De actuele situatie ten aanzien van medicinale cannabis |
|
Boris van der Ham (D66), Pia Dijkstra (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op een recent artikel in de Annals of Oncology waaruit blijkt dat medicinale cannabis de eetlust van kankerpatiënten verbetert?1
De resultaten van dit onderzoek bevestigen de therapeutische werkzaamheid van cannabis. De behandeling van kankerpatiënten die chemotherapie ondergaan is een van de indicaties die in de brochure en op de website van het Bureau voor Medicinale Cannabis staan.
Is het correct dat het Bureau Medicinale Cannabis (BMC) na het algemeen overleg over de initiatiefnota «Toegankelijker medicinale cannabis» de recente klinische literatuur over medicinale cannabis heeft verzameld en dat de Commissie Farmaceutische Hulp (CFH) op basis van deze verzamelde literatuur een inschatting heeft gemaakt of een beoordeling van de rationele farmacotherapie zinvol is? Zo nee, wanneer zal deze inschatting worden gemaakt? Zo ja, wat was de uitkomst van de beoordeling?
Ja, dit is correct. Met de CFH is gesproken over de haalbaarheid van zo’n beoordeling. Volgens de CFH zijn sinds de laatste beoordeling nieuwe gegevens beschikbaar gekomen, in de vorm van klinische onderzoeken bij diverse indicaties. De kanttekening die hierbij werd gemaakt is dat de onderzoeken niet met gestandaardiseerde medicinale cannabis zijn uitgevoerd. Verder zijn de meeste onderzoeken, voor zover de CFH kon beoordelen, niet met de voorkeurstoedieningsvorm uitgevoerd. De voorkeur van toediening gaat uit naar inhalatie of met thee. Het blijft volgens de CFH onduidelijk in hoeverre de klinische resultaten met de cannabinoïden kunnen worden gebruikt om een weloverwogen oordeel te geven over medicinale cannabis. Voorlopig is de inschatting dat een beoordeling op dit moment niet zinvol is.
Doet het BMC op dit moment zelf onderzoek naar de medische effecten van medicinale cannabis, zoals de regelgeving voor Opiumwetvergunningen voorschrijft? Zo neen, wanneer zal het BMC aan deze taak voldoen?
Afgezien van het feit dat ik van mening ben dat dit geen overheidstaak is (zie ook de reactie van mijn voorganger op de initiatiefnota van het Kamerlid Van der Ham, TK 2009–2010, 32 159, nr. 3), zie ik op dit moment geen noodzaak van het (laten) doen van onderzoek naar medische effecten van medicinale cannabis. De beleidsregel (uit Beleidsregels Opiumwetontheffingen, Staatscourant 9 januari 2003, nr. 6) waar naar verwezen wordt is indertijd opgesteld om ervoor te zorgen dat er een geneesmiddel met medicinale cannabis ter beschikking komt. In het najaar van 2003 heeft het BMC de grondstof medicinale cannabis ter beschikking gesteld die van zodanige kwaliteit is dat de apotheker deze als magistrale bereiding, oftewel een geneesmiddel, aan de patiënt kan leveren. Hiermee is uitvoering gegeven aan de beleidsregel. Net als mijn voorganger vind ik dat er vervolgens een taak ligt voor een farmaceutisch bedrijf om een geneesmiddel op de markt te zetten en hier gaat een registratieprocedure aan vooraf.
Kunt u het overzicht van de CFH naar de Kamer sturen, of zelf een overzicht geven van de laatste stand van zaken in de wetenschap ten aanzien van – klinische testen met – medicinale cannabis?
Het literatuuroverzicht dat met de CFH is besproken treft u als bijlage aan bij deze brief.
Kunt u voor de jaren 2005, 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 aangeven hoeveel doktersrecepten voor medicinale cannabis zijn verstrekt, hoeveel medicinale cannabis er is verstrekt via de apotheken en om hoeveel patiënten het gaat?
Nee, deze informatie is niet beschikbaar. Cijfers waar ik wel de beschikking over heb en die ik u kan geven zijn de hoeveelheden die aan apotheken zijn afgeleverd in de afgelopen jaren. Aan de hand van deze gegevens en de aanname dat de gemiddelde dagdosering 0,5 g bedraagt, kan een zeer globale schatting gemaakt worden over het aantal patiënten. Zeer globaal omdat medicinale cannabis voor verschillende indicaties gebruikt kan worden en per indicatie de dosering ook per patiënt kan verschillen. Daarnaast bepaalt ook de wijze van toediening de hoogte van de dosering en ook deze hoogte kan per patiënt verschillen.
Afgeleverd aan apotheken (kg)
Schatting patiënten
2006
58
315
2007
72
397
2008
85
468
2009
91
501
2010
102
558
Zijn er officiële schattingen ten aanzien van het aantal mensen dat op dit moment overgaat tot coffeeshopcannabis of zelfteelft, omdat de apotheekvarianten niet voldoen? Zo neen, bent u bereid dit uit te zoeken?
Nee, voor zover ik weet zijn die er niet. Voor mijn beleid zie ik geen noodzaak dit uit te zoeken. Sinds 2003 bestaat er voor patiënten een alternatief, namelijk medicinale cannabis van het BMC waardoor ze niet meer afhankelijk hoeven te zijn van coffeeshops of zelfteelt. Het BMC heeft regelmatig contact met de patiëntenverenigingen, zoals de MS-vereniging Nederland. De vereniging geeft aan dat de meeste patiënten voldoende geholpen zijn met het huidige aanbod van het BMC.
Heeft het BMC variant MGC 1 004 van Maripharm BV ingezet als proef voor een nieuwe variant voor medicinale cannabis? Wat zijn de resultaten?
Het BMC is afgelopen maart gestart met een proef met een vergelijkbare variant, de Bedica. Dit product is afkomstig van dezelfde teler die de huidige drie varianten aan het BMC levert. Het bedrijf Maripharm is niet door de selectieprocedure van het BMC gekomen. De proef loopt nog te kort om iets over de resultaten te zeggen. Over een jaar beslis ik of de nieuwe variant structureel wordt aangeboden.
Bent u bereid andere varianten in te zetten als nieuwe variant voor medicinale cannabis, waaronder Bedropur en AI94 van Bedrocan, en Marinol? Zo neen, waarom niet?
Net als mijn voorganger sta ik niet afwijzend tegenover een eventuele uitbreiding van varianten mits dit voorziet in een substantiële behoefte. Het BMC is dan ook afgelopen maart gestart met een proef met één nieuwe variant. Zoals ik al aangaf, als dit daadwerkelijk voorziet in een substantiële vraag, dan ben ik bereid om ook deze variant structureel beschikbaar te stellen. Zoals eerder aan uw Kamer is gemeld (TK 2009–2010, 32 159, nr. 3), is het niet haalbaar om voor iedere patiënt of zelfs een kleine subgroep een eigen variant beschikbaar te stellen. Aan het beschikbaar stellen van iedere variant zijn extra kosten verbonden. Deze extra kosten kunnen ervoor zorgen dat het BMC opnieuw geconfronteerd wordt met exploitatietekorten. Eén van de beleidsdoelstellingen was namelijk dat medicinale cannabis op een kostendekkende wijze beschikbaar zou worden gesteld. Zoals de zaken er nu voor staan functioneert het BMC kostendekkend. Een verdere uitbreiding is in de toekomst pas gerechtvaardigd wanneer aan de hierboven genoemde voorwaarden voldaan wordt. Een alternatief om het BMC kostendekkend te laten functioneren is door de extra kosten te verrekenen in de afleverprijs van de medicinale cannabis. Dit betekent ook een prijsverhoging voor de patiënt, hetgeen ik op dit moment niet wenselijk acht.
Wanneer komt er een herziene versie van de «Medicinale Cannabis informatiebrochure voor patiënten»? Wanneer komt er een herziene versie van de «Medicinale Cannabis informatiebrochure voor artsen en apothekers»?
De laatste versies van de brochures zijn van december 2009. Momenteel worden de brochures op een aantal punten aangepast en de vernieuwde versies zullen in juni van dit jaar verschijnen.
Welke zorgverzekeraars hebben medicinale cannabis in het aanvullend pakket hebben opgenomen? Welke verzekeraars vergoeden het uit coulanceoverwegingen?
Ik heb geen inzage in de aanvullende pakketten van de zorgverzekeraars. Mij is overigens wel bekend dat de Nederlandse associatie voor legale Cannabis en haar Stoffen als Medicatie (NCSM) een onderzoek onder zorgverzekeraars heeft uitgevoerd. De NCSM heeft dit onderzoek beschikbaar gesteld op haar website (www.ncsm.nl).
Bent u bereid met relevante zorgverzekeraars in overleg te treden en hen aan te sporen medicinale cannabis in aanvullende pakketten over te nemen, dan wel via een coulanceregeling te vergoeden? Zo neen, waarom niet?
Mijn departement heeft regelmatig overleg met zorgverzekeraars. Ik heb geen enkele invloed op hoe een zorgverzekeraar zijn aanvullende pakket samenstelt. Dit hoort eenmaal bij het zorgverzekeringsstelsel waarvoor we hebben gekozen. Het enige wat ik kan doen en dat is ook al gedaan, is voorlichting geven over medicinale cannabis en wat de rol van het BMC is op dit gebied. Mijn voorganger heeft uw Kamer vorig jaar juni het verslag van deze voorlichtingsbijeenkomst gestuurd (TK 2009–2010, 32 159, nr. 6). Het aansporen van de zorgverzekeraar om alleen dit specifieke product in zijn aanvullende pakket op te nemen vind ik niet juist.
Wat zouden op dit moment de financiële consequenties zijn van het toevoegen van medicinale cannabis in het basispakket, de mogelijke voordelen – minder gebruik van andere medicijnen – meegerekend?
Op dit moment zijn onvoldoende farmaco-economische data beschikbaar die een goed beeld kunnen geven van de financiële consequenties van het toevoegen van medicinale cannabis aan het basispakket.
Welke fabrikanten staan op het punt staan om via klinische trials nationaal en internationaal naar de registratie van medicinale cannabis toe te werken? Wat is de prognose van aanbieding aan de autoriteiten, en registratie?
Ik heb geen toegang tot dit soort gegevens. In Nederland is het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) betrokken bij de verschillende fasen van het klinisch onderzoek. Het CBG heeft een geheimhoudingsplicht wanneer het gaat om registratieaanvragen in verband met de concurrentiegevoelige gegevens die bij het CBG worden aangeleverd. Om dezelfde reden maakt het CBG geen namen van fabrikanten bekend. Het is uiteindelijk aan de fabrikant zelf of en wanneer hij bekend maakt dat er een nieuw product aankomt. Zo laat een Brits bedrijf via de media weten dat zijn mondspray, die onder andere bestaat uit een extract van medicinale cannabis, in het Verenigd Koninkrijk en Spanje is aangeboden voor registratie. Ook is bekend dat er in Nederland ontwikkelingen zijn op het gebied van een te registreren geneesmiddel met medicinale cannabis. Mijn voorganger heeft zelfs besloten de beschikbaarheid van medicinale cannabis voorlopig voort te zetten om deze ontwikkeling een serieuze kans te bieden (TK 2007–2008, 24 077, nr. 200). Het is niet bekend wanneer dit bedrijf zijn product aan kan bieden voor registratie.
Onder welke voorwaarden bent u bereid medicinale cannabis op te nemen in het basispakket? In hoeverre wordt uws inziens op dit moment aan deze voorwaarden voldaan?
De voorwaarden voor opname in het basispakket voor medicinale cannabis zijn niet anders dan de voorwaarden die ook gelden voor andere geneesmiddelen dan wel magistrale bereidingen. Voor geneesmiddelen betekent dit dat er op zijn minst sprake moet zijn van een registratie. Voor magistrale bereidingen moet er in ieder geval sprake zijn van rationele farmacotherapie. Ik verwijs u naar de brief van mijn voorganger (TK 2009–2010, 32 159, nr. 3) waarin dit ook uitgebreid aan de orde is gekomen. Voor de beantwoording van het tweede deel van uw vraag verwijs ik u naar mijn antwoord op vraag 2.
Hert bericht dat de AIVD heeft gefaald bij de moord op Theo van Gogh |
|
Geert Wilders (PVV) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennis genomen van het bericht «De AIVD had dit kunnen voorzien»?1
Ja.
Is het waar dat de Algemene inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) gefaald heeft bij de bescherming van Theo van Gogh doordat de informatie weliswaar binnen handbereik was maar niet voldoende is beoordeeld door een nog onervaren medewerker en door het gebrek aan controlemechanismen binnen de AIVD?
Vanaf 2 november 2004 is er door voormalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Remkes meerdere keren met de Kamer gesproken over de moord op de heer Van Gogh. Tijdens het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 18 januari 2007 zegde de voormalig minister voorts toe een onafhankelijk onderzoek naar de afwegingsprocessen bij de AIVD met betrekking tot Mohammed B. te laten uitvoeren (Tweede Kamer vergaderjaar 2006–2007, 29 854, nr. 20). In tegenstelling tot hetgeen gesteld wordt in het artikel van De Pers van 15 april jl. is er dan ook geen sprake geweest van «verbloemen».
Het door de voormalig minister Remkes toegezegde onafhankelijke onderzoek werd uitgevoerd door de Commissie van Toezicht betreffende de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten (CTIVD). De CTIVD heeft op 13 februari 2008 haar rapport inzake de afwegingen van de AIVD met betrekking tot Mohammed B. uitgebracht.
In haar rapport heeft de CTIVD destijds reeds aandacht besteed aan personele aangelegenheden en de bestaande controlemechanismen. In de reactie op het CTIVD rapport van 18 maart 2008 (Tweede Kamer Vergaderjaar 2007–2008, 29 854, nr. 22) heeft de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Ter Horst, aangegeven dat zij de kritische kanttekeningen die de CTIVD terzake plaatste bij het algemene functioneren van de AIVD in 2004 herkende en onderschreef. Tevens gaf zij aan dat reeds in 2007 een meerjarig programma was gestart hetgeen tot de nodige verbeteringen in het functioneren van de AIVD heeft geleid.
Ook in antwoorden op de schriftelijke vragen die door de Kamer zijn gesteld naar aanleiding van het rapport (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007–2008, 29 854, nr. 23) is uitgebreid ingegaan op zowel personele zaken als controlemechanismen en de verbeteringen die sinds 2004 terzake door de AIVD zijn doorgevoerd.
Is het waar dat voormalig minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Remkes een ander «op schandalige wijze heeft verbloemd» zoals in genoemd artikel wordt gesteld door een oud-medewerker van de AIVD?
Zie antwoord vraag 2.
Zo ja, worden hier consequenties worden aan verbonden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wilt u deze vragen voor dinsdag 19 april om 12.00 uur beantwoorden?
Ja.
Het Europees Arrestatiebevel |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het artikel «Europese Commissie erkent misbruik van het Europese Arrestatie Bevel voor onzinmisdrijven»1, over het recent verschenen rapport van de Europese Commissie over het Europees Arrestatiebevel (EAB)?2
Naar mijn mening roept het rapport van de Commissie3 het beeld op alsof de kwestie van de proportionaliteit Uniebreed speelt en ook bestendig is. Dat beeld slaat dan vooral op de beginfase van de toepassing van het EAB, maar is naar mijn mening niet meer actueel. De proportionaliteit is een kwestie die vooral bij Poolse EABs speelt en die twee aspecten betreft: het hoge aantal EABs dat wordt uitgevaardigd én dat deze – in de ogen van andere lidstaten – voor te geringe feiten worden uitgevaardigd. Het Poolse Ministerie van Justitie heeft mij desgevraagd een aantal ontwikkelingen gemeld, die in dit verband relevant zijn.
In 2010 is sprake van een daling van Poolse EABs van ruim 20% ten opzichte van voorgaande jaren. In 2008: 4829 en 2009: 4844, maar in 2010: 3753. Verder heeft het Poolse Ministerie van Justitie naar aanleiding van het overleg tussen Nederlandse en Poolse experts in december 2010 een notitie gezonden aan de gerechten over de EAB-praktijk, waarin de nadruk werd gelegd op het feit dat het uitvaardigen van een EAB een middel is dat in het algemeen pas zou moeten worden toegepast nadat andere methoden om de verdachte/veroordeelde op te sporen niet tot resultaat hebben geleid. Hierbij werd gewezen op de mogelijkheden die onder meer wederzijdse rechtshulp biedt. Ook stelde het Ministerie van Justitie het EU handboek voor de uitvaardiging van EABs waar ook de Commissie naar verwijst en waarin uitdrukkelijk de proportionaliteit aan de orde komt, beschikbaar via de website van het ministerie, opdat het voor alle Poolse justitiële autoriteiten en andere betrokkenen toegankelijk is. Ik ben van mening dat uit deze ontwikkelingen blijkt, dat er in Polen geen sprake is van een statische situatie. Ook de getroffen maatregelen beoordeel ik positief. Ik vind ook dat van lidstaten verwacht mag worden dat zij, als zich specifieke problemen bij de toepassing van een EU-instrument voordoen, zelf maatregelen treffen. Het is bij de Poolse autoriteiten bekend, dat van Nederlandse zijde de bereidheid blijft bestaan om verder te overleggen met Poolse autoriteiten en daarmee bij te dragen aan verdere voortgang in deze positieve ontwikkeling.
Deelt u de mening van Eurocommissaris Reding, dat ook sprake is van toepassing van het EAB voor zeer kleine overtredingen en dat hiermee sprake is van disproportionaliteit?
Zie antwoord vraag 1.
Deelt u de mening dat, extra zorgvuldigheid gepast is bij de Nederlandse executie van EAB’s en dat het hierom voor de hand ligt om de Internationale Rechtshulpkamer in Amsterdam in deze ruimere bevoegdheden te geven om uitleveringsverzoeken op specifieke omstandigheden te toetsen?3
In mijn antwoord van 9 maart 2011 op de kamervragen van mevrouw Gesthuizen over de ingediende moties over het Europees arrestatiebevel (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2010–2011, nr. 1745) heb ik uiteengezet hoe zorgvuldig en uitgebreid de toetsing door de Internationale rechtshulpkamer verloopt. Ik heb toen ook aangegeven dat de ruimte van de toetsing wordt bepaald door het kaderbesluit. Er kan dus geen sprake zijn van eenzijdige uitbreiding van toetsingsbevoegdheden voor de rechtbank Amsterdam.
Erkent u dat bij een goede en rechtvaardige uitvoering van het EAB een groot probleem is dat ongelijke toepassing bestaat van het proportionaliteitsbeginsel en/of dat het proportionaliteitsbeginsel zelfs in de wetgeving het overgrote deel van de EU lidstaten ontbreekt?
Zie antwoord vraag 1.
Wat is uw reactie op de opmerkingen in het rapport over de slechte detentieomstandigheden in de gevangenissen van een aantal EU landen, waaronder in Polen, waar juist ook de meeste uitleveringsverzoeken via het EAB worden gedaan?
Ik lees in het rapport van de Commissie geen verwijzing naar Polen. Voor actuele informatie over het Poolse gevangeniswezen verwijs ik naar mijn brief van 17 februari 2011 (Kamerstuk 32 317, nr. 41), waarbij ik uitgebreide cijfermatige gegevens over het Poolse gevangeniswezen en waaruit blijkt dat er van overbezetting geen sprake meer is, heb overgelegd.
Bent u, gezien de aanbevelingen in het rapport, bereid om in overleg te treden met de betrokkenen, zoals de Internationale Rechtshulpkamer, de stichtingen Euromos en Epafras en de internationale organisatie Fair Trials International, en te komen tot maatregelen waarmee de rechten van burgers binnen de grenzen van de EU om wiens overlevering is verzocht middels een EAB beter worden gewaarborgd en in overeenstemming worden gebracht met de voorschriften van artikel 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden?
In het antwoord op vraag 1 heb ik mijn mening over het rapport van de Commissie gegeven. Wat betreft het door mevrouw Gesthuizen bedoelde overleg merk ik op dat ik altijd bereid ben kennis te nemen van opvattingen en meningen van organisaties als door haar bedoeld. Ik zie echter geen aanleiding voor overleg over waarborging van de artikelen 3 en 6 van het EVRM bij de EAB procedure. De toetsing aan artikel 3 is, zoals uit het antwoord op vraag 5 blijkt, in goede handen bij de rechtbank Amsterdam. Verder geldt ten aanzien van artikel 6 EVRM dat volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van de Rechten van de Mens, de Hoge Raad en rechtbank Amsterdam artikel 6 EVRM geen betrekking heeft op uitleverings- en overleveringsprocedures op basis van een EAB.5
Bent u voornemens in Europees verband de tekortkomingen van de toepassing van het EAB in de praktijk aan de orde te stellen en verbeteringen voor te stellen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Ik ga er vanuit dat het rapport van de Commissie in Brussel zal worden besproken in overleg tussen EAB experts. Dat acht ik – mede gelet op het bovenstaande – voorshands voldoende.
Terreurdreiging van Hezbollah |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat Hezbollah de intentie heeft om het Westen aan te vallen om de aandacht af te leiden van een aanklacht van het Special Tribunal for Lebanon? Zo ja, hoe beoordeelt u deze berichten?1
Ja. Omdat deze berichten niet verifieerbaar zijn gebleken door onafhankelijke bronnen, kan ik geen beoordeling geven over de juistheid en eventuele achtergronden ervan.
Is er een verhoogd dreigingsrisico voor Nederland als gastland voor het Special Tribunal for Lebanon?
Alle in Nederland gevestigde tribunalen, waaronder het Special Tribunal for Lebanon (STL) zijn ondergebracht in het stelsel «Bewaken en Beveiligen». In dit kader ontvangt de NCTb dreigingsinformatie van de MIVD, AIVD en KLPD. In het openbaar worden geen mededelingen gedaan ten aanzien van eventuele dreigingsrisico’s.
Kunt u een inschatting geven van de recente berichten over wapenopbouw door Hezbollah en de mogelijkheden om Europa met terroristische aanslagen te bedreigen?
Omdat deze berichten bij navraag niet verifieerbaar zijn gebleken door onafhankelijke bronnen, kan ik geen beoordeling geven over de juistheid en eventuele achtergronden ervan. Deze aanhoudende berichten rondom de bewapening van Hezbollah zijn wel zorgelijk en benadrukken het belang van voortgezette aandacht en waakzaamheid van de internationale gemeenschap.
Hoe beoordeelt u de internationale positie van Libanon in het licht van deze berichten?
De veiligheidssituatie van Libanon blijft precair. De internationale gemeenschap besteedt veel aandacht aan deze kwestie zoals blijkt uit de aanwezigheid van een grote VN-missie (UNIFIL) en van speciale gezanten belast met toezicht op de naleving van de verschillende VN-veiligheidsraadresoluties. Uiteindelijk is het aan de Libanese autoriteiten om de noodzakelijke voorzieningen te treffen ten behoeve van stabiliteit en vrede. De internationale gemeenschap staat hen daarin actief bij.
Verleent de door Hezbollah gesteunde formateur Mikati zijn volledige medewerking aan het Special Tribunal for Lebanon?
Formateur en inmiddels Premier Najib Mikati heeft consistent verklaard dat Libanon zich gehouden acht aan zijn internationale verplichtingen, waaronder volledige medewerking aan het Special Tribunal for Lebanon (STL). Hij streeft daartoe actief een oplossing tussen de diverse politieke facties in Libanon na.
Wanneer verwacht u een nieuwe regering in Libanon?
De nieuwe regering ontving op 7 juli jl. de goedkeuring van het Libanese parlement. Daarmee werd de regeringsverklaring aangenomen.
Deelt u de mening dat de dreiging van Hezbollah geen reden mag zijn om de aanklachten van het Special Tribunal for Lebanon te vertragen? Op welke termijn verwacht u dat de aanklachten bekend zullen worden?
Ja. Inmiddels heeft het STL bekendgemaakt de aanklachten, in verzegelde vorm, te hebben overhandigd aan de Libanese Procureur-Generaal.
Welke mogelijkheden zult u benutten om de internationale positie van Libanon te bespreken en het land te houden aan de internationale afspraken die zijn aangegaan?
Nederland is voorstander van een actieve betrokkenheid van de internationale gemeenschap bij de situatie van Libanon en draagt dat uit in EU en VN-verband.
Nederland heeft recent de zorgen over het onderwerp overgebracht aan zowel de commandant van de Libanese strijdkrachten, als Michael Williams, de speciaal gezant van de SGVN. Laatstgenoemde is belast met de het monitoren van de voortgang van de Libanese autoriteiten bij de naleving en de implementatie van de verplichtingen uit VNVR-res. 1 701 en rapporteert periodiek aan de VNVR.
Nederland blijft daarnaast waar mogelijk aandacht vragen voor het onderwerp. De Nederlandse ambassade in Washington stelt het onderwerp ondertussen geregeld aan de orde tijdens reguliere contacten met de Amerikaanse autoriteiten.
De uitspraak van het EHRM over een paranoïde gedetineerde die geen behandeling kreeg |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland veroordeeld om vrijheidsschending».1
Ja.
Klopt het dat Nederland veroordeeld is wegens schending van het recht op vrijheid en veiligheid? Zo ja, hoe vaak is Nederland hiervoor door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) veroordeeld en wat is vervolgens gedaan met deze veroordeling?
Ja, in de zaak constateert het EHRM een schending van artikel 5, eerste lid, EVRM als gevolg van een te lange TBS-passantentermijn (in casu ruim 13 maanden).
Een dergelijke passantentermijn is te lang. In een eerdere EHRM-uitspraak (Brand t. Nederland, uitspraak van 11 mei 2004, appl. no. 49902/99) bevestigde het Hof dat de detentie van een persoon gebaseerd kan zijn op meer dan één van de in artikel 5 EVRM (vrijheidsberoving) genoemde detentiegronden. In casu betreft het strafrechtelijke vrijheidsberoving (sub a) en vrijheidsberoving van geesteszieken (sub e). Volgens vaste jurisprudentie kan de detentie van een geestelijk patiënt alleen «rechtmatig» zijn indien de patiënt is opgenomen in een ziekenhuis, kliniek of passende instelling. Het Hof accepteerde echter een zekere «passantentermijn». Het Hof achtte het onrealistisch en te rigide om te verwachten dat de autoriteiten onmiddellijk een plaats beschikbaar hebben in de uitgekozen kliniek of instelling. Echter, een vertraging van zes maanden bij de plaatsing in een passende kliniek/inrichting werd onacceptabel geacht.
In een uitspraak van 21 december 2007 heeft de Hoge Raad de aanvaardbare duur van een TBS-passantermijn verder aangescherpt en geoordeeld dat een passantentermijn van meer dan 4 maanden onacceptabel was. De nationale praktijk werd hieraan aangepast.
De heer Nelissen werd bij brief van 16 augustus 2006 een passantenvergoeding aangeboden van de zijde van de autoriteiten. De aangeboden passantenvergoeding betrof de passantentermijn voorzover die 6 maanden overschreed. Dit aanbod werd niet geaccepteerd. In de Straatsburgse procedure is – in het licht van deze eerdere Straatsburgse en nationale jurisprudentie – getracht de zaak te schikken door de heer Nelissen ook een passantenvergoeding voor de vijfde en zesde maand aan te bieden. Dit aanbod werd evenmin geaccepteerd. Als laatste procedurele optie heeft de regering toen gekozen voor een eenzijdige verklaring waarin de schending wordt erkend en de bereidheid tot betaling van een compensatiebedrag wordt uitgesproken. Hiermee werd beoogd het Hof te bewegen de zaak van de rol te schrappen. Het Hof heeft er niettemin voor gekozen uitspraak te doen. De strekking van deze uitspraak komt gezien het bovenstaande niet als een verrassing. De Regering zelf stelt zich ook op het standpunt dat een passantentermijn van 13 maanden de acceptabele termijn van 4 maanden ruim overschrijdt.
Klopt het dat in genoemde zaak dat gedetineerde aan paranoïde schizofrenie leed en te lang moest wachten op behandeling in een psychiatrische kliniek? Zo ja wat is volgens het EHRM een aanvaardbaar termijn waarbinnen een veroordeelde moet worden behandeld in een psychiatrisch kliniek? Wat vindt u een aanvaardbaar termijn?
Zie antwoord vraag 2.
Is het nodig om, conform de uitspraak van het EHRM, de regels ten aanzien gedetineerden die psychiatrische behandeling nodig hebben te wijzigen? Betekent dat dat de wachtlijsten voor psychiatrische behandeling van gedetineerden zullen ontstaan? Zo, wat gaat u daar tegen doen?
Nee. Slechts in incidentele gevallen wordt de termijn van vier maanden nog overschreden.
Hoe lang moeten veroordeelden gemiddeld wachten op een psychiatrische behandeling? Wat is de langste wachttijd geweest in het afgelopen jaar en hoe vaak is dat voorgekomen?
Ten tijde van de plaatsing van betrokkene in 2007 was de totale gemiddelde wachttijd voor tbs-passanten 297 dagen. Met de uitbreiding van de tbs-capaciteit van de afgelopen jaren kon de passantenproblematiek grotendeels worden opgelost en is zowel het aantal tbs-passanten als de totale gemiddelde wachttijd sterk afgenomen. Die wachttijd bedroeg in 2010 gemiddeld 135 dagen. De tbs bevindt zich hiermee in een situatie waarin de vraag naar en het aanbod van tbs-capaciteit nagenoeg in evenwicht is. De totale gemiddelde wachttijd van 135 dagen over 2010 is voornamelijk veroorzaakt door een kleine groep moeilijk plaatsbare tbs-gestelden met een zeer specifieke problematiek. Eén van deze moeilijk plaatsbare tbs-gestelden had de langste wachttijd van 26 maanden.
Wat kan de consequentie zijn als een gedetineerde met een psychiatrische stoornis (te) laat begint met behandeling?
Naar het effect van detentie op de psychische conditie van de tbs-passant is in 2008 onderzoek gedaan door het WODC. Hiervoor verwijs ik u naar het rapport «Uitstel van behandeling» dat ik u op 20 maart 2009 heb aangeboden (Kamerstukken II, 2008/09, 29 452, nr. 102).
Preventief opleggen van huisverboden |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Huisverboden preventief opgelegd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het opleggen van huisverboden nog voordat er sprake is geweest van aangifte van huiselijk geweld, een effectief middel kan zijn ter voorkoming van huiselijk geweld? Zo ja, deelt u dan ook de mening dat de bekendheid van dit middel moet worden vergroot? Zo nee, waarom niet?
De Wet tijdelijk huisverbod voorziet in de mogelijkheid een huisverbod op te leggen aan degenen van wie een dreiging van huiselijk geweld uitgaat. Daarmee kan van overheidswege worden opgetreden, ook indien er (nog) geen (aantoonbare) strafbare feiten zijn gepleegd. Het huisverbod kan dus preventief worden opgelegd. In 2010 is de procesevaluatie Wet tijdelijk huisverbod gereed gekomen. Hieruit blijkt onder andere dat in 86% van de opgelegde huisverboden samenloop is met het strafrechtelijk traject; in de overige gevallen is sprake van preventief opgelegde huisverboden. Dit rapport heb ik, samen met de beleidsreactie op dit onderzoek, op 14 februari jl mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan u toegezonden.2
Een deel van uw vragen is beantwoord bij voornoemde brief van 14 februari. Uw overige vragen maken onderdeel uit van het Verslag Schriftelijk Overleg dat de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie op 28 maart jl. aan mij ter beantwoording heeft voorgelegd.3 De beantwoording hiervan zal uw Kamer op korte termijn ontvangen.
Zijn u andere voorbeelden van preventieve huisverboden dan in het genoemde artikel staan bekend? Zo ja, om hoeveel gevallen gaat het?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw mening over de juridische houdbaarheid van preventieve uithuisplaatsen? Deelt u de mening dat indien dit middel nog niet toegestaan zou zijn dat dat zou moeten worden geregeld? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Auto-inbraken in Amsterdam |
|
Ahmed Marcouch (PvdA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Nieuw-West: actie tegen auto-inbraken»?1
Ja.
Bent u op de hoogte van het feit dat in de Staalmanpleinbuurt, gelegen in het stadsdeel Nieuw-West in Amsterdam, de laatste weken talloze auto-inbraken hebben plaatsgevonden die gepaard gingen met vernielingen?
Ja.
Is het waar dat dit soort misdrijven momenteel geen prioriteit heeft bij de politie, zoals buurtbewoners van de politie te horen hebben gekregen tijdens hun melding van de auto-inbraken? Zo ja, wat heeft dan wel prioriteit bij de politie? Zo nee, wat gaat u doen om de golf van auto-inbraken te bestrijden?
Het is aan het lokale gezag om in een specifieke situatie als deze prioriteiten te stelen en acties te ondernemen. Zoals ik uw Kamer heb gemeld in de brief van 18 februari en de brief van 2 mei . heeft dit kabinet voor de komende kabinetsperiode specifieke landelijke prioriteiten voor de politie vastgesteld waaronder de veiligheid in de wijk en de aanpak van high impact crime. Onderdeel van deze aanpak behelst de aanpak van delicten met een hoge impact op het slachtoffer: overvallen, straatroof, inbraken, geweld. Concrete doelstelling voor deze vorm van misdrijven is verhoging van de pakkans met 25%.
Gaan de aangekondigde bezuinigingen op de Montfransgelden die bedoeld zijn voor de bevordering van veiligheid in wijken, leiden tot meer onveiligheid? Zo ja, op welke wijze gaat u dit voorkomen? Hoeveel budget gaat u alsnog vrijmaken om de veiligheid in wijken te garanderen? Zo nee, waarom niet?
In mijn op 4 april jl. aan de Tweede Kamer gezonden antwoorden op vragen van de leden Marcouch en Monasch over onveiligheid in Vinexwijken (2011Z03681) heb ik aangegeven dat het zorgen voor de veiligheid in de wijken allereerst een taak is van het lokale bestuur. De gemeenten zijn zelf het beste in staat om te bepalen welke maatregelen er nodig zijn, welke beëindigd moeten worden en welke voortgezet of gestart moeten worden om dit te realiseren. De beëindiging van enkele tijdelijke geldstromen neemt niet weg dat veiligheid voor dit kabinet prioriteit heeft. De structurele middelen voor veiligheid die gemeenten ontvangen via het Gemeentefonds, lopen ook na 2011 door. Bovendien zal het kabinet de komende jaren gemeenten op allerlei manieren blijven ondersteunen bij het versterken van de veiligheid en leefbaarheid, juist ook nu de financiële middelen beperkter zijn dan voorheen. Deze ondersteuning bestaat onder meer uit de realisatie van wettelijk instrumentarium tegen overlast en criminaliteit, het bevorderen van de lokale en regionale samenwerking (bijvoorbeeld door ondersteuning vanuit het Rijk van RIEC’s en veiligheidshuizen) en kennisdeling. Het Rijk spreekt hierover ook regelmatig met de VNG, de G32 en de G4.
Aanpak wietteelt |
|
Boris van der Ham (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het onderzoek van een recherchedeskundige van de politie Zuid-Limburg inzake de aanpak van wietteelt? Hoe beoordeelt u de constatering dat er te weinig doorgerechercheerd wordt bij wietteelt zaken?1
Ik deel niet de conclusie van het artikel dat de aanpak van hennepteelt faalt. De doelstelling van dit kabinet is juist om de criminele organisaties achter de hennepteelt zo hard mogelijk aan te pakken. Doorrechercheren bij de ontmanteling van hennepkwekerijen is één van de manieren om dit te bereiken. Het vaker doorrechercheren is een belangrijk onderdeel van de versterking van de aanpak van hennepteelt die nu in gang is gezet.
Wat is uw reactie op de stelling dat bij het opsporen van wietteelt er prioriteit moet worden gegeven aan het opsporen van telers en organisaties die fijnmazig verknoopt zijn met misdadige organisaties en andersoortige misdaad en het tegengaan van onveilige situaties voor omwonenden?
Ik ben het met deze stelling eens. Het krachtig aanpakken van georganiseerde criminaliteit achter hennepteelt draagt bij aan het vergroten van de lokale veiligheid.
Wat gaat u ondernemen om het recherchewerk diepgravender te maken en de opsporing en vervolging niet te beperken tot het plukken van het «laaghangend fruit»?
De aanpak van de georganiseerde hennepteelt beperkt zich niet «tot het plukken van «laaghangend fruit»». Er wordt al uitdrukkelijk ingezet op het strafrechtelijk ontmantelen van organisaties, het afbreken van de onderliggende structuren die de georganiseerde misdaad faciliteren, en het afpakken van crimineel vermogen.
Het aanzetten tot geweld en bedreigingen geuit door Sharia4Holland |
|
Joram van Klaveren (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Moslimbedreiging tegen Wilders»1? Wat is uw oordeel hierover?
Ja. Voor mijn oordeel over de inhoud van het artikel verwijs ik u naar de antwoorden 2 t/m 4.
Deelt u de visie dat Sharia4Holland een gevaarlijke, extremistische groepering is die oproept en aanzet tot geweld? Zo neen, waarom niet?
Momenteel kan niet gesproken worden van een groepering of organisatie. Shariah4Holland leidt vooralsnog slechts een virtueel bestaan zonder leden of publieke manifestatie. Er is niettemin reden voor alertheid en ik kan u verzekeren dat de ontwikkelingen rond Shariah4Holland onze aandacht hebben. Op de website wordt een radicale boodschap uitgedragen. Er is echter niet geconstateerd dat er daadwerkelijk opgeroepen of aangezet wordt tot geweld. Wanneer dat wel het geval zou zijn dan wordt de wet overtreden en wordt hier tegen opgetreden.
Welke maatregelen bent u voornemens te treffen teneinde de persoon die in de betreffende filmpjes voorkomt en de betreffende organisatie – namens wie wordt opgeroepen en aangezet tot geweld en bedreigingen worden geuit – te laten vervolgen en de organisatie te laten verbieden?
Het Openbaar Ministerie heeft de betreffende filmpjes beoordeeld en geconcludeerd dat er in de filmpjes geen uitlatingen worden gedaan die vallen onder artikel 131 en/of 285 van het Wetboek van Strafrecht. Om die reden zal er geen vervolging worden ingesteld tegen de persoon en de betreffende organisatie die in de filmpjes voorkomen.
Zie ook het antwoord op vraag 2.
Deelt u de opvatting dat de leden van deze organisatie zoveel mogelijk ons land dienen te verlaten en dat in Nederland geen plaats is voor het abjecte barbaarse rechtssysteem genaamd sharia? Zo nee, waarom niet?
Van vreemdelingen kan, met toepassing van de zogeheten glijdende schaal, de verblijfsvergunning worden ingetrokken als gevolg van een veroordeling voor een strafbaar feit.
Het kabinet wil er, zoals eerder gesteld in de antwoorden op Kamervragen van de leden Van Klaveren en Wilders over de organisatie Shariah4Holland2, geen enkel misverstand over laten bestaan dat het invoering van de sharia volstrekt ondenkbaar acht en in strijd met alle fundamentele waarden en normen die wij in Nederland kennen.
De ontwikkeling van een nieuwe flitspaal |
|
Gerard Schouw (D66), Kees Verhoeven (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw standpunt over de ontwikkeling van een nieuwe flitspaal (ASSET; Advanced Safety and Driver Support for Essential Road Transport)1 dat in EU-verband plaatsvindt? Hoe verloopt de besluitvorming over dit project? Wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Het ASSET-project wordt deels gefinancierd door het Seventh Framework Programme for research and technological development (FP7) van de Europese Unie. Het betreft een onderzoeksproject dat niet direct zal uitmonden in een besluitvormend traject. Mocht er in de toekomst aanleiding zijn om deze of soortgelijke technieken in te zetten op Nederlandse wegen, dan spreekt het voor zich dat de Kamer hierover geïnformeerd wordt.
Wat kan de flitspaal precies? Welke informatie kan er precies geregistreerd worden?
De in de berichtgeving beschreven 3D-camera is een hoge resolutie camera waarmee tegelijkertijd onder meer snelheid, bumperkleven en het dragen van een gordel kunnen worden waargenomen. Het Landelijk Parket Team Verkeer (LPTV) heeft nog geen ervaring met deze nieuwe techniek en is dus niet in staat (gedetailleerde) informatie of een oordeel te geven.
Bestaat er in Nederland een wettelijke grondslag voor het gebruik van een dergelijke flitspaal? Zo ja, welke is dat?
Ten aanzien van een wettelijke grondslag voor het gebruik van meetmiddelen, in deze de flitspaal, geldt het volgende.
Voorop moet staan dat het meetmiddel betrouwbaar functioneert en betrouwbare resultaten genereert. Het moet voldoen aan wettelijke voorschriften, zoals gesteld bij de Regeling meetmiddelen politie en de bijbehorende bijlagen. Het Nederlands Meetinstituut (NMI) zal als bewijs van correcte werking en betrouwbare resultaten een verklaring afgeven. Het is vaste jurisprudentie dat er bij een meting die is gedaan onder de genoemde voorwaarden, sprake is van een rechtens juiste meting. Wanneer het meetmiddel niet is opgenomen in de Regeling meetmiddelen politie, betekent dat overigens niet dat de rechter het resultaat van deze meting niet mag betrekken bij zijn oordeel over het bewijs van de overtreding. Gelet op uitspraak van de Hoge Raad van 22 augustus 2000 (LJN: AA6827) dient bij betwisting van de betrouwbaarheid van de meting door de rechter te worden onderzocht of het meetmiddel voldoet aan en is gebruikt met inachtneming van de daaraan uit het oogpunt van betrouwbaarheid te stellen eisen.
Zal de camera ook in Nederland ingezet worden? Zo ja, met welk doel? Wat zal de toegevoegde waarde zijn?
Uit de berichtgeving blijkt dat de ontwikkeling van de camera nog enkele jaren zal vergen. De 3D-camera speelt daarom geen rol bij de uitrol van ANPR. Of een en ander uiteindelijk tot een instrument zal leiden dat in Nederland zal worden ingevoerd valt thans niet te overzien.
Hoe verhoudt het Europese project (de flitspaal zal onder andere bestaan uit een aparte camera voor de kentekens) zich met het in Nederland in te voeren systeem van Automatic NumberPlate Recognition (ANPR)?2
Zie antwoord vraag 4.
Wat zijn de gevolgen van de inzet van de flitspaal voor de privacy van de verkeersdeelnemers? Hoe verhoudt dit zich met de Wet bescherming persoonsgegevens?
De privacy zal te allen tijde worden gewaarborgd. Dat wil zeggen dat inzet van het middel, afhankelijk van het doel waarvoor het wordt gebruikt, plaats heeft onder het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens, dan wel de Wet politiegegevens. Zie overigens het antwoord op vraag 4 en 5.
Wat gebeurt er met de verzamelde gegevens? Worden die opgeslagen? Zo, ja voor hoe lang? Voor wie zijn deze beschikbaar?
Zie antwoord vraag 6.
Kan de flitspaal verkeersagenten vervangen? Zo ja, in welke mate? Is de verkeersveiligheid hiermee gediend?
Handhavingsmiddelen zijn in beginsel complementair en kunnen de politie nadrukkelijker ondersteunen bij de uitvoering van de verkeershandhavngstaak.
Bent u het er mee eens dat de meeste ongelukken zijn te wijten aan onoplettendheid, inschattingsfouten van afstanden en het verkeerd interpreteren van de intenties van medeweggebruikers? Deelt u de mening dat een 3D-camera hiervoor geen oplossing biedt? Is het dan niet beter om te investeren in het verbeteren van de rijvaardigheid dan in een boetemachine?
Uit onderzoek door de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid is gebleken dat handhaving en communicatie samen 28% uitmaken van alle acties die een bijdrage leveren aan de verkeersveiligheid. Nieuwe handhavingsmiddelen zullen altijd worden beoordeeld op basis van hun toegevoegde waarde voor de verkeersveiligheid.
De vestiging van een Al Qaeda emiraat in Yemen |
|
Hero Brinkman (PVV) |
|
|
|
|
Klopt het dat Al Qaeda een fundamentalistisch emiraat heeft uitgeroepen in de provincie Abyan van Yemen?1
Op 28 maart berichtten lokale media dat via radio Abyan in Ja’ar werd aangekondigd dat Al Qaeda op het Arabisch Schiereiland (AQAS) een islamitisch emiraat zou hebben uitgeroepen in de provincie Abyan in Jemen. Dit bericht is daarna echter niet bevestigd, ook niet door AQAS zelf.
Heeft Al Qaeda daadwerkelijk controle over die provincie? Zo ja, deelt u dan de mening dat het islamitisch terrorisme hiermee een belangrijke slag heeft geslagen? Deelt u de mening dat de internationale gemeenschap zich moet beraden over de manier waarop dit ongedaan kan worden gemaakt? Zo neen, waarom niet?
Al geruime tijd is bekend dat zich elementen van Al Qaeda op het Arabisch Schiereiland in de provincie Abyan ophouden. Van effectieve controle over de provincie in territoriale zin was geen sprake. Het eventueel uitroepen van het emiraat zou daar in praktische zin weinig aan veranderen. Wel leven er bij de internationale gemeenschap zorgen over de gevolgen van de instabiliteit van Jemen voor de strijd tegen het terrorisme in dat land. Ik acht het daarom van groot belang dat er snel een politieke oplossing komt en steun dan ook de bemiddelingspogingen van de Gulf Cooperation Council (GCC).
Vormt dit op korte of langere termijn een bedreiging voor de piraterijbestrijding in de Golf van Aden, aangezien de provincie Abyan immers aan de Golf ligt?
Er is op dit moment geen indicatie dat er een bedreiging is voor de piraterijbestrijding in de Golf van Aden.
Zo ja, op welke wijze kan die bedreiging worden afgewend?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er aanwijzingen dat piraten vanuit die provincie opereren of er hun toevlucht zoeken? Zo niet, wilt u de Kamer onverwijld op de hoogte stellen wanneer dit wel het geval is?
Er zijn geen aanwijzingen dat piraten vanuit Abyan opereren of er hun toevlucht zoeken. Vanuit de deelname van Nederland aan piraterijbestrijding wordt de oorsprong van piraterij nauwlettend gevolgd. De Kamer wordt hierover bij rapportages over deze missies geïinformeerd.
De aanpak van cyberspionage |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
|
|
|
Waarom gaat het ministerie van Defensie 90 miljoen euro investeren in de bestrijding van digitale aanvallen, terwijl tegelijkertijd het ministerie van Veiligheid en Justitie een Nationaal Cyber Security Centrum gaat oprichten?1
Wat zijn de verschillen in aanpak van cyberaanvallen van u beide?
Wie van u beide heeft uiteindelijk de regie over de aanpak van cyberspionage?
Waarom is niet gekozen voor één organisatie die verantwoordelijk wordt voor het opsporen en aanpakken van cyberaanvallen?
Wat gaat u beide doen om de strijdbijl te begraven en te komen tot één aanpak tegen cyberaanvallen?
Zoals hierboven gesteld, is er sprake van een gezamenlijke aanpak ter verbetering van de cyber security. Op alle niveaus wordt goed samengewerkt om gezamenlijk de ambities van het kabinet ter versterking van de cyber security waar te maken.
Het invoeren van de wietpas |
|
Lea Bouwmeester (PvdA) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de vragen van het lid Bouwmeester en uw antwoorden hierop over de mogelijkheid van gemeenten om de wietpas te weigeren?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat onder andere de gemeenten Eindhoven, Tilburg, Breda, Maastricht, Venlo, Amsterdam, Rotterdam en Utrecht zich hebben uitgesproken tegen het invoeren van de wietpas?
Ja.
Bent u tevens bekend met de reden waarom onder andere de gemeenten Eindhoven, Tilburg, Breda, Maastricht en Venlo de wietpas niet willen invoeren, namelijk omdat zij bang zijn dat de overlast door illegale verkoop toeneemt en daar te weinig handhavers tegenover staan? Zo ja, bent u bereid deze gemeenten extra politiecapaciteit te geven om deze dreigende overlast in te tomen? Zo nee, waarom niet?
Binnenkort ontvangt de Kamer een brief van het kabinet over het drugsbeleid waarin de maatregelen uit het Regeerakkoord worden toegelicht. Ik zal daarbij ingaan op het door u genoemde onderwerp.
Bent u tevens bekend met de reden waarom onder andere de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Utrecht de wietpas niet willen invoeren, namelijk omdat het ingezetencriterium hen verplicht alleen te leveren aan ingezetenen van de stad en niet aan gebruikers van buiten de stad? Zo ja, deelt u de mening van de gemeenteraden dat niet-ingezetenen van deze steden die in hun eigen stad of gemeente geen wiet kunnen halen, naar alle waarschijnlijkheid hun wiet kopen bij illegale verkooppunten en dat de overlast daarmee toeneemt?
De invoering van ingezetenencriterium houdt in dat coffeeshops alleen toegankelijk worden voor ingezetenen van Nederland. Voor het toepassen hiervan is de uitkomst van de rechtszaak bij de Raad van State tussen de gemeente Maastricht en een coffeeshophouder van belang. De verwachting is dat de Raad van State uiterlijk begin juli 2011 uitspraak zal doen. Deze uitspraak zal worden afgewacht om er zeker van te zijn dat tot implementatie van deze maatregel kan worden overgegaan.
Ten aanzien van illegale verkooppunten noem ik dat deze conform de wettelijke mogelijkheden worden aangepakt door het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie. Voor het overige verwijs naar de brief van het kabinet over het drugsbeleid die uw Kamer binnenkort zal ontvangen.
Bent u van mening dat het ongewenst is dat mensen alleen in hun eigen woonplaats naar de coffeeshop kunnen, omdat dit mensen in een woonplaats zonder coffeeshop uitsluit en naar de illegaliteit drijft?
De beslissing of coffeeshops in een gemeente worden toegelaten, en zo ja hoeveel, is voorbehouden aan de gemeenten zelf. Gemeenten hebben daarbij beleidsvrijheid. Potentiële kopers hebben geen recht op een coffeeshop in de eigen woonplaats.
Wat verstaat u onder regionaal coffeeshoptoerisme, zoals genoemd in antwoord op eerdere vragen over dit onderwerp?
Regionaal coffeeshoptoerisme kan ontstaan wanneer er tussen gemeenten grote verschillen zijn in het lokaal gevoerde coffeeshopbeleid. Het kan dan voor bezoekers van coffeeshops aantrekkelijk zijn om in andere gemeenten coffeeshops te bezoeken.
Hoe gaat u het overleg met de gemeenten, dat u heeft aangekondigd in het antwoord op eerdere vragen over dit onderwerp? Bent u bereid serieus naar hun wensen (extra politiecapaciteit) en bezwaren (angst voor extra overlast na invoering van de wietpas) te luisteren en hen concreet te helpen? Zo nee, waarom niet?
Er vindt overleg plaats met vertegenwoordigers van gemeenten. Ik ben altijd bereid naar wensen en bezwaren te luisteren en als het mogelijk is en past binnen het kabinetsbeleid concreet te helpen.
Het gebrek aan opvang voor slachtoffers van mensenhandel |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Te weinig opvang na mensenhandel»1 en de CoMensha jaarcijfers 2010?2
Het artikel in Trouw schetst de knelpunten die CoMensha ervaart bij het organiseren van opvang voor groepen slachtoffers van mensenhandel, die worden aangetroffen na geplande acties van opsporingsdiensten en Openbaar Ministerie. Deze knelpunten zijn mij bekend. Inmiddels is er door de Task Force aanpak mensenhandel – met instemming van CoMensha – een werkwijze opgesteld voor het organiseren van opvang bij dergelijke acties. Er wordt door de Task Force momenteel gewerkt aan een nader voorstel om de werkwijze aan te passen specifiek voor groepen slachtoffers van arbeidsuitbuiting (zie ook het antwoord op vraag 6.
De jaarcijfers van CoMensha laten evenals de jaren hiervoor een groei in het aantal slachtoffers zien. Enerzijds geeft deze groei aan dat de prioriteit die de aanpak van mensenhandel heeft zijn vruchten afwerpt. Door de intensieve opsporing worden immers meer slachtoffers aangetroffen. Anderzijds geven de cijfers aan dat mensenhandel een ernstig en complex probleem is dat stevig moet worden aangepakt. Om deze reden zal ik deze kabinetsperiode de aanpak van mensenhandel intensiveren door het verdubbelen van het aantal aangepakte criminele organisaties, waaronder organisatie die zich met mensenhandel bezighouden. Daarnaast zal ik de maximumstraffen voor mensenhandel verhogen.
Deelt u de mening dat het niet alleen uit humaan oogpunt een plicht is voor de overheid te zorgen voor voldoende opvang voor mensen die zijn uitgebuit, maar dat dit ook in het belang van de opsporing is omdat mensen die tot rust komen in de opvang eerder bereid zijn te verklaren tegen de daders van de gepleegde strafbare feiten? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Sinds wanneer bent u bekend met de cijfers van CoMensha waaruit blijkt dat er nog steeds te weinige bedden zijn voor slachtoffers van mensenhandel? Hebben deze cijfers u verrast? Zo nee, hoe kan het dat u in het algemeen overleg over mensenhandel op 31 maart 2011 ontkende dat er sprake was van een tekort aan opvangplaatsen en beweerde over de meest actuele cijfers te beschikken?
Ik heb regelmatig overleg met CoMensha en ben daarmee goed op de hoogte van de ontwikkelingen ten aanzien van het aantal slachtoffers. De cijfers verrassen mij dan ook niet. Tijdens het Algemeen Overleg heb ik aangegeven dat de situatie met betrekking tot de opvang aanmerkelijk is verbeterd sinds de «pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel» van start is gegaan. Daarnaast heb ik opgemerkt dat er nog steeds een tekort is, maar dat er slechts sprake is van een wachtlijst van enkele plekken. De cijfers van CoMensha zijn hiermee niet in strijd.
Kloppen de cijfers van CoMensha niet of heeft u vorige week de Kamer niet goed of onzorgvuldig geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 3.
Is het waar dat de vijftig extra bedden van de pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel haast continu bezet zijn geweest? Welke conclusie verbindt u hieraan?
Dit klopt. Dit geeft aan dat er een grote behoefte is aan deze opvangplaatsen. Verdere conclusies zal ik trekken op basis van de evaluatie van deze pilot.
Is het waar dat grote groepen slachtoffers van mensenhandel, die bijvoorbeeld in de horeca of in de tuinbouw werkzaam zijn geweest en daarbij zijn uitgebuit, niet kunnen worden opgevangen in de reguliere opvang? Hoe gaat u ervoor zorgen dat ook voor deze grote groepen adequate opvang beschikbaar is?
Ja, grote groepen kunnen veelal niet in de reguliere opvang terecht. Om deze reden moeten er al tijdens de voorbereiding op acties van de opsporingsdiensten (waarbij deze groepen worden aangetroffen) tussen de betrokken instanties afspraken worden gemaakt over het beschikbaar stellen van opvangplekken. De bij vraag 1 bedoelde werkwijze van de Task Force aanpak mensenhandel wordt in de praktijk toegepast en op basis van door CoMensha aan te leveren casuïstiek gemonitord en zo nodig verbeterd. Bovendien werkt de Task Force aanpak mensenhandel momenteel een nader voorstel uit om de specifieke knelpunten betreffende de opvang van grote groepen slachtoffers van arbeidsuitbuiting op te lossen.
Bent u het eens met de observatie van CoMensha dat er gebrek is aan diversiteit van beschikbare opvangplekken en dat veel meer gedacht moet worden aan afspraken met woningcorporaties en gemeenten over tijdelijke huisvesting, eventueel aangevuld met ambulante hulpverlening? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties gaat u naar aanleiding hiervan ondernemen?
In de praktijk kunnen slachtoffers van overige uitbuiting (bijvoorbeeld in de land- en tuinbouw) andere opvangbehoeften hebben dan slachtoffers van seksuele uitbuiting. In het kader van de «pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel» wordt door het WODC geëvalueerd in hoeverre de opvang van slachtoffers van mensenhandel structureel moet worden georganiseerd en of het mogelijk en wenselijk is om naar de aard van de uitbuiting een onderscheid te maken binnen de opvang. Op basis van deze evaluatie en het advies van de commissie «Stelselonderzoek Vrouwenopvang» zal ik samen met de Minister voor Immigratie en Asiel en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een besluit nemen over de wijze waarop de opvang structureel moet worden georganiseerd.
Is het waar dat opsporingsdiensten (zoals de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD)) nu soms tijdelijk de opvang van slachtoffers financieren? Wat vindt u hiervan? Is het geld van de opsporingsdiensten hiervoor bedoeld? Zo nee, welke oplossing gaat u hiervoor bieden?
Dit is inderdaad voorgekomen. Ik ben van mening dat de middelen van de opsporingsdiensten hiervoor niet zijn bedoeld. Toepassing van de hiervoor genoemde werkwijze van de Task Force aanpak mensenhandel moet ertoe leiden dat de middelen van opsporingsdiensten hiervoor niet meer hoeven te worden aangewend.
Wie is uiteindelijk verantwoordelijk voor de opvang van deze slachtoffers, de gemeente, CoMensha of het ministerie? Hoe is de financiering hiervan georganiseerd? Bent u bereid hierin voor meer duidelijkheid te zorgen?
Op basis van de evaluatie van de «pilot categorale opvang slachtoffers mensenhandel» en het advies van de commissie «Stelselonderzoek Vrouwenopvang» zal een besluit worden genomen over de wijze waarop de opvang structureel dient te worden georganiseerd, en daarmee ook over de vraag welke instantie waarvoor verantwoordelijk is en hoe de financiering wordt geregeld.
Kunt u garanderen dat geen enkel slachtoffer tussen de wal en het schip valt, bijvoorbeeld omdat gemeenten naar elkaar wijzen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat voor alle slachtoffers van mensenhandel opvang beschikbaar is?
Ja zal – samen met Minister voor Immigratie en Asiel en de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport – mijn uiterste best doen om mede op basis van de evaluatie van de hiervoor genoemde pilot een solide en toekomstbestendige oplossing te vinden voor de structurele opvang van slachtoffers van mensenhandel.
Jellinek Curaçao |
|
Martijn van Dam (PvdA) |
|
Piet Hein Donner (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Luxe Jellinek versus povere Dios Yudami»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op de eerdere vragen over Jellinek Curaçao en hetgeen hierover gewisseld is tussen de Kamer en de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties?2
Ja.
Herinnert u zich dat Jellinek Retreat in het kader van het Plan Samenwerking Nederlandse Antillen ruim 600 000 euro aan subsidie van Nederland heeft ontvangen om kennis over verslaving over te brengen en om lokaal werkgelegenheid te creëren? Herinnert u zich tevens dat de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de toezegging aan de Kamer heeft gedaan dat zij er zorg voor zou dragen dat bij Jellinek Curaçao naast de verslaafde de rijke Nederlandse ondernemers, advocaten en mediafiguren die het momenteel trekt ook lokale Curaçaose verslaafden terecht zouden kunnen en dat Jellinek Retreat een bijdrage zou leveren aan het verbeteren van de ondermaatse lokale verslavingszorg? Wat is volgens u de stand van zaken met betrekking tot deze toezeggingen en het bereiken van deze doelen?
Ja, ik ben bekend met de voorwaarden bij de toekenning van de subsidie voor de realisatie van de kliniek. Een deel van de bijdrage vanuit het Programma Samenwerking Nederlandse Antillen (PSNA) wordt ingezet om kennis over verslaving over te brengen. De bijdrage uit het PSNA is echter primair bedoeld ter bevordering en diversificatie van de economie van Curaçao, en heeft niet als hoofddoel het verbeteren van de verslavingszorg op Curaçao.
Om de lokale impact van het project te vergroten is met de uitvoerder contractueel vastgelegd om diverse activiteiten te ontplooien gericht op lokale samenwerking met en kennisoverdracht naar organisaties en instanties zoals verslavingspreventie organisaties en scholen. Tot nu toe heeft uitwisseling van medewerkers plaatsgevonden tussen Klinika Caprilese en de moederorganisatie van Jellinek Curaçao in Nederland, Stichting Arkin. Er zijn tevens diverse trainingssessies en workshops gehouden in het kader van intensieve kennisuitwisseling met Fundashon pa Maneho di Adikshon (FMA). Met deze laatste organisatie wordt ook een preventieproject uitgevoerd op scholen. FMA steunt de komst van Jellinek Retreat en verwelkomt toekomstige samenwerking.
Met betrekking tot de werkgelegenheid die het subsidieproject zou genereren informeer ik u dat er op dit moment 8 lokale krachten zijn, waardoor aan deze voorwaarde is voldaan. Het betreft huishoudelijk personeel, verpleegsters en een diëtiste. Aan de voorwaarde dat een lokale dokter in dienst genomen moet worden is nog niet voldaan, omdat deze tot op heden niet beschikbaar is. Om dit te compenseren maakt men nu gebruik van de diensten van lokale huisartsen. Bijkomend positief effect hiervan is dat deze huisartsen door Jellinek worden ingehuurd en waar nodig ook training krijgen. Hierdoor wordt de kennis over verslavingszorg op Curaçao vergroot.
Hoe beoordeelt u in dit kader de observaties dat de luxe in Jellinek Retreat in schril contrast staat met het zwaar verwaarloosde inloophuis «Dios Yudami», dat het van de door Jellinek Curaçao toegezegde steun aan het Fundashon Maneho di Adikshon nooit is gekomen en dat de aanwezigheid van Jellinek niets heeft opgeleverd voor de lokale verslavingszorg op Curaçao? Hoe beoordeelt u de stelling dat de aanwezigheid van Jellinek op het eiland geen bijdrage levert aan de lokale werkgelegenheid omdat slechts zeer weinig van de personeelsleden (namelijk «de kokkin» en «het kamermeisje») van Antilliaanse afkomst zijn? In welke mate maken lokale verslaafden gebruik van Jellinek Retreat en wordt het personeel lokaal geworven?
Ieder land binnen het Koninkrijk is verantwoordelijk voor het eigen beleid op het gebied van verslavingszorg. Hierdoor kunnen er verschillen in de kwaliteit van de zorg ontstaan.
Zoals in het antwoord van vraag 3 beschreven heeft de aanwezigheid van de Jellinek Retreat positieve effecten voor de lokale verslavingszorg op Curaçao. Tussen Jellinek en FMA is tussen juli 2010 en februari 2011 van intensieve kennisoverdracht sprake geweest, met als resultaat meer kennis voor het FMA ten aanzien van onder andere het formuleren van behandeldoelen, behandelplannen en het evalueren daarvan, en trainingen in het uitvoeren van intervisie, empatisch luisteren en feedback geven.
Wat betreft de herkomst van de verslaafden die tot nu toe zijn behandeld is het merendeel afkomstig uit Nederland, een deel is afkomstig uit Curaçao maar ook uit andere landen zoals de Verenigde Staten, Zwitserland, Italië, Luxemburg en België.
Deelt u de mening dat het niet het doel van het Plan Samenwerking Nederlandse Antillen was om een afkickkliniek op Curaçao te subsidiëren die alleen Nederlandse elite trekt en slechts toegevoegde waarde heeft voor die doelgroep? Deelt u de mening dat Jellinek Curaçao – gezien de subsidie die het heeft ontvangen en de voorwaarden die daaraan zijn verbonden – in tegenstelling tot wat nu het geval is wel degelijk een bijdrage dient te leveren aan de lokale verslavingszorg en het bevorderen van de lokale werkgelegenheid?
Zoals ook vermeld in de evaluatie van het PSNA die ik u per brief van 5 juli 2010 heb toegestuurd (kenmerk 2010–0000424387) is de doelstelling van PSNA tweeledig:
Bij de subsidieverlening is een aantal voorwaarden gesteld waaraan Jellinek Retreat moet voldoen om een zo positief mogelijke impact op Curaçao mogelijk te maken. Zoals ik heb aangegeven in mijn antwoord op vragen 3 en 4 wordt hier op dit moment in belangrijke mate aan voldaan.
Op welke wijze gaat u de toezeggingen gedaan door de voormalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gestand doen? Hoe gaat u ervoor zorgen dat Jellinek Retreat wel een bijdrage gaat leveren aan de lokale verslavingszorg en aan de werkgelegenheid op Curaçao? Bent u bereid om de subsidie van 600 000 euro terug te vorderen als Jellinek Retreat zich hier niet voor gaat inzetten? Zo nee, waarom niet?
De tot nu toe overgemaakte gelden aan dit project betreffen voorschotten, die pas na afronding kunnen worden vastgesteld. Indien dan blijkt dat de resultaten niet conform afspraken zijn, zullen de gelden (deels) worden teruggevorderd. Definitieve werkgelegenheidscijfers zullen echter pas op het eind van het project bekend zijn en dienen daarna nog te worden geverifieerd. De eindrapportage van dit project wordt medio juni 2011 verwacht. Bovengenoemde tussenresultaten vertonen een duidelijke positieve trend.
Gebruikmaking van bedrijven en hun diensten van gedragsprofilering over internetgebruikers |
|
Sharon Gesthuizen (SP) |
|
Maxime Verhagen (minister economische zaken en klimaat, viceminister-president ) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid de Kamer te informeren naar aanleiding van het onderzoek van de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit (OPTA) over onrechtmatig cookiegebruik?1
Ik heb onlangs kennis genomen van het onderzoek inzake cookies, dat in opdracht van OPTA is uitgevoerd. OPTA heeft dit onderzoek laten uitvoeren ter voorbereiding op de handhaving van de nieuwe wettelijke bepalingen met betrekking tot cookies. Het genoemde onderzoek is, tezamen met een persbericht, medio maart jl. door OPTA gepubliceerd. OPTA is een zelfstandige organisatie die zelfstandig onderzoeken laat uitvoeren en daarover rapporteert. Voor meer informatie over dit onderzoek verwijs ik u daarom naar de website van OPTA2 (http://www.opta.nl/nl/actueel/alle-publicaties/publicatie/?id=3363).
De regering heeft vorig jaar een wetsvoorstel ingediend ter implementatie van de nieuwe Europese telecomrichtlijnen. In de antwoorden op uw vragen naar aanleiding van het verslag ben ik al vrij uitvoerig ingegaan op de nieuwe regels met betrekking tot cookies. Tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel is er nog gelegenheid om nader van gedachten te wisselen over de nieuwe regels met betrekking tot cookies, en ook over onderzoek dat in opdracht van OPTA is uitgevoerd.
Deelt u de mening dat het probleem zich niet beperkt tot onrechtmatig cookiegebruik maar dat het zich uitstrekt over het verzamelen van gebruik- en gebruikergegevens op het internet in het algemeen?
Ja, het gebruik van cookies is slechts een van de manieren waarop gegevens van gebruikers op het internet kunnen worden verzameld. Het gebruik van cookies is niet per definitie onrechtmatig. Er zijn vele andere mogelijkheden om het gedrag van gebruikers en hun persoonsgegevens op het internet te verzamelen. Ook die vormen van gegevensverzameling zijn niet per definitie onrechtmatig of problematisch. Wel moet steeds worden voldaan aan de toepasselijke wetgeving, te weten de Wet bescherming persoonsgegevens en de Telecommunicatiewet.
Kunt u uitsluiten dat doorverkoop van dergelijke gegevens plaats heeft, al dan niet in strijd met de wet, tegen de wens of in ieder geval zonder de uitdrukkelijke toestemming van de internetgebruiker?
Nee. De richtlijn nr. 95/46/EG (de EU-privacyrichtlijn) en de Wet bescherming persoonsgegevens verplichten tot een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens, maar verbieden niet expliciet de verkoop, of het anderszins te gelde maken van persoonsgegevens. In een concreet geval van verkoop van persoonsgegevens is het aan het CBP, en in voorkomende gevallen aan de OPTA, om te beoordelen of er sprake is van onrechtmatige verwerking.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de voortgang van de door de Europese Commissie geïnitieerde «volg-mij-niet»-wetgeving («do-not-track») en de implementatie van «het recht om vergeten te worden»?2 Op welke wijze brengt u de Nederlandse belangen naar voren in de discussie die op dit moment hierover op Europees niveau wordt gevoerd? Wat zijn hierbij uw belangrijkste speerpunten?
Er is geen sprake van voorstellen van de Europese Commissie voor «volg-mij-niet»-wetgeving. De ePrivacy-richtlijn inzake elektronische communicatie is eind 2009 gewijzigd. Ook de zogenaamde cookiebepaling is toen gewijzigd. Naar aanleiding daarvan heeft de Europese Commissie een overleg met het bedrijfsleven geïnitieerd over praktische oplossingen om te kunnen voldoen aan de nieuwe cookiebepaling. In dat kader heeft de industrie voorstellen gedaan voor een «volg-mij-niet»-functionaliteit. Verder wordt op Europees niveau een discussie gevoerd over de herziening van de EU-privacyrichtlijn.
In de hiervoor geschetste context overweegt de Europese Commissie thans om in voorstellen voor een nieuw kader voor gegevensbescherming «het recht om te worden vergeten» te verankeren. Zo krijgen de internetgebruikers de mogelijkheid om alle gegevens die websites over hen bijhouden te vernietigen.
In het BNC-fiche inzake de Mededeling van de Europese Commissie «Een integrale aanpak van de bescherming van persoonsgegevens in de Europese Unie» is het Nederlandse standpunt terzake van die gedachte verwoord (Kamerstukken II, vergaderjaar 2010–2011, 22 112, nr. 1116). De wetgevingsvoorstellen van de Europese Commissie worden tegen de zomer van dit jaar verwacht. Deze voorstellen zullen door Nederland onder meer worden beoordeeld op basis van de wijze waarop de Commissie zich rekenschap geeft van het bestaan van de vragen, die «het recht om te worden vergeten» oproepen. Bovendien zal Nederland, zoals ik in antwoord op eerdere vragen van uw Kamer (TK, 2010–2011, 24 095, nr. 271) heb gemeld, proberen de lasten voor het bedrijfsleven zo beperkt mogelijk te houden.
Lekkende straatcoaches |
|
Joram van Klaveren (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Maassluis ontslaat tweetal op staande voet»?1
Ja.
Op welke wijze is er ontdekt dat er informatie is gelekt? Om welke informatie gaat het precies?
Uit navraag bij de gemeente blijkt dat er geen politie-informatie is gelekt, maar dat belangrijke informatie afkomstig vanuit de doelgroepen door de straatcoaches niet aan de politie is doorgegeven.
Kunt u aangeven wat de exacte reden is geweest dat de twee straatcoaches die vorig jaar werden aangesteld kort na aanstelling werden ontslagen? Zo nee, waarom niet?
De gemeente meldt dat er geen sprake was van ontslag. Eén van de twee straatcoaches is door het bedrijf waarbij hij in dienst was om bedrijfsmatige redenen op een ander project gezet. Voor diegene is toen een vervanger gekomen.
In hoeverre onderschrijft u de mening dat de 80 000 euro, die jaarlijks aan dit project wordt uitgegeven, weggegooid geld is, nu blijkt dat de straatcoaches geheime informatie lekten en de screening blijkbaar ook vrij weinig voorstelt?
Deze mening deel ik niet. Omdat geconstateerd werd dat de problemen met groepen jongeren met name op straat en in de gezinnen lagen, heeft het Rijk de inzet van straatcoaches in een aantal gemeenten financieel ondersteund. Gemeenten hebben verschillende ervaringen met het inzetten van straatcoaches.
De keuze om straatcoaches in te zetten, de wijze waarop ze begeleid worden en de beoordeling van de effectiviteit vindt plaats op lokaal niveau.
Wat betreft de screening van straatcoaches in Maassluis kan ik u mededelen dat het kunnen overleggen van een Verklaring omtrent het Gedrag hiervan onderdeel uitmaakt.
Deelt u de visie dat de daders vervolgd moeten worden en nooit of te nimmer nog een overheidsfunctie mogen bekleden? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de gemeente Maassluis om te bezien of er aanleiding bestaat aangifte te doen van een strafbaar feit. Het Openbaar Ministerie zal vervolgens beoordelen of vervolging aan de orde is.
De aanstelling van medewerkers bij de overheid is een zaak van het bevoegd gezag, waarbij een antecedentenonderzoek of een verklaring omtrent het gedrag kan worden verlangd.
Welke maatregelen denkt u te gaan treffen om te voorkomen dat dit een volgende keer opnieuw gebeurt?
De gemeente heeft aangegeven dat de straatcoaches op straat een strakkere begeleiding krijgen en dat er in overleg met de politie duidelijke regels opgesteld worden wat wel en niet toelaatbaar is in de omgang met de doelgroep.
In hoeverre bent u de mening toegedaan dat er helemaal gestopt moet worden met de inzet van straatcoaches en dat de politie op zo'n manier moet optreden dat de overlast op straat tot een minimum wordt beperkt?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u aangeven of de gemeente Maassluis doelstellingen heeft geformuleerd in het kader van de gelden die zij als gemeente waar veel Marokkanen wonen ontvangt? Zo ja, om welke doelstellingen gaat het? Op welke wijze zijn de resultaten gemeten en in hoeverre zijn deze doelstellingen behaald?
Het Rijk heeft met de 22 gemeenten, waaronder Maassluis, die deelnemen aan het samenwerkingsverband Aanpak Marokkaans-Nederlandse risicojongeren afgesproken dat ze in in de periode tot en met 2012 zorgen voor een dalende trend in de oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse jongeren op schooluitval, werkloosheid en criminaliteit.
Met een jaarlijkse monitor wordt de mate van oververtegenwoordiging van de Marokkaans-Nederlandse jongeren in de 22 gemeenten op de bovengenoemde gebieden op een uniforme wijze in beeld gebracht. De eerste monitor is in 20102 verschenen en de volgende zal in oktober 2011 verschijnen. Met deze vervolgmeting worden de eerste ontwikkelingen in beeld gebracht. Hierover zal vervolgens bestuurlijk overleg met de gemeenten plaatsvinden.
Het verbieden van een rechtspersoon die zich bezighoudt met pedoseksualiteit en waarvan een bestuurder schuldig is aan kinderporno |
|
Khadija Arib (PvdA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de eerdere schriftelijke Kamervragen over het verbieden van de stichting Martijn?1 Kent u het bericht op de site van de Vereniging Martijn, opgesteld door de voorzitter van die vereniging?2
Ja.
Herinnert u zich de eerst vraag over de voorwaarden waaronder iemand bij wie kinderporno wordt aangetroffen zich effectief kan verweren met het argument dat dit materiaal wetenschappelijke doeleinden dient? Zo ja, deelt u de mening dat het voorhanden hebben van kinderporno op geen enkele manier gerechtvaardigd kan worden door een doelstelling zoals wetenschappelijk onderzoek of het nodig hebben voor het verweer tegen een beschuldiging van kinderporno?
Bij wet van 13 juli 2002 is de bijzondere strafuitsluitingsgrond ter zake het bezit van kinderpornografie wegens educatieve, wetenschappelijke of therapeutische doeleinden in artikel 240b Wetboek van Strafrecht vervallen.3 Met deze wijziging heeft de wetgever willen voorkomen dat personen het bezit van kinderpornografie onder het mom van één van die doeleinden zouden kunnen rechtvaardigen. Een verweer dat met het bezit van kinderpornografie een wetenschappelijk doel werd gediend – afgezien van het geval waarin de ongeschreven strafuitsluitingsgrond ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid van toepassing is – zal dan ook geen kans van slagen hebben.4
Kan een eventuele veroordeling van een bestuurslid van een vereniging of een rechtspersoon bijdragen tot het doen verbieden van die vereniging? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Een vereniging bezit rechtspersoonlijkheid op grond van artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Een rechtspersoon waarvan de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde kan op vordering van het openbaar ministerie door de rechter verboden worden verklaard en worden ontbonden. Artikel 2:20 BW biedt daarvoor de grondslag. De omstandigheid dat een bestuurder van een rechtspersoon is veroordeeld, kan relevant zijn in het kader van de beoordeling van een verzoek van het openbaar ministerie tot verbodenverklaring van een rechtspersoon. Dit voor zover de desbetreffende veroordeling bijdraagt aan de vaststelling dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde. Er zal dan ook sprake moeten zijn van een verband tussen het strafbare feit waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden en de rechtspersoon.
Kunnen strafbare feiten begaan door een bestuurder van een vereniging worden toegedicht aan die vereniging zelf? Maakt het daarbij uit dat de feiten waarvoor een bestuurder wordt veroordeeld direct te maken hebben met de doelstelling van de vereniging waarvan hij bestuurder is? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet? Maakt het daarbij uit of de bestuurder de website van de vereniging gebruikt om zich te uiten over de zaak waarvoor hij werd verdacht of eventueel veroordeeld? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
De Hoge Raad heeft in een arrest uit 2003 de jurisprudentie over het daderschap van de rechtspersoon samengevat en aangevuld.5 De Hoge Raad heeft hierin overwogen dat een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening aan een rechtspersoon is of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden. Daarvan kan volgens de Hoge Raad sprake zijn als zich één of meer van de volgende omstandigheden voordoen (waarbij de zogenoemde IJzerdraadcriteria onder het laatste gedachtestreepje worden vermeld):
Daarnaast blijkt uit voormeld arrest dat indien opzet of schuld als bestanddeel van het delict is vereist, dat bestanddeel ook moet kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon.
De vraag of een gedraging aan een rechtspersoon kan worden toegerekend is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De doelstelling van de rechtspersoon is in zoverre relevant dat de vraag of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon heeft plaatsgevonden een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is. Dat kan ook een gedraging zijn van een natuurlijke persoon die binnen de rechtspersoon een rol vervult.
Voor strafrechtelijke aansprakelijkheid op grond van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging van een rechtspersoon, dient het daderschap van de rechtspersoon te zijn vastgesteld. De voorwaarden voor strafbaarheid van feitelijk leidinggeven zijn eveneens in de jurisprudentie ontwikkeld. Uit de zogenoemde Slavenburg-rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging sprake is indien de verdachte maatregelen ter voorkoming van de gedraging achterwege laat, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden is, en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.6
In hoeverre kan een bestuurder van een vereniging feitelijk leidinggeven aan een strafbaar feit begaan door de rechtspersoon?
Zie antwoord vraag 4.
Sluit het vervolgen van een bestuurder van een vereniging de vervolging van die vereniging zelf uit? Zo nee, kan een veroordeling van de vereniging bijdragen aan het verbieden van die vereniging?
Wanneer bij een strafbaar feit een rechtspersoon en een natuurlijke persoon zijn betrokken, is het op grond van artikel 51, tweede lid, Wetboek van Strafrecht mogelijk om de rechtspersoon, de feitelijk leidinggever of beide tezamen te vervolgen. Zowel de natuurlijke persoon als de rechtspersoon kunnen strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld voor hun eigen betrokkenheid bij het strafbare feit.
Ook in het geval van een veroordeling van een rechtspersoon voor een strafbaar feit kan dit relevant zijn voor een vordering tot verboden verklaring en ontbinding op grond van artikel 2:20 BW. De desbetreffende veroordeling kan bijdragen aan de vaststelling dat de werkzaamheid van de rechtspersoon in strijd is met de openbare orde.
In hoeverre zijn de zogenaamde «IJzerdraadcriteria» over de toerekenbaarheid van strafbare gedragingen aan een rechtspersoon nog maatgevend in de jurisprudentie? Welke andere relevante jurisprudentie is er omtrent het toerekenen van strafbare feiten aan rechtspersonen?
Zie antwoord vraag 4.
Kwetsende spreekkoren |
|
Richard de Mos (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitdrukking «Het ijzer smeden als het heet is»? Zo ja, deelt u de mening dat we hypocriet gedrag moet worden voorkomen en niet alleen moet aanslaan als één speler van één club over de schreef gaat, maar dat landelijk moet gestreefd naar het definitief uitbannen van kwetsende spreekkoren?
Ja, die uitdrukking is mij bekend. Ik deel uw mening dat hypocriet gedrag moet worden uitgebannen, evenals kwetsende spreekkoren. Ik ondersteun daarom het streven en de inspanningen van de KNVB en de clubs om kwetsende spreekkoren uit te bannen.
Heeft u de bereidheid om alle betaald voetbalorganisaties en de KNVB op te roepen om komend weekend en alle weekends daarna voetbalwedstrijden waarbij kwetsende spreekkoren te horen zijn te staken? Zo nee, waarom niet?
Met het recent gepresenteerde actieplan «Naar een veiliger sportklimaat»
(TK, 2010–2011, 30 234, nr. 36) wil ik samen met NOC*NSF, de KNVB en andere sportbonden en hun clubs agressie (waaronder kwetsende spreekkoren) te lijf gaan. Kwetsende spreekkoren zijn onacceptabel. De KNVB en zijn clubs hebben een eigen instrumentarium daarvoor in de vorm van een interne richtlijn bestrijding verbaal geweld. Daarnaast zal ook van de kant van politie en Openbaar Ministerie overeenkomstig worden opgetreden wanneer door opruiende, discriminerende of intimiderende teksten (spreekkoren) de openbare orde en veiligheid in het geding is. Het is van groot belang dat de overheid, de KNVB en de clubs hierin samenwerken.
Deelt u de mening dat Ajax-supporters subiet moeten stoppen met het voeren van de geuzennaam «Joden»? Heeft u de bereidheid met de KNVB en de clubs om de tafel te zitten om te definiëren wat naast de term «Joden» als kwetsend wordt ervaren, om samen te komen tot een zwartboek kwetsende spreekkoren met bijbehorend beleid teneinde die koren uit te bannen? Zo nee, waarom niet?
Ik vind kwetsende spreekkoren onacceptabel. Het opstellen van een lijst met kwetsende termen lijkt mij echter niet zinvol. Er zijn immers altijd termen te vinden die niet op de lijst staan. We moeten voorkomen dat dit een soort nieuwe wedloop wordt. Daarnaast hanteert de KNVB, zoals gezegd, een interne richtlijn bestrijding verbaal geweld op basis waarvan de onafhankelijke tuchtrechtelijke organen van de KNVB toetsen en optreden. Met het gezamenlijke actieplan geven we aan de aanpak van kwetsende spreekkoren een nieuwe impuls (zie antwoord op vraag 2).
Heeft u de bereidheid om alle betaald voetbalorganisaties en de KNVB op te roepen om zich aan te sluiten bij de UEFA-organisatie FARE (Football Against Racism, Europe), een programma om kwetsende spreekkoren uit te bannen? Zo nee, waarom niet?
Aansluiting bij FARE geschiedt op basis van vrijwilligheid. Natuurlijk is aansluiting daarbij positief en met deze antwoorden roep ik alle clubs op zich hierbij aan te sluiten.
Het bericht dat Nederland de Verenigde Staten nauwgezet op de hoogte houdt van lopende terreuronderzoeken |
|
Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) |
|
Fred Teeven (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden1 op eerdere Kamervragen waarin wordt gesteld dat (in geval iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt) het «vervolgens aan het betreffende land is om te beoordelen of de verstrekte informatie verwijderd moet worden»? Welke afspraken precies zijn met de Verenigde Staten (VS) in deze gemaakt? Zo nee, waarom niet?
Over de wijze waarop de VS omgaan met informatie over personen die later blijken ten onrechte als verdachte te zijn aangemerkt, zijn geen specifieke afspraken gemaakt. Er zijn derhalve geen relevante artikelen uit overeenkomsten met de VS die hierop betrekking hebben en er geldt daarvoor ook geen bijzondere procedure. Zie hieromtrent verder het antwoord op vraag 4.
Kunt u tevens aangeven welke overeenkomsten tussen Nederland en VS en tussen de Europese Unie en de VS (EU-VS) onder vermelding van relevante artikelen, in deze relevant zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Kunt u tevens uiteenzetten welke procedure in deze wordt gevolgd, zowel in geval van het zelfstandig afdoen door de politie van buitenlandse verzoeken als in geval van een justitieel rechtshulpverzoek? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Als melding wordt gemaakt van het feit dat iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt, ontvangt Nederland dan een bevestiging dat verstrekte informatie wordt verwijderd dan wel is verwijderd? Zo nee, waarom niet?
Nee, een algemeen uitgangspunt tussen landen die op verdragsbasis strafrechtelijk samenwerken, is het vertrouwensbeginsel. Als Nederland en een ander land gelijktijdig onderzoek doen naar een persoon, en gaandeweg komt in Nederland de verdenking jegens die persoon te vervallen of wordt betrokkene vrijgesproken, dan is het in de praktijk regel dat de politie deze informatie deelt met haar buitenlandse collega’s. Er dient vervolgens op te worden vertrouwd dat de buitenlandse politie deze informatie bij haar eigen onderzoek betrekt. Daarbij is van belang dat politiegegevens alleen worden verstrekt als bij de ontvangende instantie voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een juist gebruik en voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zie hieromtrent verder het antwoord op vraag 5.
Kunt u een overzicht geven van de andere landen waarmee uitwisseling van informatie plaats vindt die in het kader van de opsporing van belang is? Kunt u tevens uiteenzetten welke afspraken er met die landen zijn gemaakt over het verwijderen van informatie in geval iemand ten onrechte als verdachte is aangemerkt? Zo nee, waarom niet?
In de Europese Unie (EU) vindt de uitwisseling van informatie tussen de politiediensten voornamelijk plaats op grond van artikel 39 van de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (SUO2). Daarin is opgenomen dat politiediensten elkaar, met inachtneming van het nationale recht en binnen de grenzen van hun bevoegdheden, wederzijds bijstand verlenen ten behoeve van de voorkoming en opsporing van strafbare feiten. Artikel 27 van het Verdrag van Prüm3 bouwt hierop voort. Op grond van artikel 126, derde lid, SUO zijn de lidstaten gehouden over te gaan tot verbetering of vernietiging van verstrekte gegevens als deze onjuist zijn.
Voor landen buiten de EU zijn de criteria leidend die bij en krachtens de Wet politiegegevens4 zijn geformuleerd. In lid 5 van artikel 17 van de Wet politiegegevens staat dat politiegegevens alleen worden verstrekt als bij de ontvangende instantie voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een juist gebruik en voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. In de praktijk betekent dit, dat de ervaringen met rechtshandhavingsdiensten in een land mede bepalend zijn voor de beslissing of persoonsgegevens op politieel niveau worden uitgewisseld. Voor die landen waarmee Nederland weinig samenwerkt, zal per geval afzonderlijk moeten worden afgewogen of, gelet op de aard van de verzochte informatie en het doel waarvoor het wordt gevraagd, de verstrekking van informatie gerechtvaardigd is.
Afzonderlijke afspraken over het verwijderen van informatie van personen die in Nederland niet langer verdacht zijn, zijn niet gemaakt.