Het bericht ‘Het rode gevaar komt uit het westen’ |
|
Arne Weverling (VVD), Remco Dijkstra (VVD) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Het rode gevaar komt uit het westen»?1
Ja.
Herkent u het geschetste probleem met betrekking tot de aanwezigheid van de Amerikaanse rivierkreeft in Nederlandse wateren? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat uitheemse rivierkreeften schade kunnen toebrengen aan de biodiversiteit. Om deze reden is sinds 2010 de Visserijwet 1963 van toepassing op deze dieren waarmee beroepsmatige visserij en gerichte bestrijding van deze invasieve soorten mogelijk is gemaakt. Daarnaast geldt voor deze dieren een uitzetverbod in de Uitvoeringsregeling visserij om toename van schadelijke effecten zoveel als mogelijk te voorkomen. Uitheemse rivierkreeften, waaronder de Amerikaanse rivierkreeft, zijn in 2016 als invasieve uitheemse diersoorten in de door de Europese Commissie vastgestelde Unielijst2 opgenomen. Verordening (EU) nr. 1143/20143 verbiedt het opzettelijk op het grondgebied van de Europese Unie brengen, houden, verhandelen, kweken en in de natuur uitzetten van dieren of planten van een op de Unielijst geplaatste soort. Bevissing van de uitheemse rivierkreeften, die wijdverspreid zijn in Nederland, is een effectieve beheersmaatregel om de soorten aan de populatie te onttrekken en uit het milieu te halen. Om deze reden is in de Regeling natuurbescherming een vrijstelling opgenomen om de visserij op deze soorten mogelijk te maken.
Overigens is niet alleen de aanwezigheid en het gedrag van de Amerikaanse rivierkreeften problematisch. Ook is sprake van besmettingsgevaar van een schimmel die deze dieren met zich meedragen.
Is eerder onderzocht wat het effect van de Amerikaanse rivierkreeft is op de biodiversiteit in Nederlandse wateren, met name op andere diersoorten en waterplanten?
Er zijn diverse studies gedaan. Zo is er in 2010 door de NVWA een risicoanalyse uitgevoerd in opdracht van het ministerie4. Hieruit blijkt dat de impact op aquatische bodemdieren en planten aanzienlijk kan zijn.
De rode Amerikaanse rivierkreeft, de Californische rivierkreeft, geknobbelde Amerikaanse en de gevlekte Amerikaanse rivierkreeft worden aangemerkt als de grootste probleemsoorten. Er zijn vijf soorten door de Europese Commissie geplaatst op de Unielijst van zorgwekkende invasieve uitheemse soorten5, op basis van wetenschappelijke rapportages.
Herkent u het in het artikel weergegeven beeld dat de aanwezigheid van de Amerikaanse rivierkreeft een negatief effect heeft op de waterkwaliteit, met name door het creëren van extra bagger? Zo nee, waarom niet?
Het is bekend dat onder meer Amerikaanse rivierkreeften door hun graafwerkzaamheden extra bagger kunnen veroorzaken.
Heeft u contact gehad met de waterschappen of hoogheemraadschappen over de geschetste problematiek? Zo ja, wat is er uit deze gesprekken voortgekomen?
Er is regelmatig contact met de Unie van Waterschappen en de waterbeheerders over de gevolgen van de aanwezigheid van uitheemse rivierkreeften op de biodiversiteit. Sinds 2015 is er ook overleg over de implementatie van Verordening (EU) nr. 1143/2014). Verschillende waterschappen doen onderzoek naar effecten van en mogelijke maatregelen tegen uitheemse rivierkreeften. Het Waterschap Rivierenland heeft in 2018 laten onderzoeken wat de impact van de rivierkreeften is op het ecologisch functioneren van het watersysteem, de veiligheid van waterkeringen en oeverstabiliteit, baggervorming, risico’s voor de volksgezondheid bij consumptie en de effecten voor (sport)visserij.6 Vanwege de verschillen in gedrag, moeten de gevaren per soort en leefgebied in beeld worden gebracht. Ik heb in het kader van het Europese Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) een subsidie toegekend aan de Good Fish Foundation voor het project «rivierkreeft uit de rivier» waarin samen met Wageningen Environmental Research en het Waterschap de Hollandse Delta onder meer wordt gekeken naar de effecten van bevissing. Op 14 november 2018 organiseren de betrokken partijen een studiedag waarbij ook de waterschappen aanwezig zullen zijn.
Deelt u de mening dat het effect van wegvangen van kreeften in Nederland nog niet goed is bestudeerd, zoals in het artikel wordt aangegeven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u van mening dat dit gedaan moet worden?
Er zijn verschillende studies uitgevoerd naar het effect van het wegvangen van rivierkreeften. In de bovengenoemde rapporten wordt hier aan gerefereerd. Uit deze studies zijn tot op heden nog geen effectieve en efficiënte beheers- en eliminatiemaatregelen naar voren gekomen. Het is aan de regionale partijen om te bepalen of verder onderzoek zinvol is.
Deelt u de mening dat de huidige Visserijwet in de weg staat van een effectieve aanpak van de problemen, aangezien beroepsvissers alleen een kreeftenkorf mogen gebruiken? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 2 heb ik aangegeven dat in de Regeling natuurbescherming een vrijstelling is opgenomen voor de bevissing en de daarop volgende handelingen ten aanzien van uitheemse rivierkreeften. Daarnaast verbinden het Reglement voor de binnenvisserij 1985 en de Uitvoeringsregeling visserij voorwaarden aan het gebruik van beroepsvistuigen op de binnenwateren. Omdat met deze vistuigen aanzienlijke hoeveelheden vissen of kreeftachtigen kunnen worden gevangen is het gebruik van deze vistuigen voorbehouden aan beroepsvissers. Dat geldt ook voor het gebruik van kreeftenkorven. Overigens leert de praktijk dat beroepsvissers zeer wel in staat zijn om met dit vistuig (of andere vistuigen) gerichte bevissing op rivierkreeften uit te voeren. Een aantal waterschappen heeft hier inmiddels ervaring mee opgedaan. Het is daarmee niet nodig om, aanvullend hierop, gebruik van beroepsvistuigen toe te staan voor vrijwilligers en derden. Het is zelfs onwenselijk, omdat daarmee inkomsten voor de beroepsvissers worden weggenomen en vanwege moeilijke handhaafbaarheid. Wel is het mogelijk om ten behoeve van onderzoek, bijvoorbeeld naar een effectiever beheer van rivierkreeften, ontheffing aan te vragen voor toepassing van beroepsvistuigen. Een dergelijke aanvraag voor ontheffing kan worden ingediend bij de Rijksdienst Voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Ook dient de eigenaar van het desbetreffende water hiervoor toestemming te geven.
Bent u bereid bij de water- en hoogheemraadschappen te inventariseren of de problemen in het gehele land worden ervaren en op basis hiervan te inventariseren of water- en hoogheemraadschappen genoeg instrumenten hebben om de problematiek aan te pakken? Bent u daarnaast bereid te kijken wat nodig is om water- en hoogheemraadschappen deze instrumenten wel te bieden? Zo nee, waarom niet?
In mijn antwoord op vraag 5 heb ik aangegeven dat er reeds contact is met de Unie van Waterschappen en de waterbeheerders over de problematiek van de uitheemse rivierkreeften. Daarbij wordt tevens gesproken over het beschikbare instrumentarium bij de waterschappen om de dieren te bestrijden.
Deelt u de mening, zoals neergelegd in het artikel, dat de EU-afspraken rondom de reinheid van het oppervlaktewater niet gehaald worden door de ontstane problematiek met de Amerikaanse rivierkreeft?
Het eerdergenoemde rapport over de impacts van de uitheemse rivierkreeften, dat in opdracht van het Waterschap Rivierenland is opgesteld, beschrijft dat er risico’s zijn voor het behalen van de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water. Daarbij zij opgemerkt dat het type water en de daarvoor geldende doelstellingen van belang zijn. Indien KRW-doelen niet worden bereikt, kan dat ook andere oorzaken hebben dan de aanwezigheid van uitheemse rivierkreeften.
Het bericht ‘So werden Erdogan-Kritiker in Deutschland per App denunziert’ |
|
Pieter Heerma (CDA), Chris van Dam (CDA) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht uit de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 25 september 2018 «So werden Erdogan-Kritiker in Deutschland per App denunziert»?1
Ja.
Kent u de berichten uit Duitsland dat deze app gebruikt wordt om personen die zich kritisch uitlaten over president Erdogan te rapporteren bij de Turkse politie?
Ja.
Kunt u bevestigen dat deze app ook in Nederland voor dit doeleinde wordt gebruikt? Zo nee, heeft u signalen ontvangen dat deze app mogelijk ook in Nederland voor dit doeleinde wordt gebruikt? Deelt u de mening dat dit ontwrichtend en onwenselijk is dat zo’n app in Nederland wordt gebruikt?
Het is niet bekend hoe vaak de app in Nederland is gedownload en of de app wordt gebruikt om personen vanwege hun (vermeende) politieke uitspraken of sympathieën aan te geven. Als de app inderdaad voor dit doeleinde wordt gebruikt, dan is dit volstrekt onwenselijk. Het kabinet onderschrijft en begrijpt de zorgen over het mogelijke gebruik van deze app die er volgens berichten op sociale media binnen de Turkse-Nederlandse gemeenschap bestaan en de wijze waarop de Turkse overheid omgaat met politieke tegenstanders. Mochten er concrete aanwijzingen zijn dat de Turkse overheid actief oproept of aanmoedigt om deze app in Nederland op een dergelijke wijze te gebruiken, dan zal Nederland Turkije hierop aanspreken.
Het uitgangspunt is wel dat in Nederland van strafbare feiten aangifte wordt gedaan bij de Nederlandse politie. De handhaving van de openbare orde in Nederland behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de Nederlandse autoriteiten. De Turkse politie is vanzelfsprekend niet bevoegd haar taken op Nederlands grondgebied uit te oefenen zonder expliciete toestemming van Nederland.
Zoals eerder gemeld zijn de politie en het Openbaar Ministerie extra alert op zaken die voortvloeien uit de spanningen in de Turks-Nederlandse gemeenschap. Personen die menen het slachtoffer te zijn van bedreiging en intimidatie worden nadrukkelijk opgeroepen om melding en/of aangifte te doen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is als mensen via een app mede-burgers kunnen rapporteren bij een buitenlandse overheid, in dit geval Turkije? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Welke mogelijkheden heeft u om hier tegen op te treden? Bent u bereid om in gesprek te gaan met Apple en Google om deze app in Nederlandse appwinkels te verbieden? Zo nee, waarom zou dat niet mogelijk zijn?
Het betreft hier een algemene politie-applicatie die primair bedoeld is voor gebruik in Turkije. Dergelijke applicaties worden ook door de Nederlandse en andere overheden gebruikt om contact tussen burgers en de overheid te faciliteren.
De beoordeling of een app wordt toegelaten in een appwinkel van aanbieders zoals Google en Apple is primair de verantwoordelijkheid van die aanbieders. De beoordeling van de inhoud van een app is, mede gelet op de vrijheid van meningsuiting, geen taak van de overheid. Dit ligt echter anders als strafrechtelijke grenzen worden overschreden, bijvoorbeeld doordat een app aanzet tot haat of geweld dan wel discriminerende inhoud bevat.
Zijn er, in Nederland en ons omringende landen, nog andere (online) «meldpunten» bekend waar mensen medeburgers kunnen rapporteren bij een buitenlandse overheid?
De meeste Europese overheden maken gebruik van applicaties waarmee gebruikers melding kunnen maken van overtredingen of contact op kunnen nemen met de politie. Het gebruik van deze applicaties is niet geografisch beperkt.
De coldcase kalender 2018 |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de coldcase kalender van 2018 die is uitgedeeld in gevangenissen?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat de kalender aan gedetineerden wordt verstrekt omdat er bij hen relatief veel kennis aanwezig is over gepleegde strafbare feiten?
Ja.
Kunt u aangeven wat de criteria zijn om een onopgeloste zaak tot coldcase te bestempelen, aangezien niet alle onopgeloste zaken bestempeld worden als coldcase?
Een onopgelost levensdelict (moord of doodslag) of een ander zeer ernstig delict waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld kan drie jaar na de pleegdatum het kenmerk «cold case» krijgen, als de rechercheofficier van het Openbaar Ministerie (OM) samen met de eenheidsleiding van de politie daartoe besluiten. Het gaat dan om een afgesloten en uitgerechercheerd dossier.
Kunt u aangeven waarom en wanneer de moord op Chris van de Werken, de vermoorde milieuambtenaar uit Nunspeet, als coldcase is aangemerkt? Was er een nieuw spoor of verwacht men nieuwe informatie waardoor de zaak als coldcase bestempeld werd?
De zaak van de moord op Chris van de Werken voldeed aan de criteria zoals genoemd bij vraag 3. Ik ga, zoals uw Kamer bekend is, in beginsel niet in op individuele gevallen.
Kunt u aangeven wat de criteria zijn om een coldcase op te nemen op de coldcase kalender? Klopt het dat vooral coldcases waarvan de politie verwacht dat nieuw onderzoek kansrijk is op de kalender worden opgenomen?2
De politie legt aan de officier van justitie, die onder andere is belast met cold case zaken, een zaak voor met het voorstel deze op de kalender te plaatsen. Als de officier van justitie dit voorstel goedkeurt, wordt vervolgens contact opgenomen met de nabestaanden. Als ook zij instemmen wordt de zaak geplaatst op de cold case kalender.
Het plaatsen van een zaak op de cold case kalender gebeurt altijd in de hoop dat informatie beschikbaar komt die mogelijk tot een oplossing van de betreffende zaak leidt.
Kunt u aangeven waarom de moord op Chris van de Werken is opgenomen op de kalender van 2018? Klopt het dat er geen getuigen waren van deze moord en dat gedetineerden dus ook geen getuigen kunnen zijn geweest? Op grond waarvan is nu de verwachting dat gedetineerden informatie kunnen geven die mogelijk kan leiden tot het opsporen van de dader? Waren er ten tijde van de moord op Chris van de Werken verdachten die niet vervolgd zijn voor de moord, maar die later wel voor een soortgelijk delict veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf? Is het denkbaar dat er binnen de gevangenismuren informatie gehoord of gezien is over de moord op Chris van de Werken?
De zaak van de moord op Chris van de Werken voldeed aan de criteria zoals genoemd bij vraag 5. Zoals ook aangegeven in de beantwoording bij vraag 4 ga ik niet in op individuele gevallen.
In hoeverre wordt of is bij coldcase zaken ook aanvullend onderzoek uitgevoerd met behulp van nieuwe technieken, in het bijzonder DNA opsporingstechnieken?
Zoals ik in de beantwoording op Kamervragen van de leden Van Oosten en Arno Rutte (beiden VVD) heb gesteld kunnen nieuwe of verbeterde (forensische) technieken in de toekomst een bijdrage leveren aan het oplossen van cold case zaken.3 Op dit moment wordt, als daar aanleiding toe is, nieuwe en verbeterde techniek gebruikt om nieuwe inzichten binnen een cold case te verkrijgen. Zo leiden bijvoorbeeld verbeterde DNA-technieken er toe dat van meer sporen DNA-profielen kunnen worden gemaakt dan voorheen. Aan uw Kamer is toegezegd om in het kader van de evaluatie van de Wet DNA-V in beeld te brengen wat hierbinnen haalbaar is en wat dat op zou kunnen leveren. De resultaten hiervan zullen tegelijkertijd met het evaluatierapport van de Wet DNA-V aan uw Kamer worden aangeboden. Naar verwachting zal dit in het vroege voorjaar van 2019 zijn.
Het bericht ‘Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens’ |
|
Erik Ronnes (CDA) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Kraakactie in Mill tegen uitsterfbeleid woonwagens»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat in Mill een locatie is gekraakt door woonwagenbewoners uit een andere gemeente, als protest tegen het uitsterfbeleid dat de gemeente volgens hen voert op het gebied van woonwagenbewoning?
Woonwagenbewoners mogen gebruik maken van hun recht op demonstratie binnen de geldende wettelijke kaders. Het uitsterfbeleid van woonwagenstandplaatsen zoals enkele gemeenten dat hebben gevoerd in de voorbije jaren staat op gespannen voet met de mensenrechten van woonwagenbewoners. Echter het beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid, dat ik op 12 juli 2018 aan uw Kamer stuurde, geeft geen grond om het recht in eigen hand te nemen en zonder toestemming of benodigde vergunningen zich te vestigen op standplaatsen. Dit heb ik ook aangegeven in mijn brief van 12 oktober 2018 aan uw Kamer bij de nulmeting van woonwagenstandplaatsen «Woonwagenstandplaatsen in Nederland». In het beleidskader wordt aangegeven dat samenwerking en een goede communicatie van groot belang is voor het vormgeven van het gemeentelijk standplaatsenbeleid. Ik vind dat de huidige acties niet bijdragen aan de door mij gewenste constructieve dialoog tussen de woonwagenbewoners en de gemeente.
Deelt u de visie dat het op 12 juli 2018 aangeboden beleidskader voor gemeentelijk standplaatsenbeleid verwarring heeft veroorzaakt bij betrokkenen, nu zij zich beroepen op aanbevelingen uit genoemd beleidskader? Zo ja, bent u bereid een nadere verduidelijking aan betrokkenen te zenden?
De kern van het beleidskader gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid is dat bij de ontwikkeling van het lokale woonbeleid rekening gehouden wordt met de gerechtvaardigde woonbehoefte van woonwagenbewoners om te wonen in een woonwagen. Het beleidskader verduidelijkt de kaders die gelden voor gemeenten bij het vormgeven van het beleid voor woonwagens en standplaatsen in hun gemeente.
Het lokale beleid dient erop gericht te zijn dat op een redelijke termijn het aanbod aan standplaatsen beter is afgestemd met de behoefte er aan.
In het beleidskader wordt de gemeenten aanbevolen om het beleid vorm te geven in overleg met alle betrokkenen. Voor de verdere implementatie zijn gemeenten afhankelijk van meerdere partijen, waaronder de woningcorporaties. Het beleidskader geeft individuele woonwagenbewoners geen recht om illegaal een standplaats in gebruik te nemen, toe te eigenen of illegale activiteiten te ontplooien.
De komende tijd zal ik in gesprek treden met gemeenten en organisaties van woonwagenbewoners, gericht op nadere toelichting van het beleidskader.
Deelt u de conclusie dat het innemen van een woonwagenstandplaats altijd binnen het vastgestelde lokale woonbeleid moet passen en dat het innemen van standplaatsen buiten dat beleid ongewenst en onwettig is?
De gemeente is verantwoordelijk voor het vaststellen van het lokale woonbeleid binnen de geldende mensenrechtelijke kaders. Het zich vestigen op een woonwagenlocatie in strijd met dit woonbeleid zonder de noodzakelijke toestemming of vergunning is ongeoorloofd en illegaal.
Kunt u aangeven op welke gronden de gemeente of andere instanties handhavend kunnen optreden tegen het op dergelijke wijze kraken van locaties?
Indien de acties van de woonwagenbewoners worden aangemerkt als een demonstratie, kan de burgemeester op basis van de Wet openbare manifestaties ingrijpen indien dat noodzakelijk is ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer of ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden. Op basis van deze gronden kan een burgemeester de manifestatie zelfs laten beëindigen.
In situaties waarin woonwagenbewoners zich zonder de nodige toestemming of vergunning op een standplaats vestigen, kan de gemeente handhavend optreden.
Welke gemeenten hebben inmiddels bij de vaststelling van het lokale woonbeleid rekening gehouden met de wensen van woonwagenbewoners en binnen welke termijn moeten gemeenten nieuw beleid vaststellen? Mogen gemeenten daarbij regionaal samenwerken en gemeentelijke taken overdragen aan een andere gemeente?
Het beleidskader is op 12 juli 2018 aan de Tweede Kamer gestuurd. Het is nog te vroeg om aan te geven hoeveel gemeenten reeds toepassing hebben gegeven in hun beleid aan de uitgangspunten van het beleidskader. Uiteraard kunnen gemeenten opteren om er regionaal invulling aan te geven en hun woonbeleid onderling af te stemmen. Kern van de zaak is dat er voldoende rekening wordt gehouden met en ruimte wordt gegeven aan het woonwagenleven van woonwagenbewoners.
Deelt u de visie dat gemeenten waar behoefte is aan standplaatsen vooralsnog alleen gehouden kunnen worden aan de realisatie van voldoende standplaatsen voor de eigen gemeentelijke behoefte? Zo ja, klopt het dan dat een claim op een woonwagenstandplaats buiten de woongemeente per definitie kansloos is?
Net als bij andere woningzoekenden kan bij schaarste in de huisvestingsverordening voor een deel van de toewijzingen voorrang worden gegeven aan woningzoekenden met een maatschappelijke of economische binding aan de gemeente. In het beleidskader is aangegeven dat het leven in familieverband een kenmerk is van het woonwagenleven waarmee gemeenten rekening dienen te houden. Dat kan op basis van het criterium maatschappelijke binding. In het kader van vrijheid van vestiging is het niet mogelijk om woningzoekende woonwagenbewoners uit andere gemeenten geheel uit te sluiten.
Indien opgelopen achterstanden wat betreft het aantal standplaatsen zijn ingehaald acht ik het zeer wel mogelijk dat woonwagenbewoners zich melden voor standplaatsen in andere gemeenten dan die waar zij nu woonachtig zijn. Het zou immers vreemd zijn vast te moeten stellen dat een woonwagenbewoner nooit kan verhuizen naar een andere gemeente.
Deelt u de gedachte dat een gemeente woonwagenbewoners wel mag weren als die bewoners van buiten de betrokken gemeente komen, terwijl de gemeente gezorgd heeft voor voldoende plekken voor woonwagenbewoners uit de eigen gemeente?
Zie antwoord vraag 7.
Acht u het redelijk en acceptabel als gemeenten toch beleid formuleren dat gericht is op een vermindering van het aantal standplaatsen, als dat de instemming heeft van de betrokken woonwagenbewoners in die gemeente?
Zoals eerder gezegd, is de kern dat het aanbod van standplaatsen in overeenstemming gebracht moet worden met de vraag, net als gemeenten dat beogen inzake de woningbehoefte van overige woningzoekenden. Dat kan in bepaalde gevallen er inderdaad toe leiden dat een gemeente het aantal standplaatsen vermindert of afbouwt indien er ter plaatse minder of geen behoefte meer aan is.
De vertrouwensbreuk van organisatie PrisonLaw met het ministerie van Buitenlandse Zaken en het beëindigen van de subsidierelatie |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat PrisonLaw, belangenbehartiger van zo’n honderd Nederlandse gedetineerden in het buitenland, weigert nog langer subsidie van uw ministerie te ontvangen wegens een vertrouwensbreuk met het Ministerie van Buitenlandse Zaken? Hoe heeft het zo ver kunnen komen1 2
Stichting PrisonLAW is één van drie organisaties die subsidie ontvangen op basis van het subsidiekader «Gedetineerdenbegeleiding buitenland 2017–2019» (Staatscourant 11 augustus 2016, Nr. 42301). Het huidige subsidieplafond geldt voor de periode 1 januari 2017 tot en met 31 december 2019. Medio dit jaar heeft Stichting PrisonLAW aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken meegedeeld dat de stichting had besloten de subsidierelatie vroegtijdig per 1 juli 2019, oftewel zes maanden voor het verstrijken van de driejarige subsidieperiode, te beëindigen. Sinds het besluit van Stichting PrisonLAW zijn de stichting en het ministerie in constructief overleg over de modaliteiten van de beëindiging en de overdracht van de activiteiten naar een andere tijdelijke partij.
Het ministerie herkent zich niet in het beeld dat recentelijk in onder meer de media is geschetst. Het ministerie werkt sinds 2012 op het terrein van gedetineerdenbegeleiding buitenland met Stichting PrisonLAW samen. Binnen de algemene subsidieregels en de voorwaarden van de subsidiebeschikking kunnen alle subsidieontvangers op het terrein van gedetineerdenbegeleiding buitenland, zo ook Stichting PrisonLAW, zelfstandig en onafhankelijk opereren. Voor de gesubsidieerde activiteiten op het terrein van Gedetineerdenbegeleiding buitenland 2017–2019 geldt onder meer het hogergenoemde daarvoor vastgestelde subsidiekader.
In algemene zin behoudt het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich steeds het recht voor om te reageren op feitelijke onjuistheden in berichtgeving op beleidsterreinen van het ministerie. Aldus kan het voorkomen dat het ministerie iemand attendeert op feitelijke onjuistheden, aangeeft hoe de feiten volgens het ministerie werkelijk zijn en iemand verzoekt de berichtgeving aan te passen. Ten aanzien van het laatste benadruk ik dat het steeds gaat om een verzoek.
Hetzelfde geldt voor het vragen van aandacht van en in de media. In individuele consulaire zaken werkt het ministerie grotendeels bewust achter de schermen. Zo kan het gebeuren dat het ministerie in voorkomende gevallen in overweging geeft op bepaalde momenten, in het belang van de individuele zaak en de gemeenschappelijke doelstelling daarin, bijvoorbeeld tijdens de inzet van stille diplomatie, publicitaire stilte in acht te nemen. Hierover is met PrisonLaw regelmatig gecommuniceerd. Dat overleg had nimmer de intentie en het doel de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van Stichting PrisonLAW te beperken of daar op enigerlei wijze aan af te doen. De uiteindelijke afweging en beslissing ten aanzien van de timing en de opportuniteit van publiciteit zijn steeds aan de direct betrokken partijen.
Wat is uw reactie op de verwijten vanuit PrisonLaw dat de onafhankelijkheid van PrisonLaw zou worden aangetast door handelen vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken?
Zie antwoord vraag 1.
Welke poging(en) heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken ondernomen om de zogenoemde vertrouwensbreuk met PrisonLaw te voorkomen? Waaruit blijkt dit? Kunt u de pogingen noemen of onderbouwen?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat mevrouw Imamkhan vanuit het Ministerie van Buitenlandse Zaken op momenten verzocht is haar media-uitlatingen te rectificeren? Is dit ook gebeurd met verwijzing naar de subsidierelatie? Begrijpt u dat dit als chantage kan worden ervaren?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom meldt het ministerie in een reactie aan de Volkskrant de kritiek niet te kunnen plaatsen en dat PrisonLaw alle gelegenheid zal hebben met de media te communiceren en dat het niet aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken is om dit te belemmeren of hier voorwaarden aan te stellen, terwijl er bewijzen liggen van het tegendeel?
Zie mijn antwoorden op de vragen 2, 3 en 4.
Waarom is het interne onderzoek naar aanleiding van de klacht van de heer Singh vertrouwelijk? Waarom mogen de heer Singh en zijn advocaat het onderzoeksrapport niet inzien?
De klacht betrof gedragingen van personen. Vanwege de wettelijke eisen die worden gesteld aan persoonsgegevensbescherming zijn het onderzoek en de afhandeling van de klacht vertrouwelijk. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft uw Kamer vertrouwelijk over het onderzoek geïnformeerd.
Waarom kiest het Ministerie van Buitenlandse Zaken er voor om op zoek te gaan naar een andere organisatie om de belangen van gedetineerden te behartigen in plaats van te proberen het geschil met PrisonLaw op te lossen en het vertrouwen te herstellen?
Stichting PrisonLAW heeft het besluit tot vroegtijdige beëindiging van de subsidierelatie gedecideerd genomen en aan het ministerie meegedeeld. Uit communicatie met PrisonLAW is gebleken dat het ministerie en de organisatie verschillende zienswijzen hebben op de samenwerking in de afgelopen periode. Het ministerie respecteert daarom het besluit.
Indien er geen subsidie opvolger wordt gevonden, hoe wordt dan in juridische bijstand aan de in het buitenland gedetineerde Nederlander voorzien?
Het ministerie werkt thans aan een tijdelijke oplossing voor juridisch advies aan Nederlandse gedetineerden tot en met 31 december 2019. Medio 2019 zal het ministerie een regulier nieuw subsidiekader op het terrein van gedetineerdenbegeleiding buitenland publiceren en openstellen waarvan de meerjarige subsidieperiode start op 1 januari 2020.
De regeling van het openbaar ministerie met Volkert van der Graaf |
|
Henk Krol (50PLUS) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Minister tevreden over deal met Volkert van der Graaf»?1
Ja. Ik ben bekend met dit artikel.
Kunt u aangeven welke kosten het uitvoeren van de deal die het openbaar ministerie (OM) met Volkert van der Graaf heeft gesloten, gemoeid zijn?
Ik ga niet in op gemaakte proceskosten in een individuele zaak.
Kunt u aangeven of Volkert van der Graaf op de één of andere manier financieel ondersteund wordt? Kunt u daarbij ook specifiek aangeven of er afspraken zijn gemaakt over het vergoeden van verhuiskosten bij een eventuele emigratie en/of zijn levensonderhoud in het buitenland?
Ik verstrek geen informatie over financiële ondersteuning van een individu.
Ten aanzien van een eventuele wens van Van der G. om te emigreren, verwijs ik naar mijn brief. Daarin schrijf ik dat pas aan de hand van een concreet voornemen beoordeeld kan worden of dit binnen zijn v.i.-traject, dat nog loopt tot mei 2020, mogelijk is. Bij het OM is geen concreet voornemen bekend.
In hoeverre is het gebruikelijk emigrerende veroordeelden financieel te ondersteunen, hetzij bij de emigratiekosten hetzij bij het levensonderhoud in het buitenland? Klopt het dat zij wel dergelijke financiële steun kunnen ontvangen en een Nederlander zonder strafblad die overweegt te emigreren niet?
Het is niet gebruikelijk veroordeelden die (zelfstandig) emigreren financieel te ondersteunen.
Uitstel van het verschijnen van het onderzoek naar de blootstelling aan asbestvezels bij werkzaamheden met straalgrit |
|
Bart van Kent (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u zich het antwoord van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit oktober 2017 herinneren waarin hij schreef dat «zo snel mogelijk» helderheid geboden moet worden aan werknemers en bedrijven?1 2
Ja.
Wat zegt u tegen de werknemers van de bedrijven waar met het met asbest verontreinigd straalgrit is gewerkt en die inmiddels al een jaar in onzekerheid verkeren?
Het is heel naar dat mensen in onzekerheid verkeren over de blootstelling aan straalgrit en ik wil graag zo snel mogelijk duidelijkheid geven. Maar het is ook noodzakelijk dat zorgvuldig te doen. De werkzaamheden die met het straalgrit zijn uitgevoerd, zijn divers. Dat heeft ook zijn weerslag op de mate van blootstelling. Verder is de duur van de bloostelling van belang om de gezondheidsrisico’s te kunnen beoordelen. Op basis van de rapporten van TNO en RIVM, die u parallel aan deze antwoorden ontvangt, kan uitsluitsel worden gegeven.
Hoe verklaart u dat de verschijningsdatum van het onderzoek alsmaar wordt uitgesteld?
Op 27 september heb ik u geïnformeerd over de datum waarop de Kamer naar verwachting het onderzoek en de uitkomsten ontvangt.3 De latere verschijningsdatum heeft te maken met het extra onderzoek dat nodis was, juist vanwege de zorgvuldigheid in de informatievoorziening ten opzichte van de mensen die het betreft. U ontvangt de rapporten dan ook parallel aan de antwoorden op deze vragen.
Wat waren de eerste, voorlopige signalen die u hebben doen besluiten om aanvullend onderzoek uit te laten voeren? Wanneer heeft u deze signalen van de Nederlandse Organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) ontvangen?
Zoals aan uw Kamer gemeld met de brief over straalgrit, wezen de eerste signalen afgelopen zomer uit het onderzoek van TNO er op dat gezondheidsrisico’s voor sommige blootgestelde (werknemers)groepen niet met zekerheid uit te sluiten waren. Om na te gaan of die risico’s hebben bestaan, en zo ja, welke, is het RIVM gevraagd een aanvullend onderzoek uit te voeren.
Is het onderzoek van TNO inmiddels wel afgerond? Zo ja, kunt u dit de Kamer per ommegaande doen toekomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zie antwoord 3.
Op welke (werknemers)groepen richt het aanvullend onderzoek zich? Wanneer heeft u dit onderzoek bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uitgezet?
De werknemers op wie het onderzoek zich toespitst, zijn degenen die met het grit hebben gewerkt. TNO heeft daartoe werkprofielen opgesteld. Het vervolgonderzoek is omstreeks 18 juli van dit jaar uitgezet bij het RIVM. Zij zijn vervolgens direct begonnen.
Zijn er ook (werknemers)groepen die u al wel gerust kan stellen, nadat zij inmiddels al een jaar in onzekerheid verkeren? Kunt u uw antwoord toelichten?
U ontvangt parallel aan deze antwoorden de onderzoeken van TNO en RIVM. Daarmee wordt werknemers en omwonenden duidelijkheid verschaft. Zie verder het antwoord op vraag 3 en 4.
Hoe voorkomt u dat terwijl de tijd verstrijkt, werknemers die zijn blootgesteld aan het met asbest verontreinigde straalgrit uit beeld verdwijnen?
De arboregelgeving biedt op dit punt houvast. In artikel 4.15 van het Arbobesluit is geregeld dat de werkgever een lijst dient bij te houden van werknemers die worden of kunnen worden blootgesteld aan kankerverwekkende of mutagene stoffen of stoffen die vrijkomen bij een kankerverwekkend proces, onder vermelding van de blootstelling die zij hebben ondergaan.
Het bericht ‘Ruim duizend automobilisten onder invloed van drugs’ |
|
Remco Dijkstra (VVD), Antoinette Laan-Geselschap (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim duizend automobilisten onder invloed van drugs»?1
Ik ben bekend met het artikel. Het opleiden van opsporingsambtenaren, het uitvoeren van het bloedonderzoek en het inplannen op zitting door het OM kosten tijd en daarom duurde het een paar maanden voordat de eerste drugszaken onder de nieuwe wetgeving door de rechter behandeld werden. Tot en met september 2018 zijn inmiddels 613 van deze nieuwe zaken op zitting geweest. In de periode van oktober 2018 tot en met januari 2019 zijn nog eens 201 personen gedagvaard voor het rijden onder invloed van drugs. Van de resterende zaken is nog geen zittingsdatum bekend, naar verwachting worden die begin 2019 behandeld.
Heeft u ook in het artikel gelezen dat er ruim 1250 automobilisten betrapt zijn die onder invloed van drugs achter het stuur zaten, dat hiervan inmiddels 250 zaken op zitting zijn geweest en dit betekent dat er nog zo’n 1000 zaken behandeld moeten worden? Gaat dit nog gebeuren? Zo ja, op welke termijn gaat dit gebeuren? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 1.
Wanneer men onder invloed van cannabis achter het stuur gezeten heeft kan men volgens het artikel rekenen op een boete van 850 euro en mag men een paar maanden niet rijden. Is dit de standaard strafmaat of wordt hier ook vanaf geweken?
Als er sprake is van rijden onder invloed van cannabis, waarbij de concentratie van die stof in het bloed de grenswaarde heeft overschreden, geldt als uitgangspunt voor de strafeis tabel 4 van de Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod. Deze richtlijn geeft een strafeis van 850 euro boete en 6 maanden rijontzegging voor een first offender en enkelvoudig gebruik. De maximumstraf voor rijden onder invloed van cannabis bedraagt een gevangenisstraf van drie maanden of een geldboete van de derde categorie. De rechter bepaalt de precieze hoogte van de sanctie.
In het Wetsvoorstel Aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten wordt voorgesteld de strafmaat van rijden onder invloed van drugs te verhogen van drie maanden gevangenisstraf naar een gevangenisstraf van één jaar.
In hoeverre kan de politie bij een drugstest aantonen hoeveel drugs er zijn gebruikt? Is de hoeveelheid drugs van invloed op de strafmaat?
De speekseltester is een voorselectiemiddel, dat bij een positieve uitslag een indicatie geeft welk soort drugs zijn gebruikt, maar niet hoeveel. Daarom is bloedonderzoek noodzakelijk zodat kan worden vastgesteld dat er daadwerkelijk sprake is geweest van drugsgebruik en of de wettelijke limieten voor drugs zijn overschreden.
Omdat niet duidelijk per stof vast te stellen is in welke mate het gevaar voor de verkeersveiligheid stijgt afhankelijk van de hoeveelheid van de stof (bij alcohol is dit wel mogelijk) zijn er enkel grenswaarden vastgesteld. Bij overschrijding van de grenswaarde is er sprake van strafbaar gedrag; in de afweging van een zaak is het aan de rechter om dan de straf te bepalen. Bij de strafmaat wordt daarnaast wel rekening gehouden met het feit of er sprake is van gebruik van een combinatie van soorten drugs. Bij combinaties van meerdere drugs al dan niet met alcohol liggen de straffen hoger dan bij enkelvoudig gebruik van een drug.
In hoeveel procent van de gevallen is het zo dat personen die onder invloed van drugs achter het stuur hebben gezeten een taakstraf krijgen? Is al inzicht in het aantal recidivisten dat meerdere malen is gepakt met drugs op achter het stuur? Zo ja, geven deze cijfers aan dat de strafmaat wellicht herzien moet worden?
In de periode van 1 juli 2017 tot 1 oktober 2018 is aan 512 personen door de rechter een straf opgelegd wegens overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Daarbij is in 235 gevallen een taakstraf opgelegd (46%). Er is nog onvoldoende zicht op het aantal recidivisten.
Hoe vaak wordt er in geval van een ongeluk een drugstest gedaan? In hoeveel gevallen waarbij sprake was van een ernstig ongeval was er sprake van het onder invloed zijn van drugs?
Indien de politie aanleiding ziet om een speekseltest uit te voeren zal die indien mogelijk na een ongeluk worden uitgevoerd. De aanleiding kan gelegen zijn in het aantreffen van drugs in het voertuig, gevaarlijk rijgedrag of uiterlijke kenmerken van de bestuurder.
In 2018 is tot nu toe bij 147 ernstige ongelukken (ongelukken met letsel of dodelijke ongelukken) een speekseltest uitgevoerd. De politie ontvangt de uitslagen van het NFI, maar registreert niet afzonderlijk of het een positieve of negatieve uitslag betreft. Ik ben voornemens met de politie te spreken over mogelijkheden voor meer afzonderlijke registratie, waarbij ook dit punt aan de orde zal komen.
In tegenstelling tot alcoholgebruik, mag de politie bij drugsgebruik het rijbewijs niet meteen invorderen. Waarom mag dit niet? Bent u van plan om dit te gaan wijzigen?
De politie mag net als bij alcoholgebruik het rijbewijs invorderen bij vermoeden van ongeschiktheid wegens rijden onder invloed.
Aangezien er momenteel veel blaastesten worden uitgevoerd door middel van fuiken, waarom wordt er op zulke momenten niet ook meteen op drugs gecontroleerd? Is de politie voornemens deze controles ook uit te voeren bij grote festivals, dance-events en andere meerdaagse evenementen waarbij het vermoeden bestaat dat drugs gebruikt worden?
Door de sociale media is de effectiviteit van fuiken afgenomen. De politie maakt daarom meer gebruik van dynamische verkeerscontroles en gebruikt de speekseltester indien daartoe aanleiding is (zie ook het antwoord op vraag 6). Dat laat onverlet dat ook fuikcontroles belangrijk zijn en dat de politie er voor kan kiezen (ook) op de uitvalswegen van festivals te controleren op rijden onder invloed van drugs. Vanwege de duur van de afname van de speekseltester zal normaliter niet iedereen kunnen worden getest op het gebruik van drugs.
Is er momenteel genoeg handhaving binnen de politie om dit soort drugstesten uit te voeren? Deelt u de mening dat het opsporen en vervolgen van mensen die onder invloed van drugs achter het stuur zitten enorm kan bijdragen aan de verkeersveiligheid?
Het is belangrijk dat er wordt gehandhaafd op het verbod om te rijden onder invloed van drugs. Ik deel de mening dat dit kan bijdragen aan de verkeersveiligheid. Daarom is dit ook een van de prioriteiten van de teams Verkeer van de politie.
Het bericht ‘Staat wil deal met Volkert van der Graaf’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Waarom onderhandelt het openbaar ministerie (OM) met de gewetenloze moordenaar van Pim Fortuyn?1 Waarom probeert het OM te verdoezelen dat zij met deze moordenaar onderhandelt?
De voorzieningenrechter in Den Haag heeft op 29 mei 2018 de meldplicht van Van der G. geschorst. Op 10 september 2018 vond een zitting plaats in het kader van het door het OM ingestelde hoger beroep tegen deze schorsing. Het Gerechtshof te Den Haag heeft tijdens deze zitting het voorstel gedaan om zonder rechterlijke tussenkomst tot overeenstemming te komen over het voortzetten van de meldplicht in een andere vorm. Partijen (het OM en de betrokkene) hebben deze voorzet opgepakt en zijn, zoals gebruikelijk is bij dit soort juridische procedures, – buiten aanwezigheid van anderen – met elkaar in gesprek gegaan.
Kent u de verkiezingsbeloften van de Minister-President dat Volkert van der Graaf nooit op proefverlof zou gaan?2 Waarom heeft u (en uw voorganger) dit en de vervroegde vrijlating dan toch laten gebeuren? Deelt u de mening dat die laffe, slappe rechters Volkert van der Graaf destijds gewoon levenslang hadden moeten opleggen?
Het is uiteindelijk aan de rechter om te beoordelen of de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) achterwege moet worden gelaten. In deze zaak heeft de rechter hier geen grond voor geacht.
Het past mij niet een oordeel te vellen over een rechterlijke uitspraak. Welke beslissing passend is, is aan de rechter. Hij heeft daarbij oog voor alle omstandigheden van het individuele geval en weegt, zoals ook in mijn brief benoemd, alle betrokken belangen – inbegrepen die van de maatschappij en de nabestaanden – mee om tot een oordeel te komen.
Waarom werd door u of uw diensten gesuggereerd dat deze moordenaar naar het buitenland zou emigreren terwijl hij gewoon in Nederland verblijft? Beseft u dat Volkert van der Graaf wederom een aanslag op onze democratie pleegt door ons rechtssysteem te tarten en u, die laffe rechters en dat slappe OM keihard uitlacht?
Voorop staat dat pas aan de hand van een concreet voornemen om te verhuizen naar het buitenland kan worden beoordeeld of dit binnen een v.i.-traject mogelijk is. Ten aanzien van de eventuele wens van Van der G. om te emigreren kan ik zeggen dat voor hem gelden dezelfde regels gelden, met de daarbij behorende onmogelijkheden, als voor andere ondertoezichtgestelden. Ik heb evenwel begrepen dat bij het OM (nog) geen concreet voornemen bekend is.
Deelt u de mening dat het een extra klap in het gezicht is van de samenleving in het algemeen en de nabestaanden in het bijzonder dat Volkert van der Graaf, die leeft van een uitkering, proces na proces start en dat de belastingbetaler dit allemaal bekostigt?
Voor de Van der G gelden dezelfde rechten als voor iedere andere Nederlander in een vergelijkbare situatie.
Klopt het bericht dat Volkert van der Graaf zich niet meer fysiek hoeft te melden maar slechts een keer in de acht weken de Reclassering een verslagje moet sturen?3 Onderkent u dat u met dit akkoord met deze koelbloedige moordenaar de rechtstaat ondermijnt?
Met ingang van 2 oktober jl. is weer sprake van een meldplicht waaraan Van der G. zich moet houden. De meldplicht houdt in dat betrokkene zich elke acht weken moet melden bij de reclassering door middel van het indienen van een schriftelijk verslag. Afhankelijk van de inhoud van het verslag vindt hierna een gesprek plaats. Het eerder opgelegde contact- en mediaverbod blijft onverminderd van kracht en ook het evaluatiegesprek met het OM, dat iedere zes maanden plaatsvindt, blijft gehandhaafd. Zoals ik in mijn brief schrijf, is het OM – dat belast is met het toezicht op het nakomen van voorwaarden – positief gestemd over dit resultaat.
Bent u bereid vandaag nog Volkert van der Graaf op te pakken zodat hij zijn straf volledig in de cel zal uitzitten? Bent u bereid ervoor te zorgen dat Volkert van der Graaf na het uitzitten van zijn straf Nederland verlaat en nooit meer terugkeert?
Nee.
Het bericht ‘Aanpak illegaal vuurwerk in gevaar’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aanpak illegaal vuurwerk in gevaar»?1 Deelt u het in dit bericht geschetste beeld?
In mijn brief van 14 november jl. heb ik uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop het werkproces met betrekking tot opslag en vervoer van illegaal vuurwerk robuust en duurzaam wordt vormgegeven. Hierbij staat voor mij de veiligheid van de medewerker en de omgeving voorop. Bij het zoeken naar een juiste oplossing is dit als uitgangspunt genomen. De andere gehanteerde uitgangspunten zijn dat de oplossing voldoet aan wet- en regelgeving, de kosten maatschappelijk aanvaardbaar zijn, de noodhulpdienst bij het onverwacht aantreffen van illegaal vuurwerk zoveel mogelijk beschikbaar blijven voor de noodhulp en de bewijsfunctie van het beslag intact blijft. De politie treedt serieus en afgewogen op ten aanzien van het in beslag nemen en afvoeren van illegaal (zwaar) vuurwerk en het inzetten van gespecialiseerde bedrijven.
Herinnert u zich uw toezegging in het plenaire debat over het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid over de risico’s rondom de jaarwisseling op 20 juni 2018 dat u dit najaar uitsluitsel zou geven over de wijze waarop andere partijen worden ingeschakeld bij het in beslag nemen en afvoeren van illegaal (zwaar) vuurwerk?
Zie antwoord vraag 1.
Kloppen de berichten tijdens werkbezoeken, dat vooralsnog geen oplossing gevonden is voor de wens van de politie om vuurwerk vanaf de plek van inbeslagneming door een gespecialiseerd bedrijf te laten afvoeren, dan wel vuurwerk ter plekke door een beveiligingsbedrijf te laten bewaken? Deelt u de opvatting dat het zeer zorgelijk is dat zelfs nu nog (eind september, begin oktober) dit niet geregeld is voor de komende jaarwisseling?
Zie antwoord vraag 1.
Klopt het dat de controles van de Inspectie Leefomgeving en Transport bij pakketdiensten nagenoeg stil liggen en nauwelijks meer mogelijk zijn omdat de politie niet bereid is (tijdelijk) op politiebureaus dan wel bij regionale beslaghuizen in beslag genomen vuurwerk op te slaan, ook als op dezelfde dag dit vuurwerk nog afgevoerd wordt door een gespecialiseerd bedrijf?
Nee, dit klopt niet. Er vinden regelmatig controles plaats zowel door ILT als door de bedrijven zelf. Indien vuurwerk is aangetroffen, wordt in overleg tussen politie, ILT en de betrokken pakketdienst het vuurwerk door een ADR-vervoerder afgevoerd naar de opslaglocatie van Domeinen Roerende Zaken te Ulicoten.
Herkent u de geluiden van vuurwerk-professionals dat het welkom zou zijn deze problematiek met enige nuchterheid terug te brengen tot de kern van de zaak? Deelt u met hen de opvatting dat één of enkele stuks illegaal, in de originele verpakking aangetroffen stuks vuurwerk van een totaal andere (mindere) gevaarzetting zijn dan een partij die uit meerdere stuks bestaat? Bent u bereid deze mate van gevaarzetting leidend te laten zijn in het voor de komende jaarwisseling treffen van adequate maatregelen?
Het uitgangspunt is dat de afhandeling van inbeslaggenomen vuurwerk veilig moet zijn voor de politieambtenaren en de omgeving. De gehanteerde werkwijze kan afhangen van de omstandigheden en de context waaronder het vuurwerk wordt aangetroffen. Ook is de aard en de hoeveelheid van het aangetroffen vuurwerk relevant. Hiermee wordt rekening gehouden bij de tijdelijke en structurele oplossing.
Omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland |
|
Maarten Groothuizen (D66) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Transparency International: «Nederland doet nog steeds te weinig tegen omkoping in buitenland»?1
Ja.
Deelt u de conclusie uit het voortgangsrapport 2018 «Exporting Corruption» van het Transparency Institute Nederland (TIN) dat Nederland beperkt handhaaft tegen omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland? Zo ja, waarom wel? Zo nee, waarom niet?2
Het voortgangsrapport van TIN ziet op de jaren 2014–2017. In deze periode is in Nederland een extra investering gedaan in de bestrijding van corruptie. Zo is in september 2016 een anti-corruptie centrum bij de FIOD opgericht en is in 2017 een themateam corruptie bij het OM opgericht. Het aantal zaken op het gebied van buitenlandse corruptie dat strafrechtelijk is onderzocht is sinds 2013 dan ook toegenomen. Op dit moment loopt een aantal (nieuwe) strafrechtelijke onderzoeken. Strafrechtelijk onderzoek naar buitenlandse corruptie is per definitie arbeids- en tijdsintensief; het resultaat van de verhoogde inspanningen zal op termijn zichtbaar worden. Het OM verwacht dat de stijgende trend zich door zal zetten.
In de voor het voortgangsrapport gehanteerde methodiek is het aantal strafrechtelijke onderzoeken afgezet tegen de omvang van de Nederlandse export. Van belang is hierbij op te merken dat het leeuwendeel van de Nederlandse export naar landen gaat waar het corruptierisico relatief laag is. Dit gegeven is niet meegewogen bij het beoordelen van de verhouding van het aantal buitenlandse omkopingszaken tot het aandeel in de wereldexport.
Hoe beoordeelt u de kritiek van het TIN over het gebrek aan transparantie en onafhankelijke rechterlijke toetsing van schikkingen getroffen met het openbaar ministerie (OM) in het kader van omkoping door Nederlandse bedrijven in het buitenland? Kunt u uw beoordeling onderbouwen?
De in deze vraag genoemde schikking betreft de wettelijke afdoeningsmogelijkheid van artikel 74 Wetboek van Strafrecht, waarbij het OM een transactie aan de verdachte kan aanbieden ter voorkoming van rechtsvervolging. Een hoge transactie gaat sinds enige tijd vergezeld van een persbericht met uitgebreid feitenrelaas, waarmee zoveel mogelijk transparantie wordt beoogd.
In de Aanwijzing hoge en bijzondere transacties is de toetsingsprocedure vastgelegd voor de desbetreffende categorieën transacties. Het betreft een zware toetsingsprocedure binnen het Openbaar Ministerie (via de parketleiding en de hoofdadvocaat-generaal en het College van Procureurs-Generaal). De aanwijzing schrijft voor dat het College een hoge transactie vooraf schriftelijk aan de Minister van Justitie en Veiligheid ter goedkeuring voorlegt.
De toetsingsprocedure behelst volgens de Aanwijzing een toetsing van de juridische aspecten van de zaak door de Hoofd Advocaat-generaal en een integrale toetsing van de voorgenomen transactie door het College. Centraal staat daarbij de vraag of de voorgenomen transactie, gezien de feiten en omstandigheden van het geval – en het te bereikten maatschappelijk effect –, een passende afdoening is.
De toets van de Minister van Justitie en Veiligheid beperkt zich tot het oordeel of het Openbaar Ministerie in redelijkheid kon komen tot het standpunt dat de zaak met een transactie kon worden afgedaan. De Minister past immers terughoudendheid bij bemoeienis met individuele strafzaken.
Zoals ik eerder in antwoord op Kamervragen4 heb aangegeven, neem ik de kritieken van TIN en de Raad van de Rechtspraak ten aanzien van de hoge transactie zeer serieus. Op dit moment wordt de huidige praktijk tegen het licht gehouden. De inzichten hieruit worden meegenomen in het kader van de evaluatie Wet OM-afdoening. Daarop vooruitlopend zal de Aanwijzing hoge transacties en bijzondere transacties in lijn worden gebracht met de staande praktijk op het gebied van transparantie.
Deelt u de mening dat onafhankelijke rechterlijke toetsing van deze schikkingen op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering alleen kan als de klager belanghebbende is en hij actief schriftelijk beklag moet indienen bij het gerechtshof en dat dit daarmee beperkend is ten aanzien van het voorstel van de Raad voor de rechtspraak begin dit jaar?3
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u mogelijkheden de beslissing een schikking te treffen transparanter te maken? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Vrijwilligerswerk met gedetineerden en ex-gedetineerden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de brief van belangenorganisatie BONJO over de subsidiesystematiek voor het vrijwilligerswerk met gedetineerden en ex-gedetineerden?1
Ja.
Erkent u het belang van vrijwilligerswerk met gedetineerden en ex-gedetineerden?
Ja. Vrijwilligers steunen gedetineerden tijdens detentie en helpen hen bij de voorbereiding op hun terugkeer in de samenleving. Ook na detentie spelen zij een belangrijke rol bij de re-integratie en resocialisatie van ex-gedetineerden.
Wat is uw reactie op de zorg dat de administratieve lasten voor vrijwilligersorganisaties zullen stijgen met de nieuwe subsidiesystematiek waaraan gewerkt wordt?
In de Visie op gevangenisstraffen «Recht doen, kansen bieden. Naar effectievere gevangenisstraffen», heb ik aangekondigd dat in penitentiaire inrichtingen het vrijwilligerswerk wordt uitgebreid en meer dan voorheen wordt gericht op de re-integratie van (ex-)gedetineerden.2 Vrijwilligersorganisaties worden niet meer gesubsidieerd op basis van het aantal vrijwilligers, maar op basis van de bijdrage die zij leveren aan de resocialisatie en re-integratie van de gedetineerde. De behoefte aan activiteiten vanuit de penitentiaire inrichtingen staat hierbij centraal. Vrijwilligersorganisaties moeten in hun subsidieverzoek dus meer dan nu motiveren hoe hun aanbod aansluit bij de re-integratiebehoefte. Dit gemotiveerde subsidieverzoek kan leiden tot meer administratieve lasten, vooral in de periode waarin wordt overgegaan naar de nieuwe subsidieregeling. Ik streef ernaar deze lasten tot een minimum te beperken. Daartoe is bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) een implementatiemanager aangesteld die de vrijwilligersorganisaties ondersteunt bij het aanvragen en verantwoorden van subsidie.
Kunt u inhoudelijk reageren op de kanttekeningen van BONJO zoals die in deze brief opgenomen zijn?
Vrijwilligerswerk zal, zoals in het antwoord op vraag 3 aangegeven, meer dan voorheen ingezet worden ten dienste van een goede re-integratie. Daarvoor is een nieuwe subsidieregeling nodig. Ik ben het eens met BONJO dat niemand gebaat is bij een ingewikkelde systematiek. Om tot een breed gedragen en werkbare nieuwe subsidieregeling te komen zijn de vrijwilligersorganisaties vanaf het begin van dit transitieproces betrokken. De vrijwilligersorganisaties, waaronder BONJO, zijn geconsulteerd over de nieuwe subsidieregeling. Op 9 juli 2018 is een bijeenkomst georganiseerd waarin de contouren van de nieuwe subsidieregeling met hen zijn gedeeld. Voor een goede invoering van de nieuwe subsidieregeling is, zoals al aangegeven in het antwoord op vraag 3, bij DJI een implementatiemanager aangesteld. Om de subsidieverzoeken inhoudelijk te beoordelen stel ik een commissie in die mij moet adviseren over de toekenning van subsidie. Deze commissie moet toetsen of en in hoeverre de aangeboden vrijwilligersactiviteiten bijdragen aan de re-integratie van gedetineerden. De nieuwe subsidiesystematiek zal worden geëvalueerd, met specifieke aandacht voor het functioneren van de aanvraagprocedure, de adviescommissie en het verantwoordingsproces.
Tot slot onderschrijf ik de stellingname van BONJO dat de activiteiten van de vrijwilligersorganisaties de werkzaamheden van vaste medewerkers in de penitentiaire inrichtingen niet mogen overlappen of verdringen. Deze notie is één van de uitgangspunten van de nieuwe subsidieregeling.
Agressie tegen toezichthouders van Staatsbosbeheer |
|
Femke Merel Arissen (PvdD) |
|
Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Jagers op cursus voor omgaan met agressie»?1
Ja.
Kent u het artikel «Toezichthouder Staatsbosbeheer mishandeld door jager zonder jachtakte»?2
Ja.
Deelt u de mening dat geweld dat wordt uitgeoefend door daders die in het bezit zijn van een wapen en die hun geweld richten op toezichthouders extra zwaar bestraft zou moeten worden?
Het gebruik van een wapen zonder daartoe gerechtigd te zijn, levert op basis van de geldende wet- en regelgeving reeds een strafverzwarende omstandigheid op en kan tot een hogere straf leiden. Verder kan misbruik van een wapen gevolgen hebben voor de jachtakte dan wel de wapenvergunning. Deze kunnen worden ingetrokken indien er grond is om aan te nemen dat de jachtaktehouder misbruik maakt van zijn bevoegdheid om een geweer te gebruiken.
Wat is op dit moment de maximale straf voor een dergelijke wetsovertreding?
De maximaal op te leggen straf hangt af van het gepleegde feit. Indien agressie en geweldsdelicten tegen werknemers met een publieke taak worden gepleegd, kunnen de strafeisen worden verhoogd. Ingeval sprake is van geweld waarbij een wapen is gebruikt, zal op grond van de OM strafvorderingsrichtlijnen het (illegale) wapenbezit apart ten laste worden gelegd.
Deelt u de mening dat geweld jegens toezichthouders in publieke dienst zwaarder bestraft zou moeten worden? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u hier initiatieven toe ontplooien? Zo nee, waarom niet?
In de OM Strafvorderingsrichtlijnen is opgenomen dat bij agressie en geweld tegen werknemers met een publieke taak, zoals boswachters, de officier van justitie, conform de Eenduidige Landelijke Afspraken, een verzwaringsfactor van 200% mee laat wegen bij de beoordeling van de uiteindelijke strafeis.
Er zijn ook andere factoren die door de officier van justitie worden meegewogen. Officieren van justitie houden naast de in deze richtlijnen vastgelegde verzwaringsfactor van 200% -conform de wet, de jurisprudentie en het beleid- ook rekening met de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van de verdachte, hetgeen tot verhoging of verlaging van het in de richtlijn genoemde uitgangspunt kan leiden.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat publiek geld wordt uitgegeven aan het toerusten van jagers?
Nee, deze mening deel ik niet. Helaas krijgen ook jagers in toenemende mate te maken met agressie (verbaal en soms zelfs fysiek) van burgers. Ik vind het belangrijk dat jagers worden toegerust om op een goede manier met deze tegen hen gerichte agressie om te leren gaan.
Deelt u de mening dat van het initiatief van de provincie Zuid-Holland een stigmatiserend effect kan uitgaan jegens natuurliefhebbers die zich storen aan de wijze waarop jagers hun hobby beoefenen? Zo ja, bent u bereid met de provincie Zuid-Holland in contact te treden over dat zij niet langer partij zouden moeten kiezen tussen maatschappelijke groepen die het met elkaar oneens zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee, deze mening deel ik niet. Jagers opereren binnen de kaders die de wetgever hen heeft opgelegd. Jagers zijn actief betrokken bij de uitvoering van het populatiebeheer en de schadebestrijding, zoals vastgesteld in de provinciale beleidsplannen. Als burgers het niet eens zijn met deze plannen, kunnen zij zich via de daartoe democratisch openstaande wegen wenden tot de bevoegde instanties. Agressie in het veld tegen jagers wijs ik te allen tijde af.
Deelt u de mening dat gewapende (ex-)jagers die geweld plegen (al dan niet in bezit van een vuurwapen) jegens burgers of toezichthouders in principe een levenslang jachtverbod zouden moeten krijgen? Zo ja, op welke termijn en wijze wilt u komen tot een initiatief om de wet op die wijze aan te passen? Zo nee, waarom niet?
Een jachtverbod wordt geëffectueerd door de intrekking of weigering tot verlening van een jachtakte. Op basis van de huidige regelgeving zal een veroordeling voor geweldpleging per definitie resulteren in een weigering tot verlening van een jachtakte (of wapenverlof) voor een periode van tenminste 8 jaar.
Er wordt namelijk bij de jachtakte- of verlofverlening in de justitiële systemen nagegaan of de aanvrager voor relevante strafbare feiten veroordeeld is, waaruit de conclusie kan worden getrokken dat aan hem of haar geen vuurwapen kan worden toevertrouwd. Veroordelingen wegens een geweldsdelict kwalificeren als zodanig. Ik acht de huidige regelgeving proportioneel en zie op dit moment geen aanleiding om de regelgeving op dit punt aan te scherpen.
Het bericht ‘honderden oude moord- en zedenzaken kunnen worden opgelost’ |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw eerdere antwoorden op schriftelijke en mondelinge vragen over bloedsporen die bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) op de plank liggen?1
Ja.
Klopt het dat het inderdaad om maar liefst 20.000 bloedmonsters gaat? Wist u dit ook al ten tijde van uw beantwoording van bovenvermelde vragen? Behoren daartoe ook bloedmonsters die zijn afgenomen van veroordeelde geweld- of zedenmisdadigers?
Bij de beantwoording van de mondelinge vragen hierover tijdens het Vragenuur op 11 september jl. was ik hierover nog niet geïnformeerd door het NFI. Het NFI heeft mij inmiddels laten weten naar schatting 26.000 zogenoemde bloedmonsters in beheer te hebben. Het is niet uit te sluiten dat van deze collectie ook bloedmonsters deel uitmaken die zijn afgenomen van veroordeelde gewelds- of zedenmisdadigers. Aan een bloedmonster en de daarop vermelde informatie is niet te zien met betrekking tot welke delict(en) dat monster indertijd is afgenomen.
Hoe vaak uit deze bloedmonsters op rechtmatige wijze DNA-profielen kunnen worden opgesteld, hoe vaak die vervolgens tot een match zullen leiden en hoe vaak deze eventuele matches voldoende en doorslaggevend bewijs opleveren in concrete strafzaken is niet te voorspellen.
Hoe beoordeelt u de uitspraak van de zijde van het coldcase team van de politie dat mogelijk honderden oude moord- en zedenzaken kunnen worden opgelost?
Zie antwoord vraag 2.
Wat vindt u van de stelling dat destijds met precies hetzelfde doel bloedmonsters zijn afgenomen als nu DNA wordt afgenomen, namelijk om sporen in of uit te sluiten? Wat zegt dat over de wenselijkheid om betreffende bloedmonsters alsnog te benutten in het kader van de opsporing van daders van ernstige geweld- of zedenmisdrijven?
De bloedmonsters zijn deels voor de inwerkingtreding van de eerste regeling van het DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering op 1 september 1994 afgenomen en deels daarna. De bloedmonsters die niet ten behoeve van de uitvoering van een DNA-onderzoek zijn afgenomen, zijn op vrijwillige basis afgestaan voor serologisch onderzoek (eiwitonderzoek, waaronder bloedgroeponderzoek), bijvoorbeeld door getuigen of verdachten die op die wijze de verdenking die op hen rustte, wilden ontkrachten. Ik begrijp de wens om de betreffende bloedmonsters alsnog voor DNA-onderzoek te benutten en deze op die manier mogelijk verder bij te laten dragen aan de opsporing van ernstige geweld- of zedenmisdrijven. Of dat wettelijk en praktisch gezien ook mogelijk is, wordt momenteel onderzocht.
Vindt u het in het licht van het grote aantal bloedmonsters en de uitspraken van het cold caseteam nog steeds verantwoord om pas bij de evaluatie van de Wet DNA-V in beeld te brengen of toestemming gevraagd kan worden aan betrokkenen om alsnog DNA uit die bloedmonsters te herleiden? Zo ja, kunt u dit nader uiteen zetten?
Ja, deze tijd is nodig om deze ingewikkelde juridische en praktische vragen samen met het openbaar ministerie en het Nederlands Forensisch Instituut zorgvuldig te onderzoeken. Mocht ik in de loop van dit onderzoek tussenresultaten aan uw Kamer kunnen melden die voldoende betrouwbaar, helder en volledig zijn, dan zal ik dat doen.
Welke argumenten zouden überhaupt ertoe kunnen leiden dat wordt afgezien van mogelijkheden om alsnog DNA te herleiden uit deze bloedmonsters?
Forensisch DNA-onderzoek en het gebruik van DNA-profielen en celmateriaal zoals bloedmonsters is alleen toegestaan in situaties die bij wet zijn vastgelegd. Er zal dus steeds een wettelijke grondslag moeten zijn om het DNA-profiel uit deze bloedmonsters in de DNA-databank op te nemen en te vergelijken met andere DNA-profielen. Daarnaast geldt dat de toestemming die destijds is gegeven om het bloed af te nemen, ook betrekking moet hebben op het bewaren voor de uitvoering van een DNA-onderzoek. Of die grondslag aanwezig is en of de toestemming die reikwijdte heeft, wordt samen met de juridische en praktische haalbaarheid van het vragen van toestemming op dit moment onderzocht.
Zijn er andere (wettelijke) opties om legitiem DNA uit deze bloedmonsters te kunnen herleiden, afgezien van het vragen om toestemming aan betrokkenen dan wel nabestaanden? Welke bevoegdheden heeft het openbaar ministerie of heeft u hierbij?
Zie antwoord vraag 6.
Heeft u inmiddels op zijn minst het adressenbestand in kaart gebracht zodat u betrokkenen of hun nabestaanden gericht om toestemming kunt vragen? Zo nee, waarom niet?
Nee. De uitwisseling van gegevens die nodig is om een adressenbestand samen te stellen, vormt onderdeel van de juridische analyse die momenteel wordt uitgevoerd.
Bent u – al met al – bereid betrokkenen dan wel hun nabestaanden aan te schrijven met het verzoek om toestemming om DNA materiaal te herleiden uit de op de plank liggende bloedmonsters? Zo ja, wanneer gaat u dat in gang zetten?
Zoals de toenmalige Minister van Veiligheid en Justitie op 3 oktober 2017 aan uw Kamer heeft toegezegd, wordt momenteel de juridische en praktische haalbaarheid onderzocht om toestemming aan betrokkenen of hun nabestaanden te vragen om uit hun indertijd afgestane bloedmonsters DNA-profielen te bepalen, deze op te slaan in de DNA-databank en te vergelijken met de andere daarin verwerkte DNA-profielen. De uitkomsten hiervan zijn leidend voor eventuele vervolgstappen.
Het bericht dat het strafhof in Caïro doodstraffen en zware gevangenisstraffen aan demonstranten heeft opgelegd |
|
Tunahan Kuzu (DENK) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend het bericht «Egypte: doodstraffen en zware gevangenisstraffen, Shawkan komt mogelijk vrij»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat er 75 doodvonnissen, 47 levenslange gevangenisstraffen en celstraffen variërend van 5 tot 15 jaar zijn opgelegd aan ruim 700 mensen?
Ik heb met zorg kennis genomen van de vonnissen in de Raba’a sit-in dispersalzaak. Nederland heeft de zaak de afgelopen jaren nauwlettend gevolgd. Het Kabinet is principieel tegen de uitvoer van de doodstraf, waar ook ter wereld, en beschouwt het als een wrede en inhumane wijze van bestraffing. Nederlands zet zich, onder andere via de EU, in voor de afschaffing van de doodstraf.
Nederland heeft zich samen met Duitsland ingezet om de Raba’a sit-in dispersal zaak in EU-verband te monitoren. Hierover is destijds geen consensus bereikt. Derhalve hebben diplomaten van de Nederlandse Ambassade in Cairo, in eerste instantie samen met collega’s uit Duitsland, Canada en Noorwegen, en later ook vergezeld door collega’s uit Frankrijk, de Verenigde Staten en België zittingen in deze zaak gemonitord. Daarnaast heeft Nederland herhaaldelijk, en op alle niveaus, zorgen over deze zaak aangekaart bij de Egyptische autoriteiten.
Volgens Egyptische juristen was er in deze zaak geen sprake van een eerlijke procesgang. Zo zouden getuigen achter gesloten deuren in afwezigheid van de verdachten gehoord zijn, is het advocaten geweigerd om bepaalde vragen aan getuigen te stellen en waren getuigen in staat om elkaars getuigenissen bij te wonen, hetgeen niet is toegestaan volgens de Egyptische wet. Ik heb mijn zorgen daarover uitgesproken tijdens mijn recente ontmoeting met de Egyptische Minister van Buitenlandse Zaken Shoukry en marge van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in New York in september jl.
Klopt het dat de rechtbank in Caïro de veroordelingen heeft uitgesproken zonder overtuigend bewijs tegen de verdachten?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom heeft de Nederlandse regering zich niet openlijk tegen de doodstraf van deze demonstranten uitgesproken? Is de Nederlandse regering bereid dit zo spoedig mogelijk te doen? Zo nee, waarom niet?
Naast het feit dat ik in New York bilateraal mijn zorgen heb overgebracht bij mijn Egyptische counterpart, heeft Nederland zich hard gemaakt voor een verklaring van de Hoge Vertegenwoordiger (HV). Op 11 september jl. verscheen een verklaring van de woordvoerder van de HV, waarin zorgen worden geuit over de terdoodveroordelingen en de procesgang. Het Kabinet staat achter deze verklaring.
Kunt u uitsluiten dat Nederland de Egyptische regering hulp verschaft in de vorm van logistieke en materiële ondersteuning van de veiligheidsdiensten en het gehele Egyptische justitiële apparaat?
Voor de uitvoer van civiele – niet vergunningplichtige goederen – gelden geen restricties. Voor de uitvoer van militaire of dual-usegoederen dienen bedrijven een vergunning aan te vragen.
Vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen naar Egypte worden getoetst aan de hand van de acht criteria van het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport, waarbij extra aandacht wordt besteed aan criterium 2 (eerbiedigen mensenrechten) en criterium 7 (omleidingsrisico). Indien er een aannemelijk risico bestaat dat de export zal leiden tot een verslechtering van de mensenrechtensituatie of zal worden gebruikt voor binnenlandse onderdrukking dan zal de vergunning niet worden verleend. De toets wordt eveneens uitgevoerd voor dual-usegoederen voor militair eindgebruik. Eindgebruik door inlichtingendiensten, politiemachten en andere wethandhavingsdiensten valt ook onder militair eindgebruik.
Bij een vergunning voor de export van dual-usegoederen voor civiel eindgebruik geldt overigens dat deze niet mag worden gebruikt voor export naar militaire entiteiten, inlichtingendiensten, politiemachten en andere wethandhavingsdiensten. Aan een dergelijke vergunning worden voorwaarden verbonden die ervoor moeten zorgen dat risico’s met betrekking tot controle en repressie worden gemitigeerd. Deze voorwaarden staan niet toe dat de goederen, zoals vermeld op de vergunning, worden gebruikt voor cryptanalyse (het ontsleutelen van encryptie) of voor het onderscheppen en monitoren van communicatieverkeer. Tot slot verplicht de vergunning exporteurs te beschikken over een goedgekeurd Internal Compliance Programme waarin waarborgen zijn opgenomen om mensenrechtenschendingen te voorkomen.
Hoewel dit geen logistieke of materiele steun betreft, zij vermeld dat het Kabinet sinds 2012 via het Shiraka-programma trainingen aanbiedt voor rechters en Officieren van Justitie uit landen in de Arabische regio, waaronder Egypte. Via deze trainingen maken de deelnemers kennis met het Nederlandse rechtssysteem en kunnen zij deze kennis inzetten in hun thuisland. Hiermee wordt beoogd bij te dragen aan het versterken van de onafhankelijkheid van de rechtspraak in de betrokken landen.
Deelt u de mening van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de Verenigde Naties (VN), Michelle Bachelet, dat de veroordelingen die door een lagere rechtbank zijn uitgesproken oneerlijk waren?
Het Kabinet verwelkomt het feit dat de VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten, Michelle Bachelet, zich na het vonnis in stevige bewoordingen heeft uitgelaten over de kwestie. Nederland heeft begrip voor het oordeel van de Hoge Commissaris. Zolang er nog beroepsmogelijkheden zijn, acht ik het niet opportuun om definitieve uitspraken te doen over de rechtsgang.
Gaat u alle middelen op juridisch, diplomatiek, politiek, bilateraal en in Europees verband inzetten om de Egyptische autoriteiten op te roepen de doodvonnissen tegen deze mensen terug te draaien?
Zoals reeds gemeld heeft Nederland zich reeds uitgesproken tegen de terdoodveroordelingen, zowel in EU-verband als bilateraal in mijn gesprek met mijn Egyptische collegaminister in New York. Ook heeft de Nederlandse ambassadeur in Caïro op 4 oktober jl. de Nederlandse zorgen kenbaar gemaakt bij de president van de National Council for Human Rights.
Is de Nederlandse regering bereid om proactief deze ernstige mensenrechtenschendingen aan te kaarten bij de VN-Mensenrechtenraad, zodat dit onderwerp op de agenda tijdens de bijeenkomst in Genève komt?
Nederland heeft zich, samen met een aantal gelijkgezinde landen, ingezet voor een verwijzing naar de doodvonnissen in de EU item-4 verklaring, waarin zorgen over de meest ernstige landensituaties worden geadresseerd. In de verklaring, die 18 september jl. tijdens de Mensenrechtenraad werd uitgesproken, worden de Egyptische autoriteiten opgeroepen de uitvoering van de doodstraf op te schorten.
Een aanslag in Iran |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Aanslag in Iran: «Daders hebben hoofdkantoor in Delft»»?1 Wat is uw reactie daarop?
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 2.
Klopt het dat de recente dodelijke aanslag in Ahvaz, waarbij 29 mensen zijn omgekomen en meer dan 60 mensen gewond geraakt, in Iran is opgeëist door een organisatie, de Arab Struggle Movement for the Liberation of Ahwaz, die gehuisvest is in Delft? Wat zijn de precieze feiten?
De verantwoordelijkheid voor de aanslag is opgeëist door Islamitische Staat (IS) en door Ahwaz-separatisten. De laatsten deden dit via een Iraanse dissidentenzender in het Verenigd Koninkrijk door een (voormalig) lid van de Deense Arab Struggle Movement for the Liberation of Ahwaz (ASMLA).
De ASMLA heeft eveneens een vertegenwoordiging in Nederland, die via een verklaring heeft laten weten niet verantwoordelijk te zijn voor de aanslag en los te staan van de groep die verantwoordelijk heeft opgeëist.
Minister Blok heeft zijn Iraanse ambtsgenoot Zarif op 28 september jl. opgeroepen om aantijgingen aan het adres van Nederland of in Nederland gevestigde personen of groepen te onderbouwen met bewijslast.
Wat is u bekend over de Arab Struggle Movement for the Liberation of Ahwaz? Klopt het dat deze organisatie verantwoordelijk is voor het plegen van aanslagen in Iran?
Arabische separatistische bewegingen, waaronder de Arab Struggle Movement for the Liberation of Ahwaz, worden door Iran verantwoordelijk gehouden voor meerdere dodelijke bomaanslagen in het land. De vertegenwoordiging van de ASMLA in Nederland zegt los te staan van de groep die verantwoordelijk heeft opgeëist voor de aanslag op de militaire parade op 22 september jl.
De Nederlandse tak van ASMLA zegt zich te richten op het genereren van aandacht voor de onderdrukking van Arabische minderheden in Iran, vooral door het organiseren van demonstraties en conferenties.
Wat zijn de activiteiten van de Arab Stuggle Movement for the Liberation of Ahwaz in Nederland? En welke relatie is er met deze organisatie in Denemarken? Klopt het dat deze organisatie de aanval niet heeft veroordeeld en geweld niet schuwt?2
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u melden wat besproken is met de Nederlandse ambassadeur over deze kwestie?
De Iraanse autoriteiten hebben op 22 september jl. de Nederlandse en Deense ambassadeur in Teheran ontboden, evenals de tijdelijk zaakgelastigde van het Verenigd Koninkrijk. Dit was vanwege de aanslag op een militaire parade in stad Ahvaz diezelfde dag, waarbij de Iraanse autoriteiten beweerden dat de daders banden zouden hebben met organisaties in het VK, Denemarken en Nederland.
De Nederlandse ambassadeur in Teheran heeft tijdens het gesprek condoleances overgebracht aan de Iraanse bevolking. Tevens heeft hij aangegeven dat er in overleg met EU-partners en alleen op basis van feiten een afweging gemaakt zal worden over aantijgingen ten aanzien van betrokkenheid van bepaalde groepen.
Loverboypraktijken in jeugdinstellingen |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Vermeende loverboypraktijken bij Hoenderloo Groep: PvdA ziet patroon»?1
Ja.
Herinnert u zich de Kamervragen aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over seksuele uitbuiting in een jeugdzorginstelling (ingezonden 22 augustus 2018, beantwoording uitgesteld)?
Ja. De antwoorden zijn op 3 oktober 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd2.
Sinds wanneer is de in het bericht genoemde persoon verdachte en waarom is de instelling waar hij werkte niet eerder van die verdenking op de hoogte gesteld?
In het voorjaar van 2018 is er aangifte gedaan tegen de verdachte. Uit contact met de instelling blijkt dat de politie juni 2018 de instelling heeft benaderd. De strafbare feiten waar de politie de verdachte van verdenkt dateren uit 2016 en 2017. Dat is twee jaar nadat de verdachte zijn werkzaamheden bij de instelling beëindigd heeft. Omdat de zaak nog onder de rechter is, kan ik over deze zaak geen verdere uitspraken over doen.
Hoe komt het dat er bij zowel de Hoenderloo Groep, de Heldringstichting in Zetten en de Lievenshove in Oosterhout blijkbaar sprake is van een onveilige situatie voor de bewoners?
De vraag of sprake is van onveilige situaties bij deze instellingen en wat hier de oorzaken van zijn, kan ik niet beantwoorden. Hiervoor is nader onderzoek nodig. In de beantwoording van de recente Kamervragen van de leden Kuiken en Van den Hul en van lid Hijink op 3 en 9 oktober 2018 over de veiligheidssituatie bij de Heldringstichting in Zetten, heb ik gemeld dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) samen met de Inspectie van het Onderwijs, de bestuurder van de Heldringstichting en de bestuurder van de school op het terrein, verzocht heeft om de signalen diepgravend te onderzoeken.3
De IGJ is in gesprek met het bestuur van Juzt over de huidige situatie bij Juzt, waaronder (de sluiting van) de locatie Lievenshove in Oosterhout. De inspectie monitort de komende periode samen met de gemeente de situatie bij Juzt om de veiligheid voor de jeugdigen te waarborgen.
Tot slot heeft de inspectie contact gezocht met Pluryn-De Hoenderloo Groep voor een reactie. Pluryn heeft aangegeven dat de betreffende persoon werkzaam bij hen is geweest. De strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht, zou hij hebben gepleegd nadat hij bij Pluryn uit dienst was.
Welke instantie houdt toezicht op deze instellingen en wat waren de meest recente bevindingen ten aanzien van de problematiek van loverboys bij de genoemde en andere instellingen?
De IGJ houdt toezicht op deze instellingen. De inspectie heeft onderzoek gedaan bij de dertien jeugdhulpaanbieders waarvan bekend was dat die op dat moment gespecialiseerde hulp boden aan minderjarige meisjesslachtoffers van loverboys. Na ieder onderzoek schreef de inspectie een openbaar rapport, met daarin het oordeel op de getoetste verwachtingen. Deze afzonderlijke rapporten zijn gepubliceerd op de website van de inspectie (www.igj.nl).
De inspectie concludeerde dat de meeste van de dertien onderzochte jeugdhulpaanbieders kwalitatief goede gespecialiseerde hulp bieden aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys.
De inspectie concludeerde verder dat twee organisaties, waaronder de Hoenderloo Groep, zich verder moesten ontwikkelen om daadwerkelijk gespecialiseerde hulp te bieden en vroegen deze organisaties om een verbeterplan. De verbeterplannen zijn beoordeeld en later dit jaar worden deze twee organisaties opnieuw onderzocht om te beoordelen of de hulp voldoende is verbeterd.
Het overallrapport van de resultaten van het onderzoek naar de gespecialiseerde hulp aan (vermoedelijke) slachtoffers van loverboys «De kwaliteit van de gespecialiseerde jeugdhulp aan slachtoffers van loverboys», is 29 maart 2018 naar de Tweede Kamer gestuurd, voorzien van een beleidsreactie.4
Zijn u meer signalen bekend over loverboypraktijken met bewoners van jeugdinstellingen waarbij tot op het terrein van de instelling of zelfs met medeweten van het personeel sprake is van die praktijken? Zo ja, waar bestaan die signalen uit? Zo nee, is er elders sprake van dergelijke praktijken of kent u de signalen niet?
Er zijn mij – op de Heldringstichting en Pluryn- de Hoenderloo Groep na – geen actuele signalen bekend van loverboypraktijken bij jeugdhulpinstellingen.
Zoals ik in de hierboven vermelde antwoorden op de vragen naar aanleiding van de berichtgeving over de Heldringstichting heb aangegeven, is het bekend dat loverboys/mensenhandelaren gericht jongeren die in een instelling verblijven proberen te ronselen omdat zij veelal kwetsbaar zijn of omdat zij al slachtoffer waren van een loverboy.
Zijn de instrumenten die de commissie-Azough voor de aanpak van loverboys in jeugdzorginstellingen afdoende teneinde deze problematiek effectief aan te pakken? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, wat gaat u doen teneinde hier verbetering in aan te brengen?
Op basis van deze incidenten kan ik niet de conclusie trekken dat de instrumenten van de Commissie Azough afdoende zijn of niet. Op basis van de stand van de wetenschap en de ervaringen vanuit de praktijk waaronder die van de gespecialiseerde landelijke instellingen (Fier en Sterk Huis) heeft Commissie Azough instrumenten opgesteld voor de jeugdhulpinstellingen. De mate van effectiviteit zal ook afhangen van in hoeverre de instellingen de instrumenten hebben ingebed in de dagelijkse werkzaamheden van medewerkers.
In november komen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de ministers van Buitenlandse Zaken, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport met een programma voor de aanpak van mensenhandel waarin extra zal worden ingezet op het verbeteren van de veiligheid van jongeren in jeugdhulpinstellingen.
Bent u bereid naar aanleiding van de voorvallen met loverboys in jeugdinstellingen onderzoek te laten doen naar de aard en omvang van deze problematiek binnen de jeugdinstellingen in Nederland? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer de resultaten daarvan verwachten? Zo nee, waarom niet?
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel geweld tegen kinderen rapporteert regulier over de aard en omvang van mensenhandel. Die rapportages gaan ook over slachtoffers die in jeugdinstellingen verblijven. Het is bekend dat de registratie van gevallen mensenhandel door zorginstellingen verbetering behoeft. In het programma aanpak mensenhandel dat in november 2018 verschijnt, zullen we hier nader op in gaan.
Turkse internationaal opererende ontvoeringsteams |
|
Raymond de Roon (PVV) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u de uitlatingen van de woordvoerder van de Turkse president Erdogan over de mogelijk wereldwijde inzet van ontvoeringsteams door de Turkse overheid1?
Ja.
Wat gaat de regering doen om de aanwezigheid en inzet van dergelijke Turkse terreurbendes in Nederland tegen te gaan?
Het kabinet heeft op dit moment geen aanwijzingen dat dergelijke teams in Nederland actief zijn. Zoals eerder gemeld zijn de politie en het Openbaar Ministerie extra alert op zaken die voortvloeien uit de spanningen in de Turks-Nederlandse gemeenschap. Personen die menen het slachtoffer te zijn van bedreiging, intimidatie of geweld worden nadrukkelijk opgeroepen om melding en/of aangifte te doen.
Bent u bereid om de Turkse ambassadeur hierover op het matje te roepen? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment zie ik, gezien het gestelde hierboven, geen aanleiding om de Turkse ambassadeur te ontbieden.
De capaciteit ten behoeve van het oplossen van cold cases |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de uitzending van Argos (15 september 2018) over cold cases?1
Ja.
Weet u hoeveel cold cases er landelijk en per regio zijn, in hoeveel gevallen dit geleid heeft tot het vinden van een verdachte en tot een onherroepelijke veroordeling? Zo ja, wat betreffen die cijfers? Zo nee, deelt u dan de mening dat er geen zicht is op de aard en omvang van de problematiek van cold cases en hoe gaat u dit oplossen?
Een onopgelost levensdelict (moord of doodslag) of een ander zeer ernstig delict waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld kan drie jaar na de pleegdatum het kenmerk «cold case» krijgen, als de rechercheofficier van het Openbaar Ministerie (OM) samen met de eenheidsleiding van de politie daartoe besluiten. Het gaat dan om een afgesloten en uitgerechercheerd dossier. Een cold case wordt meestal opgepakt als er aanwijzingen zijn die alsnog kunnen leiden tot het opsporen van de dader of daders.
Sinds de vorming van de nationale politie zijn de cold case teams bezig met het inventariseren van alle cold cases in hun eenheid. Binnen deze inventarisatie zijn inmiddels ruim 1700 zaken als cold case aangemerkt. Dit aantal is een indicatie, nu de teams nog steeds oude zaken tegenkomen die als cold case kunnen worden aangemerkt, bijvoorbeeld omdat sommige dossiers niet volledig zijn gedigitaliseerd. Voorts is de inventarisatielijst aan verandering onderhevig, omdat nieuwe zaken die onopgelost zijn met een pleegdatum van drie jaar geleden, als cold case kunnen worden aangemerkt en vervolgens aan de lijst worden toegevoegd. Daarnaast gaan zaken die worden opgelost van de lijst af.
Onderstaand overzicht van de politie geeft het aantal niet opgeloste cold cases per regionale eenheid weer per begin oktober 2018:
Amsterdam
Den Haag
Limburg
Midden-Nederland
Noord-Holland
Noord-Nederland
Oost-Brabant
Oost-Nederland
Rotterdam
Zeeland/West-Brabant
653
150
50
130
88
31
40
217
330
85
Op basis van een handmatige verdere uitsplitsing van deze cijfers blijkt dat per jaar in enkele tientallen cold cases onderzoekshandelingen worden verricht. Een kleiner aantal, maar nog steeds enkele tientallen, betreft zaken die daadwerkelijk in onderzoek zijn. In een aantal gevallen heeft een dergelijk onderzoek geleid tot een veroordeling.
Deelt u de mening dat de aanpak waarop per regio cold cases worden opgepakt, niet afhankelijk mag zijn de capaciteit per regio? Zo ja, waarom deelt u die mening en wat gaat u doen om de regionale verschillen op te heffen? Zo nee, waarom niet?
Het is onmogelijk gelet op de beschikbare capaciteit bij politie om alle cold cases tegelijk op te pakken. Het prioriteren van het oppakken van opsporingsonderzoeken, waaronder cold cases, is voorbehouden aan het lokale bevoegd gezag, het Openbaar Ministerie, in afstemming met de politie. Het is onvermijdelijk dat daarbij keuzes moeten worden gemaakt.
Verder wordt de beschikbare politiesterkte per regionale eenheid conform artikel 39 van de Politiewet door de burgemeesters van de gemeenten en de hoofdofficier van justitie verdeeld over de onderdelen van die regionale eenheid. Ten behoeve van het onderzoek naar cold cases is binnen elke politie-eenheid een structurele voorziening ingericht bestaande uit ten minste 3 FTE’s. Deze cold case teams voeren regie op het onderzoek naar cold cases. De teams verschillen in omvang van 3,75 tot 23 fte2 en werkwijze. Grotere teams opereren zelfstandig en onderzoeken de cold cases in hun eenheid zelf. Kleinere teams voeren vooral de regie en dragen zaken aan bij reguliere opsporingsteams die het daadwerkelijke onderzoek oppakken.
Waarom zijn er rechercheurs zowel aangewezen voor cold cases als ook vermissingen? Heeft dit tot gevolg dat actuele vermissingen voor cold cases gaan en er dus niet aan cold cases wordt toegekomen? Zo ja, acht u dit acceptabel? Zo nee, waarom niet? Uit hoeveel fte bestaat het Landelijk Bureau Vermiste Personen?
Vermissingen vallen in het reguliere proces vermissingen. Als een (vermissings)zaak voldoet aan de criteria voor cold cases, bijvoorbeeld omdat er sprake is van een ernstig vermoeden van een zeer ernstig delict, dan kan deze worden aangemerkt als een cold case.
De vaste bezetting van het Landelijke Bureau Vermiste Personen (LBVP) bestaat uit 3 fte. Daarnaast zijn eenzelfde aantal tijdelijke medewerkers parttime voor het LBVP werkzaam. Zoals vermeld in mijn Kamerbrief van 6 april 2018, ligt de verantwoordelijkheid voor cold cases bij de regionale eenheden.3 Het LBVP heeft geen zelfstandige taak op het gebied van cold cases, maar ondersteunt – indien gevraagd – als er bepaalde expertise nodig is en die vanuit het LBVP gegeven kan worden.
Deelt u de mening dat voor cold cases niet alleen genoeg maar ook gespecialiseerde rechercheurs nodig zijn? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom deelt u die mening niet?
De teams die het vooronderzoek of het opsporingsonderzoek naar een cold case uitvoeren, beschikken volgens de politie over de juiste kwaliteit, expertise en capaciteiten. Hierbij wordt door de politie gestuurd op de samenstelling van teams. Als er zeer gespecialiseerde kennis nodig is voor een specifieke zaak, die niet beschikbaar is in het team, kan het team worden bijgestaan door analisten, forensisch en digitaal specialisten, of gedragsdeskundigen. Daarnaast wordt bezien wat derden hierin zouden kunnen betekenen.4
Acht u het mogelijk en wenselijk een landelijk opererend cold cases team te doen oprichten met daarin afdoende capaciteit en kwaliteit voor het oplossen van cold cases? Zo ja, hoe gaat u dit bewerkstelligen? Zo nee, waarom niet?
Het uitvoeren van opsporingsonderzoeken naar ernstige delicten als moord, doodslag en verkrachting behoort tot de kernactiviteiten van elke politie-eenheid, ongeacht of deze delicten zijn aan te merken als cold case of niet. Verbinding met de lokale gemeenschap en prioriteitsstelling op lokaal niveau is daarbij van belang. Een landelijk team acht ik dan ook niet wenselijk.
Het bericht ‘Politiebureau Leidschenveen-Ypenburg sluit voor onbepaalde tijd’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politiebureau Leidschenveen-Ypenburg sluit voor onbepaalde tijd»?1
Ja.
Klopt het dat het politiebureau op de Brigantijnlaan in ’s-Gravenhage wordt gesloten? Zo ja, kunt u aangeven waarom en wanneer het politiebureau gesloten wordt?
Er is geen sprake van definitieve sluiting van het bureau.
Zoals uw Kamer met de brief van 23 februari 2015 is geïnformeerd, maakt het bureau aan de Brigantijnlaan te ’s-Gravenhage deel uit van de huisvestingslocaties van de politie eind 2025. Met het oog op de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden in het pand waarin het politiebureau is gevestigd, bestaat het voornemen het pand te renoveren. In de besluitvorming over de renovatie van het pand wordt tevens bekeken hoe de politiezorg voor het gebied tijdens de renovatie geborgd kan worden en waar de betrokken politieonderdelen tijdelijk elders kunnen worden gehuisvest. De definitieve datum voor de aanvang van de renovatiewerkzaamheden is nog niet vastgesteld.
Bent u bekend met de brief die uw voorganger op 23 februari 2015 aan de Kamer heeft gestuurd, met in die brief (onder andere) een overzicht van de huisvestingslocaties van de Nationale Politie in 2025.2 Deelt u de observatie dat het bureau op de Brigantijnlaan te ’s-Gravenhage in dit overzicht staat en dus niet kan worden gesloten?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het ongewenst is af te wijken van deze locatielijst en dat het verder sluiten van politiebureaus nu niet aan de orde kan zijn? Deelt u de opvatting dat het sluiten van meer of andere politiebureaus dan in de brief verwoord, alleen kan plaatsvinden nadat u dit voornemen hebt gedeeld met de Kamer zodat zij in de gelegenheid is hierover een standpunt in te nemen?
In het Strategisch Huisvestingsplan Politie – dat na afstemming met het lokaal gezag is vastgesteld – zijn de kaders en uitgangspunten voor de huisvesting van de politie opgenomen, om te komen tot betere en efficiëntere huisvesting. Afwijken van de lijst met locaties kan alleen binnen de gestelde kaders en na afstemming met het lokaal gezag.
In afstemming met het lokaal gezag wordt gezocht naar een zo goed mogelijk gebruik van de locaties, waarbij de kwaliteit van de dienstverlening voortdurend wordt gemonitord.
Bent u bekend met de bij de begrotingsbehandeling ingediende motie-Van Dam3 die oproept tot politiebeleid dat gericht is op het zo snel mogelijk aangifte kunnen doen alsmede uw reactie hierop per brief van 27 juni 2018?4 Klopt het dat «laagdrempelig contact» de essentie is van het huidige serviceconcept van onze politie?
Ik ben bekend met deze stukken. Zoals is gemeld in de brief van 27 juni 2018 wil de politie een moderne, effectieve en benaderbare organisatie zijn, waarbij wordt gewerkt vanuit een nieuwe visie op burgercontact. Het doel van deze visie is om de dienstverlening persoonlijker te maken, waarbij de keuze voor de wijze van contact – tijdstip en kanaal – is afgestemd op de wens van de burger.
Het burgercontact van de politie is altijd gericht op het zo snel en laagdrempelig mogelijk kunnen doen van een melding of aangifte, bijvoorbeeld tijdens een wijkagentspreekuur of eventueel bij de burger thuis. De politie onderzoekt doorlopend naar nieuwe mogelijkheden om in contact te zijn met burgers. Enkele initiatieven van de politie om op een laagdrempelige manier in contact te komen met burgers zijn via steunpunten in gemeentekantoren, pop-up politiebureaus of de pilot webcare. Door laagdrempelig contact en bekendheid met politie wordt de stap om meldingen te maken en zo nodig aangifte te doen kleiner gemaakt.
Klopt het dat de inwoners van de wijken Ypenburg-Leidschenveen na de sluiting van het bureau aan de Brigantlijn worden verwezen naar het politiebureau aan de Slachthuislaan in Den Haag? Deelt u de opvatting dat de afstand tussen enerzijds de wijken Ypenburg en Leidschenveen en anderzijds het bureau aan de Slachthuislaan onaanvaardbaar groot is en per definitie niet kan passen in het nieuwe serviceconcept? Kunt u zich voorstellen dat deze oplossing voor de inwoners van de wijken Ypenburg-Leidschenveen niets met «laagdrempelig contact» te maken heeft?
Vooruitlopend op de besluitvorming over de renovatie van het bureau aan de Brigantijnlaan wordt bekeken hoe de politiezorg voor het gebied tijdens de renovatie van het bureau geborgd zal worden. Hierbij zijn de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de politie cruciaal. Eén van de opties die wordt verkend, is om deels vanuit bureau Laak aan de Slachthuislaan te werken en daarnaast te zorgen voor een passend bureau met een publieksfunctie in de wijk Ypenburg-Leidschenveen zelf. Deze optie wordt meegenomen in de besluitvorming.
Om aansluiting te houden met de samenleving is het van belang dat de politie meegaat met in de ontwikkelingen in de maatschappij. Dit noopt tot aanpassingen binnen de politieorganisatie. Voor de gebiedsgebonden politiezorg (GGP) is hiervoor de ontwikkelagenda GGP opgesteld. Het verder invulling geven aan moderne nabijheid in de wijk met aandacht voor de lokale context, maakt hier onderdeel van uit.