Bent u bekend met de berichtgeving van Omroep Zeeland en de brandbrief van de Vakvereniging Brandweer Vrijwilligers over de circa dertig Zeeuwse brandweervrijwilligers die door de toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 in ernstige financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke problemen dreigen te komen?1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Deelt u de opvatting dat het onwenselijk is dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid hierdoor persoonlijk financieel nadeel kunnen ondervinden?
Ja, het is onwenselijk dat mensen die zich vrijwillig inzetten voor de openbare veiligheid hier persoonlijk financieel nadeel door ondervinden. Het gaat in deze gevallen om brandweervrijwilligers die in dienst zijn van een Nederlandse Veiligheidsregio in de grensstreek en daarnaast in dienst zijn bij een werkgever in België. Dat mensen bereid zijn zich in te zetten voor de vrijwillige brandweer is een groot goed. Zij zijn essentieel voor de brandweerzorg in Nederland. Daarom werk ik aan oplossingen op zowel de korte als de lange termijn. Met betrekking tot veel van de brandweerlieden die nu bekend zijn bij de SVB is inmiddels gelukkig gebleken dat zij op basis van de huidige regelgeving al sociaal onderworpen kunnen blijven in België (waar hun hoofdwerkgever gevestigd is). Daarnaast wordt met België gekeken of in meer gevallen de wetgeving van de hoofdwerkgever van toepassing kan blijven, wanneer er wordt gestart met een klein dienstverband bij de vrijwillige brandweer in de andere lidstaat.
Het feit dat zij brandweervrijwilliger in Nederland en daarnaast werknemer in België zijn, hoeft geen persoonlijk financieel nadeel te betekenen. Het is daarbij van belang dat vanaf het begin van de werkzaamheden voor de brandweer nagegaan wordt in welk land de brandweervrijwilliger sociaal verzekerd is en waar de betrokkene en zijn werkgever(s) premies moeten afdragen. Iedereen die gaat werken in twee of meer (lid)staten is namelijk op basis van Verordening 883/2004 verplicht om dat te melden bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) of in dit geval een Belgisch bevoegd orgaan. Zo kunnen hun werkgevers direct afdragen in het juiste stelsel en wordt voorkomen dat achteraf premie teruggevraagd moet worden in het ene land, en alsnog moet worden betaald in het andere land. Hiermee worden hoge na- en terugbetalingen voorkomen. Op het moment dat pas later gemeld wordt dat iemand in meerdere landen werkt, kan het zijn dat achteraf blijkt dat iemand niet onder het socialezekerheidsstelsel valt van het land waar premies zijn afgedragen. Daarom zet ik ook in op betere communicatie richting deze doelgroep.
U heeft inmiddels aangegeven2 dat Nederland en België verkennen of een structurele kaderuitzondering op grond van artikel 16 van Verordening (EG) nr. 883/2004 mogelijk en wenselijk is en dat deze verkenning naar verwachting ten minste een half jaar zal duren. Welke concrete stappen worden in deze periode gezet, welke planning is hiervoor afgesproken en wanneer verwacht u een definitief besluit?
Op basis van Verordening 883/2004 is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. Twee lidstaten kunnen op grond van artikel 16 van deze verordening gezamenlijk besluiten om in een individueel geval af te wijken van de aanwijsregels. Dit kan wanneer de aanwijsregels in een bepaald individueel geval zouden leiden tot onwenselijke uitkomst die niet in lijn is met de geest van de verordening.
Samen met België ben ik aan het verkennen of we een kaderovereenkomst kunnen sluiten om het voor meer brandweervrijwilligers mogelijk te maken om in België te werken zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke socialezekerheidsstelsel. Bij een kaderovereenkomst spreken lidstaten met elkaar af onder welke voorwaarden zij een verzoek voor een uitzonderingsovereenkomst altijd accepteren. Een kaderovereenkomst wordt afgesloten voor een groep mensen en geeft deze groep dus op voorhand zekerheid over het toe te passen socialezekerheidsstelsel als ze een aanvraag indienen om een artikel 16-overeenkomst te sluiten.
Bij deze verkenning zoek ik daarom naar een oplossing in de geest van Verordening 883/2004 om af te wijken van de aanwijsregels, waarbij de uitvoering voor de SVB zo min mogelijk verzwaard wordt. Dat doe ik omdat ik begrip heb voor deze doelgroep en het belangrijk vind dat mensen zich in willen zetten voor de vrijwillige brandweer. Maar iedere uitzondering op de hoofdregels maakt de uitvoering voor de SVB moeilijker, waarbij de internationale dienstverlening al complex en arbeidsintensief is en er juist bekeken wordt hoe we dit kunnen vereenvoudigen.3
Ik verwacht dat dit proces minimaal een half jaar in beslag zal nemen. Voor het afsluiten van een kaderovereenkomst ben ik uiteraard afhankelijk van de bereidheid en medewerking van alle betrokken partijen.
Klopt het dat deze Europese regelgeving oorspronkelijk bedoeld is om grensoverschrijdend werken te vergemakkelijken? Hoe verhoudt dat doel zich volgens u tot de huidige situatie, waarin vrijwilligers juist worden ontmoedigd zich in te zetten voor de openbare veiligheid?
Het doel van Verordening 883/2004 is coördinatie van de verschillende nationale socialezekerheidsstelsels. Onder andere door te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Dit doel wordt ook gehaald. Deze regels zijn echter in de praktijk dusdanig toegepast dat dit negatieve effecten heeft op de mate waarin mensen zich beschikbaar willen stellen voor functies in de openbare veiligheid. Dit is ongewenst, zowel vanuit persoonlijk alsook vanuit maatschappelijk perspectief. Veiligheid en brandweerzorg in het bijzonder zijn immers ook grensoverschrijdend georganiseerd.
De in de verordening neergelegde zogenaamde «aanwijsregels» schrijven voor welk nationaal socialezekerheidsstelsel van toepassing is. Uitgangspunt is dat iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd is, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. De hoofdregel is dat personen verzekerd zijn in het land waar ze werken. Voor werken in meerdere landen geldt voor ambtenaren de aanwijsregel dat zij verzekerd zijn in het land waar ze voor werken. In dat land worden eventuele premies afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Wanneer iemand twee banen in verschillende lidstaten heeft, moet één van beide werkgevers voldoen aan de verplichtingen in de andere lidstaat (waaronder bijvoorbeeld premiebetaling). In het geval van de brandweervrijwilliger bepaalt de verordening dat de Belgische werkgever in het Nederlandse stelsel premies afdraagt (in plaats van dat de Veiligheidsregio moet voldoen aan de verplichtingen van het Belgische stelsel). Dit komt omdat de brandweervrijwilligers zijn aangemerkt als ambtenaren.
De Belgische werkgevers weigeren in voorkomende gevallen premies af te dragen in Nederland.
Hierdoor ontstaan er de volgende problemen:
Welke bewindspersoon voert op dit dossier de regie richting de Belgische autoriteiten en op welke wijze werken de ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Justitie en Veiligheid (JenV) en Financiën hierin samen?
Als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb ik de bevoegdheid om voor groepen personen met andere lidstaten een kaderovereenkomst te sluiten op grond van artikel 16 van Verordening 883/2004. Waar nodig, sta ik bij dit dossier in contact met mijn collega’s van Justitie en Veiligheid, Financiën en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Bent u bereid om, vooruitlopend op een structurele oplossing, samen met Veiligheidsregio Zeeland een tijdelijke voorziening te treffen waardoor betrokken vrijwilligers geen financieel, fiscaal of sociaalzekerheidsrechtelijk nadeel ondervinden? Geldt deze tijdelijke voorziening dan ook voor de ongeveer dertig vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering inmiddels is verlopen, of uitsluitend voor de twee à drie vrijwilligers waarvan een lopende uitzondering binnenkort afloopt?
Met de verkenning naar de kaderovereenkomst zet ik mij in voor een structurele oplossing die voor de toekomst regelt dat brandweervrijwilligers die ook in België werken tot 25 procent van hun werktijd of inkomen werkzaamheden voor de vrijwillige brandweer kunnen verrichten zonder dat dit leidt tot een verandering van het toepasselijke sociale zekerheidsstelsel.
Bij de SVB zijn op dit moment 16 gevallen bekend.
In het verleden zijn door middel van artikel 16-overeenkomsten ten onrechte uitzonderingen gemaakt op de aanwijsregels voor structurele situaties. Voor deze gevallen werkt de SVB mee aan een laatste artikel 16-overeenkomst voor een periode van twee jaar, vanwege het gewekte vertrouwen en het rechtszekerheidsbeginsel. Het gaat hierbij om bestaande overeenkomsten die in 2026 aflopen. Tot nu toe zijn voor 2 mensen artikel 16-overeenkomsten op deze basis verlengd. Na twee jaar kan met zekerheid gesteld worden dat de verkenning is afgerond en is er duidelijkheid over het wel of niet bestaan van een structurele oplossing. Betrokkenen hebben dan voldoende tijd gehad daarop te anticiperen.
De SVB onderzoekt ook voor brandweervrijwilligers of sprake is van marginale werkzaamheden. Als de vrijwillige werkzaamheden als marginaal worden beschouwd (minder dan of gelijk aan 5% van arbeidstijd/inkomen), worden ze niet in aanmerking genomen bij het bepalen van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving. Dit zal betekenen dat de brandweervrijwilligers in België verzekerd zijn en hun situatie niet hersteld hoeft te worden. Dit geldt in ieder geval voor 7 van de gevallen die bij de SVB bekend zijn.
Van de 16 bij de SVB bekende gevallen blijven 12 brandweervrijwilligers de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving vallen. Voor de overige 4 geldt dat nog wordt onderzocht of ze aan het Nederlandse- of aan het Belgische socialezekerheidsstelsel onderworpen moeten worden.
Als geen sprake is van marginale werkzaamheden, dan kan regularisatie een oplossing zijn. Dit houdt in dat als de Nederlandse wetgeving van toepassing moet zijn in plaats van de Belgische, dat dit per toekomende datum wordt toegepast. Vanaf het moment dat de situatie bekend is, moet in het Nederlandse stelsel worden afgedragen, maar van na- en terugbetalingen is dan geen sprake.
Voor de nieuwe gevallen geldt dat de brandweervrijwilligers zich moeten melden bij de SVB zodat de toepasselijke wetgeving kan worden vastgesteld. Nieuwe aanvragen zullen worden beoordeeld volgens het reguliere beleid van de SVB. Als dit gebeurt voordat de vrijwilligerswerkzaamheden starten, kan het probleem van hoge na- en terugbetalingen worden voorkomen.
U geeft aan dat bestaande uitzonderingen die binnenkort aflopen voorlopig worden gecontinueerd. Waarom geldt deze oplossing niet voor de vrijwilligers van wie een eerdere uitzondering inmiddels al is verlopen?
Bij vraag 6 is toegelicht waarom in bepaalde gevallen de uitzonderingen worden verlengd en is toegelicht welke andere oplossing passend is voor overige brandweervrijwilligers met een Belgische werkgever.
Bent u bereid samen met de Sociale Verzekeringsbank (SVB), de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ), Veiligheidsregio Zeeland en vertegenwoordigers van de betrokken vrijwilligers een versnelde procedure in te richten voor de circa dertig getroffen vrijwilligers?
Zoals aangegeven onder vraag 6 werk ik aan passende oplossingen voor brandweervrijwilligers met een Belgische werkgever.
Hoe beoordeelt u de positie van vrijwilligers die inmiddels een Nederlandse A1-verklaring hebben ontvangen en daartegen bezwaar moeten maken?
Als de vrijwilligers geen bezwaar maken, wordt ervan uitgegaan dat ze het eens zijn met het besluit dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het is niet per definitie onwenselijk of nadelig om in Nederland verzekerd te zijn en dus premies te betalen. De oorzaak van het probleem ligt er veelal in dat de Belgische werkgever geen premies in Nederland wil afdragen, waardoor de brandweervrijwilliger bezwaar moet aantekenen tegen de vaststelling van de SVB dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Het zou zelfs zo kunnen zijn dat het Nederlands socialezekerheidsstelsel gunstiger is voor de brandweervrijwilligers. Deze problematiek heeft een arbeidsrechtelijk aspect.
Van de groep die in bezwaar is gegaan en die vervolgens meer informatie heeft aangeleverd dan bij de initiële aanvraag, is bij het merendeel van de gevallen de uitkomst dat de Nederlandse A1-verklaring weer zal worden ingetrokken en de Belgische wetgeving van toepassing blijft (zie vraag 6).
Heeft het bezwaar tegen een A1-verklaring een opschortende werking? Zo nee, hoe voorkomt u dat vrijwilligers tijdens de bezwaarprocedure al met financiële of fiscale gevolgen worden geconfronteerd?
Juridisch gezien is er een verschil tussen de A1-verklaring en het besluit van de SVB tot afgifte van de A1-verklaring. Het bezwaar tegen het besluit heeft niet automatisch een opschortende werking. De SVB houdt de beslissing op het bezwaar aan voor de duur van de verkenning met België over de kaderovereenkomst. De belanghebbende kan zich na het indienen van bezwaar tegen de afgifte van de A1-verklaring melden bij de inspecteur van de Belastingdienst met het verzoek voor een individuele afspraak over uitstel tot er duidelijkheid is over de A1-verklaring. De SVB kan de belanghebbende daarin ondersteunen.
De A1-verklaringen die zijn afgegeven, waarvan inmiddels duidelijk is dat er sprake is van marginale activiteiten zullen worden ingetrokken (zie voorgaande vragen).
Financiële gevolgen ontstaan op dit moment overigens ook door terugbetalingen aan België. Zoals aangegeven bij vraag 6 zoek ik naar een passende oplossing voor betrokken brandweervrijwilligers. Bij deze oplossing houd ik rekening met de gevolgen aan zowel de Nederlandse als de Belgische kant.
Hoe beoordeelt u de gevolgen die deze problematiek heeft voor Belgische werkgevers van deze vrijwilligers? Acht u het wenselijk dat werkgevers worden geconfronteerd met administratieve lasten en onzekerheid doordat werknemers zich vrijwillig inzetten voor de Nederlandse brandweer?
Het doel van Verordening 883/2004 is onder andere om te voorkomen dat mensen in meerdere landen premies moeten afdragen, of dat iemand juist nergens verzekerd is. Op basis van deze regels is iemand altijd maar in één lidstaat sociaal verzekerd, ook wanneer in meerdere landen tegelijkertijd gewerkt wordt. In dat land worden eventuele premies afgedragen en zijn er eventuele aanspraken op uitkeringen.
Het is inherent aan dit systeem dat werkgevers die iemand in dienst hebben, die ook werkt in een andere lidstaat soms moeten voldoen aan de verplichtingen die volgen uit het socialezekerheidsstelsel van een andere lidstaat. Werkgevers mogen de verplichting niet weigeren om premies in een ander land te betalen, of werknemers discrimineren omdat zij in een andere lidstaat sociaal verzekerd zijn. Dit is essentieel voor het functioneren van de vrije markt en voor het bevorderen van het vrije verkeer van werknemers. Dit komt voor bij alle werknemers die een Nederlandse en een Belgische werkgever hebben en is dus niet voorbehouden aan die gevallen waarbij mensen zich inzetten voor de Nederlandse brandweer.
Nederlandse brandweervrijwilligers die in België werkzaam zijn als werknemer, hebben door hun status als ambtenaar te maken met een wisseling van sociale zekerheidsstelsel op het moment dat zij in dienst treden als brandweervrijwilliger. Om deze reden verken ik samen met België een structurele oplossing middels een kaderovereenkomst.
Klopt het dat Veiligheidsregio Zeeland sommige vrijwilligers heeft geadviseerd hun vrijwilligersfunctie neer te leggen om verdere financiële en sociaalzekerheidsrechtelijke problemen te voorkomen? Hoe beoordeelt u het dat mensen zich genoodzaakt voelen hun inzet voor de brandweer te beëindigen vanwege de gevolgen van deze regelgeving?
Het klopt dat de veiligheidsregio Zeeland (VRZ) de brandweervrijwilligers die grensarbeider zijn en die geen Belgische A1-verklaring hebben, hebben geadviseerd om tijdelijk, met ingang van 1 juli 2026, met administratief ontslag te gaan. 10 van de 24 gedupeerde brandweervrijwilligers hebben inmiddels om dit ontslag gevraagd. Zij hebben daarbij de garantie gekregen om terug bij VRZ in dienst te komen op het moment dat voor grensarbeiders is geregeld dat zij in het land waar hun hoofdwerkgever gezeteld is, voor hen de sociale zekerheid in dat land van toepassing is.
Zoals hierboven aangegeven geldt dat van de 16 bij de SVB bekende gevallen 12 brandweervrijwilligers de komende jaren (2) of structureel (10) onder de Belgische wetgeving blijven vallen. Deze personen kunnen dus in ieder geval weer aan de slag zonder dat dit invloed heeft op hun sociale zekerheidspositie.
Ook wanneer de Nederlandse wetgeving van toepassing zou worden lost dit ontslag het probleem dat ziet op het verleden niet op. Voor de na- en terugbetalingen moet nog steeds iets geregeld worden, zie voor de oplossing hiervoor vraag 6. Het primaire probleem zou zich niet hebben voorgedaan als de Belgische werkgever zich vanaf begin af aan had gehouden aan de Nederlandse en Europese regelgeving.
Bent u bekend met het feit dat inmiddels vrijwilligers hun functie hebben neergelegd én dat de brandweerposten Westdorpe en Koewacht onder andere bij een grote brand in een paardenstal in Clinge niet konden uitrukken vanwege een tekort aan beschikbare vrijwilligers? Hoe beoordeelt u dit voor de brandweerzorg en de openbare veiligheid?
Dit is bekend en uiteraard ongewenst. Het is goed om hierbij te realiseren dat onderbezetting van een brandweerpost vaker voorkomt en diverse redenen kan hebben. Wanneer een post onderbezet is, wordt een omliggende post gealarmeerd zodat de hulpverlening doorgang kan vinden. Hierdoor zal de opkomsttijd echter toenemen. Daarnaast draagt de grensoverschrijdende samenwerking met België (inzet van Belgische brandweerposten in Nederland) eraan bij dat in delen van Zeeuws-Vlaanderen de snelst mogelijke hulpverlening mogelijk is.
Recent deed zich in Clinge inderdaad een incident voor waarbij de posten Koewacht en Westdorpe niet konden uitrukken vanwege onderbezetting. Hierbij ging het om de zesde en zevende tankautospuit in de opschalingsvolgorde en niet meer om het eerste, levensreddende optreden. Verder zijn er tot nu toe geen incidenten bekend waarbij brandweerposten niet konden uitrukken als gevolg van de grensproblematiek. De VRZ doet er dan ook alles aan om de repressieve inzetbaarheid en beschikbaarheid binnen Zeeland op peil te hebben en te houden.
Welke gevolgen verwacht u dat deze problematiek heeft voor het werven en behouden van brandweervrijwilligers in grensregio's als hiervoor niet op zeer korte termijn een oplossing wordt gevonden? Waarom heeft deze problematiek, ondanks dat zij al geruime tijd bekend is, nog niet geleid tot een structurele oplossing?
Indien er niet op korte termijn een oplossing gevonden wordt, zal de beschikbaarheid van vrijwilligers verder afnemen en zullen enkele mensen mogelijk definitief afscheid nemen van de vrijwillige brandweer. Dit acht ik zoals gezegd ongewenst en daarom zet ik me in voor het vinden van zowel een tijdelijke als een structurele oplossing.
Ongeacht de tijdelijke en structurele oplossing is het bij het werven van brandweervrijwilligers van belang dat nieuwe brandweervrijwilligers goed voorgelicht worden over hun situatie wanneer zij ook werken in België. De veiligheidsregio kan hierin ondersteunen. Hierdoor kan gezorgd worden dat direct in het juiste land premies afgedragen worden en wordt voorkomen dat achteraf uit het ene land premies teruggevraagd moeten worden en in het andere land alsnog betaald moeten worden. De SVB kan vaststellen in welk land iemand verzekerd is, als de brandweervrijwilliger in Nederland woont. Als de brandweervrijwilliger in België woont, dan wordt dit vastgesteld door de RSZ of de RSVZ. Hiermee kunnen de gevolgen omtrent het werven en behouden van brandweervrijwilligers worden beperkt.
Er is nog geen structurele oplossing voor deze problematiek, omdat het tijd kost alle relevante aspecten goed in kaart te brengen. Er moet onderbouwd worden waarom een structurele uitzondering voor brandweervrijwilligers gerechtvaardigd is, met een duidelijke afbakening die deze groep onderscheid van andere werkenden die uitzonderingen op de aanwijsregels willen aanvragen. Verder moet duidelijk zijn hoe groot de groep is die tegen deze problemen aanloopt en wat hun situatie is, om ervoor te zorgen dat de structurele oplossing daadwerkelijk een uitkomst voor deze vrijwilligers biedt. Zo is bijvoorbeeld uit het onderzoek naar marginale werkzaamheden, zoals genoemd in vraag 6, al gebleken dat de werkzaamheden van bepaalde vrijwilligers marginaal zijn, waardoor zij in België sociaal verzekerd zijn. Daarnaast moet de dekking per groep bepaald worden om te voorkomen dat vrijwilligers onverzekerd achter blijven. Dit vraagt nadere analyses van het Nederlandse en Belgische stelsel.
Wanneer is het Rijk voor het eerst op de hoogte gebracht van deze problematiek? Welke acties zijn sindsdien ondernomen en waarom heeft dit nog niet tot een oplossing geleid?
Eind 2024 is toenmalig Minister van Hijum benaderd door mijn Belgische collega. Op dat moment leek dit zich alleen aan Belgische zijde van de grens voor te doen bij casussen met Belgische brandweerlieden.
Naar aanleiding van deze signalen is een analyse gemaakt van de situatie en de mogelijke gevolgen4. De betrokken bewindspersonen aan beide zijden van de grens, zijn op de hoogte gebracht van de analyse en de achterliggende problematiek.
In oktober 2025 werd duidelijk dat dit ook in brede zin voor Nederlandse brandweervrijwilligers speelde. Eind 2025 is ook begonnen met het verkennen van een overeenkomst met België om deze groep te onderwerpen aan de sociale zekerheidswetgeving van de lidstaat waar zij hun hoofdarbeidsverband hebben in plaats van aan de lidstaat waar zij als overheidsvrijwilliger werken.
In januari jl. is mijn voorganger geïnformeerd dat enkele brandweervrijwilligers een uitzonderingsovereenkomst hadden die binnenkort zou aflopen. Zie hierboven bij de beantwoording van vraag 6 voor de reden waarom er in bepaalde gevallen nog voor maximaal 2 jaar een artikel 16-overeenkomst is gesloten om onder het Belgische stelsel te vallen. Eind juni j.l. informeerde de SVB mijn medewerkers dat sindsdien 10 nieuwe verzoeken voor uitzonderingsovereenkomsten zijn ingediend.
Bent u bereid de Tweede Kamer op zeer korte termijn te informeren over de omvang van deze problematiek, de voortgang van de gesprekken met België en de concrete maatregelen die worden getroffen?
Met de beantwoording van deze vragen heb ik u geïnformeerd over de gevallen die op dit moment bij de SVB bekend zijn van brandweervrijwilligers die ook een Belgische werkgever hebben en bezwaar hebben aangetekend tegen de beslissing dat de Nederlandse wetgeving van toepassing is.
Daarnaast zal de SVB de aanvragen van brandweervrijwilligers voor het verlengen van reeds bestaande uitzonderingsovereenkomsten toekennen totdat de verkenning tussen Nederland en België is afgerond en zoek ik naar een tussenoplossing voor de groep waarvoor dit niet van toepassing is.
Na de zomer verwacht ik de gesprekken over een kaderovereenkomst met België verder voort te zetten. Ik zal de Kamer informeren als deze verkenning is afgerond.
Bent u bereid zich in Europees verband in te zetten voor een structurele aanpassing van de coördinatieregels, zodat een beperkte vrijwilligersfunctie bij een publieke veiligheidsorganisatie niet langer automatisch leidt tot disproportionele gevolgen voor de sociale zekerheidspositie uit het hoofdberoep?
Bij de Europese Commissie en in andere lidstaten zal ik onder de aandacht brengen dat relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep leidt tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving. Ik zal nagaan of er voldoende steun is op Europees niveau voor een aanpassing van de coördinatieregels, en indien dat het geval is, zal ik mij hiervoor inzetten.
Kunt u toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger uiteindelijk persoonlijk de financiële rekening hoeft te betalen voor een systeemprobleem dat voortvloeit uit Europese regelgeving en de uitvoering daarvan? Zo ja: hoe gaat u de individuele brandweervrijwilligers ondersteunen die op dit moment problemen ondervinden? Zo nee: waarom niet en wat kunt u wel toezeggen?
Zoals toegelicht bij vraag 4 coördineert Verordening 883/2004 de socialezekerheidsstelsels. De verordening harmoniseert de stelsels niet en er kunnen daardoor financiële voor- of nadelen voor betrokkenen bestaan wanneer zij grensoverschrijdend werken. Onderdeel van deze coördinatieregels is het beginsel dat iemand onderworpen is aan de wetgeving van één enkele lidstaat. Wanneer iemand werkt voor twee werkgevers betekent dit dat één van beide werkgevers zich moet conformeren aan de wetgeving van een andere lidstaat. Wel kan de vraag worden gesteld of relatief beperkte werkzaamheden voor een publieke veiligheidsorganisatie in een andere lidstaat dan het hoofdberoep al zou moeten leiden tot een verandering van de toepasselijke sociale zekerheidswetgeving.
Omdat deze regels op dit moment specifiek lijken te knellen met betrekking tot de vrijwillige brandweer en aan de Belgisch-Nederlandse grens verken ik nu eerst een kaderovereenkomst met onze Belgische collega’s. Ook zeg ik toe op zoek te gaan naar een passende oplossing voor brandweervrijwilligers die nu geen uitzonderingsovereenkomst hebben.
Kunt u daarnaast toezeggen dat geen enkele brandweervrijwilliger persoonlijk financieel nadeel zal ondervinden zolang Nederland en België nog werken aan een structurele oplossing? Zo nee, waarom niet?
Zie vraag 18.
Het bericht ‘Minister Mariëlle Paul verzweeg bewust tot na de verkiezingen dat ze een plan ter bescherming van arbeidsmigranten introk’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht dat uw voorganger al vóór de Tweede Kamerverkiezingen besloot een wetsvoorstel voor de afbouw van looninhoudingen voor de huisvesting van arbeidsmigranten in te trekken, maar de Tweede Kamer daar pas één dag ná de verkiezingen over informeerde?1
Ja.
Klopt het dat het besluit tot terugtrekking van de wet al eind september was genomen, maar de Kamer daar pas na de verkiezingen over werd geïnformeerd?
Ja. Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Waarom is er door uw voorganger voor gekozen de Kamerbrief pas na de verkiezingen te versturen waardoor kiezers en de Kamer vóór de verkiezingen geen kennis konden nemen van dit besluit?
Bij het moment van versturen is mijn ambtsvoorganger uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de mening dat een demissionair kabinet de Kamer en de samenleving tijdig en volledig moet informeren over ingrijpende beleidswijzigingen, ook in verkiezingstijd? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat is hier misgegaan?
Jazeker. Daarbij kan ik me voorstellen dat terughoudendheid is betracht bij het versturen van een Kamerbrief met een beleidswijziging wanneer uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarmee wordt voorkomen dat in aanloop naar verkiezingen beleidswijzigingen worden voorgesteld die kunnen leiden tot discussie, zonder dat de Kamer daar meteen op kan reageren.
Wat vindt u van het ontijdig informeren van de Kamer en de samenleving door uw voorganger?
De lijn om in verkiezingsreces terughoudendheid te betrachten bij het versturen van Kamerbrieven met beleidswijzingen kan ik volgen.
Bent u bereid het besluit tot terugtrekking van het wetsvoorstel terug te draaien en de looninhouding voor huisvesting alsnog af te bouwen, zoals eerder voorgesteld door het vorige kabinet en onderdeel van de aanbevelingen van onder meer de Commissie Roemer en de Arbeidsinspectie? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.2 3
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja.
Bent u bekend met het Woo-verzoek van NRC Handelsblad aangaande het besluit van toenmalig Minister Paul om het besluit van haar voorganger Van Hijum aangaande het afbouwen van de mogelijkheid om 25 procent van het minimumloon in te houden terug te draaien en de timing daarvan?
Ja.
Klopt het dat het besluit van de Minister om deze maatregel terug te draaien reeds op 30 september bekend was, dat op 7 oktober een concept-Kamerbrief aan de Minister is voorgelegd, dat hier vervolgens twee weken overheen gingen en dat op 20 oktober vervolgens intern bekend werd dat een betrokken ambtenaar met de Minister had besloten om de brief pas na de verkiezingen te verzenden, dat daags erop door een andere ambtenaar eveneens werd aangegeven dat de Minister tot na de verkiezingen wilde wachten met communiceren over het niet afbouwen van de inhoudingsmogelijkheid per 1 januari 2026 en dat het communicatiebureau dat nieuwsberichten voor het ministerie verzorgt te horen kreeg dat er «nog even geen momentum is om hier iets over naar buiten te brengen», zoals uit de reconstructie van NRC aan de hand van het Woo-verzoek blijkt1? Zo nee, wat klopt er volgens u niet aan deze reconstructie en hoe is een en ander dan wél verlopen? Graag een concreet antwoord.
Ik zou graag een tijdlijn met u willen delen, die intern is gereconstrueerd:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Indien de gereconstrueerde gang van zaken klopt, erkent u dan dat deze niet in lijn is met de verklaring die de Minister tijdens het Kamerdebat op 27 november gaf voor de timing rond het informeren van de Kamer over haar besluit op 30 oktober -daags na de Tweede Kamerverkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Nee. Het beeld is niet veranderd zoals de tijdlijn in het antwoord op vraag 2 ook laat zien.
Hoe duidt in het licht van de uitkomsten van het Woo-verzoek dat Minister Paul tijdens dit debat in antwoord op vragen van het lid Ceulemans over deze timing aangaf: «We zijn terughoudend om met beleidsinhoudelijke brieven te komen, dus niet in een reces, niet in een verkiezingsreces. Tegelijkertijd is de praktische kant van de zaak dat de ambtelijke afstemming met VRO pas op 29 oktober afgerond was» en «De suggestie wordt gewekt dat ik gepland en bewust heb gedacht: zo, die drop ik de dag na de verkiezingen. Dat is helemaal niet aan de orde. Dat is oprecht niet aan de orde.2»Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit de Woo-verzoeken is gebleken, namelijk dat expliciet wordt aangegeven dat de Minister pas na de verkiezingen de Kamer wilde informeren en communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. In zowel de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden, als ook in het debat met uw Kamer op 27 november is voornoemde terughoudendheid gemeld. Daarbij is rekening gehouden met de staande parlementaire verhoudingen door terughoudend om te gaan met het sturen van beleidsbrieven tijdens een (verkiezings-)reces wanneer de Kamer deze niet in behandeling kan nemen.
Hoe duidt u in het licht van de uitkomsten van het Woo-onderzoek tevens dat Minister Paul tijdens hetzelfde debat in antwoord op vragen van het lid Patijn (PRO) aangaf: «De suggestie wordt gewekt dat ik de timing heb laten afhangen van de campagne of het feit dat er verkiezingen aankwamen. Daar heeft het werkelijk helemaal niks mee te maken.» en «Nadat ik het besluit had genomen, zijn we aan de slag gegaan om die communicatie voor te bereiden. Ik werk samen met fantastische ambtenaren, maar als ik concepten voorgelegd krijg, vind ik er ook nog wat van. Dat gaat dan heen en weer. Vervolgens vond er ambtelijke afstemming plaats met het Ministerie van VRO. Uiteindelijk waren we er op 29 oktober ambtelijk uit. Toen is er een klap gegeven op die brief en is die uitgestuurd.» Vindt u deze verklaringen in lijn met hetgeen uit het Woo-verzoek is gebleken, namelijk een expliciet besluit om pas na de verkiezingen de Kamer te informeren en over de maatregel te communiceren over het terugdraaien van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, hoe rijmt u dit?
Ja. Deze weging blijkt ook uit de Kamerbrief die op 20 november aan uw Kamer is aangeboden en waarin melding wordt gemaakt van voornoemde terughoudendheid. Ook in het debat noemt de Minister dat ze terughoudend is met beleidsinhoudelijke brieven tijdens een verkiezingsreces.
De politieke afstemming vond plaats tot en met 29 oktober. Toen was de Minister van VRO akkoord. De ambtelijke afstemming met VRO was op 7 oktober afgerond.
Vindt u alles afwegende dat uw voorganger de Kamer juist en volledig heeft geïnformeerd over de timing van haar besluit om de inhoudingsmogelijkheid terug te draaien? Zo ja, hoe kunt u dit volhouden?
Voor zover ik kan beoordelen is er geen sprake van een afweging op basis van politieke gronden om de brief pas na de verkiezingen te versturen. Zie voorts ook de eerdergenoemde brief van 20 november aan uw Kamer.
Zo nee, deelt de u de indruk dat het er alle schijn van heeft dat de Kamer door de Minister bewust onjuist geïnformeerd is over de besluitvorming rond dit dossier? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6.
Was u bekend met de gang van zaken zoals blijkt uit het Woo-verzoek van NRC aangaande het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over het terugdraaien van de afbouw van de inhoudingsmogelijkheid? Zo ja, heeft u overwogen om het beeld dat uw voorganger hierover tijdens het Kamerdebat van 27 november schetste richting de Kamer recht te zetten? Zo nee, waarom niet en zo ja, waarom is dit niet alsnog gebeurd?
Ik ben op 6 juli van dit jaar geïnformeerd dat er een Woo-verzoek lag en wanneer de Woo-stukken met de indieners gedeeld zouden worden.
Kunt u aangeven of indien nodig nagaan welke gesprekken uw voorganger heeft gevoerd met welke betrokken partijen en belanghebbenden in aanloop naar haar besluit om het verbod op inhoudingen voor huisvesting terug te draaien? Kunt u de Kamer voorzien van alle beschikbare informatie hieromtrent?
In het Kamerdebat van 27 november 2025 is door mijn ambtsvoorganger aangegeven dat de standpunten van alle stakeholders duidelijk waren door de eerder uitgevoerde verkenning en ook nog eens bevestigd waren in de internetconsultatie. Er was dus geen nieuwe aanleiding om daarover met hen in gesprek te gaan.
Deelt u de conclusie dat het bewust pas ná de verkiezingen informeren van de Kamer over een reeds genomen besluit sterk de suggestie wekt dat dit politiek beter uitkwam? Zo nee, waarom niet en welk andere motieven zijn dan volgens u aannemelijk?
Dit beeld herken ik niet, maar ik begrijp wel dat dit beeld is ontstaan. Hierover is in de Kamer ook het debat gevoerd. De stukken uit het Woo-verzoek bevestigen de uitgangspunten bij het besluit zoals die met uw Kamer zijn gedeeld in het debat en de brief die voorafgaand aan het debat naar de Kamer is verstuurd.
Hoe is het besluit om de Kamer pas na de verkiezingen te informeren tot stand gekomen, welke personen en eventuele organisaties en andere partijen zijn hierbij -al dan niet in adviserende vorm- betrokken geweest?
In het antwoord op vraag 2 is een tijdlijn opgenomen die beschrijft hoe het besluit tot stand is gekomen.
Bent u bereid het verbod op het inhouden van huur op het minimumloon, een maatregel die volgens de Arbeidsinspectie een prikkel vormt om buitenlands in plaats van Nederlands personeel aan te stellen, alsnog snel door te voeren en niet te wachten op het eventuele aannemen van de aangekondigde wet op de huurbescherming, aangezien het nog zeker een jaar zal duren voordat deze wordt ingevoerd? Zo nee, waarom niet?
In het Kamerdebat op 27 november 2025 zijn twee moties ingediend die verzoeken om de inhoudingsmogelijkheid op het minimumloon voor huisvestingskosten alsnog af te schaffen, zo mogelijk gelijktijdig met het wetsvoorstel van VRO over huurbescherming. Tijdens het Commissiedebat Arbeidsmigratie van 3 juni 2026 heb ik toegezegd uw Kamer over mijn standpunt te informeren. Uw Kamer ontvangt hierover zo snel mogelijk een brief van mij. Mijn inzet is om de inhoudingsmogelijkheid voor huisvesting in het minimumloon in lijn met de door de Tweede Kamer aangenomen moties gelijktijdig met de invoering van de huurbeschermingswet af te schaffen.3 4
Het mogelijk onjuist informeren van de Tweede Kamer over het uitstellen van een besluit inzake arbeidsmigratie. |
|
Maikel Boon (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Oud-minister liet bewust na de Tweede Kamerverkiezingen weten het arbeidsmigratieplan te schrappen1» en klopt het dat uit vrijgegeven documenten blijkt dat voormalig Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Paul de bekendmaking van dit besluit bewust heeft uitgesteld tot na de verkiezingen? Zo nee, waarom niet?
Ja. Een tijdlijn, die intern is gereconstrueerd, ziet er als volgt uit:
Voorafgaand aan het voorleggen van de brief aan hun Minister, wil VRO deze eerst ook intern bespreken en afstemmen.
Hoe verhoudt dit zich tot de uitspraken van voormalig Minister Paul tijdens het debat van 27 november 2025, waarin zij onder meer verklaarde dat de timing «werkelijk helemaal niks te maken had»2 met de verkiezingen en dat de vertraging werd veroorzaakt door ambtelijke afstemming en de voorbereiding van de Kamerbrief?
In de brief van 20 november 2025 aan uw Kamer en het daaropvolgende Kamerdebat van 27 november is gemeld dat mijn ambtsvoorganger bij het moment van versturen is uitgegaan van twee uitgangspunten. Ten eerste is terughoudend omgegaan met het versturen van een brief met een beleidswijziging als uw Kamer met (verkiezings-)reces is. Daarnaast was de afstemming met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) op woensdag 29 oktober eind van de dag gereed.
Deelt u de opvatting dat de Tweede Kamer, indien de vrijgegeven documenten juist zijn, tijdens dit debat onvolledig en/of onjuist is geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de Kamerbrief van 20 november en het daaropvolgende debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de weging en het proces omtrent het besluit over inhoudingen op minimumloon voor huisvesting.
Is naar uw oordeel sprake van een schending van de ministeriële informatieplicht? Zo nee, waarom niet?
Nee. Met de inlichtingenplicht van bewindspersonen zoals die is opgenomen in artikel 68 van de Grondwet is opgenomen dat de kamers elk afzonderlijk en in verenigde vergadering mondeling of schriftelijk de door een of meer leden verlangde inlichtingen ontvangen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het belang van de staat. Met de Kamerbrieven van 30 oktober en 20 november en het debat met uw Kamer op 27 november 2025 is uw Kamer geïnformeerd.
Welke consequenties verbindt u aan deze gang van zaken en bent u bereid alle relevante interne documenten over de besluitvorming en de gekozen communicatietiming alsnog aan de Kamer te verstrekken?
Ja. Alle relevante documenten die op grond van de Woo-verzoeken worden vrijgegeven, worden ook via het internet openbaar gemaakt.
Bent u bekend met het ESB-artikel «Onze arbeidsmarkt kan gezonder en veel inclusiever» van Anthony Stigter, Lidewij Renaud, Iris de Vries en Ton Wilthagen?1
Welk deel van de door TNO geschatte 415.000 fte aan onbenut arbeidspotentieel onder mensen met chronische gezondheidsproblemen acht u realistisch te benutten door betere preventie en begeleiding naar werk?
Deelt u de opvatting dat passend werk kan bijdragen aan de gezondheid en het welzijn van mensen, doordat het structuur biedt en mensen helpt sociale contacten te onderhouden en mee te blijven doen in de samenleving?
Welke mogelijkheden ziet u om werkgevers te motiveren om mensen met een chronische ziekte aan te nemen? Denkt u daarbij ook aan het uitbreiden van de no-risk polis of het beter communiceren hierover richting werkgevers?
Hoe kan ervoor worden gezorgd dat huisartsen en medisch specialisten bij de behandeling van mensen met chronische aandoeningen eerder aandacht besteden aan de mogelijkheden om te (blijven) werken?
Welke belemmeringen staan een betere samenwerking tussen de reguliere gezondheidszorg en de bedrijfsgezondheidszorg momenteel in de weg?
Hoe kunnen de op re-integratie gerichte activiteiten van UWV en gemeenten mensen met een chronische aandoening die willen en kunnen werken, maar momenteel geen baan hebben, beter bereiken en ondersteunen bij het vinden van passend werk?
Deelt u daarnaast de opvatting dat personen zonder werkgever tijdens ziekte minder ondersteuning richting werk ontvangen dan werknemers met een vast dienstverband? Welke maatregelen zijn nodig om dit verschil te verkleinen?
Wat kan Nederland leren van de nauwere samenwerking tussen de gezondheidszorg en instanties die mensen naar werk begeleiden in landen als Zweden en Noorwegen?
Kunt u indicatief berekenen wat het voor de overheidsfinanciën zou betekenen als de in het artikel geschatte 183.000 fte aan arbeidspotentieel wordt benut bij niet-werkenden met chronische gezondheidsproblemen die aangeven niet of slechts licht belemmerd te worden bij het uitvoeren van werkzaamheden? Kunt u daarbij ook rekening houden met de investeringen die hiervoor nodig zijn?
Hoe wordt de investering in preventie betrokken bij de uitwerking van het te bereiken sociaal akkoord? Wordt daarbij ook gekeken naar de bijdrage die preventie kan leveren aan gezondheidsdoelen? Worden hierbij ook andere ministeries, zoals het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, betrokken, zodat de effecten op arbeidsparticipatie, gezondheid en sociale zekerheid in samenhang kunnen worden bezien?
Bent u bereid om een gezamenlijke agenda op te stellen voor gezondheid en werk, met meetbare doelen voor onder andere extra arbeidsdeelname, minder langdurig verzuim en hogere productiviteit? Zo ja, wanneer kan de Kamer deze agenda ontvangen?
Het stopzetten van de Bemiddelingsservice bij het UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Sarah El Boujdaini (D66) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een tijdlijn verstrekken van alle gebeurtenissen rond het opstarten, het draaien van pilots en stopzetten van het Bemiddelingsservice-project (BMS) bij het UWV in de afgelopen jaren? Kan daarbij ook betrokken worden op welke manier en naar wie is gerapporteerd, bijvoorbeeld over het draaien van een pilot met BMS en welke acties daarop zijn ondernomen?
Onderschrijft u het belang van een goede matching tussen vaardigheden en baanmogelijkheden, vooral in het licht van de grote personeelstekorten in cruciale sectoren en de noodzaak mensen snel van werk naar werk te begeleiden?
Waarom onderneemt het UWV niet direct aanvullende actie om het begeleiden van mensen met de juiste vaardigheden naar passend werk te verbeteren, nu deze bemiddelingsservice wordt gestopt?
Onderschrijft u de stelling van de leverancier dat de software niet goed kon werken vanwege de kwaliteit van de data?1
Welke acties heeft het UWV ondernomen om de kwaliteit van de data te verbeteren en welke mogelijkheden zijn er in de toekomst om data bruikbaar te maken voor het koppelen van mensen met de juiste vaardigheden aan passend werk?
Klopt het dat BMS moest werken op basis van Sonar-data, waarvan uit een interne audit in 2019 al bleek dat de data van onvoldoende kwaliteit en incompleet was?2
Valt de leverancier op enigerlei wijze aansprakelijk te stellen voor het aanbieden van diensten voor grote bedragen terwijl het volgens die leverancier nu zelf met de beschikbare data niet mogelijk was aan de opdracht te voldoen? Zo ja, worden daartoe stappen gezet?
Wat is er gebeurd met eerdere waarschuwingen van het Adviescollege ICT-toetsing (AcICT) rondom dit project?
Klopt het dat er nog een kostbaar onderzoek bij Deloitte is uitgezet rondom dit project terwijl op basis van het AcICT-rapport al duidelijk was dat dit project fundamenteel anders aangepakt of stopgezet diende te worden?
Welke risico’s zijn er dat de kosten van het project hoger uit blijken te vallen dan 55.000.000 euro? Zijn hierbij ook indirecte kosten meegenomen van het feit dat UWV-medewerkers nu nog langer met niet-toereikende software moeten werken om mensen aan passend werk te koppelen?
Hoe kan het dat pas na ruim drie jaar een eerste proef met acht adviseurs begon? Hoe zorgt het UWV ervoor dat een nieuw systeem vanaf het begin in kleine stappen met echte gebruikers wordt getest, voordat er grote bedragen in worden geïnvesteerd?
Hoe is bij de aanbesteding beoordeeld of het product al werkte bij een organisatie van de omvang van het UWV, nu het Adviescollege ICT-toetsing constateert dat het UWV de grootste klant van de leverancier was? Waarom is gekozen voor een standaardpakket dat vervolgens op verschillende punten moest worden aangepast?
Waarom is voor een vernieuwend en nog onbeproefd systeem een langjarig contract gesloten waarin betalingen niet aan behaalde resultaten waren gekoppeld? Hoe zorgt u ervoor dat uitvoeringsorganisaties bij digitale vernieuwing voortaan kleinere opdrachten met een kortere looptijd inkopen en betalen voor werkende resultaten?
Hoeveel van het werk aan BMS is gedaan door eigen medewerkers van het UWV en hoeveel door externe inhuur en de leverancier? Hoe bouwt het UWV de eigen IT-kennis op die nodig is om als opdrachtgever grip te houden op leveranciers en algoritmes, in lijn met de afspraak in het coalitieakkoord om meer IT-talent in dienst van het Rijk te nemen?
Welke knelpunten op het gebied van uitlegbaarheid vond de externe quick scan waarop het UWV het besluit om te stoppen mede baseerde3, terwijl het UWV in maart nog aangaf onderzoek te hebben gedaan naar bias en uitlegbaarheid?4 Hoe zorgt het UWV ervoor dat een volgend matchingsysteem, dat als hoog-risico-AI-systeem geldt, vanaf het begin transparant en uitlegbaar is voor werkzoekenden en adviseurs?
Wat betekent het stoppen van BMS voor de vervanging van de verouderde systemen Werk Bemiddeling Systeem (WBS) en Sonar, nu in Sonar al sinds 2020 tekortkomingen bestaan op het gebied van informatiebeveiliging en privacy?5 Hoe lang moeten deze systemen nu nog mee en welke risico’s brengt dat met zich mee?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
De Zelfstandigenwet |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Deelt u de de mening dat u met de Zelfstandigenwet het Midellanggetermijnadvies van de Sociaal Economische Raad (SER-MLT) doorbreekt en daarmee de balans in het arbeidsmarktpakket verstoort, terwijl dit pakket nog niet helemaal geïmplementeerd is?
Is er steun van sociale partners voor de Zelfstandigenwet?
Bent u bereid aan sociale partners advies te vragen over de Zelfstandigenwet?
Klopt het dat er verschillende elementen van de Zelfstandigenwet worden geregeld via lagere regelgeving, namelijk de voorwaarden die wijzen op het werken als zelfstandigen en het minimumbedrag voor bestedelingen aan voorzieningen tegen risico’s? Wanneer is de lagere regelgeving gereed?
Bent u bereid aan sociale partners advies te vragen over het niveau van de regelgeving en de invulling van de lagere regelgeving?
Racisme bij Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het AD-artikel «Discriminatie bij UWV: mensen met biculturele achternaam krijgen vaker én hogere boetes»?1
Welke signalen, meldingen, analyses, klachten of andere aanwijzingen over mogelijke discriminatie of ongelijke behandeling binnen UWV Handhaving waren vóór december 2025 bekend? Wanneer zijn deze signalen ontvangen, op welk organisatieniveau waren zij bekend en welke concrete maatregelen zijn daarop genomen?
Wanneer is het ministerie voor het eerst geïnformeerd over signalen van mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving, welke informatie is toen gedeeld en welke acties heeft het ministerie vervolgens ondernomen?
Klopt het dat naar aanleiding van de interne analyse is geadviseerd nader onderzoek te verrichten? Zo ja, wanneer is dit advies uitgebracht, wanneer is hierover besloten en welke overwegingen hebben een rol gespeeld bij de timing van het vervolgonderzoek?
Op basis van welke inhoudelijke, methodologische of statistische gronden is de interne analyse als onvoldoende betrouwbaar beoordeeld? Hoe verhoudt dit oordeel zich tot het besluit om op basis van dezelfde signalen een onafhankelijk vervolgonderzoek te starten?
Zijn dossiers waarin mogelijk sprake is geweest van discriminatie of ongelijke behandeling inmiddels herbeoordeeld? Zo ja, hoeveel dossiers betreft dit en welke uitkomsten heeft dit opgeleverd? Zo nee, bent u bereid een onafhankelijke herbeoordeling te laten uitvoeren en eventuele benadeelde cliënten actief te informeren en waar nodig te compenseren?
Hoeveel meldingen van racisme, discriminatie of ongewenste omgangsvormen zijn sinds 2020 binnen UWV Handhaving geregistreerd? Welke opvolging hebben deze meldingen gekregen, welke verbetermaatregelen zijn getroffen en wie droeg en/of draagt verantwoordelijkheid voor de uitvoering en monitoring daarvan?
Is onafhankelijk onderzocht of (ex) medewerkers die melding maakten van discriminatie, racisme of ongewenst gedrag vervolgens nadeel hebben ondervonden in hun werkpositie, loopbaanontwikkeling of beoordeling?
Zo nee, bent u bereid dit alsnog onafhankelijk te laten onderzoeken?
Welke maatregelen worden getroffen indien uit onderzoek blijkt dat melders zijn benadeeld, geïntimideerd of anderszins nadelige gevolgen hebben ondervonden van het doen van een melding?
Is daarnaast onderzocht of de werkwijze van het interne bureau Integriteit bij meldingen van discriminatie, racisme en ongewenst gedrag voldoende onafhankelijk, zorgvuldig en objectief is geweest? Kan worden uitgesloten dat melders door selectieve feitenverzameling, suggestieve onderzoeksmethoden of andere vormen van vooringenomenheid (bias) zijn benadeeld of dat signalen hierdoor onvoldoende serieus zijn genomen? Zo nee, bent u bereid dit onafhankelijk te laten onderzoeken?
Is onderzocht of de gemelde discriminerende uitlatingen, signalen van ongelijke behandeling en ervaren onveiligheid wijzen op structurele patronen binnen de organisatiecultuur, werkprocessen of aansturing van UWV Handhaving? Zo ja, wat zijn de bevindingen?
Welke concrete doelstellingen, prestatie-indicatoren en tijdlijnen zijn verbonden aan het verbeterplan? Op welke momenten wordt hierover publiek gerapporteerd en welke onafhankelijke partij beoordeelt of daadwerkelijk sprake is van verbetering van de werkcultuur en gelijke behandeling van cliënten?
Op welke wijze wordt vastgesteld of burgers financieel of anderszins nadeel hebben ondervonden van mogelijk discriminerende handhaving, en welke vorm van herstel of compensatie wordt overwogen indien daarvan sprake blijkt te zijn?
Is in het onderzoek naar mogelijke discriminatie binnen UWV Handhaving onderzocht of het risicokenmerk «land van herkomst», nadat dit in 2020 volgens de geldende instructies buiten gebruik had moeten worden gesteld, daadwerkelijk geen invloed meer heeft gehad op de selectie van cliënten voor handhaving? Kunt u inzicht geven in eventuele verschillen in de samenstelling van de onderzochte populatie, opgelegde maatregelen en boetes vóór en na 2020? Zo nee, waarom is dit niet onderzocht?
Kunt u omschrijven welke onderzoeksopzet en welke kaders en scope er geldt voor het uit te voeren onderzoek van KPMG?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook externen / oud-UWV medewerkers worden gesproken over hun ervaringen?
Bent u bereid onderzoek te laten doen waarbij ook reeds uitgevoerde en afgeronde onderzoeken binnen UWV worden betrokken? Kunt u hier specifiek en los ingaan op de onderzoeken over gefingeerde dienstverbanden, gezondheidsfraude, Werkloosheidswet (WW) en eventuele boetebesluiten?
Bent u bereid de regeringscommissaris die voortkomt uit de motie Patijn-Ceder2 de opdracht te geven naar de cultuur waaronder het racisme bij UWV te kijken?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Werknemersverzekeringen van 4 november 2026?
Het bericht ‘UWV stopt met ICT-project dat 55 miljoen euro kostte: Niet genoeg vertrouwen’. |
|
Doğukan Ergin (DENK) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met dit bericht «UWV stopt met ICT-project dat 55 miljoen euro kostte: Niet genoeg vertrouwen»1?
Kunt u aangeven wanneer het UWV wist dat de kwaliteit van de data uit de systemen van het UWV onvoldoende was om de applicatie te laten werken zoals oorspronkelijk was bedoeld?
Wanneer bent u op de hoogte gesteld van dit besluit? Wanneer wist u dat er binnen het UWV sprake was van een digitaliseringsproject dat niet tot de gewenste uitkomst leidde?
Wat is de totale omvang van de schade voor de belastingbetaler als gevolg van dit besluit inclusief de interne kosten en inzet van het UWV?
Klopt het dat de geraamde waarde van de aanbesteding aanvankelijk circa € 5.000.000 tot € 7.000.000 bedroeg, maar uiteindelijk in het gunningsbericht werd vastgesteld op € 58.150.000 exclusief btw? Zo ja, kunt u toelichten hoe dit aanzienlijke verschil is ontstaan?
Kunt u toelichten waarom de aanzienlijke stijging van de opdrachtwaarde niet heeft geleid tot een nieuwe aanbesteding?
Bent u bereid om in de door u aangekondigde evaluatie ook de besluitvorming over de gunning van deze aanbesteding mee te nemen?
Wanneer verwacht u dat de evaluatie wordt opgeleverd?
Zijn er nog andere projecten binnen het UWV waarvoor kosten worden gemaakt, maar waarbij de beoogde resultaten nog niet zijn behaald of waarvan de daadwerkelijke meerwaarde nog onvoldoende is aangetoond? Zo ja, om welke projecten gaat het en welke kosten zijn hiermee gemoeid?
Het bericht dat het UWV de stekker trekt uit een mislukt ICT-project dat de afgelopen vijf jaar maar liefst 55 miljoen euro aan belastinggeld heeft gekost |
|
Hidde Heutink (PVV) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de berichtgeving van onder meer de NOS over het feit dat het UWV na vijf jaar en 55 miljoen euro stopt met de ontwikkeling en implementatie van De Bemiddelingsservice (BMS) omdat er onvoldoende vertrouwen is in het systeem en wat is uw reactie daarop?1
Vindt u het aanvaardbaar dat 55 miljoen euro aan belastinggeld gewoon is weggegooid door het UWV? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Kunt uiteenzetten waaraan de 55 miljoen euro de afgelopen jaren is besteed? Kunt u daarbij een gespecificeerd overzicht verstrekken, uitgesplitst naar jaar en kostenpost?
Hoe legt u het uit dat het kabinet de bestuurlijke dwangsom bij het UWV tijdelijk wil afschaffen om onder meer geld te besparen, terwijl datzelfde UWV kennelijk wel 55 miljoen euro aan belastinggeld kan verspillen aan een mislukt ICT-project? Deelt u daarbij de opvatting dat dit niet uit te leggen valt aan de burgers die door het UWV worden gedupeerd?
Kunt u uitleggen waarom het project niet al in februari 2026 is stopgezet, toen het Adviescollege ICT-toetsing een vernietigend rapport uitbracht? Kunt u bovendien uitleggen waarom niet al eerder is besloten om het project stop te zetten, nu blijkt dat ook de softwareleverancier fundamentele kritieken ten aanzien van de datatoevoer heeft geuit bij het UWV?
Hoeveel geld is er aan het project uitgegeven nadat het Adviescollege ICT-toetsing in februari 2026 zijn kritieken ten aanzien van het project kenbaar maakte?
Deelt u de mening dat het verkwanselen van 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld niet uit te leggen valt en dat, in samenhang met de totale chaos en het wanbeleid dat bij het UWV de dienst uitmaakt, dit niet zonder consequenties ten aanzien van de Raad van Bestuur van het UWV kan blijven? Zo ja, welke maatregelen bent u voornemens te nemen? Zo nee, waarom niet?
Wie heeft binnen het UWV de verantwoordelijkheid gehad om de afgelopen jaren te beslissen dat, ondanks de aanhoudende problemen, door te gaan met het project en zodoende belastinggeld te blijven investeren in deze bodemloze put?
Deelt u de opvatting dat wanneer het UWV 55 miljoen euro aan gemeenschapsgeld investeert in een project waarover herhaaldelijk ernstige kritiek is geuit, er moeilijk anders geconcludeerd kan worden dan dat er sprake is van verwijtbare bestuurlijke fouten? Zo nee, waarom niet?
Bent u van mening dat een derde partij (mede)verantwoordelijk is voor het mislukken van dit project en zo ja kunt u een deel van het verloren gemeenschapsgeld verhalen op die partij(en)? Zo ja, om welke partijen gaat dit, waarom zijn zij volgens u medeverantwoordelijk en hoeveel geld verwacht u te kunnen terug halen?
Herkent u de kritiek van de softwareleverancier, die stelt dat de slechte kwaliteit van de door het UWV aangeleverde gegevens een belangrijke oorzaak is in het mislukken van het ICT-project? Zo ja, hoe kan het dat een organisatie als het UWV miljoenen investeert in nieuwe software zonder vooraf voldoende vast te stellen of de eigen gegevens hiervoor geschikt zijn?
Welke gevolgen heeft het stoppen van dit project voor werkzoekenden en werkgevers?
Wat zijn de gevolgen ten aanzien van de wens om een dergelijk systeem te implementeren? Gaat het UWV zoeken naar een nieuwe methode en zo ja, hoe voorkomt u dat opnieuw jarenlang en voor tientallen miljoenen euro’s aan belastinggeld wordt verspild aan een alternatief systeem?
Wanneer werd in de afgelopen vijf jaar voor het eerst duidelijk dat het project allicht zou gaan mislukken? Kunt u daarbij een gespecificeerde lijst doen toekomen van alle relevante interne reviews, tests en adviezen?
Hoeveel andere grote ICT-projecten lopen momenteel bij het UWV en wat is de totale financiële omvang hiervan? Kunt u daarbij garanderen dat bij deze projecten niet dezelfde fouten worden gemaakt? Zo nee, welke aanvullende maatregelen gaat u nemen?
Wilt u deze vragen ruim voor de begrotingsbehandeling van SZW beantwoorden?
Het bericht ‘Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Het is geen mythe dat de cao-lonen achterblijven»?1
Wat vindt u van het bericht dat de cao-lonen al jaren achterblijven bij de arbeidsproductiviteit en koopkracht voor werkenden dus ook al langer achterblijft?
Wat vindt u van het feit dat de arbeidsinkomensquote al jaren onder een volgens de polder passende loonkostenontwikkeling ligt? Hoe verklaart u deze ontwikkeling?
Waar is volgens u de niet-uitbetaalde loonruimte terecht gekomen? Heeft u gegevens waaruit blijkt in welke mate dit in de vorm van winst is uitgekeerd aan aandeelhouders of is geherinvesteerd?
Deelt u de mening van de SP dat een langdurige achterblijvende loonontwikkeling de koopkracht van werknemers onder druk kan zetten? Zo ja, welke gevolgen heeft dit volgens u voor de economische groei en de bestaanszekerheid van huishoudens?
In welke sectoren blijft de loonontwikkeling het sterkst achter bij de beschikbare loonruimte?
Welke mogelijkheden ziet u om in te grijpen om er zo voor te zorgen dat werknemers structureel meer profiteren van de groei van de arbeidsproductiviteit?
Welke rol ziet u daarbij voor het verhogen van het minimumloon en het versterken van de positie van werknemers in de collectieve onderhandelingen?
Welke maatregelen neemt het kabinet om te bevorderen dat werkgevers de beschikbare loonruimte daadwerkelijk benutten voor betere arbeidsvoorwaarden, in plaats van dat de economische opbrengsten voornamelijk bij aandeelhouders terechtkomen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het artikel 'Noodfonds Energie opent op 4 januari, 'verborgen energiearmoede niet opgelost' |
|
Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het artikel «Noodfonds Energie opent op 4 januari, «verborgen energiearmoede niet opgelost»»?1
Deelt u de mening dat het onwenselijk is dat er een groep huishoudens is, naar schatting rond de 124.000 mensen, die hun kachel niet aanzetten uit angst voor hoge energiekosten en toch niet in aanmerking komen voor het Tijdelijk Noodfonds Energie juist omdat zij te lage kosten hebben?2
Kunt u deze huishoudens met verborgen energiearmoede en onderconsumptie alsnog toegang geven tot een tegemoetkoming uit het Noodfonds Energie?
Zouden energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers kunnen helpen bij het signaleren van deze huishoudens met energiearmoede bij het Noodfonds Energie of deze huishoudens kunnen aanmelden bij het Noodfonds Energie? Aangezien vanuit deze partijen, zeker vanuit energiecoaches, vele praktijksignalen naar boven kunnen worden gehaald?
Welke ideeën heeft u overwogen om mensen die, omdat ze bang zijn voor een te hoge energierekening, toch te compenseren vanuit het Noodfonds Energie? Waarom zijn deze ideeën afgevallen? Hoe wilt u er (in de toekomst voor zorgen) dat deze groep ook op compensatie kan rekenen?
Op welke manier kunnen energiecoaches, gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers (die worden genoemd in de brief aan de Tweede Kamer van 29 september) bijdragen aan het benaderen van mensen die mogelijk al wel recht hebben op compensatie vanuit het Tijdelijk Noodfonds Energie?
Is het mogelijk dat gemeenten, hulpverleners en energieleveranciers hun data gebruiken om ook zoveel mogelijk mensen waarbij vermoedelijk onderconsumptie plaatsvindt, benaderen om hen op de hoogte te stellen van het Noodfonds Energie?
Hoe zorgt u ervoor dat deze cyclus van de noodzaak van financiële compensatie in de komende jaren doorbroken wordt? Welke concrete maatregelen worden hiervoor genomen?
Het bericht 'Pensioengat van honderden miljoenen veroorzaakt door dubieuze interpretatie van Pensioenwet' |
|
Elles van Ark (CDA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Pensioengat van honderden miljoenen veroorzaakt door dubieuze interpretatie van Pensioenwet» van Follow the Money?1
Kunt u uiteenzetten welke specifieke waarborgen voor het voorkomen van nadelige gevolgen van baanwisseling voor de compensatieregeling zijn opgenomen rondom de Wet toekomst pensioenen? Hoe verhoudt dit zich tot de huidige situatie waarbij veel deelnemers toch de compensatie mislopen of nog dreigen mis te lopen?
Wat is uw interpretatie en uitleg van artikel 150f van de Wet toekomst pensioenen, die bepaalt dat compensatie tijdsevenredig wordt toegekend gedurende een compensatieperiode? Zijn er vanaf de behandeling van de wet tot nu toe verschillende interpretaties van dit artikel geweest door de juridisch adviseurs en bewindspersonen?
Hoe beoordeelt u de keuze van veel pensioenfondsen om compensatie uitsluitend op het transitietijdstip toe te kennen? Acht de Minister deze uitvoeringspraktijk in overeenstemming met de bedoeling van artikel 150f en de daarbij behorende wetsgeschiedenis?
Wanneer is binnen uw ministerie voor het eerst bekend geworden dat werknemers door baanwisseling compensatie konden mislopen of juist dubbel konden ontvangen? Is toen (juridisch) getoetst in hoeverre dit conflicteerde met de artikelen van de Wet toekomst pensioenen?
Hoe beoordeelt u de informatievoorziening door pensioenfondsen, sociale partners en de gezamenlijke communicatie via pensioenvoorlichtingskanalen, zowel destijds als ook nu? Acht u de huidige informatievoorziening toereikend, ook gezien de bevindingen van het artikel in Follow The Money wat erop wijst dat ook nu de communicatie nog niet optimaal is?
Neemt de regeringscommissaris transitie pensioenen bovenstaande wetgeschiedenis, desbetreffende wetsartikelen, de eerdere en huidige communicatie mee in haar zoektocht naar een passende (en uitvoerbare) oplossing?
Mensenhandel in Caribisch Nederland. |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Eric van der Burg (VVD), David van Weel (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het recent uitgebrachte «2026 Trafficking in Persons Report» van het Amerikaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken en de daarin genoemde bevindingen over Nederland?1
Herkent u het in het rapport geschetste beeld dat mensenhandel op de BES-eilanden voorkomt en diverse groepen kwetsbaar zijn voor zowel seksuele uitbuiting als arbeidsuitbuiting? Kunt u aangegeven welke groepen u in beeld heeft als bijzonder kwetsbaar voor zowel seksuele uitbuiting als arbeidsuitbuiting op de BES-eilanden?2
Kunt u bevestigen dat er al vier jaar op rij geen slachtoffers van mensenhandel op de BES-eilanden zijn geïdentificeerd? Hoe verklaart u dit?
Kunt u aangeven hoeveel meldingen, onderzoeken, vervolgingen en veroordelingen wegens mensenhandel de afgelopen vier jaar plaatsgevonden hebben op de BES-eilanden?
Deelt u de analyses van het rapport dat er onderrapportage is van mensenhandel op de eilanden, dat de ernst van de problematiek onvoldoende wordt onderkend en de opsporingsinspanningen op de BES-eilanden «minimaal» zijn?
Bent u bereid ervoor te zorgen dat er voldoende expertise beschikbaar is bij de lokale autoriteiten op de BES-eilanden over mensenhandel, bijvoorbeeld door kennisoverdracht vanuit autoriteiten in het Europese deel van het Koninkrijk? Zo ja, hoe gaat u dat aanpakken?
Welke maatregelen gaat u nemen om ervoor te zorgen dat slachtoffers op de BES-eilanden aan de bel durven te trekken en dat zij ook weten waar ze terechtkunnen?
Bent u bereid naar aanleiding van dit rapport extra maatregelen te treffen om mensenhandel in Caribisch Nederland te bestrijden en hierbij in het bijzonder aandacht te verlenen aan illegale prostitutie op de BES-eilanden?
De berichtgeving over discriminatie bij de afdeling Handhaving van UWV |
|
Stephan Neijenhuis (D66), Mpanzu Bamenga (D66) |
|
Enneüs Heerma (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving van het Algemeen Dagblad en EenVandaag die wijst op discriminatie, racisme en etnisch profileren bij de afdeling Handhaving van UWV?
Deelt u de mening dat selecteren op «land van herkomst» en zwangerschap discriminatie is?
Sinds wanneer stonden de risicokenmerken «land van herkomst» en zwangerschap in de werkinstructie van de afdeling Handhaving en wanneer zijn deze definitief verwijderd?
Heeft u eerder signalen of klachten ontvangen over discriminatie in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving? Zo ja, kunt u aangeven wat de aard en omvang van deze signalen of klachten waren, welke maatregelen heeft u daarop getroffen, en in hoeverre deze naar tevredenheid van de melder waren?
Heeft u signalen of klachten ontvangen over discriminatie op andere gronden dan land van herkomst of zwangerschap in de dienstverlening en/of in de werkcultuur van de afdeling Handhaving?
Deelt u de mening dat signalen van mogelijke discriminatie, zoals de uitkomst van de interne analyse van UWV, direct bij de Minister dienen te worden gemeld, ook als vervolgonderzoek nog plaatsvindt?
Welke afspraken gelden momenteel binnen de rijksoverheid voor de omgang met ambtelijke signalen van mogelijke discriminatie als gevolg van beleid en/of op de werkvloer?
Acht u deze afspraken voldoende, gelet op het feit dat de signalen u pas laat hebben bereikt en gelet op de stelling in de berichtgeving dat niets is gedaan met signalen over de werkcultuur?
Kunt u aangeven wanneer de maatregelen gericht op de werkcultuur bij de afdeling, zoals door u geschetst in uw Kamerbrief (2026D48782), wat u betreft voldoende effectief zijn? Welke doelen stelt u hierbij?
Welke maatregelen treft u om slachtoffers van discriminatie op de werkvloer van de afdeling te beschermen, daders aan te pakken en bewustwording te creëren?
Kunt u aangeven waarom aanvankelijk door UWV is gekozen voor een interne analyse na vermoedens van mogelijke discriminatie, in plaats van direct een onafhankelijk extern onderzoek?
Hoe beoordeelt u de stelling in het Algemeen Dagblad dat het KPMG-onderzoek niet primair gericht is op het onderzoeken van discriminatie, maar op verschillen in de werkwijze per kantoor?
Met welke onderzoeksvraag is het KPMG-onderzoek in januari 2026 van start gegaan? Was het onderzoeken van discriminatie daar expliciet onderdeel van?
Is de richting van het KPMG-onderzoek gaandeweg aangepast? Zo ja, waarom?
Heeft de afdeling Handhaving van UWV de discriminatietoets voor publieke dienstverlening gebruikt? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Bent u bereid de gehanteerde algoritmes en risicoprofielen van het UWV door te lichten op mogelijke (indirecte) discriminatie en de Kamer over de uitkomsten te informeren?
Maakt UWV gebruik van geautomatiseerde selecties van uitkeringsgerechtigden voor controles op fraude? Zo ja, worden historische gegevens, waaronder uitkomsten van oudere fraudecontroles, gebruikt om dergelijke systemen te trainen?
Is door de afdeling Handhaving overwogen om over te gaan tot aselecte controles? Zo nee, waarom niet? Bent u bereid dit alsnog te doen?
Op basis van welke risicokenmerken worden de controles door de afdeling Handhaving op dit moment uitgevoerd?
Kunt u aangeven welke maatregelen UWV heeft getroffen sinds het kinderopvangtoeslagenschandaal om discriminatie en etnisch profileren in de eigen dienstverlening te voorkomen en bestrijden?
Kunt u aangeven op welke manier UWV de uitspraak in de zaak aangespannen door Amnesty c.s. tegen de Staat1 heeft geïmplementeerd?
Kunt u aangeven of en op welke manier UWV het toetsingskader voor risicoprofielen, ontwikkeld door het College voor de Rechten van de Mens, heeft geïmplementeerd?
Welke vervolgstappen bent u van plan te nemen indien het onderzoeksresultaat wijst op discriminerend handelen?
Welke lessen neemt u in een eventuele hersteloperatie voor gedupeerden mee uit de handelwijze bij de hersteloperatie na discriminerende risicoprofilering bij DUO, waaronder de informatievoorziening aan burgers, dossierherbeoordeling en compensatie?
Het bericht ‘Discriminatie en racisme binnen afdeling handhaving bij UWV' |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Racisme en discriminatie bij afdeling handhaving UWV, nieuwe hoogste baas biedt excuses aan»?1
Hoeveel mensen met een migratieachtergrond hebben vanwege hun migratieachtergrond te maken gekregen met een strenger controleregime bij het UWV dan mensen zonder migratieachtergrond?
Bent u bereid de beslissingen binnen de afgelopen vijf jaar opnieuw te controleren om zo vast te kunnen stellen of mensen met een migratieachtergrond in bepaalde regio’s inderdaad te maken hebben gekregen met een strenger controleregime vanwege hun achtergrond en waar nodig beslissingen opnieuw tegen het licht te houden? Zo nee, waarom niet?
Klopt het dat u pas na vragen van het Algemeen Dagblad (AD) over het onderzoek hoorde terwijl deze informatie al in januari bij uw ministerie bekend was? Zo ja, waarom zit hier zoveel tijd tussen?
Hoe ziet de tijdlijn tussen de start van het onderzoek en bekendmaking bij u eruit? Welke stappen werden wanneer gezet, en wie werd wanneer geïnformeerd?
Waarom is het advies om op basis van de uitkomsten van het eerdere interne onderzoek een nader specifiek onderzoek te doen naar mogelijk racisme en discriminatie bij het uitdelen van boetes eerder niet opgevolgd, waardoor de uitkomsten van dit onderzoek al bijna een jaar op de plank liggen?
Welke stappen heeft u genomen toen u bekend werd met de uitkomsten van het interne onderzoek bij het UWV?
Klopt het dat er een extern onderzoek loopt naar het UWV? Klopt het dat er in dit onderzoek vooral gekeken wordt naar verschillen per kantoor van het UWV?
Welke andere aspecten binnen het UWV worden in dit externe onderzoek meegenomen?
Welke afdelingen binnen het UWV vallen onder dit externe onderzoek?
Worden de verschillen in het controleregime bij verschillende regio’s en eventuele racistische of discriminerende aspecten bij de controle ook meegenomen binnen dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Worden discriminerende en racistische uitingen bij de werving, selectie en het behoud van personeel ook meegenomen in dit onderzoek? Zo nee, bent u bereid dit alsnog te onderzoeken?
Kunt u de onderzoeksopzet met de Kamer delen?
Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van dit onderzoek verwachten?
Wat vindt u van het verhaal van Minke van den Berg bij EenVandaag? Wat vindt u ervan dat zij intern werd aangepakt toen ze de vermeende discriminatie aankaartte bij haar manager?
Welke maatregelen worden er binnen het UWV genomen om te voorkomen dat niet de melder, maar de dader in het vervolg wordt aangepakt?
Kunt u reflecteren op de in de media geschetste voorbeelden en daarbij in elk geval meenemen of u racisme en discriminatie binnen het UWV ziet als een probleem van individuen of als een cultureel en organisatie breed probleem binnen de werkorganisatie van het UWV?
Welke andere stappen neemt u om ervoor te zorgen dat racisme en discriminatie in de organisatie en bij handhaving direct worden aangepakt zolang het onderzoek loopt?
Welke stappen neemt het UWV tegen de in het artikel genoemde medewerkers die personeel bewust afwijzen gebaseerd op afkomst?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Kinderen die in Nederland moeten integreren en Nederlands moeten leren, geen Turks of Arabisch |
|
Maikel Boon (PVV), Annette Raijer (PVV) |
|
Letschert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Vindt u het ook onbestaanbaar dat prinses Laurentien ouders in Nederland oproept om met hun kinderen de «taal van het hart» te spreken, waaronder Turks1, terwijl deze kinderen juist zo vroeg mogelijk de Nederlandse taal zouden moeten leren? Zo nee, waarom niet?
Waarom financiert de Nederlandse overheid het programma Taalschatten2, waarin het gebruik van de zogenoemde «taal van het hart» wordt aangemoedigd, terwijl prinses Laurentien daaronder expliciet ook niet-Nederlandse talen zoals het Turks verstaat, en waarom wordt dit belastinggeld niet volledig ingezet voor het zo vroeg mogelijk leren van de Nederlandse taal?
Hoeveel belastinggeld is de afgelopen vijf jaar besteed aan Taalschatten en andere projecten3 die het gebruik van Turks en Arabisch onder kinderen stimuleren?
Bent u bereid onmiddellijk te stoppen met het uitgeven van belastinggeld aan projecten die het spreken van Turks en Arabisch onder kinderen stimuleren en dit geld voortaan te besteden aan het leren van de Nederlandse taal? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de mening dat wanneer Turks of Arabisch werkelijk de «taal van je hart» is en je ervoor kiest je kinderen in die taal op te voeden, je beter in Turkije of een Arabisch land kunt wonen dan in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Opnieuw wordt een Leidse bewindvoerder ontslagen in alle zaken: 'Hij dacht makkelijk geld te kunnen verdienen'' |
|
Anouschka Biekman (D66) |
|
van Bruggen , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een bewindvoerderskantoor in de regio Leiden door de kantonrechter in alle 146 zaken is ontslagen en dat dit het derde grootschalige ontslag van een bewindvoerderskantoor in die regio binnen een jaar is?1
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onacceptabel is dat kwetsbare gedupeerden in zulke onzekerheid worden gestort?
Hoe beoordeelt u dat de betrokken bestuurder in 2025 bij een eerder kantoor al in alle zaken was ontslagen, vervolgens een tweede kantoor kon blijven voeren en ruim een jaar later opnieuw in alle zaken is ontslagen?
Klopt het dat het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren geen grondslag biedt om een bestuurder te weigeren die eerder in alle zaken is ontslagen? Wordt naast de benoembaarheid van het kantoor gekeken naar de bestuurder, opdat ontslagen bestuurders niet zonder meer een nieuw kantoor kunnen oprichten? Zo nee, zou dit bijdragen aan het voorkomen van dergelijke casussen?
Klopt het dat in de brief van 16 april 2025 niet wordt ingegaan op het voorstel uit de initiatiefnota van voormalig Tweede Kamerlid Kat, dat een ontslagen bewindvoerder niet langer benoembaar is en dat er een openbaar register komt waarin schorsingen, waarschuwingen, ontslagen en de overige functies van een bewindvoerder zichtbaar zijn? Wat is uw standpunt hierover, mede gelet op het feit dat cliënten van het betrokken kantoor moesten terugvallen op een recensieplatform om elkaar te waarschuwen?2 3
Heeft het kantoor in 2024 en 2025 de jaarlijkse toets van het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM en de verplichte accountantscontrole doorlopen en zijn daarbij signalen naar voren gekomen, gelet op het feit dat volgens de kantonrechter de rekeningen en verantwoordingen van het kantoor structureel niet op tijd en incompleet werden ingediend? Hoe verhoudt dit zich tot de constatering in de beslisnota bij de brief van 16 april 2025 dat de accountantscontrole volgens het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM niet naar behoren werkt? Wat is de stand van zaken van de daarin aangekondigde verbetering van de accountantscontrole en de kwaliteitseisen?4
Welke mogelijkheden hebben cliënten en gemeenten om dubbel geïnde bedragen terug te vorderen en wie draagt het verlies als terugbetaling uitblijft? Hoe kijkt u in deze context aan tegen het voorstel in de bovengenoemde initiatiefnota van voormalig lid Kat rondom de aansprakelijkheidsprocedure?
Welke juridische belemmeringen bestaan er voor het vroegtijdig delen van klachten en meldingen met de gemeente en andere relevante partijen, gelet op het feit dat de gemeente Leiden aangeeft eerder op de hoogte gesteld te willen worden van klachten en meldingen bij de rechtbank? Bent u bereid te onderzoeken hoe deze belemmeringen kunnen worden weggenomen en de samenwerking tussen kantoren, gemeente en rechtbank verder kan worden bevorderd?
Hoe is het gesteld met de algemene beschikbaarheid van bewindvoerders, gelet op het feit dat na ontslag van een bewindvoerder een nieuwe bewindvoerder moet worden aangesteld? Heeft u signalen dat het op nationaal dan wel regionaal niveau het uitdagend kan zijn om bewindvoerders te vinden?
Wat is de stand van zaken rond de uitvoering van de motie van de leden Van Kent en Kat over onderzoeken of er voor het toezicht op bewindvoerders toereikende financiering, capaciteit en middelen zijn?5
Gelet op het feit dat zowel het nu ontslagen kantoor als een eerder ontslagen kantoor in 2021 een overeenkomst tekende met de gemeenten Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude en Oegstgeest, ziet u mogelijkheden om de doeltreffendheid van kwaliteitsborgingsconvenanten verder te verbeteren, bijvoorbeeld door samenwerkingsafspraken landelijk uniformer vorm te geven?
Welke aanvullende stappen gaat u nemen of verkennen om de kwaliteit bij bewindvoerders beter te borgen?
Hoe kijkt u aan tegen de oproep van branchevereniging Aegis om strengere eisen te stellen aan het toelaten van bewindvoerders? Welke mogelijkheden ziet u bijvoorbeeld om praktijkervaring te vereisen bij een gevestigd bewindvoeringskantoor voordat een bewindvoerder zelfstandig aan de slag kan? Welke mogelijkheden ziet u in collegiaal toezicht, zodat niet alle druk van aanvullend toezicht bij rechtbanken wordt gelegd?6
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen van branchevereniging NVVK om de kwaliteit beter te borgen, bijvoorbeeld door een uniforme werkwijze van rechtbanken te bevorderen, het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM wettelijk beter uit te rusten en strenger te controlen op het vierogenprincipe?7
De brief aan de Tweede Kamer m.b.t. analyses van additionele koopkrachtinstrumenten (Kamerstuk 32043, nr. 710) |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u aangeven hoe de eerste twee doelstellingen die worden genoemd in het begin van de brief1, de laatste doelstelling kunnen versterken en welke afruilen er tussen de eerste twee doelstellingen en de laatste kunnen plaatsvinden?
Kunt u bevestigen dat het feit dat «de varianten in overleg met experts zijn vastgesteld» ook betekent dat deze experts de uitgangspunten en de conclusies hebben geaccordeerd?
Klopt het dat op pagina twee wordt geschreven over zeven randvoorwaarden, waarbij de vierde randvoorwaarde de koopkracht van de deelnemers betreft? Wordt met de deelnemers hier (ook) gepensioneerden bedoeld? Is de vierde randvoorwaarde niet de primaire doelstelling van het onderzoek, in plaats van één van de randvoorwaarden?
Het klopt toch dat in de resultatenanalyse op pagina twee staat dat de basisvariant reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel? Is deze conclusie ook onderbouwd? Indien ja, hoe?
Wat is volgens u precies het verschil tussen «meer perspectief» en «eerder perspectief», zoals in het pensioenakkoord en de memorie van toelichting op de Wet toekomst pensioenen (Wtp) gehanteerd wordt? En waarom wordt dit resultaat überhaupt vermeld, want het doel van het onderzoek was toch het verbeteren van de koopkracht in het nieuwe stelsel (meer perspectief), niet per se eerder ten opzichte van het oude stelsel (eerder perspectief)?
Op grond van welke criteria is geconcludeerd dat er geen eenduidige voorkeur kan worden uitgesproken voor één van de vier varianten?
Aangezien er wordt geschreven dat «een grotere ex ante herverdeling met andere generaties het risico heeft van hernieuwde generatie discussies», kan dus geconcludeerd worden dat u de mate van ex ante herverdeling bij de basisvariant maximaal passend vindt?
Kan meer ex ante herverdeling ook wenselijk zijn, als daar iets anders tegenover staat? Bijvoorbeeld het afstaan van rendement voor meer reële zekerheid?
Het klopt toch dat in een van de varianten het spreiden van resultaten via een spreidingsreserve niet meer nodig is en zelfs ongewenst is? Ziet u het kunnen laten vervallen van de spreidingsreserve ook als een voordeel voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid?
Het klopt toch dat uw voorganger in het debat van 21 november 2024 heeft gezegd dat hij met het nieuwe stelsel de koopkracht van ouderen op langere termijn daadwerkelijk wil veiligstellen en dat we iets bedacht hebben wat mensen koopkracht en zekerheid moet bieden voor de toekomst? Het klopt toch ook dat op pagina drie van de Kamerbrief staat dat het voor de hand ligt dat de pensioensector het initiatief neemt? Is het dan niet vreemd dat u, die stelselverantwoordelijk is, de regie en het initiatief uit handen geeft en niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor de verdere uitwerking? En geldt dat niet des te meer als die andere partij de komende jaren geen tijd heeft voor extra werkzaamheden en bovendien geen plan van aanpak, stappenplan en tijdslijn met u heeft afgestemd?
Het klopt toch ook dat vervolgens wordt gesteld dat «de Pensioenfederatie hierbij het initiatief neemt»? Waarom is hierbij gekozen voor de Pensioenfederatie? De Pensioenfederatie is toch immers geen uitvoerder?
In de Kamerbrief staat toch correct dat de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp? Wordt dan de evaluatie bedoeld, die gepland staat voor 2032? Betekent dit dat een eerste voorstel voor wetswijzigingen waarschijnlijk tot 2034 op zich zal laten wachten? Kunt u concreet aangeven welke planning u in gedachten heeft?
Bent u bereid om de belangrijkste koopkrachtvarianten nu samen met de groep van experts en betrokken partijen (o.a. Pensioenfederatie, Verbond van Verzekeraars en SZW), verder te analyseren en in de vorm van concrete voorstellen uit te werken in wetswijzigingen, zodat direct nadat het laatste fonds is ingevaren in 2028, er voldoende wettelijke mogelijkheden liggen om koopkrachtbehoud te realiseren? Deelt u onze visie, dat dit zorgt voor tijdige duidelijkheid voor sociale partners en dat het verdere vertraging voorkomt?
Het klopt toch dat in de brief wordt gesteld dat het nog een open vraag is hoe de communicatie kan plaatsvinden aan actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat er sprake is van een reële doelstelling? Bedoelt u hier een reële doelstelling of een reële garantie?
Het pensioenakkoord en de Wtp hadden toch een reële doelstelling, te weten eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen? Kunt u aangeven wat er mis is met een reële doelstelling in de uitkeringsfase voor pensioenfondsen?
Is de huidige pensioendoelstelling voor actieven (de vervangingsratio) niet ook een reële doelstelling?
Ziet u ook het belang van koopkrachtbehoud voor andere pensioenonderwerpen? En dan specifiek voor: De verdeling van de bestuurszetels en het afleggen van verantwoording over het behaalde resultaat door het bestuur aan deelnemers en gepensioneerden?
Het klopt toch dat in hoofdstuk twee van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten»2 staat: «Zo wordt van de afslag op het projectierendement weinig gebruik gemaakt omdat dit gepaard gaat met een lagere startuitkering.»? Als dit niet of nauwelijks gebruikt wordt, waarom wordt dit koopkrachtinstrument dan wel gebruikt als uniek verschil voor de tweede basisvariant?
Het is toch juist dat de meeste transitieplannen op het moment van schrijven al bekend waren en in al deze plannen een bescherming van de nominale uitkering is opgenomen? Hoe moeten wij dat beschouwen in relatie tot de opmerking dat: «De mogelijkheden binnen het huidige wettelijk kader zal in de praktijk door pensioenfondsen nader worden ingevuld, elk op hun eigen manier. Hoe deze invulling zal zijn zal duidelijk worden na de transitieperiode. Dit betekent dat in een vervolgstap nader zou moeten worden gekeken naar de invulling van het wettelijk kader zoals deze in de praktijk plaatsvindt. Zo is in de basisvarianten nu geen bescherming voor de nominale uitkering meegenomen».Waarom is hiervoor gekozen?
Het klopt toch dat in hoofdstuk drie van de bijlage staat dat«De eerste jaren is dit effect nog niet zo stabiel wegens de transitie en dat het model zich nog niet in een evenwichtstoestand bevindt.»? Het klopt toch eveneens dat in het rapport van DNB op pagina vijf staat «dat het koopkrachtverlies bepaald wordt in het 20ste jaar, omdat de simulaties van de vermogensverdeling dan enigszins gestabiliseerd zijn»? Is dit een modelmatig probleem of kunnen we dit in de praktijk ook verwachten? Klopt het dat dit probleem vooral wordt veroorzaakt door de spreidingsreserve? Betekent dit dat dit rapport niet geschikt is om de varianten die gebruik maken van spreiding te beoordelen voor de eerstkomende twintig jaar? Graag een toelichting op dit punt.
Op welke manier komt het volgende punt uit hoofdstuk vier van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten», terug in de verdere beoordeling? «Herverdeling hoeft niet per definitie slecht te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»
In de beschrijving van de basisvariant van hoofdstuk drie staat toch dat: «In de collectieve uitkeringsfase schokken dakpansgewijs binnen vijf jaar worden verwerkt.»? Waarom is hier niet conform de praktijk gekozen voor asymptotische spreiding?
In de beschrijving van de basisvariant met vaste afslag in hoofdstuk drie staat toch dat: «In de praktijk lijkt de vaste afslag nog weinig gebruikt te worden omdat in de afweging tussen lage startuitkering en koopkracht veel deelnemers een hogere startuitkering meer waarderen.»? Is er bewijs voor deze stelling? Of ligt de oorzaak misschien meer in het feit dat bij een afslag van 2% om dezelfde pensioendoelstelling (vervangingsratio) te halen de premie met ongeveer 40% omhoog moet?
In hoofdstuk 3.1 staat bij uitvoerbaarheid toch geschreven dat:«Aanspraken worden niet gewijzigd, maar uitkeringen wel omdat deze voor gepensioneerden afhankelijk worden van de reële rentetermijnstructuur»? Wordt hier met «aanspraken» de «pensioenvermogens» bedoeld? Betekent dit dat invoering van dit systeem na de transitie leidt tot verlaging van de pensioenuitkeringen met percentages oplopend tot ongeveer 40%?
Bij variant vijf staat toch in de omschrijving: «In deze variant wordt het beleggingsrisico zo gekozen dat in een mediaan scenario het beleggingsrisico gelijk is aan de verwachte inflatie»? Moet dat niet zijn: «In deze variant wordt de beleggingsmix zo gekozen dat in een mediaan scenario het verwachte overrendement iets groter is dan de verwachte inflatie»?
Kan aangegeven worden wat de grens is tussen «fors» en «niet fors» bij de analyse van variant vijf «Dit gaat gepaard met een forse ex-ante herverdeling van gepensioneerden naar actieven in vergelijking tot de basisvariant.»? Deze herverdeling van oud naar jong is de beloning die oud geeft voor de reële stabiliteit die ze krijgt. Het betreft dus een onderbouwde herverdeling. Waarom neemt u dit punt helemaal niet mee in uw analyse?
Bij variant vijf staat toch dat «Deze ex-ante herverdeling wordt verklaard door zowel de initiële vulling van de solidariteitsreserve (waar gepensioneerden in deze variant fors aan bijdragen) en dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming»? De initiële vulling van de solidariteitsreserve is echter toch gelijk aan die van de basisvariant? Dit stuk van de conclusie zou toch moeten worden aangepast?
Het klopt toch dat wordt geconcludeerd dat de vulregels voor de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming? Dit is toch een vreemde conclusie? De gepensioneerden geven toch immers een vergoeding voor een aanzienlijk betere inflatiebescherming? Deze conclusie zou toch alleen getrokken kunnen worden indien aangetoond wordt dat deze vergoeding méér dan marktconform is? Dat wordt toch nergens onderzocht of aangetoond? Kunt u deze conclusie aanpassen?
Het klopt toch dat de volatiliteit van variant vijf het grootste is, maar dat gaat wel samen met een beter resultaat in het pessimistisch scenario en een aanzienlijk veel beter resultaat in het mediane scenario?
Deelt u de conclusie dat er niet veel koopkracht winst is te behalen in een pessimistisch scenario zonder ongewenste herverdeling? Deelt u de conclusie dat dit in de mediaan wel mogelijk en ook noodzakelijk is? Bent u het er mee eens dat de grotere volatiliteit hier geen nadeel is, maar een groot voordeel in lijn met de doelstelling van het onderzoek? Indien nee, waarom niet?
Bij variant vijf krijgen jongere deelnemers toch een beloning die naar verwachting groter is dan hun nadeel en ze profiteren later, net als gepensioneerden, ook van een koopkrachtiger en stabieler pensioen? Waarom zou deze variant dan niet eenvoudig uitlegbaar zijn aan jongeren?
40-jarige deelnemers krijgen toch volgens de tabel op pagina 31 van het rapport van DNB, zowel in de mediaan als in het pessimistisch scenario een hoger pensioen? Waarom zou dit lastig uitlegbaar zijn?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging staat dat:«Deze variant is complex met veel geldstromen van en naar de reserve»? Maar er zijn toch helemaal niet meer of minder geldstromen naar de solidariteitsreserve en er zijn geen geldstromen naar de spreidingsreserve? Dan zijn er toch per saldo minder geldstromen en deze variant is daarom toch ook minder complex? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging van variant vijf staat: «Daarmee moet nader worden bekeken of de variant nog in lijn is met lifecycle beleggen. Bij lifecycle beleggen wordt het beleggingsrisico over het algemeen voor oudere deelnemers verkleind»? Voor lifecycles wordt normaal gesproken gekeken naar enerzijds de uitkomst in de mediaan en anderzijds naar de uitkomst in het pessimistisch scenario, dus als beide uitkomsten beter zijn, wat is dan de aanleiding om te veronderstellen dat de lifecycles niet passend zouden zijn? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Bij de rechtvaardiging van variant vijf staat toch dat:«Het pensioencontract kan moeilijker uitlegbaar zijn bij een life-event zoals bij uitdiensttreding.»?Kunt u aangeven of dit ook speelt als de deelnemer kan kiezen voor waardeoverdracht?
Bij de uitvoerbaarheid van variant vijf staat toch dat: «Deze variant kan relatief ten opzichte van de basisvariant tot grotere herverdelingseffecten leiden»?In het rapport staat toch ook dat herverdelingseffecten gerechtvaardigd kunnen zijn? Kunt u aangeven welk deel van deze grotere herverdelingseffecten u gerechtvaardigd vindt en welk deel niet?
In het rapport staat toch ook dat «Bij de operationele uitvoerbaarheid staat niet vermeld dat deze variant eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komt te vervallen. Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Het klopt toch dat bij de operationele uitvoerbaarheid niet vermeld wordt dat variant vijf eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komen te vervallen? Waarom wordt dit voordeel niet expliciet genoemd?
Kunt u, na op pagina één van de Kamerbrief «Additionele instrumenten koopkracht en koopkrachtambitie» te hebben aangegeven welke instrumenten er zijn om de inflatie beter te volgen, ook aangeven bij hoeveel pensioenfondsen de inzet van de solidariteits- of risicodelingsreserve, een vaste afslag van het projectierendement en het directe beschermingsrendement met inflatie-gerelateerde beleggingsproducten ook daadwerkelijk gebruikt worden? Graag in aantallen per instrument.
Mochten bepaalde instrumenten niet of nauwelijks gebruikt worden, dan komt dat toch doordat de theoretische opzet van de Wtp niet voldoet aan de praktijk of doordat de eerste doelstelling van de Wtp niet gedeeld wordt door de sociale partners? Graag een uitgebreide toelichting op dit punt.
De Wereld Suïcide Preventie Week |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u ermee bekend dat er elke dag gemiddeld vijf mensen in Nederland overlijden door zelfdoding, van wie gemiddeld de helft1 (ex-)werknemers?2
Op welke manier bevordert u het kabinetsbeleid inzake mentale gezondheid op het terrein van werk? Welke inzet pleegt u, als Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, aangaande de Wet integrale suïcidepreventie? In hoeverre worden werkgevers, bedrijfsartsen, arbodiensten en preventiemedewerkers momenteel ondersteund bij het herkennen van signalen van suïcidaliteit en het voeren van het gesprek daarover? Acht u het bestaande aanbod voldoende?
In hoeverre maakt mentale gezondheid, met suïcidepreventie als onderdeel daarvan, al regulier onderdeel uit van goed werkgeverschap, bijvoorbeeld via gezondheids- en vitaliteitsbeleid en beleid gericht op duurzame inzetbaarheid? Bent u bereid hierover met de Sociaal-Economische Raad (SER) en de sociale partners in gesprek te gaan om meer aandacht te schenken aan suïcidepreventie en signalering op de werkvloer?
Zijn de economische gevolgen van uitval door psychische oorzaken uitgedrukt in euro’s en fte bekend?
Bent u bekend met het Jaarverslag 2025 van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin staat dat in 2024 twee slachtoffers door zelfdoding en één slachtoffer van een ongeval buiten de werksfeer als dodelijk arbeidsongeval zijn meegerekend, en dat zelfdodingen vanaf 2025 niet meer als arbeidsongeval worden aangemerkt, maar apart worden gerapporteerd?3 Kunt u aangeven waar en over wat er apart wordt gerapporteerd?
Worden deze gevallen, ook wanneer zij niet als arbeidsongeval worden aangemerkt, onderzocht op mogelijke arbeidsgerelateerde factoren of omstandigheden, zodat hieruit lessen kunnen worden getrokken voor de preventie van zelfdoding?
Bent u bereid om in samenwerking met de Arbeidsinspectie, sociale partners en 113 Zelfmoordpreventie, de relatie tussen werk, arbeidsomstandigheden en suïcide nader in kaart te brengen, zodat beter kan worden vastgesteld welke arbeidsgerelateerde factoren een rol spelen en waar preventieve maatregelen het meest effectief kunnen worden ingezet?
Zijn er verklaringen voor de regionale verschillen in suïcidecijfers?4 Acht u nader onderzoek naar de oorzaken voor deze verschillen wenselijk? Welke regio's vragen volgens u nadere aandacht, gezien de opmerkelijke verschillen (ook ten aanzien van het regionale suïcidepercentage specifiek voor tieners5)?
Heeft u kennisgenomen van de uitzending van Buitenhof van zondag 30 augustus jongstleden waarin de burgemeester van Amsterdam de noodklok luidde over dakloosheid in de grote steden?
Hebt u er kennis van genomen dat ten minste Nijmegen, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Arnhem, Groningen en Almere nu de oproep van burgemeester Halsema hebben gesteund?
Wat is uw reactie op de constatering van de burgemeester van Amsterdam dat de leefbaarheid in de vier grote steden steeds verder onder druk komt te staan door de combinatie van toenemende dakloosheid, verloedering, crackgebruik en mensen met verward gedrag?
Kunt u reageren op de vaststelling van de burgemeester dat zij «al een aantal keer de noodklok richting Den Haag» heeft geluid, maar dat dit «te weinig beantwoord» wordt? Is het kabinet bereid op korte termijn in gesprek te gaan met de burgemeesters van de vier grote steden om te komen tot een gezamenlijke, structurele aanpak van dakloosheid en drugsoverlast? Zo ja, op welke termijn kan de Kamer hierover worden geïnformeerd? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de analyse van de burgemeester dat het Rijk medeverantwoordelijk is voor deze problematiek en dat er ook vanuit het Rijk «grote maatregelen» nodig zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen worden er al genomen of bent u van plan te nemen?
In welke mate zijn wat u betreft werkgevers verantwoordelijk voor het feit dat arbeidsmigranten massaal op straat belanden? Wat bent u bereid hieraan te doen?
Hebt u kennisgenomen van de vorige maand aangekondigde maatregelen tegen dakloosheid van de Britse premier Burnham, waaronder nieuwe opvangmogelijkheden, praktische hulp voor mensen bij huisvesting, gezondheidszorg en andere behoeften, en een nationale top met verschillende actoren? Wat is het Nederlandse kabinet bereid te leren van deze aanpak?
Ziet het kabinet ook dat arbeidsmigranten een groot deel vormen van het aantal dakloze mensen (circa 1500 van de 3644 in beeld gebrachte dakloze mensen in Amsterdam)? Deelt het kabinet de constatering van de Amsterdamse burgemeester dat het toenemende aantal dakloze arbeidsmigranten samenhangt met gebrekkige huurbescherming, doordat arbeidsmigranten bij ontslag dakloos worden? Zo nee, waarom niet en waardoor komt dit dan wel volgens het kabinet?
Herinnert u zich het voorstel van eind vorig jaar om in de wet een nieuwe opzeggingsgrond op te nemen dat een werkgever de huurovereenkomst mag opzeggen indien de arbeidsrelatie is beëindigd? Kunt u reageren op de kritiek van de Amsterdamse burgemeester en tal van maatschappelijke organisaties (waaronder de Woonbond, Dakloosheid Voorbij!, Valente, het Leger des Heils en de FNV) dat deze maatregel, die in strijd is met de aanbevelingen van de commissie-Roemer, zal leiden tot meer dakloosheid onder arbeidsmigranten?
Is het kabinet het eens dat het toestaan van tijdelijke huurcontracten voor arbeidsmigranten – zoals het kabinet momenteel voorstelt in het wetsvoorstel passende huurcontracten – het risico met zich meebrengt dat arbeidsmigranten sneller dakloos raken? En is het kabinet bereid om – mede naar aanleiding van de oproep van de burgemeester van Amsterdam – dit voorstel te herzien?
Op welke wijze is het kabinet voornemens om de problemen van dakloze arbeidsmigranten op te lossen? Is het kabinet bereid om de aanbevelingen van de commissie-Roemer uit te voeren, ervoor te zorgen dat arbeidsmigranten dezelfde rechtspositie krijgen als andere werknemers, en de afhankelijkheid tussen arbeid en huisvesting te verminderen?
Is het kabinet bereid om de regeling waarmee werkgevers tot 25 procent van het minimumloon van arbeidsmigranten inhouden in ruil voor huisvesting alsnog zo snel mogelijk – zonder eerst het beperken van short stay af te wachten – af te bouwen, zoals was voorzien?
Wat is volgens u de relatie tussen de massale short stayhuisvesting van arbeidsmigranten en de toegenomen dakloosheid van arbeidsmigranten?
Heeft Amsterdam het kabinet gevraagd om als pilot containerwoningen te mogen plaatsen voor dakloze moeders en kinderen? Bent u bereid deze ruimte te bieden, en zo ja, op welke termijn kan hierover duidelijkheid komen? Zo nee, waarom bent u hiertoe niet bereid?
De gezondheidszorg voor arbeidsmigranten |
|
Jimmy Dijk (SP), Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de problematiek rond de toegang tot gezondheidszorg van arbeidsmigranten, zoals onder andere geschetst door de artsenwerkgroep Arbeidsmigranten Veilig en Gezond?1
Hoeveel arbeidsmigranten zijn er op dit moment onverzekerd aan het werk in Nederland? Als u dit niet weet, welke stappen gaat u nemen om hier wel achter te komen?
Klopt het dat veel arbeidsmigranten een zorgverzekering krijgen aangeboden door het uitzendbureau waar ze in dienst zijn, maar dat deze regelmatig stopt zodra ze uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat dit voor veel problemen zorgt omdat arbeidsmigranten onverzekerd zijn zodra zij ziek uit dienst treden? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Klopt het dat arbeidsmigranten die niet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) zich meestal niet kunnen inschrijven bij een huisarts en daardoor zijn overgeleverd aan de spoedeisende hulp? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Waarom is er geen opvolging gegeven aan het advies van de commissie Roemer om arbeidsmigranten die uit dienst treden de toegang tot zorg te laten behouden? Wat gaat u doen om dit advies alsnog uit te voeren?
Wat doet u, en vraagt u van uitzendbureaus, om arbeidsmigranten zo goed mogelijk te informeren over hun rechten en plichten rond de toegang tot gezondheidszorg?
Welke stappen neemt u om het informeren van arbeidsmigranten rond hun toegang tot gezondheidszorg te verbeteren? Wat vraagt u daarbij van uitzendbureaus?
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat arbeidsmigranten de weg naar goede gezondheidszorg in Nederland zo weinig weten te vinden en onderweg zoveel hobbels tegenkomen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het misgelopen pensioencompensatie door deelnemers die van fonds wisselen |
|
Elles van Ark (CDA), Wimar Bolhuis (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het Volkskrant-bericht «Tienduizenden mensen lopen pensioengeld mis omdat ze van baan zijn gewisseld – en daar lijkt niks tegen te doen»?1
Ja.
Deelt u de zorg dat deelnemers door de samenloop van verschillende transitiedata tussen twee compensatieregelingen kunnen vallen, dat dit tot moeilijk uitlegbare uitkomsten kan leiden en een onbedoelde belemmering kan vormen om van baan te wisselen? Hoe verhoudt dit zich tot de inzet van het kabinet voor een gedragen pensioenstelseltransitie en juist de bevordering van de stap van werk naar werk?
Ik begrijp de zorgen over de situatie die kan ontstaan wanneer mensen door een baanwissel, waarbij ze overstappen naar een ander pensioenfonds met een andere transitiedatum geen compensatie ontvangen. Dit kan voor deelnemers tot onduidelijkheid leiden bij het maken van keuzes over een nieuwe baan.
Bij de totstandkoming van het Pensioenakkoord en de Wet toekomst pensioenen (Wtp), is op voorstel van het kabinet en sociale partners besloten tot een meerjarige overgangstermijn. Eén vaste transitiedatum voor alle pensioenregelingen bleek niet uitvoerbaar vanwege de piekbelasting in de administratieve, IT- en financieel-actuariële capaciteit bij pensioenfondsen, PPI’s en verzekeraars, maar ook bij pensioenuitvoeringsorganisaties, toezichthouders en adviseurs. Er is weloverwogen gekozen voor een meerjarige overgangstermijn om de kwaliteit van de transitie te kunnen waarborgen. Daarbij zijn ook afspraken gemaakt over compensatie omdat afschaffing van de zogenoemde doorsneesystematiek voor bepaalde groepen kan leiden tot een nadeel bij toekomstige opbouw. Hierbij is expliciet ruimte gelaten aan decentrale sociale partners om, gelet op het regelings- en sectorspecifieke karakter van compensatie, eigen afspraken te maken. Die ruimte was nodig; een uniforme en wettelijk voorgeschreven compensatieregeling zou de ruimte beperken om voor decentrale partijen tot uitvoerbare, regeling- of sectorspecifieke afspraken te komen. Zo kunnen ze mede afhankelijk van hun deelnemerspopulatie de omvang van de compensatieregeling afspreken en ze kunnen besluiten om compensatie toe te kennen op één moment of verdeeld over een langere periode, mogelijk meerdere jaren.
Het kabinet vindt het van belang dat de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel evenwichtig verloopt en dat mensen de stap van werk naar werk goed geïnformeerd kunnen maken. Een baanwissel heeft ook los van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel gevolgen voor de pensioenopbouw. Het is daarom van belang dat mensen zich (laten) informeren over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen en dit meewegen bij hun keuze; niet alleen nu maar bij elke baanwissel die men overweegt. Daarom zetten pensioenuitvoerders en werkgevers in op het informeren van hun deelnemers en werknemers over de mogelijke gevolgen van een baanwissel voor hun pensioen. Ook mijn ministerie besteedt hier aandacht aan. Op www.pensioenduidelijkheid.nl is informatie beschikbaar over compensatie en de gevolgen van verschillende situaties, waaronder baanwissel. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat het voor deelnemers niet altijd eenvoudig is om de gevolgen voor hun pensioen en eventuele compensatie vooraf goed te overzien; mensen ontvangen veel informatie in deze periode, die is soms lastig te doorgronden en overwegend in algemene termen opgesteld2.
Deelt u de mening dat kabinet, sociale partners en pensioensector vanuit hun gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord een uiterste inspanning moeten doen om te komen tot gerichte, juridisch houdbare en uitvoerbare oplossingen voor deze situatie?
Ik heb uw Kamer eerder toegezegd om samen met sociale partners een uiterste inspanning te doen om de mogelijkheden voor aanvullende maatregelen te bezien. Daarover heb ik uw Kamer geïnformeerd in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen van juli jl.3
Daaruit is gebleken dat eventuele als oplossing bedoelde nieuwe of aanvullende voorschriften voor compensatie substantiële juridische, afbakenings- en uitvoeringscomplexiteit toevoegt.
Vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid voor het Pensioenakkoord vind ik het van belang dat de er gerichte aandacht is voor de situatie van mensen die tijdens de transitie van werksituatie veranderen. Uit mijn overleg met de sociale partners bleek ook dat er binnen de bestaande kaders al verschillende sectorspecifieke oplossingen worden toegepast. Zie ook verderop bij het antwoord op vraag 9 voor een nadere toelichting op fondsspecifieke oplossingen. Zoals genoemd bij de vorige vraag, pensioenfondsen en werkgevers attenderen hun deelnemers en werknemers er op dat een baanwissel gevolg kan hebben voor de pensioenopbouw en voor de toekenning van compensatie. De Pensioenfederatie heeft meerdere voorbeelden hierover opgenomen in een recent rapport.4
Omdat de compensatie voor het afschaffen van de doorsneesystematiek erg afhankelijk is van individuele omstandigheden en de actuele stand van zaken bij de overgang op de vernieuwde pensioenregeling volgens de Wtp, richten veel pensioenfondsen hun communicatie op het creëren van de juiste verwachtingen bij deelnemers. Veel pensioenfondsen publiceren rekenvoorbeelden op hun website, laten het aan bod komen in (online) bijeenkomsten voor werkenden en brengen het actief onder de aandacht bij aangesloten werkgevers. Pensioenfonds ABP heeft bijvoorbeeld een online tool ontwikkeld waarin mensen aan de hand van hun salaris en leeftijd een inschatting kunnen maken van de effecten van de compensatie. Het Bakkers Pensioenfonds heeft dan weer deelnemers een persoonlijke e-mail gestuurd met daarin het aanbod om een persoonlijke berekening te maken.
Is het mogelijk om – eventueel nadat alle pensioenfondsen zijn overgestapt naar de nieuwe pensioenregeling – uit de fondsadministraties te achterhalen welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of welke juist twee compensatieregelingen hebben ontvangen? Zo ja, hoe? Zo nee, waarom niet?
Nee, dat is niet zonder meer mogelijk. Zoals ik in mijn brief van 24 april jl. heb toegelicht, is in kaart gebracht welke werksituaties van invloed kunnen zijn op compensatie bij pensioenopbouw.5 Een dergelijke registratie bij pensioenfondsen of werkgevers ontbreekt waarmee achteraf op individueel niveau kan worden vastgesteld welke deelnemers door een baanwissel tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen of juist bij meerdere fondsen compensatie hebben ontvangen.6 Pensioenuitvoerders kunnen alleen beschikken over gegevens van deelnemers die actief zijn binnen hun eigen regeling. Om dit voor alle deelnemers vast te stellen, zouden gegevens van alle pensioenuitvoerders moeten worden gecombineerd. Een grondslag hiertoe is er niet. Daarbij verschillen ook de voorwaarden en vormgeving van de compensatieregelingen per fonds.
Ik hecht er aan om in dit antwoord te vermelden dat er ook mensen van baan zijn gewisseld die in hun beslissing de eventuele gevolgen voor pensioencompensatie hebben meegewogen. Deze mensen hebben dit meegewogen in hun beslissing en mogelijk ook betrokken in de afspraken over hun nieuwe arbeidsvoorwaarden. Cijfers over welke deelnemers door een overstap tussen twee compensatieregelingen zijn gevallen, geven dus geen beeld van hoeveel mensen zich niet bewust waren van eventuele consequenties en hiervan per saldo nadeel ervaren.
Kunt u een inschatting geven hoe hoog de door u in een eerdere Kamerbrief benoemde «enorme kosten» zijn van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling die de sector uitdenkt en uitvoert, en waar u deze inschatting op baseert? Kunt u daarbij aangeven om welke orde van grootte het gaat, wie deze kosten uiteindelijk zou dragen en wat de gevolgen zouden zijn voor het deelnemerscollectief? 2)
Nee, ik kan geen inschatting geven hoeveel een aangepaste en uitgebreide regeling zou kosten die compensatie toekent zowel aan mensen die bij het pensioenfonds blijven als aan alle mensen die vertrekken. Om enkele aspecten te noemen: niet duidelijk is hoeveel mensen die nu bij het pensioenfonds blijven alsnog zouden vertrekken als gevolg van deze aangepaste regeling, niet duidelijk is welk tijdvak hiervoor zou gelden en niet duidelijk is hoeveel de compensatie per deelnemer bedraagt (die wordt vastgesteld niet eerder dan de feitelijke transitiedatum). Duidelijk is evenwel dat de compensatieregeling achteraf voor iedere baanwisselaar open stellen zal leiden tot enorme kosten.
Op welke wijze kunt u de wettelijke mogelijkheid tot dispensatie voor tijdelijke voortzetting bij het oude pensioenfonds tijdelijk verruimen voor de groep overstappers die tussen twee compensatieregelingen invallen, ten behoeve van een rechtvaardige transitie naar het nieuwe pensioenstelsel?
De wettelijke mogelijkheid tot dispensatie biedt hiervoor geen ruimte. Dispensatie kan een fonds alleen in bepaalde gevallen verlenen aan werkgevers uit die betreffende sector die een minstens gelijkwaardige regeling aanbieden. Het is wettelijk niet mogelijk dat een fonds dispensatie zou verlenen aan individuele werknemers. Bovendien zou een dergelijke mogelijkheid leiden tot nieuwe, complexe juridische afbakeningsvraagstukken en een zware belasting voor de uitvoering.
In de praktijk worden fondsspecifieke afspraken gemaakt. Zo hebben bijvoorbeeld pensioenfondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven van de nieuwe regeling bij een overstap tussen deze fondsen, zodat werknemers toegang kunnen behouden tot de compensatieregeling van PME, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen.
Kunt u samen met de pensioensector en sociale partners varianten van een compensatievoorziening, vereveningsmodel of vangnetregeling uitwerken, inclusief inschattingen van de verwachte complexiteit, kosten, uitvoeringsbelasting en deelnemersbereik, zodat de regering en Kamer hierover van gedachten kunnen wisselen?
Zoals ik in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven, heb ik hierover met sociale partners gesproken. Daar zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Hieruit is gekomen dat het introduceren van nieuwe eisen aan compensatie-afspraken, zoals de vraag voorstelt, al dan niet wettelijk opgelegd aan sociale partners en pensioenuitvoerders, zou leiden tot weer nieuwe, complexe uitvoeringsvraagstukken. In dat geval zouden, bijvoorbeeld, mensen die in 2025 zijn vertrokken bij een fonds dat per 1/1/2026 naar een nieuwe pensioenregeling is overgegaan, alsnog compensatie (kunnen) vragen. Het is – zoals ik ook in mijn brief van 2 juli jl. heb aangegeven – uitvoeringstechnisch niet mogelijk en juridisch zeer complex om onderscheid te maken tussen mensen die bewust van baan wisselen en die gezien het doel van de compensatieregeling terecht afzien van compensatie8 (bijvoorbeeld omdat de nieuwe baan betere arbeidsvoorwaarden heeft) en anderzijds, mensen die onbewust hebben afgezien van compensatie. Omdat een dergelijk onderscheid in de praktijk niet te maken is, zou het op deze manier een compensatieregeling zijn die achteraf voor elke baanwisselaar openstaat.
Kunt u een nauwkeurigere kwantitatieve inschatting maken van de grootte van de groep die compensatie misloopt, en van de door deze groep misgelopen compensatie, dan u eerder deed in uw Kamerbrief?2 Zo nee, waarom niet? . In hoeverre zijn de door u in uw Kamerbrief genoemde maatwerkoplossingen bij PMT/PME en BpfBOUW en in enkele sociale plannen representatief voor de pensioensector, of betreft het uitzonderingen?
Nee, deze gegevens zijn niet beschikbaar. In mijn brief van 24 april jl. heb ik een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Daarvoor is CBS-data gebruikt en zijn aannames gehanteerd over hoeveel mensen in deze periode van baan wisselen (gebaseerd op eerdere jaren), de voor compensatie relevante leeftijd van deze mensen en tussen welke sectoren zij op dat moment van baan wisselen in samenhang met de transitiedata van de (meest waarschijnlijk) hierbij betrokken pensioenfondsen. Van deze pensioenfondsen zijn de transitiedata bekend en de wijze waarop compensatie toegekend wordt. Deze inschatting kan ik hierdoor niet nauwkeuriger maken.
Hoe groot is de groep pensioendeelnemers die ondanks de genoemde maatwerkoplossingen alsnog compensatie misloopt? Welke mogelijkheden ziet u om deze groep tegemoet te komen en te waarborgen dat de transitie ook voor hen rechtvaardig uitpakt?
We zien dat er in verschillende sectoren wordt gezocht naar oplossingen die specifiek passen bij de betreffende sector. Het is mogelijk dat wat in de ene sector werkt in een andere wellicht niet werkt. Daarom is er ruimte gemaakt om sector (en fonds-)specifieke afspraken te maken bij compensatieregelingen. Ik heb in de voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – zomer 2026 melding gedaan van maatwerk dat in enkele sectoren wordt toegepast. Sociale partners geven aan het vraagstuk rond compensatieregelingen zo goed als mogelijk te adresseren in transitieplannen en, waar dit speelt, ook in sociale plannen. Ik vind het positief dat sectorpartijen binnen de mogelijkheden die de wet biedt mitigerende maatregelen toepassen. Daarmee wordt de groep mensen die geen compensatie krijgt verder beperkt. Daarbij moet worden opgemerkt dat bijvoorbeeld het maatwerk dat in de metaalindustrie wordt toegepast geen regeling voor individuele deelnemers betreft. In de metaalsector hebben de van nature al onderling verbonden fondsen PMT en PME afspraken gemaakt om werkgevers tijdelijk dispensatie te kunnen geven. Zo kunnen werknemers toegang behouden tot de compensatieregeling, ook als de werkgever vanwege werkingssfeer naar PMT zou moeten overstappen. Het betreft in dit geval specifieke afspraken voor werkgevers en de deelnemers die daar werkzaam zijn.
De sociale partners van pensioenfonds bpfBOUW hebben gevraagd om bij de invulling van de compensatieregeling te voorkomen dat deelnemers specifiek als gevolg van bijvoorbeeld seizoensarbeid niet voor compensatie in aanmerking zouden komen. Het fonds heeft dit ingevuld door deelnemers die geen recht hebben op de reguliere compensatie voor het afschaffen doorsneesystematiek (doordat zij geen deelnemer zijn op 31-12-2025) toch compensatie te verlenen als ze een actief dienstverband van tenminste één dag hebben in het laatste kwartaal van 2025 en tevens een actief dienstverband hebben van tenminste een dag in het eerste halfjaar van 2026. Deze aanpak wordt ook gevolgd in andere sectoren. Bijvoorbeeld BPL, het pensioenfonds voor werknemers in de agrarische en de groene sector en voor pensioenfonds Koopvaardij. Deze oplossingen zijn gericht op de eigen deelnemers van het fonds, die tijdelijk niet in de sector actief zijn.
Kunt u ook een nauwkeurigere inschatting maken van de grootte van de groepen overstappers met «dubbele compensatie» en van de ontvangen compensatie van deze overstappers?
Ik beschik niet over exacte data. Zoals aangegeven in antwoord op vraag 8 is eerder een globale schatting gegeven dat het hierbij zou kunnen gaan om enkele tienduizenden mensen die dit jaar zonder compensatie overstappen naar een andere baan en pensioen gaan opbouwen bij een andere pensioenuitvoerder. Er kan niet worden vastgesteld welk deel daarvan compensatie zou hebben ontvangen bij voortzetting van het dienstverband en welk bedrag daarmee gemoeid zou zijn.
In het gesprek met de vakbonden en werkgeversorganisaties, zoals aangegeven bij vraag 7, zijn verschillende mogelijke alternatieven besproken. Het is van belang dat mensen goed worden geïnformeerd over de werking van compensatieregelingen en de mogelijke gevolgen van een baanwissel, zodat zij deze gevolgen kunnen meewegen bij hun arbeidsmarktbeslissingen.
Welke aanvullende communicatie gaat het ministerie in de komende periode intensiveren om mensen naar www.pensioenduidelijkheid.nl te leiden en te wijzen op eventuele gevolgen voor compensatie van arbeidsmarktgedrag, en waarom is deze communicatie niet eerder ingezet?
Nee, hiervoor is geen betekenisvolle inschatting te maken. Zoals toegelicht in het antwoord op vraag 4, zijn hiervoor geen gegevens beschikbaar waarmee de grootte van deze groepen en de hoogte van de ontvangen compensatie kunnen worden vastgesteld.
Klopt het dat deze aanvullende communicatie te laat komt voor de tienduizenden deelnemers die pensioencompensatie mislopen, omdat zij al overgestapt zijn?
Communicatie over de nieuwe regels voor pensioen is een taak die werkgevers, werknemersorganisaties, pensioenuitvoerders en mijn ministerie gezamenlijk hebben opgepakt. Met deze partijen hebben we gezamenlijk de campagne Pensioenduidelijkheid ontwikkeld om werkenden en gepensioneerden te informeren over de nieuwe regels voor pensioen.
In de afgelopen periode is de communicatie over compensatie verder geïntensiveerd en ook de komende periode wordt hier extra aandacht aan besteed. Op pensioenduidelijkheid.nl10 staat een aparte pagina over compensatie. Ook wordt al langere tijd ingezet op het bereiken van mensen die online zoeken naar informatie over pensioen en compensatie. In mei heeft de AFM op haar consumentenpagina een informatieflyer over compensatie gepubliceerd.11 In de zomer is het onderwerp vanuit mijn ministerie extra belicht op social media.12 Begin september is er een nieuwsbericht verspreid met speciale focus op waar men de juiste informatie kan vinden over mogelijke compensatie als men van plan is om van werkgever te wisselen of minder uren te gaan werken.
Via de campagne Pensioenduidelijkheid (14 september tot en met 18 oktober) brengen we deze informatie ook extra onder de aandacht. Deze communicatie komt naast de informatie die pensioenuitvoerders, werkgevers en sociale partners al verstrekken, onder meer via websites, nieuwsbrieven, webinars en bijeenkomsten.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Pensioenonderwerpen op 10 september?
Voor mensen die al van baan zijn gewisseld, kan aanvullende communicatie achteraf niet voorkomen dat de baanwissel heeft plaatsgevonden. Tegelijkertijd is de transitie nog niet afgerond. De uiterste transitiedatum is 1 januari 2028 en een groot aantal pensioenfondsen maakt de overstap op 1 januari 2027. Er zijn daarmee nog veel deelnemers voor wie deze informatie relevant kan zijn.
Bent u bekend met het bericht «Pensioenfondsen betrokken bij verkoop van DigiD aan Amerikanen»?1
Wat is uw reactie op het bericht en de investeringen van pensioenfondsen in het bedrijf Solvinity, dat DigiD faciliteert en dreigde te worden overgekocht door Amerikanen?
Wat is de reactie van de pensioenfondsen ABP en PFZW op dit bericht? Kunt u de fondsen vragen om verantwoording af te leggen over deze investering namens de burgers die premie aan hen afdragen?
Waren de pensioenfondsen ABP en PFZW op de hoogte dat hun geld belegd werd in Solvinity? Zo ja, kunt u verklaren waarom zij deze investeringen alsnog hebben gedaan?
Vindt u het uit te leggen dat burgers via hun pensioenpremie indirect investeren in een bedrijf dat keuzes maakt die, in uw eigen woorden, indruisen tegen het publieke belang?
Welke rol speelt digitale autonomie op dit moment in het strategisch beleggingsbeleid van de pensioenfondsen? Zijn er plannen om het strategisch beleggingsbeleid op dit onderwerp aan te passen?
Welke toezichthouder zorgt ervoor dat pensioenfondsen conform hun kaders beleggen? Voldoet de investering in Solvinity aan dat kader?
Bent u bereid om pensioenfondsen te verzoeken om beleggingen die afbreuk doen aan de digitale autonomie stop te zetten?
Hoe gaat u ervoor zorgen dat pensioenfondsen hun kapitaal inzetten om de digitale autonomie van Nederland te versterken? Bent u bereid dit te bespreken met de fondsen en de Kamer dit najaar te informeren over de uitkomsten hiervan?
Kunt u deze vragen afzonderlijk en nog vóór het commissiedebat «digitaliserende overheid en toezicht» van 30 september 2026 beantwoorden?