Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Ja.
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang3 van hun pleegkinderen4. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders, ook in het vrijwillig kader, en vergoedt (deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. Ik begrijp de frustratie van pleegouders als zij nog geen tegemoetkoming gehad hebben, maar wel kosten maken voor de kinderopvang van hun pleegkind.
De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders.
Vanwege de systematiek van het gemeentefonds kunnen er geen sluitende afspraken gemaakt worden die garanderen dat elke euro bij pleegouders terechtkomt. Gemeenten zijn vrij in de bestedingen van de middelen. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de vertegenwoordiging van pleegouders in de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders5. JZNL en VNG werken in afstemming met elkaar aan communicatie richting hun achterban om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren.
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Sinds het besluit met de Voorjaarsnota 2025 om deze middelen vrij te maken heb ik samen met NVP, JZNL en VNG uitgewerkt hoe dit geld aan pleegouders uitgekeerd kon worden. Zoals in het antwoord onder 2 reeds genoemd, bleek uiteindelijk de enige haalbare optie voor de periode 2025–2027 om de middelen aan gemeenten over te maken via het gemeentefonds. Dit is in het najaar van 2025 definitief besloten. Hierdoor kon er pas laat via de landelijke partijen gecommuniceerd worden naar pleegouders waar zij zich kunnen melden om aanspraak te maken op de tegemoetkoming. De komende periode werk ik samen met NVP, JZNL en VNG aan duidelijkheid voor pleegouders, via verschillende vormen van communicatie. Pleegouders met vragen over deze tegemoetkoming kunnen zich in de tussentijd het beste melden bij hun eigen pleegzorgaanbieder.
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Nee. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd. De verantwoordelijkheid voor de besteding en de verantwoording daarover vindt plaats op lokaal/gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn niet verplicht om hierover ook nog specifiek informatie aan te leveren richting het Rijk, conform de interbestuurlijke verhoudingen zoals deze in ons staatsbestel zijn ingericht. Zie ook het antwoord onder vraag 2.
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
We weten dat er verschillende drempels zijn om pleegouder te worden en te blijven. Financiën zijn er daar een van. Ik span me samen met de sector in om zoveel mogelijk pleegouders te werven en de bestaande pleegouders te behouden – dat is cruciaal. Dit doe ik onder andere via de landelijke campagne «Jouw huis een tweede thuis», kindgerichte werving door pleegzorgaanbieders en het uitbreiden van de mogelijkheden van bijzondere kostenvergoeding naar pleegouders in het vrijwillig kader6.
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Ik ben het ermee eens dat het voor pleegouders onduidelijk is hoe zij aanspraak kunnen maken op deze financiële tegemoetkoming – en dat trek ik mij aan. De aanleiding om deze middelen vrij te maken was om juist aan deze pleegouders een tegemoetkoming te kunnen bieden, omdat zij de kosten voor kinderopvang van hun pleegkinderen voor een groot deel zelf dragen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat gemeenten en pleegzorgaanbieders in de uitvoering voor een grote opgave staan om deze middelen eenvoudig maar snel bij de betreffende pleegouders te krijgen. Daarom ontwikkelen VNG en JZNL handvatten voor hun achterban. Een belangrijk onderdeel daarvan is om pleegouders duidelijkheid te bieden over hoe ze aanspraak kunnen maken.
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Ik snap de wens van pleegouders. Voor de uitkering van deze middelen zijn we gehouden aan het (decentrale) jeugdstelsel, waarbij het onuitvoerbaar bleek om tot een centrale regeling te komen. Zie ook het antwoord onder vraag 2. Binnen deze context span ik me met de sector in om tot een zo uniform mogelijke uitvoering te komen, waarin pleegouders weten waar zij terecht kunnen om aanspraak te maken op een financiële tegemoetkoming. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
VNG en JZNL zijn aan de slag om handvatten voor de uitvoering van deze tegemoetkoming te ontwikkelen, zoals genoemd onder vraag 6. In aanvulling op eerdere communicatie vanuit pleegzorgaanbieders richting pleegouders verwachten JZNL en VNG voor de zomer extra te communiceren over op welke wijze pleegouders aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja, het kabinet is hiermee bekend.
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Het kabinet vindt het zorgelijk en neemt de signalen over het mogelijk delen van (gevoelige) informatie dan ook serieus. Alleen het beoordelen van specifieke situaties is aan de toezichthoudende autoriteiten, in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het kabinet kan hierover geen uitspraken doen. Een kabinetsreactie hierover ligt dan ook niet in de rede.
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een dergelijke beoordeling niet aan het kabinet, maar aan de toezichthoudende autoriteit.
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
In zijn algemeenheid merkt het kabinet op dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waartoe gezondheidsgegevens behoren, verboden is tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Daaronder vallen ook persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen. Of hier gehandeld wordt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is, zoals eerder al in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, aan de toezichthoudende autoriteiten, de AP.
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
De AP heeft desgevraagd laten weten zich bewust te zijn van de grootschalige dataverzameling en datahandel op het internet. Datahandel (in brede zin) is van 2020 tot 2023 een van de strategische aandachtsgebieden geweest van de AP. Ook nu besteedt de AP nog de nodige aandacht aan datahandel. Zo controleert de AP sinds 2024, en nu nog steeds, strenger op cookiebanners. De AP controleert of websites op de juiste manier toestemming vragen voor cookies en andere volgsoftware en pakt misleidende cookiebanners aan.
De AP en de ACM doen geen mededelingen over individuele zaken en eventuele lopende onderzoeken.
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Het kabinet deelt de opvatting dat het gebruik van tracking cookies in bepaalde gevallen problematisch kan zijn, bijvoorbeeld waar gebruikers als gevolg van dark patterns, informatie-overload en consentmoeheid toestemming geven terwijl deze mogelijk afwijkt van hun werkelijke voorkeuren. Voor de volledigheid wordt hierbij ook verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Het gebruik van tracking cookies bij online webshops is onderworpen aan voorwaarden uit de toepasselijke privacyregelgeving, met name AVG en de e-privacyrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Voor het plaatsen van dergelijke cookies is daarom geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van de gebruiker vereist. Wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens geldt een versterkt, expliciet toestemmingsvereiste. De beoordeling of sprake is van strijdigheid met de geldende privacyregelgeving is aan de toezichthouder.
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Het kabinet zet zich nationaal en Europees in om op het gebied van tracking cookies onder meer de informatie- en toestemmingsrechten van burgers te versterken. Zo staat het kabinet positief tegenover de in de Digitale Omnibus voorgestelde automatische gecentraliseerde consentopties, waarmee gebruikers meer controle over hun gegevens krijgen. De onderhandelingen over dit voorstel lopen nog. Voor een weergave van de overige door het kabinet te nemen acties wordt verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Onder de AVG is het verwerken van medische gegevens, die gelden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, verboden tenzij op dat verbod een uitzondering van toepassing is. Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is, als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder, de AP. Zij beschikt over een eigen repertoire aan bevoegdheden en handhavingsinstrumenten. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, boetes en dwangsommen opleggen, alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Het kabinet onderschrijft dit belang volledig. Alleen beschikt het kabinet niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont.
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Bij de verwerking van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de kaders die in de AVG worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens en aan de strengere eisen die worden gesteld aan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens. Het is aan de AP om toezicht te houden op de naleving van de AVG.
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Uit het onderzoek van Rutgers over het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen onder de vrouwen van 18 tot en met 29 jaar is gebleken dat 37% van de groep gebruikmaakt van een cyclusapp om hun menstruatie bij te houden, waarvan Flo het vaakst werd benoemd3. Cyclusapps moeten zich bij de verwerking van (bijzonder) persoonsgegevens houden aan de kaders die worden gesteld in de AVG, indien zij zijn gevestigd in de EU. Cyclusapps die buiten de EU zijn gevestigd, dienen ook aan de AVG te voldoen, indien zij diensten of goederen aanbieden in de EU. Zowel Clue, die is gevestigd in Duitsland, als Flo, die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, moeten daarmee voldoen aan de AVG.
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Zoals volgt uit de antwoorden op vragen 10 en 11, is er geen blijk van hiaten in de wet- en regelgeving. Het komt eerder aan op de naleving daarvan. Het doen van onderzoek daarnaar, is als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder.
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Het kabinet vindt het uiterst belangrijk dat de gegevens van vrouwen niet ten onrechte gebruikt worden voor zaken als ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties of het opstellen van dataprofielen. Het kabinet vindt het dan ook van belang dat de onafhankelijke toezichthouder hier scherp op is. In elk geval, zoals eerder al genoemd is, is het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector een taak van de onafhankelijke toezichthouder, namelijk de AP. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Desgevraagd heeft het Centrale Bureau Drogisterijbedrijven aan het kabinet laten weten dat er geen persoonlijke gegevens doorverkocht worden. De online drogisterijen hebben privacyverklaringen op hun websites waarin is opgenomen welke gegevens worden verwerkt. Aangezien dit per drogisterij kan verschillen, wordt voor nadere informatie verwezen naar de betreffende websites. Wanneer een gebruiker niet noodzakelijke cookies weigert, worden alleen functionele cookies geplaatst die nodig zijn om de website goed te laten werken. Zonder toestemming worden bovendien geen persoonsgegevens van individuele klanten gedeeld met externe partijen zoals Google of Facebook.
Als gezegd is het beoordelen of specifieke situaties in overeenstemming zijn met de AVG aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de AP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
Het bericht dat op middelbare scholen commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat op middelbare scholen, zoals bij het Mondial College in Nijmegen, commerciële advertenties worden vertoond op schermen in de school?1
Ja.
Klopt het dat commerciële partijen via schermen en posters in scholen op deze manier onder de aandacht worden gebracht bij leerlingen tijdens schooltijd?
Ja.
Deelt u de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving horen te zijn en geen plek waar kinderen worden verleid met commerciële advertenties? Zo nee, waarom niet?
Ik deel de opvatting dat scholen een veilige leeromgeving moeten bieden waarin de ontwikkeling, het belang en het welzijn van leerlingen centraal staan. Binnen de wettelijke kaders hebben scholen de ruimte om hun eigen afwegingen te maken omtrent sponsoring en reclame-uitingen op school, maar deze ruimte is niet vrijblijvend. In het Sponsorconvenant2 zijn heldere normen en criteria afgesproken om leerlingen te beschermen tegen schadelijke reclame-uitingen. Met het sponsorconvenant helpen we scholen bij zorgvuldige en transparante besluitvorming over het aangaan van sponsorovereenkomsten. Zo mag sponsoring de ontwikkeling van leerlingen niet schaden en moet dit passen bij de pedagogische en onderwijskundige taak van de school. Daarnaast mag de onderwijsinhoud niet worden beïnvloed en de kernactiviteiten van de school dienen niet afhankelijk te worden van sponsorinkomsten. Ik verwacht van scholen dat zij hun verantwoordelijkheid nemen en dialoog voeren met hun medezeggenschapsraad bij het overwegen van een sponsorovereenkomst.
Mocht een school in de praktijk toch de grenzen van het convenant of de wet overschrijden, dan is het de verantwoordelijkheid van het bestuur om hierop aanspreekbaar te zijn. Belanghebbenden kunnen eventuele misstanden formeel aanhangig maken via de interne klachtenprocedure van de school. Daarnaast biedt de Reclame Code Commissie een laagdrempelige route om de inhoud van specifieke sponsor- of reclame-uitingen te laten toetsen aan de Nederlandse Reclamecode.
Kunt u inzichtelijk maken hoe vaak het voorkomt dat scholen commerciële advertenties via schermen of posters tonen? Kun u aangeven over wat voor soort producten dit gaat en waar in de scholen deze worden tentoongesteld?
Dit wordt niet door het Ministerie van OCW bijgehouden.
Deelt u de opvatting dat wanneer een externe partij geld verdient aan de aandacht van leerlingen, dit niet op thuishoort?
Zie het antwoord op vraag 3.
Deelt u de opvatting dat scholen minderjarigen horen te beschermen tegen ongewenste commerciële reclames, juist ook vanwege het groeiende aantal jongeren met schuldenproblematiek, de impulsaankoopgevoeligheid en de grote mentale druk onder jongeren om erbij te horen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Hoe voorkomt u dat commerciële partijen via scholen ongewenst invloed krijgen op het consumptiegedrag van kinderen, waarbij kinderen een extra kwetsbare doelgroep zijn, zowel vanwege hun leeftijd als het feit dat zij de plek van adverteren (de school) niet kunnen mijden?
Het uitgangspunt is dat de school een veilige, neutrale omgeving moet zijn waar leerlingen op een goede manier onderwijs kunnen volgen. De overheid voorkomt schadelijke beïnvloeding door wettelijke randvoorwaarden te stellen aan de besluitvorming omtrent reclame-uitingen en via sectorafspraken zoals opgenomen in het Sponsorconvenant.
Scholen zijn wettelijk verplicht om hun sponsorbeleid vooraf helder op te nemen in het schoolplan en de schoolgids. Hierdoor zijn de keuzes transparant voor inspectie, ouders en leerlingen. Ook is in de wet vastgelegd dat de school de medezeggenschapsraad moet betrekken bij besluiten over sponsoring. Een school kan dus niet zomaar besluiten over sponsoring of reclame. Mocht een school de wettelijke voorschriften niet naleven, dan voorziet de wet in een formele klachtenregeling.
Bestaan er op dit wetgeving of afspraken over commerciële reclames binnen schoolgebouwen in onderwijs? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u inzicht geven in de afspraken die scholen hebben met deze commerciële partijen en hierbij ook inzicht geven in wat er gebeurt met de opbrengsten van het beschikbaar stellen van reclameplekken door scholen?
Scholen zijn zelf verantwoordelijk voor het opstellen en ondertekenen van een sponsorovereenkomst. In het Sponsorconvenant is opgenomen dat scholen sponsorinkomsten apart zichtbaar moeten maken in de jaarrekening van de school. Over de periode van 2020–2024 ging het om 0,006%3 van de totale baten van de scholen in het primair- en voortgezet onderwijs. Wat een school vervolgens doet met de opbrengsten, wordt niet bijgehouden.
Is het mogelijk om reclameuitingen op scholen te verbieden? Waarom wel of niet en welke subsidiaire mogelijkheden zijn er?
Op dit moment bieden de huidige wetgeving en het Sponsorconvenant scholen al voldoende handvatten om bewuste, autonome keuzes te maken. De regie ligt hiermee bij de school en de medezeggenschapsraad.
Om de naleving scherp te houden, is met de convenantpartijen afgesproken om het Sponsorconvenant ieder schooljaar onder de aandacht te brengen van het onderwijsveld. Het Sponsorconvenant wordt daarnaast elke vijf jaar geëvalueerd, de eerstvolgende evaluatie wordt in 2029 gedaan. Op dit moment zie ik dan ook geen aanleiding voor aanvullende wet- en regelgeving.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden voor de behandeling van de Slotwet OCW 2025?2
Het bericht ‘Ministerie houdt dagelijks bewegen op school' |
|
Mohammed Mohandis (GroenLinks-PvdA), Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD), Mirjam Sterk (CDA) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ministerie houdt dagelijks bewegen op school tegen» en wat is daarop uw reactie?1
Ja, ik ben bekend met het genoemde artikel.
In het artikel staat dat twee dagen voor de definitieve vaststelling van de kerndoelen een streep is gezet door het potentiële kerndoel over dagelijks bewegen. Dit is onjuist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op vraag 2.
Kunt u nader toelichten waarom de verplichting om dagelijks bewegen in het curriculum op te nemen van tafel is?
De verantwoordelijkheid voor het wettelijk verplicht curriculum ligt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Wat wettelijk verplicht is, ligt vast in kerndoelen. In opdracht van OCW heeft Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) in samenwerking met leraren, vakexperts en curriculumexperts de kerndoelen geactualiseerd.
In een vroege fase van de ontwikkeling van de kerndoelen voor Bewegen en Sport heeft SLO nagedacht over een aanboddoel2. Dit doel had als opdracht voor de school als geheel om leerlingen te stimuleren te bewegen met het oog op hun welbevinden en gezondheid. Na overleg met de advieskring, de klankbordgroep specifieke onderwijsbehoeften, het monitorteam en de expertpoule, is geconstateerd dat dit doel van Bewegen en Sport buiten de juridische kaders van de werkopdracht en de wet viel. Dit doel ging namelijk niet over wat kinderen moesten leren, maar om een verplichting voor de school als geheel om bewegen te stimuleren. Dat kan scholen niet via de kerndoelen worden verplicht. Dit is besproken met het kerndoelenteam en heeft ertoe geleid dat dit doel uiteindelijk niet is opgenomen in de conceptkerndoelen.
De opdracht aan het onderwijs is groot: kwalificatie, ontwikkeling, socialisatie en persoonsvorming. Primair verwacht de samenleving van scholen dat leerlingen leren lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden opdoen en leren over burgerschap. In de vernieuwde kerndoelen Bewegen en Sport komt terug dat leerlingen zich ontwikkelen in het bewegen, samen met andere leren bewegen en betekenis kunnen geven aan bewegen.
Het is aan scholen zelf om een onderwijsprogramma in te vullen waarin ze aan de kerndoelen werken. Dat kan bijvoorbeeld door beweegmomenten in te plannen gedurende de dag, maar dat is geen verplichting.
Wat was de doorslaggevende factor om dit niet op te nemen in het curriculum en waarom is het op het laatste moment geschrapt?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot de berekeningen van het RIVM dat de doelen met betrekking tot het aantal kinderen met overgewicht in 2040 niet worden gehaald en maar liefst op 14 procent blijft steken?2
Overgewicht en obesitas ontstaan door een mix van verschillende persoonsgebonden- en omgevingsfactoren. Onder andere gezonde voeding, voldoende bewegen en mentaal welzijn dragen bij aan een gezond gewicht en een gezonde leefstijl. Daarnaast zijn ook bredere sociaalmaatschappelijk aspecten van belang zoals een gezonde leefomgeving, bestaanszekerheid en kansengelijkheid in het onderwijs. We zetten hier op in via onder andere de Gezonde School-aanpak en het programma Jongeren Op Gezond Gewicht (JOGG). Ook werkt het kabinet momenteel de ambitie uit om kinderen in het primair- en voortgezet onderwijs schoolfruit aan te bieden. Het kabinet werkt bovendien aan een omzetting van de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken naar een gedifferentieerde verbruiksbelasting op suikergehalte als aan een suikerbelasting op eetwaren. Het doel is om de suikerconsumptie via dranken en eetwaren terug te dringen. Voor beide fiscale maatregelen werkt het kabinet toe naar een wetgevingspakket dat naar verwachting in 2027 naar de Tweede Kamer zal worden.4
Het stimuleren tot bewegen is en blijft onderdeel van het pakket aan maatregelen in de aanpak van overgewicht en obesitas. Zo kunnen scholen bijvoorbeeld via het programma Gezonde School er zelf voor kiezen om naast de bestaande aandacht voor sport en bewegen in het lesprogramma extra aan de slag te gaan met de thema’s bewegen en voeding.
Hoe verhoudt deze keuze zich tot het gegeven dat voldoende bewegen leerlingen helpt om beter te kunnen leren?
Voldoende bewegen draagt eraan bij om beter te leren. Wij delen dan ook het belang van bewegen. De kerndoelen zijn echter niet de plek om scholen te verplichten meer beweegmomenten door de dag heen aan te bieden. Scholen hebben zelf de vrijheid om te bepalen hoe en met welke roosters ze het onderwijsprogramma vormgeven.
Scholen richten hun onderwijs in met kennis, uit wetenschap en praktijk, en goed afgestemd op hun leerlingen. Veel scholen zijn hier ook al mee aan de slag. Bijvoorbeeld met bewegen door de dag heen, om kinderen beter te laten leren. Ze doen dit in de vorm van de dynamische schooldag, maar ook via het programma Gezonde school of een initiatief als de Koningsspelen.
Hoe verwacht uw het preventiedoel dat maximaal 5 procent van de kinderen overgewicht heeft in 2040 te gaan halen?
Het kabinet zet in op de gezondste generatie ooit. Met de Samenhangende preventiestrategie zetten we met gerichte, samenhangende maatregelen in op het gezonder maken van leefomgevingen van kinderen en jongeren zoals thuis, op school en in de wijk, zodat de gezonde keuze vanzelfsprekender wordt. Bij vraag 4 benoemde ik al de voorgenomen plannen voor een suikerbelasting op eten en drinken en het aanbieden van schoolfruit. Maar we doen meer. Zo wordt bijvoorbeeld ingezet op de Gezonde Kinderopvang en Gezonde School om een groot bereik van deze programma’s te realiseren en kinderopvangcentra en scholen te ondersteunen bij de implementatie. Ook kunnen scholen in het voorgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs met de toolbox voor een gezonde leeromgeving van het Voedingscentrum aan de slag om eten en drinken in kantines gezonder en duurzamer te maken. De Samenhangende preventiestrategie staat niet op zichzelf. Wij werken met diverse programma’s en akkoorden, zoals het Sportakkoord II, Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) en het Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) om tot de gezondste generatie ooit te komen in 2040.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om het aantal kinderen met overgewicht te laten doen afnemen?
Het kabinet zet in op een mix van universele en geïndiceerde preventie om overgewicht en obesitas bij kinderen te voorkomen en terug te dringen. Hierbij gebruiken wij diverse instrumenten van informatievoorziening en voorlichting, tot het financieren van preventieprogramma’s (denk aan de Gezonde School en Gezonde Kinderopvang), beleidsmonitoring en -evaluatie en waar nodig wetgeving.
Ook in het coalitieakkoord zijn afspraken opgenomen om overgewicht bij kinderen aan te pakken. Zo krijgen kinderen in het primair en voortgezet onderwijs gratis schoolfruit en voeren we een wet in die kindermarketing reguleert. Het kabinet wil afspraken maken over de introductie van een suikerbelasting en werkt aan wetgeving om gemeenten aanvullende bevoegdheden te geven om op grond van gezondheid maatregelen te nemen om met name voor kinderen en jongeren de gezonde voedselkeuze makkelijker te maken. Met supermarkten worden aanvullend afspraken gemaakt over het vergroten van het verkoopaandeel gezonde producten.
Bent u van mening dat kinderen voldoende bewegen, zowel buiten school als binnen school? Hoe beziet u in dit licht de bevinding dat bijna de helft van de kinderen niet op een actieve manier naar school gaat (te voet of te fiets)?3
Het kabinet zet zich ervoor in dat bewegen in het dagelijks leven en sport voor mensen met en zonder beperking gestimuleerd wordt. Buitenspelen is voor alle kinderen, met en zonder beperking, de belangrijkste vorm van bewegen. Helaas speelt maar 44 procent van de kinderen 4–11 jaar (bijna) elke dag buiten. Daarom stimuleert het kabinet de inzet op meer buitenspelen, (inclusief) buitenspeelbeleid, en de realisatie van inclusieve speeltuinen en groenblauwe schoolpleinen. Dit gebeurt via gemeenten, scholen en maatschappelijke organisaties. Zie ook antwoorden 6 en 7. Eigenlijk zou ieder kind buiten moeten kunnen spelen, ongeacht de omstandigheden waarin een kind opgroeit.
Het grootste deel van het leven van een kind speelt zich af buiten de school. Kinderen gaan ongeveer 25 uur per week naar school. Het aantal uur dat kinderen wakker zijn per week ligt rond de 95 uur. Dit betekent dat zij ongeveer 75 procent van de tijd niet op school zijn. Daarom is er een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd om kinderen gezond te laten opgroeien en voldoende te laten bewegen. Hieronder valt ook op actieve wijze naar school te gaan. Met de City deal Fietsen voor iedereen en de City deal Ruimte voor lopen heeft het kabinet onder andere als doel om meer kinderen op een actieve manier naar school te laten gaan.
Het is belangrijk dat kinderen sporten. We zien uiteraard dat niet elk gezin de financiële middelen hiervoor heeft of de tijd en ruimte om hier verantwoordelijkheid voor te dragen. Daarom bestaan er verschillende regelingen om kinderen en ouders financieel en praktisch te ondersteunen om bewegen te stimuleren. Bijvoorbeeld de financiering van de pilots met de Sportpas vanuit het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Daarnaast zijn er veel gemeentelijke initiatieven om kinderen en gezinnen financieel te ondersteunen zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur en Stichting Leergeld. Gemeenten bieden vaak ook eigen regelingen aan. Binnen de eerdergenoemde Brede Regeling Combinatiefuncties zijn in 99 procent van de gemeenten combinatiefunctionarissen actief in het onderwijs om het sport- en beweegaanbod te vergroten en te versterken.
Bent u van mening dat de Nederlandse Staat voldoende doet om de gezondheid van kinderen te beschermen? Zo nee, waarom niet?
Dit kabinet zet zich in voor de gezondste generatie ooit en dat is een verantwoordelijkheid die bij ons allemaal ligt: ouders en andere verzorgers, scholen, sportverenigingen, gemeenten en maatschappelijke organisaties. Ieder kind verdient het om op te groeien in een liefdevolle, veilige en stimulerende omgeving waarin gezond opgroeien vanzelfsprekend is. Bewegen speelt daarbij een belangrijke rol.
Voldoende beweging draagt niet alleen bij aan een gezonde fysieke ontwikkeling, maar helpt kinderen en jongeren ook om sociale vaardigheden te ontwikkelen, zelfvertrouwen op te bouwen en beter om te gaan met uitdagingen en tegenslagen. Daarmee levert sport en bewegen een belangrijke bijdrage aan hun weerbaarheid en mentale gezondheid. Ook leefstijlpreventie is hierbij essentieel, zoals beschreven in antwoord 6 en 7.
Investeren in een actieve leefstijl op jonge leeftijd betekent daarom investeren in de gezondheid en het welzijn van toekomstige generaties. In het coalitieakkoord zet het kabinet nadrukkelijk in op preventie en welzijn, met als doel te komen tot de gezondste generatie ooit. Dit probeert zij te realiseren door in verschillende akkoorden van de Samenhangende preventiestrategie tot het AZWA hierover afspraken te maken, maar ook via de verschillende regelingen en initiatieven gericht op bewegen en sporten op scholen en in de leefomgeving zoals hiervoor beschreven in antwoord 8.
Dit kabinet doet er alles aan om de gezondheid van kinderen te stimuleren, maar er is ook een belangrijke rol voor de ouders en andere opvoeders weggelegd. Indien nodig met steun van hun naaste omgeving en beschikbare hulp en ondersteuning.
Hoe kijkt u tegen de eventuele rechtszaak aan van Erik Scherder en Defence for Children?
We hechten waarde aan een constructieve dialoog. Een juridische procedure is niet altijd de geëigende route daartoe, maar het staat in Nederland iedereen vrij om naar de rechter te stappen.
Kunt u deze vragen ieder afzonderlijk beantwoorden?
Vraag 2 en 3 zijn in samenhang beantwoord.
Het blokkeren van queer accounts door Meta |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Sandra Beckerman (SP), Barbara Kathmann (PvdA), Christine Teunissen (PvdD), Laurens Dassen (Volt) |
|
Aerdts , Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichten «Meta blokkeert opnieuw tientallen queer accounts op Instagram» en «Meta heft de blokkade van queer-Instagramaccounts deels op, maar de angst voor herhaling blijft: «Het duwt je terug de kast in»»?1, 2
Ja, daar zijn we mee bekend.
Vindt u het acceptabel dat Meta wederom eenzijdig de accounts van tientallen queerorganisaties en queer personen heeft geblokkeerd of zelfs permanent heeft verwijderd?
De online publieke ruimte moet veilig, toegankelijk en inclusief zijn. Het is onacceptabel als de toegang tot de online publieke ruimte, waar het maatschappelijk debat en commercie plaatsvindt, ongelijk zou zijn op grond van identiteitskenmerken. Discriminatie is in strijd met wet- en regelgeving.
Heeft u sinds de beantwoording op de vragen van de leden Dassen en Kathmann over een soortgelijke situatie in december 2025, meer informatie gekregen over de moderatiekeuzes door Meta?3
Nee, over de moderatiekeuzes van Meta en soortgelijke situaties hebben wij niet meer informatie gekregen sinds december 2025.
Bent u sinds de beantwoording op de bovengenoemde vragen nog verder in contact geweest met Meta over het eenzijdig blokkeren van queer accounts? Zo ja, wat was uw inzet bij deze gesprekken?
Ja, de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit heeft deze signalen in een recent gesprek met Meta aan de orde gebracht. Daarbij is het belang van een sociaal veilige omgeving voor iedereen benadrukt. Er is ook op ambtelijk niveau contact geweest met Meta om meer informatie te ontvangen.
Herkent u de signalen van de getroffen accounts dat het vaak niet lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta om bezwaar te kunnen maken? Wat kan u hiertegen doen?
De signalen van de getroffen accounts dat het niet altijd lukt om in contact te komen met een echt persoon bij Meta zijn bij ons bekend. Op grond van artikel 12 van de digitaledienstenverordening (Digital Services Act, «DSA») is Meta er echter toe verplicht om afnemers van de dienst de mogelijkheid te bieden om rechtstreekse en efficiënte communicatiemiddelen te kiezen die niet uitsluitend op geautomatiseerde instrumenten berusten. Ook moet zij op grond van artikel 20 DSA een gemakkelijk toegankelijk en gebruikersvriendelijk klachtenafhandelingssysteem hebben. Hierin moeten gebruikers voldoende nauwkeurige en naar behoren gemotiveerde klachten in kunnen dienen. Besluiten over die klachten moeten worden genomen onder toezicht van gekwalificeerd personeel en niet alleen op basis van geautomatiseerde middelen. Niet-naleving van deze verplichting kan resulteren in handhavend optreden door de bevoegde toezichthouder. In oktober 2025 heeft de Commissie voorlopige bevindingen gepubliceerd in het onderzoek naar Meta. Daarin concludeert zij dat Meta de DSA overtreedt, onder meer door gebruikers niet voldoende in staat te stellen om inhoudsmoderatiebeslissingen aan te vechten. Meta wordt nu in staat gesteld hierop te reageren, waarna de Commissie een definitief oordeel velt.4
Zijn er signalen dat online accounts worden getroffen door gecoördineerde massameldingen van gebruikers of groepen die het oneens zijn met de inhoud van de accounts? Wat doet Meta om zulke gecoördineerde massameldingen tegen te gaan, met name als deze zich richten tegen minderheidsgroepen?
Nee, informatie over eventuele gecoördineerde massameldingen is bij ons niet bekend. Platforms, waaronder Meta, zijn zelf het best in staat om uit te leggen wat zij doen om dergelijke activiteiten tegen te gaan.
Kunt u ingaan op de onevenredig grote gevolgen die zulke blokkades hebben voor queerorganisaties en personen die voor hun zichtbaarheid en bereik afhankelijk zijn van grote online platforms?
Wanneer accounts van personen en organisaties op zeer grote online platforms worden geschorst of verwijderd, kan dit aanzienlijke gevolgen hebben voor hun zichtbaarheid, community-opbouw en hun inkomsten. Het zonder geldige reden blokkeren van lhbtiq+ personen en lhbtiq+-organisaties kan ervoor zorgen dat deze organisaties en personen, uit angst voor repercussies, niet meer het gevoel hebben dat ze zich vrij kunnen uiten en deel kunnen nemen aan het publieke debat. Dat druist in tegen het recht op vrijheid van meningsuiting. Dit is niet alleen pijnlijk en schadelijk voor de getroffenen, maar ook voor de gemeenschappen waartoe zij behoren of voor wie zij opkomen. De effecten beperken zich niet slechts tot de getroffenen, maar iedereen die zich met die persoon of organisatie identificeert. En daarmee treft het onze hele vrije democratische samenleving.
Hoe ziet u het blokkeren van queer accounts in het licht van artikel 35 van de Digital Services Act (DSA) die stelt dat platforms structurele risico’s op haat en discriminatie moet bestrijden?
Op grond van artikel 34 en 35 van de DSA moeten aangewezen zeer grote online platforms, waaronder Instagram en Facebook, de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of uit de werking van hun dienst en de daaraan verbonden systemen, identificeren en beperken. Tot deze risico’s behoren ook eventuele werkelijke of voorzienbare negatieve effecten op de uitoefening van de grondrechten. Voorbeelden hiervan zijn het recht op non-discriminatie, negatieve effecten met betrekking tot gendergerelateerd geweld en negatieve gevolgen voor het lichamelijke en geestelijke welzijn. Als zeer grote online platforms structureel lhbtiq+-accounts blokkeren of anders behandelen, voldoen zij niet aan deze verplichting. In dat geval kan de Europese Commissie, als primaire toezichthouder van de DSA ten aanzien van zeer grote online platforms, handhavend optreden.
Vindt u dat Meta een verantwoordelijkheid heeft om een veilige en vrije omgeving te bieden voor queer content? Hoe spant u zich vanuit het perspectief van emancipatie in om dit te waarborgen?
Ja, iedereen heeft een verantwoordelijkheid voor het creëren van een sociaal veilige omgeving voor iedereen. Dat geldt zeker voor grote socialemediaplatforms zoals Meta, maar ook voor bedrijven, maatschappelijke organisaties, burgers en de overheid zelf. Dit uitgangspunt heeft de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit recentelijk aan de orde gebracht in een gesprek met Meta. Het uitgangspunt staat ook centraal in ons interdepartementaal Plan van aanpak tegen online discriminatie.5 Binnen dit plan werken we nauw samen met de Ministeries van Justitie en Veiligheid en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In het plan is aandacht voor de veiligheid van lhbtiq+ personen evenals in de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid.6 Een van de doelstellingen uit de Versterkte aanpak is dat verschillende organisaties op dit thema elkaar versterken.
We zullen de Kamer informeren over de voortgang van beide plannen voor het einde van 2026. Ook kan de Kamer in september de Emancipatienota van dit kabinet verwachten, met daarin de inzet van het kabinet voor het bevorderen van gelijkwaardigheid voor iedereen.
Aanvullend gaan we naar aanleiding van deze berichtgeving samen verkennen of, en zo ja, welke aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de positie van lhbtiq+ personen online te versterken.
Bent u bereid om te onderzoeken of de aanname klopt dat minderheidsgroepen onevenredig vaak en hard worden geraakt door de niet-transparante moderatie van Meta?
Het is aan de bevoegde toezichthouder om na te gaan of (zeer grote online) platforms zich houden aan de DSA. Relevant in dit verband is ook dat de DSA voorziet in een mechanisme voor erkende onderzoekers om toegang te krijgen tot gegevens van zeer grote online platforms voor onderzoek dat bijdraagt aan het analyseren van systeemrisico’s en de doeltreffendheid van risicobeperkende maatregelen daartegen.
Bent u bereid zich in te zetten om de geblokkeerde of verwijderde accounts Nederlandse personen en organisaties te herstellen? Welke mogelijkheden heeft u hiertoe?
Op het moment van beantwoording van deze vragen is een aantal geblokkeerde en/of verwijderde accounts van Nederlandse personen en organisaties hersteld. Niet alle problemen zijn echter verholpen. Het is niet een taak van de overheid om in individuele geschillen te treden. Inmiddels is bekend geworden dat een aantal organisaties Meta heeft gesommeerd om aan de verplichtingen op grond van de DSA te voldoen.7 Het kabinet staat voor strikte naleving van de DSA en (bestuursrechtelijke en civielrechtelijke) handhaving daarvan. Daarnaast zet het kabinet, vanuit het plan van aanpak tegen online discriminatie, in op het makkelijker maken voor gebruikers om hun rechten ten opzichte van de platforms uit te oefenen.
Is het blokkeren van accounts, zonder waarschuwing of motivering, in strijd met de DSA?
Ja. Op grond van artikel 17 van de DSA moeten hostingdiensten, waaronder online platforms, een duidelijke en specifieke motivering geven wanneer zij bepaalde beperkingen opleggen aan afnemer van de dienst. Hieronder valt ook het beperken van de zichtbaarheid van door de afnemer verstrekte informatie of gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van diens account. Ook moeten zij de gebruiker in staat stellen gratis en elektronisch een klacht in te dienen tegen dat besluit. Afnemers kunnen op grond van de DSA geschillen met een online platform over inhoudsmoderatie voorleggen aan gecertificeerde buitengerechtelijke geschillenbeslechtingsorganen. Dit kan onverminderd hun recht om hetzelfde geschil aan de rechter voor te leggen.8 Wanneer online platforms zich niet aan deze verplichtingen houden, dan is sprake van een overtreding van de DSA en kan de bevoegde toezichthouder daartegen optreden.
Welke gevolgen zijn er voor grote online platforms die zich herhaaldelijk niet aan de DSA houden? Wat hebben toezichthouders nodig om harder en sneller op te kunnen treden?
Wanneer zeer grote online platforms zich (herhaaldelijk) niet aan de DSA houden, kan de Europese Commissie handhavend optreden. De DSA geeft de Europese Commissie verschillende bevoegdheden, zoals het vaststellen van een niet-nalevingsbesluit en het opleggen van een boete ter hoogte van 6% van de wereldwijde omzet. De eerste boete onder de DSA is eerder dit jaar uitgedeeld aan X. Er lopen diverse andere onderzoeken en procedures tegen andere online platforms, waaronder Facebook en Instagram. De Europese Commissie heeft vooralsnog niet aangegeven dat zij meer of andere bevoegdheden, instrumenten of andere middelen nodig heeft.
Bent u het ermee eens dat grote online platforms, die dusdanig veel invloed hebben op het publieke debat en het bereik van organisaties, volledige openheid moeten geven over hun moderatiecriteria en werkwijze? Voorziet de DSA voldoende in deze transparantieverplichting volgens u?
Ja. De DSA voorziet in een dergelijke verplichting. Op grond van artikel 14 DSA moeten aanbieders van tussenhandeldiensten, waaronder (zeer grote) online platforms, in hun algemene voorwaarden informatie opnemen over eventuele beperkingen die zij aan het gebruik van hun dienst opleggen met betrekking tot door de afnemers van de dienst verstrekte informatie. Die informatie moet gegevens omvatten over eventuele beleidsmaatregelen, procedures, maatregelen en instrumenten die worden ingezet voor inhoudsmoderatie inclusief algoritmische besluitvorming en menselijke controle, alsook de procedurevoorschriften van hun interne klachtenafhandelingssysteem. De informatie moet in duidelijke, eenvoudige, begrijpelijke, gebruiksvriendelijke en ondubbelzinnige taal worden beschreven. De informatie moet openbaar beschikbaar zijn in een gemakkelijk toegankelijk en machineleesbaar formaat.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en tijdig vóór het commissiedebat sociale media en inmenging van 4 juni 2026 beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het bericht «Opinie: Bescherm de lichamelijke integriteit van vrouwen, ook in de digitale wereld»?1
Ja, het kabinet is hiermee bekend.
Kunt u het onderzoek van Investico, waaruit is gebleken dat alle grote Nederlandse drogisten, zoals Kruidvat, Etos en Trekpleister, (gevoelige) informatie over de vruchtbaarheid en seksuele gezondheid van klanten delen met Amerikaanse en Chinese techbedrijven, voorzien van een kabinetsreactie?2
Het kabinet vindt het zorgelijk en neemt de signalen over het mogelijk delen van (gevoelige) informatie dan ook serieus. Alleen het beoordelen van specifieke situaties is aan de toezichthoudende autoriteiten, in Nederland is dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Het kabinet kan hierover geen uitspraken doen. Een kabinetsreactie hierover ligt dan ook niet in de rede.
Kunt u specifiek maken welke persoonsgegevens door de onderzochte apps en drogisten worden doorverkocht? Is hier sprake van medische gegevens, die enkel met een wettelijke grondslag of na uitdrukkelijke toestemming verwerkt mogen worden?
Zoals in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, is een dergelijke beoordeling niet aan het kabinet, maar aan de toezichthoudende autoriteit.
Voldoet de gegevensverwerking door de gezondheidsapps en de drogisten aan de nationale privacywetgeving? Zo ja of nee? Kunt u dit op basis van onderzoek onderbouwen?
In zijn algemeenheid merkt het kabinet op dat de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, waartoe gezondheidsgegevens behoren, verboden is tenzij er een uitzonderingsgrond van toepassing is, bijvoorbeeld wanneer uitdrukkelijke toestemming is gegeven. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) heeft geoordeeld dat het begrip «bijzondere persoonsgegevens» in dit soort gevallen ruim dient te worden uitgelegd. Daaronder vallen ook persoonlijke gegevens die bij het online bestellen van geneesmiddelen worden ingevoerd, zoals namen en adressen. Of hier gehandeld wordt in strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is, zoals eerder al in het antwoord op vraag 2 is aangegeven, aan de toezichthoudende autoriteiten, de AP.
Zijn de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Autoriteit Consument & Markt (ACM) op de hoogte van de mogelijk illegale handel in gezondheidsgegevens? Zo ja, wordt hier naar uw weten nader onderzoek naar gedaan? Zo nee, bent u bereid dit in samenwerking met de toezichthouders wel te doen?
De AP heeft desgevraagd laten weten zich bewust te zijn van de grootschalige dataverzameling en datahandel op het internet. Datahandel (in brede zin) is van 2020 tot 2023 een van de strategische aandachtsgebieden geweest van de AP. Ook nu besteedt de AP nog de nodige aandacht aan datahandel. Zo controleert de AP sinds 2024, en nu nog steeds, strenger op cookiebanners. De AP controleert of websites op de juiste manier toestemming vragen voor cookies en andere volgsoftware en pakt misleidende cookiebanners aan.
De AP en de ACM doen geen mededelingen over individuele zaken en eventuele lopende onderzoeken.
Wat is uw oordeel over het gebruik van tracking cookies bij online webshops, waardoor mogelijk gevoelige informatie over het koopgedrag van klanten aan derden wordt doorverkocht? Is dit mogelijk in strijd met de privacywetgeving?
Het kabinet deelt de opvatting dat het gebruik van tracking cookies in bepaalde gevallen problematisch kan zijn, bijvoorbeeld waar gebruikers als gevolg van dark patterns, informatie-overload en consentmoeheid toestemming geven terwijl deze mogelijk afwijkt van hun werkelijke voorkeuren. Voor de volledigheid wordt hierbij ook verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Het gebruik van tracking cookies bij online webshops is onderworpen aan voorwaarden uit de toepasselijke privacyregelgeving, met name AVG en de e-privacyrichtlijn, die in Nederland is geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Voor het plaatsen van dergelijke cookies is daarom geïnformeerde en ondubbelzinnige toestemming van de gebruiker vereist. Wanneer het gaat om gevoelige persoonsgegevens geldt een versterkt, expliciet toestemmingsvereiste. De beoordeling of sprake is van strijdigheid met de geldende privacyregelgeving is aan de toezichthouder.
Kunt u expliciet benoemen welke acties u nationaal en in Europees verband neemt om tracking cookies zo veel mogelijk te beperken en het informatie- en toestemmingsrecht van burgers over wat er met hun gegevens gebeurt te versterken?
Het kabinet zet zich nationaal en Europees in om op het gebied van tracking cookies onder meer de informatie- en toestemmingsrechten van burgers te versterken. Zo staat het kabinet positief tegenover de in de Digitale Omnibus voorgestelde automatische gecentraliseerde consentopties, waarmee gebruikers meer controle over hun gegevens krijgen. De onderhandelingen over dit voorstel lopen nog. Voor een weergave van de overige door het kabinet te nemen acties wordt verwezen naar de kabinetsreactie op het rapport De prijs van gratis internet van het Rathenau Instituut, die op 19 december 2025 met de Kamer is gedeeld.
Indien blijkt dat gezondheidsapps en drogisten in strijd met de wet medische gegevens van personen hebben verwerkt, welke gevolgen heeft dit voor deze bedrijven?
Onder de AVG is het verwerken van medische gegevens, die gelden als bijzondere categorieën van persoonsgegevens, verboden tenzij op dat verbod een uitzondering van toepassing is. Het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector is, als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder, de AP. Zij beschikt over een eigen repertoire aan bevoegdheden en handhavingsinstrumenten. Zo kan de AP onderzoek instellen naar de naleving van de gegevensbeschermingswetgeving, boetes en dwangsommen opleggen, alsook stopzetting van gegevensverwerkingen gelasten. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Deelt u de analyse van de indieners dat de lichamelijke integriteit van personen in een digitale wereld ook vraagt om toereikende privacybescherming? Is dit momenteel juridisch goed genoeg beschermd?
Het kabinet onderschrijft dit belang volledig. Alleen beschikt het kabinet niet over aanknopingspunten dat de gegevensbeschermingswetgeving lacunes vertoont.
Bent u bereid om aanvullende stappen te nemen om de medische gegevens van personen die gezondheidsapps gebruiken of gezondheidsproducten kopen bij drogisten beter te beschermen? Zo ja, hoe gaat u dit doen?
Bij de verwerking van persoonsgegevens is de AVG van toepassing. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om te voldoen aan de kaders die in de AVG worden gesteld aan de verwerking van persoonsgegevens en aan de strengere eisen die worden gesteld aan de verwerking van bijzondere persoonsgegevens, zoals medische gegevens. Het is aan de AP om toezicht te houden op de naleving van de AVG.
Hoeveel vrouwen in Nederland maken gebruik van zogeheten «cyclusapps», in het bijzonder van Flo en Clue? Kunt u aangeven of de wijze waarop zij geïnformeerd worden bij het gebruik van deze apps en het delen van hun gegevens, conform de huidige wet- en regelgeving is?
Uit het onderzoek van Rutgers over het gebruik van natuurlijke methoden om een zwangerschap te voorkomen onder de vrouwen van 18 tot en met 29 jaar is gebleken dat 37% van de groep gebruikmaakt van een cyclusapp om hun menstruatie bij te houden, waarvan Flo het vaakst werd benoemd3. Cyclusapps moeten zich bij de verwerking van (bijzonder) persoonsgegevens houden aan de kaders die worden gesteld in de AVG, indien zij zijn gevestigd in de EU. Cyclusapps die buiten de EU zijn gevestigd, dienen ook aan de AVG te voldoen, indien zij diensten of goederen aanbieden in de EU. Zowel Clue, die is gevestigd in Duitsland, als Flo, die is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, moeten daarmee voldoen aan de AVG.
Welke mogelijke hiaten ziet u in de bestaande wet- en regelgeving in het effectief optreden tegen het onrechtmatig bewaren en/of delen van gevoelige informatie over bijvoorbeeld miskramen, seksuele activiteit, etcetera met derde partijen, mogelijk voor commerciële doeleinden?
Zoals volgt uit de antwoorden op vragen 10 en 11, is er geen blijk van hiaten in de wet- en regelgeving. Het komt eerder aan op de naleving daarvan. Het doen van onderzoek daarnaar, is als gezegd, een taak van de onafhankelijke toezichthouder.
Deelt u de zorgen dat het doorverkopen van medische gegevens van vrouwen kan zorgen tot ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties, of zelfs het opstellen van dataprofielen van de medische geschiedenis van vrouwen?
Het kabinet vindt het uiterst belangrijk dat de gegevens van vrouwen niet ten onrechte gebruikt worden voor zaken als ongewenste profilering, agressieve gerichte advertenties of het opstellen van dataprofielen. Het kabinet vindt het dan ook van belang dat de onafhankelijke toezichthouder hier scherp op is. In elk geval, zoals eerder al genoemd is, is het houden van toezicht op en het handhaven van de rechtmatigheid van gegevensverwerkingen in de private sector een taak van de onafhankelijke toezichthouder, namelijk de AP. Het is aan de AP om te bepalen welke manier van handhaving onder de omstandigheden het meest geëigend is.
Heeft u indicaties voor welke doeleinden de doorverkochte medische gegevens van vrouwen, die zien op hun gezondheid en seksualiteit, worden gebruikt? Is dit in overeenstemming met het doel waarmee de data in eerste instantie met bedrijven is gedeeld?
Desgevraagd heeft het Centrale Bureau Drogisterijbedrijven aan het kabinet laten weten dat er geen persoonlijke gegevens doorverkocht worden. De online drogisterijen hebben privacyverklaringen op hun websites waarin is opgenomen welke gegevens worden verwerkt. Aangezien dit per drogisterij kan verschillen, wordt voor nadere informatie verwezen naar de betreffende websites. Wanneer een gebruiker niet noodzakelijke cookies weigert, worden alleen functionele cookies geplaatst die nodig zijn om de website goed te laten werken. Zonder toestemming worden bovendien geen persoonsgegevens van individuele klanten gedeeld met externe partijen zoals Google of Facebook.
Als gezegd is het beoordelen of specifieke situaties in overeenstemming zijn met de AVG aan de bevoegde toezichthoudende autoriteiten; in Nederland is dat de AP.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
De vragen zijn zo snel als mogelijk afzonderlijk beantwoord.
De uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek 'Kosten Kinderopvang Pleegouders' |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Thierry Aartsen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitkomsten van het Ipsos I&O-onderzoek «Kosten Kinderopvang Pleegouders» uit mei 2024, uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS, waaruit blijkt dat pleegouders gemiddeld 213 euro per maand zelf betalen aan kinderopvangkosten en dat uitschieters oplopen tot 1.500 euro per maand, de recente berichtgeving hierover, zoals in het Parool?1, 2
Ja.
Hoe verklaart u dat ondanks deze onderzoeksuitkomsten en het vrijgemaakte budget van ruim 10 miljoen euro per jaar pleegouders volgens recente berichtgeving nog steeds massaal zelf opdraaien voor de kosten van de kinderopvang?
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang3 van hun pleegkinderen4. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders, ook in het vrijwillig kader, en vergoedt (deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. Ik begrijp de frustratie van pleegouders als zij nog geen tegemoetkoming gehad hebben, maar wel kosten maken voor de kinderopvang van hun pleegkind.
De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders.
Vanwege de systematiek van het gemeentefonds kunnen er geen sluitende afspraken gemaakt worden die garanderen dat elke euro bij pleegouders terechtkomt. Gemeenten zijn vrij in de bestedingen van de middelen. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de vertegenwoordiging van pleegouders in de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders5. JZNL en VNG werken in afstemming met elkaar aan communicatie richting hun achterban om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren.
In het onderzoek geeft slechts 45 procent van de pleegouders aan te weten op welke vergoedingen zij recht hebben en weet slechts iets meer dan de helft hoe deze aangevraagd moeten worden, welke stappen heeft u de afgelopen twee jaar genomen om de onduidelijkheid weg te nemen?
Sinds het besluit met de Voorjaarsnota 2025 om deze middelen vrij te maken heb ik samen met NVP, JZNL en VNG uitgewerkt hoe dit geld aan pleegouders uitgekeerd kon worden. Zoals in het antwoord onder 2 reeds genoemd, bleek uiteindelijk de enige haalbare optie voor de periode 2025–2027 om de middelen aan gemeenten over te maken via het gemeentefonds. Dit is in het najaar van 2025 definitief besloten. Hierdoor kon er pas laat via de landelijke partijen gecommuniceerd worden naar pleegouders waar zij zich kunnen melden om aanspraak te maken op de tegemoetkoming. De komende periode werk ik samen met NVP, JZNL en VNG aan duidelijkheid voor pleegouders, via verschillende vormen van communicatie. Pleegouders met vragen over deze tegemoetkoming kunnen zich in de tussentijd het beste melden bij hun eigen pleegzorgaanbieder.
Kunt u aangeven hoeveel van het beschikbare budget sinds 2025 daadwerkelijk is uitgekeerd aan pleegouders en welk bedrag tot op heden onbenut is gebleven?
Nee. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd. De verantwoordelijkheid voor de besteding en de verantwoording daarover vindt plaats op lokaal/gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn niet verplicht om hierover ook nog specifiek informatie aan te leveren richting het Rijk, conform de interbestuurlijke verhoudingen zoals deze in ons staatsbestel zijn ingericht. Zie ook het antwoord onder vraag 2.
Deelt u de zorg dat deze situatie, zoals ook in het artikel wordt benoemd, een drempel vormt om pleegouder te worden of te blijven?
We weten dat er verschillende drempels zijn om pleegouder te worden en te blijven. Financiën zijn er daar een van. Ik span me samen met de sector in om zoveel mogelijk pleegouders te werven en de bestaande pleegouders te behouden – dat is cruciaal. Dit doe ik onder andere via de landelijke campagne «Jouw huis een tweede thuis», kindgerichte werving door pleegzorgaanbieders en het uitbreiden van de mogelijkheden van bijzondere kostenvergoeding naar pleegouders in het vrijwillig kader6.
Deelt u de in het artikel getrokken conclusie dat onduidelijkheid de overkoepelende oorzaak is? Wat vindt u van het feit dat 87 procent van de pleegouders zegt niet te weten hoe de regeling werkt? Op welke manier gaat u zorgen dat pleegouders actief geïnformeerd worden over hun recht op een tegemoetkoming?
Ik ben het ermee eens dat het voor pleegouders onduidelijk is hoe zij aanspraak kunnen maken op deze financiële tegemoetkoming – en dat trek ik mij aan. De aanleiding om deze middelen vrij te maken was om juist aan deze pleegouders een tegemoetkoming te kunnen bieden, omdat zij de kosten voor kinderopvang van hun pleegkinderen voor een groot deel zelf dragen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat gemeenten en pleegzorgaanbieders in de uitvoering voor een grote opgave staan om deze middelen eenvoudig maar snel bij de betreffende pleegouders te krijgen. Daarom ontwikkelen VNG en JZNL handvatten voor hun achterban. Een belangrijk onderdeel daarvan is om pleegouders duidelijkheid te bieden over hoe ze aanspraak kunnen maken.
Het onderzoek laat ook zien dat pleegouders grote verschillen ervaren tussen gemeenten en pleegzorgorganisaties, en de behoefte hebben naar een landelijke en uniforme aanpak en ondersteuning, bent u bereid om te komen tot een landelijk loket of uniforme landelijke regeling, zodat pleegouders niet langer afhankelijk zijn van gemeentelijke verschillen en onduidelijke procedures? Zo ja, wat is hier voor het tijdspad? Zo niet, waarom?
Ik snap de wens van pleegouders. Voor de uitkering van deze middelen zijn we gehouden aan het (decentrale) jeugdstelsel, waarbij het onuitvoerbaar bleek om tot een centrale regeling te komen. Zie ook het antwoord onder vraag 2. Binnen deze context span ik me met de sector in om tot een zo uniform mogelijke uitvoering te komen, waarin pleegouders weten waar zij terecht kunnen om aanspraak te maken op een financiële tegemoetkoming. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat het niet-gebruik afneemt en dat pleegouders niet langer honderden euro’s per maand uit eigen zak hoeven te betalen en wat is hierbij het tijdspad?
VNG en JZNL zijn aan de slag om handvatten voor de uitvoering van deze tegemoetkoming te ontwikkelen, zoals genoemd onder vraag 6. In aanvulling op eerdere communicatie vanuit pleegzorgaanbieders richting pleegouders verwachten JZNL en VNG voor de zomer extra te communiceren over op welke wijze pleegouders aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming.
Kunt u deze vragen apart beantwoorden?
Ja.
Het artikel ‘Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen’ |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Raad van State: ministerie moet schoolbesturen 250 miljoen aan achterstallige personeelskosten betalen»?1
Ja, ik ben bekend met het artikel en met de uitspraak zelf.
Kunt u nader toelichten welke overwegingen ten grondslag lagen aan het besluit van de toenmalige Staatssecretaris om in hoger beroep te gaan tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland in 2024, die toen al oordeelde dat het ministerie schoolbesturen te weinig had betaald?
Er is in 2024 hoger beroep ingesteld omdat het beeld was dat er in de overgangsperiode wel voldoende bekostiging was uitbetaald aan de schoolbesturen.2
Kunt u bevestigen of de gevolgen van deze uitspraak onverkort zullen worden toegepast op alle schoolbesturen die door de systematiek zijn benadeeld, of blijft dit beperkt tot de 222 schoolbesturen die de rechtszaak hebben aangespannen?
We bestuderen de uitspraak en bekijken hoe we hier uitvoering aan gaan geven. Uw Kamer wordt hier uiterlijk in juni van dit jaar verder over geïnformeerd.
Wanneer kunt u uitsluitsel geven over de concrete uitvoering van de uitspraak van de Raad van State? Op welk moment gaat u hiervoor dekking zoeken?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u toezeggen dat de dekking voor deze kosten (250 oplopend tot 600 miljoen euro) buiten de OCW-begroting zal worden gevonden, zodat dit niet ten koste gaat van andere onderwijsprioriteiten?
Zie antwoord vraag 3.
Krijgen scholen een schadevergoeding voor het feit dat zij genoodzaakt waren personeel te ontslaan of investeringen uit te stellen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met (vertegenwoordiging van) schoolbesturen?
Zie antwoord vraag 3.
Kunt u uitleggen hoe deze fout in bekostigingssystematiek heeft kunnen ontstaan? In hoeverre is er interne reflectie of evaluatie geweest om vergelijkbare rekenfouten in de toekomst te voorkomen?
Het gaat niet om een rekenfout in de bekostigingssystematiek. In 2006 is de bekostigingssystematiek gewijzigd van een declaratiesysteem naar lumpsumbekostiging. De overlopende kosten hadden toegekend moeten worden aan de periode van de declaratiesystematiek (de oude systematiek) volgens de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State. Volgens deze redenering was eind 2006 een tekort ontstaan voor de schoolbesturen. In 2023 is overgegaan van schooljaar- naar kalenderjaarbekostiging. Er is sprake van een andere beoordeling door de Afdeling ten opzichte van het ministerie als het gaat om de al dan niet ontstane tekorten door deze aanpassingen. Het ministerie was van mening dat er geen ontstane tekorten waren, omdat schoolbesturen altijd 100% van de bekostiging hebben ontvangen.
De bevinding dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig beschouwt |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van OCW waaruit blijkt dat ruim 40 procent van de middelbare scholieren lhbtiq+’ers niet als gelijkwaardig aan heteroseksuelen beschouwt?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze cijfers zorgelijk zijn en op gespannen voet staan met fundamentele waarden van gelijkwaardigheid, vrijheid en non-discriminatie, verankerd in onze Grondwet?
Ja.
Welke conclusies verbindt u aan de constatering van de onderzoekers dat grote groepen jongeren deze basisvrijheden niet onderschrijven?
In Nederland mag je zijn wie je bent, houden van wie je wilt en uiting geven aan je seksuele gerichtheid. Een gelijkwaardig Nederland, daar staat dit kabinet voor. Ik vind het zorgwekkend dat een groot deel van de jongeren zegt te vinden dat heteroseksuele en homoseksuele personen niet gelijkwaardig zijn. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een kabinetsreactie met mijn reactie op het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren en de beleidsmaatregelen die ik wil nemen.
Deelt u de mening dat het onderzoek het belang onderstreept van het Regenboog Stembusakkoord, dat ondertekend is door alle coalitiepartijen? Kunt u per afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord aangeven op welke manier u hier invulling aangeeft? Kunt u bij de maatregelen waar u geen invulling aan geeft aangeven waarom u dit niet doet?
In het coalitieakkoord 2026–2030 «Aan de slag» heeft het kabinet afgesproken dat het Regenboog Stembusakkoord (RSA) de basis is om te blijven werken aan acceptatie, veiligheid en emancipatie van de lhbtiq+ gemeenschap. Het kabinet is voornemens dit akkoord zorgvuldig uit te voeren met (initiatief)wetgeving en beleid. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer stuur, geeft het kabinet nadere invulling aan de uitwerking van het RSA.
Op dit moment zijn we al aan de slag via de Versterkte aanpak lhbtiq+-veiligheid om de veiligheid van lhbtiq+ personen in verschillende leefdomeinen te verbeteren met interventies op het gebied van preventie, herstel en erkenning. Daarnaast steunt het kabinet initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en Gender and Sexuality alliances (GSA’s). In het onderwijs worden de kerndoelen, waaronder burgerschap, wettelijk verankerd met daarin aandacht voor onder andere gelijkwaardigheid, non-discriminatie en autonomie. De inspectie gaat hierop toezien.
In het Regenboog Stembusakkoord is specifiek afgesproken dat het kabinet ervoor gaat zorgen dat de Onderwijsinspectie scherper gaat toezien op de uitvoering van wetten en regels die bepalen dat scholen veiligheid, respect en acceptatie van lhbtiq+’ers dienen te bevorderen en dat er een einde komt aan afwijzing van lhbtiq+’ers door scholen; op welke wijze gaat de regering deze afspraak uitvoeren?
Zie antwoord vraag 4.
Kunt u reflecteren op de in het onderzoek genoemde mogelijkheden ter bevordering van acceptatie van lhbtiq+’ers en per betrokken actor uiteenzetten welke rol u voor de overheid en de betreffende partijen ziet bij het realiseren van deze oplossingen?
Ik stuur uw Kamer voor de zomer de kabinetsreactie met daarin de opvolging van de mogelijkheden ter bevordering van de acceptatie van lhbtiq+ personen die in het onderzoek genoemd worden en de rol die ik hierbij zie voor de overheid. In de Emancipatienota zal ik waar mogelijk aanvullende maatregelen opnemen die bijdragen aan het bevorderen van gelijkwaardigheid.
Welke concrete maatregelen neemt u op dit moment om de acceptatie van lhbtiq+’ers binnen het basis- en voortgezet onderwijs te vergroten?
Scholen in het funderend onderwijs zijn wettelijk verplicht zorg te dragen voor een veilig schoolklimaat voor alle leerlingen. Met het wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs2, dat reeds bij uw Kamer is ingediend, versterken we de zorgplicht voor de veiligheid op school middels beter zicht op de veiligheid, goede ondersteuning en begeleiding bij onveiligheid en een jaarlijkse evaluatie van het veiligheidsbeleid. Daarnaast vereist de wettelijke burgerschapsopdracht dat scholen leerlingen kennis en respect bijbrengen van en voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor verschillen tussen mensen, bijvoorbeeld in seksuele gerichtheid. De nieuwe kerndoelen voor de leergebieden burgerschap en mens en maatschappij verplichten scholen diversiteit bespreekbaar te maken.
Ook verleen ik een instellingssubsidie aan Stichting School & Veiligheid (SSV), de landelijke expertiseorganisatie met informatie en advies voor sociale veiligheid op school. SSV heeft aanbod voor docenten voor het veilig bespreekbaar maken van «gevoelige» thema’s in de klas, waaronder gender en seksuele diversiteit. Voorbeelden zijn de website www.gendi.nl en de leidraad die in samenwerking met het Landelijke Aktie Komitee Scholieren (LAKS) is ontwikkeld. Ook ondersteun ik initiatieven van COC Nederland die scholen helpen bij het bespreekbaar maken van diversiteit. Voorbeelden hiervan zijn Paarse Vrijdag, GSA’s en een docentennetwerk.
In hoeverre ziet u regionale verschillen in de acceptatie van lhbtiq+’ers onder scholieren, en bent u bereid in regio’s waar de acceptatie aantoonbaar lager ligt extra ondersteuning voor scholen en docenten te geven?
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren laat geen regionale verschillen zien in de acceptatie van lhbtiq+ personen onder scholieren. In de Gezondheidsmonitor Jeugd 2026 wordt het onderwerp lhbtiq+-acceptatie in alle regio’s uitgevraagd. De publicatie van deze cijfers wordt verwacht in het voorjaar van 2027.
Hoe beoordeelt u de conclusie van de onderzoekers dat acceptatie met name laag is onder leerlingen die religieus en conservatief zijn? Hoe beoordeelt u de conclusie dat dit onderzoek het idee weerlegt dat vooral jongeren met een migratieachtergrond conservatieve opvattingen zouden hebben over lhbtiq+’ers? Welke stappen zet u concreet om te voorkomen dat specifieke groepen jongeren onterecht worden gestigmatiseerd in het publieke en politieke debat?
De resultaten van het onderzoek laten zien dat de verschillen in lhbtiq+-opvattingen van jongeren vooral samenhangen met gender en de mate van conservatisme, en ook religie en leerweg spelen een rol. Ik stuur uw Kamer voor de zomer een uitgebreidere kabinetsreactie op het onderzoek.
Het onderwijs moet voor alle jongeren een fijne en veilige plek zijn waarin zij zichzelf kunnen ontwikkelen en ontplooien. In de kabinetsreactie ga ik dieper in op de rollen in het publieke en politieke debat.
Bent u bereid, mede op basis van de bevindingen uit zowel het UvA-onderzoek als eerder onderzoek van het COC en Columbia University te kijken naar hoe Paarse Vrijdag en GSA’s en inclusieve lesprogramma’s landelijk structureel kunnen worden versterkt en gefinancierd, aangezien deze als effectieve interventies uit het onderzoek komen?2 Hoe geeft u in dat kader vorm aan de volgende afspraak uit het Regenboog Stembusakkoord dat volgens het coalitieakkoord wordt uitgevoerd: «Het kabinet blijft initiatieven voor respect en acceptatie op de basis en middelbare school, zoals de GSA’s en Paarse Vrijdag, financieel ondersteunen»?
Het kabinet steunt initiatieven in het onderwijs die bijdragen aan een veilige leeromgeving voor alle leerlingen, waaronder Paarse Vrijdag en GSA’s. De alliantie Kleurrijk en Vrij draagt financieel meerjarig bij aan de initiatieven GSA’s en Paarse Vrijdag in het voortgezet onderwijs en mbo. Aangezien Paarse Vrijdag later is gestart in het primair onderwijs, wordt dit momenteel financieel ondersteund middels een projectsubsidie tot 31 juli 2026. In de Emancipatienota, die ik na de zomer van 2026 aan uw Kamer zal sturen, informeer ik uw Kamer over een vervolg in het primair onderwijs.
Is het juist dat bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+’ers en respect voor seksuele diversiteit nog niet op alle docenten- en leerkrachtenopleidingen een verplicht onderdeel is van het curriculum, terwijl dit onderwerp wel onderdeel uitmaakt van de kerndoelen voor het basis- en voortgezet onderwijs en de wettelijke burgerschapsopdracht van scholen? Bent u bereid om in gesprek te gaan met docenten- en leerkrachtenopleidingen om te bevorderen dat dit wel een onderdeel wordt van hun curriculum?
Het bevorderen van een veilig klimaat voor lhbtiq+ personen en respect voor seksuele diversiteit is op dit moment geen verplicht onderdeel van het curriculum van lerarenopleidingen. De aandacht voor diversiteit, gelijkwaardigheid en respect verschilt per lerarenopleiding en hangt samen met de kerndoelen en examenprogramma’s van het vakgebied.
De landelijke kennisbases van de hbo-lerarenopleidingen worden op dit moment herijkt en opnieuw geformuleerd, waarbij de hogescholen nauw aansluiten bij de nieuwe kerndoelen en bekwaamheidseisen. Om de aansluiting op die kerndoelen te borgen is Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) betrokken bij dat proces. Ik vertrouw erop dat de inhoud van de nieuwe kerndoelen daarmee ook voldoende terug zal komen in de kennisbases en de daarop gebaseerde individuele curricula van opleidingen. Ik zie op dit moment geen reden om hierover in gesprek te gaan met de opleidingen in het Opleidingsberaad Leraren.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
De financiële envelop voor onderwijs |
|
Marjolein Moorman (PvdA), Mikal Tseggai (PvdA), Fatihya Abdi (PvdA) |
|
Letschert |
|
|
|
|
Erkent u dat de verdeling van de envelop voor onderwijs al klaar is, zoals valt te lezen in de beslisnota horende bij de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord «Aan de slag», maar dat deze van de Minister van Financiën niet mag worden gedeeld met de Kamer? Zo ja, waarom mag deze informatie niet met de Kamer worden gedeeld? Kunt u deze verdeling alsnog aan de Kamer doen toekomen?1
Bureau Kabinetsformatie heeft op 30 januari 2026 de verdeling van de investeringen op het terrein van OCW gedeeld met de Ministeries van OCW en Financiën. In de beantwoording van de feitelijke vragen over het coalitieakkoord is toegezegd dat wij uw Kamer nog verder informeren over deze verdeling, omdat de precieze invulling van deze envelop nog extra uitwerking vereist. Er wordt onder andere nog gekeken naar de uitvoerbaarheid, de randvoorwaarden, de kosten van de uitvoering van de maatregelen die niet in de budgettaire tabel staan, de doelmatigheid, de verdeling tussen sectoren en instrumenten en de financiële doorrekening. Daarmee kan het uiteindelijke voorstel zoals wij dat aan uw Kamer zullen sturen met onze beleidsbrief afwijken van de tabel zoals die door Bureau Kabinetsformatie is verstrekt. Deze beleidsbrief bevat informatie van het kabinet over de uitwerking van de plannen uit het coalitieakkoord, de brief ontvangt uw Kamer in april.
De tabel zoals deze is opgesteld door Bureau Kabinetsformatie is hieronder toegevoegd. Deze tabel is in lijn met de ambities van het coalitieakkoord. Het gaat hier deels om het een-op-een volledig terugdraaien van de bezuinigingen van kabinet Schoof. Daarbij is het mogelijk dat sommige teruggedraaide bezuinigingen terugkeren in een nieuwe vorm met een ander instrument. Daarnaast gaat het om nieuwe investeringen op de OCW-begroting voor het onderwijs, wetenschap en media.
Terugdraaien bezuiniging beperken school en omgeving
120.615
120.615
120.615
120.615
120.615
Herstellen en hervormen brede brugklassubsidie
57.686
57.686
57.686
57.686
57.686
Terugdraaien SPUK-korting (oa GOAB en VSV/RMC)
85.296
85.296
85.296
85.296
85.296
Doorzetten regionaal investeringsfonds mbo
14.600
34.609
33.667
28.526
28.526
Meer tijd voor schoolontwikkeling op teamniveau
350.000
350.000
350.000
350.000
350.000
Verhogen uitwonende basisbeurs met 110 mln.
5.000
25.000
45.000
110.000
Maximeren rente studiefinanciering op 2,5%
40.000
Bevordering zij-instroom
79.324
88.074
88.074
88.074
88.074
Beter en regelmatig inspectietoezicht
5.000
11.000
21.000
30.000
Intensivering Fonds onderzoek en wetenschap via bestaand instrumentarium (sectorplannen, praktijkgericht onderzoek, onderzoeksinfrastructuur en Europese samenwerking)
224.479
332.720
370.662
447.803
433.803
Taakstellende intensivering lumpsum internationalisering (verhoging bedrag per student)
68.000
121.000
158.000
156.000
156.000
Terugdraaien verlaging rijksmediabijdrage landelijke publieke omroep
45
45
45
45
45
Versterking van persveiligheid en -vrijheid
5
5
5
5
5
Klopt het dat het geld dat naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) gaat in de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 de bezuinigingen van kabinet Schoof niet dekken? Klopt het dat er de facto dan alsnog bezuinigd wordt op de begroting van OCW gezien er sprake is van een netto-krimp? Klopt het dat de uitspraak «we gaan investeren in onderwijs» van het lid Paternotte dan feitelijk onjuist is?2, 3, 4
Een deel van de bezuinigingen van kabinet Schoof is eerder teruggedraaid met de amendementen Bontenbal c.s.5 en Eerdmans c.s.6 Zoals in de tabel met de verdeling van de envelop bij vraag 1 te lezen is, heeft kabinet Jetten ervoor gekozen om naast het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen ook nieuwe investeringen te doen. In totaal wordt structureel € 1,55 miljard geïnvesteerd door kabinet Jetten op de OCW-begroting. In onderstaande tabel is te zien dat het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter is dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof. Dat geldt voor de jaren 2027 t/m 2030 en structureel. De reeksen van kabinet Schoof zijn de nettoreeksen na de verwerking van de eerdergenoemde amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.
Bij de hoogte van de prijsbijstelling in 2025 zij aangetekend dat de prijsbijstelling bij Voorjaarsnota 2025 met de helft is gekort vóórdat deze werd toegevoegd aan de departementale begrotingen. Deze korting is niet verwerkt in onderstaande tabel. Ook met deze korting is het positieve saldo van intensiveringen en extensiveringen van kabinet Jetten groter dan het negatieve saldo op de OCW-begroting van kabinet Schoof.
– 1.126.000
– 1.265.000
– 1.357.000
– 1.373.000
– 1.278.000
1.437.000
187.500
168.000
156.000
141.000
– 25.000
– 30.000
– 64.000
– 112.000
– 112.000
1.050.000
1.250.000
1.350.000
1.450.000
1.550.000
Bedragen x € 1.000
De totale hoogte van de OCW-begroting wordt ook bepaald door andere factoren. Zo zijn er jaarlijks mee- en tegenvallers, waaronder de jaarlijkse autonome raming van leerling- en studentenaantallen. Ook is er sprake van structurele krimp van de leerling- en studentenaantallen en wordt er soms ook binnen de OCW-begroting omgebogen ten behoeve van tegenvallers binnen de OCW-begroting of rijksbrede tegenvallers. Daarnaast wordt er in principe ook jaarlijks loon- en prijsbijstelling toegevoegd aan de OCW-begroting, deze was bij Voorjaarsnota 2025 structureel € 2,1 miljard. Voor de vergelijking van intensiveringen en bezuinigingen door twee kabinetten zijn deze factoren niet meegenomen in bovenstaande vergelijking tussen de kabinetten Schoof en Jetten.
Gezien er te weinig geld gaat naar de begroting van OCW om alle bezuinigingen van het kabinet Schoof terug te draaien, kunt u puntsgewijs per bezuiniging aangeven of deze helemaal, gedeeltelijk of niet wordt teruggedraaid:
Zoals af te lezen is uit de tabel bij vraag 1 draait het kabinet een aantal bezuinigingen terug (zowel uit het Hoofdlijnenakkoord als de verwerking van de ingediende amendementen Bontenbal c.s. en Eerdmans c.s.). Daarnaast is ervoor gekozen om ook nieuwe investeringen te doen. Over de invulling en verdeling wordt u geïnformeerd bij de beleidsbrief.
Wanneer er bij de vorige vraag sprake is van gedeeltelijk of niet terugdraaien van de voorgenomen bezuiniging, kunt u motiveren waarom u hiervoor kiest?
Het wel of niet (geheel) terugdraaien van bezuinigingen en de keuze voor nieuwe investeringen, zoals weergegeven in de tabel bij vraag 1, zijn de uitkomst van keuzes tijdens de formatie. Uw Kamer wordt geïnformeerd over de specifiekere uitwerking van de investeringsenvelop met de beleidsbrief.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor het verhogen van de uitwonende basisbeurs? Met welk bedrag gaat de uitwonende beurs per maand omhoog en per wanneer?
Zoals in de tabel bij vraag 1 te zien is wordt er structureel een bedrag van € 110 miljoen gereserveerd voor het verhogen van de uitwonendenbeurs. Momenteel wordt de precieze invulling nog uitgewerkt.
Welk deel van de middelen in de envelop onderwijs is gereserveerd voor nieuwe beleidsposten op de OCW-begroting? Welke nieuwe beleidsposten zullen dit zijn?
De volgende posten uit de tabel bij vraag 1 bevatten (deels) nieuwe beleidsposten:
Kunt u deze vragen met spoed maar in ieder geval binnen drie weken beantwoorden zodat de Kamer goed geïnformeerd het debat kan voeren?
Ja.
De impact van de kabinetsplannen op zwangere vrouwen en ouders |
|
Marjolein Moorman (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Judith Tielen (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «CNV: jaarlijks zeker 25.000 zwangeren geraakt door kabinetsplan»?1
Ja, ik ben bekend met dit bericht.
Deelt u de mening dat zestien weken 100% betaald zwangerschapsverlof een belangrijk verworven recht is? Zo ja, hoe verhoudt dit zich tot het besluit om het maximumdagloon te verlagen, waardoor zwangere vrouwen er honderden euro’s per maand op achteruitgaan?
Ja, ik vind het belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet onze arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas ook lastige keuzes bij nodig. Via de verlaging van het maximumdagloon is beoogd de laagste inkomens te ontzien. Niettemin raakt de verlaging veel mensen. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van de verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij vind ik het van belang dat er oog is voor de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Ik zal dit vervolgens bespreken met sociale partners en ik streef ernaar om uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel te komen richting de Kamer.
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor de hoogte van het loon tijdens zwangerschapsverlof? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
Het dagloon vormt de grondslag voor de verlofuitkering en wordt berekend op basis van het SV-loon, waarbij het bevallings- en zwangerschapsverlof 100 procent dagloon is. Het dagloon is – in de hoofdregel – het loon dat een werknemer in de referteperiode heeft genoten en waarover belastingen en sociale premies zijn betaald, gedeeld door het gemiddeld aantal dagloondagen in één jaar (261). Het dagloon is per 1 januari 2026 wettelijk gemaximeerd op € 304,25 per dag, omgerekend is dit € 6.617,44 per maand. Iedereen die meer verdient dan 80% van dit bedrag wordt via de uitkering geraakt door de verlaging, aangezien het maximumdagloon wordt verlaagd met 20%. Voor inkomens die onder 80% van het maximumdagloon verdienen, geldt dat zij niet geraakt worden door de verlaging in het maximumdagloon. Deze verlaging ziet er per inkomenscategorie dan als volgt uit voor de uitkeringen uit de Wet arbeid en zorg, weergegeven per maand:
≥100%
€ 6.617,44
€ 5.293,95
€ 1.323,49
90%
€ 5.955,69
€ 5.293,95
€ 661,74
80%
€ 5.293,95
€ 5.293,95
–
Welke gevolgen heeft het verlagen van het maximumdagloon met 20% voor vrouwen die ziek worden als gevolg van hun zwangerschap? Kunt u per inkomenscategorie in beeld brengen hoeveel euro per maand vrouwen hierdoor mislopen?
De uitkeringen uit de ziektewet en de Wet arbeid en zorg (Wazo) zijn beide gebaseerd op de dagloonsystematiek. Wanneer vrouwen ziek worden als gevolg van of door hun zwangerschap wordt hun uitkering niet verlaagd en geldt dat zij een uitkering vanuit de Ziektewet ontvangen voor 100% van het maximumdagloon. De gevolgen op de uitkeringen van de verlaging van het maximumdagloon komen daarbij overeen zoals beschreven in antwoord 3.
Hoeveel vrouwen die met zwangerschapsverlof zijn gegaan in 2024 en 2025 vielen in de categorie 80–100% maximumdagloon? Welk percentage bedroeg dit van het totale aantal Wet arbeid en Zorg-uitkeringen (WAZO-uitkeringen)?
In 2024 waren er circa 13.900 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon, dit bedroeg 10,4% van het totale aantal zwangerschaps- en bevallingsuitkeringen voor werknemers. Daarnaast zijn er in 2024 circa 8.500 vrouwelijke werknemers met een inkomen op of boven het maximumdagloon met zwangerschapsverlof gegaan (6,4% van het totale aantal uitkeringen). In 2025 waren er, op basis van voorlopige gegevens, circa 14.000 vrouwen in de categorie 80–100% maximumdagloon. Gegevens van 2025 over werknemers boven het maximumdagloon zijn nog niet bekend.
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens zwangerschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit een eerder onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 43 cao’s (29% van de werknemers van de onderzochte cao’s) het zwangerschaps- en bevallingsverlof tot 100% van het loon wordt aangevuld.2 Werkgevers kunnen ook buiten een cao om de uitkering tijdens zwangerschap aanvullen tot 100% of het loon doorbetalen. Hier zijn geen cijfers over bekend.
Hoeveel extra kosten brengt het lagere maximumdagloon met zich mee voor werkgevers die het loon aanvullen? In hoeverre verwacht u dat dit zwangerschapsdiscriminatie in de hand werkt?
Het aanvullen van de uitkering wordt o.a. via cao-afspraken geregeld en er bestaat geen wettelijke verplichting hiertoe binnen de Wazo. Werkgevers zullen bij een lagere uitkering het loon meer moeten aanvullen als hierover binnen een cao afspraken zijn gemaakt. De grootte van deze aanvulling is afhankelijk van de hoogte van het loon van de werknemer en de afspraken binnen een cao of bedrijf. Een mogelijk gevolg van de verlaging is dat werkgevers hierdoor wellicht minder geneigd zullen zijn om het aanvullen van het loon tot 100% bij Wazo-uitkeringen vast te leggen in cao-afspraken. De gevolgen van deze maatregel op zwangerschapsdiscriminatie zijn moeilijk in te schatten.
Welke impact heeft de verlaging van het maximumdagloon op de hoogte van het ouderschapsverlof? Kunt u dit uitsplitsen naar inkomenscategorie?
Voor het betaald ouderschapsverlof (en ook voor het aanvullend geboorteverlof) geldt een vergoeding van 70% tot het maximumdagloon. De impact van de verlaging van het maximumdagloon is in onderstaande tabel in beeld gebracht.
≥100%
€ 4.632,21
€ 3.705,77
€ 926,44
90%
€ 4.168,99
€ 3.705,77
€ 463,22
80%
€ 3.705,77
€ 3.705,77
€ 0,00
Hoeveel werkenden vallen onder een cao waarin is geregeld dat de werkgever het maximumdagloon tijdens ouderschapsverlof aanvult tot 100%? Hoeveel werkenden werken niet onder een cao waarin dit is geregeld?
Uit onderzoek onder 108 cao’s komt naar voren dat in 11 cao’s (16% van de werknemers van de onderzochte cao’s) de uitkering van 70% maximumdagloon voor het betaald ouderschapsverlof wordt verhoogd. In drie cao’s wordt het loon negen weken volledig doorbetaald; in twee cao’s wordt het loon vier weken volledig doorbetaald en gedurende de overige weken conform de wet; in vier cao’s wordt 75% van het loon doorbetaald; in één cao 70% van het laatstverdiende loon, en in één cao is gedurende 13 weken sprake van variabele doorbetaling (50 tot 90% afhankelijk van de salarisschaal).3
Welk gevolg verwacht u dat de verlaging van het maximumdagloon heeft op de hoeveelheid ouders die ouderschapsverlof opnemen? Welke impact heeft dit op de beschikbaarheid in de kinderopvang?
Vrouwen zijn verplicht om het zwangerschaps- en bevallingsverlof op te nemen, de opname van het geboorte- en het ouderschapsverlof is optioneel. De kans bestaat dat ouders minder snel dit verlof zullen opnemen, vanwege de mogelijke terugval in inkomen. Wat precies de impact van de verlaging zal zijn op het gebruik van het aanvullend geboorte- en ouderschapsverlof, is moeilijk te voorspellen. Uit onderzoek blijkt dat van de ouders die geen gebruik maakten van het volledig aanvullend geboorteverlof, 27% van hen aangaf het inkomen niet te kunnen missen. En 18% van hen aangaf dat het voor hen financieel niet aantrekkelijk was. Van de ouders die niet volledig gebruik maakten van het aanvullend geboorteverlof, gaf 15% aan dat zij het inkomen niet konden missen en 11% dat zij het financieel niet aantrekkelijk vonden.
Met een verlaging van het maximumdagloon bestaat de kans dat een deel van de ouders minder gebruik zullen gaan maken van het ouderschapsverlof of aanvullend geboorteverlof. Het is op dit moment niet goed in te schatten wat het effect daarvan is op de beschikbaarheid in de kinderopvang.
Deelt u de opvatting dat ouderschapsverlof eraan bijdraagt dat ouders de zorg voor hun kinderen op een gelijkwaardige manier kunnen verdelen? In hoeverre deelt u de zorg dat zorgtaken ongelijker verdeeld worden doordat ouders minder vaak verlof zullen opnemen omdat zij teveel loon moeten inleveren?
Het ouderschapsverlof is onder andere bedoeld om een gelijkwaardigere verdeling in zorgtaken tussen ouders te bevorderen en de arbeidsparticipatie van vrouwen te stimuleren.
In de beleidsevaluatie van het betaald ouderschapsverlof wordt onder andere beoordeeld of en hoe het ouderschapsverlof bijdraagt aan deze doelen. Deze evaluatie zal voor de zomer worden gepubliceerd.
Bent u bereid af te zien van de verlaging van het maximumdagloon voor alle 260.000 mensen die erdoor geraakt worden, waaronder 25.000 zwangeren? Zo nee, waarom niet?
Met de plannen uit het coalitieakkoord wil het kabinet de arbeidsmarkt en sociale zekerheid toekomstbestendiger maken. Daar zijn helaas lastige keuzes bij nodig, maar ik vind het ook belangrijk dat de arbeidspositie van vrouwen niet verslechtert. Ik ben daarom bereid om te kijken naar het uitzonderen van verlofregelingen van de verlaging van het maximumdagloon. Daarbij kijk ik ook naar de uitvoerbaarheid, de huidige budgettaire kaders en de samenhang met andere uitkeringen. Deze opties wil ik eerst bespreken met sociale partners, waarna ik uiterlijk op Prinsjesdag met een voorstel kom richting de Kamer.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja, zie bijgaand.
Kent u de brief van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld van 11 februari 2026 betreffende de aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en de brief van Movisie van 20 februari 2026 en de oproep van de Emancipator?1
Ja.
Klopt het dat het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (NAP) en de functie van regeringscommissaris in 2026 wordt afgebouwd, ondanks de opgedane ervaringen en de ingezette, eenduidige aanpak? Zo ja, wat is de reden voor deze afbouw en per wanneer gaat dit in?
Het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: NAP) zou initieel eindigen in december 2025 en de termijn van de regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (hierna: RC) in medio 2025. Bij de besluitvorming over de Voorjaarsnota 2024 heeft het toenmalige kabinet besloten het NAP en de termijn van de RC te verlengen tot en met 31 december 2026 en hiervoor aanvullende middelen vrij te maken. Dit is toegelicht in de eerste suppletoire begroting OCW 2024 en daarnaast middels een persbericht bekendgemaakt2. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie heeft na overleg met de RC dit voorjaar besloten om binnen de eigen begroting aanvullende middelen vrij te maken om het bureau van de RC tot eind 2026 te financieren. Hiermee heeft de RC meer ruimte en capaciteit om haar activiteiten goed te bestendigen en over te dragen. Het kabinet kiest ervoor seksueel geweld en seksueel grensoverschrijdend gedrag te bestrijden in een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld en zal het NAP en de termijn van de RC dus niet nogmaals verlengen.
Wanneer is dit besluit genomen en hoe is de Kamer hierover geïnformeerd?
Zie antwoord vraag 2.
Heeft deze afbouw te maken met het aflopen van het Nationaal Actieprogramma en daarmee de opdracht van de regeringscommissaris? Zo ja, kan geconcludeerd worden dat het werk in voldoende mate kan worden afgerond en op grond waarvan wordt dit geconcludeerd?
Het kabinet blijft werken aan het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Het is onacceptabel dat vrouwen nog altijd niet veilig zijn in Nederland. Zoals beschreven in het coalitieakkoord kiest het hierbij voor het opstellen van een nieuw Nationaal Actieplan Stop Geweld tegen vrouwen. Dit betreft een bredere aanpak, gericht op alle vormen van geweld tegen vrouwen zoals opgenomen in het Verdrag van Istanbul. Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld worden hier nadrukkelijk onderdeel van. Het kabinet stelt een Nationaal Coördinator (hierna: NC) aan om dit actieplan te coördineren.3
Daarnaast zal het kabinet conform de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld een orgaan of organen aanwijzen voor rapportage, aanbevelingen, informatie-uitwisseling en systematische statistiekvorming.4
Met deze structuur zorgt het kabinet voor duidelijkheid, effectiviteit en samenhang in de aanpak. Wij zullen de werkzaamheden, kennis en projecten van het NAP en de RC zo goed mogelijk bestendigen in de bredere aanpak. De RC adviseert het kabinet hierover en zij stelt haar kennis en expertise beschikbaar om de overgang goed te laten verlopen.
Hoe verhoudt dit zich tot het kritische advies van GREVIO over de Nederlandse aanpak van geweld tegen vrouwen, waarin tevens wordt geconstateerd dat het Nationaal Actieprogramma en de regeringscommissaris daarvan positieve elementen zijn binnen de Nederlandse aanpak en hoe rijmt het afbouwen hiervan met dit advies en deze constatering?
Het bestrijden van geweld tegen vrouwen is een prioriteit van dit kabinet. Daarbij zullen wij ons houden aan het Verdrag van Istanbul.5 De evaluaties van GREVIO bieden waardevolle aanknopingspunten voor verbeteringen van de Nederlandse aanpak. Zo zal het kabinet conform deze aanbevelingen de coördinatie van de aanpak versterken en de verschillende geweldsvormen tegen vrouwen in samenhang bestrijden.
Hoe verhoudt deze afbouw zich tot de implementatie van het Verdrag van Istanbul en de eerder geuite kritieken vanuit de VN op de uitvoering van dit verdrag in Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Is het de bedoeling dat het Nationaal Actieprogramma en de rol van de regeringscommissaris wordt vervangen door het nieuwe programma geweld tegen vrouwen en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator (ingesteld naar aanleiding van de wens van de Kamer om geweld tegen vrouwen en femicide aan te pakken)? Zo ja, waar blijkt dat uit?
Het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijft van groot belang. Het kabinet kiest ervoor dit onderdeel te maken van een bredere aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en hierin de lessen uit het NAP mee te nemen. In het verlengde daarvan kiezen wij voor de aanstelling van een NC die dit bredere programma zal coördineren, en niet voor het nogmaals verlengen van de termijn van de RC. U bent op 18 december 2025 geïnformeerd over deze bredere aanpak en het voornemen een NC aan te stellen.6 De NC en RC zijn wezenlijk andere functies. Zij verschillen onder andere qua mandaat, opgave, inhoudelijke scope, takenpakket en benodigde competenties.
De RC is een boegbeeld van de gewenste cultuurverandering ten aanzien van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Zij is een onafhankelijk adviseur van het kabinet en aanjager van het maatschappelijk gesprek. Er is veel winst geboekt ten aanzien van het bespreekbaar maken van dit onderwerp en het vergroten van de bewustwording. Zo is zij een aanjager van het gesprek in de media en samenleving, heeft diverse producten gecreëerd die houvast geven bij het bestrijden en voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en is zij een luisterend oor en een stem voor slachtoffers. Daarnaast heeft zij een begin gemaakt met de daadwerkelijke cultuurverandering door via allianties verschillende maatschappelijke aanpakken te initiëren, bijvoorbeeld in verschillende arbeidsmarktsectoren, in het onderwijs en binnen de studentenverenigingen.
We gaan echter een volgende fase in, waarin de gegroeide bewustwording en gestarte gedragsverandering verder moet worden bestendigd. Dit wil het kabinet doen door middel van samenhangend beleid, een heldere rolverdeling en duidelijke afspraken tussen het rijk, gemeenten, maatschappelijke partners en andere betrokkenen. Er is door diverse betrokkenen, experts en belangengroepen geconstateerd dat de aanpakken van verschillende vormen van geweld tegen vrouwen momenteel versnipperd zijn en dat betere coördinatie en samenhang noodzakelijk zijn. Dit kwam ook naar voren in de gesprekken met uw Kamer en in diverse moties die u heeft ingediend. De focus van de werkzaamheden van de NC ligt op het coördineren van het opstellen en uitvoeren van een Nationaal actieplan voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld. Belangrijke taken hierin zijn: samenwerking stimuleren, afstemming verbeteren, toezien op de uitvoering, zorgdragen voor samenhang en het nakomen van afspraken. Het kabinet werkt het exacte mandaat van de NC momenteel nader uit en zal dit openbaar maken zodra dit is vastgesteld.
Bent u het met ons eens dat dit twee verschillende functies zijn? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening dat de positie van de huidige regeringscommissaris die van een onafhankelijke aanjager is terwijl de Nationaal Coördinator vanuit zijn positie zich juist ten aanzien van de ambtelijke organisatie met het coördineren van activiteiten bezig moet houden?
Zie antwoord vraag 7.
Kunt u het verschil beschrijven in positie, taken, bevoegdheden en mate van onafhankelijkheid tussen een regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld en de in het coalitieakkoord genoemde Nationaal Coördinator? Welke kerntaken moet de Nationaal Coördinator vervullen?
Zie antwoord vraag 7.
Deelt u de mening van de regeringscommissaris dat er zowel in tijd als in inhoud een gat te dreigt te vallen in de aanpak van seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld, omdat er nog geen Nationaal Coördinator is aangesteld en niet wordt benoemd in het coalitieakkoord hoe de aanpak van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag van de afgelopen jaren verankerd zal worden? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het kabinet is voornemens om de NC voor de zomer van 2026 aan te stellen. De termijn van de RC loopt tot en met 31 december 2026. Daarmee is er voldoende tijd voor een goede overdracht van kennis en expertise. Zoals toegezegd aan uw Kamer zal de NC contact hebben met de RC over een goede overdracht en bestendiging. Daarnaast zal de RC een advies uitbrengen over een goede bestendiging van het programma en haar activiteiten. Dit advies zal worden meegenomen bij het vormgeven van het nieuwe nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld.
Deelt u de opvatting dat het Nationaal Actieprogramma, dat gericht is op de onderliggende patronen van seksueel geweld en geweld tegen vrouwen, met een onafhankelijke regeringscommissaris als aanjager en boegbeeld van de maatschappelijke cultuurverandering (nog steeds) nodig is en blijft om seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld blijvend en structureel te kunnen aanpakken? Zo ja, waarom wordt de financiering van de regeringscommissaris dan afgebouwd? Zo nee, waarom deelt u die mening niet en hoe kan worden voorkomen dat wat er de afgelopen jaren door de regeringscommissaris opgebouwd is verloren gaat?
Zie antwoorden op de vragen 4, 7, 8, 9, 10 en 11.
Bent u bekend met het bericht «Reclame Code Commissie geeft pro life-organisatie «stevige tik op de vingers» vanwege misleidende abortusfolder»?1
Ja.
Hoeveel van de dertienduizend Nederlandse huisartsen die de folders hebben ontvangen, hebben deze ook geplaatst in de wachtkamer?
Het is niet bekend hoeveel huisartsen de folder in hun wachtkamer hebben neergelegd. Wel is bekend dat ongeveer vijftien huisartsen extra folders hebben aangevraagd nadat zij de «proeffolder» en brief van Kies Leven hadden ontvangen.2
Hoe reflecteert u op de uitspraak van de Reclame Code Commissie (RCC) die oordeelde dat de folders in strijd zijn met hun regels, en welke rol ziet u voor uw ministeries in het optreden tegen misinformatie en desinformatie over abortuszorg en seksuele gezondheid?
De Reclame Code Commissie heeft geoordeeld dat de folder van Kies Leven foutieve informatie bevat waarbij «je huisarts» valselijk als afzender wordt vermeld. Ook concludeert de commissie dat de folder zonder gerechtvaardigde reden appelleert aan angstgevoelens.3 Ik vind het zorgelijk en onwenselijk dat er onjuiste gezondheidsinformatie over abortus wordt verspreid en dat vrouwen ten onrechte bang worden gemaakt. De overheid kan op verschillende manieren een rol spelen om de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over (abortus)zorg en (seksuele) gezondheid te bestrijden. Dit licht ik toe in mijn antwoord op vraag 6.
Heeft u contact opgenomen met huisartsen om hen te wijzen op de misleidende informatie in deze folder? Zo nee, waarom niet en welke rol ziet u dan wel voor uzelf weggelegd in het informeren van huisartsen over misinformatie?
Ik heb regelmatig contact met de expertgroep Seksuele Gezondheid van het Nederlands Huisartsen Genootschap (SeksHAG). Informatievoorziening over abortuszorg die de huisarts kan leveren is een onderwerp dat bij deze contactmomenten vaak aan bod komt. SeksHAG heeft mij geattendeerd op de folder toen deze in februari onder huisartsen werd verspreid. SeksHAG heeft destijds zelf zijn achterban geïnformeerd.4 Ook Fiom heeft via een nieuwsartikel en een vermelding in de e-learning huisartsen gewaarschuwd.5
Heeft u ook contact gehad met de organisatie verantwoordelijk voor het verspreiden van deze folders, Kies Leven, naar aanleiding van de uitspraak van de RCC? Zo ja, wat was de aard van deze gesprekken? Zo nee, waarom niet?
Nee, ik heb geen contact opgenomen met Kies Leven naar aanleiding van de uitspraak. De Reclame Code Commissie is een onafhankelijk orgaan dat toeziet op naleving van de reclamecode. Daarmee is de Reclame Code Commissie dus de aangewezen partij om organisaties aan te spreken op uitlatingen. Dit is niet aan mij.
Bent u bereid om zich te verzetten tegen misinformatie over abortuszorg? Zo ja, welke concrete stappen neemt u hiervoor en hoe wil u in de toekomst voorkomen dat dergelijke schadelijke, onjuiste informatie wordt verspreid, zeker op een plek als de wachtkamer van de huisartsenpraktijk, waar mensen moeten kunnen rekenen op betrouwbare informatie?
Ja, ik wil de negatieve gevolgen van onjuiste informatie over onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap, abortus en anticonceptie tegengaan. Dat doe ik op verschillende manieren, zoals ik ook heb toegelicht in de beantwoording van eerdere Kamervragen.6 Ik heb bijvoorbeeld aan Fiom en Rutgers de opdracht gegeven om hier onderzoek naar te doen en te experimenteren met effectieve methodes.7 Eind 2026 leveren Fiom en Rutgers een overzicht op van geëvalueerde interventies en communicatiestrategieën. Deze kunnen daarna worden toegepast door Fiom en Rutgers en worden gedeeld met andere partijen die over abortus communiceren. Bovendien hebben Fiom en Rutgers als kennis- en expertisecentra de taak om betrouwbare informatie te verstrekken over onder andere abortus, onder meer via kennisdeling met het publiek, professionals en beleidsmakers.
Omdat onjuiste gezondheidsinformatie een complex probleem is dat speelt bij verschillende onderwerpen, werk ik hier ook breder aan. Op 18 november 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de eerste contouren van een strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.8
Vindt u het ook zorgelijk dat onafhankelijke organisaties, zoals Bureau Clara Wichmann en Stichting Fiom, juridische stappen moet nemen om een misinformatie-campagne tegen te gaan? Kunt u in het bijzonder reflecteren op de gevolgen van dergelijke misinformatie-campagnes voor huisartsen, abortusartsen en verpleegkundigen?
Ja, ik vind het betreurenswaardig dat verschillende organisaties een klacht hebben moeten indienen bij de Reclame Code Commissie om de verspreiding van foutieve informatie een halt toe te roepen. Tegelijkertijd is het goed dat er een onafhankelijke organisatie is waar men terecht kán en waar opvolging wordt gegeven aan dergelijke klachten.
Onjuiste informatie kan ervoor zorgen dat cliënten onnodig bezorgd en bang worden gemaakt. Huisartsen, abortusartsen en verpleegkundigen kunnen door misinformatiecampagnes worden geconfronteerd met onnodig angstige of anderszins emotionele cliënten. Dit kan het gesprek tussen zorgverlener en cliënt bemoeilijken. Het kan bovendien veel tijd kosten om misvattingen weg te nemen. Zorgverleners moeten kunnen rekenen op een informatieomgeving waarin betrouwbare informatie prevaleert. Daarom werk ik met de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en de bredere strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie aan het verbeteren van de informatievoorziening en het tegengaan van de negatieve gevolgen van onjuiste informatie.9
In hoeverre hebben misinformatie en desinformatie invloed op het besluit van vrouwen om al dan wel of niet te kiezen voor een abortus? Welke invloed heeft het op de keuzevrijheid van de vrouw?
Ik kan me goed voorstellen dat onjuiste informatie en misinformatie effect kunnen hebben op iemands besluitvorming. Vrouwen kunnen bijvoorbeeld gaan twijfelen en/of (te) lang de tijd nemen om te bepalen of abortus de best passende keuze is, wanneer zij worden geconfronteerd met verkeerde informatie over de medische risico’s of de emotionele impact. Gelukkig hebben vrouwen in Nederland goede toegang tot betrouwbare informatie over abortus en is abortuszorg heel toegankelijk. Ik heb geen signalen ontvangen dat mis- en desinformatie de keuzevrijheid van vrouwen of de toegang tot abortuszorg in Nederland beperken.
Welke concrete stappen zijn er ondernomen voor het tegengaan van desinformatie sinds de beantwoording van de vragen van de leden Westerveld en Pijpelink?2
Zoals ik in mijn antwoord op vraag 6 en in eerdere communicatie aan uw Kamer heb toegelicht, zijn hiervoor verschillende stappen gezet binnen de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap en de bredere strategie voor de aanpak van onjuiste gezondheidsinformatie.11 Zo heb ik Fiom en Rutgers opdracht gegeven om onderzoek te doen naar effectieve interventies om de gevolgen van desinformatie over anticonceptie, abortus en onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap tegen te gaan.
Hoeveel huisartsen hebben zich inmiddels laten scholen over de abortuspil? Wordt deze scholing nog aangemoedigd? Zo ja, op welke wijze?
Begin december 2025 hadden 510 huisartsen de scholing afgerond. De scholing wordt op verschillende manieren bij huisartsen onder de aandacht gebracht door de beroepsgroep, Fiom en maatschappelijke organisaties. Bijvoorbeeld via online kanalen of tijdens studiedagen. Zo organiseert SeksHAG fysieke opleidingsmomenten in aanvulling op de online scholing. Het is voor mij geen doel op zich om ervoor te zorgen dat zo veel mogelijk huisartsen de scholing volgen en abortuszorg aanbieden. Huisartsen mogen en kunnen hier zelf over beslissen.
Op welke wijze wordt erop toegezien dat deze folders, maar ook andere misleidende folders, niet meer terecht komen in de wachtkamers van huisartsen?
De Reclame Code Commissie heeft vastgesteld dat de folder van Kies Leven in strijd is met de Nederlandse Reclame Code. De commissie heeft Kies Leven geadviseerd de folder niet meer te verspreiden. De folder is inmiddels niet meer vindbaar via de kanalen van Kies Leven.
Huisartsenpraktijken zijn zelf verantwoordelijk voor het materiaal dat zij in hun wachtkamer aanbieden. Ze maken zelf de afweging welke informatiematerialen zij geschikt vinden. Het is niet aan de overheid om te bepalen welke specifieke folders wel of niet in wachtkamers mogen liggen. Wel werk ik aan het vergroten van de beschikbaarheid van betrouwbare informatie en het versterken van de weerbaarheid tegen onjuiste informatie, zodat zowel zorgverleners als burgers beter in staat zijn om onjuiste informatie te herkennen.
Kunt u reflecteren op de huidige staat van de keuzevrijheid van vrouwen, zeker gelet op de groeiende lobby van misinformatie?
Ik sta pal voor keuzevrijheid en het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen. Gelukkig hebben vrouwen in Nederland de vrijheid om zelf te beslissen over hun zwangerschap en hebben zij hiervoor toegang tot betrouwbare informatie. Zoals ik in mijn antwoord op vraag 8 heb toegelicht heb ik geen signalen ontvangen dat mis- en desinformatie de keuzevrijheid van vrouwen of de toegang tot abortuszorg in Nederland beperken.
Kunt u reflecteren op het breder maatschappelijk effect van misleidende campagnes, zoals de folders van Kies Leven?
Omdat zowel vrouwen als zorgverleners in Nederland – gelukkig – goede toegang hebben tot betrouwbare informatie over abortus, verwacht ik dat dergelijke campagnes, waaronder de folder van Kies Leven, geen breed maatschappelijk effect hebben. Maar ik erken dat misleidende campagnes over abortus kunnen bijdragen aan stigma. Dat zou ik betreuren, want ik wil juist stigma tegengaan en een goed gesprek over anticonceptie, kinderwens en onbedoelde zwangerschap normaliseren. Dit is een belangrijke en bestaande taak van Rutgers en Fiom, onze expertisecentra op het gebied van seksuele en reproductieve gezondheid. Zoals ik eerder aan uw Kamer heb toegelicht, heb ik hen gevraagd om hier de komende jaren meer op in te zetten.12
Op welke wijze wordt erop toegezien dat vrouwen toegang hebben tot goede, begrijpelijke informatie over abortuszorg?
De toegang tot goede, begrijpelijke informatie over abortus wordt op verschillende manieren gewaarborgd. In de Aanpak onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap staan meerdere activiteiten die toezien op informatie over verschillende keuzemogelijkheden bij een onbedoelde en/of ongewenste zwangerschap (zelf opvoeden, abortus, pleegzorg of afstand ter adoptie). Voorbeelden van deze activiteiten zijn de informatievoorziening en collectieve publiekscommunicatie door de expertisecentra Rutgers en Fiom, en het Landelijk Informatiepunt Onbedoelde Zwangerschap, waar aandacht is voor alle vier de keuzemogelijkheden en waarop mensen 24/7 toegang hebben tot de website, chat en/of telefoondienst.
Zorgverleners hebben ook een belangrijke rol in het verschaffen van betrouwbare informatie en voorlichting. Vrouwen kunnen hiervoor altijd bij hun huisarts of bij een abortuskliniek terecht. Ook online bieden zorgverleners informatie aan, zoals op thuisarts.nl en de websites van abortusklinieken. Zoals ik eerder heb aangekondigd13 zal de beroepsgroep van abortusartsen in 2026 de informatievoorziening van abortusklinieken evalueren om deze verder te verbeteren.