Gepubliceerd: 20 mei 2020
Indiener(s): Cora van Nieuwenhuizen (minister infrastructuur en waterstaat) (VVD)
Onderwerpen: belasting burgerlijk recht financiƫn luchtvaart recht verkeer water
Bron: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-35457-8.html
ID: 35457-8

Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 27 mei 2020

Met belangstelling heb ik kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat inzake het wetsvoorstel tot de Wet houdende regels over een tijdelijke voorziening voor de betekening van exploten op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en wijziging van de Loodsenwet, de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de Luchtvaartwet BES in verband met de uitbraak van Covid-19 (Verzamelspoedwet Covid-19).

Hierbij beantwoord ik, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst, de door de leden van de vaste commissie gestelde vragen en verzoeken om toelichtingen. Daarbij wordt zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden.

Keuze voor Verzamelspoedwet

De leden van de SP-fractie en de leden van de GroenLinks-fractie vragen naar een toelichting op het feit dat meerdere onderwerpen (waaronder een fiscale wetswijziging) bijeen zijn gebracht in één Verzamelspoedwetsvoorstel.

De regering heeft ervoor gekozen om een tijdelijke voorziening en wetswijzigingen die op verschillende onderwerpen zien te bundelen tot één verzamelwet. Hiertoe is overgegaan omdat alle onderwerpen die de verzamelspoedwet omvat, tot stand zijn gebracht ten gevolge van de COVID-19-crisis en alle onderwerpen met zeer veel spoed in wetgeving dienen te worden verwerkt. De verschillende onderwerpen kennen in die zin dan ook een sterke samenhang. Als was gekozen voor afzonderlijke wetsvoorstellen, had dat betekent dat de Afdeling advisering van de Raad van State over ieder wetsvoorstel afzonderlijk advies had moeten uitbrengen (telkens in spoedprocedure) en dat uw Kamer was geconfronteerd met een fors aantal spoedwetsvoorstellen (en bijbehorende stukken). Om de totstandkoming van de spoedmaatregelen zo overzichtelijk en ook spoedig mogelijk te laten verlopen, is ervoor gekozen de verschillende onderwerpen te bundelen in één verzamelspoedwet. Omdat het aandeel van de voorstellen qua gewicht vergelijkbaar is, heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat zich bereid verklaard als eerste ondertekenaar van dit gezamenlijke voorstel van wet op te treden, mede namens de Minister voor Rechtsbescherming en de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit en Belastingdienst.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom sommige voorstellen niet van tijdelijke aard zijn. De verlaging van het percentage van de belasting- en invorderingsrente is aangekondigd als een tijdelijke maatregel. Zoals het kabinet echter eerder heeft aangegeven, zullen afhankelijk van de ontwikkelingen rondom COVID-19 noodzakelijke en passende (fiscale) vervolgmaatregelen worden getroffen indien de situatie daartoe noopt. Om enige mate van flexibiliteit te bewaren over het moment waarop de rentepercentages worden verhoogd, is voorgesteld te bepalen dat de vaststelling van de rentepercentages vanaf een bij koninklijk besluit te bepalen moment bij algemene maatregel van bestuur plaatsvindt. Vanaf dat moment worden de geldende rentepercentages dus niet langer in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) respectievelijk de Invorderingswet 1990 (IW 1990) vastgesteld, maar in een algemene maatregel van bestuur. Het «niet-tijdelijke» deel van de wijziging betreft dus enkel de wijze waarop de vaststelling van de rentepercentages plaatsvindt (bij algemene maatregel van bestuur in plaats van bij wet). De systematiek van de regeling van de belasting- en invorderingsrente blijft ongewijzigd.

Het permanente karakter van de wijziging van de Luchtvaartwet BES betreft de verbetering van een evidente omissie in de Luchtvaartwet BES, waarop de wetgever bij het treffen van de – ter voorkoming van de verspreiding van COVID-19 – noodzakelijke en door de eilandbesturen gewenste maatregelen voor de burgerluchtvaart (in de vorm van het afsluiten van gebieden of het opleggen van beperkingen) is gestuit. Voor de wijziging van de Loodsenwet is ervoor gekozen om twee artikelen op te nemen in die wet, die bij koninklijk besluit kunnen worden ingetrokken. Omdat niet duidelijk is wanneer deze bepalingen niet meer nodig zijn als gevolg van de COVID-19 uitbraak is er voor gekozen om niet steeds de werking ervan te verlengen.

Uitreiken exploten Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

Inleiding

Graag dankt de regering de leden van de fractie van het CDA, D66, GroenLinks en de SP voor hun vragen over de regeling van betekening van exploten tijdens Covid-19. Veel van deze vragen snijden het aspect van de «feitelijke onmogelijkheid» van betekening in persoon aan. Ook vraagt een aantal fracties om een reactie op de Conclusie van A-G mr. R.H. De Bock van 4 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:442) in een zaak over een «corona-betekening» in cassatie. Voordat de verschillende vragen afzonderlijk worden beantwoord, gaat de regering graag nog in algemene zin in op het voorstel en op de praktische gang van zaken rondom het betekenen van exploten. Daarbij wordt ook de conclusie van A-G De Bock betrokken.

Betekening van exploten volgens Rechtsvordering

De regels in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) inzake betekening van exploten zijn erop gericht dat een exploot degene voor wie het is bestemd, zoveel mogelijk daadwerkelijk bereikt. De wet gaat in artikel 46 en 47 Rv uit van een niet-vrijblijvende volgorde voor de wijze van betekening van exploten. Voorop staat de uitreiking van het exploot in persoon. Daarna volgen de betekening aan een huisgenoot en de betekening aan een andere persoon van wie aannemelijk is dat die bevordert dat het exploot degene voor wie het is bestemd, daadwerkelijk bereikt. Als betekening op die wijze niet kan, mag de deurwaarder het exploot achterlaten in de brievenbus. Als ook dat feitelijk onmogelijk is, mag de deurwaarder het exploot ter post bezorgen. In alle gevallen waarin een uitreiking van het exploot aan een persoon op basis van artikel 46 Rv niet mogelijk is en de deurwaarder het exploot in de brievenbus achterlaat, moet de deurwaarder de reden van de feitelijke onmogelijkheid in zijn exploot vermelden (artikel 47, eerste lid, Rv). Hetzelfde geldt als de deurwaarder het exploot niet in de brievenbus kan achterlaten. Zie hierover in dezelfde zin ook de Conclusie A-G onder 2.3–2.25.

Betekening in de praktijk onder normale omstandigheden

Onder normale omstandigheden worden exploten in 50 à 60% van de gevallen overeenkomstig artikel 46 Rv aan een persoon uitgereikt. In de overige gevallen laat de deurwaarder een afschrift van het exploot in gesloten envelop in de brievenbus overeenkomstig artikel 47, eerste lid, eerste zin, Rv. Om praktische redenen gebruiken deurwaarders voor de melding dat uitreiking aan een persoon onmogelijk was, een sjabloonstempel. Hierdoor hoeven zij tijdens hun ronde voor het betekenen van 40 à 50 exploten per dag niet handmatig en terwijl zij onderweg zijn een uitvoerige vermelding uit te schrijven als zij een stuk niet in persoon kunnen uitreiken maar achterlaten in de brievenbus. Treft de deurwaarder wel iemand thuis, dan wordt de voorgedrukte tekst doorgehaald en vermeldt de deurwaarder «uitgereikt aan X». De deurwaarder geeft daarbij een mondelinge toelichting op het exploot. Doet niet de geadresseerde zelf maar een ander de deur open, dan kan de deurwaarder het exploot uitreiken aan die persoon nadat de identiteit van diegene is vastgesteld en als het niet een huisgenoot is, onder de voorwaarde dat de deurwaarder oordeelt dat die persoon bovendien zal bevorderen dat het exploot de geadresseerde daadwerkelijk bereikt. De deurwaarder komt zo dagelijks in de nabijheid van een veelheid aan personen. De deurwaarder die een exploot komt betekenen, brengt de personen voor wie het exploot bestemd is, meestal geen prettig nieuws. Sommige mensen reageren daarop heftig of zelfs met agressie (afgelopen jaar rond 600 meldingen/aangiften).1 In de brief van 21 april 2020 is uitgebreid ingegaan op vragen van Uw Kamer over geweld tegen gerechtsdeurwaarders.2

De situatie onder COVID-19

Door COVID-19 en de daarmee samenhangende richtlijnen van het RIVM van 16 maart 2020 is van de ene op de andere dag een nieuwe situatie ontstaan. Voor deurwaarders rees de vraag hoe zij op een veilige en verantwoorde wijze exploten kunnen betekenen, met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder gevaar voor besmetting van zichzelf en de personen voor wie het exploot is bestemd. Per week worden tienduizenden exploten betekend, per maand zo’n 150.000. Duidelijkheid over wat van de deurwaarder mag worden verwacht tijdens de COVID-19 crisis, is essentieel om discussie over de rechtsgeldigheid van elk exploot te voorkomen.

De KBvG heeft op 17 maart 2020 richtsnoeren voor haar leden gegeven voor de betekening van exploten. In die richtsnoeren gaat de KBvG ervan uit dat de COVID-19 omstandigheden het onmogelijk en onverantwoord maken om op de normale manier bij mensen thuis aan te bellen om een exploot uit te reiken. Doel van de richtsnoeren is om bij de betekening van stukken social distancing in acht te nemen conform de RIVM–richtlijnen en toch exploten te betekenen. Dit betekent dat fysiek contact zoveel mogelijk wordt voorkomen. Volgens de richtsnoeren van de KBvG worden exploten als uitreiking in persoon niet verantwoord mogelijk is, in de brievenbus gelaten. Dit is een invulling van de «feitelijke onmogelijkheid» om overeenkomstig artikel 46 Rv een exploot in persoon uit te reiken. De deurwaarder vermeldt in zijn exploot in dat geval dat door de RIVM-richtlijnen in verband met Covid-19 en het niet kunnen of mogen uitreiken in persoon, een afschrift van het exploot in de brievenbus is gelaten. Om toch zoveel mogelijk het persoonlijk contact te benaderen, neemt de deurwaarder (bij voorkeur per telefoon) contact op met degene voor wie het exploot is bestemd om het exploot toe te lichten. Daarnaast – en ook daar waar de gegevens niet voorhanden zijn – helpt de campagne «Bellen is oplossen» (www.bellenisoplossen.nl) om in contact te komen met schuldenaren.

Als de deurwaarder ter plaatse oordeelt dat veilig en verantwoord met inachtneming van de RIVM-richtlijnen het exploot in persoon kan worden uitgereikt, zal hij dat eerst proberen. Voorbeelden waarin uitreiking in persoon nog steeds gebeurt, zijn bij betekening aan kantoren waarvan de balie nog open is of aan iemand die net voor zijn huis staat of in zijn tuin werkt en waarbij het exploot zonder gevaar voor besmetting kan worden overhandigd.

Sinds 17 maart 2020 volgen deurwaarders in het hele land deze richtsnoeren van de KBvG. Honderdduizenden exploten zijn inmiddels overeenkomstig deze richtsnoeren uitgereikt. In de praktijk is nu in ongeveer 20% van de gevallen in persoon betekend bij betekening van exploten aan natuurlijke personen en in 60% bij rechtspersonen en aan kantoren. Dit is een vermindering ten opzichte van de 50 à 60% betekeningen in persoon onder normale omstandigheden. Het laat tegelijkertijd zien dat er nog wel degelijk in persoon exploten worden uitgereikt daar waar de deurwaarder oordeelt dat dit verantwoord kan met inachtneming van de RIVM-richtlijnen.

De voorgestelde regeling in artikel 2

De tijdelijke regeling voor de betekening van exploten in het voorstel legitimeert de wijze waarop deurwaarders sinds 17 maart 2020 exploten hebben betekend. De regeling bevat een tijdelijk nadere invulling van het begrip «feitelijk onmogelijk» in artikel 47 Rv brengt mee dat de gerechtsdeurwaarder niet steeds eerst hoeft te proberen het exploot in persoon of aan de woonplaats uit te reiken door aan te bellen als hij dit door de COVID-19 situatie niet verantwoord acht. De deurwaarder mag, als hij oordeelt dat COVID-19 in de weg staat aan een poging tot uitreiking overeenkomstig artikel 46 Rv, het exploot ook meteen door de brievenbus doen. De vermelding dat uitreiking aan een persoon overeenkomstig artikel 46 Rv door COVID-19 feitelijk onmogelijk is, volstaat in dat geval. Niet nodig is om daarvoor nog bijzondere omstandigheden te vermelden. Omgekeerd betekent dit, dat de deurwaarder moet proberen om de uitreiking in persoon te doen wanneer hij oordeelt dat dit wèl op verantwoorde wijze, met inachtneming van de RIVM-richtlijnen mogelijk is.

Maandelijks worden door gerechtsdeurwaarders circa 150.000 exploten betekend. Het gaat niet alleen om dagvaardingen maar ook om bijvoorbeeld vonnissen of stuiting van verjaring. Het is onwenselijk als voor de rechtsgeldigheid van elke betekening individueel moet worden beoordeeld of er naast COVID-19 sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de deurwaarder niet eerst probeert aan te bellen. Dit leidt tot grote rechtsonzekerheid en roept bovendien de vraag op welke omstandigheden dan wel en welke niet voldoende rechtvaardiging voor het niet-aanbellen opleveren.

Om die reden is het in het voorstel overgelaten aan de deurwaarder om vast te stellen of een verantwoorde betekening in persoon mogelijk is met inachtneming van de richtlijnen van het RIVM. Het besmettingsgevaar van COVID-19 is bij het uitreiken van het exploot, het controleren van de identiteit en het geven van de noodzakelijke toelichting zowel voor de deurwaarder als voor degene aan wie hij exploot doet, onverantwoord groot als daarbij niet de 1,5 meter afstand in acht kan worden genomen. Het zoveel mogelijk mijden van fysiek contact en tegelijkertijd het zoveel mogelijk (telefonisch) contact zoeken met de geadresseerde om het exploot toe te lichten, biedt waarborgen voor zowel de veiligheid en volksgezondheid als de belangen van de geadresseerde.

Reactie Conclusie A-G De Bock

De regering stelt voorop dat de Conclusie van A-G De Bock een advies is aan de Hoge Raad in een concrete zaak. Het is aan de Hoge Raad om in deze concrete zaak uitspraak te doen en daarbij het advies van de A-G mee te wegen.

Net als in de Conclusie gaat de regeling in het voorstel ervan uit dat betekening in persoon de voorkeur heeft en dat de artikelen 46 en 47 Rv een dwingende volgorde van betekening hebben.

De conclusie van Advocaat-Generaal De Bock van 4 mei 2020 gaat er verder – net als de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 7 en 8 april 2020 – vanuit dat niet per definitie feitelijk onmogelijk is om een exploot aan fysiek uit te reiken aan een persoon in plaats van dit achter te laten in de brievenbus (Conclusie A-G De Bock, onder 2.54–2.66). Zij achten onder de huidige tekst van artikel 46 en 47 Rv niet voldoende dat het exploot vermeldt dat door COVID-19 en de daarmee samenhangende richtlijnen van het RIVM, geen uitreiking in persoon kan/mag plaatsvinden. Het exploot zou daarom steeds moet vermelden welke bijzondere omstandigheden er zijn waaronder een belemmering daartoe aanwezig kan zijn. Pas dan is er een rechtvaardiging om het exploot in de brievenbus achter te laten (Conclusie A-G De Bock met name onder 2.63).

De Conclusie gaat ervan uit dat ook met inachtneming van het advies om 1,5 meter afstand te houden, het voor de deurwaarder in beginsel mogelijk zou moeten zijn «om bij iemand aan te bellen, het exploot voor de deur op de grond te leggen, naar achteren te stappen (zekerheidshalve enkele meters), af te wachten of er wordt opengedaan en ten slotte af te wachten of degene voor wie het exploot is bestemd het exploot van de grond oppakt en in ontvangst neemt.» (Conclusie A-G De Bock onder 2.55). De A-G onderbouwt dit onder meer door te wijzen op de parallel met de pakketbezorgers, maaltijdbezorgers en boodschappen. Zij wijst erop dat ook zij tijdens COVID-19 bij mensen aanbellen. Ook zij werken met richtsnoeren om dit werk met inachtneming van de RIVM-richtlijnen te doen. Van deurwaarders mag hetzelfde worden verwacht (Conclusie A-G De Bock onder 2.56 en 2.57).

De praktijk voor deurwaarders brengt echter meer risico’s met zich mee dan voor bijvoorbeeld pakketbezorgers. Die extra risico’s rechtvaardigen aanvullende beschermende maatregelen voor deurwaarders en degenen aan wie zij exploten betekenen. Ook onder de voorgestelde regeling zal de deurwaarder steeds beoordelen of een uitreiking van het exploot in persoon op verantwoorde wijze en met inachtneming van de RIVM-richtlijnen mogelijk is. Als de deurwaarder verantwoord met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder besmettingsgevaar een exploot in persoon uit te reiken, mag en zal hij dit nog steeds doen. De essentie is dat de voorgestelde regeling legitimeert dat een vermelding van «COVID-19» als reden voor de feitelijke onmogelijkheid om een exploot in persoon uit te reiken, volstaat.

Anders dan A-G de Bock, ziet de regering – nog afgezien van eventuele regen en wind, waardoor het exploot niet op de grond kan worden achtergelaten – onvoldoende parallellen tussen de taak van de deurwaarder en die van een pakketbezorger, maaltijdbezorger of boodschappendienst. Hiervoor is beschreven dat de deurwaarder niet kan volstaan met het op de stoep achterlaten van zijn exploot. De deurwaarder moet bij de uitreiking nagaan wie er opendoet en of deze persoon het stuk in ontvangst mag nemen. Het stellen van controlevragen naar identiteit van degene die opendoet en het geven van een toelichting op het uitgereikte exploot kunnen niet zonder schending van de privacy vanaf 1,5 meter afstand worden gedaan. Als degene die opendoet, weigert het exploot in ontvangst te nemen, zou de deurwaarder naar de deur moeten lopen om het exploot van de grond op te rapen. Daarbij kan hij de 1,5 meter afstand niet langer in acht nemen. De deurwaarder weet niet op voorhand wat hij achter de voordeur aantreft en of zich in de woning personen met COVID-19 bevinden. Daarom kan hij ook geen onderscheid maken tussen de woningen waar hij wel en de woningen waar hij niet zonder besmettingsgevaar kan aanbellen.

De A-G wijst er in haar conclusie ook nog op dat pas bij hoesten, niezen of spugen in het gezicht gevaar voor besmetting ontstaat (Conclusie A-G De Bock onder 2.57). De RIVM-richtlijnen zijn op het punt van het houden van afstand wegens besmettingsgevaar echter duidelijk: er moet consequent 1,5 meter afstand worden gehouden.

Ook wijst de A-G op het grotere risico dat de deurwaarder loopt op een agressieve bejegening (Conclusie A-G De Bock onder 2.58). De A-G merkt hierover op dat dit «wellicht een reden [zal] zijn voor deurwaarders om veiligheidshalve steeds méér dan 1,5 meter afstand aan te houden.» Ook suggereert de A-G dat de deurwaarder een mondkapje zou kunnen op doen. De regering deelt de observatie van de A-G dat de deurwaarder naar de aard van zijn werk aanmerkelijk minder geliefd is dan de pakket- of maaltijdbezorger. Het risico te maken te krijgen met bewoners die hem in het gezicht spugen of fysiek te lijf gaan, is voor een deurwaarder vele malen groter dan voor een pakketbezorger. Dit risico is met het oog op het algemeen belang van de volksgezondheid – voorkomen van besmettingen – niet aanvaardbaar. Het met het oog daarop houden van meer meters afstand en dragen van een mondkapje acht de regering niet realistisch of afdoende. Hoe meer afstand wordt gehouden, hoe luider de deurwaarder moet spreken bij het stellen van zijn vragen over de identiteit van degene die opendoet en het geven van zijn toelichting. De hiervoor genoemde privacy komt hierdoor nog meer in het gedrang. Het mondkapje – voor zover al in grote hoeveelheden beschikbaar voor deurwaarders – biedt onvoldoende bescherming tegen spugen of fysiek te lijf gaan.

Tot slot adviseert de A-G de Hoge Raad om een overgangsregeling vast te stellen, in die zin dat exploten die zijn uitgebracht tot aan de datum van de uitspraak van de Hoge Raad rechtsgeldig zijn betekend (Conclusie A-G De Bock onder 2.73). Dit sluit aan bij wat het voorstel beoogt. Het voorstel bevat een regeling voor een rechtsgeldige betekening tijdens de COVID-19 maatregelen voor toekomstige exploten en legitimeert met terugwerkende kracht ook de rechtsgeldigheid van sinds 17 maart 2020 uitgebrachte exploten.

– De leden van de CDA-fractie vragen de regering of het met onderhavig wetsvoorstel nog steeds staande praktijk blijft dat de gerechtsdeurwaarder zich inspant om een exploot aan de persoon uit te reiken, zonder dat daarbij de RIVM-richtlijnen overtreden hoeven te worden.

Dat is zeker het geval, zoals de Minister voor Rechtsbescherming ook heeft benadrukt in de brief van 17 april 2020.3

– De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de conclusie van de Procureur-generaal bij de Hoge Raad van 4 mei 2020. Deze leden vragen de regering in te gaan op deze conclusie, in het bijzonder op de rechtsoverwegingen 2.53 tot en met 2.64.

In de algemene uiteenzetting hiervoor is erop gewezen dat het voorstel, net als de Conclusie, uitgaat van een voorkeur voor betekening van exploten in persoon. De analyse van de wettelijke regelingen van de artikelen 46 en 47 Rv op dit punt deelt de regering dan ook volledig. Het voorstel gaat er, anders dan de Conclusie A-G, vanuit dat het altijd eerst aanbellen niet verantwoord en zonder besmettingsgevaar mogelijk is. De vergelijking in dit verband van de deurwaarder met de pakketbezorgers en boodschappendienst gaat in mijn ogen niet op. Zie hiervoor uitvoerig onder «Reactie Conclusie A-G».

– Voorts vragen de leden van de D66-fracte de regering welke alternatieven de regering heeft overwogen en welke (andere) inspanningen de regering heeft gedaan om de gerechtsdeurwaarders te helpen om veilig hun werk te kunnen doen, bijvoorbeeld door het gebruik van beschermende middelen.

De KBvG heeft deze werkwijze al direct na het uitroepen van de corona-maatregelen geadviseerd, namelijk op 17 maart jl. In die tijdwaren beschermingsmiddelen als (goede) mondkapjes zo schaars dat die louter voor het verplegend personeel op de IC’s beschikbaar werden gesteld. Voor zover adequate beschermingsmiddelen voor de beroepsgroep van de gerechtsdeurwaarders maar evenzeer ook voor de belasting- en gemeentedeurwaarders nu al wel beschikbaar zijn, laat de aard van de werkzaamheden van de deurwaarder het niet goed toe om die met een gezichtsmasker uit te voeren. Het gaat om weliswaar korte, maar zeer intensieve en persoonlijke gesprekken aan de voordeur waar onder meer de schuldensituatie van de geadresseerde wordt besproken.

– De leden van de D66-fractie vernemen ook graag van de regering in welke mate deurwaarders momenteel daadwerkelijk problemen ervaren met betrekking tot agressief gedrag en fysiek geweld, zoals in de memorie van toelichting beschreven.

Onder normale omstandigheden hebben deurwaarders in hun werk met enige regelmaat te maken met agressie. Het gaat om circa 700 meldingen/aangiften per jaar. Doordat sinds 17 maart 2020 betekeningen plaatsvinden overeenkomstig de richtsnoeren van de KBvG, hebben deurwaarders op dit moment niet met meer agressie te maken. De afname in het aantal betekeningen in persoon (nu 20% ten opzichte van 50% onder normale omstandigheden bij natuurlijke personen) leidt ook tot een lichte afname van het aantal gevallen van agressie. Het feit dat het exploot alleen in persoon wordt betekend als de deurwaarder dit verantwoord kan doen met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder besmettingsgevaar, draagt hier aan bij. Het gaat dan immers om gevallen waarin de bewoner vaak al buiten staat en duidelijk kenbaar is voor de deurwaarder dat hij vrijwillig meewerkt aan het in ontvangst nemen van het exploot.

– De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting «Waar uitreiking «in persoon» verantwoord, dus met inachtneming van de RIVM-richtlijnen, mogelijk is, wordt dit nog steeds gedaan». Deze leden vragen de regering toe te lichten hoe zich deze passage verhoudt tot de voorgestelde wetstekst die inhoudt dat zo lang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met Covid-19, er steeds sprake is van een feitelijke onmogelijkheid om te betekenen in persoon. Deze leden vragen zich af of deze voorgestelde wetstekst niet te veel ruimte biedt om volledig af te zien van betekening in persoon. Deze leden vragen de regering daarbij ook in te gaan op de opmerking dat «de voorgestelde tekst er primair vanuit gaat dat gepoogd wordt te betekenen op de voet van 46 Rv», omdat zij die op voorhand niet goed kunnen plaatsen.

De voorgestelde tekst bepaalt dat steeds sprake is van een feitelijke onmogelijkheid zo lang de richtlijnen van het RIVM voorschrijven dat personen afstand houden wegens besmettingsgevaar met Covid-19. Daarmee is beoogd duidelijk te maken dat de deurwaarder mag volstaan met de vermelding dat COVID-19 de reden voor de feitelijke onmogelijkheid is. Als de deurwaarder wel verantwoord, met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder besmettingsgevaar kan betekenen, doet hij dit. Dit blijkt ook uit de cijfers: nog altijd wordt in 20% van de gevallen bij natuurlijke personen toch in persoon betekend.

– De leden van de D66-fractie vragen de regering ten slotte toe te lichten welke eisen er moeten worden gesteld aan de vermelding van de reden van de feitelijke onmogelijkheid.

De vermelding van COVID-19 als reden voor de feitelijke onmogelijkheid, volstaat. Daaruit volgen immers de RIVM-richtlijnen voor het houden van afstand die ervoor zorgen dat niet van de deurwaarder kan worden verlangd dat hij altijd eerst aanbelt om te proberen het exploot in persoon uit te reiken.

– De leden van de GroenLinks-fractie steunen een praktische benadering. Deze leden vragen de regering wel waarom deze maatregel niet van tijdelijke aard is. Kan dit worden beperkt tot bijvoorbeeld één jaar? Of anders na een jaar geëvalueerd om te zien of er niet toch problemen zijn ontstaan?

Terecht gaan de leden van de fractie van GroenLinks ervan uit dat de voorgestelde regeling van tijdelijke aard moet zijn. Daarom is in het slotartikel voorzien in het vervallen van de regeling op 1 september 2020 met een mogelijkheid van verlenging bij kb. Met deze bepaling sluit de regeling aan bij de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid.

– De leden van de SP-fractie vragen de regering of het klopt dat veel deurwaarders op een dag tientallen bezoeken afleggen met de bijbehorende risico’s op het besmetten en verspreiden van het coronavirus? Deze leden vragen hoe dit wetsvoorstel voorziet in het beschermen van zowel de deurwaarders als de gedaagden? Voort vragen deze leden of is overwogen om, eventueel aanvullend, deurwaarders te voorzien van persoonlijke beschermingsmiddelen, zoals mondkapjes of spatschermen?

Het is juist dat deurwaarders veertig tot vijftig exploten per dag betekenen. Zonder de voorgestelde regeling en de richtsnoeren van de KBvG voor een verantwoorde betekening tijdens COVID-19, zouden de deurwaarders en alle personen aan wie zij exploot uitbrengen inderdaad dagelijks risico lopen besmet te raken. Het voorstel voorziet er juist in dat zowel de deurwaarders als de personen aan wie zij een exploot moeten betekenen worden beschermd. Door fysiek contact te vermijden en alleen in persoon te betekenen waar dit verantwoord kan met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder besmettingsgevaar, beperkt de deurwaarder het risico voor hemzelf en degenen voor wie het exploot is bestemd. Door wel telefonisch of per email contact te zoeken met degene aan wie het exploot is betekend, worden bovendien de belangen van de geadresseerde van het exploot beschermd.

– De leden van de SP-fractie vragen tevens of het correct is om te stellen dat (volgens het wetsvoorstel) deurwaarders niet eerst hoeven te proberen om op de voet van artikel 46 lid 1 Rv in persoon te betekenen? Deze leden vragen of het wordt overgelaten aan de deurwaarder om in te schatten of (toch) in persoon kan worden betekend? Deze leden vragen naar de consequenties van dit aspect, of het proportioneel is en of er geen aanvullende waarborgen nodig zijn. Daarnaast is gevraagd met wie dit wetsvoorstel is besproken en hoe (belangen)organisaties die opkomen voor de belangen en positie van schuldenaren op dit wetsvoorstel hebben gereageerd.

Zoals is aangegeven in het antwoord op een vraag van D66, spant de deurwaarder zich zeker in om veilig en verantwoord in persoon te betekenen. Het is inderdaad overgelaten aan de deurwaarder om de situatie in te schatten en te beoordelen of betekening in persoon veilig en verantwoord kan met inachtneming van de RIVM-richtlijnen. Alleen de deurwaarder kan de situatie ter plaatse beoordelen en daarover ambtsedig verklaren. Zie ook de algemene uiteenzetting hiervoor over de praktische gang van zaken rondom betekening in de huidige situatie.

Vanwege het spoedeisende karakter van dit wetsvoorstel heeft alleen informele afstemming plaatsgevonden met de Rechtspraak en de KBvG. Voor zover bekend hebben (belangen) organisaties die opkomen voor belangen en positie van schuldenaren zich niet uitgelaten over dit wetsvoorstel. De KBvG krijgt informeel terug dat men respecteert dat de schuldenaren niet aan (extra) risico blootgesteld worden. De regering constateert dat belangenorganisaties vooral aandacht vragen voor de problematische situatie waarin mensen met schulden kunnen komen te verkeren en dat deurwaarders zoals in de brief van 17 april jongstleden al is aangegeven, gehoor geven aan de oproep om zich coulant op te stellen en begrip en bereidheid te tonen om in deze moeilijke periode gezamenlijk tot een oplossing te komen4

– De leden van de SP-fractie vragen tevens of het gijzelen van personen nog gebeurt tijdens de COVID-19-crisis en of dit veilig kan voor de betrokkenen tijdens de Corona-crisis. Deze leden vragen of hiervoor geen regelgeving voor nodig is.

Die ambtshandelingen die potentieel een risico van (veel) fysiek contact in zich dragen, zoals ontruimingen, beslag op inboedel en gijzelingen, worden op advies van de KBvG zoveel mogelijk opgeschort. De coronacrisis heeft een grote impact op de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. In de brief van 2 april jongstleden 5 is benadrukt dat een verantwoorde balans tussen het bewaken van de volksgezondheid en de voortgang van de rechtspleging van groot belang is. Dit betreft ook de tenuitvoerlegging van sancties, waaronder het uitvoeren van gijzelingen. Daarover is uw Kamer medegedeeld dat het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) blijft inzetten op de inning van geldelijke sancties, maar geen nieuwe lasten tot aanhouding voor gijzeling aan de politie stuurt of verzoeken tot vordering van gijzeling aan het Openbaar Ministerie in het kader van Wahv-sancties, strafbeschikkingen, schadevergoedingsmaatregelen en ontnemingsmaatregelen. Op dit moment wordt door mijn departement en het CJIB als ketenregisseur in gezamenlijkheid met de ketenpartners gewerkt aan een aanpak om na de coronacrisis tot een verantwoorde opstart van de reguliere tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen te komen. Daarbij is het borgen van de veiligheid van bij het proces betrokken personen, zowel de uitvoerders als politie en gerechtsdeurwaarders als ook de betrokken burger van groot belang.

– Verder vragen de leden van de SP-fractie of de regering de mening van deze leden deelt dat een persoonlijke betekening altijd de voorkeur verdient boven het deponeren van het exploot in een brievenbus en of de regering kan toelichten waarom er voor een generieke uitzondering gekozen is zolang de RIVM-richtlijn voor het houden van afstand blijft gelden. Deze leden vragen – onder verwijzing naar de overwegingen 2.54 tot en met 2.58, van Ruth de Bock, advocaat-generaal bij de Hoge Raad (ECLI:NL:PHR:2020:442) – of het voor de controleerbaarheid achteraf wenselijk zijn als de deurwaarder in het exploot de daadwerkelijke reden van de feitelijke onmogelijkheid van uitreiking in persoon vermeldt, en niet slechts kan volstaan met vermelding van het feit dat de RIVM-richtlijnen voorschrijven dat afstand wordt gehouden. Deze leden vragen een uitgebreide reactie.

Inderdaad heeft betekening in persoon de voorkeur. Het voorstel laat de inschatting van de situatie over aan de deurwaarder omdat alleen de deurwaarder ter plaatse kan beoordelen of een uitreiking van het exploot veilig en verantwoord met inachtneming van de RIVM-richtlijnen en zonder besmettingsgevaar mogelijk is. De ambtsedige verklaring van de deurwaarder vermeldt bij achterlating in de brievenbus dat uitreiking aan een persoon onmogelijk was door COVID-19 en de daarmee samenhangende maatregelen. De regering verwijst naar de algemene uiteenzetting hiervoor en in het bijzonder het kopje «Reactie Conclusie A-G De Bock».

– Tevens vragen de leden van de SP-fractie of commerciële deurwaarders een financiële prikkel hebben om voor het deponeren van de exploot in een brievenbus te kiezen?

Dat de deurwaarders nu de exploot in de brievenbus kunnen deponeren, betekent niet dat het proces van betekenen nu veel eenvoudiger is geworden. Ook in de normale situatie komt het regelmatig voor dat de deurwaarder voor een gesloten deur staat en de exploot in de brievenbus laat. Veel meer dan voorheen wordt nu contact gezocht en gekregen met de geadresseerde of bellen schuldenaren de deurwaarder op. Er is eerder sprake van meer dan van minder werk.

– De leden van de SP-fractie vragen ook naar de gevolgen van dit wetsvoorstel voor schuldenaars en of deze groep niet altijd hun post bekijken waardoor ze mogelijk het gevaar loopt om (nog) dieper in de schulden en problemen te raken door dit wetsvoorstel.

Er is een groep schuldenaren die risico loopt nog dieper in de schulden en problemen te komen door de post niet te bekijken. Dat probleem wordt niet anders door dit wetsvoorstel. Dat heeft onder meer te maken met het beperkte doenvermogen van mensen.6 De deurwaarder doet er alles aan om geadresseerde alsnog te bereiken en roept met de campagne «bellen is oplossen» schuldenaren op om contact op te nemen.

– De leden van de SP-fractie vragen om een uitgebreide reactie waarom de regeling niet kiest voor een meer terughoudend invorderingsbeleid met in het bijzonder aandacht voor zwakkere wijken waar mogelijk vaak veel kwetsbare schuldenaars wonen en waar de ingang tot woningen vaak over minder ruimte beschikken.

Het Kabinet heeft (overheid) schuldeisers, gerechtsdeurwaarders en overige incassodienst-verleners opgeroepen zich coulant op te stellen en begrip en bereidheid te tonen om in deze moeilijke periode gezamenlijk tot een oplossing te komen.7 Gerechtsdeurwaarders proberen zoveel mogelijk rekening te houden met de omstandigheden en (aangepaste) betalingsregelingen te treffen of enig uitstel van betaling te bieden of schuldenaren naar gemeentelijke schuldenhulpverlening te verwijzen. Ontruimingen worden zoveel mogelijk opgeschort. Tegelijkertijd zijn er mensen, zoals alimentatiegerechtigden, en kleinere bedrijven die wachten op hun geld en wiens bestaan van de betaling afhangt. Het is belangrijk beide posities in ogenschouw te hebben en te houden.

– De leden va de SP-fractie vragen de regering tevens de campagne «bellen is oplossen» toe te lichten en of deze campagne ook buiten de crisistijd kan worden toegepast.

Zoals de Minister voor Rechtsbescherming in zijn brief van 17 april 2020 heeft aangegeven wil de KBvG via de campagne «bellen is oplossen» mensen stimuleren om op tijd te bellen met de gerechtsdeurwaarder, wanneer zij van hem of haar een brief ontvangen over een onbetaalde rekening.8 Deurwaarders zijn er namelijk ook om te helpen bij het voorkomen van nieuwe schulden. Door de situatie samen te bespreken helpen deurwaarders het probleem op te lossen. De KBvG is deze campagne gestart omdat door het coronavirus veel mensen hun baan kwijtraken en ondernemers in de problemen komen door weggevallen inkomsten. Dat vergroot de kans groot dat zij in de financiële problemen terechtkomen. De KBvG zal na verloop van tijd deze voorziening evalueren en bezien in hoeverre dit ook buiten de crisistijd in een behoefte zal voorzien.

– Ten slotte vragen de SP-fractie leden of het financiële belang van de overheid, als grootste schuldeiser in Nederland, een rol heeft gespeeld in dit wetsvoorstel.

De regering kan de leden van de fractie van de SP geruststellen. Het belang van het voorstel is gelegen in het op een veilige en verantwoorde wijze doorgang kunnen vinden van het betekenen van exploten – en daarmee van de toegang tot het recht – tijdens COVID-19. Enig eigen belang van de overheid is hierbij geen overweging geweest. Het voorstel brengt overigens ook geen enkele wijziging in de positie van de overheid als schuldeiser.

Wijziging van de Loodsenwet

– De leden van de CDA-fractie vragen of de regering in wilt gaan hoe het zit met de veiligheid van deze digitale vergadering en de kans op hacken.

Het wetsvoorstel stelt geen nadere eisen aan het gekozen medium of de wijze van beveiliging van de verbinding. Ook in de Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid en in de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies, gemeenten, waterschappen en de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn geen dergelijke eisen gesteld. Het beveiligen van de digitale vergadering is aan de desbetreffende instantie, in dit geval het Loodswezen. Om de veiligheid te waarborgen worden de ledenvergaderingen van de loodsencorporaties gehouden in de reeds functionerende beveiligde omgeving van Nederlandse Loodswezen. De inspanningen binnen Nederlandse Loodswezen zijn erop gericht om deze beveiligingsomgeving op het hoge niveau te hebben en te houden.

Ter overvloede kan worden opgemerkt dat het houden van een fysieke vergadering de hoofdregel blijft, waarvan slechts in uitzonderlijke situaties afgeweken kan worden in verband met de bescherming van de volksgezondheid. Een digitale vergadering kan alleen worden ingezet indien het houden van een ledenvergadering noodzakelijk is en is geenszins verplicht. Op deze wijze wordt verzekerd dat het Nederlandse Loodswezen kan blijven functioneren, ook gedurende deze COVID-19 crisis.

Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990 en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

– De leden van de fractie van het CDA vragen wat de reden is dat de verlaging van de belastingrente uitvoeringstechnisch eerst mogelijk is per 1 juni voor de overige belastingmiddelen en 1 juli voor de inkomstenbelasting (IB).

De reden van de verschillende inwerkingtredingsmomenten is dat het aanpassen van de rentemodule voor de overige belastingmiddelen twee maanden kost en het aanpassen van de rentemodule voor de IB drie maanden. Gezien de acute financiële problemen waar veel ondernemers door de COVID-19 crisis mee worden geconfronteerd, wil de regering de tijdelijke verlaging van de rentepercentages realiseren vanaf het eerste moment dat deze verlaging uitvoeringstechnisch mogelijk is. Het eerste moment waarop dit met inachtneming van de hiervoor genoemde termijnen mogelijk is, is 1 juni 2020 voor de belastingrente voor de overige belastingmiddelen en 1 juli 2020 voor de belastingrente voor de IB.

– Ook de leden van de fractie van de SP hebben enkele vragen met betrekking tot de systemen van de Belastingdienst. Deze leden vragen waarom het wel mogelijk is om differentiatie aan te brengen in het percentage voor de invorderingsrente en niet voor het percentage voor de belastingrente.

Ook deze reden is uitvoeringstechnisch van aard. Het aanpassen van de invorderingsrente is een zogenoemde «parameteraanpassing», wat in de systemen betekent dat de parameter voor in rekening te brengen invorderingsrente wordt verlaagd terwijl de parameter voor te vergoeden invorderingsrente ongewijzigd blijft. Bij de belastingrente is sprake van geautomatiseerde systemen waarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen in rekening te brengen belastingrente en te vergoeden belastingrente. Hierbij wordt gebruikgemaakt van één parameter. De regering heeft de meest gunstige situatie voor belastingplichtigen/belastingschuldigen willen creëren binnen de uitvoeringstechnische (on)mogelijkheden. Dit heeft erin geresulteerd dat waar de mogelijkheid bestaat onderscheid aan te brengen tussen in rekening te brengen en te vergoeden rente, voor een dergelijk onderscheid is gekozen. Ten aanzien van de invorderingsrente is dit het geval. De leden van de fractie van de SP vragen verder of de regering voornemens is de systemen van de Belastingdienst in de toekomst dusdanig in te richten dat in alle gevallen gedifferentieerde rentepercentages kunnen worden gehanteerd. Dit is niet het geval omdat de regering ervan uitgaat dat sprake is van een bijzondere eenmalige situatie. Normaal is dat de in rekening te brengen rente en de te vergoeden rente hetzelfde niveau hebben. De regeling van de belastingrente komt er in grote lijnen op neer dat de inspecteur belastingrente in rekening brengt wanneer het opleggen van een belastingaanslag tot een positief bedrag te lang uitblijft door toedoen van de belastingplichtige, bijvoorbeeld omdat een belastingplichtige gebruikmaakt van de mogelijkheid van uitstel voor het doen van aangifte. De inspecteur vergoedt belastingrente wanneer het vaststellen van een belastingaanslag tot een negatief bedrag te lang uitblijft door toedoen van de inspecteur, mits die belastingaanslag overeenkomstig de aangifte of een (herzienings)verzoek wordt vastgesteld. Het is hierbij redelijk dat de Belastingdienst eenzelfde percentage aan rente is verschuldigd als een belastingplichtige, en vice versa.

Doel van de tijdelijke verlaging van de percentages voor de belasting- en invorderingsrente

– De leden van de fractie van het CDA vragen welk doel is beoogd met het verlagen van de belastingrente.

In haar brief van 17 maart jl. heeft de regering aangekondigd zowel de belasting- als de invorderingsrente te willen verlagen met als doel het creëren van liquiditeit voor ondernemers. Voor de verlaging van de invorderingsrente is dit effect rechtstreeks. De tijdelijke verlaging van de belastingrente levert ondernemers ook verlichting op – belastingrente is voor hen in veel gevallen een beduidende kostenpost – en stelt zowel ondernemers als particulieren in staat tijdelijk nagenoeg zonder kosten gebruik te maken van de mogelijkheid van uitstel voor het doen van aangifte. Veel ondernemers maken bijvoorbeeld gebruik van de Uitstelregeling Belastingconsulenten (de beconregeling). Normaliter vindt hierdoor confrontatie met belastingrente plaats, maar door de tijdelijke verlaging is dat tijdelijk nagenoeg niet het geval. Ook voor mensen aan wie vanwege de COVID-19 crisis automatisch uitstel voor het doen van aangifte is verleend, is de tijdelijke verlaging van de belastingrente gunstig. Dit betreft mensen met een DigiD-machtigingscode. Omdat zij in veel gevallen gebruikmaken van hulp bij de aangifte (bijv. van ouderenbonden of maatschappelijk dienstverleners) en die hulp door de COVID-19 crisis op veel plekken niet kan doorgaan, is aan hen automatisch uitstel voor het doen van aangifte verleend tot 1 september 2020. Door de tijdelijke verlaging worden zij tot 1 oktober 2020 nagenoeg niet geconfronteerd met belastingrente.

– Daarnaast vragen de leden van de fractie van het CDA waarom de invorderingsrente reeds per beleidsbesluit is verlaagd terwijl in het wetsvoorstel zowel de invorderings- als de belastingrente worden verlaagd.

Dit heeft een uitvoeringstechnische reden. Zoals hierboven vermeld, gaat de verlaging van de belastingrente in op het eerste moment dat deze verlaging uitvoeringstechnisch mogelijk is. Voor het percentage in rekening te brengen invorderingsrente bleek het reeds mogelijk de verlaging per 23 maart 2020 bij beleidsbesluit te realiseren. Hiertoe is dan ook overgegaan.

Gezien het grote belang om vanwege de COVID-19 crisis ondernemers op korte termijn van liquiditeit te voorzien, heeft de regering ervoor gekozen de verlaging van de belastingrente voor alle belastingmiddelen met uitzondering van de inkomstenbelasting per 1 juni 2020 in werking te laten treden. De verlaging van de belastingrente voor de inkomstenbelasting treedt zoals hiervoor gezegd om uitvoeringstechnische redenen per 1 juli 2020 in werking. Indien de wet onverhoopt later dan 1 juni 2020 in werking treedt, stelt de regering voor de verlaging van de belastingrente voor alle belastingmiddelen met uitzondering van de inkomstenbelasting met terugwerkende kracht tot en met 1 juni 2020 door te voeren. Het wetsvoorstel verleent hiervoor de juridische basis. Terugwerkende kracht is niet alleen nodig vanwege de uitzonderlijke situatie van de COVID-19 crisis en het grote belang ondernemers hierin te ondersteunen, maar is ook van belang omdat reeds op 17 maart jl. door de regering is aangekondigd dat de verlaging van de belastingrente vanaf 1 juni 2020 plaatsvindt. Ondernemers dienen er, juist in deze tijd van crisis, op te kunnen vertrouwen dat de regering deze toezegging gestand doet. Indien de verlaging van de belastingrente met terugwerkende kracht wordt toegepast, kent dit ook een niet-begunstigend effect voor belastingplichtigen omdat het percentage van 0,01% ook komt te gelden voor het vergoeden van belastingrente. Zoals in de memorie van toelichting uiteengezet, zijn deze percentages uitvoeringstechnisch niet los te koppelen maar is veel vaker sprake van het in rekening brengen van belastingrente dan van het vergoeden van belastingrente. De regering is dan ook van mening dat de verlaging per saldo een – in deze tijden zeer gewenst – positief effect heeft, waardoor een relatief korte periode van niet-begunstigende terugwerkende kracht naar het oordeel van de regering acceptabel is. Ook de verlaging van de invorderingsrente wordt per 1 juni 2020 wettelijk bestendigd.

Het is nog niet eerder voorgekomen dat in het kader van een crisis als begunstigend beleid de belasting- of invorderingsrente tijdelijk is verlaagd. Dit in reactie op de vraag van de leden van de fractie van de SP hoe in het verleden, bijvoorbeeld tijdens de kredietcrisis, is omgegaan met een dergelijk begunstigend beleid ten aanzien van burgers en bedrijven.

– De leden van de fractie van de SP vragen hoe een burger of bedrijf dat in ernstige mate benadeeld wordt door te laat door de Belastingdienst opgelegde aanslagen bezwaar kan maken.

Als een belastingaanslag tot een negatief bedrag te lang uitblijft door toedoen van de inspecteur, en die belastingaanslag wordt overeenkomstig de aangifte of een (herzienings)verzoek vastgesteld, dan wordt belastingrente vergoed. Het tijdelijk verlaagde percentage van 0,01% geldt voor zowel in rekening te brengen belastingrente als voor te vergoeden belastingrente nu er niet kan worden gedifferentieerd tussen deze percentages. In dit verband wordt evenwel opgemerkt dat het verlaagde percentage van 0,01% in beginsel maar voor vier maanden (en voor de IB voor drie maanden) geldt. Dit betekent dat als een belastingaanslag tot een negatief bedrag gedurende bijvoorbeeld een jaar zou uitblijven, het verlaagde percentage enkel voor vier (of drie) van de twaalf maanden geldt. Los van het feit dat de Belastingdienst zijn uiterste best doet om aanslagen tijdig op te leggen, komt de prikkel die de vergoeding van belastingrente mogelijk oplevert dus slechts gedurende korte tijd te vervallen.

– De leden van de fractie van het CDA vragen of de regering voornemens is om het besluit tot verhoging van de belastingrente voor te hangen of om het parlement op andere wijze te informeren. Uiteraard is de regering bereid uw Kamer over het besluit te informeren en stuur het ontwerp van het Besluit houdende vaststelling van het Besluit belasting- en invorderingsrente hierbij dan ook toe.9 Met het besluit wordt invulling gegeven aan de delegatiegrondslagen die in het voorliggende wetsvoorstel zijn opgenomen. Het besluit regelt dat het percentage voor de belastingrente na afloop van de tijdelijke verlaging in verband met de COVID 19-crisis weer teruggaat naar het oorspronkelijke percentage, te weten 4% voor alle belastingmiddelen met uitzondering van de vennootschapsbelasting waar een percentage van 8% voor geldt. Verder regelt het besluit dat het percentage voor de invorderingsrente met ingang van 1 juni 2020 wordt vastgesteld op 0,01%. Ook wordt geregeld dat het percentage voor de invorderingsrente weer teruggaat naar het oorspronkelijke percentage van 4% wanneer de tijdelijke verlaging eindigt. Ten tijde van de totstandkoming van het besluit is als uitgangspunt gehanteerd dat de verlaging van het rentepercentage voor zowel de belasting- als de invorderingsrente op 1 oktober 2020 ten einde komt. De regering zegt u toe dat eventuele toekomstige wijzigingen van dit besluit aan uw Kamer zullen worden voorgelegd. Op deze wijze kan uw Kamer tijdig kennisnemen van eventuele wijzigingen in de percentages van de belasting- en invorderingsrente, mocht de regering dit willen voorstellen. Overigens sluit de gekozen systematiek om de percentages bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen aan bij de reeds bestaande systematiek, te weten bij de wijze waarop de wettelijke rente voor (niet) handelstransacties als bedoeld in artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek momenteel wordt vastgesteld.

Op de vraag van de leden van de fractie van het CDA of kan worden toegezegd dat onder geen beding de percentages voor de belasting- en invorderingsrente hoger komen te liggen dan de huidige percentages van 4% en 8%, hecht de regering eraan op te merken dat zonder nadere besluitvorming als uitgangspunt geldt dat de systematiek van de vaststelling van de belasting- en invorderingsrente na 1 oktober 2020 wordt hersteld. Dit betekent dat vanaf 1 oktober 2020, net als vóór 1 juni 2020 het geval is, geldt dat het percentage voor de belastingrente gelijk is aan de wettelijke rente voor (niet) handelstransacties als bedoeld in artikel 120 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, met dien verstande dat sprake is van een wettelijk minimumpercentage van 4% voor alle belastingmiddelen behalve de vennootschapsbelasting en een percentage van 8% voor de vennootschapsbelasting. Ook vragen de leden van de fractie van het CDA of de regering bereid is na afloop van de tijdelijke verlaging van de belastingrente een expliciete beslissing te nemen of de oorspronkelijke rentepercentages van 4% en 8% wel moeten worden hersteld. Op dit moment is voorzien in budgettaire dekking voor een verlaging van de percentages tot 1 oktober 2020. Voor een langere verlenging van het percentage van 0,01% (of voor de vaststelling van een lager percentage dan 4% en 8%), dient nieuwe besluitvorming plaats te vinden en nieuwe budgettaire dekking te worden gevonden. Indien dit wenselijk blijkt, zal de regering hierover ruim voor 1 oktober 2020 een besluit dienen te nemen.

– De leden van de fractie van het CDA vragen welke belastingaanslagen gewoonlijk in een jaar vanaf 1 juni 2020 betaald kunnen worden met een betalingskorting en of dat geldt dat voor alle aanslagen inkomstenbelasting en voor alle aanslagen vennootschapsbelasting met een regulier boekjaar.

Wanneer een belastingaanslag gewoonlijk vanaf 1 juni 2020 kan worden betaald, valt niet in algemene zin te zeggen.

Een betalingskorting is aan de orde als een belastingschuldige het bedrag van een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting – die is gedagtekend in het jaar waarop die aanslag betrekking heeft – volledig betaalt vóór de vervaldag van de eerste betalingstermijn. Een betalingskorting is niet aan de orde als sprake is van een (voorlopige) belastingaanslag die is gedagtekend na het jaar waarop de betreffende aanslag betrekking heeft. Op de voorlopige aanslag staat in voorkomend geval het bedrag van de betalingskorting vermeld.

Budgettaire aspecten

– De leden van de fractie van het CDA vragen expliciet aan te geven wat de geraamde kosten zijn van de maatregel om de belasting- en invorderingsrente gedurende drie maanden te verlagen.

De schatting van de kosten van de maatregel om de belasting- en invorderingsrente tijdelijk drie maanden te verlagen naar 0,01% zijn opgenomen in de eerste incidentele suppletoire begroting 2020 van het Ministerie van Financiën inzake Noodpakket banen en economie van 18 maart 2020 (Kamerstukken 35 412, nr. 1) en bedragen per saldo € 251 mln. Dit saldo is de optelsom van € 297 mln. lagere ontvangsten in de jaren 2020–2024 en € 46 mln. lagere uitgaven in de jaren 2020–2024. Zoals gesteld is inmiddels besloten de verlaging van de belasting- en invorderingsrente te verlengen tot 1 oktober 2020. De extra kosten hiervan bedragen in de jaren 2020–2024 per saldo € 116 mln. en worden middels een nieuwe incidentele suppletoire begroting verwerkt.

Adviezen en consultatie

– De leden van de fractie van het CDA vragen om te reageren op het commentaar van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs (NOB). Een aantal vragen van de NOB is in het bovenstaande aan de orde gekomen.

De NOB stelt voorop dat belastingplichtigen in deze onzekere tijden vooral gebaat zijn bij duidelijkheid en wil graag één einddatum. Het kabinet is het hiermee eens. In de algemene maatregel van bestuur waarin de rentepercentages worden ingevuld, zal dan ook worden bepaald dat de verlaging van zowel het percentage voor de belastingrente als het percentage voor de invorderingsrente wordt verlengd tot 1 oktober 2020. Voor de invorderingsrente betekent dit een verlenging van de verlaging van 23 juni 2020 tot 1 oktober 2020 en voor de belastingrente een verlenging van 1 september 2020 tot 1 oktober 2020 (met uitzondering van de belastingrente voor de inkomstenbelasting, die reeds tot 1 oktober 2020 was voorzien). Hiermee komt conform de wens van de NOB één einddatum voor de verlaging te gelden.

De NOB vraagt waarom is gekozen voor de systematiek om de hoogte van het rentepercentage vast te stellen bij algemene maatregel van bestuur in plaats van in de wet. De reden hiervan is flexibiliteit. De crisis rondom COVID-19 is nog niet ten einde en indien het in de toekomst wenselijk blijkt de maatregel verder te verlengen of het rentepercentage wederom (tijdelijk) te verlagen, kan dit via de huidige gekozen opzet sneller worden gerealiseerd dan wanneer hiervoor wederom een wetswijziging nodig zou zijn.

De NOB vraagt of het verlaagde rekenpercentage van de betalingskorting geldt voor voorlopige aanslagen met een dagtekening vanaf 1 mei 2020. Omdat de invorderingsrente reeds per 23 maart jl. per beleidsbesluit is verlaagd, geldt hiervoor het volgende. Onderzocht wordt hoe op een voor de Belastingdienst en belastingschuldigen zo eenvoudig mogelijke wijze de juist betalingskorting aan de belastingschuldigen kan worden terugbetaald. Het gaat dan om de betalingskorting die te laag is vastgesteld bij voorlopige aanslagen over 2020 opgelegd in 2020 in de periode van 23 maart tot en met 31 mei. Ten aanzien van voorlopige aanslagen met een dagtekening vanaf 1 juni 2020 – het moment waarop de verlaging van de invorderingsrente wettelijk is bestendigd – geldt dat het percentage van 0,01% onverminderd van toepassing is ten aanzien van de betalingskorting.

Wijziging van de Luchtvaartwet BES (Bonaire, Saba en Sint Eustatius)

– De leden van de CDA-fractie vragen of de regering nader kan toelichten waarom het hier gaat om een evidente omissie in de Luchtvaartwet BES, gelet op het feit dat deze afwijkende mogelijkheid van bekendmaking al eerder in de voor het Europese deel van Nederland geldende Wet luchtvaart is opgenomen en waarom dat toen niet direct is gelijkgetrokken?

De afwijkende mogelijkheid van bekendmaking van verboden en beperkingen aan het luchtverkeer in het Nederlandse luchtruim is voor het Europese deel van Nederland in 1991 in de wetgeving opgenomen.10 Deze regelgeving is voor de staatsrechtelijke herziening van het Koninkrijk van 10 oktober 2010 tot stand gekomen. Bij de staatsrechtelijke herziening is voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba de Luchtvaartwet BES in werking getreden. Er is destijds gekozen voor het handhaven van de materiële inhoud van de Antilliaanse wetgeving. Dit met name vanwege de legislatieve terughoudendheid die de afgelopen jaren met betrekking tot het Caribische deel van Nederland is betracht. De omissie is niet eerder aan het licht gekomen omdat zich na 10 oktober 2010 geen situaties hebben voorgedaan waarbij een onmiddellijk vliegverbod in het luchtruim boven Caribisch Nederland met een versnelde wijze van bekendmaking noodzakelijk was.

– De leden van de CDA-fractie en van de D66-fractie vragen of het ook de wens van de gezaghebbers op de openbare lichamen is dat er wordt voorzien in een snelle inwerkingtreding van de maatregelen en hoe de BES-eilanden zijn betrokken bij de voorbereidingen van het wetsvoorstel.

Door de afwijkende wijze van bekendmaking van vliegverboden is de inwerkingtreding van een vliegverbod niet langer afhankelijk van de publicatie in de Staatscourant. Publicatie in de Staatscourant heeft een bepaalde doorlooptijd waarbij rekening moet worden gehouden met werkdagen en feestdagen. Gedurende de COVID-19-crisis is uit de communicatie met en de verzoeken vanuit Caribisch Nederland gebleken dat op de openbare lichamen ook behoefte hebben aan de mogelijkheid van directe inwerkingtreding van vliegverboden. Deze wens is ingegeven door de beperkte capaciteit van de gezondheidszorg in dit deel van Nederland waardoor dat gebied in het bijzonder kwetsbaar is voor ernstige gevolgen van deze epidemie. De Rijksvertegenwoordiger heeft de bestuurders van de openbare lichamen over het voorstel geïnformeerd en de bestuurders hebben te kennen gegeven achter het voorstel te staan.

– De leden van de D66-fractie vragen de regering waarom geen invulling wordt gegeven aan het advies van de afdeling Advisering van de Raad van State om het tijdelijke karakter van deze wijziging ook te borgen.

Aan de voorgestelde wijziging van de Luchtvaartwet BES is inderdaad geen beperking in de tijd gekoppeld. In het advies van de Raad van State wordt geadviseerd om aan de afwijkende bekendmaking van vliegverboden in het Caribische deel van Nederland een tijdelijk karakter te verbinden. De regering heeft echter deze permanente mogelijkheid van afwijkende bekendmaking van vliegverboden expliciet beoogd, omdat het een evidente omissie in de Luchtvaartwet BES betreft. De aard van het verbod of beperking brengt mee dat spoedige dan wel directe inwerkingtreding noodzakelijk is. De regering acht het daarom noodzakelijk dat niet alleen gedurende de huidige COVID-19-crisis, maar ook meer in het algemeen met betrekking tot onder meer crisisomstandigheden deze mogelijkheid van afwijkende bekendmaking in de Luchtvaartwet BES wordt opgenomen, zodat daarmee ook in de toekomst hierin is voorzien. Met deze wijze van bekendmaking van vliegverboden wordt de mogelijkheid van effectief optreden in het luchtruim in bijzondere omstandigheden gelijkgetrokken met het Europese deel van Nederland.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga