Verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt, maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Ik ben bekend met het bericht en deel de mening dat zware criminaliteit onacceptabel is en een ontwrichtend effect kan hebben op de samenleving als geheel en daarmee ook op jongeren.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving en met name op jongeren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Ik neem deze signalen zeer serieus. Daarom investeren we ook in de gezamenlijke aanpak van de politie, het Openbaar Ministerie, de Koninklijke Marechaussee, de douane en de gemeenten in de grensregio’s. Daarnaast is de intensieve samenwerking met België en Duitsland daarin belangrijk. Criminelen maken namelijk bewust gebruik van de voordelen van de grens, bijvoorbeeld door hun activiteiten te spreiden over Nederland, België en Duitsland, wat de opsporing bemoeilijkt. Dit is onacceptabel. Daarom is in Limburg op 9 februari jl. een intentieverklaring getekend tussen de Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten en de Koninklijke Marechaussee voor de verdere ontwikkeling van een gecoördineerde en toekomstbestendige Euregionale politieoperatie, om zo structureel samen te werken om de veiligheid in de Euregio te versterken.
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet, waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en, zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Criminaliteit stopt niet bij landsgrenzen. Criminele netwerken maken bewust misbruik van de landsgrenzen, door de verschillen tussen Nederland, België en Duitsland in wetgeving, bevoegdheden en systemen te benutten. Op sommige vlakken hebben de grenzen namelijk een belemmerend effect op de samenwerking tussen de landen. Bijvoorbeeld in de opsporing. Hier heeft de grens voor de politie een vertragend effect, onder meer vanwege een verschil in regelgeving ten aanzien van het bewaren en delen van gegevens, rechtshulpverzoeken en beperktere mogelijkheden van de inzet van bijvoorbeeld taps. Belangrijke gegevens zijn zo niet direct toegankelijk, waardoor criminelen direct na een misdrijf een voorsprong hebben. Ook tijdens het verdere onderzoek zijn mogelijkheden beperkt doordat (vluchtige) data niet meer beschikbaar zijn of pas na langere tijd in het bezit komen van de onderzoekers.
Daarom treedt Nederland, juist in nauwe samenwerking met de grensregio’s en ook overkoepelend met de centrale regeringen in België en Duitsland, ferm op tegen criminele netwerken die bewust misbruik maken van de landsgrenzen. Onderdeel van de samenwerking bij het aanpakken en voorkomen van ondermijnende criminaliteit in de grensregio is de inzet van het Euregionaal Informatie en Expertisecentrum (EURIEC). Via het EURIEC wordt samengewerkt met België en Duitsland (deelstaat Noordrijn-Westfalen). Het EURIEC ondersteunt bij concrete casuïstiek met een internationale component. Het primaire doel is daarbij om te voorkomen dat criminelen, die aan de ene kant van de grens effectief worden geweerd om in de legale wereld zaken te doen, aan de andere kant van de grens ongestoord hun criminelen activiteiten kunnen voortzetten. Het EURIEC doet dat door nauwe samenwerking tussen de Nederlandse RIEC’s, de Belgische ARIEC’s (equivalent van de Nederlandse RIEC’s) en Duitse partners.
Verder staat ook de Nederlandse politie in nauw contact met hun Belgische en Duitse collega’s in de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. Met de buurlanden wordt intensief operationeel samengewerkt. Hiervoor bestaat onder andere het Benelux-politieverdrag, waarin is geregeld dat politiegegevens kunnen worden gedeeld en grensoverschrijdende bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Met Duitsland is de grensoverschrijdende politiesamenwerking geregeld in het Verdrag van Enschede uit 2005.
De operationele grensoverschrijdende politiesamenwerking vindt onder meer plaats door de inzet van grensoverschrijdende politieteams met Duitsland, gezamenlijke patrouilles en controles met België en in het Euregionaal politie-informatie-uitwisselingscentrum (EPICC). Regelmatig vindt op operationeel niveau overleg plaats in de zogenoemde burenoverleggen, een samenwerkingsformat tussen lokale politiechefs van grensregio’s.
Sneller informatie delen over grensoverschrijdende veiligheidsproblemen en gezamenlijk actie ondernemen is als ambitie opgenomen in het Benelux jaarplan van 2026. Dit jaarplan heeft als doel om grensbreed de effectiviteit van de politiesamenwerking tussen Nederland, België en Luxemburg verder te versterken.
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering van criminaliteit onder jongeren?
Elke jongere die geronseld wordt voor de georganiseerde criminaliteit is er één te veel. Met veruit de meeste jongeren in Nederland gaat het echter goed en uit de data blijkt dat de jeugdcriminaliteit de afgelopen twintig jaar stevig is gedaald. Er is dus geen sprake van normalisering van criminaliteit.
Feit is wel dat jeugdcriminaliteit zich momenteel concentreert onder een specifieke groep jongeren met een opeenstapeling van risicofactoren. Met name jongeren in kwetsbare posities komen soms in aanraking met negatieve rolmodellen die criminaliteit verheerlijken. Bij die jongeren in kwetsbare posities is het dan ook cruciaal om hen weerbaar te maken tegen de verleiding van de georganiseerde criminaliteit. Bijvoorbeeld via sociale media en muziek, door hen een beter toekomstperspectief te bieden.
Mede daarom zet ik met Keerpunt in op een veilig en laagdrempelig hulpplatform waar jongeren professionele hulp krijgen wanneer zij crimineel uitgebuit worden. Keerpunt is bedoeld voor jongeren die vastzitten in de criminaliteit, of hier kwetsbaar voor zijn en niet zelfstandig een uitweg weten te vinden. Om te voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin afglijden of doorgroeien zetten we in op kansrijke en bewezen effectieve interventies, zoals de gedragsinterventie «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB). AJB is een effectief bewezen gedragsinterventie waarbij positieve rolmodellen en sport als middel worden ingezet om te voorkomen dat jongeren afglijden in de criminaliteit en is landelijk beschikbaar. Tenslotte zet ik met Preventie met Gezag in op het wegnemen van de voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit doe ik door samen met gemeenten, justitie- en zorgpartners kansen te bieden aan jongeren die vatbaar zijn voor criminaliteit en tegelijkertijd grenzen te stellen aan crimineel gedrag. Bijvoorbeeld door de inzet van jongerenwerk. Jongerenwerkers hebben een goed beeld van de jongeren in hun wijk en kunnen problematisch gedrag van kwetsbare jongeren op school, straat of online vroegtijdig signaleren en snel doorverwijzen naar de juiste hulp.
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw actief worden?
Eind 2025 is het WODC-onderzoek naar de precieze effecten van de civiele verboden op Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) in Nederland gepubliceerd tezamen met een beleidsreactie.2 Hieruit blijkt dat de invloed van OMG’s in de openbare ruimte sterk is afgenomen, vergeleken met de start van de OMG-aanpak in 2012. OMG-leden zijn over het algemeen minder zichtbaar geworden in het publieke domein en daarnaast zijn er de afgelopen jaren tientallen clubhuizen gesloten en clubgerelateerde evenementen voorkomen. Dit heeft verder bijgedragen aan de verminderde zichtbaarheid van (verboden) OMG’s.
Dat OMG’s als gevolg van de integrale aanpak en civiele verboden minder zichtbaar zijn in de openbare ruimte, is een resultaat dat we moeten vasthouden. In de beleidsreactie op het WODC-onderzoek is te lezen dat mijn ambtsvoorganger afspraken heeft gemaakt met partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband om zich te blijven inzetten op het handhaven van de civiele verboden van verboden motorclubs en op hun leden. Zij mogen immers geen vrijplaats worden geboden en zowel de overheid als de maatschappij moeten ten alle tijde weerbaar tegen hen zijn.
Tegelijkertijd krijg ik ook signalen dat OMG’s hier en daar actiever lijken te worden, en dit is een zorgelijke ontwikkeling. We houden deze motorbendes nauwlettend in de gaten en de lokale driehoek grijpt in waar dit kan. Daarnaast ontvang ik jaarlijks van de politie een fenomeenbeeld op dit thema, dat ook wordt verrijkt door de partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband, zodat we tijdig kunnen opschalen indien de situatie hierom vraagt. Dit onderwerp blijft dus onder mijn aandacht en over deze ontwikkeling blijf ik met de relevante partners in gesprek.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Het is onaanvaardbaar dat jongeren worden gerekruteerd door de georganiseerde criminaliteit, ook via sociale media, en ik deel de mening dat daar hard tegen moet worden opgetreden.
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte van de huidige aanpak?
Politie en justitie hebben de grensregio’s onder controle. Zoals eerder bij vraag 4 beschreven, wordt samen met België en Duitsland hard opgetreden tegen criminele samenwerkingsverbanden. Zo is de politie-eenheid Limburg bezig met het verkennen van een Euregionale Politiealliantie, waarvoor het op 9 februari jl. een intentieverklaring heeft getekend met hun politieburen in België en Duitsland. De ambitie van een dergelijke Euregionale Politiealliantie is om de duurzame en structurele samenwerking tussen de politiediensten in de Euregio te versterken. Daarmee houden politie en justitie nu en in de toekomst de grensregio’s onder controle.
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht 'Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld»?1
Ja.
Kunt u de toename in het aantal plofkraken duiden en aangeven op welke manier het kabinet haar beleid hierop toespitst?
De toename in het aantal plofkraken is gerelateerd aan sealbag (afstort)automaten. Dit zijn automaten waarin ondernemers geld kunnen afstorten in een verzegelde plastic zak (sealbag). Criminelen hebben een nieuwe modus operandi ontwikkeld en concentreren zich daarbij op dit type automaten.
De onlangs ingestelde gedeeltelijke sluiting van dit type automaat is een tijdelijke noodmaatregel van Geldmaat. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën zijn in gesprek met Geldmaat, de politie, De Nederlandsche Bank en de grootbanken om tot structurele passende maatregelen te komen. Zie ook de beantwoording van vraag 9.
Kunt u aangeven op welke manier met de sector en Geldmaat gesproken wordt om plofkraken niet van invloed te laten zijn op de beschikbaarheid van contant geld?
Mijn ministerie heeft samen met het Ministerie van Financiën doorlopend overleg met Geldmaat, politie, banken en De Nederlandsche Bank (DNB). Samen zoeken wij steeds naar een zorgvuldige balans tussen het borgen van de veiligheid van passanten en omwonenden en het waarborgen van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contant geld.
Kunt u aangeven hoeveel geldautomaten er de afgelopen tien jaar gesloten zijn als gevolg van (aanhoudende) plofkraken en welke oplossingen worden geboden indien er sprake is van zo’n verwijdering?
De afgelopen jaren zijn er diverse geldautomaten gesloten, zowel geldautomaten om contant geld op te nemen als af te storten. Dit had niet alleen te maken met een reeks plofkraken, maar ook met de transitie van geldautomaten van individuele banken naar één landelijk dekkend netwerk van Geldmaat-automaten. Hierbij zijn locaties ontdubbeld en zijn automaten losgekoppeld van banklocaties en elders herplaatst. Om die reden is het lastig te zeggen welke automaten gesloten zijn vanwege plofkraken.
Indien een automaat wordt verwijderd als gevolg van een plofkraak, betekent dit vaak dat elders een automaat wordt bijgeplaatst.
In 2022 hebben de banken, vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en toonbankinstellingen afspraken met elkaar vastgelegd in het Convenant contant geld om te borgen dat contant geld beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar en veilig blijft. Onderdeel van deze afspraken is dat Geldmaat een minimumaantal automaten zal aanbieden, met een minimale bereikbaarheid in afstand of autorijminuten. Momenteel werkt de overheid aan de Wet chartaal betalingsverkeer om deze vrijwillige afspraken om te zetten in wetgeving.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de plofkraken er sprake is van een grensoverschrijdend karakter, zoals bijvoorbeeld het vluchten over de grens na afloop van de plofkraak?
De in Nederland gepleegde plofkraken worden gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de politie zijn geen zaken bekend waar sprake is van grensoverschrijdend vluchtgedrag als plofkraken in Nederland gepleegd worden.
Bent u van mening dat grenscontroles bij kunnen dragen aan het op heterdaad oppakken van daders van plofkraken, nu de NOS bericht het doelwit van veel plofkrakers zich verplaatst van Duitsland naar Nederland?2
De plofkraken in Duitsland worden met name gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de huidige reeks aan plofkraken in Nederland passeren de daders niet de grens tussen Nederland en Duitsland. De Nederlandse binnengrenscontroles zijn gericht op het tegengaan van irreguliere migratie en aan migratie gerelateerde grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel of documentfraude. Hierdoor zullen binnengrenscontroles niet direct bijdragen aan het op heterdaad oppakken van daders van deze reeks plofkraken. Uiteraard kunnen grenswachters van de Koninklijke Marechaussee die de binnengrenscontroles uitvoeren, doorpakken als zij tijdens deze controles stuiten op strafbare feiten.
Op welke vlakken verschillen de aanpak van Duitsland en Nederland op dit gebied, nu de NOS aangeeft dat door de effectieve Duitse aanpak de focus terug op Nederland is komen te liggen?
De aanpak in Nederland en Duitsland verschilt niet. In beide landen is er aandacht voor preventie, het opsporen van daders en het versterken van heterdaadaanhoudingen. Ondanks hele goede beveiliging blijven daders altijd zoeken naar mogelijkheden om het te omzeilen.
Met name de intensieve operationele samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse opsporingsinstanties heeft ervoor gezorgd dat het aantal plofkraken op reguliere geldautomaten in Duitsland aanzienlijk is afgenomen en blijft afnemen.
Kunt u aangeven hoeveel plofkraken er in buurlanden worden gepleegd door daders uit Nederland of die naar Nederland vluchten na afloop van een plofkraak?
De politie registreert niet alle zaken in het buitenland; alleen die zaken waarvan zij vermoeden dat Nederlandse daders betrokken zijn. Bij die zaken ziet de politie dat Nederlandse daders vanuit het buitenland terug Nederland in vluchten.
Land
2025
2026
Nederland
3
11
Duitsland
103
6
België
1
0
Luxemburg
2
0
Zwitserland
7
2
Oostenrijk
22
0
Peildatum: 10 april 2026
In hoeverre ziet u dat de beschikbaarheid van contant geld voor zowel burgers als ondernemers onder druk is komen te staan door plofkraken en de daartegen genomen maatregelen?
Sinds de recente toename van het aantal plofkraken heeft Geldmaat aanvullende maatregelen genomen. Zo zijn er tijdelijk 218 sealbag automaten met boven- en nevenbewoning gesloten. Voor de circa 240 overige sealbag automaten gelden tijdelijk aangepaste openingstijden van 7.00 tot 14.00, met uitzondering van de 44 sealbag automaten in Geldmaatwinkels. Deze hanteren hun reguliere openingstijden. Op de locatiewijzer van Geldmaat kunnen de actuele openingstijden gevonden worden. Deze maatregelen waren op korte termijn nodig om het risico op nieuwe plofkraken op dit type automaten te verkleinen. De sluiting van sealbag automaten heeft vrijwel geen gevolgen voor het opnemen van contant geld door ondernemers en burgers (de beschikbaarheid van contant geld), maar heeft wel gevolgen voor het kunnen afstorten van contant geld door ondernemers. Dit kan het voor ondernemers minder aantrekkelijk maken om contant geld te accepteren en kan daarmee gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van contant geld. Er wordt gewerkt aan structurele veiligheidsmaatregelen, zodat gesloten sealbag automaten zo spoedig mogelijk en op verantwoorde wijze weer kunnen worden opengesteld.
Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Ja, die zorgen deel ik. In de Verzamelbrief van 18 december 20252 heeft de voormalig Staatssecretaris Digitalisering en Koninkrijksrelaties uw Kamer geïnformeerd over de resultaten van de forecast «Zicht op de Digitale Toekomst», welke TNO heeft ontwikkeld op zijn verzoek. TNO heeft daarin ook gekeken naar de impact van autonomer opererende AI-assistenten («Agentic AI») op publieke waarden zoals privacy, autonomie en democratie. Een risico is bijvoorbeeld dat gebruikers de controle verliezen op wat AI-assistenten doen. Daarnaast verzamelt en verwerkt het veel persoonlijke gegevens van gebruikers. Omdat deze AI-assistenten zelfstandig werken is het voor gebruikers moeilijk te overzien welke data waar terechtkomt en wat er met die data gebeurt. Een ander risico is dat het niet meer scherp wordt wie verantwoordelijk is voor de handelingen van de AI-assistent. Ook op het gebied van privacy en (cyber)veiligheid zijn er risico’s. Dat geldt met name voor de meer experimentele vormen van AI-assistenten waar in het artikel naar verwezen wordt, en waar ook de Autoriteit Persoonsgegevens recent voor heeft gewaarschuwd.3 Op het moment dat autonome AI-assistenten breed toegang krijgen tot talrijke apps en informatiebronnen, dan kan het misgaan doordat bijvoorbeeld accounts worden overgenomen, hacks worden gezet, of toegang worden verkregen tot privacy gevoelige gegevens (datalekken).
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
De wenselijkheid van dit soort autonomere AI-toepassingen hangt samen met de wijze waarop en het domein waarin deze worden ingezet. Bij iedere toepassing is het daarbij in beginsel de vraag in hoeverre de inzet rechtmatig en proportioneel is en in lijn met bestaande wet- en regelgeving. Ook is van belang dat duidelijk is wie verantwoordelijk is voor de handelingen die een AI-systeem namens een gebruiker verricht en dat er voldoende waarborgen bestaan op het gebied van bijvoorbeeld transparantie, controleerbaarheid en de bescherming van (andere) publieke waarden. Uiteraard vind ik het daarbij van belang om de ontwikkelingen op het gebied van AI, zoals agentic AI en autonomere AI-systemen, nauwgezet te volgen en hierin ook in Europees verband op te trekken, bijvoorbeeld via de Europese AI Board en andere relevante EU-gremia.
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
De AI-verordening reguleert autonome AI-systemen zoals AI-assistenten op verschillende manieren. Ten eerste zullen alle AI-assistenten die in gevoelige hoog risico toepassingsgebieden of producten worden ingezet aan de strenge eisen uit de AI-verordening moeten voldoen. De AI-verordening noemt expliciet welke gebieden of producten dit zijn. Dit gaat bijvoorbeeld om een AI-assistent die leerlingen in het onderwijs beoordeelt of een AI-assistent die gebruikt wordt als een medisch hulpmiddel. Eén van de eisen aan deze hoog risico AI-systemen is dat risico’s beoordeeld en gemitigeerd moeten worden. Als dat niet kan, mag het AI-systeem niet voor die risicovolle toepassing ingezet worden. Hiermee worden de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen beschermd.
Ten tweede worden er eisen gesteld aan autonome AI-systemen die worden ontworpen om directe interacties met mensen te hebben, bijvoorbeeld als ze zelfstandig e-mails uit kunnen sturen of reacties kunnen plaatsen op het internet. De aanbieder van een dergelijk AI-systeem moet ervoor zorgen dat het duidelijk is dat men contact met een AI-systeem heeft, en niet met een mens.
Ten slotte worden er onder de AI-verordening ook eisen gesteld aan de modellen voor algemene doeleinden die de basis vormen van deze autonome AI-systemen. Als deze modellen capaciteiten met een grote impact hebben, bijvoorbeeld door negatieve effecten op publieke gezondheid, veiligheid, fundamentele rechten of de maatschappij als geheel, dan moeten de aanbieders van deze modellen systeemrisico’s in kaart brengen en mitigeren. Capaciteiten zoals vergaande autonomie en het kunnen interacteren met andere hardware en software kunnen mogelijk voor systeemrisico’s zorgen.
Naast de AI-verordening, is ook de digitaledienstenverordening (DSA) mogelijk relevant. De digitaledienstenverordening verplicht zeer grote online platforms- en zoekmachines om de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, te beoordelen en te beperken. Dergelijke risico’s omvatten onder meer de verspreiding van illegale inhoud en werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op grondrechten, de burgerdialoog en verkiezingsprocessen, minderjarigen of het lichamelijke en geestelijke welzijn van personen. Zulke risico's kunnen bijvoorbeeld ontstaan door het niet-authentieke gebruik van de dienst, zoals het aanmaken van nepaccounts, het gebruik van bots en andere geautomatiseerde of gedeeltelijk geautomatiseerde gedragingen. Dit kan leiden tot een snelle en wijdverbreide verspreiding onder het publiek van informatie die illegale inhoud bevat of onverenigbaar is met de algemene voorwaarden van een onlineplatform of onlinezoekmachine, en die bijdraagt aan desinformatiecampagnes. Het is mogelijk dat de risico’s van de inzet van autonome AI-systemen binnen zeer grote onlineplatforms langs deze weg moeten worden aangepakt.
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
AI-innovaties zijn verantwoord als ze voldoen aan geldende wet- en regelgeving (zoals de AI-verordening, de digitaledienstenverordening en andere wettelijke kaders die van toepassing kunnen zijn) en zijn ontwikkeld op een manier waardoor ze geen voorzienbare negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen.
AI-assistenten kunnen ook op een manier ontwikkeld en gebruikt worden dat ze betrouwbaar en mensgericht zijn. Het is van belang dat zowel ontwikkelaars als gebruikers van AI-assistenten zich bewust zijn van de mogelijke risico’s van de technologie in verschillende contexten en hier robuuste maatregelen voor nemen. Aan de ene kant gaat dit om maatregelen om voorzienbare risico’s bij de ontwikkeling van het AI-systeem zo veel mogelijk by design te ontwikkelen, maar ook om maatregelen om een systeem stop te zetten of aan te passen zodra onvoorziene risico’s zich voordoen. Wetgeving zoals de AI-verordening biedt hier kaders voor, onder andere door te bepalen welke toepassingen van AI-assistenten gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, veiligheid en grondrechten van mensen. Toezichthouders, zoals de AP4 en RDI, monitoren risico’s van ontwikkelingen op het gebied van AI en delen best practices voor de aanbieders van deze technologie om hun systemen op een verantwoorde manier te ontwikkelen.
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
De wenselijkheid van autonome AI-assistenten is afhankelijk van de context waarbinnen de AI-systemen worden ingezet. Het is vanzelfsprekend dat de inzet ervan gebeurt in lijn met bestaande regelgeving, zoals de AI-verordening, de AVG in het geval er persoonsgegevens worden verwerkt, en andere relevante (sectorale) wetgeving. Op al deze wettelijke kaders is of wordt toezicht ingericht. Voor overheden geldt daarbij sinds april 2025 het overheidsbrede standpunt generatieve AI, wat ook van toepassing is op autonomere vormen van AI, zoals AI-agenten.5 Vooraf dienen overheden daarbij altijd een impactassessment (zoals bijvoorbeeld een gegevensbeschermingseffectbeoordeling of een Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA)) te hebben uitgevoerd en dient duidelijk te zijn welk maatschappelijk doel precies wordt gediend met de inzet. De in 2025 – in opdracht van BZK – uitgevoerde overheidsbrede monitor generatieve AI laat een duidelijke toename van het aantal generatieve AI-toepassingen zien, maar daarin zijn nog geen tekenen van (veelvuldig) gebruik van autonomere AI-assistenten.6 Als onderdeel van de AI-prioriteit binnen de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) wordt er voor de Nederlandse overheid gewerkt aan een visie op taalmodellen en aan een herijking van het overheidsbrede standpunt generatieve AI en bijbehorende handreiking.7 Hierbij worden ook de ontwikkelingen op het gebied van autonome (of agentic) AI nadrukkelijk meegenomen. Deze zullen nog dit jaar met uw Kamer worden gedeeld.
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
In algemene zin hangt de mate van menselijke tussenkomst sterk af van het risico en de mogelijke impact van de toepassing van AI. Onder de AI-verordening worden er eisen gesteld aan onder andere hoog risico AI-systemen die als veiligheidscomponent in de kritieke infrastructuur worden gebruikt, hoog risico AI als medisch product of veiligheidscomponent daarvan en hoog risico AI in gevoelige overheidsgebieden, zoals het toekennen van toeslagen of in de rechtshandhaving. Voor alle hoog risico AI-systemen moet er menselijk toezicht («human in the loop») uitgeoefend kunnen worden. Dit houdt onder andere in dat men de capaciteiten van het systeem moet begrijpen en de werking ervan moet kunnen monitoren. Ook moet het systeem stopgezet kunnen worden. De mate van deze menselijke controle is contextafhankelijk: des te groter het risico, des te steviger het menselijk toezicht moet zijn.
Als het specifiek gaat om dergelijke AI-systemen in het Defensiedomein is menselijke controle noodzakelijk om het oordeelsvermogen van de mens voor AI-systemen te behouden, zodat deze conform het (internationaal) recht kunnen worden gebruikt. In Nederland worden nieuwe middelen en strijdmethoden door de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik (AIRCW) getoetst aan het internationaal recht. De Minister van Defensie besluit op basis van het advies al dan niet goedkeuring te verlenen voor gebruik door de krijgsmacht.
Als het specifiek om de zorg gaat rust vanuit de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) de plicht op zorgaanbieders om medische hulpmiddelen, inclusief AI, te gebruiken die veilig en kwalitatief goed zijn. Individuele zorgverleners zijn vanuit de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) verplicht om bij hun werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen. Dit betekent onder meer dat de zorgverlener altijd eindverantwoordelijk blijft voor medische beslissingen en niet blindelings op AI-systemen mag vertrouwen. Bij het gebruik van autonome AI-systemen zal het systeem dus ook ontworpen moeten worden met deze waarborgen als randvoorwaarden. De Minister van VWS is in de brief over innovatie in de beroepsuitoefening8 van 9 december jl. uitgebreid ingegaan op de acties die worden ondernomen bij het gebruik van AI in de beroepsuitoefening in de zorg.
Wanneer autonome AI-assistenten bijvoorbeeld door overheden worden ingezet in het kader van (algoritmische) besluitvorming, dient daarbij altijd sprake te zijn van betekenisvolle menselijke tussenkomst. Daarbij geldt voor de overheid in het geval van een besluit ook de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb). Deze bevat de algemene regels waaraan de overheid moet voldoen bij het nemen van besluiten, onder meer met het oog op transparantie, kenbaarheid en uitlegbaarheid van besluiten. De regels zijn techniekonafhankelijk opgesteld en normeren ook algoritmische besluitvorming en daarmee ook de inzet van AI.
Daarnaast werkt de overheid aan de ontwikkeling van een integraal wegingskader voor de verantwoorde inzet van AI, waarin expliciet aandacht wordt besteed aan het waarborgen van autonomie van AI-systemen, het bevorderen van mensgerichte toepassingen, het inrichten van robuuste terugvalopties ten behoeve van continuïteit, en de zorgvuldige afweging of en in welke gevallen AI -bijvoorbeeld in de vorm van AI-assistenten – passend is. Daarbij geldt in het bijzonder dat binnen de publieke dienstverlening het behoud van betekenisvol menselijk contact met burgers en bedrijven leidend is, en dat steeds nauwgezet wordt beoordeeld welke (repetitieve) taken verantwoord door AI kunnen worden ondersteund of overgenomen. Dit integraal wegingskader wordt ontwikkeld in het kader van de NDS, en de conceptversie is voorzien voor dit jaar (na enkele pilots ermee).
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het is bij nieuwe technologische ontwikkelingen, waaronder autonomie AI-assistenten, belangrijk om goed te kijken naar de waarborgen die nodig zijn om hier goed mee om te gaan. Bijvoorbeeld door het principe van ethics-by-design toe te passen zodat publieke waarden zoals privacy, transparantie, autonomie en non-discriminatie al vanaf het begin worden meegenomen. Ik zet mij ervoor in om te zorgen dat publieke waarden gewaarborgd worden, ook bij nieuwe technologische ontwikkelingen zoals quantum en autonome AI-assistenten. Verder merk ik graag op dat binnen de NDS overheden gezamenlijk aan verantwoord en succesvol ontwikkelen van AI-toepassingen werken. Bijkomend doel is om AI breder inzetbaar te maken waardoor de impact en succes van AI groter wordt. Gelet op die bredere inzetbaarheid en de verwachte impact wordt binnen de AI-opschalingsfaciliteit voor overheden een afwegingskader voor het opschalen van AI ontwikkeld, zodat zorgvuldig kan worden gekeken naar de inzet van AI in relatie tot wet- en regelgeving en ethisch verantwoord gebruik. Dit afwegingskader wordt later in 2026 gepubliceerd. Tot slot zou ik ook voorzichtigheid willen bepleiten. Bij experimentele vormen van autonome AI-assistenten zoals OpenClaw is het belangrijk om nu vooral zeer terughoudend te zijn en deze niet te gebruiken op systemen met privacygevoelige of vertrouwelijke gegevens, zoals ook de Autoriteit Persoonsgegevens heeft opgeroepen.9
De politiepublicatie 'Game Over?!' en het profiel van verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de politiepagina «Game Over?!», waarin tientallen verdachten van onder meer bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken herkenbaar in beeld worden gebracht?1
Ja
Herkent u een bepaald daderprofiel bij deze daders? Zo ja, hoe ziet dit profiel eruit? Zo nee, worden wij dan bedrogen door onze eigen ogen?
Zoals de campagne heeft laten zien zijn nepagenten en fraudeurs een groot probleem, met soms ingrijpende gevolgen. Niet alleen in verband met de financiële gevolgen van oplichting, maar ook het verlies van de samenleving in het vertrouwen dat je de deur kan openen of gegevens kan delen. Dit kabinet geeft prioriteit aan de aanpak van criminaliteit die burgers raakt, zowel offline als online. Met de actie Game Over?! wil de politie zaken oplossen, oplichters aanpakken, criminele netwerken verstoren en laten zien dat deze criminaliteit niet zonder gevolgen blijft. In het strafrecht staat het handelen van een verdachte centraal. Herkomst, culturele achtergrond of geloof spelen geen rol.
Kunt u bevestigen dat binnen deze dadergroep sprake is van oververtegenwoordiging van mensen met een bepaalde herkomst? Zo nee, waarom wordt hier niet explicieter over gerapporteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt in publieke communicatie over deze criminaliteit terughoudend omgegaan met het benoemen van daderprofielen, terwijl dit relevant is voor preventie en bewustwording?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is er bij dit type criminaliteit sprake van georganiseerde structuren en welke rollen worden daarin onderscheiden? Indien sprake is van georganiseerde structuren, zijn deze duidelijk in beeld bij de politie?
Bij oplichtingen door nepagenten is meestal sprake van een georganiseerde structuur met een aantal rollen. De meeste fraudes verlopen volgens een vast stramien en met een vaste rolverdeling. De rollen die je kunt onderscheiden zijn: de beller, de nepagent, de chauffeur en de coördinator. Deze rollen zijn duidelijk. De «Game Over?!» campagne focust zich specifiek op de rol van nepagent.
Kunt u toelichten in hoeverre bij deze vormen van fraude sprake is van grensoverschrijdende of internationaal georganiseerde criminaliteit? Indien hiervan sprake is, op welke vlakken schieten opsporingsbevoegdheden en de samenwerking met andere landen tekort in het aanpakken van deze criminaliteit?
De internationale component verschilt per type oplichting. Bij telefonische helpdeskfraude (waar nepagenten en bankhelpdeskfraude onder vallen) is juist vaak sprake van Nederlandse daders in alle rollen. Vloeiend en netjes Nederlands spreken is een vereiste om geloofwaardig over te komen.
Er is ook een internationale context: Nederlandse daders plegen hun delicten ook in België, zowel het oplichten, als het ronselen van personeel. Ook worden Nederlandse loopjongens ingezet voor oplichtingen in België.
Bent u voornemens de korpschef op te roepen, bij effectiviteit van deze maatregel van publicatie, dit veel vaker in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Politie en Openbaar Ministerie gaan de «Game Over?!» campagne evalueren. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zullen zij beslissen over een vervolg.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over ontwikkelingen in daderprofielen en trends binnen deze vorm van criminaliteit?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert maandelijks de kenmerken van bij de politie geregistreerde verdachten naar incidentsoort. Deze zijn openbaar beschikbaar via de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek.2
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht ‘Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt’. |
|
Tijs van den Brink (CDA), André Poortman (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Lekken in medicijnketen; zwaar verslavende pijnstillers volop verhandeld op zwarte markt»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat er zware pijnstillers uit de reguliere farmaceutische keten worden verhandeld op de zwarte markt?
Hoe duidt u de constatering van Zembla dat er diverse kwetsbaarheden en lekken in de keten van geneesmiddelendistributie en afvalinzameling zijn zoals corrupte medewerkers binnen Nederlandse apotheken?
Hoe duidt u het in het bericht beschreven voorval waarin er door het HagaZiekenhuis in eerste instantie geen aangifte werd gedaan van diefstal van medicatie door een medewerker en er eveneens geen melding werd gemaakt bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd?
Bent u bereid met de sector in gesprek te gaan om te bezien of de huidige richtlijnen rondom het melden van diefstal en het doen van aangifte toereikend zijn en of deze voldoende worden nageleefd?
Hoe weegt u het verzoek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd om de bevoegdheid om met een «fictieve identiteit» proefaankopen te doen en bent u bereid te onderzoeken of deze en andere instrumenten en maatregelen getroffen kunnen worden om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, al dan niet in samenwerking met het Openbaar Ministerie, instaat te stellen tegen deze problematiek op te treden?
Bent u van mening dat er meer onderzoek gedaan moet worden naar illegale handel in legale medicatie? Zo nee, waarom niet?
Welke maatregelen kunt u nemen om te achterhalen waar legale opiaten vandaan komen die uiteindelijk op de zwarte markt illegaal worden verhandeld?
Wat is uw mening over de rol die onlineplatforms zoals Telegram spelen in de illegale handel van medicijnen en wat kunt u, naast het aanspreken van deze platforms, verder doen om dit tegen te gaan?
In hoeverre is het strafbaar om legale medicijnen illegaal te verhandelen via online platforms en welke handvaten zijn er om deze handel aan te pakken?
Heeft u zicht op de omvang van de online handel in designerdrugs?
Acht u de huidige wetgeving rondom de aanpak van designerdrugs toereikend genoeg om juist ook de online handel ervan tegen te gaan? Welke knelpunten zijn hierbij nog aan de orde?
Het verheerlijken en normaliseren van drugsgebruik door minderjarigen in de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinder |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de aangekondigde Videoland-documentaire Nachtkinderen, waarin minderjarige jongeren herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij harddrugs gebruiken?1
Hoe kan het dat een streamingdienst kennelijk zonder noemenswaardige beperkingen minderjarigen drugs laat gebruiken voor de camera en dit vervolgens als entertainment uitzendt?
Deelt u de opvatting dat het tonen van minderjarige drugsgebruikers zonder duidelijke afkeurende context bijdraagt aan de normalisering van harddrugsgebruik onder jongeren? Zo nee, waarom niet?
Acht u het acceptabel dat minderjarigen herkenbaar in beeld worden gebracht terwijl zij strafbare en potentieel schadelijke gedragingen verrichten, ondanks de mogelijke gevolgen voor hun toekomst?
In hoeverre wordt onderzocht of dit soort content een aanzuigende werking heeft op jongeren en daarmee indirect bijdraagt aan drugsgebruik en drugsnormalisering?
Deelt u de mening dat streamingdiensten en producenten een grens overschrijden wanneer harddrugsgebruik door minderjarigen op deze manier wordt gefilmd en verspreid? Zo nee, waarom niet?
Wordt onderzocht of het herkenbaar in beeld brengen van minderjarige drugsgebruikers gevolgen moet hebben voor zowel de betrokken producenten als de minderjarigen die zichtbaar strafbare feiten plegen? Zo nee, waarom niet?
Het bericht ‘Mishandeling van ouderen onbelicht’ |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Veilig Thuis is blij met meer meldingen, maar maakt zich om één groep zorgen: «Er gebeurt veel meer dan we nu zien»»?1
Deelt u de zorgen dat ouderenmishandeling vermoedelijk veel vaker voorkomt dan uit de officiële meldcijfers blijkt?
Klopt het dat in 2025 bij Veilig Thuis slechts 4.800 meldingen van ouderenmishandeling zijn gedaan, terwijl wordt geschat dat jaarlijks meer dan 210.000 thuiswonende ouderen slachtoffer zijn van ouderenmishandeling?
Hoe verklaart u dit grote verschil tussen het aantal vermoedelijke slachtoffers en het aantal meldingen?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is als ouderen die afhankelijk zijn van familie, mantelzorgers of andere naasten niet veilig zijn in hun eigen huis?
Welke concrete maatregelen neemt u om ouderenmishandeling eerder te signaleren, met name bij thuiswonende 65-plussers die afhankelijk zijn van zorg, mantelzorg of financiële hulp?
In hoeverre worden huisartsen, wijkverpleegkundigen, thuiszorgmedewerkers, apothekers en andere eerstelijnszorgverleners voldoende toegerust om signalen van ouderenmishandeling te herkennen en te melden?
Herkent u het beeld dat Veilig Thuis signalen van ouderenmishandeling vaak pas ontvangt nadat de politie al betrokken is geweest?
Wat zegt dit volgens u over de vroegsignalering door zorgverleners, gemeenten en andere betrokken instanties?
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat ouderenmishandeling pas zichtbaar wordt wanneer de situatie al is geëscaleerd?
Herkent u de signalen dat financiële uitbuiting van ouderen voorkomt, bijvoorbeeld doordat kinderen de pinpas van hun ouders afpakken of druk uitoefenen rond testamenten?
Welke mogelijkheden zijn er op dit moment om financiële uitbuiting van ouderen eerder te herkennen en aan te pakken?
Bent u bereid om samen met banken, notarissen, gemeenten, wijkteams en Veilig Thuis te bezien hoe financiële uitbuiting van ouderen sneller kan worden opgespoord?
Hoe beoordeelt u het gegeven dat het aantal potentiële mantelzorgers niet meegroeit, terwijl de druk op mantelzorgers toeneemt?
Deelt u de zorg dat overbelasting van mantelzorgers kan bijdragen aan ontspoorde mantelzorg en daarmee aan ouderenmishandeling?
Welke concrete ondersteuning krijgen mantelzorgers om te voorkomen dat overbelasting leidt tot onveilige situaties voor kwetsbare ouderen?
Bent u van mening dat gemeenten voldoende zicht hebben op overbelaste mantelzorgers en kwetsbare ouderen die thuis wonen?
Kunt u de Kamer voor het commissiedebat Ouderenzorg informeren over de ontwikkeling van het aantal meldingen van ouderenmishandeling in de afgelopen vijf jaar, uitgesplitst naar aard van de mishandeling, zoals fysieke mishandeling, psychische mishandeling, verwaarlozing en financiële uitbuiting? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om op korte termijn in overleg te treden met ouderenorganisaties en met een concreet actieplan te komen om ouderenmishandeling beter zichtbaar te maken, sneller te signaleren en harder aan te pakken, en de Kamer vóór het commissiedebat Ouderenzorg te informeren over de eerste stappen die hierin worden gezet?
De Zembla-uitzending 'Gokkers in je tijdlijn'. |
|
Tijs van den Brink (CDA), Mirjam Bikker (CU), Jan Struijs (50PLUS), Diederik van Dijk (SGP), Laurens Dassen (Volt), Sarah Dobbe (SP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de Zembla uitzending «Gokkers in je tijdlijn», waarin wordt gesteld dat ondanks het rolmodellenverbod sinds 2022 meer dan de helft van de legale online gokaanbieders nog altijd betrokken is bij influencer en affiliate constructies?1
Wat is uw reactie op de bevindingen uit deze uitzending, en wat zegt dit volgens u over de werking van het rolmodellenverbod en het Besluit ongerichte reclame kansspelen op afstand (Besluit orka)?
Klopt het dat er na deze uitzending in feite twee conclusies mogelijk zijn: ofwel het rolmodellenverbod was juridisch duidelijk maar is jarenlang onvoldoende gehandhaafd, ofwel het verbod was zo onduidelijk dat aanbieders via influencers, streamers en affiliates materieel hetzelfde konden blijven doen als verboden reclame? Welke conclusie acht u de juiste, en wat gaat u doen om dit probleem op te lossen?
Hoeveel onderzoeken heeft de Kansspelautoriteit sinds 2022 ingesteld naar overtredingen van het rolmodellenverbod en verwante reclamebeperkingen, en welke sancties zijn daarbij opgelegd? Acht u deze handhaving effectief?
Erkent u dat het beschermingsdoel van het rolmodellenverbod niet kan worden uitgehold door te verwijzen naar juridische constructies (zoals contracten met affiliates of websites) wanneer het feitelijke effect gelijk blijft: normalisering van gokken en beïnvloeding van jongeren en kwetsbare groepen? Bent u bereid vast te leggen dat bij toezicht en handhaving de feitelijke beïnvloeding leidend is in plaats van de contractvorm?
Deelt u de zorg dat jongeren en jongvolwassenen via influencers, livestreams en «informatieve» content alsnog structureel met gokreclame worden geconfronteerd, juist omdat deze minder herkenbaar en daardoor effectiever kan zijn? Hoe wordt deze blootstelling momenteel gemonitord en bent u bereid die monitoring te versterken?
Deelt u de opvatting dat websites, vergelijkingspagina’s, streamkanalen en affiliate constructies die financieel afhankelijk zijn van speelgedrag of verliezen van spelers, feitelijk functioneren als verkapte reclame en niet als neutrale informatievoorziening? Acht u het wenselijk dat zulke constructies binnen het huidige reclameregime zijn toegestaan?
Nu het zo lijkt te zijn dat dat het onderscheid tussen directe reclame, indirecte promotie, affiliates en zogenaamd informatieve doorverwijzing voor spelers nauwelijks nog zichtbaar en voor toezicht steeds moeilijker handhaafbaar is, deelt u de mening dat reclame voor online kansspelen in brede zin zou moeten worden verboden, juist om administratief ontwijken te voorkomen?
Bent u bekend met de oproep van Verslavingskunde Nederland en de Nederlandse ggz voor een totaalverbod op gokreclame? Deelt u de opvatting dat een dergelijk verbod effectiever en eenvoudiger handhaafbaar kan zijn dan in elk geval het huidige stelsel van gedeeltelijke beperkingen maar ook het in het coalitieakkoord aangekondigde reclameverbod voor online gokken?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en ruim voorafgaand aan het commissiedebat over kansspelen op 24 juni 2026 beantwoorden?
Het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het NRC over het AI-model Mythos dat mogelijk in handen is gevallen van onbevoegden?1
Deelt u de analyse dat ongecontroleerde verspreiding van geavanceerde AI-modellen risico’s kan vergroten op cyberaanvallen, geautomatiseerde fraude en andere schadelijke toepassingen? Zo ja, welke risico’s acht u het meest urgent? Zo nee, waarom niet?
Welke rol spelen geavanceerde AI-modellen op dit moment in het dreigingsbeeld? Welke gevolgen heeft de uitrol van Mythos, binnen afzienbare tijd ook aan het grotere publiek, voor dit dreigingsbeeld?
Bent u van mening dat overheden toegang moeten krijgen tot Mythos zodat zij het kunnen gebruiken om preventief kwetsbaarheden op te sporen en te dichten? Kan dit op een veilige en verantwoorde manier?
Hoe bereidt u overheidsorganisaties voor op de cyberveiligheidsrisico’s die gepaard gaan met de uitrol van Mythos? Kunt u uiteenzetten welke acties u neemt om de veiligheid van persoonsgegevens van burgers en de ICT-processen van de overheid te garanderen?
Welke rol zou een onafhankelijke AI-raad, zoals voorgesteld in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1403), kunnen spelen om de veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI te monitoren en af te dekken? Hoe wordt deze motie nu uitgevoerd?
Heeft u voldoende zicht op de risico’s van model leakage, model theft en ongeautoriseerde verspreiding van geavanceerde AI-systemen in Nederland en Europa? Zo ja, hoe wordt dit inzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Hoe beoordeelt u de toereikendheid van bestaande beveiligingsnormen en toezichtmechanismen voor ontwikkelaars en beheerders van krachtige AI-modellen, mede in relatie tot de implementatie van de AI-verordening?
Welke kansen ziet u om via veilige ontwikkeling en deployment van AI de digitale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld voor cyberdetectie, opsporing en publieke dienstverlening?
Ziet u in deze casus aanleiding om in Europees verband te pleiten voor versterkte samenwerking rond monitoring van toegangsbeheer, auditing en incidentrespons? Zo ja, op welke wijze?
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van meer transparantieverplichtingen voor aanbieders van geavanceerde AI-systemen over beveiligingsmaatregelen, incidenten en misbruikrisico’s?
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en in ieder geval vóór het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026?
Het bericht 'Verkrachtingsacademie’ waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot' |
|
Etkin Armut (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht ««Verkrachtingsacademie» waar mannen hun vrouwen drogeren en aanranden: CNN legt wereldwijd netwerk van misbruik bloot»?1
Deelt u de mening dat het verwerpelijk en onacceptabel is dat er wereldwijde netwerken bestaan van mannen die elkaar aanmoedigen om vrouwen te misbruiken en drogeren, en hier veelvuldig tips over delen?
Welke strafrechtelijke mogelijkheden bestaan er om beheerders en Nederlandse gebruikers van dit soort platforms op te sporen en te vervolgen?
Kunt u in kaart brengen hoeveel van dit materiaal op Nederlandse servers staan en in hoeverre soortgelijke «verkrachtingsacademies» in Nederland aan de orde zijn?
Hoeveel Nederlandse vrouwen zijn naar verwachting slachtoffer van drogering en verkrachting door hun partner en waar kunnen deze slachtoffers zich melden?
In hoeverre is het strafbaar om in groepchats tips te delen om vrouwen te drogeren met slaapmedicatie? Kan hier specifiek op gehandhaafd worden en zo nee, welke belemmeringen zijn er?
Bent u van mening dat het wenselijk is om deelnemen aan of faciliteren van dergelijke online omgevingen explicieter strafbaar te stellen?
Hoe kunt u voorkomen dat anonimiteit op het internet ertoe leidt dat daders zich gemakkelijk kunnen verschuilen bij het plegen van seksueel geweld en delen van livestreams van seksueel misbruik, en welke ruimte biedt de Digital Services Act (DSA) om dit tegen te gaan?
Op welke manier werkt Nederland samen met andere Europese lidstaten bij de bestrijding van dit soort grensoverschrijdende online seksuele criminaliteit?
Kunt u in kaart brengen wat Nederland als individuele lidstaat kan doen om dit aan te pakken, en wat nodig is in Europees verband?
Heeft u in beeld hoeveel meldingen worden gedaan bij de online platforms over dergelijke «verkrachtingsacademies» en op welke manier wordt hierop geacteerd door de platforms?
Vindt u dat Telegram de verantwoordelijkheid om slachtoffers te beschermen en schadelijke content te verwijderen naleeft, nu veelvuldig in groepchats concreet advies wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen, middelen worden verkocht om vrouwen in slaap te houden en livestreams worden gemaakt van seksueel misbruik?
Bent u bereid om te onderzoeken of aanvullende wetgeving of bevoegdheden nodig zijn om sneller in te grijpen bij websites die seksueel geweld faciliteren?
Bent u bereid om, in samenwerking met Europese lidstaten, zich actief in te zetten voor het zo snel mogelijk offline halen van platforms zoals Motherless die seksueel geweld faciliteren of verheerlijken, en welke concrete stappen kunt u daartoe nemen?
Jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland |
|
Hilde Wendel (VVD) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het luiden van de noodklok door het Openbaar Ministerie (OM) vanwege de toenemende jeugdcriminaliteit in Noord-Nederland en dat vier op de tien jongeren in Groningen en Drenthe leeftijdsgenoten kennen die mogelijk betrokken zijn bij criminele activiteiten?
Ja.
In hoeverre wordt er voorlichting gegeven aan ouders en op scholen aan leerlingen over criminele uitbuiting van jongeren, juist ook in minder (rand)stedelijke gebieden zoals in Noord-Nederland? Hoe beoordeelt u het nut, de noodzaak en de effectiviteit van dergelijke voorlichting?
School is een belangrijke omgeving voor jongeren, waar zij van en met leeftijdsgenoten, en docenten en onderwijspersoneel leren. Gedrag en criminaliteit kunnen onderwerpen zijn tijdens lessen, maar ook daarbuiten. Er is geen landelijk beeld beschikbaar van de mate waarin gemeenten en scholen voorlichting over criminele uitbuiting inzetten. Gemeenten en scholen maken zelf de afweging óf en welke vorm van voorlichting er wordt ingezet. Scholen zijn verplicht zorg te dragen voor de veiligheid op school en daartoe veiligheidsbeleid te voeren. Voorlichting over criminele uitbuiting kan daar onderdeel van zijn, maar is niet verplicht. Nut en noodzaak van dergelijke voorlichting zijn afhankelijk van de context van de school en de leerlingpopulatie. Stichting School & Veiligheid biedt ondersteuning en handreikingen aan scholen om te werken aan een veilig schoolklimaat.
Het is belangrijk dat – afhankelijk van de lokale en/of regionale situatie – gemeente, school en politie gezamenlijk het gesprek voeren over het doel van een eventuele interventie. Het Landelijk kwaliteitskader effectieve jeugdinterventies voor preventie van jeugdcriminaliteit (afgekort KEI)1 concludeert dat er tot op heden geen wetenschappelijk bewijs is dat voorlichting voor jongeren crimineel gedrag kan voorkomen. Uit het KEI blijkt wel dat bewustwordingscampagnes en doorlopende trainingen die een duidelijk handelingsperspectief bieden, zouden kunnen bijdragen aan de weerbaarheid van jongeren. Dit kan als deze gericht zijn op een specifieke risicogroep en onderdeel uitmaken van een breder (les)programma. Daarnaast is het belangrijk om ouders, onderwijspersoneel en professionals te ondersteunen bij het herkennen van de signalen van criminele uitbuiting zodat zij tijdig gericht kunnen handelen.
Welke onderzoeken zijn er recentelijk geweest naar problematische jeugdgroepen? Ziet u noodzaak naar aanleiding van de toename aan jeugdcriminaliteit een onderzoek hiernaar zoals in 2014 opnieuw uit te voeren?
Een onderzoek, zoals in 2014 uitgevoerd, is de afgelopen jaren niet meer uitgevoerd. In de jaren daarop is de tot dan toe gangbare aanpak doorontwikkeld tot het 7-stappenmodel voor de aanpak van problematische jeugdgroepen en groepsgedrag, met daarin aandacht voor het vaak fluïde karakter van jeugdgroepen. Dit model is in 2023 mede op verzoek van uw Kamer en op basis van de ervaring van gemeenten verbeterd. Dit model wordt in het land aan de hand van de lokale problematiek benut en waar nodig verrijkt. Er is op dit moment geen reden om opnieuw een onderzoek naar problematische jeugdgroepen uit te voeren.
Kunt u uiteenzetten hoe de middelen voor preventie met gezag op dit moment over Nederland tussen grotere en kleinere gemeenten in 2026, 2027 en 2028 worden verdeeld?
Aan Preventie met Gezag nemen 47 gemeenten deel. Hiervan ontvangen 27 – veelal grotere – gemeenten structurele middelen en 20 – relatief kleinere – gemeenten incidentele middelen. De gemeenten zijn geselecteerd op basis van sociaaleconomische en/of (relatieve) politiedata om zo gericht in te zetten waar de problematiek het grootst is.
Voor de periode 2026, 2027 en 2028 ontvangen de 27 structurele Preventie met Gezag-gemeenten jaarlijks tussen de 1,8 en 9 miljoen euro aan middelen, afhankelijk van de grootte en problematiek. De middelen voor de 20 incidentele gemeenten lopen medio 2027 ten einde. In 2026 hebben zij elk circa een half miljoen ontvangen en in 2027 ontvangen zij een kwart miljoen euro.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag juist ook in de kleinere gemeenten behulpzaam kunnen zijn om jeugdcriminaliteit tegen te gaan?
Preventie met Gezag (PmG) is geen algemene aanpak van jeugdcriminaliteit maar een gerichte aanpak van de voedingsbodem van ondermijnende (jeugd)criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Deze specifieke wijken zijn geselecteerd op basis van een combinatie van hoge criminaliteitscijfers en een hoge score op risicofactoren die de kans op afglijden in de criminaliteit vergroten, zoals vroegtijdig schoolverlaten of armoede. Er is bewust voor gekozen om de middelen voor PmG in te zetten in een relatief klein aantal gemeenten, zodat de aanpak niet verwatert en er focus kan worden aangebracht op de inzet van justitiepartners zoals politie en OM, alsook die van gemeenten en zorgpartners. Daarnaast zijn er voor 20 kleinere gemeenten incidentele middelen beschikbaar gesteld, om gericht te kunnen inzetten op hotspots.
De geleerde lessen van PmG worden wel breed in het land gedeeld, zodat alle gemeenten in Nederland kunnen meeprofiteren van de nieuwste inzichten. Bijvoorbeeld via de digitale lunchlezingen over relevante onderwerpen zoals school en veiligheid en de jaarlijkse Preventie met Gezag Inspiratiedag.
Ten slotte hechten wij eraan om te benadrukken dat er ook in gemeenten die niet zijn geselecteerd voor de PmG-middelen vanuit staand beleid op verschillende manieren inzet wordt gepleegd om jeugdcriminaliteit tegen te gaan. Burgemeesters vervullen hierin een sleutelrol vanuit hun verantwoordelijkheid voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid, daarnaast vindt er zowel lokaal als regionaal op allerlei manieren inzet plaats door de organisaties uit de (jeugd)strafrechtketen, individueel maar ook gezamenlijk, bijvoorbeeld vanuit het Zorg- en Veiligheidshuis.
Kunt u uiteenzetten aan welke programma’s de middelen voor preventie met gezag worden besteed en hoeveel aan overhead en externe inhuur?
De middelen voor Preventie met Gezag worden door de gemeenten en justitiepartners uitgegeven aan verschillende programma’s, maatregelen en (gedrags)interventies. Gemeenten en justitiepartners zijn daarbij verantwoordelijk voor een effectieve en efficiënte inzet van de aan hen toegekende middelen. Preventie met Gezag is erop gericht dat de middelen zoveel mogelijk direct en anders indirect ten goede komen aan de doelgroep. In de financiële verantwoording aan het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn zij niet verplicht een splitsing te maken naar de kosten voor overhead en voor externe inhuur. Er is daardoor dan ook geen totaalbedrag bekend van deze specifieke kosten. Over de totale overheadkosten en externe inhuur wordt door deze organisaties wel verantwoord binnen de eigen verantwoordingsstructuur aan bijvoorbeeld de lokale gemeenteraad. Daarnaast vinden er gesprekken plaats met het Ministerie van Justitie en Veiligheid over de inzet van de middelen en de behaalde resultaten en worden de interventies die worden bekostigd met Preventie met Gezag-middelen bijgehouden op status en voortgang in de jaarlijkse monitor.
Hoeveel van de interventies, die via preventie met gezag middelen ontvangen, zijn bewezen effectief en hoeveel voldoen aan het landelijk kwaliteitskader?
Gemeenten hebben een integrale aanpak, waarbij een mix van maatregelen, zoals de inzet van de jeugdboa’s, en (gedrags)interventies worden ingezet. Interventies kunnen verschillende doelstellingen hebben, zoals bewustwording, weerbaarheid en het voorkomen van jeugdcriminaliteit. Over deze laatste categorie spreekt het KEI.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal interventies die door de wetenschap als bewezen effectief voor het voorkomen van jeugdcriminaliteit worden beschouwd. Voorbeelden van bewezen effectieve interventie zijn Basta! en Alleen Jij Bepaalt wie je bent (afgekort AJB).2
Daarnaast wordt ingezet op kansrijke interventies op basis van wetenschappelijke inzichten, inclusief ruimte voor innovatie als de doelgroep en/of problematiek daarom vraagt. Hierbij wordt gekeken naar de werkzame bestanddelen van deze interventies in combinatie met de lessen vanuit het KEI. Deze werkzame elementen en lessen uit het KEI worden actief binnen Preventie met Gezag gedeeld, besproken en breed geïmplementeerd. Zo zetten de meeste gemeenten in op het versterken van de weerbaarheid van jongeren via een gecombineerde inzet op school, werk en andere vormen van positieve dagbesteding. Daarnaast wordt er in de meeste gemeenten gewerkt met intensieve mentoring van jongeren, waarbij de begeleiding gericht is op verschillende leefgebieden.
Wat is uw reactie op het promotieonderzoek waaruit blijkt dat slechts drie interventies die jongeren proberen uit de criminaliteit te houden aantoonbaar effectief zijn gebleken?
In dit promotieonderzoek is uitsluitend gekeken naar gedragsinterventies met direct effect op het terugdringen van crimineel gedrag. Dit onderzoek laat zien dat van de 26 door het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) erkende gedragsinterventies er drie als effectief zijn beoordeeld. Maatregelen en andere erkende interventies, bijvoorbeeld gericht op het versterken van weerbaarheid, sociale vaardigheden of beschermende factoren, evenals interventies die niet in de NJi-databank zijn opgenomen, zijn in dit onderzoek buiten beschouwing gelaten. Deze kunnen wel van belang zijn voor de bredere aanpak van (jeugd)criminaliteit.
Dit laat onverlet dat er een duidelijke opgave ligt om bij de inzet van interventies de wetenschap blijvend te betrekken. Het is van belang dat interventies zijn gebaseerd op een theoretische onderbouwing en inzichten vanuit de praktijk en dat de toepassing ervan wordt gekoppeld aan onderzoek naar effectiviteit. Op die manier wordt toegewerkt naar een overzichtelijke set van goed onderbouwde en bewezen effectieve interventies, die gericht en doelmatig kunnen worden ingezet.
Deelt u de mening dat de middelen voor preventie met gezag zo veel mogelijk ingezet dienen te worden voor bewezen effectieve interventies conform het landelijk kwaliteitskader en dat interventies die hier niet aan voldoen dus ook niet vanuit preventie met gezag dienen te worden gefinancierd?
Uitgangspunt is dat middelen, ook die van Preventie met Gezag, zoveel mogelijk ingezet moeten worden voor bewezen effectieve interventies. Daarom stimuleren wij de brede inzet van een bewezen effectieve of kansrijke interventies, zoals de re-integratieofficier. Tevens stimuleren wij gemeenten om in samenwerking met de wetenschap hun lokale interventies te evalueren, waar mogelijk samen met andere gemeenten. Voor de ontwikkeling van nieuwe interventies hanteren de Preventie met Gezag gemeenten de uitgangspunten van het KEI. Wanneer een (nieuwe) interventie niet effectief blijkt, wordt daarmee gestopt. Deze kennis wordt breed gedeeld in het netwerk van Preventie met Gezag.
Bent u bereid nader in kaart te brengen welke knelpunten in wet- en regelgeving gegevensdeling tussen verschillende partijen die jeugdcriminaliteit tegengaan belemmert?
Deze knelpunten zijn reeds eerder in kaart gebracht. In het verslag van een schriftelijk overleg over het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid van 30 september jl. is vrij uitgebreid op het vraagstuk van gegevensuitwisseling met het oog op de aanpak van jeugdcriminaliteit ingegaan.3 De ervaring leert dat gegevensdelingsknelpunten vaak een andere oorzaak hebben dan knelpunten in wet- en regelgeving. Gegevensdeling vergt veelal nadere afspraken tussen betrokken organisaties.
Mede om hierbij te helpen is er een Taskforce Gegevensdeling JenV ingericht. Deze Taskforce houdt zich onder andere bezig met het formuleren van oplossingsrichtingen bij gegevensdelingproblematiek op geprioriteerde ondermijningsthema’s, waaronder Preventie met Gezag. Binnen deze thema’s lost de Taskforce samen met partners concrete knelpunten op. De inzet van de Taskforce is om partners zelfstandig sterker te maken door het ontwikkelen van werkwijzen, gereedschappen en een vakgemeenschap, die zorgt voor een gedeeld kader. Ook wordt gekeken naar het inrichten van een kennisplatform dat professionals en bestuurders onder meer ondersteuning biedt bij het oplossen van knelpunten. De Taskforce blijft de komende twee jaar concrete casuïstiek samen met de partners ontrafelen. Wanneer er wel tegen knelpunten in de wet- en regelgeving wordt aangelopen bekijken we samen met partners hoe die kunnen worden geadresseerd.
Bent u bekend met jumpen, de nieuwe trend onder jongeren waarbij willekeurige jongeren in een groepschat worden aangewezen, om vanuit het niets klappen te krijgen, wat vervolgens wordt gefilmd en gedeeld via Snapchat?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het delen van geweld via sociale media een groot probleem is dat we moeten aanpakken?
Het delen van geweldsbeelden, zoals beelden van jumpen of vernedervideo’s, via sociale media kan een grote impact hebben op (het) slachtoffer(s). Wij zijn het met uw Kamer eens dat dit een probleem is dat aangepakt moet worden. Op dit moment wordt er gewerkt aan een aanpak op online en hybride geweld, waar het delen van dit soort online geweldsbeelden een onderdeel van zal uitmaken.
Bent u bereid om met Snapchat in gesprek te gaan over wat Snapchat zelf kan doen nu dit platform een bron van criminaliteit blijkt waar het gemakkelijk is om jongeren te ronselen voor criminele klusjes en nu Snapchat een platform biedt aan schadelijke trends zoals «jumpen» waarbij jongeren uit het niets worden aangewezen, mishandeld en gefilmd?
Voor Snapchat gelden zorgvuldigheidsverplichtingen en verantwoordelijkheden die de Digital Services Act (DSA) oplegt. De DSA verplicht onder meer dat online platforms illegale content verwijderen of ontoegankelijk maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Daarnaast verplicht artikel 28 DSA tot passende en evenredige maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen te waarborgen. Omdat Snapchat onder de DSA als zeer groot online platform (Very Large Online Platform – VLOP) is aangewezen, gelden aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen. Zo dienen op grond van artikel 34 systeemrisico’s in kaart te worden gebracht en op grond van artikel 35 risicobeperkende maatregelen te worden genomen.
Op basis van vermoedens over risico’s voor minderjarigen, waaronder ronselen, en ontoereikende mechanismen om illegale content te melden, heeft de Europese Commissie, als toezichthouder op de VLOPs, op 26 maart een formeel onderzoek ingesteld. Afhankelijk van de uitkomsten kunnen hieruit handhavende maatregelen volgen.
Wij zoeken op het gebied van content moderatie de dialoog met platforms zoals Snapchat. In dit kader is vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid in 2023 het initiatief genomen voor de inrichting van een overlegplatform om als overheid en internetsector in gesprek te blijven over trends in contentproblematiek, uitdagingen uit de moderatiepraktijk, best practices en wet- en regelgeving. Dit is destijds vormgegeven in een publiek-private samenwerking (PPS) onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP).
Hoe verklaart u de toenemende normalisering van geweld onder jongeren?
De verdachtencijfers van het CBS laten over de afgelopen vijf jaar een stabiel niveau zien van het aantal minderjarige verdachten van geweldscriminaliteit, en een forse afname bij de jongvolwassenen.4 Daarbij geldt de kanttekening dat er lokale verschillen zijn en dat er dus ook lokaal sprake kan zijn van een toename van geweldscriminaliteit onder jongeren.
Van oudsher worden er diverse factoren onderscheiden die van invloed zijn op de geweldpleging, ook door jongeren. Individuele factoren kunnen daarbij een rol spelen, maar ook fysieke, maatschappelijke en sociale factoren. Normalisering van geweld impliceert dat geweldpleging in toenemende mate in de eigen sociale kring als geaccepteerd gedrag wordt beschouwd. Als er onder jongeren sprake is van een dergelijke normalisering, dan zal vooral een sociale factor als groepsdynamiek hierop van invloed zijn. De negatieve invloed van vrienden en kennissen kan erg groot zijn, vooral als ze een homogene groep vormen waarin geweldpleging een geaccepteerd verschijnsel is en onder groepsdruk aangemoedigd wordt. Recent zijn enkele rapporten verschenen waarin normalisering van geweld ook in verband wordt gebracht met de ruimere mogelijkheden van geweldverheerlijking online. Dit kan ook weer leiden tot een lagere drempel om in de fysieke wereld geweld te plegen.5
Ziet u een verband tussen gewelddadige games waar geweld kan worden «geoefend» en aanslagen kunnen worden nagespeeld en de normalisatie van geweld onder jongeren?
Er is geen eenduidig wetenschappelijk beeld over de impact van gewelddadige games op de ontwikkeling van gewelddadig gedrag. Een aantal (buitenlandse) studies toont aan dat er een correlatie is, maar dit wordt door andere onderzoeken weer ontkracht. Een recent Nederlands promotieonderzoek heeft vooral korte-termijneffecten waargenomen, waarbij jongeren die gewelddadige games spelen onder meer minder empathische reacties vertoonden. Voor de effecten op langere termijn is meer onderzoek nodig. Daarnaast wordt geconstateerd dat er grotere effecten zijn van andere gewelddadige sociale media inhoud, gerelateerd aan een minder accurate emotieherkenning en lagere empathische reacties bij het zien van anderen met pijn. 6 Er kunnen op basis van wetenschappelijk onderzoek vooralsnog geen harde uitspraken worden gedaan over het verband tussen gewelddadige games en de eventuele normalisatie van geweld onder jongeren.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over jeugdcriminaliteit op 23 april 2026?
Hier streven wij naar.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
Het bericht 'Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld' |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Plofkraakgolf: dit is waarom criminelen het weer gemunt hebben op contant geld»?1
Ja.
Kunt u de toename in het aantal plofkraken duiden en aangeven op welke manier het kabinet haar beleid hierop toespitst?
De toename in het aantal plofkraken is gerelateerd aan sealbag (afstort)automaten. Dit zijn automaten waarin ondernemers geld kunnen afstorten in een verzegelde plastic zak (sealbag). Criminelen hebben een nieuwe modus operandi ontwikkeld en concentreren zich daarbij op dit type automaten.
De onlangs ingestelde gedeeltelijke sluiting van dit type automaat is een tijdelijke noodmaatregel van Geldmaat. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid en het Ministerie van Financiën zijn in gesprek met Geldmaat, de politie, De Nederlandsche Bank en de grootbanken om tot structurele passende maatregelen te komen. Zie ook de beantwoording van vraag 9.
Kunt u aangeven op welke manier met de sector en Geldmaat gesproken wordt om plofkraken niet van invloed te laten zijn op de beschikbaarheid van contant geld?
Mijn ministerie heeft samen met het Ministerie van Financiën doorlopend overleg met Geldmaat, politie, banken en De Nederlandsche Bank (DNB). Samen zoeken wij steeds naar een zorgvuldige balans tussen het borgen van de veiligheid van passanten en omwonenden en het waarborgen van de beschikbaarheid en toegankelijkheid van contant geld.
Kunt u aangeven hoeveel geldautomaten er de afgelopen tien jaar gesloten zijn als gevolg van (aanhoudende) plofkraken en welke oplossingen worden geboden indien er sprake is van zo’n verwijdering?
De afgelopen jaren zijn er diverse geldautomaten gesloten, zowel geldautomaten om contant geld op te nemen als af te storten. Dit had niet alleen te maken met een reeks plofkraken, maar ook met de transitie van geldautomaten van individuele banken naar één landelijk dekkend netwerk van Geldmaat-automaten. Hierbij zijn locaties ontdubbeld en zijn automaten losgekoppeld van banklocaties en elders herplaatst. Om die reden is het lastig te zeggen welke automaten gesloten zijn vanwege plofkraken.
Indien een automaat wordt verwijderd als gevolg van een plofkraak, betekent dit vaak dat elders een automaat wordt bijgeplaatst.
In 2022 hebben de banken, vertegenwoordigers van consumentenorganisaties en toonbankinstellingen afspraken met elkaar vastgelegd in het Convenant contant geld om te borgen dat contant geld beschikbaar, bereikbaar, betaalbaar en veilig blijft. Onderdeel van deze afspraken is dat Geldmaat een minimumaantal automaten zal aanbieden, met een minimale bereikbaarheid in afstand of autorijminuten. Momenteel werkt de overheid aan de Wet chartaal betalingsverkeer om deze vrijwillige afspraken om te zetten in wetgeving.
Kunt u aangeven in hoeveel procent van de plofkraken er sprake is van een grensoverschrijdend karakter, zoals bijvoorbeeld het vluchten over de grens na afloop van de plofkraak?
De in Nederland gepleegde plofkraken worden gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de politie zijn geen zaken bekend waar sprake is van grensoverschrijdend vluchtgedrag als plofkraken in Nederland gepleegd worden.
Bent u van mening dat grenscontroles bij kunnen dragen aan het op heterdaad oppakken van daders van plofkraken, nu de NOS bericht het doelwit van veel plofkrakers zich verplaatst van Duitsland naar Nederland?2
De plofkraken in Duitsland worden met name gepleegd door in Nederland woonachtige daders. Bij de huidige reeks aan plofkraken in Nederland passeren de daders niet de grens tussen Nederland en Duitsland. De Nederlandse binnengrenscontroles zijn gericht op het tegengaan van irreguliere migratie en aan migratie gerelateerde grensoverschrijdende criminaliteit, zoals mensensmokkel of documentfraude. Hierdoor zullen binnengrenscontroles niet direct bijdragen aan het op heterdaad oppakken van daders van deze reeks plofkraken. Uiteraard kunnen grenswachters van de Koninklijke Marechaussee die de binnengrenscontroles uitvoeren, doorpakken als zij tijdens deze controles stuiten op strafbare feiten.
Op welke vlakken verschillen de aanpak van Duitsland en Nederland op dit gebied, nu de NOS aangeeft dat door de effectieve Duitse aanpak de focus terug op Nederland is komen te liggen?
De aanpak in Nederland en Duitsland verschilt niet. In beide landen is er aandacht voor preventie, het opsporen van daders en het versterken van heterdaadaanhoudingen. Ondanks hele goede beveiliging blijven daders altijd zoeken naar mogelijkheden om het te omzeilen.
Met name de intensieve operationele samenwerking tussen de Nederlandse en Duitse opsporingsinstanties heeft ervoor gezorgd dat het aantal plofkraken op reguliere geldautomaten in Duitsland aanzienlijk is afgenomen en blijft afnemen.
Kunt u aangeven hoeveel plofkraken er in buurlanden worden gepleegd door daders uit Nederland of die naar Nederland vluchten na afloop van een plofkraak?
De politie registreert niet alle zaken in het buitenland; alleen die zaken waarvan zij vermoeden dat Nederlandse daders betrokken zijn. Bij die zaken ziet de politie dat Nederlandse daders vanuit het buitenland terug Nederland in vluchten.
Land
2025
2026
Nederland
3
11
Duitsland
103
6
België
1
0
Luxemburg
2
0
Zwitserland
7
2
Oostenrijk
22
0
Peildatum: 10 april 2026
In hoeverre ziet u dat de beschikbaarheid van contant geld voor zowel burgers als ondernemers onder druk is komen te staan door plofkraken en de daartegen genomen maatregelen?
Sinds de recente toename van het aantal plofkraken heeft Geldmaat aanvullende maatregelen genomen. Zo zijn er tijdelijk 218 sealbag automaten met boven- en nevenbewoning gesloten. Voor de circa 240 overige sealbag automaten gelden tijdelijk aangepaste openingstijden van 7.00 tot 14.00, met uitzondering van de 44 sealbag automaten in Geldmaatwinkels. Deze hanteren hun reguliere openingstijden. Op de locatiewijzer van Geldmaat kunnen de actuele openingstijden gevonden worden. Deze maatregelen waren op korte termijn nodig om het risico op nieuwe plofkraken op dit type automaten te verkleinen. De sluiting van sealbag automaten heeft vrijwel geen gevolgen voor het opnemen van contant geld door ondernemers en burgers (de beschikbaarheid van contant geld), maar heeft wel gevolgen voor het kunnen afstorten van contant geld door ondernemers. Dit kan het voor ondernemers minder aantrekkelijk maken om contant geld te accepteren en kan daarmee gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van contant geld. Er wordt gewerkt aan structurele veiligheidsmaatregelen, zodat gesloten sealbag automaten zo spoedig mogelijk en op verantwoorde wijze weer kunnen worden opengesteld.
De politiepublicatie 'Game Over?!' en het profiel van verdachten van bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de politiepagina «Game Over?!», waarin tientallen verdachten van onder meer bankhelpdeskfraude en nepagentpraktijken herkenbaar in beeld worden gebracht?1
Ja
Herkent u een bepaald daderprofiel bij deze daders? Zo ja, hoe ziet dit profiel eruit? Zo nee, worden wij dan bedrogen door onze eigen ogen?
Zoals de campagne heeft laten zien zijn nepagenten en fraudeurs een groot probleem, met soms ingrijpende gevolgen. Niet alleen in verband met de financiële gevolgen van oplichting, maar ook het verlies van de samenleving in het vertrouwen dat je de deur kan openen of gegevens kan delen. Dit kabinet geeft prioriteit aan de aanpak van criminaliteit die burgers raakt, zowel offline als online. Met de actie Game Over?! wil de politie zaken oplossen, oplichters aanpakken, criminele netwerken verstoren en laten zien dat deze criminaliteit niet zonder gevolgen blijft. In het strafrecht staat het handelen van een verdachte centraal. Herkomst, culturele achtergrond of geloof spelen geen rol.
Kunt u bevestigen dat binnen deze dadergroep sprake is van oververtegenwoordiging van mensen met een bepaalde herkomst? Zo nee, waarom wordt hier niet explicieter over gerapporteerd?
Zie antwoord vraag 2.
Waarom wordt in publieke communicatie over deze criminaliteit terughoudend omgegaan met het benoemen van daderprofielen, terwijl dit relevant is voor preventie en bewustwording?
Zie antwoord vraag 2.
In hoeverre is er bij dit type criminaliteit sprake van georganiseerde structuren en welke rollen worden daarin onderscheiden? Indien sprake is van georganiseerde structuren, zijn deze duidelijk in beeld bij de politie?
Bij oplichtingen door nepagenten is meestal sprake van een georganiseerde structuur met een aantal rollen. De meeste fraudes verlopen volgens een vast stramien en met een vaste rolverdeling. De rollen die je kunt onderscheiden zijn: de beller, de nepagent, de chauffeur en de coördinator. Deze rollen zijn duidelijk. De «Game Over?!» campagne focust zich specifiek op de rol van nepagent.
Kunt u toelichten in hoeverre bij deze vormen van fraude sprake is van grensoverschrijdende of internationaal georganiseerde criminaliteit? Indien hiervan sprake is, op welke vlakken schieten opsporingsbevoegdheden en de samenwerking met andere landen tekort in het aanpakken van deze criminaliteit?
De internationale component verschilt per type oplichting. Bij telefonische helpdeskfraude (waar nepagenten en bankhelpdeskfraude onder vallen) is juist vaak sprake van Nederlandse daders in alle rollen. Vloeiend en netjes Nederlands spreken is een vereiste om geloofwaardig over te komen.
Er is ook een internationale context: Nederlandse daders plegen hun delicten ook in België, zowel het oplichten, als het ronselen van personeel. Ook worden Nederlandse loopjongens ingezet voor oplichtingen in België.
Bent u voornemens de korpschef op te roepen, bij effectiviteit van deze maatregel van publicatie, dit veel vaker in te zetten? Zo nee, waarom niet?
Politie en Openbaar Ministerie gaan de «Game Over?!» campagne evalueren. Afhankelijk van de uitkomst daarvan zullen zij beslissen over een vervolg.
Bent u bereid de Kamer periodiek te informeren over ontwikkelingen in daderprofielen en trends binnen deze vorm van criminaliteit?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek levert maandelijks de kenmerken van bij de politie geregistreerde verdachten naar incidentsoort. Deze zijn openbaar beschikbaar via de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek.2
Verheerlijking van grensoverschrijdende drugscriminaliteit en ondermijnende criminaliteit in Limburg |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat in Limburg drugscriminaliteit niet alleen toeneemt, maar zelfs openlijk wordt verheerlijkt, onder meer door het in brand steken van auto’s en het verspreiden van beelden daarvan op sociale media?1
Ik ben bekend met het bericht en deel de mening dat zware criminaliteit onacceptabel is en een ontwrichtend effect kan hebben op de samenleving als geheel en daarmee ook op jongeren.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat zware criminaliteit wordt gevierd en verheerlijkt en dat dit een ontwrichtend effect heeft op de samenleving en met name op jongeren?
Zie antwoord vraag 1.
Hoe beoordeelt u de signalen van de politie dat criminelen in grensregio’s steeds brutaler opereren en zich kennelijk onaantastbaar wanen?
Ik neem deze signalen zeer serieus. Daarom investeren we ook in de gezamenlijke aanpak van de politie, het Openbaar Ministerie, de Koninklijke Marechaussee, de douane en de gemeenten in de grensregio’s. Daarnaast is de intensieve samenwerking met België en Duitsland daarin belangrijk. Criminelen maken namelijk bewust gebruik van de voordelen van de grens, bijvoorbeeld door hun activiteiten te spreiden over Nederland, België en Duitsland, wat de opsporing bemoeilijkt. Dit is onacceptabel. Daarom is in Limburg op 9 februari jl. een intentieverklaring getekend tussen de Nederlandse, Belgische en Duitse politiediensten en de Koninklijke Marechaussee voor de verdere ontwikkeling van een gecoördineerde en toekomstbestendige Euregionale politieoperatie, om zo structureel samen te werken om de veiligheid in de Euregio te versterken.
Klopt het dat de samenwerking tussen Nederland, België en Duitsland nog steeds tekortschiet, waardoor criminelen bewust gebruikmaken van grenzen om opsporing te ontwijken en, zo ja, waarom is dit probleem nog altijd niet opgelost? Welke knelpunten zijn er?
Criminaliteit stopt niet bij landsgrenzen. Criminele netwerken maken bewust misbruik van de landsgrenzen, door de verschillen tussen Nederland, België en Duitsland in wetgeving, bevoegdheden en systemen te benutten. Op sommige vlakken hebben de grenzen namelijk een belemmerend effect op de samenwerking tussen de landen. Bijvoorbeeld in de opsporing. Hier heeft de grens voor de politie een vertragend effect, onder meer vanwege een verschil in regelgeving ten aanzien van het bewaren en delen van gegevens, rechtshulpverzoeken en beperktere mogelijkheden van de inzet van bijvoorbeeld taps. Belangrijke gegevens zijn zo niet direct toegankelijk, waardoor criminelen direct na een misdrijf een voorsprong hebben. Ook tijdens het verdere onderzoek zijn mogelijkheden beperkt doordat (vluchtige) data niet meer beschikbaar zijn of pas na langere tijd in het bezit komen van de onderzoekers.
Daarom treedt Nederland, juist in nauwe samenwerking met de grensregio’s en ook overkoepelend met de centrale regeringen in België en Duitsland, ferm op tegen criminele netwerken die bewust misbruik maken van de landsgrenzen. Onderdeel van de samenwerking bij het aanpakken en voorkomen van ondermijnende criminaliteit in de grensregio is de inzet van het Euregionaal Informatie en Expertisecentrum (EURIEC). Via het EURIEC wordt samengewerkt met België en Duitsland (deelstaat Noordrijn-Westfalen). Het EURIEC ondersteunt bij concrete casuïstiek met een internationale component. Het primaire doel is daarbij om te voorkomen dat criminelen, die aan de ene kant van de grens effectief worden geweerd om in de legale wereld zaken te doen, aan de andere kant van de grens ongestoord hun criminelen activiteiten kunnen voortzetten. Het EURIEC doet dat door nauwe samenwerking tussen de Nederlandse RIEC’s, de Belgische ARIEC’s (equivalent van de Nederlandse RIEC’s) en Duitse partners.
Verder staat ook de Nederlandse politie in nauw contact met hun Belgische en Duitse collega’s in de aanpak van grensoverschrijdende criminaliteit. Met de buurlanden wordt intensief operationeel samengewerkt. Hiervoor bestaat onder andere het Benelux-politieverdrag, waarin is geregeld dat politiegegevens kunnen worden gedeeld en grensoverschrijdende bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Met Duitsland is de grensoverschrijdende politiesamenwerking geregeld in het Verdrag van Enschede uit 2005.
De operationele grensoverschrijdende politiesamenwerking vindt onder meer plaats door de inzet van grensoverschrijdende politieteams met Duitsland, gezamenlijke patrouilles en controles met België en in het Euregionaal politie-informatie-uitwisselingscentrum (EPICC). Regelmatig vindt op operationeel niveau overleg plaats in de zogenoemde burenoverleggen, een samenwerkingsformat tussen lokale politiechefs van grensregio’s.
Sneller informatie delen over grensoverschrijdende veiligheidsproblemen en gezamenlijk actie ondernemen is als ambitie opgenomen in het Benelux jaarplan van 2026. Dit jaarplan heeft als doel om grensbreed de effectiviteit van de politiesamenwerking tussen Nederland, België en Luxemburg verder te versterken.
Hoe kan het dat jongeren massaal betrokken raken bij en worden beïnvloed door deze georganiseerde criminaliteit en erkent u dat hier sprake is van een zorgwekkende normalisering van criminaliteit onder jongeren?
Elke jongere die geronseld wordt voor de georganiseerde criminaliteit is er één te veel. Met veruit de meeste jongeren in Nederland gaat het echter goed en uit de data blijkt dat de jeugdcriminaliteit de afgelopen twintig jaar stevig is gedaald. Er is dus geen sprake van normalisering van criminaliteit.
Feit is wel dat jeugdcriminaliteit zich momenteel concentreert onder een specifieke groep jongeren met een opeenstapeling van risicofactoren. Met name jongeren in kwetsbare posities komen soms in aanraking met negatieve rolmodellen die criminaliteit verheerlijken. Bij die jongeren in kwetsbare posities is het dan ook cruciaal om hen weerbaar te maken tegen de verleiding van de georganiseerde criminaliteit. Bijvoorbeeld via sociale media en muziek, door hen een beter toekomstperspectief te bieden.
Mede daarom zet ik met Keerpunt in op een veilig en laagdrempelig hulpplatform waar jongeren professionele hulp krijgen wanneer zij crimineel uitgebuit worden. Keerpunt is bedoeld voor jongeren die vastzitten in de criminaliteit, of hier kwetsbaar voor zijn en niet zelfstandig een uitweg weten te vinden. Om te voorkomen dat jongeren met criminaliteit in aanraking komen, daarin afglijden of doorgroeien zetten we in op kansrijke en bewezen effectieve interventies, zoals de gedragsinterventie «Alleen jij bepaalt wie je bent» (AJB). AJB is een effectief bewezen gedragsinterventie waarbij positieve rolmodellen en sport als middel worden ingezet om te voorkomen dat jongeren afglijden in de criminaliteit en is landelijk beschikbaar. Tenslotte zet ik met Preventie met Gezag in op het wegnemen van de voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit in de meest kwetsbare wijken van Nederland. Dit doe ik door samen met gemeenten, justitie- en zorgpartners kansen te bieden aan jongeren die vatbaar zijn voor criminaliteit en tegelijkertijd grenzen te stellen aan crimineel gedrag. Bijvoorbeeld door de inzet van jongerenwerk. Jongerenwerkers hebben een goed beeld van de jongeren in hun wijk en kunnen problematisch gedrag van kwetsbare jongeren op school, straat of online vroegtijdig signaleren en snel doorverwijzen naar de juiste hulp.
Welke concrete maatregelen neemt u om het verheerlijken van criminaliteit, bijvoorbeeld via sociale media en muziek, tegen te gaan en acht u het nodig om hier harder tegen op te treden?
Zie antwoord vraag 5.
Hoe beoordeelt u het feit dat verboden motorbendes zoals Hells Angels, Bandidos en Satudarah opnieuw aan invloed lijken te winnen doordat leden vrijkomen en opnieuw actief worden?
Eind 2025 is het WODC-onderzoek naar de precieze effecten van de civiele verboden op Outlaw Motorcycle Gangs (OMG’s) in Nederland gepubliceerd tezamen met een beleidsreactie.2 Hieruit blijkt dat de invloed van OMG’s in de openbare ruimte sterk is afgenomen, vergeleken met de start van de OMG-aanpak in 2012. OMG-leden zijn over het algemeen minder zichtbaar geworden in het publieke domein en daarnaast zijn er de afgelopen jaren tientallen clubhuizen gesloten en clubgerelateerde evenementen voorkomen. Dit heeft verder bijgedragen aan de verminderde zichtbaarheid van (verboden) OMG’s.
Dat OMG’s als gevolg van de integrale aanpak en civiele verboden minder zichtbaar zijn in de openbare ruimte, is een resultaat dat we moeten vasthouden. In de beleidsreactie op het WODC-onderzoek is te lezen dat mijn ambtsvoorganger afspraken heeft gemaakt met partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband om zich te blijven inzetten op het handhaven van de civiele verboden van verboden motorclubs en op hun leden. Zij mogen immers geen vrijplaats worden geboden en zowel de overheid als de maatschappij moeten ten alle tijde weerbaar tegen hen zijn.
Tegelijkertijd krijg ik ook signalen dat OMG’s hier en daar actiever lijken te worden, en dit is een zorgelijke ontwikkeling. We houden deze motorbendes nauwlettend in de gaten en de lokale driehoek grijpt in waar dit kan. Daarnaast ontvang ik jaarlijks van de politie een fenomeenbeeld op dit thema, dat ook wordt verrijkt door de partners uit het RIEC-LIEC samenwerkingsverband, zodat we tijdig kunnen opschalen indien de situatie hierom vraagt. Dit onderwerp blijft dus onder mijn aandacht en over deze ontwikkeling blijf ik met de relevante partners in gesprek.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat criminelen in staat zijn om jongeren in te zetten en tegelijkertijd openlijk hun activiteiten te verheerlijken zonder dat daar zichtbaar hard tegen wordt opgetreden?
Het is onaanvaardbaar dat jongeren worden gerekruteerd door de georganiseerde criminaliteit, ook via sociale media, en ik deel de mening dat daar hard tegen moet worden opgetreden.
Welke concrete extra maatregelen gaat u nemen om de ondermijnende criminaliteit in Limburg hard aan te pakken en wat gaat er nu daadwerkelijk veranderen ten opzichte van de huidige aanpak?
Politie en justitie hebben de grensregio’s onder controle. Zoals eerder bij vraag 4 beschreven, wordt samen met België en Duitsland hard opgetreden tegen criminele samenwerkingsverbanden. Zo is de politie-eenheid Limburg bezig met het verkennen van een Euregionale Politiealliantie, waarvoor het op 9 februari jl. een intentieverklaring heeft getekend met hun politieburen in België en Duitsland. De ambitie van een dergelijke Euregionale Politiealliantie is om de duurzame en structurele samenwerking tussen de politiediensten in de Euregio te versterken. Daarmee houden politie en justitie nu en in de toekomst de grensregio’s onder controle.
Wat is er volgens u op dit moment nodig om ervoor te zorgen dat in grensregio’s als Limburg weer duidelijk wordt dat politie en justitie de controle hebben, in plaats van criminele netwerken die zich onaantastbaar wanen?
Zie antwoord vraag 9.
Kunt u deze vragen nog vóór het commissiedebat over criminaliteitsbestrijding, ondermijning en georganiseerde criminaliteit van donderdag 19 maart 2026 beantwoorden, zodat de antwoorden daarbij kunnen worden betrokken?
Dat is helaas niet mogelijk gebleken.
Het bericht 'Odido-routers stuurden klantgegevens naar Amerikaans AI-bedrijf' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat telecomprovider Odido zonder medeweten van klanten MAC-adressen en apparaatnamen uit consumentenrouters heeft doorgestuurd naar een Amerikaans AI-bedrijf?1
Ja.
Kunt u toelichten in hoeverre MAC-adressen en apparaatnamen volgens de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) als persoonsgegevens kunnen worden beschouwd?
Alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon kan een persoonsgegeven zijn (artikel 4, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, AVG). Ook een MAC-adres of een apparaatnaam kan als persoonsgegeven worden beschouwd.
Hoe beoordeelt u de privacyrisico’s van het verzamelen en delen van deze gegevens, omdat daarmee mogelijk ook huishoudens kunnen worden herkend of gevolgd?
Het is van belang dat persoonsgegevens worden verwerkt op een wijze die rechtmatig, behoorlijk en transparant is. Een verwerking is bijvoorbeeld rechtmatig, als er toestemming voor is gegeven, een gerechtvaardigd belang is of als de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst. Het is niet aan het kabinet binnen het stelsel van de AVG om in te gaan op individuele gevallen, maar in eerste instantie aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De taken en bevoegdheden om op te treden tegen overtredingen zijn vastgelegd in de AVG. De AP kan daartoe handhavend optreden, advies verstrekken en klachten behandelen over een inbreuk op de bescherming van persoonsgegevens. Zij toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Hoe beoordeelt u het feit dat deze gegevens naar een Amerikaans AI-bedrijf zijn doorgestuurd?
Doorgifte van persoonsgegevens naar een bedrijf dat buiten de Europese Economische Ruimte (EER) is gevestigd is op grond van de AVG alleen toegestaan onder voorwaarden. Persoonsgegevens mogen alleen buiten de EER worden verwerkt in overeenstemming met de voorwaarden voor dergelijke doorgiften die zijn vastgelegd in hoofdstuk V van de AVG. Bijvoorbeeld als de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen of dat er door het bedrijf passende waarborgen zijn genomen. Of in deze casus wel of geen grondslag was voor het al dan niet delen van deze gegevens buiten de EER, evenals de vraag of de waarborgen van hoofdstuk V van de AVG in acht zijn genomen, is niet aan het kabinet om te beoordelen, maar aan de toezichthouder. De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido.
Deelt u de opvatting van de Autoriteit Persoonsgegevens dat MAC-adressen kunnen worden beschouwd als persoonsgegevens? Zo ja, welke eisen gelden voor het verzamelen en delen van deze gegevens door telecomproviders?
Ja. Zie het antwoord op vraag 2. De AVG geeft algemene regels voor de verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders.
Welke risico’s ziet u voor de privacy en veiligheid van burgers wanneer grote hoeveelheden metadata over wifi-netwerken en apparaten worden verzameld en mogelijk gecombineerd met andere datasets?
Dat hangt af van de omstandigheden van het geval. Een risico dat volgt uit het niet naleven van de AVG is in ieder geval dat de betrokkenen hun rechten niet (volledig) kunnen uitoefenen. Denk hierbij aan het inzien, corrigeren, of verwijderen van hun eigen persoonsgegevens.
Is de Autoriteit Persoonsgegevens betrokken bij deze kwestie en wordt onderzocht of Odido de privacyregels heeft nageleefd?
De AP is op de hoogte van de genoemde berichtgeving over Odido. Het is aan de AP om opheldering te vragen aan Odido.
Welke stappen verwacht u van Odido richting klanten, bijvoorbeeld om hen te informeren over welke gegevens zijn gedeeld en welke maatregelen worden genomen om dit in de toekomst te voorkomen?
Dit is niet aan het kabinet, maar in eerste instantie aan de AP. De AP toetst of sprake is van strijdigheid met de Europese gegevensbeschermingsregels. In zijn algemeenheid hangt het van meerdere factoren af. Onder andere de vraag of er een grondslag is voor het verwerken van deze gegevens en, indien er sprake is van doorgifte buiten de EER, of de waarborgen van de AVG in acht zijn genomen.
Ziet u aanleiding om strengere eisen te stellen aan telecomproviders die AI-diensten gebruiken, zodat gegevens van gebruikers beter worden beschermd en transparanter wordt omgegaan met dataverzameling?
Nee. De AVG geeft duidelijke regels voor de bescherming van persoonsgegevens. Daarnaast stelt de Telecommunicatiewet specifieke regels voor telecomaanbieders. Ook de AI-verordening kent een duidelijke set van regels. Er is wel aanleiding om het gesprek te voeren met het veld, waaronder telecomaanbieders, over de bescherming van persoonsgegevens in de praktijk. Vervolgens zal dit betrokken worden bij het voornemen om de toepassing van de AVG in Nederland tegen het licht te houden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voor 23 maart 2026 vanwege het wetgevingsoverleg over de Cyberbeveiligingswet en de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten?
Dat is helaas niet gelukt.
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
Het bericht ‘Leeuwarden kampt met drugsoverlast en dakloosheid. ‘We kunnen dit niet accepteren’’ |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Drugsoverlast en dakloosheid in Leeuwarden. «We kunnen dit niet accepteren»»1 in het Nederlands Dagblad van 2 maart 2026?
Ja.
Hoe verklaart u de toename van het drugsgebruik, specifiek in Leeuwarden? Valt deze toename te koppelen aan het niet effectief opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens? Zo nee, waarom niet?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.2 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan. Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt. Het drugsgebruik in Leeuwarden is met andere woorden niet direct en enkel te koppelen aan het opsporen en invorderen van cocaïne in onze havens.
Welke toename en trends ziet u in het gebruik van legale structuren door ondermijnende bendes, specifiek ingezet voor de drugshandel? Kunt u specifiek per onderdeel aangeven waarop deze vermoedens gebaseerd zijn en welke middelen daartegen momenteel ingezet worden?
Nederland heeft als handelsland internationaal een unieke positie als knooppunt in logistiek, transport, financiële dienstverlening en digitale infrastructuur, waarbij tussen (inter)nationale partners veel gegevens en goederen worden uitgewisseld. Criminelen maken hiervan misbruik voor hun drugshandel. Zo worden leegstaande schuren van boeren misbruikt voor de productie van drugs, wordt illegaal meegelift op transportlijnen en wordt vastgoed aangekocht voor criminele activiteiten of het witwassen van crimineel verdiend vermogen.
Als breder fundament onder de bestrijding van ondermijning door georganiseerde criminaliteit is het in ontwikkeling zijnde Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland (DON) straks van grote waarde. Dit dreigingsbeeld richt zich op de ondermijnende effecten die het gevolg zijn van georganiseerde criminaliteit, welke systeemkwetsbaarden ondermijning in de hand werken, welke infrastructuren kwetsbaar zijn voor crimineel misbruik en brengt in beeld waar maatschappelijke schade optreedt. Daarmee geeft het DON ook inzicht welke publieke en private partijen voor de aanpak (nog meer) moeten worden gemobiliseerd. Om meer inzicht te krijgen in de aard en omvang van criminaliteit tegen het bedrijfsleven, is in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek de Monitor Criminaliteit Bedrijfsleven (MCB) geherintroduceerd. Naar verwachting wordt eind dit jaar daarvan de eerste editie opgeleverd. Op basis van onder meer die informatie kunnen we de inzet tegen ondermijnende criminaliteit specifieker richten.
In de tussentijd zitten de partners en ik echter niet stil. Om criminele inmenging in legale economische sectoren en structuren tegen te gaan, wordt zowel specifiek als breder ingezet op het weerbaar maken van ondernemers tegen ondermijnende criminaliteit.
Binnen het mainportsprogramma wordt op de grote logistieke knooppunten, zoals de havens van Rotterdam, Vlissingen/Terneuzen, het Noordzeekanaalgebied, de luchthaven Schiphol en de bloemenveiling nauw samengewerkt tussen publieke en private organisaties om barrières op te werpen tegen georganiseerde criminaliteit en organisaties minder kwetsbaar te maken voor criminele inmenging en misbruik.
In de halfjaarbrief ondermijnende criminaliteit van 10 juni 20253 ben ik uitgebreid ingegaan op mijn aanpak voor een weerbare economie, en de aanpak van criminele geldstromen. De gezamenlijke inspanningen van de financiële sector en overheidspartners om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan, voorkomen dat de financiële sector misbruikt wordt door criminelen voor het uitvoeren van criminele transacties en het witwassen van criminele verdiensten. Binnen criminele geldstromen wordt het anti-witwasbeleid mede gebaseerd op het National Risk Asssessment Witwassen, dat witwasrisico’s identificeert. U bent over de voortgang van het witwasbeleid geïnformeerd door de Minister van Financiën, mede namens mij, in december vorig jaar.4
Omdat criminelen de opgeworpen barrières binnen de financiële sector proberen te omzeilen met een eigen systeem van ondergronds bankieren, ligt binnen de aanpak van criminele geldstromen ook nadrukkelijk focus op de aanpak van ondergronds bankieren, mede op basis van een WODC-onderzoek naar dit onderwerp5. Over de opvolging van dit onderzoek bent u op 2 februari door mijn voorganger, mede namens de Minister van Financiën, geïnformeerd.6 Op basis van de WODC-bevindingen en nadere gesprekken met partners zal ik mij bij de aanpak van ondergronds bankieren specifiek richten op het aanpakken van:
Ik zal de Kamer via de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak en ondermijning op de hoogte houden.
Meer algemeen wordt vanuit het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing (NPC) publiek-privaat samengewerkt en uitvoering gegeven aan het Actieprogramma Veilig Ondernemen 2023–2026.7 Zo zijn er in de agrarische sector vertrouwenspersonen aangesteld en loopt het project Veilig Buitengebied, worden in de transportsector actiedagen georganiseerd voor de preventieve en repressieve aanpak van criminele inmenging en is voor het tegengaan van crimineel gebruik van vastgoed de poortwachtersfunctie versterkt. Naast deze maatregelen zijn de Platforms Veilig Ondernemen (PVO’s) actief in alle regio’s om ondernemers bewust te maken van de risico’s die zij lopen en praktisch handelingsperspectief te bieden om hun personeel en bedrijfsvorming weerbaar te maken tegen criminele inmenging. Naar aanleiding van een eerdere motie van Lid Mutluer (GroenLinks-PvdA) is een handreiking kwetsbare branches opgesteld en het project Weerbare branches gestart vanuit MKB-Nederland, VNO-NCW en PVO-Nederland.8 Komend jaar wordt samen met publieke en private partners gewerkt aan het nieuwe Actieprogramma Veilig Ondernemen 2027–2030, waarin ook de resultaten van de MCB zullen worden meegenomen.
Welke extra landelijke middelen worden ter ondersteuning aangeboden aan gemeentes als Leeuwarden?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het ontwikkelen van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten verder onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC/LIEC bestel wordt gefinancierd door de Rijksoverheid.
Leeuwarden neemt bovendien deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te halen en te houden. Dit wordt op verschillende manieren gedaan.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid.
Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor weten professionals elkaar inmiddels goed te vinden en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
Bent u het met de leden eens dat er een direct verband bestaat tussen normalisatie van softdrugs en de toename van het gebruik en de normalisatie van harddrugs?
Er is sprake van normalisering wanneer drugs goed beschikbaar zijn, veel jongeren ermee experimenteren, gebruik sociaal geaccepteerd wordt en zichtbaar is in popcultuur en het dagelijks leven. Uit recent onderzoek in Noord-Brabant9 blijkt dat vooral cannabisgebruik aan deze kenmerken voldoet; harddrugsgebruik niet. Hoewel het in dit onderzoek niet om landelijke gegevens gaat valt gezien de omvang van het onderzoek wel te verwachten dat het landelijke beeld er niet heel anders uit ziet. Uit de trends in drugsgebruik die al jaren worden bijgehouden in de Nationale Drug Monitor blijkt niet dat een toename van het gebruik van één middel automatisch leidt tot een toename van het gebruik van andere middelen. Zo zien we afgelopen jaren een lichte stijging in het XTC-gebruik, maar ook een daling in het lachgasgebruik, terwijl het cannabisgebruik relatief stabiel gelijk blijft. Zo bezien lijkt er geen verband te bestaan tussen het gebruik van softdrugs als cannabis enerzijds en het gebruik van harddrugs als XTC anderzijds. Waarschijnlijk spelen gedeelde onderliggende factoren – zoals genetische aanleg, psychologische kenmerken en sociale of omgevingsinvloeden – een belangrijker rol bij zowel softdrugs- als harddrugsgebruik.
Bent u het met de leden eens dat de normalisatie van harddrugs onwenselijk is en zeer schadelijke maatschappelijke gevolgen met zich meebrengt, in het bijzonder voor jongeren? Zo nee, waarom niet?
Ja, daar is het kabinet het mee eens. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Daarnaast verdienen criminele netwerken veel geld aan het gebruik van drugs. Drugshandel is het dominante verdienmodel van deze criminele netwerken. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een criminele industrie. Mede om deze redenen is normalisering van harddrugsgebruik onwenselijk.
Welke concrete stappen gaat u ondernemen om drugshandel van/door minderjarigen te bestrijden. Welke digitale opsporingsmiddelen is de Minister bereid daarvoor in te zetten?
Voor het eerste deel van de vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 4.
Voor de bestrijding van drugshandel kan de politie onder gezag van het Openbaar Ministerie (bijzondere) opsporingsbevoegdheden inzetten die zij wettelijk tot hun beschikking hebben. Er is een aantal mogelijkheden om onderzoek te doen naar online illegale activiteiten. Zo zijn er bij de politie (digitaal) rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het internet. Zij verrichten onderzoek in publiek toegankelijke bronnen door het verzamelen en analyseren van informatie. Indien er geautomatiseerde werken en/of gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen na toestemming van het Openbaar Ministerie (OM), (digitaal) rechercheurs en data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
Verder kunnen politie en OM onder specifieke voorwaarden verkeers- en gebruikersgegevens vorderen bij aanbieders van communicatiediensten.
Ten aanzien van online illegale content kunnen toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Politie, wanneer zij dergelijke inhoud tegenkomen, daarvan melding maken bij hostingsdiensten en online platforms. Dit is dezelfde mogelijkheid als die individuele personen hebben op grond van artikel 16, eerste lid, van de Digital Services Act (DSA). De DSA verplicht deze online aanbieders om illegale content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij er kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. In Nederland is de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De Europese Commissie houdt primair toezicht op naleving van de DSA door zeer grote online platforms en zeer grote onlinezoekmachines.
Strafrechtelijk kan de officier van justitie in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), met een machtiging van de rechter-commissaris aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken (artikel 125p Sv). In het geval aan aanbieder buiten Nederland is gevestigd, zal een bevel via een internationaal rechtshulpverzoek uitgevaardigd moeten worden.
Kunt u aangeven hoe u uitvoering geeft aan de eerdere landelijke ambitie om dakloosheid uiterlijk in 2030 sterk terug te dringen, en of deze doelstelling nog steeds geldt?
De doelstelling om uiterlijk in 2030 dakloosheid te beëindigen, geldt nog steeds. Met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een Thuis (2023–2030) geeft het kabinet invulling aan die doelstelling. De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport gaat, met de bestaande middelen die hier structureel voor zijn gereserveerd en in samenwerking met alle andere betrokken partijen, onverminderd aan de slag met de uitvoering van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.
Wilt u deze vragen uiterlijk vrijdag 13 maart beantwoorden?
Ik heb hiernaar gestreefd, maar dat is helaas net niet gelukt.
Het bericht ‘Odido-datalek erger dan gemeld, ook burgerservicenummers gelekt’. |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van RTL waarin wordt gemeld dat bij telecomprovider Odido een grootschalig datalek heeft plaatsgevonden en dat hierbij, anders dan eerder door het bedrijf gecommuniceerd, ook burgerservicenummers (BSN) zijn gelekt?1
Ja
Hoe beoordeelt u de ernst van het incident, in het bijzonder het lekken van BSN, vanuit het perspectief van de bescherming van fundamentele rechten van burgers en hoe ingrijpend beoordeelt u de impact op burgers?
De schaal van dit datalek, de hoeveelheid getroffen burgers en de soms gevoelige aard van de gelekte gegevens maken dit tot een bijzondere situatie. Het maakt duidelijk dat datalekken grote gevolgen kunnen hebben. Zonder iets te willen of kunnen zeggen over de oorzaken van het onderhavige datalek, maakt dit in meer algemene zin duidelijk dat een goede beveiliging van persoonsgegevens zoals vereist in de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) pure noodzaak is en een cruciaal onderdeel van de bedrijfsprocessen moet zijn. De gevraagde beoordeling van dit datalek is uiteindelijk aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als onafhankelijke toezichthouders. Daarnaast doet de politie onder leiding van het Landelijk Parket een strafrechtelijk onderzoek naar de aanval en de daders.
De gelekte gegevens waaronder ook het BSN zijn niet direct bruikbaar voor fraudeurs om zelfstandig fraude op naam van gedupeerden te plegen. Criminelen gebruiken de gegevens vooral om phishingaanvallen uit te voeren en gedupeerden te verleiden om op een link te klikken of nog meer gegevens prijs te geven.
Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties adviseert niet om paspoorten of identiteitskaarten te vernieuwen. Er zijn alleen paspoortnummers gelekt. Alleen met die informatie kunnen criminelen niet zelfstandig fraude plegen. Zij kunnen die informatie echter wel gebruiken voor bijvoorbeeld gerichte phishingaanvallen. Met behulp van de gestolen informatie proberen ze dan om zo betrouwbaar mogelijk te lijken en in te spelen op het gevoel van burgers met als doel om meer informatie te ontfutselen of burgers te verleiden op een link, button of QR-code te klikken.
In hoeverre acht u daarbij het recht op privacy en gegevensbescherming geschonden, nu (oud-)klanten van Odido buiten hun eigen schuld risico lopen op misbruik van hun persoonsgegevens?
In algemene zin is een datalek een inbreuk in verband met het recht op persoonsgegevens. Of, en zo ja in hoeverre, de privacy en het recht op gegevensbescherming van betrokken in deze concrete zaak zijn geschonden, is niet aan het kabinet om te beoordelen. Dit is aan de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) als toezichthouders of in voorkomende gevallen aan de rechter om te beoordelen.
Hoe beoordeelt u het advies aan Odido om geen losgeld te betalen, gelet op de huidige situatie waarin de hackersgroep Shinyhunters is overgegaan tot publicatie van gestolen persoonsgegevens, met mogelijke ernstige gevolgen voor de (oud-)klanten van Odido?2
Het besluit van Odido om geen losgeld te betalen sluit aan bij de visie van het kabinet. Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Kunt u aangeven welke opsporingsprioriteit wordt gegeven aan het strafrechtelijk onderzoek dat is gestart door het Openbaar Ministerie en ligt daarbij ook een rol voor de digitale recherche?
Het OM gaat over de opsporingsprioriteit. De politie is onder gezag van het Openbaar Ministerie een opsporingsonderzoek gestart. Een team van het Team High Tech Crime, dat gespecialiseerd is in dit soort cybercriminaliteit, doet onderzoek naar het incident.
Welke rol ziet u bij het ondersteunen en informeren van burgers van wie persoonsgegevens door cybercriminelen zijn gepubliceerd en acht u het huidige instrumentarium hiervoor toereikend?
De overheid geeft praktische tips om de digitale weerbaarheid van burgers te vergroten. Zo hebben burgers de mogelijkheid om websites zoals veiliginternetten.nl en die van het NCSC te raadplegen waar veel informatie en adviezen worden gegeven over hoe ze zich online kunnen beschermen en over de basisprincipes van digitale weerbaarheid. Via Centraal Meldpunt Identiteitsfraude (CMI) kan er melding worden gedaan van fraude, hier is ook een specifieke pagina over de Odido hack. Daarnaast zal het kabinet met een reactie komen in lijn met de gedane toezegging door de Staatssecretaris van Economische Zaken – digitale economie en soevereiniteit en de aangenomen motie van het lid Rajokowski die opriep tot een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken.3
Ziet u aanleiding om het strafrechtelijk kader of de opsporingscapaciteit op het terrein van hacks en digitale afpersing te versterken, bijvoorbeeld door intensivering van de digitale recherche van de politie of door aanpassing van wet- en regelgeving?
Door het Ministerie van Justitie en Veiligheid worden met de politie en het OM worden gesprekken gevoerd over wat er nodig is om de aanpak van online criminaliteit een stap verder te brengen, daarin zullen de recente incidenten zoals de hacks bij Clinical Diagnostics en Odido worden meegenomen.
In het coalitieakkoord is verder aangekondigd dat de strafmaxima voor zware cyberdelicten zullen worden verhoogd. Bij de nadere beleidsuitwerking hiervan zal ook aandacht worden besteed aan deze recente incidenten.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en dit doen voorafgaand aan de behandeling van de Cyberbeveiligingswet?
Dit is helaas niet gelukt.
Het bericht ‘Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld’ |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Songül Mutluer (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers persen Odido af na datalek en eisen een miljoen euro losgeld»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het verdienmodel van cybercriminelen voor een groot deel draait op het afpersen van slachtoffers, onder dreiging van het publiceren van gestolen data of het voor eeuwig versleutelen van systemen?
De modus operandi van cybercriminelen waarbij slachtoffers worden afgeperst onder dreiging van het publiceren van gestolen data of versleuteling is bekend.2
Vindt u dat het toegeven aan dit soort afpersing het verdienmodel van cybercriminelen in stand houdt? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot de bescherming van slachtoffers, die hun persoonlijke data in handen van criminelen zien verdwijnen als een getroffen organisatie niet betaalt?
Slachtoffer worden van ransomware en dit soort afpersing kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging is aan de getroffen organisatie, maar het dringende advies vanuit de overheid blijft: geen losgeld betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand. En lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uit.
Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Het is vooral belangrijk dat getroffen personen informatie krijgen over de risico’s die zij lopen en wat zij daartegen kunnen doen. Mensen die vermoeden dat ze slachtoffer zijn geworden van de diefstal van hun gegevens, kunnen op de site van de politie controleren3 of hun data in handen van criminelen is gevallen.
Klopt het dat het voor een getroffen organisatie logisch kan lijken om losgeld te betalen (op basis van de belofte van daders dat gestolen data niet gepubliceerd worden of versleutelde systemen worden vrijgegeven), maar dat dit de samenleving als geheel juist meer kan kosten, omdat het verdienmodel van cybercriminelen in stand gehouden wordt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke manier kan de samenleving volgens u dit dilemma oplossen?
Slachtoffer worden van dergelijke afperspraktijken kan veel impact hebben. De schade kan enorm oplopen en plaatst een getroffen bedrijf in een moeilijke positie, ook richting hun klanten. Zeker in dit geval waar het aantal gestolen gegevens zo omvangrijk is. De uiteindelijke afweging ligt bij de getroffen organisatie, maar het dringende advies van de overheid blijft om geen losgeld te betalen. Betaling van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen herstellen, gestolen data verwijderen of ervan afzien deze openbaar te maken of door te verkopen aan andere criminelen. Daarnaast houdt het betalen van losgeld het verdienmodel van cybercriminelen in stand. De opbrengsten worden veelal ingezet voor verdere, geavanceerde cyberaanvallen, waarmee nieuwe slachtoffers worden gemaakt. Dit kan bovendien nieuwe aanvallen op Nederlandse organisaties uitlokken.
Staat u nog steeds achter het advies van de overheid aan organisaties om geen losgeld aan hackers te betalen? Op welke expertkennis baseert u dat advies?
Ja, zie de antwoorden op de voorgaande vragen. Dit sluit aan bij het inzicht en advies van de politie en het OM.
Zou een verbod op het betalen van losgeld aan hackers de samenleving als geheel ten goede kunnen komen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet? Wat zijn volgens u de voor- en nadelen van een dergelijk verbod?
We willen organisaties die slachtoffer zijn geworden van een ransomware aanval niet criminaliseren. Er kan zich spanning voordoen tussen het belang van een individueel slachtoffer om op de korte termijn schade te beperken en het bredere maatschappelijke belang om het totaal aantal (potentiële) slachtoffers te verminderen en het verdienmodel van criminelen niet in stand te houden. Zolang die spanning niet eenduidig kan worden opgelost wordt – net als in de meeste EU landen – dringend geadviseerd om geen losgeld te betalen, in plaats van een wettelijk verbod. Daarnaast wordt ingezet op preventie, meldplichten bij toezichthouders en gerichte informatie aan individuen wier gegevens zijn getroffen.
Kan een verbod op het betalen van losgeld ook dienen als extra prikkel voor organisaties om extra werk te maken van cyberweerbaarheid? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni, de AVG en de aankomende Cyberbeveiligingswet) verplicht organisaties om serieus werk te maken van cyberweerbaarheid. Zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 2 is daarbij het dringende advies om geen losgeld te betalen. Er kunnen situaties voorkomen waarbij toch een andere afweging wordt gemaakt door een organisatie. Om deze reden achten wij een volledig wettelijk verbod onwenselijk.
Welke extra prikkels en instrumenten kunt u inzetten om ervoor te zorgen dat organisaties te dwingen hun cyberweerbaarheid serieus te nemen? Denkt u dat boetes hier een effectief middel voor kunnen zijn? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Het huidige wettelijke kader (Telecommunicatiewet, Wbni en AVG) biedt de nodige handhavende bevoegdheden om in te grijpen bij vastgestelde onregelmatigheden. Ingrijpen kan bijvoorbeeld door het bevestigen van normen, het geven van waarschuwingen, stilleggen van verwerkingen van persoonsgegevens of het opleggen van boetes. Onder de zorgplicht van de Telecommunicatiewet moeten organisaties passende technische en organisatorische maatregelen nemen om beveiligingsrisico’s te beheersen. Hieronder vallen ook risico’s met betrekking tot diensten zoals een klantsysteem. De Rijksinspectie Digitale Infrastructuur houdt toezicht op de Telecomwet en de Autoriteit Persoonsgegevens houdt toezicht op de AVG.
Daarnaast wordt met de aankomende implementatie van de Cyberbeveiligingswet (Cbw) een impuls gegeven aan de wettelijke verplichtingen voor essentiële en belangrijke entiteiten om maatregelen te nemen die bijdragen aan hun eigen cyberweerbaarheid. Ook is er sprake van een meldplicht bij significante incidenten. De verplichtingen uit de Cbw worden gehandhaafd door de bevoegde toezichthouders/autoriteiten. Organisaties worden onderworpen aan een beveiligingsscan en audit, en kunnen een aanwijzing, de verplichting tot het openbaar maken van een overtreding, een last onder bestuursdwang, een last onder dwangsom en een bestuurlijke boete opgelegd krijgen.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en binnen de gestelde termijn beantwoorden?
ja.
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Ja.
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Ter beantwoording van deze vraag heb ik, via de Nederlandse Orde van Advocaten (hierna: NOvA), gegevens opgevraagd bij de Stichting Ondersteuning Tuchtcolleges Advocatuur.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er in totaal bij de verschillende Raden van discipline 32 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab Advocatenwet, dan wel een verzoek op grond van artikelen 60ab én 60b Advocatenwet, is toegewezen. In 18 van deze 32 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd, in 10 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen en in 4 zaken is enkel een voorlopige voorziening getroffen.
Sinds de inwerkingtreding van het huidig artikel 60ab Advocatenwet zijn er bij het Hof van discipline 4 zaken geweest waarbij een verzoek op grond van artikel 60ab van de Advocatenwet is toegewezen. In 3 zaken ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en in 1 zaak om een ging het om een schorsing voor onbepaalde tijd en is een voorlopige voorziening getroffen.
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
In de zaak waar naar wordt gevraagd is een onafhankelijke tuchtrechter tot het oordeel gekomen dat de schorsing van de advocaat in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op grond van artikel 60ab, eerste lid, Advocatenwet niet langer kan worden gerechtvaardigd en is in de zaak een voorlopige voorziening getroffen. Als Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid laat ik mij niet uit over individuele zaken.
In het algemeen kan ik zeggen dat voor iedereen in Nederland die verdacht wordt van het begaan van een strafbaar feit, geldt dat diegene onschuldig wordt geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Voorts wijs ik uw Kamer erop dat er verschillende maatregelen zijn getroffen om voortgezet crimineel handelen in detentie tegen te gaan en advocaten te beschermen. Uw kamer is op 23 januari 2026 geïnformeerd over de voortgang hieromtrent.2
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Ik laat mij niet uit over individuele zaken. In zijn algemeenheid merk ik op dat voor iedere verdachte in Nederland de onschuldpresumptie geldt. Alle advocaten in Nederland hebben bepaalde plichten, maar ook rechten, zoals het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht beschermt de vertrouwelijkheid tussen advocaat en cliënt en is van belang voor een goede uitoefening van het beroep advocaat.
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Zoals in de antwoorden hierboven is gezegd, laat ik mij niet uit over individuele zaken. In het algemeen kan ik zeggen dat alle advocaten in Nederland de kernwaarden als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, Advocatenwet in acht moeten nemen. De lokale deken houdt in zijn arrondissement onder meer toezicht op de naleving van de verplichtingen op grond van de Advocatenwet. Op grond van artikel 46 Advocatenwet zijn alle advocaten aan tuchtrechtspraak onderworpen onder meer voor het handelen in strijd met de in dat artikel omschreven betamelijkheidsnorm en de Advocatenwet. De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan artikel 46 Advocatenwet. Zoals hierboven ook genoemd, wordt iedere verdachte in Nederland onschuldig geacht totdat het tegendeel is bewezen.
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
In het conceptwetsvoorstel waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur (OTA) wordt geïntroduceerd, is voorzien dat de OTA de bevoegdheid krijgt om, op grond van de artikelen 60ab, 60b en 60c Advocatenwet, diverse ordemaatregelen te verzoeken aan de tuchtrechter. Ik kan niet zeggen of deze voorziene wijziging zal leiden tot een andere manier van beslissen door de tuchtrechter op verzoeken op grond van artikel 60abAdvocatenwet. Het is aan de tuchtrechter om elke zaak op zijn eigen merites te beoordelen.