Een antisemitische en geweldverheerlijkende haatdemonstratie in Utrecht |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden1 2 3 van een «demonstratie» in Utrecht waarbij personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun uniform de rol speelden van Israëlische militairen die gevangenen mishandelden en martelden en daarmee een antisemitisch bloedsprookje opvoerden? Deelt u de mening dat deze «demonstratie» niets anders was dan een antisemitische haatmanifestatie? Zo nee, hoe kwalificeert u deze «demonstratie» dan wel?
Ja, ik ben bekend met de beelden, maar kan als Minister niet oordelen over de strafbaarheid van gedragingen tijdens demonstraties. De beoordeling of uitingen of gedragingen een strafbaar of discriminerend karakter hebben, is aan de daartoe bevoegde instanties. Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk aan de rechter om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir aspect onderdeel uitmaakt van het delict.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat voorbijgangers, waaronder kinderen, ongevraagd en zonder enige waarschuwing werden geconfronteerd met deze gewelddadige en antisemitische opvoering, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat sprake was van een demonstratie? Zo nee, waarom niet?
Binnen de wettelijke kaders bestaat veel ruimte voor verschillende vormen van demonstraties, zolang deze vreedzaam verlopen. Het plegen van of aanzetten tot haat, geweld, intimidatie of discriminatie hoort daar niet bij. De beoordeling of in een specifiek geval sprake is van een strafbaar feit, is primair aan het OM en, indien een zaak aan de rechter wordt voorgelegd, uiteindelijk aan de rechter.
Was deze «demonstratie» in deze vorm vooraf aangemeld bij de burgemeester? Zo ja, is daarbij gemeld dat de demonstratie een antisemitisch karakter zou hebben en dat daarbij door personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun uniform militair geweld, mishandelingen en martelingen zouden worden uitgebeeld, welke voorwaarden zijn aan deze demonstratie verbonden en bent u van mening dat aan die voorwaarden is voldaan of dat naar zijn oordeel had moeten worden ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Utrecht heeft aangegeven dat er geen kennisgeving van deze demonstratie is gedaan en dat er anderszins ook geen contact is geweest met de organisatie over deze demonstratie.
Is onderzocht of het dragen van militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen en andere herkenningstekens, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat sprake was van een demonstratie, in strijd is met de Nederlandse wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of er in een individueel geval sprake is van een strafbaar feit. Het OM heeft mij laten weten dat er geen aangiften zijn gedaan naar aanleiding van dit incident en dat het mede daarom op dit moment geen aanleiding ziet om een onderzoek in te stellen naar de (strafbaarheid van eventuele) gedragingen.
In het algemeen geldt dat het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst of afbeelding of het roepen van leuzen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een uitingsdelict kan opleveren. Daarbij kan gedacht worden aan onder meer groepsbelediging, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en belediging. Als wordt aangespoord tot geweld, kan sprake zijn van opruiing. Voor de zomer is het wetsvoorstel dat terrorismeverheerlijking en openbare steunbetuigingen aan terroristische organisaties strafbaar stelt, ingediend bij Uw Kamer. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de (voorgenomen) strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten vrij algemeen omschreven. Deze systematiek zorgt ervoor dat per geval maatwerk kan en moet worden geleverd, waarbij het van de precieze omstandigheden van het geval afhangt of de desbetreffende uiting een strafbare uiting oplevert. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de uiting op zichzelf, maar ook hoe deze in de omstandigheden van het geval moet worden begrepen, bijvoorbeeld in het kader van een demonstratie. Ook is relevant of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van het strafbare feit.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dergelijke antisemitische en geweldverheerlijkende haatmanifestaties zich opnieuw in de Nederlandse openbare ruimte kunnen voordoen?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Demonstraties mogen echter nooit een vrijbrief zijn voor (het aanzetten tot of verheerlijken van) haat, discriminatie of geweld.
Het bericht 'Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN' |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat dergelijk tuig het stadhuis bestormt, aanwezigen aanvalt en de orde in de raadzaal verstoort? En dat dergelijk gedrag de democratische rechtsstaat ondermijnt, zeker als er geen nadere actie op wordt ondernomen?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe is het mogelijk dat een jaar nadat onder andere Extinction Rebellion het Utrechtse stadhuis heeft bestormd en doordrong tot in de raadzaal, het OM nog steeds de zaak niet heeft opgepakt, naar aanleiding van een aangifte van een raadslid?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed het gemeenteraadslid aangifte van het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aan geboden.
De keuze om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe is het mogelijk dat de politie aangeeft de zaak, waarbij meerdere verdachten in beeld zijn, te hebben verstuurd en het OM aangeeft de aangifte nooit heeft ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze zaak tot de bodem uit te zoeken en daar nader over te berichten?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt is dit inmiddels gebeurd.
Rellen op de kermis in Purmerend |
|
Geert Wilders (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op de Kamervragen naar aanleiding van de rellen op de kermis in Purmerend waarin u zei dat de huidige aanpak voldoende handvatten biedt? Hoe verklaart u dan de nieuwe massale ongeregeldheden op de kermis in Dreumel?1
Ja. Zoals eerder toegelicht bij de vragen over Purmerend is de handhaving van de openbare orde primair een verantwoordelijkheid van de burgemeester. De lokale driehoek en andere partners bereiden zich bij (grote) evenementen voor met risico-inschattingen en passende maatregelen. Ook bij Dreumel zijn lokaal maatregelen getroffen. Helaas kunnen incidenten ondanks een goede voorbereiding niet altijd volledig worden voorkomen.
Bent u nu eindelijk bereid incidenten op kermissen en volksfeesten landelijk te registreren want tot op heden had u geen overzicht van soortgelijke incidenten? Zo nee, waarom niet?
Registratie van incidenten vindt plaats binnen de bestaande systemen van politie en OM en is niet specifiek gericht op het type evenement. Een aparte landelijke registratiesystematiek past niet in de huidige werkwijze. Op dit moment zie ik geen aanleiding om hier van af te wijken.
Wanneer komt er een landelijke aanpak in plaats van alleen lokaal maatwerk na wederom grootschalig geweld waarbij opnieuw ondernemers en bezoekers de dupe zijn geworden?
Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. Landelijk ondersteunen wij de lokale inzet, zo is in 2023 een wegwijzer gemeentelijk kermisbeleid opgesteld met financiering van het Ministerie van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers. Op 2 juli 2025 heb ik de wegwijzer bij het Strategisch Beraad Veiligheid onder de aandacht gebracht. Daaruit bleek geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat bij ordeverstoringen, zoals de eerdere sluiting van de kermis in Purmerend en het afgelasten van festiviteiten door een ondernemer in Dreumel, de financiële gevolgen nu vooral voor de ondernemers zijn en niet voor de relschoppers? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de kosten zoveel mogelijk worden verhaald op de relschoppers die verantwoordelijk zijn voor deze schade?
Ja.
Een beslissing tot eventuele compensatiemaatregelen is aan het lokaal bestuur in overleg met de kermisbranche.
Wanneer komt u met landelijke maatregelen tegen notoire ordeverstoorders, zoals gebiedsverboden, betere informatie-uitwisseling en het verhalen van schade op daders?
Hiervoor verwijs ik in de eerste plaats naar mijn eerdere antwoorden op Kamervragen gesteld door u, die ik op 22 juni jl. met uw Kamer heb gedeeld. Er zijn reeds diverse instrumenten beschikbaar. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 172a van de Gemeentewet en lokale verordeningen gebiedsontzeggingen opleggen en bevelen geven ter voorkoming van ordeverstoringen. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Daarnaast is dit voorjaar het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. Het wetsvoorstel geeft de politie twee extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts voor zover dat noodzakelijk is om een ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen, te beletten of te beëindigen. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de politie en het lokaal gezag beter toe te rusten om snel over voldoende informatie te beschikken om een dreigende ernstige verstoring van de openbare orde tijdig te kunnen voorkomen, beletten of beëindigen. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De burgemeester kan de bevoegdheden alleen inzetten na een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Na deze machtiging geeft de burgemeester een bevel aan de politie, die de bevoegdheden onder zijn gezag uitvoert.
Hoeveel incidenten zijn er nog nodig voordat u erkent dat dit geen op zichzelf staande voorvallen meer zijn, maar een landelijk veiligheidsprobleem rondom kermissen en volksfeesten?
Elk incident is er één te veel. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig wordt opgetreden. Tegelijkertijd verloopt het overgrote deel van kermissen en volksfeesten ordelijk en veilig. Op dit moment is er geen aanleiding om te spreken van een landelijk veiligheidsprobleem.
Wanneer gaat u werkelijk benoemen dat dit geen «jongeren» zijn, maar allochtone jongeren, in dit geval Syriërs, variërend in leeftijden van 10 tot 20+ jaar die georganiseerd elke keer deze ellende veroorzaken?
De politie en het Openbaar Ministerie registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend kan nationaliteit worden geregistreerd, maar alleen wanneer dit noodzakelijk is voor opsporing of vervolging binnen de kaders van de wet. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. Het is aan het lokaal gezag om passende maatregelen te treffen en herhaling te voorkomen.
Kunt U deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden, aangezien het hoogseizoen voor de kermissen is en iedere dag uitstel ertoe kan leiden dat kermisondernemers opnieuw worden geconfronteerd met ordeverstoringen, schade en omzetverlies en goedwillende bezoekers niet langer de dupe zijn?
Ja.
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Annette Raijer (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. In de verdere beantwoording ga ik voor zover mogelijk nader op de gebeurtenissen in, maar wat in algemene zin in ieder geval geldt is dat het nooit de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
De politie heeft laten weten dat zij bekend zijn met het incident. Op basis van de bevindingen ter plaatse herkent de politie het beeld dat wordt geschetst echter niet als zodanig. Wel zijn er uitlatingen gedaan die de agenten ter plaatse noopten de desbetreffende personen daarop aan te spreken.
Zowel de politie als het Openbaar Ministerie (OM) hebben laten weten dat er tot op heden geen aangiftes zijn gedaan naar aanleiding van de gebeurtenissen. Er loopt op dit moment geen strafrechtelijk onderzoek. Mocht dat op enig moment toch aan de orde zijn, dan is de beoordeling van specifieke gedragingen op mogelijke strafbaarheid in eerste instantie aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. Ik zal dan ook niet verder in dit specifieke geval treden.
Wel geldt in algemene zin, zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, dat het absoluut niet de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij het uitoefenen van hun vrijheid van meningsuiting of hun vrijheid van vereniging. Natuurlijk hoort bij onze democratische rechtsstaat ook dat er ruimte moet zijn voor het laten horen van tegengeluid, maar dat mag nooit gepaard gaan met intimidatie, laat staan strafbare handelingen.
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Het is binnen onze democratische rechtsorde van belang dat eenieder zijn vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging kan uitoefenen, ongeacht politieke of ideologische inhoud – zolang dat uiteraard de grenzen van het strafbare niet overschrijdt. Dat politieke of ideologische meningen tegenreacties kunnen en mogen oproepen is evenzeer onderdeel van onze democratische rechtsorde: voor het uiten van die tegenreactie en een andere mening moet ook ruimte zijn. Ook hiervoor geldt echter dat de grenzen van het strafbare niet overschreden mogen worden: voor intimidatie of geweld is geen plek. Dat dit kan schuren of botsen is bekend; incidenten uitsluiten is onmogelijk. Wanneer daarbij verstoring van de openbare orde ontstaat is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Als er sprake is van strafbare feiten, kan door de politie onder gezag van de officier van justitie worden opgetreden.
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft geen (wettelijke) grondslag om onderzoek te doen naar organisaties of personen en zal derhalve groeperingen of individuen niet in kaart brengen. De NCTV stelt wel het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) op, waarin het actuele dreigingsniveau, trends, achtergronden en de aard van de dreiging worden beschreven. Zoals beschreven in het DTN van juni 2026 is over het algemeen de geweldsdreiging die uitgaat van de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen.2
Bij wetsovertredingen, zoals bedreigingen of geweld, kan de politie onder bevoegd gezag van het OM optreden. Op het moment dat gedragingen de lat van extremisme of terrorisme halen, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering, waar gemeenten regievoerder zijn. Personen worden opgenomen in deze aanpak aan de hand van objectieve criteria die omschreven staan in de wet. Deze criteria zijn ideologieneutraal en gaan over radicalisering en extremisme, niet over activisme. Het bespreken van personen in deze aanpak vindt plaats op lokaal niveau. Het kabinet heeft dus geen inzicht in hoeveel personen er besproken worden in de persoonsgerichte aanpak of welk gedachtegoed zij aanhangen.
Het gevraagde overzicht van incidenten in de afgelopen vijf jaar is door de politie en het OM niet te genereren, omdat er in de systemen van beide organisaties geen specifieke classificering is met betrekking tot linksextremisme.
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Rellen op de kermis in Purmerend |
|
Geert Wilders (PVV), Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Herinnert u zich uw antwoord op de Kamervragen naar aanleiding van de rellen op de kermis in Purmerend waarin u zei dat de huidige aanpak voldoende handvatten biedt? Hoe verklaart u dan de nieuwe massale ongeregeldheden op de kermis in Dreumel?1
Ja. Zoals eerder toegelicht bij de vragen over Purmerend is de handhaving van de openbare orde primair een verantwoordelijkheid van de burgemeester. De lokale driehoek en andere partners bereiden zich bij (grote) evenementen voor met risico-inschattingen en passende maatregelen. Ook bij Dreumel zijn lokaal maatregelen getroffen. Helaas kunnen incidenten ondanks een goede voorbereiding niet altijd volledig worden voorkomen.
Bent u nu eindelijk bereid incidenten op kermissen en volksfeesten landelijk te registreren want tot op heden had u geen overzicht van soortgelijke incidenten? Zo nee, waarom niet?
Registratie van incidenten vindt plaats binnen de bestaande systemen van politie en OM en is niet specifiek gericht op het type evenement. Een aparte landelijke registratiesystematiek past niet in de huidige werkwijze. Op dit moment zie ik geen aanleiding om hier van af te wijken.
Wanneer komt er een landelijke aanpak in plaats van alleen lokaal maatwerk na wederom grootschalig geweld waarbij opnieuw ondernemers en bezoekers de dupe zijn geworden?
Op grond van artikel 172 van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. Landelijk ondersteunen wij de lokale inzet, zo is in 2023 een wegwijzer gemeentelijk kermisbeleid opgesteld met financiering van het Ministerie van EZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers. Op 2 juli 2025 heb ik de wegwijzer bij het Strategisch Beraad Veiligheid onder de aandacht gebracht. Daaruit bleek geen behoefte aan aanvullende maatregelen.
Deelt u de mening dat bij ordeverstoringen, zoals de eerdere sluiting van de kermis in Purmerend en het afgelasten van festiviteiten door een ondernemer in Dreumel, de financiële gevolgen nu vooral voor de ondernemers zijn en niet voor de relschoppers? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat de kosten zoveel mogelijk worden verhaald op de relschoppers die verantwoordelijk zijn voor deze schade?
Ja.
Een beslissing tot eventuele compensatiemaatregelen is aan het lokaal bestuur in overleg met de kermisbranche.
Wanneer komt u met landelijke maatregelen tegen notoire ordeverstoorders, zoals gebiedsverboden, betere informatie-uitwisseling en het verhalen van schade op daders?
Hiervoor verwijs ik in de eerste plaats naar mijn eerdere antwoorden op Kamervragen gesteld door u, die ik op 22 juni jl. met uw Kamer heb gedeeld. Er zijn reeds diverse instrumenten beschikbaar. Zo kan de burgemeester op grond van artikel 172a van de Gemeentewet en lokale verordeningen gebiedsontzeggingen opleggen en bevelen geven ter voorkoming van ordeverstoringen. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Daarnaast is dit voorjaar het wetsvoorstel Wet gegevensvergaring openbare orde voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State voorgelegd. Het wetsvoorstel geeft de politie twee extra bevoegdheden om online gegevens te verzamelen uit publiek toegankelijke bronnen. Het gaat om het verzamelen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijke bronnen en online gegevens verzamelen van personen en hun openbare accounts voor zover dat noodzakelijk is om een ernstige verstoring van de openbare orde te voorkomen, te beletten of te beëindigen. Van deze personen moet het vermoeden bestaan dat zij een belangrijke rol spelen bij een (mogelijk) ernstige verstoring van de openbare orde. Met het wetsvoorstel wordt beoogd de politie en het lokaal gezag beter toe te rusten om snel over voldoende informatie te beschikken om een dreigende ernstige verstoring van de openbare orde tijdig te kunnen voorkomen, beletten of beëindigen. Zo kan de politie bij aanwijzingen dat rellen dreigen uit te breken de noodzakelijke gegevens online verzamelen om tijdig in te grijpen en de verstoring te voorkomen of te stoppen. De burgemeester kan de bevoegdheden alleen inzetten na een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris. Na deze machtiging geeft de burgemeester een bevel aan de politie, die de bevoegdheden onder zijn gezag uitvoert.
Hoeveel incidenten zijn er nog nodig voordat u erkent dat dit geen op zichzelf staande voorvallen meer zijn, maar een landelijk veiligheidsprobleem rondom kermissen en volksfeesten?
Elk incident is er één te veel. Ieder incident wordt serieus genomen en waar nodig wordt opgetreden. Tegelijkertijd verloopt het overgrote deel van kermissen en volksfeesten ordelijk en veilig. Op dit moment is er geen aanleiding om te spreken van een landelijk veiligheidsprobleem.
Wanneer gaat u werkelijk benoemen dat dit geen «jongeren» zijn, maar allochtone jongeren, in dit geval Syriërs, variërend in leeftijden van 10 tot 20+ jaar die georganiseerd elke keer deze ellende veroorzaken?
De politie en het Openbaar Ministerie registreren geen migratieachtergrond of verblijfsstatus van verdachten. Indien bekend kan nationaliteit worden geregistreerd, maar alleen wanneer dit noodzakelijk is voor opsporing of vervolging binnen de kaders van de wet. Deze gegevens worden dan ook niet categorisch verwerkt, omdat de verwerking niet voor alle situaties noodzakelijk zal zijn. Het is aan het lokaal gezag om passende maatregelen te treffen en herhaling te voorkomen.
Kunt U deze vragen met de grootst mogelijke spoed beantwoorden, aangezien het hoogseizoen voor de kermissen is en iedere dag uitstel ertoe kan leiden dat kermisondernemers opnieuw worden geconfronteerd met ordeverstoringen, schade en omzetverlies en goedwillende bezoekers niet langer de dupe zijn?
Ja.
Het bericht 'Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN' |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Aangifte Utrechts raadslid Yvonne Hessel tegen XR/Palliebestormers stadhuis VERDWENEN»?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het onacceptabel is dat dergelijk tuig het stadhuis bestormt, aanwezigen aanvalt en de orde in de raadzaal verstoort? En dat dergelijk gedrag de democratische rechtsstaat ondermijnt, zeker als er geen nadere actie op wordt ondernomen?
Het opzettelijk verstoren van een raadsvergadering is niet voor niets verboden. Het is immers van groot belang dat gekozen volksvertegenwoordigers hun ambt kunnen vervullen en vrij van oneigenlijke druk besluiten kunnen nemen. De Minister van BZK heeft daarom het afgelopen jaar in totaal zes miljoen euro beschikbaar gesteld om de veiligheid van openbare vergaderingen van de volksvertegenwoordiging te bevorderen.
Het is aan het Openbaar Ministerie om de afweging te maken om tot vervolging over te gaan en het is vervolgens aan de rechtspraak om te bepalen hoe de verstoring van de raadsvergadering bestraft dient te worden.
Hoe is het mogelijk dat een jaar nadat onder andere Extinction Rebellion het Utrechtse stadhuis heeft bestormd en doordrong tot in de raadzaal, het OM nog steeds de zaak niet heeft opgepakt, naar aanleiding van een aangifte van een raadslid?
Op 22 juli 2025 is aangifte gedaan tegen de personen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester (in haar rol als voorzitter van de gemeenteraad) zou terugkeren naar de raadszaal tijdens de raadsvergadering op 17 juli 2025. Een paar weken later deed het gemeenteraadslid aangifte van het verstoren van diezelfde raadsvergadering.
Dit zijn twee aparte strafbare feiten waar verschillende straffen op staan. Op het verstoren van een raadsvergadering (art. 144 Sr) staat maximaal twee weken gevangenisstraf en op de verhindering van de voorzitter om terug te keren (art. 124 Sr) staat maximaal negen jaar gevangenisstraf.
Na onderzoek heeft het Openbaar Ministerie destijds besloten alleen de personen te vervolgen die probeerden te voorkomen dat de burgemeester zou terugkeren naar de raadszaal. Onderdeel van dat besluit was de overweging om geen opsporingscapaciteit in te zetten op het identificeren van de grote groep personen die de vergadering hadden verstoord. In het opgestelde dossier was daarom niet de aangifte van mevrouw Hessel opgenomen. De communicatie hierover richting mevrouw is niet goed geweest en daardoor is verwarring ontstaan met als gevolg dat het beeld is ontstaan dat de aangifte was verdwenen.
Inmiddels is er contact geweest met mevrouw Hessel. Haar is uitleg van de situatie gegeven en namens het Openbaar Ministerie en de politie zijn excuses aan geboden.
De keuze om vier personen te vervolgen voor het verhinderen van de voorzitter om terug te keren, is gedeeld met de burgemeester. Zij is immers aangever in deze zaak. Zij heeft uiteraard geen enkele betrokkenheid gehad bij de vervolgingsbeslissing.
De vier verdachten zijn gedagvaard en de zitting zou op 24 november 2025 plaatsvinden. Door een verzoek van de verdediging van de vier verdachten, vlak vóór de zitting, is besloten om de zaak op dat moment niet inhoudelijk te behandelen en zijn de zaken van die zitting ingetrokken. De verwachting is dat binnen enkele weken nadere informatie over de voortgang bekend zal worden.
Hoe is het mogelijk dat de politie aangeeft de zaak, waarbij meerdere verdachten in beeld zijn, te hebben verstuurd en het OM aangeeft de aangifte nooit heeft ontvangen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Bent u bereid om deze zaak tot de bodem uit te zoeken en daar nader over te berichten?
Zoals uit het antwoord op vraag 3 blijkt is dit inmiddels gebeurd.
De aangekondigde sluiting van drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de brief die door de burgemeester van Dordrecht aan de gemeenteraad is gezonden waarin staat dat drie cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam worden gesloten?
Ik ben bekend met de brief van de burgemeester van Rotterdam van 10 juli 2026 waarin zij de raadscommissie Veiligheid, Bestuur en Financiën informeert over de sluiting van cellencomplexen in de politie-eenheid Rotterdam.
Hoeveel celcapaciteit verdwijnt door deze sluiting en wat betekent dit voor de totale capaciteit binnen de politie-eenheid Rotterdam?
In hoeverre leidt het sluiten van cellencomplexen ertoe dat de politie al op straat een strengere afweging maakt om iemand wel of niet mee te nemen naar het bureau?
Deelt u de mening dat het gezien de toenemende onveiligheid op straat en het opengrenzenbeleid dit een totaal onbegrijpelijke maatregel is? Zo nee, waarom niet?
Zijn er nog meer gemeenten die voornemens zijn cellencomplexen te sluiten?
De politie bouwt aan diverse nieuwe voorzieningen en dat kan gepaard gaan met vervanging van bestaande voorzieningen. Hierbij kijkt de politie naar een goede landelijke spreiding van complexen en de complexomvang. Een ander voorgenomen besluit tot afstoot betreft Assen. Dit jaar start het onderzoek naar de afwikkeling van arrestantenzaken voor de operatiën. Dit onderzoek is de basis voor een definitief besluit voor de toekomstige voorzieningen in de eenheid Noord-Nederland.
Hoe is het mogelijk dat met het huidige cellentekort, de politie-eenheid Rotterdam die beschikt over 228 cellen slechts een bezettingsgraad kent van slechts 44%?
Bent u het ermee eens dat de sluiting totaal onverenigbaar is met de maatregelen die nu al gelden om het capaciteitsvraagstuk in het gevangeniswezen te onderdrukken, zoals onder andere: het eerder heenzenden van gedetineerden en het niet oproepen van zelfmelders? De cellencomplexen binnen de politie-eenheid Rotterdam zouden de landelijke tekorten in het gevangeniswezen toch kunnen opvangen?
Hoe is het uitlegbaar aan de maatschappij dat aan de ene kant miljoenen worden geïnvesteerd om onder andere de Penitentiaire Inrichting Almere te heropenen en aan de andere kant cellencomplexen worden gesloten?
Bevoegdheden van boa's |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Klopt het dat vanuit de landelijke leiding van de Nationale Politie is gecommuniceerd naar de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht dat vanaf 1 mei 2026 er geen nieuwe handhavingsarrangementen meer worden aangegaan, in afwachting van verdere besluitvorming over de uitvoering van de herziening van het boa-stelsel?
De politie heeft mij laten weten dat er geen stop is op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. De politie benadrukt voor een gelijkwaardige en complementaire samenwerking met boa’s te staan. Wel zijn er gevallen geweest waarbij het afsluiten van dergelijke overeenkomsten tijdelijk is opgeschort omdat er over de invulling van de te maken afspraken onduidelijkheid bestond. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen, waarmee de processen voor het afsluiten van dergelijke overeenkomsten weer opgepakt kunnen worden. De politie streeft ernaar deze afspraken landelijk op een eenduidige wijze vorm te geven.
Zo ja, op welke grondslagen is dit gebaseerd? En is dit geschied in overleg met u?
In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de invulling daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen. Een algehele stop op het afsluiten van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten zou ook een zeer ongelukkige ontwikkeling zijn met het oog op de samenwerking tussen politie en boa’s en de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s. Voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s is immers een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst vereist.
In dit kader wil ik erop wijzen dat het een taak van de politie – Korpschef, als direct toezichthouder – is om toe te zien op een goede samenwerking tussen boa en politie, zowel op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (artikel 39 BBO) als de Politiewet 2012 (artikel 10 PW). Het vastleggen van samenwerkingsafspraken in een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dan ook een verdere verankering van een reeds bestaande verplichting. Binnen het boa-bestel zijn reeds veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten en ik hoop dat de partijen die dit nog niet hebben gedaan alsnog snel hun afspraken op papier zullen vastleggen. Het initiatief hiertoe ligt bij boa-werkgevers dan wel de politie. Landelijke formats voor handhavingsarrangementen voor domeinen I en II zijn beschikbaar gesteld als bijlage bij de boa-brief aan de Tweede Kamer van oktober 2025.1
Bent u het eens met de stelling dat hierdoor een situatie is ontstaan waarin werkgevers wel aan een wettelijke verplichting moeten voldoen, maar dit feitelijk niet meer kunnen, dit omdat sinds 1 mei 2026 een vastgesteld handhavingsarrangement tussen de boa-werkgever, het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie een verplichte voorwaarde is voor het aanvragen of verlengen van geweldsmiddelen?
Er is geen stop op het aangaan van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten, zoals gemeld bij vraag 1 en 2. Zoals ook staat aangegeven bij de beantwoording van vraag 2, is samenwerking tussen de boa’s en de politie reeds een wettelijk vereiste. Het doel of belang van een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dat de betrokken partijen hebben nagedacht over samenwerking en ondersteuning. Het is voor het vaststellen van een samenwerkingsovereenkomst dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te zetten. Er zijn al veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten.
Overigens, dat ook het Openbaar Ministerie, als het gezag op de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde, betrokken dient te worden bij deze afspraken heeft een praktische reden en betekent niet dat deze ook tekenende partij is bij de te maken afspraken.
Hoe is het mogelijk dat een wettelijke verplichting op dezelfde dag in werking treedt als waarop de mogelijkheid om aan die verplichting te voldoen, feitelijk wordt beëindigd?
Zie hiervoor de beantwoording bij vragen 1 en 2.
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat boa's hun geweldsbevoegdheden verliezen door een bestuurlijke impasse?
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 staat benoemd, zijn de onduidelijkheden over de invulling van de te maken afspraken weggenomen. De processen voor het aangaan van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten kunnen daarmee verder worden opgepakt. Daarmee is geen sprake van een bestuurlijke impasse.
Met de aanpassingen van de Beleidsregels boa op 1 mei van dit jaar zijn de criteria voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s aangepast. Een van de nieuwe criteria is de aanwezigheid van een handhavingsarrangement óf samenwerkingsovereenkomst met de politie. Het vereiste handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst ziet enkel op de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s, niet op de toekenning van geweldsbevoegdheden (politiebevoegdheden, artikel 7, eerste, derde en vierde lid, Politiewet 2012), opsporingsbevoegdheden of vrijheidsbeperkende middelen.
Ik wil benadrukken dat enkel voor de boa’s voor domein I, indien deze aanspraak willen maken op geweldmiddelen, een handhavingsarrangement vereist is. Dit was ook al vereist vóór de aanpassingen van de toekenningscriteria in de Beleidsregels boa. Voor de overige domeinen volstaat tevens een samenwerkingsovereenkomst. Deze samenwerkingsovereenkomsten zijn vormvrij, terwijl het in de rede ligt om voor het afsluiten van een handhavingsarrangement aansluiting te zoeken bij de eerder genoemde formats. Zoals ook bij het antwoord op vraag 2 staat aangegeven is dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te zetten; er gelden geen minimale vereisten voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst, ook niet op welk niveau deze afspraken gemaakt zouden moeten worden. Het is belangrijk om te beseffen dat er slechts een gesprek hoeft plaats te vinden tussen de boa-werkgever en de politie waarna de gemaakte afspraken worden vastgelegd. Specifieke gremia zijn dus niet nodig voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. Een samenwerkingsovereenkomst zou daarmee eenvoudiger af te sluiten moeten zijn dan een handhavingsarrangement.
Op welke termijn kunnen organisaties weer handhavingsarrangementen sluiten?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2; er worden nog altijd handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten. In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de randvoorwaarden en de inhoud daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen en gesprekken tussen partijen over het afsluiten van handhavingsarrangementen en samenwerkingsovereenkomsten kunnen weer worden voortgezet.
Welke tijdelijke oplossing wordt er geboden om de veiligheid van boa's en de continuïteit van de handhaving te waarborgen?
Er is geen stop op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. Daarmee is er geen probleem waar een tijdelijke oplossing voor moet worden geboden. Het eventueel opschorten van deze overeenkomsten als voorwaarde voor het toekennen van geweldmiddelen heeft niet de voorkeur, omdat deze overeenkomsten bijdragen aan een betere samenwerking tussen de politie en de boa. Het doel van de overeenkomsten is namelijk dat de betrokken partijen beter weten beter wat ze van elkaar kunnen verwachten. Dit zal resulteren in een zo veilig mogelijke en daarmee adequate taakuitvoering van de boa.
Een antisemitische en geweldverheerlijkende haatdemonstratie in Utrecht |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de beelden1 2 3 van een «demonstratie» in Utrecht waarbij personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun uniform de rol speelden van Israëlische militairen die gevangenen mishandelden en martelden en daarmee een antisemitisch bloedsprookje opvoerden? Deelt u de mening dat deze «demonstratie» niets anders was dan een antisemitische haatmanifestatie? Zo nee, hoe kwalificeert u deze «demonstratie» dan wel?
Ja, ik ben bekend met de beelden, maar kan als Minister niet oordelen over de strafbaarheid van gedragingen tijdens demonstraties. De beoordeling of uitingen of gedragingen een strafbaar of discriminerend karakter hebben, is aan de daartoe bevoegde instanties. Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) en uiteindelijk aan de rechter om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir aspect onderdeel uitmaakt van het delict.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat voorbijgangers, waaronder kinderen, ongevraagd en zonder enige waarschuwing werden geconfronteerd met deze gewelddadige en antisemitische opvoering, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat sprake was van een demonstratie? Zo nee, waarom niet?
Binnen de wettelijke kaders bestaat veel ruimte voor verschillende vormen van demonstraties, zolang deze vreedzaam verlopen. Het plegen van of aanzetten tot haat, geweld, intimidatie of discriminatie hoort daar niet bij. De beoordeling of in een specifiek geval sprake is van een strafbaar feit, is primair aan het OM en, indien een zaak aan de rechter wordt voorgelegd, uiteindelijk aan de rechter.
Was deze «demonstratie» in deze vorm vooraf aangemeld bij de burgemeester? Zo ja, is daarbij gemeld dat de demonstratie een antisemitisch karakter zou hebben en dat daarbij door personen in militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen op hun uniform militair geweld, mishandelingen en martelingen zouden worden uitgebeeld, welke voorwaarden zijn aan deze demonstratie verbonden en bent u van mening dat aan die voorwaarden is voldaan of dat naar zijn oordeel had moeten worden ingegrepen? Zo nee, waarom niet?
De gemeente Utrecht heeft aangegeven dat er geen kennisgeving van deze demonstratie is gedaan en dat er anderszins ook geen contact is geweest met de organisatie over deze demonstratie.
Is onderzocht of het dragen van militaire gevechtskleding met Israëlische vlaggen en andere herkenningstekens, terwijl voor omstanders niet duidelijk kenbaar was dat sprake was van een demonstratie, in strijd is met de Nederlandse wet- en regelgeving? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Het is aan het OM en vervolgens aan de rechter om te beoordelen of er in een individueel geval sprake is van een strafbaar feit. Het OM heeft mij laten weten dat er geen aangiften zijn gedaan naar aanleiding van dit incident en dat het mede daarom op dit moment geen aanleiding ziet om een onderzoek in te stellen naar de (strafbaarheid van eventuele) gedragingen.
In het algemeen geldt dat het in het openbaar tonen van een bepaald symbool, tekst of afbeelding of het roepen van leuzen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, een uitingsdelict kan opleveren. Daarbij kan gedacht worden aan onder meer groepsbelediging, het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld en belediging. Als wordt aangespoord tot geweld, kan sprake zijn van opruiing. Voor de zomer is het wetsvoorstel dat terrorismeverheerlijking en openbare steunbetuigingen aan terroristische organisaties strafbaar stelt, ingediend bij Uw Kamer. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat de (voorgenomen) strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet zodanig specifiek zijn dat bijvoorbeeld het roepen van leus X of het tonen van symbool Y telkens afzonderlijk strafbaar is gesteld. Ter verzekering van een breed toepassingsbereik zijn de uitingsdelicten vrij algemeen omschreven. Deze systematiek zorgt ervoor dat per geval maatwerk kan en moet worden geleverd, waarbij het van de precieze omstandigheden van het geval afhangt of de desbetreffende uiting een strafbare uiting oplevert. Daarbij moet niet alleen worden gekeken naar de uiting op zichzelf, maar ook hoe deze in de omstandigheden van het geval moet worden begrepen, bijvoorbeeld in het kader van een demonstratie. Ook is relevant of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het plegen van het strafbare feit.
Welke maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat dergelijke antisemitische en geweldverheerlijkende haatmanifestaties zich opnieuw in de Nederlandse openbare ruimte kunnen voordoen?
Het waar mogelijk faciliteren van een demonstratie en de beoordeling wat wel en niet nodig en mogelijk is aan (preventieve) maatregelen is aan de burgemeester. Hierover vindt afstemming plaats in de lokale driehoek. Het is een lokale aangelegenheid en de burgemeester legt daarover verantwoording af aan de gemeenteraad. Het is dan ook niet aan mij om in deze beoordeling te treden of om daarop vooruit te lopen. Demonstraties mogen echter nooit een vrijbrief zijn voor (het aanzetten tot of verheerlijken van) haat, discriminatie of geweld.
Het bericht 'Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: ‘Jullie moeten allemaal sterven, vuile fascisten’' |
|
Annette Raijer (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Letschert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Antifa belaagt rechtse studenten in Leiden: «Jullie moeten allemaal sterven vuile fascisten»» en wat is uw reactie op de in het artikel beschreven gebeurtenissen?1
Ja, ik heb kennisgenomen van het artikel. In de verdere beantwoording ga ik voor zover mogelijk nader op de gebeurtenissen in, maar wat in algemene zin in ieder geval geldt is dat het nooit de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging.
Klopt het dat leden van de Groot-Nederlandse Studentenvereniging (GNSV) in Leiden zijn omsingeld, gevolgd, geïntimideerd en bedreigd door personen die zich met Antifa identificeren, waarbij onder meer uitspraken zouden zijn gedaan als «Ik geef je een nekschot» en «jullie moeten allemaal sterven»?
De politie heeft laten weten dat zij bekend zijn met het incident. Op basis van de bevindingen ter plaatse herkent de politie het beeld dat wordt geschetst echter niet als zodanig. Wel zijn er uitlatingen gedaan die de agenten ter plaatse noopten de desbetreffende personen daarop aan te spreken.
Zowel de politie als het Openbaar Ministerie (OM) hebben laten weten dat er tot op heden geen aangiftes zijn gedaan naar aanleiding van de gebeurtenissen. Er loopt op dit moment geen strafrechtelijk onderzoek. Mocht dat op enig moment toch aan de orde zijn, dan is de beoordeling van specifieke gedragingen op mogelijke strafbaarheid in eerste instantie aan het OM en uiteindelijk aan de rechter. Ik zal dan ook niet verder in dit specifieke geval treden.
Wel geldt in algemene zin, zoals ik in het antwoord op vraag 1 al aangaf, dat het absoluut niet de bedoeling kan zijn dat mensen zich geïntimideerd voelen bij het uitoefenen van hun vrijheid van meningsuiting of hun vrijheid van vereniging. Natuurlijk hoort bij onze democratische rechtsstaat ook dat er ruimte moet zijn voor het laten horen van tegengeluid, maar dat mag nooit gepaard gaan met intimidatie, laat staan strafbare handelingen.
Welke informatie is hierover bekend bij politie en justitie en deelt u de mening dat dergelijke uitlatingen als ernstige bedreigingen strafrechtelijk onderzocht dienen te worden? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Zijn er naar aanleiding van dit incident aangiftes opgenomen, verdachten geïdentificeerd of onderzoeken gestart? Zo nee waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Kunt u tevens aangeven hoe u beoordeelt dat de betrokkenen volgens berichtgeving niet alleen bij het station werden benaderd, maar ook werden gevolgd naar de locatie van hun bijeenkomst?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat studenten, ongeacht hun politieke overtuiging, veilig moeten kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en gebruik moeten kunnen maken van hun recht op vrije meningsuiting en vereniging zonder angst voor intimidatie, geweld of doodsbedreigingen? Zo ja, welke consequenties verbindt u aan dit incident?
Het is binnen onze democratische rechtsorde van belang dat eenieder zijn vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vereniging kan uitoefenen, ongeacht politieke of ideologische inhoud – zolang dat uiteraard de grenzen van het strafbare niet overschrijdt. Dat politieke of ideologische meningen tegenreacties kunnen en mogen oproepen is evenzeer onderdeel van onze democratische rechtsorde: voor het uiten van die tegenreactie en een andere mening moet ook ruimte zijn. Ook hiervoor geldt echter dat de grenzen van het strafbare niet overschreden mogen worden: voor intimidatie of geweld is geen plek. Dat dit kan schuren of botsen is bekend; incidenten uitsluiten is onmogelijk. Wanneer daarbij verstoring van de openbare orde ontstaat is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. Als er sprake is van strafbare feiten, kan door de politie onder gezag van de officier van justitie worden opgetreden.
Worden extreemlinkse groeperingen die zich schuldig maken aan intimidatie, bedreiging, geweld of het verstoren van bijeenkomsten voldoende in beeld gebracht door politie, gemeenten en de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en kunt u daarbij aangeven hoeveel incidenten waarbij extreemlinkse activisten betrokken waren bij bedreigingen, vernielingen, geweld of verstoringen van bijeenkomsten zich in de afgelopen vijf jaar hebben voorgedaan?
De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft geen (wettelijke) grondslag om onderzoek te doen naar organisaties of personen en zal derhalve groeperingen of individuen niet in kaart brengen. De NCTV stelt wel het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) op, waarin het actuele dreigingsniveau, trends, achtergronden en de aard van de dreiging worden beschreven. Zoals beschreven in het DTN van juni 2026 is over het algemeen de geweldsdreiging die uitgaat van de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen.2
Bij wetsovertredingen, zoals bedreigingen of geweld, kan de politie onder bevoegd gezag van het OM optreden. Op het moment dat gedragingen de lat van extremisme of terrorisme halen, dan kunnen personen worden opgenomen in de lokale persoonsgerichte aanpak radicalisering, waar gemeenten regievoerder zijn. Personen worden opgenomen in deze aanpak aan de hand van objectieve criteria die omschreven staan in de wet. Deze criteria zijn ideologieneutraal en gaan over radicalisering en extremisme, niet over activisme. Het bespreken van personen in deze aanpak vindt plaats op lokaal niveau. Het kabinet heeft dus geen inzicht in hoeveel personen er besproken worden in de persoonsgerichte aanpak of welk gedachtegoed zij aanhangen.
Het gevraagde overzicht van incidenten in de afgelopen vijf jaar is door de politie en het OM niet te genereren, omdat er in de systemen van beide organisaties geen specifieke classificering is met betrekking tot linksextremisme.
Kunt u uitsluiten dat binnen universiteitssteden een klimaat ontstaat waarin rechtse of conservatieve studenten zich niet langer veilig voelen om hun politieke overtuiging uit te dragen? Zo nee, bent u bereid in overleg te treden met universiteiten en studentenorganisaties om politieke intimidatie en geweld keihard aan te pakken en de Kamer vóór het einde van het zomerreces te informeren over de uitkomsten van eventuele onderzoeken en aanvullende maatregelen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Een verkeerd uitgegeven DSJ-laptop |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Kunt u aangeven aan wie de verkeerde laptop is uitgegeven? Is dat aan de gedetineerde die zich in de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) bevindt, of is die laptop verstrekt aan de gedetineerde buiten de EBI?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. Voor meer informatie over het incident verwijs ik naar de Kamerbrief van 29 mei jl.1.
Kunt u specificeren welke informatie beschikbaar was op de verkeerd uitgegeven laptop?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek. In algemene zin kan ik zeggen dat de zogeheten DSJ-laptops uitsluitend toegang hebben tot het statisch strafdossier en over geen andere faciliteiten beschikken.
Is er een link tussen de strafzaken van beide gedetineerden? Hebben beide gedetineerden dezelfde advocaat? Of is er een zakelijke relatie tussen beide advocaten?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek.
Kunt u uitleg geven over de reguliere procedure waarbij de laptop automatisch wordt opgeschoond? Komt hier menselijk handelen aan te pas? Zo ja, wordt hier gecontroleerd welke medewerker hiervoor verantwoordelijk is?
De reguliere procedure is dat nadat een gedetineerde een dergelijke laptop heeft gebruikt, de laptop wordt uitgeschakeld. Door middel van het uitschakelen van de laptop wordt alle historie automatisch verwijderd en daarmee «geschoond». Pas daarna mag de laptop worden uitgegeven aan een andere gedetineerde. De procedure bevat controlestappen die door menselijk handelen moeten worden uitgevoerd. Dergelijke uitvoeringstaken zijn door de vestigingsdirecteur aan personeel toegewezen.
Hoe is het mogelijk dat deze laptop verkeerd is uitgegeven?
De reguliere procedure schrijft voor dat een DSJ-laptop na gebruik wordt uitgeschakeld, waardoor de historie automatisch wordt verwijderd.
Uit onderzoek naar het incident blijkt dat de procedure niet juist is gevolgd. DJI treft maatregelen om dit in de toekomst te voorkomen door extra controle in de procedure aan te brengen. Ook voert DJI daarnaast nog enkele technische verbeteringen door. Vanuit een veiligheidsoogpunt kan ik deze niet gedetailleerd delen.
Bent u voornemens de reguliere procedure aan te scherpen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Deelt u de mening dat elk incident er één te veel is en onderzocht moet worden of het fysiek inzien van strafdossiers de norm moet zijn, nu ook al in januari jongstleden een kwetsbaarheid in deze laptops werd aangetroffen? Zo nee, dan in ieder geval wel voor gedetineerden in de EBI, daar zij een extra risico vormen?
Op basis van een uitspraak van RSJ2 moeten OM en DJI bij omvangrijke dossiers digitale inzage faciliteren. Bovendien is het uitsluitend op papier verstrekken van het strafdossier bij omvangrijke dossiers niet uitvoerbaar vanwege de beheersingsproblematiek die daarbij komt kijken. Niet enkel op het gebied van logistiek (het veilig transporteren van dossier van OM naar gedetineerde, bij overplaatsingen en bij beëindiging van inzage) maar ook op het gebied van informatieveiligheid en fysieke veiligheid (denk aan brandlast op cel).
Voor wat betreft de geconstateerde kwetsbaarheid in deze laptops in januari jl. kan ik stellen dat door een fout in de instelling van de software er een kans bestond dat de toegang tot het internet niet volledig was afgesloten. Om deze kwetsbaarheid te herstellen zijn alle laptops die in bruikleen waren gesteld direct ingenomen. Uit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn gevonden dat gedetineerden van deze kwetsbaarheid gebruik hebben gemaakt.
Om dit in de toekomst te voorkomen zijn de er aanvullende veiligheidsmaatregelen getroffen op het gebied van het testen en controleren van de apparatuur.3
Het bericht ‘Tientallen jongeren vallen politie aan op kermis Purmerend’ |
|
Ráchel van Meetelen (PVV), Marjolein Faber (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Herbert , David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de ernstige ongeregeldheden rondom de kermis in Purmerend waarbij politie en hulpdiensten zijn belaagd met stenen en vuurwerk?1
Ja.
Klopt het dat er signalen bekend waren dat groepen zogenoemde «jongeren», waaronder personen uit Amsterdam en Zaandam, naar Purmerend zouden komen met de bedoeling om confrontaties en ongeregeldheden te veroorzaken? Zo ja, sinds wanneer waren deze signalen bekend?
Op grond van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de handhaving van de openbare orde. De beoordeling van risico’s en de inzet van maatregelen vindt dan ook plaats op lokaal niveau. De onderstaande inhoudelijke antwoorden zijn tot stand gekomen in afstemming met de gemeente Purmerend, de politie en het Openbaar Ministerie.
Door de gemeente is aangegeven dat voorafgaand aan en gedurende de kermis signalen zijn gedeeld – en besproken – tussen gemeente, politie, jongerenwerk en veiligheidspartners. Zoals gebruikelijk bij grote evenementen. Daarbij zijn ook signalen uit andere gemeenten meegenomen. Deze signalen waren echter niet concreet als het gaat om aantallen, samenstelling, exacte aankomstlocaties of voorgenomen gedragingen van specifieke personen of groepen. Er was zodoende geen concrete informatie die aanleiding gaf om gericht tegen specifieke personen of groepen op te treden.
Welke concrete maatregelen zijn vooraf genomen door politie, handhaving en het lokaal gezag om deze aangekondigde ongeregeldheden te voorkomen?
Zoals ook bij de beantwoording van vraag 2 is aangegeven is de inzet van maatregelen ter handhaving van de openbare orde een lokale aangelegenheid.
Gemeente en politie geven in casu aan dat van aangekondigde ongeregeldheden geen sprake is geweest. Zoals ook aangegeven in het antwoord op vraag 2 waren de signalen niet concreet. Wel zijn voorafgaand aan de kermis, zoals gewoonlijk, de inzet en aandachtpunten met alle betrokken (veiligheids)partners afgestemd. Er is, zoals bij elke editie, een dagelijkse multidisciplinaire veiligheidsbriefing ingepland, er vond live cameratoezicht plaats vanuit de commandopost, bus- en treinstations zijn gemonitord en er zijn waar nodig bestuurlijke maatregelen getroffen, waaronder het opleggen van verblijfsontzeggingen met een bijbehorend handelingskader. Verder is gedurende de avond actief gemonitord en ingezet op voorkoming van groepsvorming en mogelijke ordeverstoringen.
Waarom is er kennelijk niet voorkomen dat relschoppers zich konden verzamelen en ernstige wanordelijkheden konden veroorzaken in de nabijheid van een evenement waar veel gezinnen en kinderen aanwezig waren?
Ondanks de omvangrijke voorbereiding en intensieve inzet van alle betrokken partners kunnen incidenten in de openbare ruimte niet altijd volledig worden voorkomen. Gedurende de avond zijn groepen jongeren fysiek actief gemonitord door politie, handhaving, jongerenwerk en beveiliging. Toen sprake was van ordeverstoringen heeft de politie opgeschaald en is opgetreden om verdere escalatie te voorkomen en reguliere bezoekers zoveel mogelijk te scheiden van de ongeregeldheden. Daarbij is uiteindelijk besloten de kermis een half uur eerder te sluiten om de openbare orde te herstellen en verdere risico’s voor bezoekers te beperken.
Hoeveel personen zijn aangehouden naar aanleiding van deze ongeregeldheden? Kunt u daarbij aangeven hoeveel van hen minderjarig zijn en hoeveel reeds eerder met politie of justitie in aanraking zijn geweest?
Er zijn geen aanhoudingen verricht en het onderzoek is inmiddels gesloten.
Klopt het dat de kermisexploitanten en bezoekers zelf geen rol hebben gespeeld bij de ongeregeldheden? Zo ja, waarom is er dan voor gekozen juist de kermis eerder te sluiten?
Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Purmerend geeft aan dat het zich realiseert dat het eerder sluiten van de kermis maatregel een grote impact heeft gehad op bezoekers en ondernemers en betreurt dat ten zeerste. Er zijn geen aanwijzingen dat kermisexploitanten betrokken zijn geweest bij de ongeregeldheden. Het overgrote deel van de bezoekers heeft de kermis op een normale en positieve manier bezocht. De beslissing om de kermis eerder te sluiten is echter genomen op advies van de politie en diende uitsluitend het belang van de openbare orde en veiligheid. Daarbij is nadrukkelijk gekeken naar het voorkomen van geweld en herhaling van escalaties en het beschermen van bezoekers, ondernemers, hulpdiensten en medewerkers. Door de kermis eerder te sluiten kon de openbare orde op het kermisterrein weer worden hersteld, kon de politie zijn inzet richten op de ordeverstoorders en werd herhaling op de zaterdag uitgesloten. De maatregel is nadrukkelijk niet gericht tegen bezoekers of exploitanten, maar bedoeld om escalatie en veiligheidsrisico’s te voorkomen.
Deelt u de mening dat het onacceptabel is dat ondernemers, gezinnen en goedwillende bezoekers de dupe worden van het gedrag van relschoppers en straatterroristen?
Ja.
Hoe beoordeelt u het besluit om de kermis reeds om 21.00 uur te sluiten terwijl omliggende horeca en fastfoodzaken niet noodzakelijkerwijs aan dezelfde beperkingen werden onderworpen?
De burgemeester heeft, na samenspraak in de lokale driehoek, het besluit genomen om de kermis de dag na het incident in zijn gemeente om 21:00 uur te sluiten. Dit besluit heeft hij genomen op basis van voorliggende informatie en afweging van risico’s.
Is er sprake van economische schade voor de betrokken exploitanten als gevolg van het vervroegd sluiten van de kermis? Zo ja, bent u bereid in overleg te treden met de gemeente Purmerend over compensatie voor gedupeerde ondernemers?
Er zal helaas zeker sprake zijn van economische schade voor de betrokken ondernemers. Een beslissing tot eventuele compensatie hiervoor is aan het lokale bestuur in overleg met de kermisbranche.
Deelt u de opvatting dat relschoppers die politie en hulpdiensten aanvallen keihard aangepakt dienen te worden, bijvoorbeeld door middel van gebiedsverboden, snelrecht en het verhalen van schade op daders?
De burgemeester kan op basis van relevante feiten en omstandigheden besluiten tot het opleggen van gebiedsverboden. Ook de officier van justitie kan op basis van relevante feiten, omstandigheden en bewijzen besluiten tot vervolging van personen. Daarbij kan eventueel schadevergoeding worden gevorderd.
Bent u bereid te onderzoeken in hoeverre georganiseerde groepen via sociale media, waaronder drillrap-netwerken, betrokken waren bij het mobiliseren van personen voor deze ongeregeldheden?
Wanneer tijdens een politieonderzoek feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de politie de mogelijk invloed van georganiseerde groepen via sociale media betrekken.
Hoe vaak hebben zich in de afgelopen drie jaar vergelijkbare incidenten voorgedaan rondom kermissen, volksfeesten of andere publieke evenementen waarbij groepen relschoppers van buiten de gemeente doelbewust samenkwamen? En hoe vaak waren de ondernemers en bezoekers gedupeerd met vervroegde of aangepaste sluitingen?
Hier heb ik geen overzicht van.
Welke aanvullende maatregelen gaat u nemen om te voorkomen dat traditionele Nederlandse evenementen opnieuw doelwit worden van geweldplegers en georganiseerde overlastgroepen?
Naar aanleiding van een toezegging tijdens het Kamerdebat Toerisme en Recreatie van 11 mei 2022 heeft de Minister van Economische Zaken in samenwerking met de kermissector en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een handreiking voor de kermissector ontwikkeld. Deze is in oktober 2023 gepubliceerd. Hiermee worden gemeenten ondersteund bij het organiseren van een kermis en in de samenwerking met onder meer exploitanten en omwonenden. In deze handleiding staan ook enkele voorbeelden en overwegingen hoe om te gaan met overlast en geweldplegers.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het artikel 'VIDEO - ‘Jodenjager Ajax-Maccabi’ webcamt vanuit gevangenis: ‘We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg’' |
|
Maikel Boon (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Jodenjager Ajax-Maccabi» webcamt vanuit gevangenis: «We joegen op ze, Joden verkrachten kinderen en rennen weg»»1?
Ja.
Klopt het dat de man die in de video te zien is betrokken was bij de Jodenjacht rond Ajax – Maccabi Tel Aviv in Amsterdam op 7 november 2024?
Ik ga niet in op individuele casuïstiek en de identiteit van personen.
Klopt het dat deze persoon ten tijde van het videogesprek in detentie verbleef, zoals hij zelf beweert in de video? Zo ja, welke concrete maatregelen en sancties zijn tegen deze persoon getroffen?
De Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) heeft naar aanleiding van de video de beelden nader bestudeerd. Op basis van de beelden is het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting (PI). In zijn algemeenheid kan ik aangeven dat indien er een telefoon (of andere contrabande) wordt aangetroffen in een Nederlandse PI – die herleidbaar is tot een gedetineerde – de vestigingsdirecteur beslist welke disciplinaire straf wordt opgelegd. Er kan dan sprake zijn van plaatsing in een strafcel, het beperken van bezoekrechten, uitsluiting van deelname aan activiteiten en het intrekken van verloven. In regimes waar het Toetsingskader promoveren en degraderen geldt, kan de gedetineerde gedegradeerd worden naar het basisprogramma. In regimes waar het toetsingskader niet geldt wordt op maat gesanctioneerd.
Indien deze persoon daadwerkelijk gedetineerd was: hoe is het mogelijk dat hij vanuit detentie toegang had tot een webcam- of chatplatform en van daaruit antisemitische uitingen kon verspreiden?
Zie het antwoord op vraag 3. Op basis van de beelden stelt DJI dat de beelden niet in een Nederlandse penitentiaire inrichting zijn opgenomen.
Deelt u de mening dat het volstrekt onacceptabel is dat iemand die betrokken was bij antisemitisch geweld vanuit detentie opnieuw antisemitische haat kan verspreiden?
Ja, het verspreiden van antisemitische of andere discriminerende opmerkingen, al helemaal vanuit detentie, is uit den boze.
Hoe kan het dat iemand die openlijk oproept tot Jodenhaat, trots zegt op Joden te hebben «gejaagd» en vanuit detentie opnieuw antisemitische propaganda verspreidt, überhaupt in aanmerking komt voor fasering, verlof of andere vrijheden?
Zoals in de beantwoording van vraag 3 is aangegeven, acht DJI het zeer onwaarschijnlijk dat de video afkomstig is uit een Nederlandse penitentiaire inrichting. Ik kan in algemene zin wel aangeven hoe wordt omgegaan met detentiefasering: het geleidelijk verlenen van meer externe vrijheden om zo te werken aan terugkeer in de samenleving. Hierbij kan gedacht worden aan verlof. DJI besluit omtrent het verlenen van verlof op basis van adviezen van de politie, het openbaar ministerie en de reclassering. Daarnaast kan er gedacht worden aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Hiertoe beslist het Openbaar Ministerie op basis van onder meer adviezen van de directeur van de penitentiaire inrichting en de reclassering, informatie van slachtoffers en andere relevante personen en eventuele informatie van het CJIB). In algemene zin wordt bij beslissingen over vrijheden onder meer het gedrag tijdens detentie betrokken als een van de criteria op basis waarvan een besluit wordt genomen. Dat geldt ook voor eventuele risico’s die worden gezien bij een mogelijke terugkeer in de samenleving. Zo wordt er gekeken naar het recidiverisico en het risico op verstoring van de openbare orde en veiligheid als de vrijheden worden verleend. Daarnaast worden ook de belangen van slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Indien bijvoorbeeld risico’s bij terugkeer, met name ten aanzien van slachtoffers of andere beschermingsbehoeftige personen, niet voldoende kunnen worden beperkt en beheerst – ook niet met bijzondere voorwaarden zoals contact- of locatieverboden – wordt afgezien van het verlenen van vrijheden.
Bent u bereid ervoor te zorgen dat veroordeelde daders van antisemitisch geweld die vanuit detentie opnieuw antisemitische haat verspreiden of openlijk aanhangen, niet in aanmerking komen voor versoepeling van hun detentie, fasering, verlof of voorwaardelijke invrijheidstelling? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
De toepassing van snelrecht bij Azc-demonstrant en niet bij A12-bezetter |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Azc-demonstrant snel berecht, A12-bezetter niet: wanneer wordt supersnelrecht ingezet»?1
Ja.
Hoe vaak werden er in de afgelopen drie jaar strafzaken afgedaan via snelrecht of supersnelrecht? En voor verdenking van welke strafbare feiten werd (super)snelrecht ingezet?
In de afgelopen drie jaar zijn in totaal 25181 zaken afgedaan via (super)snelrecht. Het gaat hierbij om vermogensdelicten, misdrijven tegen openbare orde en gezag, geweldsdelicten, verkeersdelicten, drugsdelicten, wapenmisdrijven, overige misdrijven uit het Wetboek van strafrecht en misdrijven uit andere wetten.
Waarom worden strafzaken tegen azc-demonstranten wel afgedaan via het (super)snelrecht en niet bij A12-bezetters? De zes bestuurders die de A12 blokkeerden leenden zich toch ook voor (super)snelrecht nu zij op heterdaad werden betrapt? En hoe zit dat met de A12-bezetters, zij werden door de politie verwijderd van de snelweg, dan was het bewijs toch ook direct voorhanden?
De inhoud van de boodschap van demonstranten speelt geen rol bij de wijze van afdoening van strafbare feiten. (Super)snelrecht is een versnelde wijze van afdoen waarbij de verdachte al binnen enkele dagen voor de rechter verschijnt. Deze vorm van afdoeding wordt gebruikt voor eenvoudige zaken (als bedoeld in art 368 Wetboek van Strafvordering) waarbij het bewijs snel beschikbaar moet zijn. Daarnaast moet het dossier voldoende duidelijk, eenvoudig én compleet te zijn. Alhoewel de verdachte niet hoeft in te stemmen met de toepassing van (super)snelrecht, moeten de rechten van de verdachte in voldoende mate worden gewaarborgd. Voor de toepassing van (super)snelrecht moet dus aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Daarom kan het voorkomen dat bij sommige voorvallen (super)snelrecht wél en bij andere (vergelijkbare) voorvallen (super)snelrecht niet kan worden toegepast. Zelfs komt het voor dat ten aanzien van verdachten die allen betrokken zijn bij hetzelfde voorval, voor de ene verdachte (super)snelrecht wél mogelijk is en voor de andere niet.
Deelt u de mening dat het er sterk op lijkt dat het Openbaar Ministerie en de rechter de azc-demonstraties de kop wil indrukken, aangezien (super)snelrecht voornamelijk wordt ingezet voor het maken van een statement?
Zoals in het antwoord op vraag 3 is toegelicht, is de toepassing van (super)snelrecht afhankelijk van de omstandigheden. Het OM en de rechter behandelen personen die strafbare feiten plegen niet verschillend op basis van het onderwerp van de demonstratie.
Bent u bekend met het bericht «Ervaringen ingezetenencriterium»?1
Ja.
Hoe kan het dat ondanks het i-criterium, welke sinds 1 januari 2013 deel uitmaakt van de Opiumwet en gemeentes verplicht dit in het lokale beleid op te nemen, er nog steeds gemeentes zijn die deze plicht verzaken?
Op 1 januari 2013 werd het landelijk ingezetenencriterium (i-criterium) ingevoerd door opneming daarvan in de Aanwijzing Opiumwet van het Openbaar Ministerie (OM).
Het lokale bestuur stelt het lokale coffeeshopbeleid vast en voert daarop de regie. Burgemeesters zijn niet verplicht het landelijk i-criterium over te nemen in hun beleid en erop te handhaven, maar veel gemeenten hebben dit wel gedaan. Indien dit wordt opgenomen in het lokale beleid, kan bestuursrechtelijk worden gehandhaafd. Daarnaast kan het OM strafrechtelijk handhaven bij overtreding van dit criterium. Een verplichting daartoe bestaat niet: op grond van het opportuniteitsbeginsel komt het OM beleidsvrijheid toe om te bepalen welke zaak wordt opgepakt en welke niet.
De lokale driehoek (burgemeester, OM en politie) vult het beleid concreet in en stelt prioriteiten bij de handhaving. De gedachte hierbij is dat de uitvoering van het beleid lokaal maatwerk dient te zijn, zodat er aansluiting is met de dagelijkse praktijk in de betreffende gemeente. Afstemming over lokaal maatwerk vindt tevens plaats in de lokale driehoek. In afstemming met het OM en politie, en in lijn met het lokale coffeeshop- en/of veiligheidsbeleid, beslist de burgemeester dus over het wel of niet opnemen van het i-criterium in het lokale beleid en de prioriteit die hieraan al dan niet moet worden gegeven.
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat gemeentes die het i-criterium wel in hun lokale beleid hebben opgenomen dit niet handhaven? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Nee, ik vind dat niet onacceptabel of een vorm van ondermijning van de rechtsstaat. De prioritering van de handhaving op het i-criterium wordt bepaald binnen de lokale driehoek. Deze partijen hebben immers het beste zicht op de veiligheid in de gemeente en welke inzet daarvoor nodig is. Het blijkt bovendien dat handhaving van het criterium in de ene gemeente een heel ander effect kan hebben dan in de andere gemeente. Handhaving van het criterium kan bijvoorbeeld ook voor meer overlast zorgen. Om die reden vind ik het passend, en zeker geen vorm van ondermijning, dat de afweging of het I-criterium wordt gehandhaafd op lokaal niveau wordt bezien.
Is het gedogen van eerdergenoemd gedrag door gemeentes geen vorm van ondermijning van de rechtsstaat? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke actie gaat u hierop ondernemen?
Zie antwoord vraag 3.
Als de overheid zich al niet houdt aan wet- en regelgeving, wat verwacht u dan van de burger? Is dit geen fout voorbeeld?
Nee, ik vind dit geen verkeerd voorbeeld. Er is immers geen sprake van overtreding van de wet- en regelgeving door de overheid, maar juist van een fijnmazige afweging wanneer wel of niet wordt gehandhaafd op deze specifieke regel. Daarmee wordt recht gedaan aan de uiteenlopende effecten die handhaving van dit criterium in de concrete, lokale praktijk kan hebben.
Wekt het niet uitvoeren en handhaven van het i-criterium het wiettoerisme, met de bijbehorende overlast, niet in de hand?
Zoals blijkt uit het onderzoek van Breuer&Intraval wordt in 25 gemeenten (24%) het i-criterium met lage prioriteit gehandhaafd.2 Het is niet onderzocht of het beperkt of niet handhaven op het i-criterium leidt tot meer drugstoerisme en/of overlast. Uit het onderzoek blijkt wel dat deze gemeenten geen actief toezicht houden, omdat (problematisch) drugstoerisme juist ontbreekt. Handhaving vindt in deze gemeenten meestal plaats bij signalen van overlast.
De toename van eerwraak in Nederland |
|
Marjolein Faber (PVV), Marina Vondeling (PVV), Geert Wilders (PVV) |
|
Bart van den Brink (CDA), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het ermee eens dat eerwraak onacceptabel is?
Ja, eerwraak is onacceptabel. Het is een misdrijf dat binnen ons Wetboek van Strafrecht strafbaar wordt gesteld als (poging tot) moord of doodslag.
Welke prioriteit geeft de politie aan dergelijke zaken? Aan hoeveel meldingen van eerwraak wordt opvolging gegeven binnen de strafrechtsketen?
Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven, wordt eerwraak binnen ons Wetboek van Strafrecht gekwalificeerd als moord of doodslag. Beide vallen onder de zwaarste categorie geweldsdelicten en hebben altijd prioriteit bij de politie. Bij het vervolgen van moord- of doodslagzaken wordt niet apart geregistreerd op eerwraak. Of een eermotief een rol heeft gespeeld bij de gepleegde moord of doodslag blijkt veelal uit de feiten en omstandigheden van de zaak, voor zover de strafrechter deze context tot uitdrukking brengt in het vonnis dan wel arrest.
Bent u het ermee eens dat eerwraak uitzetting tot gevolg moet hebben, niet alleen de dader maar ook het hele gezin?
Eerwraak is een ernstig misdrijf en als het mogelijk is, zal de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Daarbij is het kabinet gehouden aan geldende wet- en regelgeving. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke gerechtelijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Alleen de dader kan het land worden uitgezet; wanneer gezinsleden geen strafbaar feit hebben gepleegd, is er geen reden om hen uit te zetten.
Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen (asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije) moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Bent u het ermee eens dat eerwraak een cultureel probleem is en haaks staat op het eigen kabinetsbeleid van tolerantie?
Ja. Het kabinet onderkent dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader.
Wilt u een overzicht verstrekken en daarbij het volgende opnemen: het aantal meldingen uitgesplitst naar strafbaar feit met daarin een onderverdeling van het aantal daders uitgesplitst naar land van herkomst?
De politie registreert zaken waarbij mogelijk sprake is geweest van eerwraak niet aan de hand van de gevraagde gegevens.
Bent u het ermee eens dat de islam hier een duidelijke rol inspeelt en botst met de westerse democratie? Bent u het ermee eens dat de ongebreidelde asielinstroom uit veelal islamitische landen een directe oorzaak vormt van de toename van deze misdrijven in Nederland? Zo ja, wanneer gaat u eindelijk een asielstop en een stop op nareis invoeren?
De context van eergerelateerd geweld is complex. Verschillende thema’s zoals cultuur, familie, genderverhoudingen, mensenrechten, migratie, integratie en religie zijn relevant binnen de aanpak. Het uitlichten van slechts één van die thema’s, zoals religie, doet geen recht aan een constructieve aanpak van eergerelateerd geweld en kan bovendien stigmatiserend werken.1
Zoals in het antwoord op vraag 4 aangegeven onderkent het kabinet dat eergerelateerd geweld vaak een culturele achtergrond kent die regelmatig een oorsprong heeft in het herkomstland van de dader. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Bent u bekend met het bericht «Meer besneden meisjes en vrouwen in Nederland, duizenden meisjes lopen risico op genitale verminking»?1
Ja.
Vindt u het acceptabel dat genitale verminking van meisjes en vrouwen in Nederland de laatste vijf jaar niet gedaald is maar juist gestegen en beseft u zich dat deze barbaarse islamitische praktijken het rechtstreekse gevolg is van de ongecontroleerde massa immigratie?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Het kabinet zet zich onverminderd in om deze praktijk te voorkomen en te bestrijden.
Uit het onderzoek van Pharos blijkt dat het geschatte aantal meisjes en vrouwen in Nederland dat VGV heeft ondergaan licht is gestegen: van ongeveer 41.000 in 2018 naar ongeveer 43.000 in 2023. De stijging hangt vooral samen met demografische ontwikkelingen en met een verfijning in de onderzoeksmethode. Er wonen meer meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig zijn uit landen waar VGV voorkomt. Daarnaast zijn in het huidige onderzoek alle meisjes en vrouwen uit Irak meegenomen. In de studie uit 2018 werden alleen meisjes en vrouwen uit de Koerdisch Autonome Regio in Irak meegenomen. Deze aanpassing vergroot de onderzoekspopulatie en heeft daarmee invloed op de schatting. Het is belangrijk te benadrukken dat het onderzoek werkt met schattingen en niet met exacte aantallen. De onderzoekers passen prevalentiecijfers uit landen van herkomst toe op de populatie meisjes en vrouwen in Nederland die afkomstig is uit landen waar VGV voorkomt. Als deze populatie groeit, kan ook het geschatte aantal meisjes en vrouwen met VGV toenemen.
De onderzoekers geven aan dat deze stijging niet betekent dat VGV vaker in Nederland wordt uitgevoerd. Er zijn geen signalen dat VGV na migratie in Nederland plaatsvindt. Veel vrouwen en meisjes die in de schatting zijn meegenomen, hebben VGV al vóór hun komst naar Nederland ondergaan.
Verder laat het onderzoek zien dat het geschatte aantal meisjes dat in de komende twintig jaar reëel risico loopt is gedaald: van ongeveer 4.190 in 2018 naar ongeveer 2.606 in 2023. Volgens de onderzoekers hangt deze daling vooral samen met een verfijning van het rekenmodel, waarin rekening wordt gehouden met veranderende opvattingen na migratie en vooral het lagere risico onder de tweede generatie. Dit duidt erop dat preventie en bewustwording effect hebben.
VGV komt wereldwijd voor in verschillende landen en gemeenschappen en is niet exclusief verbonden aan één religie of herkomst. Vrouwelijke genitale verminking wordt niet veroorzaakt door immigratie, maar komt voort uit sociale normen, culturele opvattingen (over vrouwelijkheid, huwelijk, seksualiteit en sociale acceptatie) en tradities, en sociale verwachtingen die daaruit voortkomen. Mensen handelen niet enkel op basis van persoonlijke overtuigingen maar ook vanuit normen en verwachtingen vanuit de gemeenschap of familie. Pharos merkt op dat deze normen in veel landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt veranderen, onder meer na migratie en onder invloed van onderwijs, wetgeving, preventie en bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Dreigende vrouwelijke genitale verminking kan reden zijn om asielbescherming te bieden. Op die wijze kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Vrouwelijke genitale verminking is in Nederland strafbaar als een vorm van mishandeling.
Hoeveel gevallen van genitale verminkingen van meisjes en vrouwen vonden er in de laatste vijf jaar binnen Nederland plaats en hoeveel in het buitenland?
Op basis van signalen van professionals en beschikbare kennis stelt Pharos dat VGV in Nederland zelf niet wordt uitgevoerd. Voor meisjes bestaat het risico om tijdens verblijf in het buitenland te worden besneden. Op dit moment doet Pharos een uitvraag onder professionals met de vraag in hoeverre zij te maken hebben gehad met minderjarige meisjes die in Nederland wonen of onder Nederlands recht vallen, en van wie zij wisten of vermoedden dat zij na migratie zijn besneden. Uit een tussentijdse analyse onder bijna 250 professionals, zoals JGZ-professionals, huisartsen en gynaecologen, komen tot nu toe geen bevestigde gevallen naar voren van meisjes die na migratie, terwijl zij in Nederland woonden, zijn besneden. Het is mogelijk dat vrouwen en meisjes in landen van herkomst slachtoffer zijn geworden van vrouwelijke genitale verminking en op latere leeftijd naar Nederland verhuizen.
In Nederland wordt daarom vooral ingezet op preventie en voorlichting, onder andere via de jeugdgezondheidszorg, zorg en ondersteuning voor slachtoffers, en samenwerking met betrokken gemeenschappen, sleutelpersonen en ketenpartners. De verklaring tegen meisjesbesnijdenis kan aan ouders worden meegegeven als zij afreizen naar het land van herkomst. Deze verklaring is beschikbaar in acht talen en bevat informatie over hoe schadelijk meisjesbesnijdenis is en dat dit strafbaar is in Nederland.
UNICEF schat dat op dit moment ten minste 230 miljoen meisjes en vrouwen in 31 landen leven met de gevolgen van VGV. In de afgelopen tien jaar is het percentage meisjes van 15 tot 19 jaar dat de praktijk heeft ondergaan gedaald van 41 procent naar 34 procent (UNICEF, 2025). Nederland ondersteunt partners die schadelijke praktijken zoals VGV tegengaan, zoals via het Future4Binti programma (2026–2030) in Oost-Afrika.
Vindt u het acceptabel dat hulpverleners en dokters terughoudend zijn om het gesprek aan te gaan uit «angst om culturele grenzen te overschrijden»? Zo nee, wat gaat u hiertegen ondernemen?
Het is van groot belang dat professionals het gesprek over VGV tijdig en zorgvuldig aangaan wanneer er signalen of risico’s zijn. Terughoudendheid die de bescherming van meisjes in de weg staat is niet wenselijk. Het uitgangspunt is dat signalen van mogelijke VGV altijd serieus worden genomen en dat professionals weten hoe zij, met oog voor culturele sensitiviteit én de veiligheid van het kind, het gesprek kunnen voeren en passende stappen kunnen zetten. Om die reden wordt ingezet op het versterken van de deskundigheid en het handelingsperspectief van professionals, onder andere via richtlijnen, training en voorlichting. De Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling biedt professionals een stappenplan om signalen van onder andere VGV zorgvuldig te beoordelen en hierop te handelen. Daarnaast zijn er diverse trainingen gericht op gespreksvoering beschikbaar en wordt een richtlijn ontwikkeld voor de Jeugdgezondheidszorg waarin handvatten voor professionals zijn opgenomen.
Hoeveel meldingen zijn er de laatste vijf jaar gedaan door hulpverleners en dokters vanwege vermoeden van genitale verminking van meisjes en vrouwen en is hier ook sprake van terughoudendheid? Deelt u de mening dat artsen en schooldokters een meldplicht zouden moeten hebben?
Er zijn geen landelijke cijfers over het aantal meldingen van vermoedens van VGV in de afgelopen vijf jaar. Dit kan onder meer samenhangen met de verborgen aard van VGV en het feit dat VGV vaak in het buitenland plaatsvindt. Als (zorg)professionals in Nederland een slachtoffer zien dat al VGV heeft ondergaan, wordt veelal ingezet op ondersteuning en hulp van het slachtoffer in plaats van melden bij Veilig Thuis.
Het kabinet is niet voornemens om een meldplicht in te stellen, een meldplicht kan juist averechts werken en een drempel vormen om hulp te zoeken. In Nederland wordt gewerkt met de Meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, die professionals ondersteunt bij het signaleren en beoordelen van signalen om zo de nodige passende stappen te zetten. Bij signalen van vrouwelijke genitale verminking is het belangrijk dat professionals contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is aan organisaties om kennis en kunde over de meldcode onder werknemers blijvend te bevorderen. In de meldcode is opgenomen dat bij acuut en structureel geweld het de professionele norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis. Daarnaast loopt er momenteel een verkenning naar een brede adviesplicht om de adviesfunctie te versterken, waarbij professionals advies moeten vragen als zij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling (waaronder vrouwelijke genitale verminking) hebben.
Bent u bereid met extra wetgeving en/of beschermingsmaatregelen te komen ter bestrijding van genitale verminking van vrouwen? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
Vrouwelijke genitale verminking is momenteel al strafbaar als (zware) mishandeling op grond van de artikelen 300 tot en met 303 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). In aanvulling op deze bestaande wetgeving, wordt momenteel gewerkt aan een implementatiewetsvoorstel ter uitvoering van de EU-richtlijn ter bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Richtlijn EU 2024/1385). Dit wetsvoorstel – dat naar verwachting op korte termijn aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden aangeboden – bevat een aantal nadere aanscherpingen van het strafrechtelijk kader. Het gaat onder andere om het strafbaar stellen van degene die een vrouw of meisje ertoe dwingt of beweegt om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan (of daar een poging toe doet). Daarmee wordt eveneens uitvoering gegeven aan de motie-Eerdmans om verheerlijking en propaganda van vrouwelijke genitale verminking strafbaar te stellen (Kamerstukken II 2024/25, 29 279, nr. 961), zoals eerder toegezegd (Handelingen II 2024/25, nr. 89, item 3, p. 9).
Verder is uw Kamer in december 2025, middels de voortgangsbrief over de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling, geïnformeerd over de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Over Grenzen: een rechtsvergelijkend onderzoek naar preventieve beschermingsbevelen bij huwelijksdwang, achterlating en vrouwelijke genitale verminking». In deze beleidsreactie wordt – in reactie op één van de aanbevelingen – vermeld dat juridisch zal worden onderzocht of en hoe preventieve beschermingsbevelen mogelijk kunnen worden gemaakt, mede in relatie tot het verbetertraject van het tijdelijk huisverbod, waarin ook wordt verkend of er aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen moeten worden gecreëerd. Deze beleidsverkenning is inmiddels gestart. In de verkenning worden ook de mogelijkheden onderzocht van een uitreisverbod ingeval van een risico op vrouwelijke genitale verminking, zoals opgenomen in het coalitieakkoord. De eerste bevindingen van deze verkenning zullen begin 2027 met uw Kamer worden gedeeld.
Tot slot merk ik op dat de aanpak van vrouwelijke genitale verminking onderdeel uitmaakt van de bredere aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Het kabinet heeft met het plan «Stop femicide!» stevige maatregelen getroffen ten aanzien van vroegsignalering, een versterkte samenwerking en het bieden van tijdige en effectieve bescherming aan (potentiële) slachtoffers. Op 10 juli 2025 is de Kamer reeds geïnformeerd over de voortgang van de prioriteiten uit dit plan van aanpak. Daarnaast is de Kamer middels eerdergenoemde Kamerbrief geïnformeerd over de aanstelling van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld, die – naar verwachting – voor de zomer zal worden aangesteld.
Deelt u de mening dat ouders die hun dochter laten besnijden strafrechtelijk vervolgd moeten worden en dat, indien zij een verblijfsvergunning hebben, deze onmiddellijk moet worden ingetrokken?
Zoals is toegelicht in het antwoord op vraag 6, is vrouwelijke genitale verminking een ernstig misdrijf en in Nederland strafbaar gesteld als (zware) mishandeling. Afhankelijk van hun precieze rol, is het in voorkomende gevallen mogelijk dat personen die de genitale verminking niet zelf toebrengen, zich schuldig maken aan strafbare deelneming hieraan. Verder biedt artikel 284 Sr de mogelijkheid om personen die een vrouw of meisje dwingen genitale verminking te ondergaan (ook als dit in het buitenland plaatsvindt) strafrechtelijk te vervolgen. Zoals hiervoor bij vraag 6 aan de orde is gekomen, zal de strafbaarheid met het daar genoemde implementatiewetsvoorstel verder worden uitgebreid naar personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen om vrouwelijke genitale verminking te ondergaan. Het is aan het openbaar ministerie om in een concreet geval te beoordelen of sprake is van strafbaar handelen en of strafrechtelijke vervolging aangewezen is.
Wanneer een vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan vrouwelijke genitale verminking dan zal zo mogelijk de verblijfsvergunning van de dader worden ingetrokken. Voor het intrekken van de verblijfsvergunning op grond van gevaar voor de openbare orde, is ten minste een onherroepelijke rechterlijke veroordeling van de desbetreffende vreemdeling nodig. Naarmate een vreemdeling langer in Nederland verblijft, dient de opgelegde straf zwaarder te zijn; deze zogenoemde «glijdende schaal» is neergelegd in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Daarnaast is de IND gehouden om te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel of er specifieke redenen zijn, zoals de aanwezigheid van kleine kinderen, die de intrekking van de verblijfsvergunning zouden kunnen belemmeren. En bij een aantal categorieën vreemdelingen, asielstatushouders, EU-burgers en hun gezinsleden, langdurig ingezetene derdelanders en Turken die verblijfsrecht ontlenen aan het Associatieverdrag met EU-Turkije, moet de IND op grond van het EU-recht toetsen of de vreemdeling nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de fundamentele belangen van de samenleving.
Deelt u de mening dat imams en andere personen die genitale verminking van meisjes en vrouwen aanbevelen, daar rechtstreeks toe aanzetten of dit anderszins faciliteren strafrechtelijk vervolgd moeten worden en indien zij een verblijfsvergunning of een dubbele nationaliteit hebben na hun straf het land uitgezet moeten worden? Zo nee, waarom niet?
Het in het openbaar oproepen tot en verheerlijken van vrouwelijke genitale verminking is op dit moment in voorkomende gevallen al strafbaar, namelijk als anderen daarmee worden aangespoord tot het toebrengen van zulke genitale verminking. In dat geval kan immers sprake zijn van opruiing (artikel 131 Sr) of het aanzetten tot geweld tegen vrouwen wegens hun geslacht (artikel 137d Sr). Verder is het dwingen van vrouwen en meisjes om genitale verminking te ondergaan strafbaar (artikel 284 Sr) en is het mogelijk dat personen die genitale verminking faciliteren zich in voorkomende gevallen schuldig maken aan strafbare deelneming aan dat feit. Zoals in reactie op vraag 6 aan de orde is gekomen, wordt met het wetsvoorstel tot implementatie van Richtlijn EU 2024/1385 de strafbaarheid verder uitgebreid tot personen die een vrouw of meisje ertoe bewegen vrouwelijke genitale verminking te ondergaan, waarmee eveneens uitvoering wordt gegeven aan de daar al genoemde motie-Eerdmans.
Wat betreft het intrekken van de verblijfsvergunning geldt hetgeen in het antwoord op vraag 7 is aangegeven. Hetzelfde is ook van toepassing op vreemdelingen die een dubbele nationaliteit hebben, tenzij één van die nationaliteiten die van Nederland is. Nederland mag geen eigen onderdanen het land uitzetten.
Wanneer gaat u stoppen met het importeren van deze barbaarse islamitische praktijken en kondigt u een asielstop af?
Vrouwelijke genitale verminking (VGV) is een ernstige en onacceptabele schending van de lichamelijke integriteit en mensenrechten van meisjes en vrouwen. Zoals geformuleerd in antwoord op vraag 2 wordt vrouwelijke genitale verminking niet veroorzaakt door immigratie en kan asielbescherming ondersteunend zijn aan het tegengaan van vrouwelijke genitale verminking. Het kabinet hecht eraan meer grip te krijgen op migratie en geeft daaraan invulling met een brede agenda binnen de kaders van het internationaal recht.
Het in behandeling nemen van aangiften door de politie |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Is er over de afgelopen tien jaar een verband waar te nemen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan?
Er is geen verband aan te tonen tussen het sluiten van politiebureaus en het aantal aangiften dat wordt gedaan doordat er diverse andere factoren meespelen bij deze twee gegevens. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheid om steeds eenvoudiger online aangifte te kunnen doen.
Is er een verband tussen het capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften?
Er is geen aantoonbaar verband tussen een capaciteitsprobleem bij de politie en het opnemen van aangiften.
Deelt u de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten?
Ja, ik deel de mening dat het onwenselijk is als mensen aangifte willen doen en dat de mogelijkheid tot het doen van aangifte dagen op zich laat wachten. Ik onderschrijf het belang van een bereikbare en zichtbare politie. De politie is verantwoordelijk voor haar dienstverlening aan de burger, waarbij zij ook rekening dient te houden met een gezonde bedrijfsvoering. De politie zet in op het steeds meer «multichannel» vormgeven van haar dienstverlening, waaronder het proces voor het doen van aangifte. Dit betekent dat burgers, afhankelijk van de vraag of het feit waar zij mee komen, op de juiste «route» worden gezet zodat het contact met de politie op maat is en past bij de individuele situatie en behoefte van de burger. Voor het doen van aangifte van een strafbaar feit is politie.nl en 0900-8844 in principe de eerste ingang. Via die route kan voor een aantal strafbare feiten direct aangifte worden gedaan. Voor andere gevallen zal de politie adviseren en doorverwijzen, bijvoorbeeld om telefonisch aangifte te doen of een afspraak te maken om fysiek aangifte te doen op het bureau. Tot slot merk ik op dat het doen van een melding of aangifte altijd zinvol is. Het verstevigt onder meer de informatiepositie van de politie en het maakt gerichter opsporen mogelijk.
Hoeveel politiecapaciteit is er beschikbaar om fysieke aangiften op te nemen, in vergelijking met de voorgaande vijf jaren?
Op Intake & Service zijn zo’n 4.500 fte medewerkers werkzaam. Daarnaast kunnen ook politiemedewerkers in de Gebiedsgebonden Politie (GGP) en de Opsporing aangiften opnemen. In al deze werksoorten zien we momenteel de bezetting toenemen.
In welk opzicht komt een fysieke of online gedane aangifte overeen en wat zijn de verschillen?
Van veel eenvoudige en/of lichte strafbare feiten (voorbeelden zijn diefstal fiets, ransomware) kan volledig online via politie.nl aangifte worden gedaan. Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit is vaak meer contact nodig en moet meer doorgevraagd worden. Een bezoeker die op politie.nl binnenkomt en aangifte wil doen van een dergelijk feit, wordt doorverwezen naar 0900 8844 om een afspraak te maken voor het doen van aangifte op het bureau, of eventueel aan huis. Dit geldt bijvoorbeeld, maar zeker niet uitputtend, voor autodiefstal, bedreiging of geweld.
Kunt u een overzicht geven van aangiften opgesplitst naar fysiek en online en daarbij opnemen of zij in behandeling zijn genomen of geseponeerd?
Volgens de op dit moment beschikbare cijfers kwamen in 2025 ruim 648.000 aangiften bij politie binnen. Ruim 380.000 daarvan waren online aangiften. Van de online aangiften werden er ruim 286.000 vroeg in het screeningsproces niet in behandeling genomen, vanwege het ontbreken van aanknopingspunten voor opsporing («opsporingsindicatie»). Van 65.000 aangiften werd de behandeling verderop in het proces vroegtijdig beëindigd, omdat het geen vervolgbare zaak bleek, er te weinig capaciteit was of er werd gekozen voor een niet-strafrechtelijke interventie. Van de overige 270.000 (fysieke) aangiften werden er ruim 41.000 vroeg in het screeningsproces niet in behandeling genomen vanwege het ontbreken van opsporingsindicatie en van 85.000 werd de behandeling verderop in het proces vroegtijdig beëindigd, omdat het geen vervolgbare zaak bleek, er te weinig capaciteit was of er werd gekozen voor een niet-strafrechtelijke interventie. Voor internetaangiften geldt dat 29.110 aangiften in behandeling is genomen. Voor fysieke aangiften is dit getal 141.010. De data over aangiften en internetaangiften zijn ook te vinden op data.politie.nl.1
Bent u van mening dat aangiften gedaan op politiebureaus doorgaans gemakkelijker in behandeling kunnen worden genomen, dan dat zij online worden gedaan? Wordt er nog navraag gedaan naar de aangiften die online worden gedaan, omdat zij mogelijk bepaalde informatie missen?
Van veel eenvoudige en/of lichte strafbare feiten (voorbeelden zijn diefstal fiets, ransomware) kan volledig online via politie.nl aangifte worden gedaan. Voor het opnemen van een aangifte van een meer complex of ernstiger strafbaar feit is vaak meer contact nodig en moet meer doorgevraagd worden. Een bezoeker die op politie.nl binnenkomt en aangifte wil doen van een dergelijk feit, wordt doorverwezen naar 0900 8844 om een afspraak te maken voor het doen van aangifte op het bureau, of eventueel aan huis. Dit geldt bijvoorbeeld, maar zeker niet uitputtend, voor autodiefstal, bedreiging of geweld.
Het maakt voor de opvolging geen verschil of de aangifte online of fysiek is opgenomen. Indien een aangifte niet volledig is en er zijn aanknopingspunten voor een opsporingsonderzoek dan zal er navraag worden gedaan. Dit is zowel voor de fysieke aangifte van toepassing alsook voor de digitale aangifte.
Op basis waarvan beslist de politie of een zaak prioriteit krijgt?
Het maken van keuzes in de opsporing behoort standaard tot het werk van het Openbaar Ministerie en de politie en vindt plaats onder gezag van het Openbaar Ministerie. De aanwijzing voor de opsporing van het Openbaar Ministerie, die voor veelvoorkomende criminaliteit concreter is uitgewerkt in het landelijk screenings- en selectiviteitskader, vormt het landelijk afwegingskader. Deze beide documenten zijn openbaar.2 Dit kader op hoofdlijnen biedt ruimte voor verdere regionale of lokale invulling in samenspraak met de burgemeester in de gezagsdriehoek.
Worden bepaalde soorten misdrijven structureel minder opgepakt?
Er zijn geen misdrijven die op voorhand zijn uitgesloten van een strafrechtelijk vervolg. Wel geeft het screenings- en selectiviteitskader (zie ook in het antwoord op vraag 8) handvatten om te beoordelen in welke gevallen welk soort strafbare feiten meer of minder in aanmerking komen om strafrechtelijk opgepakt te worden.
Is er inzicht voor burgers waarom een zaak wel of niet opgepakt wordt?
Ja, in principe krijgt iedere aangever bericht over de opvolging van zijn of haar aangifte.
Waarom wordt men aangeraden bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» vermeld op de website van de politie, om contact op te nemen met Veilig Thuis, de Kindertelefoon of de huisarts en niet de politie? Waarom wordt hier niet vermeld dat men aangifte kan doen? Deelt u de mening dat dit slachtoffers ontmoedigt om aangifte te doen van huiselijk geweld?
Op politie.nl3 wordt bij het onderwerp «Ik ben slachtoffer van huiselijk geweld, wat moet ik doen?» als eerste vermeld om bij (dreiging van) direct gevaar altijd 112 te bellen. Daarnaast wordt er inderdaad naar Veilig Thuis verwezen omdat zij gespecialiseerd zijn in het in kaart brengen van de situatie en het inschatten van de veiligheid, zodat er passende hulp in gang kan worden gezet. Op de website wordt ook vermeld om een melding of aangifte te doen bij de politie.
Hoeveel mensen die kunnen beschikken over een DigiD hebben een DigiD?
Iedereen die een BSN heeft kan een DigiD verkrijgen. De volgende personen kunnen beschikken over een BSN: mensen die langer dan 4 maanden in Nederland wonen en geregistreerd staan in de Basisregistratie Personen (BRP) (ongeveer 18 miljoen mensen) én mensen die korter dan 4 maanden in Nederland wonen of in het buitenland wonen en geregistreerd staan in de Registratie Niet-Ingezetenen (RNI) (ongeveer 5 miljoen mensen). In totaal is de groep mensen die over een DigiD kunnen beschikken dus ongeveer 23 miljoen mensen. Momenteel telt DigiD 16,5 miljoen accounts.
Klopt het dat toeristen geen online aangifte kunnen doen, nu zij niet beschikken over een DigiD?
Het klopt dat toeristen geen online aangifte kunnen doen aangezien zij niet beschikken over een DigiD. De politie werkt momenteel aan digitale identificatiemethoden voor buitenlanders zonder DigiD zodat bijvoorbeeld ook toeristen online aangifte kunnen doen.
Welke eisen worden aan de medewerker van de politie gesteld welke bevoegd is aangiften op te nemen? En wordt de politie gecontroleerd op het opnemen van aangiften?
Politiemedewerkers die aangiften mogen opnemen zijn daar als opsporingsambtenaren toe bevoegd. Een vereiste daarvoor is het hebben van een politiediploma of een boa-akte. Daarnaast is er extra scholing voor medewerkers die heel vaak aangiftes opnemen, zoals medewerkers van de regionale servicecentra en de medewerkers Intake & Service bij de basisteams. Ook wordt er bijgeschoold voor het opnemen van aangiftes van nieuwere vormen van criminaliteit, zoals bijvoorbeeld cybercrime. Kwaliteitsbewaking vindt verder plaats in het dagelijkse werk en binnen teams, met name door senior medewerkers op het werk van minder ervaren collega’s.
Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
van Bruggen |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hackers hadden vijf maanden toegang tot gegevens DJI-medewerkers»?1
Ja.
Deelt u de mening dat met spoed onderzocht moet worden tot welke gegevens de hackers toegang hebben/hadden?
Ja, deze mening deel ik en dit onderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
Het Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) is op 29 januari jl. door Ivanti op de hoogte gesteld van kwetsbaarheden in Ivanti Endpoint Manager Mobile (EPMM) en doet technisch onderzoek2. Ivanti EPMM is een softwareplatform dat door verschillende organisaties wordt gebruikt om mobiele apparaten centraal te beheren en te beveiligen. Uw Kamer is op 27 februari 2026 geïnformeerd omtrent de organisaties die door de kwetsbaarheid in Ivanti EPMM zijn getroffen.3 De Justitiële ICT Organisatie (JIO), de IT-leverancier van de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), heeft een extern expertisebureau de opdracht gegeven technisch/forensisch onderzoek uit te voeren. Waar nodig doen zij dit met specialistische adviespartijen.
De uitkomsten van de onderzoeken zijn nog niet bekend. Indien sprake is van relevante ontwikkelingen zal de Kamer worden geïnformeerd.
Hoe kan het dan zo zijn dat de u aangeeft dat het geen reden is om aan te nemen dat medewerkers onveilig zouden zijn, terwijl ook voormalig gevangenisdirecteur Klaas Brandsma aangeeft dat medewerkers van Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) lopen extra risico op chantage en afpersing?
De informatie waar toegang tot is verkregen betreft persoonsgegevens van medewerkers zoals namen, emailadressen, telefoonnummers en locatiegegevens. In algemene zin geldt dat de aard van de werkzaamheden van DJI maakt dat medewerkers mogelijk een aanvullend risico lopen op chantage en afpersing indien dergelijke gegevens bij derden bekend raken. Vanwege dit risico vind ik het dan ook erg belangrijk dat waar nodig veiligheidsmaatregelen zijn getroffen. Dit alles heeft uiteraard impact op de medewerkers van DJI. DJI houdt samen met JIO alsmede met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI-medewerkers. Daaruit volgt dat er op dit moment geen signalen zijn dat er sprake is van eventuele gevolgen voor de veiligheid van de DJI medewerkers.
Op basis van de voorlopige uitkomsten van het forensisch onderzoek heeft het NCSC een handelingsperspectief opgesteld dat op 16 februari 2026 is gedeeld met DJI. DJI heeft hierop in samenwerking met JIO en NCSC direct maatregelen getroffen die zowel zien op de techniek als op de monitoring van (cyber)dreigingen. Daarover communiceert DJI periodiek naar alle medewerkers. Daarnaast heeft DJI de medewerkers voorzien van een handelingskader, waaronder een oproep tot extra alertheid en instructies hoe om te gaan locatiegegevens.
Zijn DJI-medewerkers van de Extra Beveiligde Inrichting (EBI) ook getroffen?
Zoals in de beantwoording van vraag één is aangegeven, wordt er momenteel onderzoek gedaan naar de precieze omvang van de daadwerkelijke onbevoegde toegang tot devices die draaien op Ivanti. Vanuit het oogpunt van de veiligheid van de medewerkers kan ik niet verder ingaan op welke medewerkers dit onderzoek ziet. Uit voorzorg heeft DJI breed alle medewerkers van een handelingskader voorzien.
Bent u van mening dat het datalek mogelijk invloed kan hebben op behoud van het huidige personeel en de aanwerving van nieuw personeel? Welke maatregelen gaat u nemen om het getroffen personeel tegemoet te komen?
Ik ben me zeer bewust van welke impact deze situatie kan hebben op de medewerkers van DJI. De effecten hiervan op de werving van nieuw personeel zijn onvoorspelbaar. Dergelijke onbevoegd toegang tot systemen heeft impact op medewerkers, met name op hen die al werkzaam zijn voor DJI. Het kan tot vragen leiden over het uitvoeren van de werkzaamheden en mogelijk ook tot gevoelens van onzekerheid, met name over de veiligheid. Daarom is het van belang dat er maatregelen zijn genomen zoals het periodiek informeren van de medewerkers. Ten aanzien van de maatregelen verwijs ik u naar de beantwoording bij vraag drie.
Welke extra maatregelen gaat u nemen om dergelijke scenario’s in de toekomst te voorkomen?
De eerste prioriteit ligt bij de veiligheid van de medewerkers en het afronden van het onderzoek. Nadat het onderzoek is afgerond zal een evaluatie en oorzakenanalyse plaatsvinden om te komen tot potentiële verbeteringen.
Ik kan niet vooruitlopen op de uitkomsten van de onderzoeken die op dit moment lopen. Zoals bij de beantwoording van vraag drie is aangegeven houdt DJI samen met partners uit de keten nauwlettend in de gaten welke eventuele gevolgen de onbevoegde toegang heeft voor de DJI medewerkers. Indien nodig worden aanvullende maatregelen getroffen.
Bent u bekend met het bericht «Rechter legt jeugddetentie op aan 17-jarige jongens voor lidmaatschap IS»?1
Ja.
Bent u het ermee eens dat jeugddetentie veel te slap is voor jihadisten die zich aansluiten bij een terroristische organisatie zoals IS en dat terroristen, ongeacht hun leeftijd, nooit jeugddetentie mogen krijgen maar volwassen straffen verdienen?
Het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) verplicht Nederland, als verdragsland, tot het hanteren van een apart jeugdstrafrecht met een pedagogische benadering en bepaalt dat het volwassenstrafrecht niet op minderjarigen mag worden toegepast. Daar geeft Nederland gevolg aan. Het ontwikkelingsperspectief van het kind dient voorop te blijven staan bij het bepalen van de straf. In het jeugdstrafrecht ligt de nadruk meer op de persoon en de omstandigheden van de verdachte en op gedragsbeïnvloeding of heropvoeding dan op vergelding. Straffen en maatregelen in het jeugdstrafrecht zijn intensiever en persoonsgerichter van aard dan die binnen het volwassenenstrafrecht. De beschermende factoren, zoals de invloed van ouders of het behalen van een diploma, worden in het jeugdstrafrecht benut om de jongere te laten resocialiseren in de maatschappij.
Wel heeft Nederland een voorbehoud gemaakt bij het IVRK waardoor de rechter de mogelijkheid heeft om, wanneer aan de wettelijke criteria is voldaan, het volwassenstrafrecht toe te passen op 16- en 17-jarigen.2 Dit is een zware maatregel waar niet licht over gedacht mag worden. Uiteindelijk is het aan de rechter om in individuele zaken de feiten en omstandigheden te wegen en tot een oordeel te komen.
Bent u bereid om deze terroristen onmiddellijk het land uit te zetten, hen de toegang tot Nederland voorgoed te ontzeggen en, indien van toepassing, hun Nederlandse nationaliteit in te trekken? Zo nee, waarom beschermt u jihadisten in plaats van Nederlandse burgers?
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus en zet zich onverminderd in om terrorisme en extremisme in Nederland te voorkomen en te bestrijden. De aanpak op terrorisme is breed en robuust, waarbij ketenpartners van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nauw samenwerken om onze samenleving en democratische rechtsorde te beschermen.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording over de Kamervragen over 15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok: Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een terroristisch misdrijf intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.3
In zijn algemeenheid beziet de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vaststelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.
Welke concrete maatregelen gaat u nemen om dit soort jihadistisch tuig in de toekomst veel strenger te straffen, inclusief het uitsluiten van jeugddetentie voor terrorismegerelateerde delicten?
Zie het antwoord op vraag 2.
Bent u bereid om de vrienden en familie van deze terroristen grondig te onderzoeken op terroristisch gedachtegoed en zo nodig ook tegen hen maatregelen te nemen, zoals uitzetting of vervolging?
Wanneer sprake is (van verdenking) van strafbare feiten, is het aan de politie en het Openbaar Ministerie om deze te onderzoeken en, waar mogelijk, te vervolgen. De Minister van Justitie en Veiligheid treedt niet in deze bevoegdheden.
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme, waardoor Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u bereid om per direct onze grenzen te sluiten en een asielstop in te voeren? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze kwalificatie niet. Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.
Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.
Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
Het bericht 'Belgische topcrimineel Anthony ‘Het genie’ H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht’ |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Arno Rutte (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belgische topcrimineel Anthony «Het genie» H. blijft in Nederlandse cel: rechter vindt gevangenissen bij onze zuiderburen te slecht»?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze Belgische topcrimineel overgeleverd zou moeten worden naar België? België verzoekt tot overlevering van zijn eigen onderdaan, waarom zou je dit als Nederland willen tegenhouden?
De uitspraak waaraan gerefereerd wordt in het nieuwsbericht betreft een tussenuitspraak en is geen definitief oordeel. Het past mij niet om mij te mengen in een zaak die onder de rechter is of daar een oordeel over te geven. Wel kan ik in algemene zin het volgende opmerken.
Binnen de Europese Unie (EU) is overlevering mogelijk. Middels een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) kan een EU-lidstaat verzoeken om de overlevering van de verdachte van een misdrijf of een veroordeelde. Een EAB is gebaseerd op het Kaderbesluit 2002/584/JBZ (hierna: Kaderbesluit EAB), dat in Nederland geïmplementeerd is in de Overleveringswet. De Internationale Rechtshulpkamer (IRK) van de rechtbank Amsterdam is als enige in Nederland bevoegd om te oordelen over inkomende overleveringsverzoeken. De IRK beslist per individueel geval of de opgeëiste persoon kan worden overgeleverd en toetst hierbij het EAB aan de bepalingen van het Kaderbesluit EAB en de Overleveringswet. Onderdeel van die toets is dat de uitvoering van een EAB niet tot gevolg mag hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen wordt aangetast. De situatie in de Nederlandse gevangenissen is geen onderdeel van die toets.
Deelt u de stelling dat het kan toch niet zo zijn dat terwijl er in Nederland een nijpend tekort is aan cellen, overlevering naar het buurland België wordt geblokkeerd? Bent u het ermee eens dat België een fatsoenlijk land is? Of wordt België nu gezien als een derdewereldland en/of als geen volwaardige EU-lidstaat?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de rechtbank van Amsterdam in haar oordeelsvorming de huidige noodmaatregelen, zoals deze op dit moment in het Nederlandse gevangenisstelsel van toepassing zijn, een factor kan zijn tot overlevering?
Zie antwoord vraag 2.
Wordt op deze manier Nederland niet een soort dependance voor het gevangenhouden van Belgische criminelen? En waarom moet de Nederlandse belastingbetaler hiervoor opdraaien?
Jaarlijks vinden er vele overleveringen naar België plaats. Daarbij worden altijd garanties opgevraagd bij de Belgische autoriteiten ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden. Tot op heden hebben de detentieomstandigheden in België er niet toe geleid dat er geen gevolg werd gegeven aan een EAB.
Welke mogelijkheden heeft u om sturing te geven aan overleveringen, nu er tegen de uitspraak van de internationale rechtshulpkamer geen hoger beroep openstaat?
Het is een grondwettelijk en rechtsstatelijk uitgangspunt dat de rechtspraak onafhankelijk en onpartijdig is. Ik heb dan ook geen mogelijkheden om sturing te geven aan de IRK en dit zou ook niet passend zijn.
Kunt u deze vragen beantwoorden voordat het commissiedebat over gevangeniswezen zal plaatsvinden?
Ja.
Groene boa’s |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte dat er diverse groene buitengewoon opsporingsambtenaren (boa's) geen verlenging krijgen voor het gebruik van het dienstpistool omdat dienst Justis stelt dat er een aparte aanwijzing nodig zou zijn door de provincie?
Ja.
Bent u het ermee eens dat het onverantwoordelijk is om een groene boa op pad te sturen zonder dienstwapen, ook gezien het oordeel van de rechter dat het aannemelijk is dat op het moment dat je belast bent met handhaving van onder andere wildstroperij het aannemelijk is dat je met vuurwapens geconfronteerd kunt worden?1
Werkgevers van boa’s kunnen op basis van de bevoegdheid en taak van hun boa, zoals vastgelegd in de akte, een verzoek doen tot toekenning van geweldsmiddelen, mits dit noodzakelijk is voor de uitvoering van hun taak. Boa’s uit Domein II, waaronder de groene boa’s, kunnen ook de beschikking krijgen over een vuurwapen. Om aanspraak te maken op een vuurwapen dient te worden vastgesteld dat de boa bij de uitoefening van zijn functie in de (onvoorziene) omstandigheid komt te verkeren dat hij of anderen met onmiddellijk vuurwapengebruik of onmiddellijke dreiging met een vuurwapen wordt geconfronteerd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij de handhaving van gewapende stroperij op basis van de Omgevingswet. In dat geval dient de boa door gedeputeerde staten van de betreffende provincie, als bestuursorgaan belast met de handhaving van stroperij, te zijn aangewezen. De provincies zijn dus aan zet om de boa’s aan te wijzen. Ik heb, vanwege het belang dat uw Kamer en ik hieraan hechten, zoals ook blijkt uit de motie van de leden Michon-Derkzen en Boswijk2, de provincies hier expliciet op gewezen en zij zijn hier actief mee aan de slag gegaan. Zo zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het Interprovinciaal Overleg (IPO) geïnformeerd. Het IPO heeft mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.
Indien de boa niet is aangewezen en daardoor niet bevoegd is om te handhaven op bijvoorbeeld gewapende wildstroperij, dan kunnen deze feiten niet tot de taak van de boa behoren en kan de boa niet op basis van deze feiten aanspraak maken op een vuurwapen. De boa is in dat geval niet bevoegd en dient zich terug te trekken uit de situatie en de politie in te schakelen.
Kunt u uitleg geven waarom groene boa's niet meer bevoegd zijn voor de handhaving van natuurwetgeving, conform de Omgevingswet, nu de uitvoeringsinstantie van het ministerie, de dienst Justis, stelt dat een aparte aanwijzing noodzakelijk is?
De handhaving van gewapende stroperij, zoals bedoeld in de Omgevingswet, is belegd bij de gedeputeerde staten van de Provincies. Enkel de boa’s die voor het handhaven op gewapende stroperij zijn aangewezen door gedeputeerde staten zijn bevoegd hierop te handhaven en hebben dit daarmee als taak. De provincies zijn dus aan zet om de boa’s aan te wijzen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, heb ik de provincies hier expliciet op gewezen en zijn zij hier actief mee aan de slag gegaan.
Waarom laat u deze bevoegdheid bij de provincies, zoals geschetst in de Kamerbrief, en neemt hij niet zelf, mogelijk in samenspraak met de Minister van Natuur en Stikstof, een aanwijzing Rijksbesluit conform artikel 18.6 Omgevingswet, waardoor alle groene Boa's bevoegd zijn?
Op basis van de Omgevingswet kan enkel gedeputeerde staten deze aanwijzing geven. De provincies zijn de regisseurs van het groene domein. Zij bepalen vanuit die verantwoordelijkheid hoe en door wie er handhavend dient te worden. Indien zij het noodzakelijk achten dat er handhavend wordt opgetreden tegen gewapende stroperij kunnen zij een boa een aanwijzing geven. Zoals hierboven ook aangegeven heb ik de provincies hier expliciet op gewezen, zijn provinciebestuurders hierover de afgelopen maanden in de twee relevante commissies van het IPO geïnformeerd en heeft het IPO mijn ministerie laten weten dat provinciebestuurders zich bewust zijn van de noodzaak voor een aanwijzing en de snelheid die in dat kader gewenst is.
Hoelang duurt het voor dat u maatregelen gaat nemen voor dit urgente probleem, nu er diverse beroepszaken lopen waarbij groene boa's geen dienstpistool krijgen toegekend en anderen onbevoegd zouden zijn?
In aanvulling op mijn antwoord op vraag 2, werk ik momenteel aan het aanpassen van de Beleidsregels boa om ervoor te zorgen dat de criteria voor de toekenning van geweldsmiddelen worden verduidelijkt en er minder discussie ontstaat. De nieuwe criteria zien op de in de akte vastgelegde rol en taak op basis van de bevoegdheden van de boa in plaats van op vastgelegde incidenten en eventuele situaties waarbij bewapening wenselijk was (de zogenaamde kan-bepaling). Niet het aantal processen-verbaal, maar de rol en taak van de boa zullen leidend zijn in de afweging voor toekenning van geweldsmiddelen. Ik ben voornemens de aangepaste beleidsregels begin 2026 te publiceren en in te laten gaan.
De deelname van de politie aan het Halal Village Festival |
|
Geert Wilders (PVV), Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Politie tussen watermeloenen en omstreden Islamic Relief op «halal-huishoudbeurs»: «Het is imagobuilding»»?1
Ja.
Was u op de hoogte van deze deelname van de politie?
Ik word in de regel niet vooraf geïnformeerd over lokale wervings- en voorlichtingsactiviteiten van de politie, zoals ook bij de genoemde beurs. Dit betreft een aangelegenheid van de korpschef.
Bent u het eens met de stelling dat dit festival een pro-Palestijnse activistische lading heeft daar waar het festival werd gedecoreerd met Palestijnse vlagen, watermeloenen, hét symbool van de Palestijnse strijd, en de leus «from the river to the sea», waarover de Kamer via een aangenomen motie, de regering heeft verzocht om deze uitdrukking als een oproep tot geweld te beschouwen? Zo nee, waarom niet?
Ik heb kennisgenomen van de online gedeelde uitingen waarin de politie in verband wordt gebracht met het Halal Village Festival, zodanig als partner wordt aangekondigd, waaronder uitingen met de door u geduide symboliek. De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo is de uiting met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Op het festival werd kleding te koop aangeboden van het merk «Ready to Resist» met als slogan «Join the fight»; gezien in de context van geweld: is dit niet een oproep tot geweld?
Of er sprake is van een oproep tot geweld is afhankelijk van de concrete context en omstandigheden en is aan het Openbaar Ministerie en de rechter om te beoordelen.
Kunt u uitleggen waarom de politie wel tijd heeft om naar deze halal-huishoudbeurs te gaan terwijl tegelijkertijd de politie te weinig capaciteit heeft om de kerntaken uit te voeren? Zijn de kerntaken ondergeschikt aan de halal-huishoudbeurs?
Een wervingsinzet op een evenement is geen vervanging van operationele politietaken. Naast recruitmentmedewerkers maakt de politie gebruik van blauwe ambassadeurs. Dit zijn politiemedewerkers met operationele ervaring die op evenementen, zoals ook bij de Halal Village, enthousiast vertellen over hun werk. De inzet op werving en voorlichting is er juist op gericht om de capaciteit op termijn te vergroten en daarmee de kerntaken te kunnen blijven uitvoeren.
Bent u ervan op de hoogte van het feit dat een voormalig bewindspersoon, na overleg met de veiligheidsdiensten, de rijkssubsidie aan Islamic Relief heeft gestopt?
In 2021 is door de toenmalig Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking besloten geen subsidie te verlenen aan Islamic Relief Worldwide, mede op basis van beschikbare informatie van andere donoren aan deze organisatie.
Bent u ervan op de hoogte dat in Duitsland die organisatie is aangeduid als verlengstuk van de Moslimbroederschap?
De Duitse Bondsregering heeft in een officiële beantwoording aan de Bondsdag vermeld dat Islamic Relief Worldwide en Islamic Relief Deutschland volgens haar kennis beschikken over «significante persoonlijke relaties» met de Moslimbroederschap of daarmee verbonden organisaties.
Bent u ervan op de hoogte dat de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst in het onderzoek naar de Moslimbroederschap in Nederland geconstateerd heeft dat de activiteiten van de beweging op de lange termijn een risico zouden kunnen vormen voor de democratische rechtsorde in Nederland?
De AIVD heeft in het jaarverslag2 van 2023 gerapporteerd dat de invloed en omvang van het netwerk van Moslimbroeders in Nederland in 2023 zeer beperkt was en geen extremistische boodschap leek uit te dragen. Daarom vormde het nauwelijks een dreiging voor de democratische rechtsorde.
Bent u het ermee eens dat Islamic Relief een terroristische organisatie is?
De beoordeling of er sprake is van een terroristische organisatie is voorbehouden aan de rechter. Daarnaast kan de Minister van Buitenlandse Zaken bij voldoende aanwijzingen van betrokkenheid bij terroristische activiteiten, in overeenstemming met de Minister van Financiën en de Minister van Justitie en Veiligheid, personen of organisaties op de nationale sanctielijst terrorisme plaatsen. Islamic Relief Nederland staat niet als terroristische organisatie op de sanctielijst zoals die door de EU wordt gehanteerd, noch volgt dat uit de Nederlandse verwijzingen naar die internationale sanctielijsten.
Is het bemensen van een politiestand pontificaal naast de organisatie Islamic Relief niet een uiting van acceptatie van deze terroristische organisatie? Zo nee, waarom niet?
De plaatsing van de politiestand naast de stand van Islamic Relief is dit jaar toeval geweest. Hiervan was de politie niet op de hoogte gesteld en ook had zij hier zelf geen hand in.
Is het niet van de zotte dat de politie personeel gaat werven op een festival met een pro-Palestijnse activistische sfeer, waar oproep tot geweld plaatsvindt en dat terwijl het antisemitisme toeneemt? Zo nee, waarom niet?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving.
Waarom is de politie partner in dit festival? Zijn er kosten verbonden aan het partnerschap? En hoeveel heeft de politie bijgedragen in totaal aan dit festival?
De politie heeft mij laten weten dat het gestelde partnership vooraf niet bekend was en tevens onwenselijk is. De politie heeft hier lessen uit getrokken en zal in de toekomst scherper zijn op het gebruik van beeldmateriaal van de politie door derden. Zo zijn de op sociale media gedane uitingen met watermeloensymboliek zonder toestemming van de politie geplaatst en daarom op verzoek door de organisatie verwijderd.
Hoe kan de politie een partnerschap aangaan met een festival waar óók de terroristische organisatie Islamic Relief een belangrijke partner is? Of is dit een onderdeel van «imagobuilding»?
Zie antwoord vraag 12.
In hoeverre kan je nog spreken dat de politie neutraal is en dient deelname aan dit soort evenementen niet per direct te stoppen? Zo nee, waarom niet?
De politie zet in op werving en promotie van nieuwe medewerkers. De werving op deze beurs, en andere beurzen, draagt bij aan de versterking van de verbinding met de samenleving. De korpsleiding ziet toe op de neutraliteit en op de juiste interpretatie en uitvoering van de beroeps- en gedragscode. De politie evalueert haar deelname aan dit evenement en weegt de neutraliteit van de politie daarbij zwaar mee.
Bent u bereid om de politie de opdracht te geven om per direct met deelname aan dergelijke activiteiten te stoppen? Zo nee, waarom niet?
Het is aan de politie om te bepalen op welke beurs zij staan om nieuwe medewerkers te werven. De politie weegt hierin mee of de neutraliteit van de politie kan worden behouden. De politie vindt het belangrijk om de verschillende doelgroepen te bereiken voor de werving van nieuw personeel en de verbinding met de samenleving.
De korpschef heeft aangegeven deze casus te evalueren en waar nodig de afwegingskaders aan te scherpen, zodat deelname aan evenementen niet kan leiden tot (de schijn van) aantasting van de neutraliteit of het gezag van de politie. Uit dit voorval is in ieder geval gebleken dat de politie aan de voorkant betere afspraken moet maken met de organisatie over het gebruik van het politiebeeldmateriaal. Hieruit heeft zij lessen getrokken.
Certificering boa’s. |
|
Marjolein Faber (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u het eens met de stelling dat het geen zin heeft om buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) te voorzien van extra bevoegdheden en middelen, zoals bijvoorbeeld een korte wapenstok en pepperspray als de boa’s hier door middel van een examen niet het vereiste certificaat kunnen halen?
Ik deel de mening dat de toetsing voor het gebruik van de bevoegdheden en middelen voor buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) op orde moet zijn. Daarnaast hecht ik waarde aan het ingezette beleid zoals uiteengezet in de Kamerbrief over de rol van de boa van 2 oktober jl. Het is belangrijk dat de boa met zijn uitrusting goed geëquipeerd wordt voor zijn taak en voor de omstandigheden waarin die taak wordt uitgeoefend. De boa als professionele partner in handhaving moet toegerust zijn om zijn taak goed en veilig uit te voeren, ook als hij onvoorzien (en ongewenst) wordt geconfronteerd met agressie en geweld tijdens zijn werk. In de Kamerbrief wordt benoemd dat er in het nieuwe bestel daarom een standaarduitrusting van bevoegdheden en middelen zal komen, gekoppeld aan de opsporingsbevoegdheid. Daarbovenop kan, indien aan de eisen is voldaan, de boa beschikken over aanvullende uitrusting.
Bent u bekend, met het bericht dat gestuurd is naar de commissie Veiligheid en Justitie met het onderwerp «Bezorgdheid over Regeling Toetsing Geweldbeheersing Buitengewoon Opsporongsambtenaar (RTGB)-certificering van BOA’s», waarin vermeld wordt dat er naar schatting 500 boa’s op de wachtlijst staan voor dat examen de zogenaamde RTGB-toets? Zo ja, klopt deze berichtgeving?
Ik ben niet bekend met dit bericht dat gestuurd is naar de VKC Veiligheid en Justitie. De boa-werkgevers zijn verantwoordelijk voor het laten toetsen van hun boa’s conform de Regeling Toetsing Geweldsbeheersing Buitengewoon Opsporingsambtenaar (RTGB) indien zij beschikken over politiebevoegdheden of geweldsmiddelen. De Politieacademie is verantwoordelijk voor het samenstellen van de RTGB-toetsen en de certificering van de RTGB-toetsers. De Politieacademie is bereid om voor het einde van het jaar een inhaalslag te organiseren om zoveel mogelijk van de boa-werkgevers, die de afgelopen jaren bij de Politieacademie toetsing hebben afgenomen, te helpen hun boa’s alsnog getoetst te krijgen. Het zal gaan om twee dagen (22 en 23 december), en indien nodig ook in de laatste week van december. De politieacademie heeft hierbij aangegeven dat tijdens deze sessies de toetsingscapaciteit dermate is dat de boa’s die eerder werden afgewezen voor een toets-aanvraag alsnog terecht zouden kunnen. Hierover is inmiddels door de Politieacademie een bericht aan de betreffende boa-werkgevers verzonden. Ook zijn de boa-werkgevers aangeschreven die zich niet bij de Politieacademie hebben gemeld maar wel eerder zijn getoetst door de Politieacademie.
Bent u het ermee eens dat de handhaving van de openbare orde en veiligheid in het geding kan komen als deze berichtgeving juist is? Het kan toch niet zo zijn dat 500 opgeleide boa’s niet hun taken kunnen uit oefenen omdat zij geen mogelijkheid krijgen om het vereiste certificaat te behalen, terwijl er een grote behoefte is aan meer veiligheid op straat?
Het handhaven van de openbare orde is primair een taak van de politie, niet van de boa. Zoals hierboven is aangegeven, is de Politieacademie bereid om voor het einde van het jaar een inhaalslag te organiseren. Hierdoor worden de betreffende boa’s alsnog getoetst, zij blijven dan beschikken over de politiebevoegdheden en geweldsmiddelen.
Bent u het eens met de stelling dat er zo snel mogelijk een einde moet komen aan deze ongewenste situatie?
Zie het antwoord op vraag 2.
Ziet u een snelle en/of structurele oplossing voorhanden om de boa’s die op de wachtlijst staan te certificeren? Bent u bijvoorbeeld bereid om artikel 1 van de regeling «Toetsing geweldsbeheersing BOA» te wijzigen, zodat instructeurs die bevoegd zijn te toetsen en niet in vaste dienst zijn bij de betrokken werkgever, ook kunnen certificeren?
Zie het antwoord op vraag 2. Ook zal er in het komende jaar gekeken worden naar de aanpassing van de RTGB voor een structurele oplossing. Daarom acht ik het op dit moment niet nodig om ook private partijen die niet in dienst zijn bij een boa-organisatie als toetser als bedoeld in de RTGB te laten optreden en boa’s te laten certificeren. Voor een structurele oplossing zal, ook in samenspraak met de Politieacademie en andere partijen, gekeken worden naar het aanpassen van de RTGB om voor de toekomst zeker te stellen dat er genoeg toetsingscapaciteit zal zijn.
Daarnaast wil ik op de huidige mogelijkheid wijzen voor boa-werkgevers van het hebben van eigen toetsers. Mits gecertificeerd door de Politieacademie kan een toetser, naast de ambtenaar van Politie, een persoon zijn die in vaste dienst is bij een boa-werkgever.
Kunt u inzichtelijk maken wat een RTGB-toetsing de Politieacademie jaarlijks oplevert?
Voor de uitvoering van RTGB-toetsing berekent de Politieacademie een tarief, waarbij enkel de kosten van inzet van de toetsers worden verrekend. Hierbij gaat het om 5.000 boa’s waar de Politieacademie jaarlijks ca. 1,1 miljoen euro voor ontvangt.
Kunt u ook inzichtelijk maken hoeveel tijd een dergelijke RTGB-toetsing in beslag neemt?
De RTGB-toetsing bestaat uit de toets Aanhoudings- en Zelfverdedigingsvaardigheden en de toets Geweldsbeheersing. Deze toetsen worden gecombineerd geëxamineerd. De toetsing van twaalf boa’s neemt ongeveer drie uur in beslag. Voor de toetsing zijn twee toetsers nodig. Een klein gedeelte van de boa’s is bewapend met een vuurwapen. Zij dienen ook getoetst te worden voor de toets Schietvaardigheid Pistool. Eén toetser mag maximaal vier schutters tegelijk examineren. Dit neemt ongeveer 30 minuten in beslag. De training en voorbereiding van de boa’s en de toetsers zijn hierbij niet meegenomen.
Kunt u een percentage afgeven in hoeveel gevallen de Politieacademie zorgdraagt voor de RTGB-toetsing ten opzichte van de werknemer bij een particuliere werkgever van buitengewoon opsporingsambtenaren?
Elke boa die over politiebevoegdheden beschikt moet voldoen aan de verplichtingen binnen de RTGB. Voor de Domeinen I, II en IV gaat het om zo’n 6500 boa-aktes met politiebevoegdheden en/of geweldsmiddelen waarbij moet zijn voldaan aan de regels als gesteld in de RTGB. Een deel daarvan, bijvoorbeeld de boa’s van HTM, RET en NS worden door de werkgever zelf conform de RTGB getoetst. In domein VI gaat het om ongeveer 4200 RTGB-plichtige boa’s, de politie-boa’s daarbij niet meegerekend, waarbij een aanzienlijk deel van de boa’s binnen de eigen organisatie wordt getoetst. Voor de Domeinen III en V gaat het om enkele boa’s met politiebevoegdheden. Er wordt geen overzicht bijgehouden van het totaal aantal getoetste boa’s en waar deze dan zijn getoetst, bij een particuliere boa-werkgever dan wel bij een overheidsinstantie die opsporingsambtenaren in dienst heeft. De politieacademie geeft aan boa’s van ongeveer 140 werkgevers te toetsen en dit jaar ca. 6000 (her)certificeringen te hebben uitgevoerd. Van het totaal aantal RTGB-plichtige boa’s heeft de Politieacademie daarmee ongeveer 56% getoetst. Voor de overige 44% van de toetsen is niet vast te stellen of deze toetsen zijn afgenomen door een toetser in dienst van de betreffende (particuliere) boa-werkgever, of door een toetser in dienst van een andere (particuliere) boa-werkgever. Zoals hierboven staat aangegeven wordt hiervan geen overzicht bijgehouden.