De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
Het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
In mijn brief van 23 april 20262 heb ik aangegeven dat het doel van het evaluatieonderzoek was om te beoordelen in hoeverre de akkoorden als instrument hebben geleid tot veranderingen in de totstandkoming en uitvoering van sportbeleid op zowel landelijk als lokaal niveau. Daarbij hebben de onderzoekers expliciet gekeken naar de werking van zo’n breed akkoord en het structurele en duurzame karakter van deze verandering, met bijzondere aandacht voor de samenwerking tussen partijen. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij het maken van toekomstig sport- en beweegbeleid van 2027 en verder.
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg van het Sportakkoord?
Nee, de evaluatie geeft geen kwantitatieve schatting van hoeveel mensen meer zijn gaan sporten of bewegen door het Sportakkoord. De evaluatie richt zich op de veranderingen in de organisatie, samenwerking en uitvoering die beogen de sport- en beweegdeelname te vergroten. Sinds de start van het Sportakkoord in 2018 hebben bijna alle gemeenten lokale akkoorden gesloten met activiteiten gericht op de lokale context. Hoewel ontwikkelingen in sport- en beweegdeelname landelijk worden gemonitord, is het niet mogelijk om vanuit die lokale activiteiten het effect op sport- en beweegdeelname van het Sportakkoord als instrument in zijn geheel te kwantificeren.
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Het strategisch kader topsport wordt gebruikt om het beleid en de activiteiten van NOC*NSF inclusief de sportbonden, de Vereniging Sport Gemeenten (VSG) inclusief de gemeenten en de rijksoverheid (het Ministerie van VWS) beter op elkaar af te stemmen. Daarmee werken we aan ons gezamenlijk doel om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid. Door te vertrekken vanuit een gezamenlijke ambitie en strategie, worden investeringen en activiteiten versterkt, worden er geen activiteiten dubbel gedaan en is er zicht op de ontwikkelingen in de topsport. Voorbeelden hiervan zijn:
Met het strategisch kader topsport is er één gezamenlijke lange termijn koers uitgezet voor de topsport, die gemonitord wordt via de monitor Topsport in Nederland (TiN).
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Maatschappelijke verandering, ook in de topsport, kan alleen ontstaan en worden geborgd als die door relevante partijen wordt gezien, gevoeld en gedragen. Het Sportakkoord, met het strategisch kader, is een instrument om de beweging op gang te brengen om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten. Daarnaast gaat het om een lange termijn strategie die niet vanzelfsprekend tot direct meetbare resultaten leidt. Het is dan ook moeilijk om een directe causale relatie te leggen tussen het akkoord en de concrete uitkomstmaten zoals tevredenheid van sporters, betere prestaties en meer positieve maatschappelijke impact.
Echter, de afgelopen jaren zijn er, vanuit het strategisch kader, diverse activiteiten gestart. Zo ontwikkelt NOC*NSF een nieuw voorzieningenmodel voor topsporters en geeft het topsportcultuuronderzoek concrete aandachtpunten om de tevredenheid van sporters te vergroten. Daarnaast worden niet alleen de Olympische en Paralympische gouden medailles ondersteund, maar worden andere topsportprestaties zoals wekelijkse competities ook ondersteund. Bijvoorbeeld via het programma ««Versterken top teamsportcompetities en topclubs 2032».
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke thema’s plaats»?
Als het gaat om de organisatie en uitvoering van het Sportakkoord als geheel, is het beperkt gelukt om breedte- en topsport bij elkaar te brengen. Er zijn nog steeds twee coördinatieteams en de looptijd van de afspraken verschilt.3 Dit had te maken met een aantal belangrijke verschillen tussen breedte- en topsport zoals de positie en rol van de betrokken partijen, de landelijke (topsport) of lokale (breedtesport) oriëntatie en de reikwijdte van de gemaakte afspraken.
Dat neemt echter niet weg dat bij een aantal concrete thema’s voortgang is geboekt om breedte- en topsport met elkaar te verbinden, zoals:
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen? Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Het verbeteren van de samenwerking tussen gemeenten en verenigingen leidt tot veel initiatieven. In het evaluatierapport zijn verschillende concrete consequenties benoemd:
Daarnaast zie ik dat het versterken van de samenwerking tussen gemeenten en sportverenigingen een belangrijke conditie is om sportverenigingen te kunnen ondersteunen. Met betrokken partijen ben ik in gesprek over hoe de opgebouwde netwerken en samenwerking uit het Sportakkoord ook na afloop daarvan kunnen worden geborgd.
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering, zoals beschreven op pagina 5?
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt in toename in sporten en bewegen?
Ik verwijs hiervoor graag naar het antwoord op vraag 2. Het is niet mogelijk om de doelmatigheid en doeltreffendheid uit te drukken in toename in sporten en bewegen. De daadwerkelijke toename van sport- en beweegdeelname was geen expliciete doelstelling van het Sportakkoord.
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Binnen het Sportakkoord worden de middelen zowel lokaal als landelijk ingezet, juist om die verbinding te maken tussen lokaal en regionaal. Bij de start van Sportakkoord I waren de adviseurs lokale sport woordvoerders van de sport richting het lokale veld en de regionale netwerken. Vanuit die rol konden adviseurs lokale sport de sport lokaal versterken en aan tafel helpen bij besluitvormingsprocessen over te voeren sport- en beweegbeleid. In Sportakkoord II fungeren adviseurs lokale sport als verbindende schakel tussen landelijk en lokaal en het ondersteunen van de totstandkoming van lokale netwerken voor clubondersteuning. Dit leidt tot een landelijk dekkend netwerk van clubondersteuning aan het eind van dit jaar.
Sportakkoord II heeft, mede dankzij de financiering zoals de Brede SPUK, ervoor gezorgd dat verbinding met de lokale en regionale netwerken ook binnen andere domeinen zoals het onderwijs en het sociaal domein te maken zijn. De inzet van middelen op de verschillende niveaus maakt juist dat het instrument Sportakkoord heeft gewerkt in het leggen verbindingen en samenwerkingen. Dit is een belangrijke basis om de sport- en beweegsector verder te kunnen versterken.
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
De evaluatie van het Sportakkoord geeft geen inzicht in de mate waarin een gemiddelde sportclub administratieve ontlasting heeft gehad als gevolg van het Sportakkoord.
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven aandragen?
In het evaluatierapport wordt geen inzicht gegeven in de mate van tevredenheid van gemeenten. Wel wordt aangegeven dat het Sportakkoord invloed heeft gehad op het beleid bij gemeenten, gelet op de inzet van thema’s bij gemeenten zoals Sociaal veilige sport, Inclusie en diversiteit. Op uitvraag van de VSG geven gemeenten ook aan dat het werken onder een gezamenlijke vlag als het Sportakkoord helpend is om lokaal sport- en beweegbeleid verder te brengen.
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Het evaluatierapport geeft geen inzichten in de mate van tevredenheid over het Sportakkoord bij sportverenigingen. Echter, sportverenigingen die de ambitie hebben om vitaal en toekomstbestendig te willen worden én in staat zijn om een brede maatschappelijke rol te vervullen, hebben via het Sportakkoord ondersteuning kunnen krijgen via services en de sport- en beweegloketten.
Onderzoek van het Mulier Instituut4 geeft aan dat de impuls voor het ondersteuningsaanbod ertoe heeft geleid dat gemeenten zich actiever hebben gericht op clubondersteuning. Daar waar beperkte of geen clubondersteuning aanwezig was, heeft het ondersteuningsbudget ervoor gezorgd dat clubondersteuning lokaal meer op de agenda is komen te staan.
Uit navraag van NOC*NSF onder sportverenigingen, blijkt dat sportverenigingen het ondersteuningsaanbod dat ze hebben afgenomen, gemiddeld beoordelen met een 8,1. Met name het maatwerk en het kunnen inspelen op de lokale behoefte van de club, wordt als positief ervaren.
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Sportverenigingen zijn op een andere manier betrokken geweest bij de verdeling van middelen.Sportverenigingen kunnen op twee manieren in aanmerking komen voor financiële middelen:
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Het evaluatierapport geeft geen inzicht in de tevredenheid van sporters met het Sportakkoord. Wel geeft het rapport aan dat op basis van kwalitatieve gegevens het bereik van het Sportakkoord is toegenomen. Het gaat hierbij om sporters, vrijwilligers én toeschouwers. Het ontbreekt aan kwantitatieve gegevens vanwege hetgeen eerder is toegelicht bij de beantwoording van vraag 2.
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Ik verwijs hiervoor graag naar mijn antwoord op vraag 5 waarin ook de drie voorbeelden worden gegeven.
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid verschilt sterk tussen gemeenten»?
In het rapport is geconcludeerd, dat de samenwerking op lokaal niveau merkbaar is versterkt. In algemene zin is de grootste vooruitgang geboekt in het behoud van de «zachte» infrastructuur. Dit gaat om de uitbreiding van netwerken, samenwerkingsstructuren en kennisdeling. Continuïteit hiervoor berust minder op inzet van financiële middelen. De meer «harde» infrastructuren, dus de verenigingen, accommodaties, inzet van fte is ook versterkt, maar de continuïteit hiervan is kwetsbaarder. Dit heeft te maken met inzet van tijdelijke middelen in plaats van structurele middelen. Met name kleinere gemeenten hebben meer last van deze tijdelijke inzet. Vandaar dat er verschillen kunnen ontstaan tussen gemeenten.
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders, die duidelijk zijn toegenomen?
Sportverenigingen zijn tevreden over het ondersteuningsaanbod dat VWS beschikbaar stelt via Sportakkoord middelen aan sportaanbieders om hun club te versterken. Ik verwijs hiervoor verder graag naar mijn antwoord op vraag 13.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Ja.
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
De (wettelijke) rol van de NPO en die van de taak- en ledenomroepen bij de Nederlandse deelname aan het Eurovisiesongfestival |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat 400 medewerkers van de publieke omroepen de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) een brandbrief hebben gestuurd waarin staat dat zij willen dat de NPO afziet van deelname aan het Songfestival komend jaar?1
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat een meerderheid van de ledenomroepen zich afvraagt of de NPO wel de wettelijke bevoegdheid heeft om dit besluit te nemen zonder inhoudelijke instemming van de omroepen?2
Hoe heeft de NPO als taakorganisatie zonder uitzendlicentie – vooropgesteld dat de verantwoordelijkheid om wel of niet deel te nemen aan dit festival aan de omroepen is – de omroepen betrokken bij het overleg en de daaropvolgende besluitvorming over de keuze om toch wel mee te doen aan het Songfestival, mede in het licht van het gebruik dat bij gezamenlijke evenementen, zoals Serious Request en de Top 2000, besluitvorming doorgaans plaatsvindt in samenspraak met de omroepen en binnen de geëigende zender-, net- en redactiestructuren?
Klopt het beeld dat de begeleiding van een Nederlandse inzending bij het Songfestival een inhoudelijke rol betekent die duidelijk verder gaat dan zomaar het programma uitzenden en dat dit alleen door een omroep kan worden gedragen?
Klopt het dat uit de autonomie van de leden- en taakomroepen zoals deze is geregeld in artikel 2.88 van de Mediawet 2008 voortvloeit dat de NPO geen uitzendlicentie heeft en dat de NPO daarmee geen inhoudelijke en redactionele rol heeft in het bestel?3
Klopt het dat de NPO conform de wet (taak-) en ledenomroepen niet mag dwingen als zij niet willen meewerken aan het Eurovisiesongfestival en dat alleen omroepen met een uitzendvergunning verantwoordelijkheid dragen voor de inhoud en redactionele afwegingen en de begeleiding van de Nederlandse inzending bij het Songfestival?
Mocht geen enkele omroep de inhoudelijke en redactionele verantwoordelijkheid voor een Nederlandse inzending op zich willen nemen – er zijn signalen dat er nauwelijks omroepen zijn die bereid zijn de rol van AVROTROS over te nemen, nadat AVROTROS met brede steun in de samenleving een zorgvuldige afweging heeft gemaakt4 – dan kan een projectteam van de NPO zonder zendmachtiging het Songfestival toch niet inhoudelijk begeleiden?
Is bij u bekend of de NPO, nadat AVROTROS besloten had ook komend jaar geen Nederlandse inzending en uitzending te begeleiden, een andere omroep bereid heeft gevonden de volledige rol (dus niet alleen het uitzenden) op zich te nemen? Zo ja, welke omroep is dat? Zo nee, deelt u dan de mening dat deze besluitvorming indruist tegen de wettelijke rolverdeling? Kunt u daarbij ook toelichten hoe deze besluitvorming is verlopen?
Klopt het dat Nederland zich in oktober nog zonder kosten kan terugtrekken indien geen enkele omroep de rol van de AVROTROS wil overnemen? Kunt u bij de NPO navragen welke besluiten de NPO vóór die datum nog moet nemen en hen wijzen op de wettelijke rollen en bevoegdheid van de NPO enerzijds en de taak- en ledenomroepen in het publieke bestel anderzijds, conform artikel 2.88 Mediawet?5
Het bericht 'Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. ‘Als van uitstel maar geen afstel komt’' |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kinderen moeten lang wachten voor ze op zwemles kunnen. «Als van uitstel maar geen afstel komt»» en wat is uw reactie daarop?1
Deelt u de mening dat zeven maanden wachttijd voor zwemles te lang is? Zo ja, wat is volgens u een acceptabele wachttijd? Zo nee, waarom niet?
Hoe kijkt u aan tegen de vrees van de Nationale Raad Zwemveiligheid dat de diploma-ongelijkheid verder toeneemt?
Hoe gaat u voorkomen dat de portemonnee van de ouders van de kinderen gaat bepalen hoe lang deze kinderen moeten wachten voordat ze op zwemles kunnen?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn gesloten?
Kunt u een overzicht geven van alle zwembaden die de afgelopen vijf jaar zijn geopend?
Hoe kijkt u aan tegen de dalende trend in het aantal vierkante meters zwembad met het oog op deze lange wachttijden?
Bent u van mening dat de Aanpak wachtlijsten zwemles en landelijk dekkend aanbod2 heeft gewerkt, gezien het feit dat er nog steeds zulke lange wachttijden zijn?
Kunnen deze vragen worden beantwoord voordat het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Sport op 2 november 2026 plaatsvindt?
Integriteitsregels voor de Landelijke publieke omroep die niet gelijk opgaan voor de regionale omroepen |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Op welke punten gelden tegenwoordig andere regels voor de landelijke publieke omroep en voor lokale en regionale omroepen bij de governance, regelgeving, integriteit en benoeming van functionarissen, en welke verschillen blijven op deze punten bestaan als straks de wet Versterking van de uitvoering van de publieke mediaopdracht op lokaal niveau in werking treedt?1
Klopt het dat de Limburgse omroep L1 in strijd met de Handreiking Belangenverstrengeling voor alle publieke omroepen een adviesklus heeft uitbesteed aan een zakenrelatie van de van de L1-hoofdredacteur zonder hiervoor ook andere partijen te benaderen?2
Klopt het dat de Handreiking Belangenverstrengeling niet meer is dan een richtlijn «die kan dienen tot ondersteunend middel bij de invulling van hun eigen beleid».
Ziet u gronden om integriteit verschillend op te vatten, of je nu bij de publiek omroep werkt in Hilversum of in Maastricht?
Deelt u de conclusie van het commentaar van De Limburger, dat de Mediawet 2008 en gedragscodes moeten veranderen? Zo ja, wat gaat u dan op dit punt ondernemen? Zo nee, waarom niet?
De bescherming van minderjarigen tegen plegers van seksuele misdrijven |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Songül Mutluer (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , David van Weel (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving waaruit blijkt dat iemand die is veroordeeld wegens seksueel misbruik van minderjarigen, ondanks een opgelegd beroepsverbod, gedurende het hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen kan blijven werken?1
Deelt u de zorgen dat deze casus een bredere kwetsbaarheid blootlegt, namelijk de bescherming van minderjarigen, omdat iemand na een veroordeling wegens een seksueel misdrijf tegen minderjarigen nog steeds beroepsmatig toegang tot hen kan houden zolang de veroordeling niet onherroepelijk is?
Welke wettelijke mogelijkheden heeft een rechter op dit moment om na een veroordeling in eerste aanleg onmiddellijk te voorkomen dat iemand die is veroordeeld wegens een seksueel misdrijf tegen een minderjarige, in afwachting van hoger beroep beroepsmatig met minderjarigen blijft werken?
Ziet u hierin een leemte in de huidige wetgeving, waaronder de Wet seksuele misdrijven en de regels rond beroepsverboden? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of een beroepsverbod ter bescherming van minderjarigen onder strikte voorwaarden direct uitvoerbaar moet kunnen worden verklaard, met behoud van de nodige rechtsbescherming?
Klopt het dat voor dansdocenten geen wettelijke VOG-plicht geldt en zij ook niet onder een systeem van continue screening vallen? Vindt u deze situatie verantwoord voor een beroep waarin volwassenen intensief en soms één-op-één met minderjarigen werken? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid te onderzoeken voor welke beroepen en sectoren waarin volwassenen structureel met minderjarigen werken geen VOG-plicht of continue screening geldt, en of aanvullende wettelijke waarborgen voor deze beroepen noodzakelijk zijn?
Klopt het dat de Opvolgingscommissie Dansen in januari 2026 in hun rapport concludeerde dat voor 28 van de 33 aanbevelingen uit Schaduwdansen (2023) nog aanvullende maatregelen nodig waren? Zo ja, hoe beoordeelt u dan tegen die achtergrond de voortgang bij het structureel veiliger maken van de danssector?
Hoeveel publiek geld is sinds de verschijning van Schaduwdansen besteed aan de Alliantie Dans Veilig en andere maatregelen gericht op sociale veiligheid in de danssector en welke concrete en meetbare verbeteringen als het gaat om de bescherming van (minderjarige) dansers zijn met deze middelen gerealiseerd? Kunt u dit uitgebreid beantwoorden?
Kunt u specifiek aangeven hoeveel dansaanbieders inmiddels aantoonbaar werken met concrete veiligheidswaarborgen, zoals een VOG, gedragscode, onafhankelijk meldpunt en adequate opvolging van signalen en welk aandeel dit vormt van de totale danssector? Zo nee, waarom niet?
Hoe verklaart u dat, ondanks jarenlange aandacht, rapporten en publieke financiering, structurele waarborgen zoals een algemene VOG-plicht, continue screening en een sluitend systeem om personen die een risico vormen voor minderjarigen uit de sector te weren nog altijd ontbreken?
Welke concrete wettelijke en andere maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de overheid en de sector zelf preventief en structureel bescherming organiseren?
Het bericht 'Marianne Boer (80) wil een kanoclub, maar stuit op ruimtegebrek en regels' |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Inge van Dijk (CDA) |
|
Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Marianne Boer (80) wil een kanoclub, maar stuit op ruimtegebrek en regels», waarin je kunt lezen hoe verschillende vrijwilligers jarenlang bezig zijn om een initiatief van de grond te krijgen maar op allerlei manieren vastlopen?1
Herkent u dit beeld dat vrijwilligers bij het nemen van initiatief voor hun vereniging van het ene naar het andere (gemeentelijke) loket worden gestuurd?
Welke regels, verplichtingen of procedures zijn geschrapt of vereenvoudigd, sinds de Kamer op 9 september 2025 met 149 stemmen de motie-Van Dijk c.s. (Kamerstuk 30 234, nr. 416) aannam en wat merkt een vrijwillige bestuurder daar inmiddels concreet van?
Wat is de stand van uitvoering van de aangenomen motie-Van Nispen c.s. (Kamerstuk 30 234, nr. 421) en welke concrete verbeteringen heeft dit inmiddels opgeleverd voor verenigingen?
Wanneer ontvangt de Kamer het meerjarenplan regeldrukvermindering zoals bedoeld uit de motie-Van Dijk (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 66) en kunt u daarin expliciet inzichtelijk maken hoeveel regels, procedures en administratieve handelingen verdwijnen en hoeveel tijd dit vrijwilligers bespaart?
Hoe wordt de gewijzigde motie-Mohandis c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 89), over het versterken en borgen van de ombudsfunctie voor sportverenigingen, juist om vrijwilligers praktisch te ondersteunen bij onder andere problemen met gemeenten, verzekeraars en sportbonden, uitgevoerd?
Kunt u ons informeren over de status van de uitvoering van de motie-Mohandis/Van Dijk (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 63) over één toegankelijk loket voor sportverenigingen voor bouw, onderhoud en verduurzaming.?
Wat is de status van de motie Mohandis c.s. (Kamerstuk 36 410 XVI, nr. 115) die de regering verzoekt om, in samenspraak met sportverenigingen, te komen tot een meerjarige strategie voor sportverenigingen?
Hoe verklaart u dat de Kamer inmiddels meerdere breed gesteunde moties heeft aangenomen over regeldruk, clubondersteuning, accommodaties en één toegankelijk loket, terwijl vrijwilligers in de praktijk nog steeds melden jarenlang bezig te zijn, van loket naar loket te worden gestuurd en uiteindelijk zelfs overwegen hun initiatief te staken?
Bent u bereid de Kamer vóór de behandeling van de sportbegroting een overzicht te sturen van de uitvoering van bovengenoemde moties, waarbij u niet alleen beschrijft welke acties zijn ingezet, maar vooral welke concrete regeldruk voor verenigingen inmiddels is verdwenen en wat vrijwilligers daarvan in de praktijk merken?
Bent u bekend met de berichten «Ambtenaren bundelen de krachten om burgers de dwangsom af te nemen» en «We dreigen de strijd tegen een disfunctionerende overheid te verliezen»?1 2
Kunt u bevestigen dat de wettelijke dwangsom regeling in 2009 in de wet is opgenomen om burgers te beschermen tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid, waarbij burgers ervan uit moeten kunnen gaan dat de overheid zich houdt aan de gestelde wettelijke termijnen?
Deelt u de mening dat het nog steeds van groot belang is dat burgers worden beschermd tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid en dat de overheid zich nog steeds aan de wettelijke beslistermijnen zou moeten houden? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u in het licht van een goede rechtsbescherming van burgers tegen de overheid het feit dat er kennelijk plannen worden voorbereid om van de wettelijke dwangsom af te komen?
Deelt u de mening dat recente gebeurtenissen, zoals het toeslagenschandaal, de afhandeling van de schade door de gaswinning in Groningen, de grote problemen bij het UWV bij WIA-keuringen, juist extra het belang onderschrijven van de bescherming van burgers tegen onbehoorlijk gedrag van de overheid? Zo nee, waarom niet?
Hoe verhoudt het feit dat er nu kennelijk gewerkt wordt aan plannen om de wettelijke dwangsom af te schaffen zich tot eerdere conclusies van parlementaire enquêtes en kabinetsreacties hierop, rapporten van de Nationale ombudsman en andere signalen dat burgers juist te weinig beschermd worden tegen onbehoorlijk overheidshandelen?
Erkent u dat het beperken van rechtsbeschermingsmogelijkheden juist bij kunnen dragen aan verder wantrouwen van burgers jegens de overheid? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat het niet de verantwoordelijkheid van burgers is dat overheidsorganen niet in staat zijn om tijdig te beslissen? Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat burgers wel sancties opgelegd kunnen krijgen (bijvoorbeeld een verhoging van een boete bij niet tijdig betalen) of nadeel ondervinden (het bijvoorbeeld niet in behandeling nemen van een bezwaarschrift) wanneer zij zich niet aan termijnen houden, maar overheidsorganen zonder gevolgen zich niet aan wettelijke termijnen kunnen houden als de wettelijke dwangsom afgeschaft zou worden? Erkent u dat de rechtsbescherming van burgers hiermee wordt verzwakt? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat de aangekondigde taakstelling op de ambtelijke organisatie het risico met zich meebrengt dat overheidsorganen (die nu al kampen met personeelstekorten) nog vaker wettelijke beslistermijnen niet zullen halen?
Erkent u dat de rechtsbescherming van burgers nog vaker in het geding zal komen als ook de wettelijke dwangsom wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Kunt u nauwkeurig uitleggen wat de in de artikelen genoemde overheidsinstanties precies voor plannen maken ten aanzien van het beperken of afschaffen van de wettelijke dwangsom? Hebben deze overheidsinstanties hiervoor opdracht gekregen vanuit het kabinet?
Kunt u de onderliggende ambtelijke en juridische adviezen over het beperken en/of afschaffen van de wettelijke dwangsom op grond van Artikel 68 Grondwet met de Kamer delen? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat de gecoördineerde actie tegen de wettelijke dwangsom afleidt van het werkelijke probleem, namelijk overheidsorganen die steevast hun wettelijke beslistermijn niet halen? Zo nee, waarom niet?
Erkent u dat het afschaffen van de wettelijke dwangsom in het bestuursrecht ook de democratische rechtsstaat aantast, omdat burgers en bijvoorbeeld journalisten dan minder middelen hebben om openbaarheid via de Wet open overheid af te dwingen? Zo nee, waarom niet?
Hoe legt u aan burgers, die door overheden die zich niet aan de wettelijke beslistermijnen houden in de knel komen, uit dat de overheid de wet maar aanpast zodat er geen gevolgen meer zijn voor het niet houden aan de wet?
Kunt u voorgaande vragen een voor een beantwoorden binnen de gestelde termijn?
De Hitler-verheerlijking door ON! |
|
Mohammed Mohandis (PRO), Harmen Krul (CDA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u een uitzending van ON! waarin de verheerlijking van Hitler-uitspraken in een uitzending van de omroep Ongehoord Nederland1 in het licht van de zeer zware motiveringsplicht die geldt bij het intrekken van een (voorlopige) erkenning van een (aspirant)omroep2?
Op 8 september heb ik uw Kamer laten weten voornemens te zijn de voorlopige erkenning van Ongehoord Nederland (hierna: ON!) in te trekken. Dat voornemen heb ik gebaseerd op de gronden die de wet mij daarvoor geeft. Die gronden hebben geen betrekking op de inhoud van individuele uitzendingen.
Mijn beslissing van 8 september gaat over een organisatie die niet functioneert: dat staat los van het geluid of de groep die zij vertegenwoordigt.
Als stelselverantwoordelijke Minister heb ik op grond van de Mediawet 2008 in specifieke gevallen een bevoegdheid om in te grijpen door de erkenning of voorlopige erkenning van een omroep in te trekken. Dat kan ik niet zelfstandig en ik beoordeel daarbij geen individuele uitzendingen of journalistieke opvattingen. De persvrijheid is een groot goed en de Grondwet beschermt onafhankelijke media tegen overheidsingrijpen.
Hoe beoordeelt u de betrokkenheid van de heer Niemoller (die volgens zijn linkedIN-pagina en recente informatie «hoofdredacteur» is van Ongehoord Nederland) bij de verheerlijking van dergelijke Hitler-opvattingen in dit fragment?
Ik doe geen uitspraken over de inhoud van individuele uitzendingen. Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe verhoudt de boodschap van de uitzending «dat Hitler een terechte strijd voerde tegen het globalisme» zich tot de Code Journalistiek Handelen?
Laat ik vooropstellen: voor mij staat Hitler symbool voor het ongeëvenaarde en onvoorstelbare leed dat miljoenen mensen is aangedaan. Dat mogen wij nooit, maar dan ook nooit, vergeten. Ik kan mij voorstellen dat mensen aanstoot nemen aan een discussie die wordt gevoerd aan de hand van een rede van Hitler.
Verder vind ik het belangrijk om te benadrukken dat het niet aan mij als Minister is om de inhoud van een uitzending te beoordelen. Een Minister mag zich niet bemoeien met de inhoud van de journalistiek. Het is aan de ombudsman om te beoordelen hoe deze uitzending zich verhoudt tot de Code Journalistiek Handelen.
Als deze uitzending leidt tot nieuwe sancties door het Commissariaat voor de Media en/of afkeuring door de ombudsman voor de publieke omroepen, hoeveel van zulke «gele kaarten»3 kan deze omroep zich dan nog permitteren, naast de stapel aan gele kaarten die deze omroep al heeft gekregen, zonder dat u actie onderneemt en deze omroep een «rode kaart» trekt?
Zie mijn antwoord op vraag 1.
Hoe ziet u uw verantwoordelijkheid hierbij, in het licht van het feit dat alleen u op grond van Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 bevoegd bent om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken?
Ik onderken mijn verantwoordelijkheid voor het stelsel van de publieke omroep en de rol die de wet mij geeft ten aanzien van het intrekken van erkenningen als die situatie zich voordoet. Die verantwoordelijkheid heb ik ook genomen door mijn voorgenomen besluit van 8 september om de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Acht u het denkbaar dat u zo’n omroep in het nationale omroepbestel houdt, terwijl geen enkele ledenomroep nog mogelijkheden ziet voor de intensievere samenwerking met deze omroep die in het beoogde nieuwe omroepbestel noodzakelijk is4?
Zoals gezegd heb ik uw Kamer op 8 september geïnformeerd over mijn voorgenomen besluit ten aanzien van ON!. Daarmee moge duidelijk zijn dat ik op basis van de huidige wet- en regelgeving geen plek voor ON! in het publieke bestel meer zie.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóór het commissiedebat van 24 september 2026 over de landelijke publieke omroep?
Ja.
De invloed van FVD op de publieke omroep ON |
|
Mohammed Mohandis (PRO) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de berichtgeving in het televisiedocumentaire De duistere kant van Forum voor Democratie over beïnvloeding van de publieke omroep ON door de politieke partij FVD, mede in het licht van onafhankelijke journalistiek bij publieke omroepen in het algemeen en onafhankelijke nieuwsgaring en verslaglegging in het bijzonder?1
De documentaire gaat in op mogelijke beïnvloeding van ON! door Forum voor Democratie. Het is niet aan mij om te vast te stellen of daar daadwerkelijk sprake van is. Ik kan hier wel het volgende over zeggen. De publieke omroep heeft tot taak om op een redactioneel onafhankelijke manier media-aanbod te verzorgen. In dat media-aanbod mogen politieke en maatschappelijke standpunten aan de orde komen, maar politieke beïnvloeding van redactionele keuzes is in strijd met de wettelijke taakopdracht die de publieke omroepen hebben. De maatschappelijke, culturele, godsdienstige of geestelijke visie van waaruit een omroepvereniging werkt, kan overeenkomsten hebben met standpunten van politieke partijen. Maar dat is iets anders dan wanneer een omroepvereniging een spreekbuis of het propagandakanaal van een politieke partij is of wordt. Dat staat de Mediawet logischerwijs niet toe. De redactionele onafhankelijkheid is vastgelegd in de wettelijke taakopdracht van de publieke omroep en in de wettelijk verplichte redactiestatuten van de omroepen. Daarnaast geldt voor journalistiek media-aanbod de Code Journalistiek Handelen die de gezamenlijke landelijke omroepen hebben vastgesteld. Het is aan het Commissariaat voor de Media respectievelijk de ombudsman voor de publieke omroep om te beoordelen of er in strijd met de wet respectievelijk de code is gehandeld.
Klopt het beeld dat de omroep deals heeft gesloten met FVD die invloed hebben op welke gasten deze in zijn uitzendingen uitnodigt? Als dit waar is, is dit dan strijdig met de redactionele onafhankelijkheid van de omroep?
Ik heb geen informatie die duidt op het sluiten van deals. Maar als dat het geval zou zijn, dan geldt wat ik in mijn antwoord op vraag 1 heb gesteld. Een publieke omroep hoort zijn redactionele beslissingen onafhankelijk te maken en daar valt ook de keuze van gasten onder. Overigens heeft ON! in zijn eigen redactiestatuut opgenomen dat de redactie de haar opgedragen programmatische journalistieke taken uitoefent zonder rechtstreekse beïnvloeding door wie dan ook, noch van buitenaf, noch van binnenuit, en dat de redactie geen directe binding heeft met enige politieke of levensbeschouwelijke groepering of met belangengroepen, anders dan een lidmaatschap.
Klopt het dat het ledenbestand van ON is gestolen?
ON! laat desgevraagd weten op de hoogte te zijn geweest van een mogelijk datalek. Daarop heeft de omroep intern onderzoek laten doen en een melding van een mogelijk datalek gedaan bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ik kan slechts constateren dat in de documentaire van PowNed wordt gesteld dat een onbevoegd persoon over het ledenbestand van ON! zou beschikken.
In algemene zin kan toegang tot persoonsgegevens door een onbevoegde als een inbreuk op de vertrouwelijkheid gelden. Op grond van het eerste lid van artikel 33 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) dient een inbreuk in verband met persoonsgegevens (kortweg: datalek) door de verwerkingsverantwoordelijke gemeld te worden, tenzij het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk een risico inhoudt voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen.
Of heeft de omroep het ledenbestand gedeeld met FVD? Mag dit volgens de regelgeving?
Zie het antwoord op vraag 3.
Kunt u uiteen zetten hoeveel sancties de omroep heeft opgelegd gekregen en welke overtredingen deze heeft begaan volgens de NPO, de NPO-ombudsman en het Commissariaat voor de Media?
In 2022 heeft de NPO aan ON! twee sancties opgelegd. De eerste sanctie betrof een inhouding van 2,5% op het budget van ON! en volgde op een rapport van de ombudsman van 7 juni 2022 inzake overtredingen van de Code Journalistiek Handelen. De NPO oordeelde dat ON! daarmee onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking binnen de publieke omroep. De tweede sanctie betrof een inhouding van 1,5% van het budget van ON! omdat naar de mening van de NPO ON! door zijn opstelling en gedrag samenwerking belemmert en daardoor onvoldoende uitvoering heeft gegeven aan de bereidheid tot samenwerking. In 2023 heeft de NPO aan ON! een derde sanctie opgelegd in de vorm van inhouding van 3,5% van het budget van ON!, naar aanleiding van een tweede rapport van de ombudsman van 30 november 2022 waarin deze concludeert dat de Code Journalistiek Handelen door ON! structureel wordt overtreden. Volgens de NPO bleek wederom dat ON! onvoldoende uitvoering geeft aan de bereidheid tot samenwerking. Overigens heeft de NPO in 2024 de eerste twee van de drie sancties om proceseconomische redenen herroepen.
In het jaarverslag van de ombudsman kan men vinden wat de ombudsman binnenkrijgt aan aantallen klachten over de diverse omroepen. Op de website van de ombudsman staan ook de publicaties van de ombudsman naar aanleiding van klachten en vragen van het publiek. Niet elke klacht leidt tot een onderzoek en niet elk onderzoek leidt tot een harde conclusie over het al dan niet schenden van de Code Journalistiek Handelen. In meerdere uitspraken naar aanleiding van klachten over ON! heeft de ombudsman adviezen voor verbetering aangedragen. In een viertal uitspraken heeft de ombudsman scherp geoordeeld dat sprake is van schendingen van de Code. Behalve de reeds genoemde twee onderzoeksrapporten betreft het de volgende twee uitspraken. In de uitspraak van 17 augustus 2023 over de eerste uitzending van het derde seizoen van Ongehoord Nieuws op 31 januari 2023 concludeert de ombudsman onder meer dat presentatoren niet doorvroegen naar onderbouwing van beweringen van sprekers, waardoor voor goed begrip belangrijke context ontbrak en aantoonbaar onjuiste informatie niet werd gecorrigeerd. In een uitspraak van 11 februari 2026 over de uitzending van Ongehoord Nieuws van 14 oktober 2025 concludeert de ombudsman dat op meerdere punten niet aan de Code Journalistiek Handelen is voldaan: feiten, meningen en beweringen liepen door elkaar en belangrijke uitspraken werden niet onderbouwd met controleerbare bronnen. Ik merk hierbij op dat de ombudsman geen bevoegdheden heeft om sancties op te leggen.
Het Commissariaat voor de Media heeft op 18 september 2025 een bestuurlijke boete opgelegd aan ON! van in totaal € 40.000 omdat ON! op twee manieren de Mediawet 2008 heeft overtreden. Allereerst doordat in twee gevallen (de schijn van) belangenverstrengeling is ontstaan, namelijk doordat een bestuurder van ON! verantwoordelijk is geweest voor personeelsaangelegenheden van een familielid en doordat er vermenging van redactionele en (privé) politieke belangen van een medewerker heeft plaatsgevonden. Ten tweede heeft het Commissariaat geconstateerd dat ON! haar eigen redactiestatuut niet heeft nageleefd omdat een lid van de redactie van ON! directe binding had met een politieke partij (verdergaand dan alleen een lidmaatschap). Verder heeft het Commissariaat nog een last onder dwangsom opgelegd wegens het niet voldoen aan de informatieverplichting. Deze last is door ON! opgevolgd en de dwangsom is niet geïnd.
Klopt het dat u volgens de Mediawet als enige bevoegd bent om de licentie van een publieke omroep in te trekken?
Het klopt dat op grond van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 alleen de Minister bevoegd is om een (voorlopige) erkenning van een publieke omroep in te trekken.
Hoeveel van zulke «gele kaarten» kan ON zich uws inziens nog permitteren, voordat u het gepast vindt de zendmachtiging in te trekken?
Intrekken van een (voorlopige) erkenning is een zeer ingrijpende beslissing waarvoor een zeer zware motiveringsplicht geldt. Een (voorlopige) erkenning kan dan ook alleen ingetrokken worden op in de wet vastgelegde limitatieve gronden (artikel 2.33 Mediawet 2008). De wet onderscheidt daarbij gevallen waarbij er geen afwegingsruimte voor de Minister is en een (voorlopige) erkenning moet worden ingetrokken (artikel 2.33, lid 1) en gevallen waarin een (voorlopige) erkenning kan worden ingetrokken en er dus afwegingsruimte voor de Minister is (artikel 2.33, lid 2 tot en met 4). In die laatste gevallen heeft de Minister een belangenafweging te maken, waarbij in elk geval het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht) toepassing vindt. Dit betekent dat de Minister moet beoordelen of intrekking van de erkenning, gelet op het doel van de Mediawet 2008, een geschikt, noodzakelijk en proportioneel middel zou zijn. In 2023 heeft toenmalig Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap onvoldoende juridische grond gezien om tegemoet te komen aan een verzoek van de raad van bestuur van de NPO om op grond van artikel 2.33, lid 4, Mediawet 2008 de voorlopige erkenning van ON! in te trekken.
Bij de vraag of de opgelegde sancties van het Commissariaat inmiddels voldoende grondslag zijn om de voorlopige erkenning in te trekken, moeten de aard en ernst van de overtredingen en de overwegingen van het Commissariaat daarbij worden meegewogen. Ook de overwegingen en conclusies van de evaluatiecommissie NPO kunnen in de afwegingen worden betrokken. Naar aanleiding van het rapport van de evaluatiecommissie, hebben omroepen de NPO verzocht mij te vragen passende maatregelen te nemen. De NPO beraadt zich nu op dat verzoek.
Kunt u deze vragen voor het commissiedebat over de landelijke publieke omroep van 24 september 2026 beantwoorden?
Ja.
De BOSA-regeling |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bereid te kijken naar een compensatiemaatregel voor het uitvallen van de service van de BOSA-regeling, waardoor veel sportverenigingen de subsidie misliepen?
Ik ben me ervan van bewust dat de storing vervelende situaties opleverde en dat betreur ik. Bij het vasthouden aan volgorde van binnenkomst had niet iedereen een gelijke kans om hun subsidieaanvraag in te dienen. Om elke aanvrager een gelijke kans te geven heb ik dit besluit moeten nemen. Een compensatieregeling is niet aan de orde. Het doen van een aanvraag betekent nog niet dat er een recht op subsidie ontstaat.
Hoe kijkt u naar de problemen voor twee voetbalverenigingen in het Friese Lemmer die willen fuseren, maar daarbij de BOSA-subsidie nodig hebben, en deze door de loting zijn misgelopen, terwijl deze eerst wel leek toebedeeld?1
Ik kan niet ingaan op specifieke gevallen. Wel begrijp ik dat de storing voor sommige aanvragers tot teleurstellende en vervelende situaties heeft geleid. Dat betreur ik. Juist daarom vind ik het belangrijk om goed te kijken naar de gevolgen van deze storing en daar lessen uit te trekken. Daarbij zullen zowel de gebruiksvriendelijkheid van het portaal als ook de verdeelwijze van het beschikbare budget kritisch worden geëvalueerd. Aanvragers die dit jaar geen kans op BOSA-subsidie hebben kunnen ontvangen, krijgen volgend jaar opnieuw de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen.
Hoe kijkt u naar het feit dat de BOSA-regeling al jaren overvraagd is, waardoor veel sportverenigingen achter het net vissen?
De feitelijke vraag van amateursportverenigingen overstijgt al enkele jaren het beschikbare budget. De overvraging laat zien dat de behoefte aan investeringen in sportaccommodaties en -materialen groot is.
Eerder heeft NOC*NSF aangegeven2 dat er € 125 mln. nodig zou zijn voor de BOSA om tegemoet te komen aan de vraag. Ik zie geen budgettaire ruimte hier volledig aan tegemoet te komen, maar in het coalitieakkoord3 is wel opgenomen dat er geïnvesteerd wordt in de renovatie en verduurzaming van sportaccommodaties.
Ik wil verkennen hoe we binnen de financiële ruimte zo goed mogelijk recht kunnen doen aan de behoeften van sportverenigingen. Daarom stel ik een werkgroep «financiering bouw en onderhoud sportaccommodaties» in om mij te adviseren hoe ik de beschikbare middelen zo goed mogelijk in kan zetten.
Wat is volgens u het meest geschikte jaarlijkse BOSA-budget wat recht doet aan de noden van sportverenigingen in Nederland?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat een loting een zeer onwenselijke manier is om het geld toe te wijzen uit de BOSA-regeling?
De loting zal sommige aanvragers verheugen en anderen teleurstellen. Ik ben me ervan bewust dat de nieuwe volgorde vervelende situaties oplevert, dat betreur ik. Maar ook bij verdeling op volgorde van binnenkomst hadden zich door de storing ongelukkige situaties voorgedaan.
Kunt u al een doorkijk geven over hoeveel budget van het gereserveerde sportbudget uit het coalitieakkoord de komende jaren naar de BOSA-regeling gaat?
De inzet van het gereserveerde budget voor sport uit het coalitieakkoord vormt onderdeel van de bredere besprekingen over de inzet van coalitieakkoord-middelen. Deze gesprekken lopen op dit moment. De Kamer zal uiterlijk op Prinsjesdag geïnformeerd worden over de inzet van deze middelen.
Bent u bereid in gesprek te gaan met sportverenigingen en de RVVB over de ernst en omvang van de problemen rondom de BOSA-regeling en te kijken naar het meldpunt? Zo nee, waarom niet?
Mijn ministerie spreekt regelmatig met de RVVB. Ik zal ook met de RVVB in gesprek gaan over de problemen rondom de BOSA-regeling.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Sportbeleid van 30 juni?
Ja.
Het Sportakkoord 2 en het rapport van de evaluatie Sportakkoord |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Wat is uw reactie op de evaluatie van het Sportakkoord?1
In mijn brief van 23 april 20262 heb ik aangegeven dat het doel van het evaluatieonderzoek was om te beoordelen in hoeverre de akkoorden als instrument hebben geleid tot veranderingen in de totstandkoming en uitvoering van sportbeleid op zowel landelijk als lokaal niveau. Daarbij hebben de onderzoekers expliciet gekeken naar de werking van zo’n breed akkoord en het structurele en duurzame karakter van deze verandering, met bijzondere aandacht voor de samenwerking tussen partijen. De uitkomsten van dit onderzoek betrek ik bij het maken van toekomstig sport- en beweegbeleid van 2027 en verder.
Kan worden toegelicht hoeveel meer mensen zijn gaan sporten of bewegen als gevolg van het Sportakkoord?
Nee, de evaluatie geeft geen kwantitatieve schatting van hoeveel mensen meer zijn gaan sporten of bewegen door het Sportakkoord. De evaluatie richt zich op de veranderingen in de organisatie, samenwerking en uitvoering die beogen de sport- en beweegdeelname te vergroten. Sinds de start van het Sportakkoord in 2018 hebben bijna alle gemeenten lokale akkoorden gesloten met activiteiten gericht op de lokale context. Hoewel ontwikkelingen in sport- en beweegdeelname landelijk worden gemonitord, is het niet mogelijk om vanuit die lokale activiteiten het effect op sport- en beweegdeelname van het Sportakkoord als instrument in zijn geheel te kwantificeren.
Kan nader worden toegelicht wat «landelijk is een strategisch kader voor topsport tot stand gebracht» concreet betekent voor de topsport?
Het strategisch kader topsport wordt gebruikt om het beleid en de activiteiten van NOC*NSF inclusief de sportbonden, de Vereniging Sport Gemeenten (VSG) inclusief de gemeenten en de rijksoverheid (het Ministerie van VWS) beter op elkaar af te stemmen. Daarmee werken we aan ons gezamenlijk doel om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten, vanuit ieders eigen rol en verantwoordelijkheid. Door te vertrekken vanuit een gezamenlijke ambitie en strategie, worden investeringen en activiteiten versterkt, worden er geen activiteiten dubbel gedaan en is er zicht op de ontwikkelingen in de topsport. Voorbeelden hiervan zijn:
Met het strategisch kader topsport is er één gezamenlijke lange termijn koers uitgezet voor de topsport, die gemonitord wordt via de monitor Topsport in Nederland (TiN).
Zijn topsporters tevredener, behalen ze betere prestaties of is hun positieve maatschappelijke impact toegenomen als gevolg van het Sportakkoord?
Maatschappelijke verandering, ook in de topsport, kan alleen ontstaan en worden geborgd als die door relevante partijen wordt gezien, gevoeld en gedragen. Het Sportakkoord, met het strategisch kader, is een instrument om de beweging op gang te brengen om de maatschappelijke waarde van topsport te vergroten. Daarnaast gaat het om een lange termijn strategie die niet vanzelfsprekend tot direct meetbare resultaten leidt. Het is dan ook moeilijk om een directe causale relatie te leggen tussen het akkoord en de concrete uitkomstmaten zoals tevredenheid van sporters, betere prestaties en meer positieve maatschappelijke impact.
Echter, de afgelopen jaren zijn er, vanuit het strategisch kader, diverse activiteiten gestart. Zo ontwikkelt NOC*NSF een nieuw voorzieningenmodel voor topsporters en geeft het topsportcultuuronderzoek concrete aandachtpunten om de tevredenheid van sporters te vergroten. Daarnaast worden niet alleen de Olympische en Paralympische gouden medailles ondersteund, maar worden andere topsportprestaties zoals wekelijkse competities ook ondersteund. Bijvoorbeeld via het programma ««Versterken top teamsportcompetities en topclubs 2032».
Kan nader worden toegelicht wat het concreet betekent dat «De ambitie om de governance van top- en breedtesport samen te brengen is deels waargemaakt; de fysieke samenvoeging van coördinatieteams is niet doorgezet, maar er vindt wel samenwerking op specifieke thema’s plaats»?
Als het gaat om de organisatie en uitvoering van het Sportakkoord als geheel, is het beperkt gelukt om breedte- en topsport bij elkaar te brengen. Er zijn nog steeds twee coördinatieteams en de looptijd van de afspraken verschilt.3 Dit had te maken met een aantal belangrijke verschillen tussen breedte- en topsport zoals de positie en rol van de betrokken partijen, de landelijke (topsport) of lokale (breedtesport) oriëntatie en de reikwijdte van de gemaakte afspraken.
Dat neemt echter niet weg dat bij een aantal concrete thema’s voortgang is geboekt om breedte- en topsport met elkaar te verbinden, zoals:
Wat zijn de consequenties van de «verbeterde samenwerking» tussen gemeentes en sportverenigingen? Hoe vertaalt deze verbetering zich concreet?
Het verbeteren van de samenwerking tussen gemeenten en verenigingen leidt tot veel initiatieven. In het evaluatierapport zijn verschillende concrete consequenties benoemd:
Daarnaast zie ik dat het versterken van de samenwerking tussen gemeenten en sportverenigingen een belangrijke conditie is om sportverenigingen te kunnen ondersteunen. Met betrokken partijen ben ik in gesprek over hoe de opgebouwde netwerken en samenwerking uit het Sportakkoord ook na afloop daarvan kunnen worden geborgd.
Wat zijn de concrete consequenties voor het sportaanbod als de breedtesport niet gebord wordt omdat de sportakkoordmiddelen wegvallen, zoals gesteld in de evaluatie?
Welke resultaten verdwijnen precies door het gebrek aan structurele financiering, zoals beschreven op pagina 5?
Hoe doelmatig en doeltreffend was het besteedde geld aan het Sportakkoord, uitgedrukt in toename in sporten en bewegen?
Ik verwijs hiervoor graag naar het antwoord op vraag 2. Het is niet mogelijk om de doelmatigheid en doeltreffendheid uit te drukken in toename in sporten en bewegen. De daadwerkelijke toename van sport- en beweegdeelname was geen expliciete doelstelling van het Sportakkoord.
In hoeverre bent u van mening dat het effectief en doelmatig is om middelen niet gewoon lokaal in te zetten, maar aan adviseurs lokale sport, wanneer adviseurs aangeven dat toegang tot lokale en regionale netwerken lastig is?
Binnen het Sportakkoord worden de middelen zowel lokaal als landelijk ingezet, juist om die verbinding te maken tussen lokaal en regionaal. Bij de start van Sportakkoord I waren de adviseurs lokale sport woordvoerders van de sport richting het lokale veld en de regionale netwerken. Vanuit die rol konden adviseurs lokale sport de sport lokaal versterken en aan tafel helpen bij besluitvormingsprocessen over te voeren sport- en beweegbeleid. In Sportakkoord II fungeren adviseurs lokale sport als verbindende schakel tussen landelijk en lokaal en het ondersteunen van de totstandkoming van lokale netwerken voor clubondersteuning. Dit leidt tot een landelijk dekkend netwerk van clubondersteuning aan het eind van dit jaar.
Sportakkoord II heeft, mede dankzij de financiering zoals de Brede SPUK, ervoor gezorgd dat verbinding met de lokale en regionale netwerken ook binnen andere domeinen zoals het onderwijs en het sociaal domein te maken zijn. De inzet van middelen op de verschillende niveaus maakt juist dat het instrument Sportakkoord heeft gewerkt in het leggen verbindingen en samenwerkingen. Dit is een belangrijke basis om de sport- en beweegsector verder te kunnen versterken.
Wat heeft de gemiddelde sportclub aan administratieve ontlasting gehad als gevolg van het Sportakkoord? Was dit doeltreffend en doelmatig?
De evaluatie van het Sportakkoord geeft geen inzicht in de mate waarin een gemiddelde sportclub administratieve ontlasting heeft gehad als gevolg van het Sportakkoord.
Zijn gemeentes tevreden met het Sportakkoord? Of zijn er ook gemeentes die alternatieven aandragen?
In het evaluatierapport wordt geen inzicht gegeven in de mate van tevredenheid van gemeenten. Wel wordt aangegeven dat het Sportakkoord invloed heeft gehad op het beleid bij gemeenten, gelet op de inzet van thema’s bij gemeenten zoals Sociaal veilige sport, Inclusie en diversiteit. Op uitvraag van de VSG geven gemeenten ook aan dat het werken onder een gezamenlijke vlag als het Sportakkoord helpend is om lokaal sport- en beweegbeleid verder te brengen.
Zijn sportverenigingen tevreden met het Sportakkoord – zij moeten immers de doelen waarmaken? Of zijn er ook sportverenigingen die de alternatieven aandragen?
Het evaluatierapport geeft geen inzichten in de mate van tevredenheid over het Sportakkoord bij sportverenigingen. Echter, sportverenigingen die de ambitie hebben om vitaal en toekomstbestendig te willen worden én in staat zijn om een brede maatschappelijke rol te vervullen, hebben via het Sportakkoord ondersteuning kunnen krijgen via services en de sport- en beweegloketten.
Onderzoek van het Mulier Instituut4 geeft aan dat de impuls voor het ondersteuningsaanbod ertoe heeft geleid dat gemeenten zich actiever hebben gericht op clubondersteuning. Daar waar beperkte of geen clubondersteuning aanwezig was, heeft het ondersteuningsbudget ervoor gezorgd dat clubondersteuning lokaal meer op de agenda is komen te staan.
Uit navraag van NOC*NSF onder sportverenigingen, blijkt dat sportverenigingen het ondersteuningsaanbod dat ze hebben afgenomen, gemiddeld beoordelen met een 8,1. Met name het maatwerk en het kunnen inspelen op de lokale behoefte van de club, wordt als positief ervaren.
Waarom is er geen enquête gehouden onder sportverenigingen over hoe de middelen zo goed mogelijk verdeeld kunnen worden?
Sportverenigingen zijn op een andere manier betrokken geweest bij de verdeling van middelen.Sportverenigingen kunnen op twee manieren in aanmerking komen voor financiële middelen:
Zijn sporters tevreden met het Sportakkoord?
Het evaluatierapport geeft geen inzicht in de tevredenheid van sporters met het Sportakkoord. Wel geeft het rapport aan dat op basis van kwalitatieve gegevens het bereik van het Sportakkoord is toegenomen. Het gaat hierbij om sporters, vrijwilligers én toeschouwers. Het ontbreekt aan kwantitatieve gegevens vanwege hetgeen eerder is toegelicht bij de beantwoording van vraag 2.
Kan worden toegelicht wat er wordt bedoeld met een betere samenwerking tussen breedtesport en topsport? Kunt u dit toelichten aan de hand van drie illustratieve voorbeelden?
Ik verwijs hiervoor graag naar mijn antwoord op vraag 5 waarin ook de drie voorbeelden worden gegeven.
Wat betekent het volgende citaat concreet «Op basis van landelijke interviews en de casestudies concluderen we dat de sportinfrastructuur in Nederland de afgelopen jaren op verschillende vlakken merkbaar versterking heeft gekregen, maar de mate van robuustheid verschilt sterk tussen gemeenten»?
In het rapport is geconcludeerd, dat de samenwerking op lokaal niveau merkbaar is versterkt. In algemene zin is de grootste vooruitgang geboekt in het behoud van de «zachte» infrastructuur. Dit gaat om de uitbreiding van netwerken, samenwerkingsstructuren en kennisdeling. Continuïteit hiervoor berust minder op inzet van financiële middelen. De meer «harde» infrastructuren, dus de verenigingen, accommodaties, inzet van fte is ook versterkt, maar de continuïteit hiervan is kwetsbaarder. Dit heeft te maken met inzet van tijdelijke middelen in plaats van structurele middelen. Met name kleinere gemeenten hebben meer last van deze tijdelijke inzet. Vandaar dat er verschillen kunnen ontstaan tussen gemeenten.
Zijn sportverenigingen tevreden over het ondersteuningsaanbod voor sportaanbieders, die duidelijk zijn toegenomen?
Sportverenigingen zijn tevreden over het ondersteuningsaanbod dat VWS beschikbaar stelt via Sportakkoord middelen aan sportaanbieders om hun club te versterken. Ik verwijs hiervoor verder graag naar mijn antwoord op vraag 13.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het Commissiedebat Sportbeleid d.d. 30 juni 2026?
Ja.
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
De veiligheid van supporters op het WK-voetbal in de Verenigde Staten, Mexico en Canada |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Kati Piri (PvdA) |
|
Berendsen , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Hoe weegt u de waarschuwing van Amnesty International dat het WK 2026 ernstige mensenrechtenrisico’s met zich meebrengt?1
Het kabinet heeft hiervan kennisgenomen en volgt de ontwikkelingen in de betrokken landen onder andere via rapportages van onze ambassades en maatschappelijke organisaties.
Hoe kijkt u tegen het gegeven aan dat de FIFA en de Amerikaanse autoriteiten nog geen enkele garantie hebben geboden dat fans veilig zullen zijn voor etnisch profileren, willekeurige invallen of onwettige detentie en uitzetting?
De Amerikaanse regering heeft benadrukt supporters uit alle landen te verwelkomen om hun teams aan te moedigen. Daarnaast heeft de FIFA een mensenrechtenbeleid vastgesteld, gebaseerd op de VN-richtlijnen voor bedrijfsleven en mensenrechten, dat oproept tot het respecteren en bevorderen van alle internationaal erkende mensenrechten, inclusief bescherming tegen discriminatie, willekeurige detentie en uitzetting. Op basis hiervan stelt het kabinet dat er voldoende basis is voor een veilig bezoek door Nederlandse supporters aan het WK.
Wat is uw inschatting ten aanzien van de risico’s voor Nederlandse voetbalsupporters in de Verenigde Staten, gezien vraag 2?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken adviseert Nederlanders over reizen naar de Verenigde Staten via het reisadvies. De kleurcode van het reisadvies voor de Verenigde Staten is groen. Dat betekent dat Nederlanders daarheen kunnen reizen en dat hen wordt geadviseerd de veiligheidsrisico’s te lezen. Het kabinet raadt Nederlandse supporters zich goed voor te bereiden op hun reis door het reisadvies te raadplegen.
Baart het u zorgen dat de waarnemend directeur van de US Immigration and Customs Enforcement (ICE) heeft gesteld dat ICE een «key part» gaat spelen bij het veiligheidsapparaat rondom het WK?2 Zo nee, waarom niet?
De wijze waarop de gastlanden de veiligheid van het WK en zijn bezoekers waarborgen, is primair een interne aangelegenheid van die landen. Het kabinet gaat ervan uit dat Nederlanders die de geldende regels en procedures voor inreis en verblijf in de Verenigde Staten, Canada en Mexico, volgen, het WK zonder problemen kunnen bijwonen.
Hoe wordt de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters geborgd gezien de willekeurige arrestaties, etnisch profileren door o.a. ICE en de onwettige detenties en uitzetting?
Zie het antwoord op vraag 4.
Ziet u ook een rol voor uzelf weggelegd om de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters te borgen? Zo ja, op welke wijze?
Het Ministerie van Buitenlandse Zaken stelt voor alle landen reisadviezen op om reizigers te informeren over de risico’s die zij tijdens een verblijf kunnen lopen. Reizigers worden aangemoedigd deze adviezen ter harte te nemen bij hun besluitvorming en voorbereiding op een reis.
Eenmaal in het land zijn de lokale autoriteiten verantwoordelijk voor de veiligheid; dit is een soevereine bevoegdheid. In geval van een incident kunnen Nederlandse burgers een beroep doen op consulaire bijstand van de Nederlandse ambassade ter plaatse. In geval van een crisis zal de ambassade consulaire bijstand verlenen en samenwerken met de lokale autoriteiten. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van personen in het land blijft daarbij bij de autoriteiten van dat land berusten.
Heeft u contact met Amerikaanse autoriteiten over de veiligheid van Nederlandse voetbalsupporters tijdens het WK 2026? Zo ja, wat komt er uit die gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Er zijn doorlopend contacten met de Amerikaanse autoriteiten over de voorbereidingen op het WK 2026. Consulaire aangelegenheden, zoals de veiligheid van supporters, zijn daarbij ook onderwerp van gesprek. Op basis van deze gesprekken constateert het kabinet dat de Amerikaanse autoriteiten zich met zorg voorbereiden op het aanstaande WK. Daarnaast heeft de Amerikaanse regering benadrukt supporters uit alle landen te verwelkomen om hun teams aan te moedigen.
Bent u bekend met het aflopen van de consultatieperiode voor de voorgestelde wijziging van de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning, waardoor reizigers o.a. worden verplicht hun sociale mediaprofielen te registreren?3
De consultatieperiode is op 9 februari jl. verstreken en de Amerikaanse autoriteiten verwerken momenteel de ontvangen feedback. Er is nog geen definitief besluit genomen en het is nog niet duidelijk of – en in welke vorm – het voorstel wordt geïmplementeerd. Het kabinet volgt de ontwikkelingen rond de Amerikaanse inreisregels en zal Nederlandse reizigers bij relevante wijzigingen informeren via het reisadvies.
Wat is het resultaat van deze consultatie geweest? Wordt de aanvraagprocedure voor een ESTA-vergunning aangescherpt?
Zie het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat het zeer onrechtvaardig is dat er een inreisverbod voor burgers uit 19 landen is ingesteld waaronder de vier deelnemende landen Haïti, Iran, Ivoorkust en Senegal, en dat bezoekers uit Algerije, Kaapverdië en Tunesië tot 15.000 dollar moeten betalen om een reisvergunning te krijgen?
Het instellen van inreisregels is een nationale aangelegenheid. Het is niet aan het kabinet om een oordeel te vellen over de rechtvaardigheid van deze maatregelen.
Wilt u zich inzetten om de toegang tot het WK 2026 voor alle supporters, inclusief die uit andere landen, zo goed mogelijk te waarborgen, ook in samenwerking met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB)?
Nederland volgt de voorbereidingen op het WK 2026 nauwlettend, onder meer via de betrokken Nederlandse vertegenwoordigingen in de Verenigde Staten, Mexico en Canada, en voeren hierover gesprek met de organiserende landen en de FIFA. Daarbij zet het kabinet zich in voor een zo veilig en positief mogelijk verloop van het toernooi voor de supporters van het Nederlands elftal en van Curaçao. Waar relevant wordt daarbij samengewerkt met de Nederlandse voetbalbond KNVB en de Curaçaose voetbalbond FFK.
Deelt u de mening dat het eerlijk zou zijn als voetbalsupporters gecompenseerd worden door de Amerikaanse autoriteiten als zij om vage en ongegronde redenen ofwel door kritiek op de regering-Trump worden geweigerd bij de grens, terwijl ze al veel geld hebben uitgegeven voor het bezoeken van het WK? Zo ja, op welke wijze gaat u hier tractie aan geven? Zo nee, waarom niet?
De toelating tot de Verenigde Staten, inclusief de gronden voor weigering, is een nationale bevoegdheid van de Amerikaanse autoriteiten. Dit is wereldwijd gebruikelijk en geldt ook voor Nederland. Er is geen rol voor de Nederlandse overheid bij het aanvragen of bevorderen van schadeclaims in geval van weigering van toegang tot een ander land.
Hoe kijkt u aan tegen het hoge geweldsniveau in Mexico aan, in het bijzonder in en rondom speelstad Guadalajara?
Geweld in Mexico wordt in belangrijke mate gedreven door georganiseerde misdaad en kartel gerelateerd geweld. Drugsbendes zijn vooral actief in gebieden met kleurcode oranje, maar kan ook in gebieden met kleurcode geel voorkomen, zoals in en rond Guadalajara. De Mexicaanse autoriteiten treffen in aanloop naar het WK 2026 aanvullende veiligheidsmaatregelen om risico’s te beperken. Het Nederlands elftal noch het elftal van Curaçao zal in Guadalajara spelen indien zij doorgaan na de groepsfase.
Hoe schat u de veiligheidsrisico’s voor voetbalsupporters in Mexico in? Bent u in gesprek met Mexicaanse autoriteiten om de veiligheid van supporters te waarborgen?
Hoewel de algemene veiligheidssituatie in delen van Mexico onderwerp van aandacht blijft, verwachten de Mexicaanse autoriteiten dat de risico’s voor voetbalsupporters tijdens het WK beheersbaar zijn. Buitenlanders zijn in principe geen doelwit van de georganiseerde misdaad, al kunnen zij onbedoeld betrokken raken bij geweld. De Mexicaanse autoriteiten hebben aangegeven uitgebreide maatregelen te treffen om de veiligheid te waarborgen, waaronder extra inzet van veiligheidspersoneel en crowd control rond stadions en fanzones.
Nederland volgt de voorbereidingen op het WK 2026, onder meer via de betrokken post in Mexico. Daarbij is ook aandacht voor de veiligheidssituatie en de maatregelen van de Mexicaanse autoriteiten. Relevante informatie wordt, waar nodig, verwerkt in het reisadvies voor Mexico.
Wat wordt de precieze rol van de Taskforce WK 2026?
De Taskforce WK 2026 is een samenwerkingsverband van de Rijksoverheid, veiligheidspartners en de KNVB. De Taskforce heeft tot doel in geval van een crisis rondom het WK de Nederlandse inzet te coördineren, onder meer door consulaire dienstverlening te ondersteunen en de samenwerking tussen betrokken partijen te faciliteren. De KNVB richt zich daarnaast ook op de organisatie van en ondersteuning rond een zo positief mogelijke beleving voor Nederlandse supporters.
Op welke wijze gaat de Taskforce WK 2026 de veiligheid van Nederlandse supporters waarborgen?
De veiligheid van Nederlandse supporters is primair de verantwoordelijkheid van de lokale autoriteiten in de gastlanden. Tijdens het WK staan de Nederlandse ambassades en consulaten in contact met Nederlanders die zich hebben geregistreerd bij de Informatieservice van Buitenlandse Zaken. Via deze registratie kunnen zij, waar nodig, worden voorzien van informatie en veiligheidsaanbevelingen. Daartoe staan de Ambassades en consulaten in nauw contact met de hiervoor genoemde lokale autoriteiten. Ook kunnen Nederlanders consulaire hulp vragen in geval van nood. Er zullen consulaire teams aanwezig zijn in de speelsteden van Nederland en Curaçao.
De collectieve erkenning en het cultureel erfgoed van de Molukse gemeenschap |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Lisa Vliegenthart (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de evaluatie van het beleid rond collectieve erkenning, waarin wordt vastgesteld dat het Moluks Historisch Museum geen structurele financiering kent, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof?1
Ja, dat ben ik.
Hoe verklaart u dit verschil in de toekenning van structurele financiering, ondanks expliciete constatering in de evaluatie die op uw verzoek is uitgevoerd door Panteai, tot op heden niet is gecorrigeerd? Kunt u toelichten waarom voor het Moluks Historisch Museum, in tegenstelling tot andere partners binnen Sophiahof, na 2026 geen structurele borging van financiering en huisvesting is gerealiseerd?
Het beleid van de collectieve erkenning richt zich op alle gemeenschappen in Nederland, waaronder de Indische, Molukse, Papoea en Chinees-Indonesische gemeenschappen. Om een pleisterplaats te bieden aan al deze gemeenschappen is in 2019 Museum Sophiahof van Indië tot nu (hierna: Sophiahof) opgericht.
Het Moluks Historisch Museum (MHM) te Utrecht moest in 2012 noodgedwongen sluiten vanwege onvoldoende structurele inkomsten. Vervolgens is MHM een aantal jaar als kenniscentrum gehuisvest geweest in het Moluks Kerkelijk Centrum te Houten, waar de toekomst van de organisatie ook onzeker was. Omdat de geschiedenis van de Molukse gemeenschap nadrukkelijk onderdeel vormt van de collectieve erkenning en om deze geschiedenis toch te borgen, ontvangt MHM subsidie om deze rol te kunnen vervullen. Deze subsidie ontvangt MHM niet zozeer als apart museum, maar als onderdeel van de Sophiahof. Daarbij staat VWS garant voor de huisvestingskosten van de Sophiahof.
In de Sophiahof is, naast MHM, een aantal andere organisaties gehuisvest die verschillende rollen vervullen.2 Met deze partners ben ik een traject gestart hoe gezamenlijk de samenwerking, visieontwikkeling en strategische richting van de Sophiahof verder uit te werken, om daarmee de Sophiahof dé nationale plek te maken voor alle gemeenschappen van de collectieve erkenning. Ik wil graag dit traject dat naar verwachting tot eind 2027 loopt (met mogelijke uitloop tot 2028), afwachten. Om ervoor te zorgen dat de Molukse geschiedenis een goede plek in dit traject krijgt, is aan MHM toegezegd de projectsubsidie voor de komende jaren voort te zetten.
Vindt u dat hiermee sprake is van systematische ongelijke behandeling binnen het beleid voor oorlogsgetroffenen en meer specifiek de uitvoering van de regeling collectieve erkenning van Indisch Moluks Nederland? Zo ja, welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit tegen te gaan? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe reflecteert u op het feit dat Sophiahof geen depotruimte heeft waardoor het Moluks Historisch Museum is aangewezen op tijdelijke opslagruimten, met als gevolg dat de collectie en het archief van het museum, die grotendeels tot stand zijn gekomen door schenkingen vanuit de Molukse gemeenschap, geen vaste thuis hebben en dus niet toekomstbestendig geborgd zijn?
Deelt u de mening dat het behouden en bewaren van erfgoed van Molukse gemeenschappen uit de koloniale diaspora onderdeel is van onze herinneringscultuur en bijdraagt aan de erkenning, herstel en zorg waarin het beleid oorlogsgetroffenen ook voorziet? Zo ja, welke concrete maatregelen wilt u nemen om dit te realiseren? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat het Rijk de verantwoordelijkheid draagt om de collectie van het Moluks Historisch Museum een vast thuis te geven, met de garantie dat de collectie in Molukse handen blijft? Zo nee, waarom niet?
Bent u bereid om, in overleg met de Molukse gemeenschap, te komen tot een structurele en toekomstbestendige huisvesting van de collectie op een plek die betekenisvol is voor de Molukse gemeenschappen?
De veiligheid van schrijvers en boekhandels |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium ten aanzien van cultuur niet alleen moet betekenen «dat de regering geen oordeel, noch enig gezag heeft op het gebied der kunst» maar ook een waarborg van de veiligheid van kunstenaars door de regering, omwille van een bloeiend cultureel leven?1
Het Thorbecke-adagium houdt in dat de regering zich niet inhoudelijk uitlaat over artistieke uitingen. Dit is van belang voor de vrijheid van cultuur. Een belangrijke randvoorwaarde voor dit adagium is dat kunstenaars in vrijheid kunnen werken, zonder bedreiging of intimidatie.
Bent u evenals uw ambtsvoorganger «doorlopend in gesprek met de sector over veiligheid» en over externe bedreigingen, met bijvoorbeeld PersVeilig en SchrijversVeilig, maar ook met het Koninklijke Boekverkopersbond?2
Ja. In mijn gesprekken met culturele organisaties sta ik geregeld stil bij veiligheid. Het ministerie heeft contact met partijen als de Groep Algemene Uitgevers, de Koninklijke Boekverkopersbond en de Auteursbond.
SchrijversVeilig heeft als doel om de positie van geïntimideerde en bedreigde auteurs te versterken en is opgezet naar voorbeeld van PersVeilig. Het ministerie steunt SchrijversVeilig sinds mei 2024, samen met de Auteursbond en de Groep Algemene Uitgevers, en zet deze steun voort. PersVeilig vervult haar functie sinds 2019 voor journalisten. In 2025 is de stichting PersVeilig opgericht; zij ontvangt structurele financiering.
Hoe beoordeelt u in dit verband dat één op de zeven schrijvers in Nederland agressie of intimidatie ervaart vanwege zijn werk, met een remmend effect op nieuwe publicaties en boekwinkeliers die al langer subtiele vormen van druk ervaren?3
Zie vraag 1 en 2.
Bent u bereid om gehoor te geven aan de oproep van de auteurs van het artikel om de collectievrijheid van culturele instellingen te verdedigen en in te grijpen wanneer die vrijheid onder druk komt te staan? Zo ja, welke mogelijkheden staan u ter beschikking om deze bereidheid gestalte te geven? Zo nee, waarom niet?
Als Minister sta ik pal voor de vrijheid van makers. Boekhandels zijn van groot belang voor de vrijheid van ideeën en de vrije toegang tot informatie. Hetzelfde geldt voor bibliotheken en andere culturele voorzieningen. Dit komt ook tot uitdrukking in de steun voor onder meer PersVeilig en SchrijversVeilig. Het is onacceptabel dat de vrijheid van cultuur door bedreiging of intimidatie wordt ingeperkt.
Deelt u de mening dat het Thorbecke-adagium verankert dient te worden in onze wetgeving? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer dan voorstellen daartoe tegemoet zien?
De Raad voor Cultuur heeft recent een waardevol advies uitgebracht over artistieke vrijheid. Of het Thorbecke-adagium verankerd dient te worden in wetgeving, is een vraag die nadere bestudering verdient. Daarbij speelt de juridische haalbaarheid een rol. Mijn voornemen is de Tweede Kamer in de loop van dit jaar mijn visie hierop te sturen.
De nieuwe Archiefwet die naar verluidt met het huidige stelsel niet uitvoerbaar is |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Deelt u de mening dat de zinvolheid van het streven om de Archiefwet 1995 te actualiseren staat of valt met de uitvoerbaarheid ervan?
Ja. Het feit dat de huidige Archiefwet 1995 steeds minder goed uitvoerbaar wordt, is één van de belangrijkste redenen voor de modernisering. Waar de huidige Archiefwet 1995 nog gebaseerd is op de oude werkelijkheid van een papieren archief, biedt het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. betere kaders voor goed digitaal informatiebeheer en digitale archivering. Dit is nodig om overheidsinformatie duurzaam digitaal te beheren vanaf creatie. De vormgeving van de Archiefwet 20.. en de onderliggende regelgeving maakt het daarbij gemakkelijker om de wet- en regelgeving aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen.
Hoe beoordeelt u de constatering dat er bij de nieuwe Archiefwet sprake is van een fundamentele mismatch tussen wet, digitale werkelijkheid en bestuurlijke keuzes, die deze onuitvoerbaar maakt?1
Ik deel deze constatering niet. Het artikel waarnaar verwezen wordt, richt zich met name op waardering en selectie van overheidsinformatie. Het stelt dat het huidige selectiestelsel is gebaseerd op procesmatige lijsten en handmatige beoordeling, ontwikkeld in een papieren tijdperk, terwijl deze werkwijze in een digitale omgeving niet vol te houden is, omdat informatieproductie daarin continu en grootschalig is. De waardering en selectie van overheidsinformatie is echter bij uitstek een onderwerp waarvoor met de Archiefwet 20.. en het daarmee gepaard gaande beleid een andere koers wordt ingezet.2 De Archiefwet 20.. staat vereenvoudiging van categorieën bij de waardering van documenten expliciet toe, en biedt daarmee ruimte voor waardering volgens andere methodieken dan de klassieke procesmatige waardering. De Archiefwet 20.. biedt daarmee onder andere ruimte voor de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit 20.. de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Het uitgangspunt blijft hierbij wel dat vernietiging van overheidsdocumenten alleen kan op basis van een geldig selectiebesluit. Dit verzekert dat de keuze hoelang documenten worden bewaard bewust én verantwoord wordt genomen.
Hoe houdt uw nieuwe Archiefwet ermee rekening dat de hoeveelheid overheidsinformatie explosief groeit, met e-mails, chatberichten, samenwerkingsdossiers en datasets, maar tegelijkertijd de informatie beter moet worden beheerd dan ooit tevoren, met de naar tien jaar verkorte overbrengingstermijn van de nieuwe Archiefwet, de hogere eisen van digitale duurzaamheid, de Wet open overheid (Woo), die om snelle vindbaarheid vraagt en de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG), die verplicht tot tijdige vernietiging?
De nieuwe Archiefwet draagt bij aan een oplossing voor het probleem van de groei van vastgelegde informatie door een helder juridisch kader te bieden voor het beheer van documenten door overheidsorganen, het vastleggen van bewaartermijnen, en voor de openbaarheid van documenten na overbrenging naar een archiefdienst. Ook de verkorting van de overbrengingstermijn helpt daarbij. Goed beheer van documenten is een voorwaarde om aan de Wet open overheid te kunnen voldoen. In de nieuwe Archiefwet wordt benadrukt dat beheer van digitale documenten voortdurende zorg vereist. Hierbij mogen overheidsorganen op basis van een risicobenadering keuzes maken in de benodigde beheermaatregelen voor verschillende documenten die zij beheren.
Tegelijkertijd is het van belang dat documenten tijdig worden gewaardeerd en op tijd worden vernietigd als dat moet, op basis van een geldend selectiebesluit. Door de Archiefwet aldus juist toe te passen, kan ook worden voldaan aan de eisen van de AVG.
Hoe verklaart u de achterstanden, versnipperde opslag en gebrekkige metadata, die leiden tot vertraging bij Woo-verzoeken en persoonsgegevens die soms langer bewaard blijven dan toegestaan?
Er zijn diverse factoren die de achterstanden in de informatiehuishouding hebben veroorzaakt. De hoeveelheid en diversiteit van digitale informatie is de afgelopen jaren exponentieel toegenomen. Er is in het verleden onvoldoende tijd, geld en aandacht geweest voor het in huis hebben van specialistische kennis en het informatiebewustzijn van medewerkers. De sturing was onvoldoende, het informatie- en applicatielandschap is complex en er zijn diverse aanscherpingen geweest op het gebied van privacy en beveiliging.
Het rijksbrede programma Open Overheid werkt sinds 2021 aan de verbetering van de informatiehuishouding en het voldoen aan de wettelijke eisen voor openbaarmaking (Wet open overheid). Sinds 2021 wordt jaarlijks de groei in volwassenheid van de informatiehuishouding gemeten. Op een schaal van 1 tot 4, met de ambitie om in 2026 rijksbreed minimaal niveau 3 te bereiken, laat de meest recente meting over 2025 zien dat een gemiddeld niveau van 2,6 is bereikt.
De verbeteroperatie is langdurig en verloopt stapsgewijs, met grote aandacht voor de structurele borging van verbeteringen in het stelsel. De verbeteroperatie is gericht op meer menskracht, betere kennis, verbetering van werkprocessen, adequate ICT-systemen en versterkte sturing.
Departementen en hun organisaties hebben zich in het Meerjarenplan Openbaarheid en Informatiehuishouding 2026–20303 ertoe verplicht om, indien dit nog niet het geval is, minimaal volwassenheidsniveau 3 te realiseren. De voortgang wordt gevolgd via metingen die openbaar worden gemaakt via een rijksbreed dashboard.
Hoe beoordeelt u de afhankelijkheid van buitenlandse technologie, bij opslag en verwerking van overheidsinformatie in cloudomgevingen van internationale aanbieders, mede in het licht van de Amerikaanse CLOUD Act?
Met de modernisering van de Archiefwet worden ook het Archiefbesluit (een algemene maatregel van bestuur) en de Archiefregeling (een ministeriële regeling) vernieuwd. In deze lagere regelgeving, die onderdelen van het wetsvoorstel uitwerkt, worden onder andere nadere eisen gesteld aan duurzame toegankelijkheid, bestandsformaten en metadata. De concept-Archiefregeling 20.. bevat, mede vanwege recente ontwikkelingen rond digitale autonomie, een bepaling op grond waarvan de opslag en verwerking van documenten moet plaatsvinden binnen het grondgebied van de Europese Unie, in landen binnen de Europese Economische Ruimte, of binnen landen waarvoor de Europese Commissie een adequaatheidsbesluit heeft genomen, tenzij het verantwoordelijk overheidsorgaan vanwege zijn taak op grond van internationale verdragen hiervan moet afwijken. In een tijd waarin archieven bijna uitsluitend analoog waren, reproductietechnieken zich beperkten tot microfiche en -film lag het voor de hand archieven dichtbij te bewaren en was een dergelijke bepaling niet nodig. Door de digitalisering is dit veranderd.
De concept-Archiefregeling 20.. geeft hiermee richting en biedt nadrukkelijk ook de ruimte voor overheden om een strikter beleid te voeren. Daarnaast werkt het Ministerie van BZK momenteel aan een herziening van het cloudbeleid waarin de vereisten verder worden aangescherpt voor de rijksoverheid.
Wat betreft de Verenigde Staten gebruikt de Nederlandse overheid het EU-US Data Privacy Framework (DPF) (sinds 10 juli 2023) als wettelijke basis voor het veilig doorgeven van persoonsgegevens naar gecertificeerde Amerikaanse organisaties. Voor een nadere toelichting op doorgifte op basis van het EU-US Data Privacy Framework verwijs ik gaarne naar de Kamerbrief d.d. 17 maart 2025 van de Staatssecretaris van BZK.4
Vormen standaardisatie, uniforme metadata en vergaande automatisering bij informatiebeheer geen voorwaarde voor een realistische naleving van de nieuwe Archiefwet?
Ja. Wat betreft standaardisatie en gebruik van uniforme metadata is om die reden in het wetsvoorstel de bevoegdheid opgenomen voor de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap om normen vast te stellen die de eenheid, de kwaliteit of de doelmatigheid van de duurzame toegankelijkheid van documenten bevorderen. Deze normen zijn een aanvulling op de nadere regels in het concept-Archiefbesluit en de concept-Archiefregeling. Deze bevoegdheid kan worden gemandateerd aan de rijksarchivaris. De vaststelling van deze normen gebeurt in overeenstemming met de Minister van BZK5, en ook de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed wordt hierbij betrokken. Daarnaast ontwikkelen CIO-Rijk en het Nationaal Archief instructies en handreikingen. De normen, instructies en handreikingen komen tot stand met de benodigde expertise en bieden richting aan de uitvoering van de Archiefwet.
Wat betreft de automatisering van het informatiebeheer geldt het uitgangspunt dat overheidsorganen zelf verantwoordelijk zijn voor het goed beheren van hun documenten. Hierbij wordt steeds meer geautomatiseerd om de uitdagingen in het digitale informatiebeheer het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door te werken aan automatische emailclassificatie. Hetzelfde geldt voor archiefdiensten die bijvoorbeeld werken aan het automatiseren van het maken van indexen die fungeren als toegang op overgebracht archief die het handmatig en tijdsintensief inventariseren en schrijven van deze indexen kan vervangen.6
Bent u bereid om informatiebeheer onderdeel te maken van digitale systemen zelf, met vereenvoudigde categorieën, verplichte standaarden en automatische toepassing van bewaartermijnen en tegelijkertijd expliciete keuzes maken over digitale soevereiniteit en de mate van afhankelijkheid van externe infrastructuur voor de meest kritieke informatie? Zo ja, hoe gaat u dit gestalte geven? Zo nee, waarom niet?
Deels. Zoals ik eerder bij antwoord 6 aangaf zijn overheidsorganen zelf verantwoordelijk voor het goed beheren van hun documenten. De eisen uit de nieuwe Archiefwet verplichten overheidsorganisaties echter wel om informatiebeheer onderdeel te maken van hun digitale systemen. De toezichthouders zien vervolgens toe op naleving. De Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed werkt momenteel aan een herziening van haar sanctiebeleid om onder andere de op basis van de nieuwe Archiefwet te introduceren bestuurlijke boete daarin op te nemen. Ook introduceert de nieuwe Archiefwet een verplichting om incidenten te melden bij de Inspectie.
Ik ondersteun de uitvoering van de Archiefwet door de vernieuwingen wat betreft waardering en selectie een speerpunt te maken bij de implementatie van de nieuwe Archiefwet. Zo is de nieuwe Archiefwet beter toegerust op waardering volgens de zogeheten sleutelfunctiemethodiek die geschikt is om op een eenvoudige, heldere en te automatiseren manier te bepalen welke e-mails en chatberichten tijdelijk te bewaren zijn en welke blijvend. Daarnaast krijgt de rijksarchivaris op basis van het concept-Archiefbesluit de bevoegdheid om modelselectiebesluiten vast te stellen om eenheid in de waardering van overheidsinformatie te bevorderen. Voor de vragen over digitale soevereiniteit verwijs ik naar het antwoord op vraag 5.
Tot slot hecht ik er aan te benadrukken dat met het invoeren van het wetsvoorstel voor de Archiefwet 20.. niet alle problemen in de informatiehuishouding bij de overheid zullen zijn opgelost. Dat vraagt langdurige inzet zoals ik in mijn antwoord op vraag 4 uiteengezet heb en zoals ook in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is toegelicht.7 De nieuwe Archiefwet is daarbij wel een significante stap in de goede richting die op korte termijn gezet kan worden.
De aanwijzingsprocedure voor regionale publieke omroepen |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Bent u zich ervan bewust dat het voorkeursadvies van de Friese politiek ten gunste van Omrop Fryslân1, gevolgd door de aanwijzing op 16 december 2025 door het Commissariaat voor de Media vooralsnog voor medewerkers, kijkers en luisteraars nog geen duidelijkheid betekent, doordat de concurrent stichting ORT FRL nog tot eind januari 2026 beroep kan aantekenen tegen de beslissing van het Commissariaat voor de Media aangezien de beroepsprocedure nog tot eind maart kan voortduren, terwijl de aanwijzing al op 1 januari 2026 is ingegaan?
Ja.
Deelt u de mening dat de huidige procedure voor concessieverlening en aanwijzing bij de dertien regionale publieke omroepen een ernstige bedreiging voor een gezonde bedrijfsvoering kan vormen als er daardoor iedere vijf jaar een einde kan komen aan hun bestaan, doordat deze omroepen dan onvoldoende kunnen vooruitplannen en hun continuïteit ter discussie komt te staan, met alle gevolgen van dien voor de contracten met leveranciers, voor onderhoud en met freelancers?
De aanwijzingsprocedure voor regionale publieke media-instellingen is geregeld in de Mediawet 2008. Kerngedachte hierachter is dat het gaat om een (vijfjaarlijkse) open procedure en dat wie voldoet aan de wettelijke eisen en als het meest geschikt naar voren komt, wordt aangewezen. Bij aanvang van de verlening is de duur en financiële omvang van de aanwijzing voor eenieder bekend.
Welke rol ziet u voor zichzelf bij de aanwijzingsprocedure voor regionale omroepen indien een nieuweling zich meldt?
Ik heb geen rol in de aanwijzingsprocedure voor regionale publieke media-instellingen. Die bevoegdheid ligt geheel bij het Commissariaat voor de Media die via de Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024 nadere invulling geeft aan de procedure. Provinciale staten geven daarbij een advies.
Mocht men in een regio overstappen naar een nieuwe omroep, wat is er dan geregeld voor de overgang van onderneming, dus voor de medewerkers en freelancers, voor het gebouw en voor de kostbare technische voorzieningen?
Zie ook het antwoord op vraag 3. Op grond van de Mediawet 2008 is er een systeem van schaarse vergunningen. Deze vergunningen hebben een vaste looptijd van vijf jaar en vervallen vervolgens van rechtswege. Inherent aan dit systeem is de kans dat een andere partij wordt aangewezen als regionale publieke media-instelling.
De Mediawet 2008 voorziet in zo’n geval niet in een overgangsregeling. Wel heeft het Commissariaat voor de Media in zijn Beleidsregel aanwijzingsprocedure regionale publieke media-instellingen 2024 opgenomen dat er onder omstandigheden voorzien kan worden in een korte overgangsperiode tussen de voorgaande aanwijzingsperiode en de nog aan te vangen aanwijzingsperiode, zodat de overgang van de regionale publieke media-instelling op de nieuw aangewezen regionale publieke media-instelling in praktische zin goed kan verlopen. Van de provincie en de betrokken media-instellingen wordt verwacht dat zij hier onderling afspraken over maken.
De regels van overgang van een onderneming in privaatrechtelijke zin strekken tot bescherming van werknemers die bij de overgang van ondernemingsactiviteiten zijn betrokken. De twee betrokken instellingen zouden kunnen besluiten tot een (privaatrechtelijke) overgang van een onderneming in de zin van artikel 7:662 e.v. BW. Dat staat echter los van de (publiekrechtelijke) aanwijzing als regionale publieke omroep op grond van de Mediawet 2008.
Hoe denkt u over de mogelijkheid dat regionale omroepen taakomroepen zouden worden, met beleidsplannen en prestatieafspraken, zoals dit ook bij de NPO/NOS/NTR gebeurt?
Veel bepalingen in de Mediawet 2008 gelden voor alle lagen van de publieke omroep; lokaal, regionaal en landelijk. Zo geldt voor alle lagen dat zij geacht worden de publieke mediaopdracht, zoals neergelegd in artikel 2.1 van de Mediawet 2008, uit te voeren. Zowel voor de RPO als de NPO geldt daarnaast dat zij een concessiebeleidsplan indienen en dat er een prestatieovereenkomst wordt gesloten.
Verschil tussen deze lagen is dat de landelijke publieke omroep op dit moment twee zogeheten «taakomroepen» kent met een vaste plek in het bestel, NTR en NOS, aan wie het verzorgen van specifiek aanbod, als nadere invulling van de publieke mediaopdracht is opgedragen. De NPO is geen taakomroep.
De regionale laag kent dergelijke taakomroepen op dit moment niet. Het feit dat regionale publieke omroepen beleidsplannen maken en dat er met hen prestatieafspraken gemaakt worden, staat daarbij los van het feit of zij wel of geen taakomroep zijn. Hier zijn geen wijzigingen in voorzien.
Kunt u deze vragen beantwoorden vóórafgaand aan het wetgevingsoverleg over de mediabegroting van 26 januari 2026?
Hiermee beantwoord ik uw vragen voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
Een bericht van vicepremier Keijzer over de NOS. |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Ouafa Oualhadj (D66) |
|
Moes |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het X-bericht van de vicepremier Keijzer?1
Ja.
Is dit een standpunt van het kabinet?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Hoe beoordeelt u deze uitlatingen in het licht van de wettelijke waarborg dat de publieke omroep onafhankelijk dient te zijn van politieke beïnvloeding?
In, onder meer, de Grondwet en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zijn de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid verankerd. Onder deze vrijheden valt in ieder geval bescherming tegen ongeoorloofde overheidsinmenging. Het is belangrijk dat media zich vrij weten van politieke beïnvloeding. De Mediawet 2008 bevat aanvullende, specifieke waarborgen voor de redactionele onafhankelijkheid van de publieke omroep. Deze normen vormen essentiële onderdelen van het constitutionele en wettelijke kader waarbinnen onafhankelijke journalistiek functioneert. Het is een groot goed dat we in Nederland persvrijheid hebben. Alleen als de publieke omroep onafhankelijk kan opereren, kan zij haar essentiële taak binnen de democratische rechtsstaat vervullen.
Dit alles wil overigens uiteraard niet zeggen dat omroepen zich in het huidige bestel niet hoeven te verantwoorden over hun redactionele keuzes, of dat daar geen debat over zou mogen ontstaan. Ook dat hoort bij de journalistieke praktijk. Bij opmerkingen of klachten over de journalistieke handelwijze kan iedereen contact opnemen met de desbetreffende omroep of redactie. Wanneer iemand niet tevreden is met de reactie van de omroep of redactie is er de mogelijkheid om een melding te maken bij de Ombudsman voor de publieke omroepen. De Ombudsman kan naar aanleiding van klachten nader onderzoek doen naar het journalistiek handelen van de omroep of redactie. Ook de Raad voor de Journalistiek kan om een oordeel gevraagd worden. Dit stelsel van zelfregulering, en ieders verantwoordelijkheid voor de wet, moet ervoor zorgen dat publieke omroepen zich verantwoorden over de journalistieke keuzes die zij maken. In het kader van de hervorming van de landelijke publieke omroep worden voorstellen voorbereid om deze zelfregulering verder te versterken.2
Hoe verhoudt een dergelijke publieke uitlating van een vicepremier zich tot de ministeriële verantwoordelijkheid voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening in Nederland?
Als Minister van OCW ben ik verantwoordelijk voor het mediabeleid en stelselverantwoordelijk voor de publieke omroep en de journalistiek. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid om te staan voor een betrouwbare en onafhankelijke nieuwsvoorziening. Zie verder mijn antwoord op vraag 3.
Is er binnen het kabinet gesproken over de mogelijke impact van dit soort uitspraken op het vertrouwen in journalistiek en publieke instituties? Zo ja, wat was de conclusie?
Het kabinet onderschrijft het belang van een sterke en onafhankelijke publieke omroep en de noodzaak tot afstand tussen media en politiek volledig.
Acht u dat een lid van het kabinet door dergelijke uitlatingen de indruk kan wekken zich te mengen in de inhoudelijke berichtgeving van de publieke omroep?
Zie mijn antwoord op vraag 3.
Hoe waarborgt het kabinet dat er geen sprake is van (de schijn van) politieke druk op redacties van publieke media?
In de Grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en de Mediawet 2008 zijn verschillende bepalingen opgenomen die de onafhankelijkheid van media beschermen. In de eerste plaats garanderen de Grondwet en het EVRM de persvrijheid. Artikel 7 van de Grondwet verbiedt daarbij expliciet voorafgaand toezicht op radio en televisie-uitzendingen. Op grond van artikel 2.1 van de Mediawet 2008 zijn publieke omroepen gehouden media-aanbod te verzorgen dat vrij is van overheidsinvloeden. Bovendien schrijft de Mediawet 2008 voor dat publieke omroepen redactionele autonomie hebben en zelf verantwoordelijk zijn voor de vorm en inhoud van hun programma’s.
Kunt u reflecteren op de mogelijke effecten van dit soort publieke uitspraken op journalisten, redacties en de mate waarin zij vrij en onbelemmerd hun werk kunnen doen?
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 3 al schreef, is het van belang dat media zich vrij moeten weten van politieke beïnvloeding. Het wettelijk kader zoals ik dat omschrijf in het antwoord op vraag 3 en vraag 7 moet dit waarborgen.
Bent u bereid om Minister Keijzer hierop aan te spreken en is volgens u de eenheid van het kabinetsbeleid in het geding?
Zie mijn antwoord op vraag 5.
Kunt u deze vragen vóór het wetgevingsoverleg Media op 8 december 2025 beantwoorden?
Het wetgevingsoverleg Media is inmiddels verplaatst naar 26 januari 2026. Ik heb uw vragen beantwoord voordat dit wetgevingsoverleg plaatsvindt.
De transparantie van besteding van budget door een aspirant-omroeporganisatie |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Moes |
|
|
|
|
Kent u het bericht dat in het strafproces tegen een presentator van een aspirant-omroep de betreffende omroep de juridische kosten grotendeels voor haar rekening heeft genomen, dat zou zijn afgesproken om deze kosten «weg te schrijven» in het jaarverslag en dat deze presentator een crowdfunding startte om de juridische kosten te financieren? Zo ja, wat vindt u van dit bericht?1
Ik ken het bericht. Het Commissariaat voor de Media, als onafhankelijk toezichthouder, heeft mij laten weten nader onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van bestedingen in deze kwestie. Omdat deze zaak onderwerp van lopend onderzoek van de toezichthouder is, past het mij niet hier verdere uitspraken over te doen.
Kunt u uiteenzetten hoe in algemene zin toezicht wordt gehouden op de naleving van het uitgangspunt dat de financiering die publieke omroepen ontvangen alleen mogen worden besteed aan de uitvoering van de publieke mediaopdracht?
Hoofdregel van de wet is dat alle inkomsten van een omroepvereniging bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht, tenzij daar door de wet een uitzondering op is gemaakt (artikel 2.135 Mediawet 2008). Het Commissariaat voor de Media (Commissariaat) is verantwoordelijk voor het financiële toezicht op publieke omroepen (artikel 2.171 van de Mediawet 2008). Dit toezicht richt zich onder meer op de rechtmatigheid van de besteding van de middelen die bestemd zijn voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Het toezicht gebeurt onder meer aan de hand van de jaarrekeningen die de (aspirant-)omroepen met een controleverklaring van de accountant jaarlijks bij het Commissariaat moeten aanleveren. Als daar aanleiding toe bestaat, zal het Commissariaat de financiële rechtmatigheid van bestedingen nader onderzoeken.2 Wanneer (aspirant-)omroepen zich niet houden aan de wettelijke verplichtingen kan het Commissariaat handhavend optreden. Middelen die onrechtmatig besteed zijn vordert het Commissariaat terug.
Welke sancties kunnen worden opgelegd aan (aspirant-)omroepen die zich niet houden aan de geldende juridische verplichtingen?
In algemene zin geldt dat bij overtreding van geldende juridische verplichtingen door (aspirant-)omroepen het Commissariaat per casus kijkt welk handhavingsinstrument het meest effectief is om herstel te bereiken of herhaling te voorkomen. Dit kan variëren van het voeren van een normoverdragend gesprek en het opleggen van een waarschuwing, tot formele handhavingsinstrumenten zoals een last onder dwangsom of een boete. Bij onrechtmatige besteding van middelen vordert het Commissariaat deze terug. Ook kan het Commissariaat een aanwijzing geven als sprake is van wanbeheer of als een deugdelijke inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen of het voeren van een deugdelijke administratie onvoldoende gewaarborgd zijn. Bij deze keuze baseert de toezichthouder zich op feiten die zijn verzameld en een beoordeling van de aard en de ernst van de overtreding en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan.
Wie legt volgens u sancties op conform de mediawet en hoe effectief is het wetsartikel 2.33 van de mediawet volgens u? Kunt u dit toelichten?
Het Commissariaat voor de Media is verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de Mediawet 2008, en kan bij overtredingen sanctioneren. Dat is onder meer het geval als sprake is van onrechtmatige besteding van gelden. Artikel 2.33 van de Mediawet 2008 ziet op het intrekken van een (voorlopige) erkenning. Dat is een zeer verstrekkende bevoegdheid van de Minister die alleen als ultimum remedium moet worden ingezet.
Kunt u zich het Kamerdebat herinneren over de rolduidelijkheid aangaande sanctioneren van (aspirant-)omroepen door de NPO, het Commissariaat voor de Media en het kabinet en de aangenomen motie van het lid Mohandis c.s. om de rollen en het sanctiebeleid in den brede aan te scherpen en te verduidelijken, zodat duidelijker wordt na hoeveel overtredingen de licentie in het geding komt? Zo ja, hoe verhoudt dit geval zich tot deze rolduidelijkheid?2
Ja. In de reactie op deze motie heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat dit onderwerp wordt meegenomen in het wetsvoorstel voor de hervorming van de landelijke publieke omroep. Die toezegging staat. In het onderhavige geval is er overigens geen rolonduidelijkheid. Volgens de wet is het Commissariaat belast met het toezicht op de rechtmatige besteding van publieke omroepmiddelen. Daar hebben de NPO noch het kabinet een rol.
Betrekt u de uitvoering van deze motie bij de komende wetsbehandeling conform uw toezegging tijdens het notaoverleg Media van 14 april 2025? Zo nee, waarom niet?
Ja.
Deelt u de mening dat, met het oog op het belang van betrouwbare en transparante journalistiek, herhaald overtreden van de uit de mediawet conform artikel 2.33 voortvloeiende verplichtingen moet worden gesanctioneerd en de omroeplicentie in het geding kan komen? Zo nee, waarom niet?
Alle omroepen, geen enkele uitgezonderd, dienen zich aan de voor hen geldende wettelijke verplichtingen te houden. Als men dat nalaat geldt het handhavingsregime zoals dat in de Mediawet is vastgelegd en zoals ik heb toegelicht in mijn antwoorden op vraag 2 tot en met 4. De mogelijkheid van artikel 2.33 van de Mediawet 2008 om een (voorlopige) erkenning in te trekken, kan pas aan de orde komen als het Commissariaat minstens twee sancties in een jaar heeft opgelegd of wanneer daar een tweede negatief oordeel van de evaluatiecommissie aan ten grondslag ligt. Dat is overigens geen automatisme, er dient altijd een zorgvuldige afweging gemaakt te worden
Burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het feit dat de wielerkalender onder druk staat door onder andere capaciteitsproblemen bij de politie, waardoor de inzet van motoragenten beperkt is?
Ja. Op 27 november 2024 heeft mijn ambtsvoorganger, samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV), een brief over dit onderwerp aan uw Kamer gestuurd.1
Deelt u de mening dat de inzet van burgermotorverkeersregelaars vanuit de overheid gestimuleerd dient te worden, zodat wielerwedstrijden op de openbare weg doorgang kunnen vinden en de politie tevens ontlast kan worden?
De verantwoordelijkheid voor een veilig en ordelijk verloop van wielerwedstrijden ligt bij de organisator van het evenement. De politie adviseert het bevoegd gezag over het verlenen van de vergunning. De inzet van burgermotorverkeersregelaars moet plaatsvinden binnen de geldende wettelijke kaders. In bovengenoemde brief is aangegeven op welke wijze de Rijksoverheid daarbij ondersteunt, bijvoorbeeld door een subsidie aan de KNWU voor de ontwikkeling van een landelijke richtlijn.
Wordt de financiering vanuit de rijksoverheid voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen structureel, zoals het amendement-Van Dijk c.s. beoogd? Zo nee, waarom niet?1
In het amendement wordt het kabinet gevraagd om te verkennen of structurele ondersteuning mogelijk is, aanvullend op het eenmalige bedrag van 215.000 euro voor de ontwikkeling van een landelijke richtlijn. Mijn ambtsvoorganger heeft dit met de Minister van JenV en de Minister van IenW onderzocht. Ze zijn tot de conclusie gekomen dat het niet de verantwoordelijkheid van de Rijksoverheid is om de inzet van burgermotorverkeersregelaars structureel te financieren. Hierover heeft mijn ambtsvoorganger uw Kamer op 18 juni jl. geïnformeerd.3
Wat is de status van de richtlijn voor de inzet van burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen, waar financiering voor vrij is gemaakt via het eerder genoemde amendement-Van Dijk c.s.? Is de financiering al rond?
De KNWU heeft een start gemaakt met de ontwikkeling van de richtlijn, in samenspraak met MotorBegeleidingsTeams (MBT’s) en de politie. Doordat de subsidie van het Ministerie van VWS enige tijd op zich heeft laten wachten, zijn de activiteiten tijdelijk gepauzeerd. De subsidie is recentelijk aan de KNWU verstrekt, zodat de activiteiten kunnen worden hervat.
Hoe staat de politie tegenover de inzet van burgermotorverkeersregelaars bij wielerkoersen?
De korpschef heeft de Minister van JenV laten weten dat, overeenkomstig de huidige wetgeving, de politie van mening is dat de evenementenorganisator verantwoordelijk is voor een veilig en ordelijk verloop van een wielerwedstrijd. De invulling hiervan kan plaatsvinden met een breed maatregelenpakket, zoals statische verkeersmaatregelen en statische- en dynamische verkeersregelaars (burgermotorverkeersregelaars).
Vallen de collectieve kosten van de inzet burgermotorverkeersregelaars, ondanks een structurele rijksinvestering, lager uit dan de kosten voor de inzet van motoragenten bij wielerwedstrijden?
Deze vraag is niet goed te beantwoorden. Ten eerste zijn er geen collectieve kosten verbonden aan de inzet van burgermotorverkeersregelaars. Ten tweede zijn de kosten voor de inzet van motoragenten bij wielerwedstrijden niet sec te berekenen. De inzet van motoragenten gaat ten koste van de politiecapaciteit op andere plekken. Het betreft de inzet van schaarse capaciteit, middelen en opleidingen.
Waarom wordt de verdeling van politie-eenheden voor wielerkoersen nu lokaal belegd?
Een wielerkoers betreft een evenement waarvoor een vergunning wordt verleend door het bevoegd gezag. De eventuele inzet van politiecapaciteit bij een evenement wordt bepaald door dit bevoegd gezag, dat is veelal een gemeente of provincie. Het bevoegd gezag kan een afgewogen beslissing nemen omdat zij goed zicht heeft op de lokale context en andere evenementen in de omgeving die politie-inzet behoeven. De eventuele politie-inzet is niet gericht op het faciliteren van het evenement als zodanig.
Ontvangt u net als ons signalen dat het lokaal beleggen van de verdeling van politie-eenheden tot problemen leidt en het nationaal organiseren beter werkte?
In het verleden is geen sprake geweest van het nationaal organiseren van de verdeling van politie bij wielerwedstrijden. Wel vond afstemming plaats tussen de KNWU en een expertgroep van de politie. Hier werd op basis van de kalender van de KNWU besproken welke politiebegeleiding wenselijk zou zijn. In het gesprek tussen de politie en de KNWU konden geen toezeggingen worden gedaan. Het bevoegd gezag was niet betrokken bij deze gesprekken en daarom niet in de gelegenheid om de volle breedte van het evenement, de samenhang met andere evenementen en de context te overwegen. Om deze afweging goed te kunnen maken is het van belang dat het al dan niet verlenen van een vergunning voor een evenement bij het bevoegd gezag belegd is, inclusief het bepalen van de aard en omvang van eventuele aanvullende politie-inzet rond het evenement.
Bent u bereid deze keuze te heroverwegen? Zo nee, waarom niet?
Nee, aangezien het bevoegd gezag een goed beeld heeft van de context en andere evenementen in de omgeving die politie-inzet behoeven, is het van belang dat het de keuze maakt en dat dat niet op nationaal niveau gebeurt.
Bent u bereid in gesprek te gaan met het veld, onder andere met de KNWU, om te kijken naar een passende oplossing? Zo nee, waarom niet?
De Ministeries van IenW, JenV en VWS hebben de afgelopen jaren nauw samengewerkt met de betrokken stakeholders, waaronder de KNWU, om tot passende oplossingen te komen. Dit heeft geresulteerd in diverse acties waarover uw Kamer is geïnformeerd via de eerder genoemde brief. Wij blijven de ontwikkelingen volgen en blijven daarover regelmatig in gesprek met de partijen.
Bent u bekend met het bericht op NU.nl van 5 augustus 2025 waarin atlete Zoë Sedney vertelt dat zij in 2023 slachtoffer werd van grensoverschrijdend gedrag door een teamgenoot, en zich vervolgens onvoldoende gesteund voelde door de Atletiekunie?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de opvatting dat sportbonden een zorgplicht hebben richting sporters die grensoverschrijdend gedrag melden, en dat hierin bij dit slachtoffer ernstig is tekortgeschoten?
Grensoverschrijdend gedrag hoort nergens thuis, ook niet in de sport. Iedereen – zowel recreanten als topsporters – moet dan ook in een veilige omgeving kunnen sporten. Ik deel de opvatting dat sportbonden- en verenigingen een zorgplicht hebben richting sporters die grensoverschrijdend gedrag melden.
Hoewel sportbonden geen hulpverlenende rol hebben, moeten zij wel hulp organiseren rondom een sporter of melder. Zo zijn de bij NOC*NSF aangesloten bestuurders van sportverenigingen en -bonden volgens de Blauwdruk Seksuele Intimidatie verplicht om vermoedens van of meldingen over grensoverschrijdend gedrag te melden. Dit kan bij de aanklager van de bond. In veel gevallen is dit het Instituut Sportrechtspraak (ISR). Daarnaast gelden er volgens de Blauwdruk Seksuele Intimidatie gedragsregels voor alle sportbonden die lid zijn van NOC*NSF.
Het is als niet aan mij om als Staatssecretaris casuïstiek te beoordelen.
Klopt het dat de atleet tegen wie de melding was gedaan, na een korte time-out weer werd toegelaten tot het team, zonder dat het slachtoffer daarover werd geïnformeerd? Wat vindt u daarvan?
Ik ben niet op de hoogte van de specifieke omstandigheden rondom dit incident. Zoals beschreven in het antwoord op vraag 2, is het niet aan mij om hierover uitspraak te doen en om een standpunt in te nemen.
Hoe beoordeelt u het feit dat het slachtoffer vervolgens werd gevraagd wat zij nodig had om een mogelijke terugkeer van de aangeklaagde werkbaar te maken, en dat vervolgens niets met haar antwoord is gedaan?
Zie antwoord vraag 3.
In hoeverre heeft het Centrum Veilige Sport Nederland (CVSN) in deze zaak een rol gespeeld? Was deze melding bij het CVSN bekend, en zo ja, wat is er mee gedaan?
Ik kan niet beoordelen in hoeverre het CVSN een rol in deze zaak heeft gespeeld. Het CVSN doet vanwege privacyredenen geen uitspraak over individuele meldingen.
Welke richtlijnen gelden er op dit moment voor sportbonden bij de opvang van slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag en het omgaan met meldingen binnen nationale selecties?
Zie het antwoord op vraag 2. De beschreven zorgplicht en de genoemde gedragsregels gelden ook binnen de nationale selecties van de sportbonden die lid zijn van NOC*NSF.
Hoe wordt gecontroleerd of sportbonden deze richtlijnen ook daadwerkelijk naleven? Wat gebeurt er als blijkt dat dat niet het geval is?
Volgens NOC*NSF is de Blauwdruk Seksuele Intimidatie verplicht voor alle sportbonden die lid zijn van NOC*NSF. Dit is vastgelegd in de Minimale Kwaliteitseisen van NOC*NSF. Indien een bond niet aan deze eisen voldoet, kan dit leiden tot het onderbreken of stopzetten van de jaarlijkse financiering die deze sportbond vanuit NOC*NSF ontvangt. NOC*NSF toetst jaarlijks bij de aanvraag van deze middelen of sportbonden aan deze eisen voldoen.
De Blauwdruk Seksuele Intimidatie legt de rechten en plichten van alle betrokkenen bij een melding vast, inclusief die van het slachtoffer. Zo kan een melding adequaat worden opgevolgd en kan de veiligheid van het slachtoffer worden geborgd. Het is de verantwoordelijkheid van de sportbond om meldingen volgens de Blauwdruk te behandelen.
Wordt in de afhandeling van dit soort meldingen voldoende rekening gehouden met de belangen, veiligheid en stem van het slachtoffer bijvoorbeeld bij teamselecties of bij de resocialisatie van de aangeklaagde?
Zie antwoord vraag 7.
Wat wordt er momenteel gedaan om victim blaming binnen sportorganisaties tegen te gaan? Welke sancties heeft u om in samenspraak met de bonden te nemen?
Ik keur victim blaming te allen tijde af. Het gaat in tegen de richtlijnen en gedragsregels die volgens de Blauwdruk Seksuele Intimidatie gelden voor alle sportbonden die lid zijn van NOC*NSF. Sportbonden zijn zelf verantwoordelijk voor preventie en bewustwording rondom dit thema. Van sporters mag verwacht worden dat zij zelf ook bijdragen aan een omgeving en sfeer waarbinnen andere sporters zich veilig voelen. Van begeleiders wordt verwacht dat zij sporters beschermen tegen schade en (machts)misbruik als gevolg van seksuele intimidatie. Sportbonden kunnen onder andere gebruikmaken van de voorlichtingsbijeenkomsten die NOC*NSF voor topsporters organiseert. Deze bijeenkomsten worden medegefinancierd door het Ministerie van VWS.
Hoe ver staat het met de aangekondigde plannen voor de oprichting van een onafhankelijk integriteitscentrum voor de sport? Waarom duurt dit zo lang? Welke rol krijgt dit centrum in de behandeling van meldingen van grensoverschrijdend gedrag?
Op 1 september 2025 is het conceptwetsvoorstel Wet integere sport in internetconsultatie gegaan. Met dit wetsvoorstel wordt de oprichting van het onafhankelijk integriteitcentrum, Integere Sport Nederland (ISN), geregeld. Ik heb uw Kamer hierover geïnformeerd op 29 augustus 2025.
ISN wordt een meldpunt waar iedere betrokkene in de sport melding kan doen van grensoverschrijdend gedrag, matchfixing, of doping in de sport. ISN zal meldingen ontvangen, onderzoeken en de sport adviseren over de opvolging van meldingen. Ook zal ISN voorzien in voorlichting op het gebied van grensoverschrijdend gedrag, matchfixing en doping.
Bent u bereid om deze zaak en vergelijkbare signalen mee te nemen in de verdere vormgeving van dat centrum en in uw bredere aanpak van een sociaal veilige sport?
Ja, ik ben bereid om zaken zoals deze en vergelijkbare signalen mee te nemen in de verdere vormgeving van Integere Sport Nederland en in mijn bredere aanpak van een sociaal veilige sport. In de beantwoording van 18 april 2025 op de Kamervragen van het lid Van den Hil (VVD) heeft mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de stem van ervaringsdeskundigen wordt meegenomen bij de oprichting van ISN2. De kwartiermaker die wordt aangesteld zal expliciet worden gevraagd om deze deskundigheid te betrekken bij de praktische werkwijze van het centrum.
Wat gaat u er concreet aan doen om te zorgen dat de doorlooptijd van zedenzaken drastisch omlaag gaat, zodat slachtoffers niet onnodig lang in onzekerheid hoeven te verkeren?
Er bestaat geen eenvoudige oplossing voor het verkorten van de doorlooptijd van zedenzaken. Het gaat doorgaans om complexe zaken die zorgvuldig moeten worden opgepakt. Dit kost veel tijd.
Er worden al inspanningen verricht om de aanpak van zedenzaken én de capaciteit van de strafrechtketen te versterken. Bijvoorbeeld via investeringen in extra capaciteit en sinds eind 2022 via het Actieplan versterken ketenaanpak zedenzaken. Dit plan – dat door de organisaties uit de strafrechtketen is opgesteld – heeft als doelstelling om de doorlooptijd van zedenzaken te verbeteren. Ook heeft het de bredere ambitie om het gehele strafproces voor slachtoffers én daders van zedenzaken te verbeteren. Zie voor nadere informatie over de genomen maatregelen voor het verbeteren van de doorlooptijden in zedenzaken de beantwoording op de Kamervragen van de leden Mutluer (GL-PvdA) en Van der Werf (D66) van 2 april 20253.
Deze inspanningen lijken resultaten op te leveren. De Factsheet Strafrechtketenmonitor 20244 toont een verbetering van de doorlooptijden bij het Openbaar Ministerie. Bij de andere ketenorganisaties is de doorlooptijd ondanks een toename van de instroom gelijk gebleven. Ook is de voorraad oude zaken bij de politie in 2024 afgenomen ten opzichte van 2023. Het wegwerken van oude zaken draagt op termijn ook bij aan het verkorten van de doorlooptijden. Het actieplan richt zich ook op meer regie voor slachtoffers in zedenzaken, met verbeterde communicatie tijdens het strafproces, inzet van herstelrecht en effectievere multidisciplinaire samenwerking tussen ketenpartners.
Hoe verhoudt het feit dat wachtlijsten bij de zedenpolitie, het Openbaar Ministerie en de rechtspraak in de behandeling van zedenzaken onevenredig lang zijn, zich tot de aanstelling van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag?
In februari 2022 gaf het kabinet-Rutte IV het startschot om te komen tot het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP). Het doel van dit programma is om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld te voorkomen, te herkennen, aan te pakken en om hulp te bieden aan slachtoffers. Daarin was de aanstelling van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (RCGOG) in april 2022 een belangrijke stap. Zij geeft het kabinet zowel gevraagd als ongevraagd advies op dit onderwerp. Ook is zij zelf actief in de aanpak, bijvoorbeeld als aanjager van het maatschappelijk gesprek. Het NAP en de RCGOG zetten in op een integrale aanpak van bewustwording en preventie via vroeg ingrijpen door omstanders en organisaties door adequate hulpverlening.
Vanuit haar onafhankelijke rol heeft de RCGOG zich diverse keren uitgesproken over de doorlooptijden van zedenzaken, het belang van alternatieve afdoeningen en hulpverlening voor slachtoffers. Hiertoe heeft zij in haar adviesrapport «Toekomstbestendige hulpverlening na seksueel grensoverschrijdend gedrag en
seksueel geweld» uit 2024 aanbevelingen gedaan5. Het kabinet-Schoof heeft dit rapport met veel belangstelling ontvangen en ziet veel aansluiting bij de lopende maatregelen en actielijnen. In de beleidsreactie de dato 13 januari 2025 wordt inhoudelijk ingegaan op de aanbevelingen uit het adviesrapport6.