Kamerstuk 28638-39

Verslag van een algemeen overleg

Mensenhandel; Verslag van een Algemeen Overleg


28 638
Mensenhandel

nr. 39
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG

Vastgesteld 22 december 2008

De vaste commissie voor Justitie1 heeft op 12 november 2008 overleg gevoerd met minister Hirsch Ballin van Justitie en staatssecretaris Albayrak van Justitie over:

– de brief van de minister van Justitie d.d. 17 juni 2008 over de Snelle Actie Teams (28 638, nr. 35);

– de brief van de staatssecretaris van Justitie d.d. 26 september 2008 over de Eerste trendrapportage over de uitvoering van de B9-regeling (28 638, nr. 36).

Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.

Voorzitter: De Pater-van der Meer Griffier: Nava

Vragen en opmerkingen uit de commissie

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Mensenhandel is een zwaar en ernstig delict. Slachtoffers van mensenhandel worden uitgebuit, doorverkocht en vaak komen zij in de prostitutie terecht. Het is goed dat het kabinet de strijd tegen mensenhandel heeft aangebonden en dat het voor die strijd wettelijke mogelijkheden heeft geboden, zoals zwaarder straffen. Ik ben blij met het nieuws dat de minister de gevangenisstraf voor mensenhandel zal verhogen tot acht jaar. Het deel van mijn inbreng dat daarover gaat, zal ik daarom weglaten.

Met de brief van de minister die vandaag is geagendeerd, wordt verwezen naar het project Veiligheid begint bij voorkomen. De onderwerpen waarmee het kabinet bezig is, zijn: snelle actieteams, loverboys, vrouwen die nergens ingeschreven staan, de bruid uit het buitenland en uitbuiting in overige sectoren. Ik zal op al die onderwerpen niet ingaan; daarvoor is mijn spreektijd te kort, maar het is goed dat het kabinet al deze onderwerpen agendeert. Ze worden vaak afzonderlijk aan de orde gesteld met schriftelijke of mondelinge vragen, maar met agenderen alleen zijn wij er niet. Mensenhandel is een keiharde business en er wordt veel geld mee verdiend in zware, criminele netwerken door gewetenloze mensen die tot alles bereid zijn. Deze netwerken zijn betrokken bij drugshandel, wapenhandel en zij opereren internationaal. Is Nederland qua menskracht en deskundigheid voldoende toegerust om deze internationaal opererende netwerken daadwerkelijk aan te pakken? Wordt samengewerkt met landen waar vrouwen, kinderen en jonge mannen worden verhandeld? Ik weet dat daarmee incidenteel wordt samengewerkt, maar graag verneem ik hoe die samenwerking precies gestalte krijgt.

Uit de Korpsmonitor prostitutie en mensenhandel 2006 bleek dat niet alle politiekorpsen een mensenhandelteam hebben ingericht en dat soms zaken niet behandeld worden. Wat is de stand van zaken? Zijn alle politiekorpsen in staat om mensenhandel aan te pakken? Is er daarvoor voldoende opsporingscapaciteit? Hierop krijg ik graag een reactie van de minister.

Zoals ik al zei, wij zijn blij met het verhogen van de gevangenisstraf tot acht jaar. Worden naast gevangenisstraf andere sancties ingezet? Wordt bijvoorbeeld mensen in voldoende mate hun crimineel vermogen dat zij met mensenhandel hebben opgebouwd ontnomen? Het Pluk-zebeleid zou ook hier moeten gelden. Hierop krijg ik eveneens graag een reactie.

Voorzitter. Mensenhandel is een lucratieve bezigheid. Dat hebben wij afgelopen zondag kunnen zien in een uitzending van Peter R. de Vries. Joran van der Sloot schijnt geld te verdienen met het verkopen van Thaise vrouwen. Voor $500 gaan ze op hun knieën. Respectloosheid bleek uit het beeld dat ons werd getoond en dat met een verborgen camera was opgenomen. Joran van der Sloot is een bekende Nederlander en wordt dus gefilmd, maar hoeveel onbekende Nederlanders lopen in arme landen rond en maken zich daar schuldig aan dit soort praktijken? Hoe weten wij welke Nederlanders hierbij betrokken zijn? Wat is de mening van de minister over deze uitzending? Is het Openbaar Ministerie van plan om naar aanleiding van deze uitzending iets tegen Joran van der Sloot te ondernemen?

Vrouwenhandel is in Nederland aan de orde van de dag. Dagelijks worden in Nederland vrouwen uitgebuit of moeten onder erbarmelijke omstandigheden werken, zoals in het geval van de Thaise vrouwen waarvoor De Rode Draad onlangs aandacht vroeg. Deze vrouwen werken in erotische massagesalons voor slechts € 3 tot € 5 per uur, zij maken lange dagen en werken vaak onder zeer onhygiënische en ongezonde omstandigheden. Ik heb hierover schriftelijke vragen gesteld, maar nog geen antwoord gekregen. Dankzij De Rode Draad weten wij van het bestaan van deze vrouwen af, maar hoe komt het dat de Arbeidsinspectie niet ingrijpt? Wij vinden dat er een onderzoek moet komen naar dit soort praktijken. Deze vrouwen zijn eigenlijk onzichtbaar en zij worden uitgebuit in massagesalons, maar ook in de huishouding, naar ik heb gehoord. Deze vrouwen moeten worden ondersteund, zodat zij hun verhaal kunnen doen. Hierop krijg ik graag een reactie.

Een ander punt dat ik wil aankaarten, betreft de mensenhandel via eilanden als Bonaire en een deel van Sint Maarten. Ik begrijp dat deze eilanden per 1 januari vergelijkbaar zijn met een Nederlandse gemeente. Volgens een rapport uit Brazilië worden nogal eens vrouwen uit dat land, bijvoorbeeld via Suriname, naar deze eilanden verhandeld. Hoe wordt mensenhandel in deze nieuwe gemeenten bestreden?

Organisaties als De Rode Draad constateren dat groepen Bulgaarse, Hongaarse en Roemeense prostituees door Nederland reizen. Een deel van hen is afkomstig uit de Roma-gemeenschap. In het land van herkomst leven deze meisjes in zodanige omstandigheden dat zij drie maanden rust zoeken in een uitbuitingssituatie in de Nederlandse prostitutie. Ik heb daarvan een verslag gelezen op de website van De Rode Draad. Worden gesprekken gevoerd met de autoriteiten in de landen van herkomst om hier wat aan te doen? Wordt bijvoorbeeld geprobeerd om wat te doen aan het geweld van de politie tegen deze prostituees in het algemeen en tegen de vrouwen uit deze gemeenschappen in het bijzonder?

Dan wil ik iets zeggen over de loverboys. Ik vind «loverboys» een afschuwelijke term. Wat dat betreft ben ik het helemaal eens met het kabinet. De naam loverboy veronderstelt dat aan de inspanningen van deze persoon liefde ten grondslag ligt, terwijl het gaat om pooiers die meisjes ronselen. Afgelopen vrijdag heb ik deel genomen aan een debat in Felis Meritis over een documentaire over loverboys die zaterdag werd uitgezonden. Slachtoffers en hun ouders hebben deelgenomen aan dat debat. De ervaringen van deze Nederlandse meisjes die in Nederland worden uitgebuit, zijn afschuwelijk. Sommigen hebben twee keer abortus moeten ondergaan. Sommigen hebben van hun 15de tot hun 24ste gedwongen in de prostitutie moeten werken. Als zij nog minderjarig zijn en hulp zoeken, komen zij in jeugdgevangenissen terecht, omdat er geen gerichte opvang voor deze meisjes is. Hoeveel minderjarige slachtoffers van mensenhandel zitten voor hun veiligheid of bij gebrek aan een ander perspectief in jeugdgevangenissen? Kan de minister daarvan een overzicht geven?

De opvang van slachtoffers van mensenhandel is een groot probleem. In juli 2003 heb ik er al schriftelijke vragen over gesteld. Onlangs heb ik dat weer gedaan naar aanleiding van een artikel in GPD-bladen. Uit dat artikel bleek dat slachtoffers van mensenhandel geregeld in een politiecel of op straat verblijven, omdat er een groot tekort is aan veilige opvangplaatsen. Kan de minister of de staatssecretaris zeggen waarom de opvang van de slachtoffers van mensenhandel nog steeds niet is geregeld? De aanpak van mensenhandel valt of staat met de bereidheid van de slachtoffers om mee te werken aan het opsporen van de daders, maar ook met de manier waarop zij worden opgevangen. De slachtoffers kunnen namelijk alleen meewerken aan de opsporing als zij zich veilig voelen. Hierop krijg ik graag een reactie.

Voorzitter. Ik wil vervolgens de staatssecretaris een paar vragen stellen over de B9-regeling. Vaak zijn de slachtoffers van mensenhandel niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding. Dit komt geregeld voor bij vrouwen uit Sierra Leone. Hoe wordt volgens de staatssecretaris de paspoorteis beoordeeld in het kader van de B9-regeling? Hierop krijg ik graag een reactie van de staatssecretaris.

Als bij de vreemdelingenbewaring geconstateerd wordt dat iemand slachtoffer is van mensenhandel, wordt de betrokkene in de gelegenheid gesteld om aangifte te doen. Er geldt een bedenktijd van enkele dagen. Pas nadat er aangifte is gedaan, kan de vreemdeling uit de bewaring worden gehaald. Enige tijd geleden heeft Amnesty International met een rapport over vreemdelingenbewaring zijn zorgen geuit vanwege de situatie van deze slachtoffers. Is de staatssecretaris voornemens om aan deze groep extra aandacht te besteden? Wil zij zich wellicht soepeler opstellen bij het beoordelen van mogelijkheden om deze mensen uit de bewaring te halen?

Voorzitter. In een eerder debat heb ik de vorige staatssecretaris van Justitie gevraagd om een overzicht te geven van het aantal personen dat slachtoffer is van vrouwenhandel en dat een beroep doet op de B9-regeling. Graag verneem ik hoeveel aanvragen er worden ingediend en hoeveel er daarvan worden gehonoreerd op basis van humanitaire gronden en er dus geen sprake is van een tijdelijke vergunning.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. De woordvoerder van de fractie van de PvdA, die van de VVD en vele anderen aan deze tafel maken zich zorgen, niet alleen vanwege de mensenhandel zelf, maar ook vanwege de aanpak ervan. Mevrouw Arib constateert dat er grote verschillen zijn tussen de aanpak in de verschillende politieregio’s. Als zou blijken dat die regionale verschillen kunnen worden weggenomen door bijvoorbeeld de landelijke officier van justitie voor mensenhandel meer bevoegdheden te geven, zou de fractie van de PvdA daar dan voor zijn? Zo’n officier zou er misschien voor kunnen zorgen dat er bij de verschillende korpsen eenzelfde aanpak komt. Veel burgemeesters die lid zijn van de PvdA verzetten zich een beetje tegen dit idee.

Mevrouw Arib (PvdA): Wij hebben bepaald dat de aanpak van mensenhandel hoge prioriteit verdient. Ik weet dat er politiekorpsen zijn die heel goed werk doen op dit gebied en die zich keihard inspannen. Ik weet ook dat er ongeveer 850 politieagenten zijn bijgeschoold voor de aanpak van mensenhandel. Mij gaat het er nu om dat het voor het slachtoffer niet moet uitmaken in welke regio zij zich bevindt. Alle politieregio’s moeten een team voor de bestrijding van mensenhandel hebben en volgens de criteria die de politie heeft opgesteld te werk gaan. Ik wil graag weten welke argumenten zich verzetten tegen het geven van meer bevoegdheden aan de landelijke officier van justitie. Misschien zijn er goede redenen om hem wel meer bevoegdheden te geven. Als dat zo is, verneem ik dat graag van de minister en wil ik weten of hij bereid is tot uitbreiding over te gaan. Mij gaat het er om dat als wij besluiten om deze aanpak prioriteit te geven, deze aanpak ook prioriteit krijgt, los van de manier waarop dat gebeurt. Of de landelijke officier van justitie meer bevoegdheden moet krijgen, kan ik nu niet beoordelen. Eerst wacht ik de reactie van de minister af. Als hij mij kan overtuigen van de noodzaak van deze uitbreiding, ben ik ervoor.

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Mevrouw Arib danst een beetje om de vraag heen. Zij geeft een lang antwoord, maar mijn vraag was slechts: vindt u dat de macht van het lokale bestuur bij de inrichting van de korpsen minder moet worden en de bevoegdheid van de landelijke officier groter? Kortom, het gaat mij om de landelijke coördinatie, omdat de aanpak in een aantal regio’s toch nog niet voldoende gestalte krijgt.

Mevrouw Arib (PvdA): Ik draai niet om de zaak heen. Ik heb al gezegd dat het bij mensenhandel gaat om georganiseerde misdaad, waarmee geld wordt verdiend. Er wordt bij deze handel gewetenloos met vrouwen, kinderen en jonge mannen omgegaan. Deze misdaad is een internationaal probleem en verdient een keiharde, landelijke aanpak. De landelijke officier van justitie kan meer bevoegdheden krijgen, maar er kan ook centraal worden bevorderd dat de politiekorpsen meer op dezelfde manier te werk gaan. Ik hoor graag wat het beste is, maar zal openstaan voor uw argumenten als blijkt dat in de praktijk de mensenhandel niet goed wordt aangepakt.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Mevrouw Arib sprak over de opvang van slachtoffers van loverboys. Loverboy is inderdaad een verschrikkelijk eufemisme, maar ik zal deze term nu voor het gemak gebruiken. Wij hebben het al jaren over de gebrekkige opvang van deze slachtoffers. Meisjes komen steeds in gesloten instellingen terecht, omdat er geen andere mogelijkheden voor veilige opvang zijn. Vindt mevrouw Arib niet dat het tijd wordt om een duidelijke afspraak met het kabinet te maken en om een deadline te stellen voor het regelen van deze opvang, zodat wij niet over een jaar dezelfde conclusies moeten trekken?

Mevrouw Arib (PvdA): Ik heb hierover nadrukkelijk mijn mening gegeven. Om meisjes te beschermen, is het soms nodig om ze in een gesloten inrichting op te nemen, maar gebrek aan opvangmogelijkheden mag niet de reden daarvoor zijn. Deze meisjes zijn getraumatiseerd. Zij hebben verschrikkelijke ervaringen opgedaan. Zij hebben niet alleen opvang nodig, maar ook specifieke begeleiding en hulpverlening. Ik ben het met u eens dat die opvang geregeld moet worden. Ik weet niet waarom dat nog niet is gebeurd, want al een aantal jaren geleden, ook door oud-collega Kalsbeek, is gezegd dat kinderen niet in de gevangenis thuishoren. Zij hebben professionele opvang nodig. Ik weet niet waarom die er nog niet is. Als de opvang voor deze meisjes nog steeds een probleem is, moet dat probleem binnen een bepaalde termijn worden opgelost, omdat anders de politiek voor deze slachtoffers niet meer geloofwaardig is.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. In het persbericht dat de minister vandaag heeft uitgegeven, noemt hij mensenhandel een moderne vorm van slavernij. Dat is zij ook. Ik meen dat dit een heel goede omschrijving is. Een samenleving die smeerlapperij als mensenhandel laat bestaan, verdient het om aangeklaagd te worden. Mijn fractie is het in ieder geval eens met de maatregel die de minister heeft aangekondigd.

Het doel moet zijn: mensenhandelaars opsporen en vervolgen, de netwerken van de misdadigers bloot leggen en daders pakken. Er is ook nog een ander doel en dat is: het slachtoffer beschermen. Daarover heeft de Kamer heel vaak gesproken. Ik denk nu met name aan de slachtoffers die geen aangifte durven doen en die ook niet mee durven werken aan de opsporing van de daders. Zij moeten worden beschermd. Slachtoffers moeten naar de mening van de SP-fractie hulp, opvang en bescherming genieten en de tijd krijgen om tot rust te komen. Ook hulporganisaties kunnen mensen als slachtoffer identificeren.

Bij de behandeling van het wetsontwerp dat de goedkeuring van het verdrag inzake de bestrijding van mensenhandel regelt, heb ik over deze aspecten een vraag gesteld. De minister antwoordde dat er op dit punt mogelijkheden zijn en hij herinnerde eraan dat de staatssecretaris een discretionaire bevoegdheid heeft. Het slachtoffer zou ook kunnen kiezen voor de asielprocedure. Daarover komen wij nog te spreken, maar wat de discretionaire bevoegdheid betreft, vind ik de redenering van de minister niet sterk. Aan die bevoegdheid liggen immers geen beleidsgronden ten grondslag. Een volgende staatssecretaris zou in dezelfde situatie een heel andere beslissing kunnen nemen dan zijn voorganger. Er is dus geen zekerheid en de asielprocedure is voor de meeste van deze slachtoffers niet de aangewezen weg om de problemen op te lossen.

Het recht op ondersteuning en bescherming moet niet afhankelijk zijn van de medewerking aan de autoriteiten. Dat staat ook in artikel 21, lid 6, van het verdrag. Het voordeel van het hebben van dit recht kan zijn dat slachtoffers alsnog gaan praten. Zij doen dat dan na verloop van tijd, als zij in een veilige omgeving tot rust gekomen zijn. Dat kan waardevolle informatie opleveren waardoor de boeven die achter het misdrijf zitten, kunnen worden gevangen. Ik doe nogmaals een dringend beroep op de minister.

Ook hulporganisaties kunnen slachtofferschap vaststellen. De politie signaleert niet alles en er moet een rusttijd worden georganiseerd, omdat niet ieder slachtoffer meteen bereid is om tegenover de politie een verklaring af te leggen. Er zijn allerlei vooroordelen, de politie in de landen van herkomst speelt een heel andere rol in de ogen van de betrokkenen en die politie is niet meteen de instantie waaraan je iets in vertrouwen vertelt. Graag verneem ik hierover het oordeel van de minister.

Sprekend over de politie heb ik nog een vraag aan de bewindslieden. Vaak komen slachtoffers in vreemdelingendetentie terecht en dan is eigenlijk de mogelijkheid om nog aangifte te doen verkeken, maar hoe zit het met de druk op de politie? Onder het vorige kabinet is namelijk de mogelijkheid besproken van het hanteren van quota voor het oppakken van illegale vreemdelingen. Dat had te maken met de prestatiecontracten voor de politie. Bij mijn weten bestaan de prestatiecontracten niet meer in hun oorspronkelijke vorm, maar is door dat beleid de signalering van mensenhandel bij de politie niet een probleem geworden? Het kost namelijk tijd om te achterhalen of sprake is van mensenhandel. Daarvoor moet onderzoek worden verricht en moet men doorvragen. Als er druk is om tot bepaalde prestaties te komen, zal zoiets vaak onmogelijk worden. Graag krijg ik op dit punt opheldering.

Zoals door mevrouw Arib is aangegeven, komt ook in andere sectoren mensenhandel voor. Die gaat dan gepaard met uitbuiting. De desbetreffende definitie in het Wetboek van Strafrecht zorgt voor problemen bij de aanpak ervan. Dat melden de betrokken organisaties, maar ook de voorganger van de huidige rapporteur mensenhandel heeft dat gesignaleerd. Uitbuiting is geen duidelijk begrip. Ik denk aan de gearresteerde Chinees die € 1,50 per uur verdiende. De rechter oordeelde dat bij een beloning van € 1,50 per uur geen sprake is van uitbuiting. Met zo’n vonnis gaat de politie geen moeite meer doen om in voorkomende gevallen te kunnen achterhalen wat er allemaal aan de hand is. Mijn fractie is het eens met verhoging van de strafmaat, maar wil de minister ook nagaan of iets kan worden gedaan aan de definitie van het begrip uitbuiting?

Zoals gezegd zijn er andere vormen van mensenhandel. Mevrouw Arib heeft al de Thaise massagesalons genoemd. Het is hemelschreiend wat daar gebeurt. Wordt capaciteit ingezet, bijvoorbeeld van de kant van de Arbeidsinspectie of de SIOD, om te achterhalen wat daar aan de hand is?

Gisteren heb ik, evenals mevrouw Arib en de heer Anker, bij de regeling van werkzaamheden om een brief gevraagd over de tekortschietende opvang van slachtoffers van mensenhandel. Die brief hadden wij graag voor twaalf uur vandaag gekregen. Zij is niet gekomen. Willen de bewindslieden over dit punt nu duidelijkheid verschaffen?

Op Schiphol wordt een besloten vorm van opvang gerealiseerd. Ik kan mij bij zo’n opvang wel iets voorstellen, maar hoe ziet die er precies uit? Is dat een soort gevangenis? Is zij dat niet? Kunnen de bewindslieden daar iets meer over vertellen?

De minister zegt dat het wel meevalt met de problemen met het paspoortvereiste, maar die problemen zijn er wel degelijk. Het is namelijk bekend dat een aantal ambassades geen documenten verstrekt. Je kunt onmogelijk verwachten dat iemand naar een ambassade in een ander land gaat. Zou het een idee zijn om in ieder geval een lijst te maken van ambassades en landen waar de verstrekking van het paspoort een probleem is, zodat er duidelijkheid is en wij niet steeds op hetzelfde probleem stuiten?

Ik heb kennisgenomen van het standpunt van BLinN. Die organisatie heeft de nodige twijfels bij het nut van het inzetten van snelle actieteams. Zij komt naar mijn mening met steekhoudende argumenten. Zij wijst er bijvoorbeeld op dat je wel een aantal KLM-vluchten kunt controleren, maar dat mensen ook met een andere maatschappij naar Nederland kunnen komen. De reis kan even worden uitgesteld en men kan andere maatregelen nemen. Het feit dat het aantal slachtoffers uit Nigeria is afgenomen, zegt dus niets over het succes van de snelle actieteams. Daarover zal dan ook meer duidelijkheid moeten komen, willen wij met deze teams doorgaan, want er zijn terdege mogelijkheden voor ontduiking. Graag hoor ik van de bewindslieden wat het daadwerkelijke effect van het inzetten van deze teams is, rekeninghoudend met alle mogelijke varianten waarvan men gebruik kan maken en waardoor het aantal slachtoffers afneemt. Die afname kan ook te maken hebben met het feit dat een grote bende van Nigeriaanse mensenhandelaars is opgerold. Er is dus een aantal factoren dat van invloed kan zijn op de afname. Hierop krijg ik graag een reactie.

Er zijn ook mensenhandelaars die zichzelf loverboys noemen. Ik ben van mening dat wij in de aanpak van deze mensen moeten investeren. Natuurlijk, de slachtoffers zijn niet altijd bereid om aangifte te doen, maar de problemen zijn erbarmelijk. De situatie waarin deze meisjes meestal terechtkomen, is verschrikkelijk. Wij moeten proberen bij hen de bereidheid te ontwikkelen om aangifte te doen, om te praten met ouders en om de signalen van ouders serieus te nemen. De politie dient op dit punt iets te doen De minister heeft eerder als mogelijkheid om iets aan het probleem van weinig aangifte te doen de stapelmethode genoemd. Hoe staat het daarmee? Levert die iets op?

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. Wij constateren dat er heel veel aandacht is voor de aanpak van mensenhandel en voor de gruwelijke vormen van georganiseerde criminaliteit die daarmee nauw samenhangt. Deze aandacht is terecht, maar het komt onze fractie voor dat niet in alle 25 regiokorpsen op dezelfde manier de verschillende vormen van mensenhandel worden geregistreerd en dat niet in alle regio’s voor dezelfde aanpak wordt gekozen. Dat maakt het werk voor het Expertisecentrum Mensenhandel Mensensmokkel niet eenvoudig. Er zijn wel voorbeelden van heel goede manieren van werken, waarbij ik denk aan de wijze waarop men in het noorden van het land opereert, maar er zijn ook minder goede voorbeelden. Die zal ik niet geven. Wellicht is het goed dat er landelijke sturing komt op dit terrein. Als je namelijk informatie wilt uitwisselen tussen het landelijk expertisecentrum en de regionale korpsen, moet je wel in alle korpsen dezelfde benaming hanteren en moet er eenduidigheid zijn over grootheden en het hanteren van aantallen. Er moet ook duidelijkheid zijn over de manier waarop je deze vorm van criminaliteit wilt aanpakken. Ik wil daarom graag een reactie van de minister op de vraag hoe hij denkt over de aansturing van de informatieverzameling door de regionale korpsen en of er op dit punt niet wat meer landelijke coördinatie zou moeten zijn.

Wanneer zal de eindevaluatie van de inzet van de snelle actieteams ons worden toegezonden? Het gaat bij deze teams om een pilot van een maand en een controle van twaalf vluchten. Geven de voorlopige resultaten aanleiding om het inzetten van meer snelle actieteams op andere locaties te overwegen? Op welke wijze is het ronselen van jonge vreemdelingen in Nederland zelf aangepakt? De snelle actieteams hebben vooral een preventieve werking, maar wordt ook repressief opgetreden? Zo ja, kunnen de bewindslieden daar een aantal voorbeelden van geven?

Wat is de uitkomst van de eerste webevaluatie ter registratie van de jeugdprostitutie in de leeftijd tot 23 jaar? Die evaluatie is in oktober van dit jaar uitgevoerd. De staatssecretaris van VWS geeft aan dat zij geen signalen heeft die duiden op een toename van de loverboyproblematiek bij instellingen voor licht verstandelijk gehandicapten. Wel geeft zij aan dat het bij de open woonvormen en bij de kamertraining moeilijker is om toezicht te houden. In dit kader wordt gewezen op zorg en voorlichting voor slachtoffers, maar naar het oordeel van de fractie van de VVD ontbreekt het juist aan preventie. De VVD is van mening dat juist bij de open woonvormen en de kamertraining de vinger aan de pols gehouden moet worden. Wij denken dat de meisjes daar het meest kwetsbaar zijn. Is de minister dat met de VVD eens en is hij voornemens om actie te ondernemen? Zal hij als coördinerend minister bij de staatssecretaris van VWS aandringen op actie?

Voorzitter. Uit het schema op pagina 13 van de trendrapportage blijkt dat van de 3000 gesignaleerde, vermoedelijke slachtoffers er ongeveer 400 aangemelde slachtoffers in aanmerking komen voor een toekenning op grond van de B9-regeling en er uiteindelijk 150 toekenningen zijn. Daarvan krijgen er uiteindelijk 17 een toekenning voor voortgezet verblijf en keren 48 personen met een REAN-regeling terug. 65 personen mogen dus blijven dan wel terugkeren. Kan de staatssecretaris inzichtelijk maken wat er met de overige personen van de groep van 1000 slachtoffers gebeurt?

Over twee van de elf knelpunten wil ik iets zeggen. Het eerste betreft het missen van slachtoffers in de asielprocedure en de vreemdelingenbewaring, waarbij ik denk aan de bijzondere kwetsbaarheid van de minderjarigen. De vraag van onze fractie aan de staatssecretaris is: hoeveel alleenstaande minderjarige vreemdelingen zitten er nog in de beschermde opvang? De pilot beschermde opvang voor minderjarigen is op 1 januari gestart. De VVD is met de staatssecretaris van mening dat het belang van het kind, dus de mogelijke terugkeer, voorop dient te staan en boven het belang van strafrechtelijke vervolging gaat. Is de staatssecretaris met de VVD van mening dat beide belangen elkaar niet noodzakelijkerwijs hoeven te bijten c.q. dat het behartigen van beide belangen niet onmogelijk hoeft te zijn? Kan de staatssecretaris concreet aangeven welke inspanningen de betrokken opsporingsinstanties dienen te leveren om de strafrechtelijke vervolging ook bij terugkeer mogelijk te maken? Wat gaan wij daarvoor concreet doen?

Dan wil ik iets zeggen over het ontbreken van bedenktijd voor slachtoffers die via Schiphol hier binnenkomen. Kan de staatssecretaris aangeven hoe het staat met het eventueel invoeren van een reflectieperiode voor vreemdelingen die op Schiphol aankomen en het realiseren van een besloten opvang buiten Schiphol? Aan welke opvang denkt de staatssecretaris? De Koninklijke Marechaussee geeft aan tot medio 2005 nauwelijks slachtoffers op Schiphol te hebben aangetroffen. Welke ontwikkeling laten de cijfers in de jaren na 2005 zien? Hoeveel personen zouden naar schatting op jaarbasis gebruik moeten maken van de reflectieperiode? Zijn een speciale reflectieperiode en opvang onnodig als die groep zeer klein lijkt te zijn? De Koninklijke Marechaussee zei dat die zeer klein was.

De minister geeft in de brief aan dat de trendrapportage in hoge mate overbodig was, gelet op het werk van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel, de resultaten van de korpsmonitor van de Nederlandse politie en het ontbreken van harde gegevens over het feitelijke gebruik van de voorzieningen waarop slachtoffers aanspraak zouden kunnen maken. De registratie daarvan wordt niet consequent of helemaal niet bijgehouden en de informatie is slecht toegankelijk. Zie pagina 9 van de trendrapportage. Naar het oordeel van onze fractie zou het zinvol zijn als de registratie van deze gegevens beter op orde was en er ook kwantitatieve gegevens beschikbaar zouden zijn. Kan de minister aangeven welke instantie welke specifieke informatie zal registreren en welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat deze informatie bij de volgende trendrapportage beter inzichtelijk en toegankelijk is?

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Mijn collega’s hebben er al op gewezen dat mensenhandel niet voor niets een strafbaar feit is, een strafbaar feit vanwege gedwongen prostitutie, maar ook vanwege uitbuiting in arbeidsdienst, het aangaan van bepaalde relaties en het ondergaan van eigentijdse slavernij, allemaal zeer verwerpelijk. De strafzaken die de afgelopen tijd aan de orde waren, laten een mensonterend beeld zien van deze praktijken. Mensenhandel klinkt namelijk een beetje abstract en vaag en voor veel mensen is niet duidelijk wat dit precies inhoudt, maar als je nagaat welke praktijken bij deze strafzaken aan de orde zijn, krijg je een beeld van het gewelddadige en mensonterende karakter van mensenhandel.

In de afgelopen jaren heeft de bestrijding van mensenhandel meer prioriteit gekregen, en terecht. Veel slachtoffers melden zich. Helaas melden veel slachtoffers zich nog niet. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel geeft aan dat de aangiftebereidheid van slachtoffers van mensenhandel af lijkt te nemen. De oorzaken daarvoor zijn niet alleen gelegen in angst voor degene tegen wie aangifte wordt gedaan, maar ook in het geringe vertrouwen in de strafrechtspleging. Dat baart mij zorgen. Graag krijg ik van de bewindspersonen hierop een reactie.

Ik sluit mij aan bij een vraag van de heer De Wit over de term uitbuiting. Op een hoorzitting over een geheel ander onderwerp, namelijk over de 1F-regeling, gaf de huidige Nationaal Rapporteur Mensenhandel aan dat er een probleem is met de definitie van de term uitbuiting. Dat zou tot problemen leiden bij de strafrechtspleging. Dat lijkt mij een zeer kwalijke zaak. Zeker gezien de ernst van de zaken zou daaraan iets gedaan moeten worden, althans als dit klopt, maar ik kan mij niet voorstellen dat deze rapporteur zich op niets baseert.

Ook de hulp aan de slachtoffers wordt volgens de organisaties die zich hiermee bezighouden nog altijd gekenmerkt door problemen. Er is nog steeds een heel beperkte opvang en de bescherming van de slachtoffers van mensenhandel is niet echt duidelijk. Het verschil tussen vrouwen en mannen die aangifte doen, vrouwen en mannen die meewerken en vrouwen en mannen die helemaal niet meewerken is erg groot. Het kabinet zegt met zijn brief dat de positie van mensen die meewerken aan een strafzaak gelijkgesteld wordt aan de positie van de mensen die aangifte doen. Wat houdt dat in? Betekent dat echt dat de betrokkenen op dezelfde rechten aanspraak kunnen maken?

In sommige regio’s is de bestrijding van mensenhandel nog een papieren prioriteit, al zal dat per korps verschillen. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Het is een heel lastig, ondoorzichtig, ondergronds fenomeen. Ook als Kamerlid en als controleur van het beleid merk je dat je sterk vasthoudt aan de procedures. Er gelden regels en die moeten nageleefd worden en de procedures moeten doorlopen worden, maar die regels en procedures geven nog niet een helder beeld van de bestrijding van mensenhandel en maken de resultaten ervan niet echt duidelijk. Naast concrete stappen als de uitbreiding van de B9-regeling wil ik van het kabinet vernemen hoe bij de bestrijding van mensenhandel de hufters die zich hiermee bezighouden worden aangepakt en in hoeverre sprake is van daadwerkelijke verbetering en van concrete en grote resultaten. In hoeverre zijn die het gevolg van het feit dat wij aan het bestrijden van mensenhandel in de afgelopen jaren prioriteit hebben gegeven? Graag krijg ik een concrete reactie van het kabinet op dit punt.

Dan wil ik iets zeggen over de snelle actieteams. De brief die het kabinet stuurt is hierover heel positief en voor een deel kan ik mij in het gestelde heel goed vinden. BLinN, die zich gebaseerd heeft op gegevens van Nigeriaanse ngo’s die in Nederland op bezoek waren, komt echter met een aantal tegenargumenten voor het succes. Die organisatie merkt op dat er slechts twaalf KLM-vluchten zijn gecontroleerd. Er is dus geen sprake van een zeer uitgebreide controle en er zouden mogelijk mazen zijn in de controle door deze SAT’s. Graag krijg ik een reactie op het commentaar van BLinN, dat de bewindslieden bekend zal zijn.

BLinN geeft aan dat deze snelle actieteams geen preventieve werking hebben, want de problemen verplaatsen zich naar andere Europese landen en naar Nigeria zelf. Het is een heel lastig probleem. In Nigeria gaat het om 300 000 à 700 000 slachtoffers van mensenhandel en slavernij. Volgens mij zou er in de EU wel degelijk meer gedaan kunnen worden. Graag verneem ik van de staatssecretaris en de minister van Justitie in hoeverre pogingen worden ondernomen om dit specifieke project ook op Europees niveau gestalte te geven, zodat de mensenhandelaars niet uitwijken naar de ons omringende Europese landen.

De minister geeft zelf aan dat loverboy een eufemistische en slechte term is. Misschien wordt het tijd om hiervoor een ander woord te kiezen, zodat voor het publiek duidelijk wordt welke schade deze figuren aanrichten. Ik heb de indruk dat er nog heel veel te verbeteren valt aan de opvang van de slachtoffers. We hebben het hier al langer over. Ik vraag het kabinet om op zeer korte termijn veel verbeteringen aan te brengen als dat nog niet is gebeurd en om daarover empirische cijfers te verstrekken. Eventueel zal ik het hanteren van de deadline van een jaar voorstellen, zodat wij in het komende jaar kunnen concluderen dat er voldoende opvang is.

Een van de belangrijkste problemen die mij nog steeds door organisaties als BLinN worden gemeld, betreft de signalering van slachtoffers in vreemdelingenbewaring en in het proces als zodanig. Er zouden nog veel signalen gemist worden. De staatssecretaris en de minister hebben het over een Quick Reference Card. In hoeverre wordt hierbij ook gebruik gemaakt van de expertise en de adviezen van de betrokken ngo’s? Zij hebben veel kennis en weten wat slachtofferschap inhoudt.

Wat houdt nu precies «geringe aanwijzing van mensenhandel» in? Als daarvan sprake is, wordt de betrokkenen aangeboden om een beroep te doen op B9-regeling. Wat moet ik mij daarbij precies voorstellen? Voor de slachtoffers die zich op Schiphol melden, zou een reflectieperiode kunnen gelden. Daarvoor moet nog een besloten opvang komen. Graag sluit ik mij aan bij de vraag van de heer De Wit hoe die er uit gaat zien, maar ik wil ook weten in hoeverre in de tussentijd professionele maatregelen worden getroffen voor zover die althans nodig mochten zijn. Mogelijke slachtoffers van mensenhandel zouden dan op Schiphol toch een bedenkperiode kunnen hebben.

Wij hebben het over een proces dat moeilijk te doorgronden valt. Wat de registratie betreft kan ik mij hartgrondig aansluiten bij de opmerkingen van de heer Teeven. Wij moeten van een betere registratie echt werk maken. Deze trendrapportage bevat namelijk nog niet voldoende informatie en is outdated. Het mag niet zo zijn dat wij moeten concluderen dat in de toekomst geen trendrapportage nodig is. Die lijkt mij wel degelijk van belang, maar de registratie moet beter.

De heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Ik vervang de heer Van der Staaij die in de plenaire zaal aanwezig moet zijn vanwege een uitlopend debat over de begroting van Buitenlandse Zaken. Ik heb toegezegd om namens hem en uiteraard namens mijn fractie op enkele punten een accent te leggen. Dan kan de heer Van der Staaij, zodra hij niet meer in de plenaire zaal aanwezig hoeft te zijn, deelnemen aan dit debat.

Voorzitter. Gelukkig is slavernij al zeer lang geleden afgeschaft. Het is dan ergerlijk dat die in moderne vormen lijkt terug te komen. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel zegt in een interview: Iemand hoeft niet te worden geketend om toch te kunnen spreken van slavernijachtige omstandigheden. Daarmee wordt de vinger op de zere plek gelegd.

Mijn fractie zet zich in om uitbuiting in allerlei verschijningsvormen en met name uitbuiting van vrouwen tegen te gaan. Helaas zien wij dat ook in de vergunde sector mensenhandel vaak voorkomt. De regering zou zich er meer van bewust moeten zijn en blijven dat een verplichte Bibob-toets nodig is. In het vorige AO bleef daarover onduidelijkheid bestaan. Op dit punt krijg ik graag een reactie van de minister.

De strafmaat voor mensenhandel is te laag, zelfs als er geen strafverzwarende omstandigheden zijn. De minister van Justitie zou de strafmaat bij veroordeling bij mensenhandel zonder strafverzwarende grond en voorlopige hechtenis ter toetsing voorleggen aan het OM. Deze toezegging is in het vorige AO gedaan. Intussen zijn wij vijf maanden verder. Wat is er gebeurd?

De site jeugdprostitutie.nu is een goed initiatief. Mooi dat de regering daaraan ook steun verleent. Toch brengt ons dit initiatief bij het verzoek om te streven naar eenheid, gelet op de diversiteit die er nu op dit gebied is. Die diversiteit hindert al gemakkelijk de uitvoering van een daadkrachtig beleid. Zou daar niet wat scherper op moeten worden ingezet?

Een goed idee is het Advies en Meldpunt Loverboys en Jeugdprostitutie in Friesland, maar dergelijke meldpunten zijn elders anders geregeld of niet geregeld. Wij zouden toch een meer centrale aanpak willen. Misschien is het relevant om een centraal nummer voor deze campagne te overwegen.

De Nationaal Rapporteur Mensenhandel spreekt over een groot aantal zogenaamde plankzaken. Er zijn wel signalen, soms aangiften, maar die leiden niet tot opsporing en vervolging. Dat brengt mijn fractie tot de vraag: hoe zit het met de capaciteit en hoe krijgen wij vaart in het proces, zodat een ander, positiever beeld ontstaat? Van de oplossing van dit algemene capaciteitsprobleem moet serieus werk worden gemaakt. Het landelijk met klem van reden ingezette beleid kan niet al te afhankelijk worden gemaakt van de diversiteit in de lokale keuzen. Ik hoop dat de bewindslieden daarop weten te reageren.

Dan wil ik iets zeggen over het landelijk uitrollen van de ketenbenadering, over verbetering van de registratie en over de informatie-uitwisseling tussen de bij mensenhandel betrokken organisaties. Paragraaf 1.7 gaat daarover. Zij mondt uit in de mededeling dat de pilots in 2008 worden afgerond en in 2009 landelijk worden uitgerold. Uiteraard moeten wij de evaluatie van die pilots afwachten, maar ik neem aan dat men in de gebieden waar geen pilots zijn gehouden niet met de armen over elkaar gaat zitten, maar dat men reeds in november 2008 voorbereidingen treft voor de landelijke uitrol.

Ik sluit mij aan bij de vragen over de aspecten van uitbuiting via de uitzendbureaus en de werkbemiddelaars. Dat is natuurlijk een punt dat onze aandacht niet mag ontglippen. Met betrekking tot de opvang en de bescherming van slachtoffers van mensenhandel zeg ik: er moet een tandje bij.

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Terwijl wij vergaderen, voltrekken zich vreselijke drama’s. Daarbij denk ik ook aan de familieleden van de slachtoffers die achterblijven. Wij zijn dan ook heel erg blij met de kwalificatie die het kabinet aan mensenhandel geeft. Het kabinet spreekt van uitbuiting, van schending van de mensenrechten en van de aantasting van de lichamelijke, en psychische integriteit. Daar moet met kracht tegen worden gestreden. Daar zijn wij het van harte mee eens. Mensenhandel is een grensoverschrijdende misdaad. Het is echter goed om in het achterhoofd te houden dat de meeste van de bekende slachtoffers uit Nederland afkomstig zijn.

Ik wil kort iets zeggen over de snelle actieteams, de SAT’s. Deze teams vormen een goed en preventief instrument. In eerste instantie waren wij enthousiast over de inzet van deze teams, maar BLinN vreest voor het waterbedeffect en dat de routes verlegd worden. Die organisatie wijst erop dat de slachtoffers helemaal niet met een rechtstreekse vlucht reizen. Misschien verwachten wij wel heel veel van de SAT’s, maar is het geen effectief instrument. Hierop krijg ik graag een reactie van de staatssecretaris.

Wij krijgen regelmatig van zowel de minister als de staatssecretaris te horen dat zij internationaal veel inspanningen leveren om illegaliteit en kinderporno te bestrijden. Heel specifiek voor dit onderwerp wil ik een soort update krijgen en horen waar zij mee bezig zijn. Op welke gebieden worden die internationale inspanningen geleverd?

Wij zijn blij met de opmerking van de bewindspersonen in de brief dat de term loverboy verkeerd is. Ik heb ook nagedacht over een nieuwe term. Ik kom uit bij een ouderwets woord: vrouwen- of meidenlokker. Dat is een duidelijke term. Loverboy klinkt lief, maar deze mensen zijn absoluut niet lief. Het verheugt ons dat voor het aanpakken van deze problematiek nu eindelijk beleid wordt gevoerd. Er wordt bijvoorbeeld geregistreerd. Wij willen heel graag weten wat de resultaten zijn, zodat wij een beeld krijgen van de situatie. Komt er een vervolg? Dus: hoelang zullen wij hiermee bezig zijn? Waarschijnlijk moet dit project langer duren om een goed beeld te krijgen van de problematiek in Nederland. Er wordt ook gewerkt aan een sluitende, gemeentelijke ketenaanpak, een term die overigens wel bij elk beleidsveld gebruikt kan worden. Wat houdt deze aanpak eigenlijk precies in? Met name denk ik aan de voorlichting op scholen. Een aantal jaren geleden stond alles op dit gebied nog in de kinderschoenen, maar de laatste jaren is het onderwerp steeds beter bespreekbaar geworden. Wij vragen ons dus af wat de stand van zaken is.

Het ronselen van meisjes met een verstandelijke handicap wordt met deze brief erg genuanceerd. Tegelijkertijd krijgen wij via de pers allerlei sterke signalen waaruit blijkt dat juist bij deze groep de problemen groot zijn. Het ronselen van meisjes is op zichzelf erg, maar het is vreselijk dat juist mensen die zwak in hun schoenen staan, het slachtoffer worden. Met de brief wordt gezegd dat bij de open woonvormen controle moeilijk is. Dan is natuurlijk één plus één twee. Zou daarvoor dan niet wat meer gedaan moeten worden? Is daar wat meer mogelijk? Al is het alleen maar voor het versterken van de houding van deze mensen, zodat zij meer alert zijn.

Het hele verhaal van grooming is al een tijdje bekend. Meidenlokkers gebruiken steeds vaker netwerksites en kunnen met een bepaald profiel naar meisjes zoeken. Wat wordt hiertegen gedaan? Bestaat er inzicht in de problematiek? Moeten wij niet zorgen voor informatie over dit specifieke verschijnsel?

Waar ik nog geen ander goed woord voor heb, is de term lovergirls. Een studentenwerkgroep heeft voor de ChristenUnie onderzoek gedaan naar de praktijken van de meisjes die worden gebruikt om andere meisjes te lokken. Het is supertriest dat dit gebeurt. Er wordt agressief geopereerd; de meisjes zijn dus echt dader en hun handelwijze is op geen enkele manier goed te praten. Tegelijkertijd zijn zij zelf ook slachtoffer doordat zij in een bepaalde positie zijn gebracht. Eigenlijk verdient deze categorie een aparte aanpak, al was het alleen maar om na te gaan hoe je deze meisjes uit dit milieu kunt krijgen. Zij zitten namelijk verstrikt in een web van criminaliteit. Ook is het de vraag hoe je hiermee om moet gaan: enerzijds moeten deze meisjes beseffen dat zij dader zijn, anderzijds moeten zij hulp krijgen. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister en de staatssecretaris.

De heer De Wit sprak als eerste over de onduidelijkheid van de term uitbuiting. In de rapportage lezen wij wat over de jurisprudentie van dit begrip. Hierover krijg ik ook graag informatie. Hoe ontwikkelt deze term zich in de jurisprudentie?

In een aantal sectoren zijn er inmiddels meldpunten voor slachtoffers van uitbuiting, maar die zijn er niet in alle sectoren. Er staat bijvoorbeeld niet dat er zo’n meldpunt in de horeca is. Hoe ontstaat een meldpunt? Komt dat er op initiatief van de branche zelf of krijgt die een steuntje in de rug van de overheid? Sommige sectoren hebben niet heel veel belang bij een meldpunt of een noodknop. Daarbij denk ik aan de horeca waar veel arbeid illegaal wordt verricht. Wij zouden er misschien voor moeten zorgen dat er ook in die sector een meldpunt is.

Ik heb nog een specifieke vraag aangereikt gekregen van mijn collega Esmé Wiegman. Zij heeft een mooie notitie geschreven. Zij doet bij ons Europese Zaken en is een paar keer in Roemenië en Bulgarije geweest. Het lot van de Roma daar heeft zij zich aangetrokken en zij komt tot de constatering dat een heleboel meiden uit Roemenië en Bulgarije in Nederland in de prostitutie werken. Er is bijna een vaste lijn voor mensenhandel. Wij vragen daarvoor specifiek de aandacht. Daarbij denk ik niet alleen aan de opvang van de vrouwen hier en, vanwege het grote aanbod, de extra hulpverlening en de voorzieningen die nodig zijn vanwege de taal, maar ook aan het contact met de andere overheden en de ambassades, zodat getracht kan worden om langs die weg de problemen in dat land op te lossen.

Ik dank de bewindslieden voor de trendrapportage. Ik heb nog een paar vragen. Krijgt het slachtoffer voldoende informatie wanneer de zaak wordt geseponeerd? Op internet heb ik een duidelijke en eenvoudige site over de B9-regeling gevonden. Toch is er kritiek op de informatieverschaffing. Hoe staat het voorts met het creëren van de mogelijkheid van het benutten van een reflectieperiode op Schiphol? Kan de staatssecretaris duidelijkheid verschaffen over de vertraging in de afgifte van een verblijfspasje voor de WWB-uitkering?

Voorzitter: Arib

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Voorzitter. Ik ben het eens met de opmerking van een aantal collega’s dat de ernst en de omvang van de problematiek niet gering is. Wat ons betreft kunnen de daders niet hard genoeg worden aangepakt. Bij de bestrijding van mensenhandel zijn nogal wat instanties betrokken. Ik noem het Coördinatiecentrum Mensenhandel, het Expertisecentrum Mensenhandel Mensensmokkel (EMM), de Landelijke Expertgroep Mensenhandel, de Mensensmokkel Informatiegroep en de Task Force Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen. Kunnen de minister en de staatssecretaris zeggen hoe de samenwerking tussen deze instanties verloopt? Nemen de partners de aanpak van de problematiek even ernstig? Geeft het bestaan van zoveel partners ook wel eens strubbelingen?

Volgens de eerste brief van de minister, de brief op stuk nr. 35, duiden de signalen niet op een toename of verergering van de loverboyproblematiek. Overigens, de voorganger van deze minister heeft tijdens een debat gezegd dat hij loverboy geen goede term vindt. Hij vond pooier beter. Ik meen dat wij nu allen erkennen dat dat een voorspellende opmerking was.

In de brief van de minister staat dus dat het er niet naar uitziet dat de loverboyproblematiek erger wordt. Dat is echter in tegenspraak met de informatie van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Ik krijg hierop graag een reactie. De heer Anker zei ook al dat er sprake zou zijn van een toename van het aantal slachtoffers met een licht verstandelijke handicap. Het gestelde in de brief is dus in tegenspraak met een aantal signalen.

Voorzitter. Deze problematiek is aan de orde gekomen met de registratie van jeugdprostituees in de leeftijd tot en met 23 jaar. Onze wens om de prostitutieleeftijd te verhogen tot 21 jaar is dus niet zo vreemd. Bij de behandeling van de begroting van Justitie is hierover gesproken. Er is een motie ingediend, maar aangehouden. Bij dit AO refereer ik er nadrukkelijk aan, ook aan het rapport dat toen aan de orde is geweest, het rapport met de naam Schone schijn. Het is onthutsend en schrijnend wat daarin wordt blootgelegd aan dagelijkse praktijken in deze sector. Sommigen hebben nog steeds de indruk dat mensenhandel/vrouwenhandel iets is wat buiten Nederland wordt opgezet en dat de slachtoffers met name buitenlandse vrouwen zijn die vanuit een armoedesituatie naar Nederland worden gebracht om in de prostitutie of elders geld te verdienen. Ik zal niet ontkennen dat dit gebeurt, maar uit de rapportages van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en uit Schone schijn blijkt dat het in de meeste gevallen gewoon om Nederlandse meisjes en Nederlandse pooiers gaat. Volgens controleurs is bij 50 tot 90% van de vrouwen die in Amsterdam achter de ramen werken, sprake van dwang en uitbuiting, en dwang en uitbuiting zijn het criterium voor mensenhandel.

In de stukken staat om welke aantallen het gaat. Als je in aanmerking neemt dat alleen al in Amsterdam 8000 vrouwen achter de ramen werken, dan hebben wij het bij het laagste percentage van 50 al over 4000 vrouwelijke slachtoffers die te maken krijgen met dwang en uitbuiting. Hoeveel pooiers, mensenhandelaars op deze manier «hun bezit» weten uit te buiten, weten wij niet. Maar wij snappen nu wel waarom het Amsterdamse gemeentebestuur aan de slag is gegaan om deze misstanden tegen te gaan. Inmiddels is men ook in Alkmaar en Utrecht aan het optreden tegen deze vormen van uitbuiting. Als je leest wat er aan straffen bedacht wordt voor het niet «gehoorzamen» van de pooier, dan lopen de koude rillingen je over het lijf.

In 2000 wilde Nederland gidsland zijn. Wij hebben het bordeelverbod opgeheven met nobele doelstellingen, maar het aantal gevallen van dwang en uitbuiting is niet verminderd. Dwang en uitbuiting zijn niet uitgeroeid. We mogen zelfs veronderstellen dat het verschijnsel is verergerd. Eigenlijk is dat logisch, want Nederland is het enige land waar je legaal met 18 jaar in de prostitutie kunt werken. Bijzonder aantrekkelijk blijkt dat te zijn voor mensenhandelaars. Zij kunnen daar profijt van trekken. Wij weten dat zij ook in de vergunde branche werkzaam zijn. Ik stel voor dat Nederland opnieuw gidsland wordt. Leeftijdsverhoging kan het signaal voor mensenhandelaars zijn dat met vrouwen onder de 21 jaar in Nederland geen zaken te doen valt.

Mevrouw Arib (PvdA): U zegt dat sinds de opheffing van het bordeelverbod dwang en uitbuiting erger zijn geworden. Waar baseert u dat op? Voordat het bordeelverbod werd opgeheven, wisten wij niet dat deze misstanden bestonden. Na de opheffing van het bordeelverbod zijn zij zichtbaar geworden, maar misschien hebt u cijfers over de periode voorafgaande aan de opheffing van het bordeelverbod. Ik ben daar dan erg benieuwd naar.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Wij wisten wel dat er misstanden waren, anders hadden wij in Nederland het bordeelverbod niet opgeheven. Wij wilden daarmee de misstanden wegnemen. Op basis van informatie van zowel de Nationaal Rapporteur Mensenhandel als die welke uit de stukken blijkt, mogen wij veronderstellen dat dwang en uitbuiting niet minder zijn geworden, maar zijn toegenomen. Ik had hierover ook een vraag, maar zelfs al zouden de misstanden enigszins zijn afgenomen dan nog geldt dat wij nu weten dat de situatie desastreus is en dat wij daar niet in kunnen berusten.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik wil u dezelfde vraag stellen die ik in een eerder debat over dit onderwerp aan de heer Van Haersma Buma heb gesteld. GroenLinks is niet per definitie een ideologisch tegenstander van het verhogen van de leeftijd tot 21 jaar. Als die verhoging zou helpen, zou dat prima zijn, maar het is de vraag of dat zo is. Dit is overigens niet een nieuw voorstel. Uit de commentaren die wij erop hebben gekregen, blijkt dat juist door die verhoging meisjes in de leeftijd van 18 à 21 jaar in het ondergrondse circuit terechtkomen en de problemen moeilijker zichtbaar zijn te maken. Dan zal het nog moeilijker worden om de misstanden aan te pakken. Dus in hoeverre zou het optrekken van de leeftijd fijn zijn als daardoor de problemen groter worden?

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Ik vind dat in die zin een leuke veronderstelling dat men er daarmee van uitgaat dat de klanten van de groep tussen de 18 en 21 jaar slimmer zijn dan de opsporingsambtenaren. En daar geloof ik niks van. Als klanten die adressen kunnen vinden – en zij vinden die natuurlijk, want anders zou deze business helemaal niet lucratief zijn– dan kunnen opsporingsambtenaren dat ook. Zij zijn daar dan minstens zo goed toe in staat. Misschien is het niet genoeg dat wij hierbij alleen de vergunde branche in aanmerking nemen, maar moeten wij veel meer inzetten op onderzoek in die sectoren die liever ondoorzichtig opereren en die niet te door gronden zijn. Maar nogmaals als klanten deze vrouwen kunnen vinden, dan kunnen opsporingsambtenaren dat evengoed.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Dat is een mooie stelling, maar daar zijn geen feitelijke bewijzen voor. Helaas is nu sprake van een ondergronds circuit, van het misbruiken van allerlei mogelijkheden zoals het werken met 06-nummers. Daarmee kan men op een illegale en zeer schandelijke manier aan prostitutie laten doen. Ik vraag mij af waar u de stelling vandaan haalt dat wel degelijk gehandhaafd kan worden.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Niet voor niets wil het kabinet met een kaderwet komen, juist om nog meer grip te krijgen op de sector waar u op doelt. Maar nogmaals, u kunt mij niet wijs maken dat de gemiddelde klant slimmer is dan de gemiddelde opsporingsambtenaar.

De heer Teeven (VVD): Vorige week heb ik tijdens de behandeling van de begroting van Justitie de CDA-fractie uitgedaagd om een aantal concrete voorstellen te doen, zodat de VVD-fractie weet wat zij bedoelt met verhoging van de leeftijd. Nu spreekt u over een passage in een rapport en over slimme opsporingsambtenaren. Echter, als nu al niet gehandhaafd kan worden met de leeftijdsgrens van 18 jaar, hoe zal het dan gaan met de grens van 21 jaar? Aan de VVD-fractie hebt u de man of vrouw die achter u staat bij de aanpak van vrouwenhandel, maar wij staan niet achter u als u dit kabinet om symboolwetgeving vraagt. Daar voelen wij helemaal niets voor.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Aan symboolwetgeving heb ook ik absoluut geen behoefte. De opheffing van het bordeelverbod wil ik achteraf niet typeren als symboolwetgeving, maar alles kan beter. Destijds wilden wij gidsland zijn en een legale branche van de prostitutie maken. Nu moeten wij weer gidsland zijn en een signaal afgeven. Misschien moeten wij extra eisen stellen aan degenen die in deze sector werken en dan met name degenen die uitbuiting in het vaandel hebben het signaal geven: u hoeft hier niet aan te komen met mensen onder de 21 jaar, zelfs niet in het legale circuit.

Voorzitter. In Schone schijn staat een aantal stuitende voorbeelden waaruit blijkt dat sommige beroepsgroepen behulpzaam zijn bij het in stand houden van uitbuiting en dwang. Die beroepsgroepen vormen als het ware een circuit om de mensenhandel heen. Ik noem in dit verband: belastingadviseurs, administratiekantoren, maar ook medici die op bestelling van pooiers abortussen plegen of borstcorrecties uitvoeren. Er worden daarvan in het rapport een paar voorbeelden gegeven. Een abortuskliniek heeft ten minste vijf abortussen voor deze groepering verzorgd. Een cosmetische kliniek heeft alle borstvergrotingen ervoor verzorgd en gaf zelfs kwantumkortingen. De pooier deed de intake. Dan kan al helemaal geen sprake geweest zijn van een vrijwillige aantasting van de lichamelijke integriteit. Kunnen deze beroepsgroepen aangemerkt worden als handlangers? Wat zijn de mogelijkheden om deze praktijken te stoppen. Strafrecht? Tuchtrecht? Sluiten van de klinieken waar men aan dit soort praktijken meewerkt? Op dit punt krijg ik graag een helder antwoord.

Er zijn in het verleden signalen geweest van misstanden, maar wij hebben ons onvoldoende gerealiseerd dat er een groot probleem was. De minister wijst er met zijn brief op dat in het artikel in Trouw fouten staan, maar ik heb ze niet kunnen vinden. Misschien kan hij zeggen wat hij bedoelt, maar nogmaals, er waren signalen. Die waren er met de interviews met de Nationaal Rapporteur Mensenhandel en met een artikel in de NRC van een aantal jaren geleden. Dat laatste artikel was van een onderzoeksjournaliste. Overigens heeft dat artikel geleid tot veroordelingen. Daarvan hebben wij de laatste tijd kennis kunnen nemen.

Wat steeds terugkomt, is de opmerking dat er zo weinig aangiftebereidheid bij slachtoffers is. Ik kan mij dat voorstellen. Als je leest welke straffen er worden gegeven als men niet «gehoorzaamt» dan bedenk je je wel drie keer om aangifte te doen. Ik verkeerde echter in de veronderstelling dat het doen van aangifte helemaal niet nodig was. Laatst heb ik daarover vragen gesteld. Stapeling is een mogelijkheid, maar je kunt toch ook ambtelijk vervolgen als je signalen hebt.

De heer Teeven (VVD): Ik deel uw zorgen. Ik vind ook dat praktijken als abortussen op verzoek van pooiers aangepakt moeten worden. Hoe verklaart de CDA-fractie echter dat het parket in Den Bosch al anderhalf jaar werk maakt van het vervolgen van een volwassen vrouw die niets te maken heeft met vrouwenhandel, maar die een abortus heeft ondergaan in Spanje? Voor dat soort zaken wordt in Nederland bij het Openbaar Ministerie tijd vrijgemaakt en de zaken die u noemt en die ook ik zorgelijk vind, worden niet aangepakt. Vindt u dat dit kabinet dan niet de verkeerde prioriteiten stelt? Dat de verkeerde zaken worden aangepakt? Dan is handhaven toch belangrijker dan de leeftijdsgrens verhogen.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Ik vind het heel verrassend dat u dit voorbeeld geeft. Ik zie absoluut niet in wat dit te maken heeft met het onderwerp dat ik bespreek. Ik had het over het circuit rondom de mensenhandelaars en hun netwerken. Zijn de mensen van dat circuit aan te merken als medeplichtigen? Zijn zij aan te merken als handlangers en zijn er mogelijkheden om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan? Ik vind het nogal wat als een medicus meewerkt aan de aantasting van de integriteit van het lichaam op verzoek van een pooier. Ik hoor hierover graag het oordeel van de minister.

De heer Teeven (VVD): Ik vraag u niet of dit erg is, want daarover zijn wij het eens. Ik vraag u of het niet ergerlijk is dat een parket in Nederland al anderhalf jaar lang inzet op vervolging van iemand die vrijwillig een abortus heeft ondergaan, terwijl dat niets met vrouwenhandel te maken heeft. De bewindslieden en wij kunnen veel ergere situaties bedenken, maar kunnen wij de capaciteit niet beter benutten? Dat was mijn vraag.

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Ik vind het leuk dat u dat aan mij vraagt, maar ik stel die vraag aan de minister. Ik vraag hem: zet die capaciteit goed in. Wat dat betreft verschillen wij niet van mening.

Ik wil nog een paar opmerkingen maken over de tweede geagendeerde brief. Wat ons betreft moet terugkeer de eerste optie zijn en blijven bij de uitvoering van de B9-regeling, zeker als het gaat om minderjarigen. Dit vindt de staatssecretaris zelf ook. Uitgaande van het belang van het kind moet hereniging met ouders en/of familie in het land van herkomst nadrukkelijk worden nagestreefd. De heer Anker zei al dat vorige week bij het Europadebat door de woordvoerder van de ChristenUnie en anderen twee moties zijn ingediend. Ik verwijs daar kortheidshalve naar. Terugkeer kan ook de mensenhandelaars de wind uit de zeilen nemen, want elke terugkeerder kan zorgen voor antireclame en ik hoop dat de terugkeer ook zo gezien en geafficheerd wordt. Veelal wordt de bewering geuit dat slachtoffers bij terugkeer in het land van herkomst te vrezen zouden hebben voor represailles van mensenhandelaars. Dat moet uiteraard aannemelijk gemaakt worden, want misbruik ligt ook hier op de loer. Ik zou graag zien dat de staatssecretaris daar nog op ingaat.

Over het artikel over uitbuiting is door een aantal collega’s al uitgebreid gesproken. Is de term inderdaad voldoende helder of zou verruiming ervan ervoor kunnen zorgen dat wij gemakkelijker en effectiever uitbuiting kunnen aanpakken?

Een aantal collega’s heeft gezegd zeer ingenomen te zijn met het bericht van vandaag dat de minister heeft besloten om de straffen voor mensenhandel te verhogen. Wij hopen dat het OM daadwerkelijk gebruik zal maken van de ruimere mogelijkheden om bij strafbare voorbereiding van mensenhandel op te treden. Als wij de tabellen uit de rapportage van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel op ons laten inwerken – ik noem expliciet paragraaf 4.4.2 -dan kunnen wij ons niet aan de indruk onttrekken dat mensenhandelaars inderdaad wegkomen met lage straffen. Misschien begrijp ik alles niet helemaal, maar volgens een van de tabellen bedroeg de gemiddelde duur van de opgelegde vrijheidsstraffen in 2006 ruim 9 maanden tot ongeveer 22 maanden. Zo’n straf lijkt ons echt veel te laag.

Antwoord van de bewindslieden

Minister Hirsch Ballin: Mevrouw de voorzitter. Het onderwerp dat op de agenda staat, staat voor de staatssecretaris en mij voortdurend op de agenda. Zoals de commissieleden zeer terecht opmerkten en zoals door ons ook wederom wordt onderstreept, is mensenhandel een heel lelijke, mensonterende vorm van criminaliteit, die helaas nationaal en internationaal op grote schaal voorkomt. Wij mogen en willen hier absoluut niet in berusten. Daarom is het ons beleid om daartegen in te gaan met de verschillende middelen die wij hebben op het brede beleidsterrein van Justitie. Dat is ook de reden dat de staatssecretaris en ik een Taskforce mensenhandel hebben ingesteld. Daarin houden de verschillende overheidsinstanties – ook met de inschakeling van expertise van buiten de overheid – zich bezig met de bestrijding van mensenhandel en uiteraard de steun voor de slachtoffers daarvan. Het is een van onze nadrukkelijke, landelijke speerpunten in de opsporing en de vervolging van zware of georganiseerde criminaliteit. Wij hebben dat ook aangewezen als speerpunt in de landelijke prioriteiten 2008 tot 2011 in het Programma Versterking Aanpak Georganiseerde Misdaad en eveneens in de afspraken met het Openbaar Ministerie.

Ik ben dankbaar voor de instemmende reacties die zo-even uit de commissie zijn gekomen. Ik heb, tegen de zojuist genoemde achtergrond, geconcludeerd dat de wettelijke strafmaxima voor mensenhandel verhoogd moeten worden. Het is mijn bedoeling dit zo snel mogelijk voor te leggen aan de Kamer. Dat is mogelijk, omdat het in wetstechnische zin een beperkte ingreep is die op korte termijn voorgelegd kan worden via een nota van wijziging bij een ander wetsvoorstel dat zich daartoe leent. Dat betekent dat het strafmaximum voor mensenhandel wordt verhoogd van zes naar acht jaar, in de vorm van wat wij als juristen het basisdelict noemen. Voor de gekwalificeerde delicten loopt de strafbaarstelling van mensenhandel, waarbij nog iets anders aan de hand is, bij het slachtofferschap of anderszins, op tot achttien jaar. Dan wordt het in plaats van zes, acht, twaalf, en vijftien jaar dus acht, twaalf, vijftien, en achttien jaar. Een van de redenen om dat zo te doen, is uiteraard de buitengewone zwaarte van deze criminaliteit. De wetgever kan daarmee tot uitdrukking brengen dat een zwaardere bestraffing gepast is. Daarom ben ik ook erkentelijk voor de steun die nu al is uitgesproken naar aanleiding van dit voornemen.

Mevrouw De Pater-van der Meer heeft verwezen naar de gemiddelden van de bestraffing. Die heb ik uiteraard gezien, met alle aantekeningen die daarbij passen op het punt van gemiddelden, beperkte vormen, die op een of andere manier onder deze delictsomschrijving vallen. De delictsomschrijving van mensenhandel is namelijk zeer breed. Daar vallen ook misdrijven onder die men niet onmiddellijk zou associëren met dit begrip, maar dit is de manier waarop wij te werk zijn gegaan in het Wetboek van Strafrecht. Dit zien wij ook bij andere onderwerpen. Vergelijkingen met gemiddelden zijn dus moeilijk te maken. Dit neemt niet weg dat het verhogen van de strafmaat ook uitdrukkelijk bedoeld is als aanwijzing van de wetgever, hoe zwaar aan deze criminaliteit getild wordt, met volledig respect voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en uiteraard met volledig behoud van de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie, in elke concrete zaak een passende straf te vorderen. Dat is ook een van de redenen waarom het van betekenis is om deze verzwaring van de strafmaat in de wetgeving neer te leggen.

Een andere reden daarvoor is, dat voorbereidingshandelingen dan kunnen worden bestraft. In de werking van artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht is dit gekoppeld aan het wettelijk strafmaximum. Door op deze manier een wijziging aan te brengen in de strafmaat voor mensenhandel, worden ook de voorbereidingshandelingen strafbaar.

Op dit moment zal ik uiteraard niet op concrete zaken ingaan. Dat geldt ook voor de vergelijking die de heer Teeven maakte. Ik heb dat al even non-verbaal tot uitdrukking gebracht, toen hij een vergelijking maakte met de zaak die bij het Bossche parket in behandeling is. De vergelijking klopt niet echt, maar het lijkt mij niet goed, daarop in te gaan, omdat het een concrete strafzaak betreft. Er komt ongetwijfeld een moment waarop wij die overtuigingen ook kunnen delen, maar dat kunnen wij op dit moment niet.

De heer Teeven (VVD): De minister heeft gelijk als hij zegt dat die zaken inhoudelijk onvergelijkbaar zijn. Wij zijn dat dus nu al eens. Het gaat er wel om, waar het Openbaar Ministerie prioriteiten aan stelt. Ik ben het buitengewoon eens met alle sprekers en de minister dat mensenhandel een zeer verwerpelijke vorm van criminaliteit is. Maar als de opsporingscapaciteit zowel bij het OM als bij de politie gering is, dan moet je wel goed kijken waar je die inzet. Zonder op die zaak in te hoeven gaan, ik heb die zaak genoemd als wellicht een verspilling van tijd en moeite.

Minister Hirsch Ballin: Dit is precies de reden waarom ik uitdrukkelijk afstand heb genomen van wat de heer Teeven zei, ik kan op deze zaak nu niet ingaan. De kwalificatie verspilling van tijd en moeite neem ik niet voor mijn rekening. Er zijn ook strafzaken waarbij het van belang is dat het onderzoek wordt gedaan, ongeacht de eventuele beslissing tot vervolging van een van de verdachten die daarin voorkomt.

De heer Teeven (VVD): Ook dat zijn wij eens.

Minister Hirsch Ballin: Mooi zo.

Er zijn voor de hand liggende vragen gesteld naar aanleiding van de televisie-uitzending van Peter R. de Vries, die ging over mensenhandelactiviteiten in Thailand. Hier kan ik op dit moment ook niet op ingaan. Uiteraard kijkt het Openbaar Ministerie of er sprake is van voorbereidingshandelingen op een misdrijf, welke nu in het Nederlands recht niet strafbaar zijn. Op vragen naar strafbaarheid hiervan in het Thaise recht kan ik nu evenmin ingaan, maar uiteraard wordt daarnaar gekeken. Het is echter volstrekt uitgesloten dat wij daar nu in concreto op kunnen ingaan. Ik hoop dat dit door de leden ook zo wordt gezien.

Ik heb al gezegd dat in onze ogen de bestrijding van mensenhandel een zwaarwegende prioriteit is op het gehele Justitiebeleidsterrein waar collega Albayrak en ik gezamenlijk verantwoordelijkheid voor dragen. Dat geldt voor het strafrechtelijk optreden, dat geldt voor de slachtofferbescherming, dat geldt voor de Europese en internationale samenwerking. Het geldt ook voor wat er in het vreemdelingenrecht kan worden gedaan inzake bescherming van slachtoffers, zowel wat betreft activiteiten die liggen in de sfeer van de grensbewaking als die in de internationale samenwerking. Bij de verschillende onderdelen die wij behandelen, zullen wij op de taakverdeling ingaan.

De Taskforce aanpak mensenhandel denkt ook na over mensenhandel in termen van methodiek. De taskforce heeft inmiddels een aantal maatregelen in het vizier genomen, dat kan bijdragen aan de preventie van deze vorm van criminaliteit, zoals versterking van het toezicht op de prostitutiesector. Er is een wetsvoorstel in voorbereiding bij mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mij over de prostitutiesector, daar zullen wij nader over kunnen spreken op het moment dat het wetsvoorstel er ligt, respectievelijk in consultatiefase is gegaan. Het ligt verder in de sfeer van het verbeteren van de informatie-uitwisseling – lokaal, nationaal en internationaal –, het professionaliseren van de rapportages vanuit het bestuur en aan het bestuur en een dadergerichte aanpak van de mensenhandelaren, naast de positie van de slachtoffers in de internationale samenwerking.

Een belangrijk onderdeel van de manier waarop er wordt gewerkt, is het zogenaamde barrièremodel. Dit betekent dat alle onderdelen van de activiteiten van mensenhandelaren in het vizier worden genomen, zodat deze aangepakt kunnen worden. Het model bestaat uit verschillende onderdelen. Een onderdeel is preventie, verhinderen dat men naar Nederland komt. Op het onderdeel huisvesting, als het gaat om vergunningsvoorwaarden, ligt ook een relatie naar de toepassing van onder meer de Wet BIBOB. Het onderdeel identificatie, vaststellen van de identiteit en van de verblijfstitel, is het werk van de Vreemdelingenpolitie. Een ander onderdeel is het aan het licht brengen van de illegale geldstromen, het tegengaan van witwassen en belastingontduiking, maar ook het aanpakken van vermogensbezit, zoals vastgoedbezit. Dat is in meer algemene zin onderwerp geweest van een brief die de Kamer vorige week heeft gekregen. Verder maken analyses van het criminaliteitsbeeld en uiteraard de hulpverlening deel uit van het barrièremodel. Bij al die schakels is het streven om barrières op te werpen die nodig zijn om deze vorm van criminaliteit tegen te gaan.

Mevrouw Arib en de heren Teeven en De Wit hebben de politiecapaciteit voor mensenhandelzaken aan de orde gesteld. Capaciteit van de politie is meer in algemene zin een punt van zorg voor mijn collega van BZK en mij, dit geldt voor recherche- en andere politiefuncties. Wij hebben er eergisterenavond over gesproken. Dat neemt niet weg dat wij verwachten dat, en dat is ook de reden van de prioriteitsstelling, er in de politiekorpsen wel degelijk prioriteit wordt gegeven aan de opsporing van mensenhandelzaken. In de meeste politiekorpsen wordt dat ook gedaan. Waar dat niet het geval is, worden de regio’s daarop aangesproken door de procureur-generaal welke de portefeuillehouder mensenhandel is. Het kost in het algemeen veel tijd, dus ook veel recherchewerk. Daarom heb ik mijn zorgen geuit over de recherchecapaciteit om mensenhandelzaken rond te krijgen. Er zijn weinig aangiften van slachtoffers. In de stapelmethode moet uit diverse bronnen informatie bij elkaar worden gelegd om tot een verdenking te komen. Hoewel deze methode tijdrovend is, is het goed mogelijk om op deze manier tot een veroordeling te komen. De afweging welke zaken prioriteit krijgen, is moeilijk, maar hierbij hebben mensenhandelzaken hoge prioriteit.

Mevrouw Arib en de heer Teeven hebben gevraagd of meer landelijke bevoegdheden nodig zijn. Het antwoord op die vraag is neen, want die zijn er al voldoende met de procureur-generaal als portefeuillehouder, met deze taskforce en met het vrijstellen van officieren van justitie op elk van de elf regioparketten. Dit gaat dus om de elf parketten onder de negentien parketten die voor een ruimere regio een coördinerende en ondersteunende functie hebben. Op elk van die parketten wordt een seniorofficier vrijgesteld voor complexe mensenhandelzaken en de begeleiding van andere officieren van justitie bij de eenvoudiger zaken. Het college zal een begeleidingsgroep instellen, die verantwoordelijk is voor de implementatie van de notitie die hieraan richting geeft. Wij vinden het belangrijk om te weten of maatregelen die wij treffen, behandelingen die wij toepassen, effect sorteren. Om te zien of het effectief is wat er op deze manier wordt gedaan, wordt een nulmeting bij de parketten ingevoerd.

Mevrouw Arib heeft gewezen op het belang van het financieel onderzoek. In de Aanwijzing aanpak mensenhandel van 2005 is ook aangegeven dat financieel rechercheren onderdeel behoort te zijn van opsporingsonderzoek naar mensenhandel. Versterking van het financieel rechercheren en ontneming, uiteraard binnen de kaders van het Programma Versterking aanpak financieel-economische criminaliteit, werkt ook door bij de bestrijding van mensenhandel. Dat vinden wij ook van belang. De Rechtbank van Maastricht heeft op 17 september jongstleden bij beschikking een veroordeelde mensenhandelaar een ontnemingsbedrag opgelegd van € 234 000. Dit is een voorbeeld dat deze werkwijze daadwerkelijk wordt toegepast. Ik ben het dus eens met mevrouw Arib.

Mevrouw Arib zei dat uit de korpsmonitor prostitutie en mensenhandel over 2006 blijkt dat de prostitutiecontroles nog niet helemaal op orde zijn. In de korpsmonitor staat dat de meeste korpsen goed presteren, maar zes korpsen presteren minder goed. In ons decentrale politiebestel lopen deze controles dus niet via een centrale sturing. Mevrouw Arib heeft het daar ook bij een eerdere gelegenheid over gehad. Dit is eigen aan de organisatie van de politie. Wij bespreken dit met de desbetreffende politiekorpsen via de Raad van Hoofdcommissarissen. De raad maakt nu een referentiekader en dat komt in het eerste kwartaal van 2009 gereed. Het zal dienen om de prestaties van de korpsen te toetsen. Daarnaast ontvangt de Kamer het wetsvoorstel met betrekking tot de vergunningen die de politie instrumenten in handen geeft om tot meer uniformiteit te komen. Binnen de kaders van het huidige politiebestel is dit de manier waarop wij dat moeten aanpakken en dat doen wij ook.

Mevrouw Arib en de heer De Wit hebben gesproken over de slechte arbeidsomstandigheden in de zogenaamde Thaise massagesalons. De Arbeidsinspectie pleegt inderdaad een onderzoek in te stellen als er klachten zijn over arbeidsomstandigheden of onderbetaling. De Arbeidsinspectie heeft ons capaciteit toegezegd. Wij hebben de link naar de Arbeidsinspectie gelegd via onze taskforce, zodat integrale handhavingsacties binnen de prostitutiebranche kunnen plaatsvinden. Collega Albayrak en ik hebben deze link naar het werkterrein van SZW gelegd, omdat dit van belang is in zowel het kader van het vreemdelingentoezicht en de hulpverlening aan de slachtoffers/vreemdelingen, als in het handhavend optreden tegen de bordeelhouders, de exploitanten.

Mevrouw Arib vroeg naar de samenwerking met de Nederlandse Antillen en Aruba. Die samenwerking hebben wij aangeboden en dat aanbod is aanvaard. Dit geldt ook voor Sint-Maarten en Bonaire, dat straks deel gaat uitmaken van het Nederlandse staatsbestel, als de plannen die nu daarvoor in voorbereiding zijn, worden aanvaard. De eerste aanzet in de samenwerking was een miniconferentie waaraan ik ook heb deelgenomen, indertijd goed gecoördineerd met het overleg op Aruba dat wij hadden over andere onderwerpen van rechtshandhaving. De discussie richt zich vooral op het beschikbaar maken van assistentie en expertise. Wij zijn meer in het algemeen bezig met het versterken van de vreemdelingenketen op Aruba en de Nederlandse Antillen, wat dus ook landen van herkomst in het Caribische gebied en Zuid-Amerika raakt. Het Caribische gebied is zeker een gebied van zorg, vandaar de samenwerking in het vreemdelingentoezicht, die wij nu gestalte geven.

Verder heeft mevrouw Arib gevraagd naar samenwerking met de herkomstlanden van Roma. Wij moeten daarbij met name denken aan Bulgarije, Roemenië, maar Nigeria is evenzeer een belangrijk herkomstland. Wij zijn bezig met gerichte samenwerking door onder andere technische assistentie te geven aan politie en justitie aldaar, door hulpprojecten op te zetten en ook door preventieve activiteiten uit te voeren. De staatssecretaris zal dadelijk ingaan op de preventie. Het ministerie van Buitenlandse Zaken financiert bovendien een ngo-project in Bulgarije tot het opzetten van een internationaal doorverwijzingsmechanisme voor de opvang van slachtoffers.

Mevrouw Arib heeft gevraagd hoe het kan dat slachtoffers worden opgesloten in een justitiële jeugdinrichting en dat de daders ondertussen vrij rondlopen. Wij hebben het in een ander verband gehad over slachtoffers, daders, de justitiële jeugdinrichting en de functiescheiding. Het is mogelijk om de zogenaamde loverboys binnen de gesloten jeugdzorg te plaatsen als zij zelf jeugdigen zijn. De benodigde capaciteit wordt daarvoor opgebouwd. In de overgangsperiode is dat nog niet altijd mogelijk. Wij zullen er echter voor zorgen dat in ieder geval de strafrechtelijke aanpak van de jongemannen die zich aan ernstige vormen van criminaliteit schuldig maken, daarop niet afspringt.

Mevrouw Arib en mevrouw Azough hebben gevraagd naar de reden dat desalniettemin plaatsing van jonge vrouwelijke slachtoffers in jji’s plaatsvindt. Vanaf 1 januari 2008 is de gesloten jeugdzorg ook mogelijk buiten de jji’s. Mijn collega Rouvoet is bezig met de opbouw van die plekken. Dit betekent dat er in de eerste drie jaren sprake is van een overgangsfase. Het eerste jaar van die fase is nu bijna ten einde, en daar heeft de Kamer in een ander verband al met collega Rouvoet over gesproken.

Mevrouw Arib (PvdA): De minister heeft ook eerder geschreven en erkend dat het invullen van de capaciteit voor de bestrijding van mensenhandel veel tijd kost. In hoeverre blijven er daardoor zaken liggen? Van mensen die hiermee te maken hebben, hoor ik vaak dat de politie door de prestatiecontracten niet meer toekomt aan de bestrijding van mensenhandel. De politie wordt in die contracten afgerekend op hoeveel boetes zij uitdeelt aan fietsers die door het rode licht rijden.

Voorzitter: Arib

Minister Hirsch Ballin: Wat betreft de capaciteit van de politie gaat de vergelijking met de handhaving ter zake van verkeersovertredingen niet op. Dat is echt een ander soort werk. Daarvoor is ook een ander soort politiemensen nodig. Voorts is veel geautomatiseerd. Het klopt wel dat in de ogen van collega Ter Horst en mij sprake is van een zeer zorglijk vacaturepercentage bij verschillende onderdelen van de politie waar executieve taken worden vervuld, waaronder de recherche. Dit is het soort zaken waarop moet worden gerechercheerd om deze personen effectief aan te pakken. Dat is binnen de politie echt een andere werksoort. Daarom vinden mijn collega van BZK en ik het heel belangrijk dat het vacaturepercentage wordt teruggedrongen bij de recherche. Binnen de kaders van het bestaande politiebestel proberen wij er met een aantal maatregelen voor te zorgen dat er meer rechercheurs komen. Ook in de richting van de 26 korpsbeheerders werken wij daar zoveel mogelijk aan. Dat neemt niet weg dat binnen de bestaande recherchecapaciteit hoge prioriteit wordt gegeven aan zaken van mensenhandel. Korpsen die zaken onvoldoende oppakken, worden daarop aangesproken door de procureur-generaal.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. De minister heeft gesproken over de stapelmethode en het financieel rechercheren. Moet ik dit zo begrijpen dat los van het capaciteitsprobleem er ook nog een probleem is met de methodes voor het in de vingers krijgen van mensenhandel?

Minister Hirsch Ballin: Neen, het was niet de bedoeling om het probleem in die zin te beschrijven, maar juist de oplossing. Ik gaf een uiteenzetting over de methodiek waartoe de taskforce heeft geconcludeerd. Die werkwijze krijgt in de taskforce gestalte.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Ik heb een vraag over de Thaise massagesalons. De minister sprak over een integrale handhavingsactie. Daarvoor was capaciteit toegezegd, ook van de Arbeidsinspectie. Betekent dit dat deze salons voor een groot deel worden bezocht door de Arbeidsinspectie? Over de jji’s zegt de minister dat er per 1 januari ook gesloten opvang buiten de jji’s mogelijk is, maar dat antwoord had ik niet verwacht. Minister Rouvoet voert dat uit, maar mijn vraag was meer of de opvang, niet alleen de plek, maar de begeleiding die erbij hoort, de zorg, die specifiek op dit soort slachtoffers van toepassing is, ook wordt geregeld.

Minister Hirsch Ballin: De verschillende aspecten van opvang van slachtoffers wordt door collega Albayrak besproken. De eerste vraag van mevrouw Azough raakt een punt dat ik in antwoord op de vraag van de heer De Wit naar voren wilde brengen. Mevrouw Arib sprak er ook over, ook over de Arbeidsinspectie, onder andere in verband met de zogenaamde Thaise salons. De Arbeidsinspectie doet op dit moment volgens de gegevens van onze collega’s van SZW ongeveer 11 000 controles op de werkplek. Bij de werkplekcontroles worden vaak meer werkgevers gecontroleerd op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. De controles worden vaak uitgevoerd in sectoren die in de rapportages van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel als risicosectoren voor de overige uitbuiting worden genoemd, dus naast de prostitutiesector. Dat zijn de horeca, de bouw, de land- en tuinbouw, de uitzendsector en de detailhandel. Daarmee wil ik niet complete sectoren diffameren, maar dat zijn de sectoren die wat dit betreft prioriteit verdienen. Op deze samenhang wordt ook gewezen door de nationaal rapporteur. De rapporten van de nationaal rapporteur zijn ook belangrijk bij het goed vormgeven van het beleid. De controles doet de Arbeidsinspectie in nauwe samenwerking met de reguliere politie. Alle inspecteurs en specialisten van de Arbeidsinspectie die betrokken zijn bij het toezicht op de twee wetten die ik zojuist noemde, zijn door medewerkers van de SIOD en het EMM opgeleid om signalen van uitbuiting te onderkennen. Daardoor is de Arbeidsinspectie tijdens de controles alert op eventuele ernstige misstanden in de arbeidssituatie. Dat is een signaal dat er mogelijk meer aan de hand is. Dat wordt doorgegeven aan de SIOD en komt vervolgens bij het EMM terug. De werving van 24 extra inspecteurs bij de Arbeidsinspectie is in gang gezet. Dat is te danken aan een amendement van de heer Spekman en anderen. Mevrouw Arib wil ongetwijfeld overbrengen dat wij daarvan in dit verband met erkentelijkheid melding hebben gemaakt. Zij worden in de tweede helft van 2008 in dienst genomen.

De heer De Wit heeft gevraagd naar een omschrijving van de overige uitbuiting. Ik denk niet dat dit op dit moment nodig is. Ik sluit dat niet uit voor de toekomst, maar wij kunnen ermee werken. Bij het geringe aantal zaken dat zich tot nu toe heeft voorgedaan, hebben wij geen aanwijzing gekregen dat wij er zo niet mee kunnen werken. Ik zeg dit wel voorzichtig, want het punt van de heer De Wit nemen wij serieus. Op dit moment zijn twee zaken aanhangig, een bij de Hoge Raad en de andere bij het Hof. Ik wacht de uitspraken af. Wat de Hoge Raad erover zal zeggen, zullen wij nauwlettend volgen. Er wordt binnen het OM nagedacht over een soort standaard requisitoir voor zaken op het gebied van de overige uitbuiting. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel doet ook hier goed werk met een onderzoek naar de jurisprudentie. Dat zal ik uiteraard bij het verder beoordelen van het door de heer De Wit aangesneden punt betrekken.

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Over de definitie van uitbuiting staat in de rapportage dat dit een probleem kan geven bij de opsporing. De minister stelt dat dit nog wel meevalt. In de rapportage staat echter ook dat het lastig is bij het creëren van passende opvang, want de vraag is wat precies een slachtoffer van uitbuiting is. Herkent de minister dat?

Minister Hirsch Ballin: De passende opvang van slachtoffers komt aan de orde in het antwoord van de staatssecretaris.

Ik kom op de ervaringen met de stapelmethode. Het is een werkwijze in de opsporing en bij het in zicht krijgen van wat er bij de slachtoffers speelt, maar bij de bewijsvoering is die ook van belang. Het is een hulpmiddel voor de opsporing, maar het werkt door in de fase van de bewijsvoering door het OM bij het aanbrengen van de zaak. De werkwijze is ook met succes toegepast in het Sneep-onderzoek. De methode wordt nu ook toegepast in andere opsporingsonderzoeken die de nationale recherche en andere politiekorpsen onder handen hebben.

Dan de signalering binnen de politie. Daar wordt in getraind door allerlei beroepsgroepen, ook met inschakeling van betrokkenen uit andere overheidsinstanties en de particuliere sector. Een en ander is gericht op het herkennen van de signalen van mensenhandel en verschijnselen die erop wijzen dat zich een situatie van mensenhandel voordoet.

Voorzitter: De Pater-van der Meer

De heer De Wit (SP): Nog even iets over de politie en het herkennen van signalen. Ik heb gevraagd of het herkennen van signalen, het doen van onderzoek, onder druk staat van de prestaties die de politie moet leveren. Is de minister daar nog iets naders over bekend? Is het een probleem dat men op andere terreinen een aantal quota moet halen waardoor dit erbij inschiet?

Minister Hirsch Ballin: Neen, wij passen geen quotabenadering meer toe. Wij hebben nu een prioriteitenbenadering. Mensenhandel behoort tot die prioriteiten. Dat is de situatie op dit moment als het gaat om de aansturing van de politie na de inwerkingtreding van de wet die eind 2006 door de Kamer is aanvaard.

De heer Van der Staaij (SGP): Het is goed dat mensenhandel tot de prioriteiten behoort, maar in de praktijk hoor je nog wel eens signalen, ook van gemeenten, die erop neerkomen dat soms ook kwesties de aandacht vragen, waarbij slachtoffers veel directer in beeld zijn of waarbij ook overlast wordt ondervonden. Je moet dan veel energie steken in heel complexe en bewerkelijke zaken. Is het mogelijk dat, ondanks de duidelijke prioriteitenstelling, mensenhandel als gevolg van het probleem van de capaciteit een beetje het onderspit delft ten opzichte van andere kwesties die ook om politiecapaciteit vragen?

Minister Hirsch Ballin: Dat wordt gemonitord. Daardoor kon ik zojuist zeggen, al had ik dat liever niet gedaan, dat zes politiekorpsen op dit punt in de laatste rapportage nog niet voldoende hadden gepresteerd. Dat betekent echter wel dat wij het in de gaten houden. De korpsen worden er ook op aangesproken door het bevoegd gezag, door het OM. Het wordt ook geruggensteund door de afspraken die in de beheerslijn door mijn collega van BZK en mij zijn gemaakt met de politie op landelijk niveau.

De heer Teeven (VVD): Gaat dit ook gebeuren met betrekking tot de registratie in de 25 korpsen? Wat dat betreft loopt men ook een beetje mank.

Minister Hirsch Ballin: Ja, het geldt ook voor de registratie. De verschillende onderdelen van de werkwijze hebben wij doorgenomen. Mijn collega en ik zijn ook op bezoek geweest bij het Expertisecentrum mensenhandel in Zwolle. Daar heeft men melding gemaakt van de gegevensuitwisseling. Dat is uiteraard een punt. Ook wat dit betreft moet ik verwijzen naar een probleem dat nog speelt in de beheerssituatie van de politie, namelijk het punt van de eenheid van registratiemethodes. Daar wordt wel aan gewerkt. Het is ook een van de indicatoren voor de mate waarin de korpsbeheerders erin slagen tot betere resultaten te komen. Registratie hoort er zeker bij, ook op dezelfde standaarden.

De heer Anker heeft gevraagd naar de registratie van het Comensha. Inderdaad is de bestaande registratie van het Comensha niet zo volledig als wij wensen. Dat heeft de nationaal rapporteur ook geconstateerd. Voor het zicht op de problematiek en voor het maken van goed beleid is het van groot belang dat wij zo compleet mogelijke gegevens hebben. Ik maak mij dan ook sterk voor de verbetering van de registratie. In potentie is sprake van veel informatie. Wanneer een slachtoffer geen opvang nodig heeft, wordt het slachtoffer niet altijd aangemeld bij het Comensha. Dat moet wel worden bedacht. Er is binnen het Comensha een verbetertraject gestart, waarin ook de rol van het Comensha ten opzichte van de partners wordt verduidelijkt. Het Comensha is ook aan de slag gegaan met het project keteninformatisering om de onderlinge informatie-uitwisseling met de deelneming van het Comensha te verbeteren. Er zal bovendien door het Comensha in samenspraak met andere betrokkenen onderzoek worden gedaan naar de benodigde gegevensset. Men gaat preciseren welke gegevens nuttig en nodig zijn, zodat er geen tijd wordt verspeeld aan andere gegevens en zodat er ook niets verloren gaat. Via de taskforce volgen wij de voortgang daarin.

Dan het werven door loverboys van slachtoffers via internet. Ik ga ook in op de vraag of wij wel verder moeten met die vergoelijkend klinkende term «loverboys». De Kamerleden, ik en degenen die ook maar een beetje vertrouwd zijn met het onderwerp, weten hoe misplaatst die aanduiding van deze jongemannen als lovers is. Ik denk inderdaad dat wij een poging moeten doen om daar vanaf te komen. Het zijn pooiers. Dat is terecht opgemerkt. Het gaat om een bijzondere verschijningsvorm van ernstige criminaliteit die wij in het strafrecht mensenhandel noemen door mannen die deels strafrechtelijk minderjarig zijn, maar deels ook niet meer. Het lijkt mij goed te onderkennen dat het boys zijn, maar misschien doen wij er goed aan om ze voortaan pooierboys te noemen. Die term geeft goed aan dat het niet zo maar pooiers zijn, want het zijn jongemannen die het doen. Ik hoop dat het vergoelijkende er dan een beetje af is, want iedereen weet wel wat een pooier is.

De heer Anker sprak over registratiesystemen. Het is moeilijk na te gaan of sprake is van een toename van deze pooierboys die slachtoffers via internet werven. Er zijn bij de politie wel signalen bekend dat mensenhandelaren potentiële slachtoffers via internet benaderen. Ik heb in de brief van 14 april 2007 aan de Kamer over de aanpak van cybercrime aangegeven dat de publiek-private samenwerking bij de preventie van cybercrime moet worden uitgebouwd met meldpunten voorlichting en informatie-uitwisseling. Politie en justitie zullen meer en een andere inzet plegen, dus meer proactief, uiteraard ook systematischer. De internationale samenwerking plus een update van de juridische instrumenten maken er ook deel van uit. Dat geldt ook voor dit soort activiteiten van pooierboys via internet. Daar komen de twee benaderingen die deel uitmaken van ons beleid ten aanzien van activiteiten op internet, dus criminaliteit die gebruik maakt van deze vorm van communiceren, inclusief het lokken, het werven van slachtoffers en het onderwerp dat wij vandaag bespreken bij elkaar.

De heer Anker heeft een specifieke vraag gesteld over de samenwerking met Bulgarije en Roemenië. Wat Roemenië betreft loopt er een project dat zich richt op de preventie en slachtofferopvang op lokaal niveau. De ketenpartnersamenwerking krijgt daarbij bijzondere aandacht. Wat betreft Bulgarije loopt er een belangrijk ngo-project. Wij zijn ook bezig met het opzetten van een project waarbij de overheden samenwerken. Dat betreft een expertisecentrum waarvoor ik bij gelegenheid van mijn bezoek aan Bulgarije een aanbod heb gedaan. Ik spreek mijn Bulgaarse collega’s er voortdurend op aan dat zij ook van hun kant het nodige moeten doen om dit te realiseren. Wij zijn graag bereid om ze daarbij terzijde te staan, ook met behulp van ons expertisecentrum in Zwolle.

De heer Anker (ChristenUnie): Ik ben blij dit te horen, maar hoe is dit tot stand gekomen? Hoe staat het met Hongarije?

Minister Hirsch Ballin: Ik noemde alleen Roemenië en Bulgarije en eerder nog Nigeria.

Dan iets over de preventieve activiteiten ten aanzien van pooierboys. De afgelopen jaren is steeds meer aandacht ontstaan voor de preventie met voorlichting over hun praktijken en over hulpverlening aan slachtoffers. Daar hoort ook bij voorlichting over seksualiteit en het attenderen van ouders op het onderkennen van signalen. Dat geldt ook in relatie tot de scholen. Justitie is opdrachtgever van het project Stay in love Plus dat op scholen wordt uitgevoerd. Deze aanpak is gebaseerd op de Nederlandse methodiek Stay in love, aangevuld met bewezen effectieve bestanddelen van het Canadese preventieproject Safe dates. Begin 2009 start de pilot in drie regio’s. Veel gemeenten hebben in het kader van hun preventieve taken op grond van de Wet collectieve preventie volksgezondheid en de Wet maatschappelijke ondersteuning de voorlichting en hulpverlening op dit terrein geïntensiveerd. Er is ook een website, www.jeugdprostitutie.nu van het Expertisecentrum Jeugdprostitutie. Daar zijn de verschillende beschikbare interventies bijeengebracht. Met subsidie van het ministerie van VWS is aan het veelgebruikte voorlichtingspakket voor het vmbo Lang leve de liefde een lesmodule toegevoegd over loverboys, pooierboys dus. Die module richt zich op preventie en weerbaarheid. De lokale GGD stimuleert het gebruik van dit lespakket op scholen. VWS heeft het programma Seksuele gezondheid van de jeugd opgezet, dat zich richt op het verbeteren van seksuele vorming en weerbaarheid bij jongeren. Het programma loopt via ZonMw. VWS heeft daar 4 mln. voor beschikbaar gesteld. Er is een groot aantal projecten door de goede zorgen van de collega’s van VWS en OCW in omloop gebracht. Er is voorts veel overheidsmateriaal te vinden op de website www.ppsi.nl.

Mevrouw Arib (PvdA): Er is inderdaad veel voorlichtingsmateriaal, maar slachtoffers van pooierboys hebben ontzettend veel kritiek op de campagne met die knuffelbeer. Dat komt allemaal heel zachtaardig over, maar hoe komt zo’n campagne tot stand? Het is namelijk een keiharde wereld. De meisjes worden geronseld. Dat moet ook in de campagne naar voren komen. Mensen die er dus ervaring mee hebben, hebben veel kritiek op de campagne.

Minister Hirsch Ballin: Wij nemen die kritiek serieus. Wij zullen onze collega’s van VWS, zoals wij dat ook op andere onderwerpen doen, met alle liefde de voordelen van een stevige aanpak overbrengen.

De heer Anker vroeg of het slachtoffer voldoende informatie krijgt als een zaak is geseponeerd. Dat is zeker van belang. Het is een van de maatregelen die is opgenomen door de Taskforce aanpak mensenhandel. Een eerste inventarisatie heeft een aantal aanknopingspunten opgeleverd, maar ook een aantal op te lossen problemen, vooral als het gaat om de adresgegevens van de slachtoffers, want die moeten ook bekend zijn. Via registratie van mensenhandel in het zwacri-register, zware criminaliteit, hopen wij dat te kunnen verbeteren.

De heer Anker heeft ook gevraagd naar de operationele samenwerking in EU-verband. Wij hebben het initiatief genomen tot intensivering van samenwerking in de Noordwestelijke regio over het aanleveren van informatie aan Europol. De betrokken landen, Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Ierland, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk hebben in het kader van de Noordwestbenadering afgesproken om projecten te gaan richten op groepen daders en slachtoffers. Wij zullen daarbij ook gebruik maken van onze inzichten uit wat wij in het kader van de taskforce doen. Wij doen dus veel in internationaal verband. De heer Anker heeft enige highlights gevraagd. Ik noemde er al een aantal over de grens, zoals Bulgarije, Roemenië, Nigeria, de Nederlandse Antillen en Aruba. Er wordt ook actief samengewerkt met de VS in het kader van uitwisseling van informatie en deskundigheid.

Dan het ronselen van meisjes door pooierboys. Om de signalering van meisjes die als slachtoffer in de prostitutie zitten te verbeteren, hebben wij een signaleringslijst ontwikkeld voor de professionals. Dat ligt in het verlengde van wat ik al eerder zei over de uitwisseling van informatie tussen de verschillende partners. Daarbij spelen ook de branchemeldpunten waar de heer Anker naar vroeg een rol.

De heer Anker (ChristenUnie): Het ging mij om de sectoren waar nog geen meldpunt is. In de brief wordt een aantal sectoren genoemd waar wel een meldpunt is, terwijl wij volgens mij redelijkerwijs kunnen aannemen dat bijvoorbeeld in de horeca ook problemen zijn. Daar is echter nog geen meldpunt.

Minister Hirsch Ballin: De Arbeidsinspectie is daar wel mee bezig, want het is haar taak om de gaten te dichten in bepaalde sectoren. Ik noemde de horecasector ook als veld van aandacht van de Arbeidsinspectie. De Arbeidsinspectie probeert met de betrokken branches tot afspraken te komen. Ik kan mij goed voorstellen dat meldpunten er een rol bij spelen. Ik zal dit bij de collega’s van SZW onder de aandacht brengen.

De heer Teeven heeft gevraagd naar de registratie van jeugdprostitutie. Over de webregistratie van jeugdprostitutie hebben wij deze maand een startbijeenkomst. Daarna start de registratie, een maand later dan gepland, maar nu is het echt gepland.

De sturing van de informatie-uitwisseling via het EMM heb ik al besproken. Daar komt een plan van aanpak voor. Dat zal naar verwachting het zicht op de sector verbeteren.

De heer Teeven vroeg ook aandacht voor de open woonvormen die licht verstandelijk gehandicapte slachtoffers in de risicosector brengen. Op de website www.jeugdprostitutie.nu wordt speciaal aandacht geschonken aan de licht verstandelijk gehandicapten. Wij zijn er ook over in contact met VWS dat een programma op dit terrein heeft opgezet. Ik zal die signalering ook bij de collega’s van VWS onder de aandacht brengen in verband met hun zorg voor de kwaliteit in de zorgsector als het gaat om licht verstandelijk gehandicapten.

De heren Anker en Teeven hebben gevraagd naar de coördinatie bij open woonvormen en de kamertraining. Dat wordt meegenomen in hetzelfde overleg waar ik zojuist over sprak. Mevrouw Azough heeft gevraagd naar de inzet in de politieregio’s. Daar heb ik op geantwoord bij voorgaande vragen. De aangiftebereidheid van slachtoffers wordt onderzocht door het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van het OM. Wij hopen daaruit te leren voor een verbeterde aanpak daarvan.

Dan de concrete resultaten. Er staan ongeveer 200 mensenhandelzaken per jaar ingeschreven. Over de effecten van de versterkingsprogramma’s zullen wij de Kamer graag informeren. De EU werkt samen met Nigeria. Die samenwerking is vooral effectief als die in EU-verband plaatsvindt. Dat heeft ook geleid tot een actieplan mensenhandel samen met de Afrikaanse Unie.

De kwestie van slachtoffers in de vergunde prostitutiesector, die ook te maken heeft met de Wet BIBOB, krijgt aandacht in het wetsvoorstel waarvan ik melding maakte. Het centraal meldpunt voor pooierboys bij het Comensha registreert ook jeugdprostitutie. De stand van zaken wat betreft malafide uitzenders wordt door de collega’s van Sociale Zaken bekeken. Het aantal gecertificeerde bedrijven, niet zijnde de prostitutiesector, is inmiddels gestegen tot 1700. Bij de inleners wordt naar wij en zij hopen de aansprakelijkheid weer ingevoerd, want dat helpt ook. De ketenbenadering wordt landelijk uitgerold. Het blijft niet bij pilots alleen. Het Programma versterking aanpak georganiseerde misdaad speelt daar een rol in. Het onderzoek naar de plankzaken door de nationaal rapporteur loopt nog. Het gaat soms om signalen, maar ook om dossiers die nog niet gereed zijn om de zaak verder te vervolgen. Ik vind het van groot belang dat hiernaar wordt gekeken. Ik ben daarom blij met dit initiatief van de rapporteur.

Over de verhoging van de leeftijd voor prostitutie hebben wij onlangs gesproken bij de Justitiebegroting. Mijn collega van BZK en ik zullen, wanneer het wetsvoorstel in de consultatiefase is, parallel aandacht besteden aan deze gedachte. Wij hebben er intussen ook al contact over gehad. Ik ken de passage in het rapport Schone Schijn over de vervolging van artsen. De bestuurlijke rapportage over de strafzaak is op 1 juli verschenen. Daar komt dat punt in aan de orde, maar in die zaak waren er onvoldoende aanknopingspunten voor strafrechtelijke vervolging. Ik ben het ermee eens dat de rol van artsen een punt van zorg en aandacht is. Dat geldt ook voor gedwongen abortussen en gedwongen borstvergrotingen. De cijfers van het Comensha en het artikel in Trouw geven geen informatie over gedwongen huwelijken en het kopen van een bruid of een bruidsschat, maar het onderwerp heeft uiteraard de aandacht. De personen die mensenhandel bewust faciliteren door medisch ingrijpen, zijn de artsen over wie ik het al had. Dan de vraag of er signalen zijn over toename van het optreden van criminaliteit door pooierboys. Op dat punt zullen wij de cijfers nader laten vergelijken door de taskforce. Er zijn inderdaad verschillende aanwijzingen, maar ik zal het advies van de taskforce en van het OM daarover afwachten. Ik zal de Kamer over de registratie en de eventuele incongruenties daarbij in de volgende rapportage nader berichten.

De voorzitter: Dan is het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. Wij komen van heel ver als het gaat om de herkenning, erkenning en bescherming van slachtoffers van mensenhandel. De woordvoerders hebben bijna allemaal een bijdrage geleverd aan de totstandkoming van zowel beleid als wetgeving. Dat is niet voor niets. Op het punt waar wij nu staan, is nog steeds sprake van een proces van optimalisering, dus niet alleen wat betreft de opsporing en vervolging van daders, maar juist ook als het gaat om de bescherming van slachtoffers. Vandaag heeft de Kamer daar vragen over gesteld.

Bij het maken van de B9-regeling, die gaat over de verblijfsrechtelijke gevolgen van de bescherming van slachtoffers, hebben wij uitdrukkelijk willen weten en meten of zij een bijdrage levert aan de bestrijding van mensenhandel. In dat verband is het WODC in 2006 al opdracht gegeven, een meetinstrument te ontwikkelen. Aan de hand van dit meetinstrument is vorig jaar door het adviesbureau Van Montfoort en het Verwey-Jonker Instituut een monitor afgenomen. De resultaten daarvan zijn opgenomen in de trendrapportage.

Ik zeg dit, omdat in de trendrapportage een aantal knelpunten wordt gesignaleerd, waarvoor wij de verbeteringen deels al hebben gevonden en doorgevoerd. Een aantal daarvan noem ik hier graag. Wij hebben met een aantal wijzigingen van de B9-regeling in 2007 gewaarborgd dat er meer aandacht is voor slachtoffers van mensenhandel in zowel de asielprocedure als in de vreemdelingenbewaring. In de asielprocedure hebben wij met ingang van 5 april 2007 het beleid zo gewijzigd dat er een keuzemogelijkheid komt, als de vreemdeling hangende de asielprocedure aangifte doet van mensenhandel, of breder, als hij aangeeft medewerking te willen verlenen. De vreemdeling kan kiezen voor de B9-regeling of voor het voortzetten van de asielprocedure. Het laatste houdt in dat de vreemdeling de inhoudelijke beslissing op de asielaanvraag afwacht. De politie meldt in dat geval de aangifte of de verklaring aan de IND. De vreemdeling die aangeeft hangende de asielprocedure geen gebruik te willen maken van de B9-regeling, heeft het recht om dat op een later tijdstip alsnog te doen, bijvoorbeeld na afwijzing van het asielrelaas. Dan kan alsnog een plek aan het slachtofferschap worden gegeven.

De aangifte dan wel het op een andere wijze verlenen van medewerking aan het strafrechtelijk onderzoek wordt door de IND ambtshalve als aanvraag aangemerkt, als de vreemdeling aan de IND te kennen geeft alsnog een beroep te willen doen op de B9-regeling. Indien de strafrechtelijke procedure nog loopt, wordt op dat moment een vergunning op grond van de B9-regeling verleend. De toegang tot de asielprocedure blijft voor mensen die aangeven slachtoffer te zijn, gewoon een mogelijkheid en deze blijft gewaarborgd.

De veranderingen die te maken hebben met de vreemdelingenbewaring, zijn wat recenter. Voor gebruikers ervan is in februari 2008 het beleid inzake de positie van vreemdelingen op wie een artikel 59 van de Vreemdelingenwet (vreemdelingenbewaring) van toepassing is, verduidelijkt. De politie is conform de Aanwijzing mensenhandel van het College van procureurs-generaal uitdrukkelijk geïnstrueerd, bij de geringste aanwijzing van mensenhandel een illegaal verblijvende vreemdeling het B9-traject aan te bieden. Dit is echt proactief. Indien de vreemdeling hiervan afziet, kan alsnog vreemdelingenbewaring worden opgelegd. Het is ook mogelijk dat er voor de inbewaringstelling geen signalen waren, maar dat tijdens de vreemdelingenbewaring de signalen wel boven water komen. Als dat gebeurt, dan dient het personeel van de desbetreffende inrichting de politie te waarschuwen. De politie hoort vervolgens de vreemdeling en wijst op de mogelijkheid van de bedenktijd voor het doen van aangifte of het meewerken aan het strafrechtelijk of het opsporings- of vervolgingsonderzoek.

Als die bedenktijd wordt verleend, komt daarmee de grondslag voor bewaring automatisch te vervallen en wordt de vreemdelingenbewaring opgeheven. De bedenktijd wordt verleend, wanneer het Openbaar Ministerie en de politie oordelen dat sprake is van signalen van mensenhandel. Het is dus ontzettend belangrijk dat de medewerkers van een inrichting daar alert op zijn en dat vervolgens ook melden. Tijdens de bedenktijdfase wordt de verwijdering van het vermoedelijk slachtoffer uit Nederland opgeschort en heeft de vreemdeling op dat moment rechtmatig verblijf.

Wij hebben onlangs gekeken naar wat de rol van de Dienst Terugkeer en Vertrek hierin kan zijn, want soms komt echt in de allerlaatste fase pas boven tafel dat er sprake is van slachtofferschap. De DT&V doet een laatste check op schrijnendheid en op de signalen van mensenhandel. Wanneer hier sprake van is, wordt de vreemdeling niet uitgezet, maar wordt zijn dossier overgedragen aan de diensten die daarmee aan de slag moeten.

Mevrouw Arib (PvdA): De staatssecretaris zegt dat de mensen die bij de vreemdelingenbewaring werken, alert moeten zijn op signalen van slachtoffers van mensenhandel. Het probleem is echter vaak dat die vrouwen niet eens weten dat zij hun verhaal kunnen doen, en dat zij ook niet de gelegenheid krijgen om hun verhaal te doen. Er is niet zo heel lang geleden in Amsterdam een groep vrouwen opgepakt, die in vreemdelingenbewaring gesteld werd en die vervolgens het land uit werd gezet. Daaronder waren vrouwen die het slachtoffer waren van vrouwenhandel. Ik vind de aanpak op zichzelf goed, maar deze is niet voldoende. Vrouwen moeten ook op de hoogte zijn van de mogelijkheid om hun verhaal te doen, anders maken zij daar ook geen gebruik van. Zij denken dan gewoon dat zij het land uit worden gezet.

Staatssecretaris Albayrak: De moeilijkheid is dat er echt een begin van een vermoeden of een eerste indicatie moet zijn, wil je een vrouw daarop kunnen wijzen. Je kunt niet categoraal alle vrouwen in de vreemdelingenbewaring gaan vragen of zij slachtoffer van mensenhandel zijn, dat gaat wat ver. Ik denk dat de routes die wij nu hebben gevonden, de routes zijn waarlangs wij deze groep vrouwen moeten proberen te bereiken. Op het moment dat er een geringe indicatie is, wijst iedereen, van inrichtingsmedewerker tot OM en politie, op de mogelijkheid van het doen van aangifte, het meewerken of de bedenktijd. Een andere creatieve oplossing heb ik niet voor de vrouwen die vanuit zichzelf niet weten dat zij misbruikt worden of die niet kunnen optreden tegen de praktijken van samenwerking met de pooiers, omdat er geen bescherming is.

De heer Teeven (VVD): De omgekeerde zorg speelt bij onze fractie. Zijn de staatssecretaris al gevallen bekend waarbij vrouwen een verhaal opdissen, waardoor de uitzetting niet plaatsvindt, terwijl er dus uiteindelijk niets aan de hand is?

Staatssecretaris Albayrak: Wij hebben deze vorm van bescherming uitdrukkelijk in het beleid en in de wetgeving opgenomen, omdat wanneer wij dat niet doen, wij onszelf een kans ontnemen om de opsporing en vervolging van dit soort strafbare feiten te maximaliseren. Daarbij bestaat het risico dat valse aangiftes worden gedaan. Op het moment dat dit in het strafrechtelijke onderzoek uitkomt, zal dat onmiddellijk consequenties hebben voor de B9-regeling. Daar zul je ook weer aanwijzingen voor moeten hebben. Dit komt voor.

Wij hebben op 1 januari 2008 de pilot beschermde opvang voor alleenstaande minderjarigen gestart, waar in ieder geval de heer Teeven specifiek bij stilstond. Wij hebben dit gedaan, omdat wij inmiddels wisten dat het een risicogroep betreft waar zeker slachtoffers van mensenhandel bij zitten. Die slachtoffers verdwenen uit de open opvang, waarna zij in handen van criminelen vielen. De heer Teeven heeft specifiek gevraagd hoe wij de handel in alleenstaande minderjarigen aanpakken op het moment dat zij al in Nederland zijn. Wij zijn op 1 januari gestart met deze pilot. Ik heb de eerste bevindingen vorige week in een brief aan de Kamer gestuurd. Wij zien dat het waarschijnlijk effect heeft, dat er minder minderjarigen verdwijnen, in ieder geval Nigeriaanse meisjes. Dat is een complex van redenen. Het is nog te vroeg om daar heel strakke conclusies uit te trekken. De evaluatie begint op het moment dat de twee jaar van de pilot voorbij zijn, eind 2009. Wij hebben de evaluatie al ingebouwd in de pilot, dus wij verzamelen materiaal om de evaluatie straks te kunnen doen.

De heer Teeven (VVD): Hoeveel minderjarige kinderen zitten er op dit moment in de beschermde opvang?

Staatssecretaris Albayrak: In de brief heb ik het aantal verdwijningen et cetera vrij uitgebreid gemeld. Er zaten in de periode 1 januari 2008 tot en met 6 oktober 2008 94 minderjarige kinderen in de beschermde opvang. De hoofdgroepen zijn India en Nigeria. Verder komen er alleenstaande minderjarigen uit China, Sierra Leone, Somalië, Guinee en Angola. Dat zijn de nationaliteiten.

Dan nog een aantal procedurele vragen. Mevrouw Arib en de heer Teeven vragen naar de aantallen vrouwen die een beroep doen op de B9-regeling. Vanaf augustus 2006 zijn dat in totaal 563 aangiften blijkens de gegevens van de IND. In 352 gevallen is een B9-vergunning afgegeven. Er zijn 45 gevallen afgewezen door een complex aan oorzaken, soms ook omdat slachtoffers zelf vertrekken. Op dit moment staan nog 166 zaken open. Daar loopt het onderzoek nog van.

De heren De Wit en Teeven vragen naar de situatie op Schiphol en het onderscheid tussen slachtoffers die in het land worden aangetroffen en slachtoffers die zich op Schiphol aandienen. Qua aantallen gaat het om enkele tientallen op jaarbasis. Wij bieden daarbij geen bedenktijd, maar dat heeft alles te maken met het voorkomen van misbruik, althans dat was de gedachte destijds. Het gaat om een eerste ingang, maar eigenlijk is er nog geen sprake van toegangsverlening tot Nederland. De gedachte was dat, als je wel bedenktijd zou geven, als mensen daarmee feitelijk verblijf zouden krijgen, of rechtmatig verblijf, dit meer aangiften zou uitlokken. In de praktijk wordt deze regeling inmiddels door alle betrokkenen als onbevredigend ervaren, vooral gelet op de geringe aantallen, de consequenties en het enigszins ongerechtvaardigde onderscheid dat wij maken tussen slachtoffers. Als deze mensen via Schiphol in het land zouden komen, maar zich ergens anders zouden melden, zouden ze wel in de fase van bedenktijd en opvang komen.

Gelet op de huidige situatie vind ik het niet langer wenselijk dat onderscheid te handhaven, onder andere omdat er signalen zijn dat deze werkwijze betekent dat er waardevolle informatie voor nader onderzoek verloren gaat. Soms zijn er heel sterke aanwijzingen dat sprake is van mensenhandel. Om die reden heb ik besloten ook bedenktijd te verlenen, van maximaal drie maanden, aan vermoedelijke slachtoffers van mensenhandel die via Schiphol inreizen. Wij hebben al een aanvang gemaakt met de benodigde aanpassing van de regelgeving. Ik zal de Kamer nader informeren op welk moment wij op Schiphol kunnen starten met het aanbieden van die bedenktijd.

De heer Teeven (VVD): Is de staatssecretaris niet bang dat de oorspronkelijke redenen om dat niet te doen op Schiphol nu in volle omgang terugkeren en dat wij hier volgend jaar niet zitten met 94 personen, maar met 1094 personen?

Staatssecretaris Albayrak: Wij zoeken naar een balans, maar wij gaan dit goed monitoren. Zodra sprake is van een stijging van het aantal meldingen, zullen wij ons daar nader op beraden. Een andere afweging was dat wij onszelf anders de kans ontnemen een bijdrage te leveren aan het steeds vaker internationaal samenwerken om mensenhandel en mensensmokkel te bestrijden. In mijn ogen was sprake van een niet gerechtvaardigd onderscheid tussen de slachtoffers, want een en ander was alleen gebaseerd op de plek waar zij in Nederland werden aangetroffen. Maar wij zullen dit uitdrukkelijk monitoren.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Kan de staatssecretaris aangeven op welke termijn deze maatregel wordt ingevoerd en of er in de tussentijd provisorische maatregelen worden genomen om te voorkomen dat slachtoffers tussen wal en schip vallen?

Staatssecretaris Albayrak: Ik denk dat het voor de kerst nog moet lukken.

De heer De Wit (SP): Nog iets over Schiphol. Ik heb gevraagd wat de besloten opvang inhoudt die de staatssecretaris daar beoogt?

Staatssecretaris Albayrak: Voor mensen die aangifte doen en de bedenktijd?

De heer De Wit (SP): Mensen die daar aankomen, krijgen bedenktijd, maar dat gebeurt in een besloten opvang.

Staatssecretaris Albayrak: Het gaat om een wijziging. De mensen die aangeven slachtoffer te zijn van mensenhandel krijgen nu een bedenktijd van drie maanden, maar ze worden vervolgens in hetzelfde traject opgenomen als alle anderen. Voor hen geldt die besloten opvang niet. De heer De Wit haalt twee dingen door elkaar.

De voorzitter: Daar kan in tweede termijn op worden teruggekomen.

Staatssecretaris Albayrak: Mevrouw Arib en de heer De Wit vragen naar de paspoorteis. In de B9-regeling is expliciet opgenomen dat een aanvraag om een eerste toelating op grond van deze regeling niet wordt afgewezen vanwege het ontbreken van een paspoort. Ook bij aanvragen om verlenging en voortgezet verblijf zal de aanvraag niet worden afgewezen, indien aannemelijk is gemaakt dat redelijkerwijs niet aan het transportvereiste kon worden voldaan. De genoemde voorbeelden passen daarin, maar mensen moeten wel aantonen dat het niet aan hen ligt dat zij geen paspoort kunnen krijgen bij een voortgezet verblijf.

De heer Anker vraagt naar de vertraging in de afgifte van de verblijfspas en de consequenties daarvan voor het krijgen van een uitkering. Als sprake is van vertraging, heeft dat meestal te maken met het feit dat een slachtoffer of de getuige/aangever nogal eens wil verhuizen en in korte tijd op verschillende locaties in Nederland woont. Daardoor moet het pasje worden nagezonden aan de korpschef van de politie van de nieuwe woonplaats van het slachtoffer. Dat is een praktisch probleem waarvoor wij praktische oplossingen zoeken. Om in aanmerking te komen voor een uitkering moeten slachtoffers beschikken over een B9-pasje en moeten ze voldoen aan de criteria voor de inschrijving in de GBA. Sommige gemeenten nemen voor inschrijving in de GBA geen genoegen met een B9-pasje. Dat knelpunt zijn wij in de praktijk tegengekomen. Die gemeenten vragen uitdrukkelijk om een paspoort, maar dan zit je weer in die cirkel, want de meeste slachtoffers beschikken niet over een paspoort in deze fase. Het is gebleken dat dit vooral voortvloeit uit onbekendheid bij gemeenten met de B9-regeling en het B9-pasje en de rechten die dat geeft, bijvoorbeeld het recht voor slachtoffers om zich in te schrijven. Ik ben om die reden voornemens meer bekendheid aan de B9-regeling te geven bij gemeenten. Ik zal daarover in contact treden met de collega van Binnenlandse Zaken. Als een gemeente niet bereid is een slachtoffer in te schrijven in de GBA, treedt de politie of de IND als bemiddelaar op. Dan gebeurt het in de praktijk alsnog, maar met de nodige vertraging waar de heer Anker zich terecht zorgen over maakt.

Dan de opvang van slachtoffers. Terecht is gevraagd waar de antwoorden op een drietal sets Kamervragen blijven over de opvang van slachtoffers. Mijn excuses dat de Kamer de antwoorden nog niet heeft gekregen, maar dat heeft een aantal redenen. Het gaat om een categorie waarover in ieder geval lang overleg heeft plaatsgevonden met de staatssecretaris van VWS. Het was een probleem dat wij snel wilden oplossen, maar dat bleek praktisch en technisch niet zo gemakkelijk. De vraag is of dit een verantwoordelijkheid van Justitie betreft. Het gaat vooral om de eerste drie maanden als er nog geen sprake is van definitief zicht op verblijf. Is er sprake van een belang van Justitie vanwege de opsporing en vervolging als prioriteit, of gaat het om slachtofferschap dat zou moeten leiden tot maatschappelijke opvang? Dat heeft ons nogal wat kopzorgen gekost. Ook speelt hierbij de rol van de gemeenten via de Wmo. De vraag is wie waarvoor verantwoordelijk is. Het doorhakken van die knoop duurde de staatssecretaris van VWS en mij veel te lang. Vorige week hebben wij tegen elkaar gezegd dat wij dit linksom of rechtsom moeten oplossen en snel ook. Dat is mogelijk in de vorm van een pilot bij de gemeenten, vooral bij instanties die de opvang nu al verzorgen. Op die manier kan het structureel worden opgelost. Dit gaat op korte termijn gebeuren, ook omdat de urgentie van het probleem mij nog eens duidelijk werd tijdens een recent werkbezoek in Rotterdam bij de Eenheid vreemdelingenpolitie, c.q. het prostitutieteam. Ik heb daar allerlei verhalen gehoord. Zo trof de politie een vrouw aan tijdens bijvoorbeeld escortcontroles. De politie kon de vrouw nergens kwijt, dus kwam zij in een politiecel terecht. Dat zijn situaties die wij tot het verleden moeten laten behoren. Ik houd de Kamer op de hoogte van de voortgang van de pilot en de uitkomsten ervan.

Er is ook gevraagd naar de snelle actieteams. Hebben die het effect dat wij ervan verwachten? Ik heb nooit gezegd dat de snelle actieteams de oplossing zijn voor het bestrijden van mensenhandel of het voorkomen van mensenhandel. Inmiddels, met de opgedane ervaring in Nigeria, durf ik wel te stellen dat deze teams een bijdrage leveren aan de oplossing. Ze zijn dus wel een onderdeel van de oplossing. Dit heeft alles te maken met preventie, ervoor zorgen dat iets simpels als een rechtstreekse vlucht naar Nederland niet ook automatisch kan betekenen dat Nederland distributieland wordt voor Europa. Dat was er met de Nigerianen aan de hand. Nederland bleek vaak niet het bestemmingsland, maar het transitland, vanwege de directe vluchten tussen Nigeria en Nederland. Het controleren van die directe vluchten heeft zonder meer effect, in ieder geval qua gevolgen voor Nederland. Dat lijntje is opgerold, niet door preventieve controles, maar vooral door de strafrechtelijke onderzoeken, de fantastische actie door middel van het recherchewerk, de internationale samenwerking en onze eigen mensen die met mensenhandel bezig zijn. Dit is een van de meest sprekende voorbeelden van hoe je een internationaal al lang werkend netwerk met grote aantallen slachtoffers kunt oprollen. De snelle actieteams hebben er met preventieve acties een randvoorwaarde bij gezet. Dit heeft ongetwijfeld een waterbedeffect. Zo zien wij in Zwitserland het aantal meisjes uit Nigeria stijgen. Het vermoeden is dat dit ook komt, omdat wij het lijntje hier hebben gestopt. Wij exporteren wat dat betreft wat wij doen. Wij zetten niet alleen het internationaal rechercheren verder door. Wij gaan ook door met de snelle actieteams. Ik heb die in Europa al in de aanbieding gedaan. Er zijn al landen geïnteresseerd in dezelfde methode. Daar waar mogelijk gaan wij dit dus met andere landen doen, zeker met de landen die land van bestemming zijn voor Nigeriaanse meisjes, zoals Italië en Spanje, met Italië voorop. Wij werken ook veel samen in het kader van Europol en het internationaal netwerk van politiechefs. Datgene wat wij met de SAT’s boven tafel krijgen aan successen kan een plek krijgen.

De heer De Wit vraagt naar de aanpak van illegaliteit en het ontbreken van prestatieafspraken als het gaat om de bestrijding van illegaliteit. Er zijn geen prestatieafspraken meer, maar drie weken geleden hebben wij een convenant gesloten met de Vreemdelingenpolitie, waarin wij de prioriteiten hebben benoemd als het gaat om de bestrijding van illegaal verblijf. In dat convenant wordt uitdrukkelijk ingegaan op alles wat te maken heeft met migratiecriminaliteit. Dat betreft identiteitsfraude, misbruik van procedures, maar vooral ook mensenhandel en mensensmokkel en alles wat daarmee te maken heeft. Het ontbreken van prestatieafspraken is geen reden om hier niet met prioriteit afspraken over te maken met de politie, want die maken wij. Een en ander sluit ook volledig aan bij de visie van de Portefeuillehouder vreemdelingen van de Raad van Hoofdcommissarissen op die politionele vreemdelingentaak.

Er is voorts gevraagd naar de contacten met de landen van herkomst en de terugkeer. Wat betreft de samenwerking met de landen van herkomst durf ik te stellen dat die samenwerking cruciaal is voor zowel de successen met de preventie als ook de repressie. Ik noemde zojuist het onderzoek naar Nigeria. Dat is een goed voorbeeld. Wij richten ons op dit moment op de drie grootste herkomstlanden, Bulgarije, Roemenië en Nigeria. Dat wil niet zeggen dat wij in andere landen helemaal niets doen. Sterker nog, tijdens een werkbezoek aan Kiev recentelijk ben ik meer dan ik op dat moment wist tot het besef gekomen dat de oost-westroute nog vele malen, misschien ook in absolute aantallen, belangrijker voor ons is als het gaat om samenwerking, vooral kijkend naar de Oekraïne als belangrijk transitland voor alles wat daarachter ligt, soms ook voor Afrikaanse landen. Soms zijn de routes werkelijk te bizar voor woorden. Ik heb gevraagd om te bezien of de samenwerking als het gaat om politiesamenwerking bij opsporing en vervolging daar kan worden geïntensiveerd. Wij zijn vooral bezig met het bieden van technische assistentie aan politie en justitie bij het opzetten van betere structuren voor niet alleen opsporing en vervolging, maar ook de opvang van slachtoffers.

Dan de terugkeer. De samenwerking biedt ons ook de gelegenheid om te spreken over de terugkeer van slachtoffers en een goede opvang bij terugkomst, opdat wordt voorkomen dat slachtoffers wederom in handen vallen van criminelen en dezelfde route nog een keer afleggen. De voorbeelden van vooral vrouwen die in de prostitutie terechtkomen, zijn ons ook bekend. Wat dat betreft is bijna sprake van circulatie. De REAN-regeling wordt uitgevoerd door de IOM. Er is sprake van begeleide terugkeer, om ervoor te zorgen dat zorginstanties in de landen van herkomst hun verantwoordelijkheid nemen. De reiskosten worden betaald en er wordt wat geld meegegeven om de eerste periode te overbruggen. Daarna moeten de instanties in het land van herkomst de zorg in beginsel overnemen. Natuurlijk bestaat de mogelijkheid om een beroep te doen op de herintegratieregeling voor afgewezen mensen. Daarover komen wij binnenkort met de Kamer te spreken in het kader van de nota migratie en ontwikkeling.

Nadere gedachtewisseling

De heer Anker (ChristenUnie): Voorzitter. Ik heb geen vragen meer. Ik ben de bewindspersonen dankbaar voor hun uitgebreide beantwoording. De bestrijding van mensenhandel is een speerpunt van dit kabinet en dat kun je merken als je ziet wat er allemaal gaande is.

Mevrouw Arib (PvdA): Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen voor hun antwoord en hun toezeggingen. Ik dank de minister voor zijn uitvinding van de term «pooierboy».

Ik heb nog wel een paar vragen, onder andere over de politiekorpsen die niet allemaal op het zelfde niveau werken. De minister geeft dat ook aan, maar ik heb geen toezegging gehoord dat binnen een bepaalde periode alle politiekorpsen mensenhandelteams zullen hebben, die hun werk doen. Graag nog een reactie van de minister hierop.

De Arbeidsinspectie is bezig. Zij heeft ook een aantal mensen aangetrokken. Ik zou graag zien dat de Arbeidsinspectie wel onderzoek doet naar die sectoren, waarin problemen gesignaleerd worden. Wat wij hebben gehoord over de massagesalons, komt uit het veld. Dus het valt misschien aan te bevelen niet alleen daar onderzoek te doen, maar ook in andere sectoren. Krijgen wij daar ook iets van te horen?

Over de licht verstandelijk gehandicapten heb ik schriftelijke vragen gesteld. Ik zou graag van de minister willen weten wanneer VWS met iets komt, ook wat betreft de campagne waar slachtoffers van pooierboys kritiek op hebben. Ook VWS moet haar verantwoordelijkheid nemen en ons informeren over de stappen die zij gaat zetten. Ik heb het gevoel dat er vanuit Justitie heel veel gebeurt, maar ik ben minder tevreden over VWS.

Dan nog iets over vrouwen die worden opgepakt en in vreemdelingenbewaring terechtkomen. Het gaat er mij niet om dat al die vrouwen worden gehoord, maar wij weten dat een aantal vrouwen tot bepaalde risicogroepen behoren, bijvoorbeeld de Nigeriaanse vrouwen in Amsterdam die zijn opgepakt. Ook die vrouwen moeten hun verhaal kunnen doen, want wij hebben ons gecommitteerd aan internationale verdragen, op basis waarvan slachtoffers de gelegenheid moeten krijgen om hun verhaal te doen. Anders kun je de daders nooit oppakken.

De heer De Wit (SP): Voorzitter. Het verhaal over de besloten opvang is inderdaad wat verwarrend door mij gebracht. Ik heb het over pagina 4 van de brief over de trendrapportages, waar gesproken wordt over de besloten opvang buiten Schiphol. Ik heb gevraagd wat besloten opvang buiten Schiphol is? Het gaat dus over de mensen die de reflectieperiode krijgen.

Slachtoffers doen aangifte en willen een verklaring afleggen, maar er zijn ook slachtoffers die nog niet durven. Ik heb gevraagd of je, gelet op het verdrag, de bescherming niet ook tot de groep slachtoffers moet uitbreiden, die zich nog beraadt. Zij moeten eerst tot rust kunnen komen en daarna een weloverwogen beslissing kunnen nemen.

Met betrekking tot het paspoort heb ik voorgesteld om, al stelt de staatssecretaris dat het niet zo’n groot probleem is, een overzicht te maken van de landen waar het wel een probleem is, zodat wij daar rekening mee kunnen houden als iemand uit een bepaald land komt.

Ten slotte nog een opmerking over de snelle actieteams en de controle van de vluchten. De opvang in bijvoorbeeld Nigeria van deze meisjes is slechts kort. Daarna komen ze weer in de familie terug, of ze worden weer naar een ander land gestuurd. Als ze weer terug in de familie komen, komen ze terug zonder geld of andere middelen, waardoor ook op deze manier effecten ontstaan. Hoe kijkt de regering hier tegenaan?

De heer Teeven (VVD): Voorzitter. De VVD-fractie dankt de bewindslieden voor hun antwoorden. Wat betreft de snelle actieteams zou ik de staatssecretaris willen enthousiasmeren om dit ook op andere plaatsen toe te passen, waar het nodig is. Ik denk dat het goed is dat mensen ervan weerhouden worden om zonder status naar Nederland te reizen. Daar denkt onze fractie echt anders over dan de SP-fractie.

De reflectietijd begrijp ik nog steeds niet. De Koninklijke Marechaussee geeft aan dat er tot medio 2005 nauwelijks slachtoffers zijn aangetroffen op Schiphol. Is dat geen reden de reflectietijd niet uit te breiden, maar het huidige beleid te handhaven en dus niet te doen wat de staatssecretaris heeft gezegd? Ik wacht het antwoord van de staatssecretaris nog wel af, maar ik ben voornemens het verslag van dit algemene overleg op de plenaire agenda te laten plaatsen.

Mevrouw Azough (GroenLinks): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. Welke rol spelen hulporganisaties zoals BLinN en Comensha bij de signalering? De aangiftebereidheid wordt volgens de minister onderzocht door het Verwey-Jonker Instituut. Speelt daarbij ook de kwestie van vertrouwen of wantrouwen in de strafrechtspleging en dus mogelijk ook de definiëring van uitbuiting?

In de trendrapportage wordt gesproken over 1000 slachtoffers en 150 mensen die onderdeel uitmaakten van de B9-regeling. Uiteindelijk hebben 17 mensen hiervan voortgezetverblijfvergunningen gekregen en 48 mensen zijn teruggekeerd in het kader van de REAN-regeling. Ik vraag mij af wat er met de rest is gebeurd, in ieder geval met die 150 mensen die een tijdlang zijn gevolgd in het kader van de B9-regeling.

De heer Van der Staaij (SGP): Voorzitter. Ik zou graag beide bewindslieden willen bedanken voor de uitvoerige beantwoording. Het is goed dat de bestrijding en aanpak van mensenhandel merkbaar een zwaarwegende prioriteit heeft. Ik wil graag onderstrepen dat van belang blijft, dat er op toegezien wordt dat de mensenhandel ook in de regionale korpsen, de praktijk van het opsporingswerk, de prioriteit krijgt of houdt die het al heeft.

Tot slot een opmerking over de terminologie. Normaal moet je niet te veel over termen willen discussiëren, maar over de zaak zelf. Toch vind ik het nu wel nuttig, omdat de term «loverboy» misleidend en eufemistisch is. Er moet daarom voorzichtig omgesprongen worden met het hanteren van deze term. In de brief van 17 juni gaf de minister aan dat hij daarom consequent wil blijven spreken over mensenhandelaren. Ik juich het alleen maar toe dat hij nu een alternatief heeft verzonnen in plaats van het consequent spreken over mensenhandelaren, want ik vind de term «pooierboy» een goede vondst.

Voorzitter: Arib

Mevrouw De Pater-van der Meer (CDA): Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor de uitgebreide beantwoording. Ik denk dat het debat wat dat betreft goed is gevoerd. Ik ben blij met de strafverzwaring, aangezien dit ook tevens de mogelijkheid met zich brengt om ook voorbereidingshandelingen strafbaar te maken. Ik denk dat dat een belangrijke uitbreiding is.

Er is ontzettend veel aandacht voor de aangifte, terwijl wij heel weinig spreken over het feit dat deze kwestie ook ambtshalve vervolgbaar is. Zonder aangifte kan een opsporingsonderzoek dus ook gestart worden. Misschien moeten wij daar ook nog wat meer aandacht aan besteden.

Er is gesproken over de faciliterende beroepsgroepen rondom netwerken van mensenhandel. Dat circuit wil ik wat nadrukkelijker in beeld hebben. De minister zei dat hiertoe geen aanleiding is gezien in de zaak die aan de orde is geweest, maar toch wil ik hier nog wel eens goed naar kijken, niet met betrekking tot de kwestie die aan de orde is geweest, maar meer gelet op hoe wij in de toekomst omgaan met het meewerken aan strafbare feiten of het zelf plegen van strafbare feiten. Ik overweeg daarop terug te komen in het VAO waarover de heer Teeven al sprak.

Voorzitter: De Pater-van der Meer

Minister Hirsch Ballin: Voorzitter. Het is inderdaad goed dat wij over en weer onderkennen hoe breed en intens de inzet moet zijn en ook is. Ik heb daar in het begin van mijn antwoord in de eerste termijn de achtergronden al voor gegeven. Het is goed dat wij deze visie delen en onderstrepen. Ik denk dat het ook goed is dat we vanaf nu de vergoelijkende term «loverboys» achter ons laten. De term «pooierboys» is herkenbaar en geeft ook aan hoe serieus deze verschijningsvorm van criminaliteit op dit terrein is.

Ik vernam zojuist van oplettende mensen die namens mijn collega’s van Sociale Zaken hebben meegeluisterd dat er een meldpunt voor de horeca is. Deze vreugdevolle boodschap breng ik de Kamer graag over.

Mevrouw Arib heeft gevraagd binnen welke termijn alle achterblijvende politieregio’s worden meegetrokken. Wij denken dat dit bijtrekken in het eerste kwartaal van 2009 voltooid zal worden. In ieder geval zal de Korpsmonitor 2009 daar weer inzicht in geven. Over de andere voortgangspunten zullen wij de Kamer blijven informeren. Dat geldt ook voor de twee andere punten die door mevrouw Arib zijn aangesneden. De inzet van de Arbeidsinspectie zal ik opnemen met mijn collega van SZW. Eén bouwsteentje heb ik zojuist nog kunnen naleveren. Verder gaat het om de manier waarop de voorlichtingscampagnes bij VWS worden ingericht. Het gaat daarbij om een balans tussen bereikbaarheid en het laten blijken hoe serieus de materie is.

Mevrouw Azough heeft gesproken over het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Zij vraagt zich af of het wantrouwen onder slachtoffers daar ook in wordt meegenomen. Dat gebrek aan vertrouwen, met als gevolg lage aangiftebereidheid, die factor bij het mogelijk ontbreken van aangiftebereidheid door slachtoffers, wordt inderdaad ook meegenomen in het onderzoek van het Verwey-Jonker Instituut. Over de signalering door BLinN komt een project. Dat betreft de signalering van moeilijk bereikbare groepen op het punt van de overige uitbuiting. Het Comensha adviseert zowel de hulpverlening als de politie over het signaleren in de sectoren waar de kwestie mogelijk onopgemerkt blijft. Wij gebruiken de expertise van de ngo’s zoveel mogelijk.

De heer Van der Staaij wees op het belang van de prioriteit voor dit onderwerp in alle korpsen. Daarover zijn wij het eens.

Mevrouw De Pater-van der Meer sprak over de faciliterende beroepsgroepen. In dit concrete geval ontbraken de aanknopingspunten voor het strafrechtelijk onderzoek. De taskforce is met dit onderwerp bezig.

Staatssecretaris Albayrak: Voorzitter. De heer De Wit vraagt naar het tijdens de bedenktijd uitbreiden van de bescherming. Volgens mij is de bescherming van drie maanden gewaarborgd in de procedure. De wijzigingen die wij april vorig jaar hebben aangebracht, zijn er vooral op gericht om de bescherming uit te breiden, bijvoorbeeld als het gaat om mensen die geen aangifte willen doen, maar wel anderszins willen meewerken. Op het moment dat je meewerkt, krijg je in ieder geval voor drie jaar een verblijfsvergunning in het kader van de B9-regeling. Als sprake is van een veroordeling tijdens die drie jaar heb je recht op voortgezet verblijf. Sinds vorig jaar geldt dat, als de drie jaar voorbij zijn en er is nog geen eind gekomen aan het strafrechtelijk onderzoek of er is nog geen veroordeling, ook dan uitzicht bestaat op voortgezet verblijf. Ook als sprake is van een sepot kan het slachtoffer een beroep doen op voortgezet verblijf. Eerst waren die mogelijkheden er niet en was een en ander gekoppeld aan een veroordeling, maar dat hebben wij in principe losgelaten.

Dan de paspoorteis. De heer De Wit vraagt of het niet handiger is een lijst van landen op te stellen die moeilijk doen wat dit betreft en om dan van de vrouwen die uit die landen afkomstig zijn geen paspoort te verlangen. Ik heb al aangegeven dat het ontbreken van een paspoort noch in eerste instantie noch bij vervolgaanvragen wordt tegengeworpen. Ik weet dus niet welk nut zo’n lijst zou hebben, afgezien van het feit dat je in het algemeen niet moet stellen dat land x geen paspoort verstrekt en dat je dat accepteert. De werkelijkheid is vaak anders. Een en ander hangt vaak af van het individuele geval. In een enkel geval lukt het wel, maar in een ander geval niet. Ik leg mij er dus niet bij neer dat een land geen paspoort afgeeft.

De heer De Wit vraagt voorts naar de opvang in het herkomstland en wat er in dat kader gebeurt met slachtoffers. Bij de uitvoering van wat de SAT’s in Nigeria moesten doen, is betrokken wat er moest gebeuren op het moment dat slachtoffers werden aangetroffen. Daarbij is de samenwerking met de landen van herkomst cruciaal. Er is met de Nigerianen gesproken over het op dat moment bieden van hulp, zorg en opvang aan slachtoffers. Dat heeft ook te maken met de vraag van de heer Teeven in eerste instantie welk belang prevaleert, het belang van het kind of het opsporingsbelang als in Nederland een slachtoffer wordt aangetroffen. In eerste instantie gaat het erom minderjarige kinderen, als dat kan, veilig terug te brengen en te herenigen met de familie. Dat is de allereerste prioriteit. Het kan gebeuren dat een kind een B9-vergunning krijgt, omdat sprake is van samenwerking met of medewerking aan een strafrechtelijk onderzoek. Het hangt dus af van de individuele omstandigheden waaronder een slachtoffer wordt aangetroffen. Als hereniging mogelijk is, gebeurt dat, maar een en ander bijt elkaar niet. Het hangt dus van de individuele omstandigheden af welk belang moet prevaleren. Minderjarige kinderen die wij veilig kunnen terugbrengen, laten wij hier niet hangen vanwege niet al te concrete en langlopende onderzoeken, want dat is volgens mij in strijd met het belang van het kind. Als sprake is van een concreet strafrechtelijk onderzoek, kan dat een reden zijn om een jongere hier iets langer te houden, ook met de B9-regeling.

De heer Teeven vraagt naar de reflectietijd. Hij verwijst in dat kader naar de cijfers tot 2005. De KMAR heeft sinds 2005 ontzettend veel geïnvesteerd in die zin en is dus nu veel beter getraind om signalen van mensenhandel te onderkennen. Dat leidt tot meer herkenning van slachtoffers. Op jaarbasis betreft het nu enkele tientallen slachtoffers. Het aantal ligt ongeveer op 40 per jaar. Er is dus in ieder geval sprake van een beschermingsbelang, maar ook van een opsporingsbelang als het gaat om de reflectieperiode. De mogelijkheid van misbruik zullen wij straks monitoren. Wij bezien dan niet alleen of de aantallen opeens meer stijgen, maar ook hoe het zit met het aantal inwilligingen en afwijzingen van verzoeken aangaande de B9-regeling van mensen die via Schiphol komen. Ik zeg dus toe dat wij die zaken straks gaan monitoren. Misschien wil de heer Teeven die ontwikkelingen nog even afwachten, voordat hij een VAO aanvraagt.

Mevrouw Azough vraagt naar de rol van de hulpverleners bij het vaststellen van slachtofferschap. Dat was onderdeel van de brief die ik de Kamer in april 2007 heb gestuurd met een aantal verbeteringen. Wij hebben de stap gezet om niet meer alleen af te gaan op informatie van de politie om slachtofferschap te constateren. Wij betrekken hier vaker en nadrukkelijker ook geluiden en signalen van ngo’s en hulpverleners bij. Inmiddels is dat praktijk. De genoemde organisaties zijn de eerstbetrokkenen.

Dan de aantallen mensen die een beroep op de B9-regeling hebben gedaan. Mevrouw Azough stelt dat 150 personen niet zijn teruggegaan. Zij vraagt wat daarmee is gebeurd. Daar wil ik nader onderzoek naar doen, al zijn er diverse redenen waarom mensen niet zijn teruggegaan. Niet iedereen gaat overigens terug via de REAN-regeling. Niet iedereen gaat vrijwillig en met hulp van justitie terug. Soms gaan vrouwen er gewoon vandoor, om welke reden dan ook. Ik zal bezien of wij dit zo goed mogelijk in beeld kunnen krijgen.

De heer De Wit vroeg nog naar de besloten opvang. In eerste termijn verwees hij naar de passage daarover, in het kader van de bedenktijd. Wij bekijken op dit moment hoe wij de opvang van deze slachtoffers het beste kunnen regelen. Wij zoeken in dat kader naar een beperkt aantal opvanglocaties, dat vanwege de gehanteerde methodiek ook bijdraagt aan het voorkomen dat slachtoffers verdwijnen. Dit zou dus een besloten vorm van opvang kunnen zijn, om te voorkomen dat slachtoffers weer in handen van criminelen vallen.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie,

De Pater-van der Meer

De griffier van de vaste commissie voor Justitie,

Nava


XNoot
1

Samenstelling:

Leden: Van de Camp (CDA), De Wit (SP), Van der Staaij (SGP), Kamp (VVD), Arib (PvdA), ondervoorzitter, De Pater-van der Meer (CDA), voorzitter, Çörüz (CDA), Joldersma (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Azough (GroenLinks), Timmer (PvdA), Griffith (VVD), Teeven (VVD), Verdonk (Verdonk), De Roon (PVV), Pechtold (D66), Heerts (PvdA), Thieme (PvdD), Kuiken (PvdA), Leijten (SP), Bouwmeester (PvdA), Van Toorenburg (CDA) en Anker (ChristenUnie).

Plv. leden: Sterk (CDA), Langkamp (SP), Van der Vlies (SGP), Weekers (VVD), Smeets (PvdA), Aasted-Madsen-van Stiphout (CDA), Jager (CDA), Jonker (CDA), Roemer (SP), Jan de Vries (CDA), Halsema (GroenLinks), Dijsselbloem (PvdA), Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD), Van Miltenburg (VVD), Zijlstra (VVD), Fritsma (PVV), Koşer Kaya (D66), Gill’ard (PvdA), Ouwehand (PvdD), Spekman (PvdA), Bouchibti (PvdA), Van Haersma Buma (CDA) en Slob (ChristenUnie).