Een in Brunssum opgepakte Syrische terreurverdachte met een verblijfsvergunning |
|
Machiel de Graaf (PVV), Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe is het mogelijk dat een Syrische asielzoeker, die wordt verdacht van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf, een verblijfsvergunning heeft gekregen en dus kennelijk door de screening is gekomen?1
In algemene zin geldt dat alle betrokken organisaties tijdens het gehele asielproces alert zijn op signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. Er wordt al geruime tijd geïnvesteerd in de gehele vreemdelingenketen om dergelijke signalen te onderkennen, maar ook toen bijvoorbeeld de screening nog niet was geïnstitutionaliseerd in het asielproces, was de IND alert op signalen die kunnen duiden op een gevaar voor de nationale veiligheid.
Dat alles neemt niet weg dat nooit geheel kan worden uitgesloten dat er ten tijde van een aanvraag geen bijzonderheden zijn of worden geconstateerd die een inwilliging van een verblijfsaanvraag in de weg staan en dat op een later moment alsnog een verdenking ontstaat.
In deze individuele casus is inmiddels gebleken, en ook door het openbaar ministerie naar buiten gebracht, dat deze man ten onrechte in verband is gebracht met een terroristisch misdrijf.
Hoeveel andere asielzoekers die naar Nederland zijn gekomen worden verdacht van betrokkenheid bij terroristische activiteiten? Realiseert u zich dat u de samenleving ernstig in gevaar brengt met het open grenzen-beleid?
Het OM registreert niet op verblijfstatus. Zoals ook in de beantwoording van vraag 1 is aangegeven, geldt in zijn algemeenheid dat partners in de Vreemdelingenketen alert zijn op signalen van jihadisten in de asielinstroom. Zij geven signalen dat een vreemdeling mogelijk een gevaar kan vormen voor de nationale veiligheid altijd door aan de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie. Deze signalen worden onderzocht en waar nodig worden maatregelen getroffen.
Waarom gaat u willens en wetens door met het importeren van gevaar, wetende dat IS-terroristen met de asielstroom naar Europa komen?
De vraagstelling wekt de indruk dat het praktisch of juridisch mogelijk zou zijn de Nederlandse grenzen hermetisch af te sluiten en zo eenvoudig alle risico’s voor de samenleving weg te nemen. Die indruk is onjuist.
Het kabinet wil bescherming bieden aan mensen die in Nederland asiel vragen en van wie de IND vaststelt dat ze die bescherming ook daadwerkelijk nodig hebben. Veel van de personen die in Nederland bescherming vragen en krijgen zijn juist slachtoffers van IS-barbarisme die daarvoor zijn gevlucht. Dat neemt niet weg dat ik de asielinstroom nauwgezet volg en alert ben op opvallende wijzigingen. In dit verband wil ik tevens wijzen op de vele maatregelen die door dit kabinet, al dan niet in EU-verband zijn genomen, die hebben geleid tot een lagere instroom alsmede op de maatregelen die misbruik van de asielprocedure tegengaan.
Hoewel de Nederlandse overheid alert is op de risico’s en asielzoekers screent, kan ik niet de garantie geven dat de Nederlandse asielprocedure nooit misbruikt kan worden door (potentiële) terroristen.
Bent u bereid (deze) Syrische terrorist(en) na een hopelijk lange straf direct uit te zetten naar het land van herkomst? Zo nee, waarom wilt u de Nederlandse samenleving blijvend met gewelddadige jihadisten opzadelen?
Wanneer een persoon onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een terroristisch misdrijf, of wanneer de AIVD of MIVD een ambtsbericht uitbrengt waarin geconcludeerd wordt dat een persoon een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, beziet de IND of er vreemdelingrechtelijke of nationaliteitsrechtelijke acties ondernomen kunnen worden.
Hierbij kan worden gedacht aan het weigeren, intrekken en/of niet verlengen van een verblijfsvergunning, het opleggen van een inreisverbod en terugkeerbesluit, alsook het ongewenst verklaren van de vreemdeling. Daarnaast kan ook het Nederlanderschap worden geweigerd of ingetrokken.
Wanneer sluit u de grenzen niet voor alle asielzoekers en immigranten uit islamitische landen?
Elke dag.
De corruptieschandalen binnen de FIFA |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Hoe oordeelt u over de uitkomsten van het Garcia rapport, waaruit blijkt dat bijna de voltallige top van de FIFA zich liet paaien voor de toewijzing van de WK’s van 2018 in Rusland en 2022 in Qatar?1
Ik vind het goed dat het rapport eindelijk is gepubliceerd. Het is zorgwekkend dat er steeds onregelmatigheden naar buiten komen over de toewijzing van de WK’s aan Rusland en Qatar. Het Garcia rapport bevat op het eerste gezicht geen eenduidig bewijs van omkoping, wel wordt melding gedaan van opmerkelijke activiteiten rond het bidproces zoals de acceptatie van dure cadeaus en het afsluiten van lucratieve contracten. Verder heb ik begrepen dat de FIFA actie heeft ondernomen om een aantal personen dat in het rapport genoemd wordt te straffen. Van de 22 leden die in 2010 stemden over de WK’s, zijn er inmiddels vijftien geschorst.
Vindt u het ook niet treurig dat een rapport over corruptie en schandalen binnen de FIFA nu pas wordt gepubliceerd, nu alle verantwoordelijken zijn gestraft, opgepakt of overleden en de bond nu geen juridische bezwaren meer heeft om openheid van zaken te geven?
Zie antwoord vraag 1.
Is u bekend of er vervolg onderzoek ingesteld wordt, gezien Michael J. Garcia niet onomstotelijk heeft kunnen vaststellen dat de WK’s in Rusland en Qatar zijn gekocht, maar wel een beerput aan schandalen binnen voetbalwereld openbaarde? Zo neen, wilt u hier navraag naar doen?
Momenteel lopen er nog een Zwitsers en een Amerikaans onderzoek naar mogelijke frauduleuze handelingen van officials van de wereldvoetbalbond FIFA bij de toewijzing van de WK's van 2018 aan Rusland en 2022 aan Qatar. De voorlopige planning is dat de Amerikaanse rechtszaak waarschijnlijk in november 2017 van start gaat. Over het Zwitserse onderzoek zijn nog geen nadere details bekend.
Herinnert u izch uw eerdere uitspraken dat er een einde moet komen aan de geur van corruptie die om de FIFA hangt, dat u de FIFA hierop aan wil spreken en dit op de Europese agenda wil plaatsen? Welke stappen heeft u hiertoe reeds gezet en wat gaat u nog doen richting de EU en de FIFA om schoon schip te maken en bij te dragen aan een voetbalwereld die uitgaat van integere sport, waarvan corruptie, omkoping, misbruik van macht en geldgewin geen enkel onderdeel uitmaakt?2
De toewijzing van sportevenementen is de verantwoordelijkheid van (internationale) sportorganisaties. Mijn inzet is om vanuit de Europese Unie druk uit te oefenen om toewijzing zo transparant mogelijk te maken en te laten verlopen volgens principes van goed bestuur.
Tijdens het Nederlands Voorzitterschap van de EU heb ik me ingezet om raadsconclusies op te stellen over transparantie en goed bestuur van grote sportevenementen. Het betreft hier alle fasen van het proces, van haalbaarheidsstudie en bidprocedure tot voorbereiding, organisatie en legacy van grote sportevenementen. Daarnaast ben ik in overleg met internationale sportorganisaties om te bezien of we vanuit het kader van deze raadsconclusies afspraken kunnen maken om de integriteit rondom sportevenementen te verbeteren. Hiermee staat integriteit van de sport op de Europese agenda. Uiteraard zijn de lidstaten ieder voor zich verantwoordelijk voor de financiering van sportevenementen en de voorwaarden waaronder dit gebeurt.
Wat is uw reactie op de bevindingen van Garcia dat zowel België als Nederland geen zaken had om door te vragen? Hoe verhoudt dit zich tot eerdere berichtgeving dat België en Nederland € 10.000 euro betaalden aan een omstreden stemmenronselaar om het WK van 2018 binnen te halen? Kunt u uw antwoord toelichten?3 4 5
Het Garcia rapport gaat inderdaad ook in op het bid van Nederland en België. Er waren geen verdachte zaken om op door te vragen. Beide landen werkten volgens de onderzoekscommissie goed mee.
In relatie tot de betaling aan een vermeende stemmenronselaar heeft de KNVB voor de volledige transparantie en zorgvuldigheid de beslissing genomen om de betaling nader te laten onderzoeken door een onafhankelijk onderzoeksbureau (http://www.knvb.nl/nieuws/themas/fifa-uefa/19097/onafhankelijk-onderzoek-geen-verboden-betalingen-door-hollandbelgium).
Uit het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van de KNVB, blijkt dat er geen onrechtmatige betalingen geweest zijn door de Stichting kandidatuur WK 2018 of door de KNVB.
Herinnert u zich uw eerdere uitspraken: «Het is niet mogelijk om juridische stappen te ondernemen om de bidkosten terug te halen»? Kunt u nader toelichten waar de € 10 miljoen naartoe is gegaan die België en Nederland voor het bid geïnvesteerd hebben?6
Over de kosten van het bid heb ik u op 31 oktober 2011 (Kamerstuk 32 371, nr. 17) geïnformeerd. Ik heb u inzicht gegeven in de verantwoording van de subsidie stichting Holland Belgium Bid, inclusief een overzicht van de kosten en de door VWS afgegeven vaststelling van de subsidie.
Is u bekend of de investeringen die België en Nederland gedaan hebben voor het bid, terecht is gekomen bij personen of landen die zich schuldig maken aan belastingontwijking? Zo ja, kunt u hier de Kamer over informeren? Zo neen, bent u bereid dit uit te zoeken en de Kamer hierover te informeren?
Vooralsnog heb ik geen signalen ontvangen dat de Nederlandse investeringen in het kader van het WK-bid terecht zijn gekomen bij personen of landen die zich schuldig maken aan belastingontwijking of over zijn gemaakt via fiscale constructies aan FIFA-officals of hun bedrijven. Ook niet uit het Garcia rapport of het onderzoek, uitgevoerd in opdracht van de KNVB (zie antwoord op vraag 5).
Mocht ik daar informatie over krijgen, bijvoorbeeld uit het Zwiters of Amerikaans onderzoek (zie antwoord op vraag 3) zal ik u daarover nader informeren.
Kunt u garanderen dat noch door betrokkenen bij het WK-bid noch vanuit het budget van de bid, betalingen zijn overgemaakt die via fiscale constructies, bijvoorbeeld via taxhavens, bij FIFA-officials of hun bedrijven terecht zijn gekomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht “Milieuactivisten maken voor tienduizenden euro’s schade” |
|
Roy van Aalst (PVV), Lilian Helder (PVV) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Sharon Dijksma (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Milieuactivisten maken voor tienduizenden euro’s schade» en wat vindt u ervan dat de politie dit heeft toegestaan?1
Ik heb kennis genomen van dit bericht. Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3 en 4.
Kunt u aangeven of de actiegroep Code Rood op enigerlei wijze financiële ondersteuning vanuit de overheid krijgt en, zo ja, bent u dan bereid om hun anbi-status in te trekken?
Voor zover bekend heeft Code Rood niet de status van een Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI). Ik verwijs naar onderstaande internetlink van de belastingdienst2.
Klopt het dat de politie er vooraf van op de hoogte was dat ecoterroristen van Code Rood zich als onbevoegden op een bedrijventerrein zouden begeven om de bedrijfsvoering te hinderen dan wel stil te leggen? Zo ja waarom heeft de politie dit toegestaan?
De burgemeester is verantwoordelijk voor de aansturing van de politie ten aanzien van de openbare orde in zijn of haar gemeente. Specifieke vragen over het genoemde voorval in Amsterdam zouden dan ook moeten worden gesteld aan het lokale gezag. De burgemeester van Amsterdam heeft mij desgevraagd van de volgende informatie voorzien: de politie was op de hoogte dat de actiegroep Code Rood mogelijk een actie zou uitvoeren bij één of meerdere van de vele bedrijven gevestigd in het Amsterdamse havengebied, dat omvangrijk is. De politie wist niet op voorhand tegen welk bedrijf of bedrijven een actie gericht zou zijn en op welk moment een actie precies zou plaatsvinden. Met bedrijven is vooraf overleg gevoerd en de bedrijven zijn daarbij geadviseerd om ook zelfstandig maatregelen te nemen.
Bij de start van de actie kon de politie niet direct optreden gezien het grote aantal actievoerders (circa 300 personen) dat een industrieel bedrijventerrein betrad. Nadat de actievoerders het bedrijventerrein betraden heeft de politie in eerste instantie samen met het bedrijf en vertegenwoordigers van de actievoerders een afspraak gemaakt over op welk moment de actievoerders het bedrijventerrein weer zouden verlaten. Toen een deel van de actievoerders deze afspraak niet na leek te komen, heeft de politie de-escalerend en gefaseerd opgetreden en heeft de actie beëindigd.
Waarom heeft de politie niet ingegrepen op het moment dat ecoterroristen van Code Rood de ketting van het hek van het bedrijventerrein doorknipten en zich dus schuldig maakten aan huisvredebreuk?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u verklaren waarom slechts 5 van de 300 inbrekende ecoterroristen van Code Rood zijn opgepakt en in hoeverre er nog actie ondernomen wordt om meer inbrekers te arresteren?
Er zijn in totaal dertien verdachten aangehouden op het bedrijventerrein. Het betreft twee groepen, één van vijf en één van acht verdachten. De groep van vijf wordt – naast huisvredebreuk – verdacht van het plegen van openlijk geweld en het plegen van vernieling tezamen en in vereniging. De groep van acht wordt – eveneens naast huisvredebreuk – verdacht van het plegen van openlijk geweld en het plegen van mishandeling. Alle verdachten hebben een dagvaarding ontvangen voor een behandeling van hun strafzaken. Op dit moment zijn er geen concrete opsporingsindicaties ten aanzien van andere verdachten.
Kunt u aangeven of en op welke wijze de schade van zo’n 50.000 euro verhaald gaat worden op de daders en welke straffen de daders ten laste worden gelegd?
Aangevers kunnen zich voegen als benadeelde partij, waarbij de rechter een vordering ontvankelijk of niet-ontvankelijk kan verklaren en bij een ontvankelijkheid de vordering geheel of ten dele kan toewijzen. Een andere optie is om de schade te verhalen via civielrechtelijke weg. Voor wat betreft het antwoord op de vraag over de feiten die de verdachten ten laste worden gelegd, verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 5. Voor wat betreft het antwoord op de vraag welke straffen zullen worden opgelegd; het is aan de rechter om te bepalen welke straf passend en geboden is.
Kunt u aangeven hoe het mogelijk is dat zeven jaar geleden het kabinetsbeleid nog was dat je inbrekers een paar ferme tikken mocht geven en dat nu zelfs de politie urenlang toekijkt hoe er bij een bedrijf wordt ingebroken?
Ik verwijs naar mijn antwoord op de vragen 3 en 4.
Gelden er voor klimaatactivisten soms andere regels en wetten? Zo nee, waarom worden die dan niet gehandhaafd?
Zie antwoord vraag 7.
Het bericht dat ziekenhuizen getroffen zijn door ransomware-aanvallen |
|
Karen Gerbrands (PVV) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht «Ransomware treft zeker 15 ziekenhuizen»?1
Ransomware aanvallen komen voor in alle sectoren. Ik vind het zorgelijk dat ook zorginstellingen worden getroffen door ransomware aanvallen. Patiënten moeten er op kunnen vertrouwen dat de bescherming van hun medische informatie is gewaarborgd.
Ik blijf me samen met de sector inspannen om aanvallen of andere manieren om de ICT systemen in de zorg te ontregelen te voorkomen, of als ze zich toch voordoen de schade zo veel mogelijk te beperken. (zie ook het antwoord op vraag 6).
Hoeveel en welke gegevens zijn hierdoor verloren gegaan?
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) heeft mij laten weten dat zij sinds 1 januari 2014 vijf meldingen hebben geregistreerd van ransomware op infrastructuur van een ziekenhuis. Er is niet bekend of er losgeld is betaald. Evenmin is bekend of er bestanden onherstelbaar verloren zijn gegaan. Ook Z-CERT (Computer Emergency Response Team voor de zorg) heeft geen informatie over eventueel losgeld of verloren informatie. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft geen meldingen ontvangen van situaties met ransomware.
Is er losgeld betaald aan criminelen? Zo ja, hoeveel?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel ziekenhuizen werken nog met verouderde medische apparatuur of verouderde besturingssystemen?
Ziekenhuizen zijn in eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de beveiliging van medische apparatuur. Ziekenhuizen moeten passende maatregelen nemen op het gebied van informatiebeveiliging, dit geldt ook voor apparaten die nog niet zijn afgeschreven met verouderde software. De eisen voor informatiebeveiliging van ziekenhuizen zijn te vinden in de NEN-normen. Ook moeten ziekenhuizen voldoen aan het convenant veilige toepassing van medische technologie in de medisch specialistische zorg.
Wie is er verantwoordelijk voor de beveiliging van medische apparatuur, de ziekenhuizen of de leveranciers?
Zie antwoord vraag 4.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat Nederlandse ziekenhuizen niet langer kwetsbaar zijn voor gijzelsoftware?
Naar aanleiding van de wereldwijde ransomware aanval van 12 mei jl. heb ik 19 mei jl. een brief gestuurd naar de leden van het Informatieberaad Zorg waarin ik verzoek om adequate maatregelen te treffen en aandacht heb gevraagd voor informatiebeveiliging. Ik ga er vanuit dat zorginstellingen de noodzakelijke prioriteit geven aan dit onderwerp.
Samen met de sector heb ik de afgelopen periode diverse initiatieven genomen om de beveiliging van systemen te versterken:
Met brancheorganisaties in de medisch-specialistische zorg en geestelijke gezondheidszorg heb ik een «Actieplan (informatie)beveiliging patiëntgegevens» opgesteld dat 20 juni jl. naar de Tweede Kamer is verzonden2. In het Informatieberaad van 26 juni 2017 is aangekondigd dat ik dit actieplan wil uitbreiden tot het hele zorgveld. Activiteiten uit het plan moeten leiden tot een structurele verbeteringen in de dagelijkse werkpraktijk bij ziekenhuizen op het gebied van privacybescherming en informatiebeveiliging.
Om weerbaarder te zijn voor informatiebeveiligingsincidenten en de mogelijke gevolgen te beperken is begin dit jaar de sectorale CERT (Computer Emergency Response Team) voor de zorg opgericht, de stichting Z-CERT. De Z-CERT is een voorziening die bij cyberincidenten snel in actie te komt, om detectie te versnellen en kennisdeling over informatie-beveiligingsincidenten te vergroten. Hiermee wordt de impact van dergelijke incidenten beperkt. Ik ondersteun dit initiatief met een opstartsubsidie.
Daarnaast heeft het NCSC een samenwerkingsverband ontwikkeld in de vorm van een sector Information Sharing and Analysis Centre (ISAC). Een ISAC is een publiek-private sectoraal samenwerkingsverband, waarbinnen op tactisch niveau deelnemers van de zorgsector, waaronder ziekenhuizen om de sector als geheel weerbaarder te maken tegen cyber incidenten. Door het delen van (incident) informatie en het opbouwen van een netwerk kunnen ziekenhuizen hun eigen informatiebeveiliging verbeteren.
Beschermde identiteit voor teruggekeerde Zweedse jihadisten |
|
Raymond de Roon (PVV), Machiel de Graaf (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bert Koenders (minister buitenlandse zaken) (PvdA), Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Klopt de berichtgeving dat teruggekeerde Zweedse jihadisten een beschermde identiteit krijgen om hun «reïntegratie in de samenleving te bevorderen»?1 Hoeveel personen betreft dit?
Nee, deze berichtgeving klopt niet. Uit navraag bij de Zweedse autoriteiten blijkt dat de Zweedse overheid geen beleid voert waarbij Zweedse uitreizigers bij terugkeer een nieuwe identiteit krijgen. In algemene zin geldt dat een Zweedse burger die bedreigd wordt, aan de overheid kan verzoeken om afscherming van de privégegevens. De politie beoordeelt of de bedreiging dusdanig is dat afscherming van privégegevens gerechtvaardigd is. Privégegevens kunnen vervolgens worden afgeschermd van in Zweden openbare registers, waardoor buitenstaanders geen toegang meer hebben tot privégegevens zoals adres, telefoonnummer, of kenteken van de auto. Aan de identiteit verandert dit echter niets, en aan de gegevens in de overheidsadministratie evenmin.
Kunnen deze Zweedse jihadisten met hun nieuwe identiteit ongehinderd door de EU en dus ook door Nederland reizen? Kunnen zij zich in Nederland vestigen?
Aangezien de berichtgeving niet juist is, zijn antwoorden op deze vragen niet van toepassing.
Zijn de Nederlandse veiligheids- en inlichtingendiensten op de hoogte van deze nieuwe identiteiten?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe gaat u verhinderen dat deze jihadisten voet op Nederlandse bodem of op Nederlandse lucht- en scheepvaartuigen zetten?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u in staat om de bewegingen van deze jihadisten in Europa te volgen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat het blootstellen van Nederland aan terugkerende jihadisten – al of niet voorzien van een nieuwe identiteit – een krankzinnig idee is?
Personen met de Nederlandse nationaliteit kunnen terugkeren naar Nederland. Indien uitreizigers/Syriëgangers terugkeren worden zij bij terugkeer aangehouden voor verhoor en indien mogelijk strafrechtelijk vervolgd. Daarnaast wordt in een multidisciplinair casusoverleg een inschatting van de dreiging gemaakt en een individueel plan van aanpak met toepasselijke interventies opgesteld. Er kunnen zwaarwegende redenen zijn dat legale terugkeer naar Nederland en het Schengengebied moet worden voorkomen. In die gevallen kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid Nederlanderschap van uitreizigers met een dubbele nationaliteit in te trekken in het belang van de nationale veiligheid.
Hoe gaat u Nederland beschermen tegen deze jihadisten?
Zie antwoord vraag 2.
Het Landelijk bureau vermiste personen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoorden op vragen tijdens het mondelinge vragenuur in de Tweede Kamer op 20 juni jl. over het Landelijk Bureau Vermiste Personen (LBVP)?
Ja.
Zijn er te laat Amber Alerts en Vermist Kind Alerts verstuurd door de problemen bij het LBVP?1
Het LBVP is in de afgelopen jaren 24/7 bereikbaar geweest voor vragen vanuit de regionale eenheden. Amber Alerts en Vermist Kinds Alerts zijn conform werkwijze en protocol verstuurd.
Hoe verloopt de samenwerking tussen het LBVP en de regionale eenheden van de nationale politie en individuele politieagenten bij die eenheden?
De samenwerking tussen het LBVP en regionale eenheden en vice versa verloopt goed. Er is periodiek overleg tussen het LBVP en de specialisten van de regionale eenheden. Tezamen met de specialisten van de regionale eenheden wordt de 24/7 beschikbaarheid van specialisten geborgd, die om beurten piket hebben en kunnen adviseren over de vermissingszaak.
Sinds wanneer is de politie op de hoogte van de problemen rond de onderbezetting bij het LBVP? Sinds wanneer was u op de hoogte van deze problemen?
Het LBVP heeft in de afgelopen jaren gewerkt met een combinatie van vaste en tijdelijke krachten. De bemensing van het LBVP wordt op het juiste niveau gebracht. Als team gezamenlijk is er in de afgelopen jaren altijd voldoende kennis en ervaring aanwezig geweest. Het LBVP is ook altijd 24/7 bereikbaar geweest voor vragen (op het gebied van ondersteuning en advisering bij vermissingsonderzoeken) vanuit de regionale eenheden.
Is het waar dat er in het verleden meldingen van urgente vermissingen zijn ontvangen in een «spambox» van het LBVP? In hoeveel gevallen is hiervan sprake geweest? Met welke gevolgen?
Dit is niet juist. De geautomatiseerde meldingen die verzonden worden, komen binnen op een hiervoor speciaal opgezette mailbox, de Mailbox Urgente Vermissingen. Er is geen sprake van een spambox.
Is het waar dat de meldingen die in de mailbox Urgente Vermissingen van het LBVP binnenkomen in voorkomende gevallen te beknopt zijn om een correcte inschatting van de vermissing te kunnen maken? Zo ja, hoe komt dit, hoe vaak komt dit voor, wat zijn de gevolgen voor de vermissing? Welke maatregelen zijn of worden er genomen om hier verbetering in aan te brengen?
De inschatting dat een vermissing al dan niet urgent is, wordt niet gemaakt door het LBVP maar door de hulpofficier van justitie in de eenheid waar de vermissing wordt gemeld.
Het LBVP biedt ondersteuning aan bij onderzoeken naar vermissingen door de regionale eenheden te adviseren over o.a. de inzet van specialistische middelen (inclusief het versturen van AMBER Alerts en Vermist Kind Alerts). Daarnaast vormt het LBVP een netwerk met de tien Specialisten Vermiste Personen in de eenheden, om de hierboven genoemde ondersteuning effectief te kunnen uitvoeren.
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen er sinds de introductie van de meldplicht door de politie in vermissingzaken geen melding is gemaakt van een urgente vermissing bij het LBVP en waarbij achteraf toch sprake bleek van een ernstig misdrijf? Zo ja, in hoeveel gevallen was daar sprake van en wat was de aard van de misdrijven en de gevolgen voor het slachtoffer? Zo nee, waarom kunt u dit niet aangeven?
Er wordt niet bijgehouden in hoeveel gevallen er geen melding van een urgente vermissing bij het LBVP is gedaan. Het doel van de meldplicht is om een betere ondersteuning van lopende vermissingsonderzoeken mogelijk te maken door het benutten van ondersteuning vanuit het LBVP indien nodig. De meldplicht is niet bepalend voor de uitvoering van de vermissingszaak.
Er is dus geen oorzakelijke relatie tussen het melden bij het LBVP door de eenheden en het niet goed uitvoeren van het operationele vermissingsproces omdat de politiemedewerkers in de eenheid zelf de vermissing behandelen en dit niet laten afhangen van een melding aan het LBVP.
Is het u bekend hoe vaak het voor komt dat achteraf vermissingen verkeerd zijn ingeschat of behandeld en waarom dat het geval is? Deelt u de mening dat een structurele evaluatie van de aard en de omvang van verkeerd ingeschatte vermissingen noodzakelijk is en hoe gaat u daar voor zorgen?
De politie behandelt per jaar ongeveer 40.000 vermissingen (waarvan het overgrote deel binnen 1–2 dagen is opgelost). 1 a 2% is langdurig van aard. De politie meldt mij dat er geen indicatie is hoe vaak het voorkomt bij deze 40.000 zaken dat een vermissing verkeerd wordt ingeschat. Het werkproces m.b.t. vermissingszaken wordt periodiek tegen het licht gehouden.
Kunt u de antwoorden meenemen in de brief die u voor het eind van het zomerreces heeft toegezegd?
De toegenomen weigeringen van Verklaringen omtrent gedrag |
|
Maarten Groothuizen (D66), Rens Raemakers (D66) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de constatering in het JUSTIS jaarverslag 2016 dat het aantal weigeringen van verklaringen omtrent gedrag zijn gestegen van 0,35% naar 0,4%?
Het aandeel geweigerde VOG-aanvragen fluctueert jaarlijks enigszins, omdat de Dienst Justis elke aanvraag inhoudelijk beoordeelt en niet stuurt op weigeringspercentages. Het aandeel VOG-aanvragen dat in 2016 is afgewezen is 0,38% van het totaal aantal aanvragen (in het jaarverslag van de Dienst Justis is dit afgerond op één decimaal naar 0,4%). Dit percentage was in 2015 en in 2014 weliswaar stabiel op 0,35%, maar in 2013 bedroeg het weigeringspercentage 0,56%. De stijging van 0.03 procentpunt is gezien deze reeks geen uitzonderlijke toename.
Kunt u toelichten waardoor de toename van het aantal weigeringen bij aangevraagde verklaringen omtrent gedrag wordt veroorzaakt?
Zie antwoord vraag 1.
Hoeveel jongeren van onder de 23 jaar is afgelopen jaar een verklaring omtrent gedrag geweigerd en hoe verhoudt zich dat tot voorgaande jaren?
In 2016 zijn er bijna 195.000 VOG-aanvragen ingediend door jongeren onder de 23 jaar. Het aantal VOG-aanvragen dat is afgewezen bedraagt 501, dit is 0.26% van het totaal aantal aanvragen door jongeren. Hoewel dit hetzelfde percentage is als vorig jaar, fluctueert het aantal afwijzingen ook hier over de jaren heen: in 2013 lag dit op 0,36% en in 2014 op 0,21%.
Kunt u aangeven hoeveel van die geweigerde aanvragen voor jongeren betrekking had op een aanvraag voor werk?
Van de 501 geweigerde aanvragen voor jongeren waren er 344 werkgerelateerd. Dit is 68,7% van alle weigeringen voor jongeren. Ook dit is gelijk aan het percentage over 2015.
Kunt u aangeven hoeveel van die geweigerde aanvragen voor jongeren betrekking had op een aanvraag voor stage?
Van de 501 geweigerde aanvragen voor jongeren, hadden 68 aanvragen betrekking op een opleiding of stage. Dit is 13,6% van alle weigeringen voor jongeren. In 2015 lag dit percentage op 13,9%.
Is inmiddels begonnen met een voorlichtingscampagne en een website voor jongeren zoals u heeft aangekondigd in uw brief van 1 februari 2017 (Kamerstuk 34 550 VI, nr. 98)? Zo ja, hoe ziet die voorlichting eruit en wanneer wordt dit geëvalueerd? Zo nee, wanneer wordt hiermee begonnen en is een evaluatie voorzien?
Er is een website voor jongeren gelanceerd: www.watdevog.nl. Op deze website wordt antwoord gegeven op vragen die leven bij jongeren omtrent de VOG. Tevens kunnen zij op de site de VOG-check doen, waarmee je in een paar stappen te zien krijgt voor welke branches je meer of minder kans hebt een VOG te krijgen. In het najaar zal de hierop aansluitende voorlichtingscampagne van start gaan. Na afloop van de campagne zal deze geëvalueerd worden. Hiernaast zijn er inmiddels twee voorlichtingsfilms ontwikkeld en online gezet waarin de Dienst Justis heldere basisinformatie geeft over de VOG.1 Verder zijn de brieven die jongeren ontvangen bij het voornemen om een VOG af te wijzen herschreven, zodat ze beter te begrijpen zijn. Tenslotte heb ik verslavingszorginstelling Jellinek gesubsidieerd om dit festivalseizoen op ongeveer 50 dance-evenementen informatie te verstrekken over de VOG aan de festivalbezoekers.
De berichtgeving dat matchfixing toeneemt in Nederland |
|
Antje Diertens (D66) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht van de NOS waarin de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) aangeeft dat de huidige regels omtrent matchfixing niet voldoende zijn?1
In het bewuste bericht wordt de wens van de KNVB belicht tot invoering van een speciaal wetsartikel dat tot zwaardere straffen voor matchfixing zal leiden. In mijn antwoord op eerdere Kamervragen over matchfixing heb ik aangegeven dat de huidige wetgeving voldoende mogelijkheden biedt tot vervolging. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 11 van het lid Van Nispen (SP), dat ik tegelijkertijd met de antwoorden op deze vragen naar uw Kamer stuur2.
Bent u bekend met de aanbevelingen die in het rapport «Matchfixing in Nederland» naar voren komen?2
Ja.
Op wat voor manier heeft u uitvoering gegeven aan het in 2013 verschenen rapport van «Matchfixing in Nederland»?
De aanbevelingen in het rapport hebben vooral betrekking op het verbeteren van de samenwerking tussen partijen en aanvullende maatregelen op het terrein van de sport. Wat de samenwerking betreft wordt in het rapport onder andere geadviseerd om twee verschillende platforms in te richten, een voor het delen van beleidsinformatie en een voor het delen van operationele informatie.
In dit kader is het Nationaal Platform Matchfixing ingesteld waar diverse signalen en andere informatie gedeeld kunnen worden, mits het geen persoonsgegevens of opsporingsinformatie betreft. Laatstbedoelde informatie wordt besproken in het signalenoverleg dat periodiek bijeen komt om signalen van sportfraude waaronder mogelijk matchfixing te bespreken. Naast het operationele platform is een strategisch beraad matchfixing ingesteld. Het doel van dit platform is om de aanpak van matchfixing te besturen, toe te zien op goede informatiedeling en samenwerking te realiseren tussen betrokken partijen.
De aanvullende maatregelen op het terrein van de sport hebben vooral betrekking op preventie en aanpassing van de reglementen waardoor matchfixing wordt tegengegaan. De sport heeft daar invulling aan gegeven door onder meer de inrichting van het vertrouwensloket in de sport en de ontwikkeling van preventieve en educatieve maatregelen op het brede terrein van integriteit.
Voor de overige maatregelen verwijs ik naar de antwoorden op de vragen 3,4,8,9,10 en 12 van het lid Van Nispen (SP)4.
Bent u van mening dat de aanbevelingen die in het rapport worden gedaan, namelijk het uitbreiden van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr.) en artikel 328ter Sr. een betere manier zijn om matchfixing tegen te gaan dan een volledig nieuwe wet te implementeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 11 van het lid Van Nispen (SP)5.
Waar wordt in internationaal verband op ingezet om het toenemende risico op matchfixing tegen te gaan?
Ik verwijs naar het antwoord op vraag 10 van het lid Van Nispen (SP)6.
De aanslag met een bestelbus op moskeegangers in Londen |
|
Farid Azarkan (DENK) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aanslag met bestelbus op moskeegangers in Londen; 1 dode en meerdere gewonden»?1
Ja
Wat is de formele reactie van de regering op deze aanslag?
De Minister-President heeft op 21 juni in de Tweede Kamer met afschuw gereageerd naar aanleiding van de aanslag in Londen. 2
Wat is het huidige dreigingsniveau van de veiligheid van moskeeën, synagogen, kerken en andere gebedshuizen in Nederland?
Voor het actuele dreigingsniveau verwijs ik naar het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland dat ik 23 juni 2017 naar de kamer stuurde.3
Heeft u naar aanleiding van de aanslag in Londen overleg gehad over de veiligheid van moskeeën met de vertegenwoordigers van de koepelorganisaties? Zo ja, wat is er besproken? Zo nee, waarom niet?
Er is regelmatig overleg van de NCTV samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een aantal landelijke en regionale koepels van Islamitische organisaties en moskeeën. Ook na de aanslag in Londen is er contact geweest en zijn informatie en zorgen gedeeld.
In hoeverre sluit de Handreiking Veilige Moskee aan op de huidige veiligheidssituatie?
De handreiking Veilige Moskee bevat kennis, aanbevelingen en goede voorbeelden die helpen in het leveren van een bijdrage aan het vergroten van de veiligheid van op lokaal niveau. In de handreiking staan de verantwoordelijkheden van de betrokken partijen benoemd in zowel de preventieve fase als de incidentfase en de fase na afloop. De aanslag in Londen laat zien dat dit onverminderd actueel en nodig is. Concrete acties en maatregelen die nodig zijn in relatie tot de veiligheid hangen af van de lokale situatie en het dreigingsbeeld.
Bent u bereid de moties omtrent de veiligheid van moskeeën in ogenschouw te nemen en maatregelen te treffen om gemeenten te faciliteren in de beveiliging van moskeeën,2 aangezien de regering terecht ook 1,5 miljoen euro vrijgemaakt heeft voor het beveiligen van synagogen?3 Zo nee, waarom niet?
De moties waar u naar verwijst zijn door de Tweede Kamer verworpen. De motie Recourt6 is aangenomen. Deze motie zie ik als ondersteuning van beleid, zoals aan de Kamer gemeld7. De motie Recourt stelt dat het dreigingsbeeld leidend is voor het nemen van beveiligingsmaatregelen bij religieuze instellingen. In lijn met de motie is de overheid op regelmatige basis in gesprek met vertegenwoordigers van de moslimgemeenschap aangaande de veiligheid van moskeeën. Een nationale werkgroep bespreekt actualiteiten en veiligheidsvraagstukken aangaande de veiligheid rondom moskeeën. De veiligheid rondom moskeeën wordt door zowel het lokale als het nationale niveau gemonitord. Als dreiging en risico hiertoe aanleiding geven worden direct passende beveiligingsmaatregelen genomen.
Neemt u de waarschuwing van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid die aangeeft dat de gemeenten moskeeën goed in de gaten moeten houden, in ogenschouw? Zo ja, waaruit blijkt dat? Zo nee, waarom niet?
Zoals gemeld in mijn brief op 27 juni 20178 over de veiligheid moskeeën wordt de veiligheidssituatie van moskeeën op zowel het lokale als op het nationale niveau nauwlettend gevolgd. De NCTV heeft hierover vorige week een bericht verzonden aan de regionale eenheden van politie. Ik onderschrijf de oproep tot extra alertheid van de NCTV.
Wat doet u om de angst en de ongerustheid onder moslims naar aanleiding van deze aanslag te verminderen?
In het contact met vertegenwoordigers van een aantal landelijke en regionale koepels van Islamitische organisaties en moskeeën worden ook angsten en ongerustheid besproken. Daarnaast worden moskeebesturen, gemeenten en politie met de handreiking geadviseerd om op lokaal niveau contact met elkaar op te nemen om deze zorgen op het lokale niveau te bespreken. Op nationaal niveau worden de actuele veiligheidsvraagstukken ook besproken in de eerder genoemde werkgroep veiligheid moskeeën.
Een gebrek aan capaciteit en kwaliteit bij het Landelijk Bureau Vermiste Personen |
|
Maarten Groothuizen (D66), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Stef Blok (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Politie laat steken vallen bij opsporing van vermiste kinderen» over onderbezetting en gebrek aan expertise bij het Landelijk Bureau Vermiste Personen (LBVP) van de Nationale Politie? (RTL Nieuws 16 juni 2017)
Deelt u de mening dat een gebrek aan capaciteit en expertise in het geval van het opsporen van vermiste personen waaronder kinderen zeer ongewenst is? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Acht u het mogelijk dat er door de problemen bij het LBVP te laat Amber Alerts en Vermist Kind Alerts worden verstuurd? Zo ja, wat is uw mening daarover? Zo nee, hoe kunt garanderen dat dat niet het geval is?
Hoe verloopt de samenwerking tussen het LBVP en de regionale eenheden van de nationale politie en individuele politieagenten bij die eenheden?
Kunt u zich vinden in de schriftelijke reactie die de nationale politie in reactie op de vragen van RTL Nieuws heeft gegeven? Zo nee, op welke punten bent u het dan niet eens met die toelichting of is die volgens u niet adequaat?
Herinnert u zich de antwoorden op eerdere vragen, waaruit bleek dat uw ambtsvoorganger bij de toenmalige korpsbeheerders onder meer om aandacht vroeg «voor een snelle expertiseopbouw op het gebied van persoonsvermissingen»? Herinnert u zich ook de brief van uw ambtsvoorganger aan de Kamer waarin naar aanleiding van de vermissing van de 12-jarige Milly Boele de politie werd gevraagd om het werkproces van persoonsvermissingen snel te verbeteren? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot de door RTL Nieuws geschetste problemen bij het LBVP?1 2
Is het waar dat er bij het LBVP sprake is van onderbezetting waardoor het LBVP niet 24/7 kan adviseren over urgente vermissingzaken? Zo ja, deelt u de mening dat dit ongewenst is en niet past bij eerder gedane toezeggingen? Zo ja, wat gaat u hier aan doen en op welke termijn? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Is het waar dat er in het verleden meldingen van urgente vermissingen zijn ontvangen in een spamemailbox van het LBVP? In hoeveel gevallen is hiervan sprake geweest? Met welke gevolgen?
Is het waar dat de meldingen die in de mailbox Urgente Vermissingen van het LBVP binnenkomen in voorkomende gevallen te beknopt zijn om een correcte inschatting van de vermissing te kunnen maken? Zo ja, hoe komt dit, hoe vaak komt dit voor, wat zijn de gevolgen voor de vermissing en welke maatregelen zijn of worden er genomen om hier verbetering in aan te brengen? Zo nee, wat is er dan niet waar?
Kunt u aangeven in hoeveel gevallen er sinds de introductie van de meldplicht door de politie in vermissingzaken geen melding is gemaakt van een urgente vermissing bij het LBVP en waarbij achteraf toch sprake bleek van een ernstig misdrijf? Zo ja, in hoeveel gevallen was daar sprake van en wat was de aard van de misdrijven en de gevolgen voor het slachtoffer? Zo nee, waarom kunt u dit niet aangeven?
Is bekend hoe vaak het voorkomt dat achteraf vermissingen verkeerd zijn ingeschat of behandeld en waarom dat het geval is? Zo ja, kunt u de Kamer daarover inlichten? Zo nee, deelt u dan de mening dat een structurele evaluatie van de aard en de omvang van verkeerd ingeschatte vermissingen noodzakelijk is en hoe gaat u daar dan voor zorgen?
Welke maatregelen gaat u nemen om op de kortst mogelijke termijn de huidige problemen bij het LBVP te verhelpen?
Deelt u de mening dat het nodig is om een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de ontstane problemen rondom de meldingen van vermissingen, bijvoorbeeld door de Onderzoeksraad voor Veiligheid? Zo ja, op welke termijn gaat dat onderzoek plaatsvinden? Zo nee, waarom niet?
De brandveiligheid van Nederlandse gebouwen |
|
Jessica van Eijs (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Na de brand in Londen rijst de vraag: hoe veilig zijn onze flats?»1
Ja.
Hoe wordt er voor gezorgd dat in Nederland dergelijke rampen voorkomen worden?
Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen aan de brandveiligheid van gebouwen. Met deze eisen wordt beoogd dat dergelijke rampen in Nederland voorkomen worden.
Vergeleken met andere landen is het aantal brandslachtoffers in Nederland zeer laag. Ernstige incidenten met meerdere slachtoffers doen zich hier relatief weinig voor. Zie ook het artikel Staan in Nederland ook Grenfell Towers?van de lector Brandpreventie de heer Hagen.2
Klopt het dat aannemers en afnemers zelf verantwoordelijk zijn voor de brandveiligheid? Zo ja, hoe ziet de overheid er op toe dat de brandveiligheidseisen in de bouw correct worden nageleefd? Op welke manier kan de brandweer controleren of een gebouw de brandveiligheidsmaatregelen heeft die zijn opgenomen in de ontwerpen?
Ja. Uit de Woningwet volgt dat naleving van de brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit de verantwoordelijkheid is van de partijen die bouwen of laten bouwen. De gemeente (burgemeester en Wethouders) is bevoegd gezag en is verantwoordelijk voor de handhaving van het Bouwbesluit. Gemeenten hebben beleidsvrijheid hoe zij toezien op de naleving van de brandveiligheidseisen. Een gemeente kan bij de vergunningsaanvraag een bouwplan preventief toetsen aan de brandveiligheidseisen en bij de uitvoering toezien dat deze eisen daadwerkelijk worden nageleefd. De brandweer is geen bevoegd gezag, maar een gemeente kan de brandweer wel betrekken bij de bouwplantoetsing of het toezicht.
Hoe vaak wordt er op brandveiligheid in de bouw gecontroleerd? Hoe vaak worden er fouten in de brandveiligheid geconstateerd?
Ik beschik niet over deze informatie. Zoals geantwoord bij vraag 3 kan iedere gemeente zelf invulling geven aan het toezicht op brandveiligheid. Het interbestuurlijke toezicht op deze gemeentelijke taak ligt bij de provincie. Ik heb geen rol bij dit toezicht.
Ziet u noodzaak om de controle op brandveiligheid in de bouw aan te scherpen n.a.v. de gebeurtenissen in Londen?
Door de Engelse regering wordt nog onderzoek uitgevoerd naar de brand in Londen. Ik zal het onderzoeksrapport afwachten. Als dit beschikbaar is, zal ik bezien of in Nederland aanvullende maatregelen nodig zijn. Vanuit het gemeentelijk bouwtoezicht heb ik geen signalen ontvangen dat het vooruitlopend hierop nodig is om actie te ondernemen.
Welke regels gelden er in Nederland voor het bevestigen van gevelisolatie bij hoogbouw? Op welke manier wordt de brandveiligheid in deze regels geborgd?
Er gelden in Nederland geen specifieke regels voor het bevestigen van gevelisolatie. Het Bouwbesluit 2012 stelt prestatie eisen aan de brandveiligheid van bouwwerken en de daarin toegepaste constructieonderdelen en scheidingsconstructies. Gevelisolatie kan onderdeel zijn van een constructieonderdeel of een scheidingsconstructie. Het bevestigen van de gevelisolatie zal dan zodanig moeten gebeuren dat het constructieonderdeel of de scheidingsconstructie voldoet aan de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit. Het is de verantwoordelijkheid van de partijen die bouwen of laten bouwen om hieraan te voldoen en aan de gemeente om hierop toezicht te houden.
Aan welke eisen van brandwerendheid moet een gevel in Nederland voldoen? Wordt hierbij onderscheid gemaakt in zwaarte van de eisen met betrekking tot de hoogte van een gebouw? Zijn hier Europese eisen voor, of is hier nationale regelgeving van toepassing?
Voor nieuwbouw en verbouw van een gebouw volgt uit het Bouwbesluit 2012 dat een gevel die niet hoger is dan 13 meter moet voldoen aan de Europese brandklasse D. Bij hoger gelegen gevels geldt de strengere brandklasse B. Voor deze grens van 13 meter is gekozen, omdat een brand aan de gevel tot een hoogte van 13 meter in het algemeen met gangbaar brandweermateriaal kan worden bestreden. Welke Europese Brandklasse geldt in een bepaalde situatie is niet Europees bepaald, maar is aan de nationale regelgever.
Voor bestaande gebouwen geldt in het Bouwbesluit 2012 een minimumeis van brandklasse 4 onafhankelijk van de hoogte. Het betreft hier de oude nationale brandclassificering, waarbij brandklasse 4 vergelijkbaar is met de huidige brandklasse D. Het is echter niet waarschijnlijk dat bestaande hoge gebouwen een gevel hebben met deze brandklasse 4. Dit omdat het in Nederland gangbaar was om gevels te bouwen met vooral steenachtig materialen (baksteen, beton, natuursteen) die onbrandbaar zijn.
Aan welke eisen voor brandwerendheid moeten de materialen in de bouw in Nederland voldoen? Zijn hier Europese eisen voor, of is hier nationale regelgeving van toepassing?
In het Bouwbesluit worden brandveiligheidseisen gesteld aan constructieonderdelen of scheidingsconstructies en niet aan de afzonderlijke materialen die hier deel van uit maken. Voor de brandveiligheidseisen die uit het Bouwbesluit volgen voor een gevel wordt verwezen naar de antwoorden op vraag 7 en 9.
Zijn er in Nederland bouwregels die voorkomen dat bij brand een schoorsteen-effect kan ontstaan tussen een origineel gebouw en eventueel later aangebracht isolatiemateriaal?
Het Bouwbesluit 2012 stelt eisen ter voorkoming van branduitbreiding tussen brandcompartimenten. Iedere woning is volgens het Bouwbesluit een afzonderlijk brandcompartiment. Hiermee wordt beoogd dat een brand gedurende een bepaalde tijd beperkt blijft tot één woning. Alle mogelijke branduitbreidingstrajecten tussen woningen moeten daarbij worden beschouwd. Om te voldoen aan deze eisen zal daarom ook branduitbreiding via de gevel naar een bovengelegen woning moeten worden voorkomen. Dit kan door een juiste detaillering, materiaalkeuze en uitvoering van de gevel en het hier aangebrachte isolatiemateriaal. Hiermee kan ook het genoemde schoorsteeneffect worden voorkomen.
Is het waar dat er in Nederland geen aanvullende nationale bouw- en brandveiligheidsregels zijn voor gebouwen hoger dan 70 meter, en dat hiervoor slechts lokale regelgeving geldt? Zo ja, waarom? Zo nee, welke aanvullende regels gelden er dan precies?
Voor een gebouw hoger dan 70 meter stelt het Bouwbesluit 2012 de eis dat het gebouw dezelfde mate van brandveiligheid moet hebben als is beoogd met de brandveiligheidseisen die gelden voor lagere gebouwen. Het is aan de aanvrager van een bouwvergunning om richting bevoegd gezag (gemeente) aan te tonen hoe het beoogde brandveiligheidsniveau wordt gerealiseerd. In de praktijk wordt hierbij meestal gebruik gemaakt van de handreiking Brandveiligheid in hoge gebouwen (2014). Dit is een uitgave van de kennisinstelling SBRCURnet. Uit deze handreiking volgen aanvullende brandveiligheidsvoorzieningen zoals de toepassing van een automatische blusinstallatie (sprinkler). Omdat deze handreiking een breed draagvlak heeft binnen Nederland heb ik eerder besloten om de handreiking een plaats te geven in de bouwregelgeving. In het ontwerp-Besluit bouwwerken leefomgeving (de opvolger van het Bouwbesluit onder de Omgevingswet) die ter voorhang is geweest in de Tweede Kamer (Kamerstuk 33 118, nr. 31) is de handreiking aangestuurd als bepalingsmethode voor de brandveiligheid van gebouwen hoger dan 70 meter.
Het bericht dat kinderen van zeven jaar slachtoffer zijn van sekschantage |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Kinderen van zeven jaar oud slachtoffer van sekschantage»?1
Ja.
Heeft u tevens kennisgenomen van het rapport dat is uitgebracht door Europol over sextortion?
Ja.
Zijn er cijfers bekend over het aantal meldingen van sextortion en de leeftijd van de slachtoffers in Nederland in de periode die ook in het rapport is genoemd? Zo ja, is het aantal aangiftes de afgelopen jaren gestegen? Zo ja, is dat vanwege een groeiend aantal slachtoffers of is de aangiftebereidheid onder de slachtoffers gestegen?
Er is bij meldingen van sextortion in bijna alle gevallen sprake van een combinatie van meerdere delicten die afhankelijk van de casus op verschillende wijzen worden geregistreerd2. Wanneer sextortion gericht is op het verkrijgen van geld of goederen kan dit worden geregistreerd als een vorm van afpersing. Bij minderjarigen is sextortion echter veelal gericht op het verkrijgen van nog meer seksueel getinte foto’s of video’s van het slachtoffer. Dergelijke zaken worden geregistreerd als kinderpornografie, ontucht, poging tot ontucht etc. Sextortion wordt niet als apart fenomeen in de politiesystemen geregistreerd. Om die reden kan ik u het gevraagde cijfermatige inzicht niet geven.
Kunt u de cijfers over het aantal slachtoffers, over de afgelopen vijf jaar, delen met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Zijn er cijfers bekend over de leeftijd van de slachtoffers? Zo ja, kunt u daar een overzicht van geven? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Wat doet Nederland om jongeren/kinderen en hun ouders te attenderen op het gevaar van sextortion? Worden jongeren/kinderen en hun ouders voorgelicht? Zo ja, op welke wijze?
Scholen spelen een rol in de voorlichting over de risico’s van online gedrag. In mijn beantwoording op eerdere Kamervragen3 over de stijging van het aantal naaktfoto’s en filmpjes onder jongeren heb ik beschreven wat scholen aan voorlichting doen altijdom zo bewust, kritisch en veilig mediagebruik te bevorderen.
De politie besteedt ook veel aandacht aan het thema sextortion. Op de site «Vraag het de politie», een site speciaal voor jeugd, informeert de politie jongeren over wat zij kunnen doen tegen sextortion. Tevens biedt de politie minderjarigen periodiek de mogelijkheid door middel van de zedenchat te chatten met gespecialiseerde politiemedewerkers over mogelijke seksuele delicten. De campagnefilm van Europol4 over het fenomeen sextortion en hoe te handelen als iemand wordt geconfronteerd met sextortion zal de komende tijd door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en partners onder de aandacht worden gebracht, via onder andere social media.
Hoe worden daders van sextortion opgespoord?
Meldingen en aangiftes van sextortion waarbij sprake is van minderjarige slachtoffers worden altijd in behandeling genomen door de politie. Hierbij kan naast afpersing sprake zijn van kinderpornografie, ontucht, poging tot ontucht, etc. De politie beoordeelt per zaak welke inzet en expertise nodig is. Dit hangt bijvoorbeeld af van of dader en slachtoffer elkaar kennen, of de zaak zich alleen maar in Nederland afspeelt, via één-op-één communicatie (e-mail, WhatsApp, chat, webcam) of via social media platforms die voor iedereen toegankelijk zijn. Wanneer een casus een internationaal karakter heeft, vindt er internationale samenwerking plaats en zijn onder andere Europol en Interpol betrokken. Het team Bestrijding Kinderporno en kindersekstoerisme van de Landelijke Eenheid ondersteunt indien nodig de regio’s met complexere zaken als het gaat om de (digitale) opsporing en bestrijding van kinderporno.
Bent u bereid een reactie naar de Kamer te sturen op het rapport van Europol? Zo nee, waarom niet?2
Op dit moment zie ik geen aanleiding voor een beleidsreactie. Het Europolrapport betreft een nadere fenomeenbeschrijving van sextortion en de verschillende verschijningsvormen die zich internationaal voordoen. Het fenomeen is in Nederland niet nieuw en de strafrechtketen is ingericht om ook deze zaken adequaat op te pakken.
Het bericht “Nederland langs de mensenrechtenmeetlat” |
|
Ingrid van Engelshoven (D66) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland langs de mensenrechtenmeetlat»?1
Ja.
Is het waar wat de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in zijn reactie op de Universal Periodic Review (UPR) van de Verenigde Naties stelde, namelijk dat onlangs een code tegen etnisch profileren is geïntroduceerd bij de politie?
Op 10 april 2017 heeft de politie een handelingskader proactief controleren opgesteld. Proactief controleren is onderdeel van het vakmanschap van de politie en uit zich in een juiste selectie en een correcte bejegening. Het handelingskader kan daarbij helpen en behandelt vier principes die de basis vormen van een goede proactieve controle: selecteren, uitleggen, bejegenen en reflecteren.
Een eerste concept van het handelingskader is in enkele basisteams getest en besproken met de belangenorganisaties Controle Alt Delete en Amnesty International. Later dit jaar wordt aan de hand van ervaringen dit handelingskader nog verder aangescherpt en vastgesteld. Na vaststelling zal het handelingskader met uw Kamer worden gedeeld.
Het handelingskader wordt uitgerold via de gebruikelijke communicatiekanalen voor nieuwe werkwijzen binnen de politie, dit zijn onder meer de briefing, de nieuwsbrief leidinggevenden, overleg met taakaccenthouders in de teams en publicatie op intranet.
Kunt u toelichten wat deze code inhoudt en hoe deze binnen het politieapparaat wordt uitgerold? Is de code inmiddels in werking? Zo nee, wanneer verwacht u dat deze code in werking treedt?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat in deze code handvatten met betrekking tot staandehouden zijn opgenomen, in een zogenaamd Handelingskader? Kunt u dit Handelingskader toelichten en aan de Kamer doen toekomen?
Zie antwoord vraag 2.
Is het waar dat – in het kader van het eerder genoemde Handelingskader – in de app «Mobiel Effectiever Op Straat» (MEOS) een functie wordt toegevoegd waarmee politieagenten kunnen aangeven waarom ze iemand aanhouden? Zo ja, wanneer is deze functie in werking? Is dit een – in de toekomst – verplichte functie om uit te voeren bij staandehoudingen? Kunt u de precieze werking van deze functie toelichten c.q. de Kamer een demonstratie van de werking hiervan verschaffen?
Wanneer er sprake is van een aanhouding zijn politieagenten verplicht een proces-verbaal op te stellen. Daarin moeten de feiten, omstandigheden en de reden van de aanhouding beschreven staan. Wanneer het een staandehouding betreft is de politie niet verplicht deze te registreren. Wel is in het kader van meer informatiegestuurd politiewerk, waarover u in de brief van mijn ambtsvoorganger bent geïnformeerd2, aan de MEOS-app de mogelijkheid toegevoegd om staandehoudingen te registreren en ook de afhandeling daarvan. De 50 meest gebruikte incidentsoorten zullen registreerbaar zijn met de app. Wanneer een politieagent een naam of kenteken invoert (vóór, tijdens of ná een aan- of staandehouding) zullen alle registraties worden getoond. Zo krijgen politiefunctionarissen direct relevante achtergrondinformatie.
Momenteel werkt de politie uit hoe deze applicatie aangepast, geïmplementeerd en organisatorisch ingebed wordt. Eind 2017 zullen alle medewerkers van politie beschikken over een smartphone. De eerste pilots worden in het najaar verwacht.
Graag neem ik u, wanneer uw verzoek gedragen wordt door de vaste Kamercommissie van Veiligheid en Justitie, in het najaar mee in een bredere uitleg over alles wat wordt gedaan in het palet van het programma «Kracht van het Verschil» en zal daarbij de functie van de app de «Mobiel Effectiever Op Straat» (MEOS) toelichten.
Het bericht ‘Tbs’er pleegt zedenmisdrijf tijdens verlof’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Tbs’er pleegt zedenmisdrijf tijdens verlof»?1
Ja.
Wordt deze dader vervolgd voor zijn daad? Zo nee, waarom niet?
De patiënt in kwestie wordt verdacht van verkrachting en bedreiging. Hij is begin dit jaar aangehouden en is reeds gedagvaard door het Openbaar Ministerie.
Deelt u de mening dat deze tbs’er nooit verlof toegewezen had mogen krijgen omdat hij hier blijkbaar totaal niet aan toe was? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe heeft dit dan toch kunnen gebeuren?
Het feit dat een tbs-gestelde wordt verdacht van het plegen van nieuwe strafbare feiten, betekent niet dat de beoordelaars toen zij verlof verleenden, verkeerd hebben gehandeld. Het voorspellen van menselijk gedrag is complex. Elke verlofaanvraag wordt, conform de regels, grondig getoetst door een interne verloftoetsingscommissie van een Tbs-kliniek en vervolgens door het Adviescollege Verloftoetsing Tbs (AVT), dat bestaat uit deskundigen en geheel onafhankelijk is. Bij de toetsing vooraf is, met behulp van risicotaxatie, geoordeeld en geadviseerd dat het verlof kon worden verleend, waarna de Minister van Veiligheid en Justitie daartoe heeft besloten. Mede dankzij de zorgvuldige procedure van verloftoekenning en -monitoring verloopt het overgrote deel van het verlof succesvol.
Deelt u de mening dat degenen die hebben beslist dat deze tbs’er op verlof mocht op zoek moeten naar een andere baan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Waarom vindt u tbs’ers die op verlof aan hun vrijheid leren wennen belangrijker dan de veiligheid van de maatschappij?
De tbs-maatregel heeft het beschermen van de samenleving tot doel. In het kader van deze maatregel kan de stoornis, die een rol heeft gespeeld bij het strafbare gedrag, worden aangepakt door middel van een intensief behandeltraject. Met als resultaat dat de kans dat iemand op een goede wijze kan participeren in onze maatschappij wordt vergroot. Hiermee wordt de recidivekans verlaagd.
Hoeveel onttrekkingen, ontvluchtingen en strafbare feiten hebben er plaatsgevonden met tbs’ers in 2016 en 2017?
In 2016 vonden 32 onttrekkingen en geen ontvluchtingen plaats. In 2017 is tot en met april sprake geweest van tien onttrekkingen. Het plegen van een nieuw strafbaar feit is een reden, om naast het intrekken van het toegekende verlof, de maatregel één jaar geen verlof toe te passen. DJI heeft mij laten weten dat deze maatregel in 2016 12 maal is toegepast naar aanleiding van een strafbaar feit. Individueel maatwerk moet voorop blijven staan, omdat de ervaring leert dat dit een essentiële succesfactor is in de recidivereductie die met de tbs wordt bereikt.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat tbs’ers die eenmaal een strafbaar feit hebben begaan tijdens hun gevangenisstraf nooit meer op verlof mogen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de mening dat de tbs afgeschaft moet worden en daders van zedenmisdrijven hoge gevangenisstraffen zouden moeten krijgen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Ik verwijs naar mijn antwoorden op schriftelijke vragen over de hotelmoord2 en hetgeen ik met uw Kamer heb gewisseld in het AO Justitiële Jeugd van 14 juni jl. en het AO Tbs van 22 juni jl.
Bent u bereid deze vragen voor 22 juni a.s. te beantwoorden? Zo nee, waarom niet?
Snelheid mag niet ten koste gaan van kwaliteit. Dit is de reden waarom het niet is gelukt de antwoorden op deze vragen binnen enkele dagen aan uw Kamer sturen.
Het bericht dat er een camera in een toilet in een café is geplaatst |
|
Sven Koopmans (VVD) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Camera op het toilet in een kroeg: mag dat»?1
Ja.
Komt het meer voor dat horecagelegenheden camera’s plaatsen in toiletten?
Ja.
Is dit toegestaan? Zo ja, onder welke voorwaarden?
Cameratoezicht in of rond een winkel, horecagelegenheid of sportclub kan helpen om eigendommen, bezoekers en personeel te beschermen. Maar de inbreuk op de privacy van klanten en werknemers is groot. Daarom mogen ondernemers alleen camera’s ophangen als zij aan onderstaande voorwaarden voldoen. Ook moeten zij ervoor zorgen dat de inbreuk op de privacy van de klanten en het personeel zo klein mogelijk is. Een camera in een pashokje, kleedkamer of toilet gaat te ver, omdat mensen dan ontkleed in beeld kunnen komen.
De ondernemer moet een zogeheten gerechtvaardigd belang hebben voor het cameratoezicht. Bijvoorbeeld diefstal tegengaan of klanten en werknemers beschermen.
Het cameratoezicht moet noodzakelijk zijn. Dat wil zeggen dat de ondernemer het doel niet op een andere manier kan bereiken. De ondernemer moet eerst nagaan of er geen andere mogelijkheid bestaat, die minder ingrijpend is voor de privacy. Ook mag het cameratoezicht niet op zichzelf staan. Het moet onderdeel zijn van een totaalpakket aan maatregelen.
De ondernemer moet eerst een privacytoets uitvoeren. Dit betekent dat hij de belangen van de klanten en de werknemers afweegt tegen zijn eigen belang.
Voordat klanten naar binnen gaan, moeten zij kunnen weten dat er cameratoezicht is. De ondernemer moet dit laten weten. Bijvoorbeeld door bordjes op te hangen.
De ondernemer mag de camerabeelden niet langer bewaren dan noodzakelijk is. De richtlijn hiervoor is maximaal 4 weken. Is er een incident vastgelegd, zoals bijvoorbeeld diefstal, dan mag de ondernemer de betreffende beelden bewaren tot dit is afgehandeld. Bijvoorbeeld overdracht van de beelden ten behoeve van opsporing en vervolging.
Hoe wordt de relevante wet- en regelgeving gehandhaafd, en is deze handhaving effectief?
Het toezicht op de naleving van de Wet bescherming persoonsgegevens ligt bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP kan op grond van tips, aanwijzingen of uit eigen beweging, besluiten een onderzoek in te stellen naar de verwerking van persoonsgegevens en kan handhavende maatregelen inzetten.
Wat kan een betrokkene doen die tegen zijn zin op het toilet wordt gefilmd?
Een betrokkene kan naar de organisatie gaan die verantwoordelijk is voor het cameratoezicht en naar de rechter. Ook kan de betrokkene een tip indienen bij de AP. De AP kan naar aanleiding van een tip besluiten op te treden.
Ziet u aanleiding tot het aanpassen van de wet- en regelgeving en het versterken van de handhaving omtrent het door private partijen plaatsen van camera’s?
Nee.
Het bericht ‘Dode celbrand Scheveningen zat op psychiatrische afdeling’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Klaas Dijkhoff (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Dode celbrand Scheveningen zat op psychiatrische afdeling»?1
Ja. Voor de volledigheid merk ik op dat de persoon in kwestie niet verbleef op een psychiatrische afdeling, maar in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD). Dit in tegenstelling tot wat er in het artikel wordt gesuggereerd. De ISD-afdeling is gevestigd in het gebouw waar ook het Penitentiair Psychiatrisch Centrum is ondergebracht.
Is de brand aangestoken door een gedetineerde? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Hoewel dit soort sterfgevallen in detentie niet volledig zijn uit te sluiten, blijven alle inspanningen erop gericht deze te voorkomen. Overigens is er geen verband aangetoond tussen het binnenbrengen van contrabande (verboden goederen zoals drugs, telefoons en wapens) in de inrichting en het stichten van een brand aldaar. In mijn brief van 18 mei jl. naar aanleiding van het onderzoek van de IvenJ getiteld «Binnen de muren niet toegestaan» heb ik u reeds op de hoogte gesteld van de maatregelen die worden getroffen om contrabande in de PI’s tegen te gaan.2
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat gedetineerden smokkelwaar de gevangenis in kunnen krijgen en dus zelf brand kunnen stichten?
Zie antwoord vraag 2.
De berichtgeving dat matchfixing toeneemt in Nederland |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Edith Schippers (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de constatering in het rapport «Nationaal dreigingsbeeld 2017 georganiseerde criminaliteit» dat het aantal gevallen van matchfixing naar verwachting zal toenemen in Nederland»?1
Dat een stijging in het aantal gevallen van matchfixing in Nederland verwacht wordt, hangt met name samen met de verwachte groei van de internationale gokmarkt. Naarmate er meer op Nederlandse sportwedstrijden gegokt kan worden, worden deze wedstrijden ook interessanter voor matchfixers. Het Nationaal Platform Matchfixing houdt deze ontwikkeling in de gaten en acteert er op waar nodig. Daarnaast is de aandacht voor en de aanpak van matchfixing de laatste jaren versterkt, waardoor ook meer gevallen aan het licht kunnen komen.
Overigens constateert het Nationaal dreigingsbeeld 2017 dat het onwaarschijnlijk is dat de stijging van dien aard is dat het de geloofwaardigheid van de sport aantast.
Deelt u de zorgen dat matchfixing buitengewoon ernstig is omdat het de integriteit van de sport aantast, maar ook vanwege de ondermijning en vermenging van de onderwereld en de bovenwereld?
Ja.
Wat doet u op dit moment aan de bestrijding van matchfixing? Kunt u uw antwoord toelichten?
Matchfixing kan alleen bestreden worden door nauwe samenwerking tussen de sectoren sport, kansspelen en opsporing en vervolging. Daarbij moet het gehele spectrum van preventie en signalering tot aan opsporing en handhaving op orde zijn. Dit geldt zowel voor de betaalde sport als de amateursport en zowel voor gokgerelateerde als niet-gokgerelateerde matchfixing.
Er is daarom een Nationaal Platform Matchfixing ingericht om een structureel overleg te realiseren tussen de opsporingspartners, toezichthouders, de sportsector en de kansspelsector. Dit platform komt bijeen onder gedeeld voorzitterschap van Veiligheid en Justitie en Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Doel van dit nationale platform is om de informatiepositie van alle stakeholders te verbeteren, zodat meer signalen worden gedetecteerd, meer signalen tijdig via de juiste kanalen bij de juiste stakeholders terecht komen en de meest passende interventie kan worden ingezet om matchfixing te bestrijden.
NOC*NSF en afzonderlijke sportbonden treffen preventieve maatregelen, zoals voorlichting en educatie aan sporters, de inrichting van een vertrouwensloket, maar ook aanpassing van het tuchtrecht om matchfixing adequaat aan te kunnen pakken.
Opsporingsdiensten werken intensief samen bij het onderzoeken van signalen van matchfixing die tot strafrechtelijke vervolging kunnen leiden.
Verder treft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie in het kader van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand maatregelen om matchfixing te voorkomen en te bestrijden.
Tot slot heeft Nederland actief deelgenomen aan onderhandelingen binnen de Raad van Europa, om tot een verdrag te komen ter bestrijding van matchfixing. Het doel van dit verdrag is om de samenwerking tussen Europese en niet-Europese landen in de strijd tegen matchfixing te versterken. Zo zal dit verdrag tot een integrale en internationale aanpak van matchfixing leiden. Als uitvloeisel hiervan is een goede samenwerking tot stand gekomen tussen de nationale platforms matchfixing die op dit moment in Europa bestaan, waaronder ook het Nederlandse platform.
Waar kunnen sporters en sportbonden hun signalen van matchfixing afgeven en wat gebeurt er met deze signalen? Zijn er signalen geweest die geleid hebben tot de opsporing en vervolging van matchfixing in Nederland en/of het buitenland en hoe verloopt de opvolging van dergelijke signalen tot nu toe? Kunt u uw antwoord toelichten?
NOC*NSF heeft het Vertrouwenspunt Sport ingericht, waar alle sporters melding kunnen doen van integriteitskwesties zoals matchfixing. Naast bellen of mailen is het ook mogelijk om via een «speak up systeem» volledig anoniem een melding te doen. Ten aanzien van meldingen over matchfixing heeft NOC*NSF afspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie (OM). Personen die iets willen melden over matchfixing worden in contact gebracht met een vaste contactpersoon bij het OM, die de melding dan kan overnemen. Met het OM is afgesproken dat meldingen die onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een strafrechtelijk onderzoek weer terug worden gelegd bij het Vertrouwenspunt Sport die de melding bij de sportbond kan neerleggen.
Organisaties en individuen kunnen informatie over matchfixing ook melden bij de KNVB, dit kan desgewenst anoniem via de meldlijn. Elke melding wordt door de KNVB onderzocht en per geval wordt bekeken welke vervolgactie kan worden genomen. Wanneer er sprake is van concrete aanwijzingen doet de integriteitscommissie van de KNVB verder onderzoek. Daarnaast doet de KNVB daarvan een melding bij het OM. Melders kunnen zich uiteraard ook wenden tot de opsporingsdiensten zoals de politie of contact opnemen met Meld Misdaad Anoniem.
Er is regelmatig contact tussen sportbonden en het OM. Alle signalen die het OM ontvangt neemt het OM serieus, dus ook die van de KNVB. Het OM onderzoekt deze signalen op aanknopingspunten voor strafrechtelijk onderzoek. Over lopende onderzoeken en wat de aanleiding voor deze onderzoeken is geweest doet het OM geen mededelingen.
Is er voldoende specialisatie en capaciteit bij de politie en het Openbaar Ministerie om matchfixing op te sporen en aan te pakken? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bij de bestrijding van criminaliteit staat het effect van de aanpak centraal en niet in de eerste plaats de organisatiestructuur. De bestrijding van matchfixing, fraude en witwasserij in de sport maakt hier geen uitzondering op.
De opsporingsinstanties beschikken over expertise en capaciteit om zaken aan te pakken wanneer er voldoende harde aanwijzingen zijn van criminele gedragingen.
Het OM (Functioneel Parket) heeft de regie bij de bestrijding van matchfixing, fraude en witwassen binnen de sport. Diverse medewerkers van politie, FIOD en FP werken – ieder vanuit hun eigen organisatie – met elkaar samen. De politie is ingericht als een flexibele organisatie. Daarom kan de politie snel met capaciteit, kennis en middelen schakelen.
Wat is uw reactie op de constatering in het rapport dat het huidige aantal opsporingsonderzoeken naar matchfixing weinig zegt over de werkelijke omvang omdat deze vorm van criminaliteit pas in beeld komt als matchfixing meer aandacht gaat krijgen van de politie, dat burgers en bedrijven gevallen van matchfixing nu nauwelijks melden bij de politie en dat «zolang matchfixing weinig aandacht krijgt van de politie, er geen inspanning wordt geleverd om het verschijnsel aan te tonen»?2
Signalen over mogelijk strafbare feiten worden door politie en OM altijd serieus genomen. Zo ook bij matchfixing.
Bevindingen uit studies of onthullingen in de media betreffen overigens niet altijd informatie die direct (voldoende) aanknopingspunten biedt voor het opstarten van een (strafrechtelijk) onderzoek in Nederland.
Waarheidsvinding in het strafrecht vraagt om grote zorgvuldigheid en loopt derhalve per definitie achter op bevindingen in rapportages en andere initiële signalen op basis van eigen informeel onderzoek.
Niettemin zijn ook deze inspanningen, naast die van de sportbonden zelf, de opsporingsinstanties en de media, alle van groot belang; zij hebben ieder een (complementaire) rol in het ontdekken, aanpakken en waar mogelijk vervolgen van misstanden in de sport.
Is de samenwerking tussen opsporingsdiensten en de sportsector effectief op het gebied van aanpak en bestrijding van matchfixing? Kunt u uw antwoord toelichten?
Ik verwijs naar mijn antwoord op vraag 3.
Welke juridische mogelijkheden en onmogelijkheden zijn er om informatie en signalen van matchfixing te delen tussen de sportsector, politie, Openbaar Ministerie en kansspelaanbieders en hoe effectief werkt dit? Is er een centraal punt waar deze informatie wordt gedeeld en hoe effectief verloopt dat in de praktijk? Kunt u uw antwoord toelichten?
In het Nationaal Platform Matchfixing kunnen diverse signalen en andere informatie gedeeld worden, mits het geen persoonsgegevens of opsporingsinformatie betreft. Gedacht kan worden aan verdachte gokpatronen, onverwacht spelverloop, geruchten op social media, andere open source informatie en dergelijke.
Op het uitwisselen van persoonsgegevens is de Wet bescherming persoonsgegevens en, in geval van politiële en justitiële informatie, de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van toepassing.
Onder leiding van het Functioneel Parket van het OM komen de Politie, de Belastingdienst doelgroep Sport, FIOD en de Kansspelautoriteit periodiek bijeen om signalen van sportfraude waaronder mogelijk matchfixing te bespreken. Tijdens dit «signalenoverleg» kunnen (private) partijen aansluiten indien hier reden toe is, bijvoorbeeld om informatie met de opsporingspartners te delen (de «vrije stoel»).
Wat is de taak van kansspelaanbieders bij de aanpak van matchfixing en welke rol kan de Kanspelautoriteit hierin nu, of in de nabije toekomst, vervullen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het aanpakken van matchfixing is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van sportbonden, kansspelaanbieders en de overheid. Aanbieders van sportweddenschappen kunnen een belangrijke rol spelen in het detecteren of het verrijken van signalen die wijzen op matchfixing. Dat doen zij door de inzetten op de door hen georganiseerde sportweddenschappen te monitoren en te analyseren. Internationale samenwerking maakt het mogelijk deze signalen te verrijken met bijvoorbeeld signalen van andere aanbieders of andere relevante partijen. Kansspelaanbieders kunnen zo afwijkende of verdachte gokpatronen detecteren en delen met het Nationaal Platform Matchfixing.
Met inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand worden vergunninghouders verplicht beleid te voeren om verdachte gokpatronen te herkennen, internationaal samen te werken en eventuele signalen te melden bij de Sports Betting Intelligence Unit van de kansspelautoriteit. Ook deze Unit is onderdeel van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand. De kansspelautoriteit ziet toe op naleving van deze verplichtingen door vergunninghouders, brengt gemelde signalen in bij het signalenoverleg van het Nationaal Platform Matchfixing en kan gericht informatie opvragen bij vergunninghouders.
Kunt u aangeven hoe de internationale samenwerking verloopt in de aanpak en bestrijding van matchfixing? Kunt u uw antwoord toelichten?
Het grensoverschrijdende karakter van matchfixing vraagt om goede internationale informatie-uitwisseling. Daarom vinden op Europees niveau verschillende activiteiten plaats. Zo is Nederland onderdeel van een Raad van Europa-netwerk van nationale platforms matchfixing. Ook heeft Nederland deelgenomen aan de EU-expertgroep matchfixing. In beide overlegstructuren wordt beleidsinformatie gedeeld en worden goede voorbeelden en ervaringen uitgewisseld. Daarnaast vinden bilaterale contacten plaats tussen de verschillende stakeholders op het terrein van sport, kansspelen en opsporing en vervolging. Ook is Nederland via Europol aangesloten bij het Focal Point Sports Corruption.
In de sport wordt informatie uitgewisseld tussen FIFA, UEFA en KNVB. In UEFA-verband heeft iedere nationale bond een Integrity Officer. Deze officers staan met elkaar in contact. Daarnaast is sportkoepel NOC*NSF als eerste nationaal Olympisch comité toegetreden tot een netwerk van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) ter bestrijding van matchfixing en illegaal wedden door sporters. NOC*NSF en de aangesloten sportbonden krijgen toegang tot gegevens over verdachte gokbewegingen en andere signalen die duiden op matchfixing en illegale weddenschappen van sporters.
Wat is uw reactie op het voorstel van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) om een speciaal wetsartikel over matchfixing op te stellen, omdat zij het huidige strafrechtelijk instrumentarium in Nederland ontoereikend vinden om matchfixing te kunnen vervolgen?3
Het OM heeft geen behoefte aan een dergelijk wetsartikel. Het kan uit de voeten met de bestaande artikelen over onder meer oplichting en niet-ambtelijke omkoping. Op het plegen van deze strafbare feiten staat een strafbedreiging van vier jaar. Daarnaast biedt het Wetboek van Strafrecht mogelijkheden om langs de lijn van het geld te kijken en te vervolgen voor witwassen en valsheid in geschrifte. Afhankelijk van de concrete zaak kan de meest effectieve insteek bepaald worden. Ik heb dit ook aangegeven bij de beantwoording van Kamervragen d.d. 15 maart 2017 over de door het Europees parlement aangenomen resolutie over matchfixing.4
Randvoorwaarde voor een succesvolle vervolging is wel dat er voldoende concrete aanknopingspunten beschikbaar zijn. Omdat geen van de betrokkenen bij matchfixing (noch de atleet, noch degene die de match wil laten fixen) enig belang heeft bij detectie, is het genereren van een voldoende stevige informatiepositie voor opsporing en vervolging én voor het nemen van andere maatregelen op dit moment het belangrijkste aandachtspunt van de partners binnen het Nationaal Platform Matchfixing.
Welke maatregelen neemt u om de verwachte toename van zowel het aantal gevallen als de omvang van de schade door matchfixing te beperken bij het opengaan van de online kansspelmarkt? Kunt u uw antwoord toelichten?4
Hoewel ik geen tekenen zie dat de omvang en schade door matchfixing zal toenemen als gevolg van het reguleren van online kansspelaanbod wil ik risico’s hierop zo veel mogelijk voorkomen. Naast de maatregelen beschreven in het antwoord op vraag 9, worden in de lagere regelgeving van het wetsvoorstel Kansspelen op afstand beperkingen gesteld aan het aanbod van sportweddenschappen dat onder een Nederlandse vergunning mag worden aangeboden. Zo is onder meer het aanbieden van weddenschappen op negatieve spelmomenten, eenvoudig te manipuleren spelmomenten en jeugdwedstrijden niet toegestaan.
De houder van een vergunning tot het organiseren van sportweddenschappen moet een beleid voeren om de risico’s op matchfixing te beperken. De vergunninghouder moet sportbonden informeren over de weddenschappen die hij op wedstrijden van de betreffende sportbond organiseert. Ook moet hij zijn weddenschappen analyseren op risico’s ten aanzien van manipulatie. Eventuele verdachte gokpatronen moeten gemeld worden bij de Sportsbetting Intelligence Unit van de kansspelautoriteit en de betrokken sportbonden. Wanneer uit de analyse blijkt dat de risico’s op matchfixing onaanvaardbaar hoog zijn, moet de vergunninghouder de weddenschap annuleren.
De sluiting van camping Fort Oranje |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Ronald Plasterk (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (PvdA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het besluit van de gemeente Zundert om Fort Oranje te sluiten?1
Uiteraard steun ik gemeenten in een actieve uitvoering van hun handhavende taken en verantwoordelijkheden. In het specifieke geval van Fort Oranje heeft de gemeente Zundert geconcludeerd dat er sprake was van een niet langer houdbare situatie op de camping. Hierop heeft de gemeente besloten de camping voor een jaar te sluiten en tevens per 23 juni jl. het beheer over te nemen. Dit besluit is een verantwoordelijkheid van de gemeente Zundert en het is niet aan mij om mij inhoudelijk uit te spreken over de afwegingen die de gemeente hierbij heeft gemaakt.
Bent u van mening dat de situatie voor ruim 600 kwetsbare mensen die er verblijven, mensonterend is, dat zij hulp nodig hebben en niet gecriminaliseerd moeten worden?
De gemeente Zundert heeft geconcludeerd dat er sprake was van een niet langer houdbare situatie door de veelheid aan structurele problemen op het terrein van openbare orde, sociale veiligheid en leefbaarheid. De gemeente Zundert heeft tevens geconstateerd dat er sprake was van (zware) criminaliteit. Het is evident dat niet iedereen die op de camping verblijft zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Met de overname van het beheer van de camping is de gemeente Zundert in staat om in kaart te brengen wie er op de camping verblijven, om zorg en ondersteuning aan te bieden en op individueel niveau te bezien welke oplossingen passend zijn.
Waarom heeft het zo lang moeten duren voordat (regio-) gemeenten de criminaliteit op Fort Oranje hebben kunnen aanpakken en tegelijkertijd onschuldigen, waaronder 120 kinderen, een menswaardig alternatief hebben kunnen bieden?
De gemeente Zundert heeft aangegeven een langdurig en zorgvuldig traject van controles en aanschrijvingen uitgevoerd te hebben. De gemeente heeft echter geconstateerd dat de gevraagde inzet tot onvoldoende verbeteringen van de situatie op de camping heeft geleid en is overgegaan tot sluiting van de camping en tot overname van het beheer. Het is niet aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties om verder op het beleid van de gemeente Zundert in te gaan. Hierover legt het gemeentebestuur verantwoording af aan de gemeenteraad. Ook herhuisvesting van de personen die momenteel op camping Fort Oranje verblijven is een verantwoordelijkheid van de gemeente Zundert. De gemeente heeft aangekondigd dat voor de personen die momenteel op de camping verblijven gewerkt wordt aan een structurele oplossing. Hiervoor is een herhuisvestingsplan opgesteld, waarbij onder meer woningcorporaties en het Leger des Heils betrokken zijn. Ook waar het maatschappelijke hulp en bemiddeling betreft levert de gemeente maatwerk, in samenwerking met diverse (maatschappelijke) organisaties zoals de GGD en Jeugdzorg.
Hoe gaat u er komend jaar voor zorgen dat alle onschuldige mensen menswaardig worden geherhuisvest, waarbij gemeenten en woningcorporaties verantwoordelijkheid nemen voor hun inwoners omdat zij in het verleden mensen hebben «getipt» om op Fort Oranje te gaan wonen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u aangeven welke groepen gasten/bewoners op de camping verblijven en hoe er bij herhuisvesting met deze verschillende groepen, als recreanten, arbeiders uit verschillende (Oost) Europese landen, personen of gezinnen zonder vaste woon- of verblijfplaats, rekening wordt gehouden?
De gemeente Zundert geeft aan dat er op het moment van sluiting tussen de 600 en 700 personen op camping Fort Oranje verbleven, waaronder 120 kinderen. Deze personen zijn onder meer woningzoekenden, jaarstandplaatshouders, recreanten en arbeidsmigranten. Per individu wordt door het gemeentebestuur bezien welke ondersteuning passend is.
Welke middelen zijn er vanuit gemeenten, de provincie en het Rijk beschikbaar voor de integrale aanpak van Fort Oranje en hoe wordt het budget vanuit het Rijk gedekt?
Gemeenten ontvangen van het Rijk via het gemeentefonds gelden om hun wettelijke taken te kunnen uitvoeren, waaronder de taken in het sociaal domein. Daarnaast hebben gemeenten eigen inkomsten uit bijvoorbeeld belastingen. Het is daarbij een gemeentelijke verantwoordelijkheid om een afweging te maken in de besteding van deze gelden. De gemeente Zundert kan (een deel van) deze middelen inzetten voor de integrale aanpak van de problematiek rondom Fort Oranje.
Op welke andere campings en in welke andere gemeenten in ons land speelt een soortgelijke problematiek van enerzijds schrijnende problemen op het gebied van de geestelijke- en lichamelijke gezondheid, vervuiling en brandveiligheid, en anderzijds problemen met de openbare orde, (sociale) veiligheid en criminaliteit?
Een aantal regio’s en provincies heeft actief beleid op verouderde vakantieparken waar zich mogelijk een combinatie van problemen in zowel het sociale, fysieke en veiligheidsdomein zich voordoet of kan gaan voordoen. Een voorbeeld hiervan is het programma Vitale Vakantieparken op de Veluwe, waarin elf gemeenten, provincie en ondernemers samenwerken aan verbetering. Uit een inventarisatie van de parken van acht gemeenten in 2014, blijkt dat er op 7% van het totaal aantal parken (311 geïnventariseerd) sprake was van serieuze veiligheids- en leefbaarheidsproblemen. Op landelijk niveau is er vooralsnog geen overzicht van plaatsen of gebieden waar problematiek zoals op Fort Oranje is gesignaleerd. Een scherper inzicht in de aard en omvang van de problematiek acht ik wenselijk.
Klopt het dat er voor het college van burgemeester en wethouders te weinig (integrale) wettelijke grondslagen zijn om tot handhaving en sluiting van campings en vakantieparken over te gaan? Zo ja, hoe en op welke termijn gaat u dit gebrek aan wet- en regelgeving oplossen?2
Het college van burgemeester en wethouders beschikt op basis van verschillende wetten over diverse handhavingsinstrumenten om te zorgen voor een juist gebruik van campings en vakantieparken. Voor het overgrote deel zijn gemeenten zelf verantwoordelijk voor het opstellen van die regels in bestemmingsplannen op grond van de Wet ruimtelijke ordening, en bijvoorbeeld (algemene plaatselijke) verordeningen op grond van de Gemeentewet. Daarnaast gelden er voor de staat en het gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen regels op grond van de Woningwet. Ook heeft de burgemeester een aantal bevoegdheden op grond van de Gemeentewet en de Opiumwet in het kader van de openbare orde en drugsgerelateerde overtredingen. Momenteel ben ik nog niet overtuigd van de noodzaak en de wenselijkheid van het creëren van extra bevoegdheden. Het gesprek met gemeenten en met andere departementen over de vraag wat het Rijk behalve op het terrein van wet- en regelgeving en in aanvulling op de huidige inzet meer gecoördineerd kan doen om de gemeentelijke aanpak te ondersteunen is reeds geïnitieerd.
Welke lessen kan de ambtelijke regiegroep, waarin alle overheden (rijk, provincie en gemeente), hulpdiensten, gezondheidsorganisaties en Taskforce Brabant-Zeeland zitten, trekken uit de casus in Zundert, zodat niet in elke gemeente het wiel opnieuw uitgevonden hoeft te worden en problemen in de toekomst kunnen worden voorkomen?
Ik heb met de gemeente Zundert afgesproken te ondersteunen bij het uitvoeren van een evaluatie naar de aanpak van de ontstane situatie op Fort Oranje. De lessen die hieruit getrokken worden kunnen ook voor andere gemeenten van nut zijn. Tevens ontwikkelt het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) in opdracht van de Minister van Veiligheid en Justitie een handreiking met instrumenten om veiligheidsvraagstukken rond vakantieparken vanuit verschillende rechtsgebieden aan te pakken. Deze handreiking zal in de vorm van een webdossier op de site van het CCV worden geplaatst.
Het bericht dat malware mogelijk energiebedrijven kan platleggen |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Stef Blok (minister zonder portefeuille binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties, minister justitie en veiligheid) (VVD), Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «IT-beveiliger ESET ontdekt Industroyer, de gevaarlijkste malware gericht op industriële systemen sinds Stuxnet»?1
Ja.
Deelt u de door IT-beveiliger ESET gebezigde stelling dat de malware Win32/Industroyer mogelijk ook schade aan zou kunnen richten aan Nederlandse energiebedrijven of die zelfs stil zou kunnen leggen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
In de Nederlandse energiesector wordt veelal gebruik gemaakt van apparatuur en communicatieprotocollen gelijk aan, dan wel vergelijkbaar met, de apparatuur en protocollen waar de malware Industroyer zich op richt. Dit is inherent aan standaardisering en interoperabiliteit. Het is niet uit te sluiten dat de malware ingezet zou kunnen worden tegen systemen van Nederlandse energiebedrijven.
Om schade aan te kunnen richten met de malware dient een aanvaller van buitenaf toegang tot het netwerk van het doelwit te verkrijgen. Pas daarna kan de malware worden ingezet om te communiceren met industriële controlesystemen. Het is qua weerbaarheid dan ook zaak dat partijen er zorg voor dragen dat een aanvaller van buitenaf niet binnendringt op het netwerk om deze aanvalstechniek in te zetten. Dit vraagt niet om een andere inzet dan bij de bescherming tegen andere aanvallen. Het is aan de partijen zelf om maatregelen te nemen die de kans op misbruik beperken of wegnemen, zoals het installeren van software-updates om kwetsbaarheden weg te nemen, en om maatregelen te nemen die de impact van misbruik kunnen beperken, zoals het implementeren van detectie- en monitoringoplossingen om aanwezigheid van (bekende vormen van) malware te kunnen herkennen. Het managen van cybersecurityrisico’s is voor de energiebedrijven een continu proces. Uiteraard ligt de verantwoordelijkheid voor informatiebeveiliging primair bij de partijen zelf.
Is het waar dat Nederlandse energiebedrijven dezelfde of soortgelijke apparatuur en industriële communicatieprotocollen gebruiken als het Oekraïense bedrijf dat vatbaar is gebleken voor deze malware? Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat, in het geval er sprake is van vitale infrastructuur zoals energiebedrijven, ook de rijksoverheid een verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van de bescherming daarvan? Zo ja, hoe wordt daar in dit concrete geval inhoud aan gegeven? Zo nee, waarom niet?
Overheid en vitale organisaties werken in Nederland samen aan de bescherming van de vitale infrastructuur. De rol van de overheid wordt in generieke zin onder andere ingevuld door middel van wet- en regelgeving. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft tot taak vitale aanbieders over dreigingen en incidenten te informeren en adviseren en daarbij zo nodig ook anderszins bijstand te verlenen, teneinde maatschappelijke ontwrichting die daarvan mogelijkerwijs het gevolg is te voorkomen en beperken.
Transport en distributie van elektriciteit en gas zijn aangemerkt als vitale processen. Op grond van de Elektriciteitswet 1998 en de Gaswet hebben de netbeheerders de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor een veilig en efficiënt transport van energie. ICT beveiliging maakt daar intrinsiek onderdeel van uit. De netbeheerder dient datgene te doen dat binnen zijn (juridische) mogelijkheden ligt om de integriteit van zijn netwerk te beschermen. Op een goede taakuitoefening door de netbeheerders ziet de toezichthouder ACM toe. Energiebedrijven onderhouden contact met relevante overheidsdiensten en partner organisaties om de security controls aan te passen aan nieuwe threat intelligence.
Voorts zij nog gewezen op de Europese Netwerk- en informatiebeveiligingsrichtlijn en de implementatiewetgeving die hiervoor in voorbereiding is, die onder meer voorziet in de verplichting van vitale aanbieders in de energiesector om passende beveiligingsmaatregelen te nemen met betrekking tot hun netwerk- en informatiesystemen, en toezicht op de naleving daarvan. Het implementatiewetsvoorstel is op 16 juni jl. in consultatie gebracht.
Biedt ESET zelf concrete (commerciële) oplossingen voor de bescherming tegen de in het bericht genoemde malware? Is die ook bruikbaar voor Nederlandse energiebedrijven? Zijn er ook andere bedrijven die diensten aanbieden om deze bedreigingen tegen te gaan?
Ja, ESET biedt als leverancier oplossingen aan voor bescherming van systemen. In algemene zin geldt dat meerdere digitale beveiligingsbedrijven commerciële toepassingen aanbieden. Het is aan partijen zelf of en op welke wijze zij hiervan in het kader van de beveiliging van hun systemen gebruik maken.
Wat het concrete incident in Oekraïne betreft merk ik overigens nog op dat ESET hiervan actief melding heeft gemaakt bij het NCSC en partijen in de energiesector. De relevante Nederlandse partijen waren dan ook tijdig op de hoogte van het rapport van ESET. Het NCSC blijft de situatie monitoren met het oog op het waar nodig tijdig kunnen informeren en adviseren van genoemde partijen.
Nationale veiligheidseisen bij aanbestedingen van cruciale communicatiediensten van de overheid |
|
Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Henk Kamp (minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Zorgen om aanbestedingen» en het jaarbericht 2016 van het Agentschap Telecom?1
Ja.
Kunt u aangeven of bij de aanbestedingen van cruciale communicatiediensten van de overheid de kostprijs een van de belangrijkste selectiecriteria is? Zo ja, brengt dit dan geen veiligheidsrisico’s met zich mee? Zo nee, waar blijkt dit uit?
Onder de term «cruciale» in uw vraag wordt door mij steeds begrepen «essentiële veiligheidsbelangen», dan wel «gevoelige informatie».
Bij opdrachten voor cruciale communicatiediensten van het Rijk, vindt de gunning plaats op grond van de economische meest voordelige inschrijving, in beginsel vastgesteld op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. Behalve (kost)prijs is kwaliteit hierin een belangrijk criterium, waarin mede aspecten als veiligheid, innovatie en duurzaamheid zijn begrepen. Iedere inschrijver zal moeten voldoen aan de overeenkomstig de Nederlandse wet- en regelgeving gestelde eisen gericht op informatiebeveiliging. Zie in dit verband ook mijn antwoord op vraag 3 van de vragen van de leden Hijink en Van Raak over de aanbesteding mobiele telefonie van 27 juni 20172.
Wat is de reden dat deze aanbesteding openbaar is? Waarom heeft u geen beroep gedaan op het wetsartikel dat bepaalt dat bij nationale veiligheid niet openbaar aanbesteed hoeft te worden (zo wordt de renovatie van de Tweede Kamer niet openbaar aanbesteed)?2
Voor zover met «deze aanbesteding» de aanbesteding in het hierboven aangehaalde bericht «Zorgen om aanbestedingen» (IWR2017|Mobiele telefonie) wordt bedoeld, is de reden dat het bij deze opdracht het normale gebruik van sim-kaarten en mobiele telefoontoestellen door ministeries betreft. Dit zijn geen cruciale communicatiediensten.
Op welke manier worden nationale veiligheidsbelangen meegenomen bij aanbestedingen van de overheid op het gebied van cruciale communicatiediensten?
Bij opdrachten op het gebied van cruciale communicatiediensten moet worden voldaan aan de overeenkomstig de Nederlandse wet- en regelgeving gestelde eisen inzake informatiebeveiliging en privacy. Indien er bij de opdracht ook sprake is van persoonsgegevens wordt met de ondernemer aanvullend een zogenoemde verwerkersovereenkomst gesloten, waarin nadere voorwaarden worden gesteld inzake de verwerking van persoonsgegevens en de beveiliging ervan. Zie in dit verband ook mijn antwoord op vraag 3 van de vragen van de leden Hijink en Van Raak over de aanbesteding mobiele telefonie van 27 juni 20174.
Vindt u dat op dit moment voldoende nationale veiligheidseisen worden opgenomen in de aanbestedingseisen van dit soort type aanbestedingen? Zo ja, kunt u dat nader toelichten? Zo nee, wat gaat u daaraan doen? Is dit een reden om opnieuw aan te besteden?
Ja. Zie mijn antwoord op vraag 2 en vraag 4.
Verwacht u in het licht van de aanstaande Brexit dat de Britse inlichtingendiensten via hacks zullen proberen zoveel mogelijk informatie uit andere landen te verzamelen? Zo ja, acht u het dan verstandig dat een Brits bedrijf aanbestedingen kan winnen op het gebied van cruciale communicatiediensten in Nederland?
Ik kan in het openbaar geen uitspraak doen over specifieke gevallen. In het algemeen geldt dat inlichtingenactiviteiten van buitenlandse mogendheden op Nederlands grondgebied zonder voorafgaande instemming van de Nederlandse regering, niet zijn toegestaan. Indien geconstateerd wordt dat een buitenlandse mogendheid zonder instemming dergelijke activiteiten verricht op Nederlands grondgebied, treft de Nederlandse regering maatregelen.
Kunt u in zijn algemeen aangeven of de kans groter wordt op hacks van buitenlandse inlichtingendiensten op cruciale communicatiediensten indien de taken hieromtrent worden uitgevoerd door een buitenlands bedrijf? Zou u dit kunnen toelichten?
In het algemeen geldt dat aanbieders van communicatiediensten die in Nederland actief zijn, moeten voldoen aan alle terzake geldende wet- en regelgeving, waaronder waarborgen rondom de beveiliging van de informatie en de privacy van de klanten. Dat geldt ook voor in Nederland actieve aanbieders die in buitenlandse handen zijn. Voor het overige verwijs ik naar het antwoord op vraag 6.
Is het juridisch mogelijk om bij de aanbesteding van cruciale en gevoelige communicatiediensten eisen op te nemen over de herkomst van een onderneming of de vestigingsplaats van de onderneming? Zo nee, zou u het wenselijk achten dat dit wel juridisch mogelijk wordt?
Wanneer het bij een opdracht van het Rijk om cruciale en gevoelige communicatiediensten gaat, dan wordt deze opdracht in beginsel niet openbaar aanbesteed maar wordt gebruik gemaakt van de uitzondering artikel 2.23, lid 1, sub e Aanbestedingswet 2012 (geheim verklaard) zodat de opdracht één op één aan een bepaalde ondernemer kan worden gegund, dan wel aanbesteed op basis van de Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheid op grond waarvan buitenlandse ondernemers van buiten de Europese Unie van de aanbesteding kunnen worden uitgesloten (artikel 1.7 Aanbestedingswet op Defensie en Veiligheid).
Kunt u aangeven of de Nederlandse overheid de eis opneemt bij aanbestedingen van cruciale communicatiediensten van de overheid dat bij calamiteiten de dienstverlener dicht in de buurt moet zijn om dit op te kunnen lossen? Zo nee, bent u bereid dit in het vervolg standaard op te nemen in de aanbestedingseisen van dit soort aanbestedingen?
In beginsel worden bij opdrachten geen eisen gesteld over de locatie van een dienstverlener. In plaats daarvan wordt van de ondernemer verlangd dat deze voldoet aan de eisen die worden gesteld aan de termijn waarbinnen door de ondernemer eventuele calamiteiten moeten worden opgelost. Dit acht ik afdoende en zie daarom geen reden om voortaan standaard eisen over de nabijheid van een ondernemer op te nemen.
Op welke manier toetst de Nederlandse overheid of de opgenomen (veiligheids-)eisen na de aanbesteding van cruciale communicatiediensten werkelijk worden uitgevoerd? Kunt u aangeven of de Nederlandse overheid op dit moment beschikt over voldoende capaciteit om dit soort toetsen uit te kunnen voeren? Zo nee, bent u bereid meer capaciteit hiervoor beschikbaar te stellen?
Voor communicatie van staatsgeheime informatie is in het Voorschrift Informatiebeveiliging Rijkdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013) bepaald dat ministeriële goedkeuring noodzakelijk is, voorzien van een advies van de Werkgroep Bijzondere Informatie. Voorafgaand aan een dergelijk advies zijn dergelijke producten door het Nationaal Bureau Verbindingsbeveiliging van de AIVD (NBV) geëvalueerd.
Tijdens de uitvoering van een opdracht wordt via contractmanagement toegezien op de nakoming door de ondernemer van de gestelde eisen betreffende wezenlijke belangen van veiligheid. Ik heb geen aanwijzingen dat de capaciteit hiervoor onvoldoende is.
Deelt u de mening van professor Bas de Jong dat er op het terrein van nationale veiligheidsbelangen nog geen consequent beleid wordt gevoerd door de Nederlandse overheid? Kunt u hierbij toelichten waarom er volgens u wel of geen consequent beleid wordt gevoerd op dit gebied?
Nee, ik deel deze mening niet. Op grond van het Besluit van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 1 juni 2013, nr. 3124134, Voorschrift Informatiebeveiliging Rijkdienst Bijzondere Informatie 2013 (VIRBI 2013), wordt per departement beveiligingsbeleid vastgesteld.
Voorts is, zoals in de Kamerbrief van 22 mei jl. van de Minister van Veiligheid en Justitie5 aangegeven, een interdepartementaal programma in uitvoering gericht op het versterken van de economische veiligheid. Aan de hand van ex-ante-analyses worden voor elke sector binnen de vitale infrastructuur eventuele risico’s voor de nationale veiligheid bij buitenlandse investeringen en aanbestedingen van overheidsopdrachten in kaart gebracht om te bepalen of het bestaande instrumentarium van de overheid voldoende waarborgen biedt en zo nodig aanvullende maatregelen te nemen. Op dit moment zijn er drie ex-ante-analyses uitgevoerd: waterkeren, energie en ICT/telecom. Alle overige nog uit te voeren ex-ante-analyses zijn op dit moment in voorbereiding of gaande.
In genoemde brief is ook gemeld dat ter vergroting van de bewustwording van mogelijke risico’s voor de nationale veiligheid bij inkoop en aanbestedingen voorlichtingsbijeenkomsten voor Rijksinkopers zijn gehouden en dat ter ondersteuning van de praktijk een handreiking in voorbereiding is ten behoeve van risico-inschatting en het stellen van selectiecriteria en contractuele voorwaarden. Mede aan de hand hiervan kan beoordeeld worden of bij een aanbesteding nationale veiligheidsbelangen aan de orde zijn en welke beheersmaatregelen in dat geval passend zijn.
Op welke manier opereren andere Europese lidstaten bij aanbestedingen op het gebied van nationale veiligheid bij cruciale communicatiediensten van de overheid? Zijn er landen die strengere aanbestedingseisen hanteren op het gebied van de nationale veiligheid bij cruciale communicatiediensten? Zo ja, welke zijn dat en welke strengere eisen stellen zij?
Andere lidstaten zijn wat de mogelijkheden voor het aanbesteden van hun opdrachten van cruciale communicatiediensten gehouden aan dezelfde Europese regelgeving als lidstaat Nederland. Zie antwoord op vraag 8.