Brandgevaar in parkeergarages en onder woningen |
|
Cem Laçin (SP), Sandra Beckerman (SP) |
|
Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD), Stientje van Veldhoven (staatssecretaris infrastructuur en waterstaat, minister zonder portefeuille infrastructuur en waterstaat) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de uitzending van Kassa waarin bleek dat er zorgen zijn over het opladen van elektrisch vervoer in ondergrondse parkeergarages vanwege brandgevaar?1
De brandveiligheid in parkeergarages heeft reeds mijn aandacht. Ik verwijs daarbij naar mijn antwoorden op eerdere Kamervragen over een brand in een Noorse parkeergarage (31 januari 2020, Aanhangsel van de Handelingen, nummer 1543). Zoals in mijn eerdere antwoorden en hieronder wordt toegelicht, zijn acties in gang gezet ten aanzien van de brandveiligheid in parkeergarages.
Wat zijn momenteel de bouwregels voor het installeren van laadpalen en het opladen van elektrisch vervoer nabij en onder gebouwen waar mensen verblijven of wonen?
Laadpalen zijn onderdeel van de elektrische voorziening van een gebouw. Het Bouwbesluit 2012 regelt dat een elektrische voorziening moet voldoen aan de norm NEN 1010. In deze NEN-norm zijn eisen opgenomen voor de veilige installatie van laadpalen. Daarnaast gelden voor laadpunten internationale normen voor een veilig laadproces, voor veilige contactdozen, voor de beschermingsgraden van omhulsels en voor bescherming tegen externe impact. In een recent onderzoeksrapport van het Noorse onderzoeksbureau RISE2 wordt op basis van statistische analyse van data en literatuuronderzoek geconcludeerd dat het opladen van een elektrisch aangedreven personenauto in een parkeergarage niet leidt tot een grotere kans op brand.
Het Nederlandse Normalisatie Instituut (hierna NEN) werkt op mijn verzoek aan een nieuwe NEN-norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarage, die naar verwachting in 2021 gereed is en vervolgens in de landelijke bouwregelgeving kan worden opgenomen. In deze NEN-norm worden ook de laatste inzichten rond het parkeren en opladen van elektrische auto’s meegenomen. Daarbij kan door NEN worden aangesloten op de actualisatie van een TNO-factsheet uit 20143 over de veiligheid van elektrische voertuigen, die in opdracht van het Ministerie van IenW wordt uitgevoerd en medio 2020 beschikbaar komt. Dat geldt eveneens voor adviezen uit de beleidscirculaire Risicobeheersing Lithium-ion energiedragers (batterijen) die thans door het Ministerie van IenW wordt opgesteld en die binnenkort in internetconsultatie gaat.
Hoe ziet op dit moment de handhaving eruit en welke andere knelpunten worden geconstateerd in de praktijk door het Instituut Fysieke Veiligheid, de brandweer en bouw- en woningtoezicht door gemeenten, naast de genoemde knelpunten in Kassa, zoals bijvoorbeeld de moeilijke bereikbaarheid van branden in ondergrondse parkeergarages?
Het Bouwbesluit 2012 geeft voorschriften voor de brandveiligheid van parkeergarages en gemeenten kunnen hierop toezien en handhaven. Met het oog op brandveilig gebruik van de parkeergarages is het van belang dat de gemeente hierbij advies vraagt aan de brandweer. Uit de reacties die de gemeente Amsterdam en de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland hebben gegeven op uitzending van Kassa4 maak ik op dat zij hieraan invulling hebben gegeven bij de in de uitzending getoonde parkeergarages. Onder meer door voorafgaand aan de opening van de parkeergarages inspecties uit te voeren met de brandweer.
Voor de verdere invulling van de huidige Bouwbesluit-voorschriften wordt zoals genoemd in het vorige antwoord door NEN gewerkt aan een nieuwe NEN-norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarages. Bij deze NEN-norm vind ik het van belang dat naast de specifieke risico’s ten aanzien van het laden en parkeren van elektrische voertuigen ook de mogelijke beheersbaarheid van incidenten en inzetmogelijkheden van hulpdiensten worden beschouwd. In het kader van het opstellen van deze norm heb ik de NEN-werkgroep erop geattendeerd dat het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV) medio 2020 een infoblad parkeergarages en elektrische voertuigen uitbrengt met tips voor risicobeheersing en incidentbestrijding.
Hoeveel branden of situaties met rookontwikkeling in ondergrondse parkeergarages zijn er gemiddeld per jaar? En wat waren de oorzaken van deze branden?
In het kader van het opstellen van de nieuwe NEN-norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarages is aan de hand van mediaberichten door de betreffende NEN-werkgroep het aantal branden in parkeergarages tussen 2006 en 2015 beschouwd. Hieruit volgt dat er gemiddeld circa 5 branden per jaar zijn in ondergrondse parkeergarages. De oorzaken van de branden zijn niet altijd duidelijk. Niet altijd is de brand ontstaan in een auto, maar bijvoorbeeld in een vuilcontainer. Ook is soms sprake van brandstichting. Er zijn bij de NEN-werkgroep geen situaties bekend waarbij een elektrische auto of laadpaal de oorzaak is geweest van een brand in een parkeergarage in Nederland.
Waarom is niet bekend hoeveel ondergrondse laadplekken of laadplekken onder gebouwen er zijn in ons land? Bent u bereid dit te onderzoeken?
Er is geen aanleiding om het aantal ondergrondse laadplekken of laadplekken onder gebouwen landelijk bij te houden of hiernaar onderzoek in te stellen. Gemeenten zijn bevoegd gezag als het gaat om de brandveiligheid van gebouwen en bepalen zelf hoe zij hier invulling aangeven, ook voor wat betreft het eventueel inventariseren van ondergrondse laadplekken of laadplekken onder gebouwen. Beheerders van openbare parkeergarages kunnen als service richting elektrisch rijders in het Nationaal Parkeer Register5 bijhouden hoeveel laadplekken beschikbaar zijn in hun garages.
Wanneer zal het onderzoek van TNO zijn afgerond hoe in de bouwregelgeving van andere landen (wereldwijd) rekening wordt gehouden met elektrische voertuigen in parkeergarages? Wilt u dit na gereedkomen naar de Kamer sturen voorzien van uw reactie?
Dit onderzoek is afgerond en het betreffende TNO-rapport is gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl.6 Uit het onderzoek volgt dat andere landen vergelijkbare bouwregelgeving hebben en dat een aantal landen net als Nederland overweegt om de brandveiligheidseisen voor parkeergarages aan te vullen.
Het TNO-rapport is in opdracht van mij opgesteld ten behoeve van de nieuwe NEN-norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarages. Ik heb het rapport onder de aandacht van de betreffende NEN-werkgroep gebracht. Ook bij actualisatie van het TNO-factsheet over de veiligheid van elektrische voertuigen (zie antwoord bij vraag 2) wordt dit TNO-rapport verder beschouwd.
Waarom zijn niet alle parkeergarages uitgerust met sprinklerinstallaties, hoewel het Instituut Fysieke Veiligheid hier al in 2010 en de brandweer in 2013 daar een aanbeveling toe deden? En bent u bereid deze verplichting op te nemen in het Bouwbesluit? Kunt u uw antwoord toelichten?2 3
Sprinklerinstallaties worden in parkeergarages al vaak toegepast om te voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit geeft als prestatie-eis dat een brandcompartiment van een parkeergarage niet groter mag zijn dan 1.000 m2. Bij parkeergarages groter dan 1.000 m2 is brandcompartimentering vaak niet praktisch uitvoerbaar. Sprinklers, maar ook ventilatie, worden dan vaak toegepast als gelijkwaardige oplossing. De nieuwe NEN-norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarages zal de gelijkwaardige oplossingen voor parkeergarages verder normeren. Deze NEN-norm zal onderdeel worden van de landelijke bouwregelgeving.
Bent u bereid om samen met betrokken organisaties, zoals gemeenten en de brandweer, een landelijk dekkend netwerk van dompelcontainers te bewerkstelligen? Wat zijn de uitkomsten van het gesprek tussen de Bond van Verzekeraars en Rijkswaterstaat hierover, omdat een dompelcontainer de enige mogelijkheid is om elektrisch vervoer met een lithiumaccu te blussen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Op initiatief van het Verbond van Verzekeraars is in februari jl. een eerste overleg met betrokken organisaties, zoals brandweer, bergers, politie, verzekeraars en wegbeheerders georganiseerd. In het overleg is gesproken over het protocol voor het veilig afwikkelen van een incident met een elektrisch voertuig, waarbij in bepaalde situaties de inzet van de dompelcontainer mogelijk uitkomst kan bieden. In de komende periode wordt met de betrokken partijen gewerkt aan een gezamenlijk protocol, in aanvulling op bestaande protocollen. Dit vergt nog nader onderzoek en overleg. Rijkswaterstaat is namens de rijksoverheid betrokken bij dit project.
Bent u het met de lector brandpreventie, de heer Koster, en het Instituut Fysieke Veiligheid eens dat extra veiligheidsmaatregelen bij ondergrondse parkeergarages nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn gaat u deze maatregelen invoeren?4
De vraag of nieuwe veiligheidsmaatregelen bij ondergrondse parkeergarages nodig zijn, ligt voor bij het opstellen van de nieuwe NEN-norm voor de integrale brandveiligheid van parkeergarages. Naar verwachting zal deze NEN-norm in 2021 beschikbaar zijn, waarna deze kan worden opgenomen in de landelijke bouwregelgeving. Ik heb met NEN afgesproken te bezien of vooruitlopend op deze NEN-norm een informatief NEN-document kan worden opgesteld voor het parkeren en laden van elektrische voertuigen in parkeergarages.
Bent u bereid in het Bouwbesluit op te nemen dat laadpalen voor elektronisch vervoer in ondergrondse parkeergarages geplaatst moeten worden in nabijheid van in- en uitgangen, zodat bij eventuele rook- en brandontwikkeling de brandweer er snel bij kan komen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Zoals in mijn antwoord op vraag 9 toegelicht, moet dit worden bezien in het kader van de nieuwe NEN-norm.
Bent u bereid in het Bouwbesluit op te nemen dat alle laadpalen voor elektronisch vervoer uitgerust moeten zijn met een brandmelder, zodat ongelukken en rampen voorkomen kunnen worden?
Zoals in mijn antwoord op vraag 9 toegelicht, moet dit worden bezien in het kader van de nieuwe NEN-norm.
Wat is uw reactie op het artikel van de Vereniging DOET en de constatering dat preventie van een accubrand van belang is, omdat deze ook veroorzaakt kan worden door een kabel of lader (thermal runaway)? Op welke wijze(n) gaat u maatregelen nemen voor het voorkomen van accubranden?5
De «thermal runaway» heeft niets te maken met het laden van een elektrisch voertuig, maar duidt op hittevorming die kan optreden in een beschadigde batterij. De batterijen van elektrische auto’s worden uitvoerig getest en zijn bestand tegen hoge impact. Uit recente crashtesten en onderzoek van Dekra en de Duitse universiteit van Göttingen bleek dat zelfs bij zware ongevallen in geen enkele van de gecrashte auto’s door de botsing brand ontstond.11 Het is belangrijk om de kennis over preventie en bestrijding van accubranden te vergroten. Het Ministerie van I&W komt hiertoe in de loop van 2020 met een update van de «Factsheet veiligheid elektrisch vervoer», zoals genoemd in het antwoord op vraag 3.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mensen niet ontmoedigd worden om elektrisch vervoer aan te schaffen, omdat ze ervan uit moeten kunnen gaan dat de brandveiligheid bij het gebruik en opladen van elektrisch vervoer gegarandeerd is?
Elektrische personenauto’s worden onderworpen aan uitgebreide testen en typegoedkeuringen en ook voor laadpunten en de technische installatie daarvan gelden internationale veiligheidsnormen. De nieuwste inzichten ten aanzien van de veiligheid van elektrisch vervoer, komen in de loop van 2020 beschikbaar met een update van de «Factsheet veiligheid elektrisch vervoer», zoals genoemd in het antwoord op vraag 3.
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden en niet clusteren?
Ja, zie hierboven.
Het bericht ‘Slachtoffers misdrijven willen meer privacy, angst voor wraak daders’ |
|
Kees Verhoeven (D66), Maarten Groothuizen (D66) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Slachtoffers misdrijven willen meer privacy, angst voor wraak daders»?1
Ja.
Kunt u een inschatting geven van de omvang van de problematiek van slechte privacybescherming van slachtoffers?
Nee. Ook Slachtofferhulp Nederland (SHN) geeft aan geen inschatting te kunnen maken van het aantal slachtoffers die ervaren dat hun privacy wordt geschonden.
Eerder WODC-onderzoek uit 2015 naar de privacy van slachtoffers en het witboek van SHN beschrijven wel kwalitatief welke problematiek slachtoffers ervaren.2
Waarom worden slachtoffers niet in alle gevallen erop gewezen dat ze een ander postadres, of een nummer in plaats van een naam, kunnen opgeven?
Bij het doen van aangifte ontvangen slachtoffers van de politie de zogeheten verklaring van rechten. Deze verklaring bevat een overzicht van de rechten waar slachtoffers van criminaliteit aanspraak op kunnen maken. In de verklaring is vermeld dat slachtoffers de politie kunnen vragen om bescherming. Hierbij wordt als voorbeeld genoemd de mogelijkheid om adresgegevens niet in de aangifte op te nemen, maar een ander postadres te vermelden (domicillie). Aangifte onder nummer wordt niet expliciet op de verklaring genoemd omdat deze maatregel zeer terughoudend wordt toegepast. Het is een verregaande maatregel, met mogelijke, en op voorhand niet altijd goed te beoordelen, consequenties voor de bewijsvoering. In tegenstelling tot domicilie, waarvoor geen voorwaarden gelden, wordt aangifte onder nummer alleen toegepast in zaken waarbij de angst bestaat dat het prijsgeven van de identiteit van een slachtoffer een direct risico vormt voor de veiligheid of een ernstige belemmeringen kan zijn in de uitoefening van aangevers beroep. Bij de volgende herziening van de verklaring van rechten van de politie zal ik samen met politie en andere betrokken partijen bezien of het een expliciete verwijzing naar de mogelijkheid van aangifte onder nummer wenselijk is.
Kunt u uiteenzetten waarom de regels niet worden nageleefd, gelet op het feit dat in het artikel staat dat «om onduidelijke redenen de regels en wetten niet altijd [worden] nageleefd»?
Het is niet helder waar de zin in het artikel «om onduidelijke redenen worden de regels en wetten niet nageleefd» op doelt. De huidige wet- en regelgeving biedt verschillende mogelijkheden -geen verplichtingen- om bepaalde informatie, zoals persoonsgegevens van het slachtoffer, af te schermen. Voorbeelden hiervan zijn aangifte onder nummer, gebruik van domicilieadres of het weigeren van voeging van stukken.
Mogelijkerwijs ziet de verwijzing in de vraag naar regels en wetten die niet worden nageleefd op de in het NOS-bericht beschreven zaak. Daarbij was het adres van een slachtoffer, ondanks domiciliekeus, per abuis toch in het strafdossier opgenomen. Ook in het witboek van SHN worden enkele knelpunten bij de toepassingen van domiciliekeuze aan de orde gesteld. Ik neem dit serieus. Samen met politie, OM en SHN bekijk ik hoe het werkproces voor domiciliekeuze in de praktijk kan worden verbeterd.
Op welke manier gaat u de gegevens van slachtoffers beter beschermen? Bestaat de mogelijkheid om niet aan de openbaarheid en het recht van een verdachte op een eerlijk proces te tornen, maar wel terughoudender te zijn omtrent persoonlijke details van slachtoffers? Is het juist dat adresgegevens op dit moment niet uit het dossier verwijderd kunnen worden?
In mijn brief van 17 december jongstleden heb ik uw Kamer geïnformeerd over diverse stappen die ik samen met het OM, de politie en de rechtspraak neem ter verbetering van de privacy van slachtoffers.3 Dit betreft zowel de verkenning van een generieke maatregel ter afscherming van persoonsgegevens van slachtoffers uit het strafdossier alsook het verbeteren van bestaande processen, zoals het werkproces van domiciliekeuze en het herzien van slachtoffercorrespondentie. Ik heb in deze brief toegezegd uw Kamer in het voorjaar van 2020 te informeren over de stand van zaken van deze acties en dat ik daarbij ook inga op andere aspecten aangaande de privacy van slachtoffers. Deze toezegging heb ik aangevuld tijdens het AO strafrechtelijke onderwerpen van 5 maart jongstleden waarin ik heb aangegeven in deze brief ook in te zullen gaan op het witboek van SHN en daarbij mijlpalen aan de op te nemen acties te zullen koppelen.
Als het adres van een slachtoffer eenmaal in het dossier is opgenomen, is het inderdaad niet eenvoudig om dit in een later stadium alsnog te verwijderen. Afhankelijk van de specifieke situatie kan het OM in bijzondere gevallen handmatig een dossier anonimiseren, maar dit is een grote aanslag op de capaciteit van het OM en deze mogelijkheid wordt derhalve terughoudend toegepast.
Kunt u uiteenzetten waarom het beter afschermen van deze slachtoffergegevens een moeilijk vraagstuk is, ondanks bestaande wet- en regelgeving?
Het WODC-onderzoek stelt dat het in principe mogelijk is om bepaalde gegevens van slachtoffers, behoudens naam en geboortedatum, af te schermen voor de verdachte zonder dat het recht op een eerlijk proces van de verdachte wordt geraakt. In de huidige praktijk wordt het afschermen van persoonsgegevens alleen ingezet als bijzondere maatregel wanneer daar in een specifieke zaak aanleiding toe is.
Zoals ik in mijn brief van 17 december 2019 heb aangegeven wordt er gewerkt aan een generieke oplossing om slachtoffergegevens beter af te schermen.4 Dit is een ingewikkeld vraagstuk vanwege enerzijds de juridische randvoorwaarden die gelden bij de voorgestelde aanpassingen en anderzijds de praktische implicaties voor de betrokken organisaties. Als persoonsgegevens van het slachtoffer onderdeel van een processtuk zijn, dan is er bijvoorbeeld in de huidige wet- en regelgeving niet voor elke situatie een juridische grondslag om te voorkomen dat deze gegevens door de verdachte kunnen worden ingezien. Ten aanzien van de praktische implicaties geldt ten eerste dat het procesdossier uit een zeer groot aantal stukken bestaat waarin slachtoffergegevens zijn opgenomen. Deze stukken worden door verschillende instanties en met behulp van verschillende systemen opgesteld en worden op verschillende momenten in het traject aan het strafdossier toegevoegd. Daarnaast is, vanwege de beperkingen van de huidige ICT-systemen en de verwachte overgang van oude naar nieuwe ICT-systemen, de mogelijkheid om eventuele aanpassingen door te voeren momenteel zeer beperkt. Ik bekijk samen met politie, OM en rechtspraak op welke wijze er toch stappen gezet kunnen worden om gegevens in de ICT-systemen af te schermen. Zoals eerder aangegeven zal ik u over de voortgang op dit punt in het voorjaar een brief sturen.
Het bericht ‘Macron gaat buitenlandse imams weren’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Rudmer Heerema (VVD), Bente Becker (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Arie Slob (minister onderwijs, cultuur en wetenschap) (CU), Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Macron gaat buitenlandse imams weren»?1
Ja
Bent u het met de stelling eens dat we ook in Nederland alles moeten doen om de radicale invloeden in onze wijken vanuit religieuze hoek, al dan niet gefinancierd met buitenlandse middelen, met man en macht tegen te gaan?
In de Nederlandse samenleving is ruimte voor een grote diversiteit van (godsdienstige) beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Dit betekent dat mensen de vrijheid hebben eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. Het Kabinet staat voor de grondwettelijke vrijheid van godsdienst- en levensovertuiging.
Onze vrijheden zijn echter geen vrijbrief voor antidemocratisch, antirechtstatelijk en onverdraagzaam gedrag. Hier trekt het Kabinet een grens. Om de democratische rechtsorde en zijn vrijheden te beschermen en de sociale stabiliteit te behouden is het Kabinet van mening dat het noodzakelijk is op te treden tegen mensen in Nederland die onze vrijheden misbruiken om antidemocratische en onverdraagzame boodschappen te verspreiden en de grondwettelijke rechten en vrijheden van anderen stelselmatig en met (de dreiging van) geweld of dwang beperken. We richten ons daarbij niet op een bepaalde geloofs- of levensovertuiging als zodanig.
Zoals aangekondigd in de Kamerbrief van 11 februari 2019 heeft het Kabinet de Taskforce Problematisch gedrag en ongewenste buitenlandse financiering (hierna: Taskforce) ingericht om drie belangrijke doelstellingen te verwezenlijken. Naast het versterken van weerbaarheid van gemeenschappen en de bredere samenleving en het vergroten van handelingsperspectief van gemeenten en Rijk, is een belangrijke doelstelling om de informatiepositie van Rijk en gemeenten te versterken. Op lokaal niveau wordt ingezet op training en kennisoverdracht om problematisch gedrag vroegtijdig te kunnen signaleren.
Is het waar dat er ook in Nederland wijken zijn met een bovengemiddeld risico op radicale beïnvloeding uit religieuze hoek? Zo ja, welke wijken zijn dit en hoe treedt u hiertegen op? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen?
Er kan niet worden verondersteld dat in bepaalde wijken meer sprake is van (structureel) antidemocratisch, antirechtstatelijk en/of onverdraagzaam gedrag. Om te voorkomen dat ongewenste radicale invloed van aanjagers vat krijgt op een wijk, wordt op lokaal niveau ingezet op training en kennisoverdracht om problematisch gedrag vroegtijdig te kunnen signaleren. Daar waar sprake is van noodzakelijk ingrijpen bij instellingen die (structureel) problematisch gedrag vertonen, kunnen gemeenten voor directe ondersteuning terecht bij de Taskforce.
Deze aanpak biedt handvatten om tegen (structureel) antidemocratisch, antirechtstatelijk en/of onverdraagzaam gedrag op te treden. Het voorgestelde wijkgerichte onderzoek naar (bovengemiddeld)risico op zogenoemde radicale beïnvloeding uit religieuze hoek biedt hiervoor geen toegevoegde waarde.
Wat kunt u leren van de wijkgerichte aanpak in Frankrijk waardoor daar 152 cafés, 15 gebedshuizen, 12 centra voor cultuur of sport en vier scholen zijn gesloten? Wat was hiervan de juridische basis en kunnen we in Nederland ook vaker tot sluiting overgaan?
Het verbieden van private rechtspersonen, waaronder cafés en gebedshuizen, vormt een inbreuk op de grondwettelijke vrijheid van vereniging. In sommige gevallen kan antidemocratisch en onverdraagzaam gedrag zo ver gaan dat dit leidt tot strijd met de openbare orde. In het regeerakkoord wordt het voorbeeld genoemd waarin een organisatie tot doel heeft om onze rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen. Om de mogelijkheden om op te kunnen treden te verruimen als doelen of werkzaamheden van een rechtspersoon in strijd zijn met de openbare orde als bedoeld in artikel 2:20 BW heeft de Minister voor Rechtsbescherming op 18 december 2019 een wetsvoorstel bij de Kamer ingediend.2 Het verbieden van rechtspersonen door de rechter is een maatregel voor uiterste gevallen. Door duidelijker te maken welke doelen en werkzaamheden in ieder geval strijd opleveren met de openbare orde wordt beoogd de slagkracht van artikel 2:20 BW te vergroten.
De regelgeving omtrent het sluiten van scholen is vastgelegd in de onderwijswetgeving. Op dit moment is beëindiging van de bekostiging in het funderend onderwijs alleen mogelijk als een school langdurig onder de opheffingsnorm zakt of als sprake is van langdurig zeer zwak onderwijs. Er zijn echter ook andere situaties waarbij continuering van de school niet langer verantwoord is. Daarom heeft de Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media aangekondigd om voor het funderend onderwijs de gronden voor beëindiging van de bekostiging uit te breiden met situaties waarin sprake is van structurele strijd met de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid.3
In het hoger onderwijs schenken instellingen mede aandacht aan bevordering van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Bij niet-naleving kunnen rechten aan een opleiding worden ontnomen of kan – bij bekostigde instellingen – een bekostigingssanctie worden opgelegd. De regering is voornemens, door wetswijziging, vergelijkbare eisen voor het mbo te laten gelden.4
Hoeveel imams komen er jaarlijks vanuit het buitenland naar Nederland, zowel voor langer verblijf als voor kortdurende optredens en uit welke landen specifiek?
Op basis van de huidige registraties die worden bijgehouden door het Ministerie van Buitenlandse Zaken (kort verblijf), de Immigratie- en Naturalisatiedienst (lang verblijf), en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (verlenen tewerkstellingsvergunningen voor buitenlandse werknemers die kort danwel lang verblijf beogen) zijn deze aantallen niet te leveren. Er wordt in de betreffende registraties geen onderscheid gemaakt naar religie. Imams worden net als priesters, nonnen, voorgangers en rabbijnen geregistreerd onder de noemer «geestelijke bedienaren».
Wat vindt u van het Franse idee dat de islamitische gemeenschap een certificaat moet gaan toekennen aan imams die zich gedragen «volgens de wetten van het land»? Is dat ook mogelijk in Nederland? Kan een dergelijk systeem al dan niet door de overheid worden gefaciliteerd?
In Nederland dient iedereen zich aan de wet te houden. Voor specifieke taken en functies zoals docent, gastouder of accountant is wettelijk voorgeschreven dat deze in het bezit van een VOG dienen te zijn. Voor geestelijke bedienaren, waaronder imams, is dit niet wettelijk voorgeschreven. Het is in een dergelijk geval een de werkgever om daar regels voor te stellen. Een dergelijke aanpak van de Fransen staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel dat wij in Nederland hanteren als algemeen principe.
Verder is voor personen uit derde landen het beleid om hen die een bedreiging voor de openbare orde en/of de nationale veiligheid vormen – bijvoorbeeld omdat zij oproepen tot vijandigheid of geweld – geen visum te verlenen of dit te (laten) intrekken. Wanneer is vastgesteld dat de derdelander een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid, wordt de persoon gesignaleerd in het SIS ten behoeve van toegangsweigering. Voor EU-onderdanen geldt dat toegangsweigering alleen kan plaatsvinden indien er een actuele bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving bestaat. Mensen met de Nederlandse nationaliteit kan de toegang tot Nederland niet worden ontzegd.
Hoe staat het met de eerdere plannen voor een imamopleiding in Nederland onder overheidstoezicht in plaats van de huidige situatie waarin een organisatie als Milli Görüş een imamopleiding financiert en daarnaast imams uit het buitenland worden ingevlogen?
De ontwikkeling van een volwaardige, geaccrediteerde en regulier bekostigde imamopleiding vergt tijd. De opleiding moet binnen bestaande onderwijskaders ingepast worden. Het is daarna nog een enorme inspanning en uitdaging om voldoende aantallen eigen imams op te leiden en niet langer volledig afhankelijk te zijn van imams uit het buitenland.
De VU en CMO hebben in 2016 een verkenning gedaan om te komen tot een breed gedragen imamopleiding in Nederland. Hierna zijn er verschillende bijeenkomsten met de gemeenschappen georganiseerd waarbij ook OCW en SZW vertegenwoordigd waren. Op basis van deze bijeenkomsten is door de VU en CMO een voorstel ontwikkeld. Het voorstel ging enerzijds om bijscholing van zittende imams, anderzijds om het opzetten van een hbo-bachelor imamopleiding binnen het reguliere hoger onderwijs in Nederland. Met de pilot «Professionaliseringstraject voor zittende Imams» zijn ondertussen goede ervaringen opgedaan in de periode 2018–2019. Op dit moment zijn de contouren van de hbo-bacheloropleiding gereed en wordt bezien welke onderwijsinstelling(en) deze opleiding kan (kunnen) verzorgen.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Franse collega’s, een analyse uit te voeren naar de Franse aanpak en aan de Kamer voor te leggen welke voorstellen ook voor de Nederlandse situatie gebruikt kunnen worden?
Nederland heeft na bekendmaking van de nieuwe Franse aanpak ambtelijk contact gezocht met Frankrijk en het verzoek neergelegd om nadere informatie te mogen ontvangen. Het ministerie heeft in reactie laten weten momenteel nog te werken aan de uitwerking van de details van de plannen.
In EU verband wordt tussen lidstaten samengewerkt op het terrein van preventie van radicalisering. De Europese Commissie ondersteunt en faciliteert deze samenwerking en de uitwisseling van ervaringen. Lidstaten krijgen hier de mogelijkheid hun aanpak met andere lidstaten te delen. Daarnaast vindt samenwerking tussen lidstaten op projectbasis plaats via zogenaamd project-based collaborations, een nieuwe vorm die het mogelijk maakt om met een beperkt aantal lidstaten op beleidsniveau samen te werken en ervaringen uit te wisselen. Nederland zal Frankrijk verzoeken om via voornoemde samenwerkingsstructuur de kennis en opgedane ervaring met de nieuwe aanpak te delen.
Tevens wil ik u wijzen op de Kamerbrief d.d. 4 november 2019 over een vergelijkend onderzoek naar de aanpak van extremistische sprekers in verschillende Europese lidstaten, waaronder Frankrijk.5
Bent u het met de stelling eens dat ook het toetsen van de inhoud van onderwijsprogramma's in het informele onderwijs waardevol kan zijn om anti-integratieve waarden te weren? Zo ja, wanneer kunt u de Kamer informeren over de verkenning die het kabinet uitvoert naar onder andere salafistische invloeden in het informeel onderwijs en mogelijk toezicht op informeel onderwijs?
Nederland is een open en vrije samenleving. Het staat alle ouders vrij in onze democratische samenleving om kinderen buiten de formele onderwijstijd, en daarmee buiten de invloedssfeer van de overheid, deel te laten nemen aan informele scholing. Het organiseren van en deelnemen aan informele scholing valt onder de grondwettelijke vrijheid van vereniging, van meningsuiting, en eventueel van godsdienst. In lijn met deze vrijheden is er geen wettelijke basis op grond waarvan informele onderwijsprogramma’s getoetst zouden kunnen worden.
Het kabinet vindt het echter niet wenselijk dat een aantal aanbieders van informele scholing het samenleven in Nederland belemmert of antidemocratische opvattingen stimuleert. Ook de grondwettelijke vrijheden zijn niet onbegrensd. Het kabinet vindt het van belang dat in ons land alle mensen meedoen in de samenleving; informele scholing zou dat niet in de weg moeten staan. Vanwege signalen van mogelijke antidemocratische of onverdraagzame elementen binnen een aantal organisaties die informele scholing aanbieden, heb ik een brede verkenning aangekondigd. De verkenning naar informele scholing wordt uw Kamer voor de zomer aangeboden.
Kunt u onderzoeken welke maatregelen er in Frankrijk genomen worden om te zorgen dat elke docent gewoon Frans spreekt in het klaslokaal? Op welke wijze zouden wij dit vorm kunnen geven in Nederland zonder bijvoorbeeld het tweetalig onderwijs te beperken? Is het vragen van ontheffing bij het ministerie bijvoorbeeld een route die u kunt verkennen?
Onderwijsbeleid is een nationale verantwoordelijkheid en ieder onderwijsstelsel heeft zijn eigen unieke kenmerken. Een vergelijking maken met de Franse situatie heeft op dit punt weinig meerwaarde. Dat in de klas Nederlands gesproken moet worden volgt reeds uit de wettelijke bepalingen.6 Uitzonderingen daarop zijn voor het primair onderwijs dat daar waar naast de Nederlandse taal, de Friese taal of een streektaal in levend gebruik is, deze als voertaal bij het onderwijs kan worden gebruikt. Verder kan voor de opvang in en de aansluiting bij het Nederlandse onderwijs van leerlingen met een niet-Nederlandse culturele achtergrond de taal van het land van oorsprong mede als voertaal bij het onderwijs worden gebruikt, overeenkomstig een door het bevoegd gezag vastgestelde gedragscode. Tot slot kan maximaal vijftien procent van het onderwijs gegeven worden in het Engels, Duits of Frans. Voor het voortgezet onderwijs geldt dus ook dat het onderwijs gegeven dient te worden in het Nederlands en ook de examens dienen te worden afgenomen in het Nederlands. In afwijking daarvan kan een andere taal worden gebezigd wanneer het onderwijs betrekking heeft op een specifieke taal, of indien de specifieke aard, de inrichting of de kwaliteit van het onderwijs daartoe noodzaakt.7 Dat is bijvoorbeeld het geval bij tweetalig onderwijs. Ontheffing van het Ministerie van OCW is dan ook niet nodig.
Stelende bewindvoerders |
|
René Peters (CDA), Jasper van Dijk (SP) |
|
Tamara van Ark (staatssecretaris sociale zaken en werkgelegenheid) (VVD), Sander Dekker (minister zonder portefeuille justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op het bericht: «Bewindvoerders in Limburg stalen geld van mensen met hoge schulden»?1
Dat bewindvoerders zichzelf op deze manier trachten te verrijken vind ik onthutsend. Mensen met problematische schulden verkeren al in een moeilijke en afhankelijke situatie. Dan is het schrijnend om te moeten constateren dat er schuldenaren zijn die een beroep doen op hulp, maar dat hun vertrouwen ernstig wordt beschaamd. Het betreft twee verschillende zaken. De eerste zaak dateert uit 2016 en gaat om een voormalig beschermingsbewindvoerder. De tweede zaak dateert uit 2018 en gaat om een voormalig Wsnp-bewindvoerder. In beide zaken zijn de bewindvoerders ontslagen door de toezichthoudende rechter en is een strafprocedure gestart. De benadeelden hebben een nieuwe bewindvoerder via de rechtbank Limburg gekregen.
Bij de beantwoording van de vragen wordt onderscheid gemaakt tussen beschermingsbewind(voerders) en Wsnp-bewind(voerders). Een beschermingsbewindvoerder kan worden aangesteld als iemand zijn vermogensrechtelijke belangen zelf niet langer kan behartigen. Aanleiding kan zijn een lichamelijke of geestelijke toestand, of verkwisting dan wel het hebben van problematische schulden. De Wsnp-bewindvoerder behartigt de belangen van de schuldeisers en houdt toezicht op de schuldenaar. Beschermingsbewind is een vorm van financieel-administratief beheer voor wie daartoe zelf niet in staat is, terwijl Wsnp-bewind een insolventieprocedure is die moet leiden tot een maximale uitkering aan de schuldeisers en waarbij de schuldenaar zich aan allerlei strenge verplichtingen moet houden. In beide gevallen is er toezicht door respectievelijk de kantonrechter en de insolventierechter aan wie de bewindvoerder verantwoording dient af te leggen.
Waarom is er niet eerder ingegrepen en waarom duurt het proces zo lang?
In beide zaken heeft de rechter ingegrepen door de bewindvoerders te ontslaan en heeft de rechtbank Limburg aangifte tegen de bewindvoerders gedaan.
Het opsporingsonderzoek in beide zaken betreft zeer omvangrijke dossiers, waarvan er één pas recentelijk bij het OM ontvangen is. De verwachting is dat het OM in beide zaken voor de zomer zal beoordelen of tot vervolging zal worden overgegaan.
Wat onderneemt u tegen het feit dat het Openbaar Ministerie (OM) in Limburg een te geringe capaciteit heeft om dit soort fraudezaken te onderzoeken?
Het OM beschikt niet over deze gegevens omdat niet wordt geregistreerd op beroepsgroep of beroep van de verdachte. Bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten moeten doorlopend keuzes worden gemaakt in het grote aanbod van strafbare feiten. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de ernst van het strafbare feit, de impact ervan op de slachtoffers en de complexiteit van de strafzaak. Deze afweging vindt plaats in het licht van het overige werkaanbod en de prioriteiten in de aanpak van de veiligheids- en criminaliteitsproblematiek binnen de regio en moet daarom regionaal worden gemaakt.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat er landelijk genoeg capaciteit is om frauderende bewindvoerders aan te pakken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel zaken met bewindvoerders zijn inmiddels door het OM behandeld en hoeveel veroordelingen zijn hieruit voortgekomen?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel klachten over bewindvoerders zijn binnengekomen bij de kantonrechter?
Deze vraag heb ik voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak (hierna: Rvdr). De Rvdr bericht dat het niet mogelijk is het aantal klachten te benoemen dat door kantonrechters wordt ontvangen. Klachten worden «los» ingediend bij de kantonrechter, maar zitten ook «verpakt» in:
Klachten die «verpakt» zijn in verzoeken en de vijfjaarlijkse evaluatie worden niet als zodanig geregistreerd.
Hoe is geborgd dat de gedupeerde cliënten hun geld terugkrijgen en wat is de positie van de cliënten indien de bewindvoerders het geld reeds vergokt hebben?
Beschermingsbewindvoerders die hun cliënten schade berokkenen, kunnen per zaak worden aangepakt, maar de rechter kan ook maatregelen nemen in alle dossiers die een beschermingsbewindvoerder heeft. Als een beschermingsbewindvoerder zijn cliënt schade berokkent, is hij hiervoor aansprakelijk en kan de cliënt, maar bijvoorbeeld ook zijn naaste familie, de rechter verzoeken om de beschermingsbewindvoerder te ontslaan. De rechter kan de beschermingsbewindvoerder ook ambtshalve ontslaan, bijvoorbeeld op basis van klachten. Verder kan de rechter de beschermingsbewindvoerder zo nodig in al diens dossiers ontslaan. Het onderzoek van de rechtbank naar de beschermingsbewindvoerder vindt plaats binnen het lopende toezicht op het functioneren van de beschermingsbewindvoerder. Ook het verzoek tot ontslag van de beschermingsbewindvoerder wordt behandeld binnen het lopende toezicht. Aan het indienen van een dergelijk verzoek zijn dan ook in beginsel geen kosten verbonden. Als de beschermingsbewindvoerder wordt ontslagen moet hij een eindrekening en -verantwoording opmaken. Wanneer de cliënt of opvolgend beschermingsbewindvoerder bezwaar heeft tegen de eindrekening en -verantwoording, bijvoorbeeld vanwege het vermoeden van fraude, kan de rechter de schade vaststellen die de ontslagen beschermingsbewindvoerder aan de cliënt heeft berokkend, bijvoorbeeld doordat de beschermingsbewindvoerder geld van de cliënt heeft vergokt. Vervolgens kan de rechter de opvolgend beschermingsbewindvoerder de opdracht geven om de schade te verhalen op de ontslagen beschermingsbewindvoerder.
Wsnp-bewindvoerders keren aan de schuldeisers uit hetgeen gedurende de schuldsanering op de boedelrekening wordt gespaard. Als de Wsnp-bewindvoerder die gelden zichzelf toe-eigent, dupeert hij daarmee dus de schuldeisers. De rechtbank Limburg heeft verzekerd dat het optreden van de Wsnp-bewindvoerder geen nadelige gevolgen heeft gehad voor de schuldenaren zelf, die in de meeste gevallen inmiddels een schone lei hebben gekregen. De schone lei na afloop van de Wsnp is immers een beloning voor het nakomen van de schuldsaneringsverplichtingen tijdens de procedure en daar staat fraude door de Wsnp-bewindvoerder los van.
Erkent u dat het moeilijk is voor mensen die een bewindvoerder zoeken om duidelijk te krijgen welke bewindvoerders betrouwbaar zijn en welke niet?
De kwaliteit van professionele beschermingsbewindvoerders kan sinds 2014 beter worden geborgd. In dat jaar zijn bij wijziging van het Burgerlijk Wetboek kwaliteitseisen geïntroduceerd.2 De rechtspraak houdt toezicht op de naleving van de eisen. Kandidaat-beschermingsbewindvoerders moeten sinds 1 april 2014 aan de eisen voldoen voordat zij kunnen worden benoemd.
Beschermingsbewindvoerders die voor die datum zijn benoemd, moeten vanaf 1 april 2016 aan de eisen voldoen. Eenmaal benoemd moeten alle professionele beschermingsbewindvoerders jaarlijks aantonen dat zij aan de eisen voldoen, onder meer door een verslag van een accountant te overleggen. Voor de toets aan de kwaliteitseisen heeft de rechtspraak het Landelijk Kwaliteitsbureau (hierna: LKB) geïnitieerd. Om benoemd te kunnen worden, moeten kandidaten daar een toelatingsverzoek indienen. Na toelating moeten beschermingsbewindvoerders jaarlijks een handhavingsverzoek indienen bij het LKB. Door de introductie van de kwaliteitseisen heeft de rechtspraak beter zicht gekregen op de kwaliteit van beschermingsbewindvoerders. Als een beschermingsbewindvoerder door het LKB of een kantonrechter op een rechtbank onbetrouwbaar wordt geacht, zal deze niet door de kantonrechter worden benoemd.
De rechtspraak zet zich in om de informatievoorziening over beschermingsbewind en bewindvoerders uit te breiden. Zo wordt er gewerkt aan een kennisnetwerk in een online omgeving waarin burgers informatie kunnen vinden over beschermingsbewind. Verder is het LKB bezig met de ontwikkeling van een «witte lijst», waarop professionele beschermingsbewindvoerders, mentoren en curatoren staan vermeld die op dat moment benoembaar zijn. Beschermingsbewindvoerders die om welke reden dan ook niet benoembaar zijn, worden niet op deze lijst genoemd. Om fouten in de lijst te voorkomen moet er een realtime koppeling worden gemaakt tussen deze openbare witte lijst en de lijst van het LKB met benoembare beschermingsbewindvoerders. De energie die in dit traject wordt gestoken ondersteun ik van harte. Ook om die reden zie ik nu geen aanleiding voor de aanleg van een «zwarte lijst» met beschermingsbewindvoerders.
Wat de schuldsaneringsregeling aangaat, is het de insolventierechter die een Wsnp-bewindvoerder benoemt uit het register van de Raad voor Rechtsbijstand. Wie een verzoek doet om te worden toegelaten tot de schuldsanering heeft dus geen invloed op de keuze van de Wsnp-bewindvoerder. Om in het register van benoembare Wsnp-bewindvoerders te kunnen worden opgenomen moet men aan allerlei opleidings- en kwaliteitseisen voldoen. Een absolute garantie tegen kwaadwillenden kunnen deze eisen niet bieden. Omdat de rechter bij de benoeming iemand in een afhankelijke positie plaatst ten opzichte van de Wsnp-bewindvoerder die de boedel beheert, is het toezicht door de rechter-commissaris in het leven geroepen. Dat heeft in de zaak van de Wsnp-bewindvoerder tot ontslag geleid.
Wat gaat u doen om te zorgen dat mensen die een bewindvoerder zoeken goed terecht komen? Bent u bereid een zwarte lijst aan te leggen van foute bewindvoerders?
Zie antwoord vraag 8.
Kunnen gemeenten een rol spelen in het aanwijzen van goede bewindvoerders?
In de beantwoording van eerdere vragen van uw Kamer heb ik aangegeven dat gemeenten hun kennis over slecht functionerende beschermingsbewindvoerders kunnen delen met rechtbanken, door een klacht in te dienen, en in individuele zaken vragen om een beschermingsbewindvoerder te ontslaan. Het is aan de praktijk om ideeën over het delen van informatie te onderzoeken en zo nodig te ontwikkelen. Initiatiefnemers dienen zich daarbij in elk geval rekenschap te geven van privacy- en mededingingsaspecten. Als een gemeente de rechter verzoekt beschermingsbewind in te stellen kan zij daarbij een kandidaat-bewindvoerder voorstellen. Op deze manier kunnen gemeenten eraan bijdragen dat beschermingsbewindvoerders worden benoemd die volgens hen goed functioneren. Het contact met rechtbanken vind ik de meest aangewezen route voor gemeenten om ervaringen met beschermingsbewindvoerder te delen. Een klacht komt dan terecht bij degene die toezicht houdt op het functioneren van de beschermingsbewindvoerder en die het best in staat is om dat functioneren te beoordelen: de rechter. De rechter beslist vervolgens of er reden is om met de beschermingsbewindvoerder in gesprek te gaan of zelfs over te gaan tot ontslag.
Bent u bereid gemeenten de mogelijkheid te geven om een lijst met regionaal aanbevolen bewindvoerders aan te leggen?
Zie antwoord vraag 10.
Waar kunnen mensen terecht met klachten over bewindvoerders? Indien er geen adequate voorziening bestaat, bent u bereid deze in te richten?
Als een cliënt van een beschermingsbewindvoerder of bijvoorbeeld naaste familie van de cliënt een klacht hebben over een bewindvoerder, kunnen zij die indienen bij de bewindvoerder. De beschermingsbewindvoerder is verplicht een klachtenregeling hebben. Als de bewindvoerder is aangesloten bij een branchevereniging, kan ook daar een klacht worden ingediend. Het staat een cliënt en bijvoorbeeld zijn naaste familie daarnaast vrij om de rechter te benaderen met een klacht.
Voor de schuldsaneringsregeling geldt dat een klacht kan worden ingediend bij de rechter-commissaris over het handelen of nalaten van de Wsnp-bewindvoerder op grond van artikel 317 van de Faillissementswet. Dat kan door de schuldenaar zelf, maar ook door ieder van de schuldeisers. Daarnaast heeft Bureau Wsnp van de Raad voor Rechtsbijstand een Gedragscode voor Wsnp-bewindvoerders ontwikkeld en een klachtenregeling aan de hand waarvan men zich ook kan vervoegen bij de Raad voor Rechtsbijstand.
Het niet kunnen vervolgen van Syriëgangers |
|
Attje Kuiken (PvdA), Lilianne Ploumen (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Proces tegen Syriëganger voorbij als Nederland geen actie onderneemt»?1
Ja.
Betekent de uitspraak van de rechter dat in het geval de verdachte Syriëgangster niet binnen drie maanden naar Nederland komt, de kans dat zij vervolgd kan gaan worden gering is? Zo ja, betekent dat dan ook dat mogelijke ernstige misdaden onbestraft blijven? Zo nee, waarom niet en hoe duidt u die uitspraak dan?
De rechtbank heeft in haar tussenbeschikking aangegeven dat een strafzaak op grond van artikel 29f van het Wetboek van Strafvordering geëindigd kan worden verklaard indien de vervolging niet wordt voortgezet. Hierbij heeft als maatstaf te gelden dat het, gelet op inactiviteit van het Openbaar Ministerie (OM) en/of de lange duur van het onderzoek, onredelijk is dat de vervolging nog doorgang vindt. De rechtbank constateert dat het OM voortdurend actief heeft getracht het kabinet te bewegen om de nodige stappen te ondernemen om het bevel tot gevangenneming van de rechtbank ten uitvoer te leggen. Gedurende de afgelopen twee jaar is echter gebleken noch gesteld dat concrete stappen zijn ondernomen om de verdachte naar Nederland overgebracht te krijgen, aldus de rechtbank. Onder de huidige omstandigheden acht de rechtbank het onredelijk dat de vervolging in Nederland van de verdachte nog langer doorgang vindt. De rechtbank heeft deze beslissing op verzoek van het OM echter uitgesteld tot 2 juni 2020, waardoor de officier van justitie in de gelegenheid wordt gesteld alsnog (duidelijkheid over de) voortgang in de zaak te (geven of te) krijgen.2
In het geval dat de strafzaak door de rechtbank geëindigd wordt verklaard, stopt de strafrechtelijke vervolging van de verdachte voor de in deze strafzaak tenlastegelegde feiten. De verdachte kan dan voor die feiten niet meer strafrechtelijk worden vervolgd, maar wel nog voor eventuele andere strafbare feiten, mochten die aan het licht komen.
Deelt u de mening dat de kans bestaat dat indien rechters vaker van mening zullen zijn dat er zonder de aanwezigheid van een verdachte er in gelijkaardige zaken geen vervolging kan plaatsvinden, dat dan ook die misdrijven mogelijk onbestraft zullen blijven? Zo nee, waarom niet?
De rechter maakt in elke strafzaak op basis van de omstandigheden van dat geval de afweging of, indien de verdachte niet ter terechtzitting is verschenen, tegen de verdachte verstek kan worden verleend. Indien in een strafzaak een verzoek tot beëindiging van die strafzaak is gedaan, zal de rechter ook dat verzoek beoordelen op grond van de specifieke omstandigheden van dat geval. Een algemeen antwoord valt dan ook niet te geven.
Verandert u naar aanleiding van deze uitspraak het beleid ten aanzien van het terughalen naar Nederland van verdachte Syriëgangers? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet en neemt u dan op de koop toe dat het belang van vervolging en berechting wordt geschaad en Syriëgangers hun straf door het beleid kunnen ontlopen?
Het Kabinet beoordeelt het vraagstuk van de repatriatiering van Nederlandse uitreizigers uit Syrië aan de hand van de volgende drie uitgangspunten: de veiligheidssituatie in de regio, de internationale betrekkingen en de veiligheid van de betrokkenen. Het belang van de nationale veiligheid en – in het verlengde daarvan – de veiligheid van andere Schengenlanden wordt altijd meegewogen. Hierbij worden continu en nauwlettend de steeds veranderende situatie en het geheel van bekende feiten en omstandigheden in ogenschouw genomen. In relatie tot de beschikkingen van de rechtbank onderzoekt het Kabinet momenteel de mogelijke effecten van de tussenbeschikking van de rechter. Indien verandering van het huidige beleid plaatsvindt, zal de Kamer hierover worden geïnformeerd.
De onveilige situatie voor homo’s en transgenders in Iran |
|
Attje Kuiken (PvdA), Kirsten van den Hul (PvdA) |
|
Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD), Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Nederland schat situatie homo's Iran verkeerd in»?1 Kent u de brief van 6Rang aan de Nederlandse regering met betrekking tot het asielbeleid voor Iran?2
Ja.
Deelt u de mening van 6Rang dat u bij het samenstellen van het ambtsbericht over de veiligheidssituatie in Iran niet alle relevante gegevens uit rapporten van 6Rang hebt gebruikt en dat de situatie van LHTBI’s helemaal niet verbeterd is? Zo ja, waarom is dat gebeurd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en waaruit blijkt dan dat u wel ten volle gebruik hebt gemaakt van de rapporten van 6Rang?
Een ambtsbericht geeft – voor zover mogelijk – op basis van een breed scala aan bronnen feitelijke informatie over de situatie in het betreffende land, in het bijzonder voor bepaalde groepen in de maatschappij. Voor Iran betreft dat onder meer de situatie van LHBTI’s. De informatie wordt zoveel mogelijk geverifieerd bij verschillende bronnen alvorens deze wordt opgenomen in het ambtsbericht. Informatie die uit één bron afkomstig is en/of onvoldoende geverifieerd kan worden, wordt doorgaans niet opgenomen in het ambtsbericht. Hierdoor kan het lijken dat selectief gebruik is gemaakt van bronnen, maar is feitelijk een gevolg van source assessment.
In verband met de motie Voordewind/Groothuizen van 19 december 20193 is nader onderzoek verricht naar de situatie van christenen en LHBTI’s. Dit is gedaan aan de hand van een analyse van bronnen die ter onderbouwing van de motie zijn aangedragen door de indieners van de motie. Bij deze analyse zijn daarnaast onder meer de rapporten en de brief van 6Rang betrokken. De conclusie van het onderzoek is dat de situatie zoals deze beschreven is in het ambtsbericht van maart 2019 bevestigd wordt. Tevens wordt geconcludeerd dat de situatie van deze twee groepen sinds het uitkomen van het ambtsbericht niet wezenlijk veranderd is. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het huidige beleid te herzien. Voor de argumenten en de analyse die daaraan ten grondslag liggen verwijs ik u naar de brief van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Buitenlandse Zaken die u gelijktijdig met deze Kamervragen ontvangt.
Op basis van een volgend ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken zal ik bezien hoe deze situatie zich, onder meer voor LHBTI’s en christenen, zich verder ontwikkelt. In 2021 is een update van het ambtsbericht Iran voorzien.
Hebt u inmiddels een aanvullende inventarisatie gemaakt ter aanvulling op het genoemde ambtsbericht? Zo ja, wat is de uitkomst daarvan en heeft u de brief en rapporten van 6Rang daarbij betrokken? Zo nee, wanneer komt u wel met een nieuwe inschatting van de veiligheidssituatie voor LHBTI’s in Iran en wilt u daarbij de brief en rapporten van 6Rang betrekken?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht dat hoogbejaarden in woonzorgcentrum Mariaoord te Rosmalen dekens moeten omdoen omdat de verwarming in de gangen uitgezet is wegens CO2-gekte |
|
Geert Wilders (PVV), Fleur Agema (PVV) |
|
Hugo de Jonge (viceminister-president , minister volksgezondheid, welzijn en sport) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht: «Dekens tegen de kou op gangen Mariaoord Rosmalen»?1
Ja.
Deelt u de mening dat hoogbejaarden niet de dupe mogen worden van CO2-gekte? Zo ja, wat gaat u ondernemen zodat deze instelling deze hoogbejaarden niet langer letterlijk door de kou laat gaan? Zo nee, in hoeveel gevangenissen is de verwarming inmiddels uitgezet?
Met u ben ik van mening dat een aangename en prettige woonomgeving voor kwetsbare ouderen die in een verpleeghuis wonen van groot belang is. Daar hoort wat mij betreft ook bij dat het binnenklimaat moet aansluiten bij de behoefte van de bewoners. Dit is overigens in lijn met Kwaliteitskader Verpleeghuiszorg. Dit kader schrijft voor dat bewoners moeten kunnen rekenen op een goede woonomgeving, waaronder ook een goede klimaatbeheersing te rekenen is. Overigens is het ook voor zorgverleners belangrijk dat zij hun werk kunnen doen in een prettige omgeving.
Het bericht waar u aan refereert in het Brabants Dagblad (van 18 februari 2020) gaat over een zorginstelling die net als vijf andere zorginstellingen mee doet aan een wedstrijd om organisaties te helpen om sneller duurzaam te worden. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de maatregelen er niet toe leiden dat het comfort van bewoners in het geding komt. De zorginstelling in kwestie onderschrijft dit belangrijke uitgangspunt. Daarom worden ingezette maatregelen geëvalueerd met bewoners en de cliëntenraad opdat het comfort van de bewoners niet in het geding komt.
Tot slot, de IGJ houdt toezicht op de veiligheid en kwaliteit van de zorg in verpleeghuizen door middel van het analyseren van gegevens en het afleggen van bezoeken. Wanneer de IGJ oordeelt dat de kwaliteit of veiligheid van zorg onvoldoende is, wordt gekeken naar de oorzaken en wordt indien nodig handhavend opgetreden. Wanneer klachten omtrent de woonomgeving van verpleeghuisbewoners of specifiek de klimaatbeheersing voorkomen, kan dat voor de IGJ aanleiding zijn om onderzoek te doen en te interveniëren.
Het bericht ‘Ondernemers durven politie niet in te schakelen en zwijgen over afpersing‘ |
|
Thierry Aartsen (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ondernemers durven politie niet in te schakelen en zwijgen over afpersing»?1
Ja.
Kunt u aangeven hoeveel ondernemers in 2019 te maken hebben gehad met afpersing? Zo nee, waarom niet?
Uit politieregistraties blijkt dat in 2019 1409 keer aangifte is gedaan van afpersing en/of chantage. Het is niet mogelijk om op basis van de registratie onderscheid te maken tussen ondernemers en particulieren.
Klopt het dat de Vertrouwenslijn Afpersing in 2019 slechts 25 keer advies heeft verstrekt? Kunt u aangeven hoe vaak de hulplijn is ingeschakeld door ondernemers in 2019?
De Vertrouwenslijn Afpersing is in 2019 124 telefonisch benaderd. In 17 cases is een dossier opgemaakt en heeft de hulplijn een concreet advies aan ondernemers gegeven. De overige contacten waren signalen van sextortion, financiële/zakelijke conflicten zonder dreiging, waarbij de hulplijn heeft verwezen naar andere organisaties en instanties. Het grootste deel van de meldingen wordt door de front-office telefonisch afgehandeld, van een deel van de meldingen wordt een dossier voor ondernemers samengesteld. Naast ondernemers wordt de meldlijn ook veel benaderd door particulieren.
Kunt u een overzicht geven van het aantal keer dat de Vertrouwenslijn Afpersing sinds haar oprichting is ingeschakeld door ondernemers, opgesplitst per jaar? En kunt u een overzicht toevoegen van de vervolgacties?
2016: 232 keer telefonisch benaderd, 22 dossiers opgemaakt voor ondernemers
2017: 70 keer telefonisch benaderd, 12 dossiers opgemaakt voor ondernemers
2018: 85 keer telefonisch benaderd, 15 dossiers opgemaakt voor ondernemers
2019: 124 keer telefonisch benaderd, 17 dossiers opgemaakt voor ondernemers
Bij al deze dossiers zijn er concrete maatwerk adviezen gegeven aan ondernemers. Dit zijn adviezen in acties zoals warme overdracht naar afpersingspecialisten binnen de nationale politie eenheden, het doen van aangiftes bij politie, adviezen over veiligheid en (rechts)bijstand.
Herkent u het beeld dat door een woordvoerder van de hulpijn wordt geschetst dat de hulplijn nog niet bekend genoeg is bij ondernemers? Zo ja, wat bent u van plan te ondernemen om meer bekendheid te verwerven voor de hulplijn? Zo nee, kunt u dit toelichten?
Afpersing behoort tot het soort misdaad dat wordt bestempeld als «verborgen delicten». Angst werkt voor deze groep ondernemers (slachtoffers) verlammend en kan pas worden doorbroken als de ondernemers weten waar zij laagdrempelig hulp/advies kunnen krijgen en het vertrouwen voelen deze hulplijn veilig te kunnen bellen. Daarom heeft het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing in de afgelopen jaren opnieuw aandacht gegeven aan het vergroten van de bekendheid van de meldlijn. Door extra communicatie vanuit NL Confidential, maar ook via de Ondernemer Alert bijeenkomsten die landelijk worden georganiseerd om ondernemers bewust te maken van de risico’s voor ondermijnende criminaliteit. Hierbij worden ook handelingsperspectieven geboden, waarbij de meldlijn wordt genoemd.
Kunt u aangeven binnen welke sectoren afpersing van ondernemers het vaakst voorkomt en wat de aard en omvang is?
Dit is voor de Vertrouwenslijn niet te concluderen. De hulplijn ontvangt signalen van afpersing uit een groot scala van sectoren. Vooralsnog is er geen specifieke sector die in de dossiers bovengemiddeld voorkomt.
Welke maatregelen bent u bereid te treffen om de aangiftebereidheid en de pakkans van de daders te verhogen, gezien het feit dat uit onderzoek blijkt dat ondanks dat één op de tien ondernemers te maken heeft met afpersing, jaarlijks slechts enkele tientallen aangiften binnen komen bij de politie?
De politie is erop gericht dat contact tussen burger/ondernemer en politie zo laagdrempelig mogelijk verloopt. Hierbij wordt geluisterd naar de behoefte van de burger. Wanneer de burger een aangifte of melding wil doen moet dit zo makkelijk mogelijk worden gemaakt. Daarom kan de burger kiezen uit het medium dat het beste bij hem/haar past: op het bureau, via internet, telefonisch, bij een agent op straat, bij het slachtoffer thuis, en in verschillende plaatsen in de wijk zoals wijksteunpunten. De politie werkt voortdurend aan het verbeteren van de kanalen voor burgercontact.
Bent u bereid om verder, in samenwerking met brancheorganisaties, maatregelen te treffen om ondernemers die risico lopen, beter te ondersteunen en daar waar nodig te beschermen? Zo ja, zou u hierover de Kamer willen informeren bij het eerstvolgende algemeen overleg criminaliteitsbestrijding?
Binnen het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing spreek ik regelmatig met branches, politie en openbaar ministerie over actuele ontwikkelingen en de (voortgang van de) integrale aanpak van verschillende vormen van criminaliteit. Bij brief van 23 juli 2019 (Kamerstuk 29 911, nr. 251) heb ik uw kamer het Actieprogramma Veilig Ondernemen toegestuurd. Onderdeel van dit actieprogramma is de publiek private aanpak van ondermijnende criminaliteit, waarbij maatregelen worden getroffen gericht op het vergroten van de weerbaarheid van ondernemers, specifiek in een aantal kwetsbare branches. Ik ga met partners in overleg over hoe meldingen van ondernemers op een toegankelijke en veilige manier kunnen worden opgepakt. Verder onderzoek ik hoe de Platforms Veilig Ondernemen een brugfunctie kunnen vervullen tussen ondernemer en daartoe aangewezen instanties. Ik zal de Kamer hierover nader informeren.
Het bericht ‘Agressie tegen verkeersregelaars in Twente neemt toe: we zijn tandeloze tijgers’ |
|
Chris van Dam (CDA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Agressie tegen verkeersregelaars in Twente neemt toe: We zijn tandeloze tijgers»?1
Ja.
Klopt de berichtgeving uit het artikel dat agressie tegen verkeersregelaars aan het toenemen is? Zijn er cijfers bekend over de mate waarin evenementen- en beroepsverkeersregelaars agressief bejegend worden? Wat is uw beeld als het gaat om agressie en geweld tegen verkeersregelaars?
Ik wil vooropstellen dat agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak ontoelaatbaar is. Verkeersregelaars dragen bij aan een veilig Nederland, en agressie en geweld tegen hen moet bestraft worden. Een harde daderaanpak (verhoging van strafeis met +200%), sneller straffen en prioritair behandelen van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak zijn hoofdonderdelen van de Eenduidige Landelijke Afspraken (ELA) tussen OM en politie. Deze afspraken zijn dan ook van toepassing als het gaat om agressie en geweld tegen verkeersregelaars.
Er zijn geen registratiecijfers beschikbaar van de beroepsgroep verkeersregelaars over agressie en geweld in hun branche. De politie beschikt ook niet over cijfers over het aantal gevallen van agressie en geweld tegen verkeersregelaars. Wanneer mensen met een publieke taak melding maken of aangifte doen van fysiek of verbaal geweld bij de uitvoering van hun werkzaamheden, wordt dit in het registratiesysteem van de politie geregistreerd onder de code VPT (Veilige Publieke Taak). Bij deze registratie wordt de functiegroep van de betrokkene niet eenduidig geregistreerd. Het is daarom niet mogelijk om deze VPT gecodeerde registraties uit te splitsen per functiegroep. Derhalve kan geen uitspraak gedaan worden over een eventuele meerjarige trend.
De politie heeft wel een lijst met beroepsgroepen als richtlijn om te bepalen of een bepaalde beroepsgroep een VPT-code zou moeten krijgen. Verkeersregelaars staan op die lijst.
Vallen verkeersregelaars die bijvoorbeeld bij voetbalwedstrijden of bij wegwerkzaamheden worden ingezet onder het programma Veilige Publieke Taak (VPT)? In hoeverre gelden de eenduidige landelijke afspraken(ELA) die politie en het Openbaar Ministerie gemaakt hebben inzake de aanpak van agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak ook voor verkeersregelaars? Hoe kan het dat verkeersregelaars niet of nauwelijks op de hoogte zijn van deze ELA? Bent u bereid om verkeersregelaars onder de werking van deze ELA te brengen?
Verkeersregelaars voeren een wettelijke en daarmee publieke taak uit. Het programma Veilige Publieke Taak (VPT) onder coördinatie van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, dat liep tot 2017, stimuleerde onder andere preventieve maatregelen tegen agressie en geweld tegen functionarissen met een publieke taak, en dus ook verkeersregelaars. Dit programma is geëvalueerd en daarover is uw kamer vorig jaar bericht.2 De ELA zijn onverminderd van kracht. Deze zijn van toepassing indien er sprake is van agressie en geweld tegen verkeersregelaars.
Een onderdeel van het programma VPT was het stimuleren van werkgevers om informatie over VPT en de ELA met hun werknemers te delen. Na afronding van het programma VPT is dit uitgangspunt van werkgeversverantwoordelijkheid ten aanzien van informatieverstrekking overeind gebleven. Het instrumentarium wat indertijd ontwikkeld is, is nog steeds voor werkgevers en anderen toegankelijk op www.agressievrijwerk.nl.
Herkent u het probleem dat verkeersregelaars wel bevoegd zijn om aanwijzingen en een stopteken te geven, maar dat zij niet bevoegd zijn om overtreding daarvan te handhaven? Welke mogelijkheden zijn er om verkeersregelaars in de uitoefening van hun werkzaamheden meer back-up te geven? Wat vindt u van het voorstel uit het artikel om verkeersregelaars – dan wel enkele, specifiek daartoe opgeleide verkeersregelaars – de status van buitengewoon opsporingsambtenaar te geven, zodat zij zelf boetes kunnen uitdelen en de pakkans daardoor vergroot wordt?
Het klopt dat de bevoegdheden van verkeersregelaars beperkt zijn tot het geven van aanwijzingen en het geven van stoptekens. Zoals in een brief aan uw Kamer van is aangegeven is er sprake van een complementaire taakverdeling tussen politie en gemeentelijke BOA’s.3 Binnen die taakverdeling, waarbij de gemeentelijke BOA’s zich richten op overtredingen die overlast veroorzaken en tot kleine ergernissen leiden, en de politie belast is met het handhaven van de openbare orde en veiligheid, past het niet om de verkeersregelaars een BOA status te geven t.b.v. de opsporing van strafbare gedragingen van verkeersdeelnemers die gericht zijn tegen de persoon van de verkeersregelaar.
Ik vind het belangrijk dat mensen hier voldoende voor geëquipeerd zijn, en ik moedig het daarom aan dat werkgevers en organisatoren ervoor zorgen dat voldoende aandacht wordt besteed aan het omgaan met (dreiging van) agressie en geweld door verkeersregelaars. Het staat de verschillende aanbieders van opleidingen of e-learning instructie tot verkeersregelaar vrij dit onderdeel toe te voegen indien dit niet het geval is. De werkgever van de beroepsverkeersregelaar en de evenementenorganisator die de evenementenverkeersregelaar inzetten hebben een verantwoordelijkheid jegens hun verkeersregelaars.
De politie behandelt een melding van agressie en geweld tegen een verkeersregelaar op dezelfde manier als andere meldingen van agressie en geweld tegen beambten die een publieke taak vervullen. Zodra de politie een dergelijke melding krijgt, zal de politie daar sterk tegen optreden.
De antwoorden op de schriftelijke vragen over het bericht 'Computer zegt nee. Hoe Saskia twintig jaar vastliep in het systeem' |
|
Mahir Alkaya (SP) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw toezegging aan de Kamer in het vragenuurtje op 17 december 2019 dat u met een passende oplossing zult komen voor deze kwestie? Waarom is dat nog niet gelukt?1 2
Tijdens het vragenuurtje heb ik aangegeven dat ik nog een laatste poging wilde doen om te komen tot een oplossing voor mevrouw. Toen ik op 4 juni 2018 hoorde van de situatie van mevrouw heb ik de zaak naar BZK toe getrokken om namens alle betrokken partijen naar een totaaloplossing te zoeken. Begin juli 2018 heb ik de directeuren van de betrokken overheidsorganisaties om de tafel gezet om inzicht te krijgen in de situatie. Sinds september 2018 ben ik met mevrouw en de vertegenwoordiging van mevrouw in gesprek om te bezien hoe zo spoedig mogelijk tot een in alle opzichten redelijke totaaloplossing te kunnen komen. We hebben in deze gesprekken ons uiterste best gedaan om tot een oplossing te komen waar alle partijen zich in konden vinden en hierbij de grenzen van het juridisch mogelijke opgezocht. Helaas heeft deze laatste poging niet tot een voor mevrouw afdoende resultaat geleid. Hiermee moet ik helaas constateren dat mijn rol als coördinator van deze casus ten einde komt en dat er geen vervolggesprekken meer zullen plaatsvinden.
Wat is de stand van zaken bij de zoektocht naar een passende oplossing in deze complexe situatie, die u zelf «hemeltergend» heeft genoemd in het vragenuurtje? Streeft u nog steeds naar compensatie?
Zie antwoord vraag 1.
Heeft de politie-eenheid Rotterdam haar fout in deze kwestie toegegeven? Was hun optreden in deze kwestie volgens u proportioneel en zou een disproportionele en onterechte behandeling door de politie niet ook moeten leiden tot ruimhartige compensatie voor materiële en immateriële schade?
Ja, aangezien er niet onomstotelijk is vast komen te staan dat mevrouw op de hoogte is gebracht van het terugvinden van de auto, heeft de politie vast moeten stellen dat de politie in gebreke is gebleven. Daar zijn excuses voor aangeboden. De verzekeraar van de politie is met mevrouw in gesprek gegaan over een passende compensatie. Ik heb begrepen dat de verzekeraar toen niet met mevrouw tot een oplossing is gekomen. De vraag of door de politie proportioneel of disproportioneel is gehandeld, speelt in deze kwestie niet. De (verzekeraar van de) politie heeft bij het bepalen van het voorstel voor de omvang van de compensatie rekening gehouden met de situatie.
Wat is de totale materiële schade die de mevrouw in kwestie heeft geleden als gevolg van fouten bij overheidsinstanties, buiten haar eigen schuld om? Bent u bereid om zo snel mogelijk de mevrouw in kwestie in ieder geval te compenseren voor alle onterecht geïnde kosten door RDW en de belastingdienst vanaf 1998?
Er heeft uitgebreid overleg plaatsgevonden over alle aspecten van de situatie met mevrouw zelf en haar vertegenwoordiging. Daarnaast hebben de betrokken organisaties – voor zover kan worden teruggegaan – de betaalde sancties, verhogingen, deurwaarderskosten en aanslagen gecorrigeerd.
Het staat mij, mede gelet op de privacy van betrokkene, niet vrij om mededelingen te doen over de omvang van de door mevrouw gevorderde schade en het aan haar aangeboden voorstel. Als rijksoverheid hebben wij gezocht naar een totaaloplossing voor mevrouw waarbij we alle aspecten van de situatie hebben meegenomen. In onze zoektocht hebben we hierbij de grenzen van het juridisch mogelijke opgezocht. In zijn algemeenheid kan ik wel zeggen dat ik erg teleurgesteld ben dat het niet is gelukt om tot een oplossing te komen.
Bent u bereid om vervolgens ruimhartig met de mevrouw in kwestie te spreken over compensatie voor alle immateriële schade? Is het bijvoorbeeld waar dat zij al jaren en nog steeds afgesloten is van stadsverwarming, en zo ja, wat vindt u daarvan?
Zie antwoord vraag 4.
Hoe hoog was het laatste bod dat de regering de mevrouw in kwestie heeft geboden ter compensatie van alle materiële en immateriële schade, en hoe verhoudt dit zich tot de daadwerkelijk geleden schade? Is deze verhouding gebruikelijk?
Zie antwoord vraag 4.
Deelt u de mening dat materiële schade, die burgers ondervinden buiten hun eigen schuld door fouten bij de overheid, altijd volledig gecompenseerd moet worden?
De vraag of en zo ja, in hoeverre burgers een schadevergoeding kunnen ontvangen in geval van fouten door de overheid, dient te worden beantwoord aan de hand van het daarvoor geldende wettelijke kader en kan per geval anders zijn. In algemene zin sta ik er uiteraard voor dat de overheid haar verantwoordelijkheid in geval van fouten neemt.
Is er in deze complexe situatie ook sprake geweest van een foutieve of dubbele registratie in systemen?
Zoals ik ook in mijn eerdere beantwoording heb aangegeven was er in dit geval sprake van een verzuim om een wijziging in de juridische situatie van de kentekenregistratie op het juiste moment door te geven. Dit heeft ertoe geleid dat de gegevens in de registratie achteraf bezien onjuist waren. Vervolgens was sprake van onvoldoende communicatie tussen organisaties en afdelingen, waardoor dit verzuim niet tijdig is herkend en opgelost.
Bent u bereid om namens de regering excuses aan te bieden aan de mevrouw in kwestie?
In november 2018 heb ik, tijdens mijn gesprek met mevrouw, aangegeven dat het mij spijt dat ze door de overheid verkeerd is behandeld.
Het artikel ‘Burgemeesters roepen na gewelddadig weekeinde op tot messenverbod voor minderjarigen’. |
|
Attje Kuiken (PvdA), Jeroen van Wijngaarden (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Burgemeesters roepen na gewelddadig weekeinde op tot messenverbod voor minderjarigen»?1
Ja.
In hoeverre is de toevoeging van het verbod op stiletto-, vlinder- en valmessen in de circulaire wet wapens en munitie effectief gebleken? Hoeveel individuele wapenverzamelaars hebben sinds 2012 de ontheffing op verbod gekregen en hoeveel aanvragen zijn er afgewezen?
Of de genoemde toevoeging van het verbod op stiletto-, vlinder- en valmessen effectief is gebleken is niet aan te geven, aangezien onbekend is hoe de situatie zonder die toevoeging zou zijn geweest.
Op grond van artikel 4 van de Wet wapens en munitie zijn er sinds 2012 zeven ontheffingen afgegeven in het kader van het verzamelen van messen (messenverzamelaars) en drie aanvragen daarvoor zijn afgewezen. Ik heb geen indicatie dat verzamelaars van wapens een aandeel hebben in de problematiek van illegaal wapenbezit.
Kunt u uiteenzetten op welke manier de preventie, waarover de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in uw naam heeft gesproken tijdens het vragenuur van 14 januari 2020, tot uiting zal komen, naast het preventief fouilleren dat u in uw brief van 3 februari 2020 toelichtte?
De Minister van Rechtsbescherming en ik zijn met onder andere burgemeesters en politie in gesprek over de mogelijkheden om het wapenprobleem aan te pakken. Zoals toegezegd tijdens het genoemde vragenuur en in de brief van 3 februari informeer ik uw Kamer over de uitkomsten in het voorjaar.
Kunt u delen hoe de eerste gesprekken met onder andere de politie omtrent meerdere steekincidenten de afgelopen tijd verlopen? Bent u tevens in gesprek met belangenorganisaties van wapen- en munitiebezitters, in- en externe deskundigen, vertegenwoordigers van de diverse ministeries en de burgemeesters van de betrokken gemeentes, zoals Nissewaard, Ridderkerk, Haarlemmermeer en Smallingerland?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid de lijst met verboden wapens uit te breiden wanneer uit de analyses die de politie nu uitvoert blijkt dat er wapens tussen zaten die niet verboden waren?
Op basis van de Wet wapens en munitie is elk voorwerp verboden als gelet op de aard van het voorwerp en de omstandigheden waaronder het voorwerp wordt aangetroffen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat dit is bestemd om letsel aan personen toe te brengen of te dreigen. Onder deze omstandigheden kan dus ook het dragen van bijvoorbeeld schroevendraaiers en kleinere keukenmessen in de openbare ruimte verboden en dus strafbaar zijn. Zoals aangegeven in de eerdergenoemde brief acht ik dat vooralsnog een afdoende verbodsbepaling. Mocht uit de gesprekken anderszins blijken, dan ben ik uiteraard bereid dit standpunt in heroverweging te nemen.
Bent u bereid te bekijken hoe de regels ten aanzien van steekwapens kunnen worden aangescherpt? Hoe kijkt u aan tegen het voorstel van de burgemeesters Van Oosten uit Nissewaard en Attema uit Ridderkerk voor een wettelijk verbod voor minderjarigen om überhaupt een mes op zak te hebben?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid om, in overleg met de politie, het Openbaar Ministerie, het genootschap van burgemeesters, belangenorganisaties van wapenbezitters en andere deskundigen, te bezien of de waarborgen voor het controleren of een aanvrager van een wapen nog steeds kan worden beschouwd als een «actief en serieus verzamelaar» nog voldoen en eventueel uit te breiden? Zo ja, bent u bereid een verslag van dit overleg met de Kamer te delen?
Zoals aangegeven in het antwoord op de vragen 3 en 4 zijn de Minister van Rechtsbescherming en ik met onder andere burgemeesters en politie in gesprek over de mogelijkheden om het wapenprobleem aan te pakken. Ik informeer uw Kamer in het voorjaar over de uitkomsten daarvan.
Het Ministerie van JenV, de politie en de Dienst JUSTIS staan doorlopend met elkaar in contact over de uitvoering van de zogenoemde «Korpscheftaken» uit de Wet wapens en munitie. Bij de aanvraag voor een ontheffing en wapenverlof vindt screening van de aanvrager plaats, onder meer met behulp van referenten. De screening is onlangs nog aangescherpt met de – fasegewijze – invoering van de e-screener. Een ontheffing en een verlof is een jaar geldig; bij verlenging wordt de screening opnieuw uitgevoerd. De politie voert gedurende het jaar ook controles uit, waaronder een huisbezoek. Ook voor wapenhandelaren geldt een erkennings- en controlesystematiek dat gericht is op het tegengaan van illegale handel in wapens.
Het bericht ‘Einde van lintje voor brandweerlieden zorgt voor bittere smaak: “wij zetten een stap naar voren als anderen er een terug doen”’ |
|
Jan de Graaf (CDA), Bas van 't Wout (VVD) |
|
Raymond Knops (staatssecretaris binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht aangaande de teleurstelling bij de brandweer over het besluit dat brandweervrijwilligers sinds 1 januari 2020 niet meer in aanmerking komen voor een lintje voor het feit dat zij twintig jaar of langer hebben gediend?1
Ja.
Deelt u de mening dat, juist omdat nu veel onrust en onduidelijkheid is over de rol van brandweervrijwilligers, een dergelijke onderscheiding en erkenning kan bijdragen aan het behoud en werven van brandweervrijwilligers?
Brandweervrijwilligers zijn een essentiële en zeer op prijs gestelde component van de brandweerzorg in Nederland. Ik hecht zeer aan de inzet van brandweervrijwilligers en acht het dan ook van groot belang dat er ruime waardering voor brandweervrijwilligers wordt geuit. Dit gebeurt op verschillende wijzen, waarvan de betreffende onderscheiding er één is (zie tevens het antwoord op vraag 4).
De Minister van BZK heeft vanuit de beleidsverantwoordelijkheid voor het decoratiestelsel ingestemd met het advies van het Kapittel voor de Civiele Orden om per 1 januari 2020 te stoppen met het (semi-)automatisch decoreren op basis van langdurige (vrijwillige) dienst, omdat het niet meer past in het huidige decoratiebeleid. Ik onderschrijf het besluit van de Minister van BZK dat na overleg met mij als verantwoordelijke voor het stelsel van de Brandweerzorg is genomen. Ik zie dan ook geen reden om hierover in gesprek te treden met de Kanselarij. De huidige discussie over de rol en rechtspositie van de brandweervrijwilligers doet aan dit alles niets af.
Klopt het dat brandweervrijwilligers onder de huidige regeling wel onderscheiden kunnen worden door Brandweer Nederland, maar daardoor niet meer lid worden van de Orde van Oranje-Nassau?
Nee. Een brandweervrijwilliger die een onderscheiding van Brandweer Nederland toebedeeld heeft gekregen voor langdurige trouwe dienst, kan ook worden benoemd in de Orde van Oranje-Nassau, zij het niet meer automatisch na 20 jaar, maar alleen nog bij gebleken persoonlijke bijzondere verdiensten voor de brandweer.
Blijkt volgens u, onder de regeling die per 1 januari 2020 van kracht is, dezelfde mate van erkenning en waardering voor het werk van brandweervrijwilligers als tijdens de voorgaande regeling?
De erkenning en waardering voor het werk van brandweervrijwilligers blijft onverminderd groot. Er zijn verschillende mogelijkheden om brandweervrijwilligers te decoreren en daarmee erkenning en waardering te tonen voor hun inzet. Een benoeming in de Orde van Oranje-Nassau blijft mogelijk op basis van bijzondere persoonlijke verdiensten. Brandweervrijwilligers kunnen ook in aanmerking komen voor de vrijwilligersmedaille Openbare Orde en Veiligheid; dat geldt voor vrijwilligers die over een periode van tien jaar of meer jaren werkzaamheden hebben verricht als vrijwilliger. Daarnaast kent de Brandweer in Nederland eigen medailles voor trouwe en langdurige dienst en ook voor bijzondere verdiensten. Naar verwachting worden de brandweeronderscheidingen voor trouwe dienst en voor verdiensten nog dit jaar officieel erkend en daarmee opgenomen in het decoratiestelsel.
Biedt de herziening van de rechtspositie van brandweervrijwilligers, de mogelijkheid om brandweervrijwilligers weer te onderscheiden voor hun trouwe langdurige dienst zoals dat voor 1 januari 2020 het geval was? Bent u bereid hierover in gesprek te treden met de Kanselarij der Nederlandse Orden?
Zie antwoord vraag 2.
Het bericht ‘Boeren in Bladel krijgen massaal drugsbrieven: ‘Mijn cliënt zoekt ruimte voor hennepplanten’’ |
|
Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD), Helma Lodders (VVD) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Boeren in Bladel krijgen massaal drugsbrieven: «Mijn cliënt zoekt ruimte voor hennepplanten»»?1
Ja.
Bent u bekend met het feit dat gemeente en politie nagemaakte drugsbrieven hebben rondgestuurd naar honderden mensen in het buitengebied van Bladel? Zo ja, kunt u aangeven of dit onderdeel uitmaakt van een bredere voorlichtingscampagne en -aanpak en kunt u aangeven hoe deze eruit ziet?
Ja. De gemeente Bladel heeft alle inwoners uit het buitengebied voor een speciale informatieavond met het thema «NEE tegen drugscriminaliteit» uitgenodigd. De uitnodiging lijkt in eerste instantie op een aanbod om voor lucratieve bedragen ruimtes beschikbaar te stellen voor illegale hennepproductie, maar als de uitnodiging wordt opengeklapt blijkt dat het een brief van de gemeente Bladel is om inwoners uit te nodigen voor een informatieavond en hen alert te maken voor drugscriminaliteit. Juist doordat de informatie in de brief levensecht overkomt wordt beoogd het besef bij te brengen dat in de praktijk daadwerkelijk inwoners op deze wijze met geldbedragen worden benaderd ruimtes beschikbaar te stellen voor activiteiten als een hennepkwekerij.
De gemeente Bladel organiseerde deze informatieavond in samenwerking met onder andere de politie en de Taskforce – RIEC van Brabant Zeeland om burgers te informeren over de risico’s en problemen die gepaard gaan met de drugscriminaliteit. De campagne van gemeente Bladel betreft een lokale voorlichtingscampagne en aanpak, maar mij is bekend dat in meerdere gemeenten in zowel Brabant als Limburg dergelijke informatieavonden worden georganiseerd.
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat elders in het land echte drugsbrieven van criminelen zouden rondcirculeren waarin zij met lucratieve bedragen inwoners proberen om te kopen? Zo ja, wat wordt momenteel ondernomen tegen dergelijke praktijken?
Ja. Ik deel de mening dat het onwenselijk is dat burgers benaderd worden door criminelen om met hen in zee te gaan.
Er zijn diverse initiatieven om dit soort praktijken tegen te gaan. Zo organiseren de tien regionale Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) bewustwordingsavonden over ondermijning en georganiseerde criminaliteit. De informatieavonden zijn onderdeel van een proces «Veilig Buitengebied», waarin duidelijk en zichtbaar wordt hoeveel en wat voor soort criminele activiteiten zich in het buitengebied afspelen. Bij deze aanpak zijn zowel publieke partijen als politie, gemeente, brandweer, omgevingsdiensten en natuurbeschermingsorganisaties als private partijen zoals ondernemersverenigingen betrokken. Doelstelling van «Veilig Buitengebied» is criminele activiteiten preventief te verstoren en te frustreren. Tijdens de bijeenkomsten «Ondernemers Alert» en «Buitengebied Alert» worden deelnemers bewust gemaakt van deze en andere manieren waarop criminelen burgers proberen te verleiden om de georganiseerde criminaliteit te faciliteren. Op de bijeenkomsten worden handvatten aangereikt om te voorkomen dat burgers ingaan op het aanbod van criminelen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van foldermateriaal en tips van deskundigen in netwerkgesprekken. Het Ministerie van JenV ondersteunt deze initiatieven.
Daarnaast besteedt de politie middels campagnes aandacht aan het melden van verdachte situaties via verschillende kanalen, zoals de wijkagent of via Meld Misdaad Anoniem. Elke melding of aangifte op het vlak van ondermijning, waaronder ook dergelijke drugsbrieven van criminelen, wordt door de politie serieus genomen en bij voldoende indicatie vindt opvolging plaats door de keten.
Is bij u bekend waar precies in Nederland soortgelijke brieven van criminelen rondcirculeren? Zo ja, bent u bereid om met deze regio’s in overleg te treden om verdere maatregelen te treffen en de Kamer hier spoedig over te informeren? Zo nee, bent u bereid hier op korte termijn onderzoek naar te doen?
Een duidelijk en helder beeld over de precieze omvang ontbreekt, maar aangenomen kan worden dat dit soort praktijken in het hele land voorkomen. PVO’s komen overal in het buitengebied soortgelijke brieven van criminelen tegen.
Zoals omschreven in de contourennota «breed offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit» is een belangrijke plek ingeruimd voor preventie en zijn hiervoor ook middelen beschikbaar gesteld binnen de 110 miljoen die per najaarsnota beschikbaar is gesteld. Via de PVO’s gaan we het «Keurmerk Veilig Ondernemen» inzetten in 30 winkelgebieden, bedrijventerreinen en in de buitengebieden waar de ondermijnende problematiek zich het meest manifesteert. Daarnaast wordt er capaciteit vrijgemaakt voor een pilot gericht op het versterken van de samenwerking tussen de PVO‘s en de RIEC‘s. Zodra er resultaten bekend zijn zal ik uw Kamer hier nader over informeren in een brief over de voortgang van het «breed offensief tegen georganiseerde ondermijnende criminaliteit».
Kunt u aangeven in welke andere provincies dit soort praktijken plaatsvinden? Kunt u een overzicht geven per provincie?
Zie antwoord vraag 4.
Is bij u bekend of ook in andere risicogemeenten informatieavonden aangekondigd zijn die binnenkort plaatsvinden, zoals in de nagemaakte brief van de gemeente Bladel en de politie? Zo ja, bent u bereid om naderhand in overleg te treden met de desbetreffende gemeenten om deze avonden te evalueren en bij succes uit te rollen naar andere risicogebieden? Zo nee, waarom niet?
Zoals omschreven bij de antwoorden op de vragen 3, 4 en 5 wordt er veel ondernomen om burgers en agrariërs/ondernemers te informeren over de risico’s met betrekking tot drugscriminaliteit, zowel op nationaal, regionaal en lokaal niveau.
Het CCV en de PVO’s evalueren de door hen georganiseerde initiatieven. Voorts delen gemeenten best practices. Ik juich dat toe. Om dat te stimuleren organiseer ik ook jaarlijks samen met het Landelijk Informatie en Expertise Centrum een mini symposium drugscriminaliteit. Het symposium is «van professionals, voor professionals» voor iedereen die werkzaam is bij de (semi-)overheid. Als er aanleiding toe is ben ik van zelfsprekend bereid om uw Kamer te informeren.
Bent u bereid om verder, al dan niet in samenwerking met risicogemeenten, maatregelen te nemen om mensen die risico lopen, beter voor te lichten en daar waar nodig te beschermen? Zo ja, zou u hierover de Kamer willen informeren bij het eerstvolgende algemeen overleg over georganiseerde criminaliteit?
Zie antwoord vraag 6.
Kunt u aangeven of er op dit moment meldpunten zijn voor boeren waar zij zich toe kunnen wenden?
Iedereen in Nederland die benaderd wordt voor dergelijke praktijken kan zich wenden tot de gemeente en politie, bijvoorbeeld bij de wijkagent. Ook kan een melding worden gedaan bij Meld Misdaad Anoniem.
Bent u op de hoogte dat er door beleidsuitvoering en beleidsvoornemens zoals het verbod op pelsdierhouderij en warme sanering varkenshouderij steeds meer bedrijfsgebouwen leeg komen te staan? Wat vindt u ervan dat ondernemers aanlopen tegen regelgeving waardoor er geen andere functie kan worden toegekend aan deze leegstaande gebouwen?
Het beeld dat steeds meer bedrijfsgebouwen leeg komen te staan door beleidsuitvoering en beleidsvoornemens herken ik niet. De Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) is op 15 januari 2020 gesloten, de subsidie zal door RVO rondom 15 april a.s. worden beschikt. Subsidie wordt verstrekt voor het ingeleverde varkensrecht (marktconform) en voor het waardeverlies van de stallen (forfaitair op basis van leeftijd en omvang) om op deze wijze te garanderen dat de varkenshouderijlocatie definitief en onherroepelijk wordt beëindigd, zoals staatssteunkaders vereisen. Daarbij hoort de opgelegde sloopverplichting van alle gebouwen die voor het houden van varkens in gebruik zijn (geweest). Pas maximaal acht maanden nà beschikking zijn de stallen leeg en de mest afgevoerd en 14 maanden nà beschikking moeten de stallen zijn gesloopt. Volgend op beide termijnen is in alle gevallen controle en toezicht voorzien, uitgevoerd door de NVWA en de omgevingsdiensten.
Een van de onderdelen van het flankerend beleid van de Wet verbod pelsdierhouderij is een subsidieregeling gericht op de sloop en/of ombouw van pelsdierhouderijen. De subsidie beoogt vanuit landschappelijk oogpunt dat ongebruikte of verouderde opstallen verdwijnen in het geval er geen zicht of mogelijkheid is op hergebruik van die opstallen. Daarnaast is het vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk dat percelen waarop de pelsdierhouderijen gevestigd waren, een nuttige bestemming krijgen. Ten derde wordt door deze regeling, vanuit economisch perspectief, bijgedragen aan de wens dat de voormalige nertsenhouder een snelle doorstart kan maken in de uitoefening van nieuwe bedrijfsactiviteiten. Tot slot stimuleert de regeling het verwijderen van asbest uit de te slopen en om te bouwen pelsdierhouderijen.
Voor de pelsdierhouderij geldt dat de gebouwen wel nog, door ombouw, ingezet kunnen worden voor een andere functie.
Bent u bereid om met lokale en provinciale overheden in gesprek te gaan over leegstaande bedrijfsgebouwen en een alternatieve bestemming? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u de Kamer voor de zomer informeren over de uitkomst van deze gesprekken?
In algemene zin is voorkomen van leegstaande vrijkomende bedrijfsgebouwen doorgaans een zaak van maatwerk. Het rijk speelt daar niet altijd een rol bij. Waar het rijk wel een rol speelt is er overleg, bijvoorbeeld via trajecten als het InterBestuurlijk Programma, de RegioDeals, en de omgevingsagenda’s. Het vraagstuk rond de vrijkomende agrarisch bebouwing (VAB) is dan indien nodig onderwerp van gesprek.
Voor de in antwoord 9 genoemde regelingen in het bijzonder geldt dat het verplicht slopen van de stallen onderdeel van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv) is en bij het flankerend beleid van de Wet verbod pelsdierhouderij slopen dan wel ombouwen.
De berichtgeving ‘Zelden rechtszaak na verkrachting’ |
|
Kathalijne Buitenweg (GL) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Kent u de berichtgeving waaruit blijkt dat tot oktober 2019 tenminste 945 zedenzaken langer dan een half jaar in behandeling zijn, waarvan tenminste 90 zedenzaken langer dan twee jaar?1
Ja.
Kunt u zich uw brief herinneren van 12 november 2019 waarin u stelt dat de politie ernaar streeft in zedenzaken het dossier «zo snel mogelijk in te sturen naar het OM» en dat «uiterlijk binnen 6 maanden na aangifte»?2 Erkent u dat de termijnen momenteel in veel gevallen niet gehaald worden?
Ja, zie het antwoord op vraag 3.
Hoe is het mogelijk dat bij tenminste 90 zedenzaken er meer dan twee jaar overheen gaan?
Seksuele misdrijven zijn ernstige misdrijven met voor slachtoffers vaak heel indringende, langdurige en vaak ook traumatiserende gevolgen. Zowel voor het slachtoffer en zijn of haar naasten als voor de opsporing is het van belang dat zedenzaken zo snel mogelijk in behandeling worden genomen. De aanpak van zedenzaken wordt door de politie en het OM altijd serieus genomen. De meeste zedenteams kennen een hoge werkdruk en de onderzoeken hebben een hoge mate van complexiteit, waardoor de doorlooptijden van onderzoeken onder druk staan. Hier liggen verschillende oorzaken aan ten grondslag. Zedenzaken zijn veelal complex en vragen om diepgaand onderzoek door gespecialiseerde zedenrechercheurs. Voorts is het vinden van bewijs in een zedenzaak meestal niet eenvoudig. Dit vraagt van de politie een uiterst zorgvuldige en zeer gedetailleerde manier van horen van betrokkenen. Tevens bevatten zedenzaken steeds vaker een digitale component, waardoor meer en andersoortige onderzoekswerkzaamheden moeten plaatsvinden.
Mede gelet op de huidige werkdruk en doorlooptijden kan de zedenpolitie maar een beperkt aantal zedenzaken tegelijk behandelen. De zedenpolitie geeft, onder gezag van het OM, prioriteit aan zaken waarbij sprake is van acuut gevaar, risico op herhaling of bijzondere maatschappelijke onrust.
Met dank aan uw Kamer is tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen op 19 september jl. de motie van het lid Klaver c.s. aangenomen waarbij structureel 15 miljoen extra beschikbaar wordt gesteld voor extra capaciteit voor de zedenpolitie, opleiding tot zedenrechercheurs en forensisch (medisch) onderzoek. Met de extra middelen wil ik de aanpak van zedenzaken verder verbeteren en doorlooptijden terugbrengen.
Kunt u uiteenzetten wat voor impact de lange doorlooptijden hebben voor de slachtoffers en voor een goede rechtsgang, waaronder het toelaten van bewijs?
Zedenzaken moeten zo snel mogelijk worden onderzocht. Dit komt zowel de opsporing (inclusief bewijsgaring) als de verwerking van de gebeurtenissen door slachtoffers ten goede. Ik ben mij er zeer van bewust dat zedenzaken ingrijpend zijn voor slachtoffers en andere betrokkenen.
Verwacht u dat de toegezegde capaciteitsuitbreiding van de zedenpolitie voldoende is om binnen afzienbare tijd de doorlooptijden van zedenzaken terug te brengen naar de veronderstelde termijnen? Zo nee, wat is daar dan voor nodig?
Mijn verwachting is dat met de uitbreiding van de zedenteams naar aanleiding van de motie van het lid Klaver c.s.3 – waarbij structureel 15 miljoen extra beschikbaar wordt gesteld voor extra capaciteit voor de zedenpolitie, opleiding tot zedenrechercheurs en forensisch (medisch) onderzoek – een stevige impuls gegeven wordt aan de kwaliteit en capaciteit in de behandeling van zedenzaken en daarmee ook aan de doorlooptijden bij zedenzaken. In totaal komen er gefaseerd circa 90 zedenrechercheurs bij, inclusief informatierechercheurs en analisten.
In hoeverre zijn de veronderstelde termijnen wettelijk, of anderszins, vastgelegd?
De beleidsregel «Aanwijzing Zeden» (2016A004) van het OM biedt samen met de Politie-instructie Zeden, Kinderpornografie en Kindersekstoerisme een kader en regels voor de strafrechtelijke aanpak van zedenzaken. In deze aanwijzing staan ook de uitgangspunten weergegeven waar een opsporingsonderzoek naar een zedendelict in beginsel aan moet voldoen.
In mijn brief van 26 juni 20194 betreffende de voortgang in het uitvoeren van verschillende ambities in de strafrechtketen is verwezen naar de normen die gelden voor zedenzaken. Deze normen zijn de uitkomst van een proces waarbij professionals en verschillende ketenpartners hebben vastgesteld wat de gewenste ontwikkeling en richting is voor de komende jaren. Als norm waarnaar wordt toegewerkt geldt dat 80% van de zedenzaken (m.u.v. kinderporno) binnen 6 maanden na melding of aangifte door de politie naar het OM moet zijn gestuurd (voor kinderpornozaken is dit binnen 7 maanden), dat 80% van de zedenzaken binnen 6 maanden na ontvangst van de politie op zitting moet zijn geweest en dat 80% van de zedenzaken binnen 3 maanden na zitting in eerste aanleg een eindvonnis moet krijgen. Jaarlijks ontvangt uw Kamer van mij de factsheet Strafrechtketenmonitor waarin de cijfers over de doorlooptijden over het afgelopen jaar zijn opgenomen. De eerstvolgende factsheet ontvangt uw Kamer uiterlijk in de maand juni van dit jaar.
Bent u het eens dat de juiste zorg en hulp bij seksueel geweld van enorm belang is? Bent u bereid, gezien het grote aantal zedenzaken, alsnog extra middelen beschikbaar te stellen voor het Centrum van Seksueel Geweld?
Het is belangrijk dat slachtoffers van seksueel geweld tijdig passende zorg en hulp krijgen. Slachtoffers kunnen naar de politie en/of naar een Centrum Seksueel Geweld (CSG). Bij het CSG werken artsen, verpleegkundigen, politie en hulpverleners samen om hulp en zorg te bieden. Bij acute gevallen (binnen 7 dagen na de ongewenste seksuele ervaring) komt het slachtoffer in contact met een persoonlijk begeleider bij het CSG die vraagt wat het slachtoffer nodig heeft. Hier kan een slachtoffer forensisch onderzoek, medische en psychologische hulp ontvangen en kan er met ondersteuning van de begeleider contact opgenomen worden met een slachtofferadvocaat of Slachtofferhulp Nederland. Als het slachtoffer aangeeft ook aangifte te willen doen, wordt er contact met de politie gelegd. Ook kan een slachtoffer indien nodig verwezen worden naar vervolghulp.
Het CSG heeft in het najaar 2019 bij de Minister voor Rechtsbescherming aangegeven onvoldoende middelen te hebben. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de financiering en de regionale borging van de 16 CSG’s binnen het gemeentelijk zorg- en ondersteuningsaanbod. Het is aan gemeenten om besluiten te nemen over de begrotingen van de 16 CSG’s en met hen afspraken te maken binnen welk budget dat kan. Verder bereiden de ministeries van VWS en JenV, samen met de VNG, momenteel een onderzoek voor dat meer inzicht moet geven in de ontwikkelingen bij en de financiering van het CSG. Uw Kamer wordt over de uitkomsten van dit onderzoek te zijner tijd geïnformeerd.
Bent u van mening dat de juiste hulp voorhanden is ook bij minderjarige slachtoffers van zedenmisdrijven? Zijn er gegevens bekend hoeveel minderjarigen slachtoffer zijn van seksueel misbruik en hiervoor geen adequate behandeling krijgen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
In de slachtoffermonitor brengt de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen tweejaarlijks in beeld hoeveel kinderen hulp krijgen voor seksueel geweld. Niet al het seksueel geweld komt aan het licht. Slachtoffers vertellen er vaak niet over of wenden zich met een andere hulpvraag tot een hulpverlener. Het is een moeilijk meetbaar fenomeen en daarom laat de Minister van VWS een onderzoek uitvoeren (in afstemming met de Nationaal Rapporteur) naar de mogelijkheden van informatieverzameling om inzicht te krijgen hoeveel jongeren die slachtoffer zijn van seksueel geweld en/of kindermishandeling jeugdhulp krijgen en welke vorm van hulp. De resultaten worden voor de zomer verwacht en met uw Kamer gedeeld.
Waarom worden verdachten van verkrachting zelden vervolgd, en in nog veel minder gevallen bestraft? Wat vindt u ervan dat van de 437 aangiften tot oktober 2019 er 277 zaken onvoorwaardelijk zijn geseponeerd? Is dit op enerlei te wijten aan een gebrek aan capaciteit bij politie of OM?
Zoals gezegd zijn zedenzaken complexe zaken die alleen worden behandeld door gespecialiseerde zedenmedewerkers. Het is echter ook zo dat een melding niet altijd kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek en dat strafrechtelijk onderzoek niet altijd kan leiden tot een veroordeling. Het al dan niet instellen van een strafrechtelijk onderzoek is onder andere afhankelijk van de wensen van het slachtoffer, alsmede de straf- en bewijsbaarheid van het delict. De belangen van het slachtoffer wegen zwaar mee bij de afweging of en zo ja, hoe in een zedenzaak strafrechtelijk opgetreden moet worden door politie onder verantwoordelijkheid van het OM of door het OM. De veiligheid van slachtoffers en de risico’s op herhaald slachtofferschap en herhaald daderschap moeten hierbij steeds goed voor ogen worden gehouden. Bij evident gebrek aan bewijs wordt de zaak geseponeerd. In geval van twijfel over de mate van bewijs, wordt, gelet op de ernst van de feiten, de zaak in beginsel toch voorgelegd aan de rechter.
De beschikbare capaciteit bij politie en OM verandert dit beeld niet.
De aanpak van seksuele misdrijven is een belangrijke prioriteit. In dat kader heb ik op dit moment ook een voorontwerp van een wetsvoorstel tot modernisering van de seksuele misdrijven in voorbereiding. Met de nieuwe wetgeving laat ik de strafbaarstelling van seksuele (en seksueel getinte) misdrijven beter aansluiten bij de maatschappelijke realiteit. Ook wordt de strafwet meer in lijn gebracht met de internationale ontwikkelingen, zoals het Verdrag van Istanbul. Het voorontwerp bevat heldere en op onderdelen aangescherpte strafrechtelijke normstelling over wat strafwaardig gedrag is in Nederland. Slachtoffers van seksueel grensoverschrijdend gedrag worden hierdoor beter beschermd. Het nieuwe wettelijke kader maakt een effectieve strafrechtelijke reactie mogelijk op veelvoorkomende vormen van seksuele grensoverschrijding waarmee onze samenleving indringend wordt geconfronteerd.
Hoe kan het dat slechts 37 procent van de onderzochte verkrachtingsmeldingen bij de politie tot een aangifte leidde? In hoeveel van de resterende 63 procent hebben slachtoffers er zelf voor gekozen om het niet tot een aangifte te laten komen?
Na een informatief gesprek met de politie doet 56% van de zedenslachtoffers aangifte. Dit percentage varieert per delict. Er wordt bijvoorbeeld vaker aangifte gedaan in geval van ontucht met kinderen dan in geval van verkrachting. Een lager percentage bij verkrachting kan mede komen doordat verkrachting soms moeilijker bewijsbaar is, zoals reeds toegelicht in het antwoord op vraag 9. Het wel of niet doen van aangifte is bovendien een persoonlijke beslissing van het slachtoffer. Slachtoffers hebben veel verschillende, vaak heel begrijpelijke redenen om na het informatief gesprek af te zien van het doen van aangifte. Van ontmoediging om aangifte te doen is geen sprake.
Wanneer komt de Inspectie Justitie & Veiligheid met haar bevindingen hoe de politie omgaat met de aangiften van zedenslachtoffers? Wat is de onderzoeksvraag? Komt de Inspectie Justitie & Veiligheid met aanbevelingen om te voorkomen dat slachtoffers worden ontmoedigd aangifte te doen van zedenzaken?
De planning van de Inspectie Justitie en Veiligheid is om voor de zomer van dit jaar haar bevindingen te publiceren. Centraal in het inspectieonderzoek staat hoe zedenrechercheurs de slachtoffers bejegenen en hoe zedenslachtoffers deze bejegening ervaren. De Inspectie spreekt hiertoe met zedenrechercheurs en met slachtoffers. Ik zal uw Kamer informeren over de uitkomsten van het onderzoek.
Bent u bereid bovenstaande vragen vóór 20 februari één voor één te beantwoorden?
Voor de beantwoording van de vragen was afstemming met de verschillende betrokken partijen nodig, waardoor het niet mogelijk is gebleken om de Kamervragen voor 20 februari te beantwoorden.
Het bericht ‘Groeiend verzet tegen Saudisch vrachtship Bahri Yanbu vol wapens’ en ‘Don't let Saudi arms ship dock in UK, say campaigners’. |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Achraf Bouali (D66) |
|
Sigrid Kaag (minister zonder portefeuille buitenlandse zaken) (D66), Stef Blok (minister buitenlandse zaken) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Groeiend verzet tegen Saudisch vrachtschip Bahri Yanbu vol wapens» en «Don't let Saudi arms ship dock in UK, say campaigners»?1
Ja.
Klopt het dat ditzelfde schip tijdens een eerder bezoek aan verschillende Europese havens in mei 2019 voor tientallen miljoenen dollars aan wapens heeft getransporteerd, bestemd voor de oorlog in Jemen?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken beschikt niet over eigenstandige informatie over de doorvoer van militaire goederen via de lucht- of zeehavens van andere EU-lidstaten.
Kunt u bevestigen dat de Saudische eigenaar van het schip toegegeven heeft dat er ook nu militair materieel aan boord is?
Het kabinet heeft kennisgenomen van openbare berichtgeving die meldt dat de Saoedische eigenaar van de Bahri Yanbu zou hebben toegegeven dat er militair materieel aan boord is van het schip. Aangezien het schip niet via een Nederlandse haven is gereisd en Nederland geen contact heeft met de eigenaar van het desbetreffende schip is het kabinet niet in staat om deze berichtgeving te bevestigen.
Kunt u bevestigen dat dit schip de komende twee weken verschillende Europese havens aan zal doen?
Aangezien het schip niet via een Nederlandse haven reist en Nederland geen contact heeft met de eigenaar van het desbetreffende schip verkeert het kabinet niet in de positie om deze berichtgeving te bevestigen.
Klopt het dat mede door druk vanuit het maatschappelijke middenveld voorkomen is dat het schip aanmeert in Antwerpen?
Het kabinet heeft kennisgenomen van openbare berichtgeving die meldt dat het schip niet is aangemeerd in de haven van Antwerpen. Het kabinet beschikt niet over aanvullende informatie omtrent de routering van dit schip.
Bent u van mening dat EU-landen die het Arms Trade Treaty geratificeerd hebben en op basis van het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU over wapenuitvoer, niet mee zouden mogen werken aan de uitvoer van wapens of ander militair materieel die gebruikt kunnen worden in de oorlog in Jemen waar oorlogsmisdaden worden gepleegd?
Het kabinet is van mening dat het onwenselijk is om militaire goederen te leveren die ingezet kunnen worden bij de oorlog in Jemen. Het Nederlandse wapenexportbeleid ten aanzien van Saoedi-Arabië is, mede vanwege de betrokkenheid van dat land bij schendingen van het humanitair oorlogsrecht en mensenrechten in Jemen, dan ook zeer strikt. Nederland verstrekt geen vergunningen voor de uitvoer of doorvoer van militaire goederen tenzij onomstotelijk vaststaat dat de desbetreffende goederen niet kunnen worden ingezet bij de oorlog in Jemen. Nederland zou een verzoek van de Bahri Yanbu om een lading militaire goederen via een Nederlandse haven te vervoeren dan ook niet hebben gehonoreerd.
Het kabinet blijft EU-lidstaten bij meerdere gelegenheden wijzen op het aangescherpte Nederlandse beleid en andere landen oproepen vergelijkbare maatregelen te hanteren. Wapenexportcontrole blijft echter een nationale bevoegdheid.
Zowel het Wapenhandelverdrag als het EU Gemeenschappelijk Standpunt inzake wapenexport verplicht landen er o.a. toe om wapenexportvergunningaanvragen te toetsen aan het risico dat de te leveren goederen worden ingezet bij het schenden van mensenrechten of het schenden van het humanitair oorlogsrecht. Landen maken deze risico-inschatting op individuele basis. Daarbij wordt altijd een verband gelegd met de aard van de goederen, de eindgebruiker en het uiteindelijke eindgebruik. Indien een land op basis van deze factoren inschat dat het risico op inzet bij de oorlog in Jemen zeer beperkt is, is vergunningverlening in lijn met het EU Gemeenschappelijk Standpunt en het Wapenhandelverdrag alsnog mogelijk.
Bent u bereid EU-lidstaten waar dit schip aan zal meren op te roepen het schip geen toegang te verlenen en hen te wijzen op het Arms Trade Treaty en het Gemeenschappelijk Standpunt van de EU over wapenuitvoer?
Het kabinet heeft EU-lidstaten meermaals gewezen op het Nederlandse wapenexportbeleid dat is aangescherpt vanwege het conflict in Jemen en heeft andere landen ertoe opgeroepen een vergelijkbaar beleid te hanteren. Het kabinet zal dat blijven doen, ook met verwijzing naar bovenstaande casus, onder andere in de EU Raadswerkgroep inzake conventionele wapens COARM.
Kunt u deze vragen apart en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Overheid is te slap tegen witwassen’ |
|
Roald van der Linde (VVD) |
|
Wopke Hoekstra (minister financiën) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Overheid is te slap tegen witwassen»?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe verklaart u dat er bij de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en Transparency International onvrede lijkt te bestaan over de aanpak van witwassen vanuit de overheid? Deelt u de analyse die de NOB maakt?
De onvrede bij de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB) en Transparency International lijkt vooral te worden veroorzaakt doordat zij van mening zijn dat publieke instanties te weinig capaciteit zouden hebben om werk te maken van de transacties die door de FIU-Nederland verdacht zijn verklaard.
Belastingadviseurs en andere poortwachters moeten ongebruikelijke transacties melden bij de FIU-Nederland. De FIU-Nederland kan deze transacties na een nadere analyse vervolgens verdacht verklaren. De verdacht verklaarde transacties worden door de FIU-Nederland aan diverse (bijzondere) opsporingsdiensten en inlichtingen- en veiligheidsdiensten verstrekt.
In dit kader wil ik benadrukken dat de inspanningen die meldingsplichtige instellingen, zoals belastingadviseurs, plegen om hun wettelijke poortwachtersfunctie goed te vervullen van groot belang is. Deze inspanningen leveren een belangrijke bijdrage aan het voorkomen dat het financiële stelsel wordt gebruikt voor witwassen, de onderliggende delicten alsook terrorismefinanciering. Het effectiever maken van de poortwachtersfunctie, onder andere door het intensiveren van de publiek-private samenwerking en het wegnemen van wettelijke barrières voor gegevensdeling tussen private partijen onderling, is een van de pijlers van de aanpak van witwassen. Dit geldt ook voor het versterken van de opsporing en vervolging, inclusief het voldoende follow-up kunnen geven aan de door de FIU-Nederland verdachte transacties. Daarbij merk ik op dat door de instanties betrokken bij de strafrechtelijke opsporing en vervolging van misdrijven op verschillende manieren gebruik wordt gemaakt van verdachte transacties, onder meer als sturingsinformatie, als (onderdeel van) startinformatie voor een strafzaak of als onderdeel van bewijs in een strafzaak. Zowel het OM als de Fiscale Inlichtingen- en OpsporingsDienst (FIOD) beamen in de berichtgeving de relevantie van verdachte transacties bij de opsporing en vervolging van verdachten van misdrijven.
Voor het vraagstuk omtrent de capaciteit verwijs ik naar het antwoord op vraag 3.
Deelt u de mening dat er een capaciteitsprobleem is bij overheidsinstanties zoals de Financial Intelligence Unit (FIU) in het bestrijden van witwassen? Hoe geeft u invulling aan uw uitspraak bij het debat over witwassen op 3 december 2019 dat«Als het zo zijn dat de FIU capaciteit tekort zou komen en dat een bottleneck blijkt te zijn in deze problematiek, [...] dan moeten we dat probleem gewoon oplossen.»»?2 Welke stappen zijn er sindsdien gezet en welke bent u nog voornemens om te zetten?
Op verschillende manieren zijn met betrekking tot de capaciteit van publieke partners reeds stappen gezet. Allereerst is vorig jaar het plan van aanpak witwassen gepresenteerd, waarover begin dit jaar een voortgangsbrief aan uw Kamer is gestuurd.3 Daaruit blijkt dat het kabinet fors investeert in de aanpak van criminele geldstromen, het afpakken van crimineel vermogen en het verstoren van witwaspraktijken. Zo is er bij Voorjaarsnota 2019 een structureel bedrag van € 29 mln. vanaf 2021 vrijgekomen voor de intensivering van de opsporing van witwassen, fraudebestrijding en ondermijning en voor de vergroting van capaciteit bij publieke partners, waaronder de FIU-Nederland, de FIOD en het OM. Daarnaast zijn er tijdelijke middelen aan de FIU-Nederland toegekend voor de aanpak van ondermijning en van cybercrime. Het totaal aantal extra fte voor de FIU-Nederland op basis hiervan is circa 19.
De slagkracht van publieke partijen zal nog verder worden vergroot in het kader van het breed offensief tegen georganiseerde, ondermijnende criminaliteit, wat onderdeel uitmaakt van het plan van aanpak witwassen. Bij Najaarsnota 2019 is incidenteel € 110 mln. vrijgekomen voor een breed offensief georganiseerde, ondermijnende criminaliteit. Onderdeel hiervan is de oprichting van een multidisciplinair interventieteam. Bij Voorjaarsnota 2020 volgt een uitgewerkt plan met bijbehorende financiële dekking.
Daarnaast is in de voortgangsbrief over het plan van aanpak witwassen aangegeven dat we met alle bij dit plan betrokken publieke en private partijen voortdurend het gesprek voeren. Daarbij is ook nadrukkelijk aandacht voor de vraag of de capaciteit van de betrokken publieke partijen toereikend is. In juni 2020 is er opnieuw een overleg ingepland.
In hoeverre is de extra vrijgemaakte 155 miljoen euro de bij Najaarsnota 2019 ingezet voor een uitbreiding van 19 extra fte’s bij de FIU, zoals aangekondigd in de reactie op het voorstel van de VVD ter verbetering van bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering?3 Vindt u 19 fte’s toereikend en in verhouding tot het probleem?
De extra vrijgemaakte gelden bij Najaarsnota 2019 zijn niet ingezet voor een (structurele) uitbreiding van de capaciteit bij de FIU-Nederland.
Met de FIU-Nederland vindt continue overleg plaats of de capaciteit voldoende is in verhouding tot de werkzaamheden die de FIU-Nederland verricht. Dat gebeurt zoals hiervoor aangegeven onder meer in het kader van het plan van aanpak witwassen, waarbij halfjaarlijks een gesprek plaatsvindt met alle bij het plan van aanpak betrokken partijen, waaronder de FIU-Nederland. Naast de reeds toegekende 19 fte’s aan de FIU-Nederland vindt overleg plaats met de
FIU-Nederland over verdere structurele uitbreiding in het licht van de implementatie van de wijziging van de vierde anti-witwasrichtlijn. Ook vindt overleg plaats met de FIU-Nederland over de versterking van de effectiviteit en efficiëntie van de FIU-Nederland door middel van investeringen in technologie.
Deelt u de opvatting dat bij een publiek-private samenwerking een facilitator van cruciaal belang is? In hoeverre bent u voornemens de FIU een dergelijke rol te laten vervullen als facilitator voor interdisciplinaire projecten tussen verschillende organisaties?
Zoals hiervoor aangegeven wordt middels het plan van aanpak witwassen ingezet op de intensivering van de publiek-private samenwerking (PPS). Dat gebeurt onder meer binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC). In het FEC wordt verder per (PPS-)project bezien wie van de samenwerkingspartners optreedt als trekker, deze ook meer faciliterende functie is niet standaard bij één van de partners belegd. Zo is de politie de trekker van de pilot Serious Crime Task Force (SCTF) en de FIOD van het PPS-project Trade Based Money Laundering. FIU-Nederland is één van de partners in het FEC en levert een belangrijke bijdrage aan diverse (PPS-)projecten.
Daarnaast heeft de FIU-Nederland een pilot uitgevoerd waarin analisten van de FIU-Nederland met compliance medewerkers van de Volksbank kennis en expertise hebben uigewisseld over witwasfenomenen. De positieve resultaten van deze publiek-private pilot hebben ertoe geleid dat thans door de FIU-Nederland met de vier grootbanken wordt samengewerkt onder de noemer Fintel Alliance.
Deelt u de mening dat zich ook aan de juridische kant van de strafketen een capaciteitsprobleem voordoet? Zo ja, kunt u aangeven wat u voornemens bent te doen om de rechterlijke capaciteit uit te breiden?
Op de uitbreiding van de capaciteit bij het OM met betrekking tot witwassen ben ik reeds ingegaan in het antwoord op vraag 3. Wat betreft voorzien in voldoende rechterlijke capaciteit geldt dat deze capaciteit wordt gemonitord en jaarlijks herijkt op basis van prognosemodellen (Prognosemodel Justitiële ketens).5 Dit neemt niet weg dat de beschikbare zittingscapaciteit in algemene zin, dat wil zeggen niet specifiek voor witwaszaken, te kort schiet om vlotte doorstroming van alle strafzaken te garanderen. De afgelopen jaren zijn daarom maatregelen getroffen om de capaciteit bij de rechtspraak te vergroten, zoals het versterken van de opleidingscapaciteit, het openstellen van diverse vacatures en het stroomlijnen van de selectieprocedure. De rechtspraak zet daarnaast in op verbetering van doorlooptijden. In dat verband wordt onderzocht hoe het inplannen van zaken efficiënter kan worden ingericht en er worden best practices gedeeld. Dit maakt onderdeel uit van de opgaven waarvoor het kabinet reeds structureel extra financiële middelen beschikbaar heeft gesteld om de rechtspraak in staat te stellen verbeteringen door te voeren die nodig zijn voor een sterke rechtspraak.6
Hoe wordt de breed in de Kamer gesteunde motie over het strenger bestraffen van witwassen uitgevoerd?4 Deelt u de mening dat na aanname van dit verzoek van de Kamer niet volstaan kan worden met het huidige traject?5 Kunt u toezeggen dat aanvullende voorstellen om financiële criminaliteit strenger te bestraffen voor de zomer naar de Kamer worden gestuurd?
Zoals ook in de voortgangsbrief over het plan van aanpak witwassen is aangegeven, zal de uitvoering van de motie worden betrokken bij de beoordeling van de uitkomsten van de lopende evaluatie naar de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit. Deze evaluatie is ingesteld ter uitvoering van een aangenomen motie van uw Kamer, die oproept om deze wet na drie jaar te evalueren op effectiviteit, uitvoerbaarheid en behaalde resultaten.9
Met de invoering van de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit is sinds 1 januari 2015 onder meer de strafbedreiging van de verschillende vormen van witwassen reeds verhoogd. Zo zijn de maximale gevangenisstraffen verhoogd van 4 naar 6 jaar bij opzetwitwassen, van 6 naar 8 jaar bij gewoontewitwassen en van 1 naar 2 jaar bij schuldwitwassen. Tevens kan aan rechtspersonen een hogere strafrechtelijke geldboete worden opgelegd, tot ten hoogste 10 procent van de jaaromzet.
Nederland zal in 2021 tevens worden geëvalueerd door de Financial Action Task Force. Bij de beoordeling of Nederland een effectief anti-witwasbeleid heeft, zal onder meer worden bezien of de ingestelde straffen doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Ook laat de Europese Commissie een onderzoek uitvoeren naar de implementatie en effectieve toepassing van de vierde anti-witwasrichtlijn. Ook deze richtlijn schrijft voor dat sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. De Europese Commissie zal dit rapport uiterlijk 11 januari 2022 publiceren.
De uitkomsten van de drie evaluaties zullen naar uw Kamer worden toegestuurd.
Overheidssteun aan de Grijze Wolven |
|
Jasper van Dijk (SP) |
|
Wouter Koolmees (minister sociale zaken en werkgelegenheid, viceminister-president ) (D66) |
|
|
|
|
Wat is uw oordeel over het rapport: «De hand van de overheid voedt nog altijd de Grijze Wolven», waarbij 22 gemeenten zijn onderzocht op hun banden met de Grijze Wolven?1
Ik ben bekend met de inhoud van het rapport. In algemene zin geldt dat gemeenten een subsidie ter beschikking kunnen stellen als onderdeel van hun beleid. Ter beoordeling van deze aanvragen hanteren zij subsidiekaders. Organisaties waarvan volgens de gemeenten de aanvraag aan de gestelde criteria voldoet, ontvangen subsidies.
Ik ben me ervan bewust dat de Turkse Federatie Nederland (TFN) bekend staat om haar (nationalistische) gedachtegoed2.
In de Nederlandse samenleving is ruimte voor een grote diversiteit van beschouwingen, opvattingen, waardepatronen en leefstijlen. Dit betekent dat mensen de vrijheid hebben hun eigen keuzes te maken binnen de kaders van de democratische rechtsorde. De overheid staat voor deze verworvenheden van onze democratische rechtsstaat. Onze vrijheden zijn echter geen vrijbrief voor antidemocratisch en onverdraagzaam gedrag. Indien dit laatste aantoonbaar het geval is, wordt daar tegen opgetreden.
Deelt u de conclusie dat er tien gemeenten zijn die direct of indirect steun verlenen aan de Grijze Wolven?
Navraag bij deze tien gemeenten leert ons dat bij de gemeenten die voor het versturen van de beantwoording hebben gereageerd, er sprake is (geweest) van een directe of indirecte subsidierelaties tussen gemeenten en de TFN. Deze subsidies zijn verstrekt volgens de daarvoor geldende subsidiekaders, vaak ten behoeve van sociale cohesie of integratiebeleid.
Binnen organisaties valt niet uit te sluiten dat er leden zijn met ideologieën die in strijd zijn met de rechtstaat. De gemeenten die hebben gereageerd, geven aan dat zij de ontwikkelingen met betrekking tot antidemocratisch of onverdraagzaam gedrag, extremisme en radicalisering nauwlettend volgen. Indien blijkt dat leden van de TFN zich hieraan schuldig maken, is dat een zeer kwalijke zaak en zal daar tegen worden opgetreden.
Vindt u het aanvaardbaar dat een extreemrechtse organisatie subsidie en/of andere diensten ontvangt van gemeenten? Zo nee, hoe gaat u deze steunverlening stopzetten?
Het is aan gemeenten om subsidies beschikbaar te stellen en deze toe te kennen aan de subsidieaanvrager.
Het stimuleren van onverdraagzaamheid, haat zaaien en het belemmeren van de integratie en participatie van bevolkingsgroepen door extremistische groeperingen tast de grondrechten van anderen aan. Door dergelijke, mogelijk verhulde, boodschappen en/of gedragingen ontstaat op de lange termijn het risico dat de Nederlandse sociale en politieke stabiliteit wordt aangetast. Dit ziet het Kabinet als ronduit onwenselijk.
Wanneer het Kabinet constateert dat er grenzen overschreden worden op dit gebied, zal het via de daartoe geëigende kanalen actie ondernemen. Vanzelfsprekend wensen Nederlandse gemeenten hieraan niet bij te dragen middels subsidieverlening. Indien er sprake is van verstoring van openbare orde dan zal de burgemeester daar tegen optreden. De politie is alert op strafbare feiten in woord of gedragingen en treedt in deze gevallen op. De beoordeling hiervan ligt bij het Openbaar Ministerie.
Mijn ministerie zet bovendien in op proactieve signalering, trendanalyse en de inzet van kennis en expertise richting gemeenten en gemeenschappen, om ervoor te zorgen dat beginnende maatschappelijke onrust niet escaleert en op de korte termijn (crisis) en lange termijn in goede banen wordt geleid. Zo wil mijn ministerie bijdragen aan handelingsvaardigheid bij de omgang met polarisatie, radicalisering, discriminatie en problematisch gedrag.
Deelt u de conclusie van het rapport dat: «gemeenten Turkse Federatie Nederland lidorganisaties niet langer moeten beschouwen als onschuldige clubjes, maar hen moet herkennen als ultranationalisten en de ondersteuningskraan onmiddellijk moet dichtdraaien»?
Zie antwoord vraag 3.
Bent u bereid om de steun van overheden aan de Grijze Wolven verder te onderzoeken en zo nodig maatregelen te nemen?
Subsidieverstrekking is een eigenstandige bevoegdheid van gemeenten. Hierin mengt het kabinet zich in principe niet. Echter wanneer het kabinet constateert dat er sprake is van gedragingen die de kaders van de democratische rechtsorde overschrijden, dan zal via de daartoe geëigende kanalen actie worden ondernomen.
Het bericht ‘Politie waarschuwt voor vals geld met carnaval, mogelijk via AliExpress gekocht’ |
|
Thierry Aartsen (VVD), Dilan Yeşilgöz-Zegerius (VVD) |
|
Mona Keijzer (staatssecretaris economische zaken en klimaat) (CDA), Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie waarschuwt voor vals geld met carnaval, mogelijk via AliExpress gekocht»?1
Ja, dit bericht is als waarschuwing naar buiten gebracht door de politie in Bergen op Zoom. In het bericht meldt de politie dat verschillende valse briefjes van 50 euro zijn onderschept.
Klopt het dat er valse biljetten van 50 euro kunnen worden gekocht via AliExpress? Zo ja, om hoeveel aanbieders en om hoeveel aanbod gaat het precies?
Ja, nepgeld wordt op verschillende online handelsplatforms aangeboden, waaronder AliExpress. Exacte cijfers ontbreken hier echter over. Er is overigens een verschil tussen vals geld, nepgeld dat voldoet aan de reproductieregels van de Europese Centrale Bank (ECB) (geautoriseerd nepgeld) en nepgeld dat niet voldoet aan de reproductieregels van de ECB (ongeautoriseerd nepgeld). Vals geld is moeilijk van echt te onderscheiden en wordt geproduceerd met het doel om voor echt geld door te gaan. Nepgeld is op zich niet verboden, het moet mogelijk zijn om namaakgeld te gebruiken, bijvoorbeeld voor spelletjes of educatieve doeleinden. Het opzettelijk uitgeven van vervalst geld met het doel dit als echt en onvervalst geld uit te geven is altijd strafbaar, ongeacht of het nep- of vals geld is. Wel dient nepgeld te voldoen aan de door de ECB gestelde voorwaarden voor de reproductie van nepgeld, ter bescherming van de integriteit van de eurobiljetten als betaalmiddel. De voorwaarden zien er onder andere op dat nepgeld te onderscheiden is van echt geld. Nepgeld dat voldoet aan de reproductieregels van de ECB is zodoende gemakkelijk te onderscheiden van echt geld. Nepgeld dat niet voldoet aan de reproductieregels van de ECB hoeft niet geproduceerd te zijn met het doel om voor echt geld door te gaan en is doorgaans relatief makkelijk te onderscheiden van echt geld. Vermoedelijk gaat het bij AliExpress overwegend om ongeautoriseerd nepgeld.
Welke overheidsinstellingen houden toezicht op dergelijke platforms buiten de EU die illegale producten simpel en massaal versturen naar Nederlandse consumenten?
Verschillende overheidsinstellingen zetten zich in om te voorkomen of bestrijden dat vals- of nepgeld (dat niet aan de ECB richtlijnen voldoet) Nederland binnenkomt, in omloop wordt gebracht of ten onrechte wordt aangenomen. Zo houdt de Douane risicogericht toezicht op de EU binnenkomende goederen die via online handelsplatforms kunnen worden besteld. Vals- of nepgeld is één van de vele risico's waarop post- of koerierszendingen worden gecontroleerd. De Douane werkt hiertoe nauw samen met post- en pakketdiensten. Politie en justitie treden op tegen (rechts)personen die geld namaken of het verkopen, bezitten of uitgeven. Ook kunnen zij waarschuwen, zoals is gebeurd in het bericht dat is genoemd in vraag 1. De Nederlandsche Bank (DNB) informeert het publiek, winkeliers en consumenten, op verschillende manieren over de echtheidskenmerken van biljetten en de wijze waarop er nagegaan kan worden of een bankbiljet vals is. In de antwoorden op de hierna gestelde vragen wordt hier nader op ingegaan.
Ten slotte heeft de ECB het auteursrecht op eurobankbiljetten en zijn er voorwaarden gesteld aan de reproductie van nepgeld. Nationale centrale banken kunnen partijen, die gevestigd zijn op hun grondgebied en ongeautoriseerde reproducties van eurobankbiljetten aanbieden, aanspreken met het verzoek dit aanbod te staken en de voorraad te vernietigen of in te leveren bij de centrale bank. Partijen die buiten het grondgebied van de lidstaten gevestigd zijn, kunnen worden aangesproken door de ECB. Indien een nationale centrale bank aanbod aantreft van een partij die gevestigd is buiten haar grondgebied, worden de gegevens over deze partij gedeeld met de ECB.
Hebben zij dit specifieke geval van nep-geld op de radar? Zo nee, waarom niet? Zo ja, zijn er meer voorbeelden van geweest afgelopen periode?
Dit specifieke geval is gesignaleerd door de politie op het moment dat het op de markt kwam. In het algemeen is er relatief weinig vals geld in omloop. De hoeveelheid vals geld dat wel in omloop is, is redelijk stabiel. Hierbij neemt het aantal vervalsingen van lage kwaliteit toe. Er zijn meerdere zendingen van vals geld door de Douane onderschept, namelijk 58 sinds januari 2018, inclusief 24 gevallen sinds januari 2020. Dit nepgeld voldeed niet aan de eisen die de ECB stelt aan toegestaan «nepgeld».
Welke wettelijke mogelijkheden bestaan er op dit moment om ervoor te zorgen dat deze biljetten niet mogen worden verkocht via webwinkels zoals AliExpress? Zijn deze wettelijke mogelijkheden voldoende en voldoende afschrikwekkend om te voorkomen dat er via China illegaal vals geld Nederland binnenkomt? Hoe worden de fraudeurs en verkopers van het valse geld opgespoord?
Valsemunterij is in Nederland strafbaar op grond van de artikelen 208 tot en met 214 van het Wetboek van Strafrecht. Strafbaar is niet alleen het namaken of vervalsen van geld, maar ook het verkopen, bezitten of uitgeven van vals geld. De maximumstraf voor deze feiten kan, afhankelijk van het feitencomplex, oplopen tot negen jaar gevangenisstraf of geldboete van de vijfde categorie. Bij de politie lopen diverse onderzoeken naar verdachten die probeerden vals geld in omloop te brengen. Door de inzet van onder meer digitale expertise en de samenwerking met de Douane en DNB kunnen fraudeurs en verkopers van vals geld worden opgespoord. In vraag 9 ga ik nader in op de instroom van het aantal strafzaken met betrekking tot voornoemde wetsartikelen bij het Openbaar Ministerie (OM).
Welke maatregelen worden er genomen om aanbieders en platforms die illegale nep-bankbiljetten aanbieden aan te pakken? Bent u bereid om de Kamer maandelijks te informeren over het effect van deze maatregel in de vorm van het aantal illegale producten dat wordt aangeboden via Alibaba? Zo nee, waarom niet?
Controle op vals geld kan alleen op fysieke biljetten aan de grens door de douane plaats vinden. Ik kan daarom niet (maandelijks) rapporteren over het aanbod op een individueel platform. Wel zal mijn ambtsgenoot van Economische Zaken en Klimaat u informeren over het gesprek met Alibaba (zie vraag 7).
De ECB heeft in het vierde kwartaal van 2019 contact gehad met de Chinese centrale bank over dit onderwerp. Daarnaast heeft DNB het afgelopen jaar een zestal partijen aangeschreven die gevestigd waren in Nederland met het verzoek het aanbod van ongeautoriseerde reproducties van eurobankbiljetten te staken. Voor een van de partijen geldt dat deze nog in gesprek is met DNB. De andere partijen zijn gestaakt met het aanbieden van ongeautoriseerde reproducties van eurobankbiljetten.
Heeft u, conform de motie-Aartsen, inmiddels al contact gehad met de directie van Alibaba om hen te verzoeken hun onveilige, ondeugdelijk en – naar nu blijkt – ook illegale producten van hun platform af te halen?2 Zo nee, waarom niet?
Het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat heeft contact met Alibaba om met hen te spreken over productveiligheid in het kader van de genoemde motie. Helaas is door reisrestricties in verband met het COVID-19 een afspraak niet doorgegaan. Deze zal op een zo kort mogelijke termijn alsnog plaatsvinden. Bij dat gesprek zal ook het aanbieden van illegale nep-bankbiljetten worden betrokken. Mijn ambtsgenoot van Economische Zaken en Klimaat zal uw Kamer later informeren over de uitkomsten van dat gesprek.
Deelt u de mening dat de verkoop van valse biljetten moet worden gestopt, bijvoorbeeld door AliExpress in het uiterste geval op zwart te zetten?
Ik ben van mening dat elke vorm van illegale handel, zo ook handel in vals of ongeautoriseerd nep-geld, onwenselijk is. Illegale handel is dan ook onderwerp van gericht overheidsoptreden.
Hoeveel gevallen zijn er op dit moment bekend van fraude met vals geld, meer specifiek van fraude met briefjes van 50 euro die zijn gekocht via AliExpress?
Bij het OM zijn in de afgelopen jaren diverse zaken binnengekomen waarbij sprake was van een verdenking van bezit van of handel in vals geld. Er vindt echter geen afzonderlijke registratie plaats van de herkomst van vals geld zodat niet bekend is in hoeveel zaken sprake was van geld dat is aangekocht via AliExpress. De instroom van vals-geld-zaken bij het OM ziet er als volgt uit:
Jaar
Instroom zaken bij OM
2015
652
2016
602
2017
535
2018
421
2019
7951
Het hoge aantal in 2019 hangt samen met een andere wijze van registreren sinds 1 januari 2019. Registratie volgens de werkwijze in de daaraan voorafgaande jaren zou leiden tot een aantal van ongeveer 545 zaken in 2019.
Wat gaat u doen om deze vorm van fraude te voorkomen, vooral tijdens carnaval en andere grote evenementen?
Het is belangrijk dat het publiek (winkeliers en consumenten) alert is op de risico’s van vals en ongeautoriseerd nepgeld en voldoende kennis heeft over de echtheidskenmerken van geldbiljetten, zodat vals en ongeautoriseerd nepgeld kan worden herkend. DNB geeft hier voorlichting over, onder andere, via één-op-één trainingen van het publiek en winkeliers tijdens grote events, zoals de Libelle beurs, Horecava, Bloemencorso en de 50+ beurs, alsook via de website van DNB en brochures. Ook heeft DNB een Echt-of-Vals-app ontwikkeld waarmee de echtheid van een eurobankbiljet gecontroleerd kan worden door deze te scannen met de camera van de mobiel op de echtheidskenmerken. Bovendien onderhoudt DNB contact met het Nederlandse bankwezen en winkeliers om hen te informeren over de ontwikkelingen rondom valse eurobiljetten. Ten slotte publiceert DNB vier keer per jaar een persbericht over de ontwikkeling van valse eurobiljetten. In het persbericht van 24 januari jl. heeft DNB melding gemaakt van «lage kwaliteits»-vervalsingen. Hiermee wordt gedoeld op nepbiljetten afkomstig van webshops die als valse eurobiljetten in omloop worden gebracht. Er vindt dus al veel voorlichting plaats en DNB heeft aangegeven geen aanwijzingen te hebben dat een extra voorlichtingscampagne noodzakelijk is.
Bent u van plan een voorlichtingscampagne op te zetten of mensen te waarschuwen over het in omloop zijn van vals geld?
Zie antwoord vraag 10.
Wat kunnen consumenten en horecaondernemers doen indien zij zijn opgelicht met vals geld? Worden zij hierbij ondersteund, bijvoorbeeld door de mogelijkheid te creëren voor consumenten om via een loket te controleren of hun geld een authentiek en wettig betaalmiddel is? Worden consumenten en horecaondernemers over deze mogelijkheden geïnformeerd anders dan via het nieuws?
In de voorgaande vraag is beschreven op welke wijze DNB het publiek informeert over de echtheidskenmerken van biljetten en de wijze waarop er nagegaan kan worden of een bankbiljet vals is. Op de website van DNB staat ook wat te doen bij een vermoeden van een vals biljet. Als iemand die vermoedt een vals biljet te hebben geaccepteerd, zich herinnert waar of van wie hij het biljet heeft gekregen, kan hij zich bij de politie melden. Als hij dit niet weet, dan kan hij het biljet laten checken op echtheid door de bank of DNB. Als er wordt vastgesteld dat het biljet echt is, krijgt hij de tegenwaarde terug. Horecaondernemers en winkeliers kunnen bovendien detectieapparatuur gebruiken, waarmee zij bankbiljetten kunnen controleren.
Gevaarlijke honden |
|
William Moorlag (PvdA), Attje Kuiken (PvdA) |
|
Ferdinand Grapperhaus (minister justitie en veiligheid) (CDA), Carola Schouten (viceminister-president , minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (CU) |
|
|
|
|
Kent u het bericht «Marcouch mag bijtgrage Arnhemse hond Tinus niet laten inslapen»?1
Ja.
Welke mogelijkheden zijn er in wet- en regelgeving voor een burgemeester of andere publieke functionaris om de dreiging die er van een gevaarlijke hond uitgaat, ongedaan te maken?
Het krantenartikel dat aanleiding geeft tot deze vragen, gaat over een besluit van de burgemeester van Arnhem. Het gaat om een lopende zaak, waarin de rechter een voorlopig oordeel heeft gegeven en waarin nog verder kan worden geprocedeerd.2
In het algemeen is het voor een burgemeester in de eerste plaats mogelijk om bevelen te geven als de openbare orde in de gemeente op het spel staat of kan komen te staan. Ook als dit gebeurt door een gevaarlijke hond. Die mogelijkheid staat in artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet en past bij de openbare orderol van burgemeesters. Binnen de grenzen van de wet bepaalt een burgemeester zelf hoe hij die bevoegdheid invult. In de tweede plaats kan een gemeenteraad in de algemene plaatselijke verordening (APV) specifieke bevoegdheden geven aan het college van burgemeester en wethouders of aan de burgemeester. In de model-APV van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gaat het dan om aanlijn- en muilkorfgeboden en om andere voorzieningen. Het hangt van de lokale APV af of die bevoegdheden er zijn en hoe zij eruitzien. Ten slotte kan een gemeentebestuur regels handhaven met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom. Met een dergelijke last kan (herhaling van) een overtreding worden voorkomen. Dit staat in de artikelen 5:2 en 5:7 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met bestuursdwang kan een gevaarlijke hond eventueel ook in beslag worden genomen. Bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat de eigenaar een aanlijn- of muilkorfgebod niet (opnieuw) overtreedt.
In sommige gevallen kan sprake zijn van strafbare feiten gepleegd met een gevaarlijke hond. Op grond van onder meer artikel 94 Wetboek van Strafvordering en artikel 36c Wetboek van Strafrecht kunnen dan door politie en Openbaar Ministerie maatregelen genomen worden. Zo kan bijvoorbeeld een hond in beslag genomen worden als het vrije bezit van de hond in het algemeen gevaarlijk is.
Zijn er bevoegdheden op grond waarvan een burgemeester in dit soort situaties een hond definitief van de eigenaar mag afnemen dan wel laten inslapen? Zo ja, welke bevoegdheden zijn dat?
Een gemeentebestuur kan een hond laten inslapen, als het heeft besloten om die hond met bestuursdwang in beslag te nemen en als teruggave (na verloop van tijd), verkoop en gratis overdracht niet mogelijk zijn. Dit is dan op zich geen bestuursrechtelijk besluit, maar een feitelijke beslissing na beslag, die volgt uit de artikelen 5:29, derde lid, en 5:30 Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wijst daar ook op.3 Uit de wetsgeschiedenis van deze bepalingen blijkt onder meer dat dit bij dieren in het uiterste geval gebeurt, met inachtneming van de normale beginselen van zorgvuldigheid, evenredigheid en subsidiariteit.4 Indien wordt overgegaan tot euthanasie, is van belang dat in artikel 1.10 Besluit houders van dieren de gevallen zijn aangewezen waarin (in aanvulling op het doden van dieren voor de bedrijfsmatige productie van dierlijke producten) het doden van een dier niet is verboden. Hierin staat onder meer dat honden mogen worden gedood ter beëindiging of voorkoming van onmiddellijk gevaar voor mens of dier of vanwege niet te corrigeren gevaarlijke gedragskenmerken.
Acht u de bestaande bevoegdheden van een burgemeester om de dreiging van een gevaarlijke hond weg te nemen afdoende? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, welke bevoegdheden zou een burgemeester er dan bij moeten krijgen en hoe gaat u hiervoor zorgen?
Ja, de burgemeester kan immers optreden om de openbare orde te handhaven en dat is zijn wettelijke taak. Bovendien heeft het gemeentebestuur (meestal: het college van burgemeester en wethouders) bevoegdheden op grond van de APV en om regels te handhaven als die (dreigen te) worden overtreden. Zie de antwoorden op de vragen 2 en 3.
Deelt u de mening dat als een hond meermalen onschuldige omstanders aangevallen of verwond heeft, er dan een wettelijke grond moet komen waarop verboden kan worden dat die eigenaar honden mag houden? Zo ja, wanneer komt er een wettelijk houdverbod voor dergelijke eigenaren? Zo nee, waarom niet?
Een houdverbod is op dit moment al mogelijk als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling. Wanneer het houdverbod in deze vorm wordt overtreden, moet de veroordeelde het voorwaardelijke deel van de straf alsnog ondergaan. In aanvulling hierop wordt in samenwerking met de Minister van Justitie en Veiligheid een wetsvoorstel voorbereid waarmee een houdverbod als zelfstandige maatregel wordt geïntroduceerd. Hierdoor kan een houdverbod niet alleen bij een voorwaardelijke, maar tevens bij een onvoorwaardelijke veroordeling worden opgelegd. Om de effectiviteit van de maatregel te vergroten kan de rechter daarnaast bevelen dat de maatregel direct uitvoerbaar is en wordt overtreding van de maatregel strafbaar gesteld.
Onderzoek: Meisjes in de gevarenzone. ‘Ik verlang naar een veilige plek’ |
|
Anne Kuik (CDA) |
|
Ankie Broekers-Knol (staatssecretaris justitie en veiligheid) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van de Groene Amsterdammer van 7 februari 2020 «Onderzoek: Meisjes in de gevarenzone. «Ik verlang naar een veilige plek»»?1
Ja.
Herkent u het beeld dat kwetsbare meisjes steeds vaker worden uitgebuit, misbruikt en mishandeld in ruil voor dure spullen? Hoeveel van deze zaken hebben in de regio Amsterdam de afgelopen drie jaar geleid tot opsporingsonderzoeken en uiteindelijke veroordelingen? Wat is het beeld in andere regio’s?
Kwetsbare meisjes kunnen gevoelig zijn voor de avances van een loverboy. Een loverboy zorgt er bijvoorbeeld eerst voor dat een meisje verliefd op hem wordt. Dat hij hierbij het meisje veel cadeaus en aandacht geeft is een herkenbaar en terugkerend kenmerk. Tegelijk zijn er signalen dat deze werkwijze verandert en loverboys sneller met meer druk meisjes inpalmen. Het creëren van een afhankelijkheidsrelatie door de loverboy, kan leiden tot uitbuiting.
De Nationaal Rapporteur Mensenhandel schat in dat slechts 2 tot 3 procent van de Nederlandse minderjarige (kwetsbare) slachtoffers in beeld is. Slachtoffers van mensenhandel zien vaak af van het doen van aangifte, om uiteenlopende persoonlijke redenen. Om meer zicht te krijgen op potentiële slachtoffers wordt steeds meer ingezet op digitaal rechercheren en vindt intensief overleg plaats met betrokken zorgpartners. De politie heeft speciale teams mensenhandel met rechercheurs die onderzoek doen naar de beschreven modus operandus, die daders hanteren om kwetsbare meiden uit te buiten.
Het blijkt tenslotte niet mogelijk om specifiek voor deze doelgroep uit de systemen te halen hoeveel zaken er de afgelopen drie jaar hebben geleid tot opsporingsonderzoeken en uiteindelijke veroordelingen, omdat mensenhandeldossiers in de systemen niet nader gespecificeerd kunnen worden op de loverboymethodiek dan wel of er sprake is van kwetsbare meisjes als slachtoffer. Het totaal aantal opsporingsonderzoeken dat gestart is door de Politie tussen 2013 en 2017 in politie-eenheid Amsterdam is 911.
Herkent u het beeld dat familieleden, hulpverleners en politieagenten in complexe gevallen, zoals genoemd in het artikel, amper grip kunnen krijgen op het slachtoffer, dat het niet lukt om deze slachtoffers uit het netwerk te krijgen en dat mensenhandelaren en klanten vaak buiten schot blijven?
Mensenhandel zaken zijn complex. Slachtoffers van mensenhandel zien zichzelf niet altijd als slachtoffer, waardoor zij geen hulp vragen of slachtoffers durven geen hulp te vragen. Alertheid en pro activiteit van hulpverlening is hierbij van belang, maar ook integrale samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties is essentieel, maar nog niet overal vanzelfsprekend. Om die reden wordt onder andere in het kader van het Programma Samen tegen mensenhandel ingezet op verbeteren van samenwerking tussen bijvoorbeeld politie en zorginstellingen. Hiertoe is de Proeftuin Jeugdzorginstellingen van start gegaan die als doel heeft om o.a. deze samenwerking te verbeteren. Hierbij wordt verkend hoe een betere uitwisseling van informatie en tot een verbeterde samenwerking kan komen binnen de bestaande kaders.
Klopt het dat de zedenpolitie alleen in actie komt als de meisjes dat zelf willen? Bent u bereid het onderzoek te faciliteren dat de mensenhandelofficieren willen doen naar andere doorpakmogelijkheden?
Nee, dat klopt niet. Zedendelicten kunnen ambtshalve worden opgespoord en vervolgd. Het doen van een aangifte is voor de zedenpolitie niet noodzakelijk om een opsporingsonderzoek te starten.
In de politie-eenheden wordt nu al geïnvesteerd in de samenwerking tussen de teams AVIM, die mensenhandel zaken oppakken, en de zeden teams. Zo ook in de eenheid Amsterdam. De teams AVIM en Zeden trekken samen op in situaties waarin niet direct duidelijk is of sprake is van zedendelict of seksuele uitbuiting.
Hoe staat het met de uitvoering van het pakket van maatregelen om klanten die seks kopen van minderjarigen te ontmoedigen (motie-Kuik c.s., Kamerstuk 28 638, nr. 166)? Wordt een effectievere strafrechtelijke vervolging van klanten onderdeel van dat pakket van maatregelen?
Mijn ministerie is momenteel nog in gesprek met relevante partijen om te komen tot het in de motie gevraagde pakket aan maatregelen. Ik streef ernaar u voor de zomer hier nader over te informeren.
Vooruitlopend hierop kan ik melden dat ik het WODC gevraagd heb om binnen een onderzoek naar strafoplegging bij seks met minderjarigen expliciet aandacht te besteden aan de rol van klanten. Dit onderzoek zal naar verwachting nog dit jaar van start gaan. De afronding van het onderzoek zal 2021 zijn. Daarnaast werkt het Centrum tegen Kinderhandel en Mensenhandel (CKM) aan een onderzoek rondom dezelfde thematiek. De verwachting is dat afronding hiervan ook uiterlijk 2021 is. Beide onderzoeken kunnen weer nieuwe aanknopingspunten bieden voor beleidsontwikkeling op dit vlak.
Zijn eerstelijns hulpverleners, zoals genoemd in het artikel, naar uw mening voldoende toegerust om deze kwetsbare meisjes te helpen? Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat soms tot wel zeven hulpverleners betrokken zijn bij dergelijke slachtoffers? Zo nee, waarom niet?
Bij deze kwetsbare meisjes speelt vaak complexe problematiek en is specialistische zorg nodig. Deze kan niet in alle gevallen geboden worden door eerstelijns hulpverleners.
Het is belangrijk dat deze meisjes snel geholpen worden door de juiste hulpverlener om daarmee onnodige doorplaatsingen te voorkomen. Echter is bij seksuele uitbuiting vaak meer tijd nodig om te bepalen wat er aan de hand is, of er sprake is van een achterliggend trauma en wat vervolgens de passende hulpverlening is.
Om te zorgen dat er voldoende expertise is binnen de jeugdhulp over deze complexe problematiek, heeft de commissie Azough hulpmiddelen opgesteld voor de hulpverlening aan slachtoffers van loverboys. Deze hulpmiddelen bieden praktisch advies voor een betere signalering en registratie van (vermoedelijke) slachtoffers, en goede opvang en behandeling. In hoeverre deze hulpmiddelen door professionals worden toegepast is niet bekend.
Bent u van mening dat adequaat gebruik wordt gemaakt door gemeenten van landelijke specialistische zorgvoorzieningen voor deze complexe doelgroep? Hoeveel van dergelijke slachtoffers zijn er in het afgelopen jaar adequaat doorverwezen naar dergelijke specialistische zorgvoorzieningen?
Voor slachtoffers van seksuele uitbuiting kunnen gemeenten specialistische hulp inkopen bij drie instellingen via een landelijk raamcontract bij de VNG. Gemeenten weten deze landelijke voorziening te vinden en maken hier gebruik van. Er zijn geen cijfers bekend over het aantal slachtoffers dat naar deze zorgvoorzieningen is doorverwezen. Daarnaast verwijzen gemeenten deze doelgroep ook door naar lokale of regionale jeugdhulpinstellingen die specifiek aanbod hebben voor minderjarige slachtoffers van loverboys. Deze specialistische hulp zouden gemeenten goed samen, regionaal kunnen organiseren. Zoals in «Perspectief voor je jeugd»2 als belangrijke opgave voor de organisatie van specialistische jeugdhulp is beschreven.
Deelt u de mening dat de genoemde problematiek de mogelijkheden van gemeenten overstijgen? Heeft u deze gemeenten in beeld, zodat er bijvoorbeeld gewerkt kan worden aan innovatieve oplossingen en het delen van best practices? Op welke wijze kunnen gemeenten een beroep doen op hulp, expertise en de opsporingsdiensten om deze toenemende problematiek het hoofd te bieden?
Ja, ik deel de mening dat de genoemde problematiek de mogelijkheden van de gemeenten overstijgt, maar het is ook niet de bedoeling dat gemeenten deze problematiek alleen oplossen. Voor dergelijke complexe problematiek is een gedegen integrale aanpak nodig. Sommige gemeenten zijn al langer aan de slag met de gemeentelijke aanpak van mensenhandel dan andere en er zijn vanzelfsprekend verschillen tussen gemeenten, afhankelijk van de lokale situatie. De projectleiders die met subsidie van het Rijk zijn aangesteld bij de VNG en CoMensha ondersteunen zowel gemeenten die net beginnen met het opzetten van hun beleid, als gemeenten die al langer aan de slag zijn. Ook is het van belang de gemeenten te faciliteren bij het uitwisselen van ervaringen en best practices. De VNG heeft daarom een afgesloten online forum opgezet, waar gemeenten aan elkaar vragen kunnen stellen en best practices kunnen delen. Daarnaast organiseert de VNG samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid dit najaar een bestuurlijk overleg met de burgemeesters die in hun regio mensenhandel in de portefeuille hebben. Daar zal worden besproken hoe de portefeuillehouders structureel met elkaar in contact kunnen blijven om in iedere regio de gemeentelijke aanpak van mensenhandel vorm te geven. Ten slotte zal de VNG na de zomer handvatten opleveren die voor gemeenten een kompas kunnen zijn voor het opzetten en verder ontwikkelen van hun mensenhandelbeleid.
Voor de samenwerking tussen zorg en politie en justitie is een handreiking ontwikkeld. Daarnaast stelde het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) een checklist op voor gemeenten, waarmee zij kunnen nagaan of hun beleid voor de aanpak van loverboyproblematiek op orde is.
Op welke manier kijkt u hoe voorlichting op een specifieke groep toegespitst kan worden?
Zeer recent is vanuit het programma Samen tegen Mensenhandel een Platform Communicatie gestart met daarin vertegenwoordiging vanuit verschillende ministeries, opsporingsdiensten, gemeenten en NGO’s. Een deel van de deelnemende organisaties richten zich daarbij op specifieke vormen van mensenhandel en/of specifieke doelgroepen van slachtoffers van mensenhandel. Het doel van het platform is om elkaar te informeren over lopende en startende bewustwordingsactiviteiten en om te bezien hoe voorlichtingsactiviteiten beter op elkaar aangesloten kunnen worden.
Daarnaast is door CoMensha, in het kader van het programma Samen tegen mensenhandel de Mensenhandel Academy ontwikkeld. Dit betreft een overzicht van het gehele opleidingsaanbod op het gebied van signalering van mensenhandel. Op deze manier kunnen verschillende professionals eenvoudiger het voor hen relevante opleidingsmateriaal vinden. Tevens zullen hier gratis e-learning modules beschikbaar komen, die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt als lesmateriaal in diverse onderwijsmodules. Daarmee voorkomen we ook dat er onnodig nieuwe opleidingen worden ontwikkeld.
Gaat u actie ondernemen ten aanzien van hotels die nauwelijks handelen wanneer zij vermoedens hebben van seksuele uitbuiting van minderjarige meisjes? Welke verantwoordelijkheid vindt u dat hotels hebben?
Er zijn de afgelopen jaren reeds diverse initiatieven geweest om uitbuiting in de hotelsector tegen te gaan. Daarbij lag de focus op illegale prostitutie en seksuele uitbuiting. CoMensha heeft in juni 2018 samen met FairWork het initiatief genomen om opnieuw met de hotelsector aan de slag te gaan, waarbij deze keer de krachten worden gebundeld vanuit verschillende disciplines. Samenwerking tussen publieke en private partijen is hierbij essentieel. Hiertoe is een werkgroep opgericht bestaande uit de Inspectie SZW, Defence for Children-ECPAT, het Functioneel Parket, FairWork en CoMensha. Alle deelnemers aan deze werkgroep verzamelen eigen informatie en signalen over uitbuiting in de hotelsector en hebben daarbij ook het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel (EMM)gevraagd om hen inzicht te geven in de aard en omvang van geregistreerde signalen van uitbuiting (zowel seksuele- als arbeidsuitbuiting) in de hotelbranche.
Deze informatiepositie moet leiden tot een stappenplan voor het voorkomen van alle vormen van mensenhandel in de gehele hotelketen (ook bijvoorbeeld leveranciers) die gericht is aan hoteldirecties en leidinggevenden. In dit kader hebben gesprekken plaatsgevonden met de directie van Koninklijke Horeca Nederland, om haar bondgenoot te maken van het project.