| Ingediend | 10 april 2026 |
|---|---|
| Beantwoord | 5 juni 2026 (na 56 dagen) |
| Indiener | Marjolein Moorman (PvdA) |
| Beantwoord door | Thierry Aartsen (VVD) |
| Onderwerpen | gezin en kinderen organisatie en beleid sociale zekerheid |
| Bron vraag | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kv-tk-2026Z07613.html |
| Bron antwoord | https://zoek.officielebekendmakingen.nl/ah-tk-20252026-2160.html |
Ja.
Voor de periode 2025 t/m 2027 is € 10,7 miljoen per jaar beschikbaar gesteld als tegemoetkoming voor de kosten die pleegouders maken voor kinderopvang3 van hun pleegkinderen4. De tegemoetkoming geldt voor alle pleegouders, ook in het vrijwillig kader, en vergoedt (deels) de eigen bijdrage na kinderopvangtoeslag. Ik begrijp de frustratie van pleegouders als zij nog geen tegemoetkoming gehad hebben, maar wel kosten maken voor de kinderopvang van hun pleegkind.
De uitkering van deze middelen verloopt via gemeenten. Het bedrag is toegevoegd aan het gemeentefonds via de algemene uitkering. Het bleek onuitvoerbaar om deze middelen direct vanuit het Rijk over te maken naar de betreffende pleegouders, of naar de pleegzorgaanbieders. De enige haalbare optie bleek om aan te sluiten bij de bestaande geldstromen binnen de pleegzorg, zoals de pleegvergoeding: van Rijk naar gemeenten, van gemeenten naar aanbieders en van aanbieders naar pleegouders.
Vanwege de systematiek van het gemeentefonds kunnen er geen sluitende afspraken gemaakt worden die garanderen dat elke euro bij pleegouders terechtkomt. Gemeenten zijn vrij in de bestedingen van de middelen. Binnen deze context span ik mij in om ervoor te zorgen dat het geld zoveel mogelijk terechtkomt bij pleegouders. Dat doe ik samen met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de pleegzorgaanbieders verenigd in Jeugdzorg Nederland (JZNL) en de vertegenwoordiging van pleegouders in de Nederlandse Vereniging voor Pleeggezinnen (NVP). Zo heeft VNG dringend geadviseerd aan haar leden deze middelen volledig te bestemmen voor de tegemoetkoming aan pleegouders5. JZNL en VNG werken in afstemming met elkaar aan communicatie richting hun achterban om de uitvoering van deze tegemoetkoming aan pleegouders zoveel mogelijk te uniformeren.
Sinds het besluit met de Voorjaarsnota 2025 om deze middelen vrij te maken heb ik samen met NVP, JZNL en VNG uitgewerkt hoe dit geld aan pleegouders uitgekeerd kon worden. Zoals in het antwoord onder 2 reeds genoemd, bleek uiteindelijk de enige haalbare optie voor de periode 2025–2027 om de middelen aan gemeenten over te maken via het gemeentefonds. Dit is in het najaar van 2025 definitief besloten. Hierdoor kon er pas laat via de landelijke partijen gecommuniceerd worden naar pleegouders waar zij zich kunnen melden om aanspraak te maken op de tegemoetkoming. De komende periode werk ik samen met NVP, JZNL en VNG aan duidelijkheid voor pleegouders, via verschillende vormen van communicatie. Pleegouders met vragen over deze tegemoetkoming kunnen zich in de tussentijd het beste melden bij hun eigen pleegzorgaanbieder.
Nee. De middelen zijn aan de algemene uitkering van het gemeentefonds toegevoegd. De verantwoordelijkheid voor de besteding en de verantwoording daarover vindt plaats op lokaal/gemeentelijk niveau. Gemeenten zijn niet verplicht om hierover ook nog specifiek informatie aan te leveren richting het Rijk, conform de interbestuurlijke verhoudingen zoals deze in ons staatsbestel zijn ingericht. Zie ook het antwoord onder vraag 2.
We weten dat er verschillende drempels zijn om pleegouder te worden en te blijven. Financiën zijn er daar een van. Ik span me samen met de sector in om zoveel mogelijk pleegouders te werven en de bestaande pleegouders te behouden – dat is cruciaal. Dit doe ik onder andere via de landelijke campagne «Jouw huis een tweede thuis», kindgerichte werving door pleegzorgaanbieders en het uitbreiden van de mogelijkheden van bijzondere kostenvergoeding naar pleegouders in het vrijwillig kader6.
Ik ben het ermee eens dat het voor pleegouders onduidelijk is hoe zij aanspraak kunnen maken op deze financiële tegemoetkoming – en dat trek ik mij aan. De aanleiding om deze middelen vrij te maken was om juist aan deze pleegouders een tegemoetkoming te kunnen bieden, omdat zij de kosten voor kinderopvang van hun pleegkinderen voor een groot deel zelf dragen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat gemeenten en pleegzorgaanbieders in de uitvoering voor een grote opgave staan om deze middelen eenvoudig maar snel bij de betreffende pleegouders te krijgen. Daarom ontwikkelen VNG en JZNL handvatten voor hun achterban. Een belangrijk onderdeel daarvan is om pleegouders duidelijkheid te bieden over hoe ze aanspraak kunnen maken.
Ik snap de wens van pleegouders. Voor de uitkering van deze middelen zijn we gehouden aan het (decentrale) jeugdstelsel, waarbij het onuitvoerbaar bleek om tot een centrale regeling te komen. Zie ook het antwoord onder vraag 2. Binnen deze context span ik me met de sector in om tot een zo uniform mogelijke uitvoering te komen, waarin pleegouders weten waar zij terecht kunnen om aanspraak te maken op een financiële tegemoetkoming. Vanwege de beperkingen van de huidige constructie onderzoekt het kabinet samen met gemeenten en de pleegzorgsector hoe pleegouders in de toekomst op dit vlak te ondersteunen.
VNG en JZNL zijn aan de slag om handvatten voor de uitvoering van deze tegemoetkoming te ontwikkelen, zoals genoemd onder vraag 6. In aanvulling op eerdere communicatie vanuit pleegzorgaanbieders richting pleegouders verwachten JZNL en VNG voor de zomer extra te communiceren over op welke wijze pleegouders aanspraak kunnen maken op de tegemoetkoming.
Ja.