Kamerstuk 32777-15

Gewijzigd amendement van de leden Klaver en Koser Kaya ter vervanging van nr. 12 over werken moet lonen

Dossier: Geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting in het referentieminimumloon tot een keer de algemene heffingskorting met uitzondering van het referentieminimumloon voor de Algemene Ouderdomswet


24,7 %
75,3 %

PvdA

SGP

CDA

VVD

SP

GL

D66

PVV

CU

PvdD


Nr. 15 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN KLAVER EN KOŞER KAYA TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 12

Ontvangen 4 oktober 2011

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

I

De beweegreden komt te luiden: dat het wenselijk is dat werken blijft lonen nu de overdraagbaarheid van de dubbele heffingskorting wordt afgebouwd in het wettelijk minimumloon;.

II

Hoofdstuk 1 tot en met 3 worden vervangen door:

HOOFDSTUK 1. MINISTERIE VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

ARTIKEL I. WIJZIGING VAN DE ALGEMENE KINDERBIJSLAGWET

De Algemene Kinderbijslagwet wordt ingetrokken.

ARTIKEL II. WIJZIGING VAN DE WET OP HET KINDGEBONDEN BUDGET

De Wet op het kindgebonden budget wordt als volgt gewijzigd:

A

Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel c door een puntkomma wordt aan artikel 1, eerste lid, een onderdeel toegevoegd, luidende:

d. de Algemene Kinderbijslagwet:

De Algemene Kinderbijslagwet zoals die luidde op de dag voor de inwerkingtreding van de wet van ...... (datum) houdende wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en enige andere wetten in verband met de geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting (Wet werken moet lonen) (Stb. (jaartal), (volgnummer));

B

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «artikel 18 van de Algemene Kinderbijslagwet» vervangen door «artikel 18, eerste tot en met zesde lid» en vervalt «wordt betaald of».

2. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Het kindgebonden budget bedraagt voor een berekeningsjaar:

    • a. indien de ouder aanspraak heeft voor één kind: € 1 986,–;

    • b. indien de ouder aanspraak heeft voor twee kinderen: € 3 380,–;

    • c. indien de ouder aanspraak heeft voor drie kinderen: € 4 514,–;

    • d. indien de ouder aanspraak heeft voor meer dan drie kinderen: € 4 514, verhoogd met zoveel maal € 1 057,– als het aantal kinderen meer bedraagt dan drie.

    De in onderdeel a tot en met d genoemde bedragen worden vermenigvuldigd met 1,15 indien het gezamenlijk toetsingsinkomen van de ouder en zijn partner niet meer dan € 22 200 bedraagt.

3. In het zesde lid wordt «€ 28 413» telkens vervangen door: € 33 000.

4. Onder vernummering van het negende lid tot het achtste lid, vervalt het achtste lid.

HOOFDSTUK 2. MINISTERIE VAN FINANCIËN

ARTIKEL III. WIJZIGING VAN DE WET INKOMSTENBELASTING 2001

De Wet inkomstenbelasting 2001 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het in artikel 8.11, tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt met ingang van 1 januari 2012 verhoogd met € 127.

B

Artikel 8.11 wordt met ingang van 1 januari 2013 als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

2. Het in het derde lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

C

Artikel 8.11 wordt met ingang van 1 januari 2014 als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

2. Het in het derde lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

D

Artikel 8.11 wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

2. Het in het derde lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

ARTIKEL IV. WIJZIGING VAN DE WET OP DE LOONBELASTING 1964

De Wet op de loonbelasting 1964 wordt als volgt gewijzigd:

A

Het in artikel 22a, tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt met ingang van 1 januari 2012 verhoogd met € 127.

B

Artikel 22a wordt met ingang van 1 januari 2013 als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

2. Het in het derde lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

C

Artikel 22a wordt met ingang van 1 januari 2014 als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

2. Het in het derde lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

D

Artikel 22a wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

1. Het in het tweede lid, onderdeel b, laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

2. Het in het derde lid genoemde bedrag wordt verhoogd met € 127.

ARTIKEL V. WIJZIGING VAN DE WET BELASTINGEN OP MILIEUGRONDSLAG

De Wet belastingen op milieugrondslag wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 59 wordt met ingang van 1 januari 2012 als volgt gewijzigd:

1. De in het eerste lid, onderdeel a, als tweede en derde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

2. De in het eerste lid, onderdeel a, als vierde, vijfde en zesde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,01125.

3. In het eerste lid, onderdeel a, wordt «10 000 000» telkens vervangen door: 3 000 000.

4. De in het eerste lid, onderdeel c, als tweede, derde, vierde en vijfde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

B

Artikel 59 wordt met ingang van 1 januari 2013 als volgt gewijzigd:

1. De in het eerste lid, onderdeel a, als tweede en derde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

2. De in het eerste lid, onderdeel a, als vierde, vijfde en zesde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,01125.

3. De in het eerste lid, onderdeel c, als tweede, derde, vierde en vijfde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

C

Artikel 59 wordt met ingang van 1 januari 2014 als volgt gewijzigd:

1. De in het eerste lid, onderdeel a, als tweede en derde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

2. De in het eerste lid, onderdeel a, als vierde, vijfde en zesde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,01125.

3. De in het eerste lid, onderdeel c, als tweede, derde, vierde en vijfde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

D

Artikel 59 wordt met ingang van 1 januari 2015 als volgt gewijzigd:

1. De in het eerste lid, onderdeel a, als tweede en derde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

2. De in het eerste lid, onderdeel a, als vierde, vijfde en zesde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,01125.

3. De in het eerste lid, onderdeel c, als tweede, derde, vierde en vijfde genoemde bedragen worden verhoogd met € 0,00875.

E

Artikel 65, vervalt.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL VI. INWERKINGTREDING

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

ARTIKEL VII. CITEERTITEL

Deze wet wordt aangehaald als: Wet werken moet lonen.

Toelichting

I. Algemeen

Werken moet lonen. Sinds 2009 wordt de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting van de niet werkende partner naar de kostwinner geleidelijk afgeschaft in kleine stapjes. Hierdoor wordt het financieel aantrekkelijker voor kostwinnersgezinnen om beiden te gaan participeren op de arbeidsmarkt en verbetert de economische zelfstandigheid van vrouwen.

Het probleem dat nog resteert is dat ook het sociaal minimum is gebaseerd op het kostwinnersmodel met de dubbele heffingskorting. Hierdoor zou de stap van bijstand naar werk uiteindelijk niet meer lonen. Na de volledige afschaffing van de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting zou de stap van bijstand naar werk leiden tot een inkomensachteruitgang van 5% voor een alleenstaande ouder en van 3% voor een kostwinner (bij een baan op het minimumloon).

Het is onwenselijk als werken niet loont. Het is dus goed dat dit kabinet dit probleem aanpakt. De manier waarop is echter niet onze manier. Dit kabinet kiest ervoor het sociaal minimum in 20 jaar met ongeveer 2 000 euro te verlagen. Een alleenstaande in de bijstand krijgt dan ongeveer 1 400 euro minder bijstandsuitkering en een paar gaat er ongeveer 2 000 euro op achteruit. Dit kabinet kiest dus voor meer armoede.

Er is echter ook een sociaal en toekomstgericht alternatief mogelijk.

In dit amendement verhogen we de arbeidskorting in vier stappen met in totaal 508 euro in 2015. Hierdoor blijft werken lonen in deze kabinetsperiode, zonder dat het nodig is te bezuinigen op de uitkering van 518 000 mensen die leven op het sociaal minimum.

Tegelijk bereiken wij vergroening doordat de belastingverlaging op arbeid wordt gefinancierd via een toekomstgericht energiebeleid. Op dit moment betalen energie-intensieve bedrijven een 220 keer lagere energiebelasting dan een burger. De totale fiscale bevoordeling van fossiele energie bedraagt ongeveer 5,8 miljard. Met dit amendement wordt deze fiscale bevoordeling in stapjes tot en met 2015 gehalveerd. Hierdoor neemt de druk toe voor energie-intensieve bedrijven om te investeren in energiebesparing of schone energie, zonder dat meteen de volledige prijs hoeft te worden betaald. Uiteindelijk krijgen op deze manier schone vormen van energie een eerlijke kans.

Daarnaast voorziet het amendement in een alternatief voor de bezuiniging van 1,1 miljard op de uitkeringen. Het alternatief is om de kinderbijslag inkomensafhankelijk te maken door deze te integreren in het kindgebonden budget. Op deze manier komen de zwaarste lasten bij de sterkste schouders terecht.

Budgettaire gevolgen

De verhoging van de arbeidskorting leidt tot een lastenverlichting van 800 miljoen per jaar tot 3,2 miljard in 2015. Dit wordt gefinancierd door de korting op de energiebelastingtarieven voor alle grootverbruikers in 4 stappen te verlagen tussen 2012 en 2015. Deze maatregelen leiden tot een lastenverzwaring van circa 3,2 miljard in 2015.

De structurele ombuiging van het wetsvoorstel is 1,1 miljard. Het amendement voorziet in een zelfde ombuiging door de kinderbijslag inkomensafhankelijk te maken door deze te integreren in het kindgebonden budget. Deze maatregel levert al in deze kabinetsperiode een besparing van 1,2 miljard op. Het amendement leidt tot een forse verbetering van het EMU-saldo binnen de kabinetsperiode. Ook de structurele besparingen van het wetsvoorstel worden gerealiseerd.

Effecten van het voorstel voor huishoudens en bedrijven

Het amendement heeft grote positieve gevolgen voor miljoenen mensen. Door dit amendement wordt het kabinetsbeleid teruggedraaid waarbij 518 000 mensen op het sociaal minimum er 1 400 euro tot 2 000 euro op achteruit zouden gaan. Daarnaast gaan miljoenen werknemers en kleine zelfstandigen erop vooruit doordat de arbeidskorting in stapjes wordt verhoogd met 508 euro per jaar in 2015.

Gezinnen met lage inkomens gaan er iets op vooruit doordat het kindgebonden budget wordt verhoogd voor lage inkomens. Voor gezinnen met modale inkomens verandert er verder niets. Gezinnen met bovenmodale inkomens verliezen een deel van de kinderbijslag en rijke gezinnen ontvangen niet langer een bijdrage van de overheid in de onderhoudskosten van hun kinderen.

Grote energie-intensieve bedrijven gaan meer energiebelastingen betalen doordat we de subsidie op fossiele energie stapsgewijs voor de helft zullen afbouwen tot en met 2015.

Indien dit amendement wordt aangenomen, komt het opschrift van het wetsvoorstel als volgt te luiden: Wijziging van de Wet op het kindgebonden budget en enige andere wetten in verband met de geleidelijke afbouw van de dubbele heffingskorting (Wet werken moet lonen)

II. Artikelsgewijs

Artikel III, onderdelen A tot en met D, en artikel IV, onderdelen A tot en met D (artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964)

De wijziging van artikel 8.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 22a van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de jaren 2012 tot en met 2015 betreft het in vier jaar verhogen van het maximum van de arbeidskorting met in totaal € 508 (jaarlijks dus € 127). Bij de formulering van de wijzigingsopdrachten is uitgegaan van de wettekst zoals deze ingevolge het wetsvoorstel Belastingplan 2012 in de betreffende jaren komt te luiden.

Artikel V, onderdelen A tot en met D (artikel 59 van de Wet belastingen op milieugrondslag)

De wijziging van artikel 59 van de Wet belastingen op milieugrondslag betreft het in vier jaar verhogen van de tarieven op aardgas en elektriciteit.

Klaver

Koşer Kaya