Bent u bekend met het bericht «Rattenplaag in horeca, explosieve stijging overtredingen: «Niet normaal, man!»»1 en het bericht «Muizen maken de dienst uit op ministeries, maar daar komt mogelijk verandering in: «Verbod op gif heroverwegen»»?2
Ja.
Wat is uw reflectie op deze berichten?
Beide artikelen benadrukken terecht dat ratten en muizen gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken en dat een effectieve en duurzame knaagdierbeheersing vakmanschap vereist. De titel van het artikel in De Telegraaf kan onjuist worden geïnterpreteerd, maar dat beeld wordt elders in het artikel genuanceerd. Van een «verbod op gif» is namelijk geen sprake: een deskundig bedrijf mag rodenticiden (biociden tegen ratten en muizen) toepassen, voor zover dat onvermijdelijk is.
Sinds enkele jaren is de toepassing van een effectieve en duurzame methode voor knaagdierbeheersing voorgeschreven, gebaseerd op integraal plaag management (ook wel «integrated pest management» of IPM genoemd).
Integraal plaag management gaat uit van een voorkeursvolgorde. Beheersing begint met preventieve maatregelen, zoals het opruimen van eetbaar afval en het verwijderen van schuilmogelijkheden voor knaagdieren. Voor zover die maatregelen onvoldoende toereikend zijn, worden niet-chemische maatregelen en methoden getroffen, zoals vallen, klemmen of het gebruik van een PCP-buks. Bij alle maatregelen is samenwerking tussen knaagdierbeheerser en opdrachtgever noodzakelijk.
Als de maatregelen onvoldoende blijken, mag een deskundig bedrijf als laatste redmiddel rodenticiden inzetten.
In het verleden werden soms direct rodenticiden toegepast, zonder aanpak van de oorzaken van het probleem. Dit was niet effectief, had zeer negatieve gevolgen voor mens, dier en het milieu. Het blijkt dat tientallen procenten van de muizen en ratten resistent zijn voor rodenticiden. Doorvergiftiging naar andere dieren blijft daarbij wel een reëel risico.
Bent u bekend met het feit dat ondernemers duizenden euro’s per jaar kwijt zijn aan ongediertebestrijding, maar dat dit volgens hen nauwelijks effect heeft op het daadwerkelijk terugdringen van het ongedierte?
Ratten en muizen komen voor in geheel Nederland, maar vooral op locaties met een ruim voedselaanbod en veel schuilmogelijkheden. De effectiviteit van knaagdierbeheersing wordt onder meer bepaald door de bereidheid en de mogelijkheden om de in antwoord 2 bedoelde preventieve maatregelen uit te voeren.
De kosten en de effectiviteit van knaagdierbeheersing zijn dan ook niet voor alle ondernemingen vergelijkbaar.
Hoe kijkt u aan tegen het feit dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) steeds meer bedrijven moet sluiten vanwege ongedierteoverlast en dat diverse sectoren melden dat het uit de hand loopt, terwijl er volgens de overheid weinig tot geen extra maatregelen nodig zijn?
Verordening (EG) nr. 852/2004 inzake levensmiddelenhygiëne verplicht horeca-ondernemers en ambachtelijke ondernemers tot de uitvoering van maatregelen. Het gaat, naast de algemene verplichting om hygiënisch te werken, om het voorkomen van toegang voor muizen en ratten door het dichten van gaten en kieren, het voorkomen van schuilplekken door goed opruimen, het opbergen van voedsel zodat dit niet toegankelijk is voor ongedierte en het zorgen voor afvalbeheer zodat afval geen plaagdieren aantrekt.
Ondernemers die deze acties uitvoeren, behoeven volgens de NVWA geen structureel probleem te hebben met plaagdieren. Extra of nieuwe wetgeving is niet nodig.
Wat is dan uw reflectie op het bericht dat nu het ministerie last heeft van ongedierte, er wordt overwogen om gif te herintroduceren?
Het bericht is onjuist. Er is geen sprake van een gebruiksverbod voor rodenticiden, dus evenmin van een «herintroductie van gif». Zie het antwoord op vraag 2.
Deelt u de mening dat er voor ondernemers een gelijke aanpak mogelijk moet zijn als voor onze overheid?
Ja, en dat is ook het geval. De beginselen van integraal plaag management zijn voor ondernemers en overheden gelijk.
Hoe kijkt u aan tegen de kernadviezen van de NVWA voor ongediertebestrijding nu het ministerie hier zelf last van heeft? Deelt u de mening dat dit op papier een goed verhaal is, maar dat dit in de praktijk niet werkt? Zo nee, waarom niet?
Niet duidelijk is welke adviezen worden bedoeld.
De voorschriften, bedoeld in de antwoorden 2 en 4, zijn gebaseerd op praktijkkennis en -ervaring van (brancheorganisaties van) knaagdierbeheersingsbedrijven, toezichthouders, wetenschappelijke instellingen, opleidingsinstituten en anderen. Uitvoering gebeurt door probleemeigenaren en deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven.
Ik heb vertrouwen in deze aanpak.
Bent u bekend met de risico’s voor de volksgezondheid die optreden bij situaties waar muizen en ratten (en ander ongedierte) vrij spel hebben door het ontbreken van een goed maatregelenpakket en/of goede ongediertebestrijding?
Die risico’s zijn bekend. Op de website van het RIVM zijn publicaties over die risico’s beschikbaar. Probleemeigenaren en knaagdierbeheersingsbedrijven hebben voldoende instrumenten voor een effectieve en duurzame plaagbeheersing.
Welke bewindspersoon is daadwerkelijk verantwoordelijk voor de ongediertebestrijding in Nederland? Wie gaat de regie pakken op deze plagen die uit de hand lopen?
«Ongediertebestrijding» (plaagbeheersing) is primair een taak voor de eigenaar of gebruiker van een locatie. Plaagbeheersing is geen onderwerp voor één ministerie; meerdere ministeries hebben ermee te maken, door hun taken en bevoegdheden op beleidsterreinen als volksgezondheid, woningbouw, dierenwelzijn of milieubescherming. Vanwege deze gezamenlijke betrokkenheid hebben de Ministeries van BZK, LVVN, VWS en IenW een coördinatiestructuur opgezet, bedoeld voor het afwegen van een nationale rol, het delen van beschikbare kennis en afstemmen van mogelijke maatregelen.
Deelt u de mening dat ondernemers in deze tijd al met veel hoge kosten te maken hebben en dat euro’s die zij moeten inzetten voor ongediertebestrijding dus ook daadwerkelijk wat moeten opleveren?
Een ondernemer kan eerst zelf tal van preventieve en niet-chemische maatregelen en methoden inzetten om de aanwezigheid van knaagdieren te beheersen. Het gebruik van «middelen» (rodenticiden) is vervolgens echter voorbehouden aan deskundige (knaagdierbeheersings)bedrijven, vanwege de zeer gevaarlijke aard en eigenschappen van die middelen en de onaanvaardbare risico’s van ondeskundig gebruik. Om het perspectief op efficiënte en effectieve knaagdierbeheersing te vergroten zal ik best practices ophalen van juist gebruik van rodenticiden als laatste redmiddel.
Welke kansen ziet u om de kosten voor ondernemers te verlagen, bijvoorbeeld door het inzetten van middelen ter bestrijding van ongedierte toe te staan die wél werken?
Zie antwoord vraag 10.
Stikstof, zeevogels en natuurontwikkeling in het Waddengebied |
|
Caroline van der Plas (BBB) |
|
Silvio Erkens (VVD), van Essen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de artikelen «Meeuwen en aalscholvers poepen eigen duinen bij elkaar» en «Vogelpoep helpt bij eilandvorming», waarin onderzoek van onder meer de Universiteit Utrecht wordt beschreven naar de rol van zeevogels en hun stikstofrijke uitwerpselen bij duinvorming en vegetatieontwikkeling op (onbewoonde) Waddeneilanden?1
Ja.
Klopt het dat uit dit onderzoek blijkt dat uitwerpselen van zeevogels zorgen voor extra nutriënten, waaronder stikstof, waardoor kustplanten zoals helmgras sneller groeien en zo bijdragen aan duinvorming en de stabiliteit van zandige eilanden?
Uit het onderzoek is dit verband inderdaad vastgesteld. Het ging daarbij om broedkolonies op onbegroeide plekken op kleine, onbewoonde eilanden, met weinig toevoer van nutriënten.
Klopt het dat in sommige broedgebieden van zeevogels grote hoeveelheden vogelmest lokaal terechtkomen, waardoor daar een relatief hoge lokale nutriëntenbelasting ontstaat?
Uit het onderzoek blijkt dat er in de onderzochte broedgebieden van zeevogels grotere hoeveelheden vogelmest terechtkomen dan zonder aanwezigheid van de vogels waardoor er relatief meer nutriënten in de bodem belanden. Dit maakt deel uit van een natuurlijk proces in dat ecosysteem.
Hoe verhoudt deze bevinding (dat extra stikstof en andere nutriënten uit vogelmest bijdragen aan vegetatiegroei, duinvorming en eilandstabiliteit) zich tot het beleid waarin stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden in beginsel als een negatieve belasting wordt beschouwd?
Dat stikstofdepositie in beginsel negatief is, is geen uitgangspunt van het beleid. Stikstofdepositie komt ook van nature voor en wordt wel aangeduid als «natuurlijke achtergronddepositie». De natuur is aangepast aan die mate van depositie. In hoeverre een verhoogde depositie een probleem is, wordt uitgedrukt in de kritische depositiewaarden: voor heel wat natuurwaarden is de huidige mate van depositie inderdaad een probleem, voor andere niet. Het (zeer lokaal) bemesten van onbegroeid zand door broedvogels, waardoor de vestiging van pioniervegetatie wordt versneld, is hiermee dus niet in strijd. De versnelde vestiging van pioniervegetatie door vogelmest op onbegroeid zand zegt immers niets over de effecten van atmosferische stikstofdepositie op andere habitats, en kan niet veralgemeniseerd worden, alsof stikstofdepositie in algemene zin goed zou zijn voor vegetatieontwikkeling en landschapsvorming.
Deelt u de opvatting dat stikstof in ecosystemen een voedingsstof is die voor sommige soorten mogelijk nadelig kan zijn, maar voor andere juist gunstig? Zo ja, hoe wordt deze ecologische werkelijkheid momenteel meegewogen in het natuur- en stikstofbeleid?
Die opvatting deel ik, zoals blijkt uit het antwoord op de vorige vraag. Dat is dan ook precies de reden waarom er bij het bepalen van noodzakelijke maatregelen voor Natura 2000-gebieden rekening wordt gehouden met kritische depositiewaarden (die zeer verschillend zijn per type natuur) en verschillende normen voor waterkwaliteit (al naar gelang het type water een bepaalde nutriëntenbelasting aan kan).
Hoe verhoudt het feit dat in de gebiedsanalyse van het eiland Griend onder meer de habitattypen H1310A (zilte pionierbegroeiing met zeekraal), H1310B (zilte pionierbegroeiing met zeevetmuur), H1330A (schorren en zilte graslanden buitendijks) en H1330B (schorren en zilte graslanden binnendijks) als stikstofgevoelig worden aangemerkt zich tot dit onderzoek waaruit blijkt dat nutriëntenaanvoer via vogels juist een enorm positieve rol speelt bij vegetatieontwikkeling en landschapsvorming op deze locatie?
Het eiland is onderdeel van een dynamisch systeem, waarbij hoge golven kunnen leiden tot erosie. In zo'n situatie kan de aanvullende nutriëntenaanvoer via de vogels zorgen voor versnelde duinvorming op plekken met voorheen geen of weinig begroeiing. Dat is positief voor de broedbiotoop van de vogelsoorten in kwestie. Voor de genoemde stikstofgevoelige habitattypen kan grootschalige nutriëntenaanvoer tegelijkertijd een negatieve impact hebben op het habitattype. Omdat de impact van de nutriëntenaanvoer van de vogels alleen zeer lokaal is, zijn er geen aanwijzingen dat de vogels die broeden op de eilanden een significante negatieve impact hebben op de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Dat is anders bij stikstofdepositie vanuit de lucht, die gevolgen heeft voor het volledige oppervlak van de genoemde habitattypen. Overigens zijn die gevolgen niet groot, omdat de kritische depositiewaarden van de genoemde habitattypen meestal niet tot weinig overschreden worden.
Wordt in de huidige beoordeling van stikstofdepositie rekening gehouden met verschillende bronnen van stikstof, zoals natuurlijke bronnen (bijvoorbeeld zeevogels en ganzen) en antropogene bronnen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
In de beantwoording van eerdere Kamervragen op 16 februari 20242 en 18 maart 20243 is uitgebreid ingegaan op het effect van wilde dieren op de totale stikstofemissie en -depositie. Hierin is aangegeven dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in het rapport «Verkenning biogene stikstofemissies»4 een inschatting heeft gemaakt van de hoeveelheid ammoniak die door wilde dieren wordt uitgestoten in Nederland. In totaal komt die voor vogels en zoogdieren uit op 1,9 kiloton ammoniak, met een bandbreedte van 1,3 tot 2,5 kiloton. Dit is 1,5% van de totale Nederlandse uitstoot van ammoniak. De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt wel altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden of in de omgeving. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
Bij de beoordeling van natuurkwaliteit wordt in natuurdoelanalyses gekeken naar diverse drukfactoren, waaronder bijvoorbeeld de directe invloed van ganzen; en niet alleen naar atmosferische stikstofdepositie.
Is bekend hoeveel stikstofdepositie op bepaalde locaties in het Waddengebied afkomstig is van zeevogels en andere wilde vogels, met name de locaties die op dit moment te boek staan als «stikstof overbelast»? Zo ja, kunt u deze cijfers delen? Zo nee, waarom niet?
Zoals ook aangegeven in de voornoemde beantwoording van eerdere Kamervragen is er door het RIVM een inschatting gemaakt van de totale ammoniakemissie naar de lucht afkomstig van wilde dieren in Nederland. Bij die analyse is geen berekening gemaakt hoeveel daarvan binnen specifieke Natura 2000-gebieden terechtkomt. De berekende totale depositie in Natura 2000-gebieden wordt wel altijd gekalibreerd op basis van metingen in die gebieden of in de omgeving. In de gerapporteerde monitoringscijfers is de bijdrage van wilde dieren daarmee indirect verwerkt.
In Natuurdoelanalyses en beheerplannen wordt gekeken naar meerdere drukfactoren, en niet alleen naar atmosferische stikstofdepositie. Waar relevant wordt daarin ook ingegaan op andere vormen waarin wilde vogels voor vermesting kunnen zorgen. Zo staat in de Natuurdoelanalyse voor Duinen Schiermonnikoog de vermesting door ganzen en aalscholvers benoemd als belangrijkste oorzaak voor eutrofiëring van de Westerplas; het gaat in dat geval om rechtstreekse bemesting van het oppervlaktewater door de uitwerpselen van vogels, en niet om (atmosferische) stikstofdepositie.
Hoe wordt dergelijke natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies betrokken bij het bepalen van de stikstofbelasting en de beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen in Natura 2000-gebieden?
Zie antwoord 7 voor het antwoord op de vraag hoe ammoniakemissie naar de lucht vanuit wilde dieren, zoals grote vogelkolonies, wordt betrokken bij het bepalen van stikstofdepositie.
Bij de beoordeling van het doelbereik van habitattypen in Natura 2000-gebieden worden in beheerplannen en Natuurdoelanalyses naar het effect van diverse drukfactoren gekeken. Waar relevant wordt daarbij ook gekeken naar directe stikstofaanvoer uit uitwerpselen van vogelkolonies. Zo wordt in diverse natuurdoelanalyses de ganzenpopulatie genoemd als bron van nutriëntenbelasting van het water (onder andere Kempenland-West en Zouweboezem).
De beoordeling van de staat van instandhouding van habitattypen gebeurt op landelijke schaal. Deze staat van instandhouding wordt o.a. bepaald door de aanwezigheid van drukfactoren die een middelgrote of hoge impact op een habitattypen hebben. Stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies kan een drukfactor zijn voor habitattypen, maar dit is pas het geval op het moment dat de stikstofaanvoer hoger is dan in natuurlijke situaties. Natuurlijke stikstofaanvoer vanuit grote vogelkolonies wordt dus meegenomen in de beoordeling van de staat van instandhouding. Op dit moment is deze drukfactor echter voor geen enkel habitattype groot genoeg om als significante drukfactor voor de landelijke staat van instandhouding aangemerkt te worden.
Kan de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen uit zee, waarover het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in maart 2025 rapporteerde, gedeeltelijk worden verklaard door stikstof afkomstig van zeevogels2?
Het in de vraag genoemde rapport van het RIVM concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat (tot op heden) onbekende emissiebronnen de oorzaak kunnen zijn van de waargenomen discrepantie in stikstofmetingen langs de kust.
Klopt het dat er binnenkort weer aanpassingen aan de modellen stikstof uit zee worden gedaan? Zo ja, wordt dit dan ook meegenomen?
De uitkomsten van het hierboven genoemde Eindrapport van het RIVM zijn meegenomen met de laatste actualisatie van AERIUS (oktober 2025). Ook dit najaar wordt AERIUS weer geactualiseerd op basis van de dan actuele wetenschappelijke inzichten en cijfers. Op dit moment zijn er geen wijzigingen voorzien die relateren aan «ammoniak van zee».
Hoe wordt stikstofdepositie van zee naar land precies gemodelleerd in de modellen die worden gebruikt voor natuurbeleid en vergunningverlening?
Waarschijnlijk wordt gedoeld op de mogelijk ammoniakemissie uit zee. De verspreiding van deze emissies wordt op vergelijkbare manier gemodelleerd als alle andere emissiebronnen. Op de website van het RIVM is uitgebreid toegelicht hoe deze modellen (in algemene zin) werken6.
Kan de gemeten stikstofdepositie in kustnatuur mogelijk verkeerd worden toegeschreven aan menselijke activiteiten als natuurlijke bronnen onvoldoende worden meegenomen in de modellen?
Zie het antwoord op vraag 10.
Wat betekent een mogelijke modelaanpassing voor vergunningverlening en bezwaarprocedures tegen activiteiten, zoals garnalenvisserij?
Bij de beoordeling of een activiteit is toegestaan, wordt vooraf getoetst of die activiteit significante negatieve effecten kan hebben op een Natura 2000-gebied. Daarvoor wordt ook beoordeeld of de stikstofdepositie van die activiteit significante effecten kan hebben. De hoeveelheid stikstofdepositie van een activiteit op Natura 2000-gebieden wordt berekend met behulp van AERIUS Calculator. Dit rekenmodel wordt jaarlijks herijkt op basis van de nieuwste inzichten.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 11 zijn er op korte termijn geen wijzigingen in AERIUS voorzien die relateren aan «ammoniak van zee». Er zal naar verwachting daarom ook weinig tot geen impact zijn voor de garnalenvisserij.
Wordt voor gebieden die mogelijk vanuit de natuur al zoveel stikstof ontvangen dat ze volgens de regels als «overbelast» te boek staan beleid gemaakt om de stikstofbelasting vanuit de mens zo laag te krijgen dat de stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde (KDW) komt? Zo ja, betekent dat dan niet dat er zogenaamd «overbelaste» gebieden zijn, die op totaal natuurlijke wijze «overbelast» zijn met stikstof en dat, ook als Nederland volledig inzet op stikstofemissiereductie, dan nog steeds bepaalde gebieden overbelast zouden zijn?
Of een locatie in een Natura 2000-gebied overbelast is, hangt af van het habitat dat ter plekke voorkomt en in welke mate het gevoelig is voor stikstofdepositie. Waar van nature veel vogels voorkomen die mest produceren, zoals bijvoorbeeld graslanden met veel ganzen, is geen sprake van gevoeligheid voor stikstofdepositie en dus kan daar geen sprake zijn van een overschrijding van de KDW of een noodzaak om onder een KDW te komen, omdat er voor die locaties geen KDW wordt toegepast in AERIUS. Er zijn geen stikstofgevoelige locaties bekend die louter door de natuurlijke achtergronddepositie al overbelast zouden zijn. Het is echter wél mogelijk dat vogels zich vestigen op een stikstofgevoelige locatie en daar door rechtstreekse bemesting problemen geven voor de nutriëntenhuishouding. Dan betreft het dus een andere drukfactor (dan atmosferische stikstofdepositie) die moet worden aangepakt, zoals vermeld in antwoorden 8 en 9.
Als er in Nederland gebieden zijn die hoe dan ook «overbelast» zouden blijven, is dat niet bewijs dat die gebieden kennelijk alleen kunnen bestaan als wij daar op de meest onnatuurlijke wijze inzetten op behoud van een natuurtype dat het in Nederland onmogelijk zal kunnen redden?
Uit de eerdere antwoorden blijkt dat de Nederlandse natuur geen probleem zou ervaren als de stikstofdepositie niet hoger zou zijn dan de natuurlijke achtergronddepositie.
Hoe kan beleid worden gemaakt met enorme sociaal-maatschappelijke impact (heel Nederland op slot), terwijl mogelijk de natuur zelf een zeer groot aandeel heeft op de stikstofbelasting van natuurgebieden, als er natuurtypen zijn die in een voedingsrijke delta als Nederland nooit onder de KDW zouden kunnen komen?
Zoals vermeld in de eerdere antwoorden, zijn er geen gebieden waar alleen de natuurlijke bronnen meer atmosferische stikstofdepositie veroorzaken dan de KDW. De typen natuur die voorkomen in de voedselrijke delen van de delta, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie.
Klopt het dat habitattypen in Natura 2000-analyses worden beoordeeld aan de hand van categorieën als «geen overbelasting», «evenwicht», «matige overbelasting» en «sterke overbelasting»? Bestaat binnen deze systematiek ook een categorie of beoordeling waarbij nutriëntenaanvoer juist een positieve bijdrage levert aan de ontwikkeling van een habitat? Zo nee, waarom niet?
Deze aanduidingen worden, in navolging van de klasse-indeling in AERIUS, inderdaad in analyses gebruikt. Een aanduiding van een positieve bijdrage is niet relevant als de bedoeling van de klasse-indeling is dat ermee wordt aangeduid óf er een depositieprobleem is en zo ja, hoe groot dat probleem is. Voor sommige typen natuur kán er een gebrek aan nutriënten optreden, maar dat wordt dan niet in beeld gebracht door een bepaalde mate van depositie te waarderen, maar door in een beheerplan te vermelden of het nodig is om te bemesten. De vorm van bemesting maakt daarbij uit: zo is weidevogelgrasland gebaat bij ruige stalmest, omdat die veel betere eigenschappen heeft dan alleen stikstof uit de lucht.
Hoe verklaart u dat in hetzelfde Natura 2000-gebied enerzijds habitattypen voorkomen die volgens de huidige systematiek als sterk stikstofgevoelig worden beschouwd, terwijl anderzijds processen plaatsvinden waarbij stikstofaanvoer via vogelkolonies juist bijdraagt aan vegetatieontwikkeling en landschapsvorming?
In aanvulling op het op vraag 6 gegeven antwoord: een plek met zeezand zonder begroeiing is niet stikstofgevoelig, terwijl het in de buurt kan liggen van een habitat waarvan de begroeiing wél stikstofgevoelig is. Dat hangt dus af van de lokale omstandigheden. De in deze vraag en vraag 6 genoemde omstandigheid is heel specifiek: het gaat om onbegroeid zeezand dat sneller begroeid raakt met pioniervegetatie (zoals helm) dan als er geen vogels zouden broeden. Die lokale bemesting is geen noodzakelijkheid, maar kan wel bijdragen aan de vorming van vegetatie en daarmee aan de kustverdediging. Dit voorbeeld kan echter niet veralgemeniseerd worden, alsof stikstofdepositie in algemene zin goed is voor vegetatieontwikkeling en landschapsvorming.
Klopt het dat stikstofdepositie volgens het huidige beleid als probleem wordt beschouwd wanneer deze leidt tot een verschuiving in vegetatie, waarbij soorten die beter gedijen bij hogere nutriëntenbeschikbaarheid andere soorten verdringen?
Dat klopt. Atmosferische stikstofdepositie wordt als een probleem beschouwd als het kan leiden tot een zodanige verandering van de vegetatiesamenstelling dat dit een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype inhoudt (of zelfs de afname van een oppervlakte) op gebiedsniveau, terwijl het doel is dit habitattype op dat niveau in stand te houden.
Klopt het dat dergelijke verschuivingen in vegetatie ook natuurlijke ecologische processen kunnen zijn, bijvoorbeeld wanneer nutriëntenaanvoer vanuit vogels, sediment, overstromingen of andere natuurlijke processen toeneemt?
Dat klopt. Ook als dergelijke veranderingen op gebiedsniveau het gevolg zijn van natuurlijke processen, zoals vegetatiesuccessie, terwijl het doel is aanwezige habitattypen in stand te houden, dan wordt dat als probleem beschouwd. Zo heeft het Europese Hof geconstateerd dat actief beheer vereist is wanneer natuurlijke successie leidt tot verlies van specifieke habitattypen (zoals verbossing van grasland). In diverse natuurdoelanalyses wordt nutriëntenaanvoer door vogels genoemd als knelpunt. In antwoord op eerdere Kamervragen is ook ingegaan op de nutriëntentoevoer van ganzen in hoogveengebieden.5 De aanwezigheid en omvang van ganzenpopulaties hangen samen met de beschikbaarheid van voedselrijke agrarische percelen. Extensivering kan leiden tot minder ganzen en minder nutriëntenverspreiding. Nutriëntenaanvoer vanuit vogels is dus niet altijd een puur natuurlijk proces, maar wordt ook beïnvloed door de mens.
In hoeverre kan het huidige stikstofbeleid worden gezien als een poging om bepaalde vegetatietypen actief in stand te houden of zelfs te ontwikkelen, ook wanneer natuurlijke processen juist tot een andere vegetatieontwikkeling leiden?
Dat kan zo niet gezien worden. Het stikstofbeleid is alleen nodig voor zover er daadwerkelijk sprake is van overbelasting, gezien de kritische depositiewaarden en de normen voor grond- en oppervlaktewaterkwaliteit.
Klopt het dat er natuurmaatregelen in stikstofgevoelige gebieden worden uitgevoerd, zoals plaggen, maaien, afvoeren van biomassa of verwijderen van voedselrijke bodemlagen om nutriënten uit het systeem te halen?
Dat klopt. Voor een deel betreft dan regulier onderhoud (zoals bij maaien vaak het geval is), maar plaggen en verwijderen van voedselrijke bodemlagen is ingrijpend en behoort niet tot het regulier onderhoud. Plaggen heeft als nadeel dat nuttige mineralen worden afgevoerd. Het verwijderen van voedselrijke bodemlagen gebeurt met name bij natuurontwikkeling op voormalige landbouwgrond.
Klopt het dat die maatregelen ook kunnen worden ingezet om stikstofbelasting te verkleinen, in plaats van enorme sociaal-maatschappelijke ingrepen in de samenleving om de stikstofemissie naar beneden te krijgen?
Het is juist dat dergelijke maatregelen kunnen bijdragen aan het verminderen van de effecten van stikstofbelasting in natuurgebieden. Tegelijkertijd is dit geen alternatief voor het terugdringen van stikstofemissies bij de bron. Deze maatregelen hebben namelijk een tijdelijk en lokaal effect en hebben soms ook negatieve effecten. Ze kunnen daardoor niet intensief en veelvuldig worden toegepast. Zonder vermindering van de stikstofuitstoot blijft de belasting op natuurgebieden te hoog en blijft herstel kwetsbaar. Daarom zet het kabinet in op een combinatie van bronmaatregelen en natuurherstel, waarbij beide noodzakelijk zijn om de natuurdoelen te halen.
Klopt het dat Nederland als delta van grote Europese rivieren van nature een relatief nutriëntenrijk landschap is, mede door sedimentaanvoer, kleigronden en mariene invloeden, zoals overstromingen?
Dat is slechts ten dele juist. Buiten de invloed van relatief nutriëntenrijk water, zoals rivier- en zeewater, bestaat de bodem uit zand en veen dat relatief voedselarm is en tevens verzuringsgevoelig. Bovendien wordt de huidige nutriënten- en zuurbelasting in Nederland in belangrijke mate bepaald door menselijk handelen, zoals landbouw.
Wordt bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen ook gekeken naar de natuurlijke kenmerken van het landschap, zoals het feit dat Nederland een voedselrijke rivierdelta is? In hoeverre speelt dit mee bij de keuze voor te beschermen habitattypen?
Bij de aanwijzing en instandhouding van habitattypen wordt rekening gehouden met de natuurlijke kenmerken van het landschap. Om te voldoen aan de verplichtingen in Habitatrichtlijn heeft Nederland de belangrijkste gebieden aangewezen voor de habitattypen in Nederland en in deze gebieden alle habitattypen die in meer dan verwaarloosbare mate en bestendig voorkomen, aangewezen. Hieruit blijkt of een habitattype past bij het landschap waarin het voorkomt. Zoals in het vorige antwoord is aangegeven, behoort slechts een deel van Nederland tot de voedselrijke rivierdelta. Nederland is dus niet als geheel een voedselrijke rivierdelta, waardoor habitats van voedselarme omstandigheden dus als onnatuurlijk bestempeld zouden moeten worden. Integendeel: voorafgaand aan de ontginning van de natuur, bestond het landschap uit uitgestrekte gebieden met vegetaties die afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden, zoals eikenbossen en hoogvenen.
In hoeverre is bij de aanwijzing van Natura 2000-habitattypen rekening gehouden met het feit dat Nederland een voedselrijke delta is en dat bepaalde voedselarme vegetaties daardoor alleen met intensief beheer en zeer grote ingrepen in onze samenleving (zoals inperken van de economische bedrijvigheid) in stand kunnen worden gehouden?
Zoals aangegeven bij vraag 26 behoort slechts een deel van Nederland tot een voedselrijke rivierdelta. Nederland bestaat van nature ook uit diverse andere landschappen met minder voedselrijke omstandigheden. De aanwezigheid van voedselarme vegetaties in Nederland is dus niet in tegenspraak met het feit dat Nederland een delta is. Drukfactoren op voedselarme vegetaties komen dan ook niet voort uit het enkele feit dat Nederland ook een rivierdelta is. Voor al deze habitattypen geldt dat ze beschermd moeten worden tegen drukfactoren, zoals (voor zover van toepassing) verdroging en een overmaat van stikstof. Dit is een vereiste vanuit de Habitatrichtlijn en van belang voor het in stand houden van de Nederlandse biodiversiteit. Het aanpakken van drukfactoren kan dan inderdaad beperkende gevolgen hebben voor bepaalde economische activiteiten, en ruimte bieden voor andere economische activiteiten. Dat was al bekend toen de Habitatrichtlijn werd aangenomen, waarin is opgenomen dat sociaaleconomische overwegingen niet worden betrokken bij de selectie en aanwijzing van gebieden, maar bij het treffen van maatregelen.
Deelt u de opvatting dat de keuze voor bepaalde habitattypen en vegetaties bepalend is voor de mate waarin stikstof als probleem wordt ervaren? Zo nee, waarom niet?
Dat is juist. Maar de Habitatrichtlijn geeft de lidstaat geen keuzevrijheid om bijvoorbeeld alleen habitattypen te beschermen die niet stikstofgevoelig zijn.
In hoeverre wordt bij het natuurbeleid overwogen om in gebieden met structureel hoge nutriëntenbeschikbaarheid in te zetten op natuurtypen die beter passen bij deze omstandigheden, in plaats van op vegetaties die juist afhankelijk zijn van voedselarme omstandigheden?
Dat wordt niet overwogen in zoverre het gaat om het behouden van kwalificerende natuurwaarden, omdat de Habitat- en de Vogelrichtlijn daarvoor geen ruimte bieden. Voor het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding kan het nodig zijn om een habitattype uit te breiden en/of te verbeteren. De potenties van de verschillende gebieden spelen dan een rol in de keuze welk ambitie per gebied wordt nagestreefd. Maar dat is een relatieve keuze: per saldo zal de gunstige staat van instandhouding bereikt moeten worden.
Deelt u de opvatting dat natuurdoelen die alleen met voortdurend en kostbaar menselijk ingrijpen en grote ingrepen in onze samenleving kunnen worden behouden, feitelijk minder robuust zijn dan natuurtypen die aansluiten bij de bestaande en natuurlijke omstandigheden van een gebied?
Zij zijn niet van nature minder robuust, want ze zijn immers aangepast aan de natuurlijke omstandigheden. De verandering van het landgebruik kan er echter toe leiden dat een deel van de soorten en habitats alleen met moeite in stand gehouden kunnen worden: ze zijn minder goed bestand tegen de drukfactoren die samenhangen met het menselijk gebruik van het landschap. Dat is echter geen reden om ze niet te beschermen, integendeel: de Habitatrichtlijn is er juist gekomen om deze bedreigingen het hoofd te bieden.
Wordt binnen het huidige natuurbeleid ook overwogen om natuurdoelen aan te passen wanneer blijkt dat deze structureel botsen met natuurlijke omstandigheden, zoals hoge nutriëntenbeschikbaarheid?
Het Beleidskader doelwijziging voor Natura 2000-gebieden schetst de mogelijkheden om bestaande instandhoudingsdoelstellingen binnen de kaders van de Vogel- en Habitatrichtlijn aan te passen. Dat natuurdoelen niet goed aan zouden sluiten bij natuurlijke omstandigheden vormt in de regel geen reden voor aanpassing omdat beschermde habitats juist voorkomen op de plekken waar ze van nature kunnen voorkomen. Een hoge nutriëntenbeschikbaarheid als gevolg van atmosferische stikstofdepositie is juist het tegenovergestelde van een natuurlijke omstandigheid.
Welke ruimte biedt de Europese Habitatrichtlijn om bij natuurbeheer rekening te houden met natuurlijke nutriëntenrijkdom van gebieden en de daarbij passende ecosystemen?
De Habitatrichtlijn houdt hier rekening mee doordat voor de diverse habitattypen de belangrijkste gebieden worden beschermd. Voor habitattypen van meer nutriëntenrijke omstandigheden, zoals Estuaria, zijn dit andere gebieden dan voor habitattypen van nutriëntenarme omstandigheden, zoals hoogvenen. Het natuurbeheer dient volgens de Habitatrichtlijn rekening te houden met de aanwezige habitattypen.
Welke ruimte biedt de Habitatrichtlijn om rekening te houden met ontwikkeling van habitattypen naar ander typen, omdat natuur niet statisch is, maar altijd in ontwikkeling is?
Vanuit de Habitatrichtlijn bestaat de verplichting om verslechtering op gebiedsniveau te voorkomen en om naar een landelijk gunstige staat van instandhouding toe te werken. In bepaalde landschappen is hier dynamiek voor nodig, zodat verjongingsprocessen steeds opnieuw plaats kunnen vinden. Dat kan betekenen dat er sprake is van een cyclische successie, dus een opeenvolging van habitats in de vorm van een cyclus. Zo kunnen kustduinen begroeid raken en vervolgens door een storm weer terugkeren naar een pioniersstadium. Andere typen natuur kunnen juist langdurig hetzelfde blijven, zoals actieve hoogvenen. De Habitatrichtlijn vereist dat wordt voldaan aan de ecologische vereisten van de habitats en die kunnen dus heel verschillend zijn. Zoals hierboven vermeld, is een autonome verandering in de natuur niet per definitie gewenst – het kan nodig zijn om maaibeheer toe te passen om te voorkomen dat een beschermd graslandtype een bos wordt.
Welke mogelijkheden bestaan er binnen de Habitatrichtlijn om natuurdoelen of habitattypen aan te passen wanneer natuurlijke ontwikkelingen structureel een andere richting opgaan dan bij de aanwijzing van een gebied werd voorzien?
Gebieden zijn aangewezen wegens het Europees belang voor de daar aanwezige natuurwaarden. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat natuurlijke ontwikkelingen tot conflicten leiden. Uitgangspunt bij Natura 2000-doelen is dat het gebied de optimale bijdrage levert aan het bereiken van een landelijk gunstige staat van instandhouding. De optimale bijdrage wordt in beginsel bepaald door de ecologische potenties van het gebied, en is dus toekomstgericht. Als voor die optimale bijdrage maatregelen nodig zijn die de omstandigheden realiseren voor habitattypen en soorten waarvoor het gebied belangrijk is, maar tot een afname leiden van habitattypen en soorten waarvoor het gebied minder belangrijk is, dan kan het – onder strenge voorwaarden – nodig zijn om prioriteiten te stellen (zie het Beleidskader Doelwijziging). Als de structurele veranderingen het gevolg zijn van drukfactoren, is geen sprake van een natuurlijke ontwikkeling. In dat geval moeten er maatregelen genomen worden om de drukfactoren te verminderen en verslechtering tegen te gaan.
Ziet u dan ruimte om daarvoor te pleiten, als er weinig ruimte is voor die ontwikkeling, zodat in Nederland natuur die ooit is ontstaan als stikstofarm (bijvoorbeeld nieuwe zanderige eilanden) of door de mens ooit is ontwikkeld tot stikstofarm (bijvoorbeeld door voedingsbodems af te voeren als turf) weer kan worden doorontwikkeld naar de stikstofrijke natuur die in een voedingsrijke delta als Nederland kan bestaan zonder extreem en zeer kostbaar, ingrijpen van de mens?
Nee, ik zie geen ruimte om stikstofarme natuur te laten verslechteren ten gunste van stikstofrijke natuur, want die ruimte geeft de Habitatrichtlijn niet. Dat zou ook een enorme verarming van de Nederlandse biodiversiteit betekenen.
Deelt u de opvatting dat natuurbeleid is gebaat bij robuuste ecosystemen die aansluiten bij de natuurlijke en bestaande omstandigheden van een gebied, in plaats van bij ecosystemen die alleen met intensief beheer en ingrijpende emissiereducties in stand kunnen worden gehouden?
Het kabinet onderschrijft dat natuurbeleid gebaat is bij robuuste ecosystemen die aansluiten bij de natuurlijke omstandigheden van een gebied en zo min mogelijk afhankelijk zijn van intensief beheer. Juist omdat de staat van de natuur in Nederland op veel plaatsen onvoldoende is, is een situatie ontstaan waarin ingrijpend en terugkerend beheer noodzakelijk zijn om verdere achteruitgang te voorkomen. Dat is nadrukkelijk geen wenselijke of duurzame situatie. Dat is ook de reden dat het kabinet inzet op het terugdringen van stikstofemissies: zonder structurele vermindering van die druk blijft natuur afhankelijk van intensief beheer. Bovendien raakt duurzaam herstel richting een robuust ecosysteem hiermee steeds verder uit beeld.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre de huidige natuurdoelen in Nederland aansluiten bij de natuurlijke nutriëntencondities van het landschap en of alternatieve natuurtypen mogelijk robuuster en toekomstbestendiger zouden zijn?
Ik vind het niet nodig dit te laten onderzoeken, omdat hier bij het formuleren van de natuurdoelen voor gebieden al rekening mee is gehouden.
Bent u bereid te laten onderzoeken in hoeverre natuurlijke stikstofbronnen, zoals grote vogelkolonies, bijdragen aan de stikstofbelasting in Natura 2000-gebieden en hoe deze bijdragen zich verhouden tot de kritische depositiewaarden die momenteel worden gehanteerd? Zo nee, waarom niet?
Dit is reeds onderzocht; zie het antwoord op vraag 7.
Is het stikstofprobleem in Nederland primair een emissieprobleem of een gevolg van de keuze om specifieke stikstofgevoelige natuurtypen te beschermen?
Het voornaamste probleem is een overmaat aan stikstofdepositie op daarvoor gevoelige, beschermde habitats. Die stikstofdepositie wordt veroorzaakt door emissiebronnen in binnen- en buitenland.
Bent u bereid, gelet op de voorbeelden waarbij natuurlijke processen (zoals vogelkolonies) leiden tot aanzienlijke stikstofaanvoer die aantoonbaar kunnen bijdragen aan natuurontwikkeling en gelet op de grote maatschappelijke en economische gevolgen van het huidige stikstofbeleid, te reflecteren op de vraag of het stikstofbeleid zijn oorspronkelijke doel (het beschermen van natuur) in sommige gevallen voorbij is geschoten en is doorgeslagen in een systeem waarbij het reduceren van stikstofdepositie een doel op zichzelf is geworden? Zo nee, waarom niet?
Ik verwijs voor die reflectie naar de antwoorden op de bovenstaande vragen.
Deelt u de opvatting dat ingrijpende maatregelen, zoals gedwongen uitkoop van bedrijven en het intrekken van bestaande vergunningen, in ieder geval niet zijn gerechtvaardigd, gelet op de grote onzekerheden rond de rol van natuurlijke stikstofbronnen, de discussie over de passendheid van bepaalde stikstofgevoelige habitattypen in een voedselrijke delta als Nederland en de grote maatschappelijke impact van het huidige stikstofbeleid? Zo nee, waarom niet?
Het nemen van maatregelen is gerechtvaardigd voor zover ze noodzakelijk en effectief zijn. Het is daarbij, gelet op de antwoorden op bovenstaande vragen, heel duidelijk dat natuurlijke stikstofbronnen slechts een zeer beperkt deel vormen van de stikstofdepositie, namelijk het deel dat we rekenen tot de natuurlijke achtergronddepositie, waar de Nederlandse natuur al op was aangepast.
Waarom stapt u af van het principe «haalbaar en betaalbaar» bij de formulering van instandhoudingsdoelen, terwijl dit destijds uitdrukkelijk aan de Kamer is beloofd?
Van het principe «haalbaar, betaalbaar» is niet afgestapt. In het Natura 2000-doelendocument 2026, dat door mijn ambtsvoorganger, de Staatssecretaris voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is vastgesteld is verduidelijkt dat uit de eisen van de Europese Habitatrichtlijn volgt dat natuurdoelen voor de landelijk gunstige staat ecologisch onderbouwd moeten zijn («ecologisch haalbaar»). Bij het bepalen van de maatregelen om de doelen te bereiken wordt rekening gehouden met sociaaleconomische gevolgen, onder andere door bij gelijke effectiviteit te kiezen voor maatregelen met de minste impact. De afweging van betaalbaarheid is daarmee niet verdwenen, maar vindt plaats bij de keuze van maatregelen op gebiedsniveau. De landelijke doelen zijn daarbij vastgesteld op het niveau dat nodig is om aan de richtlijn te voldoen.
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het commissiedebat Stikstof en mestbeleid op 1 april 2026?
Beantwoording van de vragen vroeg om meer tijd dan de gebruikelijke termijn. De vragen zijn zo snel als mogelijk beantwoord en bereiken uw Kamer voorafgaand aan het debat Stikstof en mestbeleid, dat verplaatst is naar 24 juni 2026.
Het artikel 'Rechters slaan alarm: ‘Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden’' |
|
Mona Keijzer , Mirjam Bikker (CU), Diederik van Dijk (SGP) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van het artikel «Rechters slaan alarm: «Draagmoederschap dreigt het nieuwe adoptieschandaal te worden»»?1
Ja.
Hoe reageert u op de uitspraak in dit artikel van de voorzitter van het team familierecht bij de rechtbank Den Haag, die stelt dat wensouders door hun vurige kinderwens vaak blind zijn voor misstanden: «Sommigen ontmoeten de draagmoeder niet eens, en zien dus ook niet of de situatie wel in de haak is. Dat voelt niet lekker, alsof je een kind uit het luikje van de automaat haalt.»?
Ik onderken dat er risico’s op misstanden kunnen spelen bij (buitenlandse) draagmoederschapstrajecten. De Commissie Joustra heeft daar in haar rapport over interlandelijke adoptieprocedures in het verleden ook op gewezen.2 De Commissie Joustra wijst erop dat dit komt doordat bij draagmoederschap, net als bij interlandelijke adoptie, de volgende elementen spelen: een sterke kinderwens, beperkte mogelijkheden tot toezicht (mede door het internationale aspect) en financiële afspraken die bij de procedures worden gemaakt. Op dit moment is er geen wettelijk kader dat wensouders stimuleert om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen, waarmee het risico op misstanden verkleind kan worden. Met het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming (hierna: het wetsvoorstel) beoogt het kabinet dit te veranderen. Het wetsvoorstel is gebaseerd op de aanbevelingen van de Staatscommissie Herijking ouderschap3 en stelt de belangen en rechten van kind en draagmoeder voorop.
In het artikel wordt gewezen op misstanden als vervalste documenten, uitbuiting van draagmoeders, anonieme donaties en financiële prikkels: kunt u uiteenzetten welke waarborgen momenteel bestaan om te voorkomen dat Nederlandse wensouders, bewust of onbewust, deelnemen aan dergelijke misstanden?
Op dit moment ontbreekt een wettelijk kader. Het wetsvoorstel beoogt te bereiken dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldiger verlopen en voorziet daartoe in bepaalde waarborgen, waaronder de verplichte voorlichting en counseling die wensouders moeten doorlopen. Hiermee wordt getracht de keuzes die de in Nederland woonachtige wensouders in een buitenlands traject maken zo te beïnvloeden dat wordt bereikt dat zij zich ook bij een traject in het buitenland rekenschap geven van de zorgvuldigheidseisen.
Specifiek voor situaties van uitbuiting van draagmoederschap geldt dat deze onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel kunnen vallen. Ter implementatie van de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)4 zal uitbuiting van draagmoederschap bovendien expliciet als uitbuitingsvorm worden opgenomen in de strafbaarstelling van mensenhandel (273f van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).5 De implementatiewet voor de herziene EU-richtlijn is op 1 oktober jl. met uw Kamer ingediend.6
Vindt u het aanvaardbaar dat wensouders via commerciële bureaus in het buitenland trajecten kunnen doorlopen waarbij sprake is van marktwerking, hoge betalingen en zelfs commerciële aanbiedingen? Hoe verhoudt dit zich volgens u tot het verbod op commerciële draagmoederschapstrajecten in Nederland?
Voor mij staat voorop dat een (buitenlands) draagmoederschapstraject zorgvuldig en verantwoord dient plaats te vinden en dat marktwerking ongewenst is. Uit het WODC-onderzoek «Het gedragen kind» volgt dat wensouders kiezen voor buitenlandse trajecten omdat juridische zaken, bemiddeling, psychologische begeleiding en het financiële plaatje goed geregeld zijn.7 Daarnaast volgt uit het WODC-onderzoek dat het onder de huidige regelgeving lastig is voor wensouders om een draagmoeder in Nederland te vinden, en dat wensouders uitwijken naar het buitenland omdat het daar makkelijker is om een draagmoeder te vinden.8
Onder het wetsvoorstel komt de strafbaarstelling van openbaarmaking van de wens om draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden te vervallen. Bemiddeling door anderen, niet zijnde aangewezen rechtspersonen, voor wensouders of draagmoeders blijft wel strafbaar. Op die manier wordt beoogd te voorkomen dat er een markt ontstaat.
Het wetsvoorstel voorziet voor binnenlandse trajecten in een redelijke onkostenvergoeding aan de draagmoeder. Onder deze onkostenvergoeding vallen zowel de daadwerkelijk gemaakte kosten door de draagmoeder, als een beperkte tegemoetkoming aan de draagmoeder voor de inspanningen en het eventuele ongemak dat gepaard gaat met de zwangerschap. Betalingen voor de overdracht van het ouderschap zijn wel verboden, zowel bij draagmoederschapstrajecten in Nederland als bij trajecten die Nederlanders in het buitenland aangaan. Voor buitenlandse trajecten is er geen regeling voor een onkostenvergoeding.
Hoe reageert u op kritiek van rechters en academici die zorgen uiten dat het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming onvoldoende lessen trekt uit het rapport-Joustra en mogelijk zelfs een aanmoedigende werking creëert op buitenlandse commerciële trajecten?
Het staat vast dat ook met het wetsvoorstel risico’s niet uitgesloten kunnen worden. Daar staat tegenover dat deze risico’s ook niet worden uitgesloten met het in stand laten van de huidige (juridische) situatie en dat er behoefte is aan een wettelijke regeling, zoals al werd aanbevolen door de Staatscommissie Herijking ouderschap en volgde uit het WODC-rapport «Het gedragen kind»,9 en wat nu ook door de rechters in het artikel wordt aangegeven. Ook in de in opdracht van Uw Kamer uitgevoerde wetenschapstoets10 wordt het belang van een wettelijke regeling onderschreven.
De belangrijkste les die is getrokken uit het rapport van de Commissie Joustra is dat de overheid ontwikkelingen rond wensouderschap in binnen- en buitenland moet blijven volgen, en daarbij ook proactief moet optreden, al dan niet via regulering. Met dit wetsvoorstel wordt daarom juist beoogd wensouders te stimuleren om te kiezen voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject, ook als het gaat om buitenlandse trajecten, om daarmee het risico op misstanden te verkleinen. Zolang het draagmoederschapstraject zorgvuldig verloopt en voldoet aan de in het wetsvoorstel gestelde voorwaarden, behoeft een eventuele toename geen probleem te zijn.
Klopt het dat onder het huidige wetsvoorstel geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten zonder rechterlijke toets kunnen worden ingeschreven? Kunt u toelichten waarom voor deze landen wél wordt vertrouwd op de lokale procedures, terwijl daar een omvangrijke commerciële sector bestaat?
Of een geboorteakte zonder (Nederlandse) rechterlijke toets kan worden ingeschreven, is niet afhankelijk van het land waar het kind na draagmoederschap is geboren, maar van het voldoen aan de gestelde voorwaarden. Er worden met het wetsvoorstel voorwaarden gesteld aan de erkenning van rechtswege van een buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. Het gaat dan om de genetische verwantschap van het kind aan ten minste één van de wensouders, de beschikbaarheid van de afstammingsgegevens van het kind voor opname in het afstammingsregister, verplichte voorlichting en counseling voor de wensouders en, indien het ouderschap van de wensouders voor de geboorte is ontstaan, het bestaan van een mogelijkheid voor de draagmoeder om na de geboorte het ouderschap bij de rechter te betwisten. Daarnaast is één van de voorwaarden dat er een rechterlijke beslissing ten grondslag ligt aan de buitenlandse geboorteakte van een kind geboren uit draagmoederschap.
Alleen wanneer aan deze voorwaarden wordt voldaan kan onder het wetsvoorstel de buitenlandse geboorteakte, zonder tussenkomst van de Nederlandse rechter, in Nederland worden ingeschreven. Dat geldt voor alle buitenlandse geboorteakten en niet specifiek alleen voor geboorteakten uit Canada en de Verenigde Staten.
Overigens wordt in de wetenschapstoets de aanbeveling gedaan om de voorgestelde regeling voor erkenning van rechtswege te schrappen. Ik ben bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen en zal bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u de waarschuwingen van de commissie-Joustra ook van toepassing voor Canada en de Verenigde Staten?
De risico’s waarop de commissie Joustra in relatie tot draagmoederschap heeft gewezen zijn mijns inziens van toepassing op alle landen. Deze risico’s spelen overal waar het gaat om het vervullen van een kinderwens, waarbij bemiddeling plaatsvindt, waarmee op enige manier geld is gemoeid en waarbij sprake is van internationaal verkeer, en deze zijn niet afhankelijk van het land waar het draagmoederschapstraject plaatsvindt.
Om de kans op risico’s zoveel als mogelijk te verkleinen, wordt met het wetsvoorstel beoogd de wensouders te stimuleren om voor een verantwoord en zorgvuldig draagmoederschapstraject te kiezen.
Welke stappen worden gezet om te garanderen dat kinderen die via draagmoederschap worden geboren, hun afstamming volledig kunnen achterhalen, ook wanneer wensouders een buitenlands traject volgen waarbij donoren of draagmoeders anoniem kunnen zijn?
Het (toegang) hebben tot je afstammingsinformatie is cruciaal voor een kind. In Nederland wordt daarom ook sinds 2004 niet langer gebruik gemaakt van anoniem donormateriaal. In het wetsvoorstel wordt in aansluiting hierop de eis gesteld dat de afstammingsgegevens (op termijn) beschikbaar zijn voor het kind (voorgesteld artikel 1:215, eerste lid, onder e, en voor buitenlandse trajecten voorgesteld artikel 10:101a, derde lid, sub a, onder 1, van het Burgerlijk Wetboek).
In het buitenland is het gebruik van anonieme ei- en zaadcellen en embryo’s soms wel toegestaan. Ook dan is het van belang dat kinderen toegang kunnen krijgen tot hun afstammingsgegevens. Een waterdichte garantie hiervoor kan echter niet worden gegeven, het gaat immers om anonieme donoren. Het wetsvoorstel stimuleert daarom wensouders om te kiezen voor een traject met een donor waarvan de identiteit wel bekend of achterhaalbaar is. In het wetsvoorstel is daartoe opgenomen dat indien de afstammingsgegevens bij buitenlandse trajecten niet beschikbaar zijn, de wensouders in Nederland alsnog een rechterlijke procedure moeten starten om te trachten het ouderschap juridisch te regelen. De rechter moet er dan een oordeel over geven.
Daarnaast zal in de verplicht te volgen voorlichting het belang van het gebruik van bekende donoren nadrukkelijk aan de orde komen, juist met het oog op het belang van het kind en het hebben van de afstammingsgegevens.
Tevens is in het wetsvoorstel een bepaling opgenomen die de wensouders verplicht om het kind te informeren over zijn of haar afstamming. Op die manier wordt ook de verantwoordelijkheid bij de wensouders wettelijk neergelegd om hun kind te informeren over zijn of haar ontstaansgeschiedenis. Die verplichting geldt overigens niet alleen in geval van draagmoederschap maar meer algemeen voor ouders of, als het gezag elders is belegd, bij die andere gezagsdrager(s).
Hoe wordt voorkomen dat draagmoeders in het buitenland onder druk worden gezet om afstand te doen van hun rechten of niet vrij zijn om beslissingen over hun zwangerschap te nemen, bijvoorbeeld bij medische complicaties?
Door het verplicht stellen van voorlichting en counseling worden bewust gemaakt om te kiezen voor verantwoorde trajecten in het buitenland. Ik acht het daarbij van groot belang dat het zelfbeschikkingsrecht van draagmoeders wordt gerespecteerd. Het zelfbeschikkingsrecht houdt onder meer in dat iedereen het recht heeft om zelfstandig keuzes te maken over zijn eigen lichaam en leven. Dit recht is neergelegd in artikel 10 en 11 van de Grondwet, het 8 EVRM, alsmede in het VN-Vrouwenverdrag. Verder beoogt het wetsvoorstel uitbuiting te voorkomen en kent het de mogelijkheid voor de draagmoeder om terug te komen op haar besluit. Dit alles versterkt de positie van de draagmoeder. Dat neemt echter niet weg dat misstanden toch kunnen plaatsvinden.
Daarnaast vraagt de herziene EU-richtlijn inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan (2024/1712)11 lidstaten expliciet om het uitbuiten van draagmoederschap strafbaar te stellen. De strafdreiging die van deze strafbaarstelling uitgaat kan preventieve werking hebben, waardoor hopelijk minder vrouwen in het buitenland onder druk gezet zullen worden om afstand te doen van hun rechten.
Kunt u ingaan op de uitspraak in het artikel van hoogleraar Recht, ethiek en biotechnologie Britta van Beers, die ten aanzien van het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming de vergelijking maakt met de legalisering van online gokken, dat werd toegestaan omdat mensen op zoek gaan, maar waarbij vergeten werd dat het nieuwe wetsvoorstel dat ook populairder maakte?
Ondanks het ontbreken van een wettelijke regeling komt draagmoederschap nu ook voor. De Staatscommissie Herijking ouderschap heeft al geconstateerd dat een kinderwens op zich een positief gegeven is, ook als die wens alleen via draagmoederschap verwezenlijkt kan worden. Tegelijkertijd is draagmoederschap alleen positief als het traject zorgvuldig verloopt met respect voor de rechten en belangen van het kind en de draagmoeder. Het is daarom van belang dat er een goede regeling komt voor de bescherming van alle betrokkenen, maar vooral die van het kind. Het wetsvoorstel vertrekt vanuit ditzelfde uitgangspunt en heeft niet als doel om draagmoederschap populair te maken of te stimuleren. Het wetsvoorstel beoogt ook niet draagmoederschap als zodanig te bevorderen, maar stimuleert mensen die deze wijze van gezinsvorming overwegen om te kiezen voor een zorgvuldig en transparant draagmoederschapstraject in het belang van het kind.
Hoe voorkomt u dat niet-commerciële bemiddeling ook leidt tot een grote toename van bekendmaking van initiatieven en wat is het beleid rondom adverteren, nu en bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel?
Op dit moment is er een verbod op het openbaar kenbaar maken van de wens om zelf draagmoeder te worden of om een draagmoeder te vinden. Na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel is die openbaarmaking niet langer verboden.
Commerciële bemiddeling bij draagmoederschap is op dit moment verboden in Nederland. En dat blijft zo met het wetsvoorstel. Voor beroepsmatig niet-commerciële bemiddeling in Nederland ligt dit anders en kan straks ontheffing worden verleend. Het streven is dat wensouders die door middel van draagmoederschap een kind willen krijgen en vrouwen die als draagmoeder voor een ander zwanger willen worden en een kind willen krijgen, bij één of enkele centrale punten terecht kunnen. Hiermee kan tegemoet worden gekomen aan de in de praktijk bestaande behoefte hieraan.
Het voordeel van voorlichting, counseling en bemiddeling op één of een beperkt aantal plekken te houden is dat expertise opgebouwd kan worden bij professionals en hiermee de kwaliteit van de inhoud en vorm van de voorlichting, counseling en bemiddeling goed gewaarborgd kan worden. Daarnaast wordt voorkomen dat een wildgroei ontstaat van bemiddelaars. De randvoorwaarden voor deze organisaties zullen verder uitgewerkt worden in een algemene maatregel van bestuur.
Deelt u de kritiek – ook in het licht van de bijdrage van hoogleraar Van Beers, die aangeeft dat er geen recht is op het hebben van een kind – dat bij verandering van deze benadering steeds meer de wens van de potentiële wensouders voorop komt te staan in plaats van die van het kind en de biologische ouders?
Er bestaat geen recht voor (wens)ouders op een kind. Een kind, ongeacht de manier waarop het geboren wordt, beschikt wel over fundamentele rechten als het recht op een waardig bestaan en het hebben en kennen van diens identiteit, inclusief diens genetische, zwangerschaps- en sociaal-culturele achtergrond. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor kinderen om hun afstammingsgegevens te kunnen achterhalen en voor het kennen van hun ontstaansgeschiedenis. De rechten en het belang van het kind moeten altijd voorop blijven staan.
Deelt u de analyse dat draagmoederschap niet primair moet worden benaderd vanuit de wens van volwassenen om een kind te krijgen, maar vanuit de rechten van het kind en de positie van de draagmoeder? Bent u bereid om met een nota van wijziging te komen om deze benadering expliciet in het wetsvoorstel te verankeren en welke betekenis heeft dat voor commercieel draagmoederschap?
Voor de beantwoording van het eerste deel van deze vraag verwijs ik naar het antwoord op vraag 12. In het wetsvoorstel zijn waarborgen opgenomen voor zorgvuldige trajecten, waarmee ook de positie van de draagmoeder wordt versterkt. Ook het belang van het kind is meegenomen in het wetsvoorstel. Zoals ik hiervoor in antwoord op vraag 6 heb aangegeven ben ik bezig met een zorgvuldige analyse van de gedane aanbevelingen in de wetenschapstoets en zal ik bezien of en op welke punten aanpassing van het wetsvoorstel eventueel aangewezen is.
Vindt u dat het recht maatschappelijke ontwikkelingen enkel moet volgen of moet het recht ook normeren?
Het recht moet aansluiten bij de maatschappelijke ontwikkelingen in de samenleving. Wetgeving is een dynamisch geheel en moet ruimte bieden voor ontwikkelingen waar dat kan en bescherming bieden waar dit nodig is. Het recht moet in die zin ook normeren. Voor wat betreft een wettelijke regeling voor draagmoederschap zou de norm vooral moeten zijn dat draagmoederschapstrajecten zorgvuldig moeten zijn, in het belang van het kind en met oog voor de positie van de draagmoeder.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en binnen de gebruikelijke termijn beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro's per kaart kosten’ |
|
Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het AD: «Rouwkaart versturen die binnen 24 uur moet aankomen? Dat gaat je enkele euro’s per kaart kosten»?1
Ja.
Hoe groot is de omvang van de rouwpost binnen de universele postdienst (UPD), zowel in absolute aantallen als in percentage van het totale postvolume?
Van PostNL begrijp ik dat zij in 2025 ongeveer 5 miljoen stukken rouwpost heeft verwerkt. In 2025 bedroeg het totale aantal UPD-brieven ongeveer 115 miljoen. Rouwpost vertegenwoordigt daarmee zo’n 4% van het totale aantal UPD-brieven. De volumedaling van rouwpost gaat met hetzelfde percentage als het totale brievenvolume: in 2025 ongeveer 8% ten opzichte van 2024.
Overigens gebruiken mensen voor het snel informeren over het overlijden van iemand al veelvuldig digitaal verzonden berichten.
Is het zeker dat de prijs van een rouwzegel binnenkort hoger komt te liggen dan reguliere postzegels?
Per 1 juli 2026 worden de kwaliteitseisen voor de UPD-post aangepast. Vanaf dan geldt voor reguliere UPD-post een bezorgtermijn van twee dagen (D+2), met een bezorgbetrouwbaarheid van ten minste 90%. De kwaliteitseisen voor rouwpost blijven ongewijzigd, namelijk bezorging binnen één dag (D+1) met 95% bezorgzekerheid.
Om te kunnen blijven voldoen aan de bezorging binnen één dag voor rouw- en medische post richt PostNL een apart proces in. Deze post zal voortaan via het pakketnetwerk bezorgd worden. De hogere kosten die daarmee gepaard gaan, worden doorberekend in een nieuw, hoger tarief. De burger heeft ook de keuze om een rouwbrief niet als zodanig aan te bieden, maar als reguliere UPD-brief te versturen. In dat geval gelden de wettelijke eisen voor rouwpost niet en wordt de brief bezorgd binnen een voor reguliere UPD-post geldende termijn van twee dagen (en per 1 juli 2027 drie dagen). Hiervoor hanteert PostNL het tarief van reguliere UPD-post. Gelet op het speciale karakter van deze post, komt PostNL wel met een passende rouwpostzegel.
Waarop is de uitspraak van Branchevereniging Gecertificeerde Nederlandse Uitvaartondernemingen (BGNU) gebaseerd dat de prijs van een rouwzegel mogelijk zal stijgen van € 1,40 naar circa € 3,25?
PostNL heeft in een eerder stadium aangegeven dat de prijzen voor de rouwpost binnen de UPD hoger zullen worden. Het is aan PostNL om hierover met partijen te communiceren, nadat de ACM de tarieven getoetst heeft. Ieder jaar legt PostNL de voorgenomen wijziging van de tarieven ter toetsing voor bij de ACM. De ACM beoordeelt momenteel of deze wijziging past binnen de door de ACM vastgestelde tariefruimte. PostNL zal vervolgens bekendmaken wat de definitieve tarieven worden.
Klopt het dat er gesprekken lopen met de Autoriteit Consument & Markt (ACM) over een apart tarief voor zogenaamde «pripost» waar rouwpost onder komt te vallen?
Nee, dat klopt niet. Rouwpost blijft, ook na 1 juli, als aparte postsoort onder de UPD vallen. De ACM stelt ieder jaar de tariefruimte vast voor de postdiensten die onder de reikwijdte van de UPD vallen vast. Dit betreft de maximale gemiddelde prijs die PostNL mag rekenen voor deze postdiensten. PostNL heeft de gegevens verstrekt aan de ACM die nodig zijn voor de vaststelling van de tariefruimte voor rouwpost en medische post vanaf juli 2026.
Daarbij heeft PostNL ook aan ACM laten weten dat er een algemeen prioriteitsproduct komt, waar rouwpost dus niet onder valt, met bezorging binnen D+1 voor consumentenpost en dat hiervoor een apart tarief zal gelden. Het prioriteitsproduct valt buiten de reikwijdte van de UPD en daarom maakt het voorgenomen tarief geen deel uit van de tariefmelding door PostNL aan de ACM.
Op welke wijze bent u betrokken bij deze gesprekken en besluitvorming?
Bij de vaststelling van de tarieven binnen de wettelijke tariefruimte en de contacten daarover tussen de ACM en PostNL ben ik niet betrokken. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor de UPD heb ik wel regelmatig contact met de ACM en PostNL.
Hoe beoordeelt u een mogelijk hoger tarief voor rouwpost, in het licht van de terechte uitzonderingspositie voor rouw- en medische post in het Postbesluit ten aanzien van de bezorgtermijn (één dag) en de betrouwbaarheid (95%)?
Ik vind het belangrijk dat mensen de mogelijkheid houden tot snelle en betrouwbare bezorging van hun rouw- en medische post. Daarom heb ik in het gewijzigde Postbesluit de bestaande eisen voor de overkomstduur en bezorgbetrouwbaarheid van deze postsoort gehandhaafd. Tegelijkertijd is duidelijk dat PostNL hogere kosten maakt voor snelle bezorging en hoge betrouwbaarheid. Die kosten zullen in rekening gebracht moeten worden. Van belang hierbij is wel dat mensen de mogelijkheid behouden om rouwpost die binnen twee dagen bezorgd wordt tegen een lager tarief te kunnen versturen. Ook kan rouwpost via een digitaal bericht verstuurd worden. Dit wordt al veel gedaan. Er zijn dus alternatieven beschikbaar.
In hoeverre is bij de totstandkoming van het Postbesluit rekening gehouden met mogelijke gevolgen van deze uitzonderingspositie voor de tarifering van rouwpost?
Bij de aanpassing van het Postbesluit is rekening gehouden met de mogelijkheid dat PostNL ervoor kiest om voor een postproduct met snelle bezorging een hoger tarief te rekenen2. Dat weerspiegelt immers de kosten ervan. Dit is toegestaan zolang het tarief past binnen de wettelijke tariefruimte.
Deze aanpassing van het Postbesluit is mede gebaseerd op het onderzoek «De postmarkt in transitie» van de ACM van medio 2025. Daarin constateert de ACM dat bij de overgang naar D+2 voor standaard UPD-brieven, urgente brieven waarvoor het D+1 servicekader blijft gelden, zoals rouwpost, via het pakkettennetwerk zullen worden bezorgd tegen een aanzienlijk hoger tarief.
Hoe weegt u de mogelijke gevolgen van een hoger tarief voor rouwpost voor burgers die in een periode van rouw afhankelijk zijn van tijdige en betaalbare postbezorging?
De periode na het overlijden van een dierbare is voor mensen een roerige tijd, daar ben ik mij bewust van. Het is aan PostNL om constant een afweging te maken tussen enerzijds de stijgende kosten, afnemende volumes en arbeidsmarktkrapte en anderzijds de voorkeuren van gebruikers van postdiensten. In die afweging kan het voorkomen dat PostNL keuzes maakt die ertoe leiden dat burgers van dezelfde dienstverlening gebruik kunnen blijven maken tegen hogere prijzen. Binnen de wettelijke tariefruimte kan PostNL ervoor kiezen om de tarieven van postsoorten te verhogen. Het is in deze afweging en in de gehele context van de postmarkt dat PostNL ervoor kiest de prijzen voor postbezorging te verhogen. Dit kan ertoe leiden dat mensen hun rouwberichten via digitale alternatieven gaan versturen. Dit wordt overigens al veel gedaan.
Bent u het ermee eens dat een prijsstijging naar circa € 3,25 voor rouwpost onwenselijk is?
Ik ben mij ervan bewust dat een prijsverhoging vervelend kan zijn, maar PostNL kiest ervoor om de hogere kosten die zij maakt voor de bezorging van rouwpost ook door te voeren in de prijs die mensen ervoor betalen. Hierbij handelt PostNL binnen de ruimte die wordt gegeven. Dit geldt ook voor postdiensten, en in het bijzonder voor post die binnen een korte termijn met hoge betrouwbaarheid bezorgd moet worden. Dat is ook van toepassing op rouwpost.
Welke mogelijkheden ziet u om deze prijsstijging te voorkomen?
Het is aan de ACM om te toetsen of de prijsstijging past binnen de wettelijke tariefruimte. De ACM toetst dit op dit moment.
Het uitsluiten van mensen met psychiatrische aandoeningen bij levens- en uitvaartverzekeringen |
|
Lisa Westerveld (GL), Julian Bushoff (PvdA) |
|
Eelco Heinen (VVD), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ervan op de hoogte dat mensen met psychische problemen bij een aantal levens- en uitvaartverzekeringen worden geweigerd omdat zij een «hoger gezondheidsrisico dan gemiddeld» hebben? Bent u ervan op de hoogte dat veel verzekeraars een uitsluitingsclausule hebben bij overlijden door suïcide?
Zijn dergelijke uitsluitingsclausules toegestaan? Is het verzekeringen toegestaan om het gezondheidsrisico van mensen te beoordelen en op basis daarvan te besluiten of zij zich kunnen verzekeren? Zo ja, wat zijn de criteria of besluiten verzekeraars dit zelf? Is het ook toegestaan als het gaat om lichamelijke gezondheidsproblemen of leeftijd?
Is dit ook toegestaan als de psychische problemen beginnen na de eerste polisjaren?
Deelt u de mening dat deze uitsluiting een vorm van indirecte discriminatie is op grond van handicap of chronische ziekte, zoals bedoeld in de Wet gelijke behandeling en haaks staat op het VN-verdrag Handicap?
Kunt u toelichten of verzekeraars voldoende onderbouwing leveren voor dit onderscheid, en hoe wordt getoetst of het onderscheid proportioneel en gerechtvaardigd is?
Bent u bereid om met de Autoriteit Financiële Markten (AFM) en het College voor de Rechten van de Mens in gesprek te gaan over deze uitsluitingspraktijken?
Bent u bereid om in gesprek te gaan met verzekeraars en andere instanties om gelijke toegang tot financiële producten te garanderen voor mensen met een psychische kwetsbaarheid?
Het nieuwsbericht dat bruggen, sluizen en wegen in verval raken, maar het geld voor de hoognodige reparaties ontbreekt |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van dit nieuwsartikel?1
Hoeveel bruggen, viaducten, tunnels en sluizen verkeren in een slechte staat en wat is bij ieder van deze objecten het risico op instorten? Kunt u een allesomvattende lijst toezenden?
Als, volgens u, 60% van de bruggen op het hoofdwegennet de levensduur al heeft bereikt of zelfs heeft overschreden, wat zegt dit dan over het risico dat Nederlanders lopen door hier overheen en/of onderdoor te rijden?
Bent u van mening dat het niet langer uit te leggen is dat er geen extra geld wordt vrij gemaakt voor de verouderde infrastructuur nu de negatieve gevolgen alsmaar toenemen? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Hoe gaat u onderhoud van bestaande infrastructuur prioriteit geven terwijl ook bestaande fileknooppunten, waaronder maar niet uitsluitend knooppunt A1 Hoevelaken en de N35, worden opgelost?
Hoeveel geld is er nodig om te voldoen aan de gehele onderhoudsopgave en hoeveel komt u tekort?
Hoeveel economische schade ontstaat er jaarlijks als gevolg van uitgestelde werkzaamheden, omleidingen, afsluitingen, filevorming en overige noodmaatregelen?
Welke concrete maatregelen bent u van plan te nemen om verdere achteruitgang tegen te gaan?
Kunt u garanderen dat er in Nederland nooit een viaduct, brug, tunnel of sluis zal instorten als het gevolg van uitgestelde, dan wel niet-uitgevoerde, herstelwerkzaamheden vanwege geldgebrek? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen? Zo nee, waarom niet?
Het recht op reparatie |
|
Jantine Zwinkels (CDA) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Hoe reflecteert u op de huidige stand van zaken van Right to Repair en de concrete uitvoering van deze wetgeving?
Bent u bekend met het TNO-onderzoek1 waaruit blijkt dat consumenten door reparatie en revisie van onder meer wasmachines, smartphones en e-bikeaccu’s tientallen tot honderden euro’s kunnen besparen en producten jarenlang langer kunnen gebruiken? Hoe beoordeelt u deze uitkomsten in het licht van de circulaire economie en het verminderen van grondstoffengebruik?
Welke nationale maatregelen kunnen er op korte termijn worden genomen om reparatie aantrekkelijker te maken en bent u bereid hiervoor concrete voorstellen uit te werken?
Bent u bereid om in nationale aanbestedingen voorwaarden op te nemen die producenten stimuleren producten terug te nemen, te hergebruiken en repareerbaar te ontwerpen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de mogelijkheid om de bewijslast binnen de wettelijke garantieperiode verder richting producenten te verschuiven, zodat consumenten eenvoudiger aanspraak kunnen maken op kosteloze reparatie of vervanging bij defecten?
Welke financiële middelen zijn momenteel beschikbaar om reparatiebedrijven, revisiebedrijven en ondernemingen die producten circulair en repareerbaar ontwerpen op te schalen? In hoeverre acht u deze middelen voldoende om reparatie in Nederland structureel de norm te maken?
De veiligheid van WhatsApp en andere versleutelde communicatiediensten |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de bevindingen uit de twee Bloomberg-onderzoeken van 29 januari 20261 en 28 april 20262?
Beschouwt u het als zorgwekkend dat de onderzoeker stelt dat Meta alle tekstberichten, foto's, audio- en video-opnames in onversleutelde vorm kan opslaan en bekijken en dat Meta sinds ten minste 2019 een «gelaagd machtigingssysteem» hanteert dat toegang verleent aan opdrachtnemers en een significant aantal buitenlandse medewerkers in India?
Beschouwt u de verklaringen van voormalige opdrachtnemers van Accenture dat zij en Meta-medewerkers «onbeperkte toegang» hadden tot versleutelde WhatsApp-berichten als zorgwekkend?
Indien het antwoord op ten minste een van bovenstaande twee vragen bevestigend luidt, welke consequenties verbindt u hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Bent u bekend met de Amerikaanse CLOUD Act, op grond waarvan de Amerikaanse overheid van in de VS gevestigde bedrijven zoals Meta kan eisen dat zij toegang verlenen tot opgeslagen gebruikersdata, ook wanneer deze betrekking heeft op buitenlandse gebruikers? Zo ja, welke consequenties verbindt de regering hieraan voor het gebruik van WhatsApp door Nederlandse burgers, bewindspersonen en ambtenaren?
Acht u het mogelijk dat vertrouwelijke communicatie – ondanks de maatregelen die voortvloeien uit de Archiefwet – via Whatsapp wordt verstuurd door ambtenaren en bewindspersonen?
Welke concrete maatregelen treft u op korte termijn om te voorkomen dat vertrouwelijke bestuurlijke communicatie via WhatsApp plaatsvindt, mede gelet op de ernstige twijfels over de daadwerkelijke end-to-endversleuteling?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek in te stellen naar de vraag of WhatsApp-berichten daadwerkelijk end-to-end versleuteld zijn en niet toegankelijk zijn voor Meta, haar medewerkers, opdrachtnemers of andere derden? Zo nee, waarom niet?
Zijn er op dit moment voor bewindspersonen en ambtenaren alternatieve communicatiediensten met end-to-end-versleuteling beschikbaar? Zo ja, welke, en worden deze in de praktijk gebruikt?
Hanteert u bij de selectie van communicatiediensten voor overheidsgebruik als criterium dat de implementatie van end-to-end-versleuteling onafhankelijk verifieerbaar moet zijn via openbare broncode, en zo nee, is de regering bereid dit criterium alsnog in te voeren?
Bent u bereid het NCSC te verzoeken een vergelijkende veiligheidsanalyse op te stellen van beschikbare open source communicatiediensten – waaronder Signal, Element/Matrix en Wire – met als specifiek doel te beoordelen welke dienst geschikt is voor vertrouwelijke bestuurlijke communicatie?
Bent u bereid een voorlichtingscampagne te starten gericht op burgers, ambtenaren en bewindspersonen, waarin wordt gewezen op de ernstige twijfels die bestaan over de vertrouwelijkheid van WhatsApp-berichten? Zo nee, waarom niet?
Kinderdagcentra |
|
Pepijn van Houwelingen (FVD) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoeveel kinderen staan op dit moment op een wachtlijst voor een kinderdagcentrum (KDC) in elk van de vier grote steden? Is dit aantal de afgelopen jaren toe- of afgenomen?
Hoe lang moet een kind gemiddeld ongeveer wachten op een plek in een KDC in elk van de vier grote steden? Is deze wachttijd de afgelopen jaren toegenomen? Zo ja, hoe komt dit?
Hoe heeft het aantal (operationele) KDC-plekken in elk van deze vier gemeenten zich de afgelopen jaren ontwikkeld? Is het aantal operationele (waarvoor dus ook de benodigde zorgmedewerkers beschikbaar zijn) KDC-plekken de afgelopen jaren toe- of afgenomen? Indien er sprake is van een afname, waardoor wordt dit veroorzaakt?
Is u bekend dat de wachttijd voor een KDC-plek in Den Haag inmiddels twee jaar is1?
Bent u ermee bekend dat Jeugdhulp Haaglanden een wachttijd voor een KDC-plek van meer dan 90 dagen als «schadelijk» definieert?2 Bent u het hiermee eens? Zo nee, waarom niet?
Kan een KDC-wachttijd van twee jaar ertoe leiden dat een kind niet op tijd «schoolbaar» is waardoor het geen (speciaal) onderwijs kan ontvangen zodra het kind de leerplichtige leeftijd heeft bereikt? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wie is hiervoor (primair) verantwoordelijk en welke rol ziet u voor zichzelf weggelegd om te voorkomen dat (leerplichtige) kinderen geen onderwijs kunnen ontvangen en thuis komen te zitten omdat ze niet op tijd «schoolbaar» zijn vanwege een gebrek aan KDC-plekken zijn?
Kan de Kamer de beantwoording ontvangen voor het aanstaande debat over «passend onderwijs»?
Het ontbreken van een heldere definitie van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk |
|
Hanneke van der Werf (D66), Etkin Armut (CDA), Songül Mutluer (PvdA), Bente Becker (VVD) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het rapport «Femicide in de Nederlandse rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting»?1
Waarom ontbreekt tot op heden een eenduidige definitie van femicide binnen de Nederlandse rechtspraktijk? Wanneer kan de Kamer een definitie verwachten?
Deelt u de mening dat het van belang is om tot een landelijke en juridisch toepasbare definitie van femicide te komen zodat politie, Openbaar Ministerie (OM) en rechtspraak hetzelfde toetsingskader hanteren? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat dat internationale organisaties zoals de World Health Organization en United Nations Women een bredere en explicieter gender gerelateerde definitie van femicide hanteren dan momenteel in Nederland gebruikelijk is? Zo ja, bent u bereid de definities en aanbevelingen van deze organisaties mee te nemen bij het opstellen van een Nederlandse definitie van femicide? En zo ja, wanneer kunnen we dat tegemoet zien?
Gaat u gevolg geven aan de aanbeveling uit het genoemde onderzoek om «femicidezaken» consequenter als zodanig te laten benoemen omdat dit zorgt voor een betere registratie en monitoring van femicide en bijdraagt aan maatschappelijke bewustwording van gender gerelateerd dodelijk geweld? Zo ja, op welke wijze gaat u deze aanbeveling uitvoeren? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van respondenten uit het onderzoek die voorstander zijn «van de introductie van femicide of gender gerelateerde kenmerken als wettelijke strafverzwaringsgrond, omdat dit kan bijdragen aan het structureler (h)erkennen van gender gerelateerde kenmerken in de strafrechtspraktijk»? Zo ja, waarom en hoe gaat u hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening van de onderzoekers dat verdere specialisatie binnen de strafrechtpraktijk en versterking van kennis over gender gerelateerd geweld van belang is? Zo ja, waarom en hoe gaat u deze specialisatie bevorderen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat rode vlaggen zoals stalking, dwingende controle, psychisch geweld, obsessief gedrag tijdens en zelfs na een relatiebreuk structureel beter moeten worden herkend? Welke concrete acties worden thans hiertoe ondernomen door de justitiële keten? Kunt u dat onderbouwen?
Bent u bereid in overleg te treden met het OM en de rechterlijke macht over het verbeteren van dossiervorming om femicide te kunnen herkennen en te erkennen?
Bent u bereid de mogelijkheid te bespreken om ook zaken waar sprake is van vrouwenmoord, maar de dader niet vervolgd kan worden omdat hij na de daad een einde aan zijn eigen leven heeft gemaakt in de toekomst ook te kunnen registreren als femicide?
Bent u bereid een kabinetsreactie inclusief voorgestelde maatregelen binnen zes weken naar de Kamer te sturen?
Het bericht 'Gaswinning Warffum voorlopig niet hervat: werkzaamheden NAM mislukt' |
|
Sandra Beckerman (SP) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de werkzaamheden van de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) aan de gasput bij Warffum zijn mislukt en dat de NAM aangeeft te kijken naar vervolgstappen?1
Welke mogelijkheden biedt de huidige winningsvergunning de NAM nog om gas te winnen bij Warffum, naast werkzaamheden aan de bestaande put? Kunt u een volledig overzicht geven van wat de vergunning de NAM tot en met 2032 toestaat?
Is het juridisch mogelijk dat de NAM op basis van de huidige vergunning een nieuwe put boort bij Warffum, zonder dat daarvoor een aanvullende vergunning of besluit van de overheid vereist is? Zo ja, welke democratische en inhoudelijke toets vindt dan nog plaats voordat met zo'n nieuwe boring begonnen mag worden?
Heeft u een actuele risicoanalyse laten uitvoeren naar de seismische gevolgen van eventuele nieuwe boringen of andere ingrepen bij Warffum? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen voordat de NAM nieuwe stappen zet, en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Nu de NAM stelt dat dit niet het definitieve einde is van de gaswinning bij Warffum, deelt u de mening dat gaswinning in Groningen, inclusief Warffum, definitief beëindigd moet worden, gelet op de aanhoudende schade en onveiligheid voor omwonenden? Zo nee, op welke gronden acht u verdere winning verantwoord?
Nu de rechtszaak bij de Raad van State nog twee jaar kan duren, wat gaat u doen om te voorkomen dat de NAM in die tussenliggende periode onomkeerbare stappen zet, zoals het boren van een nieuwe put, die de uitkomst van die procedure de facto zinloos maken?
Op welke wijze worden omwonenden, gemeenten en provincie Groningen betrokken bij de besluitvorming over eventuele vervolgstappen van de NAM?
Bent u bereid de winningsvergunning voor het Warffumer gasveld in te trekken of op te schorten, nu gebleken is dat de bestaande put technisch niet meer produceerbaar is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting van de inspecteur-generaal van SodM dat het besluit om gaswinning bij Warffum toe te staan is genomen op basis van een advies van vóór de parlementaire enquête, en dat SodM op grond van de huidige bredere veiligheidsdefinitie nu anders zou adviseren? Zo ja, waarom is de vergunning dan niet alsnog ingetrokken of herzien?2
Deelt u de gemengde gevoelens van de inspecteur-generaal van SodM over het vergunningsproces bij Warffum?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat Warffum er volgens de eigen toezichthouder doorheen is geglipt?
Bent u, net als bij de gaswinning onder de Waddenzee, bereid om met de NAM te zoeken naar een alternatieve oplossing zodat de gaswinning bij Warffum alsnog definitief niet wordt hervat?
De stijging van wapenbezit onder jongeren |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de politie in 2025 ruim 2.300 wapens bij jongeren in beslag heeft genomen en dat het aantal vuurwapens onder minderjarigen met circa 50 procent is gestegen?1 Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Kunt u verklaren waarom het vuurwapenbezit onder minderjarigen in korte tijd zo sterk is toegenomen? Zo nee, bent u bereid hier onderzoek naar te doen en de Kamer hierover te informeren?
Welke rol spelen sociale media zoals Snapchat en Instagram bij online wapenhandel, criminele ronseling en de verheerlijking van geweld onder jongeren? Klopt het dat wapens nog altijd relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn? Welke maatregelen worden hiertegen genomen?
Wanneer kan de Kamer de nieuwe Wet Wapens en Munitie verwachten? Klopt het dat deze nog dit jaar wordt ingediend? Zo nee, waarom niet?
Beschikt de politie over voldoende capaciteit en expertise om online wapenhandel en criminele netwerken die minderjarigen inzetten proactief op te sporen? Zo nee, wat zijn hiervan de gevolgen?
Bent u – bovenop Preventie met Gezag – bereid extra te investeren in gespecialiseerde online politiecapaciteit, wijkagenten en jongerenwerkers om jongeren eerder in beeld te krijgen en criminaliteit te voorkomen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Hoe is de samenwerking tussen politie, scholen, jeugdzorg, gemeenten en sociale mediaplatforms ingericht om jongeren te beschermen tegen criminele ronseling? Wilt u deze vraag uitgebreid beantwoorden?
Deelt u de opvatting dat de verharding onder jongeren en de opkomst van «crime as a service» vragen om een nationale aanpak met extra en aanvullende preventie, handhaving en online toezicht? Wanneer kan de Kamer hierover concrete voorstellen verwachten?
De oproep tot geweld tegen Palestijnse vluchtelingen door Gidi Markuszower |
|
Esther Ouwehand (PvdD) |
|
Rob Jetten (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de uitspraken van Gidi Markuszower, fractievoorzitter van de Groep Markuszower, die in een interview met Left Laser onder meer heeft gezegd: «De Nederlandse overheid moet ze [Palestijnse vluchtelingen] met geweld – misschien met nog meer geweld dan waar ze vandaan zijn gekomen – met geweld tegenhouden», «Die mensen moet je met geweld – echt met geweld, desnoods maximaal geweld – die moet je tegenhouden», «Israël heeft nog nooit wat ergs gedaan» en «Het Israëlische leger is het meest morele leger ter wereld»?
Ja.
Heeft u gezien dat dhr. Markuszower een paar dagen later hierover bij een interview op Radio 1 heeft bevestigd dat «de inhoud staat»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze uitspraken?
De Minister-President gaat in de Kamer in debat met Kamerleden en reageert niet op individuele uitspraken van Kamerleden, gedaan in de pers. Maar laat helder zijn dat Nederland nooit geweld zal gebruiken tegen mensen die op de vlucht zijn en een veilige haven zoeken. Elke oproep daartoe is verwerpelijk en gaat alle perken te buiten.
Waarom heeft u geweigerd deze uitspraken ondubbelzinnig te veroordelen in uw reactie op 15 mei jl.?2 Vindt u dit verstandig in tijden waarin gewelddadig extreemrechts duidelijk groeit en Palestijnen structureel worden gedehumaniseerd?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u alsnog bereid te normeren en te begrenzen en deze uitspraken van dhr. Markuszower ondubbelzinnig te veroordelen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Vindt u dat uw kabinet kan samenwerken met een fractie waarvan de leider dit gedachtegoed aanhangt en dit soort uitspraken doet? Bent u nog steeds van mening dat een samenwerking met de Groep Markuszower kansen biedt, zoals u in januari 2026 hebt aangegeven?
Het kabinet is aan de slag op basis van het coalitieakkoord, en zal daarbij altijd streven naar zo breed mogelijke steun binnen de Tweede Kamer. Laat echter helder zijn dat het kabinet nooit zal meegaan in oproepen tot geweld tegen mensen die op de vlucht zijn. Het kabinet zal altijd in de meest stellige bewoordingen afstand nemen van opvattingen die strijdig zijn met de democratisch-rechtsstatelijke waarden.
Dergelijke uitingen – zeker wanneer daar niet eenduidig van teruggekomen wordt of wanneer herhaaldelijk gedaan – maken het moeilijker om tot een constructieve samenwerking te komen.
Kunt u deze vragen één voor één en uiterlijk voor dinsdag 19 mei om 10.00 uur in de ochtend beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam’ |
|
Chris Stoffer (SGP) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Het bericht dat het toeslagenstelsel duur, inefficiënt en schuldenveroorzakend is |
|
Nicole Moinat (PVV) |
|
Sandra Palmen (NSC), Eerenberg |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat het aantal huishoudens met langdurige toeslagenschulden sinds corona sterk is toegenomen en dat in 2023 circa 658.000 keer toeslagen moesten worden teruggevorderd?1
Hoeveel huishoudens kampen momenteel met problematische schulden als gevolg van terugvorderingen van toeslagen en hoeveel mensen vragen toeslagen waar zij recht op hebben bewust niet aan uit angst voor terugbetalingen?
Erkent u dat het huidige toeslagenstelsel voor veel Nederlanders te ingewikkeld, onzeker en stressverhogend is en bovendien een armoedeval kan creëren doordat mensen toeslagen verliezen zodra zij meer gaan werken of verdienen?
Hoeveel geld wordt jaarlijks uitgegeven aan de uitvoering, controle, handhaving en administratieve verwerking van toeslagen en hoeveel geld gaat verloren door fraude, fouten en uitvoeringskosten?
Klopt het dat in 2024 ongeveer 21 miljard euro aan toeslagen werd uitgekeerd en dat dit bedrag in tien jaar tijd bijna is verdubbeld? Hoe verklaart u deze stijging?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om te voorkomen dat mensen door kleine inkomenswijzigingen plotseling grote bedragen moeten terugbetalen?
Hoeveel ambtenaren, uitvoeringsinstanties en externe organisaties zijn direct of indirect betrokken bij de uitvoering van het toeslagenstelsel?
Welke lessen trekt het kabinet uit de toeslagenaffaire bij de verdere hervorming van het toeslagenstelsel?
Is het kabinet bereid fundamentele alternatieven voor het huidige toeslagenstelsel te onderzoeken, waaronder een eenvoudiger systeem van inkomensondersteuning met minder voorwaarden, minder bureaucratie en minder risico op schulden?
Zijn er binnen het ministerie scenario’s of doorrekeningen gemaakt van systemen waarbij toeslagen en delen van het uitkeringsstelsel worden vervangen door een vast maandelijks bedrag of andere vormen van vereenvoudigde inkomensondersteuning? Zo ja, kan de Kamer deze ontvangen?
Zware PCP-luchtdrukwapens en waarschuwingen van de AIVD |
|
Songül Mutluer (PvdA) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) waarschuwt voor de risico’s rondom zware PCP-luchtdrukwapens (Pre Charged Pneumatic) en aangeeft dat deze wapens in beeld zijn bij extremisten? Kunt u nader toelichten in welke mate deze wapens momenteel een veiligheidsrisico vormen, mede gelet op de huidige dreigingssituatie?1
Hoe beoordeelt u het feit dat zware PCP-luchtdrukwapens in Nederland relatief eenvoudig online verkrijgbaar zijn, terwijl deze wapens qua mondingsenergie en impact vergelijkbaar of zelfs zwaarder kunnen zijn dan bepaalde vuurwapens?
Klopt het dat zware PCP-luchtdrukwapens op grond van de Wet wapens en munitie momenteel onder categorie IV vallen? Acht u deze classificatie nog passend, gezien de kracht en veiligheidsrisico’s van deze wapens?
Klopt het dat in 2016 al door de toenmalige Minister is aangegeven via een Kamerbrief dat dit type wapens levensgevaarlijk kan zijn? Zo ja, hoe verklaart u dan dat tien jaar later nog altijd geen adequate aanscherping van de regelgeving heeft plaatsgevonden?
Welke concrete stappen zijn sinds 2016 dan gezet om de risico’s van zware luchtdrukwapens te beperken, en wat hebben deze maatregelen opgeleverd?
Klopt het dat bij verkoop van zware PCP-luchtdrukwapens weliswaar persoonsgegevens van kopers moeten worden geregistreerd en bewaard, maar dat het huidige systeem beperkte waarborgen kent voor traceerbaarheid van wapens bij overdracht en doorverkoop? Acht u deze systematiek voldoende?
Hoe beoordeelt u de huidige identificatie vereisten bij aanschaf van PCP-luchtdrukwapens, gelet op signalen dat deze controles in de praktijk beperkt of vrijblijvend kunnen zijn?
Worden incidenten, inbeslagnames en strafrechtelijke onderzoeken waarbij zware PCP-luchtdrukwapens een rol spelen afzonderlijk geregistreerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoeveel gevallen betreft dit in de afgelopen vijf jaar?
Bent u bereid PCP-luchtdrukwapens anders te reguleren dan thans het geval is onder categorie IV van de Wet wapens en munitie? Zo nee, waarom niet?
Waarom is de aangekondigde herziening van de Wet wapens en munitie nog altijd niet naar de Kamer gestuurd? Wanneer kan de Kamer deze wet verwachten?
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht 'Désirée (38) haar donor eist vaderrol: 'In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig'' |
|
Ingrid Coenradie (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Désirée (38) haar donor eist vaderrol: «In plaats van leuke dingen doen met Lenny, ben ik continu met rechtszaken bezig»»?1
Kunt u, zonder in te gaan op deze individuele zaak, uiteenzetten welk wettelijk toetsingskader geldt wanneer een bekende donor, ondanks vooraf mondeling en schriftelijk gemaakte afspraken dat hij géén vaderrol krijgt, later alsnog erkenning, omgang of een vaderrol opeist?
Klopt het dat een bekende donor niet automatisch recht heeft op omgang enkel omdat hij biologisch vader is, maar dat hij onder omstandigheden wel een beroep kan doen op een nauwe persoonlijke betrekking of family life? Welke juridische waarde heeft in dat kader een donorovereenkomst waarin expliciet is vastgelegd dat de donor geen juridische, opvoedkundige of verzorgende vaderrol zal krijgen?
Klopt het dat een donorovereenkomst niet volledig kan uitsluiten dat een rechter later alsnog omgang of family life aanneemt? Acht u dat voor alleenstaande wensmoeders voldoende duidelijk voordat zij met een bekende donor in zee gaan?
Hoe wordt in dit soort zaken het «belang van het kind» concreet vastgesteld? Kunt u aangeven welke factoren rechters en de Raad voor de Kinderbescherming daarbij in de praktijk meewegen?
Wordt bij de beoordeling van het belang van het kind ook meegewogen of sprake is van bedreiging, stalking, intimidatie, psychische druk, dwingende controle of andere signalen die kunnen wijzen op onveiligheid?
Deelt u de opvatting dat onveiligheid van de verzorgende ouder ook kan doorwerken in de veiligheid en ontwikkeling van het kind, en daarom niet los mag worden gezien van het belang van het kind?
Hoe voorkomt het huidige stelsel dat een juridische procedure over omgang of erkenning zelf wordt gebruikt als middel van druk, controle of intimidatie richting de moeder?
Hoe verhoudt de aanpak van femicide en psychisch geweld zich tot het familierechtelijke uitgangspunt dat contact met een ouder of biologische vader in beginsel in het belang van het kind kan zijn?
Aangezien de Raad voor de Kinderbescherming stelt dat contact met beide ouders alleen uitgangspunt is «als dat veilig kan»; hoe wordt geborgd dat dit uitgangspunt ook consequent wordt toegepast bij bekende donoren die geen oorspronkelijke vaderrol zouden hebben?
Beschikt u over cijfers van zaken waarin een donorovereenkomst door de rechter anders wordt gewogen dan de wensmoeder vooraf mocht verwachten? Zo nee, acht u het wenselijk hier meer inzicht in te krijgen?
Acht u de huidige informatievoorziening aan alleenstaande wensmoeders en bekende donoren voldoende duidelijk over de juridische risico’s van donorconceptie met een bekende donor, waaronder het verschil tussen een donor, een juridische ouder, een erkenner, een gezaghebbende ouder en iemand met omgangsrecht?
Bent u bereid stappen te zetten om de rechtspositie en rechtszekerheid van alleenstaande wensmoeders bij gebruik van een bekende donor beter te borgen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat doen, bijvoorbeeld via wetgeving, betere voorlichting, richtlijnen of aanvullende waarborgen in de beoordeling van omgangs- en erkenningsverzoeken?
Het bericht dat Algerije alle protestantste kerken gesloten heeft |
|
Chris Stoffer (SGP), Diederik van Dijk (SGP) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel uit het Reformatorisch Dagblad (9 mei 2026) waarin gesteld wordt dat de autoriteiten van Algerije sinds 2017 alle protestantse kerken in het land gesloten hebben?1
Deelt u de belangrijkste conclusies uit het onderliggende rapport van het European Centre for Law and Justice (ECLJ)?2 Wat is uw bredere reflectie op de in het rapport beschreven positie van christenen in Algerije?
Bent u bereid om de categorische sluiting van protestantse kerken en andere schendingen van godsdienstvrijheid officieel te veroordelen?
Bent u bereid om de Algerijnse ambassadeur te ontbieden? Zo nee, welke diplomatieke druk acht u gepast?
Kunt u aangeven op welk niveau er in de Europese Unie (EU) afstemming is over christenvervolging in Algerije?
Kunt u verzekeren dat deze kwestie hoge prioriteit heeft voor Mairead McGuinness, de recent aangestelde Europese gezant voor godsdienstvrijheid? Bent u bereid de strafrechtelijke vervolging van christenen, de opsluiting van religieuze leiders en de sluiting van kerken actief onder haar aandacht te brengen en in EU-verband te bezien welke effectieve drukmiddelen kunnen worden ingezet?
Op welke wijze heeft Nederland zich eerder richting de Algerijnse autoriteiten ingezet ten aanzien van de positie van christenen en godsdienstvrijheid? Welke rol speelt de Nederlandse Speciaal Gezant voor vrijheid van religie en levensovertuiging hierin?
De financiële problemen bij ziekenhuis Bernhoven door de weigerachtige houding van meerdere zorgverzekeraars om het ziekenhuis voldoende te financieren |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat het ziekenhuis Bernhoven in de financiële problemen dreigt te geraken doordat zij minder zorg gericht op productie levert, maar passende zorg gericht op de patiënt als uitgangspunt?1, 2, 3
Bent u op de hoogte van het feit dat vijf zorgverzekeraars, te weten: Zilveren Kruis/Achmea, Menzis, ONVZ, ASR en Salland die samen een marktaandeel van twintig procent hebben in het werkgebied van Bernhoven, weigeren om – net als de andere zorgverzekeraars Bernhoven aanvullend te financieren zodat de financiële toekomst van Bernhoven kan worden gegarandeerd?
Bent u het ermee eens dat alle zorgverzekeraars gezamenlijk de plicht hebben het ziekenhuis Bernhoven langjarig voldoende te financieren om te voorkomen dat het ziekenhuis failliet gaat en/of gedwongen zou worden te fuseren met een ander ziekenhuis in de omgeving waardoor de bereikbaarheid en toegankelijkheid van de ziekenhuiszorg voor 280.000 patiënten in de regio Oss, Bernheze, Maashorst, Meijerijstad onder druk komt te staan?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is wanneer een ziekenhuis financieel gestraft wordt voor het inzetten op passende zorg, terwijl uw kabinet juist expliciet wil inzetten op passende zorg?
Deelt u de mening van uw voorganger dat de werkwijze van het ziekenhuis Bernhoven een voorbeeld is dat navolging verdient? Kunt u dit toelichten?4
Klopt het dat een aantal verzekeraars de gemaakte afspraken uit het continuïteitsplan uit 2024 niet nakomt? Kunt u dit toelichten?
Hoe groot is het risico dat een deel van de zorg uit het ziekenhuis Bernhoven zal verdwijnen?
Bent u bereid de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) te vragen te bemiddelen dan wel in te grijpen bij het conflict tussen een aantal zorgverzekeraars en ziekenhuis Bernhoven om te komen tot een eerlijke en reële financiering door alle zorgverzekeraars waarbij enerzijds verkeerd uitpakkende productieprikkels worden vermeden en anderzijds het ziekenhuis langjarig financiële zekerheid kan worden geboden?
Bent u het ermee eens dat ten alle tijde moet worden voorkomen dat het ziekenhuis Bernhoven failliet gaat? Zo ja, welke stappen gaat u daarvoor zetten? Zo nee, waarom vindt u het acceptabel als de toegankelijkheid van de zorg nog verder achteruitgaat?
Bent u bereid om deze vragen één voor één te beantwoorden?
Toegang tot abortusmedicatie in de VS |
|
Kati Piri (PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Berendsen , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Met pillen kunnen vrouwen in de VS nu nog zelf kiezen voor abortus»?1
Deelt u de mening dat het van groot belang is dat personen toegang hebben tot veilige abortuszorg? Deelt u de afschuw over het feit dat vrouwen in de Verenigde Staten (VS) in toenemende mate de toegang tot veilige abortuszorg wordt ontnomen?
Deelt u de zorgen dat anti-abortusbewegingen, ook in de EU en Nederland, vaak gesteund en soms zelfs gefinancierd worden door organisaties uit de VS? Deelt u de mening dat dit onwenselijk is en dat wij als Nederland, ook binnen de context van de EU, pal voor het recht op abortuszorg moeten staan?
Deelt u de analyse dat met een eventueel verbod op het middel mifepriston een chilling effect kan optreden en angst bij hulpverleners, met uiteindelijk ook als gevolg dat vrouwen, met name vrouwen in een kwetsbare positie, belemmerd worden in de toegang tot abortuszorg?
Heeft u contact gehad met de Amerikaanse autoriteiten over het eventuele verbod? Zo ja, op welk niveau en wat wordt er in deze contacten gewisseld? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid om in gesprek te gaan met de regering Trump of de Amerikaanse ambassadeur over (toegang tot) abortuszorg en het mogelijke verbod op mifepriston?
Deelt u de mening dat Nederland een voortrekkersrol moet vervullen bij de bescherming en bevordering van de rechten, gezondheid en positie van vrouwen en meisjes wereldwijd? Kunt u toelichten welke concrete stappen u momenteel zet om deze rol invulling te geven, en welke aanvullende maatregelen of ambities u voor de komende periode voor ogen heeft?
Op welke concrete wijze wenst u uitvoering te geven aan de motie Kröger c.s. over zich internationaal actief uitspreken tegen het inperken van vrouwenrechten, lhbtiq+-rechten en seksuele- en reproductieve rechten en gezondheidszorg?
Bent u bereid deze vragen ieder afzonderlijk te beantwoorden voor het besluit van het Hooggerechtshof met betrekking tot de verstrekking van mifepriston?
Bent u bekend met de berichtgeving van NOS, Trouw en Stichting School & Veiligheid over de toenemende invloed van de zogenoemde manosphere op jongens en jonge mannen, waaronder jongens en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag, en over signalen van dit gedrag in het onderwijs?1, 2, 3
Deelt u de zorgen dat content, waarin vrouwen en meisjes als ondergeschikt en minderwaardig worden neergezet, kan bijdragen aan een klimaat waarin grensoverschrijdend gedrag en geweld tegen vrouwen en meisjes worden genormaliseerd?
In hoeverre is bij politie, Openbaar Ministerie en andere betrokken professionals bekend of de manosphere een rol speelt bij seksueel grensoverschrijdend gedrag, stalking, huiselijk geweld of ander geweld tegen vrouwen en meisjes?
Wordt binnen de aanpak van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld, seksueel geweld en femicide op dit moment expliciet gekeken naar online vrouwenhaat, manosphere-content en digitale beïnvloeding van vrouwonvriendelijke denkbeelden? Zo ja, op welke manier? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te doen?
Ziet u aanleiding om, naar aanleiding van deze berichtgeving, te onderzoeken of en hoe manosphere-content een rol speelt in de aanloop naar geweld tegen vrouwen, intieme terreur, controlerend gedrag en seksueel grensoverschrijdend gedrag? Zo nee, waarom niet?
Beschikken professionals die werken met jongeren en jongvolwassenen met problematisch of grensoverschrijdend gedrag volgens u over voldoende kennis en handvatten om beïnvloeding door de manosphere te herkennen, bespreekbaar te maken en mee te wegen in de risicotaxatie en begeleiding?
Bent u van plan maatregelen te nemen naar aanleiding van het signaal dat beïnvloeding vanuit de manosphere soms leidt tot wantrouwen jegens vrouwelijke hulpverleners?
Welke conclusies trekt u uit het onderzoek van Stichting School & Veiligheid, uitgevoerd door Ipsos I&O, dat laat zien dat 78% van de onderwijsprofessionals in het voortgezet onderwijs denkt dat jongens op school in enige mate worden beïnvloed door content over mannelijkheid en omgang met vrouwen?
Wat vindt u ervan dat bijna driekwart van de professionals in het voortgezet onderwijs de afgelopen vier jaar een toename ziet van gedrag dat mogelijk samenhangt met de manosphere? Wat is volgens u daarvoor een verklaring?
Erkent u dat deze signalen raken aan de sociale veiligheid van meisjes, lhbtiq+-leerlingen en vrouwelijke onderwijsprofessionals op school?
Welke verantwoordelijkheid ziet u hier voor scholen, overheid en ouders, gezien het feit dat onderwijsprofessionals volgens Stichting School & Veiligheid zorgen hebben over de invloed van deze denkbeelden op het schoolklimaat, waaronder agressie, pestgedrag, spanningen tussen jongens en meisjes en de kwaliteit van gesprekken in de klas?
Wat betekent het volgens u dat vrouwelijke onderwijsprofessionals vaker vrouwonvriendelijke, homofobe of seksistische opmerkingen signaleren en relatief vaak ervaren dat hun autoriteit door leerlingen wordt ondermijnd?
Welke rol ziet u voor ouders bij het herkennen en bespreken van manosphere-content en bredere online beïnvloeding, en hoe kunnen scholen en ouders hierin beter samenwerken zonder dat de volledige verantwoordelijkheid bij leraren komt te liggen?
Welke ondersteuning is er op dit moment beschikbaar voor scholen en leraren om adequaat te reageren op vrouwonvriendelijke, seksistische of intimiderende uitspraken?
Vindt u deze ondersteuning voldoende, nu onderwijsprofessionals aangeven behoefte te hebben aan meer kennis, praktische tools en vaardigheden om met deze thematiek om te gaan in de klas? Zo nee, bent u bereid tegemoet te komen aan deze behoefte?
Misstanden bij gezinshuizen. |
|
Marijke Synhaeve (D66) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de misstanden in De Glind en in andere gezinshuizen, zoals gerapporteerd door Omroep Gelderland en EenVandaag?1, 2, 3
Deelt u het beeld dat, ondanks dat gezinshuizen een hele mooie constructie zijn en in veel gevallen goed werken en erg waardevol zijn, er ook misstanden plaatsvinden in een aantal van deze gezinshuizen?
Klopt het dat de huidige kwaliteitscriteria gezinshuiszorg in feite richtlijnen zijn, volgens het principe «pas toe of leg uit», en geen bindende of afdwingbare eisen?
Acht u dit voldoende om de veiligheid van kinderen te waarborgen?
Bent u bereid om de kwaliteitscriteria gezinshuiszorg daadwerkelijke kwaliteitseisen te maken in plaats van richtlijnen, en dit ook te verankeren in de wet?
Deelt u de zorgen dat financiële prikkels ertoe kunnen leiden dat gezinsouders meer kinderen bij hen laten wonen dan verantwoord is, waardoor de kwaliteit van zorg onder druk komt te staan?
In hoeverre is het begrip gezinshuis juridisch verankerd in de Jeugdwet?
Bent u bereid dit expliciet in de wet op te nemen om duidelijkheid en uniformiteit te creëren?
Bent u bekend met signalen van de Inspectie dat zij informatie over niet-functionerende gezinshuisouders niet mogen delen vanwege het ontbreken van een vergewisplicht?
Deelt u de opvatting dat dit een direct risico vormt voor de veiligheid van de betrokken kinderen?
Bent u bereid een wettelijke vergewisplicht voor gezinshuizen in te voeren, zodat relevante informatie over de (on)geschiktheid van zorgverleners gedeeld en geborgd kan worden?
Bent u het met de indiener eens dat we op voorhand zouden moeten checken of een gezinshuisouder geschikt is, en niet pas wanneer er signalen zijn van misstanden?
Klopt het dat zelfstandige gezinshuizen zichzelf moeten melden bij de Inspectie en dat er geen volledig landelijk overzicht bestaat van het aantal gezinshuizen, en hoe beoordeelt u deze situatie?
Deelt u de opvatting dat verplichte registratie van gezinshuisouders, bijvoorbeeld via de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ), noodzakelijk is om toezicht en uitsluiting bij misstanden mogelijk te maken?
Bent u het met de indiener eens dat het onwenselijk is dat wanneer momenteel een gezinshuis na misstanden moet sluiten, zij een paar kilometer verderop weer een nieuw gezinshuis kunnen starten?
Bent u bereid om te onderzoeken of landelijke eisen voor gezinshuiszorg mogelijk zijn, zodat niet alleen het toezicht en de veiligheid verbeterd kunnen worden, maar er ook minder verschillen tussen gemeenten zullen ontstaan?
Welke stappen gaat u concreet zetten om richtlijnen om te zetten in bindende kwaliteitseisen, registratie van gezinshuizen en gezinshuisouders verplicht te maken, en een vergewisplicht in te voeren?
Bent u het met de indiener eens dat het van groot belang is om meer grip te krijgen op gezinshuizen, zowel in het belang van deze kinderen als in het belang van het voortbestaan van deze waardevolle manier van jeugdzorg?
Het artikel ‘De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival’ |
|
René Claassen (PVV), Mona Keijzer |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «De bizarre Hilversumse boycot van het Eurovisie Songfestival»?1
Klopt het dat de auteur van dit artikel in de aanloop naar het Eurovisie Songfestival meerdere schriftelijke vragen en verzoeken om opheldering heeft gericht aan AVROTROS, de Ombudsman van de NPO en het Commissariaat voor de Media, en dat deze niet, dan wel slechts summier of niet-inhoudelijk, zijn beantwoord?
Deelt u de opvatting dat het structureel uitstellen van inhoudelijke beantwoording tot nádat een boycotbeslissing feitelijk onomkeerbaar is geworden op gespannen voet staat met de beginselen van transparantie, publieke verantwoording en democratische controle van met belastinggeld gefinancierde instellingen? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat van een publieke omroep mag worden verwacht dat zij politieke neutraliteit en pluriformiteit waarborgt, zoals bedoeld in de Mediawet, en hoe verhoudt een besluit om af te zien van deelname aan een cultureel evenement vanwege de deelname van een specifiek land zich volgens u tot die publieke taak?
Kunt u aangeven of er voorafgaand aan of tijdens de besluitvorming contacten zijn geweest tussen AVROTROS en/of de NPO enerzijds en activistische organisaties, NGO’s of lobbygroepen anderzijds over de deelname van Israël aan het Eurovisie Songfestival en zo ja, bent u bereid hierover volledige transparantie richting de Kamer te betrachten?
Hoe beoordeelt u de situatie waarin de publieke omroep enerzijds stelt principiële bezwaren te hebben tegen deelname aan het Eurovisie Songfestival, maar anderzijds het evenement wel blijft uitzenden en daarmee profiteert van kijkcijfers en advertentie-inkomsten? Acht u deze combinatie verenigbaar met de publieke voorbeeldfunctie van de omroep?
Bent u bereid het Commissariaat voor de Media te verzoeken te onderzoeken of de handelwijze van AVROTROS en de NPO in deze kwestie verenigbaar is met de Mediawet, in het bijzonder waar het gaat om onafhankelijkheid, politieke neutraliteit, gelijke behandeling en de publieke taakopvatting en de Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek te informeren?