichtsverzuim kan volgens artikel 77 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp), variëren van een schriftelijke berisping, plaatsing in een lagere salarisschaal of ontslag. In individuele casuïstiek doe ik geen uitspraken over de exacte gedragingen, overwegingen en opgelegde disciplinaire maatregelen.
In de beantwoording van eerdere Kamervragen gaf u aan dat de politie lering zou trekken uit deze ernstige affaire. Welke concrete organisatorische of personele maatregelen zijn sinds het LTIO-onderzoek genomen om te voorkomen dat leidinggevenden opnieuw tekortschieten bij meldingen van seksueel grensoverschrijdend gedrag?
De versterking van het leiderschap is een belangrijke beleidsontwikkeling in «Stevig staan in deze tijd», de strategische agenda van de politie voor de periode 2025–2030.1 In deze strategische beleidsontwikkeling wordt gewerkt aan leiderschapsontwikkeling, met aandacht voor onder meer een verbeterde selectie en ontwikkeling en beoordeling van leidinggevenden. Dit met het doel om de kwaliteit en professionaliteit van leiderschap binnen de politie te versterken.
Voor wat betreft De Blauwe Haven is door de politie ingegrepen. Deze plek moet bij uitstek een omgeving zijn waar politiemensen onder veilige omstandigheden kunnen werken of re-integreren. Naast de drie disciplinaire trajecten zijn er wijzigingen doorgevoerd bij de leiding van de Blauwe Haven. Dit bevat onder meer het verstevigen van het aantal leidinggevenden en een wijziging in de structuur van het team.
Is de mogelijkheid onderzocht om de betrokken leidinggevende disciplinair te ontslaan? Zo ja, waarom is daarvan afgezien? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Acht u het wenselijk dat een medewerker die disciplinair verantwoordelijk is gehouden voor ernstige tekortkomingen op het gebied van sociale veiligheid zijn loopbaan binnen de politieorganisatie kan voortzetten? Zo ja, waarom?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 6.
Welke concrete waarborgen bestaan er om te voorkomen dat medewerkers die disciplinair verantwoordelijk zijn gehouden voor ernstige integriteits- of cultuurproblemen op een later moment opnieuw een leidinggevende functie binnen de politie kunnen bekleden?
Er bestaat op basis van het Barp geen straf dat een persoon geen leidinggevende functie meer mag bekleden. Het is staand beleid dat disciplinaire besluiten tien jaar in het personeelsdossier worden bewaard. Men kan de sollicitanten hierop bevragen. Ook kunnen in de sollicitatieprocedure referenten worden bevraagd. Bij het solliciteren op een leidinggevende functie wordt de kandidaat standaard gescreend. Bij een interne kandidaat wordt hiervoor ook het personeelsdossier geraadpleegd.
Geeft de uitkomst van het disciplinaire onderzoek, waarbij meerdere medewerkers disciplinair zijn bestraft, aanleiding om de noodzaak van een onafhankelijk onderzoek door de Rijksrecherche opnieuw te bezien? Zo nee, waarom niet?
Het is belangrijk te vermelden dat er een helder onderscheid wordt gehanteerd tussen strafrechtelijke en disciplinaire onderzoeken. Het strafrechtelijk traject staat onder gezag van het Openbaar Ministerie (OM) en wordt uitgevoerd door de Rijksrecherche en/of de afdeling VIK. Het disciplinaire traject is onder gezag van de Korpschef of diens gemandateerde en wordt uitgevoerd door de afdeling VIK.
In verband met de rechtszekerheid van de betrokken medewerker is het wenselijk dat deze trajecten van elkaar gescheiden zijn. Hierover zijn, mede naar aanleiding van de Review interne onderzoeken uit 2020, nadere afspraken gemaakt tussen het OM en de politie. Bij een disciplinair onderzoek is een politiemedewerker namelijk verplicht tot medewerking, terwijl deze verplichting bij een strafrechtelijk onderzoek niet geldt. Hierdoor kan een medewerker zich in een disciplinair traject onbedoeld incrimineren, wat gevolgen kan hebben in een eventueel strafrechtelijk traject. Zodra er namelijk in een disciplinair onderzoek een vermoeden van een strafbaar feit wordt geconstateerd, wordt het OM hierover geïnformeerd. Het OM kan vervolgens een strafrechtelijk traject gelasten en daadwerkelijk tot vervolging overgaan.
Bij een melding over het gedrag en handelen van (een) politiemedewerker(s), waarbij mogelijk sprake is van een vermoeden van plichtsverzuim, vindt altijd triage plaats. In de triage kan o.a. worden besloten dat er een (oriënterend, disciplinair, lijn-, dan wel een melding aan het OM) onderzoek moet plaatsvinden. Het formele besluit om een onderzoek te starten, ligt bij het bevoegd gezag. Dit is in de praktijk de korpschef of de door hem gemandateerde leidinggevende zoals een politiechef of directeur. In beginsel worden interne onderzoeken uitgevoerd door de decentrale afdelingen Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK). Als het onderzoek naar integriteitsschendingen complex, eenheidsoverstijgend of anderszins voldoet aan de inzetcriteria wordt dit, in opdracht van het bevoegd gezag, gedaan door het Landelijk Team Interne Onderzoeken (LTIO). De politie heeft mij laten weten dat naar aanleiding van de signalen medewerkers van het onderzoeksteam van het LTIO met tientallen mensen hebben gesproken. Op basis hiervan zijn drie disciplinaire onderzoeken gestart. Ook is er naar aanleiding van een aangifte, één strafrechtelijk onderzoek gestart in opdracht van de officier van justitie. Deze medewerker is uiteindelijk niet strafrechtelijk vervolgd, omdat het OM van mening was dat disciplinair ingrijpen de voorkeur genoot boven strafrechtelijk ingrijpen. Deze medewerker is door de politie in 2025 ontslagen vanwege ernstig plichtsverzuim.
Kunt u uitsluiten dat gedragingen die disciplinair zijn aangemerkt als ernstig plichtsverzuim ook strafrechtelijk relevant zijn? Zo ja, waarop baseert u dat oordeel? Zo nee, is het Openbaar Ministerie gevraagd deze gedragingen zelfstandig te beoordelen?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de criteria die de politie hanteert bij de keuze tussen overplaatsing, degradatie en disciplinair ontslag bij ernstig plichtsverzuim van leidinggevenden? Zo nee, waarom niet?
Het disciplinair onderzoek is bij uitstek een werkgeversverantwoordelijkheid en een belangrijk instrument van de korpschef om de integriteit van haar personeel te waarborgen en te bevorderen.
Er zijn binnen de politie op dit gebied geen specifieke richtlijnen voor leidinggevenden. Voor elke politiemedewerker, leidinggevende of niet, geldt dat er een disciplinair onderzoek gestart kan worden om te bepalen of er in een bepaald geval plichtsverzuim is gepleegd. Op basis van de uitkomsten van het disciplinaire onderzoek kan vervolgens via een zorgvuldig proces een straf worden opgelegd. Het feit dat iemand een leidinggevende functie bekleedt kan wel leiden tot een zwaardere straf, omdat diegene een voorbeeldfunctie heeft. Het opleggen van een straf is altijd maatwerk, aangezien het afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van de casus.
In 2020 heeft de politie een interne evaluatie uitgevoerd naar Interne onderzoeken. Hieruit zijn meerdere aanbevelingen voortgekomen, die grotendeels zijn doorgevoerd. De politie heeft continu aandacht voor het proces rondom interne onderzoeken en hoe dit verbeterd kan worden. Ik heb uw Kamer hierover regelmatig geïnformeerd.
Bent u bereid de disciplinaire richtlijnen voor leidinggevenden die ernstig tekortschieten bij het waarborgen van een sociaal veilige werkomgeving te laten evalueren en de Kamer hierover te informeren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Deelt u de opvatting dat leidinggevenden binnen de politie die ernstig tekortschieten in het waarborgen van een sociaal veilige werkomgeving in beginsel ongeschikt zijn voor een leidinggevende functie binnen de politie? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar het antwoord op vraag 10.
Racistisch en seksistisch geweld en intimidatie tegen mensen die asiel zoeken en inwoners die zich uitspreken voor opvang |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u gezien dat inwoners van Engelen en Bokhoven die steun hebben uitgesproken voor vreedzaam samenleven door middel van een poster slachtoffer zijn geworden van intimidatie, bedreigingen en bekladdingen van woningen en andere eigendommen? Wat is uw reactie daarop?1
Heeft u gezien dat in Geesteren de auto van een Syrisch gezin in brand is gestoken, nadat eerder tot drie keer toe stenen met intimiderende en bedreigende briefjes door de ruiten van hun woning waren gegooid? Wat is uw reactie daarop?2
Heeft u gezien dat in Engelen de auto van mensen die een «Samen Leven»-poster hadden opgehangen in het water is geduwd? Wat is uw reactie daarop?3
Wat vindt u ervan dat inwoners van Engelen zich de afgelopen maanden al niet vrij voelden om hun mening te geven over een opvanglocatie voor kinderen die asiel zoeken in Nederland, omdat ze geïntimideerd werden door tegenstanders, waarbij onder meer hakenkruizen in appgroepen werden verspreid?4
Deelt u de analyse van onder andere Jelle Postma, voormalig AIVD'er en expert op het gebied van maatschappelijke manipulatie, dat hiermee een nieuwe, zorgelijke fase ingaat, waarbij geweld en intimidatie zich nu niet alleen maar richten op de overheid, maar ook op gewone burgers? Deelt u zijn analyse dat er «blijkbaar een gevoel is ontstaan dat je anderen straffeloos mag intimideren om je zin door te drijven»? Zo nee, wat is dan uw analyse?5
Erkent u dat een klimaat waarin inwoners zich niet meer vrij voelen zich publiekelijk uit te spreken over de opvang van asielzoekers, uit angst voor intimidatie of geweld, een bedreiging vormt voor de democratische rechtsstaat? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarin voor het kabinet?
Erkent u dat u als Minister-President een belangrijke verantwoordelijkheid heeft om u steeds tijdig en duidelijk uit te spreken tegen niet alleen haat en ophitsing richting mensen die asiel zoeken, maar ook tegen het geweld en de intimidatie die steeds meer plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
Waarom heeft u of een lid van uw kabinet zich tot nu toe niet helder uitgesproken over wat er in Engelen, Bokhoven en Geesteren heeft plaatsgevonden en waarom heeft het kabinet nog geen actie ondernomen? Gaat u het Syrische gezin en de inwoners van Engelen en Bokhoven die slachtoffer zijn geworden van haat en geweld bezoeken om uw steun en medeleven te betuigen? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om te (laten) onderzoeken of de doelgerichte intimidatie, bedreigingen, brandstichting en vernielingen die in Engelen, Bokhoven en Geesteren hebben plaatsgevonden, mede gelet op het kennelijke doel om angst aan te jagen en maatschappelijke of politieke besluitvorming over de opvang van asielzoekers te beïnvloeden, gedreven zijn door terroristische motieven? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen in elk geval beantwoorden voor de aankomende Algemene Politieke Beschouwingen?
Nederlandse financiering van Palestijnse ngo’s die terrorisme legitimeren en aanmoedigen |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van NGO Monitor1 over Europese financiering van Palestijnse ngo’s die steun uitspreken voor «verzet in al zijn vormen»?
Ja.
Bent u bekend met de verklaring van 11 juli 2026, ondertekend door onder andere het Al Mezan Center for Human Rights en het Palestinian Centre for Human Rights en waarbij de Independent Commission for Human Rights als waarnemer staat vermeld, waarin steun wordt uitgesproken voor «verzet in al zijn vormen»?
Ja.
Bent u van mening dat «verzet in al zijn vormen» in deze context niets anders is dan verhullende taal voor geweld en terrorisme en dat de betrokken organisaties daarmee terrorisme legitimeren en aanmoedigen? Zo nee, welke vormen van geweld worden door deze organisaties dan expliciet uitgesloten?
Nee, die mening deelt het kabinet niet. De betreffende zin in de verklaring luidt als volgt: «Our resistance in all its forms to occupation, apartheid and colonisation is being increasingly sanctioned, criminalized, undermined and delegitimized, despite being rooted in international law.» Tevens roepen de ondertekenaars in de verklaring de internationale gemeenschap op om Palestijnse maatschappelijke organisaties te steunen in hun werk om een einde te maken aan het geweld waarmee ze te maken krijgen. Wat het kabinet betreft is er geen sprake van legitimering of aanmoediging van geweld of terrorisme in deze verklaring. Verder wijst het kabinet ook op bestaande kritiek op de handelwijze van NGO Monitor, zoals benoemd in de beantwoording van eerdere Kamervragen over NGO Monitor2 en de kabinetsreactie op andere rapporten van NGO Monitor3.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel en moreel verwerpelijk is dat Nederlands belastinggeld terechtkomt bij organisaties die terrorisme legitimeren en aanmoedigen? Zo nee, waarom niet?
Het is evident dat Nederlands belastinggeld niet bedoeld is voor de ondersteuning van organisaties die terrorisme legitimeren en aanmoedigen. Na de gebeurtenissen op 7 oktober 2023 zijn de due diligence-processen die ervoor moeten waken dat Nederlands geld niet (in)direct ten goede komt van terroristische organisaties tegen het licht gehouden. Daaruit bleek dat er geen signalen zijn dat geld voor Nederlandse en EU-ontwikkelingshulp voor de Palestijnse Gebieden terecht is gekomen bij onbedoelde bestemmingen en dat de processen op orde zijn, zoals gesteld in de brief die op 11 oktober 20234 met de Kamer is gedeeld, alsook in de beantwoording op de reeds gestelde Kamervragen door Groep Markuszower.5
Bent u ervan op de hoogte dat deze organisaties de door het kabinet gesteunde tweestatenoplossing afwijzen vanuit een anti-Israël agenda en een strijd voeren tegen het bestaansrecht van Israël? Zo ja, waarom verstrekt u deze organisaties Nederlands belastinggeld?
De betreffende organisaties hebben als doel om mensenrechten in de bezette Palestijnse gebieden te bevorderen en te beschermen. Dit is in lijn met het kabinetsbeleid.
Klopt het dat Nederland de Independent Commission for Human Rights tussen 2023 en 2027 rechtstreeks met ongeveer € 1,86 miljoen financiert en voor de periode 2024 tot en met 2028 daarnaast € 22,85 miljoen heeft toegezegd aan het UNDP-programma Sawasya III, waarbinnen Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights tot december 2028 als ontvangers zijn aangemerkt?
Nederland verstrekt inderdaad de genoemde financiële bijdrage aan de Independent Commission for Human Rights (ICHR). De genoemde bijdrage aan het UNDP-programma Sawasya III is ook correct, maar Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights (PCHR) ontvingen alleen in de periode 2024–2025 financiering van dit programma. De besluiten voor partnerorganisaties worden jaarlijks door middel van een aanbestedingsprocedure genomen.
Kunt u een volledig overzicht verstrekken van de Nederlandse financiering die via Sawasya III reeds aan Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights is verstrekt en tot december 2028 nog zal worden verstrekt, uitgesplitst per organisatie en kalenderjaar en met vermelding van de juridische grondslag, het uitvoerende of tussenliggende financieringskanaal en de datum van iedere betaling, en daarbij tevens aangeven welke andere organisaties die de verklaring hebben ondertekend of gesteund direct of indirect Nederlands belastinggeld ontvangen?
Via het Sawasya III programma, uitgevoerd door een coalitie van UNDP, UNWomen en UNICEF voor de periode 2024–2028, is er tot nu toe een totaalbedrag van USD 568.080 verstrekt aan Al Mezan, de PCHR, en de Women's Centre for Legal Aid and Counselling. Toekomstige financiering voor deze organisaties is nog niet bekend, gezien de jaarlijkse aanbestedingsprocedures. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Welke conclusies heeft het onderzoek opgeleverd dat Nederland in 2025 instelde naar de banden tussen de Independent Commission for Human Rights en Hamas?
De Independent Commission for Human Rights(ICHR) is de onafhankelijke nationale mensenrechteninstelling in de Palestijnse Gebieden met het mandaat om als ombudsman op te treden. De ICHR monitort en rapporteert over mensenrechtenschendingen van de zogenaamde plichtsdragers in de Palestijnse Gebieden, te weten Israël, de Palestijnse Autoriteit en Hamas. In dat kader heeft de ICHR tussen 2020 en 7 oktober 2023 mensenrechtentrainingen verzorgd ten behoeve van de politie in Gaza. Hoewel de politie in Gaza als organisatie geen onderdeel is van Hamas, oefent Hamas als de facto autoriteit wel controle uit in de aansturing. Dit vormde aanleiding om bij de ICHR navraag te doen. Op basis daarvan kon geconcludeerd worden dat de ICHR geen banden heeft met Hamas. Ook heeft de ICHR individuele deelnemers gescreend op basis van EU en VN terrorisme-listings. Daarbij is geconcludeerd dat deelnemers geen Hamasleden waren. De ICHR heeft na 7 oktober 2023 besloten deze trainingen te stoppen.
Kunt u uiteenzetten wat u wist over de banden tussen de Independent Commission for Human Rights en Hamas en tussen Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights en de PFLP, hoeveel Nederlands belastinggeld sinds de start van het onderzoek nog aan deze organisaties is verstrekt en waarom de financiering niet onmiddellijk is stopgezet?
Er zijn voor zover bekend geen banden tussen de ICHR en Hamas of tussen Al Mezan en het PCHR en de PFLP. Zie voor het overzicht van financiering het antwoord op vragen 7.
Is het ondertekenen of ondersteunen van een verklaring waarin steun wordt uitgesproken voor «verzet in al zijn vormen» volgens u verenigbaar met de geldende subsidievoorwaarden en de regels ter voorkoming van terrorismefinanciering? Zo ja, wat zijn deze voorwaarden en regels dan nog waard?
Nee. Zie het antwoord op vraag 2, 3, en 4.
Bent u bereid alle directe en indirecte Nederlandse financiering aan de Independent Commission for Human Rights, Al Mezan en het Palestinian Centre for Human Rights per direct stop te zetten, binnen de UNDP hetzelfde te eisen en de reeds verstrekte middelen terug te vorderen vanwege de genoemde banden met terroristische organisaties en het legitimeren en aanmoedigen van terrorisme? Zo nee, waarom blijft u deze organisaties financieren?
Zie antwoord vraag 10.
De datakluis bij het Ministerie van Financiën |
|
Mona Keijzer , Henk Vermeer (BBB), Jan Struijs (50PLUS), Gidi Markuszower (PVV) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Laat Financiën niet wegkomen met dit onderzoek naar de achtergehouden datakluis» van Pieter Omtzigt en Renske Leijten en met het onderliggende BDO-rapport voor het Ministerie van Financiën, waaruit blijkt dat sinds 2019 een datakluis bestaat met 64 miljoen documenten die niet aan het parlement, niet aan toeslagenouders, niet aan Woo-verzoekers en niet aan de parlementaire enquêtecommissie fraudebestrijding en dienstverlening zijn verstrekt?1 2
Ja.
Sinds wanneer was de politieke en ambtelijke top van het Ministerie van Financiën op de hoogte van het bestaan van de datakluis en de daarin opgeslagen documenten?
De datakluis is in 2019 ontstaan als mitigerende maatregel naar aanleiding van een advies van de ADR, hierover is de Kamer destijds geïnformeerd3. Ook is de inrichting van de datakluis besproken in het Directieteam Belastingdienst. Dit blijkt ook uit het BDO-rapport en de geleverde stukken bij de Kamerbrief van 10 juli 2026. Het bestaan van de datakluis is daarmee bekend bij de ambtelijke en politieke leiding van destijds vanaf het moment van ontstaan. Er is nog geen zicht op de volledige inhoud van de datakluis.
Welke bewindspersonen zijn sinds 2019 geïnformeerd over het bestaan van deze datakluis, en wat waren hun beweegredenen om dit geheim te houden?
Voor het antwoord op deze vraag baseren wij ons op de tijdlijn die op 10 juli 2026 aan uw Kamer is verzonden. Daaruit blijkt dat de volgende bewindspersonen op de hoogte konden zijn of zijn van het bestaan van de datakluis:
Het BDO-rapport noch de tijdlijn bevat aanwijzingen dat de datakluis bewust niet is betrokken in eerdere informatievoorziening met als doel om informatie achter te houden. Wij hebben aangegeven het te betreuren is dat de Belastingdienst niet adequaat heeft gehandeld toen de datakluis had moeten worden meegenomen in de zoekslag ten behoeve van de PEFD of andere informatieverzoeken en dat het lang heeft geduurd voordat de informatie juist, tijdig en volledig mogelijk het kabinet en uw Kamer heeft bereikt.
Op welke momenten tussen 2019 en 2026 is er met de bewindspersonen en met de topambtenaren gesproken over de datakluis en de inhoud daarvan, en op welke momenten hebben zij hierover mondeling of schriftelijk informatie ontvangen? Kunt u daarvan een precies overzicht geven?
De tijdlijn die met onze brief van 10 juli 2026 is meegestuurd geeft inzicht in belangrijke formeel vastgelegde momenten in de periode 2017 en 2026, waaronder contacten tussen ambtenaren en bewindspersonen
Kunt u de volgende stukken die in het BDO-rapport genoemd worden per ommegaande aan de Kamer doen toekomen: het memo «Juridisch Kader datakluis» (voetnoot 15)3, e-mail 22 juni 2022.pdf (voetnoot 106), e-mail juni 2025 (paragraaf 387 van het BDO-rapport), alle nota’s die aan de bewindspersonen en/of de (plaatsvervangend) secretaris-generaal zijn voorgelegd, Nota BD inventarisatie datakluis.pdf (voetnoot 148)?
De door u gevraagde documenten zijn reeds openbaar gemaakt als bijlage bij onze Kamerbrief van 10 juli 2026.
Zijn de geïsoleerde persoonlijke omgevingen overgedragen aan en/of opgevraagd door het Openbaar Ministerie? Zo ja, wanneer, en zo nee, waarom niet? Bent u bereid dat alsnog te doen?
Naar aanleiding van de aangifte van het vermoeden van strafbare feiten door de Staatssecretarissen van Financiën op 19 mei 2020 heeft de Belastingdienst onder meer mailboxen en digitale omgevingen van organisatieonderdelen en teams die voorkomen in de aangifte in een afgeschermde omgeving opgeslagen. Afgeschermde omgevingen bestaan naast de datakluis en zijn in de loop der tijden bij de Belastingdienst ontstaan naar aanleiding van uiteenlopende verzoeken, waaronder interne verzoeken, strafrechtelijke trajecten en andere formele opdrachten. Het veiligstellen in deze afgeschermde omgeving was bedoeld om aan een eventuele vordering van het Openbaar Ministerie te voldoen. U leest dit als zodanig terug in het rapport van BDO. Het is aan het Openbaar Ministerie om een toelichting te geven op de wijze waarop zij dit onderzoek hebben verricht en welke informatie daarvoor is opgevraagd of bekeken. Het Openbaar Ministerie stelde vast dat geen sprake was van een strafrechtelijke verdenking en daarmee zien wij geen aanleiding – ongevraagd – informatie aan het Openbaar Ministerie te verstrekken.
Deelt u de opvatting dat het, gezien het feit dat het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst eerder jarenlang 14 wetten hebben overtreden waardoor burgers ernstig in de problemen zijn gekomen, ongepast is de Belastingdienst nog langer zelf opdrachtgever te laten zijn van een onderzoek naar zichzelf, nu er mogelijk nieuwe overtredingen zijn van de Grondwet (Artikel 68, informatierecht), de Wet open overheid en het Wetboek van Strafrecht (artikel 192b, het niet verschaffen van informatie aan een parlementaire enquêtecommissie)?
Wij delen de opvatting dat het verstandig is om de Belastingdienst niet zelf opdrachtgever te laten zijn van onderzoek over de datakluis bij de Belastingdienst. Daarom heeft BDO, een partij die nooit eerder iets voor de Belastingdienst heeft onderzocht, het onderzoek uitgevoerd en wordt er een onafhankelijke externe commissie ingesteld die toegang krijgt tot alle informatie die zij noodzakelijk acht voor haar werkzaamheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat hiervan aangifte wordt gedaan en dat de Rijksrecherche en het Openbaar Ministerie onderzoek doen naar alle mogelijke overtredingen c.q. (ambts)misdrijven?
Uit het onderzoek van BDO komen geen aanwijzingen naar voren dat opzettelijk gegevens zijn achtergehouden in de datakluis met als doel voordeel te behalen, bepaalde gegevens te verbergen of bepaalde belastingplichtigen te benadelen.
Ook als er door of binnen het ministerie of de Belastingdienst fouten zijn gemaakt, zal dit nog niet betekenen dat sprake is van strafbaar gedrag.
Kunt u deze vragen zelf en binnen drie weken beantwoorden, aangezien het volstrekt ongepast is dat de bewindspersonen voor Financiën dit doen?
De vragen zijn beantwoord binnen drie weken. De vragen zijn op verzoek van de Minister-President door ons beantwoord, aangezien de vragen betrekking hebben op onze portefeuilles.
De verslechterende veiligheid van lhbti'ers in Nederland |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «7 op 10 lhbti+'ers denken dat het een probleem is om hun geaardheid in het openbaar te tonen»?1
Ja, daar heb ik kennis van genomen.
Hoe heeft het zover kunnen komen dat Nederland, ooit een van de veiligste landen voor homoseksuelen, inmiddels een land is geworden waar grote groepen lhbti'ers zich niet meer veilig voelen om hand in hand over straat te lopen of openlijk uit te komen voor hun geaardheid?
De door u geschetste ontwikkeling vind ik uiterst zorgelijk. Het moet voor iedereen veilig zijn om openlijk uit te komen voor hun geaardheid zonder vrees voor intimidatie of geweld. De oorsprong van de ontwikkeling is complex. Hoewel maatschappelijke acceptatie in brede zin toeneemt, leidt meer zichtbaarheid ook tot meer frictie met intolerante opvattingen. Ook toegenomen polarisatie en verruwing in het publieke debat speelt mee. Het is daarom belangrijk om met een brede aanpak in te zetten op het vergroten van de veiligheid en om consequent uit te stralen en te spreken dat iedereen – ongeacht wie iemand is en van wie iemand houdt – vrij is om zichzelf te zijn en veilig door het leven moet kunnen gaan.
Erkent u dat de groei van bevolkingsgroepen afkomstig uit vooral islamitische landen, waar homoseksualiteit maatschappelijk en religieus wordt afgewezen en zelfs vaak keihard wordt afgestraft, inclusief de nazaten die in Nederland geboren zijn, de grootste factor is voor de onveiligheid van lhbti'ers in Nederland? Zo nee, waarop baseert u dat? Zo ja, welke consequenties verbindt u daaraan?
In het artikel wordt gesteld dat lhbtiq+ers met deze weerstand met name voelen vanuit religieuze hoek. Zij wijzen met name naar de islam, maar ook naar christelijke groepen. Daarnaast wordt gewezen op de toegenomen populariteit van extreemrechts gedachtengoed zoals de «manosphere». Welk van deze factoren de grootste factor is voor onveiligheid van lhbtiq+ personen blijkt niet uit de mij beschikbare gegevens. Het bestrijden van onveiligheid vergt een brede aanpak (verder toegelicht in antwoord 7) die zich op alle factoren richt.
Erkent u dat een opengrenzenbeleid grote gevolgen heeft voor de openbare orde en de veiligheid wanneer personen worden toegelaten die fundamentele Nederlandse vrijheden, waaronder de acceptatie van homoseksualiteit, sterk afwijzen en zelfs afstraffen? Zo nee, waarom niet?
Nederland kent geen opengrenzenbeleid. Het is belangrijk dat mensen die hier binnenkomen, ook onze waarden onderschrijven.
Hoeveel verdachten van anti-lhbti-geweld hadden de afgelopen vijf jaar een migratieachtergrond, een asielachtergrond of een niet-Nederlandse nationaliteit en wordt er werk van gemaakt om deze mensen direct uit ons land te zetten?
Cijfers over het aantal verdachten van geweld tegen lhbtiq+ personen met een migratieachtergrond, asielachtergrond of een niet-Nederlandse nationaliteit zijn niet beschikbaar. Optreden tegen strafbare feiten gebeurt altijd individueel, proportioneel en binnen het kader van de wet. Ik zie daarom geen waarde in het registreren van genoemde kenmerken voor de effectieve aanpak van geweld (en andere vormen van discriminatie) jegens de lhbtiq+ gemeenschap.
In algemene zin kan gezegd worden dat wanneer een asielzoeker bij (onherroepelijk) rechterlijk vonnis is veroordeeld voor een misdrijf er altijd wordt onderzocht of de asielvergunning ingetrokken kan worden of dat de verblijfsaanvraag asiel afgewezen kan worden op grond van openbare orde. Uw Kamer is over het beleid dienaangaande geïnformeerd bij brief van 18 december 2024.2
Indien deze gegevens niet worden geregistreerd, erkent u dat het bijhouden van achtergronden bijdraagt aan een effectieve gerichtere aanpak? Bent u bereid deze registratie alsnog structureel mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat de vrijheid van lhbti'ers om veilig en ongehinderd in de openbare ruimte zichzelf te kunnen zijn, te allen tijde moet worden beschermd en dat personen die zich schuldig maken aan geweld, bedreiging of intimidatie vanwege iemands geaardheid keihard, nog harder dan ooit tevoren, moeten worden aangepakt? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u bereid te treffen om ervoor te zorgen dat anti-lhbti-geweld en -intimidatie daadkrachtiger worden bestreden?
Vanzelfsprekend deelt het kabinet deze mening. Via verschillende routes wordt ingezet op het verbeteren van de veiligheid van lhbtiq+ personen.
Vanuit de Ministeries van JenV en OCW is vorig jaar de Versterkte Aanpak Lhbitq+ veiligheid 2026–2029 aan uw Kamer verstuurd. Deze versterkte aanpak bevat maatregelen langs drie strategische doelen. De eerste daarvan is het vergroten van de persoonlijke veiligheid van lhbtiq+ personen in de publieke ruimte, in huiselijke kring en online. Het tweede doel is het vergroten van de veiligheid voor lhbtiq+ personen bij instanties als de politie, de antidiscriminatievoorzieningen, op scholen, bij de IND, etc. Ten slotte zet het kabinet in op het versterken van veiligheid voor lhbtiq+ personen als maatschappelijke norm: de norm dat iedereen veilig dient te zijn en dat geweld tegen en discriminatie van lhbtiq+ personen onacceptabel is.
Jaarlijks wordt uw Kamer over de voortgang van de Versterkte Aanpak geïnformeerd. In het najaar van 2026 volgt hierover een brief.
Ongeregeldheden in Den Haag na de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Marokko op 30 juni 2026 |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de ongeregeldheden in Den Haag na de WK-voetbalwedstrijd tussen Nederland en Marokko op 30 juni 2026, waarbij de Mobiele Eenheid (ME), een waterkanon en wapenstokken zijn ingezet en dertien personen zijn aangehouden?1
Ja.
Klopt het dat de sfeer na afloop van de wedstrijd aanvankelijk feestelijk was, met toeterende auto’s, vlaggen, dansende supporters en vuurwerk en dat de politie reeds vooraf zichtbaar en grootschalig aanwezig was in de Haagse Schilderswijk?
Het behoort tot de reguliere taken van de driehoek (burgemeester, officier van justitie en de eenheidschef van de politie) om rondom toekomstige situaties een risico inschatting te maken en zo nodig daarop voor te bereiden.
De politie heeft mij laten weten dat het klopt dat de politie nadrukkelijk zichtbaar aanwezig was in het straatbeeld.
De burgemeester van Den Haag heeft de gemeenteraad geïnformeerd dat het WK zorgvuldig is voorbereid waarbij ervaringen uit eerdere toernooien werden meegenomen. Daarbij is er ruimte voor spontane feestelijke vieringen op straat. Dat is ook geconstateerd bij de wedstrijd Marokko-Nederland op 30 juni 2026.
Kunt u een feitelijke reconstructie geven van de gebeurtenissen in de Haagse Schilderswijk na afloop van deze wedstrijd, uitgesplitst naar tijdstip, locatie, aard van de incidenten, gegeven bevelen, ingezette politie-eenheden, gebruikte geweldsmiddelen en verrichte aanhoudingen?
Kunt u daarbij specifiek reconstrueren op welk moment de sfeer volgens politie en driehoek omsloeg, welke concrete feiten of incidenten daaraan ten grondslag lagen en welke rol meldingen over vuurwerk, stenen, flessen, opstoppingen, openbare-ordeverstoringen en het vermeende vuurwapenincident daarbij hebben gespeeld?
Op welk moment en door wie is besloten om op te schalen naar inzet van de ME, het waterkanon en de wapenstok en welke concrete dreiging voor personen, goederen of de openbare orde maakte deze opschaling volgens u noodzakelijk?
Welke minder ingrijpende middelen zijn voorafgaand aan deze opschaling overwogen of ingezet en waarom zijn deze volgens politie en driehoek onvoldoende geacht?
Is voorafgaand aan de inzet van het waterkanon en het gebruik van wapenstokken duidelijk gewaarschuwd dat deze middelen zouden worden ingezet? Zo ja, hoe vaak, op welke wijze, op welke locaties en in welke talen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke wettelijke bevoegdheden en geweldsinstructies zijn het waterkanon en de wapenstok ingezet en hoe is daarbij voldaan aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit?
Het gebruik van de wapenstok is op grond van artikel 12e van de Ambtsinstructie onder andere geoorloofd om een persoon op afstand te houden die een ambtenaar in diens taakuitoefening belemmert of die geen gehoor geeft aan een bevoegd gegeven bevel of verordening, en/of ter verspreiding van samenscholing of volksmenigten die een onmiddellijke bedreiging vormen voor de openbare orde.
Het gebruik van de waterwerper is op grond van artikel 14 van de Ambtsinstructie geoorloofd bij het optreden van een mobiele eenheid in opdracht van de meerdere en na verkregen toestemming van het bevoegd gezag.
De politie heeft op 30 juni in Den Haag geweld toegepast ter handhaving van de openbare orde onder het bevoegd gezag van de burgemeester. De wijze waarop dit geweld is toegepast, en welke geweldsmiddelen hierbij zijn ingezet zijn operationele afwegingen die worden gemaakt in de lokale driehoek. De burgemeester legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad. In zijn commissiebrief gaat de burgemeester van Den Haag hier op in.
Op grond van Artikel 12e van de Ambtsinstructie mag de wapenstok slechts worden gebruikt in strikt omschreven situaties. Kunt u per bekende inzet van de wapenstok concreet aangeven welke wettelijke grond aanwezig was, welk doel met het geweld werd beoogd en waarom dit geweldsmiddel op dat moment noodzakelijk en proportioneel was?
Zie antwoord vraag 8.
Op sociale media circuleren tevens beelden waarop is te zien dat jongeren in Den Haag gehoor geven aan de politie om door te lopen, maar desondanks herhaaldelijk met wapenstokken worden geslagen. De beelden wekken de indruk dat juist het voortdurende slaan en zwaaien met wapenstokken paniek veroorzaakt onder jongeren die dus in beginsel meewerken. Kunt u deze beelden bevestigen?2
Zie het antwoord op vraag 3 tot en met 7.
De beelden wekken de indruk dat het voortdurende slaan en zwaaien met wapenstokken juist paniek veroorzaakt onder jongeren die in beginsel lijken mee te werken. Bent u bereid deze beelden te laten beoordelen door een onafhankelijke instantie om vast te stellen of het politieoptreden noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en de-escalerend was? Zo nee, waarom niet?
Kunt u uitsluiten dat feestvierende jongeren of omstanders die zelf geen geweld gebruikten en gehoor gaven aan politiebevelen, toch zijn geraakt door politiegeweld of hardhandig zijn aangehouden? Zo ja, waarop baseert u dat? Zo nee, welke vervolgstappen worden gezet?
Deelt u de mening dat geweld tegen politieagenten onacceptabel is, maar dat dit nooit mag betekenen dat feestvierende jongeren collectief of disproportioneel hard worden aangepakt?
Hoe voorkomt de politie dat het gedrag van enkele ordeverstoorders leidt tot een collectieve aanpak van een grotere groep Marokkaanse feestvierders, waaronder jongeren die geen strafbare feiten plegen en juist gehoor geven aan politiebevelen?
In zijn algemeenheid geldt dat wanneer de burgemeester de politie de opdracht geeft om ter handhaving van de openbare orde personen te bevelen zich uit een aangewezen gebied te verwijderen, dit wordt dit gecommuniceerd met de personen die zich in dat gebied bevinden. De politie geeft de instructie om een gebied te verlaten en kondigt aan dat personen die hieraan geen gehoor geven het risico lopen dat er geweld tegen hen gebruikt zal worden.
Wordt het politieoptreden in Den Haag onafhankelijk geëvalueerd, inclusief de voorbereiding, de zichtbare aanwezigheid van de politie, het moment van opschaling, het gebruik van geweldsmiddelen, de aanhoudingen en de vraag of de inzet de-escalerend of juist escalerend heeft gewerkt? Zo nee, waarom niet?
De burgemeester van Den Haag heeft in zijn brief aan de gemeenteraad onder andere gecommuniceerd dat eerdere ervaringen worden meegenomen in de voorbereiding op momenten waarbij de mogelijkheid bestaat op openbare orde verstoringen.
Ook heeft hij in zijn brief aan de gemeenteraad gecommuniceerd dat politiegeweld in Nederland aan strikte regels gebonden is en altijd achteraf wordt getoetst en waar nodig onderzocht. Als er klachten over het politieoptreden worden ingediend, worden die zorgvuldig beoordeeld, tot indien nodig, aan de onafhankelijke Nationale ombudsman. Er kan ook aangifte worden gedaan als iemand van mening is dat de politie een strafbaar feit heeft begaan.
Uit berichtgeving blijkt dat Amsterdam koos voor een de-escalerende aanpak waarbij fans ruimte kregen om feest te vieren en geen aanhoudingen zijn verricht, terwijl in Den Haag en Utrecht zwaarder is opgeschaald met ME, waterkanonnen en wapenstokken. Hoe verklaart u dit verschil in politieaanpak en in hoeverre is vooraf meegewogen dat grootschalige en zichtbare politie-inzet juist escalerend kon werken, met name in een dichtbevolkte wijk waar veel jongeren en omstanders aanwezig waren, temeer nu beelden de indruk wekken dat tegen aanwezige jongeren buitensporig en disproportioneel geweld is gebruikt door herhaaldelijk met de wapenstok te slaan?3 45
De handhaving van de openbare orde en de inzet van de politie met dit doeleinde wordt uitgevoerd onder het gezag van de burgemeester. De burgemeester legt hier verantwoording over af in de gemeenteraad. Op lokaal niveau worden afwegingen gemaakt hoe er wordt omgegaan met lokale openbare orde verstoringen onder andere omdat lokaal de kennis aanwezig is over de lokale context, risicolocaties, betrokken gemeenschappen en de beschikbare capaciteit van de politie en hulpdiensten. Daardoor kunnen getroffen maatregelen verschillen per gemeente.
Gelet op het voorgaande, kunt u precies reconstrueren waardoor, hoe en op welk moment de sfeer omsloeg, wanneer is besloten op te schalen naar inzet van de ME, waterkanonnen en wapenstokken, welke concrete feiten of incidenten daaraan ten grondslag lagen en in hoeverre en hoe daarbij de afweging is gemaakt dat voornoemde zware politie-inzet noodzakelijk, proportioneel en de-escalerend was?
Zie het antwoord op vraag 3 tot en met 10.
Bent u bereid de Kamer zo spoedig mogelijk te informeren over de uitkomsten van de evaluatie van het politieoptreden in Den Haag en daarbij expliciet in te gaan op de vraag of de inzet van ME, waterkanon en wapenstokken noodzakelijk, proportioneel, subsidiair en de-escalerend was?
Het is niet aan de Minister van Justitie en Veiligheid om in te gaan op individuele casuïstiek. De handhaving van de openbare orde en de inzet van de politie met dit doel wordt uitgevoerd onder het gezag van de burgemeester. De burgemeester legt hier verantwoording over af in de gemeenteraad.
Bent u bekend met dit bericht?1
Ja.
Klopt het, zoals gemeld door het Duitse persbureau Deutsche Presse-Agentur (DPA) en overgenomen door NOS, dat de verdachte, Abdul B., in mei van dit jaar is vrijgelaten uit jeugddetentie? Zo nee, wat zijn dan volgens u de juiste feiten?2
Het is aan de Duitse autoriteiten om hier uitspraken over te doen.
Bent u bekend met de berichtgeving dat er naast de aanrijding ook meerdere personen zouden zijn neergestoken en dat de politie onderzoekt of er sprake was van één dader of van meerdere betrokkenen? Zo nee, bent u bereid zich hierover te laten informeren door uw Duitse ambtsgenoot?3
Ja.
Deelt u de opvatting dat een aanslag als deze, gericht tegen een LGBTQ+-viering, een directe aanval is op de westerse vrijheden en de vooruitgang die wij als samenleving hebben opgebouwd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Het kabinet veroordeelt iedere vorm van geweld, intimidatie en discriminatie. Een aanslag op personen vanwege hun seksuele geaardheid, genderidentiteit of genderexpressie is onacceptabel en raakt aan de fundamentele waarden van onze democratische rechtsstaat. Het recht om jezelf te zijn, vrij te leven en veilig deel te nemen aan de samenleving behoort tot de kern van de vrijheden die wij in Nederland beschermen.
Deelt u de opvatting dat wij ons in het Westen dringend moeten afvragen hoe lang wij nog bereid zijn onze vrijheden en onze vooruitgang in te ruilen voor open grenzen en dat dit moet leiden tot concrete beleidswijzigingen? Zo nee, waarom niet?
De aanleiding voor deze vraag biedt geen direct aanknopingspunt voor een beoordeling van het migratiebeleid. Uit de feiten die aan deze Kamervragen ten grondslag liggen, volgt niet dat de aanslag verband hield met het asiel- of migratiebeleid.
Is er bij de Nederlandse politie of inlichtingendiensten (AIVD, NCTV) zicht op personen in Nederland die, net als de verdachte in Berlijn, bekendstaan bij de autoriteiten als onderdeel van de islamistische scene, maar tegen wie nog geen strafrechtelijke maatregelen zijn genomen? Zo ja, hoeveel van dergelijke personen zijn momenteel in beeld? Zo nee, waarom wordt dit niet bijgehouden?
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) heeft de taak, op basis van de Wet op Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (Wiv) 2017, onderzoek te doen naar personen of organisaties die (aanleiding geven tot een ernstig vermoeden dat zij) een dreiging vormen voor de nationale veiligheid. Daarnaast geldt dat, volgens de Wiv 2017, er in het openbaar geen uitspraken kunnen worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de AIVD. Binnen de politie worden signalen van radicalisering en extremisme, in afstemming met het OM, verzameld en geduid. Over het aantal personen dat bij de politie in beeld is, worden vanwege operationele belangen geen mededelingen gedaan. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Kunt u uitsluiten dat personen met een vergelijkbaar extremistisch of islamistisch gedachtegoed als de verdachte in Berlijn, via de asielinstroom Nederland binnenkomen of reeds zijn binnengekomen? Zo nee, welke screening vindt op dit moment plaats om dit te voorkomen en acht u die afdoende?
De onderhavige aanslag biedt geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bestaande screeningsinstrumenten in relatie tot de asielinstroom tekortschieten.
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De bescherming van de nationale veiligheid vergt constante ketenbrede inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Tijdens de asiel- en nareisprocedure besteden organisaties binnen de vreemdelingenketen doorlopend aandacht aan signalen die de nationale veiligheid kunnen raken, waaronder mogelijke betrokkenheid bij terrorisme of extremistisch gedachtegoed. Het onderkennen van dergelijke signalen in de asielprocedure is echter een doorlopend proces dat continue ketenbrede alertheid vereist.
Daarbij is voortdurende versterking van procedures, informatie-uitwisseling en screening altijd noodzakelijk om tijdig signalen die de nationale veiligheid raken te onderkennen en daarom heeft dit ook standaard de aandacht van het kabinet.
Ondanks de zorgvuldige procedure en inspanningen kan er geen absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen.
In elke stap van de procedure (identificatie, registratie, beoordeling aanvraag en opvang) is aandacht voor het onderkennen van dergelijke signalen en kunnen deze binnen de geldende kaders worden voorgelegd aan opsporings-, inlichtingen-en veiligheidsdiensten zoals de AIVD. Daarbij geldt tevens dat extremistische opvattingen of radicalisering zich ook ná toelating kunnen ontwikkelen of manifesteren. Screening is erop gericht bekende risico's bij toelating te identificeren en kan naar haar aard geen garantie bieden tegen radicalisering of extremistische gedragingen die zich pas na toelating ontwikkelen of later pas aan het licht komen. Het onderkennen van signalen vindt plaats op basis van de informatie die beschikbaar is binnen de asielprocedure, zoals gehoren, informatie in (inter)nationale politie/justitiële systemen en informatie uit open bronnen.
Kunt u, eventueel in overleg met AIVD en NCTV, een overzicht geven van de doelwitten die naast Pride-vieringen door islamistische terreurgroepen of geradicaliseerde eenlingen in Nederland en Europa als bijzonder risicovol worden aangemerkt, zodat de beveiliging daarop gericht kan worden versterkt? Zo nee, waarom kan een dergelijk overzicht niet gegeven worden?
In Nederland wordt op basis van actuele dreigingsinschattingen bezien welke evenementen en doelwitten als risicovol worden aangemerkt. Hiervoor worden zichtbare en onzichtbare maatregelen getroffen. Daarover wordt door de betrokken gezagen in het openbaar nooit inzicht gegeven. Daarnaast ga ik als Minister van Justitie en Veiligheid vanwege veiligheidsredenen in het openbaar niet in op vermeende doelwitten van terroristische groeperingen of geradicaliseerde eenlingen in Nederland en Europa.
Welke concrete maatregelen zijn er op dit moment van kracht om te voorkomen dat voertuigen worden ingezet als wapen bij grote publieksevenementen in Nederland, zoals Pride-vieringen, herdenkingen of marktevenementen?
Vanwege veiligheidsoverwegingen worden in het openbaar nooit uitspraken gedaan over maatregelen die worden getroffen ten behoeve van de veiligheid. Wel kunnen wij u verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. Het is primair aan het betreffende lokale gezag waar het evenement plaatsvindt om te bepalen welke maatregelen nodig zijn.
Bent u bereid om, naar aanleiding van deze aanslag, de beveiliging van Pride-evenementen en vergelijkbare LGBTQ+-vieringen in Nederland dit jaar en volgend jaar opnieuw te laten beoordelen door de politie en NCTV, specifiek gericht op de dreiging van voertuigaanslagen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment staat het dreigingsniveau in Nederland op substantieel (niveau 4 van 5). Dat betekent dat een aanslag in Nederland reëel is. Bij een verhoogde dreiging of risico op een specifiek doelwit, worden de maatregelen genomen die passen bij een verhoogde dreiging. Bij ieder evenement van een dergelijke omvang wordt voorafgaand een analyse van dreiging en risico’s gemaakt op basis van de op dat moment beschikbare informatie.
De veiligheidspartners op zowel lokaal als nationaal niveau volgen daarbij de ontwikkelingen in het buitenland nauwlettend en staan in nauw contact met elkaar, mede met het oog op de mogelijke impact die deze kunnen hebben in Nederland.
Deelt u de opvatting dat extremisten die een gevaar vormen voor de openbare orde en veiligheid en die geen Nederlandse nationaliteit bezitten, versneld ons land uitgezet moeten kunnen worden wanneer zij in verband worden gebracht met extremistische netwerken? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin geldt dat het bestaande vreemdelingenrecht en terugkeerbeleid voorzien in een aanpak van vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid. Indien een vreemdeling een dergelijk gevaar vormt, wordt in beginsel geen vertrektermijn gegund en dient hij Nederland onmiddellijk te verlaten.
Daarnaast heeft het kabinet de aanpak van personen die een (hoog) risico vormen voor de nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf (meer) hebben verder geïntensiveerd. Hierover is uw Kamer op 22 april jl. geïnformeerd.4
Onder coördinatie van de NCTV werken alle betrokken partners, ieder vanuit de eigen processen en verantwoordelijkheden, intensief samen om de risico’s die van deze casuïstiek uitgaan te mitigeren en zicht te houden op vrijgekomen terrorismeveroordeelden totdat vertrek gerealiseerd is. Het realiseren van vertrek van dergelijke personen valt onder de portefeuille van de Minister van Asiel en Migratie. Er wordt met de hoogste prioriteit gewerkt aan het bewerkstelligen van het vertrek van personen die geen recht hebben op verblijf in Nederland en bovendien een mogelijk risico vormen voor de nationale veiligheid. Daarbij wordt ingezet op een vroegtijdige en gerichte start van het terugkeerproces, maatwerk bij vertrek en versterkte samenwerking tussen de betrokken organisaties.
Indien vertrek niet onmiddellijk kan worden gerealiseerd, kunnen – indien aan de wettelijke voorwaarden is voldaan – verschillende maatregelen worden ingezet. Daarbij kan worden gedacht aan vreemdelingenrechtelijke maatregelen, zoals een meldplicht, een gebiedsgebod en, indien daadwerkelijk zicht bestaat op vertrek, vreemdelingendetentie.
Daarnaast kunnen op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt) bestuurlijke maatregelen worden opgelegd indien de betrokkene door zijn of haar gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Deze bestuurlijke maatregelen kunnen bestaan uit een meldplicht, contactverbod of een gebiedsverbod, waarbij ter handhaving van het gebiedsverbod tevens elektronische monitoring kan worden opgelegd. Om een goed en compleet beeld te kunnen hebben van terrorismeveroordeelden zonder rechtmatig verblijf waarvan een hoog risico uitgaat voor de nationale veiligheid werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan aanvullende maatregelen, waaronder het vormgeven van een manier waarop betrokken partners door een integrale benadering, uniforme risicotaxaties kunnen opstellen om gerichte en effectieve maatregelen te treffen.
Verder versterkt de recent overeengekomen Europese Terugkeerverordening het terugkeerinstrumentarium voor vreemdelingen die een gevaar vormen voor de openbare orde of nationale veiligheid.
Kunt u aangeven hoeveel personen die bekendstaan bij de politie of AIVD vanwege banden met islamistisch extremisme, op dit moment een verblijfsvergunning of asielstatus in Nederland hebben? Zo nee, waarom wordt dit niet geregistreerd en bent u bereid dit alsnog in kaart te brengen?
Zoals eerder aangegeven in vraag 6, geldt dat, volgens de Wiv 2017, er in het openbaar geen uitspraken kunnen worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de AIVD. Ook kan geen inzicht worden gegeven over of personen in beeld zijn bij de politie, en of dergelijke personen al dan niet over een verblijfsvergunning beschikken.
Bent u bereid, gelet op deze aanslag en soortgelijke incidenten in Europa, een totale asielstop in te voeren, of op zijn minst te onderzoeken welke instroombeperkende maatregelen op zeer korte termijn haalbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
Zoals uw Kamer bekend is er juridisch geen ruimte voor een asielstop. De aanleiding voor deze vraag biedt evenmin een aanknopingspunt voor de conclusie dat een algemene asielstop een passend of effectief antwoord zou zijn. Uit de thans bekende feiten die aan deze Kamervragen ten grondslag liggen, volgt niet dat de aanslag verband hield met de asielinstroom. De inzet van het huidige kabinet is erop gericht om het migratievraagstuk duurzaam het hoofd te bieden. Daarom wordt er onverminderd hard aan gewerkt om maatregelen te nemen om grip op migratie te bevorderen. Daarnaast blijft het kabinet zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
Deelt u de opvatting dat het beschermen van onze vrijheid en onze vooruitgang niet langer kan wachten en dat hiervoor nu concrete stappen nodig zijn? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is er alles aan gelegen om terrorisme tegen te gaan. Conform het coalitieakkoord investeert het kabinet in inlichtingen- en veiligheidsdiensten en een NCTV die snel en doortastend kunnen handelen en wordt de aanpak tegen terrorisme versterkt.
Bent u bereid deze vragen zo spoedig mogelijk te beantwoorden, gelet op het grote gevaar dat van dit soort aanslagen uitgaat voor de openbare orde en veiligheid in Nederland? Zo nee, waarom niet?
De vragen zijn zo snel mogelijk beantwoord.
De digitale weerbaarheid van het Nederlandse elektriciteitsnet |
|
Daniël van den Berg (JA21) |
|
Herbert , Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Stroomnet kwetsbaar voor cyberaanval: «Geen kwestie van óf, maar wanneer»»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de waarschuwing van cybersecurity- en energiespecialisten dat de toenemende digitalisering van het elektriciteitssysteem, waaronder slimme netten, thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en andere verbonden apparaten, ook leidt tot een groter aanvalsoppervlak voor kwaadwillenden?
De ontwikkeling naar een meer decentrale energievoorziening maakt lokale opwek en opslag mogelijk en is onderdeel van een succesvolle energietransitie. Deze decentralisatie gaat gepaard met een digitaliseringsslag. Zo kunnen decentrale assets bijvoorbeeld op afstand een (beveiligings)update ontvangen of op afstand worden aangestuurd. Dit is onder meer noodzakelijk om de beveiliging van de assets up-to-date te houden en biedt kansen voor bijvoorbeeld een slimmer gebruik van het elektriciteitsnet. Naast deze voordelen brengt de digitalisering van het energiesysteem ook risico’s met zich mee.
Digitale verbindingen maken de toegang tot deze assets op afstand makkelijker waardoor deze verbindingen een aanvalsoppervlak kunnen vormen voor kwaadwillenden om decentrale assets te manipuleren. Daarom gelden voor (consumenten)apparatuur cybersecurity eisen op basis van wet- en regelgeving zoals de Radio Equipment Directive 3.3 en de Cyber Resilience Act. Om de digitale weerbaarheid van het energiesysteem verder te verhogen en risico’s te mitigeren, treft het kabinet daarnaast nog andere maatregelen. Deze maatregelen zijn toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
In hoeverre wordt digitale weerbaarheid momenteel als randvoorwaarde meegenomen bij de uitvoering van de energietransitie en de uitbreiding van het elektriciteitsnet?
In het ontwerp van het energiesysteem houdt het kabinet rekening met digitale risico’s. Zo worden cybersecurityeisen gesteld aan digitale systemen van energiepartijen en wordt kritieke (digitale) energie-infrastructuur geïdentificeerd en weerbaarder gemaakt. Een concreet voorbeeld is het meenemen van (digitale) weerbaarheid als voorwaarde bij de vergunningsverleningsinstrumenten van nieuwe windparken op zee. Hierbij zijn weerbaarheid en nationale veiligheidszorgen onderzocht en zijn vervolgens veiligheidsmaatregelen genomen, zoals het stellen van voorwaarden voor de herkomst van windmolenonderdelen op basis van de Europese Net Zero Industry Act (NZIA).2
Ook voor bestaande energie-infrastructuur gelden strenge eisen en is er toezicht om de digitale weerbaarheid te verhogen. Met de inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) op 15 augustus jl. is het bestaande wettelijke cybersecuritykader voor energie-infrastructuur versterkt en worden energiebedrijven verplicht om zorg te dragen voor de beveiliging van hun (digitale) systemen om hun bedrijfscontinuïteit te waarborgen. Aanvullend op de Cbw geldt de Netcode voor Cybersecurity Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1366 (NCCS) ter versterking van de digitale weerbaarheid van het Europese elektriciteitsnet om de veiligheid, continuïteit en betrouwbaarheid ervan te waarborgen. Onderdelen van de NCCS zijn al geïmplementeerd; de NCCS wordt volledig van kracht per 2028.
Het kabinet werkt doorlopend aan het verder versterken van de weerbaarheid van het energiesysteem. Zo is er in de actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) aandacht voor een (digitaal) weerbaar energiesysteem om de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van energie te kunnen waarborgen. Het geactualiseerde NPE wordt met Prinsjesdag aan de Kamer verstuurd. Een verdere toelichting op de kansen en risico’s van de digitalisering van het energiesysteem, inclusief een uitwerking van benodigde acties, is opgenomen in de Actieagenda Digitalisering Energiesysteem (ADE)3.
Kunt u aangeven welke risicoanalyses zijn uitgevoerd naar de cybersecurity van decentrale energiebronnen, zoals thuisbatterijen, zonnepanelen, laadpalen en energiebeheersystemen, en welke conclusies daaruit zijn getrokken?
Het Ministerie van EZK werkt samen met andere overheidsorganisaties, netbeheerders, energiebedrijven en onderzoeksinstellingen om zoveel mogelijk kennis en inzichten te verzamelen over de risico’s in het decentrale energiesysteem. Uit deze analyses komen kwetsbaarheden naar voren die worden vertaald naar beleid en wet- en regelgeving. Een voorbeeld is het rapport van Energy Innovation NL (in opdracht van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) over de cyberveiligheid van zonnepanelen.4 Een conclusie uit dit rapport is dat het verhogen van de digitale weerbaarheid van decentrale energie assets een gedeelde verantwoordelijkheid is van alle spelers in de keten waarbij samenwerking essentieel is. Om uitvoering te geven aan de wet- en regelgeving op digitale weerbaarheid, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 2 en 3, werkt het kabinet samen met verschillende energiebedrijven en brancheverenigingen. Daarnaast stimuleert het kabinet de ontwikkeling van sectorale Information Sharing and Analyses Centers (ISACs), zoals de ISAC voor de zonne-energiesector. Het doel van een ISAC is om de digitale weerbaarheid te vergroten binnen een sector via vertrouwelijke informatie-uitwisseling over dreigingen en incidenten en het delen van handelingsperspectief en gedeelde lessen. Daarnaast bevordert het kabinet samenwerkingsinitiatieven zoals het sectorpact «Weerbaar Energiesysteem» van Energie Nederland en Netbeheer Nederland.
Het kabinet zet verschillende stappen om cybersecurity via wet- en regelgeving te versterken, zoals toegelicht in de beantwoording op vraag 3. Daarnaast voeren sectorpartijen zelf risicoanalyses uit en nemen zij indien nodig passende maatregelen om risico’s te mitigeren. Zo worden bijvoorbeeld bij grote aanbestedingen door de netbeheerders risicoanalyses gemaakt en passende maatregelen genomen.5 De Cbw en NCCS verplichten bedrijven om een risicoanalyse uit te voeren en rekening te houden met risico’s in hun toeleveringsketen en bij het verwerven, ontwikkelen of onderhouden van (digitale) producten en diensten in hun netwerk- en informatiesystemen.
Hoe beoordeelt u de stelling dat de Europese energie-infrastructuur steeds vaker doelwit is van cyberaanvallen? In hoeverre spelen achterstallige modernisering van systemen, verouderde technologie en tekortschietende basisbeveiliging daarbij een rol? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in het Cybersecurity Beeld Nederland 2025 is aangegeven, blijven alle vitale sectoren een aantrekkelijk doelwit voor kwaadwillende actoren. De digitalisering van het energiesysteem zorgt voor een nauwere verwevenheid tussen het digitale en fysieke energiesysteem. Zo wordt verouderde operationele technologie (OT) vaker gekoppeld aan slimme informatietechnologie (IT)-systemen. Het nemen van passende beheersmaatregelen om risico’s van mogelijk verouderde OT te mitigeren, zoals netwerksegmentatie, wordt met de Cbw en NCCS wettelijk verankerd. Energiepartijen dienen op grond van de Cbw en NCCS in hun IT- en OT-architectuur rekening te houden met deze risico’s en passende en evenredige maatregelen te nemen, ook voor de beveiliging van OT. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) houdt toezicht op de energiesector vanuit deze verplichtingen in de Cbw en NCCS. Het National Cyber Security Center (NCSC) deelt daarnaast diverse kennis- en informatieproducten met de energiesector, onder meer vanuit samenwerking met Europese partners, over basisbeveiliging voor digitale weerbaarheid en over risicomanagement van verouderde OT-systemen.
Op welke wijze werken de ministeries van Klimaat en Groene Groei en Economische Zaken en Klimaat samen om ervoor te zorgen dat investeringen in de energietransitie gepaard gaan met investeringen in digitale veiligheid?
Investeringen in de energietransitie gaan onlosmakelijk gepaard met investeringen in digitale veiligheid omdat slimme energienetten en hernieuwbare bronnen sterk afhankelijk zijn van digitale aansturing. Binnen het Ministerie van EZK wordt het onderwerp van digitale weerbaarheid en energie (security) daarom integraal opgepakt.
Worden er regelmatig gezamenlijke crisisoefeningen gehouden waarbij zowel een fysieke verstoring van het elektriciteitsnet als een cyberaanval wordt gesimuleerd? Zo ja, welke lessen zijn daaruit getrokken? Zo nee, waarom niet?
Ja, op lokaal, regionaal, nationaal en Europees niveau vinden regelmatig crisisoefeningen over stroomuitval plaats. Het betreft wisselende scenario’s, variërend van fysieke verstoringen, cyberaanvallen en een combinatie daarvan. Daarnaast wordt er deelgenomen aan PENTA6 oefeningen, waarbij de Europese verordening voor risicoparaatheid in de elektriciteitssector centraal staat. In het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) zijn daarnaast afspraken gemaakt om regelmatig gezamenlijk of per organisatie te oefenen. De Algemene Rekenkamer heeft mede op basis van bovengenoemde crisisoefeningen recent geconstateerd dat het Ministerie van EZK en TenneT goede maatregelen hebben getroffen om crises op het hoogspanningsnet te voorkomen en dat zij goed zijn voorbereid op mogelijke storingen.7
Een vast onderdeel van een crisisoefening is een evaluatie door de betrokken organisaties. Uit de evaluaties van de crisisoefeningen van de afgelopen jaren zijn verschillende lessen getrokken met betrekking tot de crisisstructuur en werkprocessen. Zo kwam bijvoorbeeld naar voren dat de Rijksoverheid in crisissituaties beter kan afspreken welke informatie wanneer wordt gedeeld en dat sommige plannen te abstract zijn. Deze lessen worden meegenomen in de actualisatie van het Nationaal Crisisplan Elektriciteit (NCP-E) naar een Landelijk Crisisplan Elektriciteit, dat naar verwachting begin 2027 met de Kamer zal worden gedeeld.
Deelt u de opvatting dat een succesvolle energietransitie alleen mogelijk is wanneer burgers en bedrijven erop kunnen vertrouwen dat het energiesysteem digitaal veilig en weerbaar is? Zo ja, welke aanvullende stappen bent u bereid te zetten om dit vertrouwen te versterken?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Daarom werkt het kabinet aan het digitaal veilig en weerbaar houden van het energiesysteem, zoals beschreven in de beantwoording bij de vorige vragen. Aanvullend worden in opdracht van het Ministerie van EZK Nederlandse Technische Afspraken (NTA's) ontwikkeld door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN) voor het slim en interoperabel maken van netintensieve apparaten. Dit voorziet dat laadpalen, zonne-omvormers, thuisbatterijen, warmtepompen en overkoepelend de Home Energy Management Systemen (HEMS) als aansturend systeem slim ingesteld kunnen worden en met elkaar kunnen communiceren. Deze afspraken worden opgesteld volgens Europese cybersecuritystandaarden, zodat eindgebruikers kunnen rekenen op een veilige aansturing.8
Welke gevolgen heeft de toenemende cyberveiligheidsopgave voor de huidige opgave rond de uitbreiding en verzwaring van het elektriciteitsnet? Worden aanvullende eisen aan digitale veiligheid meegenomen in de planning, uitvoering en kosten van deze uitbreidingen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Het is niet mogelijk om alle risico’s volledig uit te sluiten. Tegen deze achtergrond zet het kabinet in op het zoveel mogelijk minimaliseren van risico’s via een risico gebaseerde aanpak die de weerbaarheid effectief en efficiënt verhoogt. Dit betekent dat wordt gekeken naar de doelmatigheid, proportionaliteit en evenredigheid van maatregelen. Voor toekomstige energie-infrastructuur geldt dat maatregelen ten behoeve van (digitale) weerbaarheid het meest effectief en het meest kostenefficiënt zijn wanneer ze aan de voorkant van een traject worden geïmplementeerd. In het vormgeven van ruimtelijk beleid en het fysieke ontwerp van het energiesysteem wordt het aspect (digitale) weerbaarheid ook meegenomen. Binnen het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem gaat dit bijvoorbeeld om het wel of niet clusteren van energieproductielocaties en het wel of niet bundelen van energie-infrastructuur. De effecten van het fysieke ontwerp van het nationale energiesysteem op weerbaarheid zullen nader worden onderzocht, waarna keuzes zullen worden vastgelegd in het Programma Energiehoofdstructuur (PEH II). De hoofdlijnenbrief hierover zal begin 2027 naar de Tweede Kamer worden verzonden en het programma zal in 2028 worden vastgesteld.
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van dit jaar te informeren over de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en de digitale weerbaarheid van de Nederlandse energie-infrastructuur?
Aankomende Prinsjesdag wordt de Tweede Kamer verder geïnformeerd over het toekomstige energiesysteem, onder andere middels het geactualiseerde NPE en de kabinetsreactie op het Energy Innovation NL rapport «Autonoom en Veilig». Hierin wordt de samenhang tussen de voortgang van de energietransitie en digitale weerbaarheid nader toegelicht.
Kunt u de vragen los van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving van Omroep Zeeland en de brandbrief van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers over de circa dertig Zeeuwse brandweervrijwilligers die door de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 in ernstige financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke problemen dreigen te komen?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid hierdoor persoonlijk financieel nadeel kunnen ondervinden?
Ja, het is onwenselijk dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid hier persoonlijk financieel nadeel door ondervinden. Het gaat in deze gevallen om brandweervrijwilligers die in dienst zijn van een Nederlandse Veiligheidsregio in de grensstreek en daarnaast in dienst zijn bij een werkgever in België. Dat mensen bereid zijn zich in te zetten voor de vrijwillige brandweer is een groot goed. Zij zijn essentieel voor de brandweerzorg in Nederland. Daarom werk ik aan oplossingen op zowel de korte als de lange termijn. Met betrekking tot veel van de brandweerlieden die nu bekend zijn bij de SVB is inmiddels gelukkig gebleken dat zij op basis van de huidige regelgeving al sociaal onderworpen kunnen blijven in België (waar hun hoofdwerkgever gevestigd is). Daarnaast wordt met België gekeken of in meer gevallen de wetgeving van de hoofdwerkgever van toepassing kan blijven, wanneer er wordt gestart met een klein dienstverband bij de vrijwillige brandweer in de andere lidstaat.
Het feit dat zij brandweervrijwilliger in Nederland en daarnaast werknemer in België zijn, hoeft geen persoonlijk financieel nadeel te betekenen. Het is daarbij van belang dat vanaf het begin van de werkzaamheden voor de brandweer nagegaan wordt in welk land de brandweervrijwilliger sociaal verzekerd is en waar de betrokkene en zijn werkgever(s) premies moeten afdragen. Iedereen die gaat werken in twee of meer (lid)staten is namelijk op basis van Verordening 883/2004 verplicht om dat te melden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of in dit geval een Belgisch bevoegd orgaan. Zo kunnen hun werkgevers direct afdragen in het juiste stelsel en wordt voorkomen dat achteraf premie teruggevraagd moet worden in het ene land, en alsnog moet worden betaald in het andere land. Hiermee worden hoge na- en terugbetalingen voorkomen. Op het moment dat pas later gemeld wordt dat iemand in meerdere landen werkt, kan het zijn dat achteraf blijkt dat iemand niet onder het socialezekerheidsstelsel valt van het land waar premies zijn afgedragen. Daarom zet ik ook in op betere communicatie richting deze doelgroep.
U heeft inmiddels aangegeven2 dat Nederland en België verkennen of een structurele kaderuitzondering op grond van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 mogelijk en wenselijk is en dat deze verkenning naar verwachting ten minste een half jaar zal duren. Welke concrete stappen worden in deze periode gezet, welke planning is hiervoor afgesproken en wanneer verwacht u een definitief besluit?
Op basis van Verordening 883/2004 is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. Twee lidstaten kunnen op grond van artikel 16 van deze verordening gezamenlijk besluiten om in een individueel geval af te wijken van de aanwijsregels. Dit kan wanneer de aanwijsregels in een bepaald individueel geval zouden leiden tot onwenselijke uitkomst die niet in lijn is met de geest van de verordening.
Samen met België ben ik aan het verkennen of we een kaderovereenkomst kunnen sluiten om het voor meer brandweervrijwilligers mogelijk te maken om in België te werken zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel. Bij een kaderovereenkomst spreken lidstaten met elkaar af onder welke voorwaarden zij een verzoek voor een uitzonderingsovereenkomst altijd accepteren. Een kaderovereenkomst wordt afgesloten voor een groep mensen en geeft deze groep dus op voorhand zekerheid over het toe te passen socialezekerheidsstelsel als ze een aanvraag indienen om een artikel 16-overeenkomst te sluiten.
Bij deze verkenning zoek ik daarom naar een oplossing in de geest van Verordening 883/2004 om af te wijken van de aanwijsregels, waarbij de uitvoering voor de SVB zo min mogelijk verzwaard wordt. Dat doe ik omdat ik begrip heb voor deze doelgroep en het belangrijk vind dat mensen zich in willen zetten voor de vrijwillige brandweer. Maar iedere uitzondering op de hoofdregels maakt de uitvoering voor de SVB moeilijker, waarbij de internationale dienstverlening al complex en arbeidsintensief is en er juist bekeken wordt hoe we dit kunnen vereenvoudigen.3
Ik verwacht dat dit proces minimaal een half jaar in beslag zal nemen. Voor het afsluiten van een kaderovereenkomst ben ik uiteraard afhankelijk van de bereidheid en medewerking van alle betrokken partijen.
Klopt het dat deze Europese regelgeving oorspronkelijk bedoeld is om grensoverschrijdend werken te vergemakkelijken? Hoe verhoudt dat doel zich volgens u tot de huidige situatie, waarin vrijwilligers juist worden ontmoedigd zich in te zetten voor de openbare veiligheid?
Het doel van Verordening 883/2004 is coördinatie van de verschillende nationale socialezekerheidsstelsels. Onder andere door te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Dit doel wordt ook gehaald. Deze regels zijn echter in de praktijk dusdanig toegepast dat dit negatieve effecten heeft op de mate waarin mensen zich beschikbaar willen stellen voor functies in de openbare veiligheid. Dit is ongewenst, zowel vanuit persoonlijk alsook vanuit maatschappelijk perspectief. Veiligheid en brandweerzorg in het bijzonder zijn immers ook grensoverschrijdend georganiseerd.
De in de verordening neergelegde zogenaamde «aanwijsregels» schrijven voor welk nationaal socialezekerheidsstelsel van toepassing is. Uitgangspunt is dat iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd is, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. De hoofdregel is dat personen verzekerd zijn in het land waar ze werken. Voor werken in meerdere landen geldt voor ambtenaren de aanwijsregel dat zij verzekerd zijn in het land waar ze voor werken. In dat land worden eventuele premies afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Wanneer iemand twee banen in verschillende lidstaten heeft, moet één van beide werkgevers voldoen aan de verplichtingen in de andere lidstaat (waaronder bijvoorbeeld premiebetaling). In het geval van de brandweervrijwilliger bepaalt de verordening dat de Belgische werkgever in het Nederlandse stelsel premies afdraagt (in plaats van dat de Veiligheidsregio moet voldoen aan de verplichtingen van het Belgische stelsel). Dit komt omdat de brandweervrijwilligers zijn aangemerkt als ambtenaren.
De Belgische werkgevers weigeren in voorkomende gevallen premies af te dragen in Nederland.
Hierdoor ontstaan er de volgende problemen:
Welke bewindspersoon voert op dit dossier de regie richting de Belgische autoriteiten en op welke wijze werken de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Justitie en Veiligheid (JenV) en Financiën hierin samen?
Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb ik de bevoegdheid om voor groepen personen met andere lidstaten een kaderovereenkomst te sluiten op grond van artikel 16 van Verordening 883/2004. Waar nodig, sta ik bij dit dossier in contact met mijn collega’s van Justitie en Veiligheid, Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, samen met Veiligheidsregio Zeeland een tijdelijke voorziening te treffen waardoor betrokken vrijwilligers geen financieel, fiscaal of sociaalzekerheidsrechtelijk nadeel ondervinden? Geldt deze tijdelijke voorziening dan ook voor de ongeveer dertig vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering inmiddels is verlopen, of uitsluitend voor de twee à drie vrijwilligers waarvan een lopende uitzondering binnenkort afloopt?
Met de verkenning naar de kaderovereenkomst zet ik mij in voor een structurele oplossing die voor de toekomst regelt dat brandweervrijwilligers die ook in België werken tot 25 procent van hun werktijd of inkomen werkzaamheden voor de vrijwillige brandweer kunnen verrichten zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke sociale zekerheidsstelsel.
Bij de SVB zijn op dit moment 16 gevallen bekend.
In het verleden zijn door middel van artikel 16-overeenkomsten ten onrechte uitzonderingen gemaakt op de aanwijsregels voor structurele situaties. Voor deze gevallen werkt de SVB mee aan een laatste artikel 16-overeenkomst voor een periode van twee jaar, vanwege het gewekte vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel. Het gaat hierbij om bestaande overeenkomsten die in 2026 aflopen. Tot nu toe zijn voor 2 mensen artikel 16-overeenkomsten op deze basis verlengd. Na twee jaar kan met zekerheid gesteld worden dat de verkenning is afgerond en is er duidelijkheid over het wel of niet bestaan van een structurele oplossing. Betrokkenen hebben dan voldoende tijd gehad daarop te anticiperen.
De SVB onderzoekt ook voor brandweervrijwilligers of sprake is van marginale werkzaamheden. Als de vrijwillige werkzaamheden als marginaal worden beschouwd (minder dan of gelijk aan 5% van arbeidstijd/inkomen), worden ze niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Dit zal betekenen dat de brandweervrijwilligers in België verzekerd zijn en hun situatie niet hersteld hoeft te worden. Dit geldt in ieder geval voor 7 van de gevallen die bij de SVB bekend zijn.
Van de 16 bij de SVB bekende gevallen blijven 12 brandweervrijwilligers de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving vallen. Voor de overige 4 geldt dat nog wordt onderzocht of ze aan het Nederlandse- of aan het Belgische socialezekerheidsstelsel onderworpen moeten worden.
Als geen sprake is van marginale werkzaamheden, dan kan regularisatie een oplossing zijn. Dit houdt in dat als de Nederlandse wetgeving van toepassing moet zijn in plaats van de Belgische, dat dit per toekomende datum wordt toegepast. Vanaf het moment dat de situatie bekend is, moet in het Nederlandse stelsel worden afgedragen, maar van na- en terugbetalingen is dan geen sprake.
Voor de nieuwe gevallen geldt dat de brandweervrijwilligers zich moeten melden bij de SVB zodat de toepasselijke wetgeving kan worden vastgesteld. Nieuwe aanvragen zullen worden beoordeeld volgens het reguliere beleid van de SVB. Als dit gebeurt voordat de vrijwilligerswerkzaamheden starten, kan het probleem van hoge na- en terugbetalingen worden voorkomen.
U geeft aan dat bestaande uitzonderingen die binnenkort aflopen voorlopig worden gecontinueerd. Waarom geldt deze oplossing niet voor de vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering inmiddels al is verlopen?
Bij vraag 6 is toegelicht waarom in bepaalde gevallen de uitzonderingen worden verlengd en is toegelicht welke andere oplossing passend is voor overige brandweervrijwilligers met een Belgische werkgever.
Bent u bereid samen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), Veiligheidsregio Zeeland en vertegenwoordigers van de betrokken vrijwilligers een versnelde procedure in te richten voor de circa dertig getroffen vrijwilligers?
Zoals aangegeven onder vraag 6 werk ik aan passende oplossingen voor brandweervrijwilligers met een Belgische werkgever.
Hoe beoordeelt u de positie van vrijwilligers die inmiddels een Nederlandse A1-verklaring hebben ontvangen en daartegen bezwaar moeten maken?
Als de vrijwilligers geen bezwaar maken, wordt ervan uitgegaan dat ze het eens zijn met het besluit dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het is niet per definitie onwenselijk of nadelig om in Nederland verzekerd te zijn en dus premies te betalen. De oorzaak van het probleem ligt er veelal in dat de Belgische werkgever geen premies in Nederland wil afdragen, waardoor de brandweervrijwilliger bezwaar moet aantekenen tegen de vaststelling van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat het Nederlands socialezekerheidsstelsel gunstiger is voor de brandweervrijwilligers. Deze problematiek heeft een arbeidsrechtelijk aspect.
Van de groep die in bezwaar is gegaan en die vervolgens meer informatie heeft aangeleverd dan bij de initiële aanvraag, is bij het merendeel van de gevallen de uitkomst dat de Nederlandse A1-verklaring weer zal worden ingetrokken en de Belgische wetgeving van toepassing blijft (zie vraag 6).
Heeft het bezwaar tegen een A1-verklaring een opschortende werking? Zo nee, hoe voorkomt u dat vrijwilligers tijdens de bezwaarprocedure al met financiële of fiscale gevolgen worden geconfronteerd?
Juridisch gezien is er een verschil tussen de A1-verklaring en het besluit van de SVB tot afgifte van de A1-verklaring. Het bezwaar tegen het besluit heeft niet automatisch een opschortende werking. De SVB houdt de beslissing op het bezwaar aan voor de duur van de verkenning met België over de kaderovereenkomst. De belanghebbende kan zich na het indienen van bezwaar tegen de afgifte van de A1-verklaring melden bij de inspecteur van de Belastingdienst met het verzoek voor een individuele afspraak over uitstel tot er duidelijkheid is over de A1-verklaring. De SVB kan de belanghebbende daarin ondersteunen.
De A1-verklaringen die zijn afgegeven, waarvan inmiddels duidelijk is dat er sprake is van marginale activiteiten zullen worden ingetrokken (zie voorgaande vragen).
Financiële gevolgen ontstaan op dit moment overigens ook door terugbetalingen aan België. Zoals aangegeven bij vraag 6 zoek ik naar een passende oplossing voor betrokken brandweervrijwilligers. Bij deze oplossing houd ik rekening met de gevolgen aan zowel de Nederlandse als de Belgische kant.
Hoe beoordeelt u de gevolgen die deze problematiek heeft voor Belgische werkgevers van deze vrijwilligers? Acht u het wenselijk dat werkgevers worden geconfronteerd met administratieve lasten en onzekerheid doordat werknemers zich vrijwillig inzetten voor de Nederlandse brandweer?
Het doel van Verordening 883/2004 is onder andere om te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Op basis van deze regels is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. In dat land worden eventuele premies afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Het is inherent aan dit systeem dat werkgevers die iemand in dienst hebben, die ook werkt in een andere lidstaat soms moeten voldoen aan de verplichtingen die volgen uit het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat. Werkgevers mogen de verplichting niet weigeren om premies in een ander land te betalen, of werknemers discrimineren omdat zij in een andere lidstaat sociaal verzekerd zijn. Dit is essentieel voor het functioneren van de vrije markt en voor het bevorderen van het vrije verkeer van werknemers. Dit komt voor bij alle werknemers die een Nederlandse en een Belgische werkgever hebben en is dus niet voorbehouden aan die gevallen waarbij mensen zich inzetten voor de Nederlandse brandweer.
Nederlandse brandweervrijwilligers die in België werkzaam zijn als werknemer, hebben door hun status als ambtenaar te maken met een wisseling van sociale zekerheidsstelsel op het moment dat zij in dienst treden als brandweervrijwilliger. Om deze reden verken ik samen met België een structurele oplossing middels een kaderovereenkomst.
Klopt het dat Veiligheidsregio Zeeland sommige vrijwilligers heeft geadviseerd hun vrijwilligersfunctie neer te leggen om verdere financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke problemen te voorkomen? Hoe beoordeelt u het dat mensen zich genoodzaakt voelen hun inzet voor de brandweer te beëindigen vanwege de gevolgen van deze regelgeving?
Het klopt dat de veiligheidsregio Zeeland (VRZ) de brandweervrijwilligers die grensarbeider zijn en die geen Belgische A1-verklaring hebben, hebben geadviseerd om tijdelijk, met ingang van 1 juli 2026, met administratief ontslag te gaan. 10 van de 24 gedupeerde brandweervrijwilligers hebben inmiddels om dit ontslag gevraagd. Zij hebben daarbij de garantie gekregen om terug bij VRZ in dienst te komen op het moment dat voor grensarbeiders is geregeld dat zij in het land waar hun hoofdwerkgever gezeteld is, voor hen de sociale zekerheid in dat land van toepassing is.
Zoals hierboven aangegeven geldt dat van de 16 bij de SVB bekende gevallen 12 brandweervrijwilligers de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving blijven vallen. Deze personen kunnen dus in ieder geval weer aan de slag zonder dat dit invloed heeft op hun sociale zekerheidspositie.
Ook wanneer de Nederlandse wetgeving van toepassing zou worden lost dit ontslag het probleem dat ziet op het verleden niet op. Voor de na- en terugbetalingen moet nog steeds iets geregeld worden, zie voor de oplossing hiervoor vraag 6. Het primaire probleem zou zich niet hebben voorgedaan als de Belgische werkgever zich vanaf begin af aan had gehouden aan de Nederlandse en Europese regelgeving.
Bent u bekend met het feit dat inmiddels vrijwilligers hun functie hebben neergelegd én dat de brandweerposten Westdorpe en Koewacht onder andere bij een grote brand in een paardenstal in Clinge niet konden uitrukken vanwege een tekort aan beschikbare vrijwilligers? Hoe beoordeelt u dit voor de brandweerzorg en de openbare veiligheid?
Dit is bekend en uiteraard ongewenst. Het is goed om hierbij te realiseren dat onderbezetting van een brandweerpost vaker voorkomt en diverse redenen kan hebben. Wanneer een post onderbezet is, wordt een omliggende post gealarmeerd zodat de hulpverlening doorgang kan vinden. Hierdoor zal de opkomsttijd echter toenemen. Daarnaast draagt de grensoverschrijdende samenwerking met België (inzet van Belgische brandweerposten in Nederland) eraan bij dat in delen van Zeeuws-Vlaanderen de snelst mogelijke hulpverlening mogelijk is.
Recent deed zich in Clinge inderdaad een incident voor waarbij de posten Koewacht en Westdorpe niet konden uitrukken vanwege onderbezetting. Hierbij ging het om de zesde en zevende tankautospuit in de opschalingsvolgorde en niet meer om het eerste, levensreddende optreden. Verder zijn er tot nu toe geen incidenten bekend waarbij brandweerposten niet konden uitrukken als gevolg van de grensproblematiek. De VRZ doet er dan ook alles aan om de repressieve inzetbaarheid en beschikbaarheid binnen Zeeland op peil te hebben en te houden.
Welke gevolgen verwacht u dat deze problematiek heeft voor het werven en behouden van brandweervrijwilligers in grensregio's als hiervoor niet op zeer korte termijn een oplossing wordt gevonden? Waarom heeft deze problematiek, ondanks dat zij al geruime tijd bekend is, nog niet geleid tot een structurele oplossing?
Indien er niet op korte termijn een oplossing gevonden wordt, zal de beschikbaarheid van vrijwilligers verder afnemen en zullen enkele mensen mogelijk definitief afscheid nemen van de vrijwillige brandweer. Dit acht ik zoals gezegd ongewenst en daarom zet ik me in voor het vinden van zowel een tijdelijke als een structurele oplossing.
Ongeacht de tijdelijke en structurele oplossing is het bij het werven van brandweervrijwilligers van belang dat nieuwe brandweervrijwilligers goed voorgelicht worden over hun situatie wanneer zij ook werken in België. De veiligheidsregio kan hierin ondersteunen. Hierdoor kan gezorgd worden dat direct in het juiste land premies afgedragen worden en wordt voorkomen dat achteraf uit het ene land premies teruggevraagd moeten worden en in het andere land alsnog betaald moeten worden. De SVB kan vaststellen in welk land iemand verzekerd is, als de brandweervrijwilliger in Nederland woont. Als de brandweervrijwilliger in België woont, dan wordt dit vastgesteld door de RSZ of de RSVZ. Hiermee kunnen de gevolgen omtrent het werven en behouden van brandweervrijwilligers worden beperkt.
Er is nog geen structurele oplossing voor deze problematiek, omdat het tijd kost alle relevante aspecten goed in kaart te brengen. Er moet onderbouwd worden waarom een structurele uitzondering voor brandweervrijwilligers gerechtvaardigd is, met een duidelijke afbakening die deze groep onderscheid van andere werkenden die uitzonderingen op de aanwijsregels willen aanvragen. Verder moet duidelijk zijn hoe groot de groep is die tegen deze problemen aanloopt en wat hun situatie is, om ervoor te zorgen dat de structurele oplossing daadwerkelijk een uitkomst voor deze vrijwilligers biedt. Zo is bijvoorbeeld uit het onderzoek naar marginale werkzaamheden, zoals genoemd in vraag 6, al gebleken dat de werkzaamheden van bepaalde vrijwilligers marginaal zijn, waardoor zij in België sociaal verzekerd zijn. Daarnaast moet de dekking per groep bepaald worden om te voorkomen dat vrijwilligers onverzekerd achter blijven. Dit vraagt nadere analyses van het Nederlandse en Belgische stelsel.
Wanneer is het Rijk voor het eerst op de hoogte gebracht van deze problematiek? Welke acties zijn sindsdien ondernomen en waarom heeft dit nog niet tot een oplossing geleid?
Eind 2024 is toenmalig Minister van Hijum benaderd door mijn Belgische collega. Op dat moment leek dit zich alleen aan Belgische zijde van de grens voor te doen bij casussen met Belgische brandweerlieden.
Naar aanleiding van deze signalen is een analyse gemaakt van de situatie en de mogelijke gevolgen4. De betrokken bewindspersonen aan beide zijden van de grens, zijn op de hoogte gebracht van de analyse en de achterliggende problematiek.
In oktober 2025 werd duidelijk dat dit ook in brede zin voor Nederlandse brandweervrijwilligers speelde. Eind 2025 is ook begonnen met het verkennen van een overeenkomst met België om deze groep te onderwerpen aan de sociale zekerheidswetgeving van de lidstaat waar zij hun hoofdarbeidsverband hebben in plaats van aan de lidstaat waar zij als overheidsvrijwilliger werken.
In januari jl. is mijn voorganger geïnformeerd dat enkele brandweervrijwilligers een uitzonderingsovereenkomst hadden die binnenkort zou aflopen. Zie hierboven bij de beantwoording van vraag 6 voor de reden waarom er in bepaalde gevallen nog voor maximaal 2 jaar een artikel 16-overeenkomst is gesloten om onder het Belgische stelsel te vallen. Eind juni j.l. informeerde de SVB mijn medewerkers dat sindsdien 10 nieuwe verzoeken voor uitzonderingsovereenkomsten zijn ingediend.
Bent u bereid de Tweede Kamer op zeer korte termijn te informeren over de omvang van deze problematiek, de voortgang van de gesprekken met België en de concrete maatregelen die worden getroffen?
Met de beantwoording van deze vragen heb ik u geïnformeerd over de gevallen die op dit moment bij de SVB bekend zijn van brandweervrijwilligers die ook een Belgische werkgever hebben en bezwaar hebben aangetekend tegen de beslissing dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is.
Daarnaast zal de SVB de aanvragen van brandweervrijwilligers voor het verlengen van reeds bestaande uitzonderingsovereenkomsten toekennen totdat de verkenning tussen Nederland en België is afgerond en zoek ik naar een tussenoplossing voor de groep waarvoor dit niet van toepassing is.
Na de zomer verwacht ik de gesprekken over een kaderovereenkomst met België verder voort te zetten. Ik zal de Kamer informeren als deze verkenning is afgerond.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een structurele aanpassing van de coördinatieregels, zodat een beperkte vrijwilligersfunctie bij een publieke veiligheidsorganisatie niet langer automatisch leidt tot disproportionele gevolgen voor de sociale zekerheidspositie uit het hoofdberoep?
Bij de Europese Commissie en in andere lidstaten zal ik onder de aandacht brengen dat relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep leidt tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving. Ik zal nagaan of er voldoende steun is op Europees niveau voor een aanpassing van de coördinatieregels, en indien dat het geval is, zal ik mij hiervoor inzetten.
Kunt u toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger uiteindelijk persoonlijk de financiële rekening hoeft te betalen voor een systeemprobleem dat voortvloeit uit Europese regelgeving en de uitvoering daarvan? Zo ja: hoe gaat u de individuele brandweervrijwilligers ondersteunen die op dit moment problemen ondervinden? Zo nee: waarom niet en wat kunt u wel toezeggen?
Zoals toegelicht bij vraag 4 coördineert Verordening 883/2004 de socialezekerheidsstelsels. De verordening harmoniseert de stelsels niet en er kunnen daardoor financiële voor- of nadelen voor betrokkenen bestaan wanneer zij grensoverschrijdend werken. Onderdeel van deze coördinatieregels is het beginsel dat iemand onderworpen is aan de wetgeving van één enkele lidstaat. Wanneer iemand werkt voor twee werkgevers betekent dit dat één van beide werkgevers zich moet conformeren aan de wetgeving van een andere lidstaat. Wel kan de vraag worden gesteld of relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep al zou moeten leiden tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.
Omdat deze regels op dit moment specifiek lijken te knellen met betrekking tot de vrijwillige brandweer en aan de Belgisch-Nederlandse grens verken ik nu eerst een kaderovereenkomst met onze Belgische collega’s. Ook zeg ik toe op zoek te gaan naar een passende oplossing voor brandweervrijwilligers die nu geen uitzonderingsovereenkomst hebben.
Kunt u daarnaast toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger persoonlijk financieel nadeel zal ondervinden zolang Nederland en België nog werken aan een structurele oplossing? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 18.
Bent u bekend met het artikel en wat is uw reactie hierop?1
Ja. Het rijden met een ongeldig rijbewijs is onacceptabel. Wie ondanks een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel toch blijft rijden, brengt de verkeersveiligheid in gevaar, houdt zicht niet aan een opgelegde straf en pleegt een strafbaar feit waar een gevangenisstraf voor opgelegd kan worden. Het is goed om te zien dat de politie hier intensief op handhaaft. De politie hanteert een risicogestuurde aanpak die succesvol blijkt. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd worden. Hierdoor wordt de pakkans vergroot.
Erkent u dat een straf die door duizenden bestuurders eenvoudig wordt genegeerd, blijkbaar aantoont dat het gezag in Nederland tot onder het nulpunt is gedaald en dat het tijd is om over te stappen op een zerotolerancebeleid als het gaat om recidivisten ten aanzien van de verkeersveiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Ik ben het ermee eens dat bestuurders die met een ongeldig verklaard rijbewijs of met een rijbewijsmaatregel door blijven rijden, stevig aangepakt moeten worden. Daarom neem ik met het Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed ook aanvullende maatregelen voor deze doelgroep.2 Het wetsvoorstel regelt onder meer dat ten aanzien van mensen die een opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid schenden, vervangende hechtenis kan worden toegepast. Zo kan er snel worden ingegrepen als iemand toch achter het stuur wordt aangetroffen, zonder dat er eerst een vervolging voor het rijden met een ontzegging van de rijbevoegdheid plaats moet vinden.
Ook regelt het wetsvoorstel dat de ontzegging van de rijbevoegdheid dadelijk uitvoerbaar verklaard kan worden. Hiermee kan een opgelegde rijontzegging direct ten uitvoer worden gelegd en geldt deze bijvoorbeeld dus ook al lopende een eventueel hoger beroep.
Daarnaast geeft het wetsvoorstel de strafrechter de bevoegdheid om bij een ontzegging van de rijbevoegdheid het rijbewijs ook ongeldig te verklaren voor alle categorieën waarvoor het is afgegeven voor de resterende duur van de geldigheid. Dat betekent dat het rijbewijs definitief ongeldig wordt en dat iemand pas na afloop van de duur van de rijontzegging een nieuw rijbewijs kan aanvragen. Om een nieuw rijbewijs te kunnen krijgen moet iemand opnieuw zijn rijvaardigheid en rijgeschiktheid aantonen. Ik meen dat er hiermee een stevig pakket ligt om notoire verkeersovertreders die achter het stuur blijven stappen af te schrikken en aan te pakken.
Het wetsvoorstel is aangemeld voor plenaire behandeling. Graag ga ik in het kader van die behandeling verder met uw Kamer in gesprek over deze aanvullende maatregelen.
Kunt u inschatten hoeveel personen hun rijontzegging jaarlijks negeren en in de auto stappen, gezien de politie jaarlijks 10.000 gevallen per jaar betrapt en het daarom in de lijn der verwachting ligt dat het echte cijfer vele manen hoger ligt?
Er is geen zicht op het aantal mensen dat rijdt met een rijontzegging maar hiervoor niet wordt gepakt. Ik beschik wel de instroomcijfers van zaken bij het OM voor artikel 9 WVW1994, rijden tijdens een ontzegging van de rijbevoegdheid.
Jaar
Instroom bij het OM van artikel 9 WVW 1994 zaken
2021
8.177
2022
9.941
2023
10.404
2024
8.182
2025
8.869
Hoeveel van de betreffende bestuurders zijn in de afgelopen vijf jaar twee, drie of meer keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid? Wat is het hoogste aantal overtredingen dat in deze periode bij één persoon is geconstateerd?
In de afgelopen vijf jaar zijn over deze periode opgeteld 5177 personen twee keer betrapt op rijden zonder geldige rijbevoegdheid, 2107 personen drie keer, 1124 personen vier keer en 1320 personen vijf keer en meer. De bestuurder die het vaakst is betrapt op het rijden zonder geldige rijbevoegdheid is 36 keer gepakt.
Hoe vaak is een persoon, waarvan het rijbewijs al afgepakt was, betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak had zo’n verkeersongeval een dodelijk slachtoffer?
Het is niet bekend in hoeveel gevallen een bestuurder waarvan het rijbewijs ongeldig was, betrokken is geraakt bij een verkeersongeval en hoe vaak daarbij sprake was van een dodelijk slachtoffer, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd. Wel kan uit de cijfers gehaald worden hoeveel unieke personen voor een artikel 9 WVW 1994 (rijden zonder geldig rijbewijs) delict in combinatie met een artikel 6 WVW 1994 (veroorzaken ongeval) delict zijn vervolgd. Het gaat in totaal om 239 personen. Daarbij moet worden opgemerkt dat bij een ongeval meerdere bestuurders betrokken kunnen zijn en schuld kunnen hebben en ook kunnen de delicten los van elkaar gepleegd zijn.
Deelt u de mening dat het niet langer uit te leggen is dat de verkeersveiligheid herhaaldelijk in het geding komt door mensen die een opgelegde sanctie negeren en dat feitelijk moet worden overgegaan naar onmiddellijk hechtenis als sprake is van een rijverbod? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Met het oog op de verkeersveiligheid acht ik het inderdaad van belang dat personen die (herhaaldelijk) een rijontzegging negeren, zo snel mogelijk van de weg gehaald kunnen worden. Daarom wordt met het in het antwoord op vraag 2 al genoemde Wetsvoorstel verbetering aanpak rijden onder invloed voorgesteld dat ten aanzien van deze bestuurders vervangende hechtenis kan worden toegepast.
Acht u de maatregelen uit het wetsvoorstel Verbetering aanpak rijden onder invloed afdoende, of zijn aanvullende maatregelen noodzakelijk om veelplegers die ondanks een rijontzegging of ongeldig verklaard rijbewijs blijven rijden effectief uit het verkeer te weren? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u zelf?
Met het wetsvoorstel worden belangrijke stappen gezet om deze groep bestuurders effectiever aan te pakken. In dit verband noem ik nogmaals in het bijzonder de vervangende hechtenis. Niet alleen maakt dit snel optreden mogelijk, de verwachting is ook dat van de vervangende hechtenis een grotere afschrikwekkende werking uitgaat dan van het huidige beleid waarbij er eerst een aparte vervolging voor het schenden van de rijontzegging dient plaats te vinden. Daarnaast is de aanpak van de politie met behulp van ANPR-camera’s, zoals in het antwoord op vraag 1 benoemd, erg effectief. Momenteel wordt ook nog gewerkt aan de ontwikkeling van een bredere veelplegersaanpak, die ziet op alle verkeersovertredingen en niet specifiek het schenden van een rijontzegging. Uw Kamer wordt hier in het najaar nader over geïnformeerd.
Bent u bereid wettelijk te regelen dat bij herhaald rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt, het voertuig in beginsel altijd in beslag wordt genomen en, waar mogelijk, verbeurd wordt verklaard? Zo nee, waarom niet?
Ik begrijp en deel de wens om hard op te treden tegen veelplegers die blijven rijden terwijl hun rijbewijs is ingevorderd, ongeldig verklaard of terwijl een rijontzegging geldt. De inbeslagname van een voertuig is al mogelijk en is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de ernst van de gedraging. De bevoegdheid om te beslissen over de inbeslagname ligt bij het openbaar ministerie en de rechter. Verbeurdverklaring kan door de rechter worden opgelegd als bijkomende straf wanneer het voertuig is gebruikt om het strafbare feit te plegen. Met het oog op het belang van de rechtelijke straftoemetingsvrijheid, acht ik het echter van belang dat niet wettelijk wordt voorgeschreven dat de inbeslagname en verbeurdverklaring altijd moet plaatsvinden in geval van recidive. Het is van belang dat de rechter de omstandigheden van het geval en de proportionaliteit van een dergelijke straf kan afwegen. Bovendien kan het zo zijn dat het voertuig niet in bezit zijn van de overtreder. Tot slot zal een dergelijke regeling hardnekkige overtreders helaas niet tegenhouden om in een ander voertuig te blijven rijden. Vervangende hechtenis, zoals voorgesteld met voornoemd wetsvoorstel, is in die gevallen naar verwachting effectiever.
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Het is niet bekend om hoeveel gevallen het gaat. Er is geen centrale registratie. De Inspectie van het Onderwijs geeft aan dat meerdere mbo-instellingen – zowel bekostigd als niet-bekostigd – stagefraude hebben geconstateerd, maatregelen hebben genomen, en checks-and-balances in het stagebeleid hebben versterkt. De betreffende instellingen hebben hierover intensief contact met elkaar en wisselen ervaringen mbo-breed uit, wat bijdraagt aan de verspreiding van goede praktijken en fraudebewustzijn op het gebied van stages. Ook de MBO Raad en de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding (NRTO) zijn actief betrokken. De Inspectie van het Onderwijs heeft onderzoek gedaan hoe diplomafraude tot stand kan komen via stages en examinering2.
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Ja, wij delen deze zorg. Het is onacceptabel dat personen via welke vorm van fraude dan ook (stage-, evc- of diplomafraude) aan de slag gaan met kwetsbare patiënten. Het kunnen individuele personen zijn die dit doen, maar het kunnen ook geraffineerde criminele netwerken zijn die moeilijk aan te pakken zijn. Wij maken ons hier veel zorgen om.
In de Kamerbrief van 8 juni jl. over fraudebestrijding in de zorg staan de stappen die vanuit het Ministerie van VWS worden genomen3. Met de middelen uit het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wil het kabinet, samen met alle betrokken partners, de aanpak van zorgfraude substantieel versterken.
Zorgfraude kun je niet met één maatregel of door één partij laten oplossen. Daarom komt het kabinet samen met alle betrokken partijen met een samenhangend pakket aan maatregelen om zorgfraude harder aan te pakken. Het gaat dan om: strengere toetsing aan de poort om te voorkomen dat malafide zorgaanbieders in de zorg actief worden, versterking van de bestuurs- en strafrechtelijke operatie door substantiële capaciteitsuitbreiding, het verder verbeteren van de gegevensuitwisseling tussen ketenpartners, meer daadkracht in de uitvoering, door maximaal gebruik te maken van bestaande bevoegdheden en maatschappelijke verantwoording van de resultaten van de aanpak.
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
In het rapport «Er is meer aan de hand» van de Inspectie Gezondheidzorg & Jeugd en van de Inspectie van het Onderwijs staat dat de zorg en het onderwijs zijn gebaseerd op een stelsel van toegankelijkheid waardoor het voor mensen met minder goede bedoelingen, waaronder criminelen, helaas eenvoudig was om binnen te komen. Stage- en diplomafraude in de zorg zijn daar onderdeel van. Inspecties, onderwijsinstellingen en de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) hebben sinds het rapport geïnvesteerd in het versterken van het fraudebewustzijn bij zowel mbo-instellingen als leerbedrijven. Verschillende vormen van stagefraude worden daarbij onder de aandacht gebracht. De inspectierapporten hebben geleid tot meer kennis over de kwetsbaarheden bij stages. De samenwerking tussen verschillende betrokken instanties is erop gericht om fraude actief te voorkomen en informatie over de werkwijze van fraudeurs te melden en te blijven delen.
SBB heeft de bevoegdheid om leerbedrijven te erkennen en die erkenning zo nodig in te trekken. De beoordelingscriteria hiervoor zijn opgenomen in de erkenningsregeling. Per 1 augustus 2026 is de erkenningsregeling aangepast, zodat constateringen van fraude en criminele activiteiten, gedaan door relevante toezichthoudende instanties, worden meegewogen bij de (her)beoordeling van leerbedrijven. Dit maakt mogelijk dat de SBB sneller kan ingrijpen dan eerder het geval was, omdat zij nu de erkenning kan intrekken als bijvoorbeeld de Inspectie Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) een signaal afgeeft. Elk afzonderlijk besluit daartoe dient de SBB te motiveren op basis van een zorgvuldige en proportionele weging van feiten.
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Er zijn geen cijfers bekend over de omvang van fraude met EVC-certificaten. EVC-certificaten worden opgesteld door private partijen. Ook de erkenning van EVC-aanbieders en het toezicht is privaat georganiseerd. Registratie van EVC-certificaten is niet verplicht. Er is daarom geen zicht op de hoeveelheid uitgegeven EVC-certificaten en ook geen zicht op de omvang van valse EVC-certificaten die in omloop zijn. Dit neemt niet weg dat de signalen die het kabinet heeft ontvangen over de ernst van fraude met EVC-certificaten, alarmerend zijn. Dit is ook de reden dat het kabinet op 13 februari 2026 de oproep heeft gedaan aan alle stakeholders om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten, omdat de betrouwbaarheid hiervan onvoldoende kan worden gewaarborgd4.
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Nee, met de oproep van 13 februari heeft het kabinet een dringende oproep gedaan om geen gebruik meer te maken van EVC. Deze bieden geen garantie omdat de betrouwbaarheid van deze certificaten niet kan worden gewaarborgd. Juist door de grote kwetsbaarheid voor fraude. Het onderzoeken van mogelijkheden voor onafhankelijk toezicht wekt onterecht de suggestie dat de betrouwbaarheid van EVC-certificaten met toezicht kan worden opgelost.
Het flexibel en versneld opleiden van voldoende professionals voor de sector zorg en welzijn, in aanvulling op de diplomaroutes, blijft van groot belang.
Het kabinet vindt het daarom lovenswaardig om te zien hoe veldpartijen, zoals Jeugdzorg Nederland, Actiz, Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland en de Nederlandse GGZ zich hebben verbonden om de fraude aan te pakken en alternatieven te bedenken voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. Hierbij vindt het kabinet het van belang dat alternatieven geen ruimte laten voor fraude. Het kabinet blijft hierover in nauw contact met het veld en zal meedenken met alternatieven.
Ook ontwikkelt het Ministerie van OCW een handreiking, waarin staat op welke manieren examencommissies fraudebestendig maatwerk kunnen bieden aan zij-instromers met relevante leer- en werkervaring. Onderwijsinstellingen zijn hier actief bij betrokken. De handreiking wordt eind 2026 verspreid onder examencommissies in het mbo.
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
In de, in antwoord 5, genoemde brief van het kabinet aan werkgevers zijn werkgevers opgeroepen om hun verantwoordelijkheid te nemen hierin. Werkgevers zijn gewezen op hun verantwoordelijkheid om zich ervan te vergewissen dat iemand over de vereiste kennis en kunde beschikt. Hiervoor zijn verschillende mogelijkheden benoemd in de brief. Werkgevers kunnen bijvoorbeeld eenvoudig de echtheid van een digitaal uittreksel van formele mbo-, hbo- of universitaire diploma’s controleren op de website van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO)5. Ook kunnen werkgevers een identiteitsbewijs op echtheidskenmerken en geldigheid controleren. Daarnaast kunnen werkgevers controleren of – in geval daarom wordt gevraagd – het om een origineel digitaal of papieren exemplaar van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) gaat. Dit geldt echter niet voor EVC-certificaten. Het gebruik van EVC-certificaten biedt geen enkele garantie nu de betrouwbaarheid hiervan niet kan worden gewaarborgd. Daarom wordt door werkgevers gekeken naar alternatieven voor het erkennen van werkervaring, vaardigheden of competenties. We blijven over de toereikendheid van verificatiemogelijkheden in gesprek met werkgevers en onderwijsinstellingen.
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het kabinet treft verschillende maatregelen om fraude in de zorg tegen te gaan. In de, in antwoord 5, genoemde brief heeft het kabinet een oproep gedaan om geen gebruik meer te maken van EVC-certificaten omdat de betrouwbaarheid hiervan niet kan worden geborgd.
Verder heeft de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de Kamer op 29 juni jl. geïnformeerd over de vervolgstappen bij de aanpak van diplomafraude in het mbo. Onderwijsinstellingen ontvangen eind 2026 een handreiking hoe examencommissies fraudebestendige besluiten kunnen nemen bij het verlenen van vrijstellingen voor de beroepsgerichte examens en hoe zij maatwerk kunnen bieden aan zij-instromers met relevante leer- en werkervaring. Daarnaast wordt het toezicht op vrijstellingen verstevigd. In dezelfde brief zijn ook de uitbreiding van bevoegdheden van de SBB en intensivering van de samenwerking tussen onderwijsinstellingen en SBB genoemd. In de eerste helft van 2027 zal de Kamer door de Minister van OCW worden geïnformeerd over de effecten van deze vervolgstappen. Tevens is de Kamer in aanloop naar het commissiedebat over Goed bestuur en toezicht in de zorg op 24 september 2026 door de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport mede namens de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) geïnformeerd over aanvullende maatregelen tegen ondermijning in de zorg en over actuele ontwikkelingen in de aanpak van zorgfraude6.
De veroordeling van Mert P. en de aanhoudende veiligheidsproblemen rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving over de veroordeling van Mert P., die tijdens verlof in januari 2025 een 76-jarige vrouw in Den Dolder om het leven bracht?1
Ja.
Hoe kijkt u, ruim anderhalf jaar na deze afschuwelijke moord, terug op de veiligheidssituatie rond de Fivoor-klinieken in Den Dolder? Deelt u de conclusie dat de maatregelen die na de moord op Anne Faber in 2017 zijn genomen onvoldoende zijn gebleken om de veiligheid van omwonenden te waarborgen? Zo nee, waarom niet?
De moord van 2 januari 2025 is afschuwelijk en heeft een enorme impact gehad. Het heeft geleid tot groot verdriet bij de nabestaanden en tot gevoelens van onveiligheid onder omwonenden. De veiligheid rondom forensische zorginstellingen heeft continu onze aandacht. Dit is in het belang van omwonenden en medewerkers, maar ook van de cliënten zelf.
Op 12 februari 2025 heeft mijn ambtsvoorganger in de beantwoording van Kamervragen van de leden Thiadens en Van Dijk (beiden PVV) antwoord gegeven op de vraag welke maatregelen er zijn genomen na de moord op Anne Faber in 2017.2 Dit betreft onder andere om wijziging in de aanpak van verdachten van een ernstig misdrijf die niet meewerken aan een gedragsdeskundig onderzoek (weigerende observandi), het wegnemen van belemmeringen bij informatie-uitwisseling en een beter zicht op risico’s; bij uitplaatsing naar een instelling voor forensische zorg is naast een professioneel oordeel, een gestructureerde risicotaxatie en een delictsanalyse verplicht gesteld.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) heeft onderzocht of de zorg aan de dader van de steekpartij op niveau was. In haar rapport concludeerde de IGJ dat de zorg op onderdelen beter en meer volgens protocol had gekund.3 Tegelijkertijd concludeert de IGJ dat wanneer was voldaan aan alle protocollen het dodelijke steekincident niet voorkomen had kunnen worden. Voor de volledige reactie op het rapport verwijs ik u naar de Voortgangsbrief forensische zorg die ik op 26 maart jl. met uw Kamer heb gedeeld.4
Naar aanleiding van het steekincident in januari 2025 hebben de burgemeester van Zeist en de Commissaris van Koning van Utrecht een beroep gedaan op mijn ambtsvoorganger. Daarop volgend zijn er (aanvullende) maatregelen genomen om het veiligheidsgevoel van omwonenden te vergroten en maatschappelijke rust en verbinding te creëren.5 Het gaat onder andere om het aanstellen van een omgevingsmanager, de inzet van extra BOA’s en het plaatsen van camera’s op de looproute van het terrein van Fivoor naar het dorp Den Dolder. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) ondersteunt de gemeente Zeist hierbij financieel.
Ondanks de veiligheidsmaatregelen kunnen incidenten nooit volledig worden uitgesloten. Een ernstig incident geeft altijd aanleiding om kritisch te bezien of er aanvullende maatregelen nodig zijn. De veiligheid van omwonenden, burgers in het algemeen, medewerkers en cliënten staat daarbij voorop.
Wie heeft destijds besloten Mert P. onbegeleid verlof te verlenen? Welke functionarissen waren betrokken bij die beslissing? Zijn deze mensen inmiddels ontslagen? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het belang van resocialisatie en een veilige terugkeer in de samenleving, maakt verlof een onlosmakelijk deel uit van de behandeling van deze cliënten. In de kliniek van Fivoor – waar de dader van het dodelijke steekincident destijds verbleef – worden cliënten behandeld met een licht verstandelijke beperking (LVB) in combinatie met psychiatrische stoornissen en/of gedragsproblemen.
Als onderdeel van de behandeling en wanneer dat als verantwoord wordt ingeschat, kunnen de cliënten in deze kliniek op begeleid of onbegeleid verlof gaan. Het verlof wordt stapsgewijs opgebouwd. Op basis van het dossier en de observaties tijdens de behandeling wordt multidisciplinair gekeken naar de risico’s van de cliënt in de betreffende verloffase. betrokken cliënt ontving op dat moment geen zorg in het kader van een strafrechtelijke maatregel of voorwaarde.
Kunt u toezeggen dat nooit meer gevaarlijke gekken zoals deze moordenaar met verlof, laat staan onbegeleid verlof, op de maatschappij worden losgelaten?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe beoordeelt u de aanhoudende signalen van bewoners en de gemeenteraad van Zeist dat de veiligheid rond de klinieken nog steeds onvoldoende is gewaarborgd en dat het vertrouwen in de situatie volledig is verdwenen? Welke lessen trekt u daaruit?
Bij de beantwoording van vraag 2 ben ik ingegaan op de veiligheidsmaatregelen die eerder zijn getroffen. Dat neemt niet weg dat ik de zorgen van de inwoners van Den Dolder over de lokale veiligheid serieus neem.
Acht u het acceptabel dat inwoners van Den Dolder na alles wat er is gebeurd opnieuw moeten vrezen voor jarenlang uitstel, gezien de Fivoor-klinieken uiterlijk 1 januari 2027 uit Den Dolder zouden vertrekken, maar dat de bestuurder van Fivoor heeft aangegeven dat deze planning waarschijnlijk niet haalbaar is en dat een verhuizing mogelijk nog jaren op zich laat wachten?
Fivoor is een particuliere aanbieder van forensische en reguliere zorg aan cliënten met complexe psychiatrische ziektebeelden. De kliniek is zelf verantwoordelijk voor het vinden van een nieuwe locatie.Dat neemt niet weg dat ik op verzoek van de burgemeester van Zeist en de commissaris van de Koning van Utrecht de zoektocht naar een nieuwe locatie voor Fivoor ondersteun, omdat ik de zorgen van de inwoners begrijp. In de beantwoording van de Kamervragen van het lid Ellian (VVD) van 25 maart 2026 heb ik antwoord gegeven op de vraag welke rol JenV speelt in deze zoektocht.6 JenV heeft als voorzitter een bijdrage geleverd aan de Regionale Regietafel. Aan deze tafel zitten burgemeesters uit de regio en de commissaris van de Koning van de provincie Utrecht vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid om voldoende reguliere én forensische zorg beschikbaar te houden in de regio. Daarnaast is JenV betrokken bij de Stuurgroep Reallocatie Fivoor die concrete locaties voor herhuisvesting onderzoekt.
Fivoor heeft het streven geuit om 1 januari 2027 te willen verhuizen maar heeft daarbij aangegeven dat de verhuisdatum afhankelijk is van het vinden van een alternatieve locatie in de regio. Vanaf het moment dat er een geschikte locatie voor de herhuisvesting is gevonden, duurt het doorgaans een aantal jaren om daadwerkelijk te kunnen verhuizen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat de klinieken uiterlijk op 1 januari 2027 zoals afgesproken, en nog liever morgen, uit Den Dolder zijn verdwenen? Kunt u de inwoners van Den Dolder op zijn minst de harde garantie geven dat deze datum niet opnieuw zal opschuiven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat inwoners van Den Dolder na jaren van incidenten, waarschuwingen en uitgestelde verhuizingen recht hebben op duidelijkheid en dat de veiligheid van omwonenden niet opnieuw ondergeschikt mag worden gemaakt aan bestuurlijke en praktische problemen rond de herhuisvesting van Fivoor? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de voortgang van de verhuizing, de concrete planning, de eventuele knelpunten en de maatregelen die u neemt om te voorkomen dat de vertrekdatum opnieuw opschuift?
Ik heb uw Kamer in de meest recente Voortgangsbrief forensische zorg geïnformeerd over de stand van zaken.7 In deze brief staat dat er drie locaties in beeld zijn voor de herhuisvesting van Fivoor. Met het oog op lokaal draagvlak voor de nieuwe locatie, verloopt de herhuisvesting volgens een zorgvuldig proces dat op dit moment wordt uitgewerkt. Het doorkruisen van dit proces roept risico’s op voor de herhuisvesting. De betreffende locaties worden daarom op dit moment niet gedeeld. Ik houd uw Kamer op de hoogte van relevante ontwikkelingen.
Hamas-terreurinfrastructuur en aanslagplannen in Europa |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Investigation: Hamas planned massive October 7th attacks across Europe» en het onderliggende onderzoek van de Neue Zürcher Zeitung «Die Hamas nimmt den Westen ins Visier – und plante wohl einen zweiten 7. Oktober in Europa»?1 2
Ja.
Kunt u bevestigen of ontkennen dat, zoals gesteld door de Duitse Generalbundesanwalt Jens Rommel, Hamas sinds 2019 een Europa-breed netwerk heeft opgebouwd van verborgen wapenopslagplaatsen, smokkelroutes en slapende terreurcellen, met als doel een aanslagengolf rond 7 oktober 2025, de tweede jaardag van het bloedbad van 7 oktober 2023? Beschikken de Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten over eigenstandige informatie hierover, en is de Kamer hierover ooit geïnformeerd?
In het openbaar kunnen geen uitspraken worden gedaan over de inlichtingenpositie van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. In het jaarverslag van 2025 heeft de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) aangegeven dat het onderzoek doet naar de mogelijke dreiging vanuit de terroristische organisatie Hamas tegen de nationale veiligheid.3 De AIVD heeft twee handelingsvormen onderkend van Hamas in Europa. Ten eerste is in Europa al jaren een «politiek» netwerk actief dat financiële steun voor Hamas verwerft en zich in Europa bezighoudt met activisme, lobby- en andere beïnvloedingswerkzaamheden. De tweede handelingsvorm is aan het licht gekomen via een aantal aanhoudingen in Europa: aan Hamas te relateren personen waren – op aansturing van Hamas-leden in Libanon – betrokken bij het (ver)bergen en (ver)plaatsen van vuurwapens en munitie. De AIVD schrijft in het jaarverslag over 2025 dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.4 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. Deze strafrechtelijke onderzoeken lopen nog. Over eventuele aanhoudingen in het buitenland en de aldaar lopende strafrechtelijke onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat er in de afgelopen periode arrestaties zijn verricht in Duitsland, Oostenrijk, Denemarken, het Verenigd Koninkrijk, Griekenland en Cyprus, waarbij onder meer wapens (waaronder een AK-47, dertien pistolen en meer dan negenhonderd kogels), explosieven en een claimvideo voor een aanslag zijn aangetroffen, gericht tegen Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen, en dat Wenen daarbij als logistiek knooppunt fungeerde? Deelt u de conclusie van de Duitse autoriteiten dat dit een zelfstandige, operationele Hamas-infrastructuur op Europese bodem betreft, los van het conflict in Gaza en Israël?
Zie antwoord vraag 2.
Is bij u bekend of vergelijkbare voorbereidingshandelingen, trainingsroutes (bijvoorbeeld via Maleisië, zoals in het onderzoek beschreven) of financieringsstromen richting Hamas zich hebben voorgedaan met een raakvlak met Nederland, Nederlandse ingezetenen of in Nederland gevestigde organisaties? Kunt u dit, voor zover de veiligheid dit toelaat, toelichten?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat een deel van de aangehouden en veroordeelde personen de nationaliteit van een Europese lidstaat bezit of over een Schengen-verblijfsvergunning beschikt, waardoor zij zich ongehinderd binnen het Schengengebied konden verplaatsen? Deelt u de opvatting dat dit een fundamenteel veiligheidslek in het vrije verkeer binnen Schengen blootlegt, en dat dit gevolgen moet hebben voor het verblijfsrecht en de bewegingsvrijheid van personen met een vastgesteld Hamas-profiel?
Het kabinet kan niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures. Het al dan niet delen van informatie over deze zaken is aan de bevoegde autoriteiten van de in het artikel genoemde landen.
Nederland en de Europese Unie (EU) werken nauw samen om de dreiging van terrorisme en extremisme tegen te gaan. Een onderdeel van deze samenwerking is de intensieve informatie-uitwisseling tussen de verschillende veiligheidspartners. Alle betrokken veiligheidspartners blijven zowel nationaal als internationaal alert op mogelijke dreigingen en zetten zich onverminderd in om risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren, en daarmee ook belangen, zoals het vrije verkeer van personen, te waarborgen.
Wanneer er sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een (onherroepelijke) veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag kan worden tegengeworpen. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet de betrokkene Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat deze onthullingen aantonen dat de dreiging van Hamas nooit beperkt is geweest tot Israël, maar zich, zoals de onderzoeken stellen, ook richt op Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Europa, en dat eerdere geruststellingen daarover, ook vanuit Nederland en de EU, achterhaald zijn gebleken?
Zoals benoemd in het antwoord op vraag 2,3 en 4 geeft de AIVD in het jaarverslag van 2025 aan dat het erop lijkt dat Hamas bezig was met het opbouwen van gewelddadige capaciteiten in Europa.5 Enkelen van deze aangehouden personen worden, naast het lidmaatschap van Hamas, ook verdacht van het voorbereiden van aanslagen op Joodse en/of Israëlische doelen. De veiligheidsdiensten blijven de ontwikkelingen nauwgezet volgen en betrekken nieuwe informatie voortdurend bij hun dreigingsanalyses.
In het recent Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) van de NCTV is aangegeven dat het dreigingsniveau op niveau 4 van de 5 blijft staan.6 Dat betekent dat er een reële kans is dat er in Nederland een aanslag zal plaatsvinden. Bij het vaststellen van het dreigingsniveau wordt niet alleen gekeken naar de activiteiten van Hamas maar ook naar de brede jihadistische geweldsdreiging, de terroristische dreiging vanuit rechts-extremisten, anti-institutioneel extremisten en (online) radicaliseringsprocessen in Nederland. In het meest recente DTN is aangegeven dat een daadwerkelijke koerswijziging van (facties binnen) Hamas de dreiging tegen vooral Joodse en Israëlische doelwitten in Europa zal verhogen. Joodse en Israëlische instellingen blijven, waar nodig, onderwerp van specifieke aandacht en beveiligingsmaatregelen.7 Er is op dit moment geen aanleiding tot een afzonderlijke aanpassing van het dreigingsniveau.
Is naar aanleiding van deze onthullingen een aanpassing van het nationale dreigingsbeeld (dreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV)) overwogen of doorgevoerd, specifiek voor Joodse, Israëlische en bredere westerse instellingen in Nederland, zoals in het onderzoek wordt gesteld? Zo nee, waarom niet, gelet op het feit dat vergelijkbare cellen zijn aangetroffen in meerdere ons omringende landen?
Zie antwoord vraag 6.
Welke concrete maatregelen zijn op dit moment van kracht om synagogen, Joodse scholen, gemeenschapscentra, Israëlische diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen én bredere westerse instellingen en publieke voorzieningen in Nederland te beschermen tegen een vergelijkbaar scenario als in Griekenland, Oostenrijk en Duitsland is blootgelegd? Acht u deze maatregelen, in het licht van dit onderzoek, nog toereikend?
Vanwege veiligheidsoverwegingen doe ik in het openbaar nooit uitspraken over beveiligingsmaatregelen die worden getroffen. Wel kan ik uw Kamer verzekeren dat de benodigde maatregelen, zowel zichtbaar als onzichtbaar, worden getroffen waar dat nodig wordt geacht en op basis van actuele dreigingsinformatie. De betrokken veiligheidsdiensten en bevoegde gezagen beoordelen voortdurend of de getroffen maatregelen toereikend zijn en passen deze waar nodig aan.
Bent u bereid op korte termijn een aanvullende, specifieke dreigingsanalyse te laten uitvoeren door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de NCTV naar Hamas-gerelateerde netwerken, slapercellen en wapenopslag in Nederland, en de Kamer hierover te informeren
De AIVD onderzoekt, zoals in het jaarverslag van 2025 gemeld, de dreiging van Hamas tegen onze nationale veiligheid. Vanzelfsprekend kunnen in de openbaarheid geen uitspraken worden gedaan over al dan niet lopende onderzoeken van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Zoals bepaald in de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid is de NCTV niet bevoegd onderzoek te doen naar organisaties en/of personen.
Is bekend, of bent u bereid te laten onderzoeken, via welke immigratie- of asielroute de in het onderzoek genoemde en vergelijkbare Hamas-gelieerde personen in Nederland en Europa voet aan de grond hebben gekregen, bijvoorbeeld via asielprocedures, gezinshereniging, arbeids- of studievergunningen? Kunt u de Kamer hierover informeren?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kan het kabinet niet ingaan op de individuele omstandigheden omtrent strafrechtelijke onderzoeken of toelatings- en verblijfsprocedures.
Binnen de verschillende verblijfsprocedures bestaan maatregelen om eventuele risico’s voor de nationale veiligheid te mitigeren. Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid. Hier worden besluiten over toelating en verblijf per casus zorgvuldig afgewogen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen de nationale en Europese wettelijke kaders en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Het kabinet onderstreept tevens het belang van de inzet aan de Europese buitengrens, in samenwerking met het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), om mogelijke irreguliere grenspassages tegen te gaan en de integriteit van de Europese buitengrens te beschermen. Alle lidstaten zijn verplicht om iedere persoon die zich aan de buitengrens van de Europese Unie meldt, aan een grenscontrole te onderwerpen. Het recent in werking getreden EU-migratiepact is daarbij een belangrijke stap om meer grip te krijgen over wie er naar Europa komt. Met de nieuwe screeningverordening, die onderdeel is van het pact, moet de identiteit van onderdanen van niet-EU-landen die aan screening worden onderworpen snel worden vastgesteld, net als eventuele veiligheidsrisico's.
In een wereld waarin de ontwikkelingen op zowel het gebied van dreigingen voor de nationale veiligheid als migratie elkaar in hoog tempo opvolgen is het noodzakelijk om voortdurend te monitoren of de procedures en bevoegdheden van dit systeem nog aansluiten op actuele ontwikkelingen en waar nodig verbeteringen door te voeren. Onder de coördinatie van de NCTV is in 2023 een systeemcheck uitgevoerd over het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken binnen de migratie- en veiligheidsketen. Uw Kamer is over de bevindingen en maatregelen geïnformeerd door middel van de Kamerbrief Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen.8 Het kabinet verwijst daarnaast naar de aanbiedingsbrief bij het rapport Migration-related Terrorism: Trends, Challenges and Policy Implication waarin nader wordt ingegaan op de het onderkennen van signalen van radicalisering of mogelijke betrokkenheid bij terrorisme in de asiel- en nareisprocedure.9
Is bekend via welke route, met welke documenten en via welke buitengrens de betrokken personen het Schengengebied zijn binnengekomen, en welke controles daarbij gefaald hebben? Welke lessen trekt u hieruit voor de Nederlandse en Europese buitengrensbewaking?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid maatregelen te treffen om personen met een vastgesteld Hamas-profiel die zich in Nederland bevinden, het land en waar mogelijk het Schengengebied te laten verlaten, via intrekking van verblijfsrecht, uitzetting en een inreisverbod? Zo ja, op welke termijn?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5, kunnen een veroordeling voor een misdrijf of het vormen van een gevaar voor de nationale veiligheid gevolgen hebben voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Wanneer een dergelijke vreemdeling niet (meer) in het bezit is van een verblijfsrecht wordt in beginsel een terugkeerbesluit opgelegd en wordt – met inachtneming van internationale verplichtingen – ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer. Daarbij wordt in de regel ook een inreisverbod opgelegd.
Bent u bereid, samen met de Europese partners, te bevorderen dat nieuwe Hamas-gelieerde personen niet langer via asiel-, migratie- of andere routes toegang krijgen tot Nederland en het Schengengebied, bijvoorbeeld door verscherpte screening, gedeelde risicoprofielen en strengere buitengrenscontroles? Welke concrete stappen onderneemt u hierin?
Het kabinet zet zich onverminderd in om iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid, waaronder terrorisme en extremisme, tegen te gaan. Onze democratische rechtsorde en nationale veiligheid is een groot goed, en bescherming daarvan vergt constante inspanning, nauwe samenwerking en gerichte implementatie van maatregelen. Ondanks de strenge procedure en inspanningen van de ketenpartners kan nooit een absolute garantie worden gegeven dat er geen personen Nederland binnenkomen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, omdat personen zich mogelijk kunnen onttrekken aan het zicht van de autoriteiten en omdat eventuele risico’s die van een persoon uitgaan niet altijd op voorhand bekend zijn. Zoals toegelicht bij de vragen 5, 10 en 11 zijn de nodige samenwerking en maatregelen reeds aanwezig. Daarnaast wordt voortdurend gemonitord of de procedures en bevoegdheden binnen het systeem nog aansluiten bij de actuele ontwikkelingen. Waar nodig worden deze aangepast en verbeterd.
Bent u bereid de garantie te geven dat onder de huidige en toekomstige grote asielinstroom naar Nederland geen personen binnenkomen die gelieerd zijn aan Hamas of andere terroristische organisaties? Zo nee, kunt u toelichten waarom een dergelijke garantie niet te geven is, en welke aanvullende screening, achtergrondcontroles en informatie-uitwisseling met buitenlandse diensten u bereid bent in te voeren om dit risico zo dicht mogelijk bij nul te brengen? Indien blijkt dat dit – het risico drastisch reduceren – niet mogelijk is, bent u dan niet Russisch roulette met Nederlandse mensenlevens aan het spelen? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 13.
Bent u bereid een concreet plan van aanpak naar de Kamer te sturen waarin wordt uiteengezet hoe (a) de fysieke beveiliging van Joodse, Israëlische en andere westerse instellingen in Nederland wordt versterkt, (b) grensoverschrijdende smokkel van wapens en explosieven richting Nederland wordt tegengegaan, (c) de monitoring van Hamas-gelieerde netwerken, werving en financieringsstromen in Nederland wordt geïntensiveerd, en (d) personen met een vastgesteld Hamas-profiel sneller kunnen worden aangehouden, hun verblijfsrecht kunnen verliezen of de toegang tot Nederland kan worden ontzegd? Zo ja, binnen welke termijn kan de Kamer dit plan verwachten?
Het kabinet werkt reeds langs meerdere sporen aan de bestrijding van extremisme en terrorisme. Uw Kamer wordt over deze aanpak met verschillende producten geïnformeerd, zoals onder andere de Contraterrorismestrategie 2022–2026. Ten aanzien van de monitoring van dreigingen publiceert de NCTV halfjaarlijks het DTN en de AIVD jaarlijks het Jaarverslag. Ten aanzien van de beveiliging van instellingen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 8. Daarnaast verwijs ik naar de beantwoording onder vraag 5 en 12 waarin de consequenties voor verblijf en het weigeren van toegang uiteen zijn gezet.
Bent u bereid te onderzoeken of het Nederlanderschap van personen met een vastgesteld Hamas-profiel kan worden ingetrokken op grond van bestaande terrorismewetgeving, en zo nodig met aanvullende wetgeving te komen om dit te vergemakkelijken?
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap reeds in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan op grond van artikel 14, tweede lid Rijkswet op het Nederlanderschap bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per casus wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. De intrekking van het Nederlanderschap gaat in de meeste gevallen gepaard met het opleggen van een terugkeerbesluit en een inreisverbod door de IND. Hierna dient de persoon Nederland te verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op (al dan niet gedwongen) terugkeer.
Deelt u de opvatting dat werving en financiering voor Hamas in Nederland, via stichtingen, verenigingen of onlineplatforms, met voorrang strafrechtelijk moet worden onderzocht en aangepakt? Welke concrete stappen onderneemt u op dit vlak, en bent u bereid de Kamer hierover periodiek te informeren?
Nederland zal altijd optreden tegen organisaties die als doel hebben om geweld te plegen tegen onschuldige burgers. De Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) heeft als doel witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Het verplicht meldingsplichtige instellingen (financiële instellingen/banken, makelaars, notarissen, advocaten etc.) om cliëntenonderzoek te verrichten en ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit-Nederland. Terrorismefinanciering is strafbaar gesteld in artikel 421 van het Wetboek van Strafrecht. In geval er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit kan een opsporingsonderzoek worden gestart en kan het OM besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Daarnaast is een aantal personen en terroristische organisaties op de Nationale sanctielijst geplaatst. Ook zijn terroristische organisaties in EU-verband gesanctioneerd. Bij aanwijzingen van overtreding van de Sanctiewet kan het OM een strafrechtelijk onderzoek starten en besluiten om al dan niet over te gaan tot vervolging. Ook het lokaal bestuur (onder andere in het kader van de Wet Bibob) en de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen onderzoek doen. Binnen het Financieel Expertisecentrum (FEC)10, wordt in de TF-Taskforce samengewerkt tussen publieke en private organisaties en wordt in het Programma FEC TF tussen publieke organisaties informatie gedeeld, om zo inzicht te verkrijgen in de financiële netwerken.
Financiering via stichtingen met weinig transparantie over financiën en geen zelfregulering wordt in de 3e National Risk Assessment (NRA) Terrorismefinanciering benoemd als één van de risico’s. De onderzoekers constateren dat in Nederland hiertegen waarborgen bestaan. Zo zijn er stichtingen met de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Een stichting kan een ANBI-status krijgen als minimaal 90% van haar activiteiten het algemeen belang dient, indien er geen sprake is van een winstoogmerk en wanneer zij beschikt over een beperkt eigen vermogen. Een stichting met ANBI-status is verplicht om specifieke gegevens, waaronder een financiële verantwoording, openlijk op de eigen website te publiceren. Ook zijn er stichtingen met een Erkenning van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), een onafhankelijke stichting die toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een CBF-erkenning geldt als keurmerk voor goede doelen in Nederland die moeten voldoen aan enkele kwaliteitseisen en zich vrijwillig laten toetsen. Stichtingen die hier niet aan voldoen kunnen deze status kwijtraken. Indien een stichting geen ANBI-status of CBF-erkenning heeft en niet aan een vorm van zelfregulering doet, zouden Wwft-poortwachters bij zo’n stichting nader cliëntonderzoek kunnen verrichten om een goed beeld te verkrijgen van het daadwerkelijke risiconiveau ten aanzien van terrorismefinanciering.
Los van het beleid omtrent stichtingen zijn er verschillende sancties van kracht tegen Hamas en gelieerde organisaties die terrorisme financieren, zowel op nationaal als op Europees niveau. Om inzicht te krijgen in de internationale geldstromen rondom Hamas en financiering tegen te gaan is een specialistische taskforce opgericht bestaande uit Financial Intelligence Units uit verschillende landen, waaronder Nederland. Ook is er sinds januari 2024 een aanvullend Europees sanctieregime van kracht, gericht op het bestrijden van de sponsoren en financiers van Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad en daaraan geaffilieerde organisaties. Deze nieuwe regeling vormt een aanvulling op de beperkende maatregelen die eerder in het kader van de EU-sanctielijst terrorisme zijn aangenomen. Wanneer in Nederland stichtingen in verband kunnen worden gebracht met het financieren van Hamas, kunnen deze op de nationale sanctielijst terrorisme worden geplaatst. Zo staat de aan Hamas gelieerde Stichting Al Aqsa sinds 2003 op deze lijst.
Daarnaast bezie ik momenteel welke aanvullende instrumenten – eventueel via lopende en/of voorgenomen wetsvoorstellen – kunnen worden ingebouwd om ongewenste buitenlandse financiering te voorkomen.
Bent u bereid om, samen met de Duitse Generalbundesanwalt en andere betrokken Europese partners, te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van Hamas-infrastructuur in Europa, inclusief gedeelde inlichtingen, gezamenlijke opsporingsteams en een gedeelde lijst van geïdentificeerde slapercellen en risicopersonen? Zo ja, op welke termijn en langs welke kanalen (Europol, Eurojust, bilateraal) wilt u dit vormgeven?
Hamas is een terroristische organisatie waar hard tegen moet worden opgetreden, zowel nationaal als internationaal. Zo staat Hamas op de EU sanctielijst terrorisme. Daarnaast is binnen deze sanctielijst sinds 19 januari 2024 een specifiek kader voor beperkende maatregelen opgezet, zodat EU-personen of entiteiten die gewelddadige acties door Hamas en de Palestijnse Islamitische Jihad (PIJ) ondersteunen, faciliteren of mogelijk maken, ter verantwoording kunnen worden geroepen.
Internationale samenwerking en informatie-uitwisseling tussen betrokken ketenpartners is van belang. Op operationeel niveau vindt nauwe samenwerking plaats tussen veiligheidspartners.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ten behoeve van de kwaliteit van de beantwoording zijn de antwoorden op een aantal vragen geclusterd.
Het bericht dat er cruciale informatie over de jacht op Wolf Bram pas maanden later boven tafel kwam |
|
Tamara ten Hove (PVV) |
|
Silvio Erkens (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jacht op wolf Bram verliep in diepste geheim en cruciale info komt pas maanden later boven tafel?»1
Ja.
Wat doet u precies om faunabeheerders en specifiek zij die belast zijn met het oplossen van een maatschappelijk probleem zoals overlast gevende wolven te beschermen, nu uit nieuwe documenten blijkt dat jagers veel last hadden van pro-wolfactivisten?
Ik betreur het zeer als uitvoerders van een vergunning hinder ondervinden bij het uitvoeren van hun werkzaamheden. Iedereen moet veilig zijn werkzaamheden kunnen uitvoeren. Het beleid rond overlastgevende wolven ligt echter primair bij provincies en gemeenten. Zij dragen er zorg voor dat de uitvoering goed wordt geregeld en het is aan eenieder om zich correct te gedragen tegenover anderen.
Ik ga tijdens het Nationaal Wolvenberaad met provincies en burgemeesters in gesprek waarbij ik ook zal bespreken welke ondersteuning ik kan bieden bij het uitvoeren van het beleid rond probleemwolven.
Hoe bestaat het dat activisten een wildcamera kapotmaken en er een fysieke confrontatie plaatsvindt met een faunabeheerder en deze activisten niet worden vervolgd? Wat is ervoor nodig om dit alsnog voor elkaar te krijgen?
Zowel de eigenaar van een camera als een faunabeheerder kan in zo’n geval aangifte doen. Zo’n aangifte wordt dan in behandeling genomen door het Openbaar Ministerie (OM). Dit kan ook achteraf. Het OM is niet bekend met aangiftes over het kapotmaken van wildcamera’s of van fysieke confrontaties.
Kunt u aangeven hoe vaak faunabeheerders de afgelopen vijf jaar bedreigd zijn en of dit tot vervolging heeft geleid? Indien nee, waarom niet? Heeft u de mensen in beeld die dit doen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak faunabeheerders worden bedreigd, omdat daarvan geen aangifte is gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Kunt u een lijst met alle vernielingen en vermissingen van spullen, veroorzaakt door activisten om het werk van faunabeheerders te belemmeren, in de afgelopen vijf jaar met de Kamer delen? Indien nee, waarom niet?
Het OM beschikt niet over gegevens over hoe vaak eigendommen van faunabeheerders worden vernield of weggenomen indien daarvan geen aangifte wordt gedaan. Daarnaast worden beschikbare registraties niet uitgesplitst naar de hoedanigheid van betrokkenen, zoals faunabeheerders of activisten. Om die redenen zijn hierover geen specifieke cijfers beschikbaar.
Deelt u de mening dat wolf Bram vanwege het bijten van vier mensen en het doodbijten van twee honden een groot maatschappelijk probleem bleek en dat wat dat betreft de faunabeheerders vanuit de provincie als bevoegd gezag volledige ondersteuning verdienen? Zo ja, hoe kan het kabinet hier een bijdrage aan leveren?
Ja, er was sprake van een probleemwolf. In mijn amvb heb ik de definities van probleemwolven vastgelegd, zodat er duidelijkheid ontstaat over situaties zoals die zich in de provincie Utrecht hebben voorgedaan. Met de amvb lever ik een bijdrage aan het oplossen van dit maatschappelijk probleem.
Deelt u de mening dat de uitvoering van deze taak onder grote maatschappelijke druk is uitgevoerd, er grote zorgen waren over de verdere escalatie van het gedrag van deze wolf en mogelijke fatale gevolgen voor mensen? Bent u bereid om provincies hier meer in te ondersteunen en erop toe te zien dat de uitvoerende faunabeheerders vanuit alle overheidsdiensten volledige ondersteuning en medewerking krijgen?
Ja, die mening deel ik. Ik heb dan ook waardering voor zowel de zorgvuldigheid die de provincie heeft getoond bij het tot stand komen van de afschotvergunning als voor de uitvoering hiervan. Met de amvb beoog ik de provincies te ondersteunen in de uitvoering van hun beleid rond probleemwolven. Ik heb aan de provincies mijn ondersteuning toegezegd daar waar zij in de praktijk wellicht tegen juridische procedures als gevolg van de amvb aanlopen. Verder, wanneer mensen zich bijvoorbeeld niet aan toegangsregels van gebieden houden, kunnen uitvoerders die hier hinder van ondervinden dit melden bij een terreinbeherende organisatie die vervolgens kan optreden. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan het debat over de Wolf in Nederland van 1 september 2026 beantwoorden?
Ja.
De afhandeling van geweld en belediging van politieagenten |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met signalen van politieagenten dat zaken betreffende geweld tegen politieagenten en belediging van politieagenten in de praktijk regelmatig worden geseponeerd of slechts beperkt strafrechtelijk worden afgedaan?
Nee, deze signalen ken ik in zijn algemeenheid niet. Het Openbaar Ministerie (OM) neemt deze zaken juist zeer ernstig op. Deze worden met prioriteit behandeld en het sepotpercentage is in deze zaken lager dan gemiddeld. In 2025 werd volgens het jaarbericht van het OM 31 procent van de totale uitstroom onvoorwaardelijk geseponeerd1, terwijl in Veilig Publieke Taak-zaken in 2025 slechts 14 procent onvoorwaardelijk werd geseponeerd2 en in Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA)-zaken slechts 17,8 procent. Laatstgenoemde percentage blijkt uit de tabel in het antwoord op vraag 2. Een onvoorwaardelijke sepot betekent dat het OM onvoorwaardelijk afziet van vervolging. Bij een voorwaardelijk sepot zijn er voorwaarden verbonden aan het sepot, bijvoorbeeld verplichte begeleiding door Reclassering Nederland. Dit betekent niet dat er geen sepots voorkomen, bijvoorbeeld als het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt of als een andere afdoening prevaleert om een duurzame afdoening te verkrijgen.
Hoeveel aangiften en processen-verbaal wegens geweld en belediging tegen politieagenten zijn in de afgelopen vijf jaar door het Openbaar Ministerie (OM) afgedaan met een sepot of een voorwaardelijk sepot? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
Het OM spant zich samen met de politie in voor mensen met een veilige publieke taak (VPT). In verband hiermee worden ook de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak geactualiseerd. Dit zijn opsporings- en vervolgingsafspraken van de politie en het OM. Deze afspraken zien op de strafrechtelijke aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak. De huidige versie van de ELA geldt sinds 2010. In 2025 heb ik toegezegd de ELA te zullen herzien en om daarbij de bevindingen uit de praktijk en de verschillende evaluaties te betrekken3. Naar verwachting ontvangt uw Kamer in het derde kwartaal van 2026 de herziene versie van de ELA.
Om de vervolging van VPT-zaken voor de samenleving inzichtelijk te maken publiceert het OM ieder jaar in april een memo overzicht en duiding VPT. In onderstaande tabel staat het totaal aantal ter vervolging ingestroomde VPT-zaken over de jaren 2021 t/m 2025. Onder het totaal aantal ingestroomde VPT-zaken staan de aantallen die onder de door het OM met de maatschappelijke kwalificatie Geweld Tegen Politieambtenaren (GTPA) ter vervolging zijn ingestroomd en daaronder zijn de aantallen voorwaardelijke – en onvoorwaardelijk sepots opgenomen.
9.823
9.911
9.113
9.110
9.811
– Vw sepot
322
407
366
358
383
– Ov sepot
793
902
842
767
810
% GTPA geseponeerd
17,1%
18,9%
19,8%
18,5%
17,8%
Wat zijn de meest voorkomende sepotgronden in zaken waarin politieagenten slachtoffer zijn van geweld of belediging? Kunt u hiervan een overzicht geven?
De meest voorkomende sepotgrond bij een onvoorwaardelijke sepot is «onvoldoende bewijs». Bij een voorwaardelijke sepot is dat «ander dan strafrechtelijk ingrijpen prevaleert». In dat geval prevaleert bijvoorbeeld bestuursrechtelijk of tuchtrechtelijk ingrijpen.
Hoeveel zaken wegens geweld en/of belediging van politieagenten hebben in de afgelopen vijf jaar geleid tot een strafbeschikking, transactie of veroordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers per jaar uitsplitsen?
De cijfers die ik van het OM heb ontvangen, zijn niet uitgesplitst naar geweld en/of belediging. Over de afdoening van GTPA-zaken kan ik de onderstaande cijfers verstrekken. Hierin staat weergeven hoeveel zaken zijn afgedaan met een transactie/ OM-strafbeschikking en hoeveel zaken aan de rechter zijn voorgelegd. Het totaal aantal zaken dat is geseponeerd treft u in de tabel bij het antwoord op vraag 2.
1.143
1.403
1.273
1.304
1.669
4.132
4.045
3.897
3.922
3.650
Herkent u de signalen uit de politiepraktijk dat ernstige beledigingen van agenten, waaronder bedreigende en intimiderende uitlatingen tijdens de uitoefening van hun functie, met regelmaat worden geseponeerd? Zo ja, hoe beoordeelt u deze ontwikkeling? Zo nee, waarop baseert u dat?
Deze signalen herken ik in zijn algemeenheid niet. Zie hiervoor ook het antwoord op vraag 2. Daarbij hecht ik eraan het volgende op te merken. Intimiderende en bedreigende uitlatingen kunnen een grote impact hebben op agenten en zijn moreel verwerpelijk. Vanuit strafrechtelijk perspectief geldt echter dat intimiderende en bedreigende uitlatingen niet altijd een strafbaar feit opleveren. Waar het wel een (mogelijk) strafbaar feit oplevert, pakt het OM deze zaken met prioriteit op.
Van het OM heb ik, zoals hiervoor weergegeven, jaarcijfers ontvangen van het totaal aantal GTPA-zaken die ter vervolging zijn ingestroomd. Daarbij is tevens het aantal voorwaardelijke en onvoorwaardelijke sepots gegeven. Zie hiervoor ook de antwoorden op vraag 1, 3 en 4.
Deelt u de opvatting dat een consequente bestraffing van geweld en ernstige belediging van politieagenten essentieel is voor het gezag van de politie, de veiligheid van onze dienders en de norm dat agressie tegen hulpverleners onacceptabel is? Zo nee, waarom niet?
Geweld en agressie tegen mensen met een publieke taak is onacceptabel en dit geldt zeer zeker ook voor politiemedewerkers. Een krachtige strafrechtelijke aanpak van geweld en agressie tegen alle functionarissen met een publieke taak is essentieel.
De politie heeft als werkgever een belangrijke rol in de ondersteuning van politiemedewerkers die tijdens het uitvoeren van hun werk te maken krijgen met geweld en agressie. Zo is er binnen de politie een Integrale Aanpak Geweld Tegen Politieambtenaren. Deze aanpak is gericht op de bescherming van politiemedewerkers door opleiding, registratie en vroegsignalering. De leidinggevenden vervullen een ondersteunende rol in de zorg en aandacht voor de mentale weerbaarheid van hun medewerkers. Ook wordt er in debriefings aandacht besteed aan het delen van nare ervaringen tijdens de dienst. Indien dit het geval is worden de betreffende politiemedewerkers 3 á 4 weken later uitgenodigd voor een groepsgesprek samen met een psycholoog. Ook is het Team Collegiale Ondersteuning ingericht voor ondersteuning voor en door collega’s na ingrijpende en schokkende gebeurtenissen in het werk.
Verder benoemt het OM in het requisitoir de bijzondere positie van het slachtoffer en motiveert de strafeis met inachtneming van de toepasselijke aanwijzingen van het College, als ook een afwijking daarvan. In beginsel wordt door het OM in VPT-zaken een aanmerkelijk hogere sanctie opgelegd of straf geëist. Voor mij is op basis van de geleverde informatie niet aannemelijk dat geweld en agressie van politiemedewerkers niet consequent wordt vervolgd en bestraft.
Ik informeer u op korte termijn over de herziening van de ELA bij agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak tussen de politie en het OM. Met deze herziening wordt beoogd om de politie en het OM nog beter in staat te stellen om VPT-delicten met meer prioriteit en kwaliteit af te handelen.
Bent u bereid samen met het OM te onderzoeken of de huidige afdoeningspraktijk in zaken van geweld en belediging van politieagenten in overeenstemming is met het uitgangspunt dat agressie en geweld tegen publieke functionarissen een hoge opsporings- en vervolgingsprioriteit hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de overheid haar eigen politieagenten in de steek laat wanneer geweld en ernstige belediging van politieagenten niet consequent worden vervolgd en bestraft? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De strafrechtelijke aanpak van zogenoemde 764-netwerken en de mogelijke aansluiting bij het wetsvoorstel strafbaarstelling psychisch geweld |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de werkwijze van zogenoemde 764-netwerken, waarbij – veelal minderjarige – slachtoffers via langdurige online psychische manipulatie onder druk worden gezet om zichzelf ernstig te verwonden, seksueel beeldmateriaal te vervaardigen of zichzelf van het leven te beroven?
Ja.
Bent u bekend met signalen van het Openbaar Ministerie (OM) dat de huidige strafwet niet in alle gevallen voldoende aanknopingspunten biedt om tegen dergelijke gedragingen op te treden?
Het bestaande strafrechtelijk kader biedt verschillende mogelijkheden om gedragingen die verband houden met de 764-netwerken (behorende tot de zogenaamde «The Com», een verzamelnaam voor sadistische online netwerken) strafrechtelijk aan te pakken. Welke strafbepaling kan worden toegepast, is afhankelijk van de aard en omstandigheden van het concrete geval. Afhankelijk daarvan kan onder meer sprake zijn van bijvoorbeeld dwang, belaging of een seksueel misdrijf. Of een strafbepaling kan worden toegepast, hangt steeds af van de vraag of in het concrete geval aan de wettelijke bestanddelen van het betreffende delict is voldaan.
De 764-netwerken (en «The Com») vormen een nieuw fenomeen. Omdat de rechter zich in verschillende lopende Com-zaken nog moet uitspreken over de toepassing en reikwijdte van de relevante strafbepalingen, is het volgens het Openbaar Ministerie op dit moment te vroeg om conclusies te trekken over de toereikendheid van het bestaande strafrechtelijk kader. Ik wacht de voorliggende uitspraken af en blijf hierover in gesprek met het Openbaar Ministerie en de politie om dit nauwlettend te volgen.
Hoe beoordeelt u de huidige mogelijkheden om deze gedragingen te vervolgen op grond van bestaande strafbepalingen, zoals dwang, belaging, seksuele delicten, opruiing, uitlokking en hulp bij zelfdoding?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de kern van de problematiek bij 764-netwerken niet bestaat uit één enkele online uitlating, maar uit een patroon van stelselmatige psychische manipulatie dat kan leiden tot ernstige zelfbeschadiging of zelfdoding?
The Hague Centre for Strategic Studies heeft recent een rapport1 opgeleverd over de dreiging van Com-netwerken, waar 764-netwerken onderdeel van zijn. Het rapport en de kabinetsreactie op dit rapport zijn op 22 mei 2026 naar uw Kamer verzonden2.
Het rapport schetst een drievoudige dreiging van Com-netwerken: kans op aanslagen, jeugdbeschermingsrisico’s en de bredere zorgwekkende ontwikkeling van online normvervaging en geweldsverheerlijking. De groepen, met veelal (zeer) jonge leden, houden zich bezig met sextortion, het maken en verspreiden van kinderpornografisch materiaal, het mishandelen van dieren, moord, aanslagen, en het aanzetten tot automutilatie, geweldpleging of zelfdoding. Daarbij lopen dader- en slachtofferrollen geregeld door elkaar heen en is detectie vaak lastig.
Het rapport beschrijft ook de systematische praktijk van (digitaal) seksueel misbruik, en dwang of aanmoediging tot automutilatie of zelfdoding. Deze praktijken zijn gebaseerd op een afhankelijkheidsdynamiek tussen daderfiguren en slachtofferfiguren. Daders profileren zich als een vriend van het slachtoffer maar zijn intussen uit op «het bezit» van zoveel mogelijk slachtoffers (meestal meisjes). Het gaat dus inderdaad niet om één enkele online uitlating, maar om stelselmatige psychologische beïnvloeding.
Heeft u onderzocht of sprake is van een strafbaarheidslacune bij gevallen waarin langdurige online psychische manipulatie niet of slechts beperkt onder de huidige strafbepalingen kan worden vervolgd? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 2 en 3, is het momenteel nog te vroeg om conclusies te trekken over de toereikendheid van het bestaande strafrechtelijk kader.
Is bij het OM en de politie bekend hoe vaak zaken waarin sprake is van stelselmatige online manipulatie richting ernstige zelfbeschadiging of zelfdoding niet of slechts gedeeltelijk kunnen worden vervolgd vanwege de beperkingen van de huidige strafwet? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Nee, dit is niet bekend. Het Openbaar Ministerie en de politie hebben aangegeven geen afzonderlijke registratie hiervan bij te houden. Daarnaast moet de rechter zich in verschillende lopende Com-zaken nog uitspreken over de toepassing en reikwijdte van de relevante strafbepalingen. Het is daarom op dit moment niet mogelijk om een volledig beeld te geven van de mate waarin de huidige strafwetgeving beperkingen oplevert voor de vervolging van dergelijke zaken. Samen met de betrokken partners blijf ik de ontwikkelingen in de praktijk en de toepassing van de huidige strafwetgeving nauwgezet volgen.
Heeft u over deze problematiek overleg gevoerd met het OM en de politie? Zo ja, hoe beoordelen zij de huidige strafrechtelijke mogelijkheden om tegen dergelijke netwerken op te treden?
Zie het antwoord op vraag 2 en 3.
Bent u bekend met de zelfstandige strafbaarstellingen in onder meer het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk ten aanzien van het aanzetten tot of manipuleren richting ernstige zelfbeschadiging of zelfdoding? Welke lessen kunnen volgens u uit deze buitenlandse wetgeving worden getrokken?
In het Verenigd Koninkrijk is in 2023 de Online Safety Act ingevoerd3. Het publiceren van berichten die een ander aanmoedigen tot ernstige zelfbeschadiging is hiermee expliciet strafbaar gesteld. Het aanzetten tot zelfdoding was al langer strafbaar onder de Suicide Act (1961)4. In Frankrijk is het specifiek strafbaar om «propoganda of reclame» te maken voor producten, objecten of methoden om jezelf van het leven te beroven of in levensgevaar te brengen5.
Uitlokking tot een strafbaar feit is in Nederland alleen strafbaar als de gedraging waartoe wordt aangezet zelf een strafbaar feit is. Zelfbeschadiging is geen strafbaar feit. Het aanzetten tot zelfdoding is zelfstandig strafbaar gesteld, indien de zelfdoding ook daadwerkelijk volgt (art. 294 Sr.). Zoals in het antwoord op vraag 2 en 3 al aan de orde kwam, kent het bestaande strafrechtelijk kader wel verschillende andere mogelijkheden om gedragingen als het aanmoedigen tot (ernstige) zelfbeschadiging strafrechtelijk aan te pakken. Zoals gezegd blijf ik in gesprek met het Openbaar Ministerie en de politie over de toereikendheid van dit strafrechtelijk kader. Daarbij worden ook inzichten uit de ons omringende landen betrokken.
Ziet u raakvlakken tussen de werkwijze van 764-netwerken en het wetsvoorstel strafbaarstelling psychisch geweld, waarin eveneens patroonmatig psychisch gedrag centraal staat?
Ik verwacht dat het wetsvoorstel dat op dit moment in consultatie is, ook voor ernstige online gedragingen van aanvullende betekenis kan zijn. Het wetsvoorstel bevat een expliciete strafbaarstelling van dwingende controle en een aanpassing van de strafbaarstelling van mishandeling, zodat duidelijk is dat ook psychische mishandeling strafbaar is. Het is voorstelbaar dat in deze 764-netwerken gedragingen worden gepleegd waarin het patroonmatige gedrag van dwingende controle is te herkennen en waarbij dat gedrag eveneens tot oogmerk heeft macht over de ander uit te oefenen. Verder is voorstelbaar dat in voorkomende gevallen (waarin geen sprake is van patroonmatig handelen of voornoemd oogmerk) sprake is van psychische mishandeling. Daarnaast is het mogelijk dat de in het wetsvoorstel opgenomen uitbreiding van de strafbaarheid voor het dreigen met het openbaar maken van seksueel beeldmateriaal van betekenis is. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval kunnen deze strafbaarstellingen of andere strafbepalingen, zoals die genoemd in vraag 3, een grondslag vormen om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.
Welke kenmerken van het wetsvoorstel strafbaarstelling psychisch geweld maken volgens u dat stelselmatige online manipulatie gericht op ernstige zelfbeschadiging of zelfdoding daar wel of juist niet onder zou kunnen worden gebracht?
Zie antwoord vraag 9.
Bent u bereid te onderzoeken of stelselmatige online psychische manipulatie gericht op ernstige zelfbeschadiging of zelfdoding kan worden betrokken bij het wetsvoorstel strafbaarstelling psychisch geweld, bijvoorbeeld door de reikwijdte van het wetsvoorstel uit te breiden?
Zoals aangegeven in antwoord op de vragen 9 en 10 bieden zowel bestaande strafbaarstellingen als de in het genoemde wetsvoorstel opgenomen bepalingen mogelijkheden om op te treden tegen verwerpelijke gedragingen die online voorkomen. Ik ben graag bereid om uw Kamer voor de behandeling van het wetsvoorstel te informeren over de genoemde mogelijkheden om op te kunnen treden tegen die gedragingen, te verkennen of er aanleiding is om tot nadere wetgevende of beleidsmatige maatregelen over te gaan en zo ja, op welke wijze dit dan het beste gerealiseerd kan worden.
Als u van oordeel bent dat een dergelijke uitbreiding niet wenselijk is, welke juridische, wetstechnische of beleidsmatige bezwaren liggen daaraan ten grondslag? En welke route ziet u dan wel als kansrijk?
Zie antwoord vraag 11.
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van het wetsvoorstel strafbaarstelling psychisch geweld te informeren over de vraag of de huidige strafwet toereikend is om op te treden tegen stelselmatige online psychische manipulatie gericht op ernstige zelfbeschadiging of zelfdoding en, indien nodig, de mogelijkheden voor aanpassing van de wet in kaart te brengen?
Zie antwoord vraag 11.
Handhaving monogamie |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Bijzonder huwelijk: Natasja (51) trouwt niet alleen met Erik (51), maar óók met Berlinda (55)»?1
Ja.
Zijn u meer situaties bekend van een schijnhuwelijk met meer dan twee personen waarbij een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand (babs) een rol vervult?
De term «schijnhuwelijk» wordt gebruikt voor de situatie waarin een huwelijk wordt aangegaan met als doel om een verblijfsvergunning voor een buitenlander te verkrijgen. Ambtenaren van de burgerlijke stand verlenen geen medewerking aan een schijnhuwelijk.
Dat geldt eveneens voor een bigaam huwelijk. Werkt een ambtenaar van de burgerlijke stand, willens en wetens, mee aan de voltrekking van een bigaam huwelijk, dan pleegt hij een misdrijf. Er zijn geen situaties bekend waarin een ambtenaar van de burgerlijke stand meewerkte aan een dergelijk bigaam huwelijk.
Ziet u het belang om het huwelijk als een uniek verbond van twee personen te beschermen, mede gezien de problemen die bij polygamie bestaan en die de overheid door middel van beleid probeert te bestrijden?
Het Nederlandse huwelijksrecht is ingericht op een huwelijk tussen twee personen. Dat waarborgt rechtszekerheid en gelijkwaardigheid binnen de relatie en biedt duidelijke kaders voor onder meer afstamming, gezag, erfrecht en vermogensrecht. Bigamie is strafbaar op grond van artikel 237 van het Wetboek van Strafrecht. Polygame verhoudingen kunnen leiden complexe, moeilijk te handhaven rechtsposities. Het kabinet ziet geen aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken.
Wat vindt u, gelet op de wettelijke norm van monogamie en de strafbepaling inzake bigamie, van situaties waarin bewust de schijn wordt gecreëerd dat sprake is van een huwelijk met meer dan twee personen?
Zolang geen sprake is van een wettelijke huwelijksvoltrekking, is er geen sprake van bigamie. Tegelijkertijd past terughoudendheid en duidelijkheid bij ceremoniële bijeenkomsten met een formeel karakter vanwege betrokkenheid vanuit de overheid, om verwarring te voorkomen. Het is belangrijk om richting betrokkenen en aanwezigen duidelijk te maken dat een ceremonie geen rechtsgevolg heeft. Gemeenten kunnen hun buitengewoon ambtenaren van de burgerlijke stand (babs) daarop instrueren en, waar nodig, arbeidsrechtelijke maatregelen treffen als verwarring wordt veroorzaakt.
In hoeverre wordt in de informatievoorziening richting de babs en bij hun beëdiging aandacht besteed aan de wettelijke norm van monogamie en de betekenis ervan voor de verantwoordelijkheid van de babs?
Het is op grond van de wet verboden om gelijktijdig met meer dan één persoon te trouwen. Van een babs mag worden verwacht dat hij daarmee bekend is. Werkt hij toch, willens en wetens, mee aan de voltrekking van een bigaam huwelijk, dan pleegt hij een misdrijf.
Vindt u het te verenigen met de verantwoordelijkheid van de babs in het naleven van de wettelijke normen dat hij bewust meewerkt aan situaties waarin de schijn van bigamie wordt gewekt, bijvoorbeeld door in de ceremonie een plaats te geven aan het gebruik van aktes en getuigen? Zo ja, waarom? Zo nee, in hoeverre wordt het handelen van de babs meegewogen bij een nieuwe beëdiging?
Gemeenten signaleren een maatschappelijke behoefte aan huwelijksachtige ceremonies. Vaak gaat het om een herbevestiging van een langdurig huwelijk, soms ook, om de bevestiging van een nadrukkelijk buitenhuwelijkse relatie. De gemeente heeft geen formele rol in deze ceremonies. Wanneer een aangewezen gemeentelijke babs optreedt als ceremoniespreker zou dat wel tot verwarring kunnen leiden over de vraag of sprake is van een ceremonie of van een echt huwelijk. Gemeenten verlangen daarom gewoonlijk van door hen aangestelde babsen dat deze er duidelijk over zijn of zij een officieel huwelijk voltrekken of dat zij alleen een ceremonie uitvoeren. Houdt de babs zich niet aan de afspraken dan kan de gemeente besluiten om de arbeidsovereenkomst met de babs te beëindigen.
In hoeverre is bij de beëdiging van een babs voor een enkele dag bekend op welke situatie de beëdiging betrekking heeft? Vindt u ook dat een beëdiging voor situaties van schijnhuwelijken, waaronder bigame schijnhuwelijken, niet aan de orde kan zijn?
Bij beëdiging van een babs voor één dag is duidelijk op welke huwelijksvoltrekking of partnerschapsregistratie de beëdiging betrekking heeft. Gemeenten zullen vanzelfsprekend geen babs aanwijzen voor de voltrekking van een bigaam huwelijk.
Bent u bereid in overleg te treden met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de Raad voor de rechtspraak om meer duidelijkheid te creëren over de rol van de babs in het bewaken van de wettelijke positie van het monogame huwelijk?
Ik zie daarvoor geen aanleiding. De babs voltrekt enkel huwelijken tussen twee personen.
De relatie tussen de NCTV en de wetenschap |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit recent verschenen artikel op NieuwRechts, getiteld «NCTV nestelt zich in universiteiten met leerstoelen over eigen werk»1?
Ja.
Is het correct dat, zoals de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) ook zelf op zijn eigen website schrijft met betrekking tot de Universiteit Leiden2, er aan verschillende Nederlandse universiteiten leerstoelen ingesteld zijn door de NCTV?
Ja, er is door de NCTV een bijzondere leerstoel ingesteld aan de Universiteit Leiden. Daarnaast ondersteunt de NCTV een bijzondere leerstoel aan de Universiteit van Amsterdam.
In het verleden heeft de NCTV een bijzondere en een reguliere leerstoel ondersteund. Zie het antwoord op vraag 3 voor een nadere toelichting hierop.
Kan de Tweede Kamer een compleet overzicht ontvangen van alle leerstoelen die door de NCTV zijn ingesteld aan Nederlandse universiteiten?
De NCTV heeft in totaal één bijzondere leerstoel ingesteld, twee bijzondere leerstoelen ondersteund en één «reguliere» leerstoel ondersteund. Ten eerste heeft de NCTV aan de Universiteit Leiden de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security ingesteld van 0,2 fte per 1 november 2024 voor de duur van vijf jaar. Ten tweede ondersteunt de NCTV per 1 december 2023 de Bijzondere Leerstoel Klinische Psychologie van Radicalisering van 0,4 fte aan de Universiteit van Amsterdam voor de duur van vijf jaar. Ten derde heeft de NCTV de Bijzondere Leerstoel Governance of Intelligence and Security Services van 0,2 fte aan de Universiteit Leiden van 1 september 2017 tot 25 mei 2022 ondersteund. Ten vierde heeft de NCTV de «reguliere» leerstoel Terrorisme en Contraterrorisme aan de Universiteit Leiden vanaf 1 februari 2007 ondersteund. Sinds 2014 wordt deze leerstoel niet langer door de NCTV gefinancierd, maar door de universiteit zelf.
Kwam het initiatief voor het instellen van deze «NCTV-leerstoelen» aan Nederlandse universiteiten van de universiteiten zelf of van de NCTV? Kunt u deze vraag afzonderlijk, voor elke «NCTV-leerstoel», beantwoorden?
Voor de ondersteuning van de Bijzondere Leerstoel Klinische Psychologie van Radicalisering aan de Universiteit van Amsterdam kwam het initiatief van de NCTV vanwege zorgen over gefixeerde eenlingen met psychische problematiek zoals genoemd in analyses en publicaties van de NCTV.
De Bijzondere Leerstoel Governance of Security and Intelligence Services, de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security en de «reguliere» leerstoel Terrorisme en Contraterrorisme zijn een gezamenlijk initiatief van de Universiteit Leiden en de NCTV.
Hoeveel NCTV-medewerkers zijn in totaal, tegelijkertijd, ook medewerker van een universiteit? Hoeveel daarvan zijn hoogleraar?
Op basis van de vastgelegde gegevens in het personeelssysteem is vastgesteld dat twee medewerkers van de NCTV momenteel werkzaamheden verrichten aan een universiteit. Zij ontvangen hiervoor geen vaste financiële vergoeding.
Voorts is een medewerker hoogleraar en vervult hij momenteel de Bijzondere Leerstoel Applied Ethics of Intelligence and Security van 0,2 fte aan de Universiteit Leiden. Deze Leerstoel is per 1 november 2024 voor de duur van vijf jaar ingesteld.
Is het eigenlijk wel toegestaan voor deze «NCTV-hoogleraren» – die dus niet alleen hoogleraar maar tegelijkertijd ambtenaar bij de NCTV zijn – om openlijk kritiek te leveren op de NCTV?
Ja, de bijzondere hoogleraren zijn wetenschappelijk onafhankelijk.
Indien toegestaan, kunt u wellicht één voorbeeld geven van kritiek geleverd door een NCTV-hoogleraar – dat wil zeggen een hoogleraar die is aangesteld op een door de NCTV ingestelde leerstoel – op de NCTV?
Als Minister treed ik niet in de beoordeling van het wetenschappelijke werk van onafhankelijke hoogleraren.
Wat behelst de functie van Chief Science Officer bij de NCTV? Is deze functionaris betrokken bij het bepalen van de wetenschappelijke agenda van de NCTV, bij de besluitvorming over welk onderzoek de NCTV via het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum uitzet of bij de beoordeling van onderzoeksvoorstellen en offertes?
De Chief Science Officer (CSO) van de NCTV is verantwoordelijk voor het bevorderen van kennis en vakmanschap binnen de NCTV, het organiseren van opleidingen en is personeelsverantwoordelijk voor medewerkers van de NCTV-Academie.
De besluitvorming over wetenschappelijke prioriteiten en onderzoekswensen richting het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC) ligt bij het managementteam van de NCTV.
Het WODC bepaalt zelf welke wensen worden gehonoreerd en is zelf verantwoordelijk voor het benaderen en selecteren van onderzoekers.3 De regie voor de uitvoering, vaststelling en publicatie van het onderzoek ligt eveneens bij het WODC. De CSO van de NCTV is hier niet bij betrokken. Het WODC bekostigt alle gehonoreerde onderzoekswensen zelf.
Kunt u een volledig overzicht aan de Kamer verstrekken van álle financiële relaties tussen de NCTV en Nederlandse universiteiten of kennisinstellingen sinds 2006 – dus niet alleen leerstoelen, maar ook gefinancierde promotieplaatsen, detacheringen, gastdocentschappen, opdrachtonderzoek en bijdragen aan onderzoeksprojecten – met per relatie het bedrag en de looptijd?
In bijlage I treft u een overzicht van 153 onderzoeken aan die in de periode van 2005 tot 2026 op verzoek van de NCTV en voorganger NCTb door tussenkomst van en met financiering door het WODC door kennisinstellingen zijn uitgevoerd.
Is het, wat u betreft, in het algemeen wenselijk als een veiligheidsdienst, zoals de NCTV, niet alleen de financiering maar ook de medewerkers (hoogleraren) levert voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek («NCTV-wetenschap») op zijn eigen beleidsterrein?
De NCTV is geen veiligheidsdienst, maar de nationale coördinator op het gebied van nationale veiligheid en terrorismebestrijding. De NCTV draagt als coördinator bij aan de bescherming van de nationale veiligheid. In dat kader ondersteunt de NCTV kennisontwikkeling op relevante terreinen.
Kunnen de bovenstaande vragen afzonderlijk beantwoord worden?
Ja, de bovenstaande vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
De PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian over contrabande in Justitieel Complex Zaanstad |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de aflevering van de PowCast met voormalig plofkraker Steven Kilian, waarin hij spreekt over zijn detentieperiode in Justitieel Complex Zaanstad?1
Ik ben bekend met de aflevering.
Wat vindt u ervan dat in deze aflevering het beeld wordt geschetst van Justitieel Complex Zaanstad als een «feestbajes», waar gedetineerden volgens betrokkene konden beschikken over telefoons, drugs en andere verboden spullen?
Ik vind het onaanvaardbaar dat gedetineerden in een penitentiaire inrichting zouden kunnen beschikken over binnengesmokkelde telefoons, drugs en andere verboden goederen. De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) zet zich dan ook hard in om invoer van contrabande tegen te gaan, door toepassing van verscherpte techniek en controles. De Taskforce «penitentiaire inrichtingen (PI) schoonvegen» die, naar aanleiding van motie van het Kamerlid Ellian (24 587, nr. 1077), op 11 februari jl. is gestart, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken. De Kamer zal, overeenkomstig deze motie, in september 2026 worden geïnformeerd over de resultaten van deze Taskforce.
Kunt u per genoemde categorie aangeven of bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (hierna: DJI) bekend is of dit in Justitieel Complex Zaanstad heeft plaatsgevonden: het binnensmokkelen van contrabande zoals mobiele telefoons op cel, cocaïne of andere drugs, het voor handen krijgen van kostbaar vlees tijdens kerst dat niet door DJI beschikbaar is gesteld, het verstoppen van drugs in het washok door het verkrijgen van privileges als wasmeester en prostitutiebezoek door middel van bezoek zonder toezicht?
Voor wat betreft de aangetroffen contrabande kan ik stellen dat er in 2025 359 stuks aan verboden goederen zijn aangetroffen in Justitieel Complex Zaanstad. Voor een verdere uitsplitsing verwijs ik naar eerder beantwoordde Kamervragen welke een overzicht bieden van de aangetroffen contrabande per PI in 2023, 2024 en 2025.2 Voor wat betreft de overige punten geldt dat DJI bekend is met de volgende incidenten in het JC Zaanstad:
In 2023 is in het JC Zaanstad een medewerker de toegang tot de inrichting ontzegd omdat hij etenswaren, waaronder vlees, mee naar binnen had gebracht voor gedetineerden. Na onderzoek door het Bureau Integriteit is deze medewerker ontslagen.
Er zijn in 2022 in een washok meerdere mobiele telefoons gevonden bij een bijzondere spitactie, in een periode waarin het JC Zaanstad veel last had van drones. Het JC Zaanstad heeft toen passende maatregelen getroffen, onder meer door het intensiveren van dergelijke zoekacties. Overigens was het JC Zaanstad een van de eerste inrichtingen in Nederland met dronedetectie.
Het verstoppen van drugs in een washok is in het JC Zaanstad niet bekend.
Prostitutiebezoek is in het JC Zaanstad niet vastgesteld.
Bent u het ermee eens dat deze praktijken afbreuk doen aan de strafdoelen van detentie en er sprake is van een afbreuk van de rechtsstaat wanneer criminelen in detentie door kunnen gaan met het ondermijnen van het gezag?
Ik ben het ermee eens dat het binnensmokkelen van verboden goederen afbreuk doet aan de strafdoelen van detentie en dat er sprake is van afbreuk van de rechtstaat wanneer criminelen in detentie het gezag ondermijnen. Zoals in de beantwoording bij vraag 2 gesteld zet DJI zich hard in om invoer van contrabande tegen te gaan door toepassing van verscherpte techniek en controles. De genoemde Taskforce PI schoonvegen, die naar aanleiding van motie Ellian is ingesteld, zal de aanpak om contrabande te weren verder versterken.
Welke lessen trekt u uit het verhaal dat een gedetineerde volgens eigen zeggen als wasmeester over extra privileges beschikte, waaronder toegang tot een washok en daar kennelijk contrabande kon verstoppen?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin geldt dat DJI een samenstel aan maatregelen treft ter voorkoming van het verbergen van contrabande in het washok. Zo wordt de wasmeester geselecteerd uit het plusprogramma voor goed gedrag en wordt, gelet op de aard van deze functie en de bijhorende toegang tot ruimtes, voortdurend gemonitord. Daarnaast is het washok een van de ruimtes die standaard gecontroleerd wordt op de aanwezigheid van contrabande. Op basis van signalen en risicoanalyses worden deze controles geïntensiveerd en spitacties uitgevoerd.
Welke controles gelden voor gedetineerden met interne functies, zoals wasmeester, schoonmaker of andere werkzaamheden waarbij zij toegang hebben tot ruimtes of materialen die andere gedetineerden niet hebben?
Functies zoals wasmeester, schoonmaker of anderszins worden toegekend aan gedetineerden die wegens goed gedrag in het plusprogramma verblijven, en pas nadat de voordracht voor deze werkzaamheden is besproken in het Multidisciplinair Overleg. Vanaf het moment dat deze speciale functies zijn toegekend, wordt de gedetineerde doorlopend gemonitord. Desgewenst worden er inlichtingen ingewonnen bij het Bureau Inlichtingen en Veiligheid, een bureau dat in elke inrichting voorhanden is, juist om ondermijning en ander ongewenst c.q. ongeoorloofd gedrag tegen te gaan.
Welke voorschriften gelden er voor bezoek zonder toezicht en hoe kan het dat door middel van bezoek zonder toezicht prostitutiebezoek plaats heeft kunnen vinden? Kunt u hierop reflecteren?
Bezoek van prostituees is niet toegestaan. Het is voor gedetineerden mogelijk om in aanmerking te komen voor bezoek zonder toezicht. Dit geldt alleen voor gedetineerden waarvan geen veiligheidsrisico’s uitgaan, in normaal beveiligde inrichtingen. Aan dit bezoek zonder toezicht zijn, zoals in de beantwoording van vraag 3 weergegeven, voorwaarden gesteld. Er dient sprake te zijn van een duurzame relatie, wat aangetoond dient te worden door bijvoorbeeld het overleggen van een huwelijksakte of samenlevingscontract.3 Bezoek van prostituees is daarmee niet toegestaan.
Wat vindt u van de uitspraak dat een gedetineerde die «de jongens rustig houdt» en ervoor zorgt dat personeel veilig kan werken, in ruil daarvoor «van alles» kan regelen? Herkent u dit risico van het afnemen van penitentiaire scherpte wanneer een gedetineerde zich ogenschijnlijk voorbeeldig gedraagt? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen?
Detentie kent het systeem van promoveren en degraderen waarbij ongewenst gedrag wordt bestraft en gewenst gedrag juist wordt beloond met meer interne vrijheden. Een besluit tot promotie tot een plusprogramma is voorbehouden aan de vestigingsdirecteur, en wordt niet op de werkvloer genomen. Het behouden van penitentiaire scherpte vind ik uiterst belangrijk. Dit geldt voor alle regimes en alle gedetineerden, ongeacht hun status. DJI investeert dan ook structureel in de opleiding en weerbaarheid van hun medewerkers zodat de orde en veiligheid in detentie op correcte wijze gewaarborgd kan worden.
Kunt u bevestigen of is onderzocht of er in dit geval sprake is geweest van ongeoorloofde contacten, privileges of een relatie tussen een gedetineerde en een penitentiair inrichtingswerker? Zo ja, wat is daaruit gekomen? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Mochten dergelijke incidenten zich voordoen, dan wordt dit door DJI onderzocht en worden er passende maatregelen getroffen. Voor een uitgebreidere toelichting hierop verwijs ik naar de beantwoording van vraag 10.
Uit de voorvallenlijst van DJI blijkt dat relaties tussen gevangenispersoneel en gedetineerden vaker voorkomen. Wat doet u eraan om dit te voorkomen?
Iedereen die voor DJI komt werken, ongeacht de werkrelatie, wordt bij de start van de werkzaamheden over de gedragscode geïnformeerd. DJI-medewerkers worden getraind in de omgang met justitiabelen. De gedragscode en de kernwaarden komen aan de orde bij de centrale onboarding en integriteit is een belangrijke leerlijn die in alle (basis)opleidingen terugkomt en waar nadrukkelijk aandacht aan wordt besteed. Niet alleen tijdens de opleiding maar ook bij de beëdiging van nieuwe collega’s en op de werkvloer wordt hier aandacht en invulling aan gegeven.
Het is van belang dat medewerkers zich kunnen uitspreken in situaties betreffende afstand/nabijheid tussen medewerker en justitiabele. Hiervoor is een sociaal veilig werkklimaat nodig. Met de aanpak van DJI gericht op sociale veiligheid wordt bevorderd dat medewerkers signalen kunnen herkennen en zich veilig kunnen uitspreken. Hierdoor wordt het lerend vermogen van DJI als organisatie gestimuleerd: niet alleen via onboarding en opleiding, maar ook door reflectie op situaties die zich in het werk voordoen.
In algemene zin geldt dat een niet-professionele relatie tussen een medewerker en een gedetineerde onverenigbaar is met werken binnen een PI. Het is vastgelegd in de gedragscode DJI dat een relatie tussen een medewerker en een justitiabele niet is toegestaan. Als daarvan toch sprake blijkt te zijn, en dit voldoende is onderbouwd, volgt in de regel ontslag. In andere gevallen – bijvoorbeeld wanneer signalen onvoldoende concreet zijn of wanneer onderzoek nog loopt – kan een schorsing aan orde zijn. Besluiten over personeelsmaatregelen worden zorgvuldig genomen door de directie van de penitentiaire inrichting, op basis van de beschikbare informatie op dat moment. Deze moeten juridisch standhouden. Sancties binnen DJI worden altijd afgestemd op de specifieke omstandigheden van een casus. Daarbij wordt gekeken naar de aard en ernst van het gedrag, de uitkomsten van onderzoek, juridische kaders en het arbeidsrecht.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat resocialisatie en vrijheden binnen detentie ertoe leiden dat gedetineerden over telefoons, drugs of andere contrabande kunnen beschikken en daarmee de veiligheid van personeel, medegedetineerden en de samenleving in gevaar brengen?
Bij de beslissing over het al dan niet toekennen van externe vrijheden in het kader van de re-integratie, wordt een afweging gemaakt tussen het gedrag gedurende de detentie, risico's en slachtofferbelangen. Dit gebeurt op grond van artikel 15 van de Rtvi. Ook worden adviezen van ketenpartners meegenomen in de beslissing. Per individuele casus wordt bepaald of maatregelen nodig zijn om het verlof zo veilig mogelijk te kunnen realiseren. Bijvoorbeeld door begeleid verlof of elektronisch toezicht. Daarnaast wordt een urinecontrole afgenomen zodra een gedetineerde terugkeert van verlof.
Zoals in de beantwoording van vraag 8 gesteld vind ik het behouden van penitentiaire scherpte uiterst belangrijk, ook wanneer het aankomt op vrijheden voor bepaalde gedetineerden met oog op hun re-integratie.
Welke maatregelen neemt u om, zoals in het coalitieakkoord omschreven staat, de handhaving op contrabande te verscherpen?
DJI zet zich hard in om contrabande tegen te gaan. Door middel van een gelaagd proces wordt er op contrabande gecontroleerd binnen een PI. Dit gelaagd proces bestaat onder andere uit de basiscontroles die plaatsvinden bij binnenkomst van justitiabelen maar ook van die van bezoekers en medewerkers van DJI. Ook de periodieke (cel)inspecties maken deel uit van dit gelaagd proces, naast de zoekacties van het interne bijstandsteam en de zoekacties die samen met of enkel door de Landelijke Bijzondere Bijstandseenheid en de inzet van speurhonden plaatsvinden.
Daarbij wordt ingezet op de verscherpte handhaving onder meer door de Taskforce «PI Schoonvegen». Verder is per 1 juli jl. via een aanpassing van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen voor DJI-medewerkers de bevoegdheid gecreëerd om drones boven en op terrein van PI’s met een extra of uitgebreid beveiligingsniveau te weren. Dit zal naar verwachting een belangrijke bijdrage leveren om drones met contrabanden te weren.
De gewelddadige straatroof van een 96-jarige vrouw in Overveen en het uitblijven van adequaat politieoptreden |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Mieke (96) bruut overvallen, maar politie heeft geen tijd, kleinzoon Bing (23) start massale klopjacht op daders: «Het net sluit zich»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat een 96-jarige vrouw die op 4 juli jl. in Overveen op klaarlichte dag gewelddadig van haar gouden ketting werd beroofd, van de politie te horen kreeg dat er pas over zeventien dagen plek was om aangifte te doen?
Geweldsmisdrijven als deze zijn afschuwelijk en ik veroordeel deze ten zeerste. Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik echter niet ingaan op individuele casussen. Ik onderschrijf het belang van een bereikbare en zichtbare politie en vind het belangrijk dat burgers goed en zo snel als kan worden geholpen bij (het doen van) de aangifte. De politie is verantwoordelijk voor haar dienstverlening aan de burger en streeft ernaar om slachtoffers van misdrijven zo goed mogelijk bij te staan. Daarom spant de politie zich in om dit proces zo veel mogelijk aan te laten sluiten bij de behoefte van burgers.
In het algemeen geldt dat de politie bij het opnemen van aangiften rekening houdt met de ernst van het misdrijf, de situatie van het slachtoffer en het belang van eventueel opsporingsonderzoek.
Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit zoals in deze zaak, is vaak persoonlijk contact tussen de politie en het slachtoffer nodig en is het belangrijk dat er doorgevraagd kan worden om zoveel mogelijk aanknopingspunten voor de opsporing te verkrijgen. Dit kan een langere doorlooptijd met zich meebrengen. In deze casus is inmiddels de aangifte ontvangen en loopt er onderzoek.
Een belangrijk aspect hierbij is het verzamelen van bewijs, zoals het veiligstellen van relevante camerabeelden binnen de termijn waarin dat mogelijk is. Volgens de Autoriteit Persoonsgegevens mogen particulieren camerabeelden maximaal 4 weken (28 dagen) bewaren. Als er sprake is van een incident mogen camerabeelden langer worden bewaard. Daarnaast mogen gemeentelijke cameratoezichtbeelden in de openbare ruimte maximaal vier weken bewaard worden (artikel 151c van de Gemeentewet). Als de politie beelden heeft van een misdrijf en deze gebruikt kunnen worden voor opsporing en vervolging, mogen de beelden bewaard worden zolang dit voor het onderzoek nodig is
Tot slot geldt dat de politie voortdurend haar dienstverlening evalueert om deze waar mogelijk te verbeteren. De inzichten en lessen uit bovenstaande casus worden benut om de dienstverlening verder te ontwikkelen en in de toekomst nog beter aan te laten sluiten bij de behoeften van burgers.
Deelt u de opvatting dat een wachttijd van zeventien dagen voor het doen van aangifte van een geweldsmisdrijf tegen een hoogbejaarde volstrekt onacceptabel is, mede omdat – zoals de kleinzoon van het slachtoffer terecht constateerde – cruciaal bewijsmateriaal zoals camerabeelden na zo'n periode veelal gewist is? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat drie jonge burgers binnen enkele dagen deden wat de politie naliet: camerabeelden verzamelen bij winkeliers en bewoners, de daders haarscherp in beeld brengen – inclusief het misdrijf zelf – en dit bewijsmateriaal, in de woorden van de Telegraaf, «op een presenteerblaadje» aanleveren bij de Haarlemse politie?
Wanneer burgers informatie aanleveren ten behoeve van een opsporingsonderzoek staat de politie daarvoor open. Informatie die aanknopingspunten voor de opsporing oplevert, is waardevol en behulpzaam bij de uitvoering van het onderzoek en het vinden van daders. Uiteraard waardeer ik de betrokkenheid van burgers en juich ik toe dat zij relevante informatie met de politie delen. Daarbij is het wel van belang dat deze informatie binnen de geldende wettelijke kaders is verkregen. Burgers beschikken namelijk niet over opsporingsbevoegdheden; het uitvoeren van opsporingsonderzoek is een taak van de politie die plaatsvindt onder het gezag van het Openbaar Ministerie (OM). De politie bepaalt echter – ook onder het gezag van het OM – welke zaken worden onderzocht en beoordeelt aangeleverde informatie altijd op betrouwbaarheid en rechtmatigheid. Voordat informatie als bewijs wordt gebruikt, verricht de politie daarom te allen tijde eigen onderzoek ter verificatie.
Kunt u verklaren waarom zelfs ná het aanleveren van dit bewijsmateriaal het politieoptreden volgens de betrokkenen «vrij bureaucratisch» verliep, waarbij het ene politiedistrict niet direct schakelde met het andere en de jongens niet konden worden doorverbonden met het district Zandvoort waar de zaak onder viel?
Ik betreur het wanneer burgers het gevoel hebben dat adequaat politieoptreden uitblijft en benadruk dat de politie ernaar streeft om slachtoffers van misdrijven zo goed mogelijk bij te staan. Het belang van een zichtbare en bereikbare politie is daarbij groot. Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik echter niet ingaan op individuele casussen. Zie het antwoord op de vragen 2 en 3.
Hoe beoordeelt u de reactie van de politiewoordvoerder dat een aangifte-afspraak «moet passen in de agenda's van de politie en de aangever»? Deelt u de opvatting van onze fractie dat bij een gewelddadige straatroof op een 96-jarige de agenda van de politie zich moet voegen naar het slachtoffer, en niet andersom?
Zoals ik in mijn beantwoording op de vragen 2 en 3 aangaf is het van groot belang dat de politie bereikbaar en zichtbaar is. Het contact tussen de politie en een burger die aangifte wil doen, dient zo veel als mogelijk op maat te zijn en te passen bij de individuele situatie en behoefte van de burger.
Kunt u bevestigen dat de daders – volgens het artikel drie vermoedelijk Oost-Europese mannen – op dit moment nog altijd voortvluchtig zijn? Welke opsporingsinzet wordt er nu daadwerkelijk gepleegd om hen aan te houden, en op welke termijn verwacht u resultaat?
Als Minister van Justitie en Veiligheid ga ik niet in op individuele casussen. Daarnaast kan ik geen uitspraken doen over lopend onderzoek.
Kunt u de Kamer, zodra de daders zijn aangehouden, informeren over hun nationaliteit en verblijfsstatus?
Op het moment dat er verdachten zijn aangehouden is er sprake van een strafzaak en is het Openbaar Ministerie verantwoordelijk voor de communicatie. Over lopende strafzaken doe ik geen uitspraken.
Deelt u de opvatting van onze fractie dat daders die een oma van 96 beroven lang in de cel horen en daarna keihard ons land uitgetrapt moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Ik deel uw afschuw van dit soort gewelddadige misdrijven tegen kwetsbare slachtoffers, maar het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om de daders op te sporen en te vervolgen en aan de rechter om een straf op te leggen.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat het Openbaar Ministerie in deze zaak maximaal inzet op een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en dat na afloop van de detentie wordt ingezet op ongewenstverklaring, uitzetting en een duurzaam inreisverbod? Zo nee, waarom niet?
Het Openbaar Ministerie handelt zelfstandig en onafhankelijk. Ik heb er alle vertrouwen in dat het OM in deze zaak tot een passende beslissing komt.
Meer algemeen gesproken, indien daartoe aanleiding bestaat, beoordeelt de Immigratie- en Naturalisatiedienst of een strafrechtelijke veroordeling gevolgen heeft voor het verblijfsrecht. Eindigt het verblijfsrecht, dan zet de Dienst Terugkeer en Vertrek voortvarend in op terugkeer naar het land van herkomst of, indien van toepassing, overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat.
Is de politie bekend met de eerdere incidenten die in het artikel worden genoemd waarbij de daders volgens de sociale-mediacampagne van de drie vrienden meer berovingspogingen hebben gedaan en eerder een vrouw hebben achtervolgd en worden deze meegenomen in het opsporingsonderzoek?
Ik heb van de politie vernomen dat alle informatie die de kleinzoon van het slachtoffer samen met zijn vrienden heeft verzameld, is overgedragen aan de politie. Verder kan ik niet ingaan op individuele casussen en worden er geen uitspraken gedaan over lopende onderzoeken.
Welke structurele maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat slachtoffers van geweldsmisdrijven direct aangifte kunnen doen en dat burgers zich niet langer genoodzaakt voelen zelf rechercheur te spelen omdat de politie geen tijd heeft?
De politie ontwikkelt haar dienstverlening steeds meer naar een multichannel-vorm, ook voor het doen van aangifte. Dat houdt in dat burgers, afhankelijk van de aard van hun melding, via de juiste route worden geholpen, zodat het contact zo veel als mogelijk aansluit bij hun situatie en behoefte. Voor het doen van aangifte zijn politie.nl en 0900-8844 in principe de primaire ingangen. Via deze kanalen kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. In andere gevallen adviseert en verwijst de politie naar andere mogelijkheden, bijvoorbeeld door een afspraak te maken voor een aangifte op het bureau.
Kunt u deze vragen, gezien de maatschappelijke onrust rond deze zaak en het feit dat de daders nog voortvluchtig zijn, ieder afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Waar mogelijk heb ik de vragen individueel beantwoord.