De repatriëring van stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen uit Noord-Korea |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen (onder wie sergeant Cornelis van der Snepscheut, soldaten Johannes Moonen, Johannes Knaap, Tijs Deegmulder en Franciscus Lamberti)?
Het kabinet zet zich doorlopend in voor de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen van het Nederlandse Detachement Verenigde Naties (NDVN). De regering onderhoudt hierover contact met zowel relevante Zuid-Koreaanse als Amerikaanse overheden en leverde DNA profielen en historische en medische gegevens aan. Dat heeft tot op heden echter, geen resultaat opgeleverd. Het kabinet blijft vasthouden aan deze inzet.
Heeft de Nederlandse regering sinds 2018 nieuwe diplomatieke stappen ondernomen richting Noord-Korea, de Verenigde Staten, Zuid-Korea of het United Nations Command om deze zaak te bevorderen?
Ja, op 7 december 2020 is er een Memorandum of Understanding (MoU) afgesloten tussen de Zuid-Koreaanse en Nederlandse Ministeries van Defensie met specifiek dit doel, namelijk het bevorderen van de samenwerking op de identificatie van vermiste personen van de Korea Oorlog.
Op basis van dit MoU heeft Nederland aan het Zuid-Koreaanse Ministry of Defense Agency for KIA Recovery and Identification (MAKRI) digitale DNA-profielen van nazaten van de vermiste Nederlandse militairen aangeleverd, alsook vijf met zorg door het Ministerie van Defensie samengestelde data packages met historische en medische gegevens. MAKRI organiseert nog jaarlijks zoek- en bergingsmissies in Zuid-Korea. Naar schatting worden er nog meer dan 133.000 militairen van het United Nations Command (UNC) vermist.
Omdat het NDVN tijdens de Koreaanse Oorlog was ingedeeld bij het Amerikaanse leger, onderhoudt de regering ook contact met het agentschap van het Amerikaanse Ministerie van Defensie dat identificatieonderzoek doet van stoffelijke resten (Defense Prisoner of War / Missing in Action Accounting Agency – DPAA). Dezelfde gegevens zijn ook daar aangeleverd. Dit heeft echter in beide gevallen nog niet tot een DNA-match geleid.
Nederland is volwaardig lid van het United Nations Command (UNC), de organisatie die toeziet op de naleving van de wapenstilstand tussen Noord- en Zuid-Korea. UNC speelt echter geen leidende rol bij het lokaliseren, bergen en identificeren van stoffelijke resten.
Nederland heeft slechts minimaal contact met Noord-Korea en heeft geen ambassade in Pyongyang. De Nederlandse ambassadeur is Seoel is tevens de Nederlandse vertegenwoordiger naar Noord-Korea, maar is door Pyongyang nog niet uitgenodigd om zijn geloofsbrieven te overhandigen. Onder de huidige politieke omstandigheden blijft de kans op samenwerking met Noord-Korea op dit onderwerp bijzonder klein.
Wordt er momenteel nog altijd samengewerkt met Zuid-Koreaanse instanties of het United Nations Command voor mogelijke zoekacties of DNA-onderzoek, en zo ja, wat zijn de concrete resultaten hiervan tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2.
Zijn er de afgelopen jaren contacten geweest met Noord-Koreaanse autoriteiten, direct of via tussenpersonen, over de overdracht van stoffelijke resten van VN-militairen, en is daarbij specifiek aandacht gevraagd voor Nederlandse gevallen?
Zie beantwoording vraag 2. Wel zijn er contacten geweest via de VS. Na een ontmoeting tussen de Amerikaanse president Trump en de Noord-Koreaanse president Kim Yong-un heeft Noord-Korea in juli 2018 55 kisten met de vermoedelijke stoffelijke resten van gesneuvelde Amerikaanse militairen uit de Koreaanse Oorlog overgedragen aan de Verenigde Staten. Zoals eerder opgemerkt, staat Nederland in contact met het Amerikaanse DPAA, dat het identificatieonderzoek van de stoffelijke resten uitvoert.
Bent u bereid om, in lijn met eerdere toezeggingen, de kwestie opnieuw diplomatiek aan te kaarten, bijvoorbeeld in multilateraal verband of via bondgenoten, gezien het feit dat er al meer dan 70 jaar verstreken is?
Ja, het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van deze vijf Nederlandse militairen. Hiervoor wordt reeds samengewerkt met de Verenigde Staten en Zuid-Korea. Nederland zal dit onderwerp blijven opbrengen in contacten met deze landen.
De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Ja.
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
De MATCH Act is een wetsvoorstel van het Amerikaanse Congres dat zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat wordt geïnitieerd. Het gaat op dit moment om conceptwetgeving, die zowel in het Huis als de Senaat nog de formele processen moet doorlopen. Het gaat bovendien nog om twee eigenstandige teksten in het Huis en de Senaat. De teksten kunnen gedurende de behandeling in zowel het Huis als de Senaat nog worden aangepast.
In de kern stelt de MATCH Act exportcontroles op bepaalde halfgeleiderproductieapparatuur en componenten via diplomatie multilateraal te «harmoniseren». De tekst richt zich daarbij op Amerikaanse bondgenoten en partners. De conceptwetteksten specificeren niet om welke landen het gaat en richten zich op alle partnerlanden die belangrijke («chokepoint») halfgeleiderproductietechnologie maken.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft een positie in halfgeleiderproductieapparatuur, samen met bedrijven uit onder andere Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en andere Europese landen. In het wetsvoorstel wordt de Amerikaanse regering opgedragen om in coördinatie met bondgenoten en partners tot meer restrictief beleid te komen, met landen-specifieke exportcontroles met als uitgangspunt dat alle aanvragen worden afgewezen («country-wide controls with presumption of denial»). Dit zou moeten gelden voor China, Rusland, Iran, Noord-Korea en andere landen die door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als «land van zorg» worden gezien.
De huidige versie van de MATCH Act omvat ook voorstellen omtrent service- en onderhoudsdiensten voor geavanceerde halfgeleiderapparatuur. Dit zou kunnen betekenen dat voor onderhoud van dergelijke apparatuur bij bepaalde eindgebruikers een vergunning vereist wordt. Dit voorstel van het VS-congres kan ertoe leiden dat bedrijven, ook voor reeds geleverde machines, geen onderhoud of ondersteuning meer mogen verrichten zonder vergunning, en stelt dat bij de vergunningbehandeling het uitgangspunt zou moeten gelden dat deze niet worden verleend («presumption of denial»). De uiteindelijke impact hangt af van de nadere uitwerking in uitvoeringsregelgeving en eventuele uitzonderingen.
Het initiatief voorziet erin dat, als bondgenoten en partners binnen de vastgestelde periodes niet tot geharmoniseerde controles komen, de Verenigde Staten via Amerikaanse wetgeving extraterritoriaal beperkingen kunnen op leggen op export uit deze landen. Het kabinet kijkt daarom met zorg naar de MATCH Act.
Het is aan de leden van het Amerikaanse Congres om hun eigen standpunt over deze conceptwetgeving te bepalen. Gezien de mogelijke impact van de MATCH Act op Nederland bij aanname in huidige vorm, heeft Nederland zijn bezwaren, in het bijzonder over de extraterritorialiteit, zowel bij leden van het Amerikaanse Congres als bij de Amerikaanse regering neergelegd (zie ook vraag 6).
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die uitgaat van het Amerikaanse voorstel. Elk land is verantwoordelijk voor zijn eigen exportcontrolewetgeving.
Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Het kabinet hecht aan goede samenwerking met partners. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving. Dat maken we altijd duidelijk in onze diplomatieke contacten met andere landen, zo ook met de Verenigde Staten.
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen voor ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik.
De EU Dual Use Verordening is het leidende juridische kader voor Nederland. Daaruit vloeit voort dat het Europese en Nederlandse exportcontrolebeleid landenneutraal is, elke vergunningaanvraag op zijn eigen merites («case-by-case») wordt beoordeeld en exportcontrole geen exportverbod is. Internationaal overleg over exportcontrole is de standaard en de inzet van Nederland is om met zoveel mogelijk landen tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk gaat elk land zelf over de exportcontrolemaatregelen die nodig zijn om zijn nationale veiligheid te beschermen. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Nederland staat in het kader van exportcontrole continu en op alle niveaus in contact met andere technologiehoudende landen, bilateraal alsook via de multilaterale exportcontroleregimes zoals het Wassenaar Arrangement. De MATCH Act is daar onderdeel van, gezien de nauwe verwevenheid van de internationale halfgeleidersector en de potentiële scope van de MATCH Act. Wegens de diplomatieke vertrouwelijkheid kan het kabinet niet in detail treden over de inhoud deze gesprekken.
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de concept wettekst nadrukkelijk onder de aandacht te brengen op alle niveaus.
De verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt tot een oordeel op stelselniveau?
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni 2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht. In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047, rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en deelt de Staatssecretaris de opvatting dat deze overweging als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert in de zin van dit arrest?
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen. Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752 inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200 x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen is zodoende geen sprake.
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt, niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3. In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37 van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze – niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen, cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin opgenomen eerdere arresten).
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt, als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit, of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren, terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie. Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig overbodig geworden.
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar € 210.000 zonder dividenduitkeringen en met slechts € 400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december 2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 euro overhoudt, terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen en waarbij de Staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar 1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van € 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR 2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig) ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige) ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige last teweegbrengen.
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat, zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder de VAB en zo ja, kan de Staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en zo nee, waarom niet?
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige last waar u aan refereert.
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald, waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat. Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal. De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat.
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van 25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk +15.000 euro, –5.000 euro, +15.000 euro, –5.000 euro en +5.000 euro met een totale VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4 procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van € 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel niet is onderkend?
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven, inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A, B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht. Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21) die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst. Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren. Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als afgedaan.
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.
De repatriëring van stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen uit Noord-Korea |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Berendsen |
|
|
|
|
Wat is de actuele stand van zaken met betrekking tot de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen (onder wie sergeant Cornelis van der Snepscheut, soldaten Johannes Moonen, Johannes Knaap, Tijs Deegmulder en Franciscus Lamberti)?
Het kabinet zet zich doorlopend in voor de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van vijf Nederlandse militairen van het Nederlandse Detachement Verenigde Naties (NDVN). De regering onderhoudt hierover contact met zowel relevante Zuid-Koreaanse als Amerikaanse overheden en leverde DNA profielen en historische en medische gegevens aan. Dat heeft tot op heden echter, geen resultaat opgeleverd. Het kabinet blijft vasthouden aan deze inzet.
Heeft de Nederlandse regering sinds 2018 nieuwe diplomatieke stappen ondernomen richting Noord-Korea, de Verenigde Staten, Zuid-Korea of het United Nations Command om deze zaak te bevorderen?
Ja, op 7 december 2020 is er een Memorandum of Understanding (MoU) afgesloten tussen de Zuid-Koreaanse en Nederlandse Ministeries van Defensie met specifiek dit doel, namelijk het bevorderen van de samenwerking op de identificatie van vermiste personen van de Korea Oorlog.
Op basis van dit MoU heeft Nederland aan het Zuid-Koreaanse Ministry of Defense Agency for KIA Recovery and Identification (MAKRI) digitale DNA-profielen van nazaten van de vermiste Nederlandse militairen aangeleverd, alsook vijf met zorg door het Ministerie van Defensie samengestelde data packages met historische en medische gegevens. MAKRI organiseert nog jaarlijks zoek- en bergingsmissies in Zuid-Korea. Naar schatting worden er nog meer dan 133.000 militairen van het United Nations Command (UNC) vermist.
Omdat het NDVN tijdens de Koreaanse Oorlog was ingedeeld bij het Amerikaanse leger, onderhoudt de regering ook contact met het agentschap van het Amerikaanse Ministerie van Defensie dat identificatieonderzoek doet van stoffelijke resten (Defense Prisoner of War / Missing in Action Accounting Agency – DPAA). Dezelfde gegevens zijn ook daar aangeleverd. Dit heeft echter in beide gevallen nog niet tot een DNA-match geleid.
Nederland is volwaardig lid van het United Nations Command (UNC), de organisatie die toeziet op de naleving van de wapenstilstand tussen Noord- en Zuid-Korea. UNC speelt echter geen leidende rol bij het lokaliseren, bergen en identificeren van stoffelijke resten.
Nederland heeft slechts minimaal contact met Noord-Korea en heeft geen ambassade in Pyongyang. De Nederlandse ambassadeur is Seoel is tevens de Nederlandse vertegenwoordiger naar Noord-Korea, maar is door Pyongyang nog niet uitgenodigd om zijn geloofsbrieven te overhandigen. Onder de huidige politieke omstandigheden blijft de kans op samenwerking met Noord-Korea op dit onderwerp bijzonder klein.
Wordt er momenteel nog altijd samengewerkt met Zuid-Koreaanse instanties of het United Nations Command voor mogelijke zoekacties of DNA-onderzoek, en zo ja, wat zijn de concrete resultaten hiervan tot nu toe?
Zie het antwoord op vraag 1 en 2.
Zijn er de afgelopen jaren contacten geweest met Noord-Koreaanse autoriteiten, direct of via tussenpersonen, over de overdracht van stoffelijke resten van VN-militairen, en is daarbij specifiek aandacht gevraagd voor Nederlandse gevallen?
Zie beantwoording vraag 2. Wel zijn er contacten geweest via de VS. Na een ontmoeting tussen de Amerikaanse president Trump en de Noord-Koreaanse president Kim Yong-un heeft Noord-Korea in juli 2018 55 kisten met de vermoedelijke stoffelijke resten van gesneuvelde Amerikaanse militairen uit de Koreaanse Oorlog overgedragen aan de Verenigde Staten. Zoals eerder opgemerkt, staat Nederland in contact met het Amerikaanse DPAA, dat het identificatieonderzoek van de stoffelijke resten uitvoert.
Bent u bereid om, in lijn met eerdere toezeggingen, de kwestie opnieuw diplomatiek aan te kaarten, bijvoorbeeld in multilateraal verband of via bondgenoten, gezien het feit dat er al meer dan 70 jaar verstreken is?
Ja, het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor de opsporing en mogelijke repatriëring van de stoffelijke resten van deze vijf Nederlandse militairen. Hiervoor wordt reeds samengewerkt met de Verenigde Staten en Zuid-Korea. Nederland zal dit onderwerp blijven opbrengen in contacten met deze landen.
De Amerikaanse MATCH Act en de gevolgen daarvan voor ASML |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Sjoerd Sjoerdsma (D66), Herbert |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van de in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden ingediende MATCH Act, waarin Republikeinse en Democratische politici voorstellen de exportbeperkingen voor chipfabricage machines naar China verder aan te scherpen?
Ja.
Klopt het dat dit wetsvoorstel beoogt ook voor bedrijven uit bondgenootschappelijke landen, waaronder Nederland en Japan, dezelfde beperkingen te laten gelden als voor Amerikaanse bedrijven?
De MATCH Act is een wetsvoorstel van het Amerikaanse Congres dat zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat wordt geïnitieerd. Het gaat op dit moment om conceptwetgeving, die zowel in het Huis als de Senaat nog de formele processen moet doorlopen. Het gaat bovendien nog om twee eigenstandige teksten in het Huis en de Senaat. De teksten kunnen gedurende de behandeling in zowel het Huis als de Senaat nog worden aangepast.
In de kern stelt de MATCH Act exportcontroles op bepaalde halfgeleiderproductieapparatuur en componenten via diplomatie multilateraal te «harmoniseren». De tekst richt zich daarbij op Amerikaanse bondgenoten en partners. De conceptwetteksten specificeren niet om welke landen het gaat en richten zich op alle partnerlanden die belangrijke («chokepoint») halfgeleiderproductietechnologie maken.
Het Nederlandse bedrijfsleven heeft een positie in halfgeleiderproductieapparatuur, samen met bedrijven uit onder andere Verenigde Staten, Japan, Zuid-Korea, Duitsland en andere Europese landen. In het wetsvoorstel wordt de Amerikaanse regering opgedragen om in coördinatie met bondgenoten en partners tot meer restrictief beleid te komen, met landen-specifieke exportcontroles met als uitgangspunt dat alle aanvragen worden afgewezen («country-wide controls with presumption of denial»). Dit zou moeten gelden voor China, Rusland, Iran, Noord-Korea en andere landen die door het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken als «land van zorg» worden gezien.
De huidige versie van de MATCH Act omvat ook voorstellen omtrent service- en onderhoudsdiensten voor geavanceerde halfgeleiderapparatuur. Dit zou kunnen betekenen dat voor onderhoud van dergelijke apparatuur bij bepaalde eindgebruikers een vergunning vereist wordt. Dit voorstel van het VS-congres kan ertoe leiden dat bedrijven, ook voor reeds geleverde machines, geen onderhoud of ondersteuning meer mogen verrichten zonder vergunning, en stelt dat bij de vergunningbehandeling het uitgangspunt zou moeten gelden dat deze niet worden verleend («presumption of denial»). De uiteindelijke impact hangt af van de nadere uitwerking in uitvoeringsregelgeving en eventuele uitzonderingen.
Het initiatief voorziet erin dat, als bondgenoten en partners binnen de vastgestelde periodes niet tot geharmoniseerde controles komen, de Verenigde Staten via Amerikaanse wetgeving extraterritoriaal beperkingen kunnen op leggen op export uit deze landen. Het kabinet kijkt daarom met zorg naar de MATCH Act.
Het is aan de leden van het Amerikaanse Congres om hun eigen standpunt over deze conceptwetgeving te bepalen. Gezien de mogelijke impact van de MATCH Act op Nederland bij aanname in huidige vorm, heeft Nederland zijn bezwaren, in het bijzonder over de extraterritorialiteit, zowel bij leden van het Amerikaanse Congres als bij de Amerikaanse regering neergelegd (zie ook vraag 6).
Klopt het dat de MATCH Act er in de praktijk toe kan leiden dat ASML geen immersie-DUV-lithografiemachines meer aan China mag verkopen en evenmin onderhoud of service mag verrichten aan reeds geleverde machines, onder meer aan bedrijven als SMIC, Hua Hong, Huawei, CXMT en YMTC?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de opvatting dat een verbod op onderhoud en service van reeds verkochte machines feitelijk kan neerkomen op gedwongen contractbreuk en daarmee grote juridische en economische risico’s voor ASML met zich mee kan brengen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Hoe beoordeelt u de mogelijke gevolgen van dit wetsvoorstel voor ASML, de Nederlandse toeleveringsketen en de werkgelegenheid, mede in het licht van het gegeven dat China in 2025 goed was voor 33 procent van de omzet van ASML en ASML zelf aangaf dat dit aandeel in 2026 naar circa 20 procent zou dalen?
Het kabinet is tegen de extraterritoriale werking die uitgaat van het Amerikaanse voorstel. Elk land is verantwoordelijk voor zijn eigen exportcontrolewetgeving.
Dergelijke brede maatregelen kunnen daarnaast potentieel significante invloed hebben op de omzet van halfgeleiderbedrijven, inclusief de Nederlandse, en hun marktpositie verslechteren. Ook kunnen ze de voorspelbaarheid van het handels- en investeringsklimaat aantasten. Dat is ook de boodschap die de Minister-President, de Minister van Buitenlandse Zaken en de Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben afgegeven tijdens het bezoek van het Koninklijk Paar aan de Verenigde Staten.
In hoeverre acht het kabinet het wenselijk dat de Verenigde Staten via eigen wetgeving feitelijk verdere beperkingen opleggen aan de exportmogelijkheden en dienstverlening van een Nederlands bedrijf?
Het kabinet hecht aan goede samenwerking met partners. Nederland heeft als uitgangspunt dat ieder land verantwoordelijk is voor zijn eigen wetgeving en is dus geen voorstander van extraterritoriale wetgeving. Dat maken we altijd duidelijk in onze diplomatieke contacten met andere landen, zo ook met de Verenigde Staten.
Nederland deelt in algemene zin de veiligheidszorgen van zijn partners met betrekking tot de ongecontroleerde export van geavanceerde halfgeleidertechnologie en heeft daartoe zowel nationaal als in multilateraal verband exportcontrolemaatregelen voor ingesteld.
De aanpak van het kabinet is chirurgisch en gebaseerd op nationale veiligheidsrisico’s-, gericht op non-proliferatie en het voorkomen van ongewenst eindgebruik.
De EU Dual Use Verordening is het leidende juridische kader voor Nederland. Daaruit vloeit voort dat het Europese en Nederlandse exportcontrolebeleid landenneutraal is, elke vergunningaanvraag op zijn eigen merites («case-by-case») wordt beoordeeld en exportcontrole geen exportverbod is. Internationaal overleg over exportcontrole is de standaard en de inzet van Nederland is om met zoveel mogelijk landen tot overeenstemming te komen. Uiteindelijk gaat elk land zelf over de exportcontrolemaatregelen die nodig zijn om zijn nationale veiligheid te beschermen. Nationale veiligheidsoverwegingen zijn doorslaggevend bij exportcontrole.
Is het kabinet hierover reeds in gesprek met de Verenigde Staten, Japan, Taiwan, Zuid-Korea en de Europese Commissie, en wat is daarbij concreet de Nederlandse inzet?
Nederland staat in het kader van exportcontrole continu en op alle niveaus in contact met andere technologiehoudende landen, bilateraal alsook via de multilaterale exportcontroleregimes zoals het Wassenaar Arrangement. De MATCH Act is daar onderdeel van, gezien de nauwe verwevenheid van de internationale halfgeleidersector en de potentiële scope van de MATCH Act. Wegens de diplomatieke vertrouwelijkheid kan het kabinet niet in detail treden over de inhoud deze gesprekken.
Kunt u aangeven wat de verwachte verdere behandeling van de MATCH Act in de Verenigde Staten is, zowel in het Huis van Afgevaardigden als in de Senaat, en op welke termijn hierover meer duidelijkheid wordt verwacht?
Het kabinet hecht eraan te benadrukken dat het vooralsnog gaat om een voorstel. De inhoud en reikwijdte kunnen in het verdere Amerikaanse wetgevingsproces nog wijzigen, of het voorstel kan uiteindelijk niet worden aangenomen.
De behandeling van deze concept wettekst is in handen van het Amerikaanse Congres. Het is op dit moment niet duidelijk wanneer het Huis en de Senaat verdere behandeling van de concept wettekst zullen agenderen.
Het kabinet blijft in de tussentijd zijn zorgen over de concept wettekst nadrukkelijk onder de aandacht te brengen op alle niveaus.
Het bericht dat Polen en Italië met acht andere lidstaten de aanval openen op de Europese CO2-beprijzing |
|
Daniël van den Berg (JA21), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Stientje van Veldhoven (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Polen en Italië openen met acht andere lidstaten aanval op Europese CO2-beprijzing»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat meerdere EU-lidstaten inmiddels openlijk aandringen op herziening, afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS vanwege de gevolgen voor energieprijzen, industrie en concurrentiekracht?
Het kabinet erkent de zorgen die er momenteel bestaan vanuit de energie-intensieve industrie. Om deze zorgen te ondervangen streeft het kabinet ernaar de hoge energiekosten te adresseren, een zoveel mogelijk gelijk Europees te borgen, verduurzaming van energie-intensieve industrieën te stimuleren, en investeringszekerheid te bewaken. Het EU ETS is het voornaamste instrument om verduurzaming in de EU te stimuleren en is daarmee cruciaal voor bovengenoemde ambities. Het instrument draagt bij aan de nodige investeringszekerheid voor langjarige investeringsbeslissingen en is kosteneffectief doordat het gebruik maakt van een marktmechanisme. EU-brede beleidsinstrumenten genieten bovendien een sterke voorkeur boven nationale alternatieven, waarmee een ongelijk Europees speelveld geriskeerd wordt.
Het afzwakken of uitstellen van het EU ETS zou extra onzekerheid geven voor de energie-intensieve industrie en bedrijven treffen die al hebben geïnvesteerd in verduurzaming. Daarbij draagt het EU ETS bij aan de wens van de EU en het kabinet om onafhankelijker te worden van fossiele energie uit derde landen, waarvan het belang door de huidige hoge energieprijzen opnieuw wordt onderstreept. Het kabinet is daarom voorstander van een goed functionerend ETS en heeft zich tijdens de afgelopen Milieuraad, Energieraad en Europese Raad, uitgesproken tegen afzwakking van het ETS, conform de motie van de leden Bushoff en Van Oosterhout. Het kabinet zal zich bij de herziening van het ETS (juli 2026) inzetten voor ondersteuning van de verduurzaming van de industrie, met specifieke aandacht voor koolstoflekkage-gevoelige sectoren.
Erkent u dat de kosten van het ETS in de praktijk niet beperkt blijven tot de papieren handel in emissierechten, maar via de elektriciteitsprijs en productiekosten rechtstreeks doorwerken in de rekening van bedrijven en uiteindelijk ook van consumenten?
Ja. Het deel van de ETS-rechten dat op de markt komt via veilingen leidt tot hogere kosten. Deze kosten kunnen vermeden worden wanneer bedrijven verder verduurzamen.
Waarom kiest u er niet voor zich actief aan te sluiten bij lidstaten als Polen en Italië die pleiten voor een fundamentele herziening of tijdelijke opschorting van het ETS?
Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 2 is het kabinet geen voorstander van een afzwakking of tijdelijke opschorting van het ETS.
Klopt het dat in de Europese discussie over concurrentievermogen en energieprijzen inmiddels expliciet wordt gewezen op de kosten die samenhangen met het ETS? Welke conclusies trekt u daaruit voor de Nederlandse inzet?
Het klopt dat een aantal lidstaten wijst op het effect van het ETS op de elektriciteitsprijzen. Gemiddeld op EU-niveau bestaat de elektriciteitsrekening voor industriële gebruikers voor ongeveer 11% uit ETS-kosten, met variaties afhankelijk van de elektriciteitsmix van de lidstaat. Andere componenten zijn energiekosten, netkosten en belastingen. Lidstaten hebben de mogelijkheid om indirecte ETS-kosten te compenseren via de indirecte kostencompensatie (IKC). In Nederland behelst het ETS gemiddeld ongeveer 7% van de elektriciteitsrekening van industriële gebruikers, exclusief kostencompensatie. Het kabinet heeft 0,5 miljard euro per jaar gereserveerd om voor Nederland indirecte kostenstijging te mitigeren.
De impact van het ETS op korte termijn moet tevens worden afgewogen tegen de rol die het ETS op de langere termijn speelt om de afhankelijkheid van fossiele energie af te bouwen. Zolang de EU voor haar energievoorziening en industriële productie sterk afhankelijk blijft van fossiele energie, blijft er een kwetsbaarheid bestaan voor externe schokken. Het huidige hoge prijsniveau van fossiele brandstoffen benadrukt eens te meer dat de energietransitie noodzakelijk is voor de leveringszekerheid en betaalbaarheid van energie. Wegens de belangrijke rol van het ETS voor de energietransitie, zet het kabinet daarom in op een sterk ETS.
Bent u bereid in Brussel te pleiten voor een tijdelijke noodrem of opschorting van onderdelen van het ETS zolang de energieprijzen uitzonderlijk hoog zijn en de concurrentiekracht van de Europese industrie verder onder druk staat? Zo nee, waarom niet?
Nee, zie de antwoorden op vraag 2 en vraag 5.
Deelt u de mening dat ETS-opbrengsten in de eerste plaats ten goede moeten gaan van de industrie en naar maatregelen die de energierekening en concurrentiedruk verlagen, in plaats van te worden gebruikt om nieuw klimaatbeleid verder op te tuigen?
Alle lidstaten zijn, op basis van de ETS-richtlijn, verplicht om de ETS-veilinginkomsten, of een financieel equivalent daarvan, te besteden aan klimaatbeleid. Het kabinet onderschrijft deze regel. De Nederlandse begroting kent een scheiding tussen inkomsten en uitgaven waardoor een directe koppeling tussen de ETS-opbrengsten en uitgaven niet mogelijk is. Wel zijn de totale uitgaven aan stimuleringsmaatregelen voor verduurzaming van de industrie momenteel ruim groter dan de ETS-1-inkomsten.2 Daarmee wordt bijgedragen aan een lagere energierekening en lagere concurrentiedruk voor de industrie. Het kabinet zal zich in de EU blijven inzetten voor het hanteren van deze regel.
Bent u bereid zich in te zetten voor een ingrijpende herziening van het ETS, waarbij betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor Europese bedrijven zwaarder gaan wegen dan de huidige ideologische fixatie op steeds hogere CO2-prijzen?
Het kabinet zet zich in voor de betaalbaarheid van energie, leveringszekerheid en een gelijk speelveld voor bedrijven. Om koolstoflekkage te voorkomen bevat het ETS verschillende instrumenten: de toewijzing van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Deze instrumenten bieden op dit moment al bescherming en het kabinet zal de aankomende herziening benutten om deze instrumenten verder te verbeteren. Ten aanzien van de betaalbaarheid van energie en leveringszekerheid is het van belang dat we op zo snel mogelijke termijn onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen afbouwen. Het ETS levert daar een noodzakelijke bijdrage aan.
Kunt u aangeven welke gevolgen het ETS volgens u momenteel heeft voor de Nederlandse energie-intensieve industrie, waaronder de chemie, staal, raffinage en andere grootverbruikers?
Het ETS biedt een tijdpad voor het aantal nieuwe emissierechten dat in de toekomst beschikbaar komt (het emissieplafond). Dit geeft duidelijkheid aan bedrijven over de mogelijkheid om broeikasgassen uit te stoten in de toekomst en daarmee met de vraag wanneer investeringen in verduurzaming noodzakelijk zijn. Omdat de energie-intensieve industrie een hoog risico heeft op koolstoflekkage, ontvangt zij een hoeveelheid gratis rechten die overeenkomt met de uitstoot per product van de top 10% meest efficiënte installaties. De meest efficiënte installaties hebben daarom geen ETS-kosten of verdienen aan de verkoop van ETS-rechten, en aan een hogere verkoopprijs van hun producten (in sectoren die onder het CBAM vallen). In Nederland geldt dit bijvoorbeeld voor de kunstmestindustrie en staalindustrie.
In andere sectoren zijn Nederlandse installaties echter veelal minder efficiënt dan de top 10%, waardoor de industrie kosten ondervindt van het ETS. Deze kosten kunnen worden voorkomen door te investeren in verduurzaming. Het is belangrijk dat bedrijven met inefficiënte installaties gaan investeren: zonder investeringen stevenen verouderde installaties onvermijdelijk af op sluiting. Het ETS verkleint daartoe de onrendabele top van deze investeringen; aanvullend stelt het kabinet ondersteuning zoals de SDE++ ter beschikking voor verduurzamings-investeringen. Een belangrijke kanttekening bij het vermijden van ETS-kosten door verdere verduurzaming, is dat oog moet worden gehouden voor de randvoorwaarden (bv. netcongestie). Hierdoor kunnen de ETS-kosten niet altijd op korte termijn worden vermeden.
Kunt u daarbij ook inzichtelijk maken in hoeverre ETS-kosten doorwerken in de Nederlandse elektriciteitsprijs en daarmee het vestigingsklimaat en de werkgelegenheid raken?
Volgens een recente publicatie van de Europese Centrale Bank3 bestond de prijs die de energie-intensieve industrie in Nederland in 2024 betaalde voor elektriciteit, voor ongeveer 7% uit ETS-kosten. Of deze kosten gevolgen hebben voor het vestigingsklimaat hangt af van de mate van bescherming tegen koolstoflekkage. Het ETS houdt hiermee rekening door middel van gratis rechten, de koolstofgrensheffing (CBAM) en de mogelijkheid tot indirecte kostencompensatie (IKC). Voor dit laatste heeft het kabinet in het coalitieakkoord € 0,5 mld. per jaar gereserveerd, met als doel de elektriciteitskosten van de weglekgevoelige elektriciteits-intensieve industrie te verlagen.
Klopt het dat binnen het bestaande Europese ETS een deel van de opbrengsten van emissierechten wordt aangewend voor een fonds ten behoeve van lagere-inkomenslidstaten, het zogenoemde Modernisation Fund?
Ja.
Hoe beoordeelt u het principiële bezwaar dat Europese CO2-beprijzing daarmee niet alleen een prijsprikkel is, maar ook een herverdelingsmechanisme wordt waarbij opbrengsten uit het ETS worden ingezet voor vergroening in andere lidstaten?
Het Moderniseringsfonds draagt bij aan het moderniseren van energiesystemen en de bevordering van energie-efficiëntie in de genoemde EU lagere-inkomenslidstaten. Een beperkt deel van de inkomsten uit veilingen (2% van de veilinginkomsten tussen 2021–2030 en 2,5% tussen 2024–2030) valt ten gunste aan het Moderniseringsfonds. In totaal gaat het op EU-niveau om gemiddeld 4,3 miljard euro per jaar. De dertien lidstaten die voor dit fonds in aanmerking komen hebben een relatief verouderde industrie en elektriciteitsproductie, waardoor de ETS-kosten relatief hoog zijn. Om hier deels voor te compenseren, zorgt het Moderniseringsfonds voor een beperkt solidariteitselement in het ETS.
Kunt u inzichtelijk maken welk deel van de totale ETS-opbrengsten binnen de Europese Unie momenteel wordt gereserveerd voor het Modernisation Fund en in hoeverre dit leidt tot minder ruimte voor lastenverlichting of concurrentieversterking in lidstaten als Nederland?
Zie antwoord vraag 12.
Deelt u de mening dat dit fonds de prikkel vergroot om ETS-opbrengsten te zien als financieringsbron voor steeds verdergaande Europese klimaatpolitiek in plaats van als middel dat juist zou moeten worden beperkt vanwege de schade voor koopkracht en concurrentiekracht?
Nee, deze mening deel ik niet.
Kunt u uitsluiten dat Nederland in toekomstige Europese onderhandelingen zal instemmen met nieuwe of grotere ETS-gerelateerde herverdelingsfondsen ten behoeve van andere lidstaten? Zo nee, waarom vindt u het aanvaardbaar dat Nederlandse huishoudens en ondernemingen worden geconfronteerd met hogere energiekosten, terwijl ETS-opbrengsten mede worden afgeroomd voor klimaatuitgaven elders in Europa?
Het kabinet staat in beginsel kritisch tegenover nieuwe fondsen die ETS-inkomsten herverdelen en zal dat signaal ook afgeven bij de onderhandelingen over de herziening van de ETS-richtlijn. Uiteindelijk zal een akkoord bereikt moeten worden over de gehele wijziging van de ETS-richtlijn, waarbij voorop staat dat een ambitieus ETS nodig is voor een tijdige energietransitie en daarmee uiteindelijk ook voor de betaalbaarheid van energie in de EU.
De verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM |
|
Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
Eerenberg |
|
|
|
|
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen, niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt tot een oordeel op stelselniveau?
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni 2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht. In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen. Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047, rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele en buitensporige last en deelt de Staatssecretaris de opvatting dat deze overweging als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert in de zin van dit arrest?
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen. Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752 inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200 x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen is zodoende geen sprake.
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt, niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3. In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37 van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze – niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen, cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3 is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel. Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven, dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen. Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere, niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin opgenomen eerdere arresten).
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt, als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit, of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren, terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last. Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie. Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig overbodig geworden.
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag 4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar € 210.000 zonder dividenduitkeringen en met slechts € 400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december 2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 euro overhoudt, terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen en waarbij de Staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar 1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van € 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR 2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig) ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige) ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige last teweegbrengen.
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen. Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid. Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat, zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder de VAB en zo ja, kan de Staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en zo nee, waarom niet?
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige last waar u aan refereert.
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald, waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek, ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat. Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal. De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt van het heffingsvrije resultaat.
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van 25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk +15.000 euro, –5.000 euro, +15.000 euro, –5.000 euro en +5.000 euro met een totale VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4 procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van € 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming van het wetsvoorstel niet is onderkend?
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven, inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A, B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht. Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21) die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel. Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst. Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren. Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als afgedaan.
Het artikel 'Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen' |
|
Diederik Boomsma (CDA), Michiel Hoogeveen (JA21) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederlandse IS-strijders dromen van uitbraak na gevechten tussen Koerden en Syrische regeringstroepen»?1
Ja.
Kunt u het beschreven risico op massale ontsnappingen door oplopende gevechten bevestigen?
In januari hebben er gevechten plaatsgevonden in Noordoost-Syrië tussen het leger van de Syrische overgangsregering en de Syrian Democratic Forces (SDF). In deze regio bevinden zich ook de opvangkampen en detentiecentra waar aan ISIS-gelieerde personen zich bevinden. Het is inmiddels bekend dat aan ISIS-gelieerde personen zijn ontsnapt; een deel zou in de tussentijd ook weer zijn aangehouden door de veiligheidsdiensten van de Syrische overgangsregering, met ondersteuning vanuit de Verenigde Staten. Het is nog niet bevestigd of hier personen met een Nederlandse link onderdeel van uitmaken. Sinds 30 januari geldt een permanent staakt-het-vuren tussen de Syrische overgangsregering en de SDF. Op dit moment zijn er geen indicaties dat vrouwelijke uitreizigers met een Nederlandse link en hun kinderen, die in de kampen verbleven, zich op dit moment buiten de door de Syrische overgangsregering beveiligde kampen bevinden.
Heeft de Nederlandse overheid zicht op hoeveel Nederlandse jihadisten, veroordeelden en geradicaliseerde familieleden zich daar momenteel nog bevinden?
De situatie in Syrië is erg veranderlijk en de ontwikkelingen volgen elkaar snel op. Dit maakt snelle informatievoorziening en een accuraat beeld van de ontwikkelingen in Syrië moeilijk. Desalniettemin staan de betrokken nationale en internationale partners goed met elkaar in contact en houden zij de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten om een zo compleet mogelijk beeld te vormen. Dit is de afgelopen tijd gebeurd. Zo is uw Kamer op 19 februari jl. geïnformeerd over de aanwezigheid van mannelijke uitreizigers met een Nederlandse link in Irak.2 Voor de meest recente en openbare aantallen uitreizigers, verwijs ik uw Kamer het recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.3
Acht u het scenario reëel dat ontsnapte Nederlandse IS-strijders opnieuw proberen Europa of Nederland te bereiken, en welke concrete maatregelen zijn getroffen om dit te voorkomen?
Dat is inderdaad een scenario waarmee rekening wordt gehouden. Om onopgemerkte terugkeer te voorkomen zijn verschillende maatregelen getroffen. Het openbaar ministerie heeft waar opportuun tegen alle onderkende uitreizigers met een Nederlandse link een strafrechtelijk onderzoek lopen. Daarnaast is ten aanzien van alle onderkende uitreizigers op verschillende momenten bekeken of het Nederlanderschap kon worden ingetrokken op grond van artikel 14, lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Daar waar mogelijk is het Nederlanderschap ingetrokken en zijn deze personen ongewenst verklaard. Ook zijn de reisdocumenten van uitreizigers waar mogelijk ongeldig verklaard en staan deze personen gesignaleerd. Alle betrokken veiligheidspartners zijn alert en wordt voortdurend onderzocht waar en op welke wijze eventuele aanvullende maatregelen getroffen kunnen worden.
Kunt u met klem verzekeren dat Nederland op geen enkele wijze actie onderneemt om mannelijke IS-terroristen naar Nederland te halen?
Het kabinet hanteert als uitgangspunt dat berechting van uitreizigers en de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen in de regio moet plaatsvinden. Conform dit standpunt is er intensief contact tussen onder andere het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Iraakse autoriteiten om hierover – binnen de (internationale) wettelijke vereisten – afspraken te maken. Er zijn op dit moment geen voornemens om uitreizigers met een Nederlandse link terug te halen. Indien sprake is van verzoeken tot repatriëring zal het kabinet in iedere casus alle omstandigheden en factoren wegen, waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de nationale veiligheid. In algemene zin geldt dat mannelijke uitreizigers, ten opzichte van vrouwelijke uitreizigers, een grotere potentiële geweldsdreiging vormen vanwege hun veelal grotere rol in de strijd en gevechtstraining en -ervaring. Dit maakt vanzelfsprekend onderdeel uit van besluitvorming over repatriëring. Deze afwegingen hebben er tot op heden toe geleid dat, in het kader van strafzaken tegen vrouwelijke uitreizigers, alleen vrouwelijke uitreizigers en hun kinderen zijn gerepatrieerd.
In hoeverre wordt actief ingezet op het intrekken van het Nederlanderschap bij jihadisten met een dubbele nationaliteit, en waarom gebeurt dit niet structureel?
Ja, dit kabinet hanteert als uitgangspunt dat mensen die zich hebben aangesloten bij een terroristische organisatie hun recht op het Nederlanderschap hebben verspeeld. Om die reden is het Nederlanderschap, daar waar mogelijk, van hen afgenomen en zijn zij ongewenst verklaard. Het kabinet zet hier ook in de toekomst onverminderd op in.
Op grond van artikel 14, lid 4 RWN kan het Nederlanderschap worden ingetrokken bij personen die ouder zijn dan 18 jaar, die zich nog in het buitenland bevinden en als uit hun gedragingen is gebleken dat zij zich – na 11 maart 2017 – hebben aangesloten bij een terroristische organisatie die een dreiging vormt voor de nationale veiligheid. In deze gevallen wordt de betreffende persoon tevens ongewenst verklaard op grond van de Vreemdelingenwet en gesignaleerd in SIS III, waardoor legale terugkeer naar Nederland niet mogelijk is.4
Ten aanzien van het intrekken van de Nederlandse nationaliteit geldt dat op verschillende momenten alle dossiers van onderkende uitreizigers zijn doorlopen om te bezien of het Nederlanderschap ingetrokken kon worden op grond van artikel 14, lid 4 RWN. Bij de personen waar dit mogelijk is gebleken is het Nederlanderschap ingetrokken. Gevallen die eerder niet in aanmerking kwamen voor intrekking, kunnen in de toekomst mogelijk wel hiervoor in aanmerking komen als nieuwe informatie beschikbaar komt waarmee aan de juridische voorwaarden wordt voldaan. De betrokken organisaties blijven alert op eventuele nieuwe informatie waardoor intrekking alsnog tot de mogelijkheden kan behoren. Dit heeft in 2024 alsnog geleid tot een intrekking van het Nederlanderschap.5
Bent u bereid als uitgangspunt te hanteren dat personen die zich vrijwillig hebben aangesloten bij IS hun recht op terugkeer naar Nederland hebben verspeeld, en het beleid hier expliciet op aan te scherpen?
Zie antwoord vraag 6.
De Kamerbrief Side-by-side-pakket wereldwijde minimumbelasting (Pijler 2) van 5 januari 2026 (Kamerstuk 25087, 359) |
|
Michiel Hoogeveen (JA21), Annabel Nanninga (JA21) |
|
Heijnen , Vincent Karremans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «VS bedingen uitzonderingen op minimumbelasting multinationals»?1
Ja.
Kunt u reflecteren op de in het artikel opgenomen stelling dat Amerikaanse multinationals zijn uitgezonderd van de wereldwijde minimumbelasting van 15% waarover in 2021 door ruim 130 landen een akkoord is gesloten, en dat deze uitzonderingspositie de minimumbelasting voor multinationals verwatert?
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het zogeheten Side-by-Side-pakket wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende Side-by-Side veiligehavenregel niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig is aan Pijler 2.
Kunt u reflecteren op de in hetzelfde artikel opgenomen stelling dat onder meer Polen, Tsjechië en Estland aanvankelijk bezwaar hebben gemaakt tegen deze uitzonderingspositie vanwege de vrees voor een verslechtering van de concurrentiepositie van Europese concerns?
Het kabinet begrijpt dat er bij sommige EU-lidstaten vrees bestond voor een akkoord over de Side-by-Side veiligehavenregel omwille van de concurrentiepositie van Europese multinationals. Niettemin vindt het kabinet dat met het akkoord het best mogelijke resultaat is bereikt waarbij de Pijler 2-doelstellingen grotendeels zijn gewaarborgd en een netwerk van minimumbelastingen in stand kan worden gehouden in een zo groot mogelijk internationaal verband. Dat is ook van belang voor het EU-concurrentievermogen. De EU is immers niet gebaat bij een nieuwe race naar de bodem in de winstbelasting.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van Van Weeghel dat het hanteren van een samengesteld wereldwijd gemiddeld effectief belastingtarief Amerikaanse ondernemingen een voordeel verschaft ten opzichte van concurrenten uit landen die de OESO-minimumbelasting per jurisdictie toepassen, waaronder de EU-lidstaten, Japan, het Verenigd Koninkrijk en Canada?
Het IF heeft geconcludeerd dat het Amerikaanse belastingstelsel aan de overeengekomen voorwaarden voldoet en de status krijgt van een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van het Amerikaanse NCTI2-systeem wordt in voorkomende gevallen belasting geheven over de niet-uitgekeerde winsten van buitenlandse dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals. Voor de berekening van die belasting wordt onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van die dochterondernemingen wereldwijd en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinational in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het Amerikaanse NCTI-systeem minder belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Echter, gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels.
Kunt u reflecteren op de in het artikel aangehaalde analyse van De Wilde dat de Verenigde Staten bij het bepalen van de binnenlandse effectieve belastingdruk fiscale stimulansen buiten beschouwing laten, terwijl deze onder de OESO-regels juist meetellen, en dat deze systematiek investeren in de Verenigde Staten aantrekkelijker maakt voor Amerikaanse bedrijven dan voor ondernemingen uit EU-landen en andere early adopters?
Voor de belastingpositie van dochterondernemingen in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals is van belang dat de overeengekomen gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives onder Pijler 2 er naar verwachting toe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen in de Verenigde Staten fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde voorwaarden kunnen opereren als Amerikaanse multinationals.
Hoe rijmt u de in het artikel opgenomen passages, waarin wordt gesteld dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals leidt tot concurrentievoordelen en een verwatering van de minimumbelasting, met de stelling in de Kamerbrief dat het van belang is dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die Pijler 2 wel implementeren (p.2?
Voor de Side-by-Side veiligehavenregel zijn robuuste en strikte criteria afgesproken. Daarnaast is de werking van de binnenlandse bijheffing onveranderd. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Kunt u, ter toelichting op de werking van het Side-by-Side-regime, een uitgewerkt rekenvoorbeeld (met expliciet vermelde aannames) verstrekken waarin u eenzelfde multinationale groep onder (i) de reguliere Pijler 2-systematiek (per jurisdictie-toets met toepassing van IIR/UTPR) en (ii) het Side-by-Side-regime (met vrijstelling van IIR/UTPR voor de uiteindelijke moederentiteit in een kwalificerende jurisdictie) vergelijkt en daarbij inzichtelijk maakt in welke gevallen en waarom deze benadering in de praktijk kan leiden tot een lagere (of anders verdeelde) effectieve belastingdruk?
Ten eerste hangt de uitkomst van een vergelijking af van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime. Tot nu toe is alleen het Amerikaanse belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. De kenmerken en de technische vormgeving van Pijler 2 zijn niet goed vergelijkbaar met de kenmerken en de technische vormgeving van het Amerikaanse belastingstelsel. Om enigszins recht te doen aan de gevallen in de praktijk zou moeten worden uitgegaan van een groot aantal variabelen zoals de belastbare winstgrondslag, de aanwezigheid van «substance», de belastingheffing in de eigen jurisdictie en in de jurisdicties van de dochterondernemingen alsmede de mogelijkheid tot verrekening van in het buitenland geheven belastingen. Als gevolg daarvan zouden steeds verschillende aannames moeten worden gemaakt. Een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld zou geen betrouwbaar beeld geven in welke gevallen in de praktijk het Amerikaanse belastingstelsel kan leiden tot een lagere of anders verdeelde belastingdruk.
Kunt u in het in de vorige vraag gevraagde rekenvoorbeeld tevens uitgaan van een situatie waarin de multinationale groep activiteiten ontplooit in ten minste één laagbelastende jurisdictie, en inzichtelijk maken hoe de effectieve belastingdruk onder de reguliere Pijler-2-systematiek zich in dat geval verhoudt tot de belastingdruk onder het Side-by-Side-regime?
Ook hier geldt dat de uitkomst van een vergelijking afhangt van de kenmerken en de technische vormgeving van het toepasselijke Side-by-Side-regime en dat tot nu toe alleen het Amerikaanse belastingstelsel is aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Ook in geval van een multinationale groep met een dochteronderneming in ten minste één laagbelastende jurisdictie geeft een eenvoudig begrijpelijk rekenvoorbeeld om de hiervoor genoemde redenen geen betrouwbaar beeld hoe de belastingdruk onder Pijler 2 zich in de praktijk verhoudt tot de belastingdruk onder het Amerikaanse belastingstelsel.
Acht u het vanuit het oogpunt van gelijke concurrentieverhoudingen verdedigbaar dat Amerikaanse multinationals kunnen volstaan met een wereldwijd gemiddeld effectief tarief, terwijl Europese multinationals per jurisdictie aan de 15%-toets zijn onderworpen?
Op grond van het Amerikaanse NCTI-systeem wordt voor de berekening van de toepasselijke belasting onder meer uitgegaan van de gezamenlijke winsten van de tot een Amerikaanse multinationale groep behorende dochterondernemingen buiten de VS en de totale winstbelasting betaald in de desbetreffende andere landen. Pijler 2 gaat uit van een bijheffing indien de effectieve belastingdruk van de entiteiten van een multinationale groep in een jurisdictie minder dan 15% bedraagt. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval is het mogelijk dat onder het NCTI-systeem minder of meer belasting zal worden geheven dan bij toepassing van Pijler 2 het geval zou zijn geweest. Gezien de verschillende kenmerken en de technische vormgeving van beide systemen kan niet worden gezegd dat het ene systeem steeds leidt tot een lagere belastingdruk dan het andere. Het IF heeft vastgesteld dat er geen materieel risico is dat de buitenlandse winsten van Amerikaanse multinationale groepen die gezien hun omvang onder Pijler 2 zouden vallen, onderworpen zijn aan een effectief tarief van minder dan 15%. Het uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarbij is de toekomstige evaluatie van belang om te volgen hoe dit in de praktijk uitpakt.
Kunt u uiteenzetten welke concrete waarborgen het kabinet ziet om te voorkomen dat de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime leidt tot structurele concurrentieverstoringen ten nadele van in de EU gevestigde concerns en in hoeverre deze waarborgen naar uw oordeel toereikend zijn?
Als onderdeel van het akkoord is afgesproken dat eventuele substantiële risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving zullen worden ondervangen. Daartoe zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Daarbij zal bijvoorbeeld worden gekeken in hoeverre jurisdicties binnenlandse bijheffingen behouden of invoeren. Verder zal worden gekeken naar eventuele onbedoelde effecten zoals materiële concurrentieverstoringen tussen multinationale groepen en negatieve gedragseffecten, zoals een toename van winsten in laagbelastende jurisdicties zonder een binnenlandse bijheffing. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Kunt u uiteenzetten welke mitigerende maatregelen (fiscaal en niet-fiscaal) het kabinet voorziet om eventuele structurele concurrentieverstoringen te beperken die kunnen voortvloeien uit de erkenning van het Amerikaanse belastingstelsel als kwalificerend Side-by-Side-regime ten opzichte van in de EU gevestigde concerns?
Welke maatregelen eventueel aangewezen zouden zijn, hangt ervan af welke elementen in welk systeem een eventuele structurele concurrentieverstoring zouden veroorzaken. Dat is op voorhand niet te zeggen en zou moeten blijken uit de evaluatie. Dat neemt niet weg dat altijd gekeken kan worden naar fiscale maatregelen ten gunste van het vestigingsklimaat voor zover die passen in het Pijler 2-raamwerk.
In hoeverre acht u het risico reëel dat multinationals hun winstallocatie aanpassen om optimaal gebruik te maken van de vrijstelling van IIR en UTPR onder het Side-by-Side-regime en welke kwantitatieve inschatting ligt hieraan ten grondslag?
Het is niet geheel duidelijk wat in dit verband wordt bedoeld met de aanpassing van de winstallocatie nu de voor Pijler 2 relevante winst wordt bepaald aan de hand van de commerciële jaarrekening. Het is denkbaar dat een multinational met hoofdkantoor in een kwalificerende Side-by-Sidejurisdictie besluit om winstgevende activiteiten in een voorheen laagbelastende jurisdictie die een binnenlandse bijheffing heeft ingevoerd, te verplaatsen naar een andere, nog steeds laagbelastende jurisdictie (zonder binnenlandse bijheffing). Maar of dat werkelijk een reëel risico is, is moeilijk in te schatten omdat voor een dergelijke verplaatsing verscheidene factoren een rol kunnen spelen. De aangekondigde evaluatie in 2029 zal hier naar verwachting meer inzicht in geven.
Indien bij deze risico-inschatting wordt uitgegaan van mogelijke gedragseffecten, betreft dit dan een aanvullende derving bovenop de in de Kamerbrief geraamde circa € 120 miljoen per jaar die voortvloeit uit het niet toepassen van de inkomens-inclusiemaatregel en de onderbelastewinstmaatregel, of zijn deze gedragseffecten reeds in die raming verdisconteerd?
Het akkoord zal naar verwachting in eerste instantie met name effect hebben op multinationals met een Amerikaans hoofdkantoor en op multinationals die kunnen profiteren van de gunstigere behandeling van belastingvoordelen. De positieve gedragseffecten van de minimumbelasting, zoals winstverschuiving (terug) naar Nederland, zullen bij deze bedrijven naar verwachting in mindere mate optreden. Dit is al meegenomen in de budgettaire raming. Dit inzicht zorgt dus niet voor een aanvullende derving bovenop de geraamde € 120 miljoen.
Bent u voornemens om, naast de in het Inclusive Framework afgesproken evaluatie («stocktake») in 2029, een nationale evaluatie uit te voeren naar de effecten van het Side-by-Side-regime, in het bijzonder ten aanzien van concurrentieverhoudingen, gedragseffecten en budgettaire opbrengsten voor Nederland?
Het is van belang dat het IF zal monitoren hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en -als nodig actie kan ondernemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te adresseren. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om bij die evaluatie in het oog te houden dat Nederlandse bedrijven onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale bedrijven in Side-by-Side- of UPE Safe Harbour-jurisdicties. Uiteraard zal uw Kamer te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie en zullen bij de Nederlandse weging van de uitkomsten waar relevant ook eigen gegevens en analyses worden betrokken. Daarbij zal het kabinet ook de signalen vanuit de praktijk in de gaten houden.
Welke gevolgen verwacht u dat de uitzonderingspositie voor Amerikaanse multinationals heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat?
Het is niet de verwachting dat de Side-by-Side veiligehavenregel grote gevolgen heeft voor het Nederlandse vestigingsklimaat. In het algemeen geldt dat het IF-akkoord van belang is om zekerheid en stabiliteit te waarborgen in het internationale belastingsysteem. Daar heeft ook het Nederlandse vestigingsklimaat baat bij.
Welke signalen ontvangt u vanuit het Nederlandse bedrijfsleven over de gevolgen van deze uitzonderingspositie voor hun internationale concurrentiepositie?
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.3 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het bedrijfsleven erop dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler 2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het kabinet wijst in dit verband op de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in een Side-by-Side veilige haven jurisdictie.
In hoeverre leidt deze uitzonderingspositie er naar uw oordeel toe dat Nederlandse en Europese ondernemingen structureel op achterstand komen ten opzichte van Amerikaanse concurrenten?
De positie, in het bijzonder de fiscale positie, van Nederlandse en Europese ondernemingen hangt af van verscheidene nationale en internationale factoren. Het kabinet denkt niet dat Nederlandse en Europese ondernemingen als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel structureel op achterstand komen. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is in ieder geval dat de effectieve belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Daarnaast zal het IF een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Welke concrete maatregelen onderneemt u om te voorkomen dat Nederland economisch nadeel ondervindt van de uitzonderingspositie voor de Verenigde Staten?
Het is voorbarig om op voorhand te stellen dat Nederland een beduidend economisch nadeel ondervindt als gevolg van de Side-by-Side veiligehavenregel zoals ook in de beantwoording van vraag 17 geschetst. Het IF zal een evaluatie («stocktake») uitvoeren die in 2029 moet worden afgerond, op basis van een objectief en een op data gebaseerd proces. Het IF verbindt zich er ook toe om gerichte oplossingen te overwegen wanneer zich bepaalde risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld voordoen. Het kabinet vindt deze evaluatie van groot belang.
Acht u het wenselijk dat Nederland onderdeel blijft van internationale afspraken die ertoe kunnen leiden dat het Nederlandse vestigingsklimaat minder aantrekkelijk wordt en Nederlandse bedrijven in een nadeliger positie komen ten opzichte van Amerikaanse ondernemingen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals, zoals de wereldwijde minimumbelasting, het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De OESO-modelregels voor de wereldwijde minimumbelasting zijn binnen de Europese Unie opgenomen in Richtlijn (EU) 2022/2523 van de Raad van 14 december 2022 tot waarborging van een mondiaal minimumniveau van belastingheffing voor groepen van multinationale ondernemingen en omvangrijke binnenlandse groepen in de Unie. Nederland heeft deze richtlijn geïmplementeerd door middel van de Wet minimumbelasting 2024. Nederland is hiermee gehouden aan de regels van de wereldwijde minimumbelasting. Nog los daarvan: in het hypothetische geval waarin Nederland de regels van de minimumbelasting niet zou toepassen, zouden andere jurisdicties de minimumbelasting die Nederland als gevolg daarvan niet zou heffen, wel kunnen heffen. Het kabinet is daarnaast van mening dat het opnemen van de het Side-by-Side pakket in de Nederlandse wetgeving zorgt voor eenduidigheid en belastingplichtigen zekerheid biedt, wat ook ten goede kan komen aan het vestigingsklimaat.
Hoe beoordeelt u, in het licht van deze uitzonderingspositie, de haalbaarheid en geloofwaardigheid van toekomstige mondiale belastingafspraken wanneer de Verenigde Staten structureel een eigen uitzonderingspositie afdwingen en andere landen zich daaraan aanpassen?
Het kabinet vindt dat afspraken over onder meer het tegengaan van belastingontwijking door multinationals of de uitwisseling van gegevens tussen landen het beste in mondiaal verband kunnen worden gemaakt. Dit is van groot belang voor de effectiviteit en stabiliteit van het internationale belastingstelsel. De betrokkenheid van de Verenigde Staten is daarbij van groot belang, zeker voor zover hun belastingsysteem als gelijkwaardig kan worden gezien.
Kunt u deze vragen binnen twee weken en elk van de vragen afzonderlijk beantwoorden?
De vragen zijn elk afzonderlijk beantwoord. Helaas is het niet gelukt om de vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden.