Kamerstuk 31780-19

Amendement van het lid Van Hijum c.s. over beoordeling van de definitieve verdiencapaiteit

Dossier: Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning


86,0 %
14,0 %

D66

PvdA

CDA

PVV

GL

Lid-Verdonk

CU

PvdD

VVD

SGP

SP


31 780
Wijziging van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten in verband met het bevorderen van de participatie van jonggehandicapten door werk en arbeidsondersteuning

nr. 19
AMENDEMENT VAN HET LID VAN HIJUM C.S.

Ontvangen 7 april 2009

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Artikel I, onderdeel D, artikel 5.6.7, wordt als volgt gewijzigd:

I

Onder vernummering van het tweede tot derde lid, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidende:

2. In afwijking van het eerste lid stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, met inachtneming van artikel 5.1.5 en de daarop berustende bepalingen, op aanvraag van de jonggehandicapte zijn resterende verdiencapaciteit vast, indien:

a. hij gedurende een periode van ten minste vijf jaar recht op arbeidsondersteuning heeft gehad;

b. gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar inkomsten uit arbeid heeft genoten die overeenkomen met zijn resterende verdiencapaciteit; en

c. er geen perspectief is op verdere verbetering van de verdiencapaciteit.

II

In het (bestaande) tweede lid wordt na «het eerste» ingevoegd: en tweede.

Toelichting

Het is belangrijk dat duidelijk wordt waarom Wajongeren onder de 27 jaar in de werkregeling minimaal zeven tot negen jaar onder het WML kunnen verdienen. Het kabinet geeft aan dat een arbeidsdeskundige van het UWV door de meerjarige periode van de werkregeling beter kan vaststellen wat de resterende verdiencapaciteit van een Wajongere is. Volgens de regering is deze termijn nodig om jonggehandicapten voldoende werkervaring te laten opdoen, zodat de resterende verdiencapaciteit met een redelijke mate van nauwkeurigheid kan worden vastgesteld. De indieners zijn het daar in principe mee eens maar vragen zich tevens af of er altijd negen jaar nodig is (leeftijd 18–27 jaar) om de definitieve verdiencapaciteit vast te kunnen stellen. Voor sommige jongeren kan soms sneller dan voorzien in artikel 5.6.7, eerste lid, de situatie optreden dat zij fysiek en psychisch zijn uitontwikkeld en dat reeds met een voldoende mate van zekerheid hun resterende verdiencapaciteit te bepalen is.

Dit amendement strekt ertoe dat het UWV niet alleen op grond van de beoordeling op het 27ste levensjaar de definitieve verdiencapaciteit kan bepalen maar dat dit tevens mogelijk wordt als er vijf jaar op het niveau van de resterende verdiencapaciteit is gewerkt en het UWV bepaalt dat de Wajongere geen mogelijkheid heeft om de verdiencapaciteit te verbeteren.

Van Hijum

Spekman

Ortega-Martijn