31 391
Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering en enkele aanverwante wetten in verband met rechtsontwikkelingen, internationale verplichtingen en geconstateerde wetstechnische gebreken en leemten

nr. 11
VIJFDE NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 25 mei 2009

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

Na artikel XIVd wordt een artikel ingevoegd, luidende:

ARTIKEL XIVe

Indien het bij koninklijke boodschap van 11 oktober 2007 ingediende voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering inzake de regeling van onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit (verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken) (31 241) tot wet wordt verheven, wordt artikel I, onder A, van die wet als volgt gewijzigd:

A

Het voorgestelde artikel 151e wordt als volgt gewijzigd:

1. Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In de eerste volzin wordt «door een arts» vervangen door: door een arts of een verpleegkundige.

b. De tweede volzin komt te luiden: In dat geval wordt ander celmateriaal, dat geschikt is voor het onderzoek, afgenomen.

2. In het vierde lid wordt «Door een arts» vervangen door: Door een arts of een verpleegkundige.

B

Het voorgestelde artikel 151f wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «een deel van de kosten van het tegenonderzoek» vervangen door: een deel van de kosten van het tegenonderzoek, waarvan de hoogte bij algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld,.

2. Het vijfde lid komt te luiden:

6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van dit artikel gegeven.

C

Aan het voorgestelde artikel 151h wordt een lid toegevoegd, dat luidt:

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels omtrent de uitvoering van dit artikel gegeven.

Toelichting

Deze vijfde nota van wijziging bij het onderhavige wetsvoorstel strekt ertoe een aantal (technische) onvolkomenheden in het voorstel van wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering inzake de regeling van onderzoek naar de mogelijkheid van overbrenging van een ernstige besmettelijke ziekte bij gelegenheid van een strafbaar feit (verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken) (Kamerstukken I 2008/09, 31 241, nr. A) te herstellen.

In de eerste plaats heeft deze nota van wijziging tot doel het wettelijk mogelijk te maken dat een verpleegkundige bevoegd is celmateriaal van een verdachte of derde af te nemen ten behoeve van een onderzoek dat tot doel heeft vast te stellen of hij drager van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige besmettelijke ziekte is (zie het bij deze nota van wijziging voorgestelde artikel XIVe, onder A). Het bij artikel I, onder A, van het voorstel van Wet verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken voorziet er al in dat een arts daartoe bevoegd is. In de schriftelijke stukken werd er al vanuit gegaan dat ook een verpleegkundige over voldoende ervaring en kennis beschikt om celmateriaal bij een verdachte of derde af te nemen en ook in staat is daarbij voldoende zorgvuldigheid te betrachten (Kamerstukken II 2007/08, 31 241, nr. 6, blz. 2 en 3). Nagelaten is op dat moment om naar analogie van de regeling voor DNA-onderzoek in de artikelen 151b, derde lid, en 195d, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) in het voorgestelde artikel 151e, derde en vierde lid, Sv te regelen dat voor het afnemen van celmateriaal bij een verdachte of derde niet alleen een arts maar ook een verpleegkundige kan worden ingeschakeld. Artikel XIVe, onder A, voorziet daar alsnog in.

Beide functionarissen zijn in staat om bloed af te nemen en te bepalen of het afnemen van bloed op medische grond onwenselijk is en of om die reden ander celmateriaal dient te worden afgenomen. Wel geldt dat een verpleegkundige uitsluitend in opdracht en onder verantwoordelijkheid van een arts bloed mag afnemen. De reden daarvoor is dat verpleegkundigen ingevolge artikel 33 juncto artikel 36, zesde lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg daartoe niet zelfstandig bevoegd zijn. Slechts artsen en verloskundigen hebben de autonome bevoegdheid puncties te geven. In het bij artikel XIVe, onder A, aangepaste artikel 151e, derde en vierde lid, Sv is echter niet expliciet aangegeven dat een verpleegkundige bloed onder verantwoordelijkheid van een arts afneemt, omdat de verantwoordelijkheid van de arts voor de wijze waarop de verpleegkundige deze handeling verricht, reeds voortvloeit uit de hiervoor genoemde artikelen van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg. Het afnemen van ander celmateriaal dan bloed is geen aan een arts voorbehouden handeling. De verpleegkundige kan dit andere celmateriaal dan ook afnemen zonder dat een arts daarvoor de eindverantwoordelijkheid draagt.

In de tweede plaats heeft deze nota van wijziging tot doel nog een technische onvolkomenheid in de tweede volzin van het bij artikel I, onder A, van het voorstel van Wet verplichte medewerking aan een bloedtest in strafzaken voorgestelde artikel 151e, derde lid, Sv te herstellen. In dat artikellid wordt ten onrechte geregeld dat de officier van justitie een afzonderlijk bevel zou moeten geven voor de afname van ander celmateriaal dan bloed bij een verdachte of derde in het geval dat de arts of verpleegkundige heeft geoordeeld dat afname van bloed bij de verdachte of derde om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk is. Een dergelijke regeling verhoudt zich niet goed met artikel 151e, tweede lid, Sv op grond waarvan het bevel van de officier van justitie betrekking heeft op het afnemen van alle typen celmateriaal. De uitvoering van dat bevel kan vervolgens aan het oordeel van de arts of verpleegkundige worden overgelaten. Deze functionaris is immers bij uitstek geschikt om te bepalen welk type celmateriaal bij de verdachte of derde dient te worden afgenomen. De tussenkomst van de officier van justitie is niet verder vereist. Artikel XIVe, onder A, van deze nota van wijziging beoogt alsnog, overeenkomstig de oorspronkelijke bedoeling van artikel 151e, derde lid, Sv, met zoveel woorden deze gang van zaken helder vorm te geven.

In de derde plaats heeft deze nota van wijziging tot doel nog een andere onvolkomenheid te herstellen. In het wetsvoorstel is wel een grondslag gecreëerd om bij algemene maatregel van bestuur nadere regels te stellen over de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, Sv dat tot doel heeft om vast te stellen of de verdachte of derde drager is van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ernstige besmettelijke ziekte. Deze grondslag ontbreekt echter ten aanzien van een onderzoek als bedoeld in artikel 151h, eerste lid, Sv. Indien de uitslag van het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste lid, Sv negatief is, kan de verdachte op basis van artikel 151h, eerste lid, Sv na een periode van drie tot zes maanden gedwongen worden opnieuw aan zo’n onderzoek mee te werken door het afstaan van zijn bloed. Een tweede onderzoek kan van belang zijn omdat een negatieve uitslag niet hoeft te betekenen dat de verdachte niet besmet is.

Artikel XIVe, onder C, van deze nota van wijziging voorziet erin dat aan artikel 151h Sv een vierde lid wordt toegevoegd waarin is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld over dit tweede onderzoek. Tegelijkertijd is van de gelegenheid gebruik gemaakt om in artikel 151f, vijfde lid, Sv dezelfde formulering te kiezen voor het bij algemene maatregel van bestuur stellen van nadere regels als waarvoor in de artikelen 151h, vierde lid, en 151i, derde lid, Sv is gekozen (zie artikel XIVe, onder B, van deze nota van wijziging). Naar analogie van de regeling over DNA-onderzoek (zie de artikelen 151a, vijfde lid, en 195b, tweede lid, Sv) is in artikel 151f, vierde lid, de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen over de hoogte van het deel van de kosten dat de verdachte in rekening wordt gebracht voor een tegenonderzoek, overgeheveld van het vijfde lid van artikel 151f naar het vierde lid van dat artikel.

De minister van Justitie,

E. M. H. Hirsch Ballin