Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Offlimits verricht zeer waardevol werk waaraan een sterke maatschappelijke behoefte is. Offlimits opereert in een speelveld waarin meerdere partijen deels vergelijkbare rollen vervullen. Zo onderzoekt de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) in hoeverre materiaal dat zij zelf vinden of bij hen gemeld wordt beoordeeld kan worden als terroristisch of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten dienen na een dergelijke classificatie dat materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Ook Offlimits helpt in het offline halen van beeldmateriaal van seksueel misbruik van minderjarigen of andere illegale content door meldingen daarvan ten doen aan platforms, mede geholpen door de status van Offlimits als trusted flagger. Met name voor deze functie van Offlimits is qua snelheid en schaalbaarheid momenteel geen goed alternatief beschikbaar. Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN), het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG) en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Net als bij Offlimits kan bij het CSG en Slachtofferhulp Nederland (online) hulp en advies worden ingewonnen over ervaringen met online seksueel geweld. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken CSG, SHN en Offlimits gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door.
De ATKM, het CSG, Offlimits, en SHN worden (mede) door mijn ministerie gefinancierd.
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
In het rapport «Regeren is vooruitzien» benoemt Offlimits dat zij een sterke toename in het aantal te verwerken URL’s ziet: in 2023 zijn 535.802 URL's verwerkt, in 2024 603.062 en in 2025 927.581.
Het aantal meldingen dat het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) heeft ontvangen is in 2024 gestegen naar 70.000. Het aantal meldingen dat TBKK in 2025 ontving is ten opzichte van 2024 enigszins gedaald naar 58.216 meldingen. De fluctuatie in het aantal meldingen die TBKK ontvangt kent verschillende oorzaken.
De meldingen die TBKK ontvangt betreffen platformmeldingen die via de Cybertipline van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) bij TBKK binnenkomen. Wijzigingen in wet- en regelgeving voor communicatie- en techplatforms in de Verenigde Staten hebben een groot effect op het aantal meldingen dat NCMEC ontvangt. Zo is in 2024 de meldingsplicht voor een aantal feiten aangescherpt, wat een sterke stijging van het aantal meldingen heeft veroorzaakt. Daarnaast wordt het aantal meldingen dat de politie ontvangt niet uitsluitend beïnvloed door wijzigingen in het juridische kader, maar ook in sterke mate door de keuzes die aanbieders van communicatiediensten maken ten aanzien van hun werkwijze en technische inrichting. Zo kunnen wijzigingen in de toepassing van end-to-end encryptie of in de wijze waarop platforms detectie uitvoeren een aanzienlijke invloed hebben op het aantal meldingen dat de politie ontvangt.
Bovendien neemt het aantal misbruikbeelden dat online wordt verspreid in het algemeen sterk toe, mede als gevolg van het grenzeloze karakter van het internet. Door technologische ontwikkelingen zijn daarnaast nieuwe vormen van online seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag ontstaan. Denk hierbij aan beeldmateriaal dat is gegenereerd met AI, zoals nudify-technologie en grooming van grote aantallen slachtoffers.
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
De snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal vind ik zeer zorgelijk. Daarom vind ik het terecht dat het zonder toestemming maken, bezitten en openbaar maken van AI-gegenereerde seksuele deepfakes in Nederland strafbaar is.2 Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van kinderen, dan is het kinderpornografie.3 Dus, het is strafbaar om zowel van volwassenen (zonder toestemming) als kinderen AI-gegenereerde naaktbeelden te maken. Ook in de Europese Unie AI-verordening is een verbod opgenomen op het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.4 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de AI-verordening. Dit is een bestuursrechtelijk verbod. Daarnaast blijf ik partijen zoals Offlimits subsidiëren, om de waardevolle bijdrage die zij aan een veilig internet leveren te ondersteunen.
Zoals ik u heb toegezegd tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart 2026 en in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven van 16 maart 2026 zal ik u in september van dit jaar een brief doen toekomen waarin de aanpak van seksuele deepfakes in meer detail wordt beschreven.
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Ik ben, voor zover publicaties daarover inzicht geven, bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal. Ik deel de zorg van het Fonds Slachtofferhulp dat AI-deepfakes deze omvang sneller dan ooit kunnen doen groeien.
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Het klopt dat mijn ministerie de subsidie aan Offlimits vermindert. Het door het kabinet-Schoof ingestelde, en door het huidige kabinet gehandhaafde besluit om te bezuinigen op de uitgaven van de Rijksoverheid raakt ook de subsidies die mijn ministerie verstrekt. De subsidie aan Offlimits is hier één van. Deze bezuiniging op subsidies geldt in principe voor alle organisaties die subsidie van mijn ministerie ontvangen, ongeacht de doelen van deze organisaties, en de aard en omvang van de problematiek die zij trachten tegen te gaan. De subsidie aan Offlimits vanuit mijn ministerie wordt oplopend5 tussen 2025 en 2029, waarna structureel, met 24% verminderd als gevolg van de taakstelling die het kabinet-Schoof heeft ingesteld. Dat komt neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000.
Tegelijkertijd heb ik deze bezuiniging voor Offlimits in 2025 en 2026 reeds volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Daarnaast wordt samen met Offlimits bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan, waaronder door een externe audit te laten uitvoeren.
Ik heb geen gedetailleerd inzicht in de aard en omvang van de subsidie vanuit de Europese Unie aan Offlimits. Ik beperk me derhalve tot het antwoorden op de vraag over de subsidie die vanuit mijn ministerie wordt verstrekt.
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Het project «harmful but lawful» content loopt tot 31 december 2026. Hiervoor is een incidentele subsidie van € 500.000 euro toegekend aan Offlimits door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het project «harmful but lawful» zal naar verwachting op verzoek van Offlimits (budgetneutraal) worden verlengd tot april 2027. Na afloop daarvan wordt het project geëvalueerd. Een opvolgende subsidietoekenning is op dit moment niet aan de orde, omdat het project nog loopt en nog niet geëvalueerd is. Het staat Offlimits vrij in 2027 na afloop van het project een nieuw subsidieverzoek in te dienen. Beoordeling daarvan verloopt via reguliere procedures waarbij ook wordt gekeken naar concrete activiteiten, resultaten en de verhouding tot bestaande initiatieven en andere aanvragen voor financiering.
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
De hoeveelheid meldingen en hulpvragen aan Offlimits groeit al enige jaren. Ik verwacht dat die groei doorzet. De voorgenomen bezuiniging op de subsidie aan Offlimits staat op gespannen voet met de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen aan Offlimits. Mede daarom heb ik in 2025 en 2026 de voorgenomen bezuiniging gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Zoals in antwoord op vraag 6 beschreven, komt de subsidietaakstelling neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000. De analyse dat deze bezuiniging consequenties heeft voor de capaciteit van Offlimits om de gestelde doelstellingen te realiseren, deel ik. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan. Daarbij kan onder meer ook aandacht worden gegeven aan de bedrijfsvoering. Ik merk hierbij op dat vanwege uitbreiding van het takenpakket van Offlimits de begroting zeer sterk is gegroeid.6 Dat heeft onmiskenbaar gevolgen voor de organisatie. Ik heb daarom afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. Daarbij kunnen ook leerpunten voor de bedrijfsvoering naar voren komen.
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Offlimits vervult een belangrijke functie binnen het «ecosysteem» van organisaties die seksueel kindermisbruik bestrijden. Door de laagdrempelige meldvoorziening en hulpaanbod kunnen slachtoffers snel geholpen worden en wordt verdere escalatie en ernstiger problematiek voorkomen. De gedachte hier achter is dat voor slachtoffers verdere ontwrichting voorkomen kan worden, waarmee potentiële (financiële) lasten elders in de keten of maatschappij kunnen worden beperkt. De mogelijke effecten van het wegvallen van deze functie zijn moeilijk te kwantificeren.
Ik verwacht dat indien de voorliggende bezuinigingen inderdaad leiden tot het afschalen van de capaciteit van Offlimits, dit om bovenstaande reden zal doorwerken in de werkzaamheden en/of resultaten van de genoemde organisaties. De precieze effecten zullen verschillen per organisatie. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Er zijn structurele middelen beschikbaar op de begroting van mijn ministerie voor de financiering van Offlimits. Deze structurele middelen zijn echter aan een taakstelling onderworpen. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Ik heb afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. De audit wordt uitgevoerd door een externe partij. Deze audit is naar verwachting niet voor de begrotingsbehandeling gereed.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Ja.
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt, is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval, maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI Office.
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen, waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten. Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9 opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun digitale afhankelijkheden.
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen (geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid, betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van AI.
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht, kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken, dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief, dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen. Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit initiatief bij te dragen.
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni 2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen. Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI, zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend Europees AI-ecosysteem te versterken.
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland, onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet, in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt om de randvoorwaarden te versterken.
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI en cybersecurity.
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te versterken met Europese financiering.
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet af alvorens hierover beslissingen te nemen.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Het bericht 'Studenten gewaarschuwd voor phishing na hack softwarebedrijf' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat hackersgroep ShinyHunters, die eerder verantwoordelijk was voor de hack bij Odido, nu ook gegevens van miljoenen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers via onderwijsplatform Canvas heeft buitgemaakt?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de ernst van dit datalek, mede gelet op de gevoeligheid van de buitgemaakte persoonsgegevens en mogelijk ook privécommunicatie van studenten, docenten en onderwijsmedewerkers?
De hack en de tijdelijke ontkoppeling van het systeem Canvas zorgde voor een enorm vervelende situatie voor diegenen van wie mogelijk data is buitgemaakt en voor studenten en medewerkers die hiervan hinder hebben ondervonden in het onderwijs en hun werk. De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat het op dit moment niet volledig is vastgesteld welke gegevens de hackersgroep precies heeft buitgemaakt. Hierover is contact tussen de instellingen en het bedrijf Instructure als leverancier van Canvas. Dit betekent dat er op dit moment nog geen goede schatting kan worden gemaakt door de instellingen van hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers naar schatting zijn getroffen. De AVG is van toepassing op inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken). Er is door instellingen een voorlopige melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers van Nederlandse onderwijsinstellingen zijn naar schatting getroffen en welke typen persoonsgegevens zijn daarbij buitgemaakt?
De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat op dit moment alleen bekend is welke instellingen getroffen zijn. Zij geven aan dat Instructure, de leverancier van Canvas, nog niet heeft aangegeven welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Vermoedelijk gaat het om gegevens zoals namen en e-mailadressen van studenten en medewerkers en berichtenverkeer. De instellingen staan in contact met Instructure om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Dat doen zij afzonderlijk van elkaar in verband met de individuele contracten van instellingen met deze leverancier. Instructure heeft de instellingen toegezegd dit overzicht op korte termijn te zullen verschaffen. Op dit moment kan er daarom nog geen goede schatting worden gemaakt van het aantal personen dat is getroffen door de hack.
Welke gevolgen kan dit datalek hebben voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers, bijvoorbeeld in de vorm van phishing, identiteitsfraude of andere vormen van digitale criminaliteit en hoe kan worden voorkomen dat zij hiervan slachtoffer worden?
Als er sprake is van een datalek is het belangrijk om nu en in de komende tijd extra waakzaam te zijn voor mogelijke phishingmails en andere verzoeken waarbij persoonsgegevens of inloggegevens worden gevraagd. De instellingen wijzen hun studenten en medewerkers hier ook op. Op dit moment is nog niet volledig vastgesteld welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen betrokkenen volgens de geldende procedures door de instellingen hierover worden geïnformeerd. De instellingen hebben hun studenten en medewerkers ook opgeroepen om zich te melden als zij getroffen worden naar aanleiding van de hack en zullen waar nodig passende ondersteuning bieden.
Heeft u contact met de onderwijskoepels over wat nodig is om de gevolgen van dit datalek te beperken? Zo nee, bent u bereid hierover alsnog contact met hen op te nemen?
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de onderwijskoepels en SURF over de situatie en gevolgen van de hack. De instellingen houden zelf, als contracthouders met Instructure voor deze onderwijssoftware, contact met de leverancier. Daarin is het ministerie geen partij. Voorts nemen de instellingen hun verantwoordelijkheid in het informeren van hun studenten en medewerkers over de situatie en de gevolgen van de hack.
Welke ondersteuning en informatie worden momenteel geboden aan getroffen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers om misbruik van hun persoonsgegevens te voorkomen? Acht u deze ondersteuning voldoende en welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Is voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers voldoende duidelijk welke persoonsgegevens via onderwijsplatformen zoals Canvas worden verwerkt, met welke externe partijen deze gegevens worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd?
Het is de bevoegdheid van instellingen zelf om te bepalen of, en zo ja hoe, zij onderwijsplatformen zoals Canvas inzetten. Het is daarbij hun verantwoordelijkheid zich bewust te zijn van de gegevens die daarmee worden verwerkt. Daarbij zijn ze gehouden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving (AVG). Het verschilt per instelling welke keuzes zij daarbij hebben gemaakt en welke gegevens worden verwerkt, met welke externe partijen deze worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd. Conform de geldende wet- en regelgeving is de instelling vervolgens ook zelf verantwoordelijk om in een (privacy) statement aan de betrokkenen gebruikers aan te geven welke gegevens er worden verwerkt en hoe deze worden beschermd.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse onderwijsinstellingen onderhandelen met hackersgroep ShinyHunters naar aanleiding van het ultimatum rondom de hack op Canvas, waarbij wordt gedreigd buitgemaakte gegevens van studenten, docenten en medewerkers openbaar te maken, of bent u van mening dat overheids- en onderwijsinstellingen nooit zouden moeten ingaan op dergelijke eisen van cybercriminelen?
Instellingen geven aan niet benaderd te zijn door de hackgroep om losgeld te betalen. Instructure heeft gemeld een akkoord te hebben gesloten met de hackers en dat de buitgemaakte gegevens zouden zijn vernietigd. Instructure zegt hiervan bewijs te hebben ontvangen. Of er losgeld is betaald door Instructure is mij en de instellingen niet bekend. Het is aan ieder bedrijf om een eigen afweging te maken. Het dringende advies vanuit de overheid is om geen losgeld te betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand en lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op organisaties uit.
Welke lessen trekt u uit dit incident en op welke wijze wordt deze kwestie betrokken bij de ontwikkeling van een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken?2
De instellingen hebben aangegeven dit incident zowel afzonderlijk als in de sector te evalueren en de lessen die hieruit getrokken worden mee te nemen in de verdere ontwikkeling van hun beleid. Ik blijf hierover met hen in contact.
Het kabinet geeft in overleg met betrokken toezichthouders en andere experts uitvoering aan de motie-Rajkowksi c.a. (36 800 VII, nr.78), opdat een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken beschikbaar is. Ook de relevante lessen uit dit incident worden daarbij betrokken. Het streven is om uw Kamer spoedig nader te informeren over de uitvoering van deze motie.
Bent u bekend met het bericht «Politie Amsterdam neemt op Amerikaans verzoek server in beslag van linkse internetdienstverlener A/I: organisatie zou «antifa» faciliteren»?1
Wat is uw reactie op het Amerikaanse verzoek om de server van het Europese internetbedrijf Autistici/Inventati (A/I) om politieke redenen in beslag te nemen?
Moet een rechtshulpverzoek altijd worden ingewilligd? Op welke basis kan dit in Nederland en in de Europese Unie (EU) worden geweigerd?
Wat betekent het in beslag nemen van de servers voor andere Europese internetbedrijven, bijvoorbeeld bedrijven die diensten leveren aan het Internationaal Strafhof? Kunnen zij vrij en autonoom handelen als deze sancties boven het hoofd hangen en wetende dat deze ook nageleefd zullen worden?
Hoe vaak heeft de Amerikaanse regering de afgelopen twee jaar gevraagd om servers of gegevens van internetdienstverleners in beslag te nemen? Hoe vaak is Nederland daarop ingegaan en hoe vaak is het verzoek geweigerd?
In het geval de servers van Tweede Kamer zouden worden opgevraagd door de Amerikaanse regering, zou u het verzoek dan ook inwilligen? Om welke reden wel of niet?
Is Nederland wettelijk gehouden aan Amerikaanse rechtshulpverzoeken om servers in beslag te nemen? En welke mechanismen zijn er om de verzoeken niet in te willigen als deze ingaan tegen nationale- en Europese wetgeving?
Welke waarborgen zijn er dat Nederland niet meewerkt aan buitenlandse rechtshulpverzoeken die gericht zijn op organisaties vanwege hun politieke opvattingen?
Hoe verhoudt de inbeslagname zich tot netneutraliteit en de onafhankelijkheid van internetbedrijven?
Heeft de politie weerwoord geboden aan het Amerikaanse verzoek, uitgaande van netneutraliteit en de onafhankelijke positie van internetbedrijven? Waarom wel of niet?
Draagt Nederland, door een dergelijk verzoek uiteindelijk in te willigen, bij aan het schrikeffect van de Amerikaanse sancties die het kabinet zegt af te keuren?
Kunt u deze vragen, alsmede de eerder gestelde vragen van de leden Kathmann en El Boujdaini over Amerikaanse sancties tegen de Europese internetsector2, afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het stopzetten van de Bemiddelingsservice bij het UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een tijdlijn verstrekken van alle gebeurtenissen rond het opstarten, het draaien van pilots en stopzetten van het Bemiddelingsservice-project (BMS) bij het UWV in de afgelopen jaren? Kan daarbij ook betrokken worden op welke manier en naar wie is gerapporteerd, bijvoorbeeld over het draaien van een pilot met BMS en welke acties daarop zijn ondernomen?
Onderschrijft u het belang van een goede matching tussen vaardigheden en baanmogelijkheden, vooral in het licht van de grote personeelstekorten in cruciale sectoren en de noodzaak mensen snel van werk naar werk te begeleiden?
Waarom onderneemt het UWV niet direct aanvullende actie om het begeleiden van mensen met de juiste vaardigheden naar passend werk te verbeteren, nu deze bemiddelingsservice wordt gestopt?
Onderschrijft u de stelling van de leverancier dat de software niet goed kon werken vanwege de kwaliteit van de data?1
Welke acties heeft het UWV ondernomen om de kwaliteit van de data te verbeteren en welke mogelijkheden zijn er in de toekomst om data bruikbaar te maken voor het koppelen van mensen met de juiste vaardigheden aan passend werk?
Klopt het dat BMS moest werken op basis van Sonar-data, waarvan uit een interne audit in 2019 al bleek dat de data van onvoldoende kwaliteit en incompleet was?2
Valt de leverancier op enigerlei wijze aansprakelijk te stellen voor het aanbieden van diensten voor grote bedragen terwijl het volgens die leverancier nu zelf met de beschikbare data niet mogelijk was aan de opdracht te voldoen? Zo ja, worden daartoe stappen gezet?
Wat is er gebeurd met eerdere waarschuwingen van het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) rondom dit project?
Klopt het dat er nog een kostbaar onderzoek bij Deloitte is uitgezet rondom dit project terwijl op basis van het AcICT-rapport al duidelijk was dat dit project fundamenteel anders aangepakt of stopgezet diende te worden?
Welke risico’s zijn er dat de kosten van het project hoger uit blijken te vallen dan 55.000.000 euro? Zijn hierbij ook indirecte kosten meegenomen van het feit dat UWV-medewerkers nu nog langer met niet-toereikende software moeten werken om mensen aan passend werk te koppelen?
Hoe kan het dat pas na ruim drie jaar een eerste proef met acht adviseurs begon? Hoe zorgt het UWV ervoor dat een nieuw systeem vanaf het begin in kleine stappen met echte gebruikers wordt getest, voordat er grote bedragen in worden geïnvesteerd?
Hoe is bij de aanbesteding beoordeeld of het product al werkte bij een organisatie van de omvang van het UWV, nu het Adviescollege ICT-toetsing constateert dat het UWV de grootste klant van de leverancier was? Waarom is gekozen voor een standaardpakket dat vervolgens op verschillende punten moest worden aangepast?
Waarom is voor een vernieuwend en nog onbeproefd systeem een langjarig contract gesloten waarin betalingen niet aan behaalde resultaten waren gekoppeld? Hoe zorgt u ervoor dat uitvoeringsorganisaties bij digitale vernieuwing voortaan kleinere opdrachten met een kortere looptijd inkopen en betalen voor werkende resultaten?
Hoeveel van het werk aan BMS is gedaan door eigen medewerkers van het UWV en hoeveel door externe inhuur en de leverancier? Hoe bouwt het UWV de eigen IT-kennis op die nodig is om als opdrachtgever grip te houden op leveranciers en algoritmes, in lijn met de afspraak in het coalitieakkoord om meer IT-talent in dienst van het Rijk te nemen?
Welke knelpunten op het gebied van uitlegbaarheid vond de externe quick scan waarop het UWV het besluit om te stoppen mede baseerde3, terwijl het UWV in maart nog aangaf onderzoek te hebben gedaan naar bias en uitlegbaarheid?4 Hoe zorgt het UWV ervoor dat een volgend matchingsysteem, dat als hoog-risico-AI-systeem geldt, vanaf het begin transparant en uitlegbaar is voor werkzoekenden en adviseurs?
Wat betekent het stoppen van BMS voor de vervanging van de verouderde systemen Werk Bemiddeling Systeem (WBS) en Sonar, nu in Sonar al sinds 2020 tekortkomingen bestaan op het gebied van informatiebeveiliging en privacy?5 Hoe lang moeten deze systemen nu nog mee en welke risico’s brengt dat met zich mee?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van kinderen |
|
Mahjoub Mathlouti (D66), Sarah El Boujdaini (D66), Marijke Synhaeve (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «AI-kindermisbruik groot probleem: beelden gaan soms hele school door»?1
Hoe kijkt u naar de signalen dat het door generatieve AI steeds eenvoudiger wordt om seksuele beelden van kinderen te maken en deze vervolgens op grote schaal te verspreiden?
Heeft u voldoende zicht op de omvang van AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van minderjarigen in Nederland en de ontwikkeling hiervan? Zo nee, welke informatie ontbreekt?
Deelt u de opvatting dat AI-gegenereerd seksueel beeldmateriaal van een kind moet worden gezien als een ernstige vorm van seksueel geweld, ook wanneer het beeld niet daadwerkelijk van het kind is gemaakt?
Welke ondersteuning is momenteel beschikbaar voor minderjarige slachtoffers van AI-gerelateerd seksueel geweld en is deze hulpverlening voldoende voorbereid op deze nieuwe vorm van slachtofferschap?
Welke rol hebben jeugdhulp, Veilig Thuis en andere zorg- en hulpverleningsorganisaties bij het signaleren en ondersteunen van kinderen die hiermee te maken krijgen en zijn zij hiervoor voldoende voorbereid?
Is er inmiddels een duidelijk handelingskader voor professionals die signalen van online seksueel geweld onder minderjarigen, waaronder AI-gerelateerd seksueel geweld, opvangen en zo nee, bent u bereid dit te ontwikkelen?
Beschikken politie en Openbaar Ministerie over voldoende kennis, capaciteit en technische middelen om daders die AI gebruiken voor het maken en verspreiden van seksueel beeldmateriaal van kinderen op te sporen en te vervolgen? In hoeverre is Europol hierbij betrokken? En in hoeverre is de overheid hierin afhankelijk van externe organisaties, zoals Offlimits?
Deelt u de opvatting dat de aanpak niet alleen gericht moet zijn op het verwijderen van beelden en het vervolgen van daders, maar ook op het voorkomen dat dergelijke beelden überhaupt kunnen worden gemaakt?
In hoeverre bieden de huidige wet- en regelgeving en bevoegdheden voldoende mogelijkheden om nu al op te treden tegen het maken en verspreiden van AI-gegenereerde seksuele beelden van minderjarigen, en waar ziet u nog knelpunten?
Welke voorbereidingen treft u momenteel om ervoor te zorgen dat het verbod uit artikel 5 van de AI-verordening op het genereren van niet-consensuele seksuele beelden en beelden van seksueel kindermisbruik (CSAM) vanaf 2 december 2026 effectief kan worden gehandhaafd, en beschikken de verantwoordelijke toezichthouders daarvoor over voldoende capaciteit en expertise?
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om kinderen te beschermen tegen AI-gerelateerd seksueel geweld en ervoor te zorgen dat slachtoffers snel passende hulp krijgen?
Kunt u deze vragen beantwoorden voorafgaand aan het wetgevingsoverleg over het begrotingsonderdeel Jeugd op 30 november 2026?
Discriminerende vraagsuggesties en antwoorden van Google |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Pieter Heerma (CDA), Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met het inmiddels bijna 10 jaar oude artikel «Google moet stoppen met automatisch discrimineren»1, dat aankaart dat de zoekmachine van Google in sommige gevallen discriminerende vraagsuggesties geeft?
Bent u bekend met het feit dat dit nog steeds niet is opgelost, wat blijkt uit dat bij het intypen van «alle Marokkanen z» op google.nl bij gebruik van een incognitovensterop op 11 augustus 2026, Google deze vraagsuggestie aanvulde met discriminerende teksten zoals «alle Marokkanen zijn kanker ratten» of «alle Marokkanen weg»?
Bent u daarnaast bekend met het feit dat na het indienen van de zoekopdracht «overlast» in combinatie met de naam van een gemeente op google.nl bij gebruik van een incognitovenster op 11 augustus, in het geval van onder meer de gemeenten Veenendaal, Tiel, Culemborg, Oosterhout, Hoogezand, Zutphen en Weert, Google de «Meer om te vragen»-suggesties «Hoeveel Marokkanen wonen/zijn er in [gemeente x]?» of «Hoeveel Turken wonen/zijn er in [gemeente x]?» opperde en dat de knop om ongepaste suggesties te melden bij dit type zoekresultaat ontbreekt?
Bent u ook bekend met de berichtgeving van Euronews2 en Le Monde3 dat het AI-gegeneerde antwoord van Google eind augustus 2026 op de zin «ik ben alleen met een Italiaan» gesprekstips betrof, maar bij dezelfde zin met «Algerijn» in plaats van «Italiaan», het model vroeg of je in gevaar was en je het nummer van de politie toonde?
Deelt u de mening dat dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden, die automatisch gegenereerd en getoond worden, een discriminerend verband leggen door overlast of gevaar te koppelen aan afkomst?
Hoe beoordeelt u de aanpak van Google om, net als bij de vraagsuggesties, dit soort patronen pas na ophef of een melding bij te sturen, en dan vooral voor de vraag die in het nieuws kwam, terwijl hetzelfde patroon in het model kan blijven zitten en bij andere vragen onopgemerkt blijft?
Welke risico's ziet u daarbij nu dezelfde modellen de basis vormen van steeds meer toepassingen, waardoor zulke vooroordelen niet in elk geval zichtbaar worden maar wel ongemerkt kunnen doorwerken?
Hoe kijkt u naar de verantwoordelijkheid van Google en andere leveranciers van grote AI-modellen om vooroordelen uit de trainingsdata vooraf, bij het ontwerp en bij de toetsing van hun modellen, te herkennen en in het model zelf te corrigeren, bijvoorbeeld via red-teaming of bias-audits, in plaats van de uitkomsten per geval bij te sturen nadat gebruikers of media ze toevallig hebben opgemerkt?
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat een groot en invloedrijk platform als Google op deze manier bijdraagt aan het in stand houden en versterken van vooroordelen, en dat de omvang en het bereik van Google diens verantwoordelijkheid alleen maar groter maken?
Bent u hierover in gesprek met Google en andere leveranciers van grote AI-modellen, en is bij u bekend of zij structureel testen op discriminerende associaties in hun zoeksuggesties, aanbevelingsalgoritmes, autocomplete-functies en AI-antwoorden? Zo ja, wat heeft dat gesprek tot nu toe opgeleverd? Zo nee, bent u bereid dit gesprek aan te gaan en dit bij hen na te vragen?
Heeft u inzicht in de wijze waarop dergelijke vraagsuggesties en AI-antwoorden van Google tot stand komen? Zo nee, welke maatregelen treft u om dit inzicht wel te krijgen, en in hoeverre kan de digitaledienstenverordening (DSA) hierbij worden ingezet om transparantie van Google over de werking van deze systemen af te dwingen?
Hoe verklaart u dat deze discriminerende suggesties jarenlang zichtbaar zijn gebleven, terwijl Google onder de DSA al verplicht is de risico's van discriminatie in kaart te brengen en zich daarop jaarlijks onafhankelijk te laten controleren? Gelden deze verplichtingen wat u betreft ook voor de AI-antwoorden in de zoekmachine van Google, en zo ja, hoe wordt daarop toegezien?
Welke verplichtingen hebben aanbieders van grote AI-modellen onder de AI-verordening om vooroordelen in hun modellen te beoordelen en te beperken, en wie ziet daarop toe?
Welke oplossingsrichtingen ziet u om vooroordelen in zoeksuggesties en in grote AI-modellen structureel op te sporen en te beperken, in plaats van per geval na meldingen, bijvoorbeeld via onafhankelijke audits of algoritmetoezicht?
Bent u bereid in Europees verband te bepleiten dat platformen en aanbieders van AI-modellen zoals Google niet alleen moeten rapporteren dát zij hun systemen toetsen op discriminatie, maar ook openbaar moeten maken wat die toetsing oplevert en wat zij met de uitkomsten doen?
Bent u bereid Google op korte termijn aan te spreken op het ontbreken van een meldknop bij de «Meer om te vragen» suggesties en op de voorbeelden uit deze vragen?
Bent u bereid deze situatie ook te melden bij de Autoriteit Consument en Markt en de Europese Commissie, en de Kamer te informeren over de reacties?
Bent u bereid de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme te betrekken bij de aanpak van discriminatie door zoekmachines en AI-systemen?
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De vacaturemailing van werkenvoornederland.nl |
|
Renilde Huizenga (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de melding op werkenvoornederland.nl dat mensen zich niet kunnen inschrijven voor de vacaturemailing en dat er geen vacaturemails meer worden verstuurd voor mensen die zich eerder hebben ingeschreven?1
Kloppen onze signalen dat de vacaturemailing al sinds medio januari buiten werking is vanwege een wijziging in het vacaturesysteem?
Om welke wijziging in het vacaturesysteem gaat het, en waarom valt de maildienst door die wijziging volledig uit?
Wat maakt het herstel zo ingewikkeld dat het inmiddels acht maanden duurt?
Hoe beoordeelt u het dat de melding op de site deze uitval na acht maanden nog steeds «tijdelijk» noemt?
Wanneer verwacht u dat mensen zich weer kunnen inschrijven en weer vacature mails kunnen ontvangen?
Bent u van mening dat de vacaturemailing een belangrijk middel is voor de Nederlandse overheid om medewerkers te werven, juist ook om nieuw (IT-)talent binnen de overheid aan te trekken?
Wat ziet u terug in het aantal bezoekers van de vacaturepagina, het aantal sollicitaties of het type reacties sinds de mailing wegviel, vergeleken met de periode daarvoor?
Hoe voorkomt u dat de Nederlandse overheid talent van binnen en buiten de overheid misloopt door de problemen bij de vacaturemailing?
Welke alternatieven of kanalen, online en offline, zijn er tussentijds ingezet om vacatures extra onder de aandacht te brengen?
Is er een eenvoudige terugvaloptie overwogen, zoals een basismailing of een RSS-feed, zolang het vacaturesysteem niet werkt?
Welke afspraken gelden binnen het Rijk over de hersteltermijn van uitgevallen functionaliteit op publieksgerichte websites, en hoe verhoudt een uitval van deze duur zich tot de ambitie van uitstekende digitale dienstverlening bij een slagvaardige overheid?
Kunt u aangeven wanneer de functionaliteiten om vacaturemails voor mensen die zich hiervoor hebben ingeschreven het weer doet via werkenvoornederland.nl?
Kunt u deze vragen, indien mogelijk beantwoorden voor het commissiedebat Digitaliserende overheid en toezicht?
De invloed van storingen en onderhoud op de beschikbaarheid van DigiD |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Eric van der Burg (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de overzichten van Logius met actuele en met afgeronde storingen en onderhoud aan DigiD?1 2
Hoe vaak en hoe lang was DigiD in de jaren 2024, 2025 en 2026 tot nu toe niet of beperkt beschikbaar, uitgesplitst naar storingen en gepland onderhoud?
Welke beschikbaarheidsnorm geldt op dit moment voor DigiD, en wanneer is die voor het laatst herzien?
Waarom telt geplande onbeschikbaarheid binnen het onderhoudsvenster niet mee bij de beschikbaarheid van DigiD die Logius rapporteert?3
Welk beeld geeft het gerapporteerde percentage dan van de beschikbaarheid zoals mensen die zelf ervaren?
Hoeveel uur per jaar is DigiD gepland onbeschikbaar, en binnen welke tijdvensters vindt dat onderhoud plaats?
In hoeverre is dat onderhoudsvenster nog passend nu DigiD steeds vaker de toegang vormt tot medische gegevens, waarvoor mensen ook 's nachts inloggen?
Bent u bereid de beschikbaarheidsnorm en het onderhoudsvenster van DigiD tegen het licht te houden, juist vanwege dat medische gebruik?
Wat verklaart de frequentie en de duur van het onderhoud aan DigiD, en wat is er nodig om beide terug te brengen?
Hoe beoordeelt u de weerbaarheid van DigiD tegen DDoS-aanvallen, nu Logius meerdere storingen in augustus 2026 toeschreef aan terugkerende aanvallen?
Waarom bewaart Logius meldingen over storingen en onderhoud maar één maand in het openbare archief, en bent u bereid deze gegevens langer en als open data beschikbaar te stellen?
Welke rol kan de Nederlandse Digitale Dienst, en in het bijzonder haar doorbraakfunctie voor prioritaire projecten, spelen bij het verbeteren van de beschikbaarheid van DigiD?
Bent u bekend met het rapport «Regeren is vooruitzien» van Offlimits en met de steunbetuigingen van de Politie, het Centrum Seksueel Geweld, Fonds Slachtofferhulp en De Waag Nederland?1
Ja.
Deelt u de conclusie van de Politie dat Offlimits «voorziet in een behoefte waarin een andere organisatie niet kan voorzien» en dat er «geen alternatief» is voor deze laagdrempelige meldvoorziening? Zo nee, welke andere partijen kunnen het meldpunt, de hulplijn en de preventielijn dan wel op vergelijkbare schaal, snelheid en expertise overnemen en hoe wordt dat bekostigd?
Offlimits verricht zeer waardevol werk waaraan een sterke maatschappelijke behoefte is. Offlimits opereert in een speelveld waarin meerdere partijen deels vergelijkbare rollen vervullen. Zo onderzoekt de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (hierna: ATKM) in hoeverre materiaal dat zij zelf vinden of bij hen gemeld wordt beoordeeld kan worden als terroristisch of beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik. Aanbieders van hostingdiensten dienen na een dergelijke classificatie dat materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Ook Offlimits helpt in het offline halen van beeldmateriaal van seksueel misbruik van minderjarigen of andere illegale content door meldingen daarvan ten doen aan platforms, mede geholpen door de status van Offlimits als trusted flagger. Met name voor deze functie van Offlimits is qua snelheid en schaalbaarheid momenteel geen goed alternatief beschikbaar. Slachtofferhulp Nederland (hierna: SHN), het Centrum Seksueel Geweld (hierna: CSG) en Offlimits helpen slachtoffers elk kosteloos vanuit hun eigen expertise. Net als bij Offlimits kan bij het CSG en Slachtofferhulp Nederland (online) hulp en advies worden ingewonnen over ervaringen met online seksueel geweld. Zij zijn bereikbaar via de telefoon, chat, e-mail, contactpagina’s en in sommige gevallen via fysieke inlooplocaties. Verder maken CSG, SHN en Offlimits gebruik van publieksvoorlichting om het eigen en elkaars aanbod bekendheid te geven. Ook verwijzen ze aan elkaar door.
De ATKM, het CSG, Offlimits, en SHN worden (mede) door mijn ministerie gefinancierd.
Kunt u bevestigen dat het aantal meldingen van beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik bij het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (TBKK) van de Politie is gestegen van 26.000 in 2020 naar 70.000 in 2024 en dat het aantal door Offlimits verwerkte URL’s is gestegen van 60.062 in 2024 naar bijna een miljoen (927.581) in 2025? Hoe verklaart u deze stijging?
In het rapport «Regeren is vooruitzien» benoemt Offlimits dat zij een sterke toename in het aantal te verwerken URL’s ziet: in 2023 zijn 535.802 URL's verwerkt, in 2024 603.062 en in 2025 927.581.
Het aantal meldingen dat het Team Bestrijding Kindermisbruik en Kindersekstoerisme (hierna: TBKK) heeft ontvangen is in 2024 gestegen naar 70.000. Het aantal meldingen dat TBKK in 2025 ontving is ten opzichte van 2024 enigszins gedaald naar 58.216 meldingen. De fluctuatie in het aantal meldingen die TBKK ontvangt kent verschillende oorzaken.
De meldingen die TBKK ontvangt betreffen platformmeldingen die via de Cybertipline van het Amerikaanse National Center for Missing and Exploited Children (NCMEC) bij TBKK binnenkomen. Wijzigingen in wet- en regelgeving voor communicatie- en techplatforms in de Verenigde Staten hebben een groot effect op het aantal meldingen dat NCMEC ontvangt. Zo is in 2024 de meldingsplicht voor een aantal feiten aangescherpt, wat een sterke stijging van het aantal meldingen heeft veroorzaakt. Daarnaast wordt het aantal meldingen dat de politie ontvangt niet uitsluitend beïnvloed door wijzigingen in het juridische kader, maar ook in sterke mate door de keuzes die aanbieders van communicatiediensten maken ten aanzien van hun werkwijze en technische inrichting. Zo kunnen wijzigingen in de toepassing van end-to-end encryptie of in de wijze waarop platforms detectie uitvoeren een aanzienlijke invloed hebben op het aantal meldingen dat de politie ontvangt.
Bovendien neemt het aantal misbruikbeelden dat online wordt verspreid in het algemeen sterk toe, mede als gevolg van het grenzeloze karakter van het internet. Door technologische ontwikkelingen zijn daarnaast nieuwe vormen van online seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag ontstaan. Denk hierbij aan beeldmateriaal dat is gegenereerd met AI, zoals nudify-technologie en grooming van grote aantallen slachtoffers.
Hoe beoordeelt u de snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal, waarbij de analisten van Offlimits in 2025 al 2.200 met AI gegenereerde beelden analyseerden en het National Center for Missing & Exploited Children een stijging zag van 700 meldingen in 2023 naar 67.000 in 2024? Welke stappen onderneemt u om deze specifieke, snelgroeiende vorm van materiaal aan te pakken?
De snelle toename van AI-gegenereerd misbruikmateriaal vind ik zeer zorgelijk. Daarom vind ik het terecht dat het zonder toestemming maken, bezitten en openbaar maken van AI-gegenereerde seksuele deepfakes in Nederland strafbaar is.2 Dit geldt ook voor seksueel beeldmateriaal van kinderen, dan is het kinderpornografie.3 Dus, het is strafbaar om zowel van volwassenen (zonder toestemming) als kinderen AI-gegenereerde naaktbeelden te maken. Ook in de Europese Unie AI-verordening is een verbod opgenomen op het in de handel brengen, het in gebruik stellen of het gebruik van een AI-systeem dat materiaal van seksueel kindermisbruik of naaktbeelden zonder toestemming genereert of bewerkt. Zoals uw Kamer eerder is geïnformeerd, is het op dit moment vooral mogelijk om in te grijpen als dergelijk materiaal al is vervaardigd.4 Met dit nieuwe verbod kan eerder worden opgetreden, namelijk al bij het aanbieden van een AI-systeem om het beeldmateriaal te vervaardigen. Het Europees verbod wordt in december dit jaar in heel de Europese Unie van kracht. Het kabinet zal de inrichting van het toezicht in Nederland op dit verbod meenemen in het lopende proces van de uitvoeringswet van de AI-verordening. Dit is een bestuursrechtelijk verbod. Daarnaast blijf ik partijen zoals Offlimits subsidiëren, om de waardevolle bijdrage die zij aan een veilig internet leveren te ondersteunen.
Zoals ik u heb toegezegd tijdens het Wetgevingsoverleg Digitale Zaken van 2 maart 2026 en in de voortgangsbrief aanpak seksuele misdrijven van 16 maart 2026 zal ik u in september van dit jaar een brief doen toekomen waarin de aanpak van seksuele deepfakes in meer detail wordt beschreven.
Bent u bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal, zoals naaktbeelden die zonder toestemming worden gedeeld en via zogenoemde «nudify»-technologie worden gemaakt, waarbij onderzoek van Rutgers laat zien dat 18% van de jongeren ongewenst een naaktbeeld ontving, 3% gedwongen werd een naaktbeeld te maken en 1% te maken kreeg met een zonder toestemming doorgestuurd naaktbeeld? Deelt u de zorg van Fonds Slachtofferhulp dat dit probleem, mede door AI-deepfakes, kan uitgroeien tot «epidemische proporties»?
Ik ben, voor zover publicaties daarover inzicht geven, bekend met de omvang van de verspreiding van niet-consensueel beeldmateriaal. Ik deel de zorg van het Fonds Slachtofferhulp dat AI-deepfakes deze omvang sneller dan ooit kunnen doen groeien.
Klopt het dat de Europese Unie dit jaar al € 400.000,- bezuinigt op de financiering van Offlimits en dat het Ministerie van Justitie en Veiligheid vanaf 2027 structureel € 450.000,- gaat bezuinigen? Kunt u dit bevestigen en toelichten, gezien het jaarlijks sterk groeiende aantal meldingen en de sterk groeiende hulpvraag?
Het klopt dat mijn ministerie de subsidie aan Offlimits vermindert. Het door het kabinet-Schoof ingestelde, en door het huidige kabinet gehandhaafde besluit om te bezuinigen op de uitgaven van de Rijksoverheid raakt ook de subsidies die mijn ministerie verstrekt. De subsidie aan Offlimits is hier één van. Deze bezuiniging op subsidies geldt in principe voor alle organisaties die subsidie van mijn ministerie ontvangen, ongeacht de doelen van deze organisaties, en de aard en omvang van de problematiek die zij trachten tegen te gaan. De subsidie aan Offlimits vanuit mijn ministerie wordt oplopend5 tussen 2025 en 2029, waarna structureel, met 24% verminderd als gevolg van de taakstelling die het kabinet-Schoof heeft ingesteld. Dat komt neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000.
Tegelijkertijd heb ik deze bezuiniging voor Offlimits in 2025 en 2026 reeds volledig gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Daarnaast wordt samen met Offlimits bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan, waaronder door een externe audit te laten uitvoeren.
Ik heb geen gedetailleerd inzicht in de aard en omvang van de subsidie vanuit de Europese Unie aan Offlimits. Ik beperk me derhalve tot het antwoorden op de vraag over de subsidie die vanuit mijn ministerie wordt verstrekt.
Wordt de incidentele bijdrage van € 500.000,- vanuit het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor de aanpak van zogenoemde «harmful but lawful»-content na 2027 al dan niet gecontinueerd? Zo nee, waarom niet?
Het project «harmful but lawful» content loopt tot 31 december 2026. Hiervoor is een incidentele subsidie van € 500.000 euro toegekend aan Offlimits door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Het project «harmful but lawful» zal naar verwachting op verzoek van Offlimits (budgetneutraal) worden verlengd tot april 2027. Na afloop daarvan wordt het project geëvalueerd. Een opvolgende subsidietoekenning is op dit moment niet aan de orde, omdat het project nog loopt en nog niet geëvalueerd is. Het staat Offlimits vrij in 2027 na afloop van het project een nieuw subsidieverzoek in te dienen. Beoordeling daarvan verloopt via reguliere procedures waarbij ook wordt gekeken naar concrete activiteiten, resultaten en de verhouding tot bestaande initiatieven en andere aanvragen voor financiering.
Wat is volgens u de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen in de komende twee jaar? Hoe verhoudt een dergelijke verwachting, door Offlimits geraamd op circa 30% groei per jaar, zich tot de voorgenomen bezuinigingen vanaf 2027?
De hoeveelheid meldingen en hulpvragen aan Offlimits groeit al enige jaren. Ik verwacht dat die groei doorzet. De voorgenomen bezuiniging op de subsidie aan Offlimits staat op gespannen voet met de verwachte groei van het aantal meldingen en hulpvragen aan Offlimits. Mede daarom heb ik in 2025 en 2026 de voorgenomen bezuiniging gecompenseerd. Voor wat betreft de budgetten over het jaar 2027 wordt uw Kamer bij de behandeling van de begroting geïnformeerd. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Deelt u de analyse dat Offlimits vanaf 2027 structureel circa € 1.000.000,- (ongeveer 20% van haar begroting) tekortkomt en dat dit zou betekenen dat jaarlijks circa 200.000 gemelde misbruikbeelden niet beoordeeld worden, 400 hulpvragers bij de preventielijn niet geholpen worden en 2.000 slachtoffers bij de hulplijn geen hulp krijgen? Zo nee, van welke cijfers gaat u dan uit?
Zoals in antwoord op vraag 6 beschreven, komt de subsidietaakstelling neer op een structurele bezuiniging vanaf 2029 van € 646.000. De analyse dat deze bezuiniging consequenties heeft voor de capaciteit van Offlimits om de gestelde doelstellingen te realiseren, deel ik. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan. Daarbij kan onder meer ook aandacht worden gegeven aan de bedrijfsvoering. Ik merk hierbij op dat vanwege uitbreiding van het takenpakket van Offlimits de begroting zeer sterk is gegroeid.6 Dat heeft onmiskenbaar gevolgen voor de organisatie. Ik heb daarom afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. Daarbij kunnen ook leerpunten voor de bedrijfsvoering naar voren komen.
Is voorzien welke partij de taken van Offlimits overneemt indien deze bezuinigingen doorgaan en Offlimits genoodzaakt is af te schalen? Wat is de verwachte impact hiervan op de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal, op de Politie (met name het TBKK) en op andere hulporganisaties zoals Stichting 113 Zelfmoordpreventie en het Centrum Seksueel Geweld, die nu mede afhankelijk zijn van de doorverwijzing en triage door Offlimits?
Offlimits vervult een belangrijke functie binnen het «ecosysteem» van organisaties die seksueel kindermisbruik bestrijden. Door de laagdrempelige meldvoorziening en hulpaanbod kunnen slachtoffers snel geholpen worden en wordt verdere escalatie en ernstiger problematiek voorkomen. De gedachte hier achter is dat voor slachtoffers verdere ontwrichting voorkomen kan worden, waarmee potentiële (financiële) lasten elders in de keten of maatschappij kunnen worden beperkt. De mogelijke effecten van het wegvallen van deze functie zijn moeilijk te kwantificeren.
Ik verwacht dat indien de voorliggende bezuinigingen inderdaad leiden tot het afschalen van de capaciteit van Offlimits, dit om bovenstaande reden zal doorwerken in de werkzaamheden en/of resultaten van de genoemde organisaties. De precieze effecten zullen verschillen per organisatie. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid te voorkomen dat de Kamer, zoals de afgelopen twee jaar toen dat via een Kamerbreed aangenomen amendement gebeurde, voor de derde keer op rij zelf het financieringstekort van Offlimits moet repareren en in plaats daarvan te komen tot een structureel financieringsmodel?
Er zijn structurele middelen beschikbaar op de begroting van mijn ministerie voor de financiering van Offlimits. Deze structurele middelen zijn echter aan een taakstelling onderworpen. Samen met Offlimits wordt bezien hoe in de toekomst met de dalende beschikbare middelen en het stijgend aantal meldingen kan worden omgegaan.
Bent u bereid de Kamer, tijdig voor de behandeling van de begroting voor 2027, te informeren over hoe u de financiering van Offlimits gaat borgen?
Ik heb afgesproken met Offlimits om via een externe audit onderzoek te doen naar onder meer mogelijkheden om met de dalende beschikbare middelen om te gaan. De audit wordt uitgevoerd door een externe partij. Deze audit is naar verwachting niet voor de begrotingsbehandeling gereed.
Kunt u de vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap (WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties op sociale media?1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties, maar op hun huidskleur?
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting, waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving, is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen, zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische rechtsstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst of huidskleur worden afgerekend?
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent. Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving. De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct door geraakt worden.
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in Nederland wordt behandeld?
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal, waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18 individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst. De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart racisme op te stellen.9
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte. Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden voor en na grote sportevenementen?
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko, is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal – als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed. Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven. Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI) in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Zie antwoord vraag 7.
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters? Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden ingericht?
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op 24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online) discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal (in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen van (top)sporters zelf.
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of buitenlandse platforms?
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces, waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence (OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger. In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder toegezegde stand-van-zakenbrief.
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Zie antwoord vraag 10.
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze aanpak te intensiveren?
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging) er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht. In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram (Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten, waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok – zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie (MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde platforms.15
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie. Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen. Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak tegen online discriminatie.16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet voldoende?
Zie het antwoord onder vraag 14.
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Het wereldwijd uitschakelen van Anthropic's Fable- en Mythos-modellen |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Herbert , Aerdts |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Ja.
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld? Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische afhankelijkheden af te bouwen?1
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt, is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen 7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval, maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI Office.
Beschikken de rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits- of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen, waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten. Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9 opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun digitale afhankelijkheden.
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen (geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid, betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van AI.
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht, kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken, dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief, dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen. Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit initiatief bij te dragen.
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?2
Ja.
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers wijkt uw beeld af?
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni 2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen. Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI, zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend Europees AI-ecosysteem te versterken.
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert u en waarop baseert u dat?
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te (laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische, strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland, onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat.
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen, nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen ontwikkelen en hosten?3
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet, in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt om de randvoorwaarden te versterken.
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie, netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet. Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee, waarom niet?
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting gereserveerd.
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable? Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden op te richten?
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI en cybersecurity.
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt, in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te versterken met Europese financiering.
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet af alvorens hierover beslissingen te nemen.
Het bericht 'Studenten gewaarschuwd voor phishing na hack softwarebedrijf' |
|
Ilana Rooderkerk (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS dat hackersgroep ShinyHunters, die eerder verantwoordelijk was voor de hack bij Odido, nu ook gegevens van miljoenen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers via onderwijsplatform Canvas heeft buitgemaakt?1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Hoe beoordeelt u de ernst van dit datalek, mede gelet op de gevoeligheid van de buitgemaakte persoonsgegevens en mogelijk ook privécommunicatie van studenten, docenten en onderwijsmedewerkers?
De hack en de tijdelijke ontkoppeling van het systeem Canvas zorgde voor een enorm vervelende situatie voor diegenen van wie mogelijk data is buitgemaakt en voor studenten en medewerkers die hiervan hinder hebben ondervonden in het onderwijs en hun werk. De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat het op dit moment niet volledig is vastgesteld welke gegevens de hackersgroep precies heeft buitgemaakt. Hierover is contact tussen de instellingen en het bedrijf Instructure als leverancier van Canvas. Dit betekent dat er op dit moment nog geen goede schatting kan worden gemaakt door de instellingen van hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers naar schatting zijn getroffen. De AVG is van toepassing op inbreuken in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalekken). Er is door instellingen een voorlopige melding gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens.
Hoeveel studenten, docenten en onderwijsmedewerkers van Nederlandse onderwijsinstellingen zijn naar schatting getroffen en welke typen persoonsgegevens zijn daarbij buitgemaakt?
De MBO-raad, UNL en VH hebben mij laten weten dat op dit moment alleen bekend is welke instellingen getroffen zijn. Zij geven aan dat Instructure, de leverancier van Canvas, nog niet heeft aangegeven welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Vermoedelijk gaat het om gegevens zoals namen en e-mailadressen van studenten en medewerkers en berichtenverkeer. De instellingen staan in contact met Instructure om hier meer duidelijkheid over te krijgen. Dat doen zij afzonderlijk van elkaar in verband met de individuele contracten van instellingen met deze leverancier. Instructure heeft de instellingen toegezegd dit overzicht op korte termijn te zullen verschaffen. Op dit moment kan er daarom nog geen goede schatting worden gemaakt van het aantal personen dat is getroffen door de hack.
Welke gevolgen kan dit datalek hebben voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers, bijvoorbeeld in de vorm van phishing, identiteitsfraude of andere vormen van digitale criminaliteit en hoe kan worden voorkomen dat zij hiervan slachtoffer worden?
Als er sprake is van een datalek is het belangrijk om nu en in de komende tijd extra waakzaam te zijn voor mogelijke phishingmails en andere verzoeken waarbij persoonsgegevens of inloggegevens worden gevraagd. De instellingen wijzen hun studenten en medewerkers hier ook op. Op dit moment is nog niet volledig vastgesteld welke gegevens precies zijn buitgemaakt. Zodra hierover meer duidelijk is, zullen betrokkenen volgens de geldende procedures door de instellingen hierover worden geïnformeerd. De instellingen hebben hun studenten en medewerkers ook opgeroepen om zich te melden als zij getroffen worden naar aanleiding van de hack en zullen waar nodig passende ondersteuning bieden.
Heeft u contact met de onderwijskoepels over wat nodig is om de gevolgen van dit datalek te beperken? Zo nee, bent u bereid hierover alsnog contact met hen op te nemen?
Het Ministerie van OCW heeft nauw contact met de onderwijskoepels en SURF over de situatie en gevolgen van de hack. De instellingen houden zelf, als contracthouders met Instructure voor deze onderwijssoftware, contact met de leverancier. Daarin is het ministerie geen partij. Voorts nemen de instellingen hun verantwoordelijkheid in het informeren van hun studenten en medewerkers over de situatie en de gevolgen van de hack.
Welke ondersteuning en informatie worden momenteel geboden aan getroffen studenten, docenten en onderwijsmedewerkers om misbruik van hun persoonsgegevens te voorkomen? Acht u deze ondersteuning voldoende en welke rol ziet u hierin voor uzelf?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 4 en vraag 5.
Is voor studenten, docenten en onderwijsmedewerkers voldoende duidelijk welke persoonsgegevens via onderwijsplatformen zoals Canvas worden verwerkt, met welke externe partijen deze gegevens worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd?
Het is de bevoegdheid van instellingen zelf om te bepalen of, en zo ja hoe, zij onderwijsplatformen zoals Canvas inzetten. Het is daarbij hun verantwoordelijkheid zich bewust te zijn van de gegevens die daarmee worden verwerkt. Daarbij zijn ze gehouden aan de hiervoor geldende wet- en regelgeving (AVG). Het verschilt per instelling welke keuzes zij daarbij hebben gemaakt en welke gegevens worden verwerkt, met welke externe partijen deze worden gedeeld en hoe deze gegevens worden beschermd. Conform de geldende wet- en regelgeving is de instelling vervolgens ook zelf verantwoordelijk om in een (privacy) statement aan de betrokkenen gebruikers aan te geven welke gegevens er worden verwerkt en hoe deze worden beschermd.
Vindt u het wenselijk dat Nederlandse onderwijsinstellingen onderhandelen met hackersgroep ShinyHunters naar aanleiding van het ultimatum rondom de hack op Canvas, waarbij wordt gedreigd buitgemaakte gegevens van studenten, docenten en medewerkers openbaar te maken, of bent u van mening dat overheids- en onderwijsinstellingen nooit zouden moeten ingaan op dergelijke eisen van cybercriminelen?
Instellingen geven aan niet benaderd te zijn door de hackgroep om losgeld te betalen. Instructure heeft gemeld een akkoord te hebben gesloten met de hackers en dat de buitgemaakte gegevens zouden zijn vernietigd. Instructure zegt hiervan bewijs te hebben ontvangen. Of er losgeld is betaald door Instructure is mij en de instellingen niet bekend. Het is aan ieder bedrijf om een eigen afweging te maken. Het dringende advies vanuit de overheid is om geen losgeld te betalen. Het betalen van losgeld biedt geen garantie dat criminelen systemen weer toegankelijk maken of gestolen data niet doorverkopen aan andere criminelen. Het uitbetalen van losgeld houdt bovendien het verdienmodel van criminelen in stand en lokt daarmee mogelijk nieuwe aanvallen op organisaties uit.
Welke lessen trekt u uit dit incident en op welke wijze wordt deze kwestie betrokken bij de ontwikkeling van een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van datalekken?2
De instellingen hebben aangegeven dit incident zowel afzonderlijk als in de sector te evalueren en de lessen die hieruit getrokken worden mee te nemen in de verdere ontwikkeling van hun beleid. Ik blijf hierover met hen in contact.
Het kabinet geeft in overleg met betrokken toezichthouders en andere experts uitvoering aan de motie-Rajkowksi c.a. (36 800 VII, nr.78), opdat een duidelijk handelingskader voor slachtoffers van grote datalekken beschikbaar is. Ook de relevante lessen uit dit incident worden daarbij betrokken. Het streven is om uw Kamer spoedig nader te informeren over de uitvoering van deze motie.
Het bericht 'UWV ruilt Mistral Le Chat in voor Microsoft Copilot Chat' |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat het UWV vanaf half mei een pilot start met Microsoft Copilot en daarmee stopt met het gebruik van het Europese alternatief Le Chat?1
Hoe beoordeelt u het besluit van het UWV om een Europees AI-alternatief in te ruilen voor een Amerikaanse toepassing, mede in het licht van de kabinetsambities op het gebied van digitale soevereiniteit en het verminderen van afhankelijkheden van niet-Europese technologiebedrijven?
Deelt u de opvatting dat publieke organisaties, zeker wanneer zij werken met grote hoeveelheden gevoelige persoonsgegevens, bij de inzet van generatieve AI, rekening zouden moeten houden met Europese datasoevereiniteit en strategische autonomie? Zo nee, waarom niet?
Welke risico’s ziet u in de keuze die het UWV heeft gemaakt om co-pilot in te gebruiken, in het bijzonder waar het gaat om toegang tot persoonsgegevens, vendor lock-in en geopolitieke afhankelijkheden?
Kunt u aangeven op welke wijze is beoordeeld of Microsoft Copilot voldoet aan de eisen rondom privacy, gegevensbescherming en gegevenssoevereiniteit en kunt u aangeven welke persoonsgegevens of interne gegevens van het UWV binnen deze pilot verwerkt kunnen worden?
Hoe verhoudt deze keuze zich tot eerdere signalen vanuit Europese landen, waaronder Duitsland en Frankrijk, waarin juist gezocht wordt naar alternatieven voor afhankelijkheid van Microsoft?
In referentie naar de aangenomen motie van het lid El Boujdaini c.s. over het principe «Europees tenzij» te hanteren en digitale soevereiniteit en digitale autonomie als expliciet criterium op te nemen in aanbestedingen, wat is de status van de uitvoering van die motie?2
Kunt u aangeven wat er momenteel al gebeurt om Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid te stimuleren? En bent u bereid om samen met uitvoeringsorganisaties en andere overheidsinstanties te werken aan het breder implementeren van Europese en soevereine AI-oplossingen binnen de Nederlandse overheid? Zo nee, waarom niet?
Eind 2026 worden de uitkomsten van de pilot met Microsoft Copilot geëvalueerd, kunt u toezeggen dat de Kamer actief wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de pilot?
Bent u bekend met het bericht «Leerlingen komen met desinformatie over Holocaust de klas in: «Zien ze op TikTok»»?1.
Ja, daar ben ik mee bekend.
Deelt u de zorgen van docenten en onderzoekers over de toename van desinformatie over de Holocaust onder leerlingen, mede als gevolg van AI gegenereerde beelden op sociale media?
Ja, deze zorgen deel ik. Desinformatie over de Holocaust kan zich via sociale media snel verspreiden en het onderwijs hierover bemoeilijken. Daarom zet het Ministerie van OCW in op het versterken van mediawijsheid en digitale geletterdheid, zodat leerlingen beter leren omgaan met (des)informatie en de betrouwbaarheid van bronnen kunnen beoordelen.
Meer dan de helft van de leerlingen kon in een experiment een AI-gegenereerde foto van Auschwitz niet van een echte foto onderscheiden, deelt u de zorg dat een gebrek aan historische basiskennis leerlingen kwetsbaarder maakt voor desinformatie?
Het niet kunnen onderscheiden van een AI-gegenereerde afbeelding van een echte afbeelding hoeft niet direct samen te hangen met een gebrek aan historische basiskennis. Historische basiskennis is wel degelijk zeer belangrijk. Dezedie helpt leerlingen in weerbaarheid tegen desinformatie over de Holocaust. Daarom wordt vanuit het Nationaal Plan Versterking Holocausteducatie ingezet op het versterken van kennis over de Holocaust en het ondersteunen van docenten hierbij.
Herkent u het beeld dat vier op de tien docenten aangeeft dat sommige leerlingen de ernst van de Holocaust bagatelliseren? Hoe beoordeelt u deze ontwikkeling?
Dit beeld herken ik voor een deel. Het Ministerie van OCW heeft in 2025 een docentenpeiling laten uitvoeren naar bevorderende en belemmerende factoren bij het geven van holocausteducatie.2 Een deel van de docenten (14%) geeft wel aan dat zij te maken hebben gehad met Holocaustontkenning; voor Holocaustbagatellisering of -verdraaiing is dit 38 procent van de docenten (waarbinnen de helft aangeeft dat dit «heel soms» gebeurt). Ook komt het geregeld voor dat docenten merken dat een leerling des- of misinformatie tot zich heeft genomen: een kwart van de docenten geeft aan dat dit «soms» of vaker gebeurde.
Ons oordeel op basis van deze cijfers is dat des- en misinformatie over de Holocaust een reëel en zorgelijk probleem is, ook al manifesteert het zich niet in alle klassen even sterk en speelt het breder dan alleen op dit onderwerp. De meeste docenten geven aan dat ze dit in hun lessen gebruiken en geen behoefte hebben aan extra ondersteuning.
Dertien procent van de docenten heeft wel behoefte aan ondersteuning bij het omgaan met Holocaustontkenning of -verstoring en 12% bij het omgaan met heftige discussies in de klas. Daarom zet het kabinet via het Nationaal Plan Holocausteducatie in op versterking van holocausteducatie. In september 2025 is vanuit amendement Ceder c.s. II3 een project van start gegaan dat zich richt op gastlessen over antisemitisme, racisme en discriminatie, waarbij persoonlijke verhalen centraal staan. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan antisemitische stereotypen en aan complottheorieën. Ik ben zelf met leraren in gesprek over wat nodig is om dergelijke thema’s en schurende onderwerpen goed te kunnen bespreken in de klas. Ook dragen de kerndoelen burgerschap en digitale geletterdheid bij aan de toerusting van leerlingen om om des- en misinformatie te herkennen en kritisch te beoordelen. Daarbij worden docenten onder meer ondersteund via de subsidie Schurende Gesprekken van het Expertisepunt Burgerschap, die scholingsaanbod biedt in het voeren van gesprekken over gevoelige en maatschappelijk beladen onderwerpen in de klas.
Hoe beoordeelt u de huidige staat van mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen en acht u de huidige inspanningen voldoende?
Uit de Monitor Digitalisering Onderwijs 2025 blijkt dat de helft van de docenten bekend is met de conceptkerndoelen digitale geletterdheid en een kwart hier al mee werkt. De huidige curriculumherziening en -implementatie brengt dit nieuwe leergebied alleen maar nog meer onder de aandacht onder docenten.
Om docenten te ondersteunen is het Expertisepunt Digitale Geletterdheid opgericht. Dit expertisepunt verzamelt en ontsluit bestaande materialen en kan helpen om thema’s zoals online des- en misinformatie beter onder de aandacht te brengen. Daarnaast wordt er via het Expertisepunt Burgerschap scholingsaanbod ontsloten voor docenten voor het voeren van moeilijke gesprekken in de klas, dit kan gaan over polarisatie, maatschappelijke spanningen, maar ook over (online) desinformatie: Scholingsaanbod - Scholingsaanbod Schurende gesprekken. Dit onderwerp vraagt echter blijvende aandacht gezien de snelheid waarmee digitale ontwikkelingen en vormen van des- en misinformatie zich ontwikkelen.
Bent u bereid om additionele maatregelen te nemen om de mediawijsheid en digitale geletterdheid op scholen te verbeteren?
Met de ontwikkeling van nieuwe kerndoelen voor digitale geletterdheid wordt gewerkt aan een stevigere verankering van digitale geletterdheid binnen het onderwijs. Deze kerndoelen bieden scholen en docenten meer handvatten om structureel aandacht te besteden aan mediawijsheid, online informatievaardigheden en het herkennen van des- en misinformatie. Scholen worden daarnaast ondersteund bij de implementatie van de kerndoelen, zodat scholen het leergebied digitale geletterdheid op een passende manier in hun onderwijs kunnen integreren. Op dit moment vind ik nog meer additionele maatregelen daarom niet nodig. Het kabinet blijft de voortgang op dit gebied monitoren en blijft, zoals genoemd bij het antwoord op vraag 5, in gesprek met leraren over de implementatie van de kerndoelen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het momenteel voor eenieder mogelijk is om met AI-platforms als ChatGPT nepbeelden te genereren van de Holocaust, met als gevolg het ernstige risico op bagatellisering van dit verleden? Zo nee, bent u bereid maatregelen te treffen?
De mogelijkheid om met AI-toepassingen realistisch ogende beelden te genereren brengt risico’s met zich mee, zeker wanneer het gaat om gevoelige historische gebeurtenissen zoals de Holocaust. AI-gegenereerde beelden kunnen bijdragen aan verwarring, misleiding en bagatellisering van historische feiten. Dat is zorgelijk. Tegelijkertijd raakt dit aan een bredere maatschappelijke ontwikkeling rondom generatieve AI en online desinformatie. Daarom zet het kabinet in op meerdere sporen: het versterken van digitale burgerschap en mediawijsheid via het onderwijs (o.a. met het Regieplan Digitalisering onderwijs), het stimuleren van verantwoord gebruik van AI en effectieve regulering van platforms via de DSA en nieuwe Europese regels rondom AI, en het toewerken naar een digitale publieke ruimte waarin publieke waarden, gebruikersbelangen, keuzevrijheid en democratische weerbaarheid centraal staan.
Tegelijkertijd geldt dat generatieve AI op zichzelf een technologie is met zowel positieve als negatieve toepassingen. Het kabinet acht het daarom van belang om gericht op te treden tegen onrechtmatig gebruik en verspreiding van dergelijke beelden, zonder afbreuk te doen aan fundamentele rechten zoals de vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid.
Indien sprake is van uitingen die kwalificeren als groepsbelediging, aanzetten tot haat of discriminatie, of het opzettelijk bagatelliseren, ontkennen of goedkeuren van de Holocaust op een wijze die strafbaar is onder het Wetboek van Strafrecht, kan strafrechtelijk worden opgetreden. Daarnaast wordt op Europees niveau gewerkt aan verdere normering van verantwoord AI-gebruik via onder meer de AI-verordening, die onder meer transparantieverplichtingen bevat voor aanbieders van AI-systemen die synthetische audio-, beeld-, video- of tekstinhoud genereren. Zij moeten er op grond van de verordening voor zorgen dat de outputs van het AI-systeem worden gemarkeerd als kunstmatig gegenereerd of gemanipuleerd. Met andere woorden: AI-gegenereerde nepbeelden moeten als zodanig herkenbaar zijn.
Over welke instrumenten beschikt u om op te treden tegen het genereren en verspreiden van AI-gegenereerde nepbeelden van de Holocaust op sociale media, mede gezien het feit dat het bagatelliseren van de Holocaust in Nederland strafbaar is?
Indien AI-gegenereerde Holocaustbeelden worden gebruikt op een wijze die strafbaar is, bestaan verschillende instrumenten om daartegen op te treden. Afhankelijk van de concrete inhoud en context kan sprake zijn van strafbare feiten zoals groepsbelediging (artikel 137c, tweede lid Sr), het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld (artikel 137d Sr) of andere strafbare vormen van Holocaustontkenning of -bagatellisering.
Het Openbaar Ministerie kan strafrechtelijk onderzoek verrichten en vervolging instellen. Het OM en de politie kunnen bij aangiften of meldingen van strafbare online content een vrijwillig verwijderverzoek richten aan de betreffende hostingdienst of het online platform om content offline te krijgen. Als dat niet het gewenste effect heeft, kan de officier van justitie, bij een verdenking van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), met machtiging van de rechter-commissaris, op grond van artikel 125p Sv een bevel uitvaardigen om de content ontoegankelijk te (laten) maken voor zover een aanbieder in Nederland gevestigd is. Geeft een aanbieder geen gehoor aan zo’n bevel, dan vervalt de bescherming tegen strafrechtelijke vervolging uit artikel 54a Wetboek van Strafrecht. Werkt een aanbieder wél mee, dan biedt artikel 54a Sr bescherming tegen strafrechtelijke vervolging. In die gevallen waarin de content niet in Nederland staat, maar in het buitenland, dan is het Openbaar Ministerie afhankelijkheid van samenwerking en medewerking van de daartoe bevoegde buitenlandse autoriteiten via een internationaal rechtshulpverzoek.
Op grond van de DSA gelden zorgvuldigheidsverplichtingen voor aanbieders van tussenhandeldiensten, onder meer gericht op het tegengaan van de verspreiding van illegale content. Hostingdiensten, waaronder online platforms en sociale mediadiensten, moeten onder meer voorzien in mechanismen om personen of entiteiten de mogelijkheid te bieden illegale inhoud bij hen te melden en zij moeten deze meldingen tijdig en adequaat beoordelen en daarover beslissen. Meldingen van zogeheten betrouwbare flaggers dienen met voorrang te worden behandeld. Zo is Meld Online Discriminatie (MOD) onder de DSA als betrouwbare flagger aangewezen. Daarnaast moeten aangewezen zeer grote online platforms (VLOP’s) de zogeheten systeemrisico’s van hun dienst in kaart brengen en mitigeren, waaronder het risico op de verspreiding van desinformatie.
Indien sprake is van niet-naleving van deze verplichtingen, kunnen de bevoegde toezichthouders handhavend optreden. Ten aanzien van de aangewezen zeer grote onlineplatforms en zeer grote onlinezoekmachines geldt dat de Europese Commissie de primaire bevoegde toezichthouder is op de naleving van de DSA. Voor de overige aanbieders van tussenhandeldiensten is in Nederland de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door in Nederland gevestigde aanbieders van tussenhandeldiensten. De toezichthouders beoordelen niet of specifieke content illegaal is en leggen geen verwijderverzoeken of bevelen op aan platforms, maar controleren of tussenhandeldiensten voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Welke mogelijkheden ziet u om op te treden tegen sociale media-accounts en -platformen die AI-gegenereerde Holocaustbeelden verspreiden waardoor grote groepen gebruikers met deze desinformatie in aanraking komen?
Wanneer sociale media-platforms strafbare content verspreiden, kunnen opsporingsinstanties en het OM optreden binnen de bestaande wettelijke kaders. Dat kan in specifieke gevallen leiden tot strafrechtelijke vervolging of verzoeken tot verwijdering van content. Daarnaast zet het kabinet in op een goede toepassing en de effectieve handhaving van de DSA, als belangrijk Europees wettelijk kader voor een veiligere online omgeving, waaronder de daaruit voortvloeiende zorgvuldigheidsverplichtingen om illegale content en misbruik tegen te gaan en, voor zeer grote onlineplatforms, het beheersen van systeemrisico’s. De verspreiding van desinformatie of AI-gegenereerde nepbeelden, kan zo’n systeemrisico vormen.
Het kabinet blijft in gesprek met platforms over hun verantwoordelijkheid bij de bestrijding van illegale content en desinformatie. Ook heeft het kabinet samen met het onderwijs richtlijnen over het gebruik van sociale media op verschillende leeftijden en in relatie tot school gepubliceerd.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sociale mediaplatforms zoals TikTok over het actief verwijderen van desinformatie en AI-gegenereerde nepbeelden over de Holocaust, en bent u bereid dit ook Europees te agenderen in het kader van de Digital Services Act?
Het kabinet zoekt op het terrein van online content moderatie de dialoog met online platforms. In dit verband is relevant dat in 2023 een publiek-private samenwerking (PPS) is ingericht, onder neutraal voorzitterschap van het Platform voor de InformatieSamenleving (ECP), die het gesprek tussen overheid en internetsector faciliteert over onder meer trends in contentproblematiek, uitdagingen in de moderatiepraktijk, best practices en relevante wet- en regelgeving. Mijn ministerie verkent, samen met andere departementen, hoe de aanpak van online desinformatie, online discriminatie en antisemitisme hierin kan worden betrokken. Voor wat betreft de DSA, is het aan de bevoegde toezichthouders om toe te zien op de naleving daarvan. Het onderwerp desinformatie staat daarbij, ook op Europees niveau, op de agenda. Signalen over desinformatie en AI-geregenereerde nepbeelden over de Holocaust zijn doorgeven aan de ACM en de Europese Commissie.
Kunt alle vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht ‘Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTI’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland’ |
|
Mpanzu Bamenga (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Nog veel meer Instagramaccounts van LHBTIQ+’ers op zwart, veel meldingen uit Nederland» waaruit blijkt dat opnieuw meerdere Instagramaccounts van LHBTIQ+-organisaties, activisten en gemeenschappen, waaronder accounts uit Nederland, offline zijn gehaald of ontoegankelijk zijn gemaakt?1
Ja, daar zijn we bekend mee.
Bent u eens met de stelling dat het blokkeren van specifieke LHBTIQ+ accounts en content onrechtmatig, discriminerend en onacceptabel is? Bent u het ook eens met de stelling dat het optreden hiervan, meermaals en herhaald in vrij korte tijd, niet steeds door Meta afgedaan kan worden als een incident maar dat het onderdeel lijkt te zijn van hun beleid?
Het zonder motivering blokkeren van lhbtiq+-accounts lijkt in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, DSA), zeker als dit herhaaldelijk gebeurt. Wanneer een platform besluit een account te schorsen of te beëindigen, moet dat gebeuren binnen de kaders van de DSA. De DSA verplicht online platforms om, bij het toepassen van inhoudsmoderatie (zoals het schorsen of verwijderen van een account), op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Het is aan de bevoegde toezichthouder of rechter om daar uiteindelijk een oordeel over te vellen.
Deelt u de ernstige zorgen dat het blokkeren van LHBTIQ+ personen en LHBTIQ+ organisaties, zonder geldige reden, discriminerend is, de vrijheid van meningsuiting aantast en de acceptatie en het veiligheidsgevoel van LHBTIQ+-gemeenschap onder druk zet? Zo ja, waarom en welke acties onderneemt u om deze ernstige zorgen te adresseren?
Die zorgen delen we. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de organisaties en personen die dit overkomt, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Het kabinet is van oordeel dat iedereen een verantwoordelijkheid heeft voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementale Plan van aanpak tegen online discriminatie.2 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid, en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Ook is er aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen online in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.3 Een van de doelstellingen is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Is het bij u bekend in hoeverre andere minderheidsgroepen dan LHBTIQ+ ook te maken hebben met structurele discriminatie en aantasting van hun vrijheid van meningsuiting door sociale media platforms?
Voor zover eventuele aantasting van de vrijheid van meningsuiting door socialemediaplatforms zelf plaatsvindt, zijn hierover geen cijfers bij ons bekend. Het recente rapport «Discriminatiecijfers in 2025» laat zien dat veel mensen regelmatig online discriminerende uitingen tegenkomen of zelf ervaren.4 Daarbij gaat het ook om andere minderheidsgroepen dan lhbtiq+ personen. De European Observatory of Online Hate laat eveneens zien dat er sprake is van online haat op socialemediaplatforms.5 Tegelijk weten we dat slechts een klein deel van deze ervaringen uiteindelijk wordt gemeld bij de bevoegde instanties. Online discriminatie is complex en wordt niet eenduidig geregistreerd. De aanwezigheid van online haat en discriminatie op platforms kan negatieve effecten hebben op de mate waarin minderheidsgroepen gebruik (kunnen) maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.
Kunt u toelichten in hoeverre het blokkeren van deze LHBTIQ+ accounts en content zonder duidelijke uitleg in lijn is met de verplichtingen uit de Digital Services Act, met name ten aanzien van transparantie, motivering en effectieve bezwaarprocedures en welke stappen het kabinet en de Europese Commissie zetten om hier actief op te handhaven?
Het blokkeren van accounts en content zonder duidelijke uitleg is in strijd met de verplichtingen uit de DSA. Op grond van de DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Zij zijn verplicht om, bij het toepassen van dergelijke beperkingen, op zorgvuldige, objectieve en evenredige wijze te handelen met gepaste aandacht voor de rechten, belangen en grondrechten van alle betrokkenen. Ook moeten zij een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij een dergelijk besluit nemen. In dat geval moeten zij ook de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Afnemers kunnen op grond van de DSA ook geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.6
Welke acties zijn sinds de vorige blokkades (in december 2025) ondernomen door het kabinet of bevoegde toezichthouders naar aanleiding van deze signalen?
De Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft de signalen aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. In aanvulling daarop is ook op ambtelijk niveau navraag gedaan bij Meta over de blokkades om meer informatie te krijgen. Daarnaast is het signaal met de Europese Commissie gedeeld. De Europese Commissie kan naar aanleiding van deze signalen besluiten om nader onderzoek in te stellen naar de naleving van de DSA door Meta en, indien nodig, handhavend optreden.
Is er tevens contact geweest met belangenorganisaties van LHBTIQ+ personen om te vragen welke signalen er nog meer zijn en waar behoefte aan is?
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie staat in goed contact met strategische samenwerkingspartners die de belangen van de lhbtiq+-gemeenschap behartigen. De strategische partners zijn zelf niet getroffen door ongemotiveerde schorsingen of verwijderingen. Zij staan wel in contact met de getroffen organisaties. Met hen bespreken we wat de getroffen organisaties hebben ervaren en ook gaan we in gesprek met een aantal van de getroffen organisaties om te horen wat hun ervaringen zijn en waar behoefte aan is.
Welke mogelijkheden ziet u voor zich om bij sociale media platformen de transparantie over het blokkeren van accounts af te dwingen zodat voor gebruikers duidelijk is op welke gronden een blokkade is ingesteld en waar ze terecht kunnen met klachten of vragen?
Zie het antwoord op vraag 5.
Welke mogelijkheden heeft u om platforms ertoe te bewegen geblokkeerde accounts te herstellen en/of gedupeerden te ondersteunen bij het herstellen van hun account?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Welke maatregelen gaat u nemen tegen sociale media platforms die LHBTIQ+ personen en organisaties discrimineren? En welke aanvullende maatregelen overweegt u om het digitaal targetten van LHBTIQ+ gemeenschappen via sociale media platforms tegen te gaan en de LHBITQ+ gemeenschap beter te beschermen?
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. Platforms als Meta moeten bij het toepassen van hun inhoudsmoderatie rekening houden met grondrechten in het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op non-discriminatie. In het algemeen moeten zij de toepasselijke Europese wetgeving, waaronder de DSA, naleven. Het is aan de bevoegde toezichthouder, in dit geval de Europese Commissie, om deze regelgeving te handhaven. De lopende onderzoeken en procedures naar Meta tonen aan dat de Commissie dit doet. Voor de aanvullende kabinetsinzet op het gebied van het tegengaan van online discriminatie en het bevorderen van gender- en lhbtiq+-gelijkheid verwijzen we u naar antwoorden 3 en 7.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Recente berichtgeving over Palantir |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Michelle Jagtenberg (D66), Fatimazhra Belhirch (D66) |
|
David van Weel (VVD), Aerdts , Derk Boswijk (CDA) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel van Follow the Money waarin wordt gesteld dat de Kamer niet volledig is geïnformeerd over een contract met Palantir?1
Ja.
Erkent u dat het antwoord dat in augustus 2025 is gegeven door de Minister van Justitie en Veiligheid op de vraag of er buiten de bekende voorbeelden binnen Justitie en Veiligheid gebruik is of wordt gemaakt van software van Palantir onjuist of op zijn minst onvolledig was? En erkent u dat de Kamer onjuist en/of onvolledig is geïnformeerd?
De Kamervragen zijn destijds gesteld aan en beantwoord door de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), op basis van de toen geldende portefeuilleverdeling binnen het kabinet. Daarnaast werden er Kamervragen over het mogelijke gebruik van Palantir gesteld aan meerdere bewindspersonen van andere departementen (Defensie, VWS, IenW, FIN, BZK). Grenstoezicht door de KMar, waarvoor Palantir-software in het verleden is ingezet, viel onder verantwoordelijkheid van de Minister van AenM. Daarom is deze toepassing van Palantir niet meegenomen ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025.
Inmiddels is het Ministerie van Asiel en Migratie opgegaan in het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Daardoor is in navolging van een Woo-verzoek van JenV recent een contract verstrekt. Het Programma Vernieuwing Grensmanagement, onderdeel van de Programmadirectie Identiteitsmanagement en Immigratie (IDMI), had contracten afgesloten voor het gebruik van Palantir voor het API systeem dat gebruikt werd door de KMar voor het grenstoezicht. IDMI was onderdeel van het Directoraat Generaal Vreemdelingenzaken (DGVZ), thans DGM. Zoals hierboven uitgelegd, viel dit betreffende beleidsonderdeel ten tijde van de beantwoording van de Kamervragen in augustus 2025 niet onder de politieke verantwoordelijkheid van de Minister van JenV.
De stukken die hierover inmiddels naar aanleiding van het Woo-besluit van JenV zijn gedeeld en de inzet van Palantir-softwarelicenties, zullen nader worden betrokken bij de afhandeling van het Woo-verzoek dat aan de Minister van Asiel en Migratie is gestuurd.
Kunt u precies uiteenzetten wanneer het contract tussen de Koninklijke Marechaussee (KMar) en Palantir is afgesloten, welke onderdelen van Defensie hierbij betrokken zijn en waarom de Kamer hier niet (volledig) vooraf over is geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft u kennisgenomen van het 22-punten manifesto van Palantir dat zij op hun sociale media hebben gezet?2 Hoe beoordeelt u dat manifesto? Deelt u de mening dat dit manifesto direct ingaat tegen de normen en waarden van de Nederlandse overheid en dat er mede op basis daarvan geen samenwerking kan plaatsvinden tussen Palantir en de Nederlandse overheid?
Ja, daarvan is kennisgenomen.
Het kabinet stelt de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtsstaat voorop en zet zich daarvoor in, ook bij de inzet van technologie. Het is niet aan het kabinet om opvattingen van het bestuur van een bedrijf van een oordeel te voorzien.
In relatie tot de huidige toepassing van Palantir bij de politie en Defensie hecht ik er, met de Staatssecretaris van Defensie, aan te benadrukken dat dit gebruik van veel waarborgen is voorzien. Tegelijkertijd worden mogelijke alternatieven verkend om de toekomstbestendigheid en flexibiliteit te vergroten, zoals ook aan uw Kamer toegelicht door de Staatssecretaris van Defensie tijdens uw Vragenuur van 2 juni jl.
Voor een reactie op de vraag of de Nederlandse overheid zaken kan blijven doen met het bedrijf in kwestie wordt u verwezen naar de Kamerbrief3 van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de uitvoering aangenomen ontraden moties over ICT-onderwerpen ingediend tijdens het Notaoverleg over de Nederlandse Digitaliseringsstrategie d.d. 29 september 2025. Hierin is ingegaan op de uitvoering van de aangenomen motie4 van het lid Six Dijkstra c.s. over het onafhankelijk maken van de Nederlandse overheid van Palantir.
Kunt u een totaaloverzicht geven van alle samenwerkingen die er hebben plaatsgevonden of plaatsvinden tussen de Nederlandse overheid en Palantir sinds de oprichting in 2003? Mochten er nog lopende samenwerkingen zijn, liggen er exitstrategieën om als Defensie zo snel mogelijk te stoppen met het gebruik van de betreffende software?
Er is geen Rijksbrede overeenkomst met Palantir. Een overzicht van alle lopende, aanstaande en verlopen contracten is niet voorhanden. Aanbestede diensten zijn zelf verantwoordelijk voor de aanbestedingsprocedures en het contracteren van leveranciers, er is geen centraal overzicht dat door mijn ministerie kan worden aangeboden.
Wat betreft uw vraag inzake eventuele exitstrategieën van Defensie het volgende. Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt bij een aantal (operationele) defensieonderdelen gebruik gemaakt van de Palantir-software. Dit gebeurt onder strikte maatregelen en in volledige afgesloten omgevingen. Ook wordt in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners onderzocht in hoeverre deze technologie hieraan kan bijdragen. Het afbouwen van afhankelijkheden is een middel om operationele continuïteit te kunnen waarborgen, maar dat kan bijvoorbeeld ook door in de samenwerking met (niet-Europese) technologiebedrijven verschillende contractuele, organisatorische en technische maatregelen te treffen. Tegelijkertijd onderzoekt Defensie de mogelijkheden om, al dan niet samen met bondgenoten, Europese alternatieven te (helpen) ontwikkelen.
Het bericht AI-model Mythos geprezen en gevreesd lijkt in handen gevallen van onbevoegden |
|
Sarah El Boujdaini (D66), Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht in het NRC over het AI-model Mythos dat mogelijk in handen is gevallen van onbevoegden?1
Ja.
Deelt u de analyse dat ongecontroleerde verspreiding van geavanceerde AI-modellen risico’s kan vergroten op cyberaanvallen, geautomatiseerde fraude en andere schadelijke toepassingen? Zo ja, welke risico’s acht u het meest urgent? Zo nee, waarom niet?
Het is goed om te benadrukken dat de risico’s niet voortkomen uit één specifiek geavanceerd AI-model. Geavanceerde capaciteiten zijn niet enkel meer voorbehouden aan gesloten, zogeheten «frontier-only» modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen steeds dichterbij dergelijke geavanceerde capaciteiten. Zo laat gelekte broncode van Anthropic’s Claude Code product zien dat de capaciteiten van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen.
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel afhankelijk. Eén van de risico’s die het kabinet ziet, is dat geavanceerde AI-modellen onder andere kunnen worden ingezet om technische kwetsbaarheden in software op te sporen. Dit kan dankzij dergelijke AI-modellen in veel kortere tijd en op grotere schaal worden gedaan dan eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid en het moment dat deze wordt uitgebuit significant worden verkort.
Ook zijn geavanceerde AI-modellen tot dusver afkomstig van commerciële bedrijven en veelal afkomstig uit niet-Europese landen waar andere wet- en regelgeving geldt dan in de EU. Dat kan ertoe leiden dat (a) er weinig tot geen inzicht bestaat in de onderliggende systemen en software van dergelijke systemen en (b) die systemen niet voldoen aan Europese wet- en regelgeving. Het (verder) integreren van AI-modellen in Nederlandse digitale (kern)processen, waarbij de AI-modellen op infrastructuur van niet-Europese aanbieders draait, kan leiden tot toenemende afhankelijkheid.
Ook draaien veel geavanceerde AI-modellen op niet-Europese cloudinfrastructuur. Integratie in Nederlandse digitale processen vergroot daarmee de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders, met bijbehorende risico’s op gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid en strategische afhankelijkheid. Aanbieders kunnen toegang tot specifieke modellen beperken, updates kunnen de uitkomsten veranderen zonder dat de afnemer dat in de hand heeft, en de rekenkracht voor geavanceerde AI is geconcentreerd bij een klein aantal niet-Europese partijen.
Welke rol spelen geavanceerde AI-modellen op dit moment in het dreigingsbeeld? Welke gevolgen heeft de uitrol van Mythos, binnen afzienbare tijd ook aan het grotere publiek, voor dit dreigingsbeeld?
Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een rol in het huidige dreigingsbeeld. Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te vallen. Zo kan AI worden ingezet om kwetsbaarheden op te sporen, code te ontwikkelen, phishing te personaliseren of grote hoeveelheden data te verwerken. Dit kan ervoor zorgen dat actoren sneller en op grotere schaal cyberaanvallen kunnen uitvoeren. Anderzijds kunnen AI-modellen worden ingezet ter verdediging. Zo kan AI worden ingezet voor detectie van afwijkend netwerkverkeer, het geautomatiseerd controleren van systemen of het reageren op incidenten. Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden uitgevoerd. De mogelijke risico's zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 gelden voor de bredere trend waarbinnen dergelijke geavanceerde AI-systemen breder beschikbaar worden, waaronder de uitrol van Mythos.
Bent u van mening dat overheden toegang moeten krijgen tot Mythos zodat zij het kunnen gebruiken om preventief kwetsbaarheden op te sporen en te dichten? Kan dit op een veilige en verantwoorde manier?
Het kabinet bepleit terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie. Drie overwegingen liggen hieraan ten grondslag.
In de eerste plaats laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden. Het verschil tussen frontiermodellen en minder geavanceerde modellen is mogelijk minder groot dan de berichtgeving rond grote modelaankondigingen suggereert. In de tweede plaats zijn er nu aanbieders, van modellen zoals Mythos, die de toegang en voorwaarden bepalen. Toegang via dergelijke constructies kan daarmee ook de afhankelijkheid van die (niet-Europese) partijen vergroten. In de derde plaats kan preventieve kwetsbaarheidsdetectie via AI veilig en verantwoord worden ingericht, mits losgekoppeld van één specifieke leverancier. Het is afhankelijk van de specifieke omstandigheden, voorwaarden en afhankelijkheden en telkens een brede weging in welke mate toegang noodzakelijk is.
Hoe bereidt u overheidsorganisaties voor op de cyberveiligheidsrisico’s die gepaard gaan met de uitrol van Mythos? Kunt u uiteenzetten welke acties u neemt om de veiligheid van persoonsgegevens van burgers en de ICT-processen van de overheid te garanderen?
Het beschermen van persoonsgegevens van burgers en het waarborgen van de veiligheid van systemen van de overheid vraagt voortdurende aandacht. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2 komen de risico’s die van invloed zijn op het waarborgen hiervan niet voort uit één specifiek geavanceerd AI-model zoals Mythos. Om die reden is het noodzakelijk dat overheidsorganisaties rekening houden met bredere ontwikkelingen die mogelijke risico’s zijn voor de bescherming van persoonsgegevens of de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen.
Voor de bescherming van persoonsgegevens geldt dat dit wordt geregeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De AVG kent onder meer de verplichting tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen ter beveiliging bij de verwerkingen van persoonsgegevens. Daarbij geldt dat een beoordeling van het passende beveiligingsniveau moet worden uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met de risico’s met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens. Voorafgaand aan een voorgenomen verwerking van persoonsgegevens, die waarschijnlijk een hoog risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, moet voorts een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd worden om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Daarbij moet onder meer worden beoordeeld welke maatregelen getroffen worden om de risico’s aan te pakken, waaronder veiligheidsmaatregelen en een mechanisme om de bescherming van persoonsgegevens te garanderen. Ook volgt uit de AVG de verplichting om voor het verrichten van verwerkingen van persoonsgegevens uitsluitend gebruik te maken van andere partijen die namens de overheid persoonsgegevens verwerken als verwerkers, indien zij voldoende garanties bieden met betrekking tot het toepassen van passende technische en organisatorische maatregelen, zodat aan de (andere) verplichtingen op grond van de AVG wordt voldaan. Op de naleving van verplichtingen uit de AVG houdt de Autoriteit Persoonsgegevens toezicht.
Vanuit de AI-verordening gelden bovendien regels voor de ontwikkeling en het gebruik van AI-systemen, ook aan de cyberveiligheid van hoog-risico systemen. Bovendien kent de AI-verordening de verplichting tot uitvoering van een Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) bij hoog-risico AI-systemen, om impact van deze systemen op fundamentele rechten van de mens te beoordelen. In de Kamerbrief van 20 april heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit u geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.2
Vanaf het moment van inwerkingtreding van de Cyberbeveiligingswet, waarin de Europese NIS2-richtlijn zal worden geïmplementeerd, gelden op grond van die wet verplichtingen voor de in die wet genoemde organisaties met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen. Het voorstel voor deze wet ligt op dit moment ter behandeling voor bij de Eerste Kamer. Deze wet zal gaan gelden voor organisaties uit verschillende sectoren, waaronder ook de overheid. Onderdeel van deze wet zal een zorgplicht zijn die inhoudt dat organisaties die onder de wet vallen verplicht zijn tot het nemen van passende en evenredige, technische, operationele en organisatorische maatregelen, om de risico’s met betrekking tot de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen te beheersen. Daarbij geldt dat organisaties maatregelen moeten nemen die zorgen voor een beveiligingsniveau dat is afgestemd op de risico’s die voor hun organisatie gelden. Deze risico’s kunnen voor die organisaties als gevolg van onder meer veranderende dreigingen of nieuwe technologieën wijzigen, waardoor zij aanvullende maatregelen zullen moeten nemen. Deze zorgplicht wordt in het Cyberbeveiligingsbesluit, de algemene maatregel van bestuur onder de Cyberbeveiligingswet, en in ministeriële regelingen van de voor de sectoren verantwoordelijke vakministers, nader uitgewerkt.
De maatregelen die organisaties, die onder de Cyberbeveiligingswet vallen, moeten nemen betreffen onder meer beleid over risicoanalyses en incidentenbehandeling en de beveiliging van de toeleveringsketen. Krachtens het Cyberbeveiligingsbesluit geldt als maatregel onder meer ook dat organisaties bij attenderingen op voor hun relevante kwetsbaarheden of, dreigingen en beveiligingsadviezen door relevante partijen zoals CSIRTs, moeten beoordelen of op basis hiervan aanpassingen of aanvullingen nodig zijn op hun maatregelen (art. 17 Cbb). Daarnaast is voor overheidsorganisaties die onder de Cbw vallen, voorzien dat in de regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties als maatregel, die zij in het kader van de zorgplicht moeten nemen, komt te gelden dat zij de normen en overheidsmaatregelen in de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO2), het reeds bestaande normenkader voor informatiebeveiliging bij de overheid, toepassen. Op de naleving van de verplichtingen in de Cyberbeveiligingswet en de daar onderliggende regelgeving wordt toezicht gehouden. Voor overheidsorganisaties zal de Rijksinspectie voor Digitale infrastructuur (RDI) als toezichthouder optreden.
Terugkomend in bovengenoemde wet- en regelgeving is dat gegevensbescherming en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen een continue en cyclisch proces is. Organisaties dienen voortdurend te toetsen of bestaande maatregelen nog steeds voldoende zijn om risico’s te beheersen. Ook risico’s als gevolg van het bestaan van AI-modellen, waaronder Mythos, zullen onderdeel zijn van deze continue risico-inschatting door organisaties.
Welke rol zou een onafhankelijke AI-raad, zoals voorgesteld in de motie-Kathmann/Six Dijkstra (Kamerstuk 26 643, nr. 1403), kunnen spelen om de veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI te monitoren en af te dekken? Hoe wordt deze motie nu uitgevoerd?
Het kabinet onderschrijft het belang van het monitoren en beheersen van veiligheidsrisico’s van geavanceerde AI en deelt de opvatting dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd in inhoudelijke expertise. Mede naar aanleiding van de aangenomen motie over een onafhankelijke AI-raad3, ingediend op 29 september 2025, is gekeken naar een passende structuur om hier invulling aan te geven.
Zoals eerder aan de Kamer gemeld4, werd in eerste instantie bezien welke rol de NDS-raad hierin kon vervullen. Nu besloten is om de oprichting van de raad niet te formaliseren5, worden alternatieve invullingen verkend. Zo loopt er tot september 2026 onder andere een interdepartementale verkenning, uitgevoerd door de Digitale Doetank, naar de inrichting van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut, naar voorbeeld van internationale initiatieven zoals het AI Safety Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op het gebied van AI.
Heeft u voldoende zicht op de risico’s van model leakage, model theft en ongeautoriseerde verspreiding van geavanceerde AI-systemen in Nederland en Europa? Zo ja, hoe wordt dit inzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Aanbieders van bepaalde AI-systemen, zoals systemen met een hoog risico en AI-modellen voor algemene doeleinden, inclusief modellen met een systeemrisico, moeten op grond van de Europese AI-verordening bepaalde informatie over deze systemen openbaar maken. De regels voor AI-modellen voor algemene doeleinden en die met een systeemrisico zijn op 2 augustus 2025 in werking getreden. Voor krachtige AI-modellen met systeemrisico’s gelden volgens deze verordening aanvullende verplichtingen om deze risico’s in kaart te brengen. Hierdoor hebben lidstaten en de Europese Commissie meer zicht op deze risico’s. De AI-verordening kent hiervoor een toezichtstelsel, waarbij zowel nationale toezichthouders als de Europese Commissie nauwlettend toezicht houden op deze risico’s. Zo kunnen zij hoog-risico AI-systemen die niet aan de verplichtingen voldoen van de markt halen. Daarnaast vindt er kennisuitwisseling plaats tussen (nationale) toezichthouders, de Europese Commissie en experts uit de lidstaten binnen de door de AI-verordening opgerichte Comité voor Artificiële Intelligentie (European AI Board).
Hoe beoordeelt u de toereikendheid van bestaande beveiligingsnormen en toezichtmechanismen voor ontwikkelaars en beheerders van krachtige AI-modellen, mede in relatie tot de implementatie van de AI-verordening?
De Europese AI-verordening stelt regels aan AI-modellen voor algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor dit soort modellen met systeemrisico’s, deze regels zijn op 2 augustus 2025 in werking getreden. Hier vallen de meest krachtige AI-modellen onder. Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Daarnaast moeten zij ernstige incidenten en mogelijk corrigerende maatregelen bijhouden. Het toezicht op al deze modellen is Europees centraal belegd bij de Europese Commissie. Daarnaast kunnen aanbieders aansluiten bij de Europese General-Purpose AI Code of Practice die op 10 juli 2025 is gepubliceerd. Deze vrijwillige praktijkcode bevat onder andere informatie over hoe aanbieders kunnen voldoen aan de beveiligingsnormen uit de AI-verordening. Het kabinet is positief over deze vereisten en stimuleert aanbieders om zich aan te sluiten bij de praktijkcode. Het is nog niet mogelijk een sluitend oordeel te vellen over de effectiviteit van deze eisen. Samen met de Europese Commissie en andere lidstaten houden we de werking van deze vereisten nauwlettend in de gaten en dragen we bij aan de evaluaties hiervan.
Welke kansen ziet u om via veilige ontwikkeling en deployment van AI de digitale veiligheid te versterken, bijvoorbeeld voor cyberdetectie, opsporing en publieke dienstverlening?
Zie antwoord vraag 3.
Ziet u in deze casus aanleiding om in Europees verband te pleiten voor versterkte samenwerking rond monitoring van toegangsbeheer, auditing en incidentrespons? Zo ja, op welke wijze?
Organisaties zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun eigen digitale weerbaarheid en daarmee onder meer ook voor het voorkomen en detecteren van cyberincidenten. De recente ontwikkelingen rondom AI benadrukken nogmaals het belang van het versterken van de digitale weerbaarheid van organisaties en de samenwerking daartoe bij digitale dreigingen, kwetsbaarheden en incidenten. In Nederland zijn er verschillende organisaties, zoals CSIRTS, die organisaties kunnen ondersteunen door het geven van adviezen en handelingsperspectieven, het verstrekken van informatie over dreigingen en incidenten en het assisteren bij incidentmanagement.
In het geval van grensoverschrijdende incidenten coördineert het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC), vanuit de Nederlandse overheid, de samenwerking met internationale(cyber) partners en werkt daartoe intensief samen met die partijen in onder meer het Europese CSIRT-netwerk. Binnen dit netwerk kunnen CSIRTs snel en effectief operationele informatie met elkaar uitwisselen met ondersteuning door het European Network and Information Security Agency (ENISA). Bovendien wordt binnen dit netwerk en diverse andere EU-samenwerkingsverbanden (zoals de NIS Cooperation Group en het CyCLONe-netwerk) aandacht besteed aan de invloed van de ontwikkeling van AI-modellen op cybersecurity.
Hoe beoordeelt u de wenselijkheid van meer transparantieverplichtingen voor aanbieders van geavanceerde AI-systemen over beveiligingsmaatregelen, incidenten en misbruikrisico’s?
Zoals ook opgenomen in het antwoord op vraag 8 is het nog te vroeg om aanvullende eisen op te stellen. De verplichtingen vanuit de AI-verordening zijn immers pas recent van kracht geworden.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden en in ieder geval vóór het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026?
Aangezien niet alle benodigde informatie op tijd was ontvangen is het niet gelukt de beantwoording met uw Kamer te delen voor het rondetafelgesprek cyberveiligheid en informatiebeveiliging van 20 mei 2026.
Bent u bekend met het bericht «Ukraine Creates UK-Backed «A1» AI Hub to Develop EW-Resistant Drones and Predict Russian Moves»?1
Ja.
Naar aanleiding van uw bezoek aan Oekraïne in maart 2026 werd bekend dat Nederland intensief gaat meekijken bij de Oekraïense inzet van drones op het slagveld, om meer te leren over de mogelijkheden voor Nederlandse productie en innovatie van onbemenste systemen; sluit dit aan op het initiatief in de berichtgeving?
Nee, dit staat los van het in de berichtgeving genoemde initiatief. Nederland is bekend met het Oekraïense AI-centrum A1, ook wel het Center of Innovations and Defence Technologies Development. Vanuit Defensie wordt contact gezocht met de initiatiefnemers van dit centrum, onder meer in het kader van lessons learned en mogelijke samenwerking.
Heeft de Nederlandse industrie toegang tot de beschikbare informatie en zo ja, hoe waarborgt u dat deze informatie eerlijk toegankelijk is voor alle geïnteresseerde marktpartijen?
Defensie heeft op dit moment zelf geen directe toegang tot deze specifieke informatie, omdat Nederland niet betrokken is bij dit initiatief. Daardoor beschikt Defensie ook niet over een informatiepositie die met de Nederlandse defensie-industrie kan worden gedeeld of waarvoor Defensie de toegang kan reguleren. Nederlandse bedrijven die zelf actief zijn in Oekraïne kunnen uiteraard via hun eigen contacten met Oekraïense eindgebruikers operationele feedback of gefilterde informatie ontvangen. Dat betreft echter geen door Defensie beheerde of via Defensie beschikbaar gestelde informatiepositie. Tegelijkertijd wordt verkend op welke wijze Nederland in de toekomst kan aansluiten bij initiatieven gericht op kennis- en informatie-uitwisseling, mede om lessen uit Oekraïense innovaties breder toegankelijk te maken voor relevante Nederlandse stakeholders.
Is Nederland ook voornemens om zelf een soevereine database aan te vullen voor het trainen van AI-modellen (al dan niet met Europese partners)? Wordt de Nederlandse industrie aangesloten bij een mogelijk initiatief?
Geschikte data voor het trainen van AI-modellen voor militaire doeleinden is schaars. Daarom erkent Defensie het belang van een database met dergelijke data. Defensie verkent verschillende mogelijkheden voor het verkrijgen van data van hoogwaardige kwaliteit, waarmee robuuste militaire AI kan worden ontwikkeld. Denk hierbij ook aan alternatieven zoals synthetische data. Industriepartners worden actief betrokken.
Ziet u ook een kans om als Nederland koploper in Europa te worden in het ontwikkelen van verantwoorde AI? Wat gaat u op korte termijn initiëren om dit te bewerkstelligen?
Nederland zet zich al geruime tijd in voor de verantwoorde ontwikkeling, verwerving en inzet van militaire AI. Met de eerste Responsible AI in the Military Domain (REAIM) Summit in het voorjaar van 2023 heeft Nederland het thema verantwoorde AI in het militaire domein voor het eerst op de internationale agenda gezet. Nederland was bij alle REAIM summits co-host, in 2023, 2024 en 2025. Daarnaast speelt Nederland een actieve rol in de Governmental Group of Experts on Lethal Autonomous Weapon Systems (GGE LAWS). Van 2024 tot en met 2026 zit Nederland deze groep voor. Het doel is om consensus te bereiken over elementen van toekomstige afspraken over autonome wapensystemen. Tijdens de GGE LAWS bijeenkomsten gaat het ook over de huidige en toekomstige rol van AI in LAWS. Nederland blijft nauw betrokken bij het mogelijke vervolg van REAIM en de GGE LAWS. Daarnaast is Defensie nadrukkelijk bezig met het proces van verantwoorde verwerving van AI. Tot slot wordt onderzocht hoe Defensie militaire AI kan verifiëren en valideren voor veilig gebruik en inzet.
Hoe weegt u het risico van het niet zelf hebben van een soevereine database voor het trainen van AI-modellen en van welke landen verwacht u afhankelijk te zijn?
De data waarop de AI-modellen worden getraind is grotendeels afkomstig en in beheer van Defensie. Daarnaast zullen er technische maatregelen worden getroffen om de daadwerkelijke uitkomsten van de AI-modellen te kunnen valideren, voordat deze daadwerkelijk (operationeel) worden ingezet. Bijvoorbeeld door eerst in een simulatieomgeving te werken. Op dit moment onderzoekt Defensie op Europees niveau met welke aanbieders en partnerlanden hiervoor een samenwerking kan worden gestart.
Sluit u aan bij de gedachten dat we de standaarden voor militair gebruik van AI niet aan externe machten overlaten, maar dat we die zelf bepalen?
Het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht, is onverkort van toepassing op het militair gebruik van AI. Het gebruik van AI in het militaire domein mag niet leiden tot schendingen van dit recht. Dit zijn bestaande afspraken. Daarnaast onderschrijft Nederland bijvoorbeeld de NAVO-principes voor het verantwoord gebruik van AI. Voor de effectiviteit van nieuwe internationale afspraken, specifiek ten aanzien van AI in het militaire domein, is het van belang dat staten die actief zijn op het gebied van de ontwikkeling van state-of-the-art AI hieraan meedoen. Nederland zet zich op verschillende manieren actief in om nieuwe afspraken te maken, bijvoorbeeld in het kader van REAIM en van de GGE LAWS.
Ziet u mogelijkheden om aan te haken op het samenwerkingsverband tussen Duitsland en Oekraïne, die hun defensiesamenwerking verder hebben geïntensiveerd door een memorandum te tekenen op het gebied van delen van data van het slagveld, waarbij Duitsland ook toegang krijgt tot real-time DELTA battlefield management system?
Ja, Defensie ziet deze mogelijkheden. Defensie kijkt expliciet naar en werkt samen met Oekraïne om lessen van het slagveld te vertalen o.a. door het delen van relevante informatie. In het deel van de organisatie belast met de militaire steun aan Oekraïne wordt actief gekeken naar innovatie en zo genoemde Lessons Learned en de disseminatie daarvan. Daarnaast werkt Defensie aan het verbinden van Nederlandse en voor Defensie relevante kennisinstellingen met Oekraïense kennis en innovatie instituten
Ziet u het belang van in Europees verband initiatieven organiseren voor een strategisch autonome battlefield management architectuur die interoperabiliteit tussen de (gefragmenteerde) Europese systemen waarborgt?
Ja. Defensie onderschrijft het belang van samenwerking in Europees verband gericht op een meer strategisch autonome battlefield management architectuur. Interoperabiliteit tussen nationale systemen is essentieel voor het effectief gezamenlijk optreden van Europese krijgsmachten, onder meer binnen NAVO- en EU-verband.
Onderneemt Defensie andere initiatieven om een strategisch autonome battlefield management architectuur te maken? Zo niet, kunt u een risicoafweging van afhankelijkheden geven? Zo ja, bent u bereid een plan van aanpak te maken en te delen?
Defensie heeft reeds een aantal battlefield management architecturen in gebruik, zowel aangekocht als zelf ontwikkeld. De insteek is dat primaire componenten van toekomstige battlefield management architecturen in de basis door Defensie zelf ontwikkeld worden.
Kunt u de bovenstaande vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Gegevens 200.000 leden Basic-Fit gelekt, ook bij Booking klantgegevens gestolen' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht van de NOS over hacks bij Basic-Fit en Booking.com waarbij klantgegevens zijn buitgemaakt?1
Ja.
Hoe beoordeelt u deze incidenten als indicatie van structurele tekortkomingen in de beveiliging van persoonsgegevens bij grote, digitaal opererende bedrijven?
De berichten over grootschalige datalekken zijn zorgwekkend, vooral gezien de mogelijk schadelijke gevolgen voor getroffen betrokkenen. Het is belangrijk dat getroffen burgers, wanneer het waarschijnlijk een hoog risico betreft, goed worden geïnformeerd zodat zij weten waar zij aan toe zijn en daartoe gepaste stappen kunnen ondernemen. Ik wil voorzichtig zijn met het spreken van «structurele tekortkomingen». Elk incident is anders en kan een eigen oorzaak hebben, en het is niet uitgesloten dat er sprake kan zijn van een zeer geavanceerde cyberaanval waartegen zelfs goed beveiligde bedrijven kwetsbaar zijn.
Heeft u voldoende structureel inzicht in de aard, omvang en frequentie van datalekken en cyberaanvallen in Nederland? Zo ja, hoe wordt dit overzicht benut voor beleid en toezicht? Zo nee, welke maatregelen neemt u om dit inzicht te verbeteren?
Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn verplicht om alle datalekken te documenteren, bijvoorbeeld in een register. Naast het lek zelf moeten ook de feiten en de gevolgen van het datalek en de genomen corrigerende maatregelen worden geregistreerd. Het doel van een dergelijk register is bewustwording en te leren van eerdere datalekken, alsook het nemen van effectieve maatregelen om de kans op nieuwe, soortgelijke datalekken te verminderen. Ook stelt het de toezichthouder in staat te controleren of de meldplicht wordt nageleefd. Daarnaast houdt de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) de bij haar gemelde datalekken bij. Niet alle datalekken worden gemeld of zijn meldplichtig: een melding bij de AP is alleen verplicht als de inschatting is gemaakt dat het waarschijnlijk is dat het datalek een risico oplevert voor de rechten en vrijheden van betrokkenen, zoals de bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer. De AP rapporteert jaarlijks over de meldplicht datalekken. Het kabinet beschikt niet over een register van alle datalekken, maar ziet vooralsnog niet dat sprake is van een tekort aan inzicht en van de noodzaak tot het treffen van maatregelen om dat te verbeteren.
Deelt u de opvatting dat herhaalde datalekken kunnen wijzen op onvoldoende structurele naleving van de Algemene verordening gegevensbescherming? Zo ja, welke systeemfouten signaleert u hierbij? Zo nee, waarom niet?
Een datalek hoeft niet te duiden op onvoldoende structurele naleving van de AVG; ook goed beveiligde organisaties, overheden en bedrijven kunnen worden getroffen. Daarbij betekent een datalek op zich niet dat er ook sprake is van een overtreding van de AVG. Het gaat er verder vooral om hoe bedrijven handelen nadat een datalek is geconstateerd. Dat handelen kan bestaan uit het nemen van (extra) beveiligingsmaatregelen, het naleven van de meldingsplicht en transparante communicatie richting de getroffen betrokkenen. Organisaties die persoonsgegevens verwerken zijn – als verwerkingsverantwoordelijke – gehouden om gedegen risico-analyses te maken en een daaraan gekoppelde passende interne beveiligingscultuur en snel en adequaat te handelen in geval van een incident.
Acht u de toezicht- en handhavingscapaciteit van de Autoriteit Persoonsgegevens toereikend om structurele naleving af te dwingen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke versterkingen zijn nodig?
Het kabinet is van mening dat de AP over voldoende middelen beschikt om de (toezicht- en handhavings)taken die voortvloeien uit de AVG en de UAVG uit te voeren. De AP mag zelf bepalen hoe zij de middelen die zij voor AVG-toezicht ontvangt, verdeelt over de afzonderlijke AVG-toezichtstaken. Zoals genoemd in de beleidsreactie op de evaluatie van de AP2 wil het kabinet samen met de AP stappen zetten om te komen tot een meer objectieve basis die ondersteunend is bij de besluitvorming over een passende hoogte van het budget van de AP. Een landenvergelijkend onderzoek kan daarbij een nuttig instrument zijn.
Ziet u aanleiding om te komen tot strengere, afdwingbare beveiligingsnormen voor bedrijven die op grote schaal persoonsgegevens verwerken? Zo nee, waarom niet?
De AVG biedt in principe voldoende normen voor het nemen van passende beveiligingsmaatregelen voor alle organisaties en bedrijven die (op grote schaal) persoonsgegevens verwerken. Passende beveiligingsmaatregelen houden concreet onder meer in dat organisaties en bedrijven bij risicovolle en/of grootschalige gegevensverwerkingen vooraf een Data Protection Impact Assessment (DPIA) dienen uit te voeren. Dit is een instrument om voorafgaand aan de verwerking de privacyrisico’s in kaart te brengen om daarmee de impact op de rechten van betrokkenen te beoordelen en gerichte maatregelen te nemen om deze risico’s te verkleinen. Daarnaast zijn organisaties en bedrijven in het geval van grootschalige gegevensverwerking vaak verplicht om een functionaris voor gegevensbescherming (FG) aan te stellen. De FG is een onafhankelijke toezichthouder binnen een organisatie of bedrijf die toeziet op de naleving van de AVG en adviseert over het zorgvuldig verwerken van persoonsgegevens. De verwerkingsverantwoordelijke heeft voor het treffen van passende beveiligingsmaatregelen een verantwoordingsplicht. Gelet hierop zie ik geen noodzaak voor extra (strenge) maatregelen. Wel geldt straks voor organisaties en bedrijven die opereren in voor de samenleving cruciale sectoren, waaronder onder andere de transport- en energiesector, het bankwezen en de digitale infrastructuur, de Cyberbeveiligingswet. Deze wet is op 15 april jl. door uw Kamer aangenomen en treedt later dit jaar in werking. De Cyberbeveiligingswet is de doorvertaling van de Europese NIS2- en CER-richtlijn die lidstaten weerbaarder moeten maken tegen gevaren van buitenaf, waaronder cyberdreigingen. De wet verplicht onder andere tot het uitvoeren van een risicoanalyse en het op basis daarvan treffen van passende en evenredige maatregelen voor het betreffende netwerk- en informatiesysteem. Ook hebben organisaties en bedrijven op grond van deze wet een zorg-, meld- en registratieplicht.
In het kader van dataminimalisatie: ziet u kansen dat de ontwikkeling van de EDI-wallet in Nederland kan bijdragen aan het verkleinen van het risico op datalekken bij organisaties, doordat consumenten hun persoonsgegevens minder vaak rechtstreeks hoeven te delen met verschillende partijen?
Ja. De Europese Digitale Identiteit (EDI) stelt burgers in staat binnen de hele Europese Unie digitaal te legitimeren of in te loggen op websites. Het veilig delen van persoonsgegevens behoort daar ook toe, waarbij enkel de gegevens worden gebruikt die strikt noodzakelijk zijn.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn afzonderlijk beantwoord.
Het TNO-rapport 'Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk' |
|
Daniël van den Berg (JA21), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het TNO-rapport «Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk»1?
Ja.
Hoe beoordeelt u de constatering in dit rapport dat de robotiseringsgraad van de Nederlandse maakindustrie achterblijft ten opzichte van internationale koplopers?
Ik deel de constatering dat Nederland wat betreft robotisering van de industrie achterblijft ten opzichte van de internationale koplopers zoals Zuid-Korea, China en Duitsland. Nederland staat wereldwijd op de twaalfde plek qua robotdichtheid, aldus het rapport. Maar de mate van robotisering moet ook worden bezien in de context van de samenstelling van de Nederlandse industrie die in vergelijking met andere landen bijvoorbeeld een betrekkelijk kleine auto-industrie heeft terwijl in deze sector wereldwijd veel robots geïnstalleerd zijn.2
Kunt u de Kamer een actuele, sectorale uitsplitsing sturen van robotadoptie in de Nederlandse maakindustrie, inclusief een onderscheid tussen het mkb en het grootbedrijf?
Deze exacte cijfers worden niet jaarlijks bijgehouden door de regering of het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In 2023 heeft het CBS hier een enquête over uitgestuurd. De CBS Internationaliseringsmonitor Digitalisering 2023 – III laat zien dat medium- en medium-hoog technologische bedrijven (respectievelijk 38% en 35% van de bedrijven) in Nederland vaker robots in het productieproces gebruiken dan laag- en hoogtechnologische bedrijven (respectievelijk 25% en 20% van de bedrijven). De categorie medium- en medium-hoogtechnologische sectoren omvat sectoren zoals de chemische industrie, de metaalindustrie en de elektronische industrie. Ook maken bedrijven met boven de 100 werkzame personen vaker gebruik van robots dan bedrijven met minder dan 100 werkzame personen.3 Daarnaast laat een dataset van het CBS uit 2025 over ICT-gebruik bij kleine bedrijven zien dat bedrijven met meer dan 250 werkzame personen vaker gebruik maken van robotondersteunde procesautomatisering en servicerobots of autonome voertuigen (respectievelijk 25% en 15% van de bedrijven) dan bedrijven met minder dan 250 werkzame personen (respectievelijk 2% en 1% van de bedrijven).4
Welke belemmeringen voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie wegen volgens u op dit moment het zwaarst?
Over het algemeen spelen verschillende macro-economische factoren zoals handelsbarrières, loonkosten en conjunctuur een rol. Daarnaast zijn onder meer de vaardigheden van personeel, digitale gereedheid en acceptatie van het bedrijf en de hoge investeringen met lange terugverdienkosten belemmeringen voor adoptie van robotisering. Het is lastig om aan te geven welke van deze factoren het zwaarste weegt. De mate waarin deze factoren de adoptie van robotisering verhinderen kan namelijk per bedrijf verschillen. Een bedrijf met een lagere liquiditeit zal bijvoorbeeld minder snel in robots investeren dan een kapitaalkrachtiger bedrijf.
Op welke Nederlandse evaluaties, studies of modelanalyses baseert het kabinet zijn oordeel over het effect van robotisering op arbeidsproductiviteit, leveringszekerheid en concurrentiekracht?
Er is in het recente verleden veel onderzoek gedaan naar automatisering en robotisering. Bijvoorbeeld door het Centraal Planbureau (CPB),5 het Joint Research Center (JRC) van de Europese Commissie,6 de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO),7 de Internationale Federatie van Robotica (IFR)8 en wetenschappelijke studies.9 In algemene zin laten deze studies zien dat robotisering in de korte termijn kan bijdragen aan gematigde productiviteitsverhoging via een hogere benuttingsgraad van productielocaties, een vermindering van fouten en snellere doorlooptijden. Effecten op productiviteitsverhoging zijn vaak vertraagd zichtbaar door implementatiekosten, organisatorische aanpassingen en leercurves van werknemers.
Op middellange termijn kan robotisering een bijdrage leveren aan het concurrentievermogen van de maakindustrie via een verbetering van de kwaliteit, schaalbaarheid en kostenefficiëntie van productie.
Op de lange termijn kan robotisering ook een bijdrage leveren aan de leveringszekerheid. Zo kunnen kostenvoordelen en hogere kwaliteit leiden tot reshoring van productie vanuit het buitenland naar Nederland en maakt robotisering ons minder afhankelijk van schaars technisch personeel. Voor leveringszekerheid is het van belang om naast robotadoptie ook enige vorm van controle te hebben over relevante software, hardware, technische (onderhouds-) skills en componenten. Een risico is namelijk dat Nederland met een hogere mate van robotisering ook meer afhankelijk wordt van de benodigde besturingssystemen, grondstoffen en onderdelen, zoals batterijen en chips.
Deze studies geven een vergelijkbaar beeld als het TNO-rapport Zonder Robotisering verdwijnt de Nederlandse Maakindustrie: Urgente actie is noodzakelijk.
Welke bestaande rijksinstrumenten kunnen mkb-maakbedrijven momenteel benutten voor automatisering, digitalisering en robotisering? Kunt u ook aangeven hoe vaak hier gebruik van wordt gemaakt?
Het kabinet heeft, samen met de EU en de provincies de Europese Digitale Innovatiehubs (EDIH’s) verlengd tot en met 2028. De vijf EDIH’s hebben tot doel om de digitalisering van het innovatieve- en innovatievolgend mkb in vooral de maakindustrie te versnellen. Daarbij gaat het er om dat mkb-bedrijven daadwerkelijk de stap zetten naar toepassing van digitalisering, inclusief automatisering en robotisering. Hiertoe krijgen ze ondersteuning bij het in kaart brengen van hun digitaliseringsvraag, het berekenen van hun business-case en testen van technologie vóór investering, het trainen van medewerkers en management en het vinden van passende partners en financiering. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Dit is een agenda van en voor de maakindustrie om de digitalisering van het mkb te versnellen. Hiertoe worden mkb-ondernemers geactiveerd, bijvoorbeeld via bijeenkomsten, en methodieken ontwikkeld. Bewezen methodieken worden vervolgens op grotere schaal uitgerold door de EDIH’s. Een voorbeeld is de ontwikkeling van een standaard stappenplan om de digitale fabriek te realiseren. Over het bereik van de EDIH’s in de eerste periode (2023–2025) zijn voorlopige cijfers beschikbaar: Ruim 10.000 mkb-bedrijven hebben gebruik gemaakt van de diensten van de EDIH’s. De definitieve cijfers voor alle EDIH’s zijn in juli beschikbaar.
Zijn er fiscale prikkels, vereenvoudigingen van procedures en/of maatregelen die de regeldruk verlagen om robotinvesteringen te versnellen? Zoja, welke zijn het kansrijkst?
Ja, er bestaan belangrijke fiscale prikkels die innovatie en investeringen van bedrijven en ondernemers stimuleren, waaronder die in robotica, zoals bijvoorbeeld de WBSO10 en de Innovatiebox11. Daarnaast zijn er Fieldlabs zoals Robo-house die specifiek gericht zijn op robotisering.
Ten aanzien van regeldruk/administratieve lastenverlichting wordt er scherp gekeken naar mogelijkheden om procedures te vereenvoudigen en onnodige regels te schrappen. Ook voor de WBSO en de Innovatiebox wordt gekeken naar hoe de aanvraag makkelijker kan. Of daarmee het investeringsproces echt versnelt is de vraag, omdat dit ook van andere factoren afhangt.
Het kabinet zet daarnaast in op structurele vermindering van regeldruk voor ondernemers. Zo is de ambitie om voor de zomer voor 500 regels de regeldruk te verminderen voor ondernemers, waarbij uw Kamer in juli over de tussenstand wordt geïnformeerd. Hierna is de kabinetsambitie om jaarlijks 500 regels voor burgers en ondernemers te schrappen of vereenvoudigen.
In de Prinsjesdagbrief (september 2026) over de WBSO wordt u verder geïnformeerd over de WBSO en de Innovatiebox, en in het bijzonder over administratieve lastenverlaging voor deze regelingen.
In hoeverre vormen energiekosten, netcongestie en langdurige vergunningsprocedures momenteel een belemmering voor robotisering in de Nederlandse maakindustrie?
De energiekostenstijging heeft een beperkt effect voor sectoren die veel robots inzetten zoals de auto en elektronische industrie. In algemene zin geldt dat een kostenstijging ertoe kan leiden dat bedrijven bepaalde investeringsbeslissingen uitstellen.
De gevolgen van netcongestie worden breed gevoeld in de samenleving en de economie. Bedrijven lopen aan tegen oplopende wachtrijen voor een nieuwe of zwaardere aansluiting. Dat geldt ook voor bedrijven die een bestaande productiefaciliteit willen uitbreiden of een nieuwe faciliteit willen bouwen waarin met behulp van robotica wordt geproduceerd.
Ten aanzien van vergunningsverlening behoeft de inzet van robots in het productieproces over het algemeen geen aparte vergunning, zo lang deze aan de bestaande regels voor o.a. machines en arbeidsveiligheid voldoet. Bij de bouw van een nieuwe productiefaciliteit of een aanpassing van een fabriekshal moet een ondernemer soms wel een vergunning aanvragen, bijvoorbeeld onder de Omgevingswet.
Kunt u in kaart brengen in welke mate Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten?
Het kabinet houdt niet centraal bij in welke mate individuele Nederlandse maakbedrijven afhankelijk zijn van niet-Europese leveranciers van industriële robots, sensoren, controllers, AI-software en cloud- of operationele technologiecomponenten.
Wel brengt de interdepartementale Taskforce Strategische Afhankelijkheden (TFSA) risicovolle strategische afhankelijkheden (RSAs) in kaart op nationaal niveau. In de kabinetsaanpak en voortgangsbrieven Strategische Afhankelijkheden en de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) geeft het kabinet aan dat op basis van deze (RSA) analyses handelingsopties worden ontwikkeld om risico’s te mitigeren, zoals diversificatie van leveranciers, versterking van Europese productiecapaciteit, versterking van publiek-private samenwerking en strategische voorraden.
Ook op Europees niveau wordt gewerkt aan het mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden, onder meer via Europese risicobeoordelingen van kritieke technologieën. Daarbij is ook aandacht voor risico’s van extraterritoriale wetgeving, en voor het versterken van de Europese digitale en technologische weerbaarheid.
De specifieke uitkomsten van de RSA-analyses zijn vanwege gevoeligheden niet openbaar.
Welke inzet pleegt het kabinet op het gebied van standaardisatie en interoperabiliteit bij industriële robotica en hoe wordt vendor lock-in daarbij voorkomen?
Er is geen specifieke kabinetsinzet ten aanzien van standaardisatie voor industriële robotica. In bredere zin sluit de inzet van het kabinet rondom standaardisatie aan op het Europese beleid, zoals de Europese Normalisatiestrategie.12 Zo zet het kabinet bij herziening van de Normalisatieverordening in 2026 in op het sneller ontwikkelen van Europees geharmoniseerde standaarden. Daarnaast zet het kabinet in op het vergroten van de Nederlandse en Europese invloed binnen internationale standaardisatieorganisaties om zo invloedrijk te blijven op internationaal toneel.
Hoe beoordeelt het kabinet de rol van open-sourcecomponenten in industriële robotica, mede in het licht van beheerkosten, aansprakelijkheid en cybersecurity?
Open source is een concept dat vooral een rol speelt bij de ontwikkeling en distributie van software, inclusief robotica software. Het kabinet staat in beginsel positief tegenover open source software omdat dit de mededinging, leveringszekerheid en innovatie ten goede kan komen. Tegelijkertijd kan ook commerciële software, waarbij de broncode van software proprietary is, een bijdrage leveren aan het borgen van deze publieke belangen, dus ook in de ontwikkeling van robotica software. In de praktijk zal de toepassing van open source componenten case-by-case bepaald moeten worden op zijn merites. De veiligheid en daarmee de kosten van de ontwikkeling van (open source) software worden uiteindelijk bepaald door de kwaliteit van de ontwikkelings- en onderhoudsprocessen.
Welke ondersteuning is of wordt beschikbaar gesteld aan maakbedrijven, in het bijzonder mkb-bedrijven, om verbonden robots en andere operationele technologie-systemen cyberveilig in te richten en te beheren?
Het is in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid van bedrijven om hun bedrijfsprocessen cyberveilig te houden, als onderdeel van de bredere verantwoordelijkheid voor hun eigen bedrijfsvoering. Daarnaast is er ook een rol voor de overheid in het ondersteunen van bedrijven in cyberveiligheid en weerbaarheid. Nationaal Cybersecuritycentrum (NCSC)13 biedt één loket voor bedrijven met een breed scala aan bronnen om de digitale weerbaarheid van alle bedrijven in Nederland te versterken. Op grond van de subsidieregeling «Mijn Cyberweerbare Zaak» kunnen kleinere mkb-er tot 50 medewerkers subsidie krijgen voor het nemen van cybersecuritymaatregelen. Daarnaast onderzoekt het kabinet een passend vervolg op de subsidieregeling «Versterken Cyberweerbaarheid», die was gericht op het creëren van samenwerkingsverbanden en het stimuleren van uitwisseling van kennis en kunde over cyberweerbaarheid.
Daarbij moeten aanbieders van producten met digitale componenten (alle hardware, software en componenten) die na 11 december 2027 op de markt komen in het kader van de Europese Cyber Resilience Act aan essentiële cybersecurityvereisten gaan voldoen en actief informatie over incidenten en kwetsbaarheden gaan delen. De uitvoeringswet van de verordening die dit gaat regelen is aangeboden aan Staten-Generaal. Het aannemen van deze wet maakt het onder andere mogelijk voor de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur (RDI) om markttoezicht te houden op fabrikanten, importeurs en distributeurs van digitale producten en voor het NCSC om een meldpunt in te richten voor incidenten en geëxploiteerde kwetsbaarheden.
Beschikt het kabinet over een actuele raming van de behoefte aan personeel met kennis van robotica, systeemintegratie, onderhoud, data en operationele technologie-cybersecurity in de maakindustrie? En sluiten de huidige mbo-, hbo- en wo-opleidingen en bestaande om- en bijscholingsinstrumenten daarop aan?
Nee. Het kabinet monitort het tekort aan technisch geschoold personeel via het Actieplan Groene en Digitale Banen. Er is met name een kwantitatieve mismatch tussen het aanbod van technisch geschoolden en de vraag op de arbeidsmarkt. Dat komt onder meer door de vergrijzing, toenemende vraag naar technisch geschoold personeel en minder leerlingen en studenten die kiezen voor een bèta- of techniekopleiding. In 2023 was 18,6% van de studenten ingeschreven in bèta- of technische opleiding, aanzienlijk minder dan het EU gemiddelde 26,9%.14
Het tekort aan talent, waaronder bètatechnici, is een belangrijke belemmering voor het Nederlandse verdienvermogen. Dit constateert ook het rapport Wennink. Alleen meer leerlingen en studenten opleiden voor technische beroepen is onvoldoende om het tekort terug te dringen. Het kabinet werkt daarom aan een nationale talentstrategie. Binnen deze strategie worden instrumenten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, productiviteit, gerichte migratie en fiscaliteit nadrukkelijker gericht op sectoren die cruciaal zijn voor het toekomstige verdienvermogen van Nederland. Uw kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de Talentstrategie.
Hoe verbindt het kabinet civiele robotisering in de maakindustrie met dual-use toepassingen en de versterking van de Nederlandse defensie-industrie?
Robotisering in de civiele maakindustrie kan worden toegepast in de defensie- en dual-use industrie door relevante best practices uit het civiele domein toe te passen voor defensieproductie. Voorbeelden die al eerder publiekelijk zijn gedeeld, zijn o.a. de productie van defensiematerieel door VDL en de samenstelling en productie van onderdelen van militaire satellietcapaciteit door de bestaande toeleveringsketen van hoogwaardige productiemethoden uit de semicon industrie in te zetten.
Bent u bereid de Kamer een integrale kabinetsreactie op dit rapport van TNO te sturen, waarin in ieder geval wordt ingegaan op het aspect of een nationale robotiseringsagenda noodzakelijk is?
Ik zie geen aanleiding voor een integrale reactie, te meer daar ik in onderhavige antwoorden al ben ingegaan op diverse aspecten die in dit rapport aan bod komen. Wat betreft een nationale robotiseringagenda wordt robotisering in ieder geval meegenomen in de gerichte programma’s van het industriebeleid met focus, in het bijzonder in de programma’s machinebouw en digitale diensten en AI. Daarnaast co-financiert het kabinet de productiviteitsagenda Smart Industry van de FME, Metaalunie en TNO tot en met 2028. Ik geef de voorkeur aan een gefocuste integrale aanpak boven een veelvoud aan aparte agenda’s.
Kunt u iedere vraag afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Ja.
De hack bij ChipSoft dat software levert voor Nederlandse zorginstellingen |
|
Marc Vervuurt (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts , Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de cyberaanval op ChipSoft, leverancier van elektronische patiëntendossiers voor een groot deel van de Nederlandse zorginstellingen?1
Ja.
Kunt u een actueel beeld geven van de aard, omvang en impact van deze aanval, en welke patiënten hierdoor zijn geraakt?
Het Ministerie van VWS onderhoudt geen klantrelatie met Chipsoft en is daarmee geen onderdeel van de informatievoorziening van Chipsoft naar zijn klanten. Uit informele contacten heb ik begrepen dat Chipsoft momenteel samen met een extern team van cybersecurity-experts forensisch onderzoek uitvoert om de oorzaak, omvang en bron van het incident vast te stellen. Naar ik begrepen heb zijn uit voorzorg de verbindingen sinds 8 april 20:00 uur met patiëntportalen die door ChipSoft worden gehost, verbroken. Dit betreft Zorgportaal, HiX Mobile2 en het Zorgplatform. Deze zijn hierdoor tijdelijk niet beschikbaar. Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack ook gegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april 2026 geïnformeerd. De resultaten van het forensisch onderzoek, die van belang zijn voor de hersteloperatie bij zorginstellingen, zullen, zo heeft ChipSoft ons doen laten weten, zo snel mogelijk worden gecommuniceerd. In de tussentijd ondersteunt Z-CERT, als expertisecentrum cybersecurity in de zorg, en biedt hulp aan ChipSoft voor analyse, communicatie en incidentmanagement. Z-CERT informeert en adviseert haar deelnemers over deze situatie.
In hoeverre heeft deze aanval gevolgen (gehad) voor de continuïteit van zorg, bijvoorbeeld door verminderde toegang tot patiëntgegevens, vertragingen in zorgverlening of het moeten overschakelen op noodprocedures?
Ik heb van de betrokken zorginstellingen begrepen dat de zorgprocessen doorlopen en zorgverleners bij de gegevens van patiënten kunnen. Patiënten kunnen echter wel hinder ondervinden bij het online maken van afspraken, dit gaat nu telefonisch. Daarnaast kunnen patiënten momenteel niet zelf hun dossier inzien Ook is er met name impact op de uitwisseling van gegevens. Tussen zorgverleners, zoals huisarts en ziekenhuizen, kunnen verwijzingen niet goed plaatsvinden. Echter, ziekenhuizen zijn voorbereid op dit soort incidenten en zij hebben hiervoor noodprotocollen die ook in werking zijn getreden. Hierdoor kunnen veel zorgprocessen doorlopen, maar vaak met een noodzakelijke extra inzet van personeel. Deze situatie kan daarmee maar voor een beperkte periode bestaan. Inmiddels zo begreep ik is er sinds vrijdag 17 april weer sprake van het opstarten van functionaliteiten, nadat deze veilig zijn bevonden.
Zijn er aanwijzingen dat patiëntgegevens zijn ingezien, buitgemaakt of anderszins gecompromitteerd? Hoe wordt dit onderzocht en wanneer verwacht u hierover duidelijkheid te kunnen geven?
Op donderdag 16 april heeft ChipSoft gecommuniceerd met haar klanten dat er bij de hack patiëntgegevens zijn gestolen. Hierover heb ik de Kamer, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, in een Kamerbrief op 21 april geïnformeerd. Ik vind dit een zeer ernstige zaak. ChipSoft moet alles uit de kast halen en de volle verantwoordelijkheid nemen om snel en zorgvuldig te onderzoeken en duidelijkheid te creëren voor patiënten en zorgverleners, zodat mensen weten of hun data gestolen is en om welke data het gaat.
Hoe beoordeelt u de sterke afhankelijkheid van een beperkt aantal commerciële leveranciers voor cruciale zorg-IT, en hoe worden de risico’s daarvan beperkt?
Op verzoek van de toenmalige Minister van VWS heeft de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in januari 2025 een rapport uitgebracht: «Sturing op kwaliteit en betaalbaarheid zorg-ICT». Daarin staat dat onder andere in de ziekenhuiszorg een paar grote leveranciers de markt domineren. Deze concentratie van marktmacht zorgt ervoor dat er minder concurrentie is, wat de prijzen op kan drijven en innovatie kan vertragen. Ook in de Definitieve leidraad goedwerkende markten voor zorg-ICT van de ACM3 staat dat het voor nieuwe, innovatieve spelers moeilijk is om voet aan de grond te krijgen, omdat zorginstellingen huiverig zijn om risico's te nemen door met kleine of nieuwe partijen in zee te gaan. Bovendien wordt toetreding tot de Nederlandse markt van nieuwe buitenlandse leveranciers bemoeilijkt door de complexe, internationaal niet te vergelijken bekostigingssystematiek in de zorgsector. Een te grote eenzijdige afhankelijkheid kan risico’s met zich brengen voor de continuïteit van zorg. Zorginstellingen zijn zelf verantwoordelijk om deze risico’s in kaart te brengen en keuzes te maken om invulling te geven aan hun digitale autonomie.
Ik ben echter ook van mening dat de ontwikkeling naar een European Health Data Space (EHDS) bij kan dragen om de markt toegankelijker te maken voor EPD-leveranciers. Om dat te bereiken worden er bijvoorbeeld op Europees niveau harmoniserende regels gesteld aan interoperabiliteit tussen de EPD-systemen en het verplicht maken van een loggingsmechanisme voor gebruik van gegevens door zorgverleners. Ook wordt gekeken hoe het toezicht versterkt kan worden. In de brief Voortgang agenda databeschikbaarheid van 20 januari 20264 is de stand van zaken over de zorg-ICT-markt uiteengezet. Om de risico’s te beperken ga ik de komende tijd aan de slag om te bezien hoe de bewustwording en kennis en expertise bij bestuurders over zorg-ICT vergroot kan worden. Daarnaast wordt samen met partijen onderzocht hoe het inkoopproces verbeterd kan worden en zal er samen met overheidspartijen met een regulerende of toezichthoudende rol in het zorgveld een zogenoemde signaleringstafel worden opgezet waar signalen aangaande zorg-IT kunnen worden gedeeld en vanuit bestaand instrumentarium kan worden bekeken of en zo ja welke (gezamenlijke) interventie gewenst is.
Welke eisen worden momenteel gesteld aan leveranciers van zorg-IT op het gebied van cybersecurity, weerbaarheid en continuïteit, en in hoeverre zijn deze eisen voldoende gezien de kritieke rol van deze partijen voor ons zorgsysteem?
Nederlandse zorgaanbieders zijn momenteel wettelijk verplicht om te voldoen aan de norm voor informatiebeveiliging in de zorg, de NEN 7510. De NEN 7510 geeft richtlijnen voor controlemaatregelen en stelt eisen aan het informatiebeveiligingssystemen. De norm vereist ook beheersmaatregelen voor bedrijfscontinuïteit en bereikbaarheid. Bij de inzet van ICT-producten die medische gegevens verwerken, eisen zorgaanbieders van de softwareleveranciers van deze ICT-producten dat ook zij voldoen aan de NEN 7510. Softwareleveranciers dienen dit aan te tonen met een certificaat. Daarnaast zullen aanvullende eisen voor cyberweerbaarheid worden gesteld in de NIS2 richtlijn die wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. Ik ga hier verder op in bij vraag 8. De EHDS draagt bij aan toegankelijkheid van de zorg-ICT-markt in Nederland en Europa en betere databeschikbaarheid. Deze verordening gaat de nieuwe eis stellen dat EPD-systemen aan de kaders rondom cyberveiligheid moeten gaan voldoen conform de Cyberweerbaarheidsverordening5.
In hoeverre zijn zorginstellingen verplicht of gestimuleerd om scenario’s uit te werken voor uitval van essentiële IT-systemen, en hoe wordt geborgd dat zorgverlening doorgang kan vinden bij langdurige verstoringen?
Het doen van een risicoanalyse is onderdeel van de norm voor informatieveiligheid in de zorg (NEN7510). Aan deze norm dienen zorgaanbieders aantoonbaar te voldoen. Bij het werken volgens de norm hoort ook het nemen van maatregelen om uitval (door bijvoorbeeld een cyberincident) te voorkomen en de impact te beperken. Een belangrijk onderdeel van de norm is bovendien dat er plannen worden gemaakt voor bedrijfscontinuïteit bij onverwachte verstoringen of uitval en dat deze periodiek getest, geëvalueerd en verbeterd worden.
Hoe wordt binnen het beleid rond de implementatie van de NIS2-richtlijn specifiek rekening gehouden met de afhankelijkheid van de zorgsector van externe IT-leveranciers?
De NIS2 richtlijn wordt omgezet in de Cyberbeveiligingswet en het Cyberbeveiligingsbesluit. In de Cyberbeveiligingswet is in artikel 10 opgenomen dat de organisaties die onder deze wet vallen verplicht zijn om beleid vast te stellen over de beveiliging van de toeleveringsketen. Dit betekent dat de zorgaanbieders die onder de reikwijdte vallen niet alleen hun eigen netwerk- en informatiesystemen op orde hebben, maar ook die van hun rechtstreekse leveranciers periodiek toetsen. Daarnaast zullen IT-leveranciers ook rechtstreeks onder de reikwijdte van de wet vallen, onder de sector digitale infrastructuur.
Ziet u aanleiding om aanvullende eisen te stellen aan leveranciers van kritieke zorg-IT, bijvoorbeeld op het gebied van redundantie, interoperabiliteit of exit-strategieën, zodat zorginstellingen minder kwetsbaar zijn bij uitval of incidenten?
Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor de afspraken die gemaakt worden met hun ICT-leveranciers. Uit deze verantwoordelijkheid volgt dat zij handelingsperspectieven moeten opstellen op basis van de individuele risicoafwegingen en passend bij de eigen context. In de NEN7510 is de verplichting opgenomen een risicobeoordeling uit te voeren en digitale afhankelijkheden in kaart te brengen. Daarnaast verplicht de Cyberbeveiligingswet (Cbw) organisaties, waaronder zorgaanbieders, om hun leveranciersketen in kaart te brengen en om aan de leveranciers in die keten informatiebeveiligingsnormen te stellen.
In hoeverre wordt gewerkt aan het verminderen van single points of failure in de digitale infrastructuur van de zorg, en welke concrete stappen worden gezet om diversificatie en alternatieven te stimuleren?
Er wordt vanuit verschillende projecten en programma’s gewerkt aan het realiseren van een duurzaam en veilig gezondheidsinformatiestelsel. Bij de totstandkoming van dit stelsel is het uitgangspunt dat er sprake is van een federatief stelsel waarbij data aan de bron blijft. Voor vertrouwen in het gebruik van gezondheidsgegevens zijn enkele (centrale) vertrouwenscomponenten noodzakelijk. Om te waarborgen dat deze voorzieningen geen centrale point-of-failure worden, is bij de realisatie van de techniek rekening gehouden met de mogelijkheden om de data te kunnen repliceren zonder dat daarmee de betrouwbaarheid van data in het geding komt. Zo wordt het Landelijk Register Zorgaanbieders (LRZa) ingericht om adresseerbare punten per zorgaanbieder op te kunnen vragen zodat de decentrale punten direct met elkaar kunnen uitwisselen. Om te voorkomen dat dit een single-point-of-failure wordt, is er synchronisatie van gegevens mogelijk zodat de adresseerbare punten periodiek kunnen worden geharmoniseerd zonder dat dit de betrouwbaarheid van de gegevens in het geding brengt.
Zoals beschreven bij vraag 5 worden er bij de European Health Data Space- verordening regels opgelegd aan leveranciers om de EPD-markt beter te laten functioneren en concurrentie en innovatie te bevorderden. Daarmee wordt het voor nieuwe toetreders aantrekkelijker om toe te treden tot de Nederlandse markt. Ook wordt ingezet op een betere vraagbundeling en vraagarticulatie en het verbeteren van het inkoopproces.
Welke andere lessen trekt u uit dit incident voor de bredere digitalisering van de zorg, met name op het gebied van digitale autonomie, en hoe worden deze lessen vertaald naar concreet beleid?
Digitale veiligheid is nooit voor honderd procent te garanderen en dit soort aanvallen zijn nooit helemaal te voorkomen. Wat we wel gezamenlijk kunnen doen, is de risico’s zoveel mogelijk beperken en ervoor zorgen dat eventueel misbruik snel wordt gesignaleerd en doeltreffend wordt aangepakt. Ik vind het belangrijk dat zorgaanbieders regie nemen over hun digitale autonomie. Bij digitale autonomie hoort een inzicht én keuzes jegens kwetsbaarheden in veiligheid, maar ook in eenzijdige afhankelijkheden van dominante marktpartijen. Dit vraagstuk is niet specifiek voor de zorg. Hier kan de zorg dus inspiratie putten uit stappen die in andere sectoren gezet worden. Zonder in contractuele verplichtingen te willen treden, zie ik het als mijn taak de zorgsector in deze bredere maatschappelijke beweging mee te krijgen.
Kunt u de Kamer op korte termijn informeren over de uitkomsten van het onderzoek naar deze aanval, inclusief de implicaties voor het beleid rondom digitale weerbaarheid in de zorg?
In eerste instantie is ChipSoft zelf verantwoordelijk om te communiceren over de bevindingen van het forensisch onderzoek dat zij momenteel, in samenwerking met cybersecurity-experts, laten uitvoeren. Ik volg de zaak uiteraard nauwlettend. Mocht de rapportage van ChipSoft aanleiding zijn voor mij om vanuit mijn systeemverantwoordelijkheid aanvullende acties te ondernemen dan zal ik uw Kamer hierover informeren.
Het bericht 'Nederlands grootste pensioenfonds stapt uit techbedrijf dat zaken doet met ICE' |
|
Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Aerdts |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u het besluit van het grootste Nederlandse pensioenfonds (ABP) om zich terug te trekken uit Palantir vanwege zorgen over mensenrechten en ethisch verantwoord investeren?1
Een pensioenfondsbestuur is verantwoordelijk voor het beleggingsbeleid bij een pensioenfonds en ik geef daar geen oordeel over. Voor beleggingen zijn pensioenfondsen gehouden aan de prudent person regel. Deze regel stelt dat het vermogen in het belang van de deelnemers en pensioengerechtigden moet worden belegd. ABP weegt daarin tal van aspecten af, waaronder rendement, risico, kosten, ethische aspecten, mensenrechten en duurzaamheid. Deze afwegingen en de uiteindelijke investeringsbeslissingen die daaruit volgen zijn aan het ABP-bestuur.
Deelt u de zorg dat afhankelijkheid van buitenlandse technologiebedrijven zoals Palantir de digitale soevereiniteit van Nederland kan ondermijnen? Zo nee, waarom niet?
Het voorkomen en waar nodig mitigeren van risicovolle strategische afhankelijkheden in digitale technologie is een prioriteit van het kabinet. Daarbij wordt gekeken naar alle lagen van de digitale stack. Versterking van onze positie op AI heeft een centrale plek in verschillende beleidskaders, zoals de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie en de Nationale Technologiestrategie. Hiertoe neemt het kabinet stimulerende maatregelen (promote), beschermende maatregelen (protect) en maatregelen tot het verdiepen van internationale samenwerking (partnership).
Kunt u uiteenzetten waar binnen de overheid de diensten en producten van Palantir worden gebruikt en waarvoor deze worden ingezet? Zo nee, waarom niet?
In antwoord op diverse Kamervragen van het lid Van Houwelingen (FvD),2, evenals van de leden Van Vroonhoven en Six Dijkstra,3 is aangegeven dat op dit moment alleen de politie en Defensie gebruik maken van Palantir.
De politie gebruikt de software van Palantir enkel binnen de zogenaamde «Raffinaderij». «De Raffinaderij» is een analyseomgeving waar Palantir onderdeel van uitmaakt. Deze wordt alleen aangewend voor de bestrijding van zware en georganiseerde criminaliteit en het voorkomen van aanslagen.
Binnen de Nederlandse krijgsmacht wordt gebruik gemaakt van de Palantir-software in het kader van interoperabiliteit tussen NAVO-partners ter ondersteuning van het militaire optreden.
Hoe beoordeelt u het gebruikmaken door Nederlandse (semi-)overheidsorganisaties van technologie van bedrijven zoals Palantir, waarover ernstige zorgen bestaan over betrokkenheid bij mensenrechtenschendingen? En op welke gronden wordt dit beoordeeld?
Het kabinet zal zich immer inzetten voor de bescherming van mensenrechten en de democratische rechtstaat, ook bij de inzet van technologie zoals AI. Daarbij heeft het kabinet ook aandacht voor de mogelijk discriminerende aspecten van technologie, en het beschermen van de democratie.
Welke ethische kaders hanteert het kabinet bij de inkoop en inzet van data-analyse- en AI-systemen van commerciële partijen zoals Palantir, en hoe worden deze kaders in de praktijk toegepast en gehandhaafd?
Vanuit de Nederlandse Digitaliseringsstrategie (NDS) werk ik aan een AI-inkoopaanpak. Hierin worden de inzichten uit de ethische kaders omtrent algoritmen en AI vanuit de overheid gebundeld, zoals het Algoritmekader en de leidraad van de Community of Practice Digitale Innovaties vanuit het Expertisecentrum Aanbesteden PIANOo. Daarin wordt bijvoorbeeld aangespoord een Fundamental Rights Impact Assessment (FRIA) uit te voeren, wat volgens de AI-verordening verplicht wordt bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het Impact Assessment Mensenrechten en Algoritmes (IAMA). De uitkomsten van een IAMA kan leiden tot het treffen van maatregelen om mensenrechten te beschermen door de opdrachtgever of opdrachtnemer. In het Commissiedebat Digitaliserende overheid van 29 januari 2026 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties en Digitale Zaken toegezegd dat deze AI-inkoopaanpak in 2026 met uw Kamer zal worden gedeeld.
Welke concrete waarborgen, zoals toezicht, impact assessments en transparantiemechanismen, worden ingezet om te voorkomen dat het gebruik van dergelijke technologie leidt tot discriminatie, profilering of schending van privacyrechten?
Voorafgaand aan een voorgenomen gegevensverwerking, al dan niet door een leverancier van diensten, wordt een data protection impact assessment (DPIA) uitgevoerd om de risico’s voor de rechten en vrijheden van betrokkenen in kaart te brengen. Beoordeeld wordt welke (aanvullende) maatregelen getroffen moeten worden om eventuele risico’s voor de bescherming van persoonsgegevens en de rechten en vrijheden van betrokkenen zoveel mogelijk te mitigeren. In geval van doorgifte van persoonsgegevens aan landen buiten de EER wordt een data transfer impact assessment (DTIA) uitgevoerd, om te beoordelen of het betreffende land of internationale organisatie een passend beschermingsniveau waarborgt. Zoals eerder gemeld, wordt de FRIA volgens de AI-verordening verplicht bij hoog-risico AI-systemen. Een mogelijke invulling van zo’n FRIA is het IAMA. Wat de verantwoorde en transparante inzet van algoritmen en AI binnen de overheid betreft, wordt daarnaast ook ingezet op instrumenten als het Algoritmeregister en het Algoritmekader. In mijn brief aan de Kamer van 20 april heb ik u tevens geïnformeerd over de wijze waarop het kabinet voornemens is het toezicht op de naleving van de Europese AI-verordening vorm te geven.4
Bij een verwerking van persoonsgegevens door een leverancier worden met deze leverancier afspraken gemaakt over de naleving van de mitigerende maatregelen. Deze maatregelen gelden voor de gehele toeleveranciersketen. De verwerkingsverantwoordelijke kan bij de leverancier informatie opvragen over de naleving van de betreffende maatregelen. Het uitvoeren van dergelijke assessments is een verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke.
Bent u bereid om aanvullende richtlijnen of toetsingskaders te ontwikkelen voor samenwerking met technologiebedrijven die actief zijn in veiligheids- en surveillancedomeinen, die de digitale soevereiniteit ten goede komen? Zo nee, waarom niet?
In de NDS wordt onder de versneller versterking digitale weerbaarheid en digitale autonomie tevens gewerkt aan kaders die de digitale autonomie ten goede komen. Deze kaders worden sectorneutraal opgesteld, waardoor deze kaders naast het veiligheids- en surveillancedomein, ook in andere situaties gebruikt kunnen worden.
Bent u bereid om, in navolging van het besluit van ABP, voortaan expliciet en vooraf te toetsen of samenwerkingen met technologiebedrijven zoals Palantir verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen, en deze toets openbaar te maken? Zo nee, waarom niet?
Zoals uit de voorgaande antwoorden ook blijkt zijn er diverse instrumenten, of worden deze op dit moment ontwikkeld, waarmee getoetst wordt of, op welke wijze en met welke eventuele aanvullende maatregelen bepaalde diensten verenigbaar zijn met Nederlandse en Europese normen. Het openbaar maken van dergelijke toetsen is aan de opdrachtgevende organisatie zelf, maar is niet wettelijk verplicht. Er kunnen moverende redenen zijn om dit ook niet te doen.
Zou u deze vragen afzonderlijk van elkaar kunnen beantwoorden?
Ja.