Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Ja.
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
Bij de implementatie van de BENG-eisen zijn destijds de financiële gevolgen in kaart gebracht. Kortheidshalve verwijs ik naar het rapport waarin dit is onderbouwd. https://www.internetconsultatie.nl/wijziging_bouwbesluit_2012_ivm_beng_2020/document/4333
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Bij alle extra eisen in de bouwregelgeving wordt het effect op de bouwkosten meegewogen. Het is evident dat de BENG-eisen leid(d)en tot hogere bouwkosten dan de nul-optie, waarin de energiezuinigheid niet wordt verhoogd. Maar tegelijkertijd wordt de gebruiker van een gebouw gecompenseerd door een structureel lagere energierekening: de investeringen worden bij normaal gebruik terugverdiend binnen de daarvoor gestelde termijn. En met de onzekere energieprijzen op de wereldmarkt en leveringszekerheid is energiebesparing nodig. Daardoor sloeg en slaat de weging positief uit.
De bouwkosten en huizenprijzen worden naast extra duurzaamheidseisen natuurlijk ook bepaald door andere economische variabelen, zoals renteontwikkeling, inflatie, lonen, vraag naar woningen, wereldmarktprijzen voor bouwmaterialen en lokale grondprijzen. Deze kennen gezamenlijk een groter effect.
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
De hogere kosten bij nieuwbouw moeten afgewogen worden tegen de lagere kosten door minder energiegebruik tijdens het gebruik van een woning. Bij de implementatie van energetische verduurzamingseisen wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies2 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming economisch verantwoord. Deze bepaling van kostenoptimaliteit is een regulier onderdeel bij de implementatie van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen, waar de BENG-eisen uit voortvloeien.
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Zie antwoord vraag 4.
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
In algemene zin worden vanuit het Rijk geen subsidie of aanvullende overheidsbijdragen in nieuwbouwprojecten verstrekt voor de zaken, die verplicht zijn in de bouwregelgeving op het terrein van duurzaamheid. De nieuwbouweisen op het terrein van energiezuinigheid (BENG) zijn daarnaast kostenoptimaal.
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Zie vraag 6.
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Mij is niet bekend dat woningbouwprojecten vertraagd of uitgesteld zijn vanwege duurzaamheidseisen aan de woningbouw. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik al aangegeven dat naast bouwkostenstijging ook andere economische variabelen effecten hebben op de doorlooptijd van het ontwikkel- en bouwproces. Daarnaast bepaalt in de praktijk het vergunningsverleningsproces de doorlooptijd.
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Een initiatiefnemer toont het voldoen aan duurzaamheidseisen bij vergunningstrajecten aan met een energieprestatieberekening en een milieuprestatieberekening. Deze berekeningen zijn zo ingericht dat deze tijdens het ontwerp en vergunningproces uitgevoerd kunnen worden met de dan beschikbare gegevens van het gebouw. Er is daardoor geen of een minimale extra doorlooptijd. Ook de beoordeling van deze eisen is volledig geïntegreerd in het vergunningsproces en leidt niet tot extra doorlooptijd.
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
De duurzaamheidseisen zijn geformuleerd in termen van prestatie-eisen aan een bouwwerk. Deze prestatie-eisen zijn voor het betaalbare segment gelijk aan die voor het duurdere segment. Duurzaamheidseisen leiden tot extra bouwkosten voor gebouwen, maar in vergelijkbare mate voor betaalbare woningen en hogere prijssegmenten. Ook zijn de duurzaamheidseisen erop afgestemd dat deze door de bewoner terugverdiend worden.
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Het realiseren van voldoende en betaalbare woningen is een prioriteit in mijn beleid. Daarnaast is ook het behalen van klimaatneutrale nieuwbouw, vanaf 2030, van groot belang. Een betaalbare energierekening en nationale energiezekerheid, vanwege de geopolitieke situatie, spelen daarbij een even grote rol. Bij het vaststellen van eisen houd ik er rekening mee dat zowel voldoende betaalbare woningen als een klimaatneutrale gebouwvoorraad naast elkaar haalbaar moeten zijn.
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Regelgeving verandert regelmatig en alle ontwikkelaars moeten zich verdiepen in de eisen die gesteld worden. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de BENG-eisen in 2018 heeft intensief nader overleg met het MKB plaatsgevonden, om na te gaan of en zo ja welke specifieke aandachtspunten er voor de MKB’ers zijn.
Het gaat zowel om deelname van het MKB aan de klankbordgroep BENG en de begeleidingscommissie Kostenoptimaliteit-BENG, als om deelname aan de Juridisch Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving. Ook zijn de reacties in het kader van de internetconsultatie voor een groot deel afkomstig van het MKB. De inbreng van het MKB over de uitvoeringsmodaliteiten is meegewogen, juist om de uitvoerbaarheid te borgen.
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Ik beoordeel elk voorstel voor nieuwe wetgeving vanuit Europa op zijn merites en handel daarnaar. Natuurlijk ben ik extra gespitst op voorstellen, die de woningbouwopgave mogelijk belemmeren of vertragen. Daar wordt al jarenlang kritisch naar gekeken en dat zal ik ook blijven doen. Verder is ook in Europees verband opgeroepen om te komen tot het schrappen van tegenstrijdig en overbodige eisen in Europese regelgeving. Met de Europese Strategy for Housing Construction en het Affordable Housing Plan worden stappen in de goede richting gezet.
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Voor de versnelling van de woningbouw ben ik nu bezig met de uitvoering van het programma STOER. Met de brief van mijn ambtsvoorganger d.d. 10 oktober 2025, over het advies van de commissie STOER, is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Ja. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 is een kostenoptimaliteitsstudie een standaard onderdeel van het wetgevingsproces voor duurzaamheidseisen.
De invloed van de suikertaks op sportsupplementbedrijven zoals XXL Nutrition en de gevolgen voor het Nederlandse ondernemersklimaat. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van Nieuws van de Dag waarin wordt gesteld dat de suikertaks ertoe leidt dat het bedrijf XXL Nutrition overweegt om naar het buitenland te verhuizen vanwege de toenemende regeldruk?1
Ja. Voorafgaand aan de verdere beantwoording wil ik u meegeven dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures niet op individuele gevallen kan ingaan.
Acht u het wenselijk dat steeds meer bedrijven overwegen om Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk?
Nee, ik acht het in beginsel niet wenselijk dat bedrijven overwegen Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk. Uit de meest recente Monitor Ondernemingsklimaat3 blijkt dat het aandeel bedrijven dat overweegt te vertrekken vergelijkbaar hoog is met voorgaande jaren. Wel laten de bevindingen zien dat de plannen van deze bedrijven om daadwerkelijk stappen te zetten concreter en serieuzer worden. Dat acht ik een zorgelijke ontwikkeling.
Het kabinet hecht groot belang aan een gunstig ondernemingsklimaat met optimale randvoorwaarden, want dat is cruciaal voor het succes en groei van bedrijven. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen. Het kabinet zet zich daarom in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vermindering regeldruk, beschikbaarheid van talent of netcongestie. Belangrijk daarbij is dat we met elkaar de urgentie van een sterk ondernemingsklimaat blijven onderkennen en de aanpak van al deze randvoorwaarden hoog op de politieke agenda houden.
In het geval van XXL Nutrition moet suikertaks worden betaald over eiwit- en maaltijdshakes, omdat deze door de overheid worden aangemerkt als «limonade»; bent u het ermee eens dat een eiwitshake – en ook een maaltijdshake – niet gelijk te stellen zijn aan limonade of frisdrank?
De in het bericht genoemde «suikertaks» betreft de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, opgenomen in de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Dit is een belasting op alcoholvrije dranken (in vaste of vloeibare vorm) met een vlak tarief van € 26,13 per hectoliter, ongeacht het suikergehalte van de drank. Op dit moment kennen wij in Nederland geen belasting of heffing op basis van het suikergehalte van een drank. Er is dan ook geen sprake van een «suikertaks».
Onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken worden kort gezegd gearomatiseerde alcoholvrije dranken belast die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.4 Mineraalwater en zuivel- en sojadranken zijn van de verbruiksbelasting uitgezonderd.5 Ook alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat waarvan door aanlenging (bijvoorbeeld met water) alcoholvrije drank kan worden gemaakt, vallen onder de verbruiksbelasting. Eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden gedronken als gearomatiseerde alcoholvrije drank zoals hierboven bedoeld, zijn daarom met verbruiksbelasting belast. Dat over dit soort producten verbruiksbelasting is verschuldigd, is al het geval sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993.6
In de wet wordt dit soort dranken inderdaad gedefinieerd als limonade. In het taalgebruik wordt onder het begrip limonade echter veelal verstaan «verkoelende drank van water, suiker en vruchtensap». In de praktijk zijn er daarom verschillende alcoholvrije dranken die niet bekendstaan als limonade, maar wel onder de definitie van limonade vallen zoals opgenomen in de WVAD. Dit geldt bijvoorbeeld voor alcoholvrij bier, havermelk en, afhankelijk van de samenstelling van de drank, mogelijk ook voor bepaalde maaltijdshakes. Het kabinet is zich bewust van het feit dat het voornoemde kan zorgen voor onduidelijkheden. Mede om die reden heeft het kabinet in het Belastingplan 2026 aangekondigd dat het begrip limonade per 2027 wordt vervangen door «overige alcoholvrije drank».7 Het gaat hierbij om een verduidelijkende, tekstuele aanpassing zonder inhoudelijke gevolgen. Dat gearomatiseerde eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden geconsumeerd als alcoholvrije drank («kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken») worden belast met verbruiksbelasting, verandert hiermee niet. Dit beoogt het kabinet ook niet.
Indien het antwoord op vraag 3 ja luidt, acht u het dan niet rechtvaardiger om eiwit- en maaltijdshakes uit te zonderen van de suikertaks?
Volgens de definitie van de wet zijn eiwit- of maaltijdshakes die zijn bedoeld om gearomatiseerde alcoholvrije dranken te maken die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, belast met verbruiksbelasting. Zoals eerder opgemerkt is dit al sinds 1993 het geval.8 Dit is geen onbedoeld gevolg van de wet.
Op basis van welke juridische basis wordt een eiwitshake momenteel aangemerkt als «limonade» voor de toepassing van de suikertaks?
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3 betreft dit artikel 9, eerste lid van de Wet verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Ook in vaste vorm of als concentraat vallen deze dranken onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zie hiervoor artikel 9, tweede lid, WVAD.
Acht u het wenselijk dat producten die primair bedoeld zijn voor sport en gezondheid onder dezelfde fiscale categorie vallen als frisdrank?
In zijn algemeenheid geldt het advies om water te drinken voor de vochtbehoefte tijdens en na het sporten. Wat betreft producten zoals eiwit- en maaltijdshakes geldt dat deze geen onderdeel uitmaken van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze producten een uitzonderingspositie te geven.
Kunt u inzichtelijk maken of de invoering van de suikertaks daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad op het gezonder maken van de bevolking?
De huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken heeft een vlak tarief ongeacht het suikergehalte van de drank. De belasting heeft dus in zijn algemeenheid geen beoogd effect van het gezonder maken van de bevolking.
Wel wordt momenteel nagedacht over een mogelijke omzetting van de huidige verbruiksbelasting met één vlak tarief voor alle belaste alcoholvrije dranken naar een belasting op basis van het suikergehalte van de drank.9 De beoogde omzetting heeft wel een gezondheidsdoel, namelijk het verminderen van de suikerconsumptie via alcoholvrije dranken. Zoals toegezegd bij de behandeling van de het Pakket Belastingplan 2026 informeert het kabinet uw Kamer medio februari over de te maken keuzes met betrekking tot deze omzetting. De uiteindelijke keuze of wordt overgegaan tot de omzetting laat ik aan een nieuw kabinet of aan uw Kamer.
In hoeverre acht u deze interpretatie in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel, gezien de onduidelijkheid voor ondernemers?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen. Wat betreft terminologie en de producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.10 Het kabinet acht dit dus ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Kunt u aangeven welke extra administratieve lasten de suikertaks met zich meebrengt voor middelgrote en grote producenten van voedingssupplementen?
Op basis van de WVAD geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen de ondernemer een vergunning «Inrichting voor verbruiksbelastinggoederen» (IVV) moet hebben aangevraagd bij de inspecteur. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, geeft de inspecteur deze vergunning af. De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die verschuldigd is of kan worden (het belastingbelang). Voor goederen die zijn uitgezonderd van de verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist.
Producenten van bijvoorbeeld voedingssupplementen die zijn belast met verbruiksbelasting dienen ook aangifte verbruiksbelasting te doen. Vergunninghouders IVV doen periodieke aangifte (maandaangifte).
Bent u het ermee eens dat de suikertaks in de praktijk vooral een middel is gebleken om meer belastinginkomsten te genereren, in plaats van een effectief instrument voor de volksgezondheid?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7, kent de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken primair geen gezondheidsdoelstelling. Er is op dit moment geen sprake van een suikertaks maar van een gelijke belasting van alle belaste alcoholvrije dranken (€ 26,13 per hectoliter).
Hoe rijmt u de suikertaks met uw beleid om oneerlijke concurrentie voor Nederlandse bedrijven tegen te gaan, aangezien diverse andere landen geen suikertaks kennen?
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is een nationale (verbruiks)belasting. Deze belasting is niet op Europees niveau geharmoniseerd zoals de accijns en btw. Buiten de accijns en btw kunnen EU-lidstaten andere indirecte belastingen heffen. De keuze om dergelijke nationale belastingen wel of niet te hanteren, betreft een nationale aangelegenheid waarbij EU-lidstaten verschillende keuzes kunnen maken. Zo heeft Nederland een verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, maar Duitsland niet. Duitsland heeft bijvoorbeeld wel een belasting op koffie, die Nederland niet heeft.
In het genoemde voorbeeld overweegt XXL Nutrition een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de daar ervaren grotere ondernemingsvrijheid; hoe gaat u zorgen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat in Nederland, zodat bedrijven als XXL Nutrition niet vertrekken of juist terugkeren?
Zie antwoord 2
U heeft op 15 december 2025 aangekondigd om vóór de zomer van 2026, 500 regels te willen schrappen die het ondernemen bemoeilijken; valt de suikertaks hier ook onder?2
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken maakt geen deel uit van de eerste 218 regels die ik voor de kerst naar uw Kamer heb gestuurd. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken ligt primair op het terrein het Ministerie van Financiën.
Volgens het item van Nieuws van de Dag zijn tot op heden slechts zeven van de beoogde 500 regels aangepast; hoe verklaart u deze beperkte voortgang?
Dat tot op heden niet alle beoogde 500 regels zijn aangepast, komt doordat de met deze aanpassingen samenhangende wetstrajecten de nodige zorgvuldigheid vereisen en daarmee tijd vergen. Voor 27 van deze regels is de voortgang van regeldrukvermindering wel al beschreven, en de teller laat daarnaast zien dat 191 regels door het kabinet in behandeling zijn genomen om de daarmee samenhangende regeldruk te verminderen. Hiermee is sprake van duidelijke voortgang binnen de nieuwe 500-regel aanpak.12
Hoe bent u concreet van plan om uw doelstelling – het schrappen van 500 regels vóór de zomer van 2026 – alsnog te realiseren?
Doordat het hele kabinet zich heeft gecommitteerd aan de target van 500 regels, hebben we na een paar maanden al de eerste 218 bestaande regels kunnen identificeren waar we regeldruk gaan verminderen. De komende maanden zal het hele kabinet hard blijven doorwerken aan het schrappen en administratief luwer maken van de regels die reeds in kaart zijn gebracht, en het in kaart brengen van meer regels om het target van 500 regels voor de zomer te halen.
Op welke wijze kan deze fractie u ondersteunen bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen, zodat ondernemen in Nederland weer aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven behouden blijven voor Nederland?
Het verminderen en voorkomen van regeldruk is een opgave voor het hele kabinet. Veel regels waar ondernemers last van hebben, liggen op het terrein van mijn collega’s in het kabinet. Kamerleden kunnen in alle commissies van uw Kamer aandacht blijven geven aan dit thema. Hiermee ondersteunt de Kamer het kabinet bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen.
Het vaststellen van de leeftijd van asielzoekers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Zo bepaalt Nederland de leeftijd van asielzoekers» in NRC?1
Kunt u bevestigen dat de zogeheten «schouw» waarbij ambtenaren op basis van uiterlijke kenmerken zoals baardgroei, adamsappel en zithouding de leeftijd van asielzoekers trachten vast te stellen, in de praktijk leidt tot tegenstrijdige conclusies over dezelfde persoon?
Hoeveel van de circa vierduizend alleenstaande minderjarige vreemdelingen die zich jaarlijks melden, beschikken over geen enkel identiteitsdocument en in hoeveel gevallen wordt de opgegeven leeftijd simpelweg overgenomen zonder enige objectieve verificatie?
Kunt u uiteenzetten waarom het röntgenonderzoek van het NFI (Nederlands Forensisch Instituut) – de enige beschikbare methode met enige medisch-wetenschappelijke grondslag – slechts in een fractie van de gevallen wordt ingezet (142 keer in 2023, 157 in 2024, 42 in 2025), terwijl er jaarlijks duizenden ongedocumenteerde asielzoekers binnenkomen die beweren minderjarig te zijn?
Deelt u de mening dat het argument van «stralingsbelasting» als reden om röntgenonderzoek te beperken niet in verhouding staat tot de enorme financiële en maatschappelijke consequenties van het ten onrechte toekennen van een minderjarigenstatus, waaronder het recht op gezinshereniging en bescherming tegen uitzetting?
Welke consequenties verbindt u aan het feit dat asielzoekers zich in Italië en Griekenland bewust als meerderjarig laten registreren om sneller te kunnen doorreizen naar Noord-Europa, om zich vervolgens in Nederland als minderjarig te presenteren?
Bent u bereid röntgenonderzoek of een andere objectieve, medische leeftijdsbepaling verplicht te stellen voor iedere asielzoeker die zich zonder identiteitsdocumenten als minderjarige meldt?
Indien het antwoord op vraag zeven ontkennend luidt, waarom niet?
Kunt u aangeven hoeveel de Nederlandse staat de afgelopen drie jaar heeft uitgegeven aan opvang, voogdij, rechtsbijstand en procedures voor personen die zich als alleenstaande minderjarige vreemdeling hebben aangemeld maar achteraf meerderjarig bleken te zijn?
Indien de kosten volgens vraag negen niet worden bijgehouden, bent u bereid dit voortaan te registreren?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt u de mening dat het huidige systeem van leeftijdsbepaling een perverse prikkel vormt voor asielzoekers om over hun leeftijd te liegen en dat Nederland hierdoor fungeert als trekpleister voor oneigenlijk gebruik van de minderjarigenregeling?
Indien het antwoord op vraag 12 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid de gehele systematiek van leeftijdsbepaling fundamenteel te herzien en daarbij het uitgangspunt te hanteren dat wie zijn identiteit en leeftijd niet kan aantonen, als meerderjarige wordt behandeld?
Indien het antwoord op vraag 13 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bekend met de documentaire van het YouTube-kanaal Dutch Travel Maniac, waarin anonieme beveiligers, (voormalige) bewoners en winkeliers uitgebreid verklaren over structurele misstanden op COA-locaties, waaronder het aanmeldcentrum Ter Apel en AZC Budel?
Kunt u bevestigen dat er op COA-locaties, zoals volgens de documentaire in Ter Apel en Budel het geval is, op structurele basis drugs worden verhandeld, waaronder cocaïne, speed en hasj?
Indien het antwoord op vraag twee bevestigend luidt, op welke locaties is dit het geval en welke maatregelen zijn er tot dusver genomen om dit te bestrijden?
Indien het antwoord op vraag twee ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Klopt het dat er bij het betreden van AZC-terreinen geen standaard fouillering of controle op contrabande plaatsvindt, met uitzondering van het gebouw van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)?
Indien het antwoord op vraag vijf bevestigend luidt, acht u dit verantwoord gegeven de aanhoudende signalen over wapenbezit en drugshandel op deze locaties en bent u bereid structurele toegangscontroles in te voeren?
Indien het antwoord op vraag vijf ontkennend luidt, hoe verklaart u de meerdere onafhankelijke getuigenissen hierover?
Hoe verklaart u dat bewoners van AZC’s wapens zoals machetes, keukenmessen en glasscherven in hun bezit kunnen hebben op het terrein?
Welke maatregelen worden getroffen om wapenbezit op COA-locaties te voorkomen en te bestrijden?
Is het u bekend dat beveiligers op COA-locaties verklaren dat er op wekelijkse basis massale vechtpartijen en steekincidenten plaatsvinden en dat er dagelijks kleinere opstootjes zijn?
Kunt u een overzicht geven van het aantal geregistreerde geweldsincidenten op COA-locaties over de afgelopen drie jaar, uitgesplitst naar type incident en locatie?
Klopt het dat beveiligers op COA-locaties structureel te maken hebben met fysiek geweld, waaronder bijten, bespugen en bedreigingen met wapens?
Wat doet u om de veiligheid van COA-medewerkers, daarmee dus ook de beveiligers, te waarborgen?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat het COA verantwoordelijkheid hiervoor afschuift naar de externe inhurende beveiligingsorganisatie?
Herkent u het beeld dat beveiligers vrezen voor hun baan indien zij misstanden naar buiten brengen?
Indien het antwoord op vraag 15 ontkennend luidt, waarom geven anonieme beveiligers dit dan aan?
Bent u bereid een klokkenluidersregeling specifiek voor personeel op COA-locaties in te richten of te versterken, zodat misstanden veilig kunnen worden gemeld?
Hoe reflecteert u op de stelling dat asielzoekers die daadwerkelijk uit oorlogsgebieden zijn gevlucht, verklaren zich structureel onveilig te voelen op COA-locaties en dat sommigen meubels tegen hun kamerdeur plaatsen om veilig te kunnen slapen?
Hoe reflecteert u op het feit dat vrouwen en gezinnen met kinderen in AZC’s aangeven zich niet vrij te kunnen bewegen vanwege intimidatie en seksuele intimidatie door medebewoners?
Kunt u bevestigen dat er gevallen bekend zijn waarin bewoners van AZC’s zich schuldig hebben gemaakt aan aanranding en dat de betreffende daders slechts een zogenaamde «time-out» kregen, bestaande uit een tijdelijke overplaatsing naar een soberere kamer, waarna zij terugkeerden naar dezelfde locatie?
Indien het antwoord op vraag twintig bevestigend luidt, acht u dit een passende sanctie bij zedendelicten?
Indien het antwoord op vraag twintig ontkennend luidt, waarom geven beveiligers en (oud)bewoners dit dan aan?
Klopt het dat de zogenaamde Vrijheidsbeperkende Locatie (VBL) op het terrein van Ter Apel zodanig is ingericht dat bewoners eenvoudig over het hek kunnen klimmen en zich weer vrij in het centrum van Ter Apel kunnen begeven?
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, welke maatregelen worden getroffen om dit te voorkomen?
Kunt u reflecteren op de verklaring van beveiligers dat naar schatting 80% van de incidenten niet wordt gerapporteerd of openbaar gemaakt?
Kunt u uitsluiten dat het COA tijdens inspectiedagen of bezoeken van Tweede Kamerleden bewust bewoners per touringcar laat wegrijden van locaties om de bezettingsgraad en de situatie gunstiger voor te stellen dan deze in werkelijkheid is?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, op basis waarvan kunt u dit uitsluiten?
Indien het antwoord op vraag 26 ontkennend luidt, bent u bereid hier onafhankelijk onderzoek naar te laten doen?
Klopt het dat bewoners die bij dergelijke verplaatsingen worden betrokken financiële compensaties ontvangen?
Indien het antwoord op vraag 26 bevestigend luidt, om welke bedragen gaat het en uit welke begrotingspost worden deze gefinancierd?
Bent u bereid structurele, onaangekondigde inspecties op COA-locaties in te voeren, zodat een realistisch beeld van de dagelijkse situatie kan worden verkregen?
Klopt het dat de eerste screening door de IND in sommige gevallen bestaat uit slechts een beperkt aantal ja/nee-vragen?
Indien het antwoord op vraag 32 bevestigend luidt, acht u dit toereikend om potentiële veiligheidsrisico’s te identificeren?
Wordt er bij de aanmelding in Ter Apel gebruikgemaakt van gezichtsherkenning of biometrische verificatie? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit in te voeren?
Wat is uw reactie op het signaal dat asielzoekers massaal paspoorten en identiteitsdocumenten weggooien of verscheuren voorafgaand aan hun aanmelding en dat er gehandeld wordt in valse paspoorten via mensensmokkelnetwerken?
Welke maatregelen worden getroffen om identiteitsfraude tegen te gaan?
Kunt u toelichten waarom de politie, zoals door meerdere bronnen uit de documentaire wordt gesteld, beperkt in staat is om op te treden tegen bewoners van AZC’s die zich schuldig maken aan strafbare feiten, omdat deze geen Nederlandse identiteit hebben?
Is het u bekend dat winkeliers in de omgeving van AZC’s te maken hebben met bedreigingen, bespuging, diefstal en seksuele intimidatie door bewoners?
Bent u bereid met de betrokken gemeenten in gesprek te gaan over aanvullende maatregelen ter bescherming van lokale ondernemers?
Hoe beoordeelt u het feit dat omwonenden van het AZC in Lochem een vergoeding van 1.000 euro van de overheid ontvangen om hun woningen beter te beveiligen? Wat zegt dit volgens u over de veiligheidssituatie rondom AZC’s?
Deelt u de mening dat het onverantwoord is om nieuwe AZC’s te openen zolang de veiligheid op bestaande locaties niet op orde is, zowel voor bewoners als voor omwonenden en personeel?
Indien het antwoord op vraag 41 ontkennend luidt, waarom niet?
Bent u bereid een onafhankelijk onderzoek te laten instellen naar de wijze waarop het COA omgaat met veiligheidsincidenten, de registratie daarvan en het functioneren van interne klachtenprocedures?
De besteding van gemeentelijke middelen aan iftarbijeenkomsten, gepresenteerd als 'ontmoetingen' en 'integratie' |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Pieter Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het bericht dat de grootste gemeenten in Nederland tienduizenden euro’s aan publieke middelen hebben besteed aan het organiseren of faciliteren van iftarbijeenkomsten, en dat deze uitgaven zijn verantwoord onder begrotingsposten als «ontmoetingen» en «integratie»?1
Onder welke begrotingsposten zijn deze uitgaven door de betreffende gemeenten precies verantwoord, en hoe waarborgt u dat het wegschrijven van uitgaven voor religieuze bijeenkomsten onder neutrale noemers als «ontmoeting», «verbinding» of «integratie» de democratische controle door de gemeenteraad niet bemoeilijkt?
Welke meetbare integratiedoelstellingen liggen ten grondslag aan de gemeentelijke financiering van iftarbijeenkomsten, en op basis van welke evaluaties of effectmetingen is vastgesteld dat deze bijeenkomsten aantoonbaar bijdragen aan taalverwerving, arbeidsparticipatie of maatschappelijke zelfredzaamheid?
In hoeverre kan worden uitgesloten dat bij de door gemeenten gefinancierde iftars organisaties betrokken zijn die geheel of gedeeltelijk worden gefinancierd vanuit het buitenland, bijvoorbeeld door Turkije (Diyanet/ISN), Saoedi-Arabië, Qatar of andere staten, en welk toezicht bestaat hierop?
Hoe verhoudt de structurele financiering van iftarbijeenkomsten door gemeenten zich tot het grondwettelijke beginsel van scheiding van kerk en staat, mede in het licht van de uitspraak van uw voorganger bij de beantwoording van eerdere Kamervragen dat de overheid «geen geloof of wijze van geloofsbelijdenis mag voortrekken»?2
In welke omvang en frequentie financieren dezelfde gemeenten bijeenkomsten die verbonden zijn aan andere religieuze tradities, zoals het christendom, het jodendom of het hindoeïsme, en hoe verklaart u een eventueel verschil met de financiering van islamitische bijeenkomsten?
Hoe beoordeelt u het feit dat iftarbijeenkomsten naar hun aard religieuze handelingen omvatten – zoals gebeden en Koranrecitatie – terwijl gemeenten dergelijke bijeenkomsten presenteren en financieren als neutrale «ontmoetingen»?
Op welke wijze draagt het faciliteren van religieus-culturele bijeenkomsten die primair gericht zijn op de eigen gemeenschap bij aan werkelijke integratie – het leren van de Nederlandse taal, het verwerven van economische zelfstandigheid en het internaliseren van democratische waarden – en hoe weegt u dit af tegen het risico dat dergelijke financiering juist gescheiden religieuze gemeenschappen bevestigt en institutionaliseert?
Hoe verhoudt de gemeentelijke financiering van religieuze maaltijden zich tot het kabinetsbeleid dat inzet op assimilatie – het overnemen van de Nederlandse taal, normen, waarden en gebruiken – in plaats van het accommoderen van religieuze en culturele praktijken uit het land van herkomst?
Hoe beoordeelt u het risico dat door de overheid gefinancierde iftars bijdragen aan het ontstaan van parallelgemeenschappen, waarin de band met het land van herkomst en de eigen religieuze gemeenschap wordt versterkt ten koste van deelname aan de bredere Nederlandse samenleving?
Hoe weegt u de zorg van een substantieel deel van de Nederlandse bevolking dat de toenemende institutionalisering van islamitische rituelen in het publieke domein – inclusief door de overheid gefinancierde iftars op ministeries, bij de Nationale Politie en in publieke gebouwen – bijdraagt aan een ervaring van culturele verdringing?
Op welke wijze geeft het structureel financieren van iftars door overheden – terwijl vergelijkbare faciliteiten voor andere levensbeschouwelijke tradities achterwege blijven – een signaal van ongelijkheid af, en hoe beoordeelt u de gevolgen hiervan voor het maatschappelijke draagvlak voor integratie?
De VN-resolutie inzake de trans-Atlantische slavenhandel. |
|
Ralf Dekker (FVD), Tom Russcher (FVD) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Bent u bekend met de VN-resolutie die de trans-Atlantische slavenhandel bestempelt als «de ernstigste misdaad tegen de menselijkheid» ooit?
Kunt u toelichten waarom Nederland zich heeft onthouden van stemming in plaats van tegen te stemmen?
Deelt u de opvatting dat het creëren van een hiërarchie van historische wreedheden onwenselijk is? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegengestemd?
Deelt u de mening dat talloze andere gruweldaden door deze resolutie impliciet worden gebagatelliseerd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom heeft Nederland niet tegen gestemd?
Hoe gaat u garanderen dat deze resolutie op geen enkele wijze zal leiden tot financiële verplichtingen voor Nederland?
Erkent u dat het internationaal recht ten tijde van de slavenhandel slavernij niet verbood, en dat terugwerkende toepassing van hedendaagse normen juridisch onhoudbaar is? Zo nee, waarom niet?
Deelt u het standpunt dat er geen recht op herstelbetalingen bestaat voor handelingen die destijds niet illegaal waren onder het internationaal recht? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u de oproep in de resolutie om in gesprek te gaan over herstelbetalingen aan nazaten van slaven?
Kunt u uitsluiten dat Nederland onder druk van deze resolutie in de toekomst zal overgaan tot herstelbetalingen, in welke vorm dan ook?
Bent u bereid de eerder gemaakte excuses voor het slavernijverleden te heroverwegen, nu blijkt dat deze worden gebruikt als hefboom voor financiële claims? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het aanbieden van excuses door premier Rutte in 2022 en Koning Willem-Alexander in 2023 een strategische fout is gebleken, aangezien dit de deur heeft geopend voor verdergaande eisen?
Bent u van mening dat de moderne Nederlander schuld draagt voor handelingen die eeuwen geleden plaatsvonden?
Bent u bekend met het historische fenomeen van blanke slavernij in Arabische en Noord-Afrikaanse landen, waaronder de zogenaamde Barbarijse slavenhandel waarbij naar schatting meer dan een miljoen Europeanen werden geroofd en tot slaaf gemaakt, en deelt u de mening dat het eenzijdig aanwijzen van Europese landen als daders van slavernij een onvolledig en misleidend beeld schetst van de geschiedenis?
Acht u het rechtvaardig dat huidige generaties Nederlandse belastingbetalers financieel aansprakelijk worden gesteld voor historische gebeurtenissen waaraan zij geen deel hadden?
Waarom richt deze resolutie zich uitsluitend op de trans-Atlantische slavenhandel en niet op de Arabische slavenhandel, die langer duurde en naar schatting evenveel of meer slachtoffers maakte?
Heeft Nederland bij de beraadslagingen in de Algemene Vergadering aandacht gevraagd voor slavernij die tot op de dag van vandaag voortbestaat in delen van Afrika en het Midden-Oosten?
Deelt u de mening dat het hypocriet is dat landen waar moderne slavernij nog steeds voorkomt, mede-indieners zijn van een resolutie over historische slavernij, vooral gezien in die tijd deze landen actief hun eigen medemensen verkochten aan mensen van over de hele wereld?
Hoe verhoudt deze resolutie zich tot het feit dat Nederland als een van de eerste landen slavernij heeft afgeschaft?
Acht u het gepast om ontwikkelingshulp te blijven verstrekken aan landen die tegelijkertijd herstelbetalingen van Nederland eisen?
Kunt u bevestigen dat slavernij een wereldwijd fenomeen was dat in vrijwel alle beschavingen heeft bestaan, en dat het selectief aanwijzen van West-Europese landen een vertekend historisch beeld geeft?
Deelt u de mening dat het Nederlandse volk niet gebaat is bij een voortdurende schuldcultuur over historische gebeurtenissen?
De uitspraken van minister Boekholt-O’Sullivan in The Guardian inzake het aanpassen van het energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan |
|
|
|
|
Bent u bekend met uw eigen uitspraken in The Guardian van 23 maart 2026, waarin u het dagelijks energie- en ruimtegebruik van Nederlandse burgers ter discussie stelt en vergelijkingen trekt met rantsoenering tijdens militaire missies in Afghanistan?1
Ja.
U verklaarde dat u in Afghanistan «een muntje kreeg voor de douche en een muntje om naar huis te bellen» en voegde toe dat burgers «afspraken moeten maken, want het aanbod is niet oneindig.» – welk concreet beleid vloeit uit deze uitspraak voort, en welke vormen van rantsoenering, tokensystemen, quota of verbruiksplafonds voor energie, water of andere nutsvoorzieningen worden door het kabinet overwogen of voorbereid?
Zoals ik in mijn brief van 26 maart aan de Kamer heb laten weten, had ik mijn woorden zorgvuldiger moeten kiezen en dit voorbeeld niet moeten gebruiken. Er vloeit geen beleid voort uit deze voorbeelden.
Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse burger zijn gedrag zou moeten aanpassen – zoals de wasmachine ’s nachts aanzetten – terwijl het overbelaste elektriciteitsnet het gevolg is van geforceerde elektrificatie zonder adequate uitbreiding van de infrastructuur?
De oproep om stroom waar mogelijk buiten piekuren te gebruiken, is geen afwenteling op huishoudens maar een praktische maatregel om het elektriciteitsnet doelmatiger te benutten. Dit sluit aan bij de rijkscampagne Zet ook de knop om. De netbeheerders werken hard aan uitbreiding van de infrastructuur; het kabinet ondersteunt dit met een Versnellingsaanpak om de doorlooptijden van realisatie te verkorten. Daarnaast werken het kabinet en betrokken partijen aan maatregelen om het bestaande net efficiënter te benutten. Zie daartoe ook bijvoorbeeld de brief van de (vorige) Minister van KGG van 4 februari 2026 over het aansluitoffensief netcongestie.
Bestaan er binnen uw ministerie of de regering ambtelijke verkenningen, notities of scenariostudies over het beperken, reguleren of rantsoeneren van huishoudelijk energieverbruik, en bent u bereid deze naar de Kamer te sturen?
Voor zover binnen de overheid stukken zijn over netcongestie, flexibiliteit of vraagsturing, hebben die betrekking op beter gebruik van schaarse capaciteit, door bijvoorbeeld gebruik buiten de piekuren te stimuleren, en niet op het beperken van huishoudelijke vrijheden via rantsoenering.
Welke tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens worden door het kabinet overwogen, op welke wettelijke grondslag, en hoe zou de handhaving en controle daarvan eruitzien?
In het kabinetsbeleid voor spreiding van elektriciteitsverbruik door huishoudens is vrijwilligheid het uitgangspunt. Het kabinet overweegt geen tijdsafhankelijke energiebeperkingen, dynamische afschakelmechanismen of op afstand bestuurbare apparatuur voor huishoudens op grond van een publiekrechtelijk dwingend regime. Wel wordt toegewerkt naar de invoering van tijdafhankelijke nettarieven voor kleinverbruikers om dit te stimuleren, waarbij gebruikers worden ontzorgd door slimme apps voor energiemanagement om net-intensieve apparaten, zoals warmtepompen en thuislaadpalen, automatisch optimaal in te zetten2.
Op basis van welke norm of maatstaf concludeert u dat de gemiddelde Nederlander te veel ruimte, energie of water verbruikt, en welke maatregelen – zoals woningdelingsregelingen, verplichte kamerverhuur of andere vormen van woonruimteverdeling – overweegt de regering om het aantal kamers per persoon terug te dringen van 2,1 naar het Europees gemiddelde van 1,7?
Ik hanteer geen norm waaruit zou volgen dat de gemiddelde Nederlander «te veel» ruimte, energie of water gebruikt. Het kabinet bereidt geen maatregelen voor zoals verplichte woningdeling, verplichte kamerverhuur of een norm voor het aantal kamers per persoon. Zoals ik in mijn brief van 26 maart jongstleden heb aangegeven had ik mijn woorden in het interview zorgvuldiger moeten kiezen.
Deelt u de mening dat het tekort aan netcapaciteit niet was ontstaan als Nederland zijn eigen aardgasvoorraad niet vroegtijdig had afgebouwd, en wat zijn de totale kosten geweest van het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen, inclusief de import van buitenlands gas en het ontmantelen en overdragen aan Oekraïne van ons gaspompsysteem?
Die mening deel ik niet. Netcongestie is een probleem van elektriciteitsinfrastructuur en piekbelasting en dat staat los van de vraag of aardgasproductie uit Groningen langer had moeten doorgaan. Na de aardbevingen van 2018 in Zeerijp besloot het kabinet om de gaswinning uit het Groningenveld zo snel mogelijk volledig te beëindigen. Op 19 april 2024 is met brede parlementaire steun gaswinning uit het Groningenveld definitief wettelijk beëindigd. Daarbij zijn alle overwegingen en perspectieven inclusief geopolitieke factoren en leveringszekerheid uitgebreid en zorgvuldig gewogen. Het belang van energiezekerheid spreekt voor zich. Het kabinet zit daar bovenop.
In hoeverre is het woningtekort direct te herleiden tot massale immigratie, gezien het feit dat de Nederlandse bevolking enkel nog kunstmatig groeit door migratie, en waarom kiest de regering voor grootschalige bijbouw in plaats van het aanpakken van deze oorzaak?
Het beleid van het kabinet is zowel gericht op het toevoegen van woningen om het woontekort aan te pakken als ook op minder instroom.
In de «Primos-prognose 2025, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte» laat ABF Research zien hoe de door ABF verwachte woningbouw in de komende 15 jaar opgedeeld kan worden. Met 45% van de woningbouw wordt de groei van de bevolking opgevangen. Met 25% wordt voorzien in extra vraag naar woningen doordat huishoudens kleiner worden (minder mensen per woning). Met 14% wordt de geraamde sloop van woningen gecompenseerd. Met de resterende 16% wordt het woningtekort teruggedrongen. Voor de bevolkingsgroei geldt vervolgens dat deze voor 95% ontstaat door migratie. De basis achter deze prognose van ABF zijn de CBS-bevolkingsprognoses.
Hoe verhoudt uw oproep tot «eenvoudiger leven» zich tot het feit dat de Nederlandse burger al tot de hoogst belaste ter wereld behoort, en erkent u dat de werkende middenklasse onevenredig hard wordt geraakt door de gecombineerde lasten van de woningcrisis, het klimaatbeleid en de kosten van immigratie?
Ik onderken dat veel huishoudens druk ervaren door woonlasten, energiekosten en bredere kosten van levensonderhoud. Het kabinet zet zich in om die druk te verminderen, onder meer door maatregelen gericht op het verlagen van woonlasten, het verbeteren van betaalbaarheid en het versterken van de koopkracht van huishoudens.
Welke klimaat- en stikstofregelgeving die woningbouw belemmert is het kabinet bereid op te schorten totdat het woningtekort is opgelost, en indien geen enkele: waarom weegt deze regelgeving zwaarder dan adequate huisvesting?
Het kabinet is niet voornemens klimaat- of stikstofregelgeving generiek op te schorten. De inzet is om woningbouw sneller mogelijk te maken binnen de geldende wettelijke kaders, onder meer via vereenvoudiging van procedures, financiële stimulansen en maatregelen om knelpunten zoals stikstof en netcongestie te verminderen. Natuur- en klimaatmaatregelen zijn juist noodzakelijk met het oog op een gezonde en duurzame leefomgeving. Adequate huisvesting en de bescherming van natuur, klimaat en leefomgeving zijn publieke belangen die in samenhang moeten worden gediend.
Het kabinetvoornemen om het maximumdagloon te verlagen en de gevolgen daarvan voor vrouwen, gezinnen en het geboortecijfer |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Het geboortecijfer in Nederland staat op een historisch dieptepunt van 1,4 kinderen per vrouw; deelt u de mening dat dit kabinet met het voornemen tot de zogeheten bevalboete precies de verkeerde kant op beweegt?
Ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechterd. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners. Ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag, met een voorstel te komen richting de Kamer.
Als dit voornemen doorgaat, worden jaarlijks minimaal 25.000 zwangere vrouwen geraakt door de verlaging van het maximumdagloon met 20 procent; hoe rechtvaardigt u dit tegenover al die gezinnen?
Zie antwoord vraag 1.
Waarom kiest het kabinet ervoor om de werkende middenklasse te straffen op het moment dat zij een gezin stichten?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid dit voornemen tot verlaging van het maximumdagloon voor zwangerschapsverlof volledig van tafel te halen voordat het een wetsvoorstel wordt?
Zie antwoord vraag 1.
Bent u bereid te onderzoeken hoe zwangere vrouwen en jonge gezinnen in plaats daarvan financieel beloond kunnen worden, bijvoorbeeld via een geboortepremie of hogere uitkering tijdens het verlof?
Het krijgen van kinderen is een vrije keuze. Op het moment dat mensen ervoor kiezen om een kind te krijgen, is het van belang dat de randvoorwaarden op orde zijn. Dit is in lijn met het rapport van de Staatscommissie Demografie dat vaststelt dat overheidsbeleid dat zich direct richt op het verhogen van het kindertal vaak geen of slechts zeer tijdelijk effect heeft, maar de overheid wel een rol heeft om de randvoorwaarden op orde te brengen.1 Zo zetten we als kabinet in op betaalbare en passende huisvesting, goed onderwijs en een werkende arbeidsmarkt. Daarnaast ondersteunen we (aanstaande) gezinnen onder andere met de volgende maatregelen:
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om het geboortecijfer van 1,4 te verhogen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bekend met de berichtgeving van GeenStijl waaruit blijkt dat de Turkse diplomaat Ömer Özgül een centrale rol speelt binnen de Islamitische Stichting Nederland (ISN), terwijl ISN stelt een zelfstandige en onafhankelijke organisatie te zijn?
Kunt u bevestigen dat de heer Özgül, als officieel religieus attaché van de Turkse ambassade, regelmatig aanwezig is in het pand van ISN en ook meereist met ISN-delegaties naar het buitenland, waaronder naar Ankara?
Hoe verhoudt de aanwezigheid van een Turkse diplomaat als feitelijk leidinggevende binnen ISN zich tot de belofte die ISN in 2020 aan de Kamer deed om de Turkse diplomatieke invloed uit de organisatie te weren?
Waarom heeft het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid via het Kennisplatform Inclusief Samenleven samengewerkt met en subsidie verstrekt aan een stichting die zo nauw verbonden blijkt te zijn met de Turkse staat?
Bent u het eens dat financiering van onderzoek door een stichting die onder invloed staat van een buitenlandse mogendheid de objectiviteit en betrouwbaarheid van dat onderzoek ernstig ondermijnt?
Welke due diligence heeft u uitgevoerd alvorens samen te werken met ISN, en waarom is de bekende voorgeschiedenis van Turkse inmenging daarin niet meegewogen?
Bent u bereid alle subsidierelaties met ISN en de ISN Academie per direct op te schorten totdat volledige helderheid bestaat over de mate van Turkse staatsinvloed binnen deze organisatie?
Bent u bereid de AIVD (Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst) te vragen een actueel dreigingsbeeld op te stellen over de rol van de Turkse Diyanet en daaraan gelieerde organisaties in Nederland, en de Kamer daarover te informeren?
Bent u bereid de diplomatieke status van de heer Özgül opnieuw te beoordelen in het licht van zijn activiteiten buiten de ambassade, en zo nodig stappen te ondernemen richting de Turkse ambassade?
De raming van tienduizenden extra asielopvangoplekken. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Bart van den Brink (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat er bijna 38.000 extra opvangplekken voor asielzoekers gerealiseerd moeten worden vóór halverwege 2027?1
Hoe verhoudt deze enorme uitbreiding van asielopvang zich tot de belofte van het nieuwe kabinet om de asielinstroom te beperken?
Waarom worden gemeenten gedwongen opvangplekken te realiseren, terwijl veel gemeenten al kampen met een groot tekort aan woningen voor de eigen inwoners?
Bent u bereid de spreidingswet in te trekken, nu blijkt dat deze wet leidt tot een verdere toename van de druk op gemeenten en de samenleving?
Deelt u de mening dat Nederland de grenzen moet sluiten zolang er geen oplossing is voor de huidige opvangcrisis?
Hoe verklaart u dat zijn voorganger weigerde deze ramingen te publiceren?
Hoeveel van de huidige 77.500 opvangplekken worden bezet door mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat de mensen waarvan de asielaanvraag is afgewezen zo snel mogelijk uit Nederland worden gezet?
Bent u het eens met de stelling dat de spreidingswet een ondemocratisch instrument is dat gemeenten en haar inwoners verplicht tot iets waar zij niet om hebben gevraagd?
Bent u het eens met de stelling dat Nederland haar eigen burgers – met name daklozen, mensen op de wachtlijst voor sociale huurwoningen, spoedgevallen door scheiding, maar ook starters – voorrang moet geven boven asielzoekers?
Bent u bereid het Nederlandse asielbeleid volledig te herzien en in lijn te brengen met de wens van de meerderheid van de Nederlandse bevolking, die volgens meerdere peilingen een strenger asielbeleid wenst?
(duurzaamheids) eisen aan de woningbouw. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Mona Keijzer |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van ABN AMRO genaamd «Housing market monitor – Energy transition» uit augustus 2025 waarin onder andere wordt gesteld dat de Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG)-eisen leiden tot hogere bouwkosten en daarmee tot hogere huizenprijzen?1
Ja.
Kan u aangeven in hoeverre dit soort duurzaamheidseisen de bouwkosten per woning verhogen?
Bij de implementatie van de BENG-eisen zijn destijds de financiële gevolgen in kaart gebracht. Kortheidshalve verwijs ik naar het rapport waarin dit is onderbouwd. https://www.internetconsultatie.nl/wijziging_bouwbesluit_2012_ivm_beng_2020/document/4333
In hoeverre is er bij de invoering van BENG en aanverwante eisen rekening gehouden met de effecten op de bouwkosten en huizenprijzen?
Bij alle extra eisen in de bouwregelgeving wordt het effect op de bouwkosten meegewogen. Het is evident dat de BENG-eisen leid(d)en tot hogere bouwkosten dan de nul-optie, waarin de energiezuinigheid niet wordt verhoogd. Maar tegelijkertijd wordt de gebruiker van een gebouw gecompenseerd door een structureel lagere energierekening: de investeringen worden bij normaal gebruik terugverdiend binnen de daarvoor gestelde termijn. En met de onzekere energieprijzen op de wereldmarkt en leveringszekerheid is energiebesparing nodig. Daardoor sloeg en slaat de weging positief uit.
De bouwkosten en huizenprijzen worden naast extra duurzaamheidseisen natuurlijk ook bepaald door andere economische variabelen, zoals renteontwikkeling, inflatie, lonen, vraag naar woningen, wereldmarktprijzen voor bouwmaterialen en lokale grondprijzen. Deze kennen gezamenlijk een groter effect.
Deelt u de mening dat hogere bouwkosten als gevolg van duurzaamheidseisen vooral terechtkomen bij kopers en huurders?
De hogere kosten bij nieuwbouw moeten afgewogen worden tegen de lagere kosten door minder energiegebruik tijdens het gebruik van een woning. Bij de implementatie van energetische verduurzamingseisen wordt gewerkt met kostenoptimalisatiestudies2 om de technische haalbaarheid vast te stellen en de kosten in lijn te brengen met de energiebesparing. Op deze manier blijven de kosten van verduurzaming economisch verantwoord. Deze bepaling van kostenoptimaliteit is een regulier onderdeel bij de implementatie van de Europese richtlijn energieprestatie gebouwen, waar de BENG-eisen uit voortvloeien.
Indien uw antwoord op vraag 4 erkennend luidt, acht u dit dan wenselijk in de huidige woningmarkt?
Zie antwoord vraag 4.
Kan u aangeven hoeveel projecten sinds 2021 alleen nog rendabel zijn door subsidies of aanvullende overheidsbijdragen, juist vanwege aangescherpte duurzaamheidseisen?
In algemene zin worden vanuit het Rijk geen subsidie of aanvullende overheidsbijdragen in nieuwbouwprojecten verstrekt voor de zaken, die verplicht zijn in de bouwregelgeving op het terrein van duurzaamheid. De nieuwbouweisen op het terrein van energiezuinigheid (BENG) zijn daarnaast kostenoptimaal.
Acht u het wenselijk dat woningbouw steeds afhankelijker wordt van subsidies om aan wettelijke eisen te kunnen voldoen?
Zie vraag 6.
Kan u aangeven in hoeverre strengere duurzaamheidsregels hebben geleid tot vertraging/uitstel of afstel van woningbouwprojecten?
Mij is niet bekend dat woningbouwprojecten vertraagd of uitgesteld zijn vanwege duurzaamheidseisen aan de woningbouw. In mijn antwoord op vraag 3 heb ik al aangegeven dat naast bouwkostenstijging ook andere economische variabelen effecten hebben op de doorlooptijd van het ontwikkel- en bouwproces. Daarnaast bepaalt in de praktijk het vergunningsverleningsproces de doorlooptijd.
Kan u inzicht geven in de extra doorlooptijd van vergunningstrajecten als gevolg van aanvullende duurzaamheidsberekeningen en rapportageverplichtingen?
Een initiatiefnemer toont het voldoen aan duurzaamheidseisen bij vergunningstrajecten aan met een energieprestatieberekening en een milieuprestatieberekening. Deze berekeningen zijn zo ingericht dat deze tijdens het ontwerp en vergunningproces uitgevoerd kunnen worden met de dan beschikbare gegevens van het gebouw. Er is daardoor geen of een minimale extra doorlooptijd. Ook de beoordeling van deze eisen is volledig geïntegreerd in het vergunningsproces en leidt niet tot extra doorlooptijd.
Kan u aangeven in hoeverre de duurzaamheidseisen bijdragen aan het verschuiven van woningbouw naar hogere prijssegmenten, ten koste van betaalbare woningen?
De duurzaamheidseisen zijn geformuleerd in termen van prestatie-eisen aan een bouwwerk. Deze prestatie-eisen zijn voor het betaalbare segment gelijk aan die voor het duurdere segment. Duurzaamheidseisen leiden tot extra bouwkosten voor gebouwen, maar in vergelijkbare mate voor betaalbare woningen en hogere prijssegmenten. Ook zijn de duurzaamheidseisen erop afgestemd dat deze door de bewoner terugverdiend worden.
Hoe verhoudt de verplichting tot bijna energieneutrale en straks emissievrije nieuwbouw zich volgens u tot de urgente woningnood, en acht u het wenselijk dat klimaatdoelstellingen voor nieuwbouw zwaarder wegen dan het realiseren van voldoende en betaalbare woningen?
Het realiseren van voldoende en betaalbare woningen is een prioriteit in mijn beleid. Daarnaast is ook het behalen van klimaatneutrale nieuwbouw, vanaf 2030, van groot belang. Een betaalbare energierekening en nationale energiezekerheid, vanwege de geopolitieke situatie, spelen daarbij een even grote rol. Bij het vaststellen van eisen houd ik er rekening mee dat zowel voldoende betaalbare woningen als een klimaatneutrale gebouwvoorraad naast elkaar haalbaar moeten zijn.
Kan u concreet aangeven hoeveel extra woningen er jaarlijks sinds 2021 gebouwd hadden kunnen worden als deze eisen er niet of minder streng waren?
Nee, zie ook het antwoord op vraag 8.
Bent u het eens dat vooral kleinere ontwikkelaars onevenredig hard worden geraakt door dit soort duurzaamheidseisen?
Regelgeving verandert regelmatig en alle ontwikkelaars moeten zich verdiepen in de eisen die gesteld worden. Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de BENG-eisen in 2018 heeft intensief nader overleg met het MKB plaatsgevonden, om na te gaan of en zo ja welke specifieke aandachtspunten er voor de MKB’ers zijn.
Het gaat zowel om deelname van het MKB aan de klankbordgroep BENG en de begeleidingscommissie Kostenoptimaliteit-BENG, als om deelname aan de Juridisch Technische Commissie en het Overlegplatform Bouwregelgeving. Ook zijn de reacties in het kader van de internetconsultatie voor een groot deel afkomstig van het MKB. De inbreng van het MKB over de uitvoeringsmodaliteiten is meegewogen, juist om de uitvoerbaarheid te borgen.
Bent u bereid zich te verzetten tegen bestaande en nieuwe EU-wetgeving die het invoeren van duurzaamheidseisen verplicht stelt?
Ik beoordeel elk voorstel voor nieuwe wetgeving vanuit Europa op zijn merites en handel daarnaar. Natuurlijk ben ik extra gespitst op voorstellen, die de woningbouwopgave mogelijk belemmeren of vertragen. Daar wordt al jarenlang kritisch naar gekeken en dat zal ik ook blijven doen. Verder is ook in Europees verband opgeroepen om te komen tot het schrappen van tegenstrijdig en overbodige eisen in Europese regelgeving. Met de Europese Strategy for Housing Construction en het Affordable Housing Plan worden stappen in de goede richting gezet.
Indien het antwoord op vraag 14 erkennend luidt, op welke wijze wilt u zich dan verzetten?
Zie antwoord vraag 14.
Bent u bereid om dit soort duurzaamheidseisen af te schaffen of (tijdelijk) te versoepelen om de woningbouw te versnellen?
Voor de versnelling van de woningbouw ben ik nu bezig met de uitvoering van het programma STOER. Met de brief van mijn ambtsvoorganger d.d. 10 oktober 2025, over het advies van de commissie STOER, is uw Kamer hierover geïnformeerd.
Kan u toezeggen dat bij toekomstige aanscherpingen van duurzaamheidseisen expliciet wordt getoetst op de effecten voor bouwkosten en huizenprijzen?
Ja. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 4 en 5 is een kostenoptimaliteitsstudie een standaard onderdeel van het wetgevingsproces voor duurzaamheidseisen.
De invloed van de suikertaks op sportsupplementbedrijven zoals XXL Nutrition en de gevolgen voor het Nederlandse ondernemersklimaat. |
|
Tom Russcher (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het nieuwsitem van Nieuws van de Dag waarin wordt gesteld dat de suikertaks ertoe leidt dat het bedrijf XXL Nutrition overweegt om naar het buitenland te verhuizen vanwege de toenemende regeldruk?1
Ja. Voorafgaand aan de verdere beantwoording wil ik u meegeven dat ik vanwege de fiscale geheimhoudingsplicht2 en mogelijk lopende procedures niet op individuele gevallen kan ingaan.
Acht u het wenselijk dat steeds meer bedrijven overwegen om Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk?
Nee, ik acht het in beginsel niet wenselijk dat bedrijven overwegen Nederland te verlaten als gevolg van regelgeving en fiscale druk. Uit de meest recente Monitor Ondernemingsklimaat3 blijkt dat het aandeel bedrijven dat overweegt te vertrekken vergelijkbaar hoog is met voorgaande jaren. Wel laten de bevindingen zien dat de plannen van deze bedrijven om daadwerkelijk stappen te zetten concreter en serieuzer worden. Dat acht ik een zorgelijke ontwikkeling.
Het kabinet hecht groot belang aan een gunstig ondernemingsklimaat met optimale randvoorwaarden, want dat is cruciaal voor het succes en groei van bedrijven. Dat is niet alleen van belang voor de bedrijven, maar ook voor ons verdienvermogen. Het kabinet zet zich daarom in voor het verbeteren van belangrijke randvoorwaarden, zoals bijvoorbeeld vermindering regeldruk, beschikbaarheid van talent of netcongestie. Belangrijk daarbij is dat we met elkaar de urgentie van een sterk ondernemingsklimaat blijven onderkennen en de aanpak van al deze randvoorwaarden hoog op de politieke agenda houden.
In het geval van XXL Nutrition moet suikertaks worden betaald over eiwit- en maaltijdshakes, omdat deze door de overheid worden aangemerkt als «limonade»; bent u het ermee eens dat een eiwitshake – en ook een maaltijdshake – niet gelijk te stellen zijn aan limonade of frisdrank?
De in het bericht genoemde «suikertaks» betreft de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, opgenomen in de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Dit is een belasting op alcoholvrije dranken (in vaste of vloeibare vorm) met een vlak tarief van € 26,13 per hectoliter, ongeacht het suikergehalte van de drank. Op dit moment kennen wij in Nederland geen belasting of heffing op basis van het suikergehalte van een drank. Er is dan ook geen sprake van een «suikertaks».
Onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken worden kort gezegd gearomatiseerde alcoholvrije dranken belast die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken.4 Mineraalwater en zuivel- en sojadranken zijn van de verbruiksbelasting uitgezonderd.5 Ook alcoholvrije dranken in vaste vorm (bijvoorbeeld poeder) of als concentraat waarvan door aanlenging (bijvoorbeeld met water) alcoholvrije drank kan worden gemaakt, vallen onder de verbruiksbelasting. Eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden gedronken als gearomatiseerde alcoholvrije drank zoals hierboven bedoeld, zijn daarom met verbruiksbelasting belast. Dat over dit soort producten verbruiksbelasting is verschuldigd, is al het geval sinds de introductie van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken in 1993.6
In de wet wordt dit soort dranken inderdaad gedefinieerd als limonade. In het taalgebruik wordt onder het begrip limonade echter veelal verstaan «verkoelende drank van water, suiker en vruchtensap». In de praktijk zijn er daarom verschillende alcoholvrije dranken die niet bekendstaan als limonade, maar wel onder de definitie van limonade vallen zoals opgenomen in de WVAD. Dit geldt bijvoorbeeld voor alcoholvrij bier, havermelk en, afhankelijk van de samenstelling van de drank, mogelijk ook voor bepaalde maaltijdshakes. Het kabinet is zich bewust van het feit dat het voornoemde kan zorgen voor onduidelijkheden. Mede om die reden heeft het kabinet in het Belastingplan 2026 aangekondigd dat het begrip limonade per 2027 wordt vervangen door «overige alcoholvrije drank».7 Het gaat hierbij om een verduidelijkende, tekstuele aanpassing zonder inhoudelijke gevolgen. Dat gearomatiseerde eiwit- en maaltijdshakes die zijn bestemd om te worden geconsumeerd als alcoholvrije drank («kennelijk bestemd om onverwarmd te worden gedronken») worden belast met verbruiksbelasting, verandert hiermee niet. Dit beoogt het kabinet ook niet.
Indien het antwoord op vraag 3 ja luidt, acht u het dan niet rechtvaardiger om eiwit- en maaltijdshakes uit te zonderen van de suikertaks?
Volgens de definitie van de wet zijn eiwit- of maaltijdshakes die zijn bedoeld om gearomatiseerde alcoholvrije dranken te maken die zijn bestemd om onverwarmd te worden gedronken, belast met verbruiksbelasting. Zoals eerder opgemerkt is dit al sinds 1993 het geval.8 Dit is geen onbedoeld gevolg van de wet.
Op basis van welke juridische basis wordt een eiwitshake momenteel aangemerkt als «limonade» voor de toepassing van de suikertaks?
Zoals beschreven in de beantwoording van vraag 3 betreft dit artikel 9, eerste lid van de Wet verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken (WVAD). Ook in vaste vorm of als concentraat vallen deze dranken onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, zie hiervoor artikel 9, tweede lid, WVAD.
Acht u het wenselijk dat producten die primair bedoeld zijn voor sport en gezondheid onder dezelfde fiscale categorie vallen als frisdrank?
In zijn algemeenheid geldt het advies om water te drinken voor de vochtbehoefte tijdens en na het sporten. Wat betreft producten zoals eiwit- en maaltijdshakes geldt dat deze geen onderdeel uitmaken van de richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad. Er zijn dan ook geen gezondheidsargumenten om deze producten een uitzonderingspositie te geven.
Kunt u inzichtelijk maken of de invoering van de suikertaks daadwerkelijk het beoogde effect heeft gehad op het gezonder maken van de bevolking?
De huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken heeft een vlak tarief ongeacht het suikergehalte van de drank. De belasting heeft dus in zijn algemeenheid geen beoogd effect van het gezonder maken van de bevolking.
Wel wordt momenteel nagedacht over een mogelijke omzetting van de huidige verbruiksbelasting met één vlak tarief voor alle belaste alcoholvrije dranken naar een belasting op basis van het suikergehalte van de drank.9 De beoogde omzetting heeft wel een gezondheidsdoel, namelijk het verminderen van de suikerconsumptie via alcoholvrije dranken. Zoals toegezegd bij de behandeling van de het Pakket Belastingplan 2026 informeert het kabinet uw Kamer medio februari over de te maken keuzes met betrekking tot deze omzetting. De uiteindelijke keuze of wordt overgegaan tot de omzetting laat ik aan een nieuw kabinet of aan uw Kamer.
In hoeverre acht u deze interpretatie in lijn met het rechtszekerheidsbeginsel, gezien de onduidelijkheid voor ondernemers?
Vooropstaat dat de wet altijd leidend is. Die wet wordt geacht kenbaar te zijn voor belastingplichtigen. Wat betreft terminologie en de producten die onder de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken vallen, geldt dat de wet sinds 1993 zo goed als ongewijzigd is gebleven.10 Het kabinet acht dit dus ook niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
Kunt u aangeven welke extra administratieve lasten de suikertaks met zich meebrengt voor middelgrote en grote producenten van voedingssupplementen?
Op basis van de WVAD geldt dat voor de productie van verbruiksbelastinggoederen de ondernemer een vergunning «Inrichting voor verbruiksbelastinggoederen» (IVV) moet hebben aangevraagd bij de inspecteur. Als aan de voorwaarden wordt voldaan, geeft de inspecteur deze vergunning af. De vergunninghouder stelt zekerheid voor de belasting die verschuldigd is of kan worden (het belastingbelang). Voor goederen die zijn uitgezonderd van de verbruiksbelasting is een dergelijke vergunning wettelijk niet vereist.
Producenten van bijvoorbeeld voedingssupplementen die zijn belast met verbruiksbelasting dienen ook aangifte verbruiksbelasting te doen. Vergunninghouders IVV doen periodieke aangifte (maandaangifte).
Bent u het ermee eens dat de suikertaks in de praktijk vooral een middel is gebleken om meer belastinginkomsten te genereren, in plaats van een effectief instrument voor de volksgezondheid?
Zoals beschreven in het antwoord op vraag 7, kent de huidige verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken primair geen gezondheidsdoelstelling. Er is op dit moment geen sprake van een suikertaks maar van een gelijke belasting van alle belaste alcoholvrije dranken (€ 26,13 per hectoliter).
Hoe rijmt u de suikertaks met uw beleid om oneerlijke concurrentie voor Nederlandse bedrijven tegen te gaan, aangezien diverse andere landen geen suikertaks kennen?
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is een nationale (verbruiks)belasting. Deze belasting is niet op Europees niveau geharmoniseerd zoals de accijns en btw. Buiten de accijns en btw kunnen EU-lidstaten andere indirecte belastingen heffen. De keuze om dergelijke nationale belastingen wel of niet te hanteren, betreft een nationale aangelegenheid waarbij EU-lidstaten verschillende keuzes kunnen maken. Zo heeft Nederland een verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken, maar Duitsland niet. Duitsland heeft bijvoorbeeld wel een belasting op koffie, die Nederland niet heeft.
In het genoemde voorbeeld overweegt XXL Nutrition een verhuizing naar Duitsland, mede vanwege de daar ervaren grotere ondernemingsvrijheid; hoe gaat u zorgen voor een aantrekkelijker vestigingsklimaat in Nederland, zodat bedrijven als XXL Nutrition niet vertrekken of juist terugkeren?
Zie antwoord 2
U heeft op 15 december 2025 aangekondigd om vóór de zomer van 2026, 500 regels te willen schrappen die het ondernemen bemoeilijken; valt de suikertaks hier ook onder?2
De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken maakt geen deel uit van de eerste 218 regels die ik voor de kerst naar uw Kamer heb gestuurd. De verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken ligt primair op het terrein het Ministerie van Financiën.
Volgens het item van Nieuws van de Dag zijn tot op heden slechts zeven van de beoogde 500 regels aangepast; hoe verklaart u deze beperkte voortgang?
Dat tot op heden niet alle beoogde 500 regels zijn aangepast, komt doordat de met deze aanpassingen samenhangende wetstrajecten de nodige zorgvuldigheid vereisen en daarmee tijd vergen. Voor 27 van deze regels is de voortgang van regeldrukvermindering wel al beschreven, en de teller laat daarnaast zien dat 191 regels door het kabinet in behandeling zijn genomen om de daarmee samenhangende regeldruk te verminderen. Hiermee is sprake van duidelijke voortgang binnen de nieuwe 500-regel aanpak.12
Hoe bent u concreet van plan om uw doelstelling – het schrappen van 500 regels vóór de zomer van 2026 – alsnog te realiseren?
Doordat het hele kabinet zich heeft gecommitteerd aan de target van 500 regels, hebben we na een paar maanden al de eerste 218 bestaande regels kunnen identificeren waar we regeldruk gaan verminderen. De komende maanden zal het hele kabinet hard blijven doorwerken aan het schrappen en administratief luwer maken van de regels die reeds in kaart zijn gebracht, en het in kaart brengen van meer regels om het target van 500 regels voor de zomer te halen.
Op welke wijze kan deze fractie u ondersteunen bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen, zodat ondernemen in Nederland weer aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven behouden blijven voor Nederland?
Het verminderen en voorkomen van regeldruk is een opgave voor het hele kabinet. Veel regels waar ondernemers last van hebben, liggen op het terrein van mijn collega’s in het kabinet. Kamerleden kunnen in alle commissies van uw Kamer aandacht blijven geven aan dit thema. Hiermee ondersteunt de Kamer het kabinet bij het zo spoedig mogelijk behalen van deze doelstellingen.