Het bericht 'Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: ‘Onvoldoende jongeren voor vacatures’' |
|
Martin de Beer (VVD) |
|
Boekholt-O’Sullivan , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nieuwe huizen nodig, maar geen timmerman of metselaar te vinden: «Onvoldoende jongeren voor vacatures»»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u het feit dat 71% van de bouwbedrijven kampt met personeelstekorten, wat aanzienlijk hoger is dan het landelijk gemiddelde (45%)?
De bouwsector heeft al langere tijd te maken met een krappe arbeidsmarkt. Dit kent meerdere oorzaken. Ten eerste is sprake van een structureel tekort aan vakmensen, mede als gevolg van vergrijzing en een beperkte instroom van jongeren in technische en bouwgerelateerde opleidingen. Daarnaast is de vraag naar arbeid in de bouw de afgelopen jaren sterk toegenomen door onder meer de woningbouwopgave, verduurzamingsopgaven en renovatie- en onderhoudswerkzaamheden. De combinatie van een stijgende vraag en een achterblijvend aanbod leidt tot een bovengemiddelde krapte in een toch al gespannen arbeidsmarkt. Verder zien we dat de fysieke belasting van het werk invloed heeft op de aantrekkelijkheid van de sector voor potentiële werknemers.
In hoeverre vormen deze personeelstekorten volgens u een risico voor het realiseren van de doelstelling om 100.000 woningen te bouwen?
Het tekort aan vakmensen heeft invloed op de uitvoeringscapaciteit van bouwbedrijven en daarmee op de snelheid waarmee projecten kunnen worden gerealiseerd. Tegelijkertijd is het belangrijk te benadrukken dat de woningbouwproductie door meerdere factoren wordt bepaald. Naast beschikbaarheid van personeel spelen onder meer de beschikbaarheid van bouwlocaties, vergunningprocedures, financieringscondities, stikstofruimte en de capaciteit bij gemeenten en andere betrokken partijen een rol.
De huidige krapte op de arbeidsmarkt betekent dat bouwbedrijven in sommige gevallen langer nodig hebben om personeel te vinden of dat projecten anders moeten worden georganiseerd. We zien dan ook dat de sector inzet op oplossingen zoals het verbeteren van arbeidsproductiviteit en het vergroten van de instroom via opleidingen en zij-instroom. Het is overigens ook een prikkel om productiever te werken, waaronder het toepassen van innovatieve en meer geïndustrialiseerde bouwmethoden.
Kunt u aangeven hoeveel vertraging direct toe te schrijven is aan deze personeelstekorten in de bouw?
Het is lastig om te beoordelen in hoeverre de personeelstekorten specifiek invloed hebben op vertraging. Tekorten in de bouw kunnen ervoor zorgen dat projecten vertraging oplopen of geen doorgang kunnen vinden. Dit is echter, zoals bij de voorgaande vraag benoemd, mede afhankelijk van een aantal andere factoren.
Hoe verklaart u het dat vacatures in de bouwsector vaak moeilijk te vervullen zijn? Hoe verklaart u het dat sollicitanten vaak niet aan gevraagde eisen voldoen?
In het antwoord op vraag 2 is toegelicht dat er verschillende redenen zijn voor de personeelstekorten in de bouw. Daarnaast speelt in de bouwsector een kwalitatieve mismatch een belangrijke rol. Werkgevers geven aan dat sollicitanten regelmatig niet beschikken over de specifieke vaardigheden, ervaring of certificeringen die voor bepaalde functies vereist zijn. Dit heeft onder meer te maken met de snelle technologische ontwikkelingen in de sector, zoals digitalisering, prefabricage en nieuwe bouwmethoden, waarvoor aanvullende kennis en scholing nodig zijn. Deze innovaties zijn overigens juist ook nodig om met minder mensen meer te kunnen doen. Ook zij-instromers, die vanuit andere sectoren komen, hebben vaak tijd nodig om de benodigde vaardigheden op te bouwen.
Welke concrete doelen stelt het kabinet voor het terugdringen van het aantal openstaande vacatures in de bouwsector richting 2027?
Het kabinet werkt aan een Talentstrategie om bewustere keuzes te maken over de inzet van schaars talent. Op basis daarvan bepaalt het kabinet op welke prioritaire opgaven meer inzet van talent nodig is. Dat kan namelijk niet op alle opgaven en sectoren tegelijkertijd.
Als onderdeel van de Talentstrategie wordt ook ingezet op het verhogen van de productiviteit van de Nederlandse economie. Voor alle sectoren is belangrijk om te zien hoe we meer kunnen doen met minder mensen. We zijn hard op weg om productiviteit in de bouwsector omhoog te krijgen. Dit willen we verwezenlijken door meer gebruik te maken van (technologische) innovaties om zo het aantal benodigde vaklieden omlaag te kunnen brengen.
Daarnaast zet het kabinet in op zij-instroom en het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, zoals de afgelopen jaren ook is gebeurd (zie ook antwoord op vraag 7). Daarin hebben werkgevers overigens ook zelf een grote rol, zoals bij het aantrekkelijk maken van het werk en het bieden van goede instroomtrajecten en opleiding.
Welke concrete stappen gaat u zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten?
Op dit moment zijn er al diverse acties gericht op het verhogen van instroom in technische opleidingen, een groot deel ervan vindt u ook in het actieplan groene en digitale banen. Deze acties komen veelal ook ten goede aan opleidingen die toeleveren aan bouw. Zoals in het antwoord op vraag 6 vermeld, werkt het kabinet aan een Talentstrategie. Op basis daarvan bepaalt het kabinet of en welke stappen het kabinet gaat zetten om de instroom in bouw- en techniekopleidingen te vergroten.
Hoe beoordeelt u initiatieven zoals BBL-opleidingen en financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen? Wat zijn de resultaten van deze initiatieven?
Wij beoordelen de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) als een belangrijk en effectief instrument om de instroom in technische en bouwgerichte beroepen te vergroten. De combinatie van werken en leren sluit goed aan bij de praktijk van de sector en vergroot de kans op duurzame arbeidsmarktparticipatie. De afgelopen jaren is het aantal studenten in bouw- en techniekopleidingen licht toegenomen, mede dankzij de inzet op BBL en de beschikbaarheid van leerwerkplekken. Financiële prikkels zoals diplomabonussen en doorleerbonussen voor BBL-studenten zijn waardevolle aanvullingen op het bestaande instrumentarium. Eerste signalen uit de sector wijzen erop dat deze maatregelen een positief effect hebben op het verminderen van voortijdige uitval en het bevorderen van doorleren. Hoewel de genoemde initiatieven bijdragen aan een grotere instroom en betere retentie, zijn de effecten op dit moment nog beperkt in omvang ten opzichte van de totale personeelsvraag in de bouwsector. Het personeelstekort blijft groot en vraagt om een bredere en langdurige inzet. Naast het versterken van de instroom via het onderwijs en het stimuleren van diplomering, zet het kabinet daarom ook in op onder andere het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt en het bevorderen van zij-instroom.
Welke rol ziet u voor zij-instroom vanuit andere sectoren, en welke belemmeringen ervaren potentiële zij-instromers momenteel? Hoe bent u van plan deze belemmeringen te voorkomen?
Zie het antwoord bij vraag 8.
Hoe kan technologische innovatie, zoals de inzet van robots, bijdragen aan het verlichten van personeelstekorten, en welke rol ziet u hierin voor de overheid? Hoe bent u van plan dit te stimuleren?
Als onderdeel van de eerste productiviteitsagenda uit september 2025 presenteerde het kabinet twee initiatieven voor de bouw. Het Ministerie van BZK werkt samen met TKI Bouw, Techniek Nederland en TNO aan een productiviteitsagenda voor de bouw, waarin zij productiviteitskansen en -knelpunten voor interventies nader in kaart brengen. Op regionaal niveau wordt in succesvolle bouwecosystemen innovatieadoptie van AI en robotisering door mkb versneld.
Daarnaast loopt sinds eind 2024, met steun van EZK, het beleidsexperiment Shaping the Future of Work. Dit experiment ondersteunt mkb-bedrijven bij het ontwikkelen en toepassen van arbeidsbesparende, mensgerichte innovaties voor fysiek werk, zodat werk minder belastend, beter vol te houden en productiever wordt. Het experiment wordt onder andere in de bouw uitgevoerd. De Ministeries van EZK en van SZW werken aan een opschaling, mede vanuit het perspectief van productiviteitsgroei en duurzame inzetbaarheid. Over de verdere invulling van deze opschaling wordt uw Kamer nader geïnformeerd.
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Ja, dat heb ik gedaan.
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven zich aan de wettelijke norm houden?1
Ja.
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor te zorgen?
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten) voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken. Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer te gebruiken.
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig zijn?
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom niet?
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra, scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten, nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk van elkaar te publiceren.
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26, nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken. Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven op hun eigen verantwoordelijkheid?
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten, zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante wetenschappelijke ontwikkelingen.
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee, wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26, nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening. De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering van de normen voor speelgoed.
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop, gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk is en dat er geen absoluut veilige grens is?
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand. Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van de grenswaarde.
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze wettelijke verantwoordelijkheid.
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen. Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Bent u bekend met het NRC-artikel «Vrouwen tussen de 31 en 40 jaar verzuimen veel en dat is écht een probleem, vindt de verzekeraar»?1
Ja, dit is mij bekend.
Herkent u het beeld van hoge uitval onder (jonge) vrouwen? Welke verklaringen ziet u voor de hoge uitval?
Dit beeld herken ik. Uit de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA 2023–2024)2 van het CBS en TNO blijkt dat ruim 60% van de vrouwelijke werknemers in de leeftijdscategorie 31–40 jaar aangeeft wel eens te hebben verzuimd in de afgelopen 12 maanden. Voor alle vrouwelijke werknemers is dit gemiddeld 55%3. Vrouwen van 31–40 jaar geven aan langer te hebben verzuimd (11 werkdagen ten opzichte van 9 werkdagen gemiddeld). Het ziekteverzuimpercentage (het aantal verzuimde dagen per 100 werkdagen) laat hetzelfde beeld zien. Die ligt voor vrouwen van 31–40 jaar hoger dan gemiddeld voor alle vrouwen (6,7% versus 5,7%).
Weleens verzuimd afgelopen 12 maanden
54,6
59,9
61,0
52,5
49,6
Hoe vaak verzuimd afgelopen 12 maanden
1,6
1,79
1,78
1,41
1,47
Hoeveel werkdagen verzuimd afgelopen 12 maanden
9,2
7,95
11,1
9,38
10,8
Ziekteverzuimpercentage
5,73
4,75
6,72
5.70
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–2024
Als specifieke redenen voor het verzuim noemen vrouwelijke werknemers van 31–40 jaar vaker dan gemiddeld een te hoge werkdruk en emotioneel te zwaar werk als reden. Vrouwen van 31–40 jaar geven ook vaker dan gemiddeld aan een werk-privé disbalans te ervaren.
Kunt u beschrijven uit welke inkomensgroepen deze vrouwen afkomstig zijn, in welke sectoren zij werkzaam waren en wat voor soort banen zij hadden?
Volgens de NEA werken vrouwen in de leeftijdscategorie 31–40 het meest in de zorg, zakelijke dienstverlening, onderwijs en handel. Ze werken vaak in banen met een gemiddeld inkomen, op vaste contracten en met hoge taakeisen4.
Welk aandeel van deze groep stroomt in in de WIA of de Ziektewet?
Er zijn geen cijfers beschikbaar van het aandeel vrouwen van deze groep die verzuimt en vervolgens instroomt in de WIA of de Ziektewet.
Onderstaande tabel toont over een periode van vijf jaar (2021–2025) de totale instroom aan personen in de WIA, de instroom van het aantal vrouwen in de leeftijdsgroep 30 tot 40 jaar (30 t/m 39) in de WIA en dit aandeel uitgedrukt als percentage van de totale instroom van vrouwen.
Daarnaast is in onderstaande tabel de instroom van vrouwen in de leeftijdsgroepen 30 t/m 39 jaar ook uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. Per duizend verzekerde vrouwen in de groep 30 t/m 39 jaar kregen in 2025 negen vrouwen een nieuwe WIA-uitkering toegekend.
55.599
54.769
59.581
68.984
71.239
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
11%
12%
12%
13%
13%
0,7%
0,6%
0,7%
0,9%
0,9%
Bron: UWV
Onderstaande tabel toont over de periode 2021–2025 de totale instroom in de Ziektewet, de instroom van het aantal vrouwen in de Ziektewet in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar en dit aandeel vrouwen uitgedrukt als percentage van de totale instroom.
346.101
393.697
311.855
324.241
343.907
68.224
72.848
68.572
73.633
77.744
20%
19%
22%
23%
23%
Bron UWV
Voor de Ziektewet wordt de instroom van het aantal vrouwen niet uitgedrukt als percentage van het aantal verzekerden in dezelfde leeftijdsgroep. De instroom in de Ziektewet is namelijk niet representatief voor alle verzekerden maar beperkt zich tot specifieke groepen, waaronder vrouwen die ziek zijn als gevolg van zwangerschap of bevalling.
Kunt u uitsplitsen per leeftijdscategorie hoe vaak uitval voorkomt en hoe lang de uitval duurt bij vrouwen ten opzichte van mannen?
Uit onderstaande tabel blijkt dat in alle leeftijdscategorieën het aandeel dat heeft verzuimd, de verzuimfrequentie en het ziekteverzuimpercentage hoger ligt bij vrouwen dan bij mannen. Vooral het ziekteverzuimpercentage voor vrouwen van 31–40 jaar ligt aanmerkelijk hoger dan bij mannen. Bij mannen is het kortdurend verzuim in deze leeftijdsgroep het hoogste.
Man (21–30)
51,7
1,35
4,99
2,72
Vrouw (21–30)
59,9
1,79
7,95
4,75
Man (31–40)
54,2
1,33
7,13
3,59
Vrouw (31–40)
61,0
1,78
11,1
6,72
Man (41–50)
47,5
1,16
7,83
3,92
Vrouw (41–50)
52,5
1,41
9,38
5,70
Man (50+)
42,7
1,21
10,3
5,32
Vrouw (50+)
49,6
1,47
10,8
6,72
Bron: bewerking cijfers NEA 2023–202
Kunt u uitsplitsen vanuit welke contractvorm (vast, tijdelijk of uitzendkracht) deze vrouwen in de WIA instromen?
Onderstaande tabel toont over de periode van 2021–2025 de instroom in de WIA van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar naar type contractvorm.
Er is zowel een toename van vrouwen met een vast contract en een tijdelijk en oproepcontract.
2.651
2.744
3.346
4.262
4.504
2.281
2.386
2.293
3.004
3.545
603
529
534
619
531
679
644
694
791
933
6.214
6.303
6.867
8.676
9.513
Bron UWV
Kunt u aangeven welk deel van deze vrouwen een inkomen heeft dat ligt tussen de 80 en de 100% van het huidige maximumdagloon?
Onderstaande twee tabellen tonen over de periode 2021–2025 het percentuele aandeel van vrouwen in de leeftijdsgroep 30 t/m 39 jaar die zijn ingestroomd in de WIA en Ziektewet met een dagloon tussen 80–100 van het maximumdagloon. Deze instroom ligt hoger dan met een dagloon boven de 100% van het maximumdagloon.
5%
4%
5%
6%
5%
2%
2%
2%
3%
2%
5%
5%
5%
6%
6%
3%
3%
3%
3%
3%
Bron: UWV
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens vrouwspecifieke klachten?
Uit onderzoek5 blijkt dat vrouwspecifieke aandoeningen, zoals (1) bekkenbodemproblemen, (2) cyclusstoornissen en cyclus gerelateerde buikpijn, (3) hormonale problemen en (4) vulvaire klachten, vaak voorkomen en een grote impact hebben op de kwaliteit van leven. Gemiddeld krijgt elke vrouw minimaal een van de bovengenoemde vrouwspecifieke aandoeningen tijdens haar werkzame leven. Een groot deel van deze vrouwen ervaart zoveel hinder dat het dagelijks functioneren en werk hierdoor negatief beïnvloed wordt. Volgens cijfers van TNO6 over gezondheidsklachten bij vrouwen (gebaseerd op cijfers van de NEA 2023) gaat het om 39% van de vrouwelijke werknemers, ofwel 1,5 miljoen vrouwen. Dit leidt voor een deel van deze vrouwen ook tot verzuim. Van alle vrouwelijke respondenten heeft 56% zich het afgelopen jaar een keer ziekgemeld, tegenover 51% van de mannen. Ook geeft 66% van de vrouwen met hormoongerelateerde klachten aan dat zij minder werk gedaan krijgen bij klachten.
Kunt u aangeven welk deel van de vrouwen uitvalt wegens burn-outklachten?
Op basis van de NEA is niet vast te stellen welk deel van de vrouwen uitvalt vanwege burn-outklachten. Er wordt wel naar de soort klachten bij het laatste verzuim gevraagd, waarbij onderscheid is gemaakt naar psychische klachten, klachten in het bewegingsapparaat, griep/verkoudheid en overige klachten.
Onder psychische klachten vallen overspannenheid, burn-outklachten, vermoeidheid en concentratieproblemen. Het gaat dus om allerlei klachten die psychisch van aard zijn, waaronder ook het hebben van een burn-out of burn-outklachten. Gemiddeld verzuimt 9% van de vrouwen met psychische klachten. Bij jongere vrouwen in de leeftijdscategorieën 21–30 en 31–40 jaar komt dat iets vaker voor (respectievelijk 10% en 11,5%).
Welke stappen heeft het kabinet tot nu toe gezet om de hoge uitval onder vrouwen tegen te gaan? Welke middelen ziet u nog meer?
Met de Nationale Strategie Vrouwengezondheid zet het kabinet sinds 2025 extra in op aandacht voor vrouwengezondheid. Het gaat om meer aandacht en kennis over vrouwspecifieke aandoeningen en verbetering van diagnostiek, maar ook om meer bewustwording en bespreekbaarheid op de werkvloer van vrouwengezondheid.
Aan de hoge uitval van vrouwen op de arbeidsmarkt en daarmee ook verhoogde instroom in de WIA liggen zowel maatschappelijke, werkgerelateerde en individuele factoren ten grondslag. In lijn met de motie van het lid Neijenhuis7 brengen we samen met VWS de oorzaken en oplossingsrichtingen in kaart. Het kabinet zal de Kamer over de stand van zaken voor de volgende begrotingsbehandeling van SZW informeren.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat ruimer (zorg)verlof de druk op vrouwen kan verlichten? Op welke manier neemt u de hoge uitval onder vrouwen mee bij het herzien van het verlofstelsel, zoals voorgenomen in het coalitieakkoord?
In het artikel wordt genoemd dat de zorgtaken tussen vrouwen en hun partner niet goed zijn verdeeld. Aangegeven wordt dat vrouwen hun carrière veelal moeten balanceren met de zorg voor kinderen en soms ook het verlenen van mantelzorg voor bijvoorbeeld ouders. Dit kan zorgen voor druk onder vrouwen. De verdeling van zorgtaken is in de eerste plaats een onderwerp van gesprek dat thuis plaatsvindt. De overheid faciliteert een gelijkwaardige verdeling van zorgverantwoordelijkheden tussen partners onder meer via het verlofstelsel en de Wet flexibel werken. Op dit moment wordt gewerkt aan de vereenvoudiging van het verlofstelsel met als doel het stelsel begrijpelijker en toegankelijker te maken voor zowel werknemers als werkgevers. Dit moet ervoor zorgen dat meer mensen het verlof opnemen en dit kan daarnaast bijdragen aan een betere balans tussen werk en privé.
Welke rol kan hervorming van het kinderopvangstelsel spelen? Kunt u in uw antwoord de in het artikel aangehaalde Scandinavische voorbeelden meenemen in uw antwoord?
Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang kent een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Hierdoor wordt kinderopvang voor de midden en hoge inkomens aanzienlijk goedkoper. Bovendien wordt voor alle ouders de marginale druk lager. Meer verdienen (bijvoorbeeld door meer te gaan werken) zal namelijk niet langer voor een lager vergoedingspercentage zorgen. Omdat vrouwen nog altijd vaak de minst werkende en minstverdienende ouder zijn zal dit naar verwachting vooral voor hen positief uitpakken. Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang stimuleert daarmee gelijke arbeidsdeelname en een evenwichtigere werk en zorg verdeling tussen ouders.
Het kinderopvangstelsel in Scandinavische landen is wezenlijk anders dan in Nederland, maar net als daar wordt kinderopvang ook hier voor de meeste ouders veel beter betaalbaar. Daarnaast kan het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang bijdragen aan een cultuurverandering. De nieuwe systematiek (zonder voorschotten en zonder kans op terugvorderingen) zorgt namelijk voor meer eenvoud en zekerheid voor ouders. Hierdoor kan het op termijn de norm worden om meer kinderopvang te gebruiken dan drie dagen per week. Een dergelijke normverandering is niet op voorhand te kwantificeren maar zal wel worden gemonitord.
Herkent u het in het artikel geschetste beeld dat er onvoldoende aandacht is voor overgangsklachten, terwijl er wel degelijk behandelingen zijn die helpen? Zo ja, kunt u reflecteren hierop en een breder beeld, onderbouwd met cijfers, schetsen van de problematiek rondom overgangsklachten op de werkvloer? Zo ja, wat gaat u doen om het taboe rond dit thema te doorbreken, in aanvulling op het bestaande protocol van arbo-artsen?
Ook zijn er initiatieven zoals het gratis VSA-spreekuur (Vrouwspecifieke aandoeningen) van AmsterdamUMC voor eigen medewerkers om vrouwen met hormonaal gerelateerde problemen te helpen en tijd tot diagnose te verkorten. Het blijkt dat dit spreekuur bijdraagt aan het bespreekbaar maken op de werkvloer en het doorbreken van het taboe. Op dit moment wordt onderzocht of dit initiatief landelijk kan worden ingezet.
Kunt u nader toelichten welke behandelingsmogelijkheden er reeds bestaan voor overgangsklachten en wat hierin de mogelijkheden voor vergoeding zijn? Kunt u tevens reflecteren op de bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen? Op welke concrete manier gaat u ervoor zorgen dat deze behandelingen breder bekend en toegankelijker worden?
Overgangsklachten kunnen op verschillende manieren behandeld worden. Wat het beste werkt, verschilt per vrouw en hangt van de ernst van de klachten af. Ook is het belangrijk dat onderliggende oorzaken en eventuele andere problemen worden uitgesloten. De belangrijkste behandelmogelijkheden zijn in grote lijnen:
De meeste van bovengenoemde behandelmethoden kunnen worden vergoed uit de basisverzekering als zij worden verricht door een huisarts of – na verwijzing – door een medisch specialist. Het eigen risico is niet van toepassing voor behandelingen bij de huisarts; wel bij de medisch specialist. Ook is voor medicatie soms een eigen bijdrage nodig. Overgangsconsulten en -behandelingen en alternatieve behandelingen worden vaak vergoed via een aanvullende verzekering.
Voor een grotere bekendheid en toegankelijkheid van dergelijke behandelingen is er Thuisarts.nl. Hier staan de mogelijkheden voor behandelingen, de richtlijnen8 en wordt in begrijpelijke taal informatie gegeven. Dit geldt eveneens voor de richtlijn overgang van de NVOG9. Daarnaast zijn er specifieke organisaties die vrouwen voorlichting geven rondom de overgang.
Zoals eerder in de Kamerbrief over het doorbreken van het taboe rondom de overgang en werk10 is aangegeven zijn er ook diverse maatregelen in gang gezet om het taboe rondom de overgang te doorbreken. Daarvoor verwijs ik naar het antwoord op vraag 13.
Wat vindt u van de oproep om vrouwengezondheid meer centraal te stellen? Hoe gaat u hier concreet uitvoering aangeven?
De werkconferentie Vrouwengezondheid op 4 februari jl. is een belangrijke stap geweest in de uitwerking van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–203011. Met de Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. De conferentie kenmerkte zich door een sterke betrokkenheid en duidelijke bereidheid tot samenwerking op het terrein van de vrouwengezondheid. Met de ondertekening van het convenant «Samen in actie voor betere vrouwengezondheid12» hebben twaalf partijen het belang van een gezamenlijke inzet op dit terrein benadrukt. Met het convenant spreken partijen verder af om ook zelf vrouwengezondheid blijvend op de agenda te zetten, eigen initiatieven te versterken, kennis en data te delen en samen nieuwe acties te starten. Dit doen zij onder andere door:
Op de site van ZonMw staat beschreven hoe organisaties ook zelf bij kunnen dragen aan de beweging naar een betere vrouwgezondheid. Het is een positieve ontwikkeling dat partijen ook daadwerkelijk samen in actie komen. Er zijn inmiddels 30 pledges13 ingediend. Het kabinet kijkt ernaar uit om verder samen te werken aan een Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid. Met de werkagenda vrouwengezondheid, die op 25 juni 2026 wordt gelanceerd, zet het kabinet in op duidelijke ambities en concrete acties die bijdragen aan een langer leven in goede gezondheid voor alle meisjes en vrouwen in Nederland. Ook is het kabinet positief over de manier waarop verschillende initiatiefnemers elkaars initiatieven verder willen brengen, bijvoorbeeld op het gebied van het verminderen van ziekteverzuim. Voor de zomer wordt uw Kamer verder geïnformeerd over de uitwerking van de werkagenda, de monitoring en de overige ontwikkelingen op het gebied van vrouwengezondheid.
Kunt u de vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
TBA bij internationale organisaties en rechten van werknemers |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 18 februari 20261, waarin is geoordeeld dat de European Space Agency (ESA) geen onderneming is in de zin van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en dat daarom de artikelen 8 en 8a van de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (Waadi) niet van toepassing zijn?
Ja.
Deelt u de opvatting dat deze uitspraak ertoe leidt dat werknemers die via een werkgever ter beschikking worden gesteld aan internationale organisaties zoals ESA, geen aanspraak kunnen maken op gelijke arbeidsvoorwaarden zoals bedoeld in de Waadi en de Europese Uitzendrichtlijn? Zo nee, waarom niet en zo ja, wat gaat u dan nu doen?
Nee. De uitspraak is nog niet onherroepelijk; de mogelijkheid van hoger beroep tegen de uitspraak staat nog open. Vooralsnog zie ik aanleiding voor een andere uitleg van de Waadi dan de uitleg die in de uitspraak wordt gegeven. Naar mijn oordeel vallen namelijk ook overheidsorganisaties, waaronder internationale organisaties als ESA, onder het begrip «onderneming» uit de WOR. Uit de wettelijke reikwijdte van dat begrip blijkt niet dat organisaties die werken met internationale publiekrechtelijke aanstellingen of buitenlandse arbeidsovereenkomsten hiervan zijn uitgezonderd. Daarbij is bovendien relevant dat het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie eerder heeft geoordeeld dat ook een andere organisatie die alleen aanstellingen volgens internationaal publiekrecht heeft (EIGE een agentschap met ambtenaren aangesteld op basis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie) onder de reikwijdte van de Uitzendrichtlijn valt.2
Deze jurisprudentie, en de uitzendrichtlijn, lijkt niet te zijn meegewogen in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag. Daarnaast moeten de WOR en Waadi in samenhang worden bezien met de oprichtingsverdragen van internationale organisaties, zoals ESA, en met die organisaties gesloten zetelverdragen. Daarin zijn naast bepalingen over het toepassen van nationale wetgeving ook bepalingen opgenomen over onschendbaarheid en immuniteiten. Om die reden kan het zijn dat het Nederlandse arbeidsrecht (en het daarin geïmplementeerde Unierecht) niet in alle situaties op dezelfde manier kan worden toegepast en dat naleving niet op dezelfde manier kan worden gehandhaafd ten opzichte van internationale organisaties.
De Nederlandse Staat is geen procespartij, maar zal het eventuele vervolg van de procedure met interesse volgen.
Hoe beoordeelt u, in het licht van artikel 5, eerste lid, van de Uitzendrichtlijn, dat een groep ter beschikking gestelde werknemers die feitelijk arbeid verricht bij een in Nederland gevestigde organisatie volledig buiten het beginsel van gelijke behandeling valt enkel vanwege de kwalificatie van de inlener? Acht u dat richtlijnconform?
Nee. Zoals hierboven beschreven staat, kan niet zonder meer worden gezegd dat de Waadi niet van toepassing is op eventuele terbeschikkingstellingen die bij ESA plaats zouden vinden. Daarnaast is de uitspraak nog niet onherroepelijk. Naar aanleiding van de eventuele vervolgprocedure zal de Staat moeten beoordelen of de eisen die de Uitzendrichtlijn aan Nederland stelt, voldoende doorwerken.
Was het bij de implementatie van de Uitzendrichtlijn beoogd dat ter beschikking gestelde werknemers die werken bij internationale organisaties in Nederland buiten het beginsel van gelijke behandeling zouden vallen? Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, erkent u dan dat hier sprake is van een lacune in de wetgeving?
Nee. Wel volg ik de procedure met interesse, omdat zo’n lacune wel kan ontstaan na het eventuele hoger beroep of uiteindelijk cassatie bij de Hoge Raad.
Deelt u de opvatting dat artikel 8 van het Verdrag tussen Nederland en ESA inzake ESTEC, waarin is bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op de activiteiten van ESA in Nederland, meebrengt dat het onwenselijk is dat ter beschikking gestelde werknemers daar feitelijk buiten de bescherming van de Waadi vallen? Zo nee, waarom niet?
Die opvatting deel ik, maar zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, is er nog geen definitieve uitspraak dat dit daadwerkelijk ook het geval is. Daarnaast zijn er ook andere verdragsbepalingen die in overweging moeten worden genomen.
Kunt u aangeven hoe groot de groep werknemers in Nederland is die via vergelijkbare constructies werken bij internationale organisaties en mogelijk buiten de werking van de Waadi vallen? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te laten brengen?
Het aantal werknemers die door inlening ter beschikking is gesteld aan internationale organisaties is mij onbekend. Het volledig in kaart brengen van het aantal inlenende krachten bij internationale organisaties is zeer ingewikkeld. Bovendien zie ik de meerwaarde daarvan niet. Deze groep van werknemers valt naar mijn oordeel, zoals aangegeven in de beantwoording van voorgaande vragen, binnen de werking van de Waadi waarbij voor de toepassing en naleving rekening moet worden gehouden met de bepalingen in de van toepassing zijnde verdragen.
Welke mogelijkheden ziet u om in de herziening van de Waadi, die momenteel in de Tweede Kamer wordt behandeld, te waarborgen dat werknemers die feitelijk structureel arbeid verrichten binnen organisaties als ESA, niet structureel slechtere arbeidsvoorwaarden hebben dan direct aangestelde collega’s?
Ik ben van mening dat dit al met de huidige Waadi voldoende gewaarborgd is en met het wetsvoorstel «meer zekerheid flexwerkers» verder versterkt wordt. Op grond van de Waadi hebben uitzendkrachten recht op hetzelfde loon, overige vergoedingen en arbeids- en rusttijden als werknemers bij de inlener. Hieraan wordt met het wetsvoorstel meer zekerheid flexwerkers toegevoegd dat de overige arbeidsvoorwaarden ten minste gelijkwaardig dienen te zijn. Zoals uitgelegd bij de beantwoording van vraag 2, gelden deze regels voor alle arbeidskrachten die in Nederland ter beschikking worden gesteld aan organisaties om onder diens leiding en toezicht arbeid te verrichten. Internationale organisaties zijn daar naar oordeel van de regering in beginsel niet van uitgezonderd. Daarmee zijn de rechten van ingeleende werknemers bij dergelijke internationale organisaties voldoende geborgd.
Bent u bereid om in het kader van deze wetswijziging te bezien of het begrip «inlenende onderneming» in de Waadi moet worden aangepast, zodat ook internationale organisaties hieronder kunnen vallen? Zo nee, waarom niet?
Zoals bij de beantwoording van vraag 2 uitgelegd, zie ik aanleiding voor een andere interpretatie van de Waadi dan de uitleg die is gegeven in de uitspraak. Ik acht het daarom vooralsnog niet nodig om de Waadi op dit punt aan te passen.
Bent u bereid om hierover in overleg te treden met sociale partner en een nadere analyse naar de Kamer te sturen? Zo nee, waarom niet?
Nu het vraagstuk nog onder de rechter is, en ik aanleiding zie voor een andere interpretatie, vind ik een nadere analyse in deze fase niet opportuun.
Het rapport ‘Geldzaken in de praktijk (2026)’ van het Nibud. |
|
Sarath Hamstra (CDA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek Geldzaken in de praktijk van het Nibud?1
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de financiële situatie van jongvolwassenen het meest verslechterd is ten opzichte van 2024, en dat op dit moment 54% van de jongvolwassenen aangeeft moeite te hebben met rondkomen, welke verklaring ziet u hiervoor en welke gerichte maatregelen neemt u om te voorkomen dat jongvolwassenen in de schulden belanden?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens ten minste één betalingsprobleem heeft gehad en dat betalingsproblemen zich opstapele, en dat de financiële problemen vaak al groot zijn voordat huishoudens geholpen kunnen worden door gemeenten of schuldhulp, en dat de moties Hamstra2 door de Kamer zijn aangenomen en dat deze de regering oproepen te onderzoeken of banken hun klanten en werkgevers hun werknemers kunnen doorverwijzen naar schuldhulpverlening bij signalen van geldzorgen, welke aanvullende maatregelen neemt u om mensen eerder in beeld te krijgen voordat betalingsachterstanden uitgroeien tot problematische schulden?
Constaterende dat uit het rapport van het Nibud blijkt dat inkomenszekerheid ministens zo belangrijk is als de inkomstenhoogte, en dat mensen met weinig grip op hun inkomen in 80% van de gevallen moeite hebben met rondkomen, en dat in het coalitieakkoord staat het streven naar één vaste betaaldag, welke stappen heeft u al genomen om dit te bereiken en welke stappen bent u nog voornemens om te nemen om dit te bereiken? Welke andere maatregelen neemt u om de voorspelbaarheid en beheersbaarheid van inkomen te bevorderen?
Constaterende dat huishoudens met wisselende inkomens en jongvolwassenen vaak niet weten op welke inkomensondersteuning zij recht hebben en waar zij informatie kunnen vinden over toeslagen, terwijl deze doelgroep juist vaak recht heeft op inkomensondersteuning, en dat de Wet proactieve dienstverlening een stap in de goede richting is om niet-gebruik tegen te gaan, bent u het eens dat verregaandere stappen vereist zijn om toe te werken naar automatisch uitkeren? Welke stappen bent u voornemens om te nemen en op welk termijn?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport blijkt dat de meeste huishoudens bij geldproblemen hun vaste lasten zo lang mogelijk proberen te betalen en als eerste bezuinigen op voeding, kleding, hobby’s, sociale activiteiten en zorg, hoe voorkomt u dat huishoudens, in het bijzonder huishoudens met kinderen, niet in staat zijn om deel te nemen aan het sociale leven omdat zij anders hun vaste lasten niet kunnen betalen?
Constaterende dat uit het Nibud-rapport volgt dat 25% van de huishoudens aankopen via creditcard of achteraf betalen niet betalen wanneer zij in geldproblemen zitten, en dat hierdoor een grote kans bestaat dat schulden ontstaan of verergeren, en met name jongvolwassenen zijn kwetsbaar hiervoor, bent u het eens dat deze doelgroep daartegen beschermd moet worden en op welke wijze is de Minister van plan om dit te doen?
Hoewel op papier de koopkracht de afgelopen jaren is verbeterd, constateert het Nibud dat huishoudens een duidelijke verslechtering ervaren in hun financiële situatie, hoe verklaart u dit verschil?
Het bericht ‘Werknemers vallen volgens de vakbond bijna flauw op de werkvloer’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Werknemers vallen volgens de FNV bijna flauw op de werkvloer. Welke rechten hebben ze?»?1
Bent u het met de FNV eens dat het een slechte zaak is dat er in het Arbobesluit alleen staat dat de temperatuur op de werkplek «niet nadelig» mag zijn voor de gezondheid van de werknemer? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Welke misstanden heeft de Nederlandse Arbeidsinspectie de afgelopen vijf jaar geconstateerd rond werken in de hitte?
Hoeveel bedrijven komt de Nederlandse Arbeidsinspectie tegen waar helemaal geen hitteplan is geformuleerd?
Hoe handhaaft de Nederlandse Arbeidsinspectie op werken in de hitte?
Vindt u de huidige wetgeving op dit moment toereikend genoeg om te voorkomen dat mensen in extreme warmte moeten werken? Zo ja, waarom? Zo nee, waar vindt u dat de wetgeving tekortschiet?
Bent u het ermee eens dat de huidige wetgeving moet worden aangepast om duidelijkere normen en maatregelen rond werken in de hitte te verankeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Hoe staat u tegenover het idee van de FNV om een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet waarbij de kerntemperatuur van het lichaam niet boven de 38 graden mag komen?
Bent u van plan een norm voor hittestress op te nemen in de Arbowet? Zo nee, waarom niet?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Het oplopende ziekteverzuim in de zorg |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66), Sophie Hermans (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nergens is personeel zo vaak ziek als in de zorg: de grens is bereikt» van 4 juni 2026?1
Klopt het dat het ziekteverzuim in de zorg inmiddels is opgelopen tot 8,2 procent en daarmee tot het hoogste niveau sinds de coronaperiode?
Hoe verklaart u dat het ziekteverzuim in de zorg structureel aanzienlijk hoger ligt dan in vrijwel alle andere Nederlandse sectoren?
Welke concrete maatregelen heeft het kabinet de afgelopen vijf jaar genomen om het ziekteverzuim in de zorg terug te dringen?
Wat hebben deze maatregelen aantoonbaar opgeleverd?
Hoe verhoudt het huidige veelvuldig voorkomende overwerken zich tot de geldende arbeidsomstandigheden binnen de zorg?
Welke concrete maatregelen gaat u treffen om de vicieuze cirkel van personeelstekorten, werkdruk, ziekteverzuim en verdere personeelsuitval te doorbreken?
Hoeveel extra zorgkosten zijn naar schatting het gevolg van ziekteverzuim, uitzendkrachten, vervangingskosten en het betalen van extra vergoedingen voor schaarse diensten?
Kunt u reflecteren op het grote aantal zorgmedewerkers dat tijdens en na de coronaperiode de zorg heeft verlaten?
Hoeveel zorgmedewerkers hebben de sector sinds 2020 verlaten?
Heeft u een plan om voormalig zorgpersoneel terug te winnen voor een baan in de zorg?
Indien het antwoord op vraag 11 bevestigend luidt, wat houdt dit plan in en hoeveel mensen verwacht u hiermee terug te laten keren?
Kunt u uiteenzetten welke rol administratieve lasten, registratiedruk en verantwoordingsverplichtingen spelen bij het hoge ziekteverzuim in de zorg?
Kunt u reflecteren op het feit dat reeds jarenlang wordt gesproken over het verminderen van administratieve lasten in de zorg, terwijl zorgmedewerkers nog steeds aangeven hier dagelijks hinder van te ondervinden?
Waarom zijn eerdere pogingen om de administratieve lasten terug te dringen volgens u onvoldoende succesvol gebleken?
Hoeveel tijd besteden zorgmedewerkers gemiddeld per werkweek aan administratieve werkzaamheden?
Hoeveel tijd zou volgens het kabinet redelijkerwijs besteed moeten worden aan dergelijke werkzaamheden?
Erkent u dat psychische klachten en burn-outs inmiddels een belangrijke oorzaak vormen van langdurige uitval in de zorg?
Welke concrete maatregelen neemt het kabinet om deze ontwikkeling te keren?
Kunt u reflecteren op de gevolgen van het aangescherpte handhavingsbeleid rondom ZZP’ers in de zorg voor de beschikbaarheid van personeel?
Hoeveel ZZP’ers zijn sinds de aangescherpte handhaving daadwerkelijk in loondienst getreden?
Hoeveel voormalige ZZP’ers hebben de zorgsector geheel verlaten?
Erkent u dat het verdwijnen van ervaren zorgprofessionals uit de sector de druk op het overblijvende personeel verder vergroot?
Deelt u de analyse dat een zorgsysteem waarin inmiddels meer dan acht procent van het personeel ziek thuis zit structurele problemen kent die niet kunnen worden opgelost met incidentele maatregelen?
Indien het antwoord op vraag 24 ontkennend luidt, waarom niet?
Welke structurele hervormingen acht u noodzakelijk om de zorgsector weer aantrekkelijk, beheersbaar en toekomstbestendig te maken?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Taakdelegatie |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u een overzicht verstrekken van alle taken die onderdeel uitmaken van de totale sociaal medische dienstverlening bij UWV; van het in ontvangst nemen van een aanvraag, het verzamelen van informatie, de onderdelen van een beoordeling, de monitoring en begeleiding van een uitkeringsgerechtigde, etc?
Kan bij de beantwoording van vraag 1 per taak worden aangegeven wie deze taak nu (meestal) verricht en kan daarnaast worden aangegeven welke professionals die taak op basis van huidige wetgeving mogen verrichten?
Kan bij de beantwoording van vraag 1 een onderscheid worden aangebracht tussen taken die volledig zijn voorbehouden aan verzekeringsartsen en taken die binnen de huidige wettelijk kaders ook door een andere sociaal medische professional mogen worden verricht?
Kan een dergelijk overzicht zoals bij vragen 2 en 3 voor de Ziektewet, WIA en Wajong afzonderlijk worden gegeven?
Indien er taken worden uitgevoerd door de verzekeringsarts, terwijl deze binnen het huidige wettelijk kader ook door een andere professional kunnen worden uitgevoerd: welke (verklarende) factoren spelen daarbij een rol? Welke belemmeringen kunnen worden geduid? Welke randvoorwaarden zijn hier nodig? En hoe worden deze in de werkprocessen van UWV (structureel) geborgd of zouden deze geborgd kunnen worden?
Bij wie ligt de (uiteindelijke) beslissing welke taak door wie wordt uitgevoerd? Welke sturing vindt hierop plaats, is hier sprake van een overkoepelend beleid of vaste werkafspraken?
Welke grenzen stelt de huidige wetgeving als het gaat om het laten uitvoeren van taken door een andere professional dan de verzekeringsarts? Welke aanpassingen zijn hierin mogelijk en worden hier al stappen op gezet?
Kunt u een beeld geven van de productiviteitswinst die er binnen de huidige wettelijke kaders kan worden bereikt door het beleggen van taken bij een andere professional dan de verzekeringsarts, zoals bij de sociaal medisch verpleegkundige (SMV’er)?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
De inzet van externe verzekeringsartsen door het UWV |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe zorgt UWV ervoor dat zij gebruik kan maken van verzekeringsartsen die niet werkzaam zijn bij UWV maar elders werken?
Klopt het dat UWV vanwege de wet deregulering beoordeling arbeidsrelaties (DBA) geen zelfstandige verzekeringsartsen meer inhuurt waarbij geldt dat zij door de aard van het werk eigenlijk werknemers zouden moeten zijn?
Klopt het dat UWV deze zelfstandigen een aanbod voor een dienstverband heeft gedaan? Hoeveel van hen hebben dit geaccepteerd en hoeveel fte levert dit op?
Klopt het dat UWV echter ook geen partijen meer inzet waar verzekeringsartsen zijn aangesloten en werken op basis van een dienstverband?
Klopt het dat dit binnen de wet DBA wel mogelijk zou zijn?
Klopt het dat dergelijke externe partijen tot wel duizenden keuringen zouden kunnen uitvoeren? Om hoeveel capaciteit gaat het?
Hoe veel capaciteit zou er nodig zijn om de tekorten bij UWV weg te werken?
Ziet u mogelijkheden om partijen in het veld waar verzekeringsartsen werkzaam zijn binnen de wet DBA in te zetten voor aanvragen, herbeoordelingen of eerstejaars ziektewetbeoordelingen of anderzijds projecten op te pakken die de workload van UWV kunnen verlichten?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat Uitvoeringsproblematiek UWV op 1 juli 2026?
Het afnemen van rechten voor de werknemersverzekeringen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Kunt u uitdrukken welke groepen door de aanscherping van de referte-eis geen recht meer hebben op Werkloosheidswet (WW-)uitkering (in de huidige situatie wel WW zouden krijgen, maar door de aanscherping niet meer)? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot Algemene Ouderdomswet (AOW-)leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u uitdrukken wat de gevolgen zijn van de inkorting van de maximale WW-duur en de vertraagde opbouw van WW op de gemiddelde WW-duur? Kunt u hierbij in ieder geval de volgende groepen onderscheiden op basis van leeftijd (t/m 24 jaar, 25 t/m 34 jaar, 35 t/m 44 jaar, 45 t/m 54 jaar, 55 t/m 59 jaar, 60 t/m 64 jaar, 65 tot AOW-leeftijd en het gemiddelde) type contract (flex, vast en het gemiddelde) en op basis van inkomen (verdeeld in vijf kwintielen en het gemiddelde)?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW daadwerkelijk werkloos is?
Kunt u aangeven welk deel van de mensen met WW een baan naast de WW heeft?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst binnen keuringen er wordt bespaard door de Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten (IVA) af te schaffen? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Kunt u aangeven hoeveel tijdswinst het oplevert dat mensen binnen de IVA niet herkeurd hoeven te worden, terwijl dit voor andere populaties binnen de WIA wel geldt? Kunt u aangeven hoe vaak er gemiddeld herkeuringen plaatsvinden binnen de periode dat mensen in de WIA zitten? Kunt u dit aangeven per persoon en in totaal (voor het totaal aantal personen en voor de totale duur dat iemand in de WIA zit)?
Het massaal niet doorbetalen van huishoudelijke hulpen bij ziekte |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat negen op de tien huishoudens hun huishoudelijke hulp niet doorbetalen bij ziekte terwijl dat wel wettelijk verplicht is?1
Bent u het ermee eens dat het onacceptabel is dat een grote groep huishoudelijke hulpen inkomsten misloopt doordat werkgevers hun wettelijke verplichtingen niet nakomen? Zo nee, waarom niet?
Welke acties heeft het kabinet de afgelopen tien jaar ondernomen om huishoudens en huishoudhulpen te informeren over hun rechten en plichten?
Vindt u deze voorlichting voldoende? Zo nee, waarom niet?
Op welke wijze wordt momenteel gecontroleerd of particuliere werkgevers zich houden aan de verplichting om loon door te betalen bij ziekte?
Hoeveel meldingen, klachten, onderzoeken en handhavingsacties zijn er de afgelopen vijf jaar geweest met betrekking tot het niet naleven van de Regeling dienstverlening aan huis?
Welke mogelijkheden hebben huishoudelijke hulpen om hun recht op loondoorbetaling af te dwingen?
Vindt u deze mogelijkheden toegankelijk genoeg voor mensen met een laag inkomen?
Deelt u de mening dat huishoudelijke hulpen door de huidige regeling in een kwetsbare positie verkeren, omdat zij afhankelijk zijn van particuliere werkgevers die vaak niet op de hoogte zijn van hun verplichtingen of deze niet nakomen? Zo ja, wat gaat u hieraan doen?
Welke stappen neemt u om ervoor te zorgen dat huishoudhulpen krijgen waar zij recht op hebben?
Bent u het ermee eens dat de regeling dienstverlening aan huis opnieuw tegen het licht moet worden gehouden? Zo nee, waarom niet?
De Kamerbrief van 20 mei jongstleden inzake de 'Analyses van additionele koopkracht instrumenten' |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Klopt het dat in de Kamerbrief van 20 mei 2026 een aantal voorwaarden worden gesteld die in overleg met de Pensioenakkoord-partijen zijn geformuleerd (transparantie, uitvoerbaarheid, draagvlak)? Deze zijn toch veelal niet in harde cijfers te kwantificeren? Hoe rijmt u dit met de analysemethode van De Nederlandsche Bank (DNB)?1
Klopt het dat in de Kamerbrief wordt gesteld dat; «Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen kan op verschillende manieren worden geïnterpreteerd»? Bent u het eens dat enkel het streven om het koopkrachtniveau te behouden daadwerkelijk invulling geeft aan een koopkrachtig pensioen? Welke harde maatstaven en normen hanteert u voor de interpretatie dat een pensioenfonds genoeg heeft gedaan wanneer zij ernaar streeft het koopkrachtverlies of de koopkrachtwinst te verlagen of respectievelijk verhogen?
Klopt het dat in de lijst met randvoorwaarden wordt gesteld dat «De varianten hebben een substantiële impact op de koopkracht van deelnemers. Er wordt in kaart gebracht in welke mate de variant of de combinatie van varianten ervoor zorgt dat de uitkering de feitelijke inflatie beter kan volgen ten opzichte van het wettelijk beschikbare koopkracht instrumentarium.»? Was dit eerder niet een doelstelling van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en het onderzoek naar de alternatieve koopkrachtinstrumenten en kan u ons het verschil uitleggen tussen een randvoorwaarde en een doelstelling?
Waar blijkt uit dat «De nieuwe premieovereenkomsten uit de Wtp middels de basisvariant reeds meer perspectief bieden op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel»?
Het klopt toch dat in de Kamerbief wordt gesteld «Er zal altijd een afruil zijn tussen het beter volgen van de feitelijke inflatie en meer beleggingsrisico, een lagere startuitkering of meer herverdeling (met jezelf of met anderen).»? Gaat dit ook op wanneer er afruil mogelijk wordt gemaakt met de solidariteitsreserve?
De varianten en analyse van de alternatieve koopkrachtinstrumenten zijn toch door DNB in overleg met de experts vastgesteld? Waren de experts het in alle gevallen eens met de gekozen modellen en aannames van DNB?
Het klopt toch dat in basisvariant 1 van DNB is gekozen voor een scenario waarin er onder andere van wordt uitgegaan dat de onverwachte inflatie wordt gecompenseerd vanuit de solidariteitsreserve, terwijl geen enkel fonds hiervoor kiest op dit moment?
Het klopt toch dat de solidariteitsreserve wordt gemaximeerd op 10%, terwijl de meeste fondsen dat nu op maximaal 5–7% hebben staan? Hierbij wordt toch uitgegaan van het feit dat fondsen kiezen voor dakpansgewijze spreiding, terwijl in de werkelijkheid fondsen juist kiezen voor asymptotische spreiding? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van de basisvariant 1 de alternatieven af te serveren?
Het klopt toch dat in basisvariant 2, boven op de aannames van basisvariant 1, ook wordt uitgegaan van een projectierendement met een afslag van 2%? Er is toch geen enkel fonds dat kiest voor een vaste afslag? Vindt u het, met het oog op het gat tussen theorie en werkelijkheid, verdedigbaar om op basis van deze basisvariant de alternatieven af te serveren?
Bent u bereid een nieuwe analyse van DNB te vragen waarin een basisvariant wordt gekozen met reële rekenvoorbeelden, zoals beschikbaar in het rapport «Sturen op een koopkrachtig pensioen» van drs. Henk Bets namens Actuarieel Adviesbureau Confident B.V. en het Wetenschappelijk Bureau NSC? Indien nee, waarom niet?
Klopt het dat u in de brief concludeert dat geen van de onderzochte varianten evident de voorkeur verdient? Kunt u aangeven welk gewicht u in uw afweging heeft toegekend aan het realiseren van de oorspronkelijke Wtp-doelstelling van een koopkrachtiger pensioen, en waarom de substantiële verbetering van koopkrachtbehoud in variant 5 niet tot een positieve beleidsmatige beoordeling heeft geleid?
Waarom wordt de herverdeling in variant 5 als een minpunt aangewezen, terwijl in de brief wordt gesteld dat «herverdeling niet per definitie slecht hoeft te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»?
Waarom acht u het verantwoord om (onderzoek naar) aanpassingen pas bij de evaluatie van de Wtp in 2028 in gang te zetten, terwijl vrijwel alle pensioenfondsen vóór die tijd al zijn ingevaren en deelnemers dan niet kunnen profiteren van verbeteringen die nu bekend zijn en verder uitgewerkt kunnen worden voor implementatie, direct na het invaren?
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt voorgesteld «om de evaluatie en het aandragen van koopkrachtinstrumenten bij de sector neer te leggen omdat pensioenuitvoerders en de Pensioenfederatie hiervoor het beste toegerust zijn»? Waarom wordt de bal bij deze organisaties neergelegd terwijl zij uitgesproken tegenstander zijn van alle aanpassingen van de Wtp? Is het niet beter deze evaluatie neer te leggen bij een meer onafhankelijke partij ofwel een groep bestaande uit de oorspronkelijke expertgroep die de varianten in deze evaluatie bedacht heeft?
Waarom wordt in de Kamerbrief een expliciete taak neergelegd bij de Pensioenfederatie voor het vervolgtraject? De pensioenfederatie is toch geen uitvoerder? Kunt u inzicht geven in de precieze opdracht die aan de Pensioenfederatie is/wordt verstrekt? Het klopt toch dat de Pensioenfederatie heeft aangegeven geen waarde te hechten aan aanpassingen aan de Wtp?
Erkent u dat de huidige wettelijke definitie van de solidariteitsreserve verhindert dat pensioenfondsen kunnen experimenteren met of ervaring kunnen opdoen met een reële solidariteitsreserve? Zo ja, hoe kan de sector volgens u dan zelfstandig de meerwaarde van dit instrument aantonen en/of hier de leiding in nemen?
Waarom lijkt in uw afweging een beperkte stijging van het risico op nominale kortingen zwaarder te wegen dan een aanzienlijke vermindering van het risico op langdurig koopkrachtverlies, terwijl juist koopkrachtbehoud centraal stond bij de hervorming van het pensioenstelsel? Graag een toelichting.
Het klopt toch dat in de Kamerbrief wordt gesteld: «In het licht van bovenstaande is het een open vraag of, en zo ja, hoe deze informatie ook kan worden gegeven aan nog actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat sprake is van een reële doelstelling.»? Wat is er tegen een reële doelstelling volgens u? De eerste doelstelling van de Wtp en het Pensioenakkoord waren toch sneller uitzicht op koopkrachtbehoud?
Het nieuws dat de Europese Commissie een formele klacht heeft gehonoreerd/opgepakt waardoor de grote verplichtstelling mogelijk in strijd is met EU-recht |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de recente uitlatingen van prof. van Meerten dat de Europese Commissie in 2026 zijn klacht (ingediend in 2021) over de grote verplichtstelling deelt? Zo ja, hoe luidt de positie van de Europese Commissie precies en wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?1
Heeft u correspondentie ontvangen van de Europese Commissie of de Europese Ombudsman over deze klacht? Zo ja, wilt u deze correspondentie (eventueel geanonimiseerd) met de Kamer delen, inclusief eventuele termijnen die de Europese Commissie stelt?
Welke risico’s ziet u voor de Wet toekomst pensioenen (Wtp) en lopende transitietrajecten als de grote verplichtstelling inderdaad EU-rechtelijk onhoudbaar blijkt? Moet de wet dan worden aangepast en zo ja, op welke termijn?
Bent u het eens dat de kleine verplichtstelling (verplicht pensioen opbouwen) wél gehandhaafd kan blijven, terwijl de grote verplichtstelling (aan één specifiek fonds) wordt afgeschaft? Zo nee, waarom niet?
Hoeveel pensioenvermogen (en hoeveel deelnemers) valt momenteel onder de grote verplichtstelling?
Heeft het kabinet inmiddels een juridische analyse laten maken (bijv. door de landsadvocaat) over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling onder het huidige EU-recht? Wilt u die analyse met de Kamer delen?
Wat is precies de strekking en reikwijdte van het oordeel van de Europese Commissie dat de Nederlandse stichting-eis voor een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds (Bpf) in strijd is met het EU-recht? Welke bepalingen van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) worden geschonden, en welke consequenties trekt het kabinet voor de Wet Bpf 2000 en de verplichtstellingsbesluiten?
Is het niet rijkelijk laat, dat het kabinet aangeeft dat de wijziging bij de implementatie van de nieuwe IORP-richtlijn (Institutions for Occupational Retirement Provision-richtlijn) in Nederland gaat gebeuren, terwijl de stichting-eis al sinds 2016 geldt, en dus al tien jaar in strijd is met het EU-recht? Sinds wanneer is het kabinet hiervan op de hoogte (bijvoorbeeld via klachten bij de Europese Commissie of interne analyses)? Waarom handelde het kabinet niet? Volgens EU-recht experts is strijd met EU toch duidelijk? Heeft het kabinet zich laten leiden door het advies van prof. Lutjens en andere door de regering geraadpleegde pensioenexperts die het probleem überhaupt niet zagen? Hoe beoordeelt het kabinet het feit dat de situatie al geruime tijd onrechtmatig is? Welke consequenties verbindt het kabinet aan deze voortdurende inbreuk?
Indien de strijdigheid al sinds (in elk geval) 2016 bestaat: welke maatregelen zijn sindsdien genomen om de situatie te herstellen? Hoe beoordeelt het kabinet de mogelijke terugwerkende kracht of aansprakelijkheid voor de periode waarin de stichting-eis onrechtmatig werd gehandhaafd? Worden schadeclaims verwacht van (buitenlandse) partijen of deelnemers?
Zouden buitenlandse pensioenuitvoerders interesse hebben om een verplichtgestelde sectorregeling uit te voeren? Zo zou bijvoorbeeld United Pensions, de Belgische IORP van Aon interesse kunnen hebben. Zo ja, om welke partijen zou het verder kunnen gaan en hoe verloopt dan de beoordeling? Zo nee, waarom verwacht het kabinet dat de praktijk niet zal veranderen?
Kunnen Premiepensioeninstellingen (PPI’s) en (buitenlandse) verzekeraars nu of binnenkort ook als uitvoerder optreden voor verplichtgestelde regelingen? Zo nee: waarom niet, terwijl PPI’s en verzekeraars in de niet-verplichte sfeer wél pensioenregelingen mogen uitvoeren en de IORP-richtlijn juist diversiteit van uitvoerders en grensoverschrijdende activiteiten beoogt te bevorderen? Hoe verhoudt deze uitsluiting zich tot de uitspraak van de Commissie en tot het EU-recht? Wordt de Wet Bpf 2000 op dit punt alsnog aangepast, en zo ja, binnen welke termijn? Zo ja: welke stappen worden genomen om PPI’s en verzekeraars (Nederlands én buitenlands) daadwerkelijk toe te laten, en hoe wordt voorkomen dat er nieuwe de facto belemmeringen ontstaan?
Is het «invaren» (overheveling van opgebouwde pensioenaanspraken) naar een buitenlandse uitvoerder nu ook mogelijk, of blijft dit beperkt tot Nederlandse Bpf’en? Indien het alleen binnen een Bpf kan: vormt dit geen nieuwe onrechtmatige belemmering van het EU-recht? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat de overdracht van pensioenkapitaal naar een erkende buitenlandse entiteit zonder onnodige belemmeringen kan plaatsvinden?
Indien het kabinet meent dat «er niets verandert» en sociale partners in de praktijk toch een Nederlands fonds kunnen aanwijzen: wat zegt dit over de prioriteit die wordt gegeven aan het belang van de deelnemer? Stel dat een buitenlandse partij (of een PPI/verzekeraar) aantoonbaar goedkoper, transparanter of met betere rendement-risico-verhoudingen kan opereren – hoe waarborgt het kabinet dan dat het belang van de deelnemer prevaleert boven het behoud van een Nederlands monopolie?
Is het kabinet bekend met de rechtspraak van het Hof van Justitie (en latere jurisprudentie over vrijheid van vestiging), zoals Inspire Art Ltd (C-167/01, 30 september 2003) waarin werd geoordeeld dat extra nationale eisen aan een geldig opgerichte buitenlandse vennootschap in strijd zijn met de vrijheid van vestiging? Lidstaten mogen geen «eigen» rechtsvorm eisen of equivalenten opleggen om eigen regels af te dwingen. Hoe ziet het kabinet dit?
Welke concrete voorwaarden, toezichtseisen en waarborgen heeft het kabinet in gedachten voor buitenlandse entiteiten (inclusief PPI’s en verzekeraars) die een verplichtgestelde regeling willen uitvoeren? Hoe worden deze eisen getoetst op proportionaliteit, non-discriminatie en verenigbaarheid met de Inspire Art-doctrine?
Ziet u kansen in een meer open stelsel met verplichte deelname aan een pensioenregeling, maar vrije keuze van uitvoerder? Hoe verhoudt zich dat tot de solidariteit en het polderoverleg met sociale partners?
Is het denkbaar dat Nederland een boete- of infractieprocedure krijgt van de Europese Commissie, en dat individuele werkgevers (zoals in de Booking.com-zaak) alsnog geconfronteerd worden met enorme navorderingen?
Welke stappen gaat u nemen om de Tweede Kamer proactief te betrekken bij deze ontwikkeling, bijvoorbeeld via een spoeddebat of een brief met een impactanalyse, voordat eventuele Europese stappen onomkeerbaar worden?
Waarom weigert het kabinet consistent om landsadvocaat-adviezen over het invaren van pensioenen openbaar te maken, terwijl in 2011 al expliciet werd erkend dat er (minstens) twee adviezen waren over het omzetten van oude rechten in een nieuw contract? Kunt u deze adviezen alsnog volledig (ongecensureerd) aan de Kamer doen toekomen?
Klopt het dat voormalig Minister Koolmees tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019 aan het Kamerlid Van Brenk (50PLUS) heeft bevestigd dat «het pensioenakkoord van de baan is» als de verplichtstelling in gevaar komt? Kunt u de consequenties hiervan, in het licht van de huidige inzet van de Europese Commissie, toelichten?
Het artikel ‘Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel’ |
|
Elles van Ark (CDA), Judith Buhler (CDA) |
|
Herbert , Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Bijna 3000 banen minder in Limburgse industrie en handel» van L11 en met de onderliggende arbeidsmarktprognoses van het UWV? Herkent u de daarin geschetste ontwikkeling van de werkgelegenheid in Limburg?
Onderschrijft u de zorgen van het UWV over de verwachte afname van de werkgelegenheid in industrie en detailhandel?
Welke risico’s ziet u voor de economische vitaliteit, leefbaarheid en brede welvaart van Limburg en vergelijkbare regio’s wanneer de werkgelegenheid in industrie en detailhandel structureel afneemt?
Deelt u de opvatting dat verlies van werkgelegenheid in Limburg extra zwaar kan doorwerken vanwege de demografische ontwikkelingen, vergrijzing en de positie van Limburg als grensregio?
Wordt onderzocht welke effecten het verdwijnen van industriële werkgelegenheid heeft op het vestigingsklimaat, investeringsbereidheid van bedrijven en het behoud van strategische bedrijvigheid in Limburg? Zo ja, kunt u de resultaten daarvan delen?
Welke concrete maatregelen worden momenteel genomen om strategische bedrijvigheid te behouden en verdere uitstroom van werkgelegenheid te voorkomen?
In hoeverre sluiten de huidige scholings- en arbeidsmarktinstrumenten van UWV, gemeenten en provincies aan op de toekomstige personeelsvraag in sectoren waar juist tekorten bestaan, zoals techniek, zorg, energie en logistiek?
Bent u bereid om samen met werkgevers, onderwijsinstellingen, vakbonden en UWV te onderzoeken of een regionale agenda opgesteld kan worden om de werkgelegenheid in Limburg te behouden en werknemers tijdig van werk naar werk te begeleiden?
Het bericht ‘Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: ‘Alleen kwam ik er niet uit’ |
|
Jimmy Dijk (SP) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Hoe deurwaarders mensen zoals Jan uit schulden kunnen helpen: «Alleen kwam ik er niet uit»»?1
Wat is uw reactie op de inzichten en de aanbevelingen in het rapport «Pilot ketenverwijzing bij schuldenproblematiek: een brug naar gemeentelijke schuldhulpverlening»?
Welke conclusies trekt u verder uit de pilot?
Welke gesprekken voert u met de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders over het verloop en een voortzetting van de pilot?
Bent u het eens dat een meer hulpverlenende rol voor deurwaarders zoals in de praktijk is gebracht tijdens deze pilot uitgebouwd zou moeten worden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen gaat u nemen om de geteste werkmethode met deurwaarders verder uit te bouwen?
Heeft de gemeentelijke vroegsignalering er in 2025 voor gezorgd dat een hoger percentage dan in 2024 is doorgewezen naar schuldhulpverlening? Zo ja, hoe komt dat? Zo nee, wat gaat u eraan doen om dit percentage in 2027 te verhogen?
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
De discrepantie tussen de gestegen AOW-leeftijd en huidige berekening van seniorendagen |
|
Henk Vermeer (BBB) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe rijmt u het feit dat in diverse cao’s (waaronder Metaal en Techniek) de automatische berekening van seniorendagen (rekentool) stopt bij 65 jaar, terwijl de wettelijke AOW-leeftijd inmiddels 67 jaar of hoger is, en werknemers dus feitelijk twee jaar langer moeten doorwerken zonder deze extra verlofdagen?
Bent u van mening dat het laten vervallen van seniorendagen op 65-jarige leeftijd, terwijl de wettelijke pensioenleeftijd stijgt, in strijd is met het kabinetsdoel om mensen langer gezond aan het werk te houden?
Op welke wijze kunnen cao-partijen (werkgevers en vakbonden) worden gestimuleerd om de rekentools en de bepalingen in de cao direct in lijn te brengen met de actuele AOW-leeftijd, om onduidelijkheid en onrechtvaardigheid op de werkvloer te voorkomen?
Ziet het kabinet een risico op leeftijdsdiscriminatie (Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL)) wanneer seniorendagen stoppen bij 65 jaar, maar de pensioenleeftijd voor iedereen gelijk is?
Wat is de stand van zaken ten aanzien van het meebewegen van (cao-)rekentools met de levensverwachting, zoals afgesproken in het pensioenakkoord?
Op welke termijn kunnen werknemers verwachten dat de berekening van extra vakantierechten voor oudere werknemers (zoals in artikel 51 cao’s) automatisch wordt aangepast aan de AOW-gerechtigde leeftijd?
Hoe rijmt u het verdwijnen van seniorendagen vanaf 65 jaar met de noodzaak om fysiek of mentaal zware beroepen werkbaar te houden tot de verhoogde pensioenleeftijd?
Hoewel arbeidsvoorwaarden primair een zaak zijn van sociale partners, draagt u systeemverantwoordelijkheid voor de arbeidsmarkt en volksgezondheid. Bent u daarom bereid om op zeer korte termijn in gesprek te gaan met de Stichting van de Arbeid om een landelijke richtlijn of handreiking op te stellen, die garandeert dat seniorendagen in cao’s organisch doorlopen tot aan de feitelijke, individuele AOW-datum van de werknemer? Zo nee, waarom niet?
Kunt u voor uw ministerie uitgesplitst per jaar voor de komende kabinetsperiode, inzichtelijk maken hoeveel publieke middelen worden besteed aan adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties, waaronder maar niet beperkt tot het Voedingscentrum, het College financieel toezicht Curaçao en Sint Maarten, de Nederlandse Sportraad en de Wetenschappelijke Klimaatraad?
Kunt u per ministerie exact aangeven hoe de financiering van deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties is vormgegeven (structureel/incidenteel, subsidie/opdracht, looptijd en verantwoordingsvereisten) en welke begrotingsartikelen hiervoor worden aangesproken, neem hierin ook constructies mee zoals bij het Voedingscentrum, waarbij financiering van twee departementen komt?
Welke formele en informele invloed hebben deze adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties op beleidsvorming binnen elk ministerie? Kunt u concreet aangeven welke beleidsvoorstellen in het afgelopen jaar aantoonbaar zijn aangepast, gestart of versneld naar aanleiding van hun adviezen?
Hoe wordt per ministerie de onafhankelijkheid en objectiviteit van publiek gefinancierde adviesraden, commissies en non-gouvernementele organisaties getoetst en geborgd? Welke toetsingskaders worden gehanteerd en welke concrete maatregelen worden genomen bij (de schijn van) belangenverstrengeling of een gebrek aan wetenschappelijke of beleidsmatige neutraliteit?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken welke externe organisaties, lobbyclubs of consultants door adviesraden of commissies zijn ingehuurd met publieke middelen, inclusief de aard van de opdrachten, de kosten en de wijze waarop deze uitgaven zijn verantwoord?
Kunt u per ministerie inzichtelijk maken hoeveel fte ambtenaren jaarlijks betrokken zijn bij activiteiten rondom deze raden en commissies, inclusief het verwerken van hun adviezen, en welke totale kosten hiermee gemoeid zijn?
Hoe beoordeelt u de recente maatschappelijke en politieke ophef rondom het advies van het Voedingscentrum? Welke lessen trekken de betrokken Ministers hieruit ten aanzien van transparantie, onafhankelijkheid en rolvastheid van adviesorganen, en welke concrete verbetermaatregelen worden doorgevoerd?
Acht u het wenselijk dat door de overheid gefinancierde adviesraden en commissies voorstellen doen met zeer ingrijpende maatschappelijke en economische gevolgen zoals een vleestaks, een forse reductie van dierlijk eiwit of het afbouwen van delen van de zware industrie, zoals voorgesteld door de Wetenschappelijke Klimaatraad? Hoe weegt elk ministerie dergelijke adviezen ten opzichte van democratische besluitvorming, draagvlak en economische realiteit?
Bent u bekend met het artikel «In de TikTok Shop kunnen jongeren straks nóg makkelijker impulsaankopen doen. «Er is te weinig ruimte om zelf na te denken»»?1
Welke risico’s ziet u bij de introductie van TikTok Shop voor consumenten, en in het bijzonder voor minderjarigen en jongvolwassenen, op het gebied van impulsaankopen, financiële weerbaarheid en problematische schulden?
Welke maatregelen treft TikTok om risico’s te mitigeren, ook als het bijvoorbeeld gaat om online veiligheid, datahacks, fraude en oplichting van onbetrouwbare partijen die zich bijvoorbeeld straks voordoen als verkopende partij op TikTok?
Deelt u de opvatting dat de combinatie van een sterk gepersonaliseerd algoritme, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden de kans op impulsaankopen kan vergroten?
Welke inzichten zijn beschikbaar uit landen waar TikTok Shop reeds actief is, zoals het Verenigd Koninkrijk en Duitsland, over de effecten op koopgedrag, betalingsachterstanden en schuldenproblematiek onder jongeren en welke lessen trekt u daaruit voor de Nederlandse situatie?
Deelt u de opvatting dat social commerce-platforms zoals TikTok Shop een fundamenteel ander karakter hebben dan traditionele webwinkels, doordat sociale media, aanbevelingsalgoritmen, influencer marketing en directe aankoopmogelijkheden in één omgeving worden gecombineerd? Zo ja, acht u aanvullende regelgeving of toezicht wenselijk?
In hoeverre vallen betaalmethoden die via TikTok Shop worden aangeboden, waaronder achteraf betalen en gespreid betalen, onder de herziene Consumer Credit Directive (CCDII), en welke verplichtingen vloeien daaruit voort voor aanbieders van deze betaalmethoden?
Welke leeftijdsgrenzen gelden voor het gebruik van TikTok Shop en de daarbij aangeboden betaalmethoden, welke vormen van leeftijdsverificatie worden toegepast en in hoeverre acht u deze effectief?
Acht u het wenselijk dat platforms zoals TikTok zelf verantwoordelijkheid dragen voor het voorkomen van problematische schulden en impulsaankopen onder minderjarigen? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u daarbij?
In hoeverre vallen TikTok en TikTok Shop onder de verplichtingen van de Digital Services Act (DSA), in het bijzonder waar het gaat om bescherming van minderjarigen, transparantie van aanbevelingssystemen en het tegengaan van manipulerende ontwerpkeuzes?
Hoe verhoudt TikTok Shop zich tot het verbod uit de DSA op het tonen van gepersonaliseerde advertenties aan minderjarigen op basis van profilering en hoe wordt vastgesteld of gebruikers minderjarig zijn?
Kunt u inzicht geven in welke persoonsgegevens en gedragsgegevens worden gebruikt om productaanbevelingen binnen TikTok Shop te personaliseren, en in hoeverre acht u deze vorm van profilering wenselijk wanneer minderjarigen hierdoor worden blootgesteld aan commerciële prikkels?
Acht u het mogelijk dat aanbevelingsalgoritmen, livestreams en influencer-content binnen TikTok Shop feitelijk dezelfde functie vervullen als gepersonaliseerde reclame? Zo ja, in hoeverre vallen dergelijke praktijken onder het huidige toezicht- en handhavingskader?
Hoe wordt geborgd dat producten die via TikTok Shop worden aangeboden voldoen aan Europese productveiligheids- en consumentenwetgeving, en welke mogelijkheden hebben toezichthouders om hierop toezicht te houden en handhavend op te treden? Klopt het dat TikTok verantwoordelijk is voor de productaansprakelijkheid, zoals opgenomen in de nieuwe EU implementatie-richtlijn?
Welke kansen ziet u in de aangekondigde Digital Fairness Act om verslavende ontwerpkeuzes, manipulerende verkooptechnieken en andere vormen van digitale gedragssturing gericht op kwetsbare consumenten aan banden te leggen?
Bent u bereid zich in Europees verband actief in te zetten voor aanvullende bescherming van minderjarigen en financieel kwetsbare consumenten binnen social commerce-platforms zoals TikTok Shop? Zo nee, waarom niet?
In hoeverre acht u het wenselijk dat digitale platforms via algoritmen en verkooptechnieken consumptie stimuleren, terwijl Nederland en de Europese Unie tegelijkertijd inzetten op een circulaire economie, consuminderen en het verminderen van grondstoffengebruik? Ziet u hierin een beleidsmatige spanning?
Hebben al meer bedrijven zich gemeld bij de Nederlandse overheid dat zij met een vergelijkbare online shop op de markt gaan komen? Zo ja, wat kunt u hierover met ons delen? En hoe zal er getoetst worden of zij voldoen aan alle wettelijke kaders en toegelaten worden?
De brief van de minister met betrekking tot de toekomst van ons pensioenstelsel |
|
Corrie van Brenk (PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Waarom wil u pas in 2028 de Tweede Kamer informeren over de vergroting van koopkracht als gevolg van het nieuwe stelsel terwijl dit voor gepensioneerden juist een van de belangrijkste redenen was om akkoord te gaan met nieuwe pensioenstelsel?
Welke partijen zijn naar uw mening verantwoordelijk voor de toepassing van de additionele koopkrachtinstrumenten?
Op welke wijze gaat u de Tweede Kamer op jaarbasis informeren over de resultaten van (additionele) koopkrachtinstrumenten?
Is er volgens u wetgeving nodig om de (additionele) koopkrachtinstrumenten te implementeren?
Terugvorderingen toeslagenwet door fout bij UWV, naar aanleiding van eerder beantwoorde vragen |
|
Mariëtte Patijn (GroenLinks-PvdA) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Hoe kan het dat de controle van het partnerinkomen of andere relevante inkomsten is uitgebleven?
Gaat het hierbij enkel om de toeslag bij Ziektewetuitkering? Hoe zit dit bij andere regelingen van UWV? Zijn bij de Werkloosheidwet (WW), Wajong, Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ook fouten gemaakt met het partnerinkomen of andere relevante inkomsten? Kunt u in uw antwoord specifiek stilstaan bij elke afzonderlijke regeling?
Is onderzocht of andere componenten (naast partnerinkomen of andere relevante inkomsten) mogelijk ook onjuist zijn verwerkt in dezelfde periode of daarbuiten?
Hoe wordt een BSN van de partner gekoppeld aan de uitkeringsgerechtigde? Is de koppeling met de BSN van de partner correct gemaakt? En hoe worden hier correcties op doorgevoerd als blijkt dat er een fout gemaakt is?
Zijn de technische problemen met de systemen inmiddels opgelost?
Wanneer kunt u de Kamer informeren over de omvang van het probleem? Kunt u toezeggen de Kamer hierover te informeren voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
In hoeveel gevallen gaat het om een terugvordering?
In hoeveel gevallen gaat het om een volledige terugvordering van de Toeslagenwet (vanwege dat er achteraf is vastgesteld dat er geen recht is)? In hoe veel gevallen gaat het om een gedeeltelijke terugvordering?
In hoeveel gevallen gaat het om een nabetaling omdat het partnerinkomen of andere relevante inkomsten juist gedaald waren? Worden de toeslagen voor deze mensen nabetaald en gecorrigeerd voor de toekomst?
Kunt u, als u informatie verschaft aan de Kamer over de omvang van het probleem, vragen 5 t/m 7 ook specifiek beantwoorden? Dus om hoeveel mensen gaat het per wet die uitgevoerd wordt door het UWV? Over welke bedragen gaat het?
Welke terugvorderingen zijn al in gang gezet? Hoeveel mensen hebben inmiddels een terugvordering ontvangen? Welke besluitvorming ligt hieronder? Kunt u de kamer de stukken die bij die besluitvorming horen, toesturen?
Kunt u uitsluiten dat de systeemfout zich enkel voordeed in de periode van 29 oktober 2022 tot en met 7 april 2025? Uit signalen die wij ontvingen blijkt dat de verkeerde toekenning van toeslagen al voor 2022 plaatsvonden voor de WIA, de WAO, de Wajong en voor (oude gevallen) WW en ZW, klopt dat?
Wij hebben het signaal ontvangen dat er op dit moment een terugvorderingsactie loopt, namelijk een zogenaamde veegactie, klopt dit en zijn de vorderingsbrieven al (deels) verstuurd? Of zijn die nog opgehouden? Hoeveel van deze brieven zijn er en over welke bedragen gaan deze vorderingen en welke uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid of werkloosheid gaat het?
Hoe komt het dat de fout pas zo laat ontdekt is? En zijn in de jaarlijkse steekproeven in de afgelopen tien jaar niet eerder signalen boven water gekomen dat de koppeling met het partner inkomen ontbraken? Zo ja, zijn er ook al eerder zogenaamde veegacties geweest met vorderingen van te veel uitgekeerde toeslagen? En over hoeveel veegacties met hoeveel vorderingen en welke maximale bedragen zijn die vorderingen gedaan?
Welke interne waarschuwingen, signalen of audits zijn er sinds 2016 geweest die mogelijk op deze fout hadden kunnen wijzen?
Op welke manier is de fout ontdekt?
In uw antwoorden gaf u aan dat het UWV pas in april 2025 bekend was met de fouten, klopt dat wel? En als het wel klopt hoe kan het dan dat pas na langer dan een halfjaar hierover aan de Minister wordt gerapporteerd?
Hoe kan het dat de Kamer hierover niet geïnformeerd is, maar dit boven water moet halen door schriftelijke vragen?
Kunt u de beslisnotities betreffende dit onderwerp bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Kunt u de informatie die u vanuit UWV kreeg bij het beantwoorden van deze vragen delen met de Kamer?
Kunt u de vragen telkens separaat beantwoorden voor elke regelingen van UWV?
Kunt u de vragen specifiek en gesplitst beantwoorden voor het CD Uitvoeringsproblematiek UWV van 1 juli?
De stagnatie van de Nederlandse economie volgens het IMF |
|
Milan Schenk (FVD) |
|
Herbert , Eelco Heinen (VVD), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) inzake de Nederlandse economie van 13 mei 2026?1
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat de economische groei van Nederland stagneert richting één procent en dat sprake is van grote onzekerheid omtrent de economische vooruitzichten?
Erkent het kabinet dat Nederland in toenemende mate kampt met structurele problemen die investeringen, economische groei en concurrentievermogen onder druk zetten?
Indien het antwoord op vraag 3 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat netcongestie, een direct gevolg van de energietransitie, een «binding constraint» (lees: bindende beperking) vormt voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Hoeveel economische schade wordt naar schatting jaarlijks veroorzaakt door netcongestie met als gevolg uitgestelde aansluitingen en vertraagde investeringen?
Is het antwoord op vraag 6 aanleiding voor het kabinet om haar klimaatambities terug te schroeven en de energietransitie voorlopig te staken?
Indien het antwoord op vraag 7 ontkennend luidt, waarom niet?
Hoe beoordeelt het kabinet de constatering van het IMF dat stikstofgerelateerde beperkingen een belangrijke belemmering vormen voor investeringen en economische ontwikkeling in Nederland?
Erkent het kabinet dat het huidige stikstofbeleid ertoe leidt dat woningbouw, infrastructuurprojecten, uitbreiding van industrie en economische ontwikkeling ernstig worden vertraagd?
Indien het antwoord op vraag 10 ontkennend luidt, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 10 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om deze schadelijke ontwikkelingen een halt toe te roepen?
Hoe beoordeelt het kabinet de conclusie van het IMF dat het woningtekort ambitieuze hervormingen vereist?
Welke rol speelt de bevolkingsgroei als gevolg van immigratie volgens het kabinet bij de voortdurende druk op woningmarkt, infrastructuur en voorzieningen?
Kan het kabinet uiteenzetten hoeveel extra woningen volgens de huidige prognoses nodig zijn als gevolg van de verwachte bevolkingsgroei als gevolg van immigratie nu en in de komende tien jaar?
Deelt het kabinet de analyse dat immigratie, een belangrijke oorzaak van het woningtekort, de Nederlandse economie afremt?
Indien het antwoord op vraag 16 ontkennend luidt, waarom niet?
Deelt het kabinet de analyse van het IMF dat de huidige coalitieplannen de lasten op arbeid verhogen, arbeidsparticipatie verminderen en loonkosten verhogen?
Indien het antwoord op vraag 18 ontkennend luidt, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 18 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om hier verandering in te brengen?
Waarom kiest het kabinet ervoor arbeid zwaarder te belasten (via onder meer de vrijheidsbijdrage) terwijl het IMF juist waarschuwt dat hogere lasten op arbeid leiden tot minder gewerkte uren en lagere arbeidsparticipatie?
Hoe verhoudt dit zich volgens het kabinet tot het uitgangspunt dat werken moet lonen?
Bent u bekend met de recente uitspraak van hoogleraar arbeids- en macro-economie Pieter Gautier2 dat ongeveer een kwart van het bruto binnenlands product naar toeslagen gaat en dat dit het belastingstelsel onnodig complex maakt?
Indien het antwoord op vraag 23 bevestigend luidt, hoe beoordeelt het kabinet deze realiteit?
Deelt het kabinet de analyse dat het huidige belasting- en toeslagenstelsel leidt tot verstorende prikkels, hoge uitvoeringskosten en verminderde transparantie voor Nederlandse burgers en ondernemers?
Welke concrete stappen gaat het kabinet zetten om het belasting- en toeslagenstelsel fundamenteel te vereenvoudigen?
Hoe groot verwacht het kabinet dat de totale klimaatgerelateerde uitgaven zullen zijn richting 2030 en 2050, zeker gezien het feit dat het IMF de oplopende klimaatgerelateerde uitgaven een risico voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën noemt?
Hoe beoordeelt het kabinet de spanning tussen enerzijds steeds hogere klimaatgerelateerde lasten en anderzijds het behoud van concurrentievermogen, industrie en economische groei?
Erkent het kabinet dat hoge energieprijzen en klimaatgerelateerde lasten bijdragen aan een verslechtering van het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat?
Indien het antwoord op vraag 29 ontkennend luidt, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 29 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om het Nederlandse vestigings- en investeringsklimaat te verbeteren?
Hoe beoordeelt het kabinet signalen uit de industrie dat bedrijven en investeringen Nederland verlaten vanwege hoge energiekosten, regeldruk, onzeker beleid en toenemende klimaatverplichtingen?
Is het kabinet van mening dat het huidige economische beleid de Nederlandse concurrentiepositie ten opzichte van landen als de Verenigde Staten en China verbetert?
Indien het antwoord op vraag 33 ontkennend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen om de Nederlandse concurrentiepositie te verbeteren?
Welke concrete maatregelen gaat het kabinet nemen om verdere stagnatie van de Nederlandse economie, afnemende investeringen en verlies van concurrentievermogen tegen te gaan?
Deelt het kabinet de conclusie van de indiener dat uit de IMF-bevindingen blijkt dat het Nederlandse beleid omtrent klimaat (hoge kosten en investeringen), stikstof (vastlopen uitbreiding huizen en industrie), immigratie (oorzaak woningtekort) en belastingen (geen prikkel om te werken) in grote mate bijdraagt aan de stagnatie van de economie?
Indien het antwoord op vraag 36 ontkennend luidt, waarom niet?
Indien het antwoord op vraag 36 bevestigend luidt, wat gaat het kabinet concreet doen aan het beleid omtrent klimaat, stikstof, immigratie en belastingen om de positie van Nederland te verbeteren?
Wat doet het kabinet in algemene zin met rapporten, adviezen en bevindingen van het IMF?
Kunt u deze vragen zo spoedig mogelijk en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Zou u willen reflecteren op de belangrijkste bevindingen in het artikel over de situatie in Carnisse en de signalen dat woonfraude, uitbuiting en illegale huisvesting van arbeidsmigranten structureel voortduren ondanks nieuwe wetgeving?1
Hoe beoordeelt u het feit dat, ondanks de invoering van de Wet goed verhuurderschap en andere maatregelen, misstanden in wijken zoals Carnisse onverminderd doorgaan?
Kunt u aangeven in hoeverre de doelen van de Wet goed verhuurderschap tot op heden zijn gerealiseerd, specifiek voor de bescherming van arbeidsmigranten?
Hoe verklaart u dat gemeenten, ondanks uitgebreid dossiermateriaal en herhaalde constateringen van overtredingen, in de praktijk beperkt overgaan tot handhaving?
In hoeverre is het huidige instrumentarium tot handhaving toereikend, maar in de praktijk onvoldoende effectief? Zo ja, waar zit volgens u de kern van dit probleem?
Zou u, gegeven het feit dat de problematiek samenhangt met de verdeling van verantwoordelijkheden en eventuele gaten hierin, helder in kaart willen brengen welk bestuursniveau (Rijk, gemeente, inspectiediensten) verantwoordelijk is voor:
Zou u willen reflecteren op de vraag of deze verantwoordelijkheden in de praktijk voldoende op elkaar zijn afgestemd?
Welke bevoegdheden of instrumenten hebben gemeenten in uw ogen nodig om effectief te kunnen optreden wanneer bewoners de deur niet openen, sprake is van intimidatie, of sprake is van snel wisselende bewoners, de zogenaamde carrouselconstructies?
Welke mogelijkheden zijn er tot binnentreden of bestuursrechtelijk ingrijpen bij ernstige signalen van uitbuiting en overbewoning?
Zou u samen met de VNG in kaart willen brengen hoeveel capaciteit gemeenten nodig hebben om een stevige aanpak van deze problematiek neer te zetten, gezien het voorbeeld dat een grote stad als Rotterdam slechts enkele inspecteurs beschikbaar heeft voor toezicht op naleving?
Herkent u het beeld dat dossiers blijven liggen, handhaving uitblijft en overtreders feitelijk wegkomen met illegale praktijken?
Welke concrete maatregelen neemt u om te zorgen dat constateringen van overtredingen sneller en daadwerkelijk leiden tot sancties?
Hoe beoordeelt u de kwetsbare positie van arbeidsmigranten die geen huurcontract hebben, afhankelijk zijn van hun werkgever voor huisvesting en uit angst voor verlies van werk of woning geen melding durven doen?
Zou u in kaart willen brengen welke mogelijkheden er zijn om deze groep beter te beschermen, op het gebied van fatsoenlijke huisvesting, het tegengaan van misstanden en afbouwen van onwenselijke afhankelijkheidsrelaties?
Bent u bekend met signalen dat uitzendbureaus en huisvesters arbeidsmigranten ontmoedigen of zelfs intimideren om zich in te schrijven bij gemeenten? Deelt u de opvatting dat dit volstrekt onnacceptabel is?
Welke acties onderneemt u tegen uitzendbureaus of huisvesters die arbeidsmigranten ontmoedigen of intimideren om zich in te schrijven in de BRP?
Welke sancties staan momenteel op het belemmeren van inschrijving, en in hoeverre en hoeveel worden deze in de praktijk toegepast?
Zou u inzicht willen geven in welke maatregelen er nog meer mogelijk zijn, zoals een meldplicht voor huisvesting van arbeidsmigranten, strengere vergunningseisen voor uitzendbureaus, of koppeling van huisvesting en registratiecontrole?
Hoe wordt de samenwerking tussen gemeenten, de Arbeidsinspectie, politie en andere instanties momenteel vormgegeven, en waar schiet deze tekort?
Bent u bereid te komen tot een landelijke, integrale aanpak waarbij huisvesting, arbeid en migratiebeleid nadrukkelijker met elkaar worden verbonden?
Welke concrete aanvullende maatregelen gaat u op korte termijn nemen om situaties zoals in Carnisse daadwerkelijk te beëindigen?
Het rapport ‘Staat van Gezinnen 2026’ |
|
Sarath Hamstra (CDA), Elles van Ark (CDA) |
|
Mirjam Sterk (CDA), Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het rapport «De Staat van Gezinnen 2026» van Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media?1
Hoe kijkt u aan tegen de aanbevelingen uit het rapport, in het bijzonder de aanbevelingen over een gezinsvisie?
Bent u bereid een uitgebreide kabinetsreactie te sturen op dit rapport?
Deelt u de conclusie dat veel ouders een versnipperd systeem ervaren en daarom minder snel om hulp vragen? Zo ja, wat kunt u hieraan doen? Zo nee, waarom niet?
Wat vindt u van de conclusie van het rapport dat het stressniveau van ouders opnieuw is gestegen waardoor steeds meer ouders moeite hebben om werk en privé op een gezonde manier te combineren? Wat ziet u als maatregelen die kunnen helpen om ouders beter te ondersteunen?
Bent u bereid om een Nationale Gezinsstrategie te ontwikkelen waarin het perspectief van gezinnen centraal staat en regelingen rondom het gezin in samenhang worden behandeld en bezien? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, bent u bereid om één coördinerend Minister aan te wijzen, die in samenwerking met collega-bewindspersonen, verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Nationale Gezinsstrategie?
Wilt u in overleg met de Stichting Voor Werkende Ouders, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang en WIJ Media naar aanleiding van de «Staat van Gezinnen 2026»? En wilt u de Kamer over de uitkomsten hiervan informeren?
Het artikel ‘Het pensioendrama APG’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Hans Vijlbrief (D66) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Het pensioendrama APG» van 7 mei 2026?1
In het jaarverslag van het ABP staat dat duurzaam en verantwoord beleggen voor «enige remming» van de rendementen heeft gezorgd. Risicovrij beleggen levert ongeveer 4% per jaar op en daar zit het APG onder. Hoe beoordeelt u de tegenvallende resultaten op de aandelenportefeuille?
Bent u het eens dat het de taak van de pensioenfondsen moet zijn om in het belang van de deelnemers maximaal rendement te halen?
Bent u bereid om het ABP een nadere toelichting te vragen op deze tegenvallende resultaten en wilt u de Kamer informeren over deze nadere toelichting?
De Kamer heeft de motie van het lid Aartsen c.s. aangenomen waarin wordt gesteld dat het rendement centraal moet staan en geen ruimte is voor activistisch of ideëel beleggen2. Hoe wordt deze motie uitgevoerd?
Hoe ziet het door u aangekondigde onderzoek naar achterblijvende rendementen eruit? Wat is de onderzoeksopdracht, wie voert het onderzoek uit en wanneer krijgt de Kamer de resultaten?
Bent u het eens dat meer transparantie over de resultaten noodzakelijk is? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Op welke wijze kunnen pensioenfondsen worden gestimuleerd om in het belang van hun deelnemers meer transparantie te geven over de behaalde beleggingsresultaten?
Bij wie ligt de taak om verantwoording af te leggen over de resultaten van de fondsen, de uitvoerder of het fonds? Bent u het eens dat deze taak explicieter moet worden gemaakt? Zo nee waarom niet? Zo ja, hoe ziet dit er dan volgens u uit?
Welke mogelijkheden heeft een verantwoordingsorgaan of belanghebbendenorgaan af te dwingen dat een pensioenfonds bij het beleggingsbeleid nadrukkelijker rekening houdt met het belang van deelnemers om rendement te maximaliseren? Bent u bereid om deze mogelijkheden te verruimen?
Wie houdt toezicht op de wijze van beleggen door de pensioenfondsen?