Het rapport ‘Gevangen in Vrijheden’ van de Taskforce Antisemitismebestrijding. |
|
Annelotte Lammers (PVV), René Claassen (PVV) |
|
Moes , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Gevangen in Vrijheden» van de Taskforce Antisemitismebestrijding, waaruit blijkt dat Joodse studenten worden uitgescholden voor «kankerjood», met stokken geslagen, zich voortdurend moeten verantwoorden voor hun Joods-zijn en zich daardoor zeer onveilig voelen op hun eigen campus?1
Ja.
Deelt u de mening dat uit dit rapport en uit de voortdurende toename van antisemitisme steeds duidelijker blijkt dat antizionisme een verkapte vorm is van antisemitisme?
Het kabinet sluit zich aan bij de manier waarop het rapport2 dit uiteenzet, namelijk dat in sommige gevallen antizionisme kan fungeren als dekmantel voor antisemitische sentimenten. Het rapport stelt dat antizionisme een antisemitisch karakter krijgt wanneer antizionistische uitingen gepaard gaan met ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden, het gebruik van antisemitische stereotypen of het collectief verantwoordelijk stellen van Joden voor het handelen van Israël. Laat duidelijk zijn dat het kabinet dergelijke uitingen sterk afwijst.
Welke middelen wendt u zelf aan en welke middelen stimuleert u bestuurders te gebruiken, om met harde hand op te treden tegen terugkerend antisemitisme? Indien geen, waarom niet?
Er worden, zowel door mij als Minister van OCW als door de onderwijsinstellingen, verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practices te delen. Ook werk ik samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB) aan een handreiking voor vertrouwenspersonen en andere functionarissen over het herkennen van en omgaan met antisemitisme waarbij ik gebruik maak van de expertise van diverse organisaties uit het veld. Daarnaast hebben mijn voorgangers regelmatig gesprekken gehad met Joodse studenten en medewerkers over hun ervaringen, met instellingsbesturen over deze signalen en met de NCAB over de voortgang van de lopende acties. Die lijn zet ik door.
Deelt u de mening dat de visa ingetrokken moeten worden van buitenlandse studenten die zich schuldig maken aan antisemitisme en dat een visumverbod tot de mogelijkheden moet behoren om dergelijke studenten te weren? Zo nee, waarom niet?
Onderwijsinstellingen moeten voor studenten en medewerkers een veilige plek bieden. Voor antisemitisme is in onze samenleving, en daarmee ook op onze onderwijsinstellingen, geen plaats. Ten aanzien van het intrekken van studentenvisa van studenten die afkomstig zijn van buiten de EU, geldt zowel bij toegang als gedurende het verblijf het volgende: wanneer bij onherroepelijke veroordeling is vast komen te staan dat zij een gevaar zijn voor de openbare orde kan de verblijfsvergunning van deze persoon worden ingetrokken. In deze veroordeling kan strafbaar antisemitisch handelen een rol spelen. Indien een vreemdeling in Nederland is veroordeeld voor een misdrijf ontvangt de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) hiervan een bericht. De IND beoordeelt of een vergunning kan worden ingetrokken.4 Hierbij toetst de IND aan de zogenoemde «glijdende schaal» (art. 3.86 Vreemdelingenbesluit 2000) en het evenredigheidsbeginsel. Afhankelijk van de ernst van het delict waarvoor een vreemdeling is veroordeeld, kan de IND de vreemdeling ongewenst verklaren en een inreisverbod opleggen. Het is dus niet aan de Minister van OCW of de Minister van J&V om te oordelen over wanneer visa ingetrokken zouden moeten worden.
Klopt het dat laffe bestuurders uit angst bedreigende spandoeken en haatteksten laten hangen? Zo ja, gaat u eisen dat dergelijke uitingen per direct worden verwijderd en dat daders worden gesanctioneerd?
Ik sluit mij niet aan bij de bewering dat bestuurders «laf» reageren op escalaties en uitwassen bij demonstraties. Ik zie dat bestuurders zich dagelijks inzetten om de veiligheid voor (Joodse) studenten en medewerkers te borgen. Het eindrapport van de Taskforce Antisemitismebestrijding onderkent dit ook en stelt dat het duidelijk is dat de protestacties veel vragen van bestuurders en vele medewerkers om hen heen qua inzet. Ik steun hen in de complexe afweging die zij moeten maken. Ook stelt het rapport dat instellingen acties hebben ondernomen, zoals het opstellen van een richtlijn protesten5, het evalueren van veiligheidsbeleid en het versterken van de afstemming met de lokale driehoek. Daarop aanvullend roept het rapport bestuurders en betrokkenen op om oog te hebben voor de Joodse minderheid, naast hen te gaan staan en duidelijk en zichtbaar voor hen op te komen. Dit onderstreep ik ten zeerste.
Verder is het niet aan de Minister van J&V of aan mij om aan te geven wanneer en hoe een onderwijsinstelling moet ingrijpen bij (uitingen van) protesten en demonstraties. Instellingen zijn zelf verantwoordelijk voor de veiligheid van studenten en medewerkers. Het is belangrijk dat keuzes voor het borgen van veiligheid waar mogelijk zoveel mogelijk lokaal worden genomen door de instellingsbestuurders, in nauwe samenspraak met de lokale veiligheidsdriehoek van burgemeester, OM en politie. Ter plekke kan de situatie het beste worden ingeschat en hoe hiermee moet worden omgegaan.
Bent u bereid maatregelen te nemen tegen docenten en bestuurders die een bepalende rol spelen in het creëren of laten voortbestaan van een onveilige sfeer voor Joodse studenten, door het niet nemen van adequate maatregelen dan wel door zelf bij te dragen aan een antisemitische cultuur? Zo ja, hoever bent u bereid te gaan? Heeft u de hoofdverantwoordelijken inmiddels in kaart gebracht?
Zoals hiervoor aangegeven zijn instellingsbesturen verantwoordelijk voor een veilige leer- en werkomgeving. Daar spannen zij zich elke dag opnieuw weer voor in. Verwacht mag worden dat in het onderwijs, onderzoek en bij de verschillende overige activiteiten op instellingen, docenten en bestuurders zich bewust zijn van hun voorbeeldfunctie en dat zij zorgen voor ruimte voor diversiteit aan inzichten. Ik verwacht dat instellingen hun verantwoordelijkheid nemen in de zorg voor een veilige leer- en werkomgeving voor studenten en medewerkers en hierbij het reguliere instrumentarium inzetten dat zij hiervoor beschikbaar hebben, variërend van aanspreken, berispen tot en met ontslag en aangifte. De inzet en proportionaliteit van de maatregelen hangt af van de aard en ernst van de situatie, dit ter beoordeling door de instelling als werkgever.
Pas wanneer er voor de Inspectie van het Onderwijs aanleiding is geweest om een onderzoek uit te voeren naar de sociale veiligheid op de instelling, en zij na dit gedegen onderzoek in een rapport tot de conclusie komt dat er sprake is (geweest) van wanbeheer in de zin van de Wet op hoger onderwijs en onderzoek (WHW), heb ik als Minister van OCW als ultimum remedium de mogelijkheid de Raad van Toezicht van de betreffende instelling een aanwijzing te geven. Een aanwijzing houdt in dat ik de Raad van Toezicht een opdracht geef tot het nemen van een of meer maatregelen.
Deelt u de mening dat de tijd van praten voorbij is en dat er per direct concrete resultaten geboekt moeten worden om antisemitisme in de kiem te smoren? Zo ja, neemt u de aanbevelingen uit het rapport over?
Het kabinet deelt de mening dat antisemitisme aangepakt dient te worden. Er is geen ruimte voor antisemitisme in onze samenleving en op onze onderwijsinstellingen. De aanbevelingen uit het rapport zijn van grote waarde voor de instellingbesturen en mijn ministerie. In het voorjaar zal vanuit betrokken ministeries een uitgebreide beleidsreactie op het rapport naar de Tweede Kamer worden verzonden, samen met de jaarlijkse actualisatie van de Strategie Bestrijding Antisemitisme 2024–2030.
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Ja.
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
Ik deel de zorgen over de vatbaarheid van kwetsbare jongeren om (online) geronseld te worden. Jongeren en jongvolwassenen in een kwetsbare positie, zoals jongeren met een licht verstandelijke beperking, hebben een verhoogd risico om in te gaan op verzoeken. Veel jongeren overzien de langetermijngevolgen van hun acties nog niet goed. Dit maakt het des te belangrijker dat jongeren, ook online, weerbaar zijn voor dit soort praktijken. Dit vraagt ook om een combinatie van mediawijsheid, alsmede betrokkenheid van ouders bij de online activiteiten van hun kinderen.
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Er is momenteel, bijvoorbeeld bij jeugdzorg of lokale wijkteams, geen gezamenlijk zicht op hoeveel jongeren online worden geronseld. Ronselaars hoeven slechts één oproep te plaatsen om grote aantallen jongeren te bereiken. Daarbij komt dat jongeren zelf terughoudend zijn in het melden van criminele uitbuiting bij de politie of andere instanties. Daarom wordt door het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) een onderzoek uitgevoerd naar de meldingsbereidheid van slachtoffers van criminele uitbuiting. De eerste inzichten uit dit onderzoek worden in de zomer van 2026 opgeleverd en gedeeld met gemeenten en andere partners binnen het preventieveld via bijvoorbeeld de digitale vindplaats van Preventie met Gezag (PmG) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV).
Daarnaast financiert het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanuit PmG het online hulpportaal «Keerpunt». Keerpunt biedt online hulpverlening aan jongeren die het slachtoffer zijn van criminele uitbuiting of vastzitten in de criminaliteit. Ook kunnen mensen uit de omgeving van een jongere bij Keerpunt terecht wanneer zij zich over diegene zorgen maken. Uit het jaarrapport van Keerpunt blijkt dat online rekrutering met name via sociale media platformen zoals Snapchat, Telegram en Instagram plaatsvindt. Het specifieke aantal is, zoals eerder benoemd, echter onbekend.
Om meer inzicht te krijgen in de modus operandi van online rekruteren wordt op dit moment in opdracht van JenV en het CKM een cyclisch onderzoek uitgevoerd op Telegram en Snapchat. Inzichten uit dit onderzoek worden omgezet naar een handzame factsheet en worden halfjaarlijks gedeeld met de gemeenten, zorg-, sociaal en veiligheidspartners en opsporingsdiensten. De eerste landelijke factsheet wordt voor de zomer van 2026 verwacht.
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
Landelijke cijfermatige onderbouwing van deze aanname ontbreekt. De eerdergenoemde onderzoeken zullen hier meer zicht op geven.
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
Het jeugdzorgstelsel is gedecentraliseerd, waarbij gemeenten op basis van de jeugdwet volledig verantwoordelijk zijn voor de organisatie van alle jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. De uitvoering gebeurt door het inkopen van zorg bij jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen of via lokale wijkteams.
Bij bewustwording over en het signaleren van normvervaging en afglijden van jongeren in een kwetsbare positie naar criminaliteit, spelen de werkgevers in het jeugdzorgstel een belangrijke rol, omdat zij verantwoordelijk zijn voor de (bij)scholing en professionalisering van hun werknemers die jongeren begeleiden.
Jeugdprofessionals worden hierbij onder andere geholpen door het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Onlangs heeft het CCV voor professionals een lijst met «rode vlaggen» gepubliceerd. In deze lijst staan risicosignalen, zowel in de online als offline wereld, die erop kunnen wijzen dat een jongere afglijdt naar de criminaliteit.
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
In het kader van het Actieplan Samen tegen Mensenhandel werken Defence for Children-ECPAT, Rode Kruis en FIER aan meer inzicht en bewustwording bij professionals gericht op de signalering en bewustwording van jeugdige slachtoffers van mensenhandel. Door middel van een campagne, (#GeenBuit) e-learning (BUIT) en een verdiepende (maatwerk) training zijn in totaal circa 200.000 professionals bereikt in de jeugdzorg, de migratieketen, politie, welzijn en onderwijs. Sinds april 2025 is aanvullend ingezet op bewustwording en signalering van mensenhandel op scholen (het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs) onder de noemer «Uitbuiting (niet) op school». Het aanbod bestaat uit een maatwerktraining, toolkit en vernieuwde signalenkaart.
Deze interventies zijn onderdeel van de brede aanpak van mensenhandel, gecoördineerd vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Zo richt de eerder genoemde interventie die zorgt voor inzicht en bewustwording bij professionals op het gebied van jeugdige slachtoffers van mensenhandel zich op zowel criminele uitbuiting als seksuele uitbuiting. Op deze manier wordt aansluiting gezocht bij bestaande expertise en werkwijzen.
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Gemeenten geven lokaal invulling aan de samenwerking tussen partijen als politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk. Afhankelijk van de lokale verschillen is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd. Een goede samenwerking en uitwisseling van signalen van bovenstaande partijen is belangrijk om preventief en repressief signalen van ronselen te herkennen.
PmG draagt bij aan het versterken van de lokale domein-overstijgende samenwerking tussen het sociaal domein (gemeenten, zorg- en onderwijspartners) en justitiepartners op het gebied van preventie. Doel is hierbij om te voorkomen dat jongeren in aanraking komen met justitie danwel doorgroeien in de criminaliteit. In iedere PmG-gemeente vinden er multidisciplinaire casusoverleggen plaats, bijvoorbeeld signaal-overleggen op scholen in het kader van de veiligheid rond en om school in gemeenten, (preventieve) persoonsgerichte aanpakken en/of aanpak van complexe problematiek in een Zorg- en Veiligheidshuis. Afhankelijk van de casuïstiek sluiten verschillende partners aan, zoals jongerenwerkers, school, politie, reclassering en gemeente.
Het is belangrijk om tijdig signalen te delen om verder afglijden te voorkomen. Om die reden wordt in opdracht van de Minister van Justitie en Veiligheid gewerkt aan een handreiking om gemeenten meer houvast te geven bij het organiseren van vroegsignalering die rechtmatig, zorgvuldig en met oog voor de rechten van jongeren en hun ouders wordt uitgevoerd. De verwachting is dat deze in de eerste helft van 2026 gereed zal zijn en beschikbaar komt voor alle gemeenten.
In antwoord op Kamervragen ten behoeve van het schriftelijk overleg Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september 2025 is op het punt van het delen van informatie uitgebreid ingegaan.2
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Voor zover ik nu kan bezien, voldoen het strafrecht en de handhaving in de aanpak van criminele ronselaars. Mij zijn geen signalen bekend dat het strafrechtelijk kader in concrete gevallen niet toereikend is om personen die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten strafrechtelijk aan te pakken. Het OM en de politie bevestigen het beeld dat zij over voldoende handvatten beschikken om de daders die zich hieraan schuldig maken op te sporen en aan te pakken. Belangrijk is dat de Officier van Justitie per geval bepaalt voor welke feiten vervolging kan worden ingesteld, aan de hand van de individuele omstandigheden.
Ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten kunnen zich schuldig maken aan criminele uitbuiting, een vorm van mensenhandel die strafbaar is gesteld in artikel 273f, vijfde lid, onder e, Sr, waar specifiek de «uitbuiting van een persoon bij het verrichten van strafbare activiteiten» is opgenomen. Criminele uitbuiting houdt in dat iemand wordt gedwongen tot het begaan van strafbare feiten. Voor mensenhandel is steeds vereist dat de ronselaar of opdrachtgever de intentie had om de jongere bij het uitvoeren van het strafbare feit uit te buiten. Of sprake is van criminele uitbuiting hangt af van de specifieke omstandigheden van het geval, waarbij wordt gekeken naar de aard en duur van de strafbare activiteit, de beperkingen voor de betrokkene en (in mindere mate) het economische voordeel van degene die de jongere heeft aangezet tot het plegen van het strafbare feit.
Afhankelijk van de omstandigheden zijn er daarnaast verschillende mogelijkheden om deze groep strafrechtelijk aan te pakken. Een ronselaar of opdrachtgever kan een minderjarige opzettelijk uitlokken tot het plegen van een strafbaar feit en is strafbaar als de minderjarige ook daadwerkelijk overgaat tot uitvoering. Een minderjarige kan bijvoorbeeld tegen betaling een explosief in de nabijheid van een woning plaatsen; dan kan sprake zijn van het uitlokken van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing met gevaar voor personen of goederen, strafbaar op grond van artikel 157 in verbinding met artikel 47 Sr. Ook het proberen uitlokken van een minderjarige tot het plegen van een misdrijf, ongeacht of het daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, is strafbaar op grond van artikel 46a Sr.
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en PmG zetten in op het mitigeren van risicofactoren en het bevorderen van beschermende factoren om te voorkomen dat jongeren in een kwetsbare positie met criminaliteit in aanraking komen, afglijden of doorgroeien in de criminaliteit. Dit doen we in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit wordt gecombineerd met het stellen van grenzen die aan jongeren die dreigen in de criminaliteit te belanden danwel doorgroeien. De inzet van PmG sluit aan op de inzet vanuit het NPLV, waar langjarig wordt ingezet op het tegengaan van armoede, het vergroten van de gezondheid en het creëren van veilige en leefbare wijken. De lessen van het NPLV worden breder gedeeld met andere gemeenten. Zie ook de Kamervragen zoals eerder benoemd.3
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
De auteurs van het landelijk kwaliteitskader «Effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit» concluderen dat er weinig tot geen wetenschappelijk bewijs is dat universele voorlichtings- en educatieprogramma’s bijdragen aan het voorkomen van criminaliteit onder jongeren, terwijl de kans op schadelijke effecten relatief groot is.4 Daarom is terughoudendheid bij de inzet van (brede) campagnes op zijn plaats.
Lokmiddelen zijn zware opsporingsmiddelen. Het werken met een lokmiddel of lokpersoon is complex en vergt veel capaciteit. Bovendien bestaat het risico dat bij de inzet van lokmiddelen de grens tussen lokken en uitlokken wordt overschreden. Vanuit proportionaliteit en subsidiariteit zetten opsporingsdiensten ze daarom terughoudend in, vooral wanneer andere methoden onvoldoende resultaat opleveren.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
We hebben momenteel voldoende instrumenten in handen om samen te kunnen werken, zowel aan de preventieve als aan de strafrechtelijke kant. Gemeenten zetten in om zo vroeg mogelijk kinderen, jongeren en gezinnen in een kwetsbare positie kansen te bieden. Waar nodig bieden zij passende jeugdhulp. Denk hierbij bijvoorbeeld aan opvoedondersteuning aan ouders en forensische jeugdhulp aan jeugdigen. Het is aan gemeenten om te zorgen voor voldoende passend aanbod. Professionals kunnen bij de keuze voor een passende interventies o.a. gebruik maken van de Richtlijn Ernstige gedragsproblemen.5
Het strafrecht wordt pas ingezet op het moment dat er een strafrechtelijk feit is begaan. In geval van vroegsignalering is hier geen sprake van. Politie kan wel signalen opvangen dat jongeren afglijden in de criminaliteit. Zij kunnen ook samenwerken met scholen of (preventief) doorverwijzen naar jeugdhulp, gemeenten en reclassering. Ik werk voortdurend aan de verbetering van deze samenwerking, bijvoorbeeld door knelpunten in de gegevensdeling tussen gemeenten en justitiepartners op te lossen met de Taskforce Gegevensdeling.
Overlast rond islamitische school Cornelius Haga Lyceum in Amsterdam |
|
Annette Raijer (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u bekend met het structurele en escalerende intimiderende gedrag van moslimjongeren van het islamitische Cornelius Haga Lyceum in de Amsterdamse wijk Bos en Lommer? Wat vindt u hiervan?1
De situatie is mij bekend. Ik vind het heel vervelend dat de wijkbewoners rondom het Cornelius Haga Lyceum zoveel overlast ervaren van de school. Leerlingen horen zich te gedragen, niet alleen binnen de muren van hun school, maar ook daarbuiten. En net zoals alle leerlingen en leraren in ons land zich iedere dag weer veilig moeten voelen op hun school, moet dat ook gelden voor de omwonenden in hun eigen leefomgeving.
De verantwoordelijkheid voor de handhaving van de openbare orde, de veiligheid en het bieden van passende onderwijshuisvesting ligt bij de gemeente. Hierin is geen rol weggelegd voor mijn ministerie. Wel is er op ambtelijk niveau nauw contact met de gemeente Amsterdam. De gemeente heeft eerder al de nodige maatregelen getroffen om de overlast te beteugelen.2 Zo wordt er extra gesurveilleerd rondom de school (zowel door de politie als door straatcoaches), is jongerenwerk binnen en buiten de school aanwezig om met jongeren in gesprek te gaan en wordt ook de schoolleiding betrokken bij het optreden tegen de groep overlastgevende jongeren. Deze maatregelen worden gecontinueerd. Mijn beeld is dat de gemeente en haar samenwerkingspartners alles op alles zetten om de overlast te beperken.
Deelt u de mening dat de situatie waarbij omwonenden dagelijks worden geconfronteerd met vernielingen, bedreigingen, grove scheldpartijen, het doelbewust blokkeren van toegang tot woningen door groepen moslimjongeren en het systematisch onveilig maken van de openbare ruimte in Nederland totaal onacceptabel is en niet in Nederland thuishoort? Zo ja, wat gaat u hieraan doen, zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat hier sprake is van normverwerping en groepsintimidatie door aanhangers van een islamitische cultuur die ons structureel ondermijnt?
De berichten in de media doen vermoeden dat hier sprake is van grensoverschrijdend gedrag en groepsintimidatie door middelbare scholieren. Dit ondermijnt het gevoel van veiligheid dat de wijkbewoners ervaren. Dat vind ik zeer onwenselijk.
Deelt u onze mening dat de islam niet bij Nederland hoort? Zo nee, waarom niet?
Nee. In Nederland geldt vrijheid van godsdienst.
Bent u bereid alle islamitische scholen te sluiten? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik heb de intentie noch de bevoegdheid om zonder wettelijke grondslag willekeurige groepen scholen te sluiten.
Bent u bereid om eindelijk hard in te grijpen door de daders hard te straffen en waar mogelijk te denaturaliseren en uit ons land te verwijderen? Zo nee, waarom niet?
Wanneer er sprake is van strafbare feiten, is het aan de rechter om hierover te oordelen. Ik ben niet bevoegd om dergelijke strafmaatregelen te treffen.
Deelt u de diepe zorgen van de buurtbewoners dat het Cornelius Haga Lyceum en zijn leerlingen inmiddels bezig lijken met het «oprichten van een eigen islamitische staat» binnen de Amsterdamse wijk Bos en Lommer en bent u bereid te erkennen dat de aanhoudende intimidatie, de grove scheldpartijen en de systematische onveiligheid het directe gevolg zijn van een barbaarse ideologie gestoeld op de leer van Mohammed die gericht is op onze onderwerping en vernedering en bovendien de Westerse en Nederlandse normen en waarden en het gezag structureel verwerpt? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de zorgen van de buurtbewoners over de overlast die zij ervaren. Mijn departement staat in contact met de gemeente Amsterdam en zal de situatie blijven volgen.
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Ja.
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
De Douane heeft de volgende exacte kilo-cijfers gerapporteerd.2
Jaartal
Cocaïne (in kg)
Cannabis (in kg)
2025
24.457
65.532
2024
37.642
14.492
2023
59.141
3.832
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
De toename van cannabisonderscheppingen uit niet-Europese landen wordt al enkele jaren waargenomen. In opdracht van de politie is daarom een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport, met de titel «Het gras is groener aan de overkant. De grootschalige illegale import van en handel in niet-Europese hennep», werd op 22 januari jl. gepubliceerd.
De politie ziet de (gedeeltelijke) legalisatie van hennepteelt en recreatieve consumptie in deze landen als de oorzaak van illegale overproductie uit de legale teelt. Deze teelt is bedoeld voor de lokale markt, maar wordt door criminele netwerken met een winstoogmerk ook gebruikt voor de illegale export. Deze is lucratief, met name voor de Europese markt, door de relatief lage prijzen en het hoge THC-gehalte van deze cannabis. De internationale handel in cannabis is overeenkomstig het Enkelvoudige Verdrag van de Verenigde Naties uit 1961 niet toegestaan. Hoewel de genoemde landen export ook niet toestaan, negeren criminelen deze verboden. Thailand heeft sinds 2025 de legalisering van cannabis grotendeels weer teruggedraaid. Het is daar alleen nog mogelijk om cannabis te gebruiken wanneer hiervoor een doktersrecept is verstrekt.
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Er vindt op verschillende niveaus een dialoog plaats met Canada en de Verenigde Staten om de cannabissmokkel vanuit deze landen terug te dringen. Zo hebben Nederland en België op 29 januari jl., als uitgaand waarnemer van de North American Drug Dialogue (NADD), op hoog ambtelijk niveau aandacht gevraagd voor de smokkel van cannabis vanuit Noord-Amerika. De NADD is een samenwerkingsverband tussen de VS, Canada en Mexico om drugssmokkel tegen te gaan. Op 23 april vindt in de horizontale EU-raadswerkgroep ten aanzien van drugs (HDG) de EU-VS-dialoog plaats. In de HDG hebben zowel de Ministeries van Volksgezondheid als van Binnenlandse Zaken/Veiligheid van de lidstaten zitting. De trans-Atlantische samenwerking op het gebied van cannabissmokkel staat op de agenda van de dialoog.
Op basis van het onderzoek dat in opdracht van de Nederlandse politie was uitgezet (zie antwoord3, is eind 2025 op voorspraak van de Nederlandse politie het onderwerp «cannabisimport uit Noord-Amerika» opgenomen in het operationele actieplan Cannabis, Cocaïne en Heroïne van het multidisciplinaire samenwerkingsplatform tegen georganiseerde criminaliteit (EMPACT). Nederland heeft ten aanzien van dit nieuwe actiepunt de leiding op zich genomen. Op deze manier blijft Nederland in Europees verband de komende jaren de aandacht vragen voor dit onderwerp.
De Nederlandse politie en Douane bespreken deze problematiek met hun partners. Zowel op operationeel niveau in de samenwerking vanuit het Hit and Run Cargo (HARC) Team in de haven van Rotterdam als tijdens werkbezoeken. Een politiedelegatie bracht in februari 2025 tegen deze achtergrond een bezoek aan Canada. Bij dit bezoek is gevraagd om strenger op te treden tegen de illegale export vanuit Canada.
De Douane is op dit moment bezig met het verder ontwikkelen van de samenwerking met de Canadese autoriteiten, onder andere gericht op het tegengaan van cannabis die naar Europa komt. De Nederlandse Douane deelt al jaren informatie met de Amerikaanse Douane, hetgeen regelmatig tot bevindingen heeft geleid, zowel in Nederland als de VS. Daarnaast start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché op het National Targeting Centre (NTC) in Washington D.C. Deze attaché zal een belangrijke rol spelen in het verder verbeteren van de informatie-uitwisseling tussen de VS, Nederland en alle andere landen die op het NTC een analist hebben geplaatst.
Hiernaast zijn er in verschillende landen in Latijns-Amerika Douane-attachés of politie-liaisons geplaatst gericht op het tegengaan van drugssmokkel; o.a. in Brazilië, Panama en Peru. Concrete effecten hiervan zijn het sluiten van Douaneverdragen en MoU’s met verschillende prioritaire landen, waaronder uitwisseling van operationele informatie plaatsvindt.
De samenwerking met Thailand heeft minder prioriteit. In Thailand werd vorig jaar de legalisatie van cannabis uit 2022 teruggedraaid. De verwachting is dat cannabissmokkel uit Thailand zal teruglopen.
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Latijns-Amerika blijft het belangrijkste herkomstgebied van cocaïne. Wel zien we een diversificatie in zowel smokkelroutes als smokkelmethodes. Twee vangsten in Amsterdam afkomstig uit Ghana wijzen erop dat de rol van West-Afrika in de internationale drugshandel groeit. De cocaïne gaat in dat geval vanuit Latijns-Amerika via West-Afrika naar Europa. Het beeld wordt verder versterkt door gegevens van het UNODC waarin te zien is dat de afgelopen jaren recordhoeveelheden cocaïne door West-Afrikaanse landen in beslag worden genomen. Daarnaast worden er minder kilo’s cocaïne per vondst aangetroffen, wat erop wijst dat criminelen mogelijk aan risicospreiding doen.
Naast een verschuiving in smokkelroutes waarschuwen Europol en European Union Drugs Agency (EUDA), maar ook het Maritime Analysis and Operations Centre – Narcotics (MAOC-N), voor een verschuiving in smokkelmethodes. Europese landen zien namelijk in toenemende mate smokkel via drop-off en onderzeeboten, privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Zie het antwoord op vraag 7 en 8.
Net als Nederland zien de ons omringende landen (Duitsland, België) en ook Spanje dezelfde stijgende trend in cannabis afkomstig uit Canada, VS en Thailand. De smokkel vindt zowel maritiem als via lucht plaats.
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 4.
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Zoals ook blijkt uit het rapport van Europol veranderen strategieën van criminele netwerken in de cocaïnehandel voortdurend.4 De havens van Antwerpen, Hamburg en Rotterdam zijn traditioneel de belangrijkste toegangspoorten voor grootschalige cocaïnehandel naar Europa. Dankzij de barrières die de Douane, politie en andere partners in deze havens hebben opgeworpen en de lancering van de Europese Havenalliantie, zijn de cocaïne-inbeslagnames in deze drie havens aanzienlijk gedaald (in Antwerpen is in 2025 een lichte stijging waargenomen ten opzichte van 2024, maar een grote daling ten opzichte van de vangsten cocaïne in 2023). Het is waarschijnlijk dat sommige criminele netwerken hun activiteiten naar andere Europese havens hebben verplaatst, zoals blijkt uit de toegenomen inbeslagnames in verschillende andere havens in de EU. Het is ook waarschijnlijk dat criminele netwerken steeds vaker gebruik maken van luchtvervoer, inclusief zowel luchtvracht als post en pakketten, om maritieme havens te vermijden. In vraag 8 ga ik verder in op welke nieuwe smokkelmethoden de Douane heeft waargenomen.
Tot slot merk ik op dat ondanks veranderingen in smokkelmethoden, in de haven van Rotterdam nog steeds de meeste cocaïnevangsten worden gedaan. Daarom blijven we ook daar volop inzetten om drugssmokkel tegen te gaan. In de eerste maanden van 2026 zijn in de Rotterdamse haven wederom een aantal zendingen cocaïne inbeslaggenomen, waaronder een grote vangst van 4.830 kilo.
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Het maakt criminelen niet uit welke Europese haven zij gebruiken voor de smokkel van drugs. Binnen Nederland werden in de haven van Amsterdam twee zendingen van in totaal 4.712 kilo cocaïne onderschept, afkomstig uit West-Afrika en verstopt in een lading hout. De Douane reageert hierop door in de haven van Amsterdam een vaste scan te plaatsen, en onderzoekt de mogelijkheden voor het plaatsen van een inspectieloods. In samenwerking met lokale partners wordt het cameratoezicht verder versterkt. In kleinere zeehavens is de Douane ook alert op drugssmokkel en wordt er samengewerkt met de Koninklijke Marechaussee, politie en Kustwacht.
Steeds meer Europese douanediensten signaleren een toename van het aantal drop-offs, oftewel het overboord gooien van drugs in zee of het overslaan op kleinere (vissers)schepen. In Nederland signaleerde de Douane in 2025 één drop-off, ter hoogte van Vlissingen. Begin 2026 zijn pakketten met zo’n 750 kilo hennep aangespoeld op het strand van Terschelling, mogelijk ging het om een mislukte drop-off. Douaniers worden speciaal getraind om drop-offs snel te herkennen en veilig en adequaat te handelen indien nodig.
Ook werd in Europees verband gesignaleerd dat criminelen in 2025 in toenemende mate gebruik maakten van onderzeeboten om cocaïne rechtstreeks vanuit Latijns-Amerika naar Europese landen als Spanje en Portugal te vervoeren. Elf onderzeeboten werden daar in beslag genomen. In Nederland is tot dusver nog geen smokkel via onderzeeboten gesignaleerd.
Daarnaast zijn er in Europees verband signalen van smokkel via privéluchtvaart en het inwassen of chemisch camoufleren van cocaïne. Daarom voert de Nederlandse Douane in 2026 meer controles uit op de privéluchtvaart, met als belangrijkste doel de risico’s op drugssmokkel beter in kaart te brengen.
De Douane heeft diverse mogelijkheden om ingewassen cocaïne op te sporen. Dat gebeurt zowel via detectiemiddelen tijdens controles als via uitgebreide tests in het Douane-laboratorium. Bij het inwassen wordt dragermateriaal zoals textiel/kleding geweekt in een vloeistof waarin cocaïne is opgelost. Vervolgens wordt de vloeistof verdampt en blijft de cocaïne achter in het materiaal, om het er op een later moment weer uit te wassen met behulp van een oplosmiddel.
Verder zetten we in om het chemisch camoufleren van cocaïne beter te kunnen detecteren. Bij chemisch camoufleren wordt cocaïne op moleculair niveau aan een dragermateriaal gehecht en daarmee gecamoufleerd. In een extractie-lab moet de cocaïne dan worden gescheiden van het dragermateriaal. Met het Nederlands Forensisch Instituut en de politie werkt de Douane samen om de detectiemiddelen nog verder te verbeteren. Zo wordt er nieuwe apparatuur aangeschaft en getest.5
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
De politie6 geeft aan dat de betrokkenheid van Nederlandse drugscriminelen verder reikt dan niet-Europese cannabis. Het gaat veelal om polydrugshandelaren, die al langer in de drugshandel actief zijn. Naast niet-Europese cannabis handelen ze ook in Europese hennep, synthetische drugs, heroïne en cocaïne, inclusief de import. Er is hierbij geen sprake van een specialisme, maar meer van opportunisme. Criminelen zoeken immers altijd naar manieren om snel geld te verdienen. We blijven daarom inzetten op het tegengaan van drugssmokkel als geheel en onderzoeken geen beleidsopties die specifiek op cannabis gericht zijn. Daarbij worden uiteraard wel accenten gelegd als er (nieuwe) ontwikkelingen in de drugssmokkelmethodes worden geconstateerd. Zo wordt de samenwerking met Canada en de VS geïntensiveerd om cannabissmokkel tegen te gaan en start in februari 2026 een Nederlandse Douane-attaché in Washington.
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Veel van de barrières die we opwerpen om drugssmokkel te bemoeilijken en de pakkans te vergroten, maken geen onderscheid tussen soorten drugssmokkel. Douane en politie houden de veranderingen in modus operandi van criminelen altijd in de gaten en spelen daarop in.
Op dit moment is een aanpassing van de strafmaat voor cannabissmokkel niet aan de orde. Het gelijk trekken van de strafmaat voor het smokkelen van Lijst I en II middelen zou namelijk een complete herziening van de systematiek van de Opiumwet betekenen. In mei 2024 heeft het Coördinatiepunt Assessment en Monitoring Drugs op verzoek van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en naar aanleiding van de Motie van Nispen – waarin hij de regering verzoekt te onderzoeken of de huidige omgang met typen drugs en de indeling in lijsten nog wel objectief wetenschappelijk te rechtvaardigen is – een rapport opgeleverd. Hierin onderschrijven zij de uitkomsten van een eerder onderzoek «Drugs in lijsten: rapport Expertcommissie Lijstensystematiek Opiumwet» dat er geen overwegende voordelen aanwijsbaar zijn voor het wijzigen van de bestaande systematiek van twee lijsten.
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Er is geen sprake van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel. In 2025 werden bijvoorbeeld (nog) meer douanecontroles uitgevoerd, mede gericht op onderschepping van cocaïne, in Rotterdam dan in 2024.
Het wegvallen van de toegang tot het digitale betalingsverkeer voor de coffeeshopsector. |
|
Joost Sneller (D66), Nathalie van Berkel (D66) |
|
Bruijn , Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Paniek in de coffeeshop: kan de cannabis straks niet meer gepind?» en kunt u bevestigen dat het voor ondernemers in deze sector momenteel onmogelijk is geworden om bij een in Nederland gevestigde betaaldienstverlener een nieuw contract af te sluiten?1
Ik ben bekend met het artikel. Het is bekend dat het voor coffeeshops soms moeilijk is om deel te nemen aan het betalingsverkeer via pin en dat zij soms hiervoor worden afgewezen door betaaldienstverleners. Maar de betalingsverkeerketen bestaat uit meerdere partijen.
Hoe beoordeelt u het feit dat legitieme, belastingbetalende ondernemers zelfs bij minieme wijzigingen in hun bedrijfsvoering, zoals een noodzakelijke rechtsvormwijziging, hun bestaande bankrelatie verliezen en nergens anders terecht kunnen?
De afgelopen periode heb ik mij ervoor hard gemaakt om de toegang tot het betalingsverkeer voor ondernemers te verbeteren.2 In de casus uit het artikel gaat het om het opzeggen van bestaande pincontracten tussen coffeeshops en de betaaldienstverlener CCV. Het gaat niet om een bankrelatie. Volgens het artikel beëindigt CCV deze contracten omdat het aanbieden van pinbetalingen aan coffeeshops als te risicovol wordt aangemerkt. Ik heb geen signalen dat dit samenhangt met bijvoorbeeld een rechtsvormwijziging.
Het blijkt niet dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft. Op grond van de Wwft moeten poortwachters, waaronder betaaldienstverleners en banken, op individuele basis cliëntenonderzoek doen en een risicobeoordeling maken. Indien zij een witwasrisico constateren dan dienen zij mitigerende maatregelen te nemen. Hierbij mag er geen sprake zijn van categorale uitsluiting. Bepaalde sectoren mogen niet bij voorbaat worden uitgesloten vanwege een hoger risico. Dat betekent dat ook bonafide coffeeshops toegang moeten hebben tot het betalingsverkeer.
CCV stelt dat dit besluit een eigen afweging is. Het is bekend dat internationale bedrijven zoals Visa en Mastercard, via wier netwerken de pinbetalingen lopen, eigen voorwaarden stellen aan het gebruik van hun netwerken. Deze voorwaarden kunnen doorwerken in de wijze waarop betaaldienstverleners hun dienstverlening en risicobeleid inrichten.
Van de Betaalvereniging Nederland begrijp ik dat ondernemers in deze specifieke sector nog steeds keuzevrijheid ten aanzien van aanbieders van pincontracten hebben en dat het daarmee nog steeds mogelijk is om pinbetalingen aan te bieden. Ik ga desalniettemin in gesprek met Mastercard en Visa om duidelijkheid te krijgen over het probleem en kijken naar een oplossing.
Ziet u in deze beweging een bevestiging dat er sprake is van de facto categorale uitsluiting van een hele sector?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe rijmt u de ogenschijnlijke categorale uitsluiting met de wettelijke plicht van financiële instellingen om een individuele risico-afweging te maken op basis van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), zoals deze plicht eerder werd bevestigd door de Minister van Financiën?2
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u toelichten hoe het kan dat de situatie achteruit lijkt te gaan?
Coffeeshops hebben de afgelopen jaren problemen gehad om deel te (blijven) nemen aan het betalingsverkeer. Dit heeft verschillende oorzaken. Zoals hierboven aangegeven lijkt het niet zo te zijn dat de opzeggingen te maken hebben met de Wwft, waar bij eerdere signalen sprake van was. De oorzaak lijkt te liggen in de eigen voorwaarden van internationale ondernemingen in het betalingsverkeer. Met die ondernemingen ga ik in gesprek over hun beleid.
Erkent u dat de doelstellingen van de Wwft (het voorkomen van witwassen) juist worden ondermijnd wanneer een sector collectief uit de gereguleerde financiële infrastructuur wordt geduwd en volledig afhankelijk wordt van contant geld?
Het is niet in lijn met de doelstellingen van de Wwft dat een sector categoraal wordt uitgesloten. Ondernemers moeten toegang hebben tot het betalingsverkeer. Ik vind het niet wenselijk als bepaalde ondernemers en hun klanten uitsluitend afhankelijk zijn van contante betalingen.
Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid van ondernemers, personeel en de openbare orde als coffeeshops door deze, de facto, categorale uitsluiting van digitaal betalingsverkeer noodgedwongen grote hoeveelheden contant geld opslaan en daarmee een groter risico lopen op bijvoorbeeld overvallen?
Contant geld is een belangrijke terugvaloptie in het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het bekend dat een sterke afhankelijkheid van contante betalingen gepaard gaat met hogere veiligheidsrisico’s voor ondernemers. Het is niet wenselijk dat coffeeshops, of andere ondernemingen, worden gedwongen om uitsluitend of grotendeels met contant geld te werken doordat toegang tot digitaal betalingsverkeer ontbreekt.
Hoe kijkt u aan tegen de verschuiving naar buitenlandse betaaldienstverleners; deelt u de zorg dat hierdoor de grip op het toezicht (DNB) en de informatiepositie van opsporingsdiensten (FIU/FIOD) ernstig verslechtert door het mechanisme van Home State Control?
In de Europese Unie gelden in beginsel dezelfde regels voor betaaldienstverleners. Dit maakt dat het toezicht op betaaldienstverleners door Europese toezichthouders in de regel vergelijkbaar is. Ook de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL) en Fiscale Inlichtingen en Opsporingen Dienst (FIOD) krijgen structureel informatie uit andere EU-lidstaten ten behoeve van het opsporen en beoordelen van grensoverschrijdende financiële criminaliteit. Ook DNB kan informatie uitwisselen met andere EU-toezichthouders op betaaldienstverleners.
Vindt u het acceptabel dat Nederlandse ondernemers voor hun basisvoorzieningen afhankelijk worden van buitenlandse partijen waar zij bij geschillen nauwelijks juridische bescherming of verweer hebben onder de Nederlandse wet?
Betaaldienstverleners die actief zijn op de Nederlandse markt, waaronder CCV, vallen onder het Europese en nationale toezichtskader voor het betalingsverkeer. Tegelijkertijd is het zo dat onderdelen van de betaalketen, met name de kaartnetwerken, internationaal zijn georganiseerd. Dit betekent dat Nederlandse ondernemers in de praktijk te maken kunnen krijgen met voorwaarden en besluiten die niet uitsluitend onder Nederlands recht vallen. Ik vind het belangrijk dat de betaalketen weerbaar blijft en daarom zet ik mij in voor het borgen van de vitale betaalinfrastructuur in Nederland. Daarbij kijken we ook kritisch naar afhankelijkheden van buitenlandse betaaldienstverleners en kijken we naar de verdere ontwikkeling van Europese betaaloplossingen die kunnen bijdragen aan een robuuster en diverser betalingsverkeer.
Bent u bereid om, in het kader van zijn systeemverantwoordelijkheid voor een inclusief betaalverkeer, met DNB in gesprek te gaan over een actiever handhavingsbeleid tegen het categorisch weigeren van klanten?
Er vindt regelmatig overleg plaats met DNB over dit onderwerp. Zo is er het Maatschappelijk Overleg Betalingsverkeer (MOB), waar DNB en het ministerie regelmatig in gesprek gaan met aanbieders en afnemers van betaaldiensten over het categoraal beëindigen of beperken van klantrelaties. Hierin worden ook actuele ontwikkelingen met betrekking tot een inclusief betalingsverkeer besproken.
Ziet u het risico dat deze financiële uitsluiting de geloofwaardigheid en het succes van het Experiment Gesloten Coffeeshopketen ondermijnt, nu ook gecertificeerde ondernemers binnen dit experiment tegen muren aanlopen bij banken?
Het is wenselijk dat het Experiment Gesloten Coffeeshopketen wordt voortgezet. Daarin ligt ook een rol voor het betalingsverkeer. Indien deze ontwikkeling zich voortzet en meerdere coffeeshophouders raakt, kan dat effect hebben op het verloop van het experiment. Tot dusver zijn er geen signalen van deelnemende coffeeshophouders over (problemen als gevolg van) financiële uitsluitingen door banken of betaaldienstverleners en lijkt het in de casuïstiek te gaan om partijen die buiten het experiment vallen.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om te garanderen dat deze legaal opererende sector toegang behoudt tot het digitale betalingsverkeer nu de markt dit duidelijk laat afweten?
Ik ga in gesprek met Visa en Mastercard om deze casus te bespreken. Hierin zal ik ook de geldende juridische kaders toelichten en vragen om een proportionele, risico gebaseerde beoordeling. Het is belangrijk om te benadrukken dat het wietexperiment een expliciete en wettelijke basis heeft in de Wet experiment gesloten coffeeshopketen. Daarnaast volgt het gedoogbeleid voor coffeeshops uit een aanwijzing van het Openbaar Ministerie. Dit betekent dat het verkopen van cannabis onder strenge voorwaarden – zoals geen verkoop aan minderjarigen, geen harddrugs, het voorkomen van overlast en het hanteren van beperkte hoeveelheden – wordt gedoogd. Zolang coffeeshops binnen die kaders opereren, vindt geen strafrechtelijke handhaving plaats. Het is om die reden ook onwenselijk als coffeeshops worden afgesloten van betaaldienstverlening, waardoor pinbetalingen niet langer mogelijk zijn.
Kunt u deze vragen met de nodige spoed beantwoorden, aangezien de continuïteit van bedrijven en de veiligheid op straat hier direct door in het geding zijn?
De vragen zijn met de nodige spoed beantwoord.
Ernstige verwondingen, ontbrekende registratie en risico’s bij de inzet van politiehonden. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Heeft u er kennis van genomen dat een student van de Radboud Universiteit, nadat deze door een politiehond werd gebeten, twee weken in het ziekenhuis heeft gelegen, vijf keer is geopereerd, vijf maanden heeft moeten herstellen, en levenslang is misvormd?2 Wat vindt u hiervan?
Ja, ik betreur dat deze persoon deze mate van letsel heeft opgelopen.
Kunt u bevestigen dat het vooraf nooit met zekerheid is in te schatten hoe een hond in een hoogstressvolle situatie reageert, wie wordt gebeten, en welke verwondingen daarbij worden toegebracht?
Kunt u bevestigen dat in de afgelopen jaren herhaaldelijk is gebleken dat politiehonden in stressvolle situaties onvoorspelbaar gedrag vertonen, wat leidt tot onbedoelde bijtincidenten en (ernstige) verwondingen?
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden daarmee kan worden aangemerkt als een zeer zwaar en onvoorspelbaar geweldsmiddel? Zo nee, waarom niet?
Acht u het verantwoord om een geweldsmiddel in te zetten waarbij er een hoge onzekerheid is hoeveel schade er wordt aangericht en aan wie? Zo ja, waarom?
Herinnert u zich dat u in eerdere in antwoorden op Kamervragen hebt aangegeven dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers, arrestanten of omstanders gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Ik hecht eraan om het proces van melden, registreren en beoordelen van geweld nader toe te lichten.
Iedere politieambtenaar die geweld heeft gebruikt maakt daarvan een registratie in het systeem Basisvoorziening Handhaving (BVH). Behalve de aard en de gevolgen van het gebruikte geweld, wordt ook vastgelegd van welk geweldsmiddel eventueel gebruik is gemaakt. Naast deze schriftelijke vastlegging, wordt de geweldsaanwending door de betreffende politiemedewerker ook mondeling gemeld bij de hulpofficier van justitie, waarbij ook de feiten en de omstandigheden van het geval worden besproken. Dit vindt plaats binnen de betreffende politie-eenheid.
Vervolgens beoordeelt de hulpofficier van justitie of er aanleiding bestaat om nader te laten onderzoeken of de geweldsaanwending voldeed aan het toetsingskader. Als hij geen aanleiding ziet voor nader onderzoek, dan maakt de hulpofficier van justitie een «geweldsmutatie» op. Indien de geweldsaanwending naar het oordeel van de hulpofficier van justitie wél nader moet worden onderzocht, dan maakt hij of zij een «geweldsregistratie» op. Van bepaalde geweldsaanwendingen moet altijd een geweldsregistratie worden opgemaakt, bijvoorbeeld na vuurwapengebruik of na ernstig letsel. Iedere geweldsregistratie wordt vervolgens in het beoordelingsproces gebracht. In de kern houdt dat in dat de politiechef, na een advies van het sectorhoofd en een onafhankelijke commissie, beoordeelt of het gebruikte geweld voldeed aan de eisen van professionaliteit.
Uit het voorgaande volgt dat iedere geweldsaanwending door de politie wordt geregistreerd, vastgelegd en beoordeeld op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Dat geldt dus ook voor een geweldsaanwending waarbij een politiehond is betrokken. Leren van geweld is een belangrijk doel van deze procedure van melden en beoordelen van geweld.
Jaarlijks publiceert de politie een rapportage met verschillende cijfers over geweldsaanwendingen.4 De jaarrapportages dragen eraan bij dat de politie op een transparant en verantwoordelijke manier omgaat met het geweldsmonopolie. Ook zijn in de rapportage cijfers opgenomen over het aantal keren dat een diensthond als geweldsmiddel is ingezet. Deze cijfers worden gebaseerd op het aantal BVH-registraties dat is opgemaakt van inzetten van een politiehond als geweldsmiddel. Hoewel de BVH-geregistreerde cijfers op zichzelf niet direct inzichtelijk maken wat de gevolgen zijn geweest van de inzet van een politiehond als geweldsmiddel in een concreet geval, zijn deze gevolgen en andere relevante informatie wel degelijk opgenomen bij de BVH-registratie. En ook bij de beoordeling van een geweldsaanwending waarbij een politiehond is ingezet, worden relevante feiten en de gevolgen van het geweldgebruik uiteraard betrokken.
Kunt u bevestigen dat werkgevers op basis van artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet een lijst moeten bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, ziekenhuisopname of verzuim van meer van drie werkdagen? Kunt u bevestigen dat deze verplichting ook voor de politie geldt?
Ja.
Kunt u de Tweede Kamer een overzicht verschaffen van de bijtincidenten met politiehonden in de afgelopen vijf jaar die hebben geleid tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen? Zo nee, waarom niet?
Voor zover het gaat over het aantal keer inzetten van een politiehond als geweldsmiddel en gevolgen van burgers daarvan, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 7.
Indien een hond onbedoeld een politieambtenaar bijt, vindt registratie plaats van een dienstongeval. Het aantal dienstongevallen worden, net als ongewilde schoten, door de politie geregistreerd. De registratie vermeldt ook de aard van het ongeval. Als een ongeval is veroorzaakt bij de inzet van een diensthond, wordt de betreffende ongevalsmelding voorzien van het label «diensthond». Daarmee voldoet de politie aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 9, lid 1 en 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Niet alle details van een concreet voorval zijn echter nader te specificeren, of als zodanig te registreren. Uit het systeem is dan ook niet af te leiden of in een concreet dienstongeval een bijtincident betrof of een ander incident is waarbij de diensthond betrokken is geweest. Denk aan het oplopen van vingerletsel door de hondenriem of lichamelijke klachten door onverwachte bewegingen van de hond. Daardoor is het niet mogelijk om op basis van de geregistreerde arbeidsongevallen waarbij een diensthond betrokken was, aan te geven hoeveel daarvan bijtincidenten betreffen met (ernstig) letsel tot gevolg.
Bent u ermee bekend dat de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur onlangs een landelijk meldpunt tegen hondenbeten heeft gelanceerd, met als doel inzicht te krijgen in hoeveel en wat voor bijtincidenten per jaar plaatsvinden?
Ja.
Deelt u de mening dat inzicht in het totale aantal bijtincidenten door politiehonden relevant is om een volledig beeld te krijgen van hondenbeten en om de proportionaliteit van de inzet van politiehonden te kunnen beoordelen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u bereid om de politie te verzoeken om deze gegevens voortaan structureel te registreren? Bent u bereid om deze gegevens periodiek met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs u naar mijn antwoord op vraag 7.
Bent u zich ervan bewust dat de inzet van politiehonden daarnaast ook nog eens grote welzijnsrisico’s voor de honden zelf met zich meebrengt, zoals extreme stress en verwondingen die zelfs kunnen leiden tot de dood?4
In het domein politiehonden van de politie staat dierenwelzijn voorop tijdens de training en de verzorging van de honden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien de inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als politiemedewerkers, lopen politiehonden en hun begeleiders bij een inzet het risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Vanuit de Koers Politiehonden6 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
In verband met de leesbaarheid zijn sommige vragen samengevoegd. Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Een politieagent die werd aangevallen door een politiehond. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten?1 Wat is uw reactie op deze beelden?
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Kunt u bevestigen dat het vanuit de Arbeidsomstandighedenwet belangrijk is om werknemers en derden te beschermen tegen gevaren?
Ja, Artikel 3 van de Arbowet schrijft voor dat de werkgever zorgt voor veilige en gezonde werkomstandigheden voor alle werknemers. Als het werk ook gevaar kan opleveren voor anderen in of rond het bedrijf, neemt de werkgever maatregelen om dat te voorkomen (art. 10 Arbowet).
Deelt u de mening dat het inzetten van politiehonden een zeer zwaar geweldsmiddel is, zoals ook aangegeven door de politie, en tevens een onvoorspelbaar geweldsmiddel is, gezien de incidenten?2 Zo nee, waarom niet?
Politiehonden worden breed ingezet in het politiewerk, zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Een hond is een levend wezen en dat brengt onvoorspelbaarheid met zich mee. Die onvoorspelbaarheid wordt zoveel mogelijk beperkt door selectie, intensieve opleiding, certificering, voortdurende training van de hond en de geleider, en operationele regie.
Het inzetten van politiehonden om te bijten, is een zwaar geweldsmiddel. Voor de inzet van een politiehond als geweldsmiddel gelden dan ook strenge regels. Ten behoeve van de uniformiteit en voorspelbaarheid, zijn er bovendien landelijke professionele standaarden vastgesteld voor die gevallen waarin een politiehond daadwerkelijk wordt ingezet om te bijten. Deze standaarden vormen de basis voor het onderwijs aan hondengeleiders. Van hondengeleiders wordt verwacht dat zij in alle gevallen een zorgvuldige afweging maken, alvorens de politiehond in te zetten als geweldsmiddel.
Kunt u bevestigen dat de Arbeidsomstandighedenwet voorschrijft dat de werkgever de arbeid zodanig moet organiseren dat daarvan geen nadelige invloed uitgaat op de veiligheid en de gezondheid van de werknemer, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1a)?
Ja, de werkgever moet zorgen voor veilige en gezonde werkomstandigheden. Hij dient het werk zo aan te passen dat het geen schade toebrengt aan de veiligheid of gezondheid van werknemers.
Kunt u bevestigen dat de gevaren en risico’s zoveel mogelijk moeten worden voorkomen of beperkt, tenzij dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd (artikel 3, lid 1b)?
Ja, de werkgever heeft een zorgplicht naar zijn werknemers. Dit betekent dat hij de veiligheid en gezondheid van zijn werknemers dient te beschermen. Als dit niet mogelijk is, dient de werkgever andere doeltreffende maatregelen te treffen. Daarbij hebben maatregelen gericht op collectieve bescherming voorrang hebben boven maatregelen gericht op individuele bescherming. Collectieve bescherming heeft tot doel alle werknemers in een bepaalde omgeving of situatie te beschermen, zonder dat individuele maatregelen nodig zijn. Individuele bescherming heeft tot doel een individuele werknemer te beschermen tegen specifieke risico’s, wanneer collectieve maatregelen onvoldoende zijn of niet mogelijk zijn. In de Arbowetgeving (art. 4.4 Arbobesluit) is dit aangeduid als de arbeidshygiënische strategie.
Kunt u aangeven of en hoe de politie (periodiek) evalueert of en in welke mate de inzet van politiehonden gelet op de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening noodzakelijk is, ondanks de nadelige invloed op de veiligheid van de werknemers?
Vanuit de Koers Politiehonden3 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Daarnaast wordt er momenteel een brede evaluatie uitgevoerd over alle geweldsmiddelen waarover politiemedewerkers in de basispolitiezorg beschikken. In dat kader worden verschillende aspecten van elk geweldsmiddel onderzocht. Ook de politiehond als geweldsmiddel maakt onderdeel uit van de evaluatie, waaronder de veiligheid van een politiemedewerker bij de inzet van een hond.
Bent u ermee bekend dat op eerdere Kamervragen over een politiehond die werd neergeschoten nadat die zich tegen het eigen arrestatieteam keerde, de Minister van Justitie en Veiligheid aangaf dat de politie niet registreert hoeveel politiemedewerkers gewond raken bij de inzet van politiehonden?3
Indien een politieambtenaar onbedoeld door een hond wordt gebeten, wordt dit geregistreerd als een dienstongeval. Het aantal dienstongevallen wordt door de politie geregistreerd. Daarbij wordt ook de aard van het ongeval vermeld. Als een ongeval is veroorzaakt bij de inzet van een diensthond, wordt de betreffende ongevalsmelding voorzien van het label «diensthond». Daarmee voldoet de politie aan de verplichting die voortvloeit uit artikel 9, lid 1 en 2 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Niet alle details van een concreet voorval worden echter nader gespecificeerd, of als zodanig geregistreerd. Uit het systeem is dan ook niet af te leiden of in een concreet dienstongeval een bijtincident betrof of een ander incident is waarbij de diensthond betrokken is geweest. Denk aan het oplopen van vingerletsel door de hondenriem of lichamelijke klachten door onverwachte bewegingen van de hond. Daardoor is het niet mogelijk om op basis van de geregistreerde arbeidsongevallen waarbij een diensthond betrokken was, aan te geven hoeveel bijtincidenten er hebben plaatsgevonden.
Hoe verhoudt dit zich tot artikel 9, lid 1 en 2, van de Arbeidsomstandighedenwet, die voorschrijft dat een werkgever een lijst moet bijhouden van arbeidsongevallen die leiden tot de dood, blijvend letsel, een ziekenhuisopname of verzuim van meer dan drie werkdagen?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u bevestigen dat werkgevers onder de Arbeidsomstandighedenwet verplicht zijn om risico’s vooraf goed in kaart te brengen en een plan op te stellen om ongelukken en schade waar mogelijk te voorkomen?4
Ja. Werkgevers zijn op basis van artikel 5 van de Arbowet verplicht een Risico Inventarisatie en -Evaluatie (RI&E) op te stellen waarin ze de arbeidsrisico’s in kaart brengen en in het plan van aanpak maatregelen opschrijven en uitvoeren om deze risico’s te minimaliseren.
Kunt u aangeven of er een plan is opgesteld om politieagenten die in aanraking komen met politiehonden te beschermen tegen mogelijke schade en in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit de Arbeidsomstandighedenwet?
De politie is volgens de Arbeidsomstandighedenwet verplicht om een RI&E op te stellen waarin alle operationele arbeidsrisico’s zijn opgenomen waar politiemedewerkers mee in aanraking kunnen komen binnen de taakstelling van de functie. Dit geldt ook voor de operationele arbeidsrisico’s omtrent politiehonden.
De politie traint politiemedewerkers die gaan samenwerken met de politiehondengeleiders tijdens de Integrale Beroepsvaardigheidstraining (IBT) en Operationele Begeleiding en Training (OBT). Daarbij is er ook aandacht voor de risico’s van het werken met politiehonden. Daarnaast heeft een Team Surveillancehonden (TSH) van de politie aanvullende trainingsdagen. Wanneer er onverhoopt een bijtincident plaatsvindt bij een politiemedewerker, is de benodigde behandeling afhankelijk van de verwonding. Indien nodig verricht de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een ongevalsonderzoek naar aanleiding van een melding.
De politie heeft waar andere politiemedewerkers (zoals de Mobiele Eenheid) in directe samenwerking optreden met politiehonden(geleiders) aandachtspunten opgenomen in de betreffende RI&E’s. Ook geven hondengeleiders aan dat sommige situaties onvermijdelijk zijn, gezien het werken met dieren en de onverwachte situaties waarin politiemedewerkers terecht in kunnen komen. Dit is een door de politieorganisatie aanvaard risico.
De RI&E’s binnen de politie zijn opgesteld en getoetst door arbokerndeskundigen conform de eisen van de Arbeidsomstandighedenwet.
Kunt u aangeven of de politie een Risico Inventarisatie en Evaluatie heeft opgesteld waarin expliciet is opgenomen hoe alle agenten die in aanraking komen met politiehonden worden beschermd tegen bijtincidenten? Kunt u aangeven in welke mate deze voldoet aan de voorwaarden uit Arbeidsomstandighedenwet?
Zie antwoord vraag 10.
Bent u bereid om met de Minister van J&V en de politie in overleg te treden om te kijken hoe politieagenten en derden beter kunnen worden beschermd tegen (ernstige) verwondingen door beten van politiehonden? Zo nee, waarom niet?
Het politiehondendomein is volop in ontwikkeling. Er is veel aandacht voor het dierenwelzijn in de Koers Politiehonden. Zo heeft de richtlijn «aangelijnd werken» sinds 2023 geleid tot het terugdringen van ongewilde bijtincidenten. Ook is er tijdens de training en opleiding veel aandacht voor intervisie en het uitwisselen van ervaringen om de inzet van politiehonden te verbeteren. Daarnaast worden er verkenningen uitgevoerd met een muilkorf die op afstand kan worden afgeworpen met een afstandsbediening waarover de hondengeleider beschikt. Dit zou in de toekomst kunnen leiden tot een verdere daling van het aantal ongewilde bijtincidenten. Op dit moment is er geen aanleiding om hierover in overleg te treden.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zoals hierboven is aangegeven wordt er vanuit de Koers Politiehonden samengewerkt met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
In verband met de leesbaarheid zijn sommige vragen samengevoegd. Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
Het buiten beeld blijven van bijtincidenten door politiehonden bij het Landelijk Meldpunt tegen hondenbeten. |
|
Christine Teunissen (PvdD) |
|
Rummenie |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de videobeelden van een politiehond die tijdens de inzet bij een voetbalwedstrijd een politieagent heeft gebeten? Wat is uw reactie op deze beelden?1
Ja, ik betreur dat een politiemedewerker is verwond.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) als doel heeft gesteld om het aantal hondenbeten te verminderen, omdat deze «heftig» zijn en «grote gevolgen hebben voor zowel het slachtoffer als betrokkenen»?2
Ja.
Bent u ervan op de hoogte dat hondenbeten door politiehonden tot dusverre niet worden geregistreerd, ondanks de grote gevolgen voor betrokkenen?3
Ja, daarbij merk ik wel op dat iedere geweldsaanwending door de politie wordt geregistreerd, vastgelegd en beoordeeld op rechtmatigheid, subsidiariteit en proportionaliteit. Ook de inzet van een politiehond als geweldsmiddel wordt geregistreerd en beoordeeld. Leren van geweld is een belangrijk doel van deze procedure van melden en beoordelen van geweld. Jaarlijks publiceert de politie een rapportage met verschillende cijfers over geweldsaanwendingen. Ook zijn in deze rapportage cijfers opgenomen over het aantal keren dat een diensthond als geweldsmiddel is ingezet.4 De jaarrapportages dragen eraan bij dat de politie op een transparant en verantwoordelijke manier omgaat met het geweldsmonopolie.
Specifiek over politiehonden, houdt de politie dus wel cijfers bij over het aantal keer dat een politiehond wordt ingezet als geweldsmiddel. De politie registreert echter geen cijfers over het aantal politiemedewerkers, arrestanten of omstanders die gewond raken door een inzet van politiehonden.
Kunt u bevestigen dat het Ministerie van LVVN graag inzicht wil krijgen in de omvang van het probleem van hondenbeten en daarom vorige week een landelijk meldpunt heeft gelanceerd?
Ja.
Kunt u aangeven of het aantal hondenbeten door politiehonden expliciet wordt meegenomen in dit landelijke meldpunt tegen hondenbeten? Indien dit niet het geval is, bent u dan bereid om de politie op te roepen om deze gegevens alsnog bij te houden en te delen? Zo nee, waarom niet?
Het aantal hondenbeten door politiehonden wordt niet expliciet meegenomen in het landelijk meldpunt. Hoewel alle incidenten gemeld kunnen worden, is het landelijk meldpunt primair gericht op bijtincidenten die plaatsvinden door honden van burgers en niet op beten door politiehonden wanneer zij worden ingezet als geweldsmiddel door de politie. Het doel van het meldpunt is inzicht krijgen in de aard en de omvang van bijtproblematiek in Nederland, om beleid te maken dat goed aansluit op de praktijk. Aanvullende informatie over de inzet van politiehonden als geweldsmiddel en eventuele beten die plaatsvinden in die context is niet noodzakelijk om dit doel te bereiken. Ik zie dan ook geen reden om de politie op te roepen om in dit kader deze gegevens bij te houden en te delen.
Erkent u dat politiehonden tijdens hun inzet geregeld worden geconfronteerd met stressvolle en gevaarlijke situaties, waarbij het niet te voorkomen is dat geweld tegen de honden wordt gebruikt, ze gewond raken, pijn lijden of zelfs komen te overlijden?
In het domein politiehonden van de politie staat dierenwelzijn voorop tijdens de training en de verzorging van de honden. Tijdens operationele inzetten wordt zo veilig mogelijk gewerkt. Indien de inzet van de politiehond niet verantwoord is, worden andere tactische keuzes gemaakt. Tegelijkertijd kan dierenleed nooit volledig worden uitgesloten. Net als politiemedewerkers, lopen politiehonden en hun begeleiders bij een inzet het risico om blootgesteld te worden aan geweld.
Kunt u bevestigen dat het voorzien van een comfortabele en veilige omgeving voor dieren, het zorgen voor een goede gezondheid en het voorkomen van pijn een belangrijk onderdeel is van de Wet dieren?
Ja. De Wet dieren voorziet in regels ter bescherming van het welzijn van dieren.
Bent u bereid om in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid, de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de politie te onderzoeken of een concreet afbouwpad kan worden opgesteld voor de inzet van politiehonden, met als doel om de inzet van politiehonden in stressvolle en gevaarlijke situaties zo snel mogelijk te beëindigen? Zo nee, waarom niet?
Politiehonden leveren een zeer belangrijke bijdrage aan het politiewerk. Zowel in de opsporing als bij de handhaving van de openbare orde. Vanuit de Koers Politiehonden5 wordt er samen met wetenschappelijke instituten, zoals de Universiteit Utrecht en de Hogeschool Aeres gewerkt aan het optimaliseren van het dierenwelzijn en het professionaliseren van de operationele inzetten middels landelijke standaarden. Met als doel om (de inzet van) politiehonden toekomstbestendig te maken. Uitfasering van het gebruik van politiehonden is vooralsnog niet aan de orde.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Het is helaas niet gelukt om de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden.
De Marokkaanse rellen in Den Haag en Amsterdam. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Dick Schoof (minister-president ) (INDEP) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de gewelddadige rellen in Den Haag en Amsterdam na het verlies van Marokko in de finale van de Afrika Cup, waarbij auto’s in brand werden gestoken en politieagenten met zwaar vuurwerk werden bekogeld?1
Ja.
Zijn al deze Marokkaanse relschoppers opgepakt en worden zijn na een veroordeling gedenaturaliseerd en Nederland uitgezet?
Het is aan de politie en het Openbaar Ministerie om strafbare feiten te onderzoeken en, waar mogelijk, verdachten aan te houden en te vervolgen. Over lopende opsporingsonderzoeken en individuele zaken kan geen nadere informatie worden verstrekt.
In algemene zin kan worden aangegeven dat Nederlanderschap als hoofdregel niet vanwege een strafrechtelijke veroordeling kan worden ontnomen. De uitzonderingen vormen de ernstige misdrijven opgesomd in artikel 14, tweede lid van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Naast een individuele afweging, is randvoorwaarde bovendien dat door intrekking geen staatloosheid ontstaat.
Deelt u de mening dat Marokkanen die zich zo verbonden voelen met Marokko, maar lekker in Rabat moeten gaan wonen en daar moeten gaan rellen? Kunt u dat deze week nog in de Schilderswijk gaan vertellen?
Het kabinet maakt geen onderscheid naar afkomst of nationaliteit bij de handhaving van de openbare orde en veiligheid. Iedereen in Nederland heeft zich te houden aan de wet. De verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde ligt bij de lokale autoriteiten, in het bijzonder de burgemeester en de politie. Het kabinet blijft, samen met gemeenten en ketenpartners, inzetten op het voorkomen en bestrijden van ordeverstoringen en op het versterken van sociale cohesie in wijken.
Kunt u bevestigen dat personen met een Marokkaanse migratieachtergrond oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken en in de uitkeringsafhankelijkheid? Zo ja, waarom wordt hier niet keihard tegen opgetreden?
CBS-cijfers laten zien dat het aandeel verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond hoger ligt dan onder de totale bevolking. De oververtegenwoordiging van personen met een Marokkaanse migratieachtergrond in verdachtenstatistieken betreft met name de tweede generatie. In absolute zin neemt het aantal verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond overigens al jaren af: van 74 per 1000 in 2005 naar 27 per 1000 in 20242. De daling doet zich voor onder zowel de eerste als de tweede generatie.
Uit onderzoek van de Risbo-Erasmus Universiteit uit 2023 blijkt tevens dat de oververtegenwoordiging van personen met een Marokkaanse migratieachtergrond in verdachtenstatistieken voor bijna de helft wordt verklaard door algemene factoren zoals het verschil in huishoudinkomen, opleidingsniveau en leeftijd en niet door de specifieke migratieachtergrond. Er is een ontwikkeling zichtbaar naar steeds meer evenredigheid in het aandeel verdachten onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond.3
De uitkeringsafhankelijkheid is met name hoog onder personen met een Marokkaanse migratieachtergrond van de eerste generatie. In 2024 is 18,1 procent van de eerste generatie afhankelijk van de bijstand. De bijstandsafhankelijkheid van de tweede generatie ligt met 4,7 procent net iets boven het totaal van de Nederlandse bevolking (3,3 procent).4
Statistieken laten zien dat in bepaalde groepen verschillen kunnen voorkomen, maar deze worden beïnvloed door diverse sociale, economische en historische factoren. Het is belangrijk om niet te generaliseren over een gehele bevolkingsgroep. Optreden tegen strafbare feiten gebeurt altijd individueel, proportioneel en binnen het kader van de wet. De overheid werkt continu aan integratie, preventie en handhaving, waarbij rechten en plichten voor iedereen gelden.
Bent u het ermee eens dat jarenlang openzetten van de grenzen en het massaal toelaten van migranten uit Marokko en andere niet-westerse landen heeft geleid tot de vorming van islamitische no-go zones?
In alle wijken en gemeenten in Nederland zijn de politie, justitie en andere overheidsinstanties toegankelijk, bevoegd en actief. De overheid baseert beleid om de veiligheid en de openbare orde te bevorderen op feitelijke analyse. Het wordt vormgegeven middels in integrale aanpak waarbij repressieve maatregelen hand in hand gaan met wijkgerichte handhaving en sociale interventies.
Bent u bereid om per direct een stop in te stellen voor nieuwe migranten uit Marokko en alle Marokkanen die de openbare orde verstoren of strafbare feiten plegen, na een veroordeling te denaturaliseren en uit Nederland te zetten?
Het Nederlandse migratiebeleid is gebaseerd op individuele beoordeling en rechtsstatelijkheid. Personen die de wet overtreden, worden vervolgd en bestraft binnen de wettelijke kaders. Collectieve maatregelen op basis van nationaliteit zijn niet toegestaan. Het kabinet blijft inzetten op een streng, rechtvaardig en handhaafbaar asiel- en migratiebeleid binnen de rechtsstatelijke kaders.
Wilt u deze vragen nog deze week beantwoorden?
Voor de beantwoording van deze Kamervragen is de gebruikelijke termijn gehanteerd, teneinde een zorgvuldige beantwoording te waarborgen.
Het Dienstencentrum van de politie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Dienstencentrum van de politie en de rol die dit centrum vervult bij facilitaire dienstverlening, waaronder catering en inkoop?
Ja, ik ben bekend met het politiedienstencentrum (PDC). Bij het PDC komen alle takken van de bedrijfsvoering samen, zoals HRM, Communicatie, ICT, Verwerving, Facility Management en Financiën.
Kunt u een volledig en actueel overzicht geven van alle leveranciers waarmee het Dienstencentrum van de politie momenteel samenwerkt?
Een volledig en actueel overzicht van alle leveranciers waarmee het PDC
samenwerkt kent juridische en praktische beperkingen en brengt bovendien veiligheidsrisico’s met zich mee. Op onderdelen gaat het om gevoelige informatie. Openbaarmaking kan de kans op beveiligingsincidenten vergroten en strategische keuzes van politie ondermijnen. Dit geldt eveneens voor een volledig en actueel overzicht van alle lopende contracten die door het politiedienstencentrum zijn afgesloten.
Verwerving van producten, diensten en werken vindt plaats binnen de geldende wettelijke kaders, waarbij rekening moet worden gehouden met de deels vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten. Dit brengt wettelijke belemmeringen met zich mee bij het samenstellen van een volledig overzicht. Daar waar geen sprake is van vertrouwelijke aanbestedingsuitkomsten, zijn de leveranciers waar politie mee samenwerkt publiekelijk te vinden via het aanbestedingsplatform TenderNed.
Kunt u per leverancier aangeven:
Zie antwoord op vraag 2.
Kunt u een overzicht verstrekken van alle lopende contracten die door of via het Dienstencentrum van de politie zijn afgesloten, inclusief einddata en eventuele verlengingsopties?
Zie antwoord op vraag 2. Een overzicht van alle lopende contracten is vanwege meerdere redenen niet deelbaar. Veel informatie is echter wel publiekelijk beschikbaar. Aangezien de vervolgvragen zich voornamelijk toespitsen op catering, ga ik daar nader op in. Wat betreft catering bij operationele inzet is een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Voor de bedrijfsrestaurants en banqueting is ook een raamovereenkomst gesloten met drie partijen. Wat betreft de onbemande catering is een raamovereenkomst met één partij gesloten. Tevens is er een landelijk contract voor warme dranken automaten. Op alle politielocaties is gratis koffie, thee en gekoeld water beschikbaar.
De raamovereenkomsten voor eten en drinken hebben doorgaans een contractduur van 4 jaar. Per 1 februari 2026 zijn de nieuwe raamovereenkomsten voor operationele catering ingegaan. De nieuwe overeenkomsten voor bedrijfsrestaurants en banqueting gaan in na definitieve gunning, in afwachting van de bezwaartermijn.1
Welke aanbestedingen zijn op dit moment lopende of recent afgerond door het Dienstencentrum van de politie, en welke financiële omvang vertegenwoordigen deze aanbestedingen?
De politie publiceert haar lopende en recent afgeronde aanbestedingen via TenderNed, daar waar het geen gevoelige informatie betreft. Via TenderNed wordt gecommuniceerd over de verschillende aanbestedingen en de fase van de betreffende aanbesteding. Ook geeft politie jaarlijks inzicht in het verwervingsportfolio, om bedrijven de gelegenheid te geven te anticiperen op verwachte aanbestedingen door de Politie, zo ook voor 2026.2 Momenteel lopende aanbestedingen zijn bijvoorbeeld bodycams en toebehoren, voertuig-ICT, tolkdiensten op afstand, motorlaarzen en de basispolitievoertuig personenbussen.
In het laatste kwartaal van 2025 heeft politie onder andere aanbestedingen afgerond op het gebied van levering vliegtuigbrandstoffen Texel (maximale waarde: € 750.000), catering operationele inzet (maximale waarde per perceel: € 5.900.000), sportmedisch onderzoek (maximale waarde: € 1.080.000) en interieurbeplanting (maximale waarde: € 4.800.000).
Op basis van welke criteria (prijs, kwaliteit, duurzaamheid, sociale voorwaarden) worden deze aanbestedingen beoordeeld?
De Aanbestedingswet-2012 kent drie gunningscriteria: de beste prijs-kwaliteitsverhouding, de laagste prijs en de laagste kosten op basis van kosteneffectiviteit. De beoordelingscriteria verschillen per aanbesteding, afhankelijk van de aspecten waarop opdrachtnemers zich van elkaar kunnen onderscheiden. In iedere aanbesteding wordt het beoordelingskader, inclusief de (onderlinge) weging van de verschillende criteria, vooraf met geïnteresseerde opdrachtnemers gedeeld.
Voor de sector Facilitaire Services – waar de categorie eten en drinken deel van uitmaakt – hanteert politie criteria als doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid.
Klopt het dat politieagenten op politielocaties momenteel circa € 3,00 betalen voor een flesje spa/blauw en circa € 15,00 voor een lunchpakket? Zo ja, kunt u toelichten hoe deze prijzen tot stand zijn gekomen en welke contractuele afspraken hieraan ten grondslag liggen? Zo nee, hoe ziet dit er dan uit?
De genoemde bedragen zijn niet correct. Bij operationele inzet zijn lunchpakketten en flesjes water voor rekening van de werkgever. Hierbij gaat het om het standaard lunchpakket à € 5,57 of de luxe variant à € 7,81. Deze kosten worden niet doorbelast aan de medewerkers. Tijdens reguliere diensten hebben medewerkers de mogelijkheid om zelf een lunch mee te nemen. Hiervoor zijn koel- en opwarmmogelijkheden aanwezig.
Ook kan een medewerker gebruik maken van de bedrijfsrestaurants. In het bedrijfsrestaurant worden gevarieerde keuzes aangeboden, inclusief vegetarische en warme opties. Een lunchdeal van € 3,50 voor een volledige lunch is contractueel vastgelegd om betaalbaarheid voor medewerkers te garanderen. De prijs voor een flesje mineraalwater bedraagt € 1,30 in het bedrijfsrestaurant. Deze is ook beschikbaar in een vendingautomaat voor € 1,35. Zoals aangegeven bij vraag 4 is er tevens gratis gekoeld water beschikbaar.
Welke overwegingen hebben geleid tot het afsluiten van contracten met cateraars waarbij dergelijke prijzen worden gehanteerd voor basale consumpties?
Dergelijke prijzen zijn niet aan de orde. Bij het afsluiten van de cateringcontracten is rekening gehouden met prijs, kwaliteit en de gunningscriteria genoemd bij het antwoord op vraag 6 conform het vooraf gedeelde beoordelingskader. De contracten zijn gesloten als gevolg van een aanbestedingsprocedure binnen het geldende wettelijk kader.
Acht u deze prijsstelling passend voor medewerkers van de politie, gezien hun publieke taak en onregelmatige diensten?
De prijsstelling wordt door politie als passend beoordeeld, omdat de medewerkers gebruik kunnen maken van zelf meegenomen lunch, gebruik van het bedrijfsrestaurant, gebruik van de vendingautomaten en door de werkgever verstrekte lunch bij operationele inzet. De prijsstelling past binnen de kaders van de gevolgde aanbesteding. Bij de eisen en wensen in de aanbesteding is rekening gehouden met verschillende aspecten van goed werkgeverschap, zoals betaalbaarheid van producten voor politiemedewerkers en maatschappelijke doelen als duurzaamheid, circulariteit en het tegengaan van voedselverspilling.
In hoeverre is bij het afsluiten van deze contracten rekening gehouden met het principe van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel?
De principes van goed werkgeverschap en zorgzaamheid richting politiepersoneel vormen de basis van de aanbesteding. Deze principes zijn tot uiting gebracht door te beoordelen op doelmatigheid, gebruikerstevredenheid, flexibiliteit en duurzaamheid. Goed om hierbij te vermelden is dat de gebruikerstevredenheid in 2025 een hoger cijfer heeft gehaald dan de contractueel vastgelegde doelstelling.
Zijn er binnen de huidige contracten mogelijkheden om andere prijsafspraken te maken, bijvoorbeeld door:
Door raamovereenkomsten te sluiten behaalt te politie volumekortingen, verduurzaming, ruimte voor innovatie en overige schaalvoordelen. In de bijbehorende aanbestedingen bestaat de ruimte om maximumprijzen te hanteren. Bij het sluiten van de overeenkomsten zijn door politie prijsafspraken gemaakt, waaronder de contractueel vastgelegde lunchdeal à € 3,50.
Ziet u mogelijkheden om efficiency-slagen te maken binnen de facilitaire dienstverlening van de politie, specifiek op het gebied van catering en inkoop? Zo nee, waarom niet?
Efficiëntie blijkt voor de facilitaire dienstverlening uit een zo optimaal mogelijke prijs-kwaliteit verhouding. Politie is doorlopend alert op het naleven van afspraken binnen de raamovereenkomst(en) of het – waar nodig – herijken van de raamovereenkomst(en).
Heeft het Dienstencentrum van de politie inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van cateringvoorzieningen voor de politieorganisatie?
Ja, het PDC heeft inzichtelijk gemaakt wat de totale jaarlijkse kosten zijn van de cateringvoorzieningen. Deze kosten vallen onder de dienst Facility Management, sector facilitaire services binnen het PDC, en zijn opgebouwd uit exploitatiekosten, materiaalverbruik, verstrekkingen van koffie, thee en water en overige kosten.
Hoe verhouden deze kosten zich tot vergelijkbare overheidsorganisaties of andere grote werkgevers binnen de (semi)publieke sector?
De politie geeft aan dat de aanbestedingscriteria vergelijkbaar zijn met die van andere overheidsorganisaties.
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige contracten leiden tot onnodig hoge kosten voor politiepersoneel en of heronderhandeling of aanpassing wenselijk is? Zo nee, waarom niet?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. De huidige contracten zijn gesloten conform wettelijke kaders en richtlijnen. Politie heeft zelfstandig de van toepassing verklaarde eisen, wensen en beoordelingscriteria gesteld. Ik ben van mening dat de prijsstelling in de huidige contracten niet leidt tot onnodig hoge kosten. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 12 blijft politie doorlopend alert op efficiënte inkoop. Een heronderhandeling is niet aan de orde.
Deelt u de opvatting dat het rekenen van hoge prijzen voor basisvoorzieningen, zoals eten en drinken tijdens diensttijd, moeilijk te rijmen is met goed werkgeverschap?
Goed werkgeverschap, waaronder betaalbaarheid van producten op politielocaties, is integraal meegenomen in de contracten en daarmee prijsstelling van cateringdienstverlening. Politie acht het belangrijk dat er keuzemogelijkheden zijn voor medewerkers. Daarbij gaat het om het zelf kunnen meenemen van lunch, gratis voorzieningen bij operationele inzet, de keuze voor een lunch in het bedrijfsrestaurant tegen een gereduceerd tarief of het gebruik van een vendingautomaat.
Hoe kijkt u, in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever, aan tegen de huidige situatie en welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor uzelf als Minister?
De politie handelt verantwoordelijk in het kader van zorgzaamheid vanuit de werkgever. Goed werkgeverschap is integraal onderdeel van de contracten in de categorie eten en drinken. Ik heb vertrouwen in de wijze waarop de politie dit aanpakt.
Bent u bereid de Kamer te informeren over eventuele maatregelen die u wilt nemen om de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten te verbeteren?
Politie is eigenstandig verantwoordelijk voor het sluiten van contracten en de voorwaarden die hieraan gebonden zijn. Binnen de contracten in de categorie eten en drinken is het verbeteren van betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen voor politieagenten een continu proces. Het PDC gebruikt klankbordgroepen en herijking van contracten om te zorgen dat zij steeds passende faciliteiten aanbiedt.
Aangezien de prijsstelling in de huidige contracten niet tot onnodig hoge kosten leidt, zie ik geen noodzaak om aanvullende maatregelen te treffen. Informatie over de betaalbaarheid en toegankelijkheid van facilitaire voorzieningen in algemene zin past binnen het reeds bestaande proces van begroting en jaarverantwoording.
Kunt u toezeggen dat bij toekomstige aanbestedingen explicieter wordt gestuurd op betaalbaarheid voor medewerkers en op doelmatige besteding van publieke middelen?
De betaalbaarheid is reeds onderdeel van de beoordeling bij aanbestedingen in de categorie eten en drinken. Een nog explicietere sturing op betaalbaarheid voor medewerkers is niet noodzakelijk. Doelmatige besteding van publieke middelen wordt integraal meegenomen bij alle aanbestedingen van politie.
Het bericht ‘Vechtpartijen, vernielingen en vrouwen die worden lastiggevallen: reljeugd teistert treinreizigers in Zeeland’ |
|
Björn Schutz (VVD) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat openbaar vervoer veilig moet zijn en dat iedereen te allen tijde zonder angst moeten kunnen reizen, vooral juist en vooral ook meisjes en vrouwen?1
Ja. Het gedrag van de betreffende Zeeuwse jongeren afgelopen periode was volstrekt onacceptabel. Ik vind het belangrijk dat het ov veilig is voor iedereen, zeker ook voor meisjes en vrouwen.
Deelt u de mening dat reizigers zich niet zouden moeten hoeven aanpassen aan het gedrag van een overlastgevende groep en dat NS-personeel het werk niet onder druk, met gevoel van onveiligheid moet hoeven uitvoeren?
Ja. Iedereen moet zich veilig voelen tijdens het reizen en werken in de trein, tram, metro of bus. Het personeel in het OV verdient daarbij steun bij de uitvoering van hun belangrijke en vaak moeilijke werk.
Sinds wanneer is deze overlast op het Zeeuwse spoor en stations ontstaan? Om hoeveel incidenten gaat het? Of is het beeld structureel?
Navraag bij NS leert dat op de Zeeuwse lijn en stations in januari t/m oktober 2024 circa 15 meldingen van overlast per maand geregistreerd zijn in treinen op het Zeeuwse spoor en op de Zeeuwse stations. Een piek in overlast is waar te nemen in november en december 2024. In november 2024 waren er 28 overlastmeldingen en in december 2024 waren dit er 29. Sinds dat moment is de overlast niet verder gegroeid, maar gemiddeld wel hoger dan de voorgaande jaren.
Sinds mei 2025 is de agressie tussen reizigers op de laatste treinen en het onveilige gevoel dat daarmee gepaard gaat toegenomen. Deze specifieke problematiek stak tijdelijk de kop op en is met extra inzet vanuit NS en de politie gericht aangepakt. Er wordt nauwgezet gemonitord.
In hoeverre neemt de problematiek toe, niet alleen in aantallen meldingen, maar ook in de ernst van het gedrag? En wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen incidentele verstoringen en structurele overlast door dezelfde groepen? Hoe is het beeld in de rest van het land?
Het gedrag van de groepen jongeren op het Zeeuwse spoor in de afgelopen periode was onacceptabel en afwijkend van het algemene beeld. Over het algemeen is er landelijk een stijging zichtbaar in het aantal overlast- en agressie-incidenten, maar het gedrag van deze groepen viel qua ernst duidelijk buiten het landelijke gemiddelde.
Ten aanzien van het beeld in de rest van het land geeft NS aan dat de afgelopen jaren een stijgende trend zichtbaar is in overlast, vandalisme en agressie op stations en in de trein. NS geeft hierbij aan dat diverse maatschappelijke problemen in de samenleving tot uiting komen in het OV, zoals de algemene verharding van de samenleving, een toename van onbegrepen gedrag en diverse andere overlastgevende doelgroepen invloed hebben op deze stijging.
In hoeverre zijn deze dadergroepen bij politie en NS in beeld? Wordt er gewerkt met een persoonsgerichte aanpak van veelplegers, bijvoorbeeld via vervoersverboden in het openbaar vervoer, gebiedsontzeggingen of andere interventies die verder gaan dan het steeds opnieuw reageren op incidenten? Welke rol nemen gemeenten in het proces?
NS heeft over de situatie in Zeeland nauw contact met de politie en brengt de problematiek onder de aandacht van de gemeente. De politie heeft de overlastgevers in beeld en zet zich actief in om de overlastgevers aan te pakken, waaronder het voeren van stopgesprekken. NS zet daarnaast extra NS-personeel in voor extra toezicht en past, waar nodig, reis- en verblijfsverboden toe.
In algemene zin hebben gemeenten de regie over de lokale aanpak op het terrein van zorg en veiligheid. De betrokken gemeenten in Zeeland zijn in contact met elkaar en willen dit probleem integraal aanpakken. De politie werkt daarbij samen met NS en gemeenten. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig worden maatregelen getroffen, zoals verscherpt toezichtacties of het opvangen van de laatste trein.
Hoe houdbaar is de goede tijdelijke maatregel om extra toezicht en het meereizen van politie voort te zetten?
De inzet van extra maatregelen, zoals de inzet van extra NS-personeel en het meereizen van de politie, zijn tijdelijke maatregelen gericht op het herstellen van de huidige situatie naar een acceptabel en veilig niveau. Deze inzet vraagt aanzienlijke capaciteit en gaat ten koste van de inzet elders, waardoor zij niet permanent houdbaar is.
NS geeft aan dat de tijdelijke maatregelen aantoonbaar positieve effecten hebben gehad en hebben bijgedragen aan het normaliseren van de situatie in Zeeland. Op dit moment wordt de situatie beheersbaar gehouden binnen bestaande maatregelen, aangevuld met monitoring om tijdig te kunnen bijsturen indien de situatie daartoe aanleiding geeft.
Welke structurele, voortdurende maatregelen ziet u om de sociale veiligheid ín de trein voor reizigers en personeel te verbeteren, aanvullend op maatregelen op stations?
Mensen moeten veilig kunnen reizen met het openbaar vervoer. Dat vereist gezamenlijke inzet van meerdere partijen. NS ontvangt vanuit het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) 12 miljoen euro subsidie voor de aanschaf van bodycams voor hoofdconducteurs, voortbouwend op de positieve resultaten van een eerdere pilot. De OV-sector neemt daarnaast doorlopend maatregelen. Zo zijn er in de afgelopen jaren camera’s geplaatst op stations, meer stations afgesloten met poortjes, werkt de sector met veel incidentendata voor de data gestuurde inzet van personeel én kunnen NS-reizigers in het hele land onveilige situaties in treinen en stations via Whatsapp melden.
In het coalitieakkoord staan ambities benoemd die betrekking hebben op het effectief handhaven en innen van boetes als gevolg van zwartrijden en de toegang tot registers voor OV-boa’s en gegevensuitwisseling. Het afgelopen jaar heeft het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid gewerkt aan de toegang tot het Rijbewijzenregister voor OV-boa’s. Naar verwachting kunnen OV-boa’s medio 2026 gebruik maken van het Rijbewijzenregister. Daarnaast is gewerkt aan de verhoging van de boete voor het reizen zonder geldig vervoersbewijs om zwartrijden, en sociaal onveilige situaties die daardoor kunnen ontstaan, verder terug te dringen. De Minister voor Asiel en Migratie heeft eind vorig jaar aangegeven te werken aan het mogelijk maken van toegang voor boa’s in het openbaar vervoer tot de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). Hiervoor is een wetswijziging vereist die wordt voorbereid door het Ministerie van Asiel en Migratie, zo nodig in afstemming met het Ministerie van Justitie en Veiligheid.
Hoe effectief is het recent geïntroduceerde noodnummer waarmee reizigers de conducteur kunnen bereiken bij bedreigende of vervelende situaties? In welke mate voelen conducteurs zich veilig genoeg om zelf in te grijpen wanneer zij bericht worden over een bedreigende of vervelende situatie? Hoe effectief is dit noodnummer en wat is de reizigerservaring hierop? Is dit noodnummer ook gebruikt bij deze overlastgevende situaties in Zeeland?
Sinds 2019 kunnen NS-reizigers via Whatsapp of SMS op laagdrempelige wijze contact opnemen met het meldnummer van NS voor overlast of een onveilige situatie. Dit is nadrukkelijk geen noodnummer. Bij spoedeisende hulp dient 112 gebeld te worden. Naar aanleiding van een toezegging tijdens het commissiedebat van 7 april 2025 wordt een onderzoek uitgevoerd naar de effectiviteit van het meldnummer van NS, waarbij ook naar de reizigerservaring gekeken zal worden. Het eindrapport wordt in de eerste helft van dit jaar verwacht.
Hoofdconducteurs richten zich primair op het bieden van service en het controleren van vervoersbewijzen. Zij grijpen in beginsel niet zelfstandig in bij bedreigende situaties. Vanuit hun toezichthoudende rol kunnen zij wel personen aanspreken op het overtreden van huisregels of het verstoren van orde, rust en veiligheid en goede bedrijfsgang. Zij maken daarbij een eigen inschatting of een situatie de inzet van Veiligheid en Service of van de politie vereist of passend is. Indien dit het geval is, worden deze ingeschakeld.
Op basis van informatie van NS blijkt dat in 2024 via het meldnummer 4.308 meldingen van reizigers zijn geregistreerd, waarvan 33 betrekking hadden op situaties in Zeeland. In 2025 werden in totaal 67 meldingen op het NS-meldnummer geregistreerd in Zeeland. Het merendeel van de meldingen betreft overlast. De waargenomen stijging kan mede samenhangen met een hogere meldingsbereidheid en de wijze van registratie.
Overweegt u, of de NS, nog andere, aanvullende veiligheidsmaatregelen, bijvoorbeeld het implementeren van niet alleen een noodnummer maar ook een noodknop in de treincoupés? Kunt u de Kamer meenemen in mogelijkheden die u en de NS overwegen?
De NS heeft een breed scala aan veiligheidsmaatregelen getroffen. Zowel stations als treinen zijn veelal voorzien van noodknoppen met intercom, cameratoezicht en poortjes. Daarnaast wordt datagedreven en informatiegestuurd toezicht, controle en handhaving uitgevoerd, onder andere door cameraobservanten, hoofdconducteurs en boa’s Veiligheid & Service van NS. In geval van spoedeisende hulp worden de reguliere hulpdiensten ingeschakeld. Ik blijf in gesprek met NS over mogelijke aanvullende maatregelen om de veiligheid verder te versterken. Hierbij worden de effectiviteit en de haalbaarheid van deze maatregelen zorgvuldig afgewogen.
Zijn bij u nog andere effectieve voorbeelden bekend van maatregelen in het buitenland waar vergelijkbaar overlast in het openbaar vervoer is teruggedrongen? En vooral maatregelen die wij in Nederland nog niet toepassen? Zo ja, welke lessen kunnen daaruit worden getrokken voor Nederland?
Veel van de maatregelen die in het buitenland worden toegepast, zoals bodycams voor personeel, cameratoezicht als preventieve maatregel, laagdrempelige meldmogelijkheden via apps of sms en het gebruik maken van toegangspoortjes, worden in Nederland ook toegepast. Internationale voorbeelden laten zien dat zichtbare aanwezigheid, meldmogelijkheden en samenwerking tussen betrokken partijen bijdragen aan het vergroten van de sociale veiligheid in het OV. Waar passend wordt geleerd van ervaringen uit het buitenland binnen de Nederlandse wettelijke kaders. NS staat daarbij in contact met hun internationale collega’s om ervaringen en trends op het gebied van veiligheid uit te wisselen. Waar mogelijk worden lessen hieruit toegepast, rekening houdend met het feit dat regelgeving per land kan verschillen.
Hoe effectief blijken de camera's aan boord van de trein bij het registreren en opvolgen van de overlast? Zijn daar verbeteringen mogelijk en denkbaar? Wat is daarvoor nodig?
NS heeft laten weten dat camera’s aan boord van treinen vooral effectief zijn gebleken bij de opsporing en opvolging van strafbare feiten waarvoor aangifte wordt gedaan. Politie en Openbaar Ministerie maken hierbij waar mogelijk gebruik van beschikbaar beeldmateriaal.
Voor overlast kunnen de camera’s worden ingezet ter verificatie van meldingen, bijvoorbeeld via het meldnummer van NS. In een toenemend aantal treinen is het inmiddels ook mogelijk om live mee te kijken. Bij de aanschaf van nieuwe treinen en de revisie van bestaand materieel wordt rekening gehouden met deze functionaliteit, zodat camera’s effectiever kunnen bijdragen aan het registreren en opvolgen van overlast.
In welke mate kunnen slimme AI-camera's om, binnen de kaders van de AVG, onwenselijke gedragingen, vrij van persoonskenmerken, te detecteren, vast te leggen en te verwerken de oplossing zijn? Kan dat ook in de trein? Zijn deze camera's effectiever dan de huidige?
Slimme AI-camera’s kunnen het voor cameraobservanten mogelijk maken om beelden van het grote aantal camera’s effectiever te monitoren, doordat afwijkende situaties sneller worden gesignaleerd. Daarmee zijn deze camera’s effectiever dan de reguliere camera’s. Toepassing binnen de kaders van de AVG is mogelijk, maar vergt nog verdere, technische doorontwikkeling.
Vooral op stations lijken slimme AI-camera’s een kansrijke optie. In de trein is de toepassing minder haalbaar, omdat er onvoldoende fysieke ruimte is voor de benodigde hardware. Daarnaast kan het model niet direct op de camera of in de trein draaien, waardoor connectiviteit momenteel een beperkende factor vormt. Het gebruik van complexe modellen videostreams vereist bovendien hoogwaardige videostreams met minimale buffering en vertraging, wat ook een beperking vormt.
Deelt u de mening dat de pakkans aanmerkelijk verhogen preventief werkt? Wat is uw standpunt en – voor zover bekend – van de NS hierover?
Ja, ik deel de mening dat een hogere pakkans preventief kan werken. De verwachte pakkans kan mogelijk een factor zijn bij de beslissing om een strafbaar feit te plegen. Tegelijkertijd zijn er dadertypes waarvoor dit wellicht minder of geen effect heeft, bijvoorbeeld als gevolg van middelengebruik of een bepaalde geestestoestand. Ook NS stelt op basis van ervaring dat een hogere pakkans preventieve effecten kan hebben, zij het met de kanttekening dat dit niet voor alle daders even effectief zal zijn.
Indien cameratoezicht goed wordt ingezet, is er ruimte om raddraaiers en overlastgevers te herkennen en een (tijdelijk) reisverbod op te kunnen leggen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op basis van informatie van NS blijkt dat de meeste directe verboden worden opgelegd aan de hand van heterdaadwaarnemingen. Cameratoezicht kan daarbij van dienst zijn, maar veelal gebeurt dit aan de hand van directe waarnemingen van NS-personeel of na een aanhouding door de politie.
Het bericht ‘Staking bij vrouwengevangenis Nieuwersluis om uitblijven loonsverhoging’ |
|
Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat medewerkers van de vrouwengevangenis in Nieuwersluis staken vanwege ontevredenheid over een achterblijvende loonsverhoging1? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Ja, ik ken het bericht. Ik heb veel waardering voor het personeel van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). De medewerkers van DJI voeren een belangrijke taak uit en verdienen onze waardering en respect.
De nullijn geldt voor alle medewerkers bij de Rijksoverheid. Deze maatregel is door het kabinet genomen om zijn ambities waar te kunnen maken.
Wat vindt u van de kwalificatie van FNV dat het «Code zwart» is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)?
Het is inderdaad «code zwart». Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben diverse noodmaatregelen getroffen om de capaciteitsproblematiek aan te pakken. Ondanks deze noodmaatregelen blijft de bezetting in de reguliere gevangenis voor mannen boven de 99%. Tevens is er nog steeds een grote voorraad zelfmelders en arrestanten. De Kamer wordt periodiek geïnformeerd over de laatste stand van zaken omtrent de capaciteit bij DJI. De laatste voortgangsrapportage is verzonden op 2 december 2025.2
Kunt u aangeven hoe groot het huidige personeelstekort is in het gevangeniswezen? Kunt u een indicatie geven van de algemene tevredenheid van DJI-medewerkers over de omstandigheden waaronder zij hun werk moeten verrichten? En in hoeverre is het hanteren van de nullijn dienstbaar aan het werven van nieuwe DJI-collega’s?
DJI zet vol in op het werven van nieuwe medewerkers en dat is niet zonder resultaat. In 2025 zijn er 2.655 medewerkers ingestroomd bij DJI, terwijl 1.799 medewerkers uitgestroomd zijn. Dit betekent dat er in 2025 656 medewerkers extra zijn bijgekomen bij DJI. Dit laat onverlet dat er nog openstaande vacatures zijn en daardoor celcapaciteit niet inzetbaar is. Deze situatie benadrukt de noodzaak om onverminderd door te gaan met de inspanningen op het gebied van werven en behoud van medewerkers.
Tevredenheid van medewerkers ten aanzien van de verschillende aspecten van het werken binnen DJI wordt gemeten in onder andere het medewerkersonderzoek, dat tweejaarlijks wordt afgenomen onder alle DJI-medewerkers en de preventief medische onderzoeken. De omstandigheden waarin medewerkers hun werkzaamheden moeten verrichten worden niet specifiek uitgevraagd. Uit het medewerkersonderzoek volgt dat medewerkers relatief tevreden zijn ten aanzien van de aspecten vakmanschap en inhoud van het werk. De ervaren psychosociale arbeidsbelasting vormt een aandachtspunt. Op basis van de resultaten van dit onderzoek ontwikkelt DJI gerichte plannen ter verbetering.
DJI blijft onverminderd genoodzaakt tot intensieve werving op de arbeidsmarkt. Het succes hiervan is mede afhankelijk van de concurrentiepositie van DJI. Er zijn verschillende factoren die ervoor zorgen dat kandidaten willen werken voor DJI, salariëring is er daar een van. De nullijn kan daarmee van invloed zijn op de concurrentiepositie DJI. Bij de meest recent gehouden exit monitor was het salaris niet een van de voornaamste vertrekredenen voor executief personeel. De drie voornaamste vertrekreden voor executief personeel waren loopbaanontwikkelingsmogelijkheden, de inhoud van het werk en de cultuur in de organisatie. Een uitzondering hierop is het personeel dat binnen één jaar weer vertrekt. Voor personeel dat binnen een jaar weer bij DJI vertrekt, staat salariëring wel in de top drie van voornaamste vertrekredenen. DJI blijft zich inzetten om er voor te zorgen dat zij een aantrekkelijke werkgever blijft.
Bent u bereid om te bezien in hoeverre medewerkers van DJI, met het oog op de moeilijke omstandigheden waaronder zij hun zware werk moeten verrichten, kunnen worden uitgezonderd van de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om te onderzoeken of voor DJI-medewerkers een afzonderlijke CAO kan worden gesloten om te voorkomen dat de voor Rijksambtenaren voorgenomen nullijn ertoe leidt dat het huidige personeelstekort bij DJI nóg groter wordt? Zo nee, waarom niet?
De medewerkers van DJI vallen onder de CAO Rijk. Ik ben gebonden aan de afspraken van het Regeerprogramma en aan de CAO en zie geen ruimte om af te wijken van de gemaakte afspraken. Deze afspraken gelden voor alle medewerkers bij de Rijksoverheid. Een uitzondering hierop voor enkel DJI acht ik onwenselijk. Wel heb ik er voor gezorgd dat het DJI-personeel in 2025 eenmalig een toelage van € 500 netto heeft ontvangen als blijk van waardering voor het werk dat al geruime tijd onder hoge druk wordt uitgevoerd.
Bent u bereid om deze vragen voorafgaand aan het komende commissiedebat over het Gevangeniswezen te beantwoorden?
Ja.
Berichten op sociale media over het vrijlaten van jihadistische strijders uit voorheen door de SDF bewaakte detentiefaciliteiten |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten op sociale media dat door de recente transitie in Syrië en de verschuivende gezagsverhoudingen in het noordoosten van het land, jihadistische strijders uit voorheen door de Syrian Democratic Forces (SDF) bewaakte detentiefaciliteiten zijn vrijgelaten of ontsnapt?1
Ja, het kabinet is bekend met deze zorgelijke berichten. De situatie in noordoost-Syrië is in de afgelopen periode zeer volatiel en complex geweest, waarbij ook veel onjuiste informatie online is gedeeld. Zekerheid over aantallen en verantwoordelijkheid kan in dit stadium niet gegeven worden. Er circuleren verschillende berichten dat er aan IS-gelieerde personen in Syrië zijn ontsnapt en ook weer, deels, zouden zijn opgepakt.
Kunt u bevestigen of de instabiliteit tijdens de machtswisseling in Damascus direct heeft bijgedragen aan een beveiligingsvacuüm in de regio's waar IS-gevangenen werden vastgehouden? Hoe beoordeelt u de risico's hiervan voor de nationale veiligheid van Nederland en de Europese Unie (EU)?
De machtswisseling in Damascus zelf, die zich in december 2024 voltrok, lijkt niet direct van invloed te zijn geweest op de huidige veiligheidssituatie in noordoost-Syrië. Wel is het zo dat de situatie direct wordt beïnvloed door de recente conflicten tussen de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF) rond de integratie van laatstgenoemde in de Syrische staat. Bij gevechten tussen het Syrische leger en de SDF in de afgelopen periode is sprake geweest van een zorgelijke veiligheidssituatie, met name in de kampen en detentiecentra waar zich voormalig ISIS-strijders en hun familieleden bevinden. Bemoedigend in het kader van een stabilisering van de situatie is de – op 30 januari jl. overeengekomen – overeenkomst tussen de Syrische overgangsregering en de SDF; onderdeel hiervan is een permanent staakt-het-vuren.
Daar het kabinet zich al langer zorgen maakt over de veiligheidssituatie in Syrië en de mogelijke impact daarvan op de Europese en nationale veiligheid, is onder andere vorig jaar EUR 7 miljoen extra vrijgemaakt om repatriëring en re-integratie van Iraakse terugkeerders in Irak mogelijk te maken. Hiermee wordt de druk op de kampen verlicht.
Met alle betrokken nationale- en internationale partners houden we de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten. Daarbij geldt dat het kabinet instrumentarium voorhanden heeft om onopgemerkte terugkeer van Nederlandse uitreizigers tijdig te onderkennen en op basis daarvan maatregelen kan treffen. Zo staan Nederlandse uitreizigers gesignaleerd en is tegen onderkende Nederlandse uitreizigers een strafrechtelijk onderzoek gestart. Op dit punt zijn ook alle nationale- en internationale partners alert en staan met elkaar in contact.
Hoe weegt u de algemene hervormingsagenda van de regering onder Ahmad al-Sharaa? Ziet u op dit moment voldoende bewijs dat Damascus een koers vaart die leidt tot duurzame vrede en een inclusieve samenleving, als voorwaarde voor verdere normalisatie?
In het afgelopen jaar heeft de Syrische overgangsregering een hervormingsagenda gepresenteerd die gericht lijkt op een inclusieve politieke transitie, gelijke rechten voor alle Syrische gemeenschappen en gerechtigheid voor gepleegde misdaden, zowel ten tijde van het Assad-regime als daarna. Het kabinet verwelkomt in dit kader het op 16 januari jl. door interim-president Sharaa getekende decreet waarin wordt herbevestigd dat de Koerdische gemeenschap een integraal onderdeel van Syrië is, waarin Koerdische culturele rechten worden erkend, en stateloze Koerden het burgerschap toegekend zullen worden.
Dit zijn belangrijke eerste stappen, waarbij het kabinet benadrukt dat daadwerkelijke inclusiviteit en gelijke rechten voor alle gemeenschappen blijvende aandacht en concrete uitvoering vergen. Het kabinet spreekt de overgangsregering dan ook consequent aan op haar verantwoordelijkheden op deze gebieden. In EU-verband benadrukt het kabinet, in lijn met de motie Stoffer/Ceder,2 dat aan mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties verbonden dienen te worden en dat zodoende sprake is van voorwaardelijke steun.3
Wat is uw visie op het proces waarbij de SDF worden geïntegreerd in de nationale defensiestructuren? Deelt u de zorg dat deze «absorptie» niet mag leiden tot de ontmanteling van de seculiere waarden en de unieke operationele expertise van de SDF?
Het kabinet volgt dit proces op de voet. De recentelijke gevechten tussen het Syrische leger en de SDF laten zien dat dit een onvoorspelbaar en complex proces is. In algemene zin kan integratie van de SDF in het Syrische leger bijdragen aan een grotere stabiliteit en meer vertrouwen in het Syrische veiligheidsapparaat bij de Syrische bevolking. Een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtsstatelijke garanties voor alle Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, blijft het uitgangspunt van het kabinet.
In hoeverre is er volgens uw informatie sprake van druk vanuit Turkije om de Koerdische autonomie binnen de nieuwe Syrische staatsstructuur volledig te beëindigen? Hoe streeft Nederland diplomatiek naar een balans tussen de veiligheidsbelangen van een NAVO-bondgenoot en de bescherming van de Koerdische bondgenoten?
Turkije is geen voorstander van Koerdische autonomie binnen de Syrische staatsstructuur en heeft zich uitgesproken voor integratie van alle groepen en individuen in deze structuur.
Zoals genoemd bij de beantwoording van vraag vier, blijft een inclusieve politieke transitie, met ruimte en rechtstatelijke garantie voor de Syrische gemeenschappen, waaronder de Koerden, het uitgangspunt voor dit kabinet. Deze boodschap draagt het kabinet ook uit, inclusief in contacten met de Turkse autoriteiten.
Op welke wijze monitort de Nederlandse regering de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten en de bescherming van religieuze en etnische minderheden zoals de Koerden, Alawieten en Druzen ter plaatse, en in hoeverre is de mate van verdere diplomatieke erkenning van de Al-Sharaa regering afhankelijk van de institutionele borging van deze rechten?
Het kabinet monitort de naleving van mensenrechten in Syrië nauwgezet. Dit gebeurt bijvoorbeeld via onze steun aan het OHCHR-veldkantoor in Damascus, de VN Commission of Inquiry (CoI) en het International, Impartial and Independent Mechanism (IIIM).
Daarnaast zet Nederland via het beleidskader FOCUS en het mensenrechteninstrument «Beschermen en Promoten van Mensenrechten en Fundamentele Vrijheden» gericht in op de bescherming van religieuze en etnische minderheden, waaronder Koerden, Alawieten en Druzen.
Kunt u toelichten in hoeverre de recente ontwikkelingen, zoals de druk op de SDF-structuren en de berichten over de onveiligheid in IS-detentiefaciliteiten, zich verhouden tot het besluit om EU-sancties te versoepelen? Is deze versoepeling volgens u gestoeld op de verwachting van verdere hervormingen, en op welke wijze wordt geborgd dat deze verlichting niet contraproductief werkt voor de veiligheid van minderheden?
Het kabinet heeft, via de EU, bewust ingezet op sanctieverlichting voor Syrië, aangezien economisch herstel en wederopbouw essentieel zijn voor de stabiliteit en veiligheid. Daar zijn alle Syrische gemeenschappen bij gebaat. Tegelijkertijd hebben wij ons binnen de EU juist hard gemaakt voor het instellen van gerichte sancties tegen personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor mensenrechtenschendingen en sektarisch geweld. Deze maatregelen zijn erop gericht de verantwoordelijken van deze misdaden te treffen, en niet de bredere Syrische bevolking of economie. Daarnaast zet het kabinet zich in de EU in voor voorwaardelijke steun aan Syrië, waarbij concrete stappen van de Syrische overgangsregering worden verwacht ten aanzien van de huidige politieke transitie en de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen. Recentelijk heeft het kabinet hier wederom in EU-verband aandacht voor gevraagd, in lijn met de motie Stoffer/Ceder.4
Kunt u toelichten hoe de toezegging van het Europese steunpakket van 700 miljoen euro voor Syrië zich verhoudt tot de actuele ontwikkelingen op de grond, zoals de druk op de Koerdische zelfbeschikking en de positie van minderheden, en op welke wijze wordt concreet toegezien op de besteding van deze middelen om te borgen dat deze niet bijdragen aan de verdere marginalisering van deze groepen?
De voorzitter van de Europese Commissie en de voorzitter van de Europese Raad hebben begin 2026 een financieel steunpakket toegezegd van ongeveer 620 miljoen euro voor 2026 en 2027, als onderdeel van het verder versterken van de betrekkingen tussen de EU en Syrië. Dit steunpakket is primair gericht op humanitaire hulp, herstel en stabilisatie, en is vormgegeven met oog voor de positie van kwetsbare groepen, waaronder etnische- en religieuze minderheden.
De EU volgt de ontwikkelingen in Syrië nauwgezet en betrekt deze bij de geleidelijke en voorwaardelijke inzet van steun. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 7, heeft het kabinet recentelijk het belang van deze voorwaardelijkheid benadrukt, waarbij is aangegeven dat mensenrechtenschendingen en geweldsuitbraken consequenties zouden moeten hebben.
Daarbij geldt dat de besteding van EU-middelen onderworpen is aan strikte monitoring- en evaluatiemechanismen, waaronder risicobeoordelingen, rapportageverplichtingen en onafhankelijke monitoring. De financiering loopt daarbij tot op heden uitsluitend via VN-organisaties, internationale organisaties en Ngo’s, en dus niet via Syrische overgangsregering. Indien risico’s op uitsluiting of marginalisering van bevolkingsgroepen worden vastgesteld, kan de uitvoering worden aangepast, opgeschort of beëindigd. Hiermee wordt geborgd dat EU-steun niet bijdraagt aan spanningen of ongelijkheid.
Bent u bereid om in EU-verband aan te dringen op harde voorwaarden voor de uitbetaling van de resterende tranches van het steunpakket, specifiek gekoppeld aan de veiligheid en politieke vertegenwoordiging van minderheidsgroepen?
Zie antwoord vraag 8.
Onder welke voorwaarden ziet u Syrië op de lange termijn als een volwaardige partner voor vrede in het Midden-Oosten, en op welke wijze borgt u dat verdere normalisatie van de betrekkingen gelijke pas houdt met de voortgang op het gebied van de rechten van minderheden?
Duurzame voortuitgang op het gebied van veiligheid, inclusiviteit, rechtsstatelijkheid en mensenrechten, waaronder de borging van de rechten en veiligheid van alle Syrische gemeenschappen, zijn cruciale elementen die onze relatie ten aanzien van de Syrische overgangsregering definiëren en ook richting de toekomst verder zullen bepalen. Op basis van concrete acties op deze gebieden kunnen de betrekkingen met de Syrische overgangsregering gefaseerd – en voorwaardelijk – plaatsvinden, waarbij dit proces steeds afhankelijk zal zijn van concrete en verifieerbare stappen op deze terreinen. Het kabinet volgt dit nauwgezet door voortdurende monitoring en nauwe afstemming met internationale partners en organisaties.
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Ja.
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Laat ik voorop stellen dat het onacceptabel is dat drugs in gevangenissen terecht komt. De invoer van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar. Voor het verhandelen of het bezit van drugs gelden dezelfde strafrechtelijke normen als buiten de gevangenis. Voor het gevangenispersoneel maar ook voor gedetineerden zelf brengt het veiligheidsrisico’s met zich mee wanneer dit in de Penitentiaire Inrichtingen (PI) voorkomt. Daarom hanteert DJI een zerotolerancebeleid en wordt er stevig opgetreden.
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
DJI werkt hard om contrabande, waaronder drugs, te voorkomen.
Met een gelaagd proces wordt er op de volgende wijze op contrabande gecontroleerd:
Ondanks deze controles komt er drugs de gevangenissen in. Veel wordt onderschept voordat het een gedetineerde bereikt. Dit zijn bijvoorbeeld contrabande die zijn aangetroffen bij fouillering na bezoek, een controle na deelname aan een buitenactiviteit, controles van de post en gedetecteerde drones.
Mede daarom is de aanpak om contrabande tegen te gaan geïntensiveerd en is er momenteel een taskforce actief om contrabande in PI’s verder tegen te gaan. De taskforce volgt op een aangenomen motie van het Tweede Kamerlid Ellian2. Bij een zestal PI’s worden minimaal zes maanden lang geïntensiveerde controles toegepast. De Kamer wordt overeenkomstig de motie hierover uiterlijk september 2026 geïnformeerd.
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Ik deel de mening dat het problematisch is wanneer drugs voorkomen in PI’s. De invoer en het verhandelen van drugs in de justitiële inrichtingen is strafbaar, en heeft bij constatering altijd consequenties. Tevens levert het veiligheidsrisico’s op als het gaat om de gezondheid van gedetineerden en medewerkers, en beïnvloeding van gedrag in negatieve zin. Wanneer drugsgebruik voorkomt, en dit herleidbaar is naar een gedetineerde, beslist de vestigingsdirecteur welke disciplinaire straf wordt opgelegd. In regimes waar het toetsingskader promoveren en degraderen geldt, wordt de gedetineerde gedegradeerd naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd. Wanneer drugsinvoer herleidbaar is naar een bezoeker of «invoerder», wordt aangifte gedaan wat kan leiden tot strafrechtelijke sancties. Dit geldt ook voor bezit.
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4.
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
Binnen de Penitentiaire Inrichtingen is verslavingszorg beschikbaar. Het medisch personeel bestaat uit BIG-geregistreerde professionals met kennis van verslavingszorg. Indien de zorgvraag het aanbod van een PI overstijgt kan forensische zorg worden ingezet. Dit is aanvullende ambulante zorg, die wordt ingekocht bij forensische zorgaanbieders, met het doel de kans op terugval in drugsgebruik en hiermee gepaard gaand crimineel handelen te verkleinen. Ook is er aandacht voor scholing voor met name de psychologen binnen PI’s. Tevens zijn er trainingen beschikbaar voor de medewerkers van de inrichtingen via het online leerportaal op het gebied van verslaving.
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Aangetroffen contrabande, waaronder drugs, worden jaarlijks door DJI gepubliceerd.3 Verder worden er steekproefsgewijs urinecontroles uitgevoerd bij justitiabelen. DJI ontvangt de uitslagen van deze urinecontroles van het laboratorium die de controles uitvoert. Verder wordt er momenteel geen gericht onderzoek gedaan naar drugsgebruik- en invoer in Nederlandse gevangenissen. Ik bekijk of en wat de mogelijkheden zijn om drugsgebruik- en invoer in gevangenissen beter in kaart te brengen en wat daarvan de toegevoegde waarde is.
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Ontwikkelingen op de drugsmarkt volgen elkaar snel op en het opsporen van nieuwe psychoactieve stoffen (zoals synthetische cannabinoïden)
is moeilijk. De meeste van deze synthetische drugs worden namelijk niet gedetecteerd door bijvoorbeeld urinecontroles. Daarom investeert DJI in aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. De afgelopen jaren is in meerdere inrichtingen geëxperimenteerd met nieuwe detectietechnologie voor sporenanalyse van verdachte materialen. De eerste resultaten zijn positief. Op basis daarvan schaalt DJI gefaseerd op: inrichtingen kunnen verdachte monsters centraal laten analyseren bij daartoe ingerichte testlocaties.
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
In 2024 zijn er in het gevangeniswezen en vreemdelingenbewaring 3.155 beschikkingen opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs, in 2025 ging het om 3.548 beschikkingen.
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Zoals genoemd in het antwoord bij vraag 8 volgen de ontwikkelingen op de drugsmarkt elkaar snel op en is en blijft het lastig om synthetische drugs op te sporen, maar investeert DJI daarom in op aanvullende detectie en laboratoriumanalyse. Dit is nog steeds een grote uitdaging. Voor de vraag over onderzoek verwijs ik naar het antwoord op vraag 7.
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Op Europees niveau is er vanuit de European Union Drugs Agency (EUDA) al langere tijd aandacht voor de monitoring en behandeling van drugs in gevangenissen. Vanuit Nederland is er nog ruimte voor verbetering als het gaat om monitoring en de aanpak van drugsgebruik in detentie. Van andere landen valt dan ook zeker nog te leren. Er wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de aanpak en zorg rondom drugs te verbeteren in PI’s Voorbeelden en ervaringen uit andere landen worden hierin meegenomen.
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Heeft u voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal overleg gevoerd met burgemeesters en/of de lokale driehoeken over de reële kans op ongeregeldheden en geweldplegingen? Zo ja, welke concrete risico’s zijn daarbij benoemd en welke maatregelen zijn afgesproken om de openbare orde te waarborgen?1
Nee, de maatregelen die worden getroffen voor de handhaving van de openbare orde zijn aan het lokaal gezag in de gemeente. De afweging welke maatregelen op welk moment verstandig zijn dienen in de lokale driehoek gemaakt te worden.
Is er op landelijk niveau een risicobeeld opgesteld voor deze wedstrijd, mede op basis van eerdere ervaringen met rellen na wedstrijden van Marokko? Kunt u uiteenzetten welke dreigingen daarin zijn meegenomen?
De lokale driehoek maakt op basis van de beschikbare informatie een risico-inschatting betreffende de mogelijkheid op openbare orde verstoringen.
Wordt er actief gemonitord op sociale media en berichtenapps op oproepen tot rellen, geweld of verstoring van de openbare orde in relatie tot deze wedstrijd? Zo ja, hoe worden deze signalen in de praktijk benut?
De politie heeft mogelijkheden om zowel fysiek als online, binnen de kaders van artikel 3 van de Politiewet, voorafgaand of tijdens een evenement informatie te verzamelen om een risico-inschatting te maken of, waar en wanneer er een mogelijke openbare orde verstoring kan plaatsvinden. Op basis van het informatiebeeld wordt het lokaal gezag geïnformeerd en wordt in de lokale driehoek bepaald welke inzet en maatregelen nodig zijn.
Is de beschikbare politiecapaciteit rondom de wedstrijd Marokko-Senegal voldoende om bij eventuele grootschalige ongeregeldheden snel en hard op te treden? Hoeveel extra agenten zijn landelijk extra stand-by gezet voor deze avond?
Ja, er is voldoende politiecapaciteit om, ook in het geval van eventuele grote ongeregeldheden, op te treden. De politie bepaalt lokaal op basis van het informatiebeeld rondom onder andere voetbalwedstrijden, wat de benodigde inzet is om in te kunnen spelen op diverse scenario’s die zich zouden kunnen voordoen. De politie heeft mij geïnformeerd dat daar waar nodig in de preparatie was opgeschaald. Voor deze voetbalwedstrijd was de inzet toereikend.
Is er voldoende arrestanten- en celcapaciteit beschikbaar om bij escalatie massaal te kunnen aanhouden en vasthouden? Zo nee, waarom niet?
Ik heb van de politie vernomen dat het algehele beeld in het land rustig was. Op twee locaties hebben ongeregeldheden plaatsgevonden: in Amsterdam en Den Haag. Er zijn in totaal zeventien aanhoudingen verricht (negen in Amsterdam en acht in Den Haag) naar aanleiding van onder andere het afsteken van vuurwerk en belediging. Beschikbare capaciteit van politiecellen om arrestanten vast te zetten speelde geen rol bij de keuze om over te gaan tot aanhoudingen.
Kunt u aangeven wat het Openbaar Ministerie (OM), als er sprake is van grootschalige escalatie, doet met vervolgingen? Kunt u garanderen dat dit adequaat en naar behoren wordt opgepakt? Kunt u hier dan ook een terugkoppeling van geven?
De keuzes betreffende vervolging worden gemaakt door het Openbaar Ministerie, ook in het geval van grootschalige escalatie. Bij de vervolgingsbeslissing houdt de officier van justitie er onder meer rekening mee of het feit bewezen kan worden en vervolging opportuun is.
Welke specifieke preventieve en repressieve maatregelen zijn genomen om te voorkomen dat het voor of na de wedstrijd opnieuw uit de hand loopt, zoals bij eerdere gelegenheden? Betreft dit onder meer gebiedsverboden, noodbevelen, inzet van Mobile Eenheid, cameratoezicht, fouilleeracties en het afsluiten van stadscentra?
De gemeenten Den Haag en Amsterdam hebben mij geïnformeerd dat ter voorbereiding op de voetbalwedstrijd Marokko-Senegal een aantal preventieve maatregelen zijn getroffen. Dit is in nauwe samenwerking geweest met maatschappelijke partners, ondernemers en bewoners. Op basis van de risico-inschatting zijn extra tijdelijke «openbare orde camera’s» en aanvullende verlichting geplaatst op aangewezen locaties. Ook is de politie-inzet tijdelijk opgeschaald. Ter ondersteuning van de openbare orde is in Den Haag door de politie een verkeerscirculatieplan opgesteld, dat is uitgevoerd met de inzet van verkeersregelaars. Tevens zijn er tijdens de wedstrijd extra buurthuizen opengesteld om bewoners een alternatief te bieden om gezamenlijk de voetbalwedstrijd te kijken en de druk op de openbare ruimte te verminderen. Na afloop van de wedstrijd zijn er in beide gemeenten buurtvrijwilligers herkenbaar de straat op gegaan om medebewoners aan te spreken op eventueel onwenselijk gedrag en de-escalerend te handelen waar nodig.
Kunt u in het geval van ongeregeldheden de Kamer volledig te informeren over het aantal incidenten, aanhoudingen, geweldsdelicten en de schade aan openbare eigendommen?
De politie heeft mij geïnformeerd dat één vuilcontainer in brand is gestoken in Amsterdam. Hier is ook iemand voor aangehouden. Zie verder ook het antwoord bij vraag 5.
Kunt u deze vragen voorafgaand aan de wedstrijd Marokko-Senegal beantwoorden, zodat duidelijk is of Nederland daadwerkelijk voorbereid is op mogelijke ordeverstoringen?
De beantwoording in de verzochte termijn is helaas niet gelukt.
Diplomafraude in de jeugdzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Ja.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen ronselt voor criminele activiteiten?
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen, zeker aan kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Uit de steekproef van SKJ blijkt bij 18 van de 22 EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Het Nationaal Kenniscentrum EVC (NKC) fungeert als toezichthouder van het EVC-stelsel. Het NKC verleent de erkenning als EVC-aanbieder aan een organisatie en ziet toe op de kwaliteit van EVC. Vervolgens is het aan werkgevers om te controleren dat werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden.
De resultaten van de steekproef worden in het antwoord op vraag 5 besproken. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg hiervan.
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Registratie in het kwaliteitsregister Jeugd kon tot en met vorig jaar op basis van een diploma (onderwijsroute) en op basis van een EVC-certificaat (arbeidsmarktroute). De bijbehorende EVC-standaard is begin januari 2026 door de standaardeigenaren2 ingetrokken op basis van de uitkomsten van de steekproef van SKJ. De registratieroute op basis van EVC is daarmee geen mogelijkheid meer.
In de onderwijsroute heeft de Minister van OCW, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor het formeel onderwijs, in juni 2025 alle onderwijsinstellingen opgeroepen om permanent terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC-certificaten. Daarnaast heeft Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in 2025 een tool opgeleverd waarmee werkgevers op de website van DUO eenvoudig kunnen controleren of een mbo-, hbo- of wo-diploma echt is.
De arbeidsmarktroute is met het EVC-stelsel privaat georganiseerd. Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest) in de jeugdzorg?
SKJ heeft de data van de 274 onderzochte EVC-dossiers uit de steekproef geëxtrapoleerd naar de hoog risico EVC-dossiers onder het totale aantal van 65.000 geregistreerden in het register. Dat leidt tot de inschatting van het aantal van 800 dossiers waar SKJ in dit artikel over rept. Het is niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk in totaal op basis van een frauduleus EVC-certificaat geregistreerd staan en hoeveel daarvan werkzaam zijn in de jeugdhulp. Dat laat onverlet dat ik het van groot belang vind dat de jeugdsector kan rusten op een betrouwbaar systeem waarin professionals met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn. Hierover ben ik met de betrokken partijen in gesprek.
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Schade aan jeugdigen vanwege fraude in de jeugdhulp is onacceptabel. Ik vind het zorgelijk dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. De kwaliteit en veiligheid van zorg aan kinderen en hun gezinnen moeten gewaarborgd zijn. Meerdere partijen in de sector hebben hierin een rol: werkgevers moeten de competenties van professionals toetsen, de SKJ registreert professionals die aan kwaliteitseisen moeten voldoen en de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit, zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Deze partijen kunnen hun vermoedens online of telefonisch melden bij Meld misdaad anoniem of bij het centrale meldpunt zorgfraude op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij zorgen over de kwaliteit van zorg kan een melding worden gedaan bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Tenslotte kan men ook aangifte doen bij de politie.
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Omdat het EVC-stelsel geen direct toezicht vanuit de overheid kent, hebben instanties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) geen formele rol. Wel hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het signaleren en agenderen van de EVC-problematiek. Bij strafrechtelijke overtredingen kan de strafrechtketen, waaronder de Politie, een rol spelen.
Per 1 januari 2025 heeft de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) de wettelijke taak gekregen signalen van zorgfraude te bundelen en delen met toezichthouders en opsporingsdiensten. Alle gemeenten zijn verplicht vermoedens van zorgfraude bij het IKZ te melden. Dankzij de wettelijke grondslag van het IKZ is doelmatige gegevensdeling tussen onderlinge instanties eenvoudiger. Dit versterkt de aanpak van fraude in de zorg.
Het Nationaal Kenniscentrum EVC is de toezichthouder van het EVC-stelsel, maar heeft onvoldoende handhavingsmogelijkheden. Daarom hebben de EVC-standaardeigenaren de EVC-standaard voor het jeugddomein ingetrokken. Dit is een ingrijpende, maar noodzakelijke stap. De jeugdzorgsector werkt nu aan een beter systeem opdat mensen met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn in de jeugdzorg. Hierover ben ik met de sector in gesprek.
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing, verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst van de mogelijke schade?
De SKJ is momenteel bezig met de aangifte tegen EVC-bureaus waar ernstige onregelmatigheden in de EVC-dossiers zijn geconstateerd. SKJ beziet nog of ook aangifte tegen individuele personen kan worden gedaan. Van de groep geregistreerden bij wie onrechtmatigheden in hun EVC-dossiers is gevonden, is de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd inmiddels doorgehaald. Dat betekent dat zij niet langer inzetbaar zijn voor taken in de jeugdhulp die vanwege o.a. complexiteit en risiconiveau de inzet van een geregistreerde professional eisen.
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Doorhaling van een registratie in het Kwaliteitsregister is niet slechts een administratieve verwijdering. Professionals die in het register staan ingeschreven mogen voorbehouden taken uitvoeren in risicovolle en complexe casussen, conform het Kwaliteitskader Jeugd. Bij doorhaling is voor iedereen, in het publiek te raadplegen register, zichtbaar welke professionals niet langer aan de eisen voldoen om deze taken uit te mogen voeren. Dat is daarmee een zorgvuldig proces. Behalve doorhaling van de registratie, is SKJ in het proces van aangifte doen tegen EVC-bureaus met als doel strafrechtelijke vervolging, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Het Openbaar Ministerie kan in een strafrechtelijk proces als onderdeel van de straf een beroepsverbod eisen.
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit, toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke stappen neemt u om dit op te lossen?
Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat geboden jeugdhulp van goede kwaliteit is. De steekproef en het vervolgdossieronderzoek komen bovenop de reguliere taken van SKJ. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor dit EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg.
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Het kabinet acht overheidstoezicht op private EVC-aanbieders een onvoldoende oplossing om de huidige misstanden aan te pakken en te voorkomen. Het is allereerst aan werkgevers om te controleren of werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden. Examencommissies van onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand voldoende kennis en kunde heeft om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van een) examen. De focus moet daarom liggen op werkgevers en onderwijsinstellingen die deze expertise en verantwoordelijkheden hebben, en niet op het al dan niet publiek toezien op een privaat stelsel. De sociale partners in de jeugdzorg nemen hierin hun verantwoordelijkheid en hebben besloten, na onderzoek naar de kwaliteit van de vakbekwaamheidsbewijzen op basis van EVC-trajecten, te stoppen met erkenning van deze bewijsstukken.
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend, zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Ik deel die zorg. Daarom heeft de Minister van VWS vorig jaar met collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten, vanwege de signalen van fraude. Ik roep ook de veldpartijen in andere zorgsectoren op kritisch te kijken naar de kwaliteit van EVC-certificaten en in hoeverre deze kan worden geborgd, net zoals de sociale partners in de jeugdzorg hebben gedaan.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Zoals in antwoord 14 aangegeven is vorig jaar een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken met professionals op basis van EVC-certificaten. Er is extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. De Minister van VWS beziet samen met de Ministers van OCW, SZW en JenV welke aanvullende maatregelen noodzakelijk en effectief zijn. Zij zullen de Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht dat steeds meer lokale bestuurders een veiligheidsscan laten uitvoeren, mede door de toename van online dreigingen?1
Ja, met dit bericht ben ik bekend.
Hoe beoordeelt u dat lokale bestuurders steeds vaker preventief veiligheidsscans laten uitvoeren vanwege online dreiging, en bent u het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit wijst op een structureel en genormaliseerd veiligheidsprobleem? Zo nee, waarom niet?
De veiligheidsscans voor decentrale bestuurders en de maatregelen die op basis hiervan getroffen worden zijn preventief. Bestuurders kunnen hiervan gebruik maken om hun weerbaarheid tegen dreigingen te vergroten, ook (en juist) wanneer de bestuurder nog geen agressie, intimidatie of bedreiging heeft meegemaakt. Het is dus goed dat decentrale bestuurders gebruik maken van de mogelijkheid om preventief maatregelen te laten treffen. Het is niettemin betreurenswaardig dat deze maatregelen überhaupt nodig zijn. Geweld tegen politieke ambtsdragers is niet normaal en dat moeten we ook absoluut niet normaal gaan vinden.
Over welke actuele cijfers en trends beschikt u met betrekking tot online intimidatie, bedreiging en doxing van lokale bestuurders, en hoe verhouden deze zich tot eerdere jaren?
Elke twee jaar laat ik onderzoek doen naar de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en intimidatie. De uitkomsten van dit onderzoek worden gepubliceerd in de Monitor Integriteit en Veiligheid. Sinds de editie van 2022 is hierin meer aandacht voor online agressie. Daaruit blijkt dat 39% van decentrale politieke ambtsdragers te maken heeft gehad met online agressie. In 2024 bedroeg dit 37%. Dit jaar verschijnt wederom de Monitor Integriteit en Veiligheid. Vanuit politie en het Openbaar Ministerie zijn nog geen definitieve cijfers bekend over het aantal zaken van doxing van politieke ambtsdragers. Wel is dit aantal tot nu toe zeer beperkt.
Welke landelijke, structurele voorzieningen ten behoeve van preventieve veiligheidsondersteuning van lokale bestuurders zijn er beschikbaar?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur en het Netwerk Weerbaar Bestuur zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Kunt u toelichten in hoeverre veiligheidsscans en de opvolging daarvan landelijk uniform zijn ingericht, of dat sprake is van versnippering in kwaliteit en aanpak?
Door de Regeling veilig wonen kunnen decentrale bestuurders sinds 1 januari 2024 een beveiligingsadvies op maat krijgen. Deze beveiligingsadviezen worden uitgevoerd door het CCV en gefinancierd door mijn ministerie. Veiligheidsexperts van het CCV werken volgens een uniform en zorgvuldig vastgesteld proces, van veiligheidsgesprek en woningschouw tot en met het opstellen van een adviesrapport. De CCV-adviseur spreekt met de bestuurder en diens werkgever en betrekt relevante openbroninformatie. Deze gecombineerde informatie vormt de basis voor het risicoprofiel en voor preventieve beveiligingsmaatregelen voor de individuele bestuurder. Er is in de advisering ruimte voor maatwerk. De experts bezien per situatie welke preventieve maatregelen passend en noodzakelijk zijn. Het rapport wordt door de Beveiligingsautoriteit van mijn ministerie getoetst op proportionaliteit en vervolgens vastgesteld. De uitvoering van het advies ligt bij de bestuurder en diens werkgever.
Hoe wordt voorkomen dat de mate van bescherming tegen online dreiging afhankelijk is van de grootte, financiële middelen of bestuurskracht van een gemeente?
Het is belangrijk dat alle gemeenten weerbaar zijn tegen de verschillende vormen van oneigenlijke druk, ongeacht de grootte, financiële middelen of bestuurskracht. Ik heb daarom aandacht voor de positie van kleinere gemeenten. Zo gaat het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur langs alle gemeenten, provincies en waterschappen om de bewustwording over risico’s en omgang met (online) agressie en intimidatie onder politici te vergroten, is het Netwerk Weerbaar Bestuur erop ingericht om kennisuitwisseling en regionale samenwerking tussen grote en kleinere gemeenten te stimuleren en bestaat er een speciale meerjarige decentralisatie-uitkering om de slagkracht van kleinere gemeenten tegen oneigenlijke druk te vergroten. Ook is bij de toekenning van de middelen via de decentralisatie-uitkering voor veiligere vergaderingen rekening gehouden met het inwoneraantal van de betreffende gemeenten en provincies, waarbij kleinere gemeenten relatief meer ontvangen.
Welke signalen heeft u dat aanhoudende online dreiging leidt tot zelfcensuur, terughoudendheid of aangepast optreden van lokale bestuurders?
Vanuit de media, gesprekken met lokale bestuurders en cijfers uit de Monitor Integriteit en Veiligheid ontvang ik signalen dat alle vormen van agressie verschillende negatieve effecten hebben. De effecten lopen uiteen van verminderd werkplezier tot aangepast social media gebruik en het zich niet meer kandideren voor een volgende bestuursperiode. Dit is onacceptabel. Bestuurders moeten vrij hun werk kunnen doen. Het is belangrijk dat bij aanhoudende online dreiging de organisatie en de politie worden ingeschakeld, zodat er bijvoorbeeld stopgesprekken plaatsvinden en eventueel strafrechtelijk kan worden opgetreden.
In hoeverre ziet u risico’s voor de instroom, het behoud en het functioneren van lokale bestuurders, en daarmee voor de continuïteit en kwaliteit van het lokaal bestuur?
Agressie en bedreigingen zijn een grote aantasting van het ongestoord functioneren van de lokale democratie. Toch komt uit onderzoek niet eenduidig naar voren dat politieke ambtsdragers hun ambt neerleggen vanwege agressie en bedreigingen. Ook noemen politieke partijen agressie en intimidatie niet als de belangrijkste reden waarom het lastig is om nieuwe kandidaten te vinden.
Een overgrote meerderheid van de politieke ambtsdragers die te maken krijgt met agressie ervaart hierdoor negatieve gevolgen. Dit tast de integriteit van het openbaar bestuur aan en daarom moeten we politieke ambtsdragers hierbij zo goed mogelijk ondersteunen.
Hoe is de samenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie ingericht bij signalen die voortkomen uit veiligheidsscans, en acht u deze samenwerking toereikend?
Signalen uit het adviesrapport van het CCV kunnen voor de bestuurder en/of werkgever aanleiding zijn voor contact met de lokale politie of het Openbaar Ministerie. Het is aan de vaste partners binnen de lokale veiligheidsdriehoek zelf om hierover waar nodig met elkaar in contact te treden. Er zijn mij geen signalen bekend dat dit niet goed verloopt. Daarnaast kan de Beveiligingsautoriteit van BZK naar aanleiding van een casus van een lokale bestuurder afstemming zoeken met de Politie of het OM om te bezien of eventuele aanvullende inzet te realiseren is.
Bent u bereid te bezien of een meer structurele landelijke aanpak, bijvoorbeeld via uniforme standaarden, centrale ondersteuning of aanvullende regelgeving, nodig is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging?
Hoewel er ruime mogelijkheden zijn om strafrechtelijk te kunnen optreden tegen intimidatie van lokale bestuurders en verstoringen van het democratische proces, blijkt dat online intimidaties en bedreigingen minder snel als strafbaar feit kunnen worden aangemerkt. Er is meer kennis nodig over online intimidatie en bedreiging en daar zet ik me de komende tijd voor in. Daarnaast ga ik aan de slag met modelaangifte voor decentrale politieke ambtsdragers waardoor de kwaliteit van aangiftes verbeterd en het doen van aangifte makkelijker wordt.
Ik ben bereid om samen met mijn ambtsgenoot van JenV te bezien of een meer structurele landelijke aanpak noodzakelijk en wenselijk is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging. Daarbij zal ik kijken naar de mogelijkheden van uniforme standaarden, versterking van ondersteuning en, waar nodig, aanvullende regelgeving wanneer strafrechtelijke vervolging onvoldoende kansrijk is.
Het bericht ‘Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het FD: «Misbruik via de plof-bv kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er grip op»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Was het risico dat turboliquidaties gebruikt kunnen worden als verdwijningstruc voor fraudeurs bij introductie van het voorstel voorzien? Zo ja, waarom is dit risico destijds ingeschat als acceptabel?
De wetgever heeft het wenselijk geacht dat lege, inactieve rechtspersonen op eenvoudige wijze konden worden beëindigd. De turboliquidatie is ingevoerd om dit mogelijk te maken.2 In de praktijk heeft de turboliquidatieregeling ruimte geboden aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Tegelijkertijd heeft de regeling zorgen doen ontstaan over misbruik door kwaadwillenden, met name als er schulden achterblijven.3 Er zijn minder procedurele waarborgen dan bij een gewone, maar kostbaardere en langere faillissementsprocedure. Dit risico werd dus onderkend en er werd ingezien dat de regeling verbetering behoefde,4 ook al is de aard en omvang van mogelijk misbruik niet precies vast te stellen. Deze verbetering kreeg urgentie toen de Minister voor Rechtsbescherming in 2022 in verband met de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor het bedrijfsleven een mogelijke toename in bedrijfsbeëindigingen verwachtte. Dit heeft geleid tot de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Hierdoor kunnen schuldeisers beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Bestuurders kunnen verder een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld, bijvoorbeeld door frauduleus handelen.5
Deelt u de mening dat er geen volledig beeld is van de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u het volledige beeld delen met de Kamer?
Ik deel deze mening. Uit de praktijk volgt dat misbruik zich voordoet, maar de omvang hiervan is lastig vast te stellen. De reden hiervoor is dat het, vanwege het beperkte inzicht in de financiële stukken van een rechtspersoon, achteraf moeilijk is om te bepalen of bestuurders frauduleus hebben gehandeld.
Waarom zijn de negatieve signalen, zoals 1. dat de helft van degenen die gebruik maken van turboliquidaties, jarenlang of nooit een jaarrekening deponeerden, ondanks dat dit verplicht is, 2. dat de helft van de ontbindingen te laat zijn gemeld bij de Kamer van Koophandel of 3. dat de opheffing gebeurde met terugwerkende kracht, niet eerder boven tafel gekomen? Waarom is er niet eerder op deze signalen geacteerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, waren er in het verleden diverse signalen van misbruik van de turboliquidatieregeling. Om deze reden zijn er met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie diverse maatregelen doorgevoerd, waaronder de aangescherpte verantwoordingsplicht, de mogelijkheid voor schuldeisers om bij niet-naleving van deze verplichting inzicht te krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon en aangescherpte sancties, zoals de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod bij het niet voldoen aan de deponeringsverplichting.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft het WODC-onderzoek naar de effecten van deze wet op 12 augustus 2025 aan uw Kamer aangeboden.6 In deze brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het streven is om in het tweede kwartaal van dit jaar een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer te delen.
Wat is er nodig om het toezicht op het bij een turboliquidatie verplicht deponeren van extra documenten te intensiveren zodat er inzicht ontstaat over de omvang van het probleem en zodat er gehandhaafd en opgetreden kan worden, aangezien het eerste bestuursverbod wegens foute turboliquidatie nog uitgedeeld moet worden?
De handhaving van de verantwoordingsplicht is de taak van Bureau Economische Handhaving (dat onderdeel was van de Belastingdienst en verder gaat onder de naam DFEI (Dienst financieel-Economische Integriteit) als onderdeel van het kerndepartement Financiën). Zoals in reactie op vraag 4 is aangegeven, zal in het kader van het nieuwe wetgevingstraject worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn. Hieronder valt ook de handhaving van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien.
Wanneer is het rapport van het in 2019 gelastte onderzoek naar de omvang van het misbruik bij turboliquidaties gereed? Zal dit rapport enkel constateringen of ook oplossingsrichtingen bevatten?
Het onderzoek is op eigen initiatief door de Belastingdienst uitgevoerd. Het rapport wordt op korte termijn openbaar gemaakt en door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane met uw Kamer gedeeld. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is. Een aantal aanbevelingen, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aanpassen van de opleiding voor nieuwe en huidige medewerkers en het opnemen van signalen in de invorderingssystemen, heeft de Belastingdienst uitgevoerd. Enkele aanbevelingen worden momenteel nog uitgewerkt binnen de Belastingdienst en zullen daarna worden geïmplementeerd.
Hoe kijkt u naar de wetsbepaling die in Duitsland bestaat die ondernemers dwingt om bij betalingsonmacht hun eigen faillissement aan te vragen? Zou een dergelijke wetsbepaling een onderdeel van de oplossing van het probleem kunnen zijn?
Ik vind dat we ondernemers in financiële problemen moeten stimuleren om tijdig maatregelen te nemen om deze problemen op te lossen. Bij tijdig ingrijpen wordt in de regel de schade voor schuldeisers beperkt, bijvoorbeeld wanneer met hen een akkoord kan worden gesloten over een financiële herstructurering. Bedrijfsbeëindiging kan in zo’n situatie ook een reële mogelijkheid zijn. Dit kan op verschillende manieren. Turboliquidatie biedt hiervoor een laagdrempelige mogelijkheid en brengt minder kosten met zich dan een faillissement. Dat is een voordeel, want hoe lager de kosten zijn, hoe meer er onder de schuldeisers kan worden verdeeld.
Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen maakt onderdeel uit van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).7 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.8 Mede door de Nederlandse inzet bevat de richtlijn niet alleen een duty to file,9 maar ook twee alternatieven.10 Die alternatieven zijn11 een mogelijke verplichting voor ondernemers in financiële moeilijkheden om transparant te zijn naar schuldeisers en12 een mogelijke verplichting om andere maatregelen te treffen waarvan verwacht mag worden dat ze een vergelijkbaar niveau van schuldeisersbescherming bieden. Dit biedt de nodige flexibiliteit die Nederland wilde behouden voor reddingspogingen van ondernemingen die in potentie levensvatbaar zijn.
Tijdens de implementatie zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Bufferzones tegen intimidatie bij abortusklinieken. |
|
Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA), Sarah Dobbe , Ines Kostić (PvdD) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Toch geen bufferzone voor demonstranten rond abortusklinieken, Keijzer (BBB) wil het niet»?1
Ja.
Deelt u de mening dat iedereen altijd toegang zou moeten hebben tot zorg en zij hierin niet belemmerd zouden mogen worden door intimidatie? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de mening dat iedereen vrije en veilige toegang tot zorg, waaronder abortuszorg moet hebben. Het belemmeren van de toegang tot een kliniek of het intimideren van bezoekers of werknemers, is onacceptabel. Het is aan het lokale gezag om demonstraties in goede banen te leiden, en daarbij de toegang tot een abortuskliniek te waarborgen.
Deel u de mening dat iedereen vrij en veilig toegang zou moeten hebben tot abortuszorg en dat deze toegang onder druk wordt gezet door intimiderend gedrag bij de klinieken? Zo ja, kunt u dit nader onderbouwen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u nader toelichten op welk punt het demonstratierecht overschreden wordt rondom abortusklinieken en er sprake is van intimidatie, aan de hand van enkele illustrerende voorbeelden?
Of er een risico is op overschrijding van het demonstratierecht bij abortusdemonstraties moet lokaal en per casus worden ingeschat. De burgemeester kan voorschriften aan demonstranten opleggen, en handhaving is aan de politie. Als demonstranten geen gehoor geven aan voorschriften zijn zij mogelijk in overtreding.
Enkele burgemeesters hebben zich in het verleden uitgelaten over demonstraties bij abortusklinieken die als intimiderend werden ervaren door bezoekers. Het is echter niet aan mij om te oordelen over het al dan niet intimiderende karakter van specifieke demonstraties.
Hoe vaak komt het, naar schatting, voor dat er intimiderende demonstraties plaatsvinden bij abortusklinieken tegen zowel bezoekers als zorgverleners? Is ook bekend in hoeveel gevallen personen daardoor de zorg hebben uitgesteld of niet hebben ontvangen? Zo nee, bent u bereid hier nader onderzoek naar te laten doen, gelet op de signalen van uit de samenleving en zorgverleners?
Er is geen (landelijk) overzicht van het aantal demonstraties bij abortusklinieken, en er wordt ook niet bijgehouden hoeveel demonstraties «intimiderend» zouden zijn. Ik heb wel nauw contact met bestuurders van alle abortusklinieken in Nederland, en ook met het merendeel van de betrokken gemeenten (er zijn 15 abortusklinieken in 14 gemeenten). Kliniekbestuurders geven aan dat zij soms vrouwen vooraf inlichten over plaats en tijd van een (aangekondigde) demonstratie. Bij het inplannen van het kliniekbezoek van de vrouw kan daar dan desgewenst rekening mee worden gehouden. De vrouw kan ervoor kiezen om een bekende mee te nemen naar de kliniek, of ze kan begeleid worden door een «buddy».2 Ik heb geen signalen dat abortuszorg als gevolg van demonstraties moet worden uitgesteld, of dat vrouwen vanwege demonstraties afzien van abortuszorg. Ik zie geen aanleiding om hier nader onderzoek naar te laten verrichten.
Welke rol ziet u voor zich bij het garanderen van het recht tot zorg voor vrouwen, ook het recht tot abortuszorg? Welke rol ziet u, in het bijzonder, voor u in verhouding met de collega-bewindspersonen van andere ministeries?
Ik sta pal voor goede en toegankelijke abortuszorg. Het Ministerie van VWS draagt daar op verschillende manieren actief aan bij, middels wet- en regelgeving, abortusbeleid, en de financiering van abortusklinieken en (huis)artsen. Als het gaat om de toegankelijkheid van abortuszorg in relatie tot demonstraties onderhoud ik nauw contact met de collega-bewindslieden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken (primair verantwoordelijk voor de Wet openbare manifestaties) en ook het Ministerie van Justitie en Veiligheid (politie en handhaving).
Kunt u nader toelichten hoe het mogelijk is dat een brief, opgesteld door uw collega-bewindspersonen, op het laatste moment via de ministerraad geblokkeerd is door een andere collega-bewindspersoon, wiens ministerie niet direct een relatie heeft met het onderhavige onderwerp?
De beraadslagingen van de ministerraad zijn vertrouwelijk dus hier kan ik geen antwoord op geven. Wel wijs ik erop dat demonstratierecht raakvlakken heeft met diverse ministeries. Bovendien is het een onderwerp dat veel politieke en maatschappelijke aandacht krijgt. Vanuit dat opzicht is het niet vreemd dat verschillende bewindslieden zich buigen over een Kamerbrief waarin het demonstratierecht centraal staat.
Indien er vanuit de landelijke overheid geen handvaten worden geboden aan lokale bestuurders, bijvoorbeeld in de vorm van landelijke richtlijnen over bufferzones, hoe ziet u erop toe dat het recht op en de vrije en veilige toegang tot abortuszorg gegarandeerd blijft?
De uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bieden handvatten aan lokale bestuurders. Ook zal het kabinet voor het mei reces een kabinetsreactie sturen op het recente onderzoek dat is uitgevoerd in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) door een onderzoeksteam vanuit de Rijksuniversiteit Groningen, Pro Facto, de Universiteit van Amsterdam en Tilburg University.3 In deze reactie zal ook ingegaan worden op demonstraties bij abortusklinieken. Daarnaast zijn er wel degelijk verschillende handvatten beschikbaar voor lokale ambtenaren en bestuurders om demonstraties (bij abortusklinieken) in goede banen te leiden, zoals de handreiking van de gemeente Amsterdam en het Nederlands Genootschap van Burgemeesters.4 5 Door de Rijksuniversiteit Groningen is een landelijke website ontwikkeld waarop iedereen kosteloos informatie over het demonstratierecht kan vinden. De site biedt bijvoorbeeld antwoord op de vraag wat de burgemeester en de politie mogen en moeten doen bij demonstraties. Ook kan er een online adviestool worden geraadpleegd voor juridisch advies op maat.6
De nieuwe bekladdingen van gebouwen van de Universiteit Utrecht door pro-Palestijnse extremisten |
|
Diederik Boomsma (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichten dat in de nacht van vrijdag 12 tot zaterdag 13 december vernielingen zijn aangebracht aan drie monumentale panden van de Universiteit van Utrecht, die met rode verf zijn besmeurd?
Ja.
Heeft u kennis genomen van het feit dat extremisten deze actie op instagram hebben opgeëist door «Palestine Action» en daarbij hebben gedreigd dat de universiteit banden met Israëlische universiteiten moet verbreken of de daders nog veel meer schade gaan veroorzaken («or we will be back and double the damage»)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat de universiteit Utrecht op deze manier wordt gechanteerd en wat gaat u doen om Nederlandse universiteiten beter te vrijwaren van dergelijke antidemocratische, extremistische en antisemitische agressie?
Het spreekt voor zich dat de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: JenV) en ik iedere vorm van agressie en geweld of dreiging daarmee van de hand wijzen. Instellingsbesturen van universiteiten en hogescholen hebben de belangrijke maar ook ingewikkelde taak om zowel de academische vrijheid, de vrijheid van meningsuiting als de veiligheid op de campus te waarborgen. Daarnaast hebben zij in hun Richtlijn protesten universiteiten en hogescholen2 aangegeven het recht om te demonstreren te ondersteunen. Ik zie dat zij zich hier dagelijks voor inspannen.
Er worden verschillende acties ondernomen om de veiligheid op universiteiten en hogescholen te verbeteren. Ik heb uw Kamer onlangs per brief uitgebreid geïnformeerd over de sociale en fysieke veiligheid op universiteiten en hogescholen en de maatregelen die in dit kader worden ingezet.3 Zo spreken de managers Integrale Veiligheid van universiteiten elkaar wekelijks om een dreigingsbeeld te maken door actuele situaties te bespreken en ervaringen, kennis en good practiceste delen. Ook werkt de Taskforce Antisemitismebestrijding momenteel aan gerichte voorstellen om de veiligheid van Joodse studenten te verbeteren. De Taskforce zal dit advies in februari publiceren. Naar aanleiding van dit advies ga ik na of er extra maatregelen nodig zijn om de veiligheid van Joodse studenten te borgen.
Indien sprake is van strafbare feiten zijn de politie en het Openbaar Ministerie (OM) verantwoordelijk voor de opsporing en vervolging daarvan.
Bent u het eens met de stelling dat universiteiten of andere organisaties onder geen enkele voorwaarde mogen buigen of toegeven aan dergelijke dreigementen?
Het is van groot belang dat instellingen altijd de vrijheid voelen om zelfstandig en weloverwogen de afweging te maken met welke instellingen of organisaties, zowel nationaal als internationaal, zij willen samenwerken of zij de samenwerking willen beëindigen. Dit kan zijn om verschillende redenen en gebaseerd op verschillende criteria, maar altijd in lijn met wet- en regelgeving.
Vindt u het acceptabel dat op sociale media dergelijke dreigementen worden geuit in een poging om de universiteit te chanteren en vindt u dat deze oproepen dienen te worden verwijderd? Graag een toelichting.
Indien er sprake is van bedreiging is dat nooit acceptabel. Als het gaat om strafbare bedreiging (artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht) kan dat gemeld worden bij het betreffende online platform om deze te laten verwijderen. Online platformen, zoals social media kanalen, dienen zich te houden aan de Digitaledienstenverordening (DSA). Zo verduidelijkt deze verordening in artikel 16, derde lid, dat een melding van illegale inhoud conform de vereisten van dat artikel leidt tot zogenaamde «daadwerkelijke kennis of bekendheid» van die illegale inhoud bij een hostingbedrijf of online platform. Zodra dat het geval is, moeten zij onmiddellijk handelen om die illegale inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen ze dat niet, dan kunnen ze geen beroep doen op de vrijwaring van aansprakelijkheid uit artikel 6 van de verordening en zelfstandig aansprakelijk worden gesteld voor die illegale inhoud.
Daarnaast kan de officier van justitie op basis van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering, na toestemming van de rechter-commissaris, een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om content ontoegankelijk te maken wanneer deze strafbare inhoud bevat.
Dezelfde organisatie, Palestine Action, die nu dreigt met meer vernielingen, heeft eerder vernielingen geclaimd en in het verleden opgeroepen om de terroristen en moordenaars van 7 oktober te eren; welke stappen worden tegen deze organisatie ondernomen?
Zoals de Minister van JenV eerder aan uw Kamer communiceerde naar aanleiding van schriftelijke vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP)4, biedt het demonstratierecht onder geen beding een vrijbrief voor personen en organisaties om de wet te overtreden; vernielen is nooit een acceptabele vorm van je mening uiten. Demonstreren moet gebeuren binnen de grenzen van de wet. Het gebruik van geweld en het opruien daartoe is strafbaar. Dit geldt ook voor acties waarbij vernieling plaatsvindt.
Het waar mogelijk faciliteren van demonstraties en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen, is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan de Minister van JenV of aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Daarnaast is het aan het OM en uiteindelijk de rechter om te bepalen of er in een bepaald geval sprake is van een strafbaar feit.
Bent u het eens met de stelling dat het dringend noodzakelijk is om alles op alles te zetten om een einde te maken aan de vernielingen, intimidatie en chantage van pro-Palestijnse extremisten, en dus om het volledige arsenaal van de rechtsstaat in te zetten van politie en justitie om de daders op te sporen, te vervolgen en zwaar te bestraffen? Graag een toelichting.
Binnen onze democratische rechtsstaat is het een groot goed dat eenieder de vrijheid heeft en voelt om zijn mening te laten horen, ook door middel van een demonstratie of protest. Dit grondrecht is echter niet onbegrensd. Waar strafbare feiten worden gepleegd, vormt het strafrecht een duidelijke grens. Het plegen van misdrijven, zoals bedreiging, geweld en openlijke geweldpleging heeft niks te maken met het recht om te demonstreren en hiervoor vindt in beginsel strafvervolging plaats. Opsporing en vervolging van dit soort misdrijven vindt plaats onder het gezag van het OM. Het is aan de opsporingsdiensten hoe in concrete gevallen middelen en capaciteit worden ingezet – daar hebben zowel de Minister van JenV als ik zich niet in te mengen. Aangerichte schade wordt zo mogelijk verhaald op de dader(s); hierover heeft de Minister van JenV eerder richting uw Kamer gecommuniceerd.5
Bent u het eens met de stelling dat vervolging van de daders een zeer hoge prioriteit verdient en op welke manier wordt deze prioriteit opgepakt door de bevoegde instanties? Graag een toelichting.
Zie antwoord vraag 7.
Eerder werd het Paleis op de Dam eveneens door tuig met rode verf besmeurd, en op dat gebouw staan meerdere camera’s gericht; zijn deze beelden uitgelezen? Hoe loopt het onderzoek naar de daders? Hoe loopt het onderzoek naar de bekladding met rode verf van het Koninklijk Instituut voor de Tropen?
Naar beide incidenten is onderzoek gedaan. Uit die onderzoeken zijn geen mogelijke verdachten naar voren gekomen. Om die reden zijn de onderzoeken beëindigd.
Bent u het eens met de stelling dat inmiddels een patroon is ontstaan van bekladding en vernieling door pro-Palestina extremisten van monumentale panden? Kunt u een overzicht geven van dergelijke vernielingen en bekladdingen door pro-Palestijnse activisten sinds 7 oktober 2023, met een schatting van de schade?
Een dergelijk overzicht is niet te genereren. De registratie door politie en OM van enkel strafbare feiten, maakt het niet mogelijk deze te koppelen aan specifieke acties en/of organisaties.
Hoeveel pro-Palestijnse activisten zijn opgenomen in een persoonsgerichte anti-radicaliseringsaanpak?
In de lokale persoonsgerichte aanpak tegen radicalisering worden personen besproken die een (potentieel) gevaar vormen voor de (nationale) veiligheid, doordat zij vanuit hun ideologische overtuigingen (indirect) geweld legitimeren of de bereidheid hebben om activiteiten te verrichten die de democratische rechtsorde ondermijnen. Activisme valt niet onder de reikwijdte van de persoonsgerichte aanpak radicalisering. Het besluit over het al dan niet opnemen van een persoon in de persoonsgerichte aanpak radicalisering ligt bij de lokale weegploeg. Deze bestaat uit de betreffende gemeente, politie en het OM. In artikel 5, derde lid, van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten is opgenomen, dat de weging plaatsvindt aan de hand van objectieve criteria, die luiden: de mate waarin betrokkene bereid is geweld toe te passen of te propageren, de mate waarin betrokkene vasthoudt aan extremistische denkbeelden, zijn/haar sociale relaties, de mate van identificatie met een extremistische groep of ideologie en zijn/haar zelfredzaamheid. Aangezien de weging lokaal wordt uitgevoerd, zijn de ideologische motieven van personen die zijn opgenomen in de aanpak enkel op lokaal niveau bekend.
Bent u van mening dat het zaak is om universiteiten extra ondersteuning te bieden om hun gebouwen te beveiligen zolang extremistische clubs dreigen met vernieling en deze ook ten uitvoer brengen? Welke stappen zet u om hier een einde aan te maken?
Instellingsbesturen zijn verantwoordelijk voor het borgen van de veiligheid op hun instelling. Zij spannen zich dagelijks in om een gedegen invulling te geven aan deze verantwoordelijkheid. Om instellingen te ondersteunen in de belangrijke verantwoordelijkheid die zij hebben, ga ik met de instellingen aan de slag met de evaluatie van het subsidieprogramma «Integrale Veiligheid» 2016–2023. Het onderzoek besteedt enerzijds aandacht aan de wijze waarop instellingen hun veiligheidsbeleid hebben ingericht. Anderzijds richt dit onderzoek zich nadrukkelijk op de coördinatie van het veiligheidsbeleid in de sector en de rol van uniformering en samenwerking bij het versterken van de veiligheid op de instellingen. Dit onderzoek zal inventariseren welke ervaringen, lessen en opbrengsten dit programma in de instellingen heeft opgeleverd die in de toekomst benut kunnen worden. Momenteel ben ik in gesprek met de instellingen over de opzet en aanpak van dit onderzoek. Naar verwachting kan ik uw Kamer in het najaar van 2026 informeren over de uitkomsten en uw Kamer mijn reactie daarop geven.
Ik hecht er aan om, zoals ook vermeld in mijn Kamerbrief d.d. 18 december6, ook hier te benadrukken dat ik het belangrijk vind dat de verantwoordelijkheid voor de veiligheid, waar mogelijk, lokaal wordt genomen. Instellingen werken nauw samen met de politie en lokale driehoek. Zij kunnen de situatie ter plekke het beste inschatten en besluiten hoe hiermee om te gaan, waarbij het lokale gezag gaat over de inzet van de politie. Hierover kan ik uw Kamer melden dat de hogeronderwijsinstellingen op initiatief van Universiteiten van Nederland (UNL) met de politie momenteel procesafspraken maken over hun onderlinge samenwerking. Deze afspraken zijn onderdeel van de inspanningen die instellingen en politie verrichten om de demonstraties op campussen in goede banen te leiden en om ongeregeldheden te voorkomen.