Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
Het belasten arbeidsmigranten door gemeenten |
|
Tijs van den Brink (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Rijkaart , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belasting voor arbeidsmigranten: «Betalen niet mee aan schoonmaak en groen»», van Omroep Brabant, d.d. 08 januari 2026?1
Ja.
Deelt u de opvatting zoals die door de gemeente Helmond geschetst wordt dat arbeidsmigranten moeten bijdragen aan de openbare voorzieningen waar zij gebruik van maken, zoals openbaar groen en afvaldiensten, als ze tijdelijk woonachtig zijn in een gemeente?
Het kabinet deelt de opvatting dat arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven, net als andere inwoners van Nederlandse gemeenten, verplicht zijn zich in te schrijven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) en moeten meebetalen aan gemeentelijke voorzieningen via lokale belastingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het niet-inschrijven van arbeidsmigranten bij gemeenten in beeld is als een probleem? En hoe plaatst u dit in een bredere context van gemeenten die geen zicht hebben op de aantallen arbeidsmigranten die zich binnen hun gemeentegrenzen begeven?
Het is zeker een bekend probleem. Het kabinet werkt aan maatregelen naar aanleiding van het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten2. Een van de onderwerpen daarin is het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten. Op 9 september 2025 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en SZW samen met gemeenten werken aan de maatregelen3.
Kunt u aangeven in hoeverre de aanwezigheid van arbeidsmigranten die geen lokale belasting betalen een financiële last is voor gemeenten die bovengemiddeld veel arbeidsmigranten hebben?
Het kabinet heeft hier geen goed zicht op. Zoals bij vraag 3 aangegeven is het kabinet bekend met het probleem van het niet-inschrijven van arbeidsmigranten. In dat kader wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten.
Welke maatregelen neemt u om het niet-inschrijven van arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven tegen te gaan?
Al sinds het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is er aandacht voor het beter zicht krijgen op arbeidsmigratie via betere registratie. De Tweede Kamer is in november geïnformeerd over de voortgang van alle maatregelen, waaronder de maatregelen op het verbeteren van de registratie4. Zoals bij vraag 3 aangegeven heeft de Minister van SZW op 9 september 2025 in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van BZK en SZW momenteel samen met gemeenten werken aan deze en mogelijk aanvullende maatregelen.5
Welke mogelijkheden ziet u om, naast de bestaande initiatieven waarin ingezet wordt op de verantwoordelijkheid van werkgevers om zorg te dragen voor de huisvesting van hun werknemers, ook in te zetten op een verantwoordelijkheid van de werkgevers om erop toe te zien dat arbeidsmigranten die zijn naar Nederland halen ook ingeschreven worden?
In 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen door beide Kamers. In deze wet is een zorgplicht voor uitleners bij de registratie van arbeidskrachten opgenomen. Met deze zorgplicht worden uitleners verantwoordelijk om de registratie van arbeidskrachten te bevorderen en vervolgens te controleren of de persoon zich daadwerkelijk heeft laten inschrijven als ingezetene in de BRP. Ook komt er mogelijk een meldplicht. De zorgplicht wordt momenteel verder uitgewerkt in lagere regelgeving. Dit wordt samen met onder meer uitleners, vakbonden, gemeenten en uitvoeringsorganisaties gedaan. Het streven is de zorgplicht per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Op termijn wordt toezicht en handhaving op de plicht georganiseerd via het normenkader van de Wtta.
Bent u van mening dat een dergelijke relatief hoge verblijfsbelasting een geschikte methode is om arbeidsmigranten te stimuleren om zich in te schrijven bij gemeenten?
Het is aan gemeenten om te bepalen welke methode voor hen het meest passend is. Zij zijn zowel verantwoordelijk voor de registratie in de BRP als voor het heffen van lokale belastingen.
Beschikt u over een overzicht van welke gemeenten in Nederland reeds een dergelijke verblijfsbelasting voor arbeidsmigranten ingevoerd hebben?
Nee, een dergelijk overzicht heb ik niet. Wel is er openbare informatie over toeristenbelasting beschikbaar in de Atlas lokale lasten 2025 van het COELO6. Daaruit blijkt dat 93% van de gemeenten in 2025 toeristenbelasting hief.
Bent u bekend met het bericht dat steeds meer lokale bestuurders een veiligheidsscan laten uitvoeren, mede door de toename van online dreigingen?1
Ja, met dit bericht ben ik bekend.
Hoe beoordeelt u dat lokale bestuurders steeds vaker preventief veiligheidsscans laten uitvoeren vanwege online dreiging, en bent u het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit wijst op een structureel en genormaliseerd veiligheidsprobleem? Zo nee, waarom niet?
De veiligheidsscans voor decentrale bestuurders en de maatregelen die op basis hiervan getroffen worden zijn preventief. Bestuurders kunnen hiervan gebruik maken om hun weerbaarheid tegen dreigingen te vergroten, ook (en juist) wanneer de bestuurder nog geen agressie, intimidatie of bedreiging heeft meegemaakt. Het is dus goed dat decentrale bestuurders gebruik maken van de mogelijkheid om preventief maatregelen te laten treffen. Het is niettemin betreurenswaardig dat deze maatregelen überhaupt nodig zijn. Geweld tegen politieke ambtsdragers is niet normaal en dat moeten we ook absoluut niet normaal gaan vinden.
Over welke actuele cijfers en trends beschikt u met betrekking tot online intimidatie, bedreiging en doxing van lokale bestuurders, en hoe verhouden deze zich tot eerdere jaren?
Elke twee jaar laat ik onderzoek doen naar de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en intimidatie. De uitkomsten van dit onderzoek worden gepubliceerd in de Monitor Integriteit en Veiligheid. Sinds de editie van 2022 is hierin meer aandacht voor online agressie. Daaruit blijkt dat 39% van decentrale politieke ambtsdragers te maken heeft gehad met online agressie. In 2024 bedroeg dit 37%. Dit jaar verschijnt wederom de Monitor Integriteit en Veiligheid. Vanuit politie en het Openbaar Ministerie zijn nog geen definitieve cijfers bekend over het aantal zaken van doxing van politieke ambtsdragers. Wel is dit aantal tot nu toe zeer beperkt.
Welke landelijke, structurele voorzieningen ten behoeve van preventieve veiligheidsondersteuning van lokale bestuurders zijn er beschikbaar?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur en het Netwerk Weerbaar Bestuur zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Kunt u toelichten in hoeverre veiligheidsscans en de opvolging daarvan landelijk uniform zijn ingericht, of dat sprake is van versnippering in kwaliteit en aanpak?
Door de Regeling veilig wonen kunnen decentrale bestuurders sinds 1 januari 2024 een beveiligingsadvies op maat krijgen. Deze beveiligingsadviezen worden uitgevoerd door het CCV en gefinancierd door mijn ministerie. Veiligheidsexperts van het CCV werken volgens een uniform en zorgvuldig vastgesteld proces, van veiligheidsgesprek en woningschouw tot en met het opstellen van een adviesrapport. De CCV-adviseur spreekt met de bestuurder en diens werkgever en betrekt relevante openbroninformatie. Deze gecombineerde informatie vormt de basis voor het risicoprofiel en voor preventieve beveiligingsmaatregelen voor de individuele bestuurder. Er is in de advisering ruimte voor maatwerk. De experts bezien per situatie welke preventieve maatregelen passend en noodzakelijk zijn. Het rapport wordt door de Beveiligingsautoriteit van mijn ministerie getoetst op proportionaliteit en vervolgens vastgesteld. De uitvoering van het advies ligt bij de bestuurder en diens werkgever.
Hoe wordt voorkomen dat de mate van bescherming tegen online dreiging afhankelijk is van de grootte, financiële middelen of bestuurskracht van een gemeente?
Het is belangrijk dat alle gemeenten weerbaar zijn tegen de verschillende vormen van oneigenlijke druk, ongeacht de grootte, financiële middelen of bestuurskracht. Ik heb daarom aandacht voor de positie van kleinere gemeenten. Zo gaat het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur langs alle gemeenten, provincies en waterschappen om de bewustwording over risico’s en omgang met (online) agressie en intimidatie onder politici te vergroten, is het Netwerk Weerbaar Bestuur erop ingericht om kennisuitwisseling en regionale samenwerking tussen grote en kleinere gemeenten te stimuleren en bestaat er een speciale meerjarige decentralisatie-uitkering om de slagkracht van kleinere gemeenten tegen oneigenlijke druk te vergroten. Ook is bij de toekenning van de middelen via de decentralisatie-uitkering voor veiligere vergaderingen rekening gehouden met het inwoneraantal van de betreffende gemeenten en provincies, waarbij kleinere gemeenten relatief meer ontvangen.
Welke signalen heeft u dat aanhoudende online dreiging leidt tot zelfcensuur, terughoudendheid of aangepast optreden van lokale bestuurders?
Vanuit de media, gesprekken met lokale bestuurders en cijfers uit de Monitor Integriteit en Veiligheid ontvang ik signalen dat alle vormen van agressie verschillende negatieve effecten hebben. De effecten lopen uiteen van verminderd werkplezier tot aangepast social media gebruik en het zich niet meer kandideren voor een volgende bestuursperiode. Dit is onacceptabel. Bestuurders moeten vrij hun werk kunnen doen. Het is belangrijk dat bij aanhoudende online dreiging de organisatie en de politie worden ingeschakeld, zodat er bijvoorbeeld stopgesprekken plaatsvinden en eventueel strafrechtelijk kan worden opgetreden.
In hoeverre ziet u risico’s voor de instroom, het behoud en het functioneren van lokale bestuurders, en daarmee voor de continuïteit en kwaliteit van het lokaal bestuur?
Agressie en bedreigingen zijn een grote aantasting van het ongestoord functioneren van de lokale democratie. Toch komt uit onderzoek niet eenduidig naar voren dat politieke ambtsdragers hun ambt neerleggen vanwege agressie en bedreigingen. Ook noemen politieke partijen agressie en intimidatie niet als de belangrijkste reden waarom het lastig is om nieuwe kandidaten te vinden.
Een overgrote meerderheid van de politieke ambtsdragers die te maken krijgt met agressie ervaart hierdoor negatieve gevolgen. Dit tast de integriteit van het openbaar bestuur aan en daarom moeten we politieke ambtsdragers hierbij zo goed mogelijk ondersteunen.
Hoe is de samenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie ingericht bij signalen die voortkomen uit veiligheidsscans, en acht u deze samenwerking toereikend?
Signalen uit het adviesrapport van het CCV kunnen voor de bestuurder en/of werkgever aanleiding zijn voor contact met de lokale politie of het Openbaar Ministerie. Het is aan de vaste partners binnen de lokale veiligheidsdriehoek zelf om hierover waar nodig met elkaar in contact te treden. Er zijn mij geen signalen bekend dat dit niet goed verloopt. Daarnaast kan de Beveiligingsautoriteit van BZK naar aanleiding van een casus van een lokale bestuurder afstemming zoeken met de Politie of het OM om te bezien of eventuele aanvullende inzet te realiseren is.
Bent u bereid te bezien of een meer structurele landelijke aanpak, bijvoorbeeld via uniforme standaarden, centrale ondersteuning of aanvullende regelgeving, nodig is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging?
Hoewel er ruime mogelijkheden zijn om strafrechtelijk te kunnen optreden tegen intimidatie van lokale bestuurders en verstoringen van het democratische proces, blijkt dat online intimidaties en bedreigingen minder snel als strafbaar feit kunnen worden aangemerkt. Er is meer kennis nodig over online intimidatie en bedreiging en daar zet ik me de komende tijd voor in. Daarnaast ga ik aan de slag met modelaangifte voor decentrale politieke ambtsdragers waardoor de kwaliteit van aangiftes verbeterd en het doen van aangifte makkelijker wordt.
Ik ben bereid om samen met mijn ambtsgenoot van JenV te bezien of een meer structurele landelijke aanpak noodzakelijk en wenselijk is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging. Daarbij zal ik kijken naar de mogelijkheden van uniforme standaarden, versterking van ondersteuning en, waar nodig, aanvullende regelgeving wanneer strafrechtelijke vervolging onvoldoende kansrijk is.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
DCI heeft begin dit jaar de Raad van Accreditatie verzocht om de accreditatie voor het keuren van pleziervaartuigen en scheepsuitrustingen in te trekken. Per 1 september 2025 is deze accreditatie ingetrokken en is DCI geen erkende instelling (Notified Body – NoBo) meer. DCI heeft echter ten tijde van het laten intrekken van de accreditatie niet de technische dossiers overgedragen aan een andere NoBo of aan de markttoezichthouder, zoals voorgeschreven in de wet. Dit resulteerde in de situatie dat DCI, zonder te beschikken over de juiste accreditatie, nog in het bezit was van de technische dossiers. Het ministerie heeft geen berichten ontvangen dat deze situatie tot nadelige gevolgen voor jachtbouwers heeft geleid. Het ministerie en de markttoezichthouder (ILT) achtten het onwenselijk dat technische dossiers in het bezit waren van een organisatie waarvan de accreditatie – op eigen verzoek – was ingetrokken. De markttoezichthouder is dan ook een procedure gestart om de overdracht van de technische dossiers mogelijk te maken. Op 8 december jl. heeft de markttoezichthouder alle fysieke en digitale technische dossiers overgedragen gekregen. De dossiers met betrekking tot pleziervaartuigen zijn overgedragen aan een andere Nederlandse NoBo. De dossiers met betrekking tot scheepsuitrustingen zijn momenteel in het bezit van de markttoezichthouder. Deze dossiers staan ter beschikking van de betreffende eigenaren c.q. fabrikanten van deze dossiers. De fabrikanten zullen een nieuwe NoBo moeten vinden die beschikt over de juiste erkenning voor wat betreft scheepsuitrustingen. Binnen de EU zijn voldoende instellingen aanwezig die deze taak over kunnen nemen.
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Nederland kent op dit moment één NoBo voor de richtlijn pleziervaartuigen. Voor de richtlijn scheepsuitrustingen kent Nederland op dit moment vier NoBo’s, maar geen van deze instellingen beschikt over de accreditatie scope «reddingsmiddelen», waar het in dit geval om gaat.
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
De in antwoord 3 genoemde NoBo’s zijn in Nederlandse handen.
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
In antwoord op vragen d.d. 25 november 2020 over het bericht «Keuringsinstantie DCI Joure (NKIP) in Chinese handen» heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, aangegeven dat het kabinet in de overname van dit instituut dat toeziet op de kwaliteit van plezierjachten geen risico’s ziet voor de nationale veiligheid. Dit antwoord is nog steeds van toepassing op deze overname.
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Investeringstoetsing wetgeving is in Nederland ingevoerd om risico's voor de nationale veiligheid te beheersen. Private keuringsinstituten vallen buiten het toepassingsbereik van de nationale investeringstoetsing wetgeving.
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Het wordt niet opportuun geacht om in Europees verband een verbod te bedingen op buitenlandse overname van NoBo’s. Voor wat betreft scheepsuitrusting is deze casus voorgelegd aan de Europese Commissie, de lidstaten en de branche organisaties. Hierbij is afgesproken dat de komende revisie van de Richtlijn Scheepsuitrusting in 2026 extra aandacht zal besteden aan het handelingsperspectief van lidstaten voor die gevallen waarbij keuringsinstanties regels niet nakomen.
Bent u bekend met het bericht dat de Nederlandse Kustwacht door personeelstekorten beperkt handelingsperspectief heeft bij het signaleren en tegengaan van spionage- en sabotageactiviteiten op de Noordzee, mede in het licht van toenemende (digitale) dreigingen?1
Ja.
Heeft u inzicht in hoe groot het huidige capaciteitstekort is bij de Nederlandse Kustwacht, uitgesplitst naar personeel, vaartuigen en middelen, en wat dit concreet betekent voor het toezicht op de Noordzee? Zo ja, kunt u dit specificeren? Zo niet, wat bent u van plan doen om dit in kaart te brengen?
In 2023 is er een disbalans vastgesteld tussen het takenpakket van de Kustwacht en haar capaciteit. Door de opdrachtgevende departementen binnen het kustwachtsamenwerkingsverband is besloten om de capaciteit bij de Kustwacht op orde te brengen (toename van 43 FTE). Met deze additionele capaciteit is de Kustwacht in staat om haar huidige taken dienstverlening, handhaving en maritime security naar behoren uit te voeren. Voor een uitbreiding van taken in het kader van maritime security zullen nieuwe middelen beschikbaar gesteld moeten worden. Daarnaast ligt er een opdracht vanuit het Kustwachtsamenwerkingsverband om de organisatie en aansturing van de Kustwacht te onderzoeken. Het onderzoek moet antwoord geven op de vraag of het huidige model van de Kustwacht toekomstbestendig is. Ook wordt onderzocht hoe de huidige taken van de Kustwacht (dienstverlening, handhaving en maritime security) zich verhouden tot toekomstige ontwikkelingen, waaronder het op te bouwen National Maritime Security Centre (NMSC) dat onder regie van het Interdepartementaal Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) wordt uitgewerkt.2
In hoeverre acht u de bescherming van vitale infrastructuur op de Noordzee, zoals onderzeese kabels, pijpleidingen en windparken, op dit moment voldoende geborgd?
Het interdepartementale Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur (PBNI) is opgericht in 2023. Het programma heeft als doel om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. In 2024 en 2025 is door het programma ca. 44 mln. geïnvesteerd in het verbeteren van de beeldopbouw op de Noordzee, in het verhogen van de weerbaarheid van zowel de fysieke als digitale weerbaarheid van de Noordzee infrastructuur, het versterken van de crisisbeheersing, en het verbeteren van de nationale en internationale samenwerking (zowel publiek als privaat). Ook zijn er onderzoeken gedaan naar de meest kritieke infrastructuurpunten op de Noordzee, waar sensoren strategisch kunnen worden geplaatst en naar de governance van maritime security op de Noordzee.
Het onderzoek van ABDTOPConsult heeft aanbevolen om een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC) op te richten, waarin het bijeenbrengen en analyseren van verschillende datastromen moet samenkomen en uitvoerende organisaties sneller kunnen worden ingezet. Voor de zomer van 2025 is een kwartiermaker aangesteld om te kijken hoe het NMSC moet worden ingericht. Er zijn veel initiatieven ontplooid om de bescherming van de Noordzee infrastructuur te versterken. Om het gewenste niveau te bereiken en het Actieplan Strategie ter Bescherming Noordzee Infrastructuur volledig uit te voeren is structurele financiering nodig. Dit besluit wordt overgelaten aan het nieuwe kabinet. Om deze periode te overbruggen is door het huidige kabinet geld beschikbaar gesteld.
Acht u de huidige taakverdeling en samenwerking tussen Kustwacht, Koninklijke Marine en andere betrokken diensten passend bij de huidige dreiging van spionage en sabotage op zee? Zo niet, waar zit ruimte voor verbetering?
Alle betrokken uitvoeringsorganisaties werken hard om de dreiging van sabotage en spionage op de Noordzee aan te pakken. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 4 is één van de aanbevelingen van ABDTOPConsult om de samenwerking ter verbeteren op de Noordzee door o.a. de oprichting van een Nationaal Maritiem Security Centrum (NMSC).
Het NMSC is nodig voor het bijeenbrengen en analyseren van alle informatie van (zowel publieke als private) partijen die actief zijn op de Noordzee. Door gestructureerde samenwerking tussen de Kustwacht, Nationale Politie, Defensie, private partijen, buurlanden, inlichtingen- en veiligheidsdiensten moet een completer en actueler beeld van de situatie op de Noordzee ontstaan. Een ander belangrijk onderdeel van het NMSC is om uitvoerende organisaties, zoals de Kustwacht, Maritieme Politie en de Marine sneller te kunnen inzetten bij incidenten. Het beschermen van vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is echter een civiele verantwoordelijkheid die Defensie middels een bijstandsverlening aan het civiele gezag ondersteunt. Andere aanbevelingen gaan over het creëren van een goede wettelijke basis onder de informatiewisseling tussen overheid en private partijen en het zorgen voor voldoende capaciteit bij met name de Kustwacht, Defensie en Politie.
Bent u bereid de Koninklijke Marine een structureel grotere rol te geven bij de bescherming van de cruciale infrastructuur in de Noordzee? Zo niet, waarom niet?
Defensie heeft sinds juli 2023 een permanente taak op de Noordzee bij de bescherming van infrastructuur op de Noordzee. Zo bouwt Defensie beeld en begrip op van dreigingsactoren en factoren op de Noordzee. Daarnaast escorteert Defensie niet-NAVO eenheden door de Nederlandse EEZ. Dit gebeurt in afstemming met bondgenoten en wanneer daar aanleiding voor is.3 Het beschermen van de vitale infrastructuur op de Noordzee in vredestijd is een civiele verantwoordelijkheid. Defensie en in het bijzonder de Koninklijke Marine kan middels bijstandsverlening het civiele gezag daarin ondersteunen. Deze bijstand wordt op verzoek van het civiele gezag geleverd die de behoefte hiertoe formuleert. De Koninklijke Marine zet de komende jaren stappen om verder te ontwikkelen en vernieuwen. Capaciteiten ter versterking van de bescherming en maritime security op de Noordzee maken hier deel van uit.
Welke rol ziet u voor innovatie en technologische middelen, zoals onderwaterdrones, sensoren, autonome vaartuigen of satellietmonitoring, bij het verkleinen van het capaciteitstekort?
Vanuit Defensie speelt innovatie voor inzet op de Noordzee een centrale rol. Hierbij wordt een ambitie nagestreefd voor het interoperabel optreden van sensoren en effectoren van space naar zeebodem. Daar valt de integratie van de boven genoemde capaciteiten ook onder. Zo is in 2023 het Seabed Security Experimentation Centre (SeaSEC) in Scheveningen geopend, waar Nederland samen met Denemarken, Duitsland, Finland, Noorwegen en Zweden experimenteel onderzoek uitvoert om onderzeese infrastructuur te beschermen.
Hoe is de samenwerking met andere Noordzeelanden en internationale partners ingericht bij het detecteren en tegengaan van spionage en sabotage, en waar ziet u mogelijkheden tot intensivering?
Veiligheid staat hoog op de agenda van verschillende internationale organisaties en wordt actief vanuit de NAVO en de EU gestimuleerd. Vanuit de NAVO is de Critical Undersea Infrastructure Coordination Cell opgericht, waarin Nederland actief participeert. Daarnaast is er een samenwerkingsverband tussen het Verenigd Koninkrijk, België, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en Nederland. Door deze landen is een Joint Declaration of Intent (JDI) getekend om samen de bescherming van de infrastructuur te verbeteren. Dit wordt onder andere gedaan door het delen van informatie over incidenten, dreigingsbeelden en best practices, regelgeving op elkaar aan te sluiten en door het ontwikkelen van een gezamenlijke crisisrespons. De komende tijd wordt ook actiever de samenwerking opgezocht met de samenwerkende landen in de Baltische Zee.
Welke concrete maatregelen op korte en middellange termijn bent u voornemens te nemen om te voorkomen dat toezicht, handhaving en beveiliging op de Noordzee structureel tekortschieten?
De Kustwacht voert in opdracht van de samenwerkende departementen haar toezicht en handhavingsfunctie uit op de Noordzee, hiervoor worden de Kustwachtschepen en het Kustwachtvliegtuig ingezet. Dit najaar wordt een nieuw 24/7 schip operationeel wat de mogelijkheid geeft om langer op zee te zijn. Dit handhavingsvaartuig gaat reguliere toezicht en handhavingstaken uitvoeren. De verkenning naar de vervanging van de huidige handhavingsvaartuigen wordt deze maand opgestart.
Complementair aan deze civiele capaciteiten investeert Defensie, als onderdeel van de Defensienota 2022, in Intelligence, Surveillance and Reconnaissance (ISR-)capaciteit op de Noordzee. Met deze waarnemingscapaciteit kan Defensie dreigingen tegen vitale infrastructuur tijdig onderkennen, lokaliseren en volgen. Daarmee draagt deze capaciteit bij aan de afschrikking van mogelijke plegers van sabotage en spionage. Daarnaast bereidt Defensie de verwerving voor van twee licht-bemande schepen die een taak krijgen op de Noordzee. Met de vaartuigen kan Defensie proactief potentiële dreigingen opsporen en verdachte situaties monitoren. Hiervoor worden de schepen uitgerust met onderwaterapparatuur en sensoren. De schepen worden tevens ingezet om onderzoek te doen bij acute dreigingen en verstoringen. Defensie kan met deze investeringen invulling geven aan de taken die Defensie heeft op de Noordzee en, indien nodig, bijstand verlenen aan de Kustwacht.
Het belasten arbeidsmigranten door gemeenten |
|
Tijs van den Brink (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Rijkaart , Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Belasting voor arbeidsmigranten: «Betalen niet mee aan schoonmaak en groen»», van Omroep Brabant, d.d. 08 januari 2026?1
Ja.
Deelt u de opvatting zoals die door de gemeente Helmond geschetst wordt dat arbeidsmigranten moeten bijdragen aan de openbare voorzieningen waar zij gebruik van maken, zoals openbaar groen en afvaldiensten, als ze tijdelijk woonachtig zijn in een gemeente?
Het kabinet deelt de opvatting dat arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven, net als andere inwoners van Nederlandse gemeenten, verplicht zijn zich in te schrijven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) en moeten meebetalen aan gemeentelijke voorzieningen via lokale belastingen.
Kunt u aangeven in hoeverre het niet-inschrijven van arbeidsmigranten bij gemeenten in beeld is als een probleem? En hoe plaatst u dit in een bredere context van gemeenten die geen zicht hebben op de aantallen arbeidsmigranten die zich binnen hun gemeentegrenzen begeven?
Het is zeker een bekend probleem. Het kabinet werkt aan maatregelen naar aanleiding van het advies van het Aanjaagteam bescherming arbeidsmigranten2. Een van de onderwerpen daarin is het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten. Op 9 september 2025 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (BZK) en SZW samen met gemeenten werken aan de maatregelen3.
Kunt u aangeven in hoeverre de aanwezigheid van arbeidsmigranten die geen lokale belasting betalen een financiële last is voor gemeenten die bovengemiddeld veel arbeidsmigranten hebben?
Het kabinet heeft hier geen goed zicht op. Zoals bij vraag 3 aangegeven is het kabinet bekend met het probleem van het niet-inschrijven van arbeidsmigranten. In dat kader wordt gewerkt aan het verbeteren van de registratie van arbeidsmigranten om het zicht op hun verblijf in Nederland te vergroten.
Welke maatregelen neemt u om het niet-inschrijven van arbeidsmigranten die langer dan vier maanden in Nederland verblijven tegen te gaan?
Al sinds het rapport van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten is er aandacht voor het beter zicht krijgen op arbeidsmigratie via betere registratie. De Tweede Kamer is in november geïnformeerd over de voortgang van alle maatregelen, waaronder de maatregelen op het verbeteren van de registratie4. Zoals bij vraag 3 aangegeven heeft de Minister van SZW op 9 september 2025 in een Kamerbrief gerapporteerd over hoe de ministeries van BZK en SZW momenteel samen met gemeenten werken aan deze en mogelijk aanvullende maatregelen.5
Welke mogelijkheden ziet u om, naast de bestaande initiatieven waarin ingezet wordt op de verantwoordelijkheid van werkgevers om zorg te dragen voor de huisvesting van hun werknemers, ook in te zetten op een verantwoordelijkheid van de werkgevers om erop toe te zien dat arbeidsmigranten die zijn naar Nederland halen ook ingeschreven worden?
In 2025 is de Wet toelating terbeschikkingstelling van arbeidskrachten (Wtta) aangenomen door beide Kamers. In deze wet is een zorgplicht voor uitleners bij de registratie van arbeidskrachten opgenomen. Met deze zorgplicht worden uitleners verantwoordelijk om de registratie van arbeidskrachten te bevorderen en vervolgens te controleren of de persoon zich daadwerkelijk heeft laten inschrijven als ingezetene in de BRP. Ook komt er mogelijk een meldplicht. De zorgplicht wordt momenteel verder uitgewerkt in lagere regelgeving. Dit wordt samen met onder meer uitleners, vakbonden, gemeenten en uitvoeringsorganisaties gedaan. Het streven is de zorgplicht per 1 januari 2027 in werking te laten treden. Op termijn wordt toezicht en handhaving op de plicht georganiseerd via het normenkader van de Wtta.
Bent u van mening dat een dergelijke relatief hoge verblijfsbelasting een geschikte methode is om arbeidsmigranten te stimuleren om zich in te schrijven bij gemeenten?
Het is aan gemeenten om te bepalen welke methode voor hen het meest passend is. Zij zijn zowel verantwoordelijk voor de registratie in de BRP als voor het heffen van lokale belastingen.
Beschikt u over een overzicht van welke gemeenten in Nederland reeds een dergelijke verblijfsbelasting voor arbeidsmigranten ingevoerd hebben?
Nee, een dergelijk overzicht heb ik niet. Wel is er openbare informatie over toeristenbelasting beschikbaar in de Atlas lokale lasten 2025 van het COELO6. Daaruit blijkt dat 93% van de gemeenten in 2025 toeristenbelasting hief.
Bent u bekend met het bericht dat steeds meer lokale bestuurders een veiligheidsscan laten uitvoeren, mede door de toename van online dreigingen?1
Ja, met dit bericht ben ik bekend.
Hoe beoordeelt u dat lokale bestuurders steeds vaker preventief veiligheidsscans laten uitvoeren vanwege online dreiging, en bent u het met de leden van de CDA-fractie eens dat dit wijst op een structureel en genormaliseerd veiligheidsprobleem? Zo nee, waarom niet?
De veiligheidsscans voor decentrale bestuurders en de maatregelen die op basis hiervan getroffen worden zijn preventief. Bestuurders kunnen hiervan gebruik maken om hun weerbaarheid tegen dreigingen te vergroten, ook (en juist) wanneer de bestuurder nog geen agressie, intimidatie of bedreiging heeft meegemaakt. Het is dus goed dat decentrale bestuurders gebruik maken van de mogelijkheid om preventief maatregelen te laten treffen. Het is niettemin betreurenswaardig dat deze maatregelen überhaupt nodig zijn. Geweld tegen politieke ambtsdragers is niet normaal en dat moeten we ook absoluut niet normaal gaan vinden.
Over welke actuele cijfers en trends beschikt u met betrekking tot online intimidatie, bedreiging en doxing van lokale bestuurders, en hoe verhouden deze zich tot eerdere jaren?
Elke twee jaar laat ik onderzoek doen naar de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en intimidatie. De uitkomsten van dit onderzoek worden gepubliceerd in de Monitor Integriteit en Veiligheid. Sinds de editie van 2022 is hierin meer aandacht voor online agressie. Daaruit blijkt dat 39% van decentrale politieke ambtsdragers te maken heeft gehad met online agressie. In 2024 bedroeg dit 37%. Dit jaar verschijnt wederom de Monitor Integriteit en Veiligheid. Vanuit politie en het Openbaar Ministerie zijn nog geen definitieve cijfers bekend over het aantal zaken van doxing van politieke ambtsdragers. Wel is dit aantal tot nu toe zeer beperkt.
Welke landelijke, structurele voorzieningen ten behoeve van preventieve veiligheidsondersteuning van lokale bestuurders zijn er beschikbaar?
Vanuit het programma Weerbaar Bestuur en het Netwerk Weerbaar Bestuur zijn de volgende voorzieningen beschikbaar:
Kunt u toelichten in hoeverre veiligheidsscans en de opvolging daarvan landelijk uniform zijn ingericht, of dat sprake is van versnippering in kwaliteit en aanpak?
Door de Regeling veilig wonen kunnen decentrale bestuurders sinds 1 januari 2024 een beveiligingsadvies op maat krijgen. Deze beveiligingsadviezen worden uitgevoerd door het CCV en gefinancierd door mijn ministerie. Veiligheidsexperts van het CCV werken volgens een uniform en zorgvuldig vastgesteld proces, van veiligheidsgesprek en woningschouw tot en met het opstellen van een adviesrapport. De CCV-adviseur spreekt met de bestuurder en diens werkgever en betrekt relevante openbroninformatie. Deze gecombineerde informatie vormt de basis voor het risicoprofiel en voor preventieve beveiligingsmaatregelen voor de individuele bestuurder. Er is in de advisering ruimte voor maatwerk. De experts bezien per situatie welke preventieve maatregelen passend en noodzakelijk zijn. Het rapport wordt door de Beveiligingsautoriteit van mijn ministerie getoetst op proportionaliteit en vervolgens vastgesteld. De uitvoering van het advies ligt bij de bestuurder en diens werkgever.
Hoe wordt voorkomen dat de mate van bescherming tegen online dreiging afhankelijk is van de grootte, financiële middelen of bestuurskracht van een gemeente?
Het is belangrijk dat alle gemeenten weerbaar zijn tegen de verschillende vormen van oneigenlijke druk, ongeacht de grootte, financiële middelen of bestuurskracht. Ik heb daarom aandacht voor de positie van kleinere gemeenten. Zo gaat het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur langs alle gemeenten, provincies en waterschappen om de bewustwording over risico’s en omgang met (online) agressie en intimidatie onder politici te vergroten, is het Netwerk Weerbaar Bestuur erop ingericht om kennisuitwisseling en regionale samenwerking tussen grote en kleinere gemeenten te stimuleren en bestaat er een speciale meerjarige decentralisatie-uitkering om de slagkracht van kleinere gemeenten tegen oneigenlijke druk te vergroten. Ook is bij de toekenning van de middelen via de decentralisatie-uitkering voor veiligere vergaderingen rekening gehouden met het inwoneraantal van de betreffende gemeenten en provincies, waarbij kleinere gemeenten relatief meer ontvangen.
Welke signalen heeft u dat aanhoudende online dreiging leidt tot zelfcensuur, terughoudendheid of aangepast optreden van lokale bestuurders?
Vanuit de media, gesprekken met lokale bestuurders en cijfers uit de Monitor Integriteit en Veiligheid ontvang ik signalen dat alle vormen van agressie verschillende negatieve effecten hebben. De effecten lopen uiteen van verminderd werkplezier tot aangepast social media gebruik en het zich niet meer kandideren voor een volgende bestuursperiode. Dit is onacceptabel. Bestuurders moeten vrij hun werk kunnen doen. Het is belangrijk dat bij aanhoudende online dreiging de organisatie en de politie worden ingeschakeld, zodat er bijvoorbeeld stopgesprekken plaatsvinden en eventueel strafrechtelijk kan worden opgetreden.
In hoeverre ziet u risico’s voor de instroom, het behoud en het functioneren van lokale bestuurders, en daarmee voor de continuïteit en kwaliteit van het lokaal bestuur?
Agressie en bedreigingen zijn een grote aantasting van het ongestoord functioneren van de lokale democratie. Toch komt uit onderzoek niet eenduidig naar voren dat politieke ambtsdragers hun ambt neerleggen vanwege agressie en bedreigingen. Ook noemen politieke partijen agressie en intimidatie niet als de belangrijkste reden waarom het lastig is om nieuwe kandidaten te vinden.
Een overgrote meerderheid van de politieke ambtsdragers die te maken krijgt met agressie ervaart hierdoor negatieve gevolgen. Dit tast de integriteit van het openbaar bestuur aan en daarom moeten we politieke ambtsdragers hierbij zo goed mogelijk ondersteunen.
Hoe is de samenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie ingericht bij signalen die voortkomen uit veiligheidsscans, en acht u deze samenwerking toereikend?
Signalen uit het adviesrapport van het CCV kunnen voor de bestuurder en/of werkgever aanleiding zijn voor contact met de lokale politie of het Openbaar Ministerie. Het is aan de vaste partners binnen de lokale veiligheidsdriehoek zelf om hierover waar nodig met elkaar in contact te treden. Er zijn mij geen signalen bekend dat dit niet goed verloopt. Daarnaast kan de Beveiligingsautoriteit van BZK naar aanleiding van een casus van een lokale bestuurder afstemming zoeken met de Politie of het OM om te bezien of eventuele aanvullende inzet te realiseren is.
Bent u bereid te bezien of een meer structurele landelijke aanpak, bijvoorbeeld via uniforme standaarden, centrale ondersteuning of aanvullende regelgeving, nodig is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging?
Hoewel er ruime mogelijkheden zijn om strafrechtelijk te kunnen optreden tegen intimidatie van lokale bestuurders en verstoringen van het democratische proces, blijkt dat online intimidaties en bedreigingen minder snel als strafbaar feit kunnen worden aangemerkt. Er is meer kennis nodig over online intimidatie en bedreiging en daar zet ik me de komende tijd voor in. Daarnaast ga ik aan de slag met modelaangifte voor decentrale politieke ambtsdragers waardoor de kwaliteit van aangiftes verbeterd en het doen van aangifte makkelijker wordt.
Ik ben bereid om samen met mijn ambtsgenoot van JenV te bezien of een meer structurele landelijke aanpak noodzakelijk en wenselijk is om lokale bestuurders beter te beschermen tegen online intimidatie en bedreiging. Daarbij zal ik kijken naar de mogelijkheden van uniforme standaarden, versterking van ondersteuning en, waar nodig, aanvullende regelgeving wanneer strafrechtelijke vervolging onvoldoende kansrijk is.
Bedreigingen en intimidatie van bestuurders |
|
Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Rijkaart |
|
|
|
|
Hebt u kennisgenomen van de berichten over de bedreigingen en intimidaties van lokale bestuurders in onder andere Limburg, in het bijzonder in Venlo, naar aanleiding van de plannen voor asielopvang?1
Ja.
Herkent u het beeld dat lokale bestuurders vaker het gevoel hebben dat zij zich niet gesteund voelen door de landelijke politiek?
Ik wil nogmaals onderstrepen dat het onacceptabel is dat bestuurders en volksvertegenwoordigers bedreigd en geïntimideerd worden. Zij zetten zich in voor ons allemaal en voor onze democratie. Zij verdienen daarvoor alle steun. Bestuurders en volksvertegenwoordigers liggen onder vuur, zo geven bestuurders aan in gesprekken die ik met hen voer over intimidaties en bedreigingen. Zij verwachten hierbij terecht steun vanuit de landelijke politiek.
Wat is uw reactie op de signalen van bestuurders, onder wie gouverneur Roemer, dat de emmer aan het overlopen is en dat het maatschappelijk draagvlak voor lokaal bestuur ernstig onder druk staat door aanhoudende agressie en intimidatie?2
Net als de heer Roemer maak ik me grote zorgen over de ernst en de intensiteit van de agressie en intimidatie richting het lokaal bestuur. Het is een grondrecht in Nederland om als burger je onvrede kenbaar te maken, maar dreigementen en geweld gaan een grens over.
Deelt u de zorgen dat lokale bestuurders steeds vaker tussen twee vuren zitten: enerzijds de wettelijke opvangplicht en anderzijds de vaak felle lokale weerstand?
Ik zie de worsteling van lokale bestuurders die op dit moment nog een besluit moeten nemen over de wettelijke opvangplicht. Zoals ik eerder heb aangegeven, is de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet) nog steeds van toepassing en zal daarom door gemeenten moeten worden uitgevoerd. Tegelijk probeer ik bestuurders vanuit Den Haag zo goed mogelijk te ondersteunen bij deze lastige opgave.
Kunt u zich voorstellen dat lokale bestuurders zich door Den Haag in de steek gelaten voelen bij besluiten rond asielopvang?
Het kabinet steunt het lokale bestuur bij de uitvoering van hun wettelijke taken. Zolang de Spreidingswet van kracht is, dient deze uitgevoerd te worden. Daar staat dit kabinet voor.
Hoe zorgt u ervoor dat democratisch genomen besluiten, op welk bestuursniveau dan ook, actief worden gesteund door het kabinet, om daarmee te voorkomen dat lokale politici in de problemen komen door verwarrende dubbele boodschappen?
Besluiten die volgens de democratische spelregels tot stand zijn gekomen, moeten worden gerespecteerd en uitgevoerd. Daar staat dit kabinet voor en daar zet ik mij als Minister voor in.
Kunt u een overzicht geven van hoe vaak de afgelopen twee jaar meldingen zijn gedaan van bedreigingen of intimidatie aan het adres van gemeentelijke bestuurders? Zo ja, kunt u dit uitsplitsen per provincie?
Eens per twee jaar laat ik de Monitor Integriteit en Veiligheid uitvoeren. Dit onderzoek rapporteert onder meer over de mate waarin lokale politieke ambtsdragers te maken krijgen met agressie en geweld. In de meest recente Monitor uit 2024 geeft 45% van alle decentrale politieke ambtsdragers aan in het afgelopen jaar te maken te hebben gehad met een vorm van agressie. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 2014, toen dit aantal nog 22% was. Het aantal zeer ernstige incidenten is in die tijd ook verdubbeld, van 8% naar 15% van het totaal aantal gevallen van agressie.
Van de politieke ambtsdragers die te maken hebben gehad met agressie of intimidatie, deed slechts zes procent aangifte. Van ernstige incidenten wordt vaker aangifte gedaan (14%).
Deze cijfers zijn op basis van de Monitor niet uit te splitsen per provincie.
Op welke manier wordt de drie miljoen euro ingezet die het kabinet eerder al heeft uitgetrokken om raadsvergaderingen veiliger te laten verlopen?3
De middelen kunnen door gemeenten en provincies worden besteed aan een veiligheidsprotocol, het uitvoeren van een veiligheidsscan of het aanpassen van de vergaderzaal. De gemeenten en provincies gaan er zelf over hoe ze deze middelen besteden. Er is een leernetwerk opgezet om ervaringen uit te wisselen over het verbeteren van de veiligheid en toegankelijkheid van vergaderingen en bijeenkomsten.
Kunt u toelichten welke maatregelen verder worden overwogen of voorbereid om verdere escalatie te voorkomen, ook in andere delen van het land waar gemeenten worstelen met de opvangopgave en maatschappelijke spanningen?
BZK werkt samen met de Ministeries van J&V, AenM en SZW, de VNG, het Nederlands Genootschap van Burgemeesters en de nationale politie aan het programma Maatschappelijke onrust en ongenoegen. Dit programma heeft tot doel gemeenten te ondersteunen bij maatschappelijke spanningen, ongenoegen en onrust. Vanwege de spanningen die gepaard gaan met huisvesting van asielzoekers en statushouders wordt samen met bijvoorbeeld SZW en de VNG, actief ondersteuning aan gemeenten op dit thema geboden.
Gezien de huidige ontwikkelingen moet ik constateren dat de huidige inzet niet afdoende is. Verdere investeringen in bijvoorbeeld de veiligheid van vergaderingen en het tegengaan van escalatie zijn noodzakelijk. Het is aan een volgend kabinet om hier keuzes in te maken.
In hoeverre heeft u zicht op extremistische of georganiseerde groepen die bewust inspelen op onrust rond asielopvanglocaties? Worden gemeenten hierover actief geïnformeerd?
De NCTV heeft door middel van de Wet Coördinatie Terrorismebestrijding en Nationale Veiligheid de bevoegdheid om trends en fenomenen te duiden, maar kan geen onderzoek doen naar personen en groepen. In algemene zin waarschuwt de NCTV al een langere tijd voor de dreiging van rechts-extremisme en dat onder andere de normalisering van rechts-extremistisch gedachtegoed in uiterste gevallen kan leiden tot geweld. Gemeenten worden door de NCTV over de trendmatige ontwikkelingen in de dreiging geïnformeerd, bijvoorbeeld door middel van het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN). In het DTN van december 20254 schrijft de NCTV dat rechts-extremisten aanwezig zijn bij protesten tegen opvanglocaties voor asielzoekers en anti-immigratieprotesten en zich voorafgaand aan dergelijke protesten actief mengen in het online debat.
Het artikel 'Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?' |
|
Maes van Lanschot (CDA), Luciënne Boelsma-Hoekstra (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Tieman |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Chinese eigenaar doekt ineens Fries bedrijf op. Waar zijn de bedrijfsgeheimen van klanten?» van Follow the Money?1
Ja.
Kunt u een reactie geven op de in het artikel genoemde casus en daarbij ook ingaan op gevolgen voor de jachtbouwers wiens bedrijfsgevoelige gegevens bij de desbetreffende keuringsinstantie bekend waren?
DCI heeft begin dit jaar de Raad van Accreditatie verzocht om de accreditatie voor het keuren van pleziervaartuigen en scheepsuitrustingen in te trekken. Per 1 september 2025 is deze accreditatie ingetrokken en is DCI geen erkende instelling (Notified Body – NoBo) meer. DCI heeft echter ten tijde van het laten intrekken van de accreditatie niet de technische dossiers overgedragen aan een andere NoBo of aan de markttoezichthouder, zoals voorgeschreven in de wet. Dit resulteerde in de situatie dat DCI, zonder te beschikken over de juiste accreditatie, nog in het bezit was van de technische dossiers. Het ministerie heeft geen berichten ontvangen dat deze situatie tot nadelige gevolgen voor jachtbouwers heeft geleid. Het ministerie en de markttoezichthouder (ILT) achtten het onwenselijk dat technische dossiers in het bezit waren van een organisatie waarvan de accreditatie – op eigen verzoek – was ingetrokken. De markttoezichthouder is dan ook een procedure gestart om de overdracht van de technische dossiers mogelijk te maken. Op 8 december jl. heeft de markttoezichthouder alle fysieke en digitale technische dossiers overgedragen gekregen. De dossiers met betrekking tot pleziervaartuigen zijn overgedragen aan een andere Nederlandse NoBo. De dossiers met betrekking tot scheepsuitrustingen zijn momenteel in het bezit van de markttoezichthouder. Deze dossiers staan ter beschikking van de betreffende eigenaren c.q. fabrikanten van deze dossiers. De fabrikanten zullen een nieuwe NoBo moeten vinden die beschikt over de juiste erkenning voor wat betreft scheepsuitrustingen. Binnen de EU zijn voldoende instellingen aanwezig die deze taak over kunnen nemen.
Kunt u aangegeven hoeveel private keuringsinstituten, ook wel notified bodies, geprivatiseerde controleurs of aangemelde instanties, zijn er in Nederland?
Nederland kent op dit moment één NoBo voor de richtlijn pleziervaartuigen. Voor de richtlijn scheepsuitrustingen kent Nederland op dit moment vier NoBo’s, maar geen van deze instellingen beschikt over de accreditatie scope «reddingsmiddelen», waar het in dit geval om gaat.
Kunt u aangegeven hoeveel hiervan in buitenlandse handen zijn, uitgesplitst in Europese Unie (EU), niet-EU en Chinees?
De in antwoord 3 genoemde NoBo’s zijn in Nederlandse handen.
Erkent u dat er risico’s zijn ten aanzien van onder andere kennislekkage bij verkoop van private keuringsinstanties aan buitenlandse actoren?
In antwoord op vragen d.d. 25 november 2020 over het bericht «Keuringsinstantie DCI Joure (NKIP) in Chinese handen» heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, mede namens de Minister van Economische Zaken en Klimaat en de Minister van Justitie en Veiligheid, aangegeven dat het kabinet in de overname van dit instituut dat toeziet op de kwaliteit van plezierjachten geen risico’s ziet voor de nationale veiligheid. Dit antwoord is nog steeds van toepassing op deze overname.
Welke mate van toetsing of screening vooraf geldt er op dit moment bij de verkoop van private keuringsinstituten aan buitenlandse actoren?
Investeringstoetsing wetgeving is in Nederland ingevoerd om risico's voor de nationale veiligheid te beheersen. Private keuringsinstituten vallen buiten het toepassingsbereik van de nationale investeringstoetsing wetgeving.
Welke inzet pleegt u in Europees verband om de overname van private keuringsinstituten door buitenlandse bedrijven aan banden te leggen?
Het wordt niet opportuun geacht om in Europees verband een verbod te bedingen op buitenlandse overname van NoBo’s. Voor wat betreft scheepsuitrusting is deze casus voorgelegd aan de Europese Commissie, de lidstaten en de branche organisaties. Hierbij is afgesproken dat de komende revisie van de Richtlijn Scheepsuitrusting in 2026 extra aandacht zal besteden aan het handelingsperspectief van lidstaten voor die gevallen waarbij keuringsinstanties regels niet nakomen.
Kunt u toelichten hoe de aanwijzing van de vier gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede als grootschalige woningbouwlocatie zich verhoudt tot het feit dat zij hierdoor niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn?1
Om de regionale spreiding van rijksinvesteringen voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen te borgen is een scheiding gemaakt tussen woningbouwlocaties in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en woningbouwlocaties daarbuiten (de zgn. «woningbouw op korte termijn», hierna: WoKT). Projecten voor woningbouwlocaties die binnen de nationaal grootschalige woningbouwgebieden vallen konden enkel aanspraak maken op het budget dat voor deze gebieden werd gereserveerd en andersom.
Voor de gemeenten Alkmaar, Apeldoorn, Helmond en Hengelo-Enschede betekent de aanwijzing van nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden binnen hun gemeentegrenzen eerder dit jaar, dat zij voor projecten binnen dat geografische gebied geen aanvraag meer konden doen voor een bijdrage uit het WoKT budget, maar wel voor het infrabudget dat was gereserveerd voor nationaal grootschalige woningbouwgebieden én het gebiedsbudget van VRO. Voor projecten buiten deze nationaal grootschalige woningbouwgebieden konden gemeenten nog altijd een WoKT voorstel indienen. Zo ontvangt de gemeente Apeldoorn naast gebiedsbudget ook middelen uit het WoKT budget (ca. € 2,9 miljoen).
Hoe weegt u het feit dat deze vier gemeenten niet langer in aanmerking komen voor de regeling Woningbouw op Korte Termijn, terwijl er op dit moment ook nog geen perspectief is op financiering vanuit de middelen voor de infrastructurele ontsluiting van de grootschalige woningbouwlocaties, en zij daarmee dus tussen wal en schip vallen?
De volledige € 2,5 miljard die dit kabinet uittrok voor het ontsluiten en bereikbaar maken van nieuwe woningen in de nationaal grootschalige woningbouwgebieden en daarbuiten is verdeeld2. Het beperkte budget heeft geleid tot het kabinetsbesluit om aan de in de ontwerp-Nota Ruimte aangewezen nationaal grootschalige woningbouwgebieden (Alkmaar Kanaalzone, Binnenstad, spoor- en kanaalzone Apeldoorn, Helmond Centrum+ en Spoorzone Hengelo-Enschede (SHE) nu alleen gebiedsbudget (ongeveer € 100 miljoen) toe te kennen. Met dit budget kunnen eerste stappen gezet worden. Dat is niet genoeg voor de totale ontwikkeling van deze gebieden. Het is aan een nieuw kabinet om te bezien of en hoe de noodzakelijke mobiliteitsmaatregelen alsnog geborgd kunnen worden. We zijn hierover met de betreffende gemeenten in gesprek.
Welke risico’s ziet u voor de voortgang van de woningbouwopgave in deze vier gemeenten, gegeven het ontbreken van financieringsperspectief voor de noodzakelijke ontsluitende infrastructuur?
Met de toekenning van € 100 mln. gebiedsbudget (VRO) aan de nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden in de genoemde vier gemeenten kunnen eerste stappen gezet worden. Samen met het Ministerie van VRO is het Ministerie van IenW de komende periode met de betrokken gemeenten in gesprek om de mogelijkheden en risico’s van deze situatie voor de voortgang van de woningbouwopgave nader in kaart te brengen.
Zou u, samen met deze vier gemeenten en de betrokken provincies, in kaart willen brengen welke ontsluitende infrastructuur benodigd is om de woningbouwopgave te kunnen realiseren, en welke financieringsopgave daarbij hoort?
In aanloop naar de verdeling van de beschikbare middelen hebben ook de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden een propositie voor de ontsluiting van deze gebieden ingediend. Op basis daarvan is het Ministerie van IenW komende periode samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort.
Hoe gaat u deze vier gemeenten en de betrokken provincies betrekken bij de toekomstige besluitvorming over de financiering van de ontsluitende infrastructuur voor grootschalige woningbouwlocaties?
Er kan geen toezegging gedaan worden over de toekomstige besluiten en financiering van de benodigde infrastructuur voor grootschalige woningbouwgebieden, omdat dit aan een nieuw kabinet is. In de vier nieuwe nationaal grootschalige woningbouwgebieden kunnen op korte termijn veel nieuwe woningen worden gebouwd als wordt geïnvesteerd in de bereikbaarheid van de woningbouwlocaties. De al ingediende proposities kunnen daarvoor als basis dienen.
Wat gaat u eraan doen om te voorkomen dat deze vier gemeenten daadwerkelijk tussen wal en schip vallen bij de rijksfinanciering van hun woningbouw- en infrastructuuropgave? Zou u de Kamer over deze inspanningen willen informeren?
Zoals aangegeven is het Ministerie van IenW samen met het Ministerie van VRO met de betrokken gemeenten in gesprek om te bespreken welke ontsluitende infrastructuur benodigd is en welke financieringsopgave daarbij hoort. Over de uitkomsten hiervan wordt de Kamer in het voorjaar geïnformeerd. Besluitvorming over het toekennen van eventuele nieuwe rijksmiddelen is echter aan een nieuw kabinet.
Hoe beziet u het feit dat er op dit moment een financieringsgat bestaat in de wijze waarop infrastructuur voor woningbouw wordt ondersteund op het moment dat woningbouwlocaties overgaan naar de status van grootschalige woningbouwlocatie? Zou u willen inventariseren welke verbeteringen mogelijk zijn om te voorkomen dat gemeenten hierdoor tussen wal en schip raken?
Het feit dat het financieel tekort op de infrastructuurmaatregelen nu niet wordt gedekt komt niet voort uit de aanwijzing tot nationaal grootschalig woningbouwgebied, maar is een consequentie van het beperkte budget dat dwingt tot de gemaakte kabinetskeuze. Als de woningbouwlocaties in de vier betreffende gemeenten niet tot nationaal grootschalig woningbouwgebied waren aangewezen dan zouden de voorstellen hiervoor binnen de WoKT kaders zijn beoordeeld en geprioriteerd. Tevens kon dan geen aanspraak op het gebiedsbudget worden gemaakt, waaruit nu € 100 miljoen is toebedeeld.