Schimmige handel in Uber-accounts |
|
Gijs van Dijk (PvdA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Kent u de reportage «Weet jij wie jouw chauffeur is? De schimmige handel in Uber-accounts»?1
Ja.
Deelt u de mening dat de levendige handel in Uber-accounts zeer ongewenst is? Wat is uw oordeel ten aanzien van het feit dat Uber opnieuw geen verantwoordelijkheid neemt wat betreft de handel in Uber-accounts?
Ja, het is onwenselijk dat accounts van Uber-chauffeurs worden verhandeld. Dit kan leiden tot taxivervoer door ondernemers en chauffeurs die niet aan de wettelijke vereisten voldoen. Die eisen zijn er om de reiziger te beschermen. Het is daarom illegaal en strafbaar om taxivervoer aan te bieden zonder een ondernemersvergunning, zonder chauffeurskaart of met een auto die niet als taxi is goedgekeurd. Het is in eerste instantie aan Uber om ervoor te zorgen dat de accounts niet gebruikt worden door personen die niet voldoen aan de wettelijke eisen. Ik verwacht ook van Uber dat zij er alles aan doet om dit soort misstanden te voorkomen en op te sporen.
Ziet u ook het risico dat door deze handel in Uber-accounts passagiers in gevaar kunnen komen doordat er Uber-chauffeurs rondrijden zonder boordcomputer en chauffeurspas? Bent u niet bevreesd dat de onveiligheid voor passagiers hierdoor is toegenomen?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe kan het zijn de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) bekend is met het verpachten van Uber-accounts maar tot nu toe niet heeft opgetreden hiertegen? Hoe beoordeelt u de opmerkingen vanuit de Amsterdamse gemeenteraad dat de ILT «echt veel meer capaciteit [moet] vrijmaken om de misstanden op de taximarkt in Amsterdam aan te pakken»?2 Bent u bereid om meer capaciteit beschikbaar te stellen en de ILT veel actiever te laten handhaven op Uber?
Naar aanleiding van de reportage heeft de ILT bij Uber de gegevens gevorderd op grond waarvan vastgesteld kan worden welke accounts misbruikt worden en of daarmee wettelijke normen worden geschonden. Door bestanden te vergelijken wordt ook gecontroleerd of de chauffeurskaarten van chauffeurs die via het Uber-platform werken niet zijn geschorst of zijn ingetrokken. Daarnaast heeft de ILT met Uber besproken hoe Uber zelf bijdraagt aan de naleving van de regels voor taxivervoer, bijvoorbeeld door «mystery guest»-ritten door medewerkers van Uber.
De ILT kan handhaven bij overtreding van de landelijke, publiekrechtelijke regels voor taxivervoer. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het aanbieden of verrichten van illegaal taxivervoer. Het pachten of verpachten van Uber-accounts is in principe een privaatrechtelijke kwestie tussen Uber en de accounthouder. Zoals ik in antwoord op de vragen 2 en 3 heb aangegeven, verwacht ik van Uber dat zij er alles aan doet om misstanden te voorkomen en op te sporen
De capaciteit van een inspectiedienst is per definitie schaars. De inzet ervan wordt bepaald op basis van risicoanalyse. De ILT zet daarom al relatief veel capaciteit in voor de handhaving in Amsterdam, en doet specifiek onderzoek naar Uber. Ik volg de ontwikkelingen en de daarbij behorende veranderingen in risico’s aandachtig in afstemming met de gemeente Amsterdam.
Bent u bereid om in overeenstemming met de al vaker door de gemeente Amsterdam geuite wens, de regels rondom beltaxi’s (zoals Uber) op te trekken naar die van de (strengere) regels voor opstaptaxi’s en daarnaast gemeenten de mogelijkheid te geven om het aantal taxi’s in een stad te beperken?
Ik vind het van belang te benadrukken dat alle taxichauffeurs en -ondernemers aan dezelfde landelijke eisen moeten voldoen. Dit betreft onder meer bezit van een ondernemersvergunning taxi, de chauffeurskaart (waarvoor onder meer een rijbewijs, geneeskundige verklaring, verklaring omtrent het gedrag en een vakbekwaamheidsdiploma van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen nodig zijn), een gekeurd taxivoertuig voorzien van een boordcomputer taxi en regelgeving met betrekking tot arbeids- en rusttijden.
In aanvulling op de landelijke regels mogen gemeenten op de zogeheten opstapmarkt (taxivervoer vanaf de taxistandplaats of na het aanhouden op straat) extra eisen stellen aan de herkenbaarheid van taxivoertuigen, aan bijvoorbeeld de lokale stratenkennis van taxichauffeurs en over het indienen en behandelen van klachten3. Een aantal gemeenten, waaronder Amsterdam, kan taxiondernemers die actief zijn op de opstapmarkt ook dwingen zich in groepen te organiseren. Dit houdt in dat een taxichauffeur aangesloten moet zijn bij een Toegelaten Taxi Organisatie (TTO).
Vanuit het gezamenlijke belang om de kwaliteit van het taxivervoer te borgen heb ik met de gemeente Amsterdam afgesproken de problematiek op de Amsterdamse taximarkt nader te analyseren. Ik acht het van belang om op basis daarvan te bezien welke vervolgstappen nodig zijn. Ik voer dit overleg in aanvulling op het overleg met gemeenten over de meest effectieve mix van bevoegdheden en instrumenten (van Rijk en gemeenten) om integraal problemen aan te pakken die met het taxivervoer verband houden. Hierover heb ik uw Kamer geïnformeerd in mijn brief van 30 augustus jl. (Tweede Kamer, vergaderjaar 2017–2018, 31 521, nr. 105).
Hoe staat het met de uitvoering van de motie Gijs van Dijk/Lacin3 om in gesprek te gaan met Uber over hoe fraude en het overtreden van de regels voorkomen kan worden en daarbij zo mogelijk afspraken te maken over aanpassingen aan de app die daarbij kunnen helpen? Zijn hier al vorderingen gemaakt? Zo nee, bent u bereid om dit gesprek zo snel mogelijk in te plannen, aangezien de misstanden rond Uber alleen maar toenemen?
Ter uitvoering van deze motie is in november jl. met Uber gesproken. Uber heeft nadat het gesprek heeft plaatsgevonden de app voor chauffeurs zodanig aangepast dat nadat een chauffeur in totaal twaalf uur heeft gereden de app tien uur offline gaat. Ik acht dit een betekenisvolle aanvulling op de registratie van en handhaving op de arbeids- en rusttijden die plaatsvindt met de boordcomputer taxi en door de ILT. In lijn met de motie heb ik naar aanleiding van de AT5-reportage ook met Uber gesproken over een systeem van gezichtsverificatie in de app voor chauffeurs. Dit systeem heeft Uber eerder buiten Europa uitgerold. Ik heb aangegeven dat ik het van belang vind dat Uber ook in Nederland gebruik maakt van de mogelijkheden die technologische ontwikkelingen bieden. Uber heeft aangegeven zich te beraden op de mogelijkheden om een dergelijk systeem binnen de grenzen van de Algemene Verordening Gegevensbescherming in te zetten. Voor zover dit lopende juridische procedures niet doorkruist, blijf ik bereid om met de sector te spreken over manieren om het overtreden van regels te voorkomen. Daarnaast hebben de Minister en ik er bij Uber op aangedrongen zich aan te sluiten bij het convenant «Veilig gebruik smartfuncties in het verkeer».
Het bericht ‘Veel gedetineerden gaan in de cel door met drugshandel, smokkel of afpersing’ |
|
Gidi Markuszower (PVV) |
|
Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Veel gedetineerden gaan in de cel door met drugshandel, smokkel of afpersing»?1
Ja.
Deelt u de mening dat er iets goed mis is in het gevangeniswezen en dat de maatregelen die u tot nu toe genomen heeft aantoonbaar onvoldoende zijn, nu blijkt dat gevangenen dagelijks door kunnen gaan met hun criminele activiteiten in de gevangenis? Zo nee, waarom niet?
Het voortzetten van criminele activiteiten in en vanuit detentie is onacceptabel. Het levert risico’s op voor de orde en veiligheid in de penitentiaire inrichting en voor de maatschappij. Elk geval is dan ook een geval te veel. Hoewel voortgezet crimineel handelen in detentie (VCHD) nooit volledig kan worden voorkomen, is mijn beleid erop gericht de aanpak zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin te verbeteren. De afgelopen periode zijn door de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), het Openbaar Ministerie (OM) en de politie stappen gezet om VCHD aan te pakken en het bewustzijn bij het personeel in de gevangenis te vergroten. Onder andere door een uitbreiding van de personele capaciteit van het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) en door trainingen aan het personeel van DJI om signalen te herkennen en deze te melden aan het GRIP. Het onderzoek laat zien dat het van groot belang is om de ketenbrede aanpak te continueren en te intensiveren. Ik ga daartoe op korte termijn met DJI, OM en politie in gesprek.
Een belangrijk onderdeel van de aanpak is het tegengaan van contrabande als telefoons en drugs in de Penitentiaire Inrichtingen (PI’s). Naar aanleiding van de recente incidenten intensiveert DJI de aanpak. Spitacties en celinspecties worden uitgebreid, luchtplaatsen worden beter gecontroleerd en beveiligd en personeel wordt getraind op penitentiaire scherpte.
Hoe is het mogelijk dat er niets wordt gedaan met de meldingen van crimineel gedrag van gevangenen die bij het Gedetineerden Recherche- en Informatiepunt (GRIP) binnenkomen? Welke maatregelen gaat u nemen om dit per direct te veranderen?
Het onderzoek van de DSP-groep2 signaleert knelpunten bij zowel het melden van signalen bij het GRIP, als bij het opvolgen van deze meldingen. Ik neem deze knelpunten mee in mijn gesprekken met de DJI, het OM en de politie. Om tezamen meer gespecificeerd te onderzoeken in welke mate de door de DSP-groep gesignaleerde knelpunten zich voordoen en vervolgens te bezien welke maatregelen het meest adequaat zouden zijn. In mijn inhoudelijke reactie op het onderzoek van de DSP-groep kom ik hier op terug.
Deelt u de mening dat zolang u de cijfers van criminaliteit in de gevangenis niet registreert u tegen dit criminele gedrag ook niet hard kunt optreden? Zo ja, wanneer gaat u eens beginnen met het registreren van alle strafbare feiten gepleegd door gevangenen in de gevangenis? Zo nee, waarom niet?
Het tegengaan van VCHD is een continue uitdaging waarbij politie, OM en DJI, en de justitiabelen proberen elkaar telkens voor te blijven. Een succesvolle aanpak begint bij bewustzijn en scherpte van het DJI-personeel om signalen te herkennen, hier melding van te doen, en er op te reageren. Ook politie en OM moeten relevante informatie herkennen, onderzoeken en delen. De aangepaste handreiking «penitentiaire scherpte» en het Informatie Punt Veiligheid bieden informatie over de aanpak van crimineel gedrag in de gevangenis en het bijbehorende handelingsperspectief voor het personeel. Het met elkaar in verband brengen van signalen van crimineel gedrag helpt daarnaast inderdaad bij het bestrijden van VCHD. Daarom is er een proef «relatiemonitor gedetineerden» gaande, waarin geëxperimenteerd wordt met een database om gedragingen van gedetineerden beter te volgen en relevante signalen met elkaar in verband te brengen (denk aan wie er op bezoek komt, met wie gebeld wordt en van wie geld ontvangen wordt op de rekening courant). Per 1 januari 2019 is ook gestart met de registratie van contrabande. Deze registratie kan gebruikt worden om de aanpak van contrabande te sturen, bijvoorbeeld door het gerichter uitvoeren van celinspecties of de inzet van speurhonden. Omdat contrabande zowel een middel kan zijn voor crimineel handelen tijdens detentie, als een gevolg van dit handelen helpt een gerichtere aanpak van contrabande ook bij het optreden tegen VCHD.
Bent u bereid extra personeel te werven en de capaciteit van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) aanzienlijk uit te breiden om daar gevangenen te plaatsen die in de gevangenis doorgaan met hun criminele activiteiten zoals het smokkelen van drugs of afpersing? Zo nee, waarom niet?
Gedetineerden die zich bezighouden met VCHD kunnen reeds in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) worden geplaatst. De Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden is daartoe aangepast. De eerste gedetineerde is op deze grond al geplaatst in de EBI. De huidige capaciteit op de EBI volstaat. Uiteraard blijf ik de ontwikkelingen nauwgezet volgen.
Onderzoek naar fraude bij Vestia |
|
Daniel Koerhuis (VVD) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66) |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op de Kamervragen (ingezonden 15 november 2018) over het bericht «Onderzoek naar fraude door medewerkers Vestia»?1
Ja.
Wanneer is het onderzoek van het forensisch bureau gestart? Wanneer is dit naar verwachting afgerond?
De Autoriteit woningcorporaties (Aw), die door Vestia op de hoogte wordt gehouden over deze kwestie, heeft mij desgevraagd gemeld dat het forensisch onderzoek 19 november 2018 is gestart. Het onderzoek kent verschillende fasen, te starten met een inventariserend onderzoek en vervolgens een verdiepend onderzoek. De uiteindelijke doorlooptijd van het onderzoek is afhankelijk van de tussentijdse bevindingen, maar ook van de voortgang van het strafrechtelijk onderzoek en de toestemming van het OM aan Vestia om de informatie die daaruit voort komt te kunnen gebruiken. De Aw zal over de voortgang en de uitkomsten van het onderzoek worden geïnformeerd.
Bent u bereid de uitkomst van dit onderzoek naar de Kamer te sturen, zodra het onderzoek is afgerond? Zo nee, waarom niet?
Vanwege het vertrouwelijk karakter daarvan is het niet gebruikelijk dat de Aw rapportages naar aanleiding van forensisch onderzoek waarover zij komt te beschikken openbaar maakt. Ook het onderhavige rapport zal daarvoor te veel vertrouwelijke informatie bevatten. De Aw zal wel, rekening houdend met de vertrouwelijkheid van de informatie, op hoofdlijnen kunnen informeren over de uitkomsten van het onderzoek. Deze hoofdlijnen zal ik te zijner tijd met de Kamer delen.
Het RST op Curaçao |
|
Ronald van Raak (SP) |
|
Kajsa Ollongren (viceminister-president , minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (D66), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kunt u uitsluiten dat door de interne managementproblemen in het Recherche Samenwerkingsteam (RST) op de Antillen belangrijke onderzoeken naar de verbodenheid tussen criminelen en de politiek, in het bijzonder naar de moord op politicus Helmin Wiels, zijn vertraagd of anderszins zijn beïnvloed?1
De samenwerking met partners van RST en TBO, nationaal en internationaal, verloopt naar behoren. Het RST en ook het Team Bestrijding Ondermijning (TBO) hebben succesvolle jaren achter de rug in de bestrijding van zware, georganiseerde criminaliteit en ondermijning. Overigens heeft de korpschef van het politiekorps Curaçao naar aanleiding van de berichtgeving in de media laten weten dat de samenwerking met het RST goed verloopt en dat het onderzoek naar de moord op de heer Wiels in het geheel niet is gefrustreerd.2
Waarom is zo lang gewacht met ingrijpen toen duidelijk werd dat de toenmalige teamleider van het RST niet goed functioneerde? Waarom is niet eerder geluisterd naar signalen van interne klokkenluiders? Kunt u toezeggen dat deze klokkenluiders als gevolg van hun melding, niet zullen worden benadeeld?
Op het moment dat het ministerie en de politie signalen hebben ontvangen, is er vanuit goed werkgeverschap waaraan ik zeer hecht, opvolging aan gegeven. De signalen die zijn ontvangen, waren niet eenduidig en niet terug te voeren op één enkele oorzaak. Ze zijn direct bespreekbaar gemaakt met de leiding van het RST en hebben geleid tot verschillende acties. Er zijn vanuit het ministerie en de politie gesprekken gevoerd met de leiding van het RST, ook ter plaatse. Ook zijn gesprekken gevoerd met medewerkers en is een teamcoach voor de leiding van het RST aangesteld. Verder wordt gewerkt aan harmonisatie en verduidelijking van de toepasselijke arbeidsvoorwaardelijke regelgeving, omdat deze regelgeving als onduidelijk werd ervaren.
Klopt het, dat het slechte topmanagement van het RST ook van negatieve invloed is geweest op het optreden van het anti-corruptie team TBO en ook op de samenwerking met lokale partners op Aruba, Curaçao en Sint Maarten en met de internationale partners in onder meer Italië en de Verenigde Staten?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom is de Tweede Kamer pas op de hoogte gebracht van de problemen bij het RST nadat klokkenluiders hulp bij de Nederlandse politiebond NPB hebben gezocht en het Algemeen Dagblad over de zaak heeft geschreven? Waarom hebt u niet eerder zelf de Tweede Kamer over deze zaak geïnformeerd?
Over relevante ontwikkelingen met betrekking tot het functioneren van het RST zal ik uw Kamer uiteraard blijven informeren. Zo wordt op basis van een opdracht van de ministers van Justitie van de landen gewerkt aan het ontwikkelen van een nieuwe visie op de recherchesamenwerking, die onder andere leidt tot een andere positionering van het RST. Voorzien is dat tijdens het volgende Justitieel Vierpartijenoverleg eind januari 2019 besluiten worden genomen over doorontwikkeling en positionering van het RST. Ik zal u over deze besluitvorming informeren.
Waarom is gekozen voor het aanstellen van een interim--chef teneinde de verstoorde relaties te herstellen? Zijn de verstoorde verhoudingen binnen het RST en is de samenwerking met de lokale en internationale partners ondertussen volledig hersteld? Zo nee, hoeveel tijd denkt u daarvoor nog nodig te hebben?
De vorige teamchef van het RST heeft besloten, na tien jaar betrokkenheid bij het Caribisch gebied, de in het antwoord op de vorige vraag genoemde doorontwikkeling van het RST over te laten aan een opvolger. Gezien de vele partijen betrokken bij de aanstelling van een teamchef van het RST is dit een langdurig proces. Daarop is besloten een al in het gebied werkzame functionaris met kennis van zaken van het RST en de lokale situatie, afkomstig van de Nederlandse politie, als interim--teamchef te benoemen. De samenwerking met de lokale korpsen is goed.
Betere communicatie rondom de experimenten gesloten coffeeshopketen |
|
Vera Bergkamp (D66) |
|
Bruno Bruins (minister volksgezondheid, welzijn en sport) (VVD), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving in verschillende media over het dalende animo voor deelname aan het experiment gesloten coffeeshopketen?1
Ja
Deelt u de mening dat het mogelijk dalende animo bij gemeenten mede kan worden veroorzaakt door een aantal hardnekkige misverstanden over de vormgeving van het experiment, zoals dat bij voorbaat vast zou staan dat na vier jaar het experiment stopt en terug moet worden gegaan naar de huidige situatie, ongeacht het resultaat (wat niet klopt)?
Wij hebben kennisgenomen van de diverse berichten in de media. Bij ons hebben zich, op basis van het voornemen in het regeerakkoord, circa 40 gemeenten gemeld met interesse om deel te nemen aan het experiment. Deze interesse bestond onder andere uit brieven en e-mails van burgemeesters, lokale fracties en gemeenteambtenaren. Ons zijn geen directe signalen bekend dat er sprake is van afnemende interesse. Wel is ons bekend, uit gesprekken met de VNG en gemeenten, dat zij op bepaalde onderdelen voor wat betreft de inrichting van het experiment een andere voorkeur hebben. We hebben op regelmatige basis contact met de VNG en diverse gemeenten over hoe dit experiment het beste kan worden vormgegeven.
Wij betreuren eventuele misverstanden over de invulling van het experiment die bij de media en bij enkele gemeenten zijn ontstaan. In de door ons verstuurde Kamerbrieven en stukken communiceren wij over de voorwaarden die zijn opgenomen in de wet en de algemene maatregel van bestuur en de planning van het experiment. Daarnaast staat deze informatie op de website van de rijksoverheid en informeren wij alle coffeeshopgemeenten regelmatig per mail.
In onze berichtgeving is gecommuniceerd dat het experiment niet automatisch na vier jaar stopt. In het wetsvoorstel is voorzien dat de evaluatie van het experiment vóór het einde van de experimenteerfase zal plaatsvinden. Voor aanvang van de afbouwfase kan het dan zittende kabinet op basis van de evaluatie verdere besluiten nemen. In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur de experimenteerfase met anderhalf jaar te verlengen. Bijvoorbeeld in het geval dat wordt besloten om het experiment om te zetten in algemeen geldende landelijke regelgeving, dan wel als extra tijd noodzakelijk blijkt uit de evaluatie.
Kunt u uiteenzetten hoe het volgens u kon gebeuren dat er zoveel misverstanden zijn ontstaan?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u bereid actief deze misverstanden bij gemeenten weg te nemen? Zo ja, hoe wilt u hierbij te werk gaan?
Sinds de bekendmaking van het regeerakkoord zijn er door ons diverse overleggen gevoerd met de bestuurlijke werkgroep cannabis van de VNG. Zo hebben wij op 26 november jl. uitgebreid gesproken met de bestuurlijke werkgroep over de wet, de AMvB en eventuele onduidelijkheden. Tevens hebben we expertsessies over het experiment georganiseerd op ambtelijk niveau. Daarnaast zijn de gemeenten met een coffeeshop actief geïnformeerd over de stappen die zijn gezet.
Wij ondernemen het komende jaar de volgende stappen om te waarborgen dat gemeenten duidelijkheid hebben over de aanmeldprocedure en de invulling van het experiment.
Op deze manier willen wij borgen dat voor alle gemeenten precies duidelijk is hoe het experiment wordt ingericht en wat de regels precies behelzen. De aanmeldprocedure van gemeenten wordt in overleg met de bestuurlijke werkgroep van de VNG vastgesteld
Kunt u uitleggen hoe u in de toekomst wil voorkomen dat bij gemeenten niet duidelijk is hoe de vormgeving van het experiment eruit ziet?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe gaat u waarborgen dat gemeenten in de komende maanden precies te weten komen waartegen ze «ja» of «nee» zeggen, als het gaat om aanmelding voor deelname aan het experiment?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de indruk dat de procedure tot en met de aanmelding op dit moment bij gemeenten onvoldoende duidelijk is? Zo ja, wat gaat u hiertegen doen? Zo nee, waaruit maakt u op dat dit wel voldoende duidelijk is?
Wij gaan ervan uit dat voor gemeenten voldoende duidelijkheid bestaat over de invulling en kaders van het experiment als het wetsvoorstel eenmaal door de Tweede Kamer is aangenomen en het ontwerp van de onderliggende algemene maatregel van bestuur bij het parlement is voorgehangen. Op basis van de huidige stand van zaken is de verwachting dat dit in het eerste kwartaal van 2019 zal zijn. Door middel van een mededeling zal kenbaar worden gemaakt binnen welk tijdvak gemeenten zich voor deelname aan het experiment kunnen aanmelden.
Met een aanmelding kunnen gemeenten hun belangstelling voor deelname aan het experiment kenbaar maken. Als verantwoordelijke ministers zullen wij de deelnemende gemeenten bij algemene maatregel van bestuur aanwijzen. Dat zullen wij doen met inachtneming van het advies dat de Adviescommissie experiment gesloten coffeeshopketen naar verwachting in het tweede kwartaal van 2019 hierover zal uitbrengen. Wij streven ernaar om de besluitvorming over de deelnemende gemeenten vóór het zomerreces van 2019 af te ronden. Op basis van de huidige stand van zaken zal in het najaar van 2019 na ontvangst van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het concept van de algemene maatregel van bestuur het traject kunnen worden afgerond, waarna de besluitvorming over de deelnemende gemeenten definitief zal zijn.
Bent u bereid deze vragen te beantwoorden vóór de plenaire behandeling van de Wet experiment gesloten coffeeshopketen?
Ja.
ABN medewerkers die de bonuswet omzeilen |
|
Henk Nijboer (PvdA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich nog de antwoorden die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tijdens het vragenuur op 30 november 2018 in uw afwezigheid gaf over de berichtgeving dat medewerkers van ABN Amro de bonuswet omzeilen?1
Ja, waarbij ik ervan uit ga dat u doelt op het vragenuur van 4 december 2018.
Moet de bank openbaar rapporteren over ABN Amro Participaties over 2018? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om alsnog aan ABN Amro te vragen te rapporteren over dit belang in 2018?
De winst van ABN AMRO Participaties2 (AAP) over 2018 kan nog niet worden vastgesteld aangezien het boekjaar 2018 nog niet is afgerond. Ook na afloop van het boekjaar zal ABN AMRO niet openbaar maken wat de winst van AAP was. ABN AMRO maakt op dit niveau van de organisatie geen specifieke gegevens openbaar en hiervoor geldt geen rapportageverplichting.
In het jaarverslag van ABN AMRO wordt het belang opgenomen dat derden hebben in de activiteiten van ABN AMRO. Het belang van de medewerkers in de private-equityfondsen van AAP valt hieronder. De belangen van derden zullen ook in het jaarverslag over 2018 worden opgenomen.3
Hoe hoog was de winst van ABN Amro Participaties over 2018, en hoeveel is daarvan uitgekeerd als dividend of terugbetaling van kapitaal?
Zie antwoord vraag 2.
Hoeveel natuurlijke personen hadden belangen in ABN Amro Participaties in 2017 en 2018, en hoeveel dividend werd uitgekeerd aan deze natuurlijke personen?
ABN AMRO heeft bevestigd dat 16 huidige en voormalige medewerkers van AAP een belang hebben in één of meerdere fondsen van AAP. Bij de oprichting van dergelijke fondsen worden afspraken gemaakt over rechten en investeringen van de deelnemers. Op basis van deze vooraf gemaakte afspraken wordt, na verrekening van de oorspronkelijke investering, inclusief rente aan ABN AMRO, de meeropbrengst (dividend) conform de afspraken verdeeld onder ABN AMRO en de deelnemers. Bij tegenvallende resultaten kan de medewerker de inleg verliezen.
Informatie over de inleg en uitkering per persoon kan niet gegeven worden in verband met het persoonsvertrouwelijke karakter van deze informatie. Het is ook niet gebruikelijk dergelijke informatie over individuele medewerkers te publiceren. Wel wordt, zoals ik hiervoor onder de beantwoording van de vragen 2 en 3 heb aangegeven, het belang van de medewerkers in de private-equityfondsen van AAP in het jaarverslag over 2018 opgenomen.
Kregen alle 16 betrokkenen een gelijk deel van de te verdelen 10 miljoen euro? Zo nee, hoe werd dit bedrag verdeeld en wat was de hoogste uitkering?
Zie antwoord vraag 4.
Aangezien bij de beantwoording werd gesteld dat de bonuswetgeving niet van toepassing was omdat de betrokkenen participeerden, een aandelenbelang hadden, hoe hoog was deze inleg in ABN Amro Participaties? Staat deze in verhouding tot de verkregen beloningen? Hoeveel risico liepen de betrokken medewerkers en in hoeverre is dit te herleiden tot de ontvangen bedragen?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe verhoudt de gang van zaken zich tot de cao van ABN Amro? Vielen deze personen onder de cao? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in hoeverre zijn deelnemingen in dochters acceptabel onder de cao?
Medewerkers van AAP vielen tot het moment van verzelfstandiging onder de cao van ABN AMRO. Uitgezonderd het hoofd van de private-equityactiviteiten, wiens functie buiten de cao viel. De betreffende regeling viel niet onder de cao.
Bent u het ermee eens dat met deze constructie tegen de geest van de bonuswet is gehandeld, omdat medewerkers van een bank op deze manier alsnog een hoge variabele beloning konden krijgen en het juist de bedoeling was deze te maximeren op 20 procent van het jaarsalaris?
Zoals ik in mijn brief van 17 december 20184 heb aangegeven is een participatie waarbij medewerkers investeren met hun eigen vermogen wezenlijk anders dan een beloning die een medewerker ontvangt voor geleverde prestaties voor de onderneming. Bij een dergelijke participatie verkrijgt de medewerker – in geval van een rendement van de investering – dividend; in geval van een negatief investeringsresultaat, verliest de medewerker (een deel van) zijn inleg. In algemene zin worden dividenduitkeringen en andere uitkeringen die partners, deelnemers, leden, eigenaren en dergelijke ontvangen dan ook – in lijn met richtsnoeren van de Europese toezichthouders, zoals de Europese Banken Autoriteit – niet aangemerkt als vaste of variabele beloningen in de zin van de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen (Wbfo). Dit ligt anders indien een dergelijke dividenduitkering aangemerkt kan worden als ontwijkingsconstructie in de zin van de Wbfo. DNB en de AFM zien hierop toe en zullen – indien daartoe aanleiding bestaat – maatregelen treffen.
ABN AMRO heeft mij laten weten dat de regeling geldt voor huidige en voormalige medewerkers van AAP. De uitkeringen die hieruit voortvloeien aan medewerkers zijn hoger dan de bank wenselijk vindt en sluiten niet aan bij de bank die ABN AMRO wil zijn. Ik kan me vinden in dit standpunt van ABN AMRO en begrijp van ABN AMRO dat dit een belangrijke rol heeft gespeeld bij de beslissing van om AAP te verzelfstandigen.
Websites die sjoemelen met kaartverkoop |
|
Peter Kwint (SP) |
|
Ingrid van Engelshoven (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (D66) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat secundaire tickethandelaar Topticketshop kaarten aanbiedt voor een lezing van Michelle Obama en claimt deze beschikbaar te hebben, terwijl de ticketverkoop nog niet is begonnen en de ticketverkoop op naam is?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat deze website 100% ticketgarantie biedt, waarbij ze garanderen «dat u uw tickets op tijd in huis heeft en dat u hiermee gegarandeerd toegang krijgt tot het evenement», terwijl er tegelijkertijd wordt vermeld in de voorwaarden dat de organisator doorverkochte tickets kan «annuleren en de toegang tot het evenement weigeren. In dat geval wordt 100% van de overeengekomen prijs inclusief verzendkosten vergoed.»?2 3
Ja.
Deelt u de mening dat dit voor consumenten ondoorzichtig en misleidend is? Zo nee, waarom niet?
Het is voorstelbaar dat er sprake kan zijn van misleiding krachtens titel 3 van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek. Daarvan is o.m. sprake wanneer informatie wordt verstrekt die feitelijk onjuist is of die de consument misleidt. Te denken valt aan informatie over de voornaamste kenmerken van het product, de prijs, de risico’s, de verplichtingen van de handelaar of de rechten van de consument etc. Op grond van deze wettelijke regeling is het aan de betreffende handelaar om aannemelijk te maken en zo nodig te bewijzen dat hij de consument juist heeft geïnformeerd en dat er derhalve geen sprake is van misleiding. Slaagt een handelaar niet om dit bewijs te leveren, dan is de gesloten overeenkomst vernietigbaar door de consument. Het is echter niet aan mij om daar in individuele gevallen een oordeel over te vellen.
Bent u bereid de Autoriteit Consument en Markt (ACM) te vragen hier onderzoek naar te doen? Zo nee, waarom niet?
De ACM is een onafhankelijk toezichthouder. Zij vervult daarom haar taken onafhankelijk van de politiek en het bedrijfsleven. Wel kunnen wij de ACM op de hoogte brengen van deze praktijk en zullen dit ook doen.
Bent u bereid alsnog met een wetsvoorstel te komen om deze praktijken aan banden te leggen?
Ik verwijs hierbij graag naar mijn brief «Voortgang Cultuur in een open samenleving4» en de beantwoording van uw vragen over «het bericht dat kaarten voor Rammstein binnen enkele minuten waren uitverkocht5» en «aanvullende vragen over het bericht dat kaarten voor Rammstein binnen enkele minuten waren uitverkocht6». Hierin schrijf ik dat mijn collega van EZK en ik het afgelopen jaar met verschillende partijen hebben gesproken en dat ik naar aanleiding daarvan een aantal opties heb overwogen om uitvoering te geven aan de motie. Zoals aangegeven kies ik voor een voorlichtingscampagne om de consument bewuster te maken van doorverkoop. Ten tweede ga ik bezien wat ik kan doen om initiatieven uit het veld die de doorverkoop tegen woekerprijzen voorkomen, te ondersteunen. En, tot slot heb ik het onderwerp in Brussel aangekaart, omdat een Europese aanpak effectiever zal zijn.
Het bericht dat een fataal ongeluk met een Apache veroorzaakt werd door een verbogen onderdeel |
|
Gabriëlle Popken (PVV) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een fataal ongeluk met een Apache veroorzaakt werd door een verbogen onderdeel?1
Ja.
Kunt u bevestigen dat er een intern rapport bestaat, waarin een andere oorzaak staat vermeld dan de versie die de Kamer heeft ontvangen? Zo ja, hoe kan dat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zowel in de brief (Kamerstuk, 29 521, nr. 332) als het Commissie van Onderzoek (CvO)-rapport wordt het technisch falen van een component in het besturingssysteem als oorzaak van het ongeluk aangemerkt.
Het falende onderdeel betrof een gebroken probe van de Linear Variable Differential Transducer (LVDT) in de servo actuator. De CvO concludeerde dat de probe was verbogen en als gevolg van metaalmoeheid was gebroken. Het is niet vastgesteld waarom de probe was verbogen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de initiële kromming waarschijnlijk niet door operationeel gebruik van de helikopter is ontstaan (door trillingen). De CvO heeft niet kunnen uitsluiten dat het onderdeel tijdens onderhoud door een externe partij verbogen is geraakt.
Ten tijde van het ongeval werd gebruik gemaakt van twee typen LVDT-probes in de servo actuators van de Nederlandse Apachevloot. Bij tests is gebleken dat het type probe in de verongelukte Apache (de Q15) na verbuiging eerder breekt dan het andere type. Tijdens het CvO-onderzoek is daarom in samenspraak met de Amerikaanse overheid en de fabrikant besloten om dit type probe uit de Apachevloot te verbannen. Dit is gebeurd bij alle Nederlandse en Amerikaanse Apaches.
Deelt u de conclusie van het rapport dat een gebrek aan materieel, geld en trainingen hebben bijgedragen aan het ongeluk? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel van dergelijke ongelukken moeten er nog komen voordat Defensie leert van zijn fouten?
In het CvO-rapport wordt geen verband gelegd tussen het Apache-ongeluk in Mali in maart 2015 en een gebrek aan materieel, geld en trainingen. Het ongeluk met de Q15 was het gevolg van een technisch falen.
Kunt u aangeven waarom in uw ogen de Kamer over dit fatale ongeluk niet onjuist of onvolledig is geïnformeerd?
De Kamer is destijds op de gebruikelijke wijze over de uitkomst van het CvO-rapport geïnformeerd. De belangrijkste conclusies zijn met de Kamer gedeeld. Het rapport heeft een vertrouwelijk karakter, omdat het rapport onder andere technische gegevens bevat die vallen onder de International Traffic in Arms Regulations (ITAR) regelgeving voor exportcontrole. Daarnaast bevat het rapport persoonsvertrouwelijke gegevens, waaronder verklaringen die in vertrouwen zijn gegeven. Het uitgebreide CvO-rapport is binnen het Commando Luchtstrijdkrachten gedeeld met als doel er zelf lering uit te trekken. Sinds 11 juni 2018 wordt de samenvatting en de geleerde lessen van een door de CvO onderzocht ernstig ongeval (ernstcategorie 4) aan de Kamer gestuurd (11 juni 2018, Kamerstuk 34 919, nr. 21). Het CvO-rapport staat, uitgezonderd de vertrouwelijke passages, sinds 26 juni 2018 op de website van de rijksoverheid.
Kunt u aangeven of de genoemde derde partij, dezelfde partij is als waar Defensie de Apache laat moderniseren, zoals genoemd in uw brief met Kamerstuknummer 27 830, nr. 234? Kunt u daarbij aangeven of een eventuele contractuele geheimhoudingsplicht onderdeel is van de huidige en nieuwe contracten met deze partij? Zo nee, waarom niet?
De Apache remanufacture (modernisatie) wordt onder een Foreign Military Sales (FMS) contract uitgevoerd door de genoemde derde partij. De partij die het onderhoud van het onderdeel met de falende component in het besturingssysteem had uitgevoerd, is niet betrokken bij deze modernisatie. Een FMS overeenkomst tussen de Amerikaanse overheid en Defensie is commercieel vertrouwelijk. Voor vrijgave van een FMS is toestemming van de Amerikaanse overheid nodig.
Deelt u de mening dat hieruit wederom blijkt dat Defensie liever dergelijke incidenten geheim houdt, in plaats van eerlijk en open te communiceren met de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat de missiedruk te hoog is en was, en dat de Nederlandse regering de missie in Mali nooit had moeten aangaan? Zo nee, waarom niet?
Nee, het kabinet deelt deze mening niet. Er is ook geen verband met het Apache-ongeluk.
Bent u bereid op deze vragen te antwoorden voor het algemeen overleg Integrale aanpak veiligheid en integriteit van 19 december 2018?
Ja.
Het bericht ‘Fataal defect crash Mali niet door ontwerp maar verbogen onderdeel’ |
|
John Kerstens (PvdA) |
|
Barbara Visser (staatssecretaris defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het bericht «Fataal defect crash Mali niet door ontwerp maar verbogen onderdeel»?1
Ja.
Hoe lang bent u al bekend met het gegeven dat de oorzaak niet een ontwerpfout was, maar een onderdeel dat verbogen is geraakt bij onderhoud door een externe partij in de Verenigde Staten (VS)?
Na het ongeluk is, in overeenstemming met de geldende procedure, een Commissie van Onderzoek (CvO) ingesteld door de Koninklijke Luchtmacht. De CvO heeft vastgesteld dat het ongeval is veroorzaakt door het technisch falen van een component in het besturingssysteem van de helikopter. De Kamer is destijds op de gebruikelijke wijze over de uitkomst van het CvO-rapport geïnformeerd (Kamerstuk 29 521, nr. 332).
Het falende onderdeel betrof een gebroken probe van de Linear Variable Differential Transducer (LVDT) in de servo actuator. De CvO concludeerde dat de probe was verbogen en als gevolg van metaalmoeheid was gebroken. Het is niet vastgesteld waarom de probe was verbogen. Onderzoek heeft uitgewezen dat de initiële kromming waarschijnlijk niet door operationeel gebruik van de helikopter is ontstaan (door trillingen). De CvO heeft niet kunnen uitsluiten dat het onderdeel tijdens onderhoud door een externe partij verbogen is geraakt.
Ten tijde van het ongeval werd gebruik gemaakt van twee typen LVDT-probes in de servo actuators van de Nederlandse Apachevloot. Bij tests is gebleken dat het type probe in de verongelukte Apache (de Q15) na verbuiging eerder breekt dan het andere type. Tijdens het CvO-onderzoek is daarom in samenspraak met de Amerikaanse overheid en de fabrikant besloten om dit type probe uit de Apachevloot te verbannen. Dit is gebeurd bij alle Nederlandse en Amerikaanse Apaches.
Waar vindt het onderhoud aan de helikopters op dit moment plaats? Kunt u zeggen of de externe partij nog steeds is betrokken bij het onderhoud? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe denkt u over het onderhoud door deze externe partij?
Onderhoud aan de helikopters wordt grotendeels door de Koninklijke Luchtmacht zelf gedaan. Het personeel van de Koninklijke Luchtmacht voert zelf geen onderhoud uit op de servo actuator. De LVDT-probe is een inwendig onderdeel van de servo actuator. De servo-actuator wordt in zijn geheel op de helikopter gemonteerd of gedemonteerd. In geval van klachten wordt de servo actuator ook in zijn geheel verstuurd naar de reparerende instantie. Dit is conform contractuele afspraken en wordt nog altijd zo gedaan. Het is mogelijk dat de kromming in de probe gedurende het onderhoud in de Verenigde Staten (VS) is ontstaan, maar dit kon niet door de CvO worden vastgesteld.
Hebt u, of overweegt u, de externe partij die het onderhoud heeft gedaan, waarbij het onderdeel is verbogen, aansprakelijk te stellen voor de schade? Zo nee, waarom niet? Zo ja, in welke fase bevindt zich dit proces?
Dit is overwogen. Echter, dit onderhoud vindt plaats onder dezelfde Foreign Military Sales (FMS) condities die van toepassing zijn bij aanschaf, waarin deze aansprakelijkheid wordt uitgesloten. Daarnaast valt niet eenduidig vast te stellen waar en wanneer de kromming is ontstaan.
Was u bekend met het feit dat het onderhoud door een externe partij uitgevoerd zou worden? Zo nee, waarom niet en heeft u contact gehad met de verantwoordelijke in de VS voor het inhuren c.q. uitbesteden van het onderhoud aan de externe partij?
Ja, Defensie was op de hoogte van het feit dat deze specifieke component, conform afspraken met de fabrikant, door een externe partij zou worden onderhouden. Dit onderhoud wordt nog altijd gedaan door externe partijen.
Waarom is de uitgebreide versie van het rapport over het ongeluk met de helikopter in Mali niet met de Kamer gedeeld? Waarom is dit rapport vertrouwelijk? Kunt u dit toelichten, in het kader van het nastreven van meer openheid omtrent incidenten (van welke aard dan ook) bij Defensie en het doorbreken van de gesloten cultuur?
De Kamer is destijds op de gebruikelijke wijze over de uitkomst van het CvO-rapport geïnformeerd. De belangrijkste conclusies zijn met de Kamer gedeeld. Het rapport heeft een vertrouwelijk karakter, omdat het rapport onder andere technische gegevens bevat die vallen onder International Traffic in Arms Regulations (ITAR)-regelgeving voor exportcontrole. Daarnaast bevat het rapport persoonsvertrouwelijke gegevens, waaronder verklaringen die in vertrouwen zijn gegeven. Het uitgebreide CvO-rapport is binnen het Commando Luchtstrijdkrachten gedeeld met als doel er zelf lering uit te trekken. Sinds 11 juni 2018 wordt de samenvatting en de geleerde lessen van een door de CvO onderzocht ernstig ongeval (ernstcategorie 4) aan de Kamer gestuurd (11 juni 2018, Kamerstuk 34 919, nr. 21). Het CvO-rapport staat, uitgezonderd de vertrouwelijke passages, sinds 26 juni 2018 op de website van de rijksoverheid.
Wat is op dit moment de status van de beschikbare onderdelen, gereedschap en ander materiaal voor het eigen onderhoudspersoneel?
De status van gereedschap en materiaal is zo dat alleen gebruik gemaakt wordt van goedgekeurd materiaal en gereedschap volgens het kwaliteitssysteem van de Militaire Luchtvaartautoriteit (MLA).
Bent u bereid de uitgebreide versie van het rapport met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u deze vragen voor het algemeen overleg integrale aanpak veiligheid en integriteit beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘ING-top niet getoetst op witwaszaak’ |
|
Erik Ronnes (CDA), Pieter Omtzigt (CDA) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «ING top niet getoetst op witwaszaak»?1
Ja.
Is het waar dat ING schuld bekende aan het structureel overtreden van de regels tegen het faciliteren van corruptie, witwassen en terrorismefinanciering in Nederland en dat ING strafvervolging heeft afgekocht voor het recordbedrag van 775 miljoen euro?
Het Openbaar Ministerie (OM) heeft ING NL N.V. (ING) een transactie van € 775 mln. aangeboden vanwege jarenlange en structurele overtreding van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) en schuldwitwassen uit het Wetboek van Strafrecht (Sr). ING heeft de gemaakte fouten publiekelijk erkend en betreurd. In dit verband verwijs ik naar het persbericht en feitenrelaas, zoals gepubliceerd op de website van het OM.2 Bij brief van 11 september jl. is uw Kamer over de transactieovereenkomst geïnformeerd.3 Door het betalen van een aangeboden transactie wordt verdere strafvervolging en bestraffing voorkomen.
Bent u ervan op de hoogte waarom de toezichthouder niet zelf besluit tot hertoetsing?
Geschiktheid en betrouwbaarheid zijn doorlopende verplichtingen. Het is uitsluitend aan de onafhankelijke toezichthouder om tot hertoetsing over te gaan, wanneer de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. Een hertoetsingsonderzoek kan betrekking hebben op zowel de vereiste geschiktheid als betrouwbaarheid. In het geval van bestuurders en commissarissen bij ING ligt de bevoegdheid tot hertoetsing bij de Europese Centrale Bank (ECB). DNB kan de ECB hierover adviseren, maar de ECB kan een hertoetsing ook uit eigen beweging starten, zonder voorafgaand advies van de nationale toezichthouder.
Is het waar dat de regels van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en De Nederlandsche Bank (DNB) voorschrijven dat er in ieder geval een beoordeling van bestuurders en commissarissen plaatsvindt (ook wel vooronderzoek genoemd) bij een redelijke aanleiding?2
Twijfels over de geschiktheid en/of betrouwbaarheid kunnen zowel ontstaan door handelen of nalaten van de persoon in kwestie, als door relevante ontwikkelingen ten aanzien van de instelling. De toezichthouders spreken in deze gevallen van een «redelijke aanleiding» tot een hertoetsing. Het «vooronderzoek» kan worden gelijkgesteld aan de beoordeling of er sprake is van een redelijke aanleiding. Dit onderzoek gaat vooraf aan het eigenlijke hertoetsingsonderzoek.
Het vooronderzoek vindt geïndividualiseerd plaats. Wanneer de feiten en omstandigheden betrekking hebben op de instelling, rechtvaardigt dit niet per definitie een hertoetsing van alle bestuurders en commissarissen. Tijdens het vooronderzoek wordt bekeken in hoeverre de feiten en omstandigheden ook daadwerkelijk iets (kunnen) zeggen over de geschiktheid en/of betrouwbaarheid van ieder individu. Daarmee wordt voor ieder individu de eventuele redelijke aanleiding vastgesteld.
Is het waar dat (herhaaldelijke) overtreding van wet- en regelgeving door de AFM genoemd wordt als een redelijke aanleiding?
De AFM noemt op haar website bij mogelijke voorbeelden van een redelijke aanleiding bij geschiktheid inderdaad (herhaaldelijke) overtreding van wet- en regelgeving. De AFM vermeldt hierbij ook dat de vraag of sprake is van een redelijke aanleiding, afhangt van de omstandigheden van het geval en dat er in ieder individueel geval een beoordeling plaatsvindt.
Heeft die beoordeling door de toezichthouder plaatsgevonden voor de leden van de Raad van Bestuur en de leden van de Raad van Commissarissen van ING bank?
In verband met de toezichtsvertrouwelijkheid kan en mag de bevoegde toezichthouder geen uitspraken doen, ook niet naar mij als Minister, over de vraag of hertoetsing in individuele gevallen is overwogen, plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, en wat mogelijk de uitkomst hiervan zou zijn. Het gaat hier om de beoordeling van personen door een bestuursorgaan, en de wet schrijft strikte geheimhouding voor. De inzet van het instrument van (her)toetsing verloopt daarom uiterst zorgvuldig, bij zowel de AFM en DNB als de ECB.
Is het waar dat de Raad van Commissarissen van ING bank – die in dit geval zeker voor hertoetsing in aanmerking zou komen – zelf een onderzoek liet instellen door Stibbe en dat dat als basis diende om helemaal niets te doen aan hertoetsing bij deze grote witwaszaak?
Of hertoetsing in dit geval is overwogen en dus ook welke rol het onderzoek van Stibbe in de besluitvorming heeft gespeeld, is toezichtsvertrouwelijke informatie. Wel heeft de heer Elderson (DNB) tijdens de rondetafelbijeenkomst die uw Kamer op 12 december jl. organiseerde over de stand van zaken in de financiële sector, aangegeven dat de kans nul is dat DNB zich alleen zou baseren op een rapport dat in opdracht van een instelling is opgesteld. In algemene zin geldt daarnaast dat bij de vraag of gewijzigde feiten of omstandigheden in een concreet geval aanleiding geven tot een nieuwe beoordeling, de toezichthouder zich baseert op eigen onderzoek en alle relevante informatie, waaronder informatie van andere toezichthouders en opsporingsinstanties.
Is het vanaf nu mogelijk om als bank te faciliteren dat miljarden worden witgewassen en als bestuurder niet eens onafhankelijk getoetst te worden?
Banken dienen op grond van de Wet op het financieel toezicht (Wft) een integere bedrijfsvoering te waarborgen en op grond van de Wwft op effectieve wijze hun poortwachtersfunctie te vervullen. Met de implementatie van de vierde anti-witwasrichtlijn is in de Wwft de verplichting opgenomen om een dagelijks beleidsbepaler aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de naleving van de Wwft (artikel 2d, eerste lid). Integriteitstoezicht is een speerpunt van DNB. Zij houdt intensief integriteitstoezicht via thematische en instellingsspecifieke onderzoeken. Tegen overtredingen wordt opgetreden: naast informele interventies heeft DNB sinds 2014 in de bancaire sector achttien integriteitsgerelateerde formele maatregelen opgelegd, waaronder tien boetes. Verder kan het OM (onder meer door inschakeling van de FIOD) via haar brede opsporingstaak naar strafbare feiten ten aanzien van natuurlijke of rechtspersonen stuiten op informatie die duidt op mogelijke betrokkenheid van financiële instellingen en op basis daarvan besluiten om een strafrechtelijk onderzoek te starten, zoals in het geval van ING ook is gebeurd. Ten aanzien van hertoetsing staat onverkort overeind dat de bevoegde toezichthouder tot hertoetsing overgaat, als sprake is van een redelijke aanleiding om een al getoetste persoon opnieuw te beoordelen.
Deelt u de mening dat het zeer wenselijk is dat de onafhankelijke toezichthouders in dit geval zelf de boordeling uitvoeren?
Ja. Dat is ook hoe het wettelijk geregeld is, in Europees en nationaal verband.
Deelt u de mening dat, als er een extern onderzoek gedaan moet worden, onder geen beding de partij die herbeoordeeld zou moeten worden (de commissarissen in dit geval) de opdrachtgever zou moeten zijn?
Ik vind het niet bezwaarlijk dat een financiële instelling in een geval als het onderhavige ook zelf extern onderzoek laat uitvoeren naar bijvoorbeeld de positie en rol van topbestuurders. De governance van een financiële instelling is primair een verantwoordelijkheid van de instelling zelf. De onafhankelijke toezichthouder maakt een zelfstandige afweging, op basis van eigen oordeelsvorming, om in een concreet geval al of niet tot hertoetsing over te gaan.
Bent u bereid de gang van zaken met de toezichthouders aan de orde te stellen en aan te dringen op een onafhankelijke beoordeling en daarna een hertoetsing, uitgevoerd door de toezichthouder zelf?
De vraag impliceert dat de bevoegde toezichthouder (in dit geval: de ECB) heeft besloten om niet te hertoetsen. Dat weet ik niet. De wetgever, zowel nationaal als in Europees verband, heeft ervoor gekozen om toezichtsbevoegdheden neer te leggen bij onafhankelijke toezichthouders op de financiële markten. Ik heb geen bevoegdheden om de inzet van het hertoetsingsinstrument af te dwingen en ben dus niet in de positie om aanwijzingen aan de ECB te geven.
Wilt u nagaan of de volgende paragraaf in het genoemde artikel op waarheid berust: «Volgens bronnen toonde DNB-toezichtdirecteur Frank Elderson zich tevreden over het Stibbe-onderzoek en de belofte van topman Ralph Hamers om naleving van wet- en regelgeving voortaan onderdeel van de strategie van zijn bank te laten zijn. «We moeten verder met elkaar», zou hij de ING-top bovendien hebben laten weten»? Wat is uw oordeel daarover?
Het artikel tracht de gang van zaken rond de totstandkoming van de transactie met het OM en de vervolgactiviteiten van DNB te reconstrueren. DNB heeft geen commentaar gegeven op het artikel. Dit behoort tot het toezichtsvertrouwelijke domein waarover de toezichthouder ook richting mij zich niet mag uitlaten.
Bent u bereid om deze vragen en de antwoorden daarop ook in afschrift aan de Europese Centrale Bank en de Europese Bankenautoriteit te sturen?
Ja.
Kunt u deze vragen een voor een en binnen drie weken beantwoorden, dus voor het debat in de Kamer over het faciliteren van witwassen door Nederlandse banken?
Ja.
De brand bij een Duitse kerncentrale vlakbij de Nederlandse grens |
|
Maurits von Martels (CDA), Pieter Omtzigt (CDA), Harry van der Molen (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66), Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA) |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de brand die op donderdag 6 december 2018 woedde op het terrein van de kerncentrale in Lingen (Duitsland), ongeveer 20 kilometer van de grens met Nederland (Denekamp)?1
Op donderdagavond 6 december is er een brand geweest in de splijtstoffabriek van Advanced Nuclear Fuels (ANF) die op ruim 1 km afstand (hemelsbreed) van de kerncentrale Emsland is gelegen. De kerncentrale werd niet bedreigd door die brand.
Hebt u kennisgenomen van het feit dat er in Nederland wel berichten verschenen bij RTV Oost, tevens calamiteitenzender in Oost Nederland, («Brand bij kerncentrale Lingen: Gevaar kan niet worden uitgesloten»), maar er verder geen informatie werd gegeven?2
De Veiligheidsregio Twente en het Nationaal Crisiscentrum (NCC, en via het NCC ook de ANVS) zijn, nadat de brand was geblust, door de Duitse autoriteiten op de hoogte gesteld van de brand. De meetsystemen van de installatie (Advanced Nuclear Fuels (ANF)) en de brandweer in Duitsland hebben vastgesteld dat er geen radioactieve stoffen buiten de installatie zijn vrijgekomen. Hierdoor was er geen sprake van een risico voor de bevolking. Op grond hiervan zijn er vanuit de Veiligheidsregio Twente enkele contacten met de media geweest. De ANVS heeft op donderdag 6 december gecommuniceerd door middel van een bericht op de website en via Twitter. Op 7 december heeft de Veiligheidsregio Twente langs dezelfde kanalen gecommuniceerd.
Kunt u aangeven wat er precies in Lingen gebeurd is en of, en wanneer, de Nederlandse overheid de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming en de betrokken veiligheidsregio’s voldoende op de hoogte was zijn gesteld van het voorval en de precieze omstandigheden? Welke classificatie heeft het ongeval gekregen?3
Op 6 december jl. is er rond half acht ‘s avonds brand ontstaan in het Duitse Lingen bij het bedrijf Advanced Nuclear Fuels (ANF). In tegenstelling tot wat een aantal media berichtten, was er geen sprake van brand bij de kerncentrale Emsland. De ANF-fabriek ligt op een ander terrein op ruim 1 km afstand (hemelsbreed) van de kerncentrale Emsland. Rond 21:15 uur is het sein brand meester gegeven. ANF vervaardigt splijtstofelementen die dienen als brandstof in kerncentrales. De brand vond plaats in een laboratorium en niet in de ruimte waar de splijtstofelementen vervaardigd worden. De meetsystemen van de installatie (Advanced Nuclear Fuels (ANF)) en de brandweer in Duitsland hebben vastgesteld dat er geen radioactieve stoffen buiten de installatie zijn vrijgekomen.
De Duitse toezichthouder heeft bij de ANVS aangegeven dat deze ongewone gebeurtenis voorlopig is ingeschaald op niveau INES-0: een kleine afwijking zonder veiligheidsconsequenties.
Hoe is het in algemene zin gesteld met de veiligheid bij de nucleaire centrale in Lingen nu zich daar in korte tijd drie incidenten hebben voorgedaan? Voldoet de centrale aan alle relevante normen?
De brand van 6 december 2018 vond niet plaats bij de kerncentrale Emsland, maar bij de verderop gelegen splijtstoffabriek van ANF. Het toezicht op de kerncentrale Emsland en op de ANF fabriek ligt bij de Duitse autoriteiten. In dit geval gaat het om het Ministerie van milieubeheer van de deelstaat Nedersaksen. De ANVS heeft regelmatig contact met de toezichthouders in Duitsland, waaronder die in Nedersaksen. Informatie over de aard en het aantal ongewone gebeurtenissen die plaatsvinden zowel bij de kerncentrale Emsland als bij ANF is te vinden op een website van de Duitse autoriteiten en geeft in de optiek van de ANVS geen aanleiding voor ongerustheid4.
Wilt u er bij de veiligheidsregio’s op aandringen dat dit incident samen met de partners in Duitsland geëvalueerd wordt op ten minste de volgende deelvragen:
De Veiligheidsregio Twente heeft aangegeven dit incident te gaan evalueren en daarbij de ANVS, het DCC IenW en het NCC (JenV) te zullen betrekken. De gestelde vragen zullen hierin worden meegenomen.
De uitkomsten van deze evaluatie zullen met uw Kamer worden gedeeld.
Kunt u aangeven wanneer de volgende oefening van Duitsland plaats gaat vinden waar Nederland bij betrokken wordt?
De eerstvolgende uitgebreide oefening met Duitsland is de GEDEX oefening (German Dutch Emsland Exercise). Deze wordt in de eerste helft van 2020 gepland.
Kunt u de bevindingen van de evaluatie met de Kamer delen, zodat die besproken kunnen worden in een volgend overleg over nucleaire veiligheid, waar weer gesproken zal worden over grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland en België, en het goed is om dan te kunnen kijken hoe die in praktijk heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 5.
Nederlandse onderhandelingen met de Taliban in 2010 over een ontvoerde Nederlander |
|
Sadet Karabulut (SP) |
|
Ank Bijleveld (minister defensie) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat in 2010 met de Taliban is onderhandeld (in Dubai of waar dan ook)?1
Nee, de Nederlandse overheid onderhandelt niet met ontvoerders of terroristische organisaties.
Klopt het dat met de Taliban is onderhandeld over de vrijlating van de ontvoerde hulpverlener, Peter Oosterhuis?
De Nederlandse overheid onderhandelt niet met ontvoerders, betaalt geen losgeld en komt ook anderszins niet tegemoet aan eisen van terroristen.
Klopt het dat losgeld is betaald voor de ontvoerde Nederlander? Zo ja, hoeveel?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat de zogeheten Ahmed, «de baas», 7.500 euro ter beschikking had voor zijn inlichtingenwerk in dienst van de Nederlandse missie in Afghanistan?2 Zo nee, wat was dan zijn budget?
Klopt het dat deze man nu, in 2018, nog schulden heeft, die hij maakte uit hoofde van zijn werk in Afghanistan om aldus contactpersonen tevreden te houden?3 Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Klopt het dat hij behalve de vergoeding van deze schulden ook een schadevergoeding wenst? Zo ja, hoeveel? Zo nee, wat zijn dan de feiten?
Klopt het dat de Nederlandse regering de «de baas» jaarlijks zijn tijdelijke verblijfsvergunning verlengt, maar dat hij een paspoort wil en niet krijgt?4 Zo ja, waarom geeft u hem geen paspoort?
Klopt het dat hij een ex-medewerker was van de Afghaanse geheime dienst KHAD (Khadamat-e Aetla'at-e Dawlati)?5 Klopt het het tevens dat hij daarom een zogeheten «1f-er» is?
Wat heeft het verhoor met de verantwoordelijke van de ontvoering van de hulpverlener opgeleverd nadat hij in december 2012 is gearresteerd door de Afghaanse veiligheidsdienst NDS? Is het losgeld teruggevonden? Is de dader tot een gevangenisstraf veroordeeld?6
Bent u bereid schoon schip te maken en informatie aan de Kamer te geven over alle geheime en/of speciale operaties die sinds 2002 door Nederland in Afghanistan zijn uitgevoerd? Zo nee, waarom niet?
Speciale operaties gaan over de inzet van daartoe specifiek aangewezen onderdelen van de krijgsmacht in complexe situaties en geheime operaties over het inzetten van personeel in het kader van de Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten 2017(Wiv 2017). Voor beide soorten operaties is geheimhouding noodzakelijk.
Deelt u de conclusie dat onderhandelingen met Taliban over tactische problemen beter hadden kunnen worden vervangen door internationale onderhandelingen over de toekomst van het land? Kunt u uw antwoord toelichten?
De Nederlandse overheid onderhandelt niet met terroristische groeperingen.
Wat is de huidige positie van de regering over spreken of onderhandelen met de Taliban? Wordt er gesproken of onderhandeld? Zo nee, ook niet in het geheim? Zo ja, waarover en met wie?
Zie antwoord vraag 11.
Wat zijn volgens u de concrete resultaten van 17 jaar permanente oorlog in Afghanistan, afgezet tegen de door u gestelde doelen?
Afghanistan is een land met grote problemen, waaronder een zorgelijke veiligheidssituatie. De oorzaken voor deze problemen zijn complex, diepgeworteld en gaan veel verder terug dan 17 jaar geleden. Zo stelde het kabinet in 2001 al dat de Afghaanse bevolking op dat moment «al 22 jaar [leed] onder de voortdurende conflicten in hun land» (zie Kamerstuk 27 925, nr. 35). Afghanistan staat er thans in veel opzichten beter voor dan in 2001, maar duurzame verbetering van de veiligheid en sociaaleconomische omstandigheden in het land is een zaak van lange adem.
In de recente artikel 100 brieven ter zake zet het kabinet zijn doelen in Afghanistan uiteen (zie bijvoorbeeld Kamerstuk 27 925, nr. 630). Het is in ieder geval helder dat dit proces naast militaire inzet bovenal een inclusieve politieke oplossing vergt, waarbij de grondoorzaken van het conflict worden aangepakt door middel van ontwikkelingssamenwerking. Nederland doet dit in samenwerking en in nauwe afstemming met internationale partners.
Deals met kroongetuigen waarbij zij crimineel geld mogen houden |
|
Michiel van Nispen (SP) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Hoe vaak zijn er de afgelopen jaren deals met kroongetuigen gesloten?
Voor de beantwoording van deze vraag is gekeken naar de periode van 2006 tot 2018. In deze periode zijn tien uitgevoerde toezeggingen aan getuigen bekend.
Wat zijn de totale kosten van deze deals, inclusief de kosten om een nieuw leven te beginnen?
Met betrekking tot het verminderen van het aan de Staat te betalen bedrag wegens wederrechtelijk verkregen voordeel als onderdeel van een toezegging aan een getuige verwijs ik naar het antwoord op vraag 3. Voor zover de vraag doelt op de eventuele kosten van beschermingsmaatregelen die worden getroffen ten aanzien van getuigen aan wie een toezegging wordt gedaan, betreffen dit kosten die geen onderdeel uitmaken van de toezegging en worden over deze kosten uit veiligheidsoverwegingen geen mededelingen gedaan.
In hoeveel gevallen daarvan zijn toezeggingen gedaan rondom het mogen houden van wederrechtelijk verkregen vermogen, zoals bijvoorbeeld het halveren van het ontnemingsbedrag waardoor de helft van het misdaadgeld niet terugbetaald hoeft te worden?1
Het OM heeft mij bericht dat er geen toezeggingen worden gedaan over het mogen houden van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar over het verminderen van het aan de Staat te betalen bedrag. Daarbij moet worden bedacht dat in veel gevallen het wederrechtelijk verkregen voordeel deels niet meer in het bezit is van de verdachte en feitelijk niet (geheel) geïnd zal kunnen worden.
Het OM heeft in één zaak een toezegging gedaan tot vermindering van het aan de Staat te betalen bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
In één andere zaak waarin een toezegging aan een getuige is gedaan heeft het OM daarnaast om opportuniteitsredenen afgezien van het indienen van een vordering tot betaling aan de Staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel. Het ontbreken van reële verhaalsmogelijkheden was daarbij een belangrijke factor. Dit is door de rechter ter terechtzitting getoetst, waarbij de rechter heeft geoordeeld dat op dit punt geen sprake was van een toezegging aan de getuige.
Hoeveel geld is de staat in totaal misgelopen als gevolg van het niet afpakken van misdaadgeld?
Deze vraag is niet exact te beantwoorden. Bij het doen van een toezegging tot het verminderen van een ontnemingsvordering of -maatregel speelt voor het OM een rol in welke mate de ontnemingsvordering ook daadwerkelijk verhaald kan worden op de veroordeelde, aangezien in veel gevallen dat vermogen of een deel ervan niet meer in zijn of haar bezit is. Het verminderen van de vordering betekent dus niet het (in dezelfde mate) mislopen van geld.
Sinds wanneer is het toegestaan criminelen hun misdaadgeld te laten houden? Wanneer is de Kamer precies over deze beleidswijziging geïnformeerd?
De OM-Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken sluit aan op de gelijknamige wet en schetst de kaders van -toelaatbare en niet-toelaatbare- toezeggingen van het OM aan verdachten van een strafbaar feit, die strekken tot toezeggingen tot strafvermindering in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring in een strafzaak tegen een andere verdachte. Onder de categorie «overige toelaatbare toezeggingen» is in deze aanwijzing de mogelijkheid opgenomen tot het doen van de toezegging tot het verminderen van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel met ten hoogste de helft. Het OM heeft deze mogelijkheid ook in het kader van de schikking op grond van artikel 511c Sv.
Deze mogelijkheid is in 2006 geïntroduceerd in de OM-aanwijzing. Dit betrof een uitbreiding van de toenmalige mogelijkheden voor toezeggingen aan getuigen, welke is doorgevoerd op advies van het College van procureurs-generaal over wenselijke verruiming van de regeling.2 Dit advies was gebaseerd op de praktijkervaringen met toezeggingen tot dat moment, waaruit bleek dat de toen als toelaatbaar geldende toezeggingen niet goed werkbaar waren en onvoldoende ruimte lieten voor de opsporing en vervolging van ernstige criminaliteit. De toenmalige Minister van Justitie heeft uw Kamer op 1 juli 2004 geïnformeerd over dit advies van het College van procureurs-generaal met betrekking tot de wenselijkheid van onder andere deze verruiming, waarbij hij zijn begrip uitsprak voor deze wens.3 Bij brief van 12 april 2005 is de toenmalig Minister van Justitie nader ingegaan op vanuit uw Kamer gestelde vragen die betrekking hadden op de brief van 1 juli 2004.4
Nog los van de overige mogelijke bezwaren tegen de deals met kroongetuigen (zoals vragen rondom de betrouwbaarheid van de verklaringen, de legitimiteit van de overheid die deals sluit met criminelen, het belonen van berouw na strafbare feiten met halvering van de straf), bent u bereid nog eens kritisch na te denken over het gebruik van de mogelijkheid om criminelen hun door misdaad verkregen vermogen te laten houden? Deelt u de mening dat dit dusdanig immoreel is dat dit niet langer onderdeel van dergelijke deals uit zou moeten maken? Zo nee, op grond waarvan acht u het rechtvaardig dat criminelen hun misdaadgeld mogen houden?
Ik acht de argumenten die de toenmalige Minister van Justitie in zijn brief van 12 april 2005 uiteen heeft gezet ter onderbouwing van de uitbreiding van toelaatbare toezeggingen met de mogelijkheid tot het doen van de toezegging tot het verminderen van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, ook nu nog valide.5 Zo heeft het OM ook binnen het huidige wettelijke systeem op grond van artikel 511c SV reeds een ruime schikkingsbevoegdheid. Gezien de praktijkervaringen, waaruit blijkt dat deze toevoeging bij kan dragen aan de mogelijkheden om met succes tot een overeenkomst te komen over strafvermindering in ruil voor het afleggen van een getuigenverklaring in een strafzaak tegen een andere verdachte, zie ik geen reden de toelaatbaarheid van deze toezegging te heroverwegen.
Het bericht 'Brand bij kerncentrale Lingen: brand geblust, geen gewonden' |
|
Suzanne Kröger (GL) |
|
Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Brand bij kerncentrale Lingen: brand geblust, geen gewonden»?1
Ja.
Wat was de oorzaak van deze brand? Hoe had deze brand voorkomen kunnen worden?
Op donderdagavond 6 december jl. is er een brand geweest in een splijtstoffabriek (ANF) die op ruim 1 km afstand (hemelsbreed) van de kerncentrale Emsland is gelegen. Er was dus geen brand bij de kerncentrale Emsland. De kerncentrale werd niet bedreigd door de brand.
Als er zich een nucleair- of stralingsongeval voordoet dat gevolgen kan hebben voor een ander land, zijn er internationale verplichtingen2 die zorgen voor het tijdig informeren van de autoriteiten in de buurlanden.
Verder zijn er tussen de autoriteiten van Nederland en Duitsland werkafspraken gemaakt om ook bij ongewone gebeurtenissen, die plaatsvinden bij nucleaire installaties in het grensgebied en geen risico vormen voor de bevolking, informatie uit te wisselen.
Omdat de brand operationeel is afgehandeld conform de procedures en er (mede door de heersende Westenwind) op geen enkel moment een risico voor de Nederlandse bevolking is geweest, was er voor de Duitse autoriteiten geen verplichting tot het terstond informeren van de Nederlandse autoriteiten. De veiligheidsregio en het Nationaal Crisiscentrum (NCC) en via het NCC ook de ANVS zijn, nadat de brand was geblust, op de hoogte gesteld van de brand. De meetsystemen van de installatie en de brandweer in Duitsland hebben vastgesteld dat er geen radioactieve stoffen buiten de installatie zijn vrijgekomen. Hierdoor was er geen sprake van een risico voor de bevolking. Op grond hiervan zijn er vanuit de Veiligheidsregio Twente enkele contacten met de media geweest.
Naast uitwisseling van informatie in het geval van risicosituaties, vind ik het belangrijk dat er goede, eenduidige en consistente communicatie over de grens plaatsvindt, ook bij situaties waarbij er geen sprake is van een risico. Hiermee kan voorkomen worden dat er onnodige onrust ontstaat. De gang van zaken bij dit incident zal door de Veiligheidsregio Twente worden geëvalueerd om te kijken of de bestaande afspraken moeten worden aangescherpt.
Net als in Nederland zijn Duitse nucleaire installaties verplicht om bij ongewone gebeurtenissen een onderzoek te doen naar de oorzaak, mogelijke gevolgen en eventueel noodzakelijke aanpassingen om deze in de toekomst te voorkomen. Het Duitse onderzoek is nog gaande. Ik kan derhalve niet vooruitlopen op de resultaten van dat onderzoek.
De Duitse toezichthouder heeft bij de ANVS aangegeven dat deze ongewone gebeurtenis voorlopig is ingeschaald op niveau INES-0: een kleine afwijking zonder veiligheidsconsequenties. Ondanks de onrust is er geen sprake geweest van een risico voor de bevolking.
Zijn de Nederlandse autoriteiten, zoals de relevante veiligheidsregio, direct nadat duidelijk werd dat er een brand was in de kerncentrale, die zich vlak over de grens bevindt, geïnformeerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke acties zijn hierop door de veiligheidsregio ondernomen?
Zie antwoord vraag 2.
Zal dit geval worden gebruikt als een goede testcase en besproken worden in de gezamenlijke commissie van Nederland en Duitsland die betrekking heeft op de communicatie bij nucleaire incidenten? Zo nee, waarom niet?
Ja, dit wordt besproken in de NDKK (NDKK is de Niederländische-Deutsche Kommission), waar o.a. afspraken worden gemaakt ten aanzien van melden en informeren bij grensoverschrijdende incidenten.
Wat is de stand van zaken rondom het actualiseren van het rampenplan in de deelstaat Nedersaksen?
Op dit moment is het rampbestrijdingsplan van de deelstaat Nedersaksen nog
niet volledig in lijn met de laatste federale aanbevelingen van het toenmalige Bundeministerium für Umwelt, Naturschutz, Bau und Reaktorsicherheit (BMUB). Naar verwachting zullen de aanbevelingen in 2019 worden opgenomen in de planvorming van de deelstaat Nedersaksen.
Het bericht 'Politie registreert bewust de afkomst van agenten' en het interview met de nieuwe portefeuillehouder diversiteit |
|
Lilian Helder (PVV) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht 'Politie registreert bewust de afkomst van agenten» en het interview met de nieuwe portefeuillehouder diversiteit?1
Ja.
Is de nieuwe portefeuillehouder diversiteit juist geciteerd? Zo nee, wat heeft hij daadwerkelijk gezegd?
Ja. Het artikel is een goede weergave van het gesprek met de nieuwe programmamanager Kracht van het Verschil.
Indien zijn uitspraken juist zijn weergegeven, waar haalt de portefeuillehouder het onzalige idee vandaan dat «de belastingbetaler met liefde betaalt voor diversiteit»?
Een diverse samenstelling van het politiekorps draagt bij aan de legitimiteit en daarmee het gezag van de politie. Daarbij geldt diversiteit in brede zin: verscheidenheid op het gebied van sekse, etniciteit, leeftijd, opleiding, geaardheid, et cetera. Ik ben van mening dat een goede afspiegeling van de Nederlandse samenleving binnen het korps noodzakelijk is voor een effectieve aanpak van criminaliteit, radicalisering, discriminatie en overlast. Een divers samengesteld korps is noodzakelijk voor verbinding met- en draagvlak in onze samenleving.2 Het zorgt ervoor dat specifieke veiligheidsproblemen in de wijk kunnen worden aangepakt en er contact blijft met verschillende gemeenschappen, daarmee verbetert het politiewerk. Verder vormen divers samengestelde teams een bron van creativiteit en innovatie, hebben zij een groter leer- en aanpassingsvermogen en helpen deze soms een tunnelvisie te voorkomen. Ze dragen bij aan een inclusieve werkcultuur, verkleinen de kans op uitsluiting en leiden tot behoud van medewerkers uit groepen die (nu nog) zijn ondervertegenwoordigd bij de politie. De politie hanteert streefcijfers om de focus op diversiteit te houden bij vacaturehouders en de ondersteunende diensten.3
Deelt u de mening dat de kern niet moet zijn dat het politiekorps een afspiegeling is van de maatschappij, maar dat het gaat om het gezag dat de politie moet hebben? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
En zo nee, op welke wijze helpt een afgedwongen percentage diversiteit bij het hebben van gezag?
Zie antwoord vraag 3.
Wat valt nu onder het streefcijfer van 25% diversiteit? Gaat het om 25% van de instroom dat een niet-westerse nationaliteit moet hebben of om 25% van de instroom met een diverse achtergrond dat uit veel meer bestaat dan etniciteit?
In het algemeen gaat het streven naar diversiteit binnen het korps om meer dan alleen etniciteit. Het streefcijfer van 25% ziet specifiek op de instroom van medewerkers met een dubbele culturele achtergrond, verkregen door afkomst, levens- of werkervaring.4 Iedere instromende medewerker moet in ieder geval de Nederlandse nationaliteit hebben.
Waarom spreken de korpschef, de portefeuillehouder diversiteit en zijn woordvoerder hierover niet eensluidend?
Variëteit binnen het korps zorgt ervoor dat de politie beter presteert. De politie is van en voor iedereen. Een politie waarin iedereen zich kan herkennen en die iedereen kan vertrouwen. Hier denken de korpschef, de programmamanager en de woordvoerder hetzelfde over.
Deelt u de mening dat politieagenten wel tegen een paar, al dan niet flauwe, grappen moet kunnen zonder dat meteen wordt gesteld dat sprake is van (impliciete) discriminatie? Zo nee, vindt u dan niet dat de belastingbetaler dadelijk is opgezadeld met een korps dat voor een deel bestaat uit «watjes»?
Humor moet kunnen, discriminatie en racisme hebben geen plaats binnen de maatschappij en zeker niet binnen de politie. Daar treden zowel de korpschef als ik hard tegen op. Dat heeft niets met watjes te maken, maar met respect voor elkaar.
Criminele asielzoekers in Leerssum |
|
Sietse Fritsma (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Mark Harbers (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat (school)meisjes en buschauffeurs worden bedreigd, bespot en geïntimideerd door mannelijke asielzoekers uit het asielzoekerscentrum in Leersum?1
Ja.
Waarom laat u op kosten van de belastingbetaler zo’n crimineel broeinest, vol met overlastgevende gelukszoekers, bestaan?
Zoals ik meermaals aan uw Kamer heb geschreven staat voorop dat overlastgevend gedrag, zoals wordt veroorzaakt door een beperkte groep asielzoekers, volstrekt onacceptabel is.2 Deze overlast vraagt dan ook om een gerichte aanpak, waar op wordt ingezet middels het brede palet aan strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en vreemdelingenrechtelijke maatregelen dat hiervoor ter beschikking staat en waar uw Kamer diverse keren over is geïnformeerd. Bij deze aanpak moet scherp in de gaten gehouden worden wanneer overlastgevend gedrag overgaat in crimineel gedrag. In die gevallen zal – net zoals voor iedereen in ons land – de aanpak primair via het strafrecht moeten verlopen.
Hoe is het mogelijk dat de daders dag in dag uit rustig hun gang kunnen gaan met het terroriseren van de Nederlandse burger, zonder dat u ingrijpt door hen vast te zetten en uit Nederland te verwijderen?
Zie antwoord vraag 2.
Realiseert u zich dat uw beloften hen aan te pakken helemaal niets waard zijn en dat de veiligheid in Nederland meer verdient dan loze woorden?
Zie antwoord vraag 2.
Wat moet er nog meer gebeuren voordat u inziet dat wij niet iedereen op moeten vangen die het woordje « asiel» uit kan spreken en Nederland eindelijk de broodnodige asielstop krijgt?
Ik hecht aan een zorgvuldig asielbeleid dat bescherming biedt aan degenen die dat nodig hebben. Hetgeen u voorstelt zou in strijd zijn met de internationale en verdragsrechtelijke verplichting tot het in behandeling nemen van een asielaanvraag. Ik tref verder gerichte maatregelen als ik constateer dat oneigenlijk gebruik wordt gemaakt van het asielrecht door personen die evident geen bescherming nodig hebben.
De bewapening van boa's bij Oud en Nieuw |
|
Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Boa's bang voor oud en nieuw»?1
Ja
Begrijpt u dat boa's, die rond Oud en Nieuw de lokale vuurwerkverboden handhaven, zich zorgen maken over hun veiligheid? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Helaas moet worden geconstateerd dat zich rond Oud en Nieuw onveilige situaties voor kunnen doen voor medewerkers met een publieke taak, waaronder boa’s. Het is van groot belang dat deze medewerkers, ook tijdens Oud en Nieuw, op een veilige manier hun werk kunnen doen. Gegevens omtrent de (on)veiligheid van boa’s, al dan niet in relatie tot lokale vuurwerkvrije zones, worden niet centraal bijgehouden. Het is aan het lokale gezag om afspraken te maken over de wijze van handhaving van vuurwerkvrije zones, daarbij een inschatting te maken van mogelijke risico’s en naar aanleiding daarvan maatregelen te nemen om de veiligheid van de medewerkers te waarborgen. De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat en ik hebben in de brief van 17 december 20182 onder andere een onafhankelijke evaluatie van de jaarwisseling aangekondigd. Daarbij zal de situatie van boa’s tijdens de jaarwisseling worden meegenomen.
Geweld tegen medewerkers met een publieke taak wordt door politie en Openbaar Ministerie behandeld op basis van de uitgangspunten van de zogeheten Veilige Publieke Taak (VPT) aanpak. Dit betreft onder andere een prioritaire afhandeling van de aangifte en een verhoogde strafeis zoals opgenomen in het wetsvoorstel herwaardering strafbaarstelling actuele delictsvormen dat ik Uw Kamer op 13 november jl. heb aangeboden.
In mijn brief van 10 december 2018 aan uw Kamer3 ben ik ingegaan op de verhouding tussen politie en boa’s. Boa’s en politie opereren complementair en versterken elkaar. De politie is primair aan zet wanneer het gaat om het handhaven van de openbare orde en de veiligheid. Kern van het werk van de gemeentelijke boa in Domein I is dat hij in de openbare ruimte aanwezig is en toezicht houdt, en handhavend optreedt waar nodig in geval van kleine ergernissen, overtredingen en overlastsituaties die de leefbaarheid in wijken en buurten aantasten. In beginsel treedt de boa op in situaties zonder een te verwachten gevaarzetting. Wanneer de boa situaties tegenkomt met geweld of dreigend geweld, zal hij een beroep doen op de politie.
Is er sprake van een toenemende onveiligheid voor deze boa's? Zo ja, waar blijkt dat uit en houdt dat verband met het feit dat delen van gemeenten vuurwerkvrij moeten zijn en andere delen niet?
Zie antwoord vraag 2.
Wat wordt er op dit moment gedaan teneinde deze boa's te beschermen? Acht u dit voldoende effectief? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is de inzet van boa's tijdens Oud en Nieuw afhankelijk van de aanwezige politiesterkte? Is er afdoende politie aanwezig teneinde naast hun eigen werk ook boa's te beschermen?
Zie antwoord vraag 2.
Het artikel 'Behoefte aan echte reflectie' |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het interview met agent Raiss?1
Ja.
Klopt het dat de bezwaar- en adviescommissie (BAC) in de zaak van de betrokken inspecteur van politie een advies heeft gegeven?
Ja.
Kunt u aangeven voor de jaren 2016, 2017 en de eerste helft van 2018 hoe vaak de (landelijke) bezwaar- en adviescommissie de korpschef geadviseerd heeft in zaken waarin politiemensen bezwaar instelden tegen een ten opzichte van hen voorgenomen of opgelegde disciplinaire maatregel?
Vanaf oktober 2016 wordt geregistreerd hoeveel bezwaren zijn ingesteld tegen een maatregel in het kader van een disciplinair onderzoek. Een bezwaar gericht tegen een ordemaatregel valt hier ook onder. Een ordemaatregel betreft een maatregel die opgelegd kan worden gedurende het disciplinair onderzoek. Voorbeelden hiervan betreffen een schorsing en een buitenfunctiestelling. Er wordt dus geen onderscheid gemaakt of het bezwaar is gericht tegen een ordemaatregel of tegen een disciplinaire straf, die wordt opgelegd nadat het disciplinair onderzoek is afgerond.
In de volgende tabel is opgenomen hoeveel bezwaren er geweest zijn in onderstaande jaren.
2016 (laatste kwartaal)
14
2017
47
2018
30
Van alle dossiers waarin een ordemaatregel of een disciplinaire straf is opgelegd gaat 10 tot 15% van de betrokken politieambtenaren in bezwaar. Om exact te achterhalen wat de bezwaar- en adviescommissie in zulke zaken de korpschef heeft geadviseerd, moet in alle dossiers handmatig onderzoek plaatsvinden. Dit kost echter veel capaciteit. Ik zal daarom hieronder bij vragen 4, 5 en 6 kwalitatief nader ingaan op de vragen.
Kunt u voor deze jaren aangeven hoe vaak de bezwaar- en adviescommissie adviseerde een tuchtrechtelijke maatregel (geheel of ten dele) in stand te houden dan wel deze te wijzigen of in te trekken?
Het beantwoorden van de vragen 4, 5 en 6 vergt handmatig dossieronderzoek. Gezien de capaciteit die dit vergt, heb ik de korpschef gevraagd een kwalitatieve toelichting te geven op hoe wordt omgegaan met adviezen van de bezwaar- en adviescommissie.
De korpschef heeft mij laten weten dat uit een uitvraag bij de BAC-secretarissen van 2018 naar voren is gekomen dat het in een deel van de gevallen voorkomt dat contrair wordt gegaan aan het advies van de BAC.
Om dit te bevestigen heeft de politie alsnog handmatig dossiers bekeken. Daaruit is gebleken dat van de 66 onderzochte BAC-zaken er in zes bezwaren volledig contrair is besloten door het bevoegd gezag. Het betrof zaken waar de BAC had geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren. Dit gaat dus om ca. 10% van de zaken. Tegen vijf van deze beslissingen op bezwaar is beroep ingediend door de betrokken medewerker.
Voorts is in acht van de 66 zaken deels contrair besloten. Dit houdt in dat het bevoegd gezag zich niet in enkele overwegingen c.q. de motivering in het advies van de BAC kon vinden. Het advies van de BAC om de zaak gegrond of ongegrond te verklaren is wel gevolgd. Overigens luidde bij deze bezwaren het BAC-advies merendeels: ongegrond. De korpschef wil hierbij nog opmerken dat een contraire beslissing van het bevoegd gezag altijd voldoende onderbouwd moet worden in de beslissing op bezwaar (BOB).
Kunt u voor deze jaren aangeven hoe vaak het oordeel van de bezwaar- en adviescommissie door de korpschef werd overgenomen dan wel dat de korpschef bleef bij de door de eenheidsleiding opgelegde of voorgenomen maatregel?
Zie antwoord vraag 4.
Is het mogelijk om de in de vragen 3, 4 en 5 gevraagde gegevens weer te geven in de vorm van een cijfermatige opstelling c.q. een tabel?
Zie antwoord vraag 4.
Het bericht 'Zorginstelling omzeilt winstverbod' |
|
Evert Jan Slootweg (CDA), Erik Ronnes (CDA), Joba van den Berg-Jansen (CDA) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u het artikel «Zorginstelling omzeilt winstverbod»?1
Ja.
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen naar aanleiding van het artikel «Loek Winter omzeilt winstverbod zorg»?2
Ja.
Klopt het dat heren Winter, De Boer, Flach en Lensselink de vier aandeelhouders zijn van DeSeizoenen BV en tevens ook de vier aandeelhouders zijn van Vastgoed BV (bestuurders: de heren Winter en Flach) en Care Shared Services BV (bestuurders: de heren Trouw en Lensselink)?
Openbare informatie uit het KvK wijst uit dat WW Zorg Groep BV enig aandeelhouder is van onder andere DeSeizoenen B.V., Vastgoed DeSeizoenen B.V. en Care Shared Services B.V.
In het eind december openbaar gemaakte «Onderzoeksverslag inzake DeSeizoenen B.V. – Enquêteonderzoek ex art. 2:345 lid 1 BW krachtens beschikking van de Ondernemingskamer van 30 april 2018 (200.229.574/01)», dd. 21 december 2018, is vermeld dat de heren Winter 40%, De Boer 40%, Flach 10% en Lensselink 10% over de aandelen in WW Zorggroep BV beschikken.
Klopt het dat DeSeizoenen BV haar twee belangrijkste contracten heeft met Vastgoed BV en Care Shares Services BV, te weten een huurcontract (2,36 euro miljoen per jaar) en een dienstencontract (tenminste 3,6 miljoen euro per jaar)?
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (hierna: de inspectie) doet samen met de Nederlandse Zorgautoriteit (hierna: de NZa) onderzoek naar De Seizoenen BV. Zij nemen daarbij het in mijn antwoord op vraag 3 genoemde onderzoeksverslag van de Ondernemingskamer mee. De inspectie en de NZa hebben aangegeven om in het belang van hun onderzoek op dit moment geen nadere informatie te verstrekken. Ik wacht de uitkomst van dit onderzoek af.
Klopt het dat deze constructies bestaan sinds het voorjaar 2014, toen de heren Lensselink en Flach bestuurders en de heren Winter en De Boer commissaris waren van DeSeizoenen BV?
Zie antwoord vraag 4.
Zijn deze vastgoed- en dienstenconstructies van DeSeizoenen BV niet in strijd met deze governance codes?3
Zie antwoord vraag 4.
Waarom hebben de toenmalige Staatssecretaris van Vplksgezondheid, Welzijn en Sport, de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) in 2016 wel een onderzoek ingesteld naar soortgelijke diensten- en vastgoedconstructies bij thuiszorginstelling Alliade en deze constructies ontoelaatbaar geoordeeld?
De toezichthouders zijn onafhankelijk, ook in hun afwegingen om ergens nader onderzoek naar te doen. Hierbij wordt in de scope en inrichting van het onderzoek een afweging gemaakt per individuele casus. Inmiddels zijn de IGJ en NZa hun gezamenlijke onderzoek naar de De Seizoenen BV gestart. De inspectie en de NZa hebben aangegeven om in het belang van hun onderzoek op dit moment geen nadere informatie te verstrekken. Ik wacht de uitkomst van dit onderzoek af.
Klopt het dat de heren Winter, De Boer, Lensselink en Flach de financiële lasten en risico’s van de vastgoedtransactie, zoals de huur van 13% van de aanschafprijs, een achtergestelde lening van 3,25 miljoen euro en verpanding van zorggelden, bij DeSeizoenen BV hebben gelegd?
Zoals ook aangegeven in het antwoord op de vragen 4, 5 en 6 doet de IGJ samen met de NZa onderzoek naar De Seizoenen BV. Zij nemen daarin het in mijn antwoord op vraag 3 genoemde onderzoeksverslag van de Ondernemingskamer mee. De inspectie en de NZa hebben aangegeven om in het belang van hun onderzoek op dit moment geen nadere informatie te verstrekken. Ik wacht de uitkomst van dit onderzoek af.
Klopt het dat het eigendom vastgoed, huurpenningen en dividenden Vastgoed BV aan de heren Winter, De Boer, Lensselink en Flach privé toevalt, terwijl zij slechts 100 euro hebben «geïnvesteerd» in Vastgoed BV?
Zie antwoord vraag 8.
Is hier niet sprake van een disproportionele ongunstige transactie voor DeSeizoenen BV en een disproportioneel gunstige transactie voor Vastgoed BV? Zo ja, rechtvaardigt deze vastgoedtransactie niet een onderzoek?
Zie antwoord vraag 8.
Klopt het dat Cash Cure BV jaarlijks circa EUR 800.000 heeft gedeclareerd aan MC Slotervaart en MC IJsselmeerziekenhuizen voor bepaalde financiële diensten? Klopt het dat Peter Lensselink full time bestuurder is van DeSeizoenen BV (en Care Shared Services BV) met een maximum salaris van 180.000 euro en tevens (indirect) bestuurder van CashCure BV?
De informatie waarover ik beschik is dat de heer Lensselink bestuurder is van DeSeizoenen B.V., Care Shared B.V. en in 2017 ook (indirect) bestuurder was van CashCure B.V. Het is mij niet bekend of de heer Lensselink fulltime is aangesteld noch wat de hoogte van zijn salaris is. Voor het overige verwijs ik naar mijn antwoord op de vragen 4, 5 en 6.
Kent u de bedragen die CashCure BV sinds haar oprichting medio 2014 aan aan MC Slotervaart en MC IJsselmeerziekenhuizen heeft gedeclareerd? Klopt het dat er volgens de uittreksel van de Kamer van Koophandel (KvK) geen personen werkzaam zijn bij CashCure BV?
Openbare informatie uit het KvK wijst inderdaad uit dat er geen personen werkzaam zijn bij CashCure BV. Daarnaast beschik ik niet over de andere informatie waar u naar vraagt.
Is het in lijn met zowel de letter als de geest van de Wet normering topinkomens Zorg (WNTZorg) dat de heer Lensselink naast zijn full time functie en maximale vergoeding bij DeSeizoenen BV leiding geeft aan een onderneming die per jaar tenminste 800.000 euro omzet genereert en bij CashCure BV een additioneel salaris en/of dividend ontvangt?
CashCure BV is een privaatbedrijf en valt om die reden niet onder de WNT. De WNT is van toepassing op de (semi-)publieke sector. DeSeizoenen BV heeft een WTZi-toelating en bevindt zich daardoor in de publieke sector en valt daarom wel onder de WNT. DeSeizoenen BV heeft ieder jaar een WNT-verantwoording met controleverklaring openbaar gemaakt.
Wilt u deze vragen elk afzonderlijk en binnen twee weken beantwoorden?
Op 20 december jl. heb ik uw Kamer met mijn brief4 geïnformeerd over de uitstel van de beantwoording. Met deze brief heb ik voor zover mogelijk uw vragen beantwoord.
Het expertisecentrum CBRN-explosieven binnen de Landelijke Eenheid van de Politie |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten van Omroep West, het Dagblad van het Noorden, de website van de NOS en de eigen website van de politie maar ook met vele andere berichten in de media over het aantreffen van, of geconfronteerd worden met explosieven door de politie?1 2 3 4
Ja.
Deelt u de waarneming dat de politie zowel in de bestaande criminaliteitsvormen (bijvoorbeeld ram- en plofkraken) als in de bestrijding van terrorisme meer dan vroeger geconfronteerd wordt met explosieven en andere gevaren op het vlak van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair materiaal (CBRN)?
De politie ziet met name in het domein van de ram- en plofkraken een forse beweging van steeds meer en zwaardere explosieven. Ook op het gebied van de bestrijding van terrorisme komt het voor dat de politie wordt geconfronteerd met explosieven. De politie ziet daar echter geen toename in het aantal incidenten op het gebied van chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair materiaal (CBRN). Wel neemt de politie op internet een verhoogde interesse waar in CBRN-middelen die aan terrorisme kunnen worden gerelateerd. De politie en anderen blijven daar alert op. Daarnaast wordt de politie in toenemende mate geconfronteerd met het aantreffen van handgranaten in de openbare ruimte. Gevaren op het gebied van CBRN treft de politie met name aan bij drugslaboratoria, waar met gevaarlijke chemische stoffen wordt gewerkt. Voor het veiligstellen van materialen en voor de ondersteuning bij de ontmanteling van deze laboratoria heeft politie de Landelijke Faciliteit Ontmantelingen (LFO) ingericht.
Op welke wijze heeft de politie expertise op het vlak van CBRN bijeen gebracht en geborgd binnen de organisatie? Welke expertise bestaat er in de basisteams, welke expertise is er binnen de eenheden georganiseerd en welke taken worden landelijk uitgevoerd? Zijn er samenwerkingsverbanden met andere overheidsdiensten?
Rijksbreed vinden op verschillende niveaus voorbereidingen plaats om met CBRN-incidenten om te kunnen gaan. De verschillende partijen, waar onder veiligheidsregio’s, politie en defensie, werken daarbij nauw met elkaar samen. Onderzoeksinstituten zoals het NFI en RIVM leveren daarbij eveneens een bijdrage. Binnen de politie-eenheden is al expertise opgebouwd. Iedere politie-eenheid beschikt over een TEV (Team(leider) CBRN-Explosieven Veiligheid) op piketbasis. Zij zijn binnen de eenheden het eerste aanspreekpunt voor CBRN-E incidenten. Zo nodig doen zij een beroep op de expertise van CENTREX CBRN-Explosieven. Ook specialistische politie-eenheden die moeten optreden bij een incident of aanslag met CBRN-middelen, zijn getraind.
Klopt het dat binnen de Landelijke Eenheid van de politie het expertisecentrum CENTREX CBRN-Explosieven bestaat? Is er een voornemen om dit expertisecentrum op te heffen en hoe bent u voornemens om dán de taken van dit centrum binnen de organisatie te beleggen. Bent u – zo nodig vertrouwelijk – bereid om de taken, de resultaten en de ontwikkeling van dit centrum toe te lichten?
Sinds 2012 draait er al een pilotproject CENTREX – CBRN Explosieven binnen de Landelijke Eenheid (voorheen KLPD) van de politie. Dit landelijke loket is opgericht om geïntegreerd multidisciplinair advies te geven in de eerste fase na een (CBRNe-) incident. Op deze wijze kunnen hulpverleners snel beschikken over specialistische kennis die anders alleen bij verschillende instituten en organisaties is te vinden. In eerste instantie was dit een pilot-loket voor alleen de politie. De vorming van een formeel multidisciplinair centrum heeft tot nu toe nog niet plaatsgevonden. Het pilotproject CENTREX is in de afgelopen jaren voortgezet. Het pilotproject heeft zich ontwikkeld en functioneert in de praktijk wel als multidisciplinair centrum dat hulpverleningsdiensten kan ondersteunen die in aanraking komen met chemische biologische, radiologische en/of nucleaire middelen.
Borging van de huidige taken van het pilotproject is de volgende belangrijke stap in het proces. Om te komen tot de multidisciplinaire gedachte waarin effectief en efficiënt wordt samengewerkt met alle betrokken partners, wordt gewerkt aan het creëren van een duurzame organisatievorm waarbij verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij de juiste organisaties worden belegd.