Het artikel 'Acht aanhoudingen voor grootschalige hypotheekfraude, luxe goederen ingenomen' |
|
Merlien Welzijn (NSC), Jesse Six Dijkstra (NSC) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de kwalificatie van de rechercheur dat het tegengaan van hypotheekfraude momenteel «dweilen met de kraan open» is?
De signalen rondom hypotheekfraude die verschillende organisaties afgeven zijn zorgelijk en hebben al enige tijd onze aandacht. Op 25 november 2024 heeft mijn ambtsvoorganger hierover Kamervragen beantwoord van Kamerleden De Vries en Michon-Derkzen (VVD)1 en van Kamerleden Welzijn, Van Oostenbruggen en Six Dijkstra (NSC).2 Op verzoek van uw Kamer heeft de Minister van Financiën, mede namens mijn ambtsvoorganger, op 2 september een reactie aan uw Kamer gestuurd op een gezamenlijke beleidswensenbrief van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB), Stichting Fraudebestrijding Hypotheken (SFH) en de politie.3 In genoemde stukken is aangegeven dat er vanuit het Financieel Expertise Centrum (FEC) – onder leiding van de politie – een project loopt rondom hypotheekfraude.4De doelen van het project zijn de aard en omvang van het probleem inzichtelijk maken, en mogelijke oplossingen in kaart brengen. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden als we deze informatie hebben ontvangen. De uitkomsten van het project zijn vertraagd en worden verwacht in maart 2026. Ik zal u daarna informeren over de uitkomsten.
Wat is uw actuele beeld van hoe hypotheekfraude zich heeft ontwikkeld over tijd, zowel qua omvang als impact?
Een van de doelen van het FEC-project is om aard en omvang van hypotheekfraude in kaart te brengen.
Heeft u in kaart welke behoeftes er momenteel zijn vanuit de politie, Openbaar Ministerie, Belastingdienst, banken, notarissen en hypotheekverstrekkers wat betreft het kunnen tegengaan van hypotheekfraude?
Bij het genoemde FEC-project zijn de politie, het Openbaar Ministerie en de Belastingdienst als FEC-deelnemers betrokken. Daarnaast hebben de KNB, NVB, SFH en de politie de in de beantwoording van vraag 1 genoemde beleidswensenbrief opgesteld met hun wensen en ideeën om hypotheekfraude beter te bestrijden. Op verzoek van uw Kamer aan de Minister van Financiën en mij, heeft de Minister van Financiën, mede namens mij, gereflecteerd op deze wensen en aangegeven welke trajecten er momenteel lopen in het licht van de aangekaarte behoeften.5 Via deze twee wegen heb ik de verschillende behoeftes in beeld.
Wat gaat u doen om de samenwerking tussen deze partijen te versterken teneinde criminele netwerken die zich schuldig maken aan hypotheekfraude «in de kiem» te smoren, en welke concrete bewaakte ketens (informatie-uitwisseling, real-time checks) zullen daarbij worden opgezet?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe gaat u er zorg voor dragen dat de uitkomsten van het onderzoek naar aanleiding van de aangenomen motie-Mutluer/Six Dijkstra (Kamerstuk 29 911, nr. 446) zo snel mogelijk in beleid en wetgeving worden omgezet? Wanneer verwacht u redelijkerwijs dat deze grootschalige vormen van hypotheekfraude effectief kunnen worden teruggedrongen en wat is hier voor nodig?
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 worden de uitkomsten van het FEC project in maart dit jaar verwacht. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden als deze informatie is ontvangen.
Kunt u, in het licht van deze motie, in afwachting van het lopende onderzoek nu al aangeven welke criteria u overweegt om te beoordelen of een regeling voor inkomensverificatie via de Belastingdienst of andere instanties juridisch houdbaar, kenbaar én praktisch uitvoerbaar is, en welke rol de Autoriteit Persoonsgegevens (of een andere privacytoezichthouder) zal spelen?
Dat kan ik op dit moment niet aangeven. Ik ben in afwachting van de uitkomsten van het FEC-project hypotheekfraude, zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1.
Welke maatregelen gaat u voorbereiden om het afpakken van crimineel vermogen in de vorm van onroerend goed, luxegoederen, voertuigen en contanten sneller en effectiever te maken in hypotheekfraude-zaken, en hoe garandeert u dat die opbrengsten niet kunnen «wegvloeien» naar nieuwe criminaliteit?
Om sneller en effectiever af te pakken, werk ik aan meerdere generieke maatregelen die ook kunnen worden ingezet in hypotheekfraude-zaken. Bij de maatregelen ligt de focus op zo vroeg mogelijk beslagleggen op het crimineel vermogen, zodat de verdachte er geen gebruik meer van kan maken. Zo is afgelopen zomer een wet in consultatie gebracht die de Europese confiscatierichtlijn omzet naar nationaal recht. Deze wetgeving introduceert een nieuwe procedure waarbij goederen kunnen worden afgepakt zonder dat er een veroordeling van een verdachte nodig is, als duidelijk is dat de goederen afkomstig zijn uit misdaad. Ook verbetert de nieuwe wetgeving de internationale samenwerking op afpakken. Verder heb ik middelen ter beschikking gesteld aan onder andere het Openbaar Ministerie voor de ontwikkeling en implementatie van het vermogensdossier dat zicht biedt op het vermogen en beslag van een verdachte/veroordeelde.
Zijn er, in afwachting van de uitvoering van de motie-Mutluer/Six Dijkstra (Kamerstuk 36 463, nr. 17), momenteel al toereikende mogelijkheden om afgepakte goederen in casussen als deze maatschappelijk te herbestemmen? Heeft u een beeld van in welke mate dit effectief lukt?
In de afgelopen jaren zijn succesvolle pilots uitgevoerd met maatschappelijk herbestemmen. Op basis van de uitkomsten hiervan ga ik verder met implementatie van beleid dat maatschappelijk herbestemmen structureel mogelijk maakt. Bijvoorbeeld door het inrichten van een standaardproces voor het herbestemmen van roerende goederen via een digitaal platform. Voor het verbeteren van maatschappelijk herbestemmen van vastgoed werk ik samen met de partners van het Strategisch Beraad Ondermijning. Uw Kamer wordt over de voortgang geïnformeerd via de halfjaarbrieven aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit.
Heeft u zicht op of er behoefte is aan een centraal meldpunt of signaleringssysteem voor (vermoedens van) hypotheekfraude, waarmee gemeenten, banken, notarissen, makelaars, hypotheekadviseurs en burgers meldingen kunnen doen en waarbij de gegevens tijdig naar opsporingsdiensten worden doorgeleid?
Vanuit de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) is een aantal soorten instellingen en beroepsgroepen al verplicht ongebruikelijke transacties te melden bij de Financial Intelligence Unit Nederland (FIU-NL), dat hiermee als meldpunt fungeert. Dit zijn onder meer banken, notarissen, hypotheekadviseurs en makelaars. Voor overheidsorganisaties wordt momenteel verkend of zij een meldmogelijkheid zouden moeten krijgen bij de FIU-NL. Over de recente stand van zaken van deze verkenning bent u geïnformeerd in de voortgangsbrieven over de nieuwe anti-witwasaanpak.
Voor burgers is er geen mogelijkheid tot melden bij de FIU-NL. Bij vermoedens van strafbare feiten kunnen zij aangifte doen bij de politie of bijvoorbeeld gebruik maken van Meld misdaad anoniem.
Welke extra waarborgen of monitoringsmechanismen kunt u, gezien de kwetsbaarheid van starters, kleine huishoudens en de pechgeneratie in het verkrijgen van hypotheken, inbouwen in nieuw beleid, zodat onterechte weigering van hypotheekaanvragen (op basis van onjuiste of vervalste gegevens) kan worden voorkomen, en slachtoffers sneller herstel kunnen krijgen?
Zoals bij vraag 1 aangegeven wacht ik momenteel op het FEC-project. Vervolgstappen kunnen pas gezet worden als we de uitkomsten van dat project hebben ontvangen.
Wat is de planning van de implementatie van de nieuwe Europese antiwitwasregels waarin het voor notarissen mogelijk wordt gemaakt om onder voorwaarden voor dit specifieke doel de geheimhoudingsplicht te doorbreken? Aan welke voorwaarden moeten we dan denken?
De Implementatiewet waarmee nationaal invulling wordt gegeven aan de Europese verplichtingen is op 4 juli jl. in consultatie gebracht. De consultatie is op 29 augustus jl. gesloten. Het wetsvoorstel wordt naar verwachting dit jaar aangeboden aan uw Kamer. In dit wetsvoorstel wordt ter uitvoering van artikel 73 van de antiwitwasverordening geregeld dat notarissen van hun geheimhoudingsplicht kunnen afwijken om in bepaalde gevallen elkaar dan wel advocaten te kunnen informeren dat zij een verdachte transactie hebben gemeld aan de FIU-NL. Dit is kort samengevat het geval wanneer zij tot dezelfde groep behoren, zij hun beroepsactiviteiten binnen dezelfde rechtspersoon uitoefenen, dan wel aan dezelfde transactie werken. Daarnaast wordt geregeld dat notarissen, enkel ten opzichte van andere notarissen, niet gehouden zijn aan hun geheimhoudingsplicht ten behoeve van informatie-uitwisseling in een partnerschap als bedoeld in artikel 75 van de antiwitwasverordening. Op verzoek van de notariële beroepsgroep wordt in dit wetsvoorstel ook een wijziging aangebracht in de Wet op het notarisambt, op grond waarvan notarissen van hun geheimhoudingsplicht kunnen afwijken om elkaar onderling te informeren over een dienstweigering. Het onderling delen van dienstweigeringen is een effectief middel om bij te dragen aan het doel van het AML-pakket: voorkomen dat criminelen toegang krijgen tot het financiële stelsel en geld witwassen dat ze met criminaliteit hebben verdiend of terrorisme financieren. Dit is ook benoemd in de halfjaarbrief aanpak georganiseerde, ondermijnende criminaliteit, die voor het einde van 2025 aan uw Kamer is verstuurd, onder meer naar aanleiding van de motie van het lid Van Eijk (VVD).6
Kunt u deze vragen apart en binnen drie weken beantwoorden?
De vragen zijn apart beantwoord. De beantwoording is helaas niet binnen drie weken gelukt.
Het bericht ‘Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het FD: «Misbruik via de plof-bv kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er grip op»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Was het risico dat turboliquidaties gebruikt kunnen worden als verdwijningstruc voor fraudeurs bij introductie van het voorstel voorzien? Zo ja, waarom is dit risico destijds ingeschat als acceptabel?
De wetgever heeft het wenselijk geacht dat lege, inactieve rechtspersonen op eenvoudige wijze konden worden beëindigd. De turboliquidatie is ingevoerd om dit mogelijk te maken.2 In de praktijk heeft de turboliquidatieregeling ruimte geboden aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Tegelijkertijd heeft de regeling zorgen doen ontstaan over misbruik door kwaadwillenden, met name als er schulden achterblijven.3 Er zijn minder procedurele waarborgen dan bij een gewone, maar kostbaardere en langere faillissementsprocedure. Dit risico werd dus onderkend en er werd ingezien dat de regeling verbetering behoefde,4 ook al is de aard en omvang van mogelijk misbruik niet precies vast te stellen. Deze verbetering kreeg urgentie toen de Minister voor Rechtsbescherming in 2022 in verband met de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor het bedrijfsleven een mogelijke toename in bedrijfsbeëindigingen verwachtte. Dit heeft geleid tot de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Hierdoor kunnen schuldeisers beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Bestuurders kunnen verder een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld, bijvoorbeeld door frauduleus handelen.5
Deelt u de mening dat er geen volledig beeld is van de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u het volledige beeld delen met de Kamer?
Ik deel deze mening. Uit de praktijk volgt dat misbruik zich voordoet, maar de omvang hiervan is lastig vast te stellen. De reden hiervoor is dat het, vanwege het beperkte inzicht in de financiële stukken van een rechtspersoon, achteraf moeilijk is om te bepalen of bestuurders frauduleus hebben gehandeld.
Waarom zijn de negatieve signalen, zoals 1. dat de helft van degenen die gebruik maken van turboliquidaties, jarenlang of nooit een jaarrekening deponeerden, ondanks dat dit verplicht is, 2. dat de helft van de ontbindingen te laat zijn gemeld bij de Kamer van Koophandel of 3. dat de opheffing gebeurde met terugwerkende kracht, niet eerder boven tafel gekomen? Waarom is er niet eerder op deze signalen geacteerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, waren er in het verleden diverse signalen van misbruik van de turboliquidatieregeling. Om deze reden zijn er met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie diverse maatregelen doorgevoerd, waaronder de aangescherpte verantwoordingsplicht, de mogelijkheid voor schuldeisers om bij niet-naleving van deze verplichting inzicht te krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon en aangescherpte sancties, zoals de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod bij het niet voldoen aan de deponeringsverplichting.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft het WODC-onderzoek naar de effecten van deze wet op 12 augustus 2025 aan uw Kamer aangeboden.6 In deze brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het streven is om in het tweede kwartaal van dit jaar een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer te delen.
Wat is er nodig om het toezicht op het bij een turboliquidatie verplicht deponeren van extra documenten te intensiveren zodat er inzicht ontstaat over de omvang van het probleem en zodat er gehandhaafd en opgetreden kan worden, aangezien het eerste bestuursverbod wegens foute turboliquidatie nog uitgedeeld moet worden?
De handhaving van de verantwoordingsplicht is de taak van Bureau Economische Handhaving (dat onderdeel was van de Belastingdienst en verder gaat onder de naam DFEI (Dienst financieel-Economische Integriteit) als onderdeel van het kerndepartement Financiën). Zoals in reactie op vraag 4 is aangegeven, zal in het kader van het nieuwe wetgevingstraject worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn. Hieronder valt ook de handhaving van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien.
Wanneer is het rapport van het in 2019 gelastte onderzoek naar de omvang van het misbruik bij turboliquidaties gereed? Zal dit rapport enkel constateringen of ook oplossingsrichtingen bevatten?
Het onderzoek is op eigen initiatief door de Belastingdienst uitgevoerd. Het rapport wordt op korte termijn openbaar gemaakt en door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane met uw Kamer gedeeld. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is. Een aantal aanbevelingen, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aanpassen van de opleiding voor nieuwe en huidige medewerkers en het opnemen van signalen in de invorderingssystemen, heeft de Belastingdienst uitgevoerd. Enkele aanbevelingen worden momenteel nog uitgewerkt binnen de Belastingdienst en zullen daarna worden geïmplementeerd.
Hoe kijkt u naar de wetsbepaling die in Duitsland bestaat die ondernemers dwingt om bij betalingsonmacht hun eigen faillissement aan te vragen? Zou een dergelijke wetsbepaling een onderdeel van de oplossing van het probleem kunnen zijn?
Ik vind dat we ondernemers in financiële problemen moeten stimuleren om tijdig maatregelen te nemen om deze problemen op te lossen. Bij tijdig ingrijpen wordt in de regel de schade voor schuldeisers beperkt, bijvoorbeeld wanneer met hen een akkoord kan worden gesloten over een financiële herstructurering. Bedrijfsbeëindiging kan in zo’n situatie ook een reële mogelijkheid zijn. Dit kan op verschillende manieren. Turboliquidatie biedt hiervoor een laagdrempelige mogelijkheid en brengt minder kosten met zich dan een faillissement. Dat is een voordeel, want hoe lager de kosten zijn, hoe meer er onder de schuldeisers kan worden verdeeld.
Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen maakt onderdeel uit van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).7 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.8 Mede door de Nederlandse inzet bevat de richtlijn niet alleen een duty to file,9 maar ook twee alternatieven.10 Die alternatieven zijn11 een mogelijke verplichting voor ondernemers in financiële moeilijkheden om transparant te zijn naar schuldeisers en12 een mogelijke verplichting om andere maatregelen te treffen waarvan verwacht mag worden dat ze een vergelijkbaar niveau van schuldeisersbescherming bieden. Dit biedt de nodige flexibiliteit die Nederland wilde behouden voor reddingspogingen van ondernemingen die in potentie levensvatbaar zijn.
Tijdens de implementatie zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Het bericht 'OM onderzoekt 49 sterfgevallen door illegale medicijnensite: ‘Vermoedelijk topje van de ijsberg’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «OM onderzoekt 49sterfgevallen door illegale medicijnensite: «Vermoedelijk topje van de ijsberg»»?1
Daar zijn wij bekend mee.
Heeft u in beeld hoeveel vermoedelijke sterfgevallen inmiddels in verband kunnen worden gebracht met de middelen die via Funcaps werden verstrekt?
Op een pro-forma zitting d.d. 17 november 2025 met betrekking tot de strafzaak tegen Funcaps heeft het Openbaar Ministerie (OM) aangegeven dat 35 sterfgevallen in correlatie staan tot Funcaps. Die correlatie kan zijn: overledene is mogelijk als gevolg van gebruik van Funcaps middelen om het leven gekomen, dan wel zijn bij de overledene middelen in de woning gevonden. In de strafzaak wordt nu onderzoek gedaan naar het verband tussen de sterfgevallen en Funcaps.
Deelt u de mening dat het schokkend is dat zoveel mensen al slachtoffer zijn geworden van dit middel, en dat dit misschien zelfs een topje van de ijsberg is?
Wij delen de mening dat de berichtgeving uitermate schokkend is en willen dan ook ons medeleven betuigen met de familie en andere nabestaanden van de slachtoffers. Wij vinden het belangrijk om duidelijk te krijgen of dit inderdaad het topje van de ijsberg is. Over de individuele strafzaak kunnen wij geen uitspraken doen; het is uiteindelijk aan de rechter om in deze strafzaak recht te spreken.
Is de website waarop deze middelen verstrekt zijn, nog steeds offline of zijn er equivalenten in beeld?
De website is offline gehaald door de service provider op aangeven van de Inlichtingen en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA-IOD). Andere vergelijkbare websites zijn naar aanleiding van de publiciteit offline gegaan of hebben hun aanbod aangepast. Websites kunnen overal ter wereld worden gehost. Dit betekent dat er niet altijd mogelijkheden zijn om websites uit de lucht te halen. Ondanks de handhaving, blijft het illegale aanbod groot. Het offline halen van websites is een kat-en-muisspel.
Vallen de designerdrugs van Funcaps onder de nieuwe categorie van designerdrugs die sinds 1 juli 2025 verboden zijn?
Een deel van de middelen zijn naar het oordeel van het Openbaar Ministerie voor het leven en gezondheid gevaarlijk zoals bedoeld in artikel 174 Wetboek van Strafrecht. Een deel van de middelen zijn volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd geneesmiddelen, die alleen met een vergunning mogen worden verkocht. Een deel van de middelen is aan te merken als stof vallend onder een van de stofgroepen die sinds 1 juli 2025 onder de Opiumwet verboden zijn.
Het lijkt erop dat websites van bedrijven als Funcaps hebben geprobeerd de Opiumwet, Geneesmiddelenwet en Warenwet te omzeilen door het gebruik van de termen als «voor onderzoeksdoeleinden» of «niet voor menselijke consumptie». Wij vinden dit zeer ongewenst gezien de mogelijke gezondheidsrisico’s die het gebruik van dit soort middelen met zich meebrengt. Daarom zijn wij in gesprek met alle betrokken partijen om te kijken naar een effectieve aanpak. Hierbij kijken we bijvoorbeeld naar de huidige wet- en regelgeving, de handhavingscapaciteit en de samenwerking tussen alle partijen. Wij zullen uw Kamer daarover zo snel als mogelijk informeren.
Zijn er op dit moment nog leemtes in de Opiumwet waardoor soortgelijke designerdrugs niet officieel verboden zijn? Zo ja, wat is ervoor nodig om deze grensgevallen wel onder het verbod uit de Opiumwet te laten vallen?
Door de introductie van lijst IA bij de Opiumwet zijn er nu drie groepen designerdrugs verboden. Op dit moment wordt gewerkt aan regelgeving om een vierde stofgroep, de nitazenen, toe te voegen aan lijst IA. Er zijn en komen nog steeds stoffen op de markt die buiten de Opiumwet vallen. Deze stoffen vormen niet allemaal eenzelfde bedreiging voor de volksgezondheid.
De effecten van de NPS-wet, lijst IA, worden gemonitord en geëvalueerd. Op basis van deze dataverzameling en de ontwikkeling in het aanbod van designerbenzodiazepinen en de effecten op de gezondheid wordt de wenselijkheid van een verbod op deze groep middelen binnen de Opiumwet bepaald.
Wat vindt u ervan dat bedrijven zoals Funcaps dagelijks de Staatscourant in de gaten houden om op de hoogte te blijven van eventuele nieuwe verboden van designerdrugs?
Wanneer het geval is dat de insteek van deze bedrijven is om de wetgeving te ontduiken, mag duidelijk zijn dat dit zeer onwenselijk is.
Hoe vaak worden pakketten onderschept met designerdrugs of grondstoffen en welke maatregelen zijn mogelijk om deze aanpak structureel te verbeteren?
Sinds 1 juli 2025 is de nieuwe wetgeving aangaande specifieke groepen designerdrugs in werking. Er zijn op dit moment nog geen cijfers bekend over onderscheppingen van designerdrugs en/of grondstoffen sinds 1 juli 2025.
In het kader van de invoeringstoets van de onderhavige wetgeving, woeden in de loop van 2026 de eerste cijfers van na de wetswijziging van 1 juli 2025 bekend. Deze cijfers worden gebruikt voor de evaluatie van de wetgeving, die na 3 jaar moet zijn afgerond, en geven een eerste indicatie van de effectiviteit van de recente wetswijziging en of er eventueel nadere maatregelen nodig zijn om de problematiek aan te pakken.
Verder worden grondstoffen zelden via pakketten per post verstuurd en daarmee dus ook zelden onderschept. De stroom grondstoffen, ook wel precursoren, loopt normaliter via andere logistieke wegen, zoals via de havens of het spoor.
Welke preventieve maatregelen kunt u nemen om tevoorkomen dat soortgelijke illegale webshops in de toekomst opnieuw ontstaan, met name bij handel in designerdrugs?
Wij kunnen niet voorkomen dat webshops worden gemaakt of opgezet. Er kan pas gehandhaafd worden als daadwerkelijk sprake is van online illegale inhoud of illegale activiteit.
Indien geen gehoor wordt gegeven aan verzoeken tot verwijdering van online illegale content2 kan de officier van justitie met een machtiging van de rechter-commissaris, die enkel wordt afgegeven ingeval van verdenking van een strafbaar feit als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv, een platform bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken als dit noodzakelijk is voor de beëindiging van een strafbaar feit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten (artikel 125p Sv).
De digitaledienstenverordening (DSA) is sinds 2024 in werking en bepaalt waar tussenhandeldiensten zoals websites aan moeten voldoen en welke acties zij moeten ondernemen als het gaat om illegale inhoud. De Autoriteit Consument en Markt ziet op de naleving van deze regels toe.
Welke opsporingstechnieken zijn op dit moment inzetbaar om online handel in designerdrugs te detecteren?
Er zijn diverse opsporingsmogelijkheden om illegale online handel te detecteren. Zo zijn er bij de politie digitale rechercheurs die OSINT (open source intelligence)-onderzoeken kunnen doen op het openbare internet; zij verzamelen en analyseren informatie die vrij beschikbaar is voor het publiek. Indien er gegevensdragers zoals telefoons of computers in beslag zijn genomen, kunnen data-specialisten deze ook onderzoeken en de gevonden gegevens analyseren. Indien er sprake is van betalingen in virtuele valuta kan er ook financieel onderzoek worden gedaan naar de mogelijke criminele geldstromen die gepaard gaan met onlinehandel.
In hoeverre worden hostingbedrijven aangesproken wanneer ze webshops faciliteren die designerdrugs aanbieden?
Hostingbedrijven dienen zich te houden aan de Nederlandse wetgeving; zoals de regels voor hostingdiensten die zijn vastgelegd in de DSA. Zodra ze kennis hebben van illegale inhoud of activiteit die zich op hun dienst bevindt, dienen zij prompt te handelen om de inhoud te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Doen zij dat niet, dan kunnen ze aansprakelijk worden gesteld (artikel 6 DSA).
Toezichthouders als de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de NVWA en de Politie kunnen bij daadwerkelijke online illegale inhoud of illegale activiteit gebruik maken van de zogenaamde Notice and Take Down procedure (NTD-procedure). Dit is een vrijwillige gedragscode in de internetbranche voor omgang met onrechtmatige en strafbare content op websites. Zowel de IGJ als de NVWA-IOD maken regelmatig gebruik van deze mogelijkheid, wat leidt tot het offline halen van websites. In principe kunnen burgers ook gebruik maken van deze procedure.
Hoe kan misleidende marketing rondom designerdrugs, die specifiek gericht is op jongeren, tegen worden gehouden en hoe wordt voorkomen dat minderjarigen gemakkelijk via internet toegang hebben tot designerdrugs?
Online platformen hebben onder de DSA de verplichting om de privacy, veiligheid en bescherming van minderjarigen binnen hun dienst te waarborgen (artikel 28). Zij zijn echter niet verplicht om te beoordelen of de afnemer van hun dienst minderjarig is. Online platformen kunnen wel houders van websites die frequent illegale inhoud plaatsen schorsen.
Het is in algemene zin niet mogelijk om de toegang van jongeren of minderjarigen tot het internet te beperken, ook niet als het gaat om ongewenste websites. Het is vooral van belang dat deze groep wordt voorgelicht over de risico’s. Ouders en het onderwijs spelen hier een belangrijke rol. Daarom is in juni 2025 de Richtlijn Gezond Schermgebruik gelanceerd. Deze heeft als doel ouders en opvoeders op een duidelijke en eenduidige manier te ondersteunen bij het stimuleren van gezond scherm- en sociale mediagebruik van hun kinderen. Momenteel worden deze richtlijnen verder geconcretiseerd, zodat ouders en opvoeders de adviezen kunnen toepassen in hun dagelijks leven. Daarnaast werkt de Staatssecretaris van OCW momenteel aan de verankering van digitale geletterdheid in het curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs: zo worden leerlingen gestimuleerd om online de kansen en risico’s te herkennen en zo weloverwogen keuzes te maken. Het Trimbos-instituut biedt voorlichting over de risico’s van drugs gericht op de doelgroep, bijvoorbeeld door het programma Helder op School, met name gericht op het voorgezet (speciaal) onderwijs en mbo’s. Ook is er voorlichting voor ouders en wordt gebruik gemaakt van social media om jongeren te bereiken, zoals Tik Tok. Daarnaast is afgelopen zomer een pilot-campagne gestart om jongeren te confronteren met de negatieve gevolgen van drugsgebruik op de samenleving en de gezondheid. Deze pilotcampagne bestond uit onder meer een virtual reality experience en een hieraan gelieerde social mediacampagne. Deze campagne wordt op dit moment geëvalueerd. Na een positieve evaluatie is het voornemen om deze campagne dit jaar te continueren.
De handel in middelen die vallen onder de Opiumwet is strafbaar. Daarnaast is het op grond van artikel 3b van de Opiumwet ook verboden om de verkoop van middelen door openbaarmaking te bevorderen. Indien aangetoond kan worden dat sociale media of andere partijen medeplichtig zijn aan deze handel kan daartegen worden opgetreden. Voor strafrechtelijke vervolging moet er echter wel opzet van de sociale media of verkopende websites bij de handel of openbaarmaking aangetoond kunnen worden. Hierbij is het dus van belang om te kijken om wat voor stoffen deze misleidende marketing draait om tot het antwoord te komen hoe daarmee om te gaan.
Op welke manier werkt Nederland samen met buurlanden om labs en sites die designerdrugs aanbieden en produceren, op te sporen en op te rollen?
Nederland werkt op verschillende manieren samen met buurlanden. Met België, Frankrijk en Luxemburg (Hazeldonksamenwerking) worden gezamenlijk drugscontroles uitgevoerd langs de hoofdinfrastructuur en wordt constant gewerkt aan een gezamenlijk intel-beeld bij grensoverschrijdende drugsnetwerken. Andere voorbeelden zijn het Europol analysis project (AP) en het European Multidisciplinary Platform Against Criminal Threats (EMPACT). Ook worden er in samenwerking met Europol’s European Cybercrime Centre (EC3) en nationale cybercrime units darkwebmarkten, encrypted communicatieplatforms en hostingsites gemonitord.
Door het sinds 1 juli 2025. van kracht zijnde stofgroepenverbod is een groot deel van de meest gebruikte stoffen in Nederland strafbaar geworden, maar niet alle stoffen zijn afgedekt. Internationale samenwerking, zoals hierboven beschreven, kan dus goed via de internationale samenwerkingsverbanden plaatsvinden zolang de strafbaarstelling van middelen internationaal hetzelfde is.
Diplomafraude in de jeugdzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Ja.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen ronselt voor criminele activiteiten?
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen, zeker aan kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Uit de steekproef van SKJ blijkt bij 18 van de 22 EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Het Nationaal Kenniscentrum EVC (NKC) fungeert als toezichthouder van het EVC-stelsel. Het NKC verleent de erkenning als EVC-aanbieder aan een organisatie en ziet toe op de kwaliteit van EVC. Vervolgens is het aan werkgevers om te controleren dat werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden.
De resultaten van de steekproef worden in het antwoord op vraag 5 besproken. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg hiervan.
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Registratie in het kwaliteitsregister Jeugd kon tot en met vorig jaar op basis van een diploma (onderwijsroute) en op basis van een EVC-certificaat (arbeidsmarktroute). De bijbehorende EVC-standaard is begin januari 2026 door de standaardeigenaren2 ingetrokken op basis van de uitkomsten van de steekproef van SKJ. De registratieroute op basis van EVC is daarmee geen mogelijkheid meer.
In de onderwijsroute heeft de Minister van OCW, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor het formeel onderwijs, in juni 2025 alle onderwijsinstellingen opgeroepen om permanent terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC-certificaten. Daarnaast heeft Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in 2025 een tool opgeleverd waarmee werkgevers op de website van DUO eenvoudig kunnen controleren of een mbo-, hbo- of wo-diploma echt is.
De arbeidsmarktroute is met het EVC-stelsel privaat georganiseerd. Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest) in de jeugdzorg?
SKJ heeft de data van de 274 onderzochte EVC-dossiers uit de steekproef geëxtrapoleerd naar de hoog risico EVC-dossiers onder het totale aantal van 65.000 geregistreerden in het register. Dat leidt tot de inschatting van het aantal van 800 dossiers waar SKJ in dit artikel over rept. Het is niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk in totaal op basis van een frauduleus EVC-certificaat geregistreerd staan en hoeveel daarvan werkzaam zijn in de jeugdhulp. Dat laat onverlet dat ik het van groot belang vind dat de jeugdsector kan rusten op een betrouwbaar systeem waarin professionals met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn. Hierover ben ik met de betrokken partijen in gesprek.
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Schade aan jeugdigen vanwege fraude in de jeugdhulp is onacceptabel. Ik vind het zorgelijk dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. De kwaliteit en veiligheid van zorg aan kinderen en hun gezinnen moeten gewaarborgd zijn. Meerdere partijen in de sector hebben hierin een rol: werkgevers moeten de competenties van professionals toetsen, de SKJ registreert professionals die aan kwaliteitseisen moeten voldoen en de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit, zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Deze partijen kunnen hun vermoedens online of telefonisch melden bij Meld misdaad anoniem of bij het centrale meldpunt zorgfraude op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij zorgen over de kwaliteit van zorg kan een melding worden gedaan bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Tenslotte kan men ook aangifte doen bij de politie.
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Omdat het EVC-stelsel geen direct toezicht vanuit de overheid kent, hebben instanties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) geen formele rol. Wel hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het signaleren en agenderen van de EVC-problematiek. Bij strafrechtelijke overtredingen kan de strafrechtketen, waaronder de Politie, een rol spelen.
Per 1 januari 2025 heeft de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) de wettelijke taak gekregen signalen van zorgfraude te bundelen en delen met toezichthouders en opsporingsdiensten. Alle gemeenten zijn verplicht vermoedens van zorgfraude bij het IKZ te melden. Dankzij de wettelijke grondslag van het IKZ is doelmatige gegevensdeling tussen onderlinge instanties eenvoudiger. Dit versterkt de aanpak van fraude in de zorg.
Het Nationaal Kenniscentrum EVC is de toezichthouder van het EVC-stelsel, maar heeft onvoldoende handhavingsmogelijkheden. Daarom hebben de EVC-standaardeigenaren de EVC-standaard voor het jeugddomein ingetrokken. Dit is een ingrijpende, maar noodzakelijke stap. De jeugdzorgsector werkt nu aan een beter systeem opdat mensen met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn in de jeugdzorg. Hierover ben ik met de sector in gesprek.
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing, verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst van de mogelijke schade?
De SKJ is momenteel bezig met de aangifte tegen EVC-bureaus waar ernstige onregelmatigheden in de EVC-dossiers zijn geconstateerd. SKJ beziet nog of ook aangifte tegen individuele personen kan worden gedaan. Van de groep geregistreerden bij wie onrechtmatigheden in hun EVC-dossiers is gevonden, is de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd inmiddels doorgehaald. Dat betekent dat zij niet langer inzetbaar zijn voor taken in de jeugdhulp die vanwege o.a. complexiteit en risiconiveau de inzet van een geregistreerde professional eisen.
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Doorhaling van een registratie in het Kwaliteitsregister is niet slechts een administratieve verwijdering. Professionals die in het register staan ingeschreven mogen voorbehouden taken uitvoeren in risicovolle en complexe casussen, conform het Kwaliteitskader Jeugd. Bij doorhaling is voor iedereen, in het publiek te raadplegen register, zichtbaar welke professionals niet langer aan de eisen voldoen om deze taken uit te mogen voeren. Dat is daarmee een zorgvuldig proces. Behalve doorhaling van de registratie, is SKJ in het proces van aangifte doen tegen EVC-bureaus met als doel strafrechtelijke vervolging, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Het Openbaar Ministerie kan in een strafrechtelijk proces als onderdeel van de straf een beroepsverbod eisen.
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit, toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke stappen neemt u om dit op te lossen?
Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat geboden jeugdhulp van goede kwaliteit is. De steekproef en het vervolgdossieronderzoek komen bovenop de reguliere taken van SKJ. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor dit EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg.
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Het kabinet acht overheidstoezicht op private EVC-aanbieders een onvoldoende oplossing om de huidige misstanden aan te pakken en te voorkomen. Het is allereerst aan werkgevers om te controleren of werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden. Examencommissies van onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand voldoende kennis en kunde heeft om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van een) examen. De focus moet daarom liggen op werkgevers en onderwijsinstellingen die deze expertise en verantwoordelijkheden hebben, en niet op het al dan niet publiek toezien op een privaat stelsel. De sociale partners in de jeugdzorg nemen hierin hun verantwoordelijkheid en hebben besloten, na onderzoek naar de kwaliteit van de vakbekwaamheidsbewijzen op basis van EVC-trajecten, te stoppen met erkenning van deze bewijsstukken.
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend, zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Ik deel die zorg. Daarom heeft de Minister van VWS vorig jaar met collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten, vanwege de signalen van fraude. Ik roep ook de veldpartijen in andere zorgsectoren op kritisch te kijken naar de kwaliteit van EVC-certificaten en in hoeverre deze kan worden geborgd, net zoals de sociale partners in de jeugdzorg hebben gedaan.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Zoals in antwoord 14 aangegeven is vorig jaar een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken met professionals op basis van EVC-certificaten. Er is extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. De Minister van VWS beziet samen met de Ministers van OCW, SZW en JenV welke aanvullende maatregelen noodzakelijk en effectief zijn. Zij zullen de Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
De beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam ter zake een advocaat die verdacht wordt van deelname aan een criminele organisatie |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beslissing van de Raad van Discipline van 19 januari 2026?1
Hoe vaak is sinds de totstandkoming van artikel 60ab van de Advocatenwet een schorsing uitgesproken en hoe vaak is een voorlopige voorziening toegewezen zoals is gebeurd op 19 januari 2026?
Wat vindt u ervan dat een advocaat tegen wie een verdenking van een zeer ernstig strafbaar feit bestaat, namelijk deelname aan een criminele organisatie, werkzaamheden als advocaat kan verrichten terwijl de strafzaak nog loopt?
Wat vindt u ervan dat een advocaat die verdacht wordt van het doorgeven van boodschappen vanuit de Extra Beveiligde Inrichting zijn werkzaamheden als advocaat weer kan hervatten en dus ook gebruik kan maken van de bescherming die een advocaat geniet?
Hoe kan een advocaat die verdacht wordt van een zeer ernstig strafbaar feit volgens u voldoen aan alle kernwaarden die gelden voor de advocatuur?
Kunt u toelichten of er op een andere manier wordt beslist op een verzoek tot opheffing van een schorsing ex artikel 60ab van de Advocatenwet na de voorziene wijziging van de Advocatenwet waarmee de Onafhankelijk Toezichthouder Advocatuur wordt geïntroduceerd?
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Becking , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Het bericht ‘Hack bij Odido, gegevens miljoenen klanten in handen van criminelen’ |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Jan Schoonis (D66) |
|
Vincent Karremans (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over de cyberaanval bij Odido waarbij gegevens van circa 6,2 miljoen accounts zijn buitgemaakt door criminelen?1
Hoe beoordeelt u de omvang en ernst van dit datalek, mede gezien het feit dat ook gevoelige persoonsgegevens, zoals identiteitsdocumentnummers en rekeningnummers, mogelijk zijn gelekt?
In hoeverre heeft deze cyberaanval gevolgen voor de digitale veiligheid en weerbaarheid van Nederland, gezien de maatschappelijke rol van telecomproviders?
Hoe beoordeelt u het risico dat de bij Odido gestolen persoonsgegevens in de toekomst alsnog openbaar worden gemaakt, en welke gevolgen kan dit hebben voor de veiligheid en privacy van betrokken burgers?
Heeft Odido het datalek tijdig gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens en andere relevante instanties, en bent u op de hoogte van eventuele lopende onderzoeken?
Is er volgens uw inschatting sprake van nalatigheid of onvoldoende naleving van de Europese privacy- en beveiligingsverplichtingen, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), door Odido?
Welke risico’s lopen getroffen klanten en acht u de door Odido genomen maatregelen voldoende om deze risico’s te beperken?
Welke eisen worden momenteel gesteld aan telecomproviders ten aanzien van cyberbeveiliging en gegevensbescherming en voldoen deze volgens u nog aan de huidige dreigingscontext?
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen of toezichtmaatregelen te treffen richting telecomproviders om grootschalige datalekken te voorkomen?
Welke rol ziet u voor de overheid bij het ondersteunen van bedrijven en burgers bij het beperken van schade na grootschalige datalekken?
Acht u de oproep van Odido aan klanten om «extra alert» te zijn voldoende, of ziet u een verantwoordelijkheid voor aanvullende beschermingsmaatregelen richting getroffen klanten?
Bestaan er landelijke richtlijnen of protocollen voor ondersteuning van burgers die slachtoffer zijn van grootschalige datalekken waarbij identiteitsgegevens zijn buitgemaakt? Zo ja, worden deze in dit geval toegepast?
Op welke wijze houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht op de opvolging van dit incident, en beschikt de toezichthouder volgens u over voldoende bevoegdheden en capaciteit om effectief toezicht te houden bij grootschalige datalekken?
Welke lessen trekt u uit dit incident voor het beleid richting de markt op het gebied van de weerbaarheid van organisaties die grote hoeveelheden persoonsgegevens verwerken?
De bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de El Houda Moskee in Brunssum in de nacht van 13 op 14 februari 2026 is beklad met anti-islamitische teksten?1
Deelt u de opvatting dat het bekladden van een gebedshuis met anti-islamitische teksten niet alleen vernieling is, maar tevens een vorm van intimidatie en mogelijk een haatmisdrijf? Wordt een mogelijk discriminatoir of islamofoob motief expliciet meegenomen in het politieonderzoek?
Welke concrete maatregelen worden lokaal en landelijk genomen om moskeeën beter te beschermen tegen dit soort incidenten? Wordt daarbij specifiek rekening gehouden met periodes van verhoogde spanning of maatschappelijke onrust?
Deelt u de mening dat, zoals uit het recente rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt, discriminerende uitlatingen in het publieke en politieke debat kunnen bijdragen aan het normaliseren van haat en discriminatie tegen onder meer moslims, en dat dit klimaat een voedingsbodem vormt voor incidenten zoals de bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor bewindspersonen en Kamerleden? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en politie, aanvullende preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van islamitische gebedshuizen, zoals structureel contact met moskeebesturen, zichtbare surveillance of ondersteuning bij beveiligingsmaatregelen?
Hoe beoordeelt u het effect van dergelijke incidenten op het veiligheidsgevoel binnen islamitische gemeenschappen?
Bent u bereid om in de komende voortgangsrapportage met betrekking tot discriminatie expliciet aandacht te besteden aan geweld en vernielingen gericht tegen religieuze instellingen, waaronder moskeeën?
Het verbod op contante betalingen boven de 3000 euro, zoals opgenomen in de wet plan van aanpak witwassen en de nadelige effecten van deze wetgeving in het bijzonder voor de exportsector |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de 3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte van Europese buurlanden?
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro te beperken?
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Het bericht ‘Honderden Nederlandse kinderen slachtoffer van website voor afpersers’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL Nieuws waaruit blijkt dat een website actief is waarop persoonsgegevens van honderden Nederlanders, waaronder kinderen, staan met als doel om met deze persoonsgegevens de betrokkene af te persen en/of en intimideren?1
Deelt u de opvatting dat een dergelijke website, dat evident is ingericht om de persoonlijke levenssfeer van personen waaronder minderjarigen te schenden, per direct offline gehaald zou moeten worden?
Klopt het dat deze website al geruime tijd bekend is bij politie? Zo ja, welke concrete acties zijn sindsdien ondernomen om de website offline te halen of de hostingprovider(s) op te sporen?
Hoeveel aangiften zijn bij de politie bekend die direct te relateren zijn aan deze specifieke website? Wat gebeurt er met deze aangiften? Hoe worden de slachtoffers geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van deze aangiften?
Hoe ziet de internationale samenwerking eruit bij dergelijke verwerpelijke websites die door hostingbedrijven worden gerund buiten Nederland?
Kunt u aangeven of en zo ja welke juridische of technische belemmeringen bestaan om de hostingpartij te dwingen een website waar strafbare feiten op plaatsvinden offline te halen?
Wordt er door politie proactief gemonitord op websites of platforms waar doxing plaatsvindt, vergelijkbaar met de aanpak bij kinderporno of terrorisme? Waarom wel of waarom niet?
Acht u het wenselijk om het delict «doxing» zwaarder te gaan vervolgen, zeker wanneer het om minderjarigen gaat en het leidt tot seksuele intimidatie en ernstige psychische schade?
Welke extra stappen bent u bereid te nemen om kinderen online beter te beschermen tegen dit soort extreme vormen van digitale intimidatie?
Verkeerde taxaties door goudwisselkantoor |
|
Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht Consumentenprogramma Kassa: Goudwisselkantoor taxeert ver onder de waarde van de NOS?1
Deelt u de mening dat het zeer onwenselijk is dat consumenten op deze wijze worden opgelicht?
In hoeverre bent u van mening dat er sprake is van een functionerende vrije markt wanneer de prijsvorming zo afhankelijk is van willekeur?
Deelt u de mening dat een eerlijke prijsvorming in deze markt in de weg wordt gezeten door een groot verschil in informatiepositie en dat regulering daartoe wenselijk is?
Waarom is de handel van goud in Nederland nog niet gereguleerd?
Wat is het verschil tussen de Nederlandse markt voor goudinkoop en de Franse, waar er wel sprake is van regulering door de overheid?
Wat is er nodig om de consumentenbescherming voor de markt voor goudinkoop, net zoals in Frankrijk en België, te verbeteren?
Welke stappen gaat u ondernemen om consumenten beter te beschermen tegen goudwisselbedrijven die oneerlijk handelen?
Het artikel ‘Snelgroeiende autonome AI-assistent is een ‘disaster waiting to happen’’. |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Snelgroeiende autonome AI-assistent is een «disaster waiting to happen»»?1
Deelt u de zorgen van experts dat steeds autonomer opererende AI-assistenten risico’s vormen voor veiligheid, privacy, menselijke controle en mentale gezondheid? En kunt u daarbij aangeven welke risico’s u het meest urgent acht?
Acht u het wenselijk dat AI-systemen zelfstandig handelingen, zoals het doen van aankopen en het aangaan van contracten, kunnen verrichten namens gebruikers?
Zo ja, kunt u aangeven welke toepassingen het kabinet maatschappelijk gezien wenselijk en/of acceptabel vindt, en welke niet?
In hoeverre is het huidige Nederlandse en Europese toezichtkader (waaronder de AI Act) toereikend om risico’s van autonome AI-systemen die zelfstandig taken uitvoeren te ondervangen?
Welke definitie van verantwoorde AI (innovaties) hanteert het kabinet? En in hoeverre passen AI-assistenten daarin?
Kunt u aangeven of het naar uw inzicht wenselijk is dat er vanuit de overheid gebruik gemaakt wordt van autonome AI-assistenten? En op welke vlakken gebeurt dit al? Onder welke voorwaarden wordt dit toegestaan en hoe wordt hierop toegezien in de praktijk?
Hoe wordt op dit moment geborgd dat er in kritieke infrastructuur, in sectoren als defensie, de zorg en de overheid zelf, altijd sprake blijft van «meaningful human control» (ofwel «human in the loop») bij het gebruik van autonome AI-assistenten?
Welke andere waarborgen (vangrails) zijn naar uw verwachting nog nodig om hier goed mee om te gaan, voor zowel overheid als samenleving, en is bijsturing mogelijk?
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
Het bericht 'Jongeren vatbaar voor ‘snel geld’' |
|
Shanna Schilder (PVV), Nicole Moinat (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Jongeren vatbaar voor «snel geld»», waarin wordt beschreven hoe jongeren via sociale media worden geronseld voor criminele activiteiten?1
Deelt u de zorg dat met name kwetsbare jongeren, waaronder jongeren die al in beeld zijn of zouden moeten zijn bij jeugdzorg of wijkteams, extra vatbaar zijn voor deze vorm van online ronseling?
In hoeverre heeft u gezamenlijk zicht op de omvang van online ronseling van minderjarigen voor criminele activiteiten?
Klopt het dat jongeren vaak beginnen met ogenschijnlijk kleine en laagdrempelige klusjes, maar vervolgens via druk, chantage en intimidatie worden vastgezet in zwaardere criminaliteit?
In hoeverre is het huidige jeugdzorgstelsel zó ingericht dat signalen van criminele verleiding, online ronseling en normvervaging bij jongeren structureel en tijdig worden opgepikt en welke randvoorwaarden (zoals informatie-uitwisseling, capaciteit en expertise) spelen daarbij een rol?
In hoeverre worden jeugdzorgprofessionals en andere betrokken hulpverleners structureel geschoold in het herkennen van signalen van criminele uitbuiting en online ronseling van jongeren en in hoeverre wordt daarbij aangesloten bij bestaande expertise en werkwijzen, zoals die zijn ontwikkeld in de aanpak van loverboys en mensenhandel?
Hoe is de samenwerking en informatie-uitwisseling georganiseerd tussen politie, jeugdzorg, scholen en jongerenwerk wanneer signalen bestaan dat jongeren online worden benaderd voor criminele activiteiten en waar worden in de praktijk knelpunten ervaren?
Acht u de huidige strafrechtelijke mogelijkheden en handhavingsinstrumenten voldoende effectief om ronselaars en opdrachtgevers die minderjarigen inzetten voor criminele activiteiten op te sporen en hard aan te pakken? Zo nee, waar schieten deze volgens u tekort?
Hoe wordt voorkomen dat geronselde minderjarigen primair repressief worden benaderd, terwijl onderliggende problematiek zoals armoede, schulden, gezinsproblematiek of perspectiefloosheid onbehandeld blijft?
Acht u het wenselijk om preventieve campagnes en opsporingsmethoden, zoals het inzetten van (digitale) lokmiddelen door politie en gemeenten, landelijk te versterken en structureel te maken?
Bent u bereid te onderzoeken of de huidige wet- en regelgeving binnen zowel het strafrecht als de jeugdzorg voldoende ruimte biedt voor vroegtijdig ingrijpen en de Kamer hierover te informeren?
Het bericht 'Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Tijs van den Brink (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Heijnen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Douane onderschepte in 2025 veel minder cocaïne, maar wel meer cannabis», en de daarin geschetste ontwikkelingen in de drugssmokkel?1
Kunt u toelichten welke exacte kilo-cijfers de Douane in 2025 heeft gerapporteerd voor onderschepte cocaïne en cannabis, en hoe deze cijfers zich verhouden tot die van 2024 en 2023?
Kunt u aangeven welke achterliggende oorzaken u ziet voor de sterke toename van cannabisonderscheppingen in 2025, en in hoeverre de legalisatie van cannabis in landen als Canada, de Verenigde Staten en Thailand hieraan heeft bijgedragen?
Welke maatregelen neemt u in 2026 om de gesignaleerde toename van cannabissmokkel vanuit legaal producerende landen tegen te gaan, en hoe worden deze maatregelen afgestemd met de betrokken producentenlanden?
Kunt u een overzicht geven van de belangrijkste smokkelroutes die door de Douane en opsporingsdiensten zijn vastgesteld voor cocaïne en cannabis, en wat de belangrijkste veranderingen zijn ten opzichte van voorgaande jaren?
Welke internationale samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld met Canada, de Verenigde Staten, Thailand en EU-partners) zijn er momenteel gericht op het tegengaan van cannabis- en cocaïnesmokkel, en wat is het concrete effect van deze samenwerkingen tot nu toe?
In hoeverre duidt de daling van cocaïneonderscheppingen in 2025 volgens u op veranderingen in smokkelmethoden en -routes door criminele netwerken, en welke concrete aanwijzingen heeft u dat deze netwerken hun werkwijze hebben aangepast?
Welke nieuwe smokkelmethoden (zoals drop-offs op zee of het verbergen van drugs in reguliere handelsgoederen) zijn in 2025 door de Douane waargenomen, en welke risicoanalyse is daarop gemaakt?
Kunt u reageren op de constatering dat Nederland steeds vaker fungeert als doorvoerland naar Europa voor cannabis die legaal is geproduceerd in landen waar wietteelt is toegestaan en welke beleidsopties worden onderzocht om dit tegen te gaan?
Welke veranderingen in prioritering en strafmaat acht u noodzakelijk bij de aanpak van cannabissmokkel, gezien de lagere straffen en de mogelijke verschuiving van criminele netwerken van cocaïne naar cannabis?
Kunt u aangeven in hoeverre de daling van de onderschepte hoeveelheid cocaïne in 2025 (mede) het gevolg kan zijn van een verschuiving in toezicht- en handhavingsprioriteiten, waarbij relatief meer aandacht is uitgegaan naar cannabissmokkel, en bestaat het risico dat er evenveel cocaïne Nederland binnenkomt maar deze minder vaak wordt onderschept?
Bent u bekend met het bericht ««Ik was net een spaghettisliert»: verslaafde inbreker ontdekt in de gevangenis crystal meth, crack en viagra»?1
Wat is uw reactie op de constatering dat drugs in de gevangenis zelfs meer verkrijgbaar zou zijn dan buiten de gevangenis?
Hoe is het volgens u mogelijk dat op grote schaal drugs in gevangenissen terecht komen, ondanks strenge controles?
Deelt u de mening dat het problematisch is dat zelfs in gevangenissen drugsgebruik veelvuldig voorkomt en deelt u ook de mening dat hiervoor een passende straf zou moeten gelden?
Wat zijn de consequenties als een gedetineerde wordt betrapt op het binnensmokkelen of gebruiken van drugs?
Worden volgens u voldoende maatregelen genomen om verslavingszorg aan te bieden aan gedetineerden die dat nodig hebben en in hoeverre is hierover voldoende kennis aanwezig bij het gevangenispersoneel?
In hoeverre wordt (jaarlijks) onderzoek gedaan naar drugsgebruik en drugsinvoer in Nederlandse gevangenissen?
Hoe staat het met het experiment van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) om met nieuwe technologie synthetische drugs te kunnen opsporen?
Hoeveel beschikkingen in het gevangeniswezen zijn in 2024 en 2025 opgemaakt naar aanleiding van het bezit of gebruik van drugs in de gevangenis?
Zijn er signalen bekend dat er nog steeds veel nieuwe psychoactieve stoffen in gevangenissen in Nederland worden gebruikt, zoals Spice en andere preparaten waarin synthetische cannabinoïden zijn verwerkt? Heeft u daar een beeld van? Zo nee, bent u bereid daar onderzoek naar te doen?
Kan de aanpak van gevangenissen in andere landen leerzaam zijn voor Nederland als het gaat om het aanpakken van drugsgebruik? Zo ja, welke specifieke ervaringen of ontwikkelingen zijn dat?
Kunt u deze vragen beantwoorden ruim voor het commissiedebat over drugsbeleid en het commissiedebat over gevangeniswezen, beiden gepland op 26 februari 2026?
Diplomafraude in de jeugdzorg |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Vrees voor 800 mensen met nepdiploma actief in jeugdzorg, sector slaat alarm: «Kinderen beschermen tegen mensen met slechte bedoelingen»«?1
Ja.
Deelt u de ernstige zorgen over de omvang van de diplomafraude in de jeugdzorg, waarbij volgens Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) mogelijk circa 800 personen werkzaam zijn met een vervalst ervaringscertificaat (EVC) en een deel van hen kwetsbare kinderen ronselt voor criminele activiteiten?
Ja. Het is onacceptabel dat onbekwame mensen zorg verlenen, zeker aan kinderen en jongeren in kwetsbare situaties. Iedereen die zorg of hulp ontvangt moet ervan uit kunnen gaan dat zorgverleners over de juiste kwalificaties beschikken. Fraude en criminaliteit in de zorg zijn ernstig, onaanvaardbaar en moeten stevig worden aangepakt.
Hoe wordt concreet gecontroleerd of de EVC’s waarmee huidige professionals werken authentiek zijn en niet frauduleus verkregen? Wie is hiervoor verantwoordelijk, en welke bevoegdheden zijn daarvoor beschikbaar?
Uit de steekproef van SKJ blijkt bij 18 van de 22 EVC-aanbieders onregelmatigheden in de EVC-trajecten voor te komen. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Het Nationaal Kenniscentrum EVC (NKC) fungeert als toezichthouder van het EVC-stelsel. Het NKC verleent de erkenning als EVC-aanbieder aan een organisatie en ziet toe op de kwaliteit van EVC. Vervolgens is het aan werkgevers om te controleren dat werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden.
De resultaten van de steekproef worden in het antwoord op vraag 5 besproken. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg hiervan.
Welke verantwoordelijkheid neemt het kabinet, vanuit zijn stelselverantwoordelijkheid voor de jeugdzorg, voor het voorkomen en opsporen van diplomafraude, en welke concrete maatregelen zijn genomen of worden overwogen?
Registratie in het kwaliteitsregister Jeugd kon tot en met vorig jaar op basis van een diploma (onderwijsroute) en op basis van een EVC-certificaat (arbeidsmarktroute). De bijbehorende EVC-standaard is begin januari 2026 door de standaardeigenaren2 ingetrokken op basis van de uitkomsten van de steekproef van SKJ. De registratieroute op basis van EVC is daarmee geen mogelijkheid meer.
In de onderwijsroute heeft de Minister van OCW, vanuit diens stelselverantwoordelijkheid voor het formeel onderwijs, in juni 2025 alle onderwijsinstellingen opgeroepen om permanent terughoudend te zijn met het verlenen van vrijstellingen op basis van EVC-certificaten. Daarnaast heeft Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) in 2025 een tool opgeleverd waarmee werkgevers op de website van DUO eenvoudig kunnen controleren of een mbo-, hbo- of wo-diploma echt is.
De arbeidsmarktroute is met het EVC-stelsel privaat georganiseerd. Vanuit diens stelselverantwoordelijkheid heeft de Minister van VWS vorig jaar met de collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten. Ook is toen extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. Voor het jeugddomein wil ik dat wettelijk verankeren door de vergewisplicht in te voeren. De internetconsultatie hiertoe is gepland in april. Tenslotte heb ik met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor het EVC-dossieronderzoek.
Hoeveel kinderen en jongeren staan naar schatting gemiddeld onder begeleiding of toezicht van de circa 800 personen die mogelijk met een nepdiploma werkzaam zijn (geweest) in de jeugdzorg?
SKJ heeft de data van de 274 onderzochte EVC-dossiers uit de steekproef geëxtrapoleerd naar de hoog risico EVC-dossiers onder het totale aantal van 65.000 geregistreerden in het register. Dat leidt tot de inschatting van het aantal van 800 dossiers waar SKJ in dit artikel over rept. Het is niet bekend hoeveel mensen er daadwerkelijk in totaal op basis van een frauduleus EVC-certificaat geregistreerd staan en hoeveel daarvan werkzaam zijn in de jeugdhulp. Dat laat onverlet dat ik het van groot belang vind dat de jeugdsector kan rusten op een betrouwbaar systeem waarin professionals met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn. Hierover ben ik met de betrokken partijen in gesprek.
Deelt u de zorgen over de veiligheid en het welzijn van deze kwetsbare kinderen en jongeren en heeft u zicht op de schade die is veroorzaakt door deze circa 800 personen?
Schade aan jeugdigen vanwege fraude in de jeugdhulp is onacceptabel. Ik vind het zorgelijk dat onbekwame mensen zorg verlenen aan jeugdigen in kwetsbare situaties. De kwaliteit en veiligheid van zorg aan kinderen en hun gezinnen moeten gewaarborgd zijn. Meerdere partijen in de sector hebben hierin een rol: werkgevers moeten de competenties van professionals toetsen, de SKJ registreert professionals die aan kwaliteitseisen moeten voldoen en de IGJ houdt toezicht op de kwaliteit en veiligheid van zorg.
Waar kunnen jeugdzorgorganisaties, professionals en bestuurders terecht als zij concrete zorgen of signalen hebben over medewerkers die jongeren ronselen voor criminaliteit, zoals prostitutie, drugshandel of andere vormen van georganiseerde misdaad?
Deze partijen kunnen hun vermoedens online of telefonisch melden bij Meld misdaad anoniem of bij het centrale meldpunt zorgfraude op de website van de Nederlandse Zorgautoriteit. Bij zorgen over de kwaliteit van zorg kan een melding worden gedaan bij het Landelijk Meldpunt Zorg. Tenslotte kan men ook aangifte doen bij de politie.
Acht u de huidige meldpunten en instanties (zoals IGJ, SKJ en/of politie) voldoende toegerust om dergelijke signalen snel, deskundig en veilig op te pakken?
Omdat het EVC-stelsel geen direct toezicht vanuit de overheid kent, hebben instanties zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie van het Onderwijs (IvhO) geen formele rol. Wel hebben zij een belangrijke rol gespeeld bij het signaleren en agenderen van de EVC-problematiek. Bij strafrechtelijke overtredingen kan de strafrechtketen, waaronder de Politie, een rol spelen.
Per 1 januari 2025 heeft de Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (IKZ) de wettelijke taak gekregen signalen van zorgfraude te bundelen en delen met toezichthouders en opsporingsdiensten. Alle gemeenten zijn verplicht vermoedens van zorgfraude bij het IKZ te melden. Dankzij de wettelijke grondslag van het IKZ is doelmatige gegevensdeling tussen onderlinge instanties eenvoudiger. Dit versterkt de aanpak van fraude in de zorg.
Het Nationaal Kenniscentrum EVC is de toezichthouder van het EVC-stelsel, maar heeft onvoldoende handhavingsmogelijkheden. Daarom hebben de EVC-standaardeigenaren de EVC-standaard voor het jeugddomein ingetrokken. Dit is een ingrijpende, maar noodzakelijke stap. De jeugdzorgsector werkt nu aan een beter systeem opdat mensen met de juiste ervaring op een betrouwbare en veilige manier aan het werk kunnen en zijn in de jeugdzorg. Hierover ben ik met de sector in gesprek.
Hebben deze instanties voldoende doorzettingsmacht om direct in te grijpen wanneer sprake is van ernstige risico’s voor jongeren, bijvoorbeeld door tijdelijke schorsing, verscherpt toezicht of het uit het register verwijderen van betrokken professionals?
Zie mijn antwoord op vraag 8.
Welke stappen zijn tot nu toe gezet richting personen die bewust met een vervalst diploma in de jeugdzorg zijn gaan werken en staan deze in verhouding tot de ernst van de mogelijke schade?
De SKJ is momenteel bezig met de aangifte tegen EVC-bureaus waar ernstige onregelmatigheden in de EVC-dossiers zijn geconstateerd. SKJ beziet nog of ook aangifte tegen individuele personen kan worden gedaan. Van de groep geregistreerden bij wie onrechtmatigheden in hun EVC-dossiers is gevonden, is de registratie in het Kwaliteitsregister Jeugd inmiddels doorgehaald. Dat betekent dat zij niet langer inzetbaar zijn voor taken in de jeugdhulp die vanwege o.a. complexiteit en risiconiveau de inzet van een geregistreerde professional eisen.
Worden deze personen uitsluitend administratief uit het register verwijderd, of wordt ook gekeken naar strafrechtelijke vervolging en beroepsverboden?
Doorhaling van een registratie in het Kwaliteitsregister is niet slechts een administratieve verwijdering. Professionals die in het register staan ingeschreven mogen voorbehouden taken uitvoeren in risicovolle en complexe casussen, conform het Kwaliteitskader Jeugd. Bij doorhaling is voor iedereen, in het publiek te raadplegen register, zichtbaar welke professionals niet langer aan de eisen voldoen om deze taken uit te mogen voeren. Dat is daarmee een zorgvuldig proces. Behalve doorhaling van de registratie, is SKJ in het proces van aangifte doen tegen EVC-bureaus met als doel strafrechtelijke vervolging, zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 10. Het Openbaar Ministerie kan in een strafrechtelijk proces als onderdeel van de straf een beroepsverbod eisen.
Hoe beoordeelt u het feit dat SKJ aangeeft onvoldoende middelen te hebben om nader onderzoek te doen naar mogelijk frauduleuze registraties, terwijl toezicht op kwaliteit, toetsing en scholing van jeugdzorgprofessionals tot haar kerntaken behoort en welke stappen neemt u om dit op te lossen?
Jeugdigen en ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat geboden jeugdhulp van goede kwaliteit is. De steekproef en het vervolgdossieronderzoek komen bovenop de reguliere taken van SKJ. Daarom heb ik vorig jaar met mijn collega van JenV een subsidie van ruim 1 miljoen euro beschikbaar gesteld aan SKJ voor dit EVC-dossieronderzoek. Hiermee heeft SKJ de steekproef kunnen financieren en kunnen starten met het onderzoek van andere EVC-dossiers. Ik ben in gesprek met SKJ en betrokken partijen over het vervolg.
Acht u het wenselijk dat toezicht op EVC-aanbieders en de controle op diploma’s in de zorg grotendeels privaat is georganiseerd en niet onder direct overheidstoezicht valt ondanks dat dit tot deze misstanden heeft geleid?
Het kabinet acht overheidstoezicht op private EVC-aanbieders een onvoldoende oplossing om de huidige misstanden aan te pakken en te voorkomen. Het is allereerst aan werkgevers om te controleren of werknemers beschikken over de juiste kwalificaties en bevoegdheden. Examencommissies van onderwijsinstellingen zijn zelf verantwoordelijk voor het beoordelen of iemand voldoende kennis en kunde heeft om in aanmerking te komen voor een vrijstelling van een (deel van een) examen. De focus moet daarom liggen op werkgevers en onderwijsinstellingen die deze expertise en verantwoordelijkheden hebben, en niet op het al dan niet publiek toezien op een privaat stelsel. De sociale partners in de jeugdzorg nemen hierin hun verantwoordelijkheid en hebben besloten, na onderzoek naar de kwaliteit van de vakbekwaamheidsbewijzen op basis van EVC-trajecten, te stoppen met erkenning van deze bewijsstukken.
Deelt u de zorg dat personen met slechte intenties zich, nu de jeugdzorg strenger wordt, mogelijk verplaatsen naar andere zorgsectoren waar EVC’s nog wel worden erkend, zoals de wijkverpleging of gehandicaptenzorg?
Ik deel die zorg. Daarom heeft de Minister van VWS vorig jaar met collega-ministers van OCW en SZW een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken op basis van EVC-certificaten, vanwege de signalen van fraude. Ik roep ook de veldpartijen in andere zorgsectoren op kritisch te kijken naar de kwaliteit van EVC-certificaten en in hoeverre deze kan worden geborgd, net zoals de sociale partners in de jeugdzorg hebben gedaan.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat deze problematiek zich verplaatst naar andere delen van de zorg, en om kwetsbare cliënten daar eveneens beter te beschermen?
Zoals in antwoord 14 aangegeven is vorig jaar een brede oproep gedaan om terughoudend te zijn met het werken met professionals op basis van EVC-certificaten. Er is extra aandacht gevraagd voor de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders en werkgevers om in het kader van goed werkgeverschap te controleren dat hun personeel bevoegd en bekwaam is. De Minister van VWS beziet samen met de Ministers van OCW, SZW en JenV welke aanvullende maatregelen noodzakelijk en effectief zijn. Zij zullen de Kamer hier binnenkort over informeren.
Kunt u deze vragen uiterlijk voor het WGO Jeugd beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Misbruik via de plof-bv: kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er vat op’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in het FD: «Misbruik via de plof-bv kinderlijk eenvoudig en niemand krijgt er grip op»?1
Ja, ik heb kennisgenomen van dit artikel.
Was het risico dat turboliquidaties gebruikt kunnen worden als verdwijningstruc voor fraudeurs bij introductie van het voorstel voorzien? Zo ja, waarom is dit risico destijds ingeschat als acceptabel?
De wetgever heeft het wenselijk geacht dat lege, inactieve rechtspersonen op eenvoudige wijze konden worden beëindigd. De turboliquidatie is ingevoerd om dit mogelijk te maken.2 In de praktijk heeft de turboliquidatieregeling ruimte geboden aan bonafide ondernemers om betrekkelijk snel en eenvoudig naar de beëindiging van hun onderneming toe te werken, door (voorafgaand aan de ontbinding) alles van waarde te verkopen en met de opbrengst daarvan de schulden zoveel mogelijk af te lossen. Tegelijkertijd heeft de regeling zorgen doen ontstaan over misbruik door kwaadwillenden, met name als er schulden achterblijven.3 Er zijn minder procedurele waarborgen dan bij een gewone, maar kostbaardere en langere faillissementsprocedure. Dit risico werd dus onderkend en er werd ingezien dat de regeling verbetering behoefde,4 ook al is de aard en omvang van mogelijk misbruik niet precies vast te stellen. Deze verbetering kreeg urgentie toen de Minister voor Rechtsbescherming in 2022 in verband met de gevolgen van de COVID-19 pandemie voor het bedrijfsleven een mogelijke toename in bedrijfsbeëindigingen verwachtte. Dit heeft geleid tot de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie met een aantal additionele maatregelen. Zo moet het bestuur van de ontbonden rechtspersoon een financiële verantwoording opstellen en deponeren bij het handelsregister. Hierdoor kunnen schuldeisers beter beoordelen of de regeling correct is toegepast. Bestuurders kunnen verder een bestuursverbod krijgen, onder meer als zij niet aan de genoemde verantwoordingsverplichting hebben voldaan of doelbewust één of meer schuldeisers aanmerkelijk hebben benadeeld, bijvoorbeeld door frauduleus handelen.5
Deelt u de mening dat er geen volledig beeld is van de omvang van het misbruik van turboliquidaties? Zo ja, waarom? Zo nee, kunt u het volledige beeld delen met de Kamer?
Ik deel deze mening. Uit de praktijk volgt dat misbruik zich voordoet, maar de omvang hiervan is lastig vast te stellen. De reden hiervoor is dat het, vanwege het beperkte inzicht in de financiële stukken van een rechtspersoon, achteraf moeilijk is om te bepalen of bestuurders frauduleus hebben gehandeld.
Waarom zijn de negatieve signalen, zoals 1. dat de helft van degenen die gebruik maken van turboliquidaties, jarenlang of nooit een jaarrekening deponeerden, ondanks dat dit verplicht is, 2. dat de helft van de ontbindingen te laat zijn gemeld bij de Kamer van Koophandel of 3. dat de opheffing gebeurde met terugwerkende kracht, niet eerder boven tafel gekomen? Waarom is er niet eerder op deze signalen geacteerd?
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, waren er in het verleden diverse signalen van misbruik van de turboliquidatieregeling. Om deze reden zijn er met de Tijdelijke wet transparantie turboliquidatie diverse maatregelen doorgevoerd, waaronder de aangescherpte verantwoordingsplicht, de mogelijkheid voor schuldeisers om bij niet-naleving van deze verplichting inzicht te krijgen in de administratie van de ontbonden rechtspersoon en aangescherpte sancties, zoals de mogelijkheid tot oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod bij het niet voldoen aan de deponeringsverplichting.
De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft het WODC-onderzoek naar de effecten van deze wet op 12 augustus 2025 aan uw Kamer aangeboden.6 In deze brief heeft de Staatssecretaris toegelicht welke verbeteringsmogelijkheden de onderzoekers signaleren en dat zij concluderen dat de Tijdelijke wet bij naleving hiervan bijdraagt aan meer transparantie en in mindere mate bijdraagt aan het voorkomen van misbruik.
In reactie op het onderzoek is de looptijd van de Tijdelijke wet verlengd tot 15 november 2027. De Staatssecretaris Rechtsbescherming heeft daarnaast een wetgevingstraject aangekondigd om de voorzieningen uit de Tijdelijke wet permanent in te voeren. Bij dit wetgevingstraject worden de bevindingen uit het onderzoeksrapport betrokken en zal worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn, ook in het licht van het verrichte evaluatieonderzoek. Het streven is om in het tweede kwartaal van dit jaar een nadere, inhoudelijke beleidsreactie op het onderzoek met uw Kamer te delen.
Wat is er nodig om het toezicht op het bij een turboliquidatie verplicht deponeren van extra documenten te intensiveren zodat er inzicht ontstaat over de omvang van het probleem en zodat er gehandhaafd en opgetreden kan worden, aangezien het eerste bestuursverbod wegens foute turboliquidatie nog uitgedeeld moet worden?
De handhaving van de verantwoordingsplicht is de taak van Bureau Economische Handhaving (dat onderdeel was van de Belastingdienst en verder gaat onder de naam DFEI (Dienst financieel-Economische Integriteit) als onderdeel van het kerndepartement Financiën). Zoals in reactie op vraag 4 is aangegeven, zal in het kader van het nieuwe wetgevingstraject worden bezien welke aanpassingen van de regeling wenselijk zijn. Hieronder valt ook de handhaving van de verantwoordingsplicht. Voor wat betreft de verlengde duur van de tijdelijke wet zal het huidige budget en de huidige capaciteit in het toezicht moeten voorzien.
Wanneer is het rapport van het in 2019 gelastte onderzoek naar de omvang van het misbruik bij turboliquidaties gereed? Zal dit rapport enkel constateringen of ook oplossingsrichtingen bevatten?
Het onderzoek is op eigen initiatief door de Belastingdienst uitgevoerd. Het rapport wordt op korte termijn openbaar gemaakt en door de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane met uw Kamer gedeeld. Het rapport bevat voornamelijk bevindingen en aanbevelingen uit de (tussen)rapportage, die al in 2025 openbaar gemaakt is. Een aantal aanbevelingen, bijvoorbeeld, maar niet uitsluitend, het aanpassen van de opleiding voor nieuwe en huidige medewerkers en het opnemen van signalen in de invorderingssystemen, heeft de Belastingdienst uitgevoerd. Enkele aanbevelingen worden momenteel nog uitgewerkt binnen de Belastingdienst en zullen daarna worden geïmplementeerd.
Hoe kijkt u naar de wetsbepaling die in Duitsland bestaat die ondernemers dwingt om bij betalingsonmacht hun eigen faillissement aan te vragen? Zou een dergelijke wetsbepaling een onderdeel van de oplossing van het probleem kunnen zijn?
Ik vind dat we ondernemers in financiële problemen moeten stimuleren om tijdig maatregelen te nemen om deze problemen op te lossen. Bij tijdig ingrijpen wordt in de regel de schade voor schuldeisers beperkt, bijvoorbeeld wanneer met hen een akkoord kan worden gesloten over een financiële herstructurering. Bedrijfsbeëindiging kan in zo’n situatie ook een reële mogelijkheid zijn. Dit kan op verschillende manieren. Turboliquidatie biedt hiervoor een laagdrempelige mogelijkheid en brengt minder kosten met zich dan een faillissement. Dat is een voordeel, want hoe lager de kosten zijn, hoe meer er onder de schuldeisers kan worden verdeeld.
Een verplichting voor bestuurders om in geval van ernstige financiële problemen het faillissement van de onderneming aan te vragen maakt onderdeel uit van het recente richtlijnvoorstel tot harmonisering van het materiële insolventierecht (een «duty to file»).7 Nederland was hier kritisch op, omdat het moeilijk is om te bepalen wanneer zo’n verplichting geldt en zo’n plicht een aanzienlijk aansprakelijkheidsrisico in het leven zou roepen voor goedwillende ondernemers. Bovendien zijn er in Nederland al voldoende mogelijkheden om bestuurders aan te spreken indien zij op onrechtmatige wijze schuldeisers benadelen.8 Mede door de Nederlandse inzet bevat de richtlijn niet alleen een duty to file,9 maar ook twee alternatieven.10 Die alternatieven zijn11 een mogelijke verplichting voor ondernemers in financiële moeilijkheden om transparant te zijn naar schuldeisers en12 een mogelijke verplichting om andere maatregelen te treffen waarvan verwacht mag worden dat ze een vergelijkbaar niveau van schuldeisersbescherming bieden. Dit biedt de nodige flexibiliteit die Nederland wilde behouden voor reddingspogingen van ondernemingen die in potentie levensvatbaar zijn.
Tijdens de implementatie zal worden bezien op welke wijze aan de nieuwe verplichtingen van de richtlijn gevolg en invulling zal worden gegeven. De verwachting is dat de richtlijn in de loop van 2026 formeel in werking treedt, waarna de implementatietermijn gaat lopen.
Het bericht 'AFM: schade door beleggingsfraude kan oplopen tot €750 mln per jaar' |
|
Inge van Dijk (CDA) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van piramide tot ijsberg: de onzichtbare omvang van beleggingsfraude in Nederland» naar aanleiding van een door de Autoriteit Financiële Markten uitgevoerd onderzoek?1
Ja.
Deelt u de mening dat het, om beleggingen te stimuleren en het vertrouwen in de financiële markten hoog te houden, belangrijk is om beleggingsfraude stevig aan te pakken?
Die mening delen wij. Beleggingsfraude kan aanzienlijke financiële en emotionele schade veroorzaken bij slachtoffers en ondermijnt het vertrouwen in de financiële markten. Wij onderschrijven dat dit zorgelijk is en vinden dat beleggingsfraude hard aangepakt moet worden. Temeer omdat het – zowel op individueel als maatschappelijk niveau – wenselijk is dat Nederlandse huishoudens, die voldoende financiële buffers hebben en waar het past binnen hun risicoprofiel en -bereidheid, verantwoord meer gaan beleggen. Bij die aanpak is preventie het effectiefst: voorkomen dat mensen in beleggingsfraude trappen.
Waarin zitten wat u betreft de verschillen tussen het schadebedrag van 75 miljoen euro dat in 2024 door de politie is geregistreerd en de geschatte werkelijke schade-omvang van 750 miljoen euro door de AFM?
Volgens het rapport wordt het verschil tussen het schadebedrag van 75 miljoeneuro dat in 2024 door de politie is geregistreerd en de geschatte werkelijke schadeomvang van 750miljoeneuro vooral verklaard door onderrapportage en een lage meldingsbereidheid onder slachtoffers. Een groot deel van de beleggingsfraude blijft hierdoor onzichtbaar. De AFM baseert haar schatting op internationale vergelijkingen en een correctie voor het lage meldingspercentage, waardoor volgens het rapport de daadwerkelijke schade veel hoger ligt dan uit de politiecijfers blijkt.
Waarom kent Nederland geen centraal meldpunt voor beleggingsfraude waardoor en slechts gefragmenteerd zicht is op het aantal geregistreerde gevallen, terwijl het meldingspercentage in landen waar wel een dergelijk meldpunt aanwezig is duidelijk hoger is?
Er zijn inderdaad meerdere organisaties waartoe slachtoffers zich kunnen wenden, met elk hun eigen expertise en dienstverlening. De Fraudehelpdesk is een privaat en algemeen meldpunt voor alle vormen van fraude en ontvangt hiervoor subsidie van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daarnaast kunnen slachtoffers aangifte doen bij de politie. Ook banken kunnen vermoedens van beleggingsfraude melden bij de AFM. Hierdoor vindt registratie plaats op meerdere punten. Het is belangrijk dat slachtoffers snel en deskundig worden geholpen, ongeacht waar zij zich melden en dat slachtoffers zo nodig worden doorverwezen naar gespecialiseerde hulp en schadeverhaal. Zoals ook staat in antwoord 6 op de schriftelijke vragen van het Kamerlid Van Eijk (VVD) aan de Minister van Financiën over het bericht «AFM: Schade door oplichting met beleggingstrucs tien keer hoger dan gedacht», kunnen wij op dit moment nog niet beoordelen of de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één centraal meldpunt voor beleggingsfraude verstandig en (juridisch) mogelijk is. We ondersteunen nadere gesprekken hierover.
Bent u bereid om in overleg met AFM, FIOD, politie, fraudehelpdesks, OM en DNB in overleg te gaan over nut en noodzaak van een dergelijk centraal meldpunt en hoe dit vormgegeven zou kunnen worden?
De AFM heeft in het rapport opgeroepen tot overleg met ketenpartners en opsporingsdiensten om te onderzoeken of de nut en noodzaak van een centraal meldpunt breder gedeeld wordt en, zo ja, hoe hier invulling aan gegeven kan worden. De AFM heeft ons laten weten hiertoe graag het initiatief te nemen. Wij ondersteunen dit initiatief van de AFM. Mede gezien de oproep van de AFM, zien wij op dit moment geen rol voor ons weggelegd in die gesprekken. Wel zullen wij bezien, indien nodig en mogelijk, welke ondersteuning te geven is aan eventuele vervolgstappen die hieruit voortvloeien.
In hoeverre is de privacywetgeving bij met name banken mogelijk belemmerend bij het op kunnen sporen van facilitators?
Wij vinden het van belang dat het betalingsverkeer toegankelijk en veilig is. Banken moeten daarom acties ondernemen om mogelijke fraude te detecteren en te voorkomen, met het doel hun klanten te beschermen. Vooropgesteld moet worden dat banken zich daarbij houden aan het geldende wettelijk kader, zoals de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Banken zijn, in het kader van hun verplichtingen onder de Wet ter voorkoming van witwassen en terrorismefinanciering (Wwft) en met het opsporen van frauduleuze transacties, verplicht transactiemonitoring uit te voeren. Als zij in dat kader de transactie bestempelen als ongebruikelijk, dienen zij op grond van de Wwft hiervan een melding te maken aan de FIU-Nederland. Ook heeft de bank een verantwoordelijkheid om de klant te beschermen indien er vermoedens zijn van frauduleuze transacties (bijvoorbeeld door het bevriezen van een transactie en door contact op te nemen met de klant). Uit het AFM-rapport blijkt ook dat banken, in geval zij een vermoeden hebben van beleggingsfraude, een melding daarvan doorsturen naar de AFM (zie p. 17 AFM-rapport). Voor deze gegevensuitwisseling hebben banken, toezichthouders en opsporingsinstanties reeds meerdere grondslagen, zoals de publiek-private samenwerking binnen het Financieel Expertise Centrum (FEC PPS) en het verwijzingsportaal bankgegevens. Op grond van de Wwft, en straks de implementatie van het AML-pakket, krijgen toezichthouders en poortwachters nog meer grondslagen om gegevens onderling met elkaar uit te wisselen. Ons beeld is daarom niet dat de privacywetgeving op zichzelf belemmerend is voor banken bij het opsporen van facilitators.
Bent u bereid een algemene reactie te geven op het rapport waar het artikel naar verwijst met daarin een schets van de wijze waarop het kabinet zich gaat verhouden tot deze alarmerende signalen?
Het rapport maakt duidelijk dat beleggingsfraude een groeiende en zorgwekkende bedreiging vormt voor consumenten en het vertrouwen in de financiële markten. Het rapport laat zien dat beleggingsfraude in Nederland nog veel omvangrijker is dan gedacht. Het kabinet neemt deze signalen serieus en ziet het tegengaan van beleggingsfraude als een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle betrokken partijen. Aandacht voor preventie, verbeteringen van de meldingsbereidheid en registratie, samenwerking binnen de gehele keten en effectieve handhaving zijn cruciaal om deze problematiek het hoofd te bieden. In de integrale aanpak online fraude werken verschillende publieke en private partijen samen, waaronder de ministeries van Financiën, van Economische Zaken en van Justitie en Veiligheid, OM, politie, toezichthouders, financiële instellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties om uiteenlopende vormen van online fraude te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Naar aanleiding van voornoemd overleg tussen de AFM en ketenpartners willen wij bezien of en welke nadere maatregelen gepast zijn om (online) beleggingsfraude te bestrijden.
Fraude in de mondzorg in de Wlz door Vitadent |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Nicki Pouw-Verweij (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van EenVandaag van 10 december 2025?1
Ja.
Was u ervan op de hoogte dat dit soort praktijken plaatsvinden?
Het is mij bekend dat Wlz-uitvoerders aangeven dat het ontbreken van doelmatigheidsnormen rondom mondzorg in de Wlz de controle op rechtmatigheid en doelmatigheid van deze declaraties complex maakt. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft dat geconstateerd in het rapport «De kosten van onze langdurige zorg in 2024» dat ik op 16 december 20252 aan uw Kamer heb verzonden. Momenteel bestaan er geen richtlijnen ten aanzien van de duur en het aantal behandelingen bij Wlz-cliënten, waardoor Wlz-uitvoerders momenteel lastig kunnen concluderen of sprake is van eventuele overbehandeling. De NZa heeft gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz.
Erkent u dat het bij deze declaraties gaat om ondoelmatige én onrechtmatige zorg? Kunt u uw antwoord toelichten?
Geleverde zorg moet verantwoord en doelmatig zijn en geleverd worden door personen die daartoe bevoegd zijn. Van belang is dat er sprake is van multidisciplinair overleg over de mondzorg tussen de medewerkers van het verpleeghuis en de tandartsenpraktijken. Daarbij is doelmatigheid van de verleende mondzorg ook een onderwerp van gesprek. Alleen daadwerkelijk geleverde zorg die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, mag worden gedeclareerd. De basis voor de te leveren zorg ligt vast in het (mond)zorgplan. Declaraties worden gecontroleerd door de Wlz-uitvoerders. Op basis van de uitzending kan ik geen antwoord geven op de vraag of in dit geval sprake is van ondoelmatige of onrechtmatige zorg.
Hoe kan het dat commerciële partijen uren van onbevoegden op naam van de algemeen gegevensbeheer zorgverleners, de agb-code, van een tandarts declareren?
De NZa heeft beleidsregels opgesteld over het declareren van geleverde uren. Alle partijen moeten daaraan voldoen. Onbevoegden mogen geen uren declareren. Wel is het zo dat preventie-assistenten een aantal werkzaamheden zelfstandig mogen uitoefenen, maar de basis daarvan ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts. De Wlz-uitvoerders controleren deze werkwijze.
Is er toezicht op misbruik van Wlz-gelden, oftewel het bewust stoppen met het leveren van mondzorg, of het onbevoegd dan wel niet volgens de geldende standaarden leveren daarvan (maar wel geld ontvangen daarvoor via de dagprijs) in het verpleeghuis?
De dagelijkse mondzorg (o.a. (hulp bij) tandenpoetsen) behoort tot de dagelijkse zorg en wordt geleverd door de medewerkers van het verpleeghuis. Alle zorg – dus ook de tandheelkundige zorg – moet voldoen aan de daartoe geldende wet- en regelgeving. Ik heb geen signalen dat verpleeghuizen stoppen met het leveren van mondzorg of tandheelkundige zorg. Wat ik wel zie, is dat steeds vaker de tandheelkundige zorg geleverd wordt in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis. Dat kan naar mijn idee passende zorg zijn – mits voldaan wordt aan alle daaraan te stellen eisen – en er is geen sprake van misbruik van Wlz-gelden. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) ziet toe op de kwaliteit en veiligheid van de zorg die mondzorgprofessionals leveren. Hiernaast houdt de NZa toezicht op professionele bedrijfsvoering en goed bestuur van zorgaanbieders.
Als tijdens een bezoek blijkt dat de mondzorg niet in orde is, zal de IGJ een organisatie aanzetten/verplichten te voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en veldnormen ten aanzien van mondzorg.
Hoe is het mogelijk dat mondverzorging (bijv. kunstgebit reinigen) behorend bij de ADL tegen 207 euro gedeclareerd wordt als mondzorg? Hoe oordeelt u hierover?
Het in rekening brengen van mondverzorging via de bekostiging van mondzorg is niet toegestaan. De Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) heeft prestaties voor mondzorg waarin dit ook duidelijk staat beschreven. Als wordt aangetoond dat een zorgaanbieder mondverzorging uitvoert en daarvoor prestaties mondzorg in rekening brengt, is het aan de Zorgkantoren en eventueel de toezichthouder (NZa) om hiertegen op te treden.
Hoe oordeelt u over het bericht dat gebitscontroles bij deze kwetsbare groep verpleeghuisbewoners in elk geval bij Vitadent werden uitgevoerd door preventieassistenten in plaats van tandartsen?
De NZa stelt op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) prestaties met bijbehorende tarieven vast. Er is daarbij sprake van functionele bekostiging, hetgeen betekent dat de NZa niet oplegt wie deze zorg mag leveren. De NZa gaat er daarbij wel vanuit dat de uitvoerende zorgaanbieder bevoegd en bekwaam is. Een gebitscontrole is niet als voorbehouden handeling opgenomen in de Wet BIG en mag in beginsel dus ook door niet BIG-geregistreerd zorgverleners worden uitgevoerd. In dit geval is de gebitscontrole dus niet voorbehouden aan tandartsen en mag die ook uitgevoerd worden door andere zorgverleners. De basis van de verrichtingen ligt vast in het mondzorgplan onder verantwoordelijkheid van de tandarts.
Hoe oordeelt u over het bericht dat controles soms in een keukenstoel werden uitgevoerd en niet in een gewone tandartsstoel?
De huidige richtlijn voor mondzorg pleit ervoor tandheelkundige handelingen in een tandartsomgeving te laten plaatsvinden. Er is geen harde norm of regel die zegt dat dit moet. Uitgangspunt is dat tandartszorg geleverd wordt in een ruimte waarin tandartszorg geboden kan worden. Dit kan ook een mobiele praktijkruimte zijn.
Uitgangspunt is ook dat – als het in het voordeel is van de cliënt – een uitzondering gemaakt kan worden en de tandartszorg wel op de eigen kamer plaatsvindt. Dit omdat een verplaatsing naar een behandelkamer voor veel mensen die Wlz-zorg in een verpleeghuissetting ontvangen, fysiek en/of psychisch belastend kan zijn. Behandeling in de vertrouwde omgeving is dan vaak de minst ingrijpende en meest passende vorm van zorg, waarbij er uiteraard grenzen zijn aan de mogelijkheden om dat ter plekke te doen. Vooralsnog ben ik van mening dat de huidige regelgeving afdoende is om excessen tegen te gaan.
Of de mondzorg in dit geval op een verantwoorde manier werd uitgevoerd hangt dus af van de context.
Is er toezicht op verpleeghuizen die het leveren van mondzorg staken of terugschroeven, en zijn hier overzichten van?
Bij de IGJ is geen informatie bekend over verpleeghuizen die mondzorg staken of terugschroeven, anders dan de recente berichtgeving in de media.
Bent u het eens met de conclusie dat mondzorg in deze situaties in de laatste levensfase gestaakt wordt, met alle mogelijke implicaties voor de gezondheid van dien?
Ik ben van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd, bijvoorbeeld in de vorm van mobiele tandartsenbussen en/of op de kamers van de bewoners van het verpleeghuis.
Kunt u aangeven hoe groot de vergoeding (binnen het Wlz-tarief) voor tandzorg in een verpleeghuis is?
Alle kosten (m.u.v. het honorarium tandarts, de techniekkosten en de kosten voor narcose) die een zorgaanbieder moet maken om de mondzorg voor hun eigen cliënten te faciliteren zitten in het door de NZa vastgestelde tarief voor een zorgzwaartepakket (ZZP) verdisconteerd. Deze kosten zijn niet separaat geoormerkt en daardoor niet gespecificeerd in beeld. Ze zitten dus wel in het tarief, maar onbekend is hoeveel.
Hoeveel geld van het budget wordt «verdiend» als deze zorg achterwege blijft?
In het antwoord op vraag 11 heb ik aangegeven dat de kosten die zijn opgenomen in het ZZP-tarief niet gespecificeerd en daarmee zijn deze vragen niet te beantwoorden. Daarnaast ben ik van mening dat er geen sprake is van zorg die achterwege blijft, maar van zorg die op een andere wijze wordt geleverd.
Heeft u inzicht hoeveel geld het in het geheel betreft door deze praktijken? Zo niet, bent u bereid dit te gaan onderzoeken, en op welke manier?
Zie antwoord vraag 12.
Welke acties gaat u nemen om dit in de toekomst te voorkomen?
Er bestaan meerdere richtlijnen specifiek gericht op de mondzorg. Dit zijn onder andere:
Verder is er de standaard wet- en regelgeving in de zorg en het Generiek Kompas «Samen werken aan kwaliteit van bestaan». De IGJ heeft op basis van de bestaande richtlijnen en wet- en regelgeving een toetsingskader opgesteld voor mondzorg in de verpleeghuizen en een toetsingskader voor taakdelegatie in de mondzorg.
Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven heeft de NZa recent gepleit voor het opstellen van richtlijnen door de tandartsen en het verwerken daarvan in regelgeving. Het is in eerste instantie de sector zelf die deze richtlijnen moet ontwikkelen, maar daarnaast roept de NZa de Wlz-uitvoerders op om met elkaar in gesprek te gaan en daarbij te verkennen of het mogelijk is om in gezamenlijkheid tot doelmatigheidsnormen te komen, of anderszins te komen tot een gezamenlijke aanpak ten aanzien van mogelijk onterechte declaraties mondzorg in de Wlz. Ik ondersteun deze oproep van de NZa.
Hoe oordeelt u over de constatering dat er te weinig normen zijn voor het leveren van tandzorg aan deze kwetsbare groep?
Zie antwoord vraag 14.
Kan gesteld worden dat er wordt gehandeld in strijd met de Wlz, aangezien verpleeghuizen worden betaald tandartsen te faciliteren? Indien dat geld aantoonbaar niet daaraan wordt uitgegeven, wat zijn dan de consequenties? Moet dit geld teruggegeven worden?
In het Wlz-tarief zit ook een component opgenomen om de tandheelkundige zorg voor cliënten die verblijven in een instelling die ook de behandeling levert te kunnen bekostigen. Zoals in het antwoord op vraag 11 is aangewezen is dat bedrag niet separaat geoormerkt. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 is het afhankelijk van de context of de geboden zorg op de kamer van de bewoners verantwoord is.
Heeft u inzicht in de manier waarop mond- en tandzorg in het algemeen geleverd wordt in verpleeghuizen?
In 2015, 2016 en 2017 voerde de IGJ themabezoeken uit in verpleeghuizen gericht op mondzorg. Uit deze bezoeken kwamen over het algemeen positieve bevindingen. De inspectie bracht over deze bezoeken een factsheet uit en deelde deze met het veld.
De inspectie ontving afgelopen jaren een beperkt aantal meldingen over mond- en tandzorg in verpleeghuizen. Deze meldingen gaven in die periode geen aanleiding tot het intensiveren van het toezicht op de mondzorg in verpleeghuizen. De huidige aandacht en signalen geven hier wel aanleiding toe.
Kunt u aangeven wat er in werking is gezet sinds de vorige uitzending van EenVandaag over dit onderwerp, op 18 september 2025?
Ik bespreek dit signaal regelmatig in overleg met brancheorganisaties van aanbieders, zorgkantoren, IGJ en NZa. Ook de NZa heeft in een recent rapport (zie antwoord op vraag 2) aandacht gevraagd voor het ontwikkelen van doelmatigheidsnormen.
Het bericht ‘AFM: Schade door oplichting met beleggingstrucs tien keer hoger dan gedacht’ |
|
Wendy van Eijk-Nagel (VVD) |
|
Eelco Heinen (minister financiën, minister economische zaken en klimaat) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «Van piramide tot ijsberg: de onzichtbare omvang van beleggingsfraude in Nederland» naar aanleiding van een door de Autoriteit Financiële Markten uitgevoerd onderzoek?
Ja.
Deelt u de mening dat beleggingsfraude hard aangepakt dient te worden, zeker als het maatschappelijk wenselijk is dat er steeds meer mensen gaan beleggen zodat de Nederlandse en Europese concurrentiepositie worden verstevigd? Zo nee, waarom niet?
Ja. Beleggingsfraude kan aanzienlijke financiële en emotionele schade veroorzaken bij slachtoffers en ondermijnt het vertrouwen in de financiële markten. Wij onderschrijven dat dit zorgelijk is en vinden dat beleggingsfraude hard moet worden aangepakt. Ook omdat het – zowel op individueel als maatschappelijk niveau – wenselijk is dat Nederlandse huishoudens, die voldoende financiële buffers hebben en waar het past binnen hun risicoprofiel en -bereidheid, verantwoord meer gaan beleggen.
Wat is uw reactie op bovengenoemd rapport? Onderschrijft u de schatting in het rapport dat de omvang van beleggingsfraude mogelijk wel tien keer hoger is dan aanvankelijk gedacht?
Wij waarderen het dat de AFM met dit rapport aandacht vestigt op beleggingsfraude. Het rapport laat duidelijk zien dat beleggingsfraude in Nederland nog veel omvangrijker is dan gedacht. Het is van belang om beleggingsfraude aan te pakken en wij vinden het dan ook positief dat de AFM voorstellen doet om de aanpak van beleggingsfraude te verbeteren. De schatting dat de daadwerkelijke schade mogelijk tien keer hoger ligt dan aanvankelijk gedacht, is afkomstig uit het rapport. Het betreft een ruwe schatting van de AFM op basis van de geregistreerde omvang van beleggingsfraude in Nederland, een verwacht geregistreerd schadebedrag op basis van een internationale vergelijking en een correctie van dit bedrag voor de meldingsbereidheid van mensen. Wij kunnen de werkwijze en de daaruitvolgende schatting van de AFM goed volgen, maar het blijft een schatting en het is niet mogelijk om de omvang exact te bepalen.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen in het voorkomen van beleggingsfraude?
Volgens het rapport zijn er meerdere knelpunten die het voorkomen van beleggingsfraude bemoeilijken. Beleggingsfraude en nieuwe modus operandi ontwikkelen zich snel door toenemende digitalisering en internationalisering. Via socialemediaplatformen komen beleggers vaak voor het eerst in contact met fraudeurs. Ze worden verleid met hoge rendementen en bekende personen die vertrouwen creëren en de belegging aanprijzen in nepadvertenties. De AFM wijst dan ook op de verantwoordelijkheid van socialemediaplatformen en andere poortwachters in het voorkomen dat hun diensten worden misbruikt voor malafide doeleinden. Verder constateert de AFM dat de meldingsbereidheid onder slachtoffers laag is, onder meer vanwege gevoelens van schaamte en gebrek aan vertrouwen in het nut van melden. Daarnaast noemt het rapport dat er geen centrale en uniforme registratie is, waardoor meldingen versnipperd zijn over verschillende instanties en het totale beeld van het probleem onvoldoende duidelijk blijft. Beide factoren belemmeren gericht preventief en repressief handelen van instanties, terwijl dit beleggingsfraude deels zou kunnen voorkomen. Wij onderschrijven de knelpunten die de AFM in haar rapport beschrijft. Daarnaast benadrukken wij dat het van belang is dat beleggers- voordat zij een belegging doen -controleren of zij dat doen bij een instelling die daarvoor de vereiste vergunning(en) heeft.
Wat zijn volgens u momenteel de grootste problemen die repressief handelen tegen beleggingsfraude in de weg staan?
De belangrijkste knelpunten bij de voorkoming van beleggingsfraude (zoals hierboven genoemd) gelden ook als problemen die repressiein de weg staan. Daarnaast geldt voor repressief handelen specifiek dat het internationale en digitale karakter van beleggingsfraude het moeilijk maakt daders te traceren en te vervolgen.
Deelt u de mening dat de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één meldpunt voor beleggingsfraude verstandig is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid zich hiervoor in te spannen en op welke termijn zou dit dan gereed kunnen zijn?
Op dit moment kunnen wij niet beoordelen of de integratie van de huidige diverse meldpunten tot één centraal meldpunt voor beleggingsfraude verstandig en (juridisch) mogelijk is. De AFM heeft in het rapport opgeroepen tot overleg met ketenpartners en opsporingsdiensten over dit onderwerp om te onderzoeken of deze wens breder gedeeld wordt en, zo ja, hoe hier invulling aan gegeven kan worden. De AFM heeft ons laten weten hiertoe graag het initiatief te nemen. Wij ondersteunen dit initiatief van de AFM. Mede gezien de oproep van de AFM, zien wij op dit moment geen rol voor ons weggelegd in die gesprekken. Wel zullen wij bezien, indien nodig en mogelijk, welke ondersteuning te geven is aan eventuele vervolgstappen die hieruit voortvloeien.
Overweegt u aanvullende maatregelen tegen beleggingsfraude? Zo nee, waarom niet? Zo ja, aan welke maatregelen denkt u?
Binnen de publiek-private samenwerking voor de integrale aanpak van online fraude werken verschillende publieke en private partijen samen, waaronder de Ministeries van Financiën, van Economische Zaken en van Justitie en Veiligheid, OM, politie, toezichthouders, financiële instellingen en vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties om uiteenlopende vormen van fraude te voorkomen, te signaleren en te bestrijden. Voor online beleggingsfraude zijn in 2025 met experts technische barrières en interventies ontwikkeld om online beleggingsfraude te voorkomen.1 Wij willen bezien of het naar aanleiding van voornoemde verkenning noodzakelijk is om aanvullende maatregelen te nemen tegen (online) beleggingsfraude. Daarbij zullen wij met de betrokken partijen optrekken.
Het artikel 'In deze stad wordt nu de meeste cocaïne gebruikt, en het is niet Amsterdam' |
|
Mirjam Bikker (CU) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de recente publicaties over het rioolwateronderzoek waaruit blijkt dat Leeuwarden momenteel de hoogste concentratie cocaïnegebruik van Nederland kent, en dat ook het gebruik van amfetamine daar fors is gestegen?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat drugsgebruik niet normaal en ongezond is, en bovendien de onderwereld spekt en de samenleving verpest doordat het leidt tot criminele ondermijning, explosies en liquidaties? Bent u bereid dit in de stelligste en meest expliciete termen te veroordelen?
Ja. Drugsgebruik past niet binnen een normale, gezonde leefstijl en brengt altijd gezondheidsrisico’s met zich mee. Criminele netwerken verdienen aan het gebruik van drugs. Dit betekent omgekeerd dat drugsgebruik bijdraagt aan de instandhouding van een crimineel verdienmodel. Dit schadelijke aspect van drugsgebruik wordt benadrukt in de campagne «Drugs raakt ons allemaal» waarmee de afgelopen maanden in uitvoering van de motie Bikker over een landelijke campagne veel jongeren zijn bereikt.2 Deze inzet op bewustwording en preventie laat onverlet dat mensen met verslavingsproblematiek tijdig passende ondersteuning kunnen krijgen wanneer dat nodig is.
Hoe duidt u de in het artikel geschetste ontwikkeling in het licht van de landelijke aanpak tegen drugscriminaliteit en -gebruik? Ziet u hierin een trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken?
Dit kabinet zet in op het terugdringen van drugscriminaliteit en drugsgebruik. Ik neem signalen die op een trend in de andere richting lijken te wijzen dan ook serieus. In dit geval wil ik echter wel opmerken dat op basis van dit artikel slechts beperkt conclusies kunnen worden getrokken over de landelijke aanpak van drugscriminaliteit en drugsgebruik.
In algemene zin geldt dat rioolwatermetingen een waardevolle aanvulling kunnen zijn op andere onderzoeken naar drugsgebruik. Een lokale meting, zoals in Leeuwarden, biedt een indicatie van het gebruik van drugs in een bepaald onderzoeksgebied. De uitkomsten van rioolwatermetingen vereisen dan ook altijd een (lokale) kwalitatieve duiding. De toename kan het gevolg zijn van meer gebruik door een kleine groep gebruikers, hetzelfde gebruik door een grotere groep gebruikers of een hogere zuiverheid van de gebruikte drugs. Op basis van de huidige gegevens zie ik geen duidelijke trendbreuk ten opzichte van eerdere onderzoeken, maar wel een bevestiging dat blijvende inzet op preventie noodzakelijk is.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist Leeuwarden zo slecht scoort? Speelt de beschikbaarheid van drugs, de aanwezigheid van criminele netwerken of andere sociaaleconomische factoren hierbij een rol?
Leeuwarden heeft, net als veel grote steden in Nederland, te maken met (drugs)criminaliteit. In vergelijking met steden van vergelijkbare grootte scoort Leeuwarden niet beter of slechter. Onderzoekers Pieter Tops en Edward Van der Torre stellen in hun rapport «Leeuwarder Ondermijning» uit 2023 dat criminele netwerken actief zijn in de stad.3 Volgens hen zijn dit geen lokale, maar uit de Randstad afkomstige netwerken die in heel Nederland en ook in het buitenland actief zijn. Deze netwerken maken gebruik van de goede infrastructuur in Nederland, ook in Noord-Nederland. Daarnaast biedt het uitgestrekte, relatief dunbevolkte Friese platteland mogelijkheden om illegaal drugs te produceren en op te slaan.
Net als in andere Nederlandse gemeenten maken slechte sociaaleconomische omstandigheden mensen kwetsbaar voor criminaliteit en uitbuiting. Doordat Leeuwarden een centrumgemeente is, bevindt zich hier een relatief groot aantal kwetsbare personen. Bovendien leeft een groot gedeelte van de inwoners van de stad rondom het sociaal minimum en is er sprake van generatiearmoede. Financiële problemen gaan vaak gepaard met schuldenproblematiek en een slechte gezondheid. Daarnaast heeft Leeuwarden een centrumfunctie voor het uitgaansleven in de regio. Dit kunnen verklaringen zijn voor een relatief hoger gebruik van drugs, met name in het weekend. Het laat ook zien dat de aanpak van drugscriminaliteit én het terugdringen van drugsgebruik kennis van de lokale situatie en een lokale aanpak vergt.
Wordt er op dit moment voldoende ingezet op preventie en handhaving in regio’s buiten de Randstad, zoals Friesland? Zo ja, kunt u toelichten welke maatregelen daar specifiek worden genomen?
Het nationale beleid ten aanzien van drugsgebruik is landelijk uniform en richt zich op preventie, gezondheidsbescherming en het bieden van toegankelijke hulp aan mensen die problemen ervaren met middelengebruik. Instellingen zoals het Trimbos-instituut worden gefinancierd om materialen en interventies te ontwikkelen die gemeenten en professionals hierbij ondersteunen. Daarnaast is vanuit Verslavingskunde Nederland (VKN) een basispakket verslavingspreventie ontwikkeld, dat bestaat uit een geïntegreerd aanbod van kwalitatief goede, effectieve interventies die gemeenten op maat kunnen afnemen bij lokale aanbieders, afgestemd op plaatselijke behoeften. Het is aan gemeenten om binnen dit landelijke kader lokaal invulling te geven aan preventie, bijvoorbeeld via Gemeentelijke Gezondheidsdiensten (GGD), preventiecoalities of regionale zorgaanbieders. Het Trimbos-instituut heeft in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid en Sport (VWS) het Modelplan Lokaal Drugspreventiebeleid ontwikkeld. Het modelplan is een concreet format, die een gemeente helpt bij het schrijven van een effectief, integraal en lokaal drugspreventiebeleid.
De gemeente Leeuwarden heeft een lokaal gezondheidsbeleid «Samen Gezond» en geeft uitvoering aan het Preventie- en Handhavingsplan Drugs, Alcohol & Tabak. Eén van de concrete uitwerkingen is de implementatie van Opgroeien in een Kansrijke Omgeving (OKO). OKO is een landelijk preventieprogramma van het Trimbos en het Nederlands Jeugdinstituut dat dit jaar is gestart. Momenteel loopt er een OKO-monitor op het voortgezet onderwijs, is er een pilotinterventie «Pauzesport» opgestart en zijn er interactieve ouderavonden in ontwikkeling. Preventie van middelengebruik vraagt om een aanpak voor de lange termijn en een integrale benadering. De gemeente Leeuwarden werkt daarom nauw samen met ketenpartners zoals de GGD Fryslân, Verslavingszorg Noord-Nederland en diverse welzijnsorganisaties. Daarnaast maken Friese gemeentes onderdeel uit van het provinciale samenwerkingsverband «Nuchtere Fries», als onderdeel van de Friese Preventieaanpak.
Aan de hand van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) wordt in Leeuwarden-Oost gewerkt aan het doorbreken van intergenerationele armoede en het verbeteren van de leefbaarheid en veiligheid. Het lange termijn doel is om dit tot een gebied te maken waar kinderen kansrijk kunnen opgroeien, zonder armoede. Hierop wordt ingezet via de pijlers gezondheid, wonen, leren en werken, de thema’s leefbaarheid en veiligheid worden integraal in deze pijlers meegenomen. Via dit programma, dat een horizon heeft van twintig jaar, zet de gemeente Leeuwarden sterk in op het vergroten van perspectief van de bewoners en een vermindering van de invloed van criminelen op deze wijken.
Leeuwarden neemt deel aan het landelijke programma Preventie met Gezag (PmG) van JenV. De gemeente heeft PmG gepositioneerd binnen het eigen programma Leeuwarden-Oost. Met PmG Leeuwarden-Oost werken preventieve en justitiële partners samen om jongeren/jongvolwassenen (8–27 jaar) uit de criminaliteit te houden en te halen. Dit wordt op verschillende manieren gedaan. De PmG-partners zetten hun expertise in vanuit hun kerntaken en we versterken de onderlinge samenwerking waardoor zo effectief mogelijk kan worden gewerkt.
Jongeren op scholen in Leeuwarden-Oost worden weerbaarder tegen ondermijnende criminaliteit dankzij een geïntegreerd aanbod van Halt en Jongerenwerk. Daarnaast worden jongeren, indien nodig, individueel begeleid. Hierbij wordt gebruik gemaakt van interventies die vanuit het NPLV-programma Leeuwarden-Oost worden ingezet. Ten slotte versterkt de gemeente Leeuwarden de samenwerking tussen de PmG-partners en het netwerk binnen Leeuwarden-Oost. Hierdoor kennen de professionals elkaar inmiddels goed en weten zij wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit bevordert efficiëntie en de benutting van verschillende expertises. Het meest belangrijk is dat dit ook de ondersteuning van jongeren ten goede komt.
De aanpak van ondermijning is in de gemeente Leeuwarden geprioriteerd. Vanuit de aanpak wordt een extra impuls gegeven aan het tegengaan van ondermijning (preventie), de bestrijding ervan (repressie) en het creëren van bewustwording en weerbaarheid. Hiervoor heeft de gemeenteraad een incidenteel budget beschikbaar gesteld van € 600.000 voor de periode 2025–2027. Naar aanleiding van de extra impuls wordt actief ingezet op de toepassing van de wet Bevordering Integriteitsbeoordelingen door het Openbaar Bestuur (Bibob) en het intensiveren van bestuurlijke controles door een interventieteam ondermijning. Deze interventies leiden onder andere regelmatig tot de sluiting van drugspanden door burgemeester van Leeuwarden op grond van art. 13b Opiumwet.
Bent u het er mee eens dat de strijd tegen de drugsproblematiek en de criminele ondermijning die daarmee gepaard gaat, onmogelijk door gemeenten alleen kan worden opgelost?
Hier ben ik het mee eens.
Hoe wilt u gemeenten tegemoetkomen en ondersteunen om drugs en aanverwante ondermijning tegen te gaan? Welke intensivering zou daarvoor nodig zijn, en bent u bereid deze middelen uit te trekken?
Het kabinet ondersteunt gemeenten bij de aanpak van drugsgebruik en de daarmee samenhangende criminaliteit binnen bestaande landelijke kaders. Zoals in het antwoord op vraag 5 is toegelicht worden gemeenten ondersteund via GGD’en, preventiecoalities en regionale zorgaanbieders. Daarnaast bieden landelijk gefinancierde kennisinstellingen, zoals het Trimbos-instituut en Verslavingskunde Nederland hierbij concrete handvatten.
Voor de aanpak van ondermijnende, georganiseerde criminaliteit worden gemeenten onder andere ondersteund door het Landelijke Informatie en Expertisecentrum (LIEC), de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC’s) en het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV). Het RIEC-Noord Nederland is actief in de regio Leeuwarden en biedt de gemeente ondersteuning bij analyse en advisering bij casuïstiek in de aanpak van ondermijning. Het RIEC-LIEC bestel wordt vanuit het Rijk gefinancierd. Meer specifiek gericht op de aanpak van jeugdcriminaliteit in gemeenten is PmG al genoemd. De eerste resultaten van dit programma zijn positief. Gelet op deze bestaande instrumenten en de huidige inzichten ziet het kabinet op dit moment geen aanleiding om de ondersteuning vanuit het Rijk te intensiveren.
Bent u bereid om, samen met gemeenten en politie, extra aandacht te geven aan de aanpak van drugsgebruik en -handel in Leeuwarden en vergelijkbare steden?
Zoals in antwoord 7 is aangegeven, zet dit kabinet vol in op de aanpak van ondermijnende drugscriminaliteit en het terugdringen van drugsgebruik. Hierbij stelt het kabinet middelen en instrumenten beschikbaar om het (lokale) gezag te equiperen deze problematiek aan te pakken. Het gaat hier in veel gevallen om een meerjarige, langdurige inzet. Er is goed contact met de gemeente Leeuwarden en vergelijkbare steden over de lokale situatie.
Hoe beoordeelt u het instrument van rioolwateronderzoek als middel om trends in drugsgebruik te monitoren? Overweegt u om dit structureel en landelijk uit te breiden, zodat er een vollediger beeld ontstaat?
In november 2023 hebben JenV en VWS opdracht gegeven aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Trimbos-instituut om een pilotstudie uit te voeren naar het gebruik van drugs door middel van rioolwateronderzoek. Dit onderzoek is op 5 november jl. gepubliceerd. De studie heeft uitgewezen dat rioolwateronderzoek een goede, objectieve aanvulling kan zijn op het landelijke beeld van drugsgebruik dat op basis van andere bronnen wordt samengesteld. De onderzoekers stellen dat één rioolwatermeting per jaar, ieder jaar op hetzelfde moment, voldoende is om het landelijke beeld te onderhouden. Meer metingen zijn niet nodig, omdat het drugsgebruik in Nederland volgens de metingen van het RIVM het hele jaar relatief constant is. Ik ben momenteel, samen met de Staatssecretaris van JPS, in gesprek met het RIVM en het Trimbos-instituut over de wijze waarop wij een vervolg willen geven aan deze pilot. De Staatssecretaris JPS en ik informeren uw Kamer hier zo spoedig mogelijk meer uitgebreid over.
Het bericht ‘Dit jaar al 500 nepagenten aangehouden, vier keer meer dan in 2023’ |
|
Jeltje Straatman (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er dit jaar al 500 nepagenten zijn aangehouden, vier keer meer dan in 2023? Wat is uw eerste reactie op deze stijging?1
Ja, het is ongewenst dat er zo veel criminelen zijn die zich voordoen als agent. Ik ben wel blij dat de politie hier veel aandacht voor heeft en daarom zo veel nepagenten heeft kunnen opsporen en aanhouden.
In hoeverre hangt de stijging van het aantal aangehouden nepagenten samen met deze gerichte en intensieve inzet van de politie, zoals u in 2024 aangaf?2
De politie zet meer in op heterdaad bij meldingen over nepagenten. Hierdoor kan vaker succesvol opgespoord worden. Door de werkwijze van de daders haalt de politie vooral veel succes bij het opsporen en aanhouden van de nepagenten die aan de deur staan.
De politie heeft afgelopen zomer via een succesvolle publiekscampagne met Omroep Max ingezet om meer maatschappelijke bewustwording te creëren en mensen te behoeden. In deze publiekscampagne is uitgedragen actief het alarmnummer 112 te bellen en daarnaast te verifiëren of er nepagenten aan de deur staan. Sindsdien wordt 112 ook daadwerkelijk vaker gebeld. Dat kan het hoge aantal aanhoudingen (deels) verklaren.
Hoe ontwikkelt het aantal meldingen en aangiften van deze criminaliteitsvorm zich op dit moment?
Het aantal aangiftes en meldingen van nepagenten blijft nog altijd stijgen.
Deelt u de zorgen van de CDA-fractie dat een dergelijke toename duidt op nóg professionelere en georganiseerde criminele bendes die deze vorm van oplichting gebruiken? Zo ja, welke structurele tegenmaatregelen zijn volgens u per direct nodig?
Ja, ik vind het zorgelijk dat het aantal incidenten met nepagenten stijgt. Daarom ben ik, in lijn met de motie Boswijk en Mutluer3, aan het onderzoeken of oplichting in eigen woning door nepagenten zwaarder bestraft kan worden.
Daarnaast is het van belang dat de politie door gaat met bewustwordingsacties bij groepen die vaak slachtoffer worden van nepagenten. Een goed voorbeeld hiervan is de campagne samen met Omroep Max.
Hoe verklaart u de in het artikel genoemde sterke regionale verschillen, en welke lokale factoren of criminele patronen liggen hier volgens u aan ten grondslag?
Er is geen onderzoek gedaan naar de oorzaak van deze verschillen.
Worden slachtoffers in 2025 daadwerkelijk sneller en vaker geholpen en hoe beoordeelt u de effectiviteit van deze campagnes, gezien uw antwoorden op de eerdere schriftelijke vragen van het lid Boswijk dat slachtoffers vaak schaamte ervaren en dat campagnes gericht zijn op het vergroten van de aangiftebereidheid?3
Er is dit najaar een evaluatie uitgevoerd door een extern onderzoeksbureau naar de effectiviteit van de publiekscampagne met Omroep Max die is gestart op 11 juli 2025. De primaire doelgroep van de campagne wordt gevormd door senioren in de leeftijd van 70+, de secundaire doelgroep bestaat uit hun omgeving (zoals (klein)kinderen). Het bereik van de campagne onder de doelgroep 70+ is hoog.
Het doel van de campagne was bewustwording en handelingsperspectief vergroten bij senioren, voor het geval ze met nepagenten te maken krijgen. De uitkomsten van dit onderzoek wijzen erop dat de campagne hierin slaagt. De politie ziet dat mensen die de campagne al eerder hebben gezien (dus vóórdat zij ermee in het onderzoek werden geconfronteerd) zich inderdaad bewuster zijn van het gevaar van nepagenten en beter weten wat ze moeten doen als zij hiermee te maken krijgen.
De 70-plussers die de campagne al voor het onderzoek hadden gezien, geven daarbij vaker aan direct 112 te bellen, een handelingsadvies dat expliciet in de campagne werd genoemd.
Het landelijke protocol #digitp, waarbij er bij meldingen van digitale criminaliteit (waaronder nepagenten) zoveel als mogelijk politiemensen naar een melder toegaan om hulp te bieden en mogelijke sporen veilig te stellen zorgt voor snellere en betere hulp aan slachtoffers op het moment dat zij die het meeste nodig hebben. Dit protocol wordt doorlopend bijgesteld op basis van de ervaringen van zowel politie als burgers.
Het schaamte-element is helaas zeer hardnekkig. Zowel in het contact met slachtoffers als in berichtgeving (zoals campagnes) probeert de politie te benadrukken dat schaamte begrijpelijk is, maar niet nodig, en dat dit iedereen kan overkomen. Dit is echter een culturele verandering in hoe de maatschappij naar deze criminaliteit en de slachtoffers kijkt en zal dus blijvend aandacht nodig hebben.
Acht u, gezien de explosieve stijging van nepagenten, de huidige strafbaarstelling nog wel toereikend genoeg, aangezien u heeft aangegeven dat het dragen van een strek lijkend uniform niet strafbaar is, tenzij het tot verwarring leidt?
Ik verwijs u naar mijn reactie op de motie Boswijk c.s. in het tweede halfjaarbericht politie 2025.6
Wat is de stand van zaken van de uitvoering van de aangenomen motie Boswijk-c.s. over het verruimen van de strafbaarstelling van verkoop en aanschaf van neppe politie-uniformen?4
Zie antwoord vraag 7.
Welke verklaringen heeft u voor het feit dat juist ouderen opnieuw het grootste doelwit lijken te zijn?
Criminelen gebruiken diverse werkwijzen om mensen geld afhandig te maken. Alle doelgroepen zijn doelwit, maar met een werkwijze die past bij de belevingswereld van die doelgroep.
Voor ouderen speelt het aspect autoriteit (zoals bankmedewerkers en politie) een grote rol. Ouderen hebben daarnaast vaker meer vermogen (vaak ook in huis), dure sieraden en kunst. Hier past een vorm van oplichting bij waarbij je dat geld, sieraden, en goederen op gaat halen.
Jongeren worden ook slachtoffer van deze criminelen, maar dan met varianten meer toegesneden op hun belevingswereld: elektronica die niet geleverd wordt, ticketsites die niet bestaan, beleggingsfraude en datingfraude zijn varianten waar de jongere generaties mee geraakt worden.
Wordt de aanpak van deze doelgroep aangepast of geïntensiveerd?
De politie blijft inzetten op diverse vormen van bewustwording en hulpverlening. Ook werkt de politie samen met diverse partijen om de doelgroep vanuit meerdere invalshoeken te benaderen.
Welke aanvullende maatregelen bent u bereid te nemen om burgers – en specifiek ouderen – beter te beschermen tegen deze misleidende criminelen?
Voorlichting over de manier van opereren door nepagenten is erg belangrijk. Daarnaast is het voor de opsporing van nepagenten van belang dat slachtoffers melding doen wanneer ze vermoeden dat er een nepagent aan de deur staat. Daarom is op www.politie.nl een pagina ingericht met tips over hoe je kan voorkomen dat je slachtoffer van nepagenten wordt en een handelingsperspectief als je slachtoffer bent geworden. Ik vind het belangrijk dat deze tips verspreid worden onder ouderen. Daarom zijn publiekscampagnes zoals die van afgelopen zomer met Omroep MAX erg waardevol.