Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar als deze worden gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Dit geldt ook in geval van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde) opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen zijn onder meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen of ruimten die zijn bestemd voor het begaan van een dergelijk misdrijf. In het geval van een drogeerverkrachting kan het aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het slachtoffer te drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig strafbaar (artikel 46a Sr).
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld vind ik niet nodig of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op vraag 6 hierboven wijs ik erop dat in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de voorbereiding van, poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf), kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings- en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten (zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content, waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder «Ofcom» echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden, kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet op artikel 8 DSA geen algemene verplichting worden opgelegd tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie, noch tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig en wenselijk zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksueel aard van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor het beschikken over een dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar maken hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het slachtoffer niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit materiaal daarom wederrechtelijk is. Als de betrokkene minderjarig is, is het maken en verspreiden van een visuele weergave van seksuele handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36 381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni 2026 heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
De Nederlandse opsporingsdiensten werken, onder andere in EPMACT2-verband en in de Virtual Global Taskforce,3 nauw samen met een groot aantal buitenlandse opsprongsdiensten. In deze gremia wordt kennis en informatie over seksueel geweld gedeeld en besproken, in het bijzonder wanneer er aanwijzingen zijn die wijzen op stelselmatigheid of een georganiseerd verband.
Daarnaast werkt de politie in de aanpak van (online) seksuele misdrijven intensief samen met ketenpartners binnen het strafrecht en de hulpverlening. Met name tussen de specialistische teams binnen de politie (Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme, Teams opsporing seksuele misdrijven en Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel), en specifieke experts bij de ketenorganisaties vindt nauwe samenwerking en kennisdeling plaats. Ook hier geldt dat als er signalen zijn van stelselmatigheid, dit zal opvallen en aanleiding zal vormen voor nader onderzoek.
Zoals aangegeven in de beleidsbrief JenV, wil dit kabinet vanuit de envelop nationale veiligheid bestemd voor politie, een impuls geven aan de aanpak van online seksuele misdrijven.4 Ik zal uw Kamer in de JenV-ontwerpbegroting informeren over de nadere invulling van de middelen.
De politie is belast met de (digitale) opsporing. Het OM beoordeelt de uitkomsten daarvan aan de hand van het geldende juridisch kader. Bij het OM werken collega’s die gespecialiseerd zijn in seksuele misdrijven en collega’s die specifieke expertise hebben op gedigitaliseerde criminaliteit. Deze portefeuilles werken nauw met elkaar samen. De digitale ontwikkelingen en modus operandi op dit terrein gaan snel. Er wordt geïnvesteerd om deze dynamiek bij te benen.
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Ja, verschillende typen zaken vragen een andere benadering. Grootschalige zaken van seksueel geweld met een online component vragen bijvoorbeeld een andere manier van opsporen dan individuele zaken van fysiek seksueel geweld, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal (aanvankelijk) geen verdachten bekend zijn en er meerdere slachtoffers worden gemaakt. Omdat bewijsvergaring vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten.
Bij zowel individuele zedenzaken als grootschalige zedenzaken geldt dat het van groot belang is dat er sprake is van coördinatie en samenwerking met ketenpartners binnen het strafrecht, en met het zorg- en veiligheidsdomein (bijvoorbeeld Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp NL, reclassering), zodat de juiste hulp en ondersteuning kan worden geboden aan slachtoffers.
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Het kabinet is van mening dat online platforms en techbedrijven een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel misbruik.
De verantwoordelijkheid van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, is in de Europese Unie geharmoniseerd geregeld in de Digital Services Act (DSA). De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waaraan deze diensten moeten voldoen. Op grond van de DSA zijn tussenhandeldiensten in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf.
Echter, de DSA bepaalt ook dat hostingdiensten en online platforms het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling. De DSA bevat verschillende andere zorgvuldigheidsverplichtingen die beogen illegale inhoud tegen te gaan, zoals de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, te schorsen.
Mijn ministerie zet zich in om de bestaande mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden geholpen. Zo ondersteunt mijn ministerie stichting Offlimits en Meld Online Discriminatie, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis van de DSA zijn aangewezen als «betrouwbare flaggers». Hun meldingen moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit worden behandeld.
De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Ja, ik ben bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk. De Online Safety Act 2023 verplicht alle bedrijven die onder de wet vallen, waaronder sociale-mediaplatforms, om snel en doeltreffend op te treden tegen strafbaar online misbruik. De wet legt alle technologieplatforms een wettelijke verplichting op om proactief de meest schadelijke illegale inhoud aan te pakken. Hieronder valt ook misbruik met intieme afbeeldingen.
Op grond van de wet moeten gebruikers- en zoekdiensten die onder de reikwijdte van de wet vallen de risico's van illegale inhoud op hun platforms beoordelen en passende systemen en processen invoeren om te voorkomen dat gebruikers met illegale inhoud worden geconfronteerd. Daarnaast moeten zij de tijd dat dergelijke inhoud online beschikbaar blijft tot een minimum beperken en deze snel verwijderen zodra zij hiervan op de hoogte zijn. Dit geldt ook voor misbruik met intieme afbeeldingen, dat binnen dit wettelijke kader is aangemerkt als een prioritaire vorm van «illegale schade».
«Ofcom», als onafhankelijke toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk, heeft wettelijke gedragscodes (Codes of Practice) gepubliceerd waarin wordt uiteengezet welke maatregelen aanbieders kunnen nemen om aan deze verplichtingen te voldoen. Er bestaan handhavingsmechanismen om naleving af te dwingen. Wanneer bedrijven hun verplichtingen niet nakomen, beschikt Ofcom over handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van boetes tot 18 miljoen Britse pond of 10% van de in aanmerking komende wereldwijde omzet, afhankelijk van welk bedrag hoger is. In de ernstigste gevallen kan Ofcom de rechter verzoeken maatregelen te nemen om de toegang tot niet-conforme diensten in het Verenigd Koninkrijk te blokkeren. Onder bepaalde omstandigheden kan Ofcom bovendien strafrechtelijke vervolging instellen tegen leidinggevenden.
Daarnaast voert de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Crime and Policing Act een nieuwe verplichting in voor technologieplatforms om intieme afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld zo snel mogelijk te verwijderen, en in ieder geval binnen 48 uur na een geldige melding van een gebruiker. Ook hierbij geldt dat bedrijven die niet aan deze verplichting voldoen, boetes kunnen krijgen tot 10% van hun wereldwijde omzet of, in de ernstigste gevallen, dat hun dienst in het Verenigd Koninkrijk kan worden geblokkeerd.
Het is van belang om de Britse ervaringen zorgvuldig te volgen en te evalueren. Binnen de Europese Unie geldt het kader van de Digital Services Act (DSA), dat grote online platforms eveneens verplicht om risico's op illegale content te beperken en daartegen op te treden. Nederland zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van deze regels.
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Nee, uit navraag bij collega’s van het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap op zichzelf niet strafbaar is onder het Britse recht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat op basis van concrete strafbare gedragingen die binnen zo'n digitale gemeenschap worden verricht, en niet door het enkele lidmaatschap of passieve deelname.
Zo is het zonder toestemming delen van intieme afbeeldingen, waaronder gemanipuleerde of deepfake afbeeldingen, strafbaar. Daarnaast bestaan – net als in Nederland – strafbepalingen die zien op het opzettelijk vervaardigen of laten vervaardigen van een intieme afbeelding van een ander zonder diens toestemming. Ook kan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaan wanneer iemand strafbare activiteiten binnen dergelijke groepen faciliteert of bevordert, bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen bij het mogelijk maken van het delen of verspreiden van illegale content. Dit kan zich voordoen wanneer beheerders of moderatoren, terwijl zij op de hoogte zijn van strafbare activiteiten, handelingen verrichten die deze activiteiten ondersteunen of stimuleren, of wanneer personen zelf deelnemen aan de verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast kunnen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals medeplichtigheid, deelneming aan een samenspanning of strafbare feiten met betrekking tot de verspreiding van illegale content, van toepassing zijn. Welke bepalingen gelden, hangt af van de rol, kennis en intentie van de betrokkene.
Tot slot heeft de Britse regering aangegeven de operationele aanpak van deze risico's verder te versterken. Daarbij wordt onder meer ingezet op gespecialiseerde undercoverteams die online opereren, beschikken over technische expertise om ernstige daders op te sporen en kunnen infiltreren in online omgevingen waar dergelijke strafbare feiten plaatsvinden.
Ook de Nederlandse politie werkt, onder meer in EMPACT-verband, mee aan internationale undercoveroperaties, met gekwalificeerde medewerkers. Op deze manier wordt kennis en expertise van de Nederlandse opsporing vergroot en levert de politie een waardevolle bijdrage in internationale opsporingsonderzoeken.
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden vind ik een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld niet nodig of wenselijk. Zo zijn in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting. Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr). Verder is het vervaardigen, openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van seksueel misbruik – zoals beeldmateriaal van een aanranding of verkrachting – afzonderlijk strafbaar gesteld (artikel 254ba, eerste lid, Sr). Tot slot is deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om seksuele misdrijven te plegen, strafbaar op grond van artikel 140 Sr.
Het enkel passief deelnemen aan een online groep zal in de regel niet voldoende zijn voor strafbaarheid. Dat acht ik, hoe verwerpelijk het bestaan van deze groepen ook is, ook niet wenselijk. Voor strafbaarheid zal steeds enige actieve betrokkenheid bij een concreet strafbaar feit vereist zijn.
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Op dit moment wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie uit publiek toegankelijke bronnen voor het voorkomen of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, ook gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een wetsvoorstel met die strekking ligt momenteel ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat wetsvoorstel ziet op het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het streven is om dat wetsvoorstel, dat de politie de bevoegdheid geeft om in besloten groepen te kijken, in de tweede helft van 2026 in consultatie te geven.
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Het wetsvoorstel ziet op informatievergaring ten behoeve van openbare-ordehandhaving. Om georganiseerd seksueel geweld te bestrijden is het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden passender dan de bevoegdheden gericht op het aanpakken van verstoringen van de openbare orde.
Wanneer sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf (zoals een seksueel misdrijf), beschikken opsporingsinstanties reeds over verschillende bevoegdheden die digitale observatie in besloten digitale groepen mogelijk maken.
De politie beschikt op grond van artikel 3 Politiewet 2012 over de bevoegdheid voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties. In geval van een concrete verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Ik ben geschrokken van de omvang van de handel in designerdrugs zoals geschetst in het artikel. Deze handel is enorm en zeer kwalijk en ik veroordeel deze handel ten zeerste. Het is uitermate schokkend dat er partijen zijn die dit soort – mogelijk levensgevaarlijke Í middelen aanbieden voor eigen financieel gewin. Ik zet mij ten volle in om politie en justitie in staat te stellen dit te bestrijden. Een belangrijke maatregel in deze strijd is de invoering van lijst IA op 1 juli 2025, een verbod op een drietal stofgroepen die zijn afgeleid van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan. Binnenkort wordt via een AMvB een vierde stofgroep, de nitazenen, toegevoegd aan lijst IA.
In het door de media genoemde onderzoek wordt voornamelijk gerefereerd aan handel in middelen gedurende de periode van vóór de invoering van dit stofgroepenverbod. Deze middelen vielen destijds nog niet onder de Opiumwet, waardoor politie en justitie toen nog niet konden ingrijpen. Sinds de invoering van het stofgroepenverbod (lijst IA bij de Opiumwet) per 1 juli 2025 kunnen zij dit wél en is het aanbod in designerdrugs via websites als Funcaps.nl sterk afgenomen. Dat aanbod betrof voornamelijk stoffen voor recreatief gebruik zoals varianten van partydrug 3-mmc. We zien nu helaas een verschuiving van het aanbod naar namaak geneesmiddelen zoals designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) of namaak pijnstillers. Deze middelen vallen niet onder de Opiumwet. Het is een grote uitdaging om dit aanbod effectief te bestrijden. Verkopers zoeken de randen van de wet op om hun verdienmodel in stand te houden.
De Minister van VWS en ik werken samen met de NVWA, IGJ, Politie en het OM aan een integrale aanpak om de online verkoop van (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs effectiever te bestrijden. In deze aanpak is aandacht voor wet- en regelgeving, maar ook voor bevoegdheden, capaciteit en (internationale) samenwerking. Uw Kamer is hierover recent geïnformeerd met de brief over (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs.3
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
Ik deel uw zorgen over de import van en handel in designerdrugs. Mede daarom is recent de Opiumwet aangescherpt, zodat meer middelen dan voorheen verboden zijn en verboden kunnen worden, en dat ook productie en handel daarin kan worden aangepakt. Het gebruik van bv-constructies voor legale handel, zoals de handel in deze middelen grotendeels was tot en met 1 juli 2025, is toegestaan.
Het overtreden van de Opiumwet en aanpalende wet- en regelgeving is een serieus misdrijf, waar het OM stevig tegen optreedt. In dit kader kunnen behalve natuurlijke personen ook rechtspersonen en hun bestuurders strafrechtelijk worden vervolgd. Dat kan leiden tot gevangenisstraffen, geldboetes en/of het ontnemen van vermogen.
Met de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn worden de mogelijkheden voor het afpakken van het crimineel verkregen vermogen verruimd. Zo kan vermogen straks ook worden afgepakt zonder strafrechtelijke veroordeling (NCBC-procedure4).
Zoals ook in het Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland5 (DON) en in de Koersbrief6 beschreven is, worden legale infrastructuren misbruikt door criminelen om crimineel geld te verkrijgen, criminele activiteiten te verhullen of het criminele businessmodel te ondersteunen. Samen met verschillende partners, waaronder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) kijken we naar systeemkwetsbaarheden in onze economie, en wordt er door EZK gewerkt aan een (wets)voorstel om de (poortwachters)rol van de Kamer van Koophandel te versterken.
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Het (online) aanbod van nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) is de afgelopen periode aanzienlijk versmald. Tientallen stoffen die voorheen legaal konden worden verhandeld, zijn inmiddels strafbaar gesteld en daarmee uit het aanbod verdwenen. Zoals reeds benoemd blijven verkopers echter creatief in het vinden van manieren om hun verdienmodel in stand te houden. Er is sinds de invoering van het stofgroepenverbod wel een toename zichtbaar in het aanbod van namaak geneesmiddelen zoals de designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) en namaak-pijnstillers.
Het op 1 juli 2025 ingevoerde stofgroepenverbod wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding uitgebreid geëvalueerd. Bij die evaluatie worden zowel de effecten op de volksgezondheid als de effecten op de productie en handel in kaart gebracht.
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Binnenkort treedt een AMvB in werking waarmee een extra stofgroep, de nitazenen, wordt toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Nitazenen zijn een stofgroep synthetische opioïden die zeer potent en dus gevaarlijk zijn.
Zoals in het antwoord op vraag 3 toegelicht, blijft er een aanbod van middelen dat buiten het stofgroepenverbod valt. Dat betreft voornamelijk varianten van geneesmiddelen die onder de Geneesmiddelenwet vallen (zoals een variant van Tramadol) en van geneesmiddelen die al onder lijst II van de Opiumwet vallen (varianten van slaap- en kalmeringsmiddelen, designer benzo’s). De Kamer is over de aanpak van illegale handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs geïnformeerd met een Kamerbrief.
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet wordt de aanpak van criminaliteitsfenomenen, zoals de illegale handel in drugs, bemoeilijkt. Het sluiten van websites is een belangrijke maatregel voor de korte termijn, maar biedt voor de lange termijn geen structurele oplossing omdat eigenaren van dit soort websites op andere domeinextensies of besloten kanalen doorgaan. De focus van de aanpak moet zich toespitsen op het oprollen van de netwerken achter deze websites. Dat is tijdrovend en arbeidsintensief opsporingsonderzoek.
Voor zover websites kwalificeren als tussenhandeldiensten waarop gebruikers online content kunnen plaatsen, zoals online platforms en online marktplaatsen, blijft de Digitale Services Act (DSA) van toepassing. De DSA hanteert een brede definitie van «illegale inhoud». Daaronder vallen naast illegale producten, bijvoorbeeld ook diensten en activiteiten die in strijd zijn met het Unierecht of het recht van een lidstaat. Hieronder valt ook de handel in illegale drugs. Op grond van de DSA zijn hostingdiensten, waaronder online platforms en online marktplaatsen, gehouden illegale content te verwijderen zodra zij hier kennis van krijgen. Doen zij dit niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Ook moeten online platforms gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, schorsen. Online marktplaatsen moeten verder aan verschillende verplichtingen voldoen om ervoor te zorgen dat handelaren op hun platform traceerbaar zijn en dat zij hij het toepasselijke Unierecht naleven. Op de DSA wordt toezicht gehouden. De lidstaat van (Europese) vestiging bepaalt welke toezichthouder bevoegd is. Deze toezichthouders hebben evenwel niet de bevoegdheid om content offline te halen. Besloten kanalen en groepen vallen buiten de reikwijdte van de DSA. Er is sprake van beslotenheid als er effectief deurbeleid wordt gehanteerd.
Wanneer aangifte of melding wordt gedaan van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en de politie een verwijderverzoek richten aan aanbieders van communicatiediensten om de betreffende online content offline te halen. Dit verzoek kan alleen worden gedaan als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd, dat kan ook in het buitenland zijn. Soms komt het voor dat niet bekend is waar de illegale content precies staat. In die gevallen is het niet mogelijk een verwijderverzoek te doen. Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een (dwingend) bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijk van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten. Deze route leidt niet altijd tot het gewenste resultaat omdat niet met ieder land een rechtshulprelatie bestaat en het doen van dergelijke verzoeken vaak ook enige tijd vergt.
Het ontoegankelijk maken van online content en het gebruik van notice-and-actionmechanismen zijn belangrijke instrumenten, maar moeten worden gezien als onderdeel van een bredere aanpak. Omdat aanbieders kunnen uitwijken naar buitenlandse domeinen, besloten kanalen of nieuwe webshops, blijft het van belang om daarnaast in te zetten op strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders achter deze handel, financiële stromen, logistieke schakels en internationale aanvoerroutes.
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
De internationale banden die zijn aangehaald bij de SYNDEC7 en de Commission on Narcotic Drugs van de VN worden actief gebruikt om het gesprek aan te gaan over de problematiek rondom de verkoop van designerdrugs. Hiermee wordt getracht een betere samenwerking te faciliteren tussen India en Nederland. Dit zal helpen met het in kaart brengen van de grootschalige legale en illegale aanvoerroutes van de chemische en farmaceutische industrie.
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Ja, die opvatting deel ik. De sociale norm rondom een bepaalde gedraging is één van de belangrijkste voorspellers voor zo’n gedraging. Als we het gebruik van (designer-)drugs willen verminderen, is het van belang daarop in te zetten. De Minister van VWS en ik dragen deze norm vaak uit, in Kamerbrieven en debatten. Daarnaast werk ik met de Minister van VWS aan een voortzetting van de campagne die jongeren bewust moet maken van de negatieve gevolgen op de maatschappij en gezondheid van drugsgebruik. Hierover bent u door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd via de recente Verzamelbrief ontwikkeling drugsbeleid.
Honderden miljoenen fraude via verzekeraar Atradius |
|
Suzanne Kröger (PRO), Julian Bushoff (GroenLinks-PvdA) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Staat mogelijk voor honderden miljoenen het schip in door fraude via verzekeraar Atradius»?1
Deelt u de constatering dat er al langer zorgen bestaan rondom mogelijke tekortkomingen in de bestrijding van fraude en financiële criminaliteit bij exportkredietverzekeringen, zoals bijvoorbeeld gepubliceerd in Regimes of Permission: Export Credit Agencies, Anti-Money Laundering and Anti-Terrorism Financing(2025)2 en zoals blijkt uit meerdere zaken de afgelopen jaren?3 4
In hoeverre komen de aangekondigde maatregelen uit uw Kamerbrief d.d. 3 juli 2026 (Kamerstuk 26 485, nr. 463) overeen met de aanbevelingen voor overheden en exportkredietverzekeraars uit het bovengenoemde rapport Regimes of Permission? Kunt u aangeven welke maatregelen u wel, welke gedeeltelijk en welke u niet overneemt en waarom?
Hoe beoordeelt u, tegen de achtergrond van de huidige fraudezaken, de constatering in het rapport Regimes of Permission dat exportkredietverzekeraars voor hun due diligence sterk afhankelijk zijn van informatie die door hun cliënten zelf wordt aangeleverd, waardoor informatie-asymmetrie ontstaat?
In hoeverre verrichtte Atradius Dutch State Business (ADSB) zelfstandig onderzoek naar garanten, tussenpersonen en andere partijen in de transactieketen, in plaats van uitsluitend af te gaan op informatie van de verzekerde?
Klopt het dat bij de huidige fraudezaken vermoedelijk gebruik is gemaakt van vervalste financiële informatie en accountantsverklaringen? Waarom waren de bestaande controlemechanismen van ADSB niet in staat deze informatie eerder als mogelijk frauduleus te identificeren?
Welke controles verrichtte ADSB op de financiële positie van een garant vóór het afgeven van een polis? Werden accountantsverklaringen rechtstreeks bij de betreffende accountant geverifieerd?
Deelt u de mening dat het goed is dat banken, verzekeraars en andere financiële instellingen vergaande verplichtingen hebben om witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit te voorkomen? Waarom gelden voor een publieke exportkredietverzekeraar die namens en voor rekening en risico van de Staat opereert niet dezelfde of vergelijkbare wettelijke verplichtingen?
Welke wettelijke instantie houdt momenteel toezicht op de naleving door ADSB van haar verplichtingen op het gebied van het voorkomen van witwassen, terrorismefinanciering en andere financiële criminaliteit?
Zijn er voldoende wettelijke waarborgen om ADSB verantwoordelijk te houden voor gebrekkige controles die tot gevolg hebben dat miljoenen aan belastinggeld verloren gaan?
In hoeverre heeft ADSB volgens u de capaciteit en kennis in huis om risico's op misbruik in te schatten en fraude te detecteren voordat een polis wordt afgegeven? Heeft ADSB mensen in dienst die hierin gespecialiseerd zijn? Huurt ADSB hiervoor externe partijen in? Zo ja, welke?
De toenemende agressie en het geweld tegen spoorwegpersoneel. |
|
Dion Huidekooper (D66) |
|
Bertram |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brandbrief van spoorwegvakbond VVMC van 25 september 2026, getiteld «Ontspoort gedrag spoort niet!»?1
Hoe beoordeelt u de cijfers uit de brandbrief, waaruit blijkt dat er in de eerste drie kwartalen van 2026 al 5.088 meldingen van agressie en geweld bij de NS zijn geregistreerd (waarvan 1.561 bedreigingen, 1.368 gevallen van fysiek geweld en 105 wapenbedreigingen)?
Wat is uw reactie op de zeer ernstige incidenten die de VVMC aanhaalt, zoals de zware mishandelingen van hoofdconducteurs op de stations Rotterdam Blaak en Den Dolder, en het incident op station Almere Centrum op 6 augustus 2026 waarbij een medewerker Veiligheid & Service een vingerkootje kwijtraakte door een beet?
Welke maatregelen worden op dit moment genomen om agressie en geweld tegen medewerkers in het openbaar vervoer terug te dringen? Wat is tot nu toe bekend over de effectiviteit van deze maatregelen?
Deelt u de mening van de VVMC dat de uitrol van bodycams het verlies van juridische handhavingsbevoegdheden en toegang tot de Basisregistratie Personen (BRP) inhoudelijk niet kan compenseren?
Welke concrete opvolging heeft u gegeven aan de uitkomsten van het recente rondetafelgesprek op 3 maart 2026 in de Tweede Kamer over veilig reizen in het openbaar vervoer en welke merkbare verbeterstappen zijn er sindsdien op de werkvloer gezet?
Acht u de huidige aanpak voldoende om de stijgende trend in agressie en geweld tegen ov-personeel te keren? Zo nee, welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Welke concrete doelstellingen hanteert u voor het terugdringen van agressie en geweld tegen ov-personeel? Op welke termijn verwacht u dat medewerkers hiervan merkbaar resultaat zien?
Wat is de exacte stand van zaken rond het nakomen van de coalitieafspraak om ov-boa’s toegang te verlenen tot het vreemdelingenregister en, onder voorwaarden, tot de strafrechtketendatabank? Op welke termijn beschikken ov-boa's in de praktijk over deze informatiepositie om overlastgevers effectief aan te pakken?
Hoe staat het met de landelijke uitrol van de Rotterdamse RET-pilots voor intensievere samenwerking tussen vervoerders en politie, en welke (eerste) resultaten zijn hieruit te melden?
Hoe staat het met de uitvoering dat iedere conducteur die dat wil ov-boa kan worden, en op welke termijn verwacht u dat deze afspraak gerealiseerd kan worden?
Hoe staat het met de totstandkoming en uitvoering van het nieuwe landelijke convenant sociale veiligheid in het openbaar vervoer en het bijbehorende actieplan? Welke concrete, meetbare doelstellingen en termijnen worden hierin opgenomen om het aantal ernstige A-incidenten terug te dringen?
Bent u bereid om op korte termijn in te gaan op de uitnodiging van de VVMC voor een bestuurlijk overleg met vakbonden, vervoerders, politie en OM, en de Kamer over de uitkomsten hiervan te informeren?
De bedreiging en intimidatie van familierechtadvocaten |
|
Fatihya Abdi (GroenLinks-PvdA), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht1 dat familierechtadvocaten steeds vaker worden bedreigd en geïntimideerd? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?
Hoeveel meldingen van bedreiging en intimidatie van advocaten zijn er de afgelopen vijf jaar jaarlijks gedaan, en hoeveel daarvan betroffen familierechtadvocaten?
Hoeveel van deze meldingen over de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot resp. aangifte, strafrechtelijk onderzoek en vervolging?
Worden bedreigingen van advocaten vanwege hun beroepsuitoefening volgens het kabinet voldoende serieus en met voldoende urgentie opgepakt? Zo nee, waarom niet?
Waar kunnen advocaten die worden bedreigd laagdrempelig melden en welke ondersteuning krijgen zij vervolgens? Vindt u deze handelwijze afdoende?
Welke concrete acties zijn de afgelopen jaren ondernomen om bedreiging en intimidatie van advocaten tegen te gaan, en wat zijn daarvan de resultaten?
Deelt u de mening dat het risico bestaat dat deze bedreigingen ertoe leiden dat advocaten bepaalde zaken, bijvoorbeeld rond huiselijk geweld en complexe scheidingen, niet meer willen aannemen? Zo nee, waarom niet?
Hoe wordt bij bedreigde advocaten de dreiging beoordeeld en wanneer komen maatregelen vanuit het stelsel Bewaken en Beveiligen in beeld?
Kunt u aangeven hoe de na de moord op advocaat Derk Wiersum beloofde structurele aandacht voor de weerbaarheid en de bescherming van advocaten heeft geleid tot structurele verbeteringen? Zijn deze maatregelen nog steeds afdoende? Zo nee, welke aanvullingen stelt u zich voor?
Sluit de huidige aanpak en het vernieuwde stelsel Bewaken en Beveiligen voldoende aan bij bedreigingen van advocaten die niet rechtstreeks voortkomen uit georganiseerde criminaliteit, maar wel vanwege hun beroepsuitoefening worden bedreigd? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, samen met de Nederlandse Orde van Advocaten, politie en het Openbaar Ministerie, te bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn om bedreigde advocaten beter te beschermen en ervoor te zorgen dat bedreigingen altijd serieus worden opgevolgd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kunt u deze inventarisatie delen met de Kamer?
Fraude met stages en EVC-certificaten in zorgopleidingen |
|
René Claassen (PVV) |
|
Letschert , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over zogeheten «aftekenstages» in mbo-zorgopleidingen, waarbij studenten praktijkopleiders betalen om stage-uren af te tekenen zonder daadwerkelijk aanwezig te zijn geweest op de stageplek?1
Kunt u aangeven hoeveel gevallen van aftekenstages en vergelijkbare stagefraude er sinds het verkennend onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) van juni 2024 zijn geconstateerd, uitgesplitst per opleidingsniveau en -richting?
Deelt u de zorg dat door deze vorm van fraude ongekwalificeerde personen met een mbo-diploma aan de slag kunnen gaan in de zorg, met directe risico’s voor de veiligheid van kwetsbare patiënten zoals ouderen en mensen met een beperking? Zo ja, welke aanvullende maatregelen bent u voornemens te nemen?
Welke concrete voortgang is geboekt met de aanbevelingen uit het rapport «Er is meer aan de hand' (juni 2024) en de daaropvolgende Kamerbrief, met name ten aanzien van de bevoegdheden van de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en de erkenningscriteria voor leerbedrijven?
Kunt u een actueel overzicht geven van de omvang van fraude met EVC-certificaten (Erkenning van Verworven Competenties) in de zorgsector, mede in het licht van het strafrechtelijk onderzoek naar het EVC-bureau F&P Educatie en de recente aanhoudingen in die zaak?
Bent u bereid te onderzoeken of de mogelijkheid voor commerciële EVC-bureaus om ervaringscertificaten af te geven voor zorggerelateerde beroepen (tijdelijk) aan strengere voorwaarden moet worden gebonden of aan onafhankelijker toezicht moet worden onderworpen, gezien de kwetsbaarheid van dit systeem voor fraude?
Op welke wijze wordt geborgd dat zorginstellingen die een medewerker aannemen op basis van een mbo-diploma of EVC-certificaat, dit diploma of certificaat op eenvoudige en betrouwbare wijze kunnen verifiëren, en acht u de huidige verificatiemogelijkheden (bijvoorbeeld via DUO) toereikend?
Bent u bereid, gelet op de aanhoudende signalen en de kennelijke toename van deze fraudevormen sinds 2024, de Kamer op korte termijn een geactualiseerde stand-van-zakenbrief te sturen met daarin concrete, meetbare doelstellingen en een tijdpad om stage- en EVC-fraude in de zorgopleidingen terug te dringen?
Het aanstaande onbegeleid verlof van Appie A |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Herinnert u zich de antwoorden op Kamervragen over de kennelijk aanstaande vrijlating van Appie A. en het daaropvolgende commissiedebat Strafrechtelijke onderwerpen van 5 oktober 2022?1
Bent u bekend met het bericht «Nabestaanden in shock omdat Appie A. vrij rond mag lopen in de samenleving?»2
Kunt u toelichten waarom u heeft besloten Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Waarom is de Kamer niet geïnformeerd over deze verlofbeslissing?
Klopt het dat uw ambtsvoorganger excuses heeft aangeboden aan de nabestaanden in deze zaak voor de gebrekkige communicatie in aanloop naar het besluit tot toelating tot de re-integratiefase in 2022 en concrete toezeggingen heeft gedaan over hoe de nabestaanden zouden worden gehoord over verlof?
Zijn in tegenstelling tot 2022 nu wel alle nabestaanden in deze zaak gehoord voordat de beslissing werd genomen om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen? Zo nee, waarom niet?
Op grond van welke adviezen over de veiligheidsrisico’s heeft u dit besluit genomen?
Hoe heeft u de positie van de nabestaanden betrokken in het besluit om Appie A. met onbegeleid verlof te sturen?
Welke voorwaarden zijn verbonden aan het verlof van Appie A. en hoe is het toezicht op de naleving van deze voorwaarden georganiseerd?
Bent u voornemens Appie A. gratie te verlenen? Zo ja/nee, waarom?
Bent u voornemens de Kamer te informeren bij een positieve voordracht tot gratie in deze zaak net als uw ambtsvoorganger? Zo ja/nee, waarom?
Bent u bereid net als uw ambtsvoorganger om in gesprek te gaan met de nabestaanden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en voor de voorziene verlofdatum van 22 juli 2026 beantwoorden?
De medische inzetbaarheid binnen de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB) |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de berichtgeving van Nieuwsuur over tekortkomingen binnen de medische ondersteuning van de Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging (DKDB)?1
Klopt het dat medisch opgeleide persoonsbeveiligers gedurende langere tijd onvoldoende konden trainen en daardoor niet langer voldeden aan de vereiste medische bevoegdheden en bekwaamheidseisen? Zo ja, hoeveel medewerkers betrof dit?
Klopt het dat sinds eind 2025 trainingen, opleidingen of hercertificeringen voor medische persoonsbeveiligers niet of onvoldoende hebben plaatsgevonden? Zo ja, wat waren hiervan de oorzaken?
Wanneer zijn de korpsleiding, de leiding van de DKDB en het ministerie voor het eerst geïnformeerd over deze problemen en welke maatregelen zijn sindsdien genomen?
Klopt het dat het ontbreken van voldoende trainers, opleidingscapaciteit of organisatorische aansturing heeft bijgedragen aan het ontstaan van deze situatie? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
In hoeverre hebben personeelstekorten, capaciteitsproblemen of organisatorische keuzes binnen de politie een rol gespeeld bij het uitblijven van trainingen en het vervallen van medische bevoegdheden?
Kunt u uitsluiten dat de beveiliging van bewindspersonen, leden van het Koninklijk Huis of andere zwaar beveiligde personen door deze tekortkomingen in het gedrang is gekomen? Zo nee, waarom niet?
Acht u het aanvaardbaar dat juist de dienst die verantwoordelijk is voor de beveiliging van de meest bedreigde personen van Nederland kampt met tekortkomingen op het gebied van opleiding, training en medische inzetbaarheid? Zo ja, waarom?
De aanpak van seksueel kindermisbruik in Nederland |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de verdenkingen van seksueel misbruik van minderjarige kinderen op een basisschool in Zoetermeer? Deelt u de opvatting dat deze zaak opnieuw duidelijk maakt welke verstrekkende gevolgen seksueel misbruik heeft voor slachtoffers, hun ouders en de betrokken gemeenschap?
Kunt u aangeven hoeveel minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik jaarlijks naar schatting buiten beeld blijven van politie en hulpinstanties, en welke concrete maatregelen u neemt om deze groep beter te bereiken?
Kunt u een overzicht geven van het aantal meldingen, aangiften, vervolgingen en veroordelingen wegens seksueel misbruik van minderjarigen in de afgelopen vijf jaar? Hoe beoordeelt u deze cijfers in verhouding tot de door experts en onderzoeksinstanties geschetste omvang van de problematiek?
Hoe reflecteert u op de bevinding van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat jaarlijks ten minste 20.000 Nederlandse mannen seksueel kindermisbruik plegen in het buitenland? Welke conclusies trekt u uit deze bevinding over de omvang van seksuele interesse in kinderen en het risico op seksueel misbruik door Nederlandse daders, zowel binnen als buiten Nederland?
Welke preventieve voorzieningen zijn momenteel beschikbaar voor personen die seksuele gevoelens richting minderjarigen ervaren en daarvoor hulp zoeken voordat zij strafbare feiten plegen? Is bekend hoeveel personen jaarlijks gebruik van deze voorzieningen en acht u het bereik hiervan voldoende gelet op de omvang van de problematiek die onder meer uit WODC-onderzoek naar voren komt?
Kunt u reflecteren op de conclusies van de Nationaal Rapporteur op het belang van vroegsignalering? In hoeverre zijn scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen en andere instellingen die met kinderen werken verplicht om medewerkers te scholen in het herkennen van signalen van seksueel misbruik? Kunt u een overzicht geven van alle bij u bekende preventieve maatregelen, en acht u deze voldoende?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen van mogelijk seksueel grensoverschrijdend gedrag jegens minderjarigen de afgelopen vijf jaar bij Veilig Thuis zijn binnengekomen en welk percentage daarvan heeft geleid tot nader onderzoek, hulpverlening of strafrechtelijke vervolging?
Kunt u reflecteren op de bevinding van de Nationaal Rapporteur dat slachtoffers van seksueel geweld vaak pas jaren na het misbruik melding maken? Welke aanvullende maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat kinderen eerder hulp kunnen zoeken en misbruik sneller wordt gesignaleerd en gestopt?
Beschikken de politie en gespecialiseerde zedenteams volgens u over voldoende capaciteit en expertise om meldingen van seksueel misbruik van kinderen tijdig te onderzoeken? Kunt u inzicht geven in de huidige wachttijden, achterstanden en personele capaciteit binnen de zedenketen?
Kunt u uiteenzetten welke concrete en meetbare doelstellingen het kabinet hanteert voor het terugdringen van seksueel kindermisbruik in Nederland? Welke indicatoren gebruikt u om vast te stellen of het beleid daadwerkelijk leidt tot minder slachtoffers?
De toename van explosies in woonwijken |
|
Mahjoub Mathlouti (D66) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de recente explosies in Amsterdam, Breda, Poortugaal, Eindhoven en Spijkenisse en het beeld dat explosies in woonwijken steeds vaker voorkomen en zich op sommige locaties herhalen?
Hoeveel explosies en pogingen daartoe hebben in de afgelopen tien jaar plaatsgevonden in woonwijken? Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, politieregio en naar (vermoedelijk) motief?
Hoe heeft het aantal explosies en pogingen daartoe in woonwijken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld en welke mogelijke trend ziet u daarin voor de komende jaren? Kunt u daarbij aangeven welke factoren volgens politie, het Openbaar Ministerie en andere betrokken instanties bijdragen aan deze ontwikkeling?
Hoe beoordeelt u de maatschappelijke impact van deze ontwikkeling op bewoners, in het bijzonder in buurten waar herhaaldelijk explosies plaatsvinden en gevoelens van onveiligheid langdurig aanwezig blijven?
Hoe verklaart u dat in meerdere gevallen in korte tijd opnieuw explosies konden plaatsvinden in dezelfde straat of directe omgeving, zoals recent in Breda, Poortugaal en Spijkenisse?
Beschikken gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie momenteel over een eenduidige werkwijze voor risicobeoordeling en opvolging na een eerste explosie om herhaling te voorkomen? Zo ja, hoe ziet die eruit en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Welke concrete maatregelen worden direct ingezet nadat sprake is van een explosie bij een woning, bijvoorbeeld op het gebied van beveiliging, toezicht, informatievoorziening en bescherming van bewoners en omwonenden?
Welke juridische, bestuurlijke en operationele instrumenten hebben burgemeesters op dit moment om op te treden na een explosie en acht u dat instrumentarium toereikend?
Hoeveel explosiezaken zijn in de afgelopen tien jaar opgehelderd? Dat wil zeggen: hoe veel verdachten zijn aangehouden en in hoeveel zaken is het daadwerkelijk gekomen tot een veroordeling?
Acht u de huidige opsporings- en vervolgingscapaciteit binnen politie, forensische opsporing en het Openbaar Ministerie voldoende om explosiezaken snel en zichtbaar af te handelen? En zo ja, waar blijkt dat uit?
Hoe vaak waren in de afgelopen tien jaar minderjarigen of jongvolwassenen betrokken bij explosiezaken en welke inzichten bestaan over de rekrutering van jongeren voor dit type geweld?
Welke interventies worden ingezet om te voorkomen dat jongeren worden ingezet voor intimidatie, geweld en explosies en hoe wordt de effectiviteit van die aanpak beoordeeld?
Heeft u voldoende zicht op de herkomst, handel en verspreiding van de explosieve middelen die worden gebruikt bij deze incidenten?
De betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet»?1
Ja, wij hebben kennisgenomen van dit bericht.
Gaat u ingrijpen of is dit een «markteffect» dat u niet kunt veranderen?
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Hoe kijkt u naar het feit dat een internationale tabaksgigant, die decennialang heeft verdiend aan nicotineverslaving, betrokken is geraakt bij één van de grootste telers binnen het Nederlandse cannabisexperiment?
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid. Het wettelijk kader bevat generieke eisen voor alle deelnemende telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie.
Hieronder vallen een volledig reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief adviezen om de risico’s van het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De Inspectie Justitie & Veiligheid, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en de deelnemende experimentgemeenten houden toezicht op de naleving van de eisen door de telers en de coffeeshops.
In de afgelopen jaren hebben de commerciële strategieën van de tabaksindustrie jarenlang ernstige schade toegebracht aan de volksgezondheid door nieuwe gebruikers aan zich te binden, is dat voor u een doel bij het wietexperiment?
Nee, het aantrekken van nieuwe gebruikers behoort uitdrukkelijk niet tot de doelstellingen van het experiment. Het wietexperiment heeft tot doel te onderzoeken of een gereguleerde en op kwaliteit gecontroleerde productie en distributie van cannabis mogelijk is en welke effecten dit heeft op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Het wietexperiment is ook gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid.
Bestaan er momenteel specifieke waarborgen binnen het wietexperiment om te voorkomen dat partijen met een achtergrond in de tabaksindustrie invloed uitoefenen op productie, marketing, prijsstelling of productontwikkeling? Zo ja, welke zijn dat en acht u deze voldoende? Zo nee, waarom niet?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 3 toegelicht.
Wilt u normalisering van wietgebruik? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom staat u dan toe dat een commerciële partij met een negatieve voorgeschiedenis daar wel aan bij gaat dragen?
Normalisering van cannabisgebruik vindt het kabinet onwenselijk. Het Nederlandse drugsbeleid is daarom gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Het gebruik van drugs is namelijk nooit zonder risico’s. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland – zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf.
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders. Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Binnen de geldende wet- en regelgeving zijn wel generieke eisen opgenomen voor alle deelnemende telers, zoals onder antwoord 2 en 3 toegelicht.
Vindt u het verantwoord dat bedrijven uit een industrie waarvan uit recent onderzoek blijkt dat jeugdverslaving geen onbedoeld neveneffect, maar een expliciet onderdeel van het verdienmodel is, mogen deelnemen aan een experiment waarbij volksgezondheid expliciet een van de toetsingscriteria is? Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit?2
Het onderzoek waaraan u refereert bevestigt de ernstige zorgen over de werkwijze van de tabaks- en nicotine-industrie ten aanzien van jeugdigen. Het kabinet neemt die zorgen serieus. Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met de tabaksindustrie zal moeten worden betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Ziet u naast juridische-, gezondheids- en veiligheidsoverwegingen ook morele overwegingen bij het in stand houden van een wietexperiment? Zo ja, hoe verhouden die zich tot deze ontwikkeling?
Aan het gebruik van cannabis zijn altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Tegelijkertijd is het wietexperiment gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en, zoals in het wettelijk kader is vastgelegd, ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten worden de vervolgstappen bepaald.
Bent u van mening dat het onverantwoord is om het gebruik van cannabis verder te normaliseren, terwijl uit cijfers blijkt dat 42,6% van de 18-jarigen ooit cannabis heeft gebruikt en 23,7% dit in de afgelopen maand deed?3 Zo ja, hoe rechtvaardigt u dit beleid vanuit het oogpunt van volksgezondheid en de bescherming van jongeren?
Het wietexperiment creëert uitsluitend een gereguleerde toevoer van cannabis naar de reeds bestaande coffeeshops. Het doel van het kabinet is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden. Om die reden zijn binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 3.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren. Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart worden gebracht.
Moet het cannabisgebruik afnemen van u en welk effect beoogt u met het wietexperiment?
Het Nederlandse drugsbeleid is gericht op het voorkomen van drugsgebruik, daaronder valt ook het gebruik van cannabis. Aan het gebruik van cannabis zijn namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk is. Het kabinet wil vanwege deze risico’s niet dat door dit experiment meer mensen cannabis gaan gebruiken, maar beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden inzichtelijk gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium6 en kunnen bijdragen aan het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid. Ook zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment onderdeel zijn van dit gesprek. Het kabinet is van mening dat de mogelijke invloed van de tabaksindustrie op de cannabismarkt hier onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Kunt u met de huidige wetgeving tabaksproducenten weren of zijn aanvullende wettelijke beperkingen noodzakelijk om te voorkomen dat producenten van tabaksproducten ook actief worden op de Nederlandse cannabismarkt?
De Wet experiment gesloten coffeeshopketen bevat geen expliciete bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders, zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 2.
Deelt u de opvatting dat het wrang en zorgwekkend is dat bedrijven die jarenlang hebben geprofiteerd van nicotineverslaving nu hun verdienmodel verleggen naar cannabis, terwijl de overheid tegelijkertijd inzet op preventie en het terugdringen van middelengebruik? Zo ja, wordt het geen tijd om het wietexperiment in rook te laten opgaan en er een punt achter te zetten?
Nee. In het coalitieakkoord is afgesproken om het wietexperiment voort te zetten. Het kabinet beoogt met het experiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. Deze effecten worden in kaart gebracht door het onafhankelijk onderzoeksconsortium. Het is belangrijk om van deze uitkomsten te leren; deze zullen het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid immers verder brengen.
Het bericht ‘Sterke toename cryptobetalingen voor aankoop online kinderporno’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Inge van Dijk (CDA) |
|
David van Weel (VVD), Eelco Heinen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de bevindingen van de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-Nederland) dat het aantal en volume van cryptobetalingen voor online kinderporno toenemen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u aangeven hoe het aantal meldingen, onderzoeken en veroordelingen die voortkomen uit signalen over cryptobetalingen voor online kinderporno zich de afgelopen vijf jaar heeft ontwikkeld?
Deelt u de zorg dat de groei van cryptobetalingen voor online seksueel kindermisbruik laat zien dat criminelen steeds vaker gebruikmaken van internationale cryptonetwerken en aanbieders buiten het bereik van Europese toezichthouders en opsporingsdiensten?
Acht u de huidige capaciteit van de FIU, politie, Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) en het Team Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme voldoende om de toenemende stroom van cryptogerelateerde signalen te analyseren en op te volgen?
Herkent u het beeld dat de FIU schetst dat sinds de invoering van het Europese vergunningenstelsel voor cryptodienstverleners minder informatie rechtstreeks in Nederland beschikbaar komt, en welke gevolgen heeft dit voor toezicht, opsporing en handhaving?
Welke lacunes of beperkingen zijn er in de huidige Europese regelgeving waardoor crypto-aanbieders nog steeds relatief eenvoudig diensten kunnen verlenen aan criminelen?
Welke mogelijkheden ziet u om binnen de Europese Unie te komen tot een intensievere en meer structurele uitwisseling van gegevens over verdachte cryptotransacties, specifiek gericht op seksueel kindermisbruik, mensenhandel, terrorismefinanciering en georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een gezamenlijke aanpak van cryptodienstverleners en wisselkantoren die onvoldoende meewerken aan het voorkomen, melden en opsporen van ernstige criminaliteit?
Bent u bereid om met andere Europese lidstaten in gesprek te gaan om ervaringen uit te wisselen over de samenwerking met de FIU in het kader van onderscheppen van verdachte geldstromen?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheden om informatie uit te wisselen tussen het strafrecht enerzijds en bestuursrecht anderzijds als het gaat om signalen die kunnen worden gekoppeld aan meldingen van seksueel geweld en kinderporno?
Herkent u de problemen waar de FIU op wijst bij het verkrijgen van informatie uit derde landen en jurisdicties waar cryptodienstverleners zijn gevestigd, en welke mogelijkheden ziet u om via de Europese Unie, de Financial Action Task Force (FATF) en andere internationale samenwerkingsverbanden de informatie-uitwisseling met deze landen te verbeteren?
Welke aanvullende maatregelen zijn volgens u in Nederland mogelijk, binnen de bestaande Europese regelgeving, om cryptobetalingen die verband houden met online seksueel kindermisbruik sneller te detecteren, te blokkeren en strafrechtelijk te onderzoeken?
Het bericht ‘Zo kochten we joints, cocaïne en een wapen via Snapchat’ |
|
Tijs van den Brink (CDA), Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het onderzoek van KRO-NCRV’s Pointer, waaruit blijkt dat via Snapchat eenvoudig joints, cocaïne en een stroomstootwapen konden worden gekocht, ook met accounts die als minderjarig waren ingesteld?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het onacceptabel is dat zelfs minderjarigen via platforms zoals Snapchat in aanraking kunnen komen met dealers en gemakkelijk drugs en wapens kunnen kopen?
Ja, die opvatting deel ik. Het is zorgelijk dat minderjarigen hiermee in aanraking komen en zij moeten hiertegen worden beschermd. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 3, zijn online platforms, zoals Snapchat, ook verplicht om minderjarigen op hun dienst doeltreffend te beschermen.
Hoe beoordeelt u de verantwoordelijkheid van Snapchat om te voorkomen dat minderjarige gebruikers via zoekfuncties, aanbevelingssystemen en algoritmes richting illegale handel worden geleid?
Snapchat is aangewezen als «zeer groot online platform» onder de digitaledienstenverordening (de Digital Services Act, hierna de DSA). Als zodanig zal zij volledig moeten voldoen aan alle verplichtingen uit de DSA. Artikel 28 van de DSA schrijft voor dat online platforms die toegankelijk zijn voor minderjarigen passende en evenredige maatregelen dienen te nemen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen. Welke maatregelen vereist zijn verschilt per dienst, afhankelijk van de specifieke risico’s die er spelen. Deze risicobeoordeling is nader toegelicht in de Richtsnoeren inzake maatregelen om een hoog niveau van privacy, veiligheid en beveiliging voor minderjarigen online te waarborgen, gepubliceerd door de Europese Commissie.2
Als zeer groot online platform moet Snapchat daarnaast ten minste jaarlijks de zogenaamde systeemrisico’s beoordelen die voortvloeien uit de werking van haar dienst en de daaraan verbonden systemen – met inbegrip van algoritmische systemen – en uit het gebruik van haar dienst (artikel 34 DSA) en vervolgens passende maatregelen treffen om die risico’s te beperken (artikel 35 DSA). Deze systeemrisico’s omvatten onder meer eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten met betrekking tot de bescherming van minderjarigen. De getroffen maatregelen dienen redelijk, evenredig en doeltreffend te zijn.
In maart 2026 is de Europese Commissie, als primaire toezichthouder op de zeer grote online platformen onder de DSA, een onderzoek gestart naar kinderbescherming bij Snapchat.3 De Commissie werkt voor dat onderzoek samen met de ACM als digitaledienstencoördinator van het land waar Snapchat haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen.4 Dit onderzoek richt zich onder meer op de blootstelling van minderjarigen aan schadelijke inhoud en verkoop van illegale producten op Snapchat. Dit onderzoek loopt nog.
Welke mogelijkheden hebben de politie en het Openbaar Ministerie op dit moment om snel en streng op te treden tegen drugs- en wapenhandel via Snapchat en vergelijkbare platforms? En welke mogelijkheden biedt de Digital Services Act (DSA) daarin?
Voor wat betreft de DSA, verwijs ik u naar het antwoord op vraag 3. In aanvulling daarop, bevat artikel 16 van de DSA de verplichting voor hostingdiensten, waaronder online platforms, om te voorzien in kennisgevings- en actiemechanismen via welke personen of entiteiten illegale inhoud bij hen kunnen melden. Binnengekomen meldingen moeten op een tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze worden verwerkt. Ook de Politie en het OM maken gebruik van deze mechanismen om verwijderverzoeken in te dienen.
Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een verwijderbevel uitvaardigen om content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. Het OM kent verregaande zelfstandigheid en maakt per concreet geval een afweging over het instellen van strafrechtelijk onderzoek en de eventuele inzet van bevoegdheden.
Complicerende factor bij het aanpakken van deze problematiek, is dat de drugs- en wapenhandel op haar platform volgens Snapchat grotendeels plaatsvindt in privécommunicatie tussen gebruikers en niet op de publiek zichtbare onderdelen van het platform. Dit is relevant, omdat EU-(privacy)wetgeving en het communicatiegeheim zich verzetten tegen het proactief scannen van privécommunicatie van gebruikers.
Het optreden tegen schadelijke, wapen-, drugs- of vapegerelateerde inhoud in privécommunicatie wordt daardoor deels afhankelijk van meldingen. Immers, communicatie over strafbare feiten komt meestal pas aan het licht wanneer een gebruiker daar zélf melding van maakt of wanneer een telefoon door handhavingsinstanties in beslag kan worden genomen tijdens een onderzoek én kan worden gekraakt. Indien er gegevensdragers, zoals telefoons of computers, in beslag zijn genomen, kan de politie deze, na toestemming van de officier van justitie en een machtiging van een rechter-commissaris, onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren op strafbare gedragingen. In dergelijke gevallen kan, indien het lukt toegang te krijgen tot het apparaat, communicatie die verliep via een versleutelde berichtendienst (achteraf) worden uitgelezen.
In Europees verband wordt momenteel door een interdisciplinaire groep van experts gekeken naar technische mogelijkheden om, op een cyberveilige en privacy-vriendelijke manier, gericht toegang te verkrijgen tot end-to-end versleutelde communicatie van een verdachte in een strafrechtelijk onderzoek. Het kabinet heeft hierover gecommuniceerd aan uw Kamer op 29 augustus 2025.5
Beschikt de politie over voldoende bevoegdheden om online handel in drugs en wapens via sociale media effectief op te sporen en aan te pakken?
De huidige wetgeving biedt een basis voor de aanpak van online handel in illegale middelen zoals drugs en wapens, maar kent uitdagingen die effectieve bestrijding moeilijk maken.
Politie, justitie en toezichthouders beschikken over een breed juridisch instrumentarium als het gaat om het tegengaan van illegale content op online platforms en opsporing van offline drugshandel. Wel ziet de Minister van Justitie en Veiligheid ernstige belemmeringen bij de handhaving van illegale content op de meest gebruikte berichtendiensten. De belangrijkste knelpunten liggen in het gebruik van versleutelde platforms en interpersoonlijke berichtendiensten (zie ook het antwoord op vraag 4), de complexe logistiek van post- en pakketzendingen en de schaarste aan capaciteit bij opsporingsdiensten en toezichthouders.
Daarom zijn wetgeving en de daaruit voortvloeiende bevoegdheden alleen niet voldoende effectief. Om de aanpak te versterken, zet het kabinet dus in op het intensiveren van samenwerking tussen toezichthouders, opsporingsdiensten en private partijen. Daarnaast onderzoekt het kabinet de mogelijkheden voor aanvullende wet- en regelgeving om de handhavingsmogelijkheden te versterken.
Bent u van mening dat Snapchat voldoende maatregelen neemt om minderjarigen te beschermen tegen de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten?
De berichtgeving over de verkoop van drugs, wapens en andere illegale producten via Snapchat vind ik zeer zorgelijk. Ik beschik echter over onvoldoende informatie om te beoordelen of Snapchat voldoet aan haar verplichting om minderjarigen doeltreffend te beschermen. Het vergaren van die informatie en het oordelen daarover is aan de Europese Commissie en de ACM, als toezichthouders op de DSA. Het onderzoek naar Snapchat loopt nog. Op de uitkomst daarvan kan ik niet vooruitlopen.
De Europese Commissie onderzoekt of Snap Inc. minderjarige gebruikers voldoende beschermt tegen onder meer de verkoop van illegale goederen. Welke rol speelt Nederland in dit Europese onderzoek?
De Autoriteit Consument & Markt (ACM) maakt deel uit van het onderzoeksteam dat door de Europese Commissie wordt geleid.6 De ACM is de digitaledienstencoördinator en voornaamste toezichthouder op de DSA in Nederland. De betrokkenheid van de ACM vloeit voort uit het feit dat Snapchat in Nederland haar wettelijke vertegenwoordiger heeft aangewezen voor de DSA.
Snapchat stelt in reactie op het onderzoek dat illegale activiteiten verboden zijn en dat het in 2025 miljoenen drugsgerelateerde berichten heeft verwijderd en honderdduizenden accounts heeft geblokkeerd. Welke eisen worden op dit moment gesteld aan de controleerbaarheid van deze cijfers door toezichthouders?
Op grond van artikel 15 van de DSA zijn tussenhandeldiensten verplicht om ten minste jaarlijks transparantierapportages te publiceren over inhoudsmoderatie die zij toepassen, waaronder informatie over verwijderde inhoud en accounts.7 Ook moeten zij desgevraagd informatie verstrekken aan de bevoegde toezichthouders. Bij de uitvoering van hun taken en de uitoefening van hun bevoegdheden op grond van de DSA handelen de toezichthouders volledig onafhankelijk. Ik heb dus geen zicht op eventuele eisen die zij stellen aan de controleerbaarheid van de door Snapchat verstrekte cijfers. Het spreekt echter voor zich dat de door Snapchat verstrekte informatie wel juist en controleerbaar moet zijn.
Welke maatregelen gaat u nemen naar aanleiding van de bevindingen van Pointer?
Het is aan de Europese Commissie en de ACM, als bevoegde toezichthouders op grond van de DSA, om te beoordelen of Snapchat haar verplichtingen naleeft en zo nodig handhavend op te treden. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 8, zijn de toezichthouders hierin volledig onafhankelijk. Op grond van de DSA blijven zij vrij van enige directe dan wel indirecte invloed en vragen of aanvaarden zij geen instructies van enige overheidsinstantie of particulier. Wel heb ik recent gesproken met Snapchat, waarbij ook deze casus ter sprake is gekomen. In dat gesprek heb ik het belang van de bescherming van minderjarigen benadrukt.
Welke mogelijkheden ziet u om sociale mediaplatforms sneller te verplichten om accounts die betrokken zijn bij drugshandel of wapenhandel te verwijderen?
Online platforms zijn verplicht om meldingen van illegale inhoud of accounts op tijdige, zorgvuldige, niet-willekeurige en objectieve wijze te verwerken op grond van de in de beantwoording van vraag 4 genoemde kennisgevings- en actiemechanismen. Dit kan betekenen dat zij gerapporteerde accounts schorsen of beëindigen. Een dergelijke schorsing is op grond van artikel 23 van de DSA ook verplicht in het geval van gebruikers die frequent illegale inhoud verstrekken. Meldingen van zogenaamde betrouwbare flaggers moeten met prioriteit worden afgehandeld.
Bent u bereid de Kamer te informeren over de bredere aanpak van illegale handel via sociale media?
De Minister van Justitie en Veiligheid houdt de Kamer periodiek op de hoogte over de aanpak van illegale content zoals drugshandel. Verdere operationele informatie over de specifieke aanpak kan niet gedeeld worden.
Georganiseerd seksueel geweld |
|
Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Politie legt schokkend netwerk bloot in Nederland: vrouwen door hun partner bedwelmd, verkracht en gefilmd»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het feit dat er in deze gevallen sprake is van samenwerking tussen meerdere verdachten die het beeldmateriaal binnen digitale netwerken met elkaar deelden, tips uitdelen en elkaar aanmoedigen, er sprake is van georganiseerd seksueel geweld?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni 2026 heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Is er voldoende kennis over het fenomeen georganiseerd seksueel geweld en hoe andere landen dit fenomeen bestrijden?
De Nederlandse opsporingsdiensten werken, onder andere in EPMACT2-verband en in de Virtual Global Taskforce,3 nauw samen met een groot aantal buitenlandse opsprongsdiensten. In deze gremia wordt kennis en informatie over seksueel geweld gedeeld en besproken, in het bijzonder wanneer er aanwijzingen zijn die wijzen op stelselmatigheid of een georganiseerd verband.
Daarnaast werkt de politie in de aanpak van (online) seksuele misdrijven intensief samen met ketenpartners binnen het strafrecht en de hulpverlening. Met name tussen de specialistische teams binnen de politie (Teams Bestrijding Kinderpornografie en Kindersekstoerisme, Teams opsporing seksuele misdrijven en Teams Migratiecriminaliteit en Mensenhandel), en specifieke experts bij de ketenorganisaties vindt nauwe samenwerking en kennisdeling plaats. Ook hier geldt dat als er signalen zijn van stelselmatigheid, dit zal opvallen en aanleiding zal vormen voor nader onderzoek.
Zoals aangegeven in de beleidsbrief JenV, wil dit kabinet vanuit de envelop nationale veiligheid bestemd voor politie, een impuls geven aan de aanpak van online seksuele misdrijven.4 Ik zal uw Kamer in de JenV-ontwerpbegroting informeren over de nadere invulling van de middelen.
De politie is belast met de (digitale) opsporing. Het OM beoordeelt de uitkomsten daarvan aan de hand van het geldende juridisch kader. Bij het OM werken collega’s die gespecialiseerd zijn in seksuele misdrijven en collega’s die specifieke expertise hebben op gedigitaliseerde criminaliteit. Deze portefeuilles werken nauw met elkaar samen. De digitale ontwikkelingen en modus operandi op dit terrein gaan snel. Er wordt geïnvesteerd om deze dynamiek bij te benen.
Deelt u de mening dat georganiseerd seksueel geweld een andere aanpak behoeft dan individuele zedenzaken?
Ja, verschillende typen zaken vragen een andere benadering. Grootschalige zaken van seksueel geweld met een online component vragen bijvoorbeeld een andere manier van opsporen dan individuele zaken van fysiek seksueel geweld, omdat de opsporing ervan per definitie regio-overstijgend is, er veelal (aanvankelijk) geen verdachten bekend zijn en er meerdere slachtoffers worden gemaakt. Omdat bewijsvergaring vaker plaatsvindt in de digitale context vraagt dit bovendien om andere specialisten, zoals digitaal specialisten, tactisch rechercheurs en analisten.
Bij zowel individuele zedenzaken als grootschalige zedenzaken geldt dat het van groot belang is dat er sprake is van coördinatie en samenwerking met ketenpartners binnen het strafrecht, en met het zorg- en veiligheidsdomein (bijvoorbeeld Centrum Seksueel Geweld, Slachtofferhulp NL, reclassering), zodat de juiste hulp en ondersteuning kan worden geboden aan slachtoffers.
Bent u bereid met spoed te onderzoeken hoe georganiseerd seksueel geweld als zelfstandige categorie kan worden erkend en aangepakt?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u het ermee eens dat de verantwoordelijkheid nog te veel op de schouders van slachtoffers ligt wanneer digitale bedrijven pas in actie komen na melding van het slachtoffer? Hoort deze verantwoordelijkheid niet bij de bedrijven zelf te liggen?
Het kabinet is van mening dat online platforms en techbedrijven een belangrijke verantwoordelijkheid dragen bij het tegengaan van online seksueel misbruik.
De verantwoordelijkheid van tussenhandeldiensten, waaronder online platforms, is in de Europese Unie geharmoniseerd geregeld in de Digital Services Act (DSA). De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waaraan deze diensten moeten voldoen. Op grond van de DSA zijn tussenhandeldiensten in beginsel niet aansprakelijk voor de informatie die gebruikers via hun diensten verspreiden. Dat zijn de gebruikers zelf.
Echter, de DSA bepaalt ook dat hostingdiensten en online platforms het mogelijk moeten maken om illegale inhoud bij hen te melden. Wanneer ze een dergelijke melding ontvangen dan worden zij geacht om prompt actie te ondernemen en ingeval er sprake is van illegale inhoud om die inhoud te verwijderen of ontoegankelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen zij zich niet beroepen op de aansprakelijkheidsvrijstelling. De DSA bevat verschillende andere zorgvuldigheidsverplichtingen die beogen illegale inhoud tegen te gaan, zoals de verplichting om gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, te schorsen.
Mijn ministerie zet zich in om de bestaande mogelijkheden onder de DSA te benutten zodat slachtoffers zo goed mogelijk worden geholpen. Zo ondersteunt mijn ministerie stichting Offlimits en Meld Online Discriminatie, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) op basis van de DSA zijn aangewezen als «betrouwbare flaggers». Hun meldingen moeten door hostingdiensten en online platforms met prioriteit worden behandeld.
De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende verplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Bent u bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk waarin platformen verantwoordelijk worden gehouden voor het niet bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal? Welke lessen kan Nederland leren uit deze Online Safety Act?
Ja, ik ben bekend met de Online Safety Act uit het Verenigd Koninkrijk. De Online Safety Act 2023 verplicht alle bedrijven die onder de wet vallen, waaronder sociale-mediaplatforms, om snel en doeltreffend op te treden tegen strafbaar online misbruik. De wet legt alle technologieplatforms een wettelijke verplichting op om proactief de meest schadelijke illegale inhoud aan te pakken. Hieronder valt ook misbruik met intieme afbeeldingen.
Op grond van de wet moeten gebruikers- en zoekdiensten die onder de reikwijdte van de wet vallen de risico's van illegale inhoud op hun platforms beoordelen en passende systemen en processen invoeren om te voorkomen dat gebruikers met illegale inhoud worden geconfronteerd. Daarnaast moeten zij de tijd dat dergelijke inhoud online beschikbaar blijft tot een minimum beperken en deze snel verwijderen zodra zij hiervan op de hoogte zijn. Dit geldt ook voor misbruik met intieme afbeeldingen, dat binnen dit wettelijke kader is aangemerkt als een prioritaire vorm van «illegale schade».
«Ofcom», als onafhankelijke toezichthouder in het Verenigd Koninkrijk, heeft wettelijke gedragscodes (Codes of Practice) gepubliceerd waarin wordt uiteengezet welke maatregelen aanbieders kunnen nemen om aan deze verplichtingen te voldoen. Er bestaan handhavingsmechanismen om naleving af te dwingen. Wanneer bedrijven hun verplichtingen niet nakomen, beschikt Ofcom over handhavingsbevoegdheden, waaronder het opleggen van boetes tot 18 miljoen Britse pond of 10% van de in aanmerking komende wereldwijde omzet, afhankelijk van welk bedrag hoger is. In de ernstigste gevallen kan Ofcom de rechter verzoeken maatregelen te nemen om de toegang tot niet-conforme diensten in het Verenigd Koninkrijk te blokkeren. Onder bepaalde omstandigheden kan Ofcom bovendien strafrechtelijke vervolging instellen tegen leidinggevenden.
Daarnaast voert de regering van het Verenigd Koninkrijk via de Crime and Policing Act een nieuwe verplichting in voor technologieplatforms om intieme afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld zo snel mogelijk te verwijderen, en in ieder geval binnen 48 uur na een geldige melding van een gebruiker. Ook hierbij geldt dat bedrijven die niet aan deze verplichting voldoen, boetes kunnen krijgen tot 10% van hun wereldwijde omzet of, in de ernstigste gevallen, dat hun dienst in het Verenigd Koninkrijk kan worden geblokkeerd.
Het is van belang om de Britse ervaringen zorgvuldig te volgen en te evalueren. Binnen de Europese Unie geldt het kader van de Digital Services Act (DSA), dat grote online platforms eveneens verplicht om risico's op illegale content te beperken en daartegen op te treden. Nederland zet zich in voor een effectieve uitvoering en handhaving van deze regels.
Klopt het dat in het Verenigd Koninkrijk het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap waarin strafbare dingen gebeuren, strafbaar is gesteld?
Nee, uit navraag bij collega’s van het Britse Ministerie van Binnenlandse Zaken blijkt dat het deelnemen aan een besloten digitale gemeenschap op zichzelf niet strafbaar is onder het Britse recht. Strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaat op basis van concrete strafbare gedragingen die binnen zo'n digitale gemeenschap worden verricht, en niet door het enkele lidmaatschap of passieve deelname.
Zo is het zonder toestemming delen van intieme afbeeldingen, waaronder gemanipuleerde of deepfake afbeeldingen, strafbaar. Daarnaast bestaan – net als in Nederland – strafbepalingen die zien op het opzettelijk vervaardigen of laten vervaardigen van een intieme afbeelding van een ander zonder diens toestemming. Ook kan strafrechtelijke aansprakelijkheid ontstaan wanneer iemand strafbare activiteiten binnen dergelijke groepen faciliteert of bevordert, bijvoorbeeld door een actieve rol te spelen bij het mogelijk maken van het delen of verspreiden van illegale content. Dit kan zich voordoen wanneer beheerders of moderatoren, terwijl zij op de hoogte zijn van strafbare activiteiten, handelingen verrichten die deze activiteiten ondersteunen of stimuleren, of wanneer personen zelf deelnemen aan de verspreiding van dergelijk materiaal.
Daarnaast kunnen algemene strafrechtelijke bepalingen, zoals medeplichtigheid, deelneming aan een samenspanning of strafbare feiten met betrekking tot de verspreiding van illegale content, van toepassing zijn. Welke bepalingen gelden, hangt af van de rol, kennis en intentie van de betrokkene.
Tot slot heeft de Britse regering aangegeven de operationele aanpak van deze risico's verder te versterken. Daarbij wordt onder meer ingezet op gespecialiseerde undercoverteams die online opereren, beschikken over technische expertise om ernstige daders op te sporen en kunnen infiltreren in online omgevingen waar dergelijke strafbare feiten plaatsvinden.
Ook de Nederlandse politie werkt, onder meer in EMPACT-verband, mee aan internationale undercoveroperaties, met gekwalificeerde medewerkers. Op deze manier wordt kennis en expertise van de Nederlandse opsporing vergroot en levert de politie een waardevolle bijdrage in internationale opsporingsonderzoeken.
Bent u bereid te onderzoeken of een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld bij kan dragen aan een betere strafrechtelijke aanpak van facilitatoren en passieve deelnemers door bijvoorbeeld het strafbaarstellen van enkel het deelnemen aan dit soort onlinegroepen?
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden vind ik een zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld niet nodig of wenselijk. Zo zijn in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting. Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr). Verder is het vervaardigen, openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van seksueel misbruik – zoals beeldmateriaal van een aanranding of verkrachting – afzonderlijk strafbaar gesteld (artikel 254ba, eerste lid, Sr). Tot slot is deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft om seksuele misdrijven te plegen, strafbaar op grond van artikel 140 Sr.
Het enkel passief deelnemen aan een online groep zal in de regel niet voldoende zijn voor strafbaarheid. Dat acht ik, hoe verwerpelijk het bestaan van deze groepen ook is, ook niet wenselijk. Voor strafbaarheid zal steeds enige actieve betrokkenheid bij een concreet strafbaar feit vereist zijn.
Wat is de stand van zaken van het wetstraject inzake de bevoegdheid voor de politie om in besloten digitale groepen te kijken?
Op dit moment wordt gewerkt aan een wettelijke grondslag voor informatievergaring door de politie uit publiek toegankelijke bronnen voor het voorkomen of beëindigen van ernstige openbare-ordeverstoringen. De politie mag dan, binnen bepaalde waarborgen, ook gegevens vergaren als daarmee een meer dan beperkte inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Een wetsvoorstel met die strekking ligt momenteel ter advisering voor bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Dat wetsvoorstel ziet op het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen. Ondertussen wordt een tweede tranche van het wetsvoorstel, voor toegang tot besloten groepen, voorbereid. Het streven is om dat wetsvoorstel, dat de politie de bevoegdheid geeft om in besloten groepen te kijken, in de tweede helft van 2026 in consultatie te geven.
Bent u bereid in dit wetstraject ook mee te nemen welke bevoegdheden de politie nodig heeft om in besloten digitale groepen te kijken om georganiseerd seksueel geweld tegen te kunnen gaan?
Het wetsvoorstel ziet op informatievergaring ten behoeve van openbare-ordehandhaving. Om georganiseerd seksueel geweld te bestrijden is het inzetten van strafvorderlijke bevoegdheden passender dan de bevoegdheden gericht op het aanpakken van verstoringen van de openbare orde.
Wanneer sprake is van een concrete verdenking van een misdrijf (zoals een seksueel misdrijf), beschikken opsporingsinstanties reeds over verschillende bevoegdheden die digitale observatie in besloten digitale groepen mogelijk maken.
De politie beschikt op grond van artikel 3 Politiewet 2012 over de bevoegdheid voor kortdurende, niet-stelselmatige observaties. In geval van een concrete verdenking van een misdrijf, kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie.
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat meerdere mannen worden verdacht van het drogeren, verkrachten en filmen van vrouwen, waarbij beelden en informatie zouden zijn gedeeld binnen besloten online groepen?1
Ja.
Deelt u de zorg dat in het geval van samenwerking tussen verdachten, het uitwisselen van kennis over het drogeren van vrouwen en het delen van beeldmateriaal kenmerken vertoont van een georganiseerd patroon van seksueel geweld in plaats van uitsluitend individueel gepleegde zedendelicten? Zo nee, waarom niet?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze zaak. Zoals ik tijdens het mondelinge vragenuur van 9 juni jl. heb aangegeven waren er acht verdachten in beeld waarvan er vier toen zijn aangehouden. Inmiddels zitten deze vier verdachten niet meer vast, maar zij blijven wel verdachten. Het strafrechtelijk onderzoek is nog in volle gang. Wanneer er gewichtige ontwikkelingen zijn in het strafrechtelijk onderzoek en het onderzoeksbelang zich hiertegen niet verzet zal ik uw Kamer, in lijn met mijn toezegging op 9 juni jl. om uw Kamer te informeren over de voortgang van deze zaak, hierover informeren.
Wanneer meerdere verdachten samenwerken, beeldmateriaal delen, elkaar tips geven en elkaar aanmoedigen bij het plegen van seksueel geweld, kan sprake zijn van georganiseerd seksueel geweld (zie ook het antwoord op vraag 5). Als het zo zou zijn dat er netwerken zijn waarbinnen vrouwen worden gedrogeerd en daarna worden verkracht is dat bijzonder schokkend. Als hiervan vervolgens ook beeldmateriaal zou worden gedeeld met anderen is dat natuurlijk extra kwalijk. Dit onderstreept het belang van grondig onderzoek naar de rol van alle betrokkenen bij strafbare feiten en van een effectieve strafrechtelijke aanpak daarvan.
Kent u meer berichten met betrekking tot gelijkaardige verdenkingen? Zo ja, welke zijn dat?
De politie is in algemene zin bekend met dit fenomeen waarbij in digitale groepen kennis wordt gedeeld over het drogeren van vrouwen om hen seksueel te misbruiken.
Eventuele meldingen of signalen over het drogeren van slachtoffers om hen seksueel te misbruiken en het filmen daarvan, worden door de politie en het Openbaar Ministerie zorgvuldig beoordeeld en, waar aangewezen, onderzocht. Zolang een strafrechtelijk onderzoek loopt kan de politie hierover geen mededelingen doen.
Beschikt u over informatie betreffende slachtoffers van georganiseerd seksueel geweld? Zo ja, waaruit bestaat die informatie? Hoe worden deze slachtoffers geholpen, bijvoorbeeld via Slachtofferhulp Nederland? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
De politie geeft aan meldingen te hebben ontvangen van slachtoffers die vermoeden dat zij zijn gedrogeerd en seksueel misbruikt door hun partner. Het onderzoek naar de in het artikel genoemde casus loopt, waarbij ook nadrukkelijk wordt onderzocht of verdachten gezamenlijk strafbare feiten hebben gepleegd. In het algemeen geldt dat wanneer de opsporingsdiensten een stelselmatigheid ontdekken of herkennen, dit altijd prioriteit krijgt bij de inzet van de opsporingscapaciteit. Dit is in lijn met het uitgangspunt dat de opsporingscapaciteit wordt ingezet daar waar een zo groot mogelijk maatschappelijk effect kan worden bereikt.
Voor slachtoffers en hun naasten geldt dat zij voor hulp en ondersteuning terecht kunnen bij verschillende organisaties. De medewerkers van Slachtofferhulp Nederland geven kosteloos emotionele steun en juridisch advies. Voor aanvullende ondersteuning kan Slachtofferhulp Nederland doorverwijzen naar gespecialiseerde organisaties. Zo heeft het Centrum Seksueel Geweld een speciale pagina met informatie over seksueel misbruik en wat slachtoffers kunnen doen als het hen overkomt. Offlimits helpt met het laten verwijderen van online illegaal materiaal en biedt hulp, advies en preventie op het gebied van online grensoverschrijdend gedrag en online seksueel misbruik.
Acht u het wenselijk om onderzoek te laten doen naar het fenomeen van georganiseerd seksueel geweld en daarbij te bezien of het als afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk moet worden erkend? Zo ja, op welke wijze en termijn gaat u hier voor zorgen? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik zal conform mijn toezegging tijdens het Mondelinge Vragenuur van 9 juni jl., samen met de politie en het Openbaar Ministerie verkennen of georganiseerd seksueel misbruik een afzonderlijk beleids- en opsporingsvraagstuk vergt. Daarbij wordt bezien of de aard, omvang en kenmerken van deze problematiek aanleiding geven om deze als een zelfstandige categorie binnen beleid en opsporing te benaderen en welke eventuele vervolgstappen daarbij passend zijn. De Kamer wordt over de uitkomsten van deze verkenning geïnformeerd in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven voorafgaand het commissiedebat Zeden en (on)veiligheid van vrouwen op 9 december 2026.
Bent u van oordeel dat de huidige strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen voor het in georganiseerd verband plegen van seksuele misdrijven afdoende is om vroegtijdig in te kunnen grijpen ter voorkoming van ernstige zedenmisdrijven? Zo ja, aan welke voorbereidingshandelingen denkt u? Zo nee, waarom niet en hoe kunnen deze voorbereidingshandelingen wel strafbaar worden gesteld?
Op grond van artikel 46 Sr zijn bepaalde handelingen strafbaar als deze worden gepleegd ter voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Dit geldt ook in geval van ernstige seksuele misdrijven zoals (gekwalificeerde) opzetverkrachting (artikel 243 Sr). Strafbare voorbereidingshandelingen zijn onder meer het opzettelijk verwerven of voorhanden hebben van voorwerpen, stoffen of ruimten die zijn bestemd voor het begaan van een dergelijk misdrijf. In het geval van een drogeerverkrachting kan het aanschaffen van de middelen die worden gebruikt om het slachtoffer te drogeren bijvoorbeeld een strafbare voorbereidingshandeling zijn.
Daarbij is van belang dat er naast de genoemde strafbare voorbereiding meer strafbaarstellingen zijn op basis waarvan vroegtijdig strafrechtelijk kan worden ingegrepen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van seksuele misdrijven (artikel 140 Sr); in dat geval is voor strafbaarheid niet vereist dat al een aanvang is gemaakt met het plegen van die misdrijven. Ook de enkele poging een ander uit te lokken om een seksueel misdrijf te begaan is zelfstandig strafbaar (artikel 46a Sr).
Bent u bereid te onderzoeken of, naar analogie van artikel 141a van het Wetboek van Strafrecht inzake medeplichtigheid tot geweldpleging, aanvullende wettelijke mogelijkheden nodig zijn om opsporing van georganiseerd seksueel geweld in een vroeg stadium mogelijk te maken? Zo nee, waarom niet?
De zelfstandige strafbaarstelling van georganiseerd seksueel geweld vind ik niet nodig of wenselijk. In aanvulling op het antwoord op vraag 6 hierboven wijs ik erop dat in Titel XIV van het Wetboek van Strafrecht verschillende seksuele misdrijven zijn opgenomen die bij seksueel geweld dat in georganiseerd verband wordt begaan van toepassing kunnen zijn, zoals vormen van aanranding en verkrachting, en de voorbereiding van, poging tot en deelneming aan die misdrijven.
Daarbij is van belang dat niet alleen degenen die fysiek betrokken zijn bij de seksuele handelingen die worden verricht, strafbaar kunnen zijn wegens betrokkenheid bij seksuele misdrijven. Dit kunnen bijvoorbeeld ook personen zijn die op afstand seksuele handelingen aansturen die een slachtoffer aan het eigen lichaam verricht of die een derde bij het slachtoffer verricht. Als dergelijke misdrijven door twee of meer verenigde personen worden gepleegd wordt het toepasselijke gevangenisstrafmaximum met drie jaar verhoogd (artikel 254, eerste lid, onder b, Sr). Ook zijn als medeplichtigen strafbaar degenen die behulpzaam zijn bij het plegen van een seksueel misdrijf of daartoe opzettelijk gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaffen (artikel 48 Sr). Degenen die het feit door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen opzettelijk uitlokken of daartoe een poging doen, zijn – zoals hiervoor al aan de orde kwam – eveneens strafbaar (artikelen 47, eerste lid, onderdeel 2°, en 46a Sr).
Gelet op de bestaande strafbaarstellingen en strafverzwaringsgronden meen ik dat het huidige strafrechtelijk instrumentarium volstaat om ook in een vroegtijdig stadium krachtig op te treden tegen strafbaar handelen dat is gericht op seksueel misbruik.
Acht u de wettelijke bevoegdheden op grond waarvan de politie kan infiltreren in besloten online groepen waarin seksueel geweld wordt voorbereid, verheerlijkt, gefaciliteerd of gepleegd afdoende? Zo ja, waarom en hoe vaak maakt de politie in het verband van dergelijke online groepen gebruik van deze bevoegdheid? Zo nee, waarom niet? En indien niet, bent u van plan dat op korte termijn op te lossen zodat dit opsporingsmiddel hier wel kan worden ingezet?
In geval van een concrete verdenking van een misdrijf (waaronder een seksueel misdrijf), kan de officier van justitie op grond van de artikelen 126g en 126j Sv bevelen tot stelselmatige observatie of het stelselmatig inwinnen van informatie, ook in besloten digitale groepen. Inzet van deze bevoegdheden vindt alleen plaats wanneer dat noodzakelijk en proportioneel is, onder gezag van het Openbaar Ministerie en met inachtneming van de wettelijke waarborgen en rechterlijke toetsing waar vereist.
Over de frequentie van de toepassing van deze bevoegdheden kunnen geen gedetailleerde cijfers worden gedeeld. Deze inzet wordt selectief toegepast en cijfers daarover worden niet afzonderlijk en centraal openbaar gemaakt, mede vanwege het opsporingsbelang.
In hoeverre worden online platforms, hostingdiensten en beheerders van digitale gemeenschappen momenteel verantwoordelijk gehouden voor het signaleren, verwijderen en melden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en beelden van seksueel misbruik? Hoe verhoudt die verantwoordelijkheid zich tot de Online Safety Act in het Verenigd Koninkrijk?
De doelen van de DSA en de Online Safety Act zijn vergelijkbaar in het bevorderen van een veilige online omgeving door online aanbieders verplichtingen op te leggen die onder meer zien op effectieve moderatie en risicobeheersing. Verschillen zijn er ook, zoals in de benadering van de risicosturing en het toezichtsmodel.
De Digital Services Act (DSA) bevat enerzijds een kader voor de aansprakelijkheid van aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder hostingdiensten en online platforms, en anderzijds een aantal zorgvuldigheidsverplichtingen waar deze diensten aan moeten voldoen. Hostingdiensten en online platforms dienen illegale online content te verwijderen of ontoegankelijk te maken zodra zij hier kennis van hebben. Doen zij dat niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten, en riskeren zij zelf aansprakelijkheid. Kennis kan onder meer ontstaan door de ontvangst van een melding van illegale online content. Daarnaast legt de DSA aan tussenhandeldiensten zorgvuldigheidsverplichtingen op, zoals het inrichten van kennisgevings- en actiemechanismen, zodat het melden van illegale online content voor iedereen eenvoudig en toegankelijk is. De DSA betreft maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten.
Er kan sprake zijn van illegale online content in de zin van de DSA indien op het beeldmateriaal seksuele gedragingen van personen zichtbaar zijn die zelf geen toestemming hebben gegeven om die opnamen te maken dan wel te verspreiden (artikel 254ba Sr).
De Online Safety Act 2023 stelt een uitgebreid wettelijk kader vast voor online gebruikersdiensten (zoals sociale mediaplatforms en onlinefora) en zoekdiensten. Op grond van deze wet rusten op deze diensten duidelijke wettelijke verplichtingen om illegale content, waaronder het zonder toestemming verspreiden van intieme afbeeldingen, tegen te gaan.
Op basis van de wet moeten deze diensten proportionele systemen en processen inrichten om de risico's op illegale content, waaronder misbruik van intieme afbeeldingen zonder toestemming, te identificeren, te beperken en te beheersen. Dit omvat onder meer de verplichting om risicoanalyses uit te voeren, effectieve systemen voor contentmoderatie te implementeren en toegankelijke meld- en klachtenprocedures voor gebruikers in te richten. Platforms moeten daarnaast maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers met illegale content worden geconfronteerd en dergelijke content, zodra zij daarvan kennis hebben, snel verwijderen.
Deze verplichtingen gelden voor de volledige werking van een dienst. In de praktijk betekent dit onder meer dat effectieve moderatie- en meldsystemen aanwezig moeten zijn voor de verschillende functies, onderdelen en gebruikersgemeenschappen van een platform. De wet is nadrukkelijk gebaseerd op een stelsel van systemen en processen. Van aanbieders wordt verwacht dat zij risico's op een integrale en proportionele wijze aanpakken, en niet uitsluitend reageren door afzonderlijke uitingen van illegale content achteraf te verwijderen.
Voor zoekdiensten gelden vergelijkbare verplichtingen. Zij moeten proportionele maatregelen treffen om te voorkomen dat gebruikers via zoekresultaten worden blootgesteld aan illegale content. Dit omvat onder meer het inrichten van systemen om dergelijke content in zoekindexen te identificeren en de kans te verkleinen dat gebruikers daarmee worden geconfronteerd, mede naar aanleiding van meldingen van gebruikers.
De Online Safety Act legt geen directe verplichtingen op aan hostingdiensten van derden of andere aanbieders van internetinfrastructuur. De wet kent de Britse toezichthouder «Ofcom» echter ruime handhavingsbevoegdheden toe wanneer gereguleerde platforms of zoekdiensten hun wettelijke verplichtingen niet nakomen. Zo kan Ofcom gebruikmaken van zogenoemde Business Disruption Measures door de rechter te verzoeken derden, zoals hostingdiensten, betalingsverwerkers of internetaanbieders, te verplichten hun dienstverlening aan een niet-conform platform te beëindigen of de toegang daartoe te beperken.
Samengevat legt de Online Safety Act 2023 de primaire verantwoordelijkheid bij gebruikersdiensten en zoekdiensten om de verspreiding van seksueel getinte afbeeldingen die zonder toestemming zijn gedeeld, te identificeren, te verwijderen en te beperken door middel van robuuste en proportionele systemen en processen. Hoewel hostingdiensten en andere aanbieders van internetinfrastructuur niet rechtstreeks aan deze verplichtingen zijn gebonden, kunnen zij via de handhavingsbevoegdheden van Ofcom indirect worden betrokken wanneer dat noodzakelijk is om naleving van de wet af te dwingen.
Acht u het wenselijk dat er aanvullende maatregelen komen om platforms verantwoordelijk te houden voor het proactief bestrijden van niet-consensueel seksueel beeldmateriaal en andere vormen van online seksueel misbruik? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u? Zo nee, waarom niet en waaruit blijkt dat de bestaande maatregelen afdoende zijn?
Op dit moment kan aan aanbieders van tussenhandeldiensten gelet op artikel 8 DSA geen algemene verplichting worden opgelegd tot monitoring van de door hen doorgegeven of opgeslagen informatie, noch tot actief onderzoek naar feiten of omstandigheden die duiden op illegale activiteiten. De DSA voorziet in maximumharmonisatie. Dit betekent dat er geen ruimte voor de lidstaten is om binnen het toepassingsgebied van de DSA aanvullende nationale eisen te stellen of in stand te houden, zoals het opleggen van aanvullende verplichtingen aan tussenhandeldiensten. Voor het einde van 2027 zal de DSA door de Europese Commissie worden geëvalueerd. Dit biedt een belangrijke mogelijkheid om te bezien of aanvullende zorgvuldigheidsverplichtingen voor tussenhandeldiensten nodig en wenselijk zijn. De evaluatie resulteert niet automatisch in een herziening van de DSA. De Staatssecretaris Digitale Economie en Soevereiniteit coördineert de Nederlandse inbreng op de evaluatie en zal in dit kader tijdig in gesprek gaan met betrokken ministeries, toezichthouders en stakeholders om input op te halen en de Nederlandse inzet in Europa te bepalen.
Het kabinet acht het van groot belang dat aanbieders van diensten effectief optreden tegen de verspreiding van strafbaar materiaal. Nederland zet zich daarom in Europees verband in voor een juridisch kader waarmee aanbieders, binnen de grenzen van de grondrechten en met passende waarborgen, maatregelen treffen om de verspreiding van dit materiaal op hun diensten te voorkomen, op te sporen en te verwijderen.
Acht u het wenselijk om het bezit, bekijken of verspreiden van beelden waarin personen worden verkracht strafbaar te stellen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet en hoe kan deze praktijk dan via het bestaande strafrecht wel worden aangepakt?
Op grond van artikel 254ba Sr is het opzettelijk en wederrechtelijk vervaardigen van een visuele weergave van seksueel aard van een ander strafbaar. Hetzelfde geldt voor het beschikken over een dergelijke visuele weergave die zo is vervaardigd of het openbaar maken hiervan. In geval van een verkrachting mag worden verondersteld dat het slachtoffer niet instemt met het maken van het beeldmateriaal en dat dit materiaal daarom wederrechtelijk is. Als de betrokkene minderjarig is, is het maken en verspreiden van een visuele weergave van seksuele handelingen van diegene altijd strafbaar, zelfs als de minderjarige vrijwillig betrokken is bij seksuele handelingen (artikel 252 Sr).
In dit verband kan in sommige gevallen ook relevant zijn de strafbaarstelling van het openbaar maken en verspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers waarin het initiatiefvoorstel van de leden Straatman en Mutluer voorziet (Kamerstukken II 2022/23, 36 381, nr. 2). Ik volg de behandeling van dat wetsvoorstel door uw Kamer met interesse.
Het bericht ‘Politie vertelt waarom zo lang is gewacht met tonen video van schokkende aanval in Albert Heijn’ |
|
Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brute mishandeling van een 19-jarige jongen door Syrische terreurgroepen in de Albert Heijn Groningen op 21 januari 2026, waarbij circa tien mannen hem achtervolgden, tegen de grond werkten en bleven schoppen en slaan, ook nadat hij bewusteloos was?1
Ja.
Waarom heeft de politie de herkenbare beelden van de daders pas na een half jaar vrijgegeven via Opsporing Verzocht, terwijl twee verdachten al vroeg waren aangehouden en de overige daders maandenlang vrij rondliepen?
Deelt u de mening dat deze onacceptabele vertraging de daders de kans heeft gegeven om te vluchten of opnieuw geweld te plegen, en dat een directe publicatie van de beelden veel eerder tot arrestaties had geleid?
Waarom weigert de politie standaard bij geweld direct herkenbare beelden openbaar te maken, in plaats van de privacy van gewelddadige daders boven de veiligheid van burgers en winkelpersoneel te stellen?
Deelt u de mening dat beelden van geweldsincidenten onmiddellijk, het liefst dezelfde dag nog, vrijgegeven moeten worden?
Bent u bereid dit naar de politie te communiceren?
Wat gaat u doen tegen de groep Syriërs die al jaren Groningen en andere steden terroriseert?
Ik heb met afschuw kennisgenomen van deze mishandeling. Het veroorzaken van overlast en het plegen van strafbare feiten zijn onacceptabel. Voor het kabinet is het belangrijk dat het gevoel van veiligheid op straat blijft bestaan. Het is aan het bevoegd gezag om daarvoor zorg te dragen, en ik zet mij ten volle in om het daartoe in staat te stellen.
Bent u bereid om ongenadig hard op te treden tegen deze mensen, in plaats van de in het verleden opgelegde gebiedsverboden? Zo ja, waar laat u dat uit blijken?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat Syriërs in Syrië horen, helemaal nu, gezien het feit dat Syrië veilig is, en dat zij terug moeten naar hun eigen land in plaats van de veiligheid van Nederlanders te verzieken?
Tegen crimineel en overlast gevend gedrag moet altijd worden opgetreden, ongeacht de achtergrond van de daders.
Hoeveel Syriërs heeft u reeds begeleid naar de terugkeervliegtuigen in de eerste 100 dagen van dit kabinet?
De grootschalige handel in designerdrugs |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat Nederlandse bedrijven voor bijna twee miljard euro aan gevaarlijke designerdrugs uit India hebben geïmporteerd?1, 2
Ja, ik ben hiermee bekend.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van deze handel, waarbij circa 153.000 kilo aan middelen is ingevoerd en met zeer hoge winstmarges wordt doorverkocht?
Ik ben geschrokken van de omvang van de handel in designerdrugs zoals geschetst in het artikel. Deze handel is enorm en zeer kwalijk en ik veroordeel deze handel ten zeerste. Het is uitermate schokkend dat er partijen zijn die dit soort – mogelijk levensgevaarlijke Í middelen aanbieden voor eigen financieel gewin. Ik zet mij ten volle in om politie en justitie in staat te stellen dit te bestrijden. Een belangrijke maatregel in deze strijd is de invoering van lijst IA op 1 juli 2025, een verbod op een drietal stofgroepen die zijn afgeleid van middelen die op lijst I van de Opiumwet staan. Binnenkort wordt via een AMvB een vierde stofgroep, de nitazenen, toegevoegd aan lijst IA.
In het door de media genoemde onderzoek wordt voornamelijk gerefereerd aan handel in middelen gedurende de periode van vóór de invoering van dit stofgroepenverbod. Deze middelen vielen destijds nog niet onder de Opiumwet, waardoor politie en justitie toen nog niet konden ingrijpen. Sinds de invoering van het stofgroepenverbod (lijst IA bij de Opiumwet) per 1 juli 2025 kunnen zij dit wél en is het aanbod in designerdrugs via websites als Funcaps.nl sterk afgenomen. Dat aanbod betrof voornamelijk stoffen voor recreatief gebruik zoals varianten van partydrug 3-mmc. We zien nu helaas een verschuiving van het aanbod naar namaak geneesmiddelen zoals designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) of namaak pijnstillers. Deze middelen vallen niet onder de Opiumwet. Het is een grote uitdaging om dit aanbod effectief te bestrijden. Verkopers zoeken de randen van de wet op om hun verdienmodel in stand te houden.
De Minister van VWS en ik werken samen met de NVWA, IGJ, Politie en het OM aan een integrale aanpak om de online verkoop van (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs effectiever te bestrijden. In deze aanpak is aandacht voor wet- en regelgeving, maar ook voor bevoegdheden, capaciteit en (internationale) samenwerking. Uw Kamer is hierover recent geïnformeerd met de brief over (namaak) geneesmiddelen en (designer)drugs.3
Hoe beoordeelt u het morele aspect van deze handel, waarbij willens en wetens middelen worden verhandeld die in verband worden gebracht met verslaving, hersenschade en sterfte? Kunt u toezeggen dat u er van uw kant alles aan doet om politie en justitie in staat te stellen dit krachtig te bestrijden? Zo ja, wat bent u van plan om aanvullend te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de zorg dat de handel in designerdrugs mede wordt gefaciliteerd door het gebruik van bv-constructies die persoonlijke aansprakelijkheid afschermen, en welke mogelijkheden ziet u om natuurlijke personen achter deze constructies directer aansprakelijk te stellen en hun crimineel verkregen vermogen af te pakken?
Ik deel uw zorgen over de import van en handel in designerdrugs. Mede daarom is recent de Opiumwet aangescherpt, zodat meer middelen dan voorheen verboden zijn en verboden kunnen worden, en dat ook productie en handel daarin kan worden aangepakt. Het gebruik van bv-constructies voor legale handel, zoals de handel in deze middelen grotendeels was tot en met 1 juli 2025, is toegestaan.
Het overtreden van de Opiumwet en aanpalende wet- en regelgeving is een serieus misdrijf, waar het OM stevig tegen optreedt. In dit kader kunnen behalve natuurlijke personen ook rechtspersonen en hun bestuurders strafrechtelijk worden vervolgd. Dat kan leiden tot gevangenisstraffen, geldboetes en/of het ontnemen van vermogen.
Met de implementatie van de Europese Confiscatierichtlijn worden de mogelijkheden voor het afpakken van het crimineel verkregen vermogen verruimd. Zo kan vermogen straks ook worden afgepakt zonder strafrechtelijke veroordeling (NCBC-procedure4).
Zoals ook in het Dreigingsbeeld Ondermijning Nederland5 (DON) en in de Koersbrief6 beschreven is, worden legale infrastructuren misbruikt door criminelen om crimineel geld te verkrijgen, criminele activiteiten te verhullen of het criminele businessmodel te ondersteunen. Samen met verschillende partners, waaronder het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) kijken we naar systeemkwetsbaarheden in onze economie, en wordt er door EZK gewerkt aan een (wets)voorstel om de (poortwachters)rol van de Kamer van Koophandel te versterken.
In hoeverre acht u het huidige instrumentarium toereikend om te voorkomen dat producenten via kleine chemische aanpassingen de Opiumwet blijven omzeilen? Kunt u reflecteren op de effectiviteit van het per 1 juli 2025 ingevoerde groepenverbod en in hoeverre dit het «kat-en-muisspel» daadwerkelijk heeft doorbroken?
Het (online) aanbod van nieuwe psychoactieve stoffen (NPS) is de afgelopen periode aanzienlijk versmald. Tientallen stoffen die voorheen legaal konden worden verhandeld, zijn inmiddels strafbaar gesteld en daarmee uit het aanbod verdwenen. Zoals reeds benoemd blijven verkopers echter creatief in het vinden van manieren om hun verdienmodel in stand te houden. Er is sinds de invoering van het stofgroepenverbod wel een toename zichtbaar in het aanbod van namaak geneesmiddelen zoals de designerbenzodiazepinen (namaak slaap- en kalmeringsmiddelen) en namaak-pijnstillers.
Het op 1 juli 2025 ingevoerde stofgroepenverbod wordt binnen drie jaar na de inwerkingtreding uitgebreid geëvalueerd. Bij die evaluatie worden zowel de effecten op de volksgezondheid als de effecten op de productie en handel in kaart gebracht.
Deelt u de zorg dat nog altijd risicovolle middelen buiten het bereik van het groepenverbod vallen? Welke aanvullende aanscherpingen zijn wat u betreft nodig, en bent u bereid hier met spoed werk van te maken?
Binnenkort treedt een AMvB in werking waarmee een extra stofgroep, de nitazenen, wordt toegevoegd aan lijst IA van de Opiumwet. Nitazenen zijn een stofgroep synthetische opioïden die zeer potent en dus gevaarlijk zijn.
Zoals in het antwoord op vraag 3 toegelicht, blijft er een aanbod van middelen dat buiten het stofgroepenverbod valt. Dat betreft voornamelijk varianten van geneesmiddelen die onder de Geneesmiddelenwet vallen (zoals een variant van Tramadol) en van geneesmiddelen die al onder lijst II van de Opiumwet vallen (varianten van slaap- en kalmeringsmiddelen, designer benzo’s). De Kamer is over de aanpak van illegale handel in (namaak)geneesmiddelen en (designer)drugs geïnformeerd met een Kamerbrief.
Hoe beoordeelt u het dat na het sluiten van 43 websites de handel grotendeels doorgaat via buitenlandse websites en besloten kanalen, en welke aanvullende maatregelen zijn nodig om dat een halt toe stoppen?
Vanwege het grensoverschrijdende karakter van het internet wordt de aanpak van criminaliteitsfenomenen, zoals de illegale handel in drugs, bemoeilijkt. Het sluiten van websites is een belangrijke maatregel voor de korte termijn, maar biedt voor de lange termijn geen structurele oplossing omdat eigenaren van dit soort websites op andere domeinextensies of besloten kanalen doorgaan. De focus van de aanpak moet zich toespitsen op het oprollen van de netwerken achter deze websites. Dat is tijdrovend en arbeidsintensief opsporingsonderzoek.
Voor zover websites kwalificeren als tussenhandeldiensten waarop gebruikers online content kunnen plaatsen, zoals online platforms en online marktplaatsen, blijft de Digitale Services Act (DSA) van toepassing. De DSA hanteert een brede definitie van «illegale inhoud». Daaronder vallen naast illegale producten, bijvoorbeeld ook diensten en activiteiten die in strijd zijn met het Unierecht of het recht van een lidstaat. Hieronder valt ook de handel in illegale drugs. Op grond van de DSA zijn hostingdiensten, waaronder online platforms en online marktplaatsen, gehouden illegale content te verwijderen zodra zij hier kennis van krijgen. Doen zij dit niet, dan kunnen zij geen beroep doen op de beperking van aansprakelijkheid die zij in beginsel genieten. Ook moeten online platforms gebruikers die frequent illegale inhoud plaatsen, schorsen. Online marktplaatsen moeten verder aan verschillende verplichtingen voldoen om ervoor te zorgen dat handelaren op hun platform traceerbaar zijn en dat zij hij het toepasselijke Unierecht naleven. Op de DSA wordt toezicht gehouden. De lidstaat van (Europese) vestiging bepaalt welke toezichthouder bevoegd is. Deze toezichthouders hebben evenwel niet de bevoegdheid om content offline te halen. Besloten kanalen en groepen vallen buiten de reikwijdte van de DSA. Er is sprake van beslotenheid als er effectief deurbeleid wordt gehanteerd.
Wanneer aangifte of melding wordt gedaan van strafbare online content, dan kunnen het Openbaar Ministerie en de politie een verwijderverzoek richten aan aanbieders van communicatiediensten om de betreffende online content offline te halen. Dit verzoek kan alleen worden gedaan als bekend is wie de aanbieder is van de content en waar die aanbieder is gevestigd, dat kan ook in het buitenland zijn. Soms komt het voor dat niet bekend is waar de illegale content precies staat. In die gevallen is het niet mogelijk een verwijderverzoek te doen. Indien een verwijderverzoek niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) (feiten waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een (dwingend) bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken om een strafbaar feit te beëindigen of nieuwe feiten te voorkomen. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijk van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten. Deze route leidt niet altijd tot het gewenste resultaat omdat niet met ieder land een rechtshulprelatie bestaat en het doen van dergelijke verzoeken vaak ook enige tijd vergt.
Het ontoegankelijk maken van online content en het gebruik van notice-and-actionmechanismen zijn belangrijke instrumenten, maar moeten worden gezien als onderdeel van een bredere aanpak. Omdat aanbieders kunnen uitwijken naar buitenlandse domeinen, besloten kanalen of nieuwe webshops, blijft het van belang om daarnaast in te zetten op strafrechtelijk onderzoek naar de aanbieders achter deze handel, financiële stromen, logistieke schakels en internationale aanvoerroutes.
Welke inzet pleegt u om deze handel internationaal, met name richting India, bij de bron aan te pakken? Wat gaan u en uw collega van Buitenlandse Zaken aanvullend doen om dit aan te pakken?
De internationale banden die zijn aangehaald bij de SYNDEC7 en de Commission on Narcotic Drugs van de VN worden actief gebruikt om het gesprek aan te gaan over de problematiek rondom de verkoop van designerdrugs. Hiermee wordt getracht een betere samenwerking te faciliteren tussen India en Nederland. Dit zal helpen met het in kaart brengen van de grootschalige legale en illegale aanvoerroutes van de chemische en farmaceutische industrie.
Deelt u de opvatting dat naast repressie ook een krachtige norm nodig is tegen drugsgebruik, en welke concrete maatregelen neemt u om het gebruik van designerdrugs actief te ontmoedigen, met name onder jongeren?
Ja, die opvatting deel ik. De sociale norm rondom een bepaalde gedraging is één van de belangrijkste voorspellers voor zo’n gedraging. Als we het gebruik van (designer-)drugs willen verminderen, is het van belang daarop in te zetten. De Minister van VWS en ik dragen deze norm vaak uit, in Kamerbrieven en debatten. Daarnaast werk ik met de Minister van VWS aan een voortzetting van de campagne die jongeren bewust moet maken van de negatieve gevolgen op de maatschappij en gezondheid van drugsgebruik. Hierover bent u door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport geïnformeerd via de recente Verzamelbrief ontwikkeling drugsbeleid.
Een ernstig datalek binnen de EBI |
|
Shanna Schilder (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van berichtgeving dat vertrouwelijke dossierinformatie van een gedetineerde met een zware risicostatus zichtbaar is geweest voor een andere gedetineerde binnen de Extra Beveiligde Inrichting (EBI)?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat juist binnen de zwaarst beveiligde inrichting van Nederland vertrouwelijke strafrechtelijke informatie kennelijk bij een andere gedetineerde terecht heeft kunnen komen?
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat tijdens het volgen van de procedure sprake is geweest van een menselijke fout. Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden. Dit moet echter te allen tijde worden voorkomen. DJI treft dan ook aanvullende maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen. Zo is een extra controlestap in de procedure aangebracht die ziet op het uitschakelen van de laptop. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Klopt het dat de voorgeschreven veiligheidsprocedures in dit geval niet zijn gevolgd? Zo ja, hoe heeft dit kunnen gebeuren?
Uit onderzoek is gebleken dat tijdens het volgen van deze procedure sprake is geweest van een menselijke fout. DJI treft maatregelen om de kans op herhaling te verkleinen.
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde.
Geeft dit incident aanleiding tot het herzien van de veiligheidsprocedures? Zo nee, waarom niet?
De resultaten van het onderzoek naar aanleiding van het incident geven aanleiding tot het treffen van maatregelen. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1, betreft dit een extra controlestap.
Kan worden uitgesloten dat vertrouwelijke informatie van andere gedetineerden eveneens onbevoegd is ingezien? Zo nee, waarom niet?
Op basis van het onderzoek valt niet vast te stellen of daadwerkelijk inzage in vertrouwelijke informatie van de betreffende gedetineerde heeft plaatsgevonden. Vanwege veiligheidsredenen kan niet verder worden ingegaan op de details van het onderzoek.
Er is nu geen aanleiding te vermoeden dat vergelijkbare incidenten zich eerder hebben voorgedaan.
Deelt u de mening dat een dergelijke blunder ernstige veiligheidsrisico’s met zich kan brengen voor lopende strafzaken, getuigen, slachtoffers, personeel en de openbare veiligheid? Zo nee, waarom niet?
Ik wil voorop stellen dat ik het uiteraard betreur dat deze fout zich voor heeft kunnen doen. Zoals aangegeven in mijn vorige antwoord op vraag 5, valt op basis van het onderzoek niet vast te stellen of daadwerkelijke inzage in vertrouwelijke informatie heeft plaatsgevonden.
Het Openbaar Ministerie, de betrokken gedetineerde en diens advocaat zijn inmiddels geïnformeerd. Het onderzoek heeft in afstemming met hen plaatsgevonden. Bij het vermoeden van een datalek is vereist dat binnen 72 uur een melding hiervan wordt gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. DJI heeft dit gedaan. Door DJI wordt op basis van de onderzoeksresultaten bekeken of hier nog verdere actie op moet volgen.
Acht u het verantwoord dat gedetineerden met een zware risicostatus zonder toezicht toegang hebben tot apparatuur waarmee dergelijke fouten kennelijk kunnen ontstaan? Zo ja, waarom?
De laptops die aan gedetineerden worden uitgereikt betreffen stand alone laptops die uitsluitend over functionaliteiten beschikken om het strafdossier te raadplegen.
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Bent u bereid te onderzoeken of dossierinzage voor hoogrisicogedetineerden voortaan uitsluitend onder toezicht en op papier dient plaats te vinden, zodat deze gedetineerden in zijn geheel geen toegang meer hebben tot laptops, waar wij al eerder voor hebben gepleit, en dit soort datalekken daardoor onmogelijk wordt? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Welke disciplinaire, organisatorische of personele consequenties worden verbonden aan het niet naleven van de veiligheidsprocedures die tot dit incident hebben geleid? Gaat de toedracht van dit incident worden onderzocht op mogelijk opzettelijk handelen?
Ik ga niet in op individuele personele en disciplinaire kwesties.
Kunt u garanderen dat zich binnen de EBI momenteel geen vergelijkbare beveiligingslekken voordoen waardoor gedetineerden toegang kunnen krijgen tot informatie die niet voor hen bestemd is? Zo nee, waarom niet?
DJI zet zich onvermoeibaar in voor een veilige omgeving, zowel fysiek als digitaal. De extra maatregelen die worden genomen naar aanleiding van het onderzoek zullen hieraan bijdragen.
De zorgelijke AI-beelden die worden gemaakt van jonge vrouwen |
|
Lisa Westerveld (GL), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «AI-pornovideo’s met downsyndroom op Instagram, X en Telegram»?1
Hoe reageert u op dit bericht?
Kunt u meer vertellen over de aard en de omvang van de AI-beelden die zijn gemaakt en verspreid van jonge vrouwen?
Waar kunnen slachtoffers van de gemaakte AI-beelden terecht voor mentale of juridische ondersteuning? Hoe worden zij gewezen op deze mogelijkheden?
Hoe wordt bij het informeren van de slachtoffers rekening gehouden met (digitale) toegankelijkheid zodat melden en hulp zoeken altijd laagdrempelig is?
Kunt u uitleggen hoe het Europese verbod op uitkleed-apps deze vorm van deepfakes bestrijdt of voorkomt? Hoe gaat het verbod er praktisch uitzien en hoe wordt het gehandhaafd?2
Waarom hebben Meta en X pas na vragen van De Telegraaf de AI-beelden verwijderd? Wat kunt u doen om deze beelden zo snel mogelijk verwijderd te krijgen?
Is er sprake van een gecoördineerd netwerk dat AI-beelden maakt van jonge vrouwen en ze afbeeldt met amputaties, letsel, of een zichtbare beperking?
Vindt u het voldoende dat Meta en X hun eigen onderzoek voeren naar wie deze AI-beelden maken en verspreiden? Weet u meer over de omvang en de aard van deze onderzoeken?
Kunt u ook onafhankelijk onderzoek laten uitvoeren, waarbij wetenschappers toegang krijgen tot de algoritmes van deze techbedrijven om te controleren hoe deze AI-beelden zich verspreiden?
Welke instanties hebben de taak om toe te zien dat beelden van willekeurige mensen niet worden gebruikt om AI-beelden te maken van verminking en seksueel geweld? Kunt u uiteenzetten hoe deze instanties daartegen optreden?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en vóór het commissiedebat over digitale inclusie van 24 juni 2026 beantwoorden?
Het artikel ‘Nieuwe Bulgarenfraude nog groter dan gedacht: met eerst geld en controle achteraf blijft Belastingdienst kwetsbaar voor zwendel’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht over een nieuwe grootschalige Bulgarenfraude waarbij criminelen opnieuw misbruik zouden maken van Belastingen en toeslagen en gebrekkige controles bij de Belastingdienst?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat de overheid fraude daadkrachtig moet aanpakken en dat georganiseerde fraudeurs geen ruimte mogen krijgen om misbruik te maken van publiek geld?
Ja.
Hoe verklaart u dat Nederland, ondanks de lessen uit eerdere fraudezaken, opnieuw kwetsbaar blijkt voor georganiseerde fraude?
In mijn brief van 18 mei 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over een patroon dat de Belastingdienst heeft geconstateerd van aangiften, verzoeken en bezwaren (hierna aanvragen) in de inkomensheffingen die onregelmatigheden bevatten. Ook heb ik in deze brief aangegeven dat er sprake lijkt te zijn van personen die zich in georganiseerd verband melden voor een DigiD.2
De Belastingdienst is een project gestart om meer inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Daaruit moet ook meer duidelijk worden over de opzet en organisatie achter dit patroon. Ik streef ernaar snel meer duidelijkheid te bieden over dit patroon en de vervolgacties en zal uw Kamer daarover periodiek informeren in de stand-van-zakenbrief Belastingdienst. Daarbij zal ik ook ingaan op de belangrijkste lessen uit eerdere fraudezaken.
In hoeveel gevallen is de afgelopen vijf jaar sprake geweest van vermoedens van georganiseerde fraude met belastingen of toeslagen? Hoeveel geldbedragen zijn hiermee gemoeid?
De Belastingdienst heeft de afgelopen jaren prioriteit gegeven aan de aanpak van (vermoedelijke) BTW-netwerkfraude, BTW-carrouselfraude, verschillende vormen van verhuld vermogen en BPM-fraude. Over de keuzes voor onderzoek naar en aanpak van fenomenen informeer ik de Tweede Kamer middels het jaarplan van de Belastingdienst. De resultaten van de aanpak leest u terug in de jaarrapportages van de Belastingdienst. Voor BTW-carrouselfraude, die per definitie in georganiseerd verband plaatsvindt, worden onder meer het aantal meldingen conform AAFD-protocol en het correctieresultaat uit toezicht gerapporteerd:
2022
2023
2024
2025
Correctieresultaat
€ 50 mln.
€ 142 mln.
€ 58 mln.
€ 78 mln.
Vanwege het inherent verhulde karakter van fraude kan ik geen onderbouwde uitspraak doen over de grootte van het totale fiscale nadeel. Voor Toeslagen geldt daarnaast dat het intensieve toezicht, in lijn met de aangenomen motie Van Eijk,3 pas recent is opgestart, waardoor voor Toeslagen nog geen actueel beeld te vormen is over de omvang van eventuele georganiseerde fraude in de afgelopen vijf jaar.
Is er volgens u binnen de Belastingdienst en betrokken uitvoeringsinstanties sprake van terughoudendheid of verlegenheid om stevig op te treden tegen fraude uit angst om fouten te maken richting burgers?
Nee, terughoudendheid en verlegenheid zie ik niet bij de Belastingdienst en Toeslagen. Wel zie ik dat er meer aandacht in deze organisaties is voor de juiste toepassing van wet- en regelgeving, waaronder de AVG. Dit betekent ook dat er soms voorzichtiger en zorgvuldiger wordt geopereerd. Na de Toeslagenaffaire, de Parlementaire ondervragingscommissie Kinderopvangtoeslag en het stopzetten van de Fraude Signalering Voorziening (FSV) is er veel is veranderd in de werkwijze van Dienst Toeslagen en de Belastingdienst. Processen zijn of worden waar zij nog niet volledig voldeden aan wet- en regelgeving in snel tempo aangepast. Hier stuurt de Belastingdienst ook op via de Meerjarenstrategie Belastingdienst 2026–2030.
Dit heeft ook gevolgen gehad voor het intensieve toezicht en de fraudebestrijding. Zo heeft het proces van meldingen van mogelijke niet-compliantie na het stopzetten van FSV langere tijd stilgelegen, net als het intensieve toezicht voor Toeslagen. Het perspectief van burgers en bedrijven is meer dan daarvoor centraal komen te staan in het werk van de Belastingdienst. Medewerkers zijn zich er nu meer van bewust wat de gevolgen kunnen zijn van het ingrijpen van de overheid.
Welke concrete maatregelen neemt u momenteel om fraude eerder te signaleren en frauduleuze aanvragen direct te blokkeren voordat uitbetaling plaatsvindt?
In de Kamerbrief die ik op 18 mei 2026 aan de Tweede Kamer stuurde heb ik de maatregelen voor personen die bij dit patroon betrokken zijn uiteen gezet.
Daarnaast worden aanvullende maatregelen onderzocht. U kunt hierbij denken aan een aanscherping van selectieregels bij beoordeling van aanvragen inkomensheffingen. Het bestrijden van fraude is een belangrijk onderdeel van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (UHS) en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. Hier ga ik in het antwoord op de vragen 12 en 13 nader op in.
Bent u bereid om risicogerichte controles (intensief toezicht) voorafgaand aan uitbetaling uit te breiden, zodat evident verdachte aanvragen sneller kunnen worden tegengehouden?
Zoals aangegeven is de Belastingdienst een project gestart met als doel inzicht te krijgen in de aard en omvang van de problematiek, om op basis daarvan een uitvoerbare aanpak in gang te zetten. Diverse onderdelen van de Belastingdienst en Dienst Toeslagen onderzoeken het patroon. Daarbij wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen beschouwd, wordt onderzocht hoe onregelmatigheden als deze in de toekomst kunnen worden voorkomen en welke aanvullende maatregelen verder moeten worden genomen.
Hoe zorgt u ervoor dat georganiseerde fraudeurs hard worden aangepakt, terwijl tegelijkertijd goedwillende burgers zorgvuldig en rechtvaardig worden behandeld?
Ik sta voor een zorgvuldige en rechtvaardige behandeling van burgers en ondernemers. In de behandeling van aanvragen, die grotendeels geautomatiseerd afgehandeld worden door de Belastingdienst, moet een balans gevonden worden. Maatregelen moeten een zo beperkt mogelijk effect op goedwillende burgers hebben en tegelijk onterechte uitbetalingen zoveel mogelijk voorkomen. Om invulling te geven aan de zorgvuldigheid, kan de Belastingdienst in bepaalde gevallen eerst een vragenbrief sturen als er een aanvraag wordt gedaan die mogelijk onregelmatigheden bevat, waarna de aanvrager de mogelijkheid heeft om die aanvraag toe te lichten. Bij afwijzing van een aanvraag kan daartegen bezwaar worden gemaakt, zodat eventuele fouten hersteld kunnen worden. Mochten onjuiste aanvragen toch tot betaling zijn gekomen, dan probeert de Belastingdienst dat bedrag terug te vorderen.
Ook wordt gewerkt aan een gezamenlijke aanpak met ketenpartners. Zo heeft een bank door het bevriezen van rekeningen het wegvloeien van publiek geld weten te voorkomen en worden maatregelen in samenspraak met Logius onderzocht. Over de strafrechtelijke kant en de inzet van de FIOD, gaat het Openbaar Ministerie (OM).
Welke concrete stappen onderneemt u in deze casus om het gestolen geld terug te krijgen?
Er wordt beslag gelegd op de rekeningen die door een bank zijn bevroren. Dit bedraagt circa € 2,3 miljoen. Op basis van eerdere ervaringen in soortgelijke en omvangrijke fraudezaken verwacht de Belastingdienst dat de resterende € 4,4 mln. waarschijnlijk als oninbaar beschouwd moet worden. Deze bedragen zijn, na uitkering, overgemaakt naar buitenlandse bankrekeningnummers, contant opgenomen of omgezet in crypto valuta. De Belastingdienst onderzoekt welke vervolgstappen mogelijk zijn met betrekking tot de invordering.
Heeft u aangifte gedaan tegen de praktijken van deze criminele Bulgaarse groep of bent u voornemens dat te doen? Zo nee, waarom niet?
De Belastingdienst is nu als fiscale toezichthouder aan zet om onderzoek te doen naar dit patroon. Op basis van het Protocol aanmelding en afdoening van fiscale delicten en delicten op het gebied van douane en toeslagen kan de Belastingdienst signalen van mogelijke belastingfraude aan de FIOD en het Openbaar Ministerie melden.4 In dit protocol zijn aanmeldings- en wegingscriteria opgenomen om te bepalen of een vermoeden van belastingfraude kwalificeert voor strafrechtelijke vervolging. Na een dergelijke melding kan de FIOD onder het gezag van het OM een strafrechtelijk onderzoek starten. Over individuele meldingen conform het Protocol wordt geen mededeling gedaan.
Bent u bereid in overleg te treden met uw Bulgaarse evenknie om deze kwestie te bespreken, daar het ook niet de eerste keer is dat dit met Bulgaarse ingezetenen gebeurt?
Zoals ik schreef in mijn brief van 18 mei 2026, wordt het patroon op dit moment nog verder onderzocht. Als ik meer duidelijkheid heb over wat er aan de hand is, dan informeer ik de Tweede Kamer daarover. Ik zal de Tweede Kamer dan ook informeren of ik meerwaarde zie in een overleg met Bulgarije.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat belastinggeld opnieuw op grote schaal in handen valt van fraudeurs?
Zoals ik in mijn brief van 18 mei 2026 heb aangegeven is in dit specifieke geval een project gestart waarin diverse onderdelen van de Belastingdienst deelnemen. Het doel van het project is inzicht te krijgen in de problematiek, de omvang ervan en een uitvoerbare aanpak in gang te zetten, met de juiste waarborgen. Zo wordt een aanscherping van de selectieregels in het aanvraagproces Inkomensheffingen onderzocht. De Belastingdienst zal uiteraard zorgvuldigheid betrachten in de te nemen maatregelen om zoveel mogelijk te voorkomen dat goedwillende burgers hierdoor worden benadeeld. Daarnaast wordt zoals hiervoor genoemd, gewerkt aan een aanpak met ketenpartners om fraude zoveel mogelijk te voorkomen.
In algemene zin merk ik op dat het bestrijden van fraude een belangrijk onderdeel is van de handhavingsactiviteiten die de Belastingdienst en Dienst Toeslagen uitvoeren binnen de UHS en de Handhavingsstrategie Dienst Toeslagen. De strategie is erop gericht om het gedrag van belastingplichtigen zo te beïnvloeden dat zij structureel uit zichzelf hun fiscale verplichtingen nakomen. En daar waar belastingplichtigen regels bewust niet willen naleven dwingt de belastingdienst naleving af. De aanpak van georganiseerde belastingfraude maakt onderdeel uit van de UHS en vraagt om een doorlopende inzet en voortdurende aanpassing van maatregelen aan nieuwe fraudefenomenen en patronen. Om die reden ligt een afzonderlijk plan van aanpak voor het bestrijden van georganiseerde belasting- en toeslagfraude op dit moment niet voor de hand. Uw Kamer wordt, zoals gebruikelijk, geïnformeerd over relevante ontwikkelingen, zoals ik ook heb gedaan in mijn brief van 18 mei 2026.
Kan de Kamer vóór de zomer een plan van aanpak ontvangen met concrete voorstellen om georganiseerde belasting- en toeslagen fraude daadkrachtiger te bestrijden?
Zie antwoord vraag 12.
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Als Minister van Justitie en Veiligheid kan ik geen uitspraken doen over de onderbouwing van het AIVD-jaarverslag. In het algemeen geldt wel dat de AIVD waarschuwt voor dit soort fenomenen wanneer er een dreiging is voor de nationale veiligheid. Dit signaal neem ik dus uiterst serieus.
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Lucht-, gas- en veerdrukwapens zijn voorwerpen die in de Wet wapens en munitie (hierna: Wwm) zijn aangewezen als categorie IV wapens. Meerderjarige personen mogen deze wapens zonder vergunning voorhanden hebben. Luchtdrukwapens zijn de afgelopen jaren sterk in kracht toegenomen en in handzame uitvoeringen te koop bij fysieke of online wapenwinkels. Zware luchtdrukwapens, waaronder PCP-buksen, kunnen tegenwoordig vele malen krachtiger zijn dan een regulier handvuurwapen. Mijns inziens horen deze luchtdrukwapens – gezien de gevaarzetting en letselpotentie – dan ook niet thuis in categorie IV, waarbij zij zonder vergunning voorhanden gehouden mogen worden.
De toenmalige Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft in 2016 aan uw Kamer in een brief een wetswijziging aangekondigd om het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden en alleen via een vergunning een uitzondering op dit verbod toe te staan.2 Dit voornemen heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2020 nogmaals herhaald in een brief waarin een breder traject voor de aanpassing van de wet werd aangekondigd dat als doel had om een aantal knelpunten op te lossen. In reactie op de aankondiging van de voorbereiding van deze wetswijziging3 heeft uw Kamer in 2021 een motie aangenomen met het verzoek aan de regering om een commissie in te stellen voor het opstellen van een basisplan voor een nieuwe en gemoderniseerde Wwm.4 In haar beleidsreactie op het daaropvolgende rapport van de Commissie Wwm heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid in 2023 aangekondigd om een wettelijk verbod voor het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens mee te nemen in de ontwikkeling van een nieuwe Wwm.5 Voor de stand van zaken van dit wetsvoorstel verwijs ik naar het antwoord bij vraag 10.
Het in wetgeving verbieden van zware luchtdrukwapens ondersteun ik. Het voorbereiden en behandelen van een wetsvoorstel heeft veelal een lange doorlooptijd. Gezien de urgentie vanwege de technologische ontwikkelingen van de laatste jaren met zeer krachtige luchtdrukwapens en de recente berichtgeving van de AIVD, verken ik – zoals aangekondigd in mijn brief van 17 juni jl. over de Hoofdlijnenvisie en de uitgangspunten voor de nieuwe wet wapens en munitie – of het mogelijk is om in een versneld traject het voorhanden hebben van zware luchtdrukwapens te verbieden door middel van een aanpassing van de Regeling wapens en munitie (hierna: Rwm), vooruitlopend op het wetsvoorstel voor de nieuwe Wwm.
Mijn voornemen is om alleen voor bepaalde toepassingen zware luchtdrukwapens met een vergunning toe te staan. In de verkenning zal ik binnen de regelgeving rekening houden met het huidige gebruik van lichte luchtdrukwapens voor paintball en schietsport alsook de maatschappelijke nuttige toepassingen met luchtdrukwapens die onder meer zijn opgenomen in de Omgevingswet en Besluit activiteiten leefomgeving, zoals voor de bestrijding van ratten. Daarnaast treed ik in overleg met de belangenorganisaties voor wapenverkoop over de aanpassing van de Rwm.
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Zie antwoord vraag 2.
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Zie antwoord vraag 2.
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Op grond van artikel 12 van de Regeling wapens en munitie zijn erkende wapenverkopers verplicht een register bij te houden van de verkoop van wapens en munitie, waaronder zware luchtdrukwapens. In dit register worden onder meer de naam en het adres van de koper, de datum van de verkoop alsook het type wapen en serienummer geregistreerd. Er zijn geen regels gesteld over registratie bij verkoop door de eigenaar aan een ander persoon.
Zoals aangegeven in de antwoorden op vragen 2 tot en met 5, vind ik de huidige regels voor zware luchtdrukwapens, waaronder ook de voorschriften bij de verkoop, ontoereikend voor deze wapens en ben ik voornemens dat te veranderen.
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Zie antwoord vraag 6.
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen, worden niet afzonderlijk geregistreerd. De systemen bij de politie en het Openbaar Ministerie zijn hiertoe niet ingericht.
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vragen 2 tot en met 5.
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
In mijn brief van 17 juni heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voorbereiding van de nieuwe Wwm en de planning daarvan.