Het Smash-systeem van Smart Shooter |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Defensie meldt aanschaf Israëlische wapens tegen drones niet»?1
Ja.
Klopt het dat de Smash 3000 (of andere versies daarvan) onderdeel zijn van de Extended AAAD Toolbox? Zo ja, waarom is dit nooit als zodanig richting de Kamer geëxpliceerd?
Op 19 december 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de start en behoeftestelling voor het project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox» (Kamerstuk 27 830, nr. 456). Op dat moment was nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier. In deze A-brief is een functionele beschrijving van de capaciteit opgenomen die Defensie wilde verwerven. Door deze behoeftestelling functioneel te formuleren, gericht op het gewenste effect en niet op het gewenste product, bleven zoveel mogelijk opties voor de vervulling van de behoefte open. Defensie heeft tijdens het verwervingsproces begin 2025 een keuze gemaakt voor het uiteindelijke product. Dit product was uiteindelijk het enige product wat voldeed aan de door Nederland gestelde eisen.
Defensie heeft op 25 november 2025 uw Kamer geïnformeerd met de Kamerbrief «Update investeringen in additionele C-UAS capaciteit» (Kamerstuk 27 830, nr. 474). Hierin is aangegeven dat Defensie de krijgsmachtbrede eAAAD toolbox versterkt en uitbreidt. Sinds de start van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de drone-incidenten in de rest van Europa wordt specifieke militaire informatie steeds gevoeliger om openbaar te delen. Om operationele en veiligheidsredenen verstrekt Defensie daarom in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen, operationele effecten, aantallen en kosten. Defensie is transparant waar het kan en vertrouwelijk waar dat moet. Daarom is uw Kamer aanvullend geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox». Deze Toolbox bestaat uit verschillende elementen waaronder, naast het Smash-systeem, ook Manpads2.
Klopt het dat het Smash-systeem al sinds 2020 op enige manier wordt gebruikt door Defensie? Zo ja, waarom wordt de Kamer dan pas op 19 december 2024 indirect geïnformeerd over de aanschaf via de Kamerbrief over de eAAAD Toolbox?
Het Smash-systeem was aangeschaft als Counter-Unmanned Aerial System (C-UAS) middel om onder andere te beproeven (concept development and experimentation) op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief is te beantwoorden, en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Deze aanschaf betrof een gering aantal systemen en bleef ruim onder de financiële bandbreedtes van het Defensie Materieel Proces (DMP) met een bedrag onder de € 2 miljoen, zodat conform de afspraken over de informatie over het DMP uw Kamer hierover niet is geïnformeerd.
Is het bedrag dat met de verwerving van het Smash-systeem is gemoeid lager dan de ondergrens van projecten waarover de Tweede Kamer apart wordt geïnformeerd, te weten 50 miljoen euro? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox».
Stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van de eAAAD Toolbox door de additionele investeringen boven de mandateringsgrens van 250 miljoen euro uit? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is, zoals gezegd, geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. Met de additionele investeringen in C-UAS capaciteit, stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van het gehele project «Verwerving eAAAD Toolbox» boven de mandateringsgrens van € 250 miljoen. In het Defensie Projectenoverzicht (DPO) van mei 2026 zal Defensie zoals gebruikelijk rapporteren over de voortgang van individuele projecten zoals het project «Verwerving eAAAD Toolbox».
Deelt u de mening dat een beroep op commerciële vertrouwelijkheid of operationele veiligheid door het ministerie niet geloofwaardig is, aangezien zowel de CEO van Smart Shooter als krijgsmachtonderdelen zelf al uitvoerig publiekelijk gecommuniceerd hebben over de ingebruikname van het Smash-systeem door Defensie?
Ik deel deze mening niet. Om tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van uw Kamer en in afstemming met aanpassingen in het defensiebeleid, heeft Defensie over de jaren steeds meer en gedetailleerde informatie openbaar verstrekt. In het huidige tijdsgewricht is het echter nodig om kritisch te kijken naar de vertrouwelijkheid van deze informatie. Defensie geeft in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen (leveringen), operationele effecten, aantallen en kosten (projectbudgetten). Aanvullend geldt dat enkel openbaar wordt gecommuniceerd over de beoogde leverancier en daarmee het land van herkomst als het bedrijf daarmee instemt. Zo zijn bijvoorbeeld niet de landen van herkomst bekend gemaakt in de DMP-brieven bij de projecten «Precision Guided Rockets» (Kamerstuk 27 830, nr. 436), «Future Littoral All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen (FLATM PV)» (Kamerstuk 27 830, nr. 314) en «Network Enabled Capabilities Helikopters» (Kamerstuk 27 830, nr. 457), en «Ground based Area Accesss Denial (GAAD)» (Kamerstuk 33 763, nr. 144).
Is het gebruikelijk om bij communicatie richting de Kamer over wapenaankopen niet het land van herkomst te noemen, zoals in dit geval? Zo ja, kunt u voorbeelden geven waar dit ook niet is gebeurd?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de verwerving van Israëlische wapensystemen politiek gevoelig ligt en de Kamer hierover dus apart geïnformeerd had moeten worden ongeacht de omvang van het budget?
Het kabinet erkent deze politieke gevoeligheid en heeft aandacht voor de verwerving van defensiematerieel bij Israëlische bedrijven (zie tevens de beantwoording vraag 20). Zoals hierboven gemeld, was bij de informatievoorziening aan uw Kamer over de behoeftestelling voor het project (Kamerstuk 27 830, nr. 456) nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier.
Deelt u de mening dat de Kamerbrief van 25 november jl. over aanvullende investeringen in C-UAS, en dus ook de eAAAD Toolbox, onderdeel was van de beraadslaging over de incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones, aangezien de ISB in die desbetreffende brief benoemd werd, de uitbreiding van de eAAAD Toolbox blijkens de Kamerbrief van 19 december 2024 gerelateerd is aan het project Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems capaciteit, Kamerleden ernaar vroegen en de Staatssecretaris zelf de aanschaf van extra Smash-systemen in het debat heeft aangekondigd? Zo ja, waarom heeft u dit niet in acht genomen toen u toezegde dat de beoogde leveranciers niet uit Israël afkomstig zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Zoals aangegeven in de Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) voor het jaar 2025 (Kamerstuk 36 858, nr. 7) van 19 november 2025, betreft de ISB een aantal financiële herschikkingen tussen de artikelen van het DMF om over te kunnen gaan tot de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit. De uitbreiding van de «eAAAD Toolbox» was hier geen onderdeel van.
Tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) met uw Kamer van 26 november 2025 heb ik het project eAAAD Toolbox alleen genoemd als voorbeeld van de versterking van de vierkante meter van de militair.3 Ik heb tevens aangegeven dat dit een project in uitvoering is waarvoor de contracten al waren getekend. Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. Ik heb tijdens het WGO over de ISB gezegd dat de betrokken radars, gerelateerde voertuigen, verbindingen en kanonsystemen niet uit Israël komen.
Waarom heeft u bij uw aankondiging dat er extra Smash-systemen afgeroepen worden tijdens het wetgevingsoverleg niet aangegeven dat het om een Israëlische leverancier ging terwijl het al langer bekend is dat sommige fracties daar kritisch op zijn en in het debat ook ter sprake kwam dat geen wapens uit Israël een harde voorwaarde was voor de steun van de fractie van GroenLinks-PvdA?
Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. De ISB betrof alleen de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit.
Is bij Defensie bekend of, en in welke hoedanigheid, Smash of andere producten van Smart Shooter worden gebruikt door het Israëlische leger, in het bijzonder tijdens inzet in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Klopt het dat Smart Shooter Smash ook aanbiedt voor inzet tegen personen? Zo ja, is er bij Defensie enige informatie bekend over het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tegen personen in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Is er bij Defensie enige informatie bekend over de mogelijke betrokkenheid van Smash of andere producten van Smart Shooter bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Kan Defensie uitsluiten dat Smash of andere producten van Smart Shooter mogelijk gebruikt zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Hoe heeft u het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tijdens de Gaza-oorlog meegenomen in uw afweging om tot aanschaf van het Smash-systeem over te gaan?
Hanteert Defensie inderdaad het uitgangspunt dat dit wapen alleen tegen drones ingezet kan worden en niet tegen mensen? Zo ja, waarop is dit uitgangspunt gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Alle nieuwe wapens en munitie voor de krijgsmacht worden getoetst aan de verplichtingen van Nederland onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Het toenmalige Smart Shooter systeem is in 2021 getoetst en het (bindend) advies van de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik is online te raadplegen op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-defensie/organisatie/commissies/adviescommissie-internationaal-recht-en-conventioneel-wapengebruik (advies 18). In het advies staan de redenen voor begrenzing van het gebruik. Het systeem betreft een richtmiddel en geen zelfstandig wapen. Nieuwe versies van het systeem zullen opnieuw worden beoordeeld wat betreft voorwaarden voor het gebruik ervan door de Nederlandse krijgsmacht.
Welke plannen zijn er voor verdere investeringen in het Smash-systeem?
Defensie heeft momenteel geen concrete plannen voor verdere investeringen in het Smash-systeem. Het is echter niet uit te sluiten dat bij verdere uitbreiding van de krijgsmacht een aanvullende behoefte ontstaat aan dergelijke capaciteit.
Op welke wijze heeft de proef van de Landmacht met de Smash 2000 bijgedragen aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Defensie heeft de proef met de Smash 2000 uitgevoerd om te experimenteren op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief te beantwoorden is en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Tevens is op basis van deze proef een verdere behoeftestelling met aantallen en benodigde functionaliteiten opgesteld.
Er zijn rapporten opgesteld om de werking van het systeem tegen Class I drones in kaart te brengen en de effectiviteit van het optreden te verbeteren. Deze rapporten zijn gebruikt om de exacte behoefte vorm te geven, de krijgsmacht breder kennis te laten maken met het systeem, alternatieven te onderzoeken en ervaringen met partnerlanden uit te wisselen bij het gezamenlijk tegengaan van de UAS-dreigingen. Er zijn geen resultaten en/of rapporten gedeeld met Israëlische counterparts of leveranciers.
Op welke wijze draagt het gebruik van de Smash 3000 door de krijgsmacht bij aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
De aanschaf van de Smash 3000 draagt bij aan de versterking van Defensie om sneller de operationele eenheden aan de oostflank en de krijgsmacht voor de eerste hoofdtaak gereed te stellen. Daarnaast draagt het bij aan de beveiliging van het eigen grondgebied en kritieke locaties tegen deze actuele dreiging. Defensie deelt geen informatie waarmee Smartshooter het proces of product kan verbeteren. Het belangrijkste deel van het onderhoud zal intern Defensie worden uitgevoerd. Alleen zaken die Defensie niet kan uitvoeren zullen door de tussenleverancier en/of Smartshooter worden georganiseerd. Defensie heeft maatregelen getroffen om te voorkomen dat het systeem data kan verzamelen die later kunnen worden uitgelezen.
Bent u bereid een plan op te stellen om afhankelijkheden van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Defensie werkt met de «Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII)» aan een toekomstbestendige krijgsmacht en aan het vergroten van de strategische autonomie van Nederland en Europa op het gebied van veiligheid en defensie (Kamerstuk 31 125, nr. 134). Dit gebeurt onder meer door industrieversterkend aanschafbeleid in Nederland en Europa en het verminderen van strategische afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers.
Met het huidige voorkeursbeleid van Defensie ten aanzien van leveranciers uit Nederland of Europa, is de inzet om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers, waaronder die uit Israël, zoveel mogelijk te beperken. Tegelijkertijd heeft Defensie vanwege de toegenomen internationale dreiging en de veroudering van het bestaand materieel op zeer korte termijn behoefte aan nieuw materieel om de taken van de krijgsmacht te kunnen blijven uitvoeren. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Daarbij komen ook Israëlisch geregistreerde bedrijven in beeld. Eventuele aankopen van nieuw materieel uit Israël wordt per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Welke alternatieven zijn er, of worden ontwikkeld, voor het Smash-systeem, onder andere in Europa? Waarom is niet voor een alternatief gekozen?
Er is op dit moment nog geen volwaardig alternatief op korte termijn leverbaar. Defensie beschouwt bij iedere behoeftestelling de herkomst van het materieel en, in lijn met de D-SII, de mogelijkheden voor Nederlandse en Europese alternatieven.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Vanwege de samenhang zijn de vragen 6 en 7 en de vragen 11 tot en met 15 gezamenlijk beantwoord.
Het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een stand van zaken geven van wat er tot nog toe gedaan is binnen de vier actielijnen om knelpunten rondom financiering van (de opschaling van) de defensie-industrie te verminderen, zoals omschreven in uw brief van 12 maart 2025? (Kamerstuk 31 125, nr. 133)
Uw Kamer is met de brief van 12 maart jl. over oplossingen en actielijnen voor financieringsknelpunten van de Defensie-industrie geïnformeerd.1 Deze knelpunten worden via vier actielijnen opgepakt:
1) Thematische Technologie Transfer (TTT) (10 miljoen): De inzet in TTT draagt bij aan het versnellen van dual-use innovatie en valorisatie, door het stimuleren van de oprichting van start-ups en spin-offs binnen de 5 NLD gebieden vanuit kennisinstellingen, via innovatievouchers en vroege investeringen. 2) SEED Capital (25 miljoen): Met de SEED Capital regeling wordt durfkapitaal geactiveerd om te investeren in hoog-risico sectoren, zoals de Defensie-industrie.
Herinnert u zich de aangenomen motie Boswijk over het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie, met daarin het verzoek alle aanbevelingen uit het rapport van de specialisten van IDEA uit te voeren? (Kamerstuk 31 125, nr. 136)
De aangenomen motie van het lid Boswijk (CDA) ingediend bij het tweeminutendebat Defensie industrie van 19 juni heeft de aandacht van het Ministerie van Defensie. Het Ministerie van Defensie werkt in samenwerking met andere departementen aan de uitvoering van de aanbevelingen uit het IDEA rapport die bij de overheid liggen, ingebed in de vier actielijnen.
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven waar deze aansluiten binnen de vier actielijnen uit de brief van 12 maart 2025?
De geconstateerde knelpunten worden hoofdzakelijk gekoppeld aan de actielijnen zoals hieronder weergegeven:
De knelpunten raken in meerdere gevallen aan meerdere actielijnen. Zo is knelpunt G. ook een factor bij het mobiliseren van private financiering en valt marktconforme voorfinanciering ook onder het wegnemen van praktische belemmeringen.
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven welke stappen Defensie inmiddels heeft gezet om deze knelpunten aan te pakken?
De door de IDEA geïdentificeerde knelpunten worden, zoals in vraag 3 aangegeven, opgepakt via vier actielijnen. Een voortgang van enkele van de acties op de vier actielijnen kunt u vinden in het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid de onderzoekers van IDEA te vragen of zij van mening zijn dat met de ingezette actielijnen van Defensie daadwerkelijk de door hen op basis van ruim 500 consultaties van Nederlandse en Europese defensiebedrijven en financiële instellingen geconstateerde knelpunten adequaat worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Defensie kent IDEA als een expertgroep van reservisten die hun kennis uit hun werkveld meenemen en Defensie verrijken. Wij waarderen hun sterke motivatie en betrokkenheid. Dankzij hun scherpe analyse ligt er nu een raamwerk waar Defensie op kan voortbouwen. Momenteel werken wij aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten, waarover uw Kamer in 2026 geïnformeerd zal worden. IDEA is een expertgroep binnen de krijgsmacht en zal de komende tijd ook zeker – waar opportuun – geconsulteerd worden bij het uitwerken van de oplossingen.
Kunt u de Kamer voor het eind van 2025 informeren over de uitkomsten van deze uitvraag bij de onderzoekers?
Het is op dit moment niet het voornemen van Defensie om een dergelijke aanvullende uitvraag te doen vooruitlopend op de eerder genoemde update. Zoals gezegd is het mogelijk dat – afhankelijk van resultaten op lopende en toekomstige projecten om de reeds in kaart gebrachte knelpunten aan te pakken via de actielijnen – een aanvullende uitvraag alsnog wenselijk wordt geacht.
Het bericht dat Nederland drones boven vliegvelden niet kon spotten omdat de radars in Oekraïne zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland kon «drones» boven vliegvelden niet spotten omdat de radars in Oekraïne zijn»?1
Ja.
Hoeveel Robin Radars zijn exact naar Oekraïne gestuurd?
Over aantallen doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen uitspraken. Uw Kamer wordt middels de periodieke leveringsbrieven vertrouwelijk geïnformeerd over de geleverde militaire steun aan Oekraïne.
Zijn de bestelde nieuwe radars volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied? Zo nee, kunt u aangeven voor welke andere bestemmingen deze zijn bedoeld en hoe de verdeling is in percentages?
De bestelde nieuwe radars zijn volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied. De radars zijn bedoeld voor de bescherming van het nationale grondgebied en kritieke infrastructuur in het bijzonder, en zijn een essentiële aanvulling voor de tijdige detectie van kleine drones. Deze capaciteit is essentieel om snel een beeld op te bouwen van een mogelijke specifieke dreiging, zodat op zorgvuldige wijze een passende inzet van middelen kan worden bepaald. Naast beveiligingseenheden worden de IRIS-radars gebruikt in operationele drone interventieteams. Over de inzet van IRIS-radars en interventieteams doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen verdere uitspraken.
Zijn er in de komende jaren scenario’s denkbaar waarin het gebrek aan afdoende dronedetectie op ons grondgebied mensenlevens kan kosten? Zo ja, hoe reëel schat u de kans daarop in?
Zoals de situatie in de Oekraïne laat zien zorgen zeer snelle technologische ontwikkelingen ervoor dat veel scenario’s waar ook slachtoffers bij zouden kunnen vallen, voorstelbaar zijn. Hoe deze scenario’s zich ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen. Defensie geeft met haar investeringen in drone-detectie een antwoord op de huidige en in de toekomst meest waarschijnlijke dreigingen op het gebied van drones (UAS). Maar de ontwikkelingen op het gebied van (couter)drones technieken volgen elkaar, mede door de oorlog in Oekraïne, snel op. Defensie heeft binnen het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) afgelopen najaar een nieuwe wijze van werken binnen het ecosysteem onbemenste systemen gelanceerd. Defensie heeft de markt benaderd om oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect. Defensie, kennisinstellingen en industrie gaan in partnerschappen deze oplossingen samen ontwikkelen, produceren en opschalen. Defensie blijft waakzaam om ook op nieuwe dreigingen een antwoord te hebben en werkt daarbij nauw samen met industrie en kennisinstellingen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030, en kan daarmee snel aanhaken op nieuwe ontwikkelingen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse objecten zoals vliegvelden tot aan de levering van de nieuwe radars in 2028 afdoende weerbaar zijn tegen drones?
Zoals ook beschreven in het interview in Trouw waar u naar verwijst, bestaat er geen volledig waterdicht verdedigingssysteem voor vliegvelden, nu niet en waarschijnlijk in 2028 ook niet. Detectie vindt plaats door verschillende systemen, dus de te leveren radarsystemen zijn niet de enige systemen die daar aan bijdragen. Om operationele en veiligheidsredenen kan over het verdedigingssysteem voor vliegvelden op dit moment geen verdere informatie worden gegeven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er door defensie, kennisinstellingen en industriepartners voortdurend wordt gezocht naar aanvullende middelen en manieren om detectie van drones te verbeteren zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 4.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
De Arbeidstijdenwet en opschaling van de krijgsmacht |
|
Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het feit dat Defensie bij realistische, meerdaagse en geïntegreerde oefeningen gebruikmaakt van externe opleiders die werkzaamheden verrichten die inhoudelijk gelijk zijn aan die van defensiepersoneel, onder militair gezag plaatsvinden en direct samenhangen met de operationele gereedheid van eenheden?
In hoeverre herkent u dat de onverkorte toepassing van de Arbeidstijdenwet in deze situaties kan botsen met realisme, veiligheid en continuïteit van de opleiding?
Welke ruimte biedt artikel 2:4 van de Arbeidstijdenwet ruimte om de wet geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te verklaren wanneer toepassing de uitvoering van wettelijke taken belemmert?
Hoe wordt deze bepaling momenteel toegepast ten aanzien van externe opleiders die in een militair-operationele context functioneren?
Bent u bereid om te verkennen of een strikt afgebakende ministeriële regeling op grond van artikel 2:4 ATW mogelijk en wenselijk is, die uitsluitend ziet op aangewezen opleidingssituaties en externe opleiders daarin tijdelijk functioneel gelijkstelt aan defensiepersoneel, met passende waarborgen voor arbeidsomstandigheden, veiligheid en herstel? Zo ja, kunt u de Kamer over de uitkomsten van deze verkenning zo snel mogelijk informeren? Zo nee, waarom niet?
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
De rechtspositie van reservisten |
|
Judith Buhler (CDA), Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Mariëlle Paul (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel in het Financieele Dagblad waarin gepleit wordt dat de rechtspositie van reservisten, en die van hun werkgever, beter moet worden beschermd?1
Deelt u de analyse uit het genoemde artikel dat de huidige rechtspositie van reservisten, met name bij langdurige inzet of bij letsel, onduidelijk is en te veel afhankelijk is van individuele afspraken of cao-bepalingen? Zo nee, waarom niet?
Kunt u toelichten hoe de huidige juridische kaders zijn vormgegeven rondom inzet, verlof, loondoorbetaling en aansprakelijkheid van reservisten?
Bent u het met arbeidsrechtspecialist Nataschja Hummel eens dat reservisten in feite «twee werkgevers» hebben en dat dit zonder heldere wetgeving voor onduidelijkheid en risico’s zorgt, zowel voor de werknemer als de werkgever? Zo nee, waarom niet?
Acht u de huidige kostenvergoeding, van € 55 per dag bij langdurige inzet van een reservist, toereikend en eerlijk ten opzichte van werkgevers die loyaal meewerken aan nationale veiligheid?
Kunt u aangeven hoeveel werkgevers momenteel gebruikmaken van cao-bepalingen of eigen beleid ten behoeve van reservistenverlof?
In hoeverre wordt de inzet van reservisten momenteel belemmerd door juridische onduidelijkheid of terughoudendheid van werkgevers?
Kunt u een overzicht geven van welke wet- en regelgeving volgens u belemmerend kan zijn voor werkgevers om met hun werknemers af te spreken dat zij naast hun werk reservist kunnen worden?
Kunt u inzichtelijk maken hoe andere NAVO-landen de inzet en bescherming van reservisten juridisch hebben verankerd en wat Nederland daarvan kan leren?
Wat is uw mening met betrekking tot het pleidooi om de rechtspositie van reservisten wettelijk vast te leggen, in plaats van over te laten aan cao-afspraken?
Het Smash-systeem van Smart Shooter |
|
Kati Piri (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NRC-artikel «Defensie meldt aanschaf Israëlische wapens tegen drones niet»?1
Ja.
Klopt het dat de Smash 3000 (of andere versies daarvan) onderdeel zijn van de Extended AAAD Toolbox? Zo ja, waarom is dit nooit als zodanig richting de Kamer geëxpliceerd?
Op 19 december 2024 is uw Kamer geïnformeerd over de start en behoeftestelling voor het project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox» (Kamerstuk 27 830, nr. 456). Op dat moment was nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier. In deze A-brief is een functionele beschrijving van de capaciteit opgenomen die Defensie wilde verwerven. Door deze behoeftestelling functioneel te formuleren, gericht op het gewenste effect en niet op het gewenste product, bleven zoveel mogelijk opties voor de vervulling van de behoefte open. Defensie heeft tijdens het verwervingsproces begin 2025 een keuze gemaakt voor het uiteindelijke product. Dit product was uiteindelijk het enige product wat voldeed aan de door Nederland gestelde eisen.
Defensie heeft op 25 november 2025 uw Kamer geïnformeerd met de Kamerbrief «Update investeringen in additionele C-UAS capaciteit» (Kamerstuk 27 830, nr. 474). Hierin is aangegeven dat Defensie de krijgsmachtbrede eAAAD toolbox versterkt en uitbreidt. Sinds de start van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne en de drone-incidenten in de rest van Europa wordt specifieke militaire informatie steeds gevoeliger om openbaar te delen. Om operationele en veiligheidsredenen verstrekt Defensie daarom in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen, operationele effecten, aantallen en kosten. Defensie is transparant waar het kan en vertrouwelijk waar dat moet. Daarom is uw Kamer aanvullend geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox». Deze Toolbox bestaat uit verschillende elementen waaronder, naast het Smash-systeem, ook Manpads2.
Klopt het dat het Smash-systeem al sinds 2020 op enige manier wordt gebruikt door Defensie? Zo ja, waarom wordt de Kamer dan pas op 19 december 2024 indirect geïnformeerd over de aanschaf via de Kamerbrief over de eAAAD Toolbox?
Het Smash-systeem was aangeschaft als Counter-Unmanned Aerial System (C-UAS) middel om onder andere te beproeven (concept development and experimentation) op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief is te beantwoorden, en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Deze aanschaf betrof een gering aantal systemen en bleef ruim onder de financiële bandbreedtes van het Defensie Materieel Proces (DMP) met een bedrag onder de € 2 miljoen, zodat conform de afspraken over de informatie over het DMP uw Kamer hierover niet is geïnformeerd.
Is het bedrag dat met de verwerving van het Smash-systeem is gemoeid lager dan de ondergrens van projecten waarover de Tweede Kamer apart wordt geïnformeerd, te weten 50 miljoen euro? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. In deze bijlage staan de verschillende investeringen in C-UAS capaciteit toegelicht, waaronder de ophoging van het gemandateerde project «Verwerving extended All Arms Air Defence (eAAAD) Toolbox».
Stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van de eAAAD Toolbox door de additionele investeringen boven de mandateringsgrens van 250 miljoen euro uit? (Kamerstuk 27 830, nr. 463)
Uw Kamer is, zoals gezegd, geïnformeerd met de vertrouwelijke bijlage over de aanvullende investeringen in C-UAS capaciteit. Met de additionele investeringen in C-UAS capaciteit, stijgt de bandbreedte van het budget voor de verwerving van het gehele project «Verwerving eAAAD Toolbox» boven de mandateringsgrens van € 250 miljoen. In het Defensie Projectenoverzicht (DPO) van mei 2026 zal Defensie zoals gebruikelijk rapporteren over de voortgang van individuele projecten zoals het project «Verwerving eAAAD Toolbox».
Deelt u de mening dat een beroep op commerciële vertrouwelijkheid of operationele veiligheid door het ministerie niet geloofwaardig is, aangezien zowel de CEO van Smart Shooter als krijgsmachtonderdelen zelf al uitvoerig publiekelijk gecommuniceerd hebben over de ingebruikname van het Smash-systeem door Defensie?
Ik deel deze mening niet. Om tegemoet te komen aan de informatiebehoefte van uw Kamer en in afstemming met aanpassingen in het defensiebeleid, heeft Defensie over de jaren steeds meer en gedetailleerde informatie openbaar verstrekt. In het huidige tijdsgewricht is het echter nodig om kritisch te kijken naar de vertrouwelijkheid van deze informatie. Defensie geeft in principe geen openbare informatie meer over specifieke tijdslijnen (leveringen), operationele effecten, aantallen en kosten (projectbudgetten). Aanvullend geldt dat enkel openbaar wordt gecommuniceerd over de beoogde leverancier en daarmee het land van herkomst als het bedrijf daarmee instemt. Zo zijn bijvoorbeeld niet de landen van herkomst bekend gemaakt in de DMP-brieven bij de projecten «Precision Guided Rockets» (Kamerstuk 27 830, nr. 436), «Future Littoral All-Terrain Mobility Patrouillevoertuigen (FLATM PV)» (Kamerstuk 27 830, nr. 314) en «Network Enabled Capabilities Helikopters» (Kamerstuk 27 830, nr. 457), en «Ground based Area Accesss Denial (GAAD)» (Kamerstuk 33 763, nr. 144).
Is het gebruikelijk om bij communicatie richting de Kamer over wapenaankopen niet het land van herkomst te noemen, zoals in dit geval? Zo ja, kunt u voorbeelden geven waar dit ook niet is gebeurd?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de opvatting dat de verwerving van Israëlische wapensystemen politiek gevoelig ligt en de Kamer hierover dus apart geïnformeerd had moeten worden ongeacht de omvang van het budget?
Het kabinet erkent deze politieke gevoeligheid en heeft aandacht voor de verwerving van defensiematerieel bij Israëlische bedrijven (zie tevens de beantwoording vraag 20). Zoals hierboven gemeld, was bij de informatievoorziening aan uw Kamer over de behoeftestelling voor het project (Kamerstuk 27 830, nr. 456) nog geen definitieve keuze gemaakt voor het uiteindelijke product en de leverancier.
Deelt u de mening dat de Kamerbrief van 25 november jl. over aanvullende investeringen in C-UAS, en dus ook de eAAAD Toolbox, onderdeel was van de beraadslaging over de incidentele suppletoire begroting inzake bestrijding van drones, aangezien de ISB in die desbetreffende brief benoemd werd, de uitbreiding van de eAAAD Toolbox blijkens de Kamerbrief van 19 december 2024 gerelateerd is aan het project Initiële Counter-Unmanned Aircraft Systems capaciteit, Kamerleden ernaar vroegen en de Staatssecretaris zelf de aanschaf van extra Smash-systemen in het debat heeft aangekondigd? Zo ja, waarom heeft u dit niet in acht genomen toen u toezegde dat de beoogde leveranciers niet uit Israël afkomstig zijn? Zo nee, waarom niet?
Ik deel deze mening niet. Zoals aangegeven in de Incidentele Suppletoire Begroting (ISB) van het Defensiematerieelbegrotingsfonds (K) voor het jaar 2025 (Kamerstuk 36 858, nr. 7) van 19 november 2025, betreft de ISB een aantal financiële herschikkingen tussen de artikelen van het DMF om over te kunnen gaan tot de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit. De uitbreiding van de «eAAAD Toolbox» was hier geen onderdeel van.
Tijdens het Wetgevingsoverleg (WGO) met uw Kamer van 26 november 2025 heb ik het project eAAAD Toolbox alleen genoemd als voorbeeld van de versterking van de vierkante meter van de militair.3 Ik heb tevens aangegeven dat dit een project in uitvoering is waarvoor de contracten al waren getekend. Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. Ik heb tijdens het WGO over de ISB gezegd dat de betrokken radars, gerelateerde voertuigen, verbindingen en kanonsystemen niet uit Israël komen.
Waarom heeft u bij uw aankondiging dat er extra Smash-systemen afgeroepen worden tijdens het wetgevingsoverleg niet aangegeven dat het om een Israëlische leverancier ging terwijl het al langer bekend is dat sommige fracties daar kritisch op zijn en in het debat ook ter sprake kwam dat geen wapens uit Israël een harde voorwaarde was voor de steun van de fractie van GroenLinks-PvdA?
Ik heb tijdens het WGO de aanschaf van extra Smash-systemen niet genoemd of aangekondigd. De ISB betrof alleen de directe aanschaf van IRIS-radars en gerelateerde voertuigen en verbindingen en het kanonsysteem Skyranger als Combat C-UAS capaciteit.
Is bij Defensie bekend of, en in welke hoedanigheid, Smash of andere producten van Smart Shooter worden gebruikt door het Israëlische leger, in het bijzonder tijdens inzet in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Klopt het dat Smart Shooter Smash ook aanbiedt voor inzet tegen personen? Zo ja, is er bij Defensie enige informatie bekend over het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tegen personen in Gaza of de Westelijke Jordaanoever?
Is er bij Defensie enige informatie bekend over de mogelijke betrokkenheid van Smash of andere producten van Smart Shooter bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Kan Defensie uitsluiten dat Smash of andere producten van Smart Shooter mogelijk gebruikt zijn bij ernstige mensenrechtenschendingen in Gaza en de Westelijke Jordaanoever?
Hoe heeft u het gebruik van Smash of andere producten van Smart Shooter tijdens de Gaza-oorlog meegenomen in uw afweging om tot aanschaf van het Smash-systeem over te gaan?
Hanteert Defensie inderdaad het uitgangspunt dat dit wapen alleen tegen drones ingezet kan worden en niet tegen mensen? Zo ja, waarop is dit uitgangspunt gebaseerd? Zo nee, waarom niet?
Alle nieuwe wapens en munitie voor de krijgsmacht worden getoetst aan de verplichtingen van Nederland onder het internationaal recht, waaronder het humanitair oorlogsrecht. Het toenmalige Smart Shooter systeem is in 2021 getoetst en het (bindend) advies van de Adviescommissie Internationaal Recht en Conventioneel Wapengebruik is online te raadplegen op https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-defensie/organisatie/commissies/adviescommissie-internationaal-recht-en-conventioneel-wapengebruik (advies 18). In het advies staan de redenen voor begrenzing van het gebruik. Het systeem betreft een richtmiddel en geen zelfstandig wapen. Nieuwe versies van het systeem zullen opnieuw worden beoordeeld wat betreft voorwaarden voor het gebruik ervan door de Nederlandse krijgsmacht.
Welke plannen zijn er voor verdere investeringen in het Smash-systeem?
Defensie heeft momenteel geen concrete plannen voor verdere investeringen in het Smash-systeem. Het is echter niet uit te sluiten dat bij verdere uitbreiding van de krijgsmacht een aanvullende behoefte ontstaat aan dergelijke capaciteit.
Op welke wijze heeft de proef van de Landmacht met de Smash 2000 bijgedragen aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
Defensie heeft de proef met de Smash 2000 uitgevoerd om te experimenteren op welke wijze de specifieke dreiging van kleine UAS effectief te beantwoorden is en welke manier van militair optreden met een dergelijk systeem het meest effectief is. Tevens is op basis van deze proef een verdere behoeftestelling met aantallen en benodigde functionaliteiten opgesteld.
Er zijn rapporten opgesteld om de werking van het systeem tegen Class I drones in kaart te brengen en de effectiviteit van het optreden te verbeteren. Deze rapporten zijn gebruikt om de exacte behoefte vorm te geven, de krijgsmacht breder kennis te laten maken met het systeem, alternatieven te onderzoeken en ervaringen met partnerlanden uit te wisselen bij het gezamenlijk tegengaan van de UAS-dreigingen. Er zijn geen resultaten en/of rapporten gedeeld met Israëlische counterparts of leveranciers.
Op welke wijze draagt het gebruik van de Smash 3000 door de krijgsmacht bij aan de verdere (door)ontwikkeling van het Smash-systeem door Smart Shooter?
De aanschaf van de Smash 3000 draagt bij aan de versterking van Defensie om sneller de operationele eenheden aan de oostflank en de krijgsmacht voor de eerste hoofdtaak gereed te stellen. Daarnaast draagt het bij aan de beveiliging van het eigen grondgebied en kritieke locaties tegen deze actuele dreiging. Defensie deelt geen informatie waarmee Smartshooter het proces of product kan verbeteren. Het belangrijkste deel van het onderhoud zal intern Defensie worden uitgevoerd. Alleen zaken die Defensie niet kan uitvoeren zullen door de tussenleverancier en/of Smartshooter worden georganiseerd. Defensie heeft maatregelen getroffen om te voorkomen dat het systeem data kan verzamelen die later kunnen worden uitgelezen.
Bent u bereid een plan op te stellen om afhankelijkheden van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen? Zo ja, wanneer kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?
Defensie werkt met de «Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie 2025–2029 (D-SII)» aan een toekomstbestendige krijgsmacht en aan het vergroten van de strategische autonomie van Nederland en Europa op het gebied van veiligheid en defensie (Kamerstuk 31 125, nr. 134). Dit gebeurt onder meer door industrieversterkend aanschafbeleid in Nederland en Europa en het verminderen van strategische afhankelijkheden van niet-Europese leveranciers.
Met het huidige voorkeursbeleid van Defensie ten aanzien van leveranciers uit Nederland of Europa, is de inzet om de afhankelijkheid van niet-Europese leveranciers, waaronder die uit Israël, zoveel mogelijk te beperken. Tegelijkertijd heeft Defensie vanwege de toegenomen internationale dreiging en de veroudering van het bestaand materieel op zeer korte termijn behoefte aan nieuw materieel om de taken van de krijgsmacht te kunnen blijven uitvoeren. Indien leveranciers uit Nederland of Europa onvoldoende kunnen voorzien in de defensiebehoefte, kijkt Defensie naar andere potentiële aanbieders. Daarbij komen ook Israëlisch geregistreerde bedrijven in beeld. Eventuele aankopen van nieuw materieel uit Israël wordt per geval zorgvuldig gewogen, waarbij Defensie onderzoekt of het materieel essentieel is voor de gereedstelling van de krijgsmacht, of er geschikte alternatieven zijn en of deze alternatieven tijdig leverbaar zijn. Hiermee geeft Defensie invulling aan de motie van het lid Teunissen (Kamerstuk 22 054, nr. 478) om de afhankelijkheid van de Israëlische wapenindustrie af te bouwen.
Welke alternatieven zijn er, of worden ontwikkeld, voor het Smash-systeem, onder andere in Europa? Waarom is niet voor een alternatief gekozen?
Er is op dit moment nog geen volwaardig alternatief op korte termijn leverbaar. Defensie beschouwt bij iedere behoeftestelling de herkomst van het materieel en, in lijn met de D-SII, de mogelijkheden voor Nederlandse en Europese alternatieven.
Kunt u deze vragen één voor één en afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Vanwege de samenhang zijn de vragen 6 en 7 en de vragen 11 tot en met 15 gezamenlijk beantwoord.
Het bericht dat Nederland drones boven vliegvelden niet kon spotten omdat de radars in Oekraïne zijn. |
|
Vicky Maeijer (PVV) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Nederland kon «drones» boven vliegvelden niet spotten omdat de radars in Oekraïne zijn»?1
Ja.
Hoeveel Robin Radars zijn exact naar Oekraïne gestuurd?
Over aantallen doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen uitspraken. Uw Kamer wordt middels de periodieke leveringsbrieven vertrouwelijk geïnformeerd over de geleverde militaire steun aan Oekraïne.
Zijn de bestelde nieuwe radars volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied? Zo nee, kunt u aangeven voor welke andere bestemmingen deze zijn bedoeld en hoe de verdeling is in percentages?
De bestelde nieuwe radars zijn volledig bestemd voor de bescherming van Nederlands grondgebied. De radars zijn bedoeld voor de bescherming van het nationale grondgebied en kritieke infrastructuur in het bijzonder, en zijn een essentiële aanvulling voor de tijdige detectie van kleine drones. Deze capaciteit is essentieel om snel een beeld op te bouwen van een mogelijke specifieke dreiging, zodat op zorgvuldige wijze een passende inzet van middelen kan worden bepaald. Naast beveiligingseenheden worden de IRIS-radars gebruikt in operationele drone interventieteams. Over de inzet van IRIS-radars en interventieteams doet Defensie om operationele en veiligheidsredenen geen verdere uitspraken.
Zijn er in de komende jaren scenario’s denkbaar waarin het gebrek aan afdoende dronedetectie op ons grondgebied mensenlevens kan kosten? Zo ja, hoe reëel schat u de kans daarop in?
Zoals de situatie in de Oekraïne laat zien zorgen zeer snelle technologische ontwikkelingen ervoor dat veel scenario’s waar ook slachtoffers bij zouden kunnen vallen, voorstelbaar zijn. Hoe deze scenario’s zich ontwikkelen laat zich moeilijk voorspellen. Defensie geeft met haar investeringen in drone-detectie een antwoord op de huidige en in de toekomst meest waarschijnlijke dreigingen op het gebied van drones (UAS). Maar de ontwikkelingen op het gebied van (couter)drones technieken volgen elkaar, mede door de oorlog in Oekraïne, snel op. Defensie heeft binnen het Actieplan Productiezekerheid Onbemenste Systemen (APOS) afgelopen najaar een nieuwe wijze van werken binnen het ecosysteem onbemenste systemen gelanceerd. Defensie heeft de markt benaderd om oplossingen te bieden voor een gewenst operationeel effect. Defensie, kennisinstellingen en industrie gaan in partnerschappen deze oplossingen samen ontwikkelen, produceren en opschalen. Defensie blijft waakzaam om ook op nieuwe dreigingen een antwoord te hebben en werkt daarbij nauw samen met industrie en kennisinstellingen. Daarbij is Nederland samen met Letland en Kroatië lead-nation op de Priority Capability Area (PCA) drones en counterdrones, voortkomend uit de White Paper for European Defence – Readiness 2030, en kan daarmee snel aanhaken op nieuwe ontwikkelingen.
Hoe gaat u ervoor zorgen dat Nederlandse objecten zoals vliegvelden tot aan de levering van de nieuwe radars in 2028 afdoende weerbaar zijn tegen drones?
Zoals ook beschreven in het interview in Trouw waar u naar verwijst, bestaat er geen volledig waterdicht verdedigingssysteem voor vliegvelden, nu niet en waarschijnlijk in 2028 ook niet. Detectie vindt plaats door verschillende systemen, dus de te leveren radarsystemen zijn niet de enige systemen die daar aan bijdragen. Om operationele en veiligheidsredenen kan over het verdedigingssysteem voor vliegvelden op dit moment geen verdere informatie worden gegeven. Ten slotte dient te worden opgemerkt dat er door defensie, kennisinstellingen en industriepartners voortdurend wordt gezocht naar aanvullende middelen en manieren om detectie van drones te verbeteren zoals ook beschreven in het antwoord op vraag 4.
Peperdure wervingscampagnes die nauwelijks nieuwe militairen opleveren |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek van Follow the Money waaruit blijkt dat Defensie de afgelopen jaren miljoenen euro’s heeft uitgegeven aan wervingscampagnes, terwijl het aantal daadwerkelijk ingestroomde militairen nauwelijks stijgt?1
Ja. Ik heb het artikel gelezen, maar het geschetste beeld komt niet overeen met de werkelijkheid.
Hoeveel geld heeft Defensie sinds 2020 jaarlijks besteed aan wervingscampagnes en via welke kanalen zijn deze middelen ingezet (tv, online, social media, evenementen, etc.)?
Defensie zet sinds 2020 jaarlijks meerdere employer-branding campagnes en meer dan honderd online wervingscampagnes in. Deze campagnes vergroten de zichtbaarheid van Defensie als werkgever en richten zich op het aantrekken van sollicitanten voor een breed scala aan functies en instroomsporen, waaronder recent toegevoegde trajecten zoals het Dienjaar. De media-inzet volgt een planmatige, continu zichtbare campagnevoering en omvat onder meer tv (lineair, on-demand en streaming), radio, buitenreclame, bioscoop, dagbladen, online video, zoekadvertenties en sociale media. Daarnaast neemt Defensie deel aan arbeidsmarkt- en onderwijsbeurzen en organiseert Defensie eigen wervingsevents. Deze gecombineerde inzet leidt jaarlijks tot groei in websitebezoeken, eventinschrijvingen, unieke sollicitaties en uiteindelijk ook in het aantal aanstelbare kandidaten. De campagne is in 2025 opgeschaald om de groeiambities uit de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller» (Kamerstuk 33 763, nr. 161, 24 maart 2025) te ondersteunen.
2020
€ 15.030.000
2021
€ 15.065.000
2022
€ 13.505.000
2023
€ 19.808.000
2024
€ 21.864.000
2025
€ 26.352.000
Kunt u per jaar sinds 2020 inzicht geven in: a) het aantal sollicitaties, en b) het aantal daadwerkelijke aanstellingen dat volgde?
Aantal sollicitaties
16.293
14.491
18.590
20.391
24.474
22.271
Instroom
3.645
3.941
3.404
3.800
4.326
4.896
In het antwoord beperken we ons tot beroepsmilitairen. De aantallen sollicitaties (bovenste rij) hebben betrekking op kandidaten die via de reguliere weg (via het dienstencentrum personeelslogistiek) hebben gesolliciteerd. De instroomcijfers (onderste rij) omvatten daarnaast ook kandidaten die direct vanuit de civiele arbeidsmarkt bij Defensie worden aangesteld zonder voorafgaande initiële militaire opleiding (zogeheten «horizontale instroom»).
NB: Tot en met 2024 is het aantal sollicitaties weergegeven, waarbij één persoon meerdere sollicitaties kan hebben ingediend. In 2025 betreft dit het aantal «unieke sollicitanten».
Hoe verklaart u het grote verschil tussen het aantal sollicitaties dat campagnes opleveren en het beperkte aantal nieuwe aanstellingen?
Er is geen een-op-een verband te leggen tussen de campagnes en het aantal aanstellingen. Tussen een sollicitatie en een aanstelling vindt een zorgvuldig selectie- en keuringsproces plaats waarin wordt vastgesteld of kandidaten psychisch en fysiek geschikt zijn.
Het grootste deel van de uitval vindt plaats in een vroege fase van het selectieproces. Kandidaten ontvangen voorafgaand aan een uitnodiging voor psychologisch onderzoek uitgebreide vragenlijsten. Wanneer hieruit blijkt dat antwoorden strijdig zijn met de militaire basiseisen, worden kandidaten niet uitgenodigd voor het verdere keuringsproces.
Van de kandidaten die door deze voorselectie komen en worden uitgenodigd voor het basispsychologisch onderzoek, wordt de een groot deel geschikt bevonden. Het percentage kandidaten dat na deze fase aanstelbaar wordt verklaard, bedraagt circa 66% voor beroepsmilitairen, 69% voor reservisten en 65% voor dienjaarmilitairen.
Een aanstelbaarverklaring leidt echter niet automatisch tot een aanstelling. De daadwerkelijke aanstelling is mede afhankelijk van beschikbare opleidingscapaciteit, startmomenten van opleidingen, veiligheidsonderzoeken en het aantal beschikbare startfuncties. Daarnaast besluit een deel van de kandidaten gedurende het proces alsnog ervan af te zien om bij Defensie in dienst te treden, bijvoorbeeld omdat zij kiezen voor een andere loopbaan of persoonlijke omstandigheden wijzigen. Deze kandidaten komen daardoor niet op en worden niet aangesteld.
Door het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs, neemt Defensie maatregelen die ertoe moeten leiden dat meer mensen sneller kunnen worden aangesteld.
In hoeverre zijn er binnen Defensie harde prestatie-indicatoren geformuleerd voor het meten van de effectiviteit van wervingscampagnes?
Defensie hanteert verschillende prestatie-indicatoren om de effectiviteit van wervingscampagnes te meten. Wij volgen onder andere het bereik en de waardering van de campagne in de doelgroep, reclameherinnering, boodschap-overdracht, mediaperformance, het aantal bezoeken op www.werkenbijdefensie.nl, het aantal sollicitaties per instroomspoor, de conversie naar keuring en aanstelling en de ontwikkeling van de totale personele sterkte.
Voor deze indicatoren zijn geen harde streefcijfers vastgesteld. De realisatie van de aanstellingsopdracht geldt als harde KPI voor alle wervingsinspanningen; de ontwikkelingen van de overige indicatoren monitoren we en op basis daarvan sturen we continu bij om de wervingsinzet te optimaliseren.
Erkent u dat Defensie er niet in slaagt haar personeelsdoelen te halen, ondanks een groeiend budget en intensieve marketing? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke maatregelen neemt u om dit fundamentele probleem aan te pakken?
Defensie groeit aantoonbaar; tussen 1 januari en 1 december 2025 – dit zijn 11 maanden – is de personeelsomvang toegenomen met 5.567 voltijdsequivalenten (VTE’n) naar 79.913 VTE’n, terwijl tegelijkertijd de vrijwillige uitstroom laag blijft.
Tegelijkertijd is voor de schaalbare krijgsmacht in 2030 meer menskracht nodig dan nu beschikbaar is. Daarom neemt Defensie aanvullende maatregelen, zoals aangekondigd in de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst; meer, beter en sneller». Dat doen we onder meer door het opschalen van instroomsporen (Dienjaar, VeVa, Nationale Weerbaarheidstraining, reservisten), het vergroten van de capaciteit en productiviteit van selectie- en keuring, het differentiëren in functie-eisen waar dat verantwoord kan, en het structureel versterken van opleidings- en instructiecapaciteit in combinatie met het moderniseren van het onderwijs. Op 17 november 2025 heeft Defensie een intentieverklaring gesloten met civiele opleiders om de instructie- en opleidingscapaciteit structureel uit te breiden. Deze samenwerking zorgt ervoor dat Defensie sneller kan opschalen, innovatief kan opleiden en dat operationele eenheden inzetbaar blijven.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in versnelde opleidingstrajecten, aangepaste instroomprofielen of bredere toelatingseisen? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Defensie investeert gericht in de hele keten van werving, selectie en opleiding. Dit gebeurt onder meer door uitbreiding van de keuringscapaciteit en psychologische selectie, het inrichten van extra selectie- en keuringslocaties, het aantrekken van externe opleidingscapaciteit en het moderniseren van opleidingen. Daarnaast differentieert Defensie in functie-eisen en verruimt Defensie leeftijdsgrenzen waar dat verantwoord is, bijvoorbeeld voor vlootpersoneel van de Marine en grondpersoneel van de Luchtmacht. Deze maatregelen dragen bij aan de groei van opgeleid en inzetbaar personeel. We zijn niet van plan meer opleidingstrajecten of instroom instrumenten te ontwikkelen, maar juist de bestaande optimaal te benutten en te schalen.
Wat is uw reactie op de analyse uit het artikel van Follow the Money dat het merendeel van de reservistenprogramma’s zich richt op «hoger opgeleiden», dat er veel minder geld gaat naar de VeVa-opleidingen en dat de VeVa in de praktijk geen vooropleiding is en geen voorrang geeft bij Defensie?
Ik herken het geschetste beeld niet. Defensie richt zich in haar personeelsbeleid op verschillende doelgroepen, met instroomsporen voor zowel mbo-, hbo- als wo-opgeleiden. VeVa vormt een heel belangrijk mbo-spoor: van de VeVa-studenten die tussen 2010 en 2020 zijn gestart, is 43 procent doorgestroomd naar een initiële opleiding bij Defensie. Circa 19 procent van alle beroepsmilitairen heeft een VeVa-achtergrond; bij manschappen en onderofficieren jonger dan 35 jaar is dit ongeveer 38 procent. VeVa is geen vooropleiding met formele voorrangsposities, maar biedt een doorlopende leerlijn die het beroepsbeeld en de basisvaardigheden versterkt en daarmee de keuze voor Defensie vergroot.
Voor VeVa is geen afzonderlijk programmabudget inzichtelijk, omdat de uitvoering is verweven met de reguliere bedrijfsvoering van Defensie. Er is wel afzonderlijk budget beschikbaar voor de stagevergoedingen aan VeVa-leerlingen tijdens de beroepspraktijkvorming (BPV) bij de operationele commando’s. Deze uitgaven aan uitvoering van de beroepspraktijkvorming bedragen circa 7 miljoen euro per jaar. Een significant aantal medewerkers van Defensie wordt direct en specifiek ingezet voor de begeleiding, coördinatie en regievoering van VeVa. Dit betreft de militair instructeurs op de ROC’a, alle BPV-commandanten en hun medewerkers voor de BPV-begeleiding, en alle stage- en onderwijscoördinatoren vanuit de operationele commando’s en defensieonderdelen.
De analyse dat reservistenprogramma’s zich uitsluitend of voornamelijk op hoger opgeleiden zouden richten, is niet juist. Zo zet Defensie met Defensity College (hbo/wo), het Dienjaar (mbo, hbo, wo) en de Nationale Weerbaarheidstraining (hbo/wo-minor en mbo-keuzendeel) in op jongeren en studenten die anders niet snel voor een loopbaan bij Defensie zouden kiezen. Defensie ontwikkelt en benut reservistenschillen juist in de volle breedte van de krijgsmacht, met functies voor zowel mbo-profielen als hbo- en wo-opgeleiden. De groei van de reservistenschil tot 20.000 in 2030 vraagt om een divers aanbod van reservistenfuncties, variërend van operationele ondersteuning en technische inzetbaarheid tot specialistische rollen op het gebied van ICT, cyber, geneeskundige zorg en beleidsmatige ondersteuning. Daarnaast zien we ook veel jongeren met een hbo- of wo-profiel die er juist voor kiezen om als reservist praktisch in gezet te worden bij de Natres of infanterie bewaken en beveiligen. De totale reservistenschil bestaat daarmee uit een breed samengesteld personeelsbestand dat aansluit bij de behoefte van de krijgsmacht.
Welke belemmeringen in de keten (zoals capaciteit opleidingen, veiligheidsscreenings, keuringseisen) spelen volgens u voornamelijk een rol bij het feit dat vacatures bij Defensie onvoldoende ingevuld worden?
De belangrijkste belemmeringen in de keten zijn de capaciteit en doorlooptijden van selectie en keuring, de duur van veiligheidsonderzoeken, de beschikbare opleidings- en instructiecapaciteit en randvoorwaarden als huisvesting, kleding en uitrusting. Een deel hiervan volgt uit wettelijke kaders, zoals de Wet op de medische keuringen en procedures voor veiligheidsonderzoeken. Daarnaast wil Defensie in korte tijd substantieel opschalen, terwijl uitbreiding van infrastructuur, instructiecapaciteit en ondersteunende voorzieningen tijd vergt.
Deelt u de mening dat meer geïnvesteerd moet worden in het wegnemen van de belemmeringen in de keten? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke stappen onderneemt u daarvoor?
Ik deel de mening dat het wegnemen van belemmeringen in de keten essentieel is om de personeelsdoelen te halen. Hiertoe zijn diverse maatregelen genomen. Defensie investeert nadrukkelijk in het vergroten van selectie- en keuringscapaciteit, in het uitbreiden van opleidingscapaciteit en het moderniseren van het onderwijs, in samenwerking met civiele opleidingspartners, in het wegnemen van onnodige regels voor externe opleiders en in het verbeteren van materiële randvoorwaarden. Daarnaast werkt Defensie via de beoogde Wet op de Defensiegereedheid aan meer flexibiliteit in het keuringsproces, onder meer door keuringen eerder in het proces te kunnen uitvoeren en keuringsgegevens langer te mogen gebruiken.
Klopt het dat de uitstroom van militairen ongeveer 25 procent hoger ligt dan ingecalculeerd?
Nee, dat beeld klopt niet. In 2025 stroomden er tot en met november minder beroepsmilitairen uit dan verwacht. Daarnaast bedraagt het percentage van het personeelsbestand dat Defensie in 2025 op eigen verzoek verlaat 3,1 procent van de totale bezetting, exclusief leerlingen in initiële opleidingen. Dit percentage ligt aanzienlijk lager dan het percentage van circa 5 procent irregulier verloop waarmee de sector Rijk rekent en lager dan in het bedrijfsleven. Uiteraard kan de uitstroom per doelgroep per jaar fluctueren, maar er is geen sprake van een structurele overschrijding van de ramingen met 25 procent.
Is er bij de recente stijging van het defensiebudget ook geïnvesteerd in het beter faciliteren van zittend personeel om die te kunnen behouden? Zo ja, met welk resultaat?
Ja. Met de stijging van het defensiebudget investeert Defensie niet alleen in werving, maar juist ook in behoud van alle medewerkers. Dit gebeurt onder meer via modernisering van arbeidsvoorwaarden, leer- en ontwikkelmogelijkheden, de invoering van de continue dialoog en strategische personeelsplanning, verbeterde loopbaanbegeleiding via het Dienstencentrum Employability, investeringen in veilige en passende uitrusting (zoals scherfwerende vesten voor vrouwelijke militairen) en het verbeteren van leiderschap en organisatiecultuur. Het resultaat is onder meer een lage vrijwillige uitstroom van 3,1 procent en het feit dat ongeveer 70 procent van de dienstverlaters aangeeft (heel) tevreden te zijn over het werk bij Defensie.
Deelt u ten slotte de mening dat voor het behalen van de doelstellingen voor 2030 (en daarna) een meer verplichtend karakter in het kader van opkomstplicht noodzakelijk zal zijn? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke plannen heeft u hiertoe in voorbereiding?
Ik deel die mening niet. In mijn Kamerbrief «Start Defensie-enquête» (Kamerstuk 36 592, nr. 45, 22 september 2025) heb ik u daarover geïnformeerd. De belangstelling om bij Defensie te dienen neemt toe en de vrijwillige uitstroom is laag. Dat geeft ons het vertrouwen dat we de krijgsmacht met een vrijwillig dienmodel kunnen blijven vullen. In de Kamerbrief «Onze mensen, onze toekomst» heb ik uw Kamer geïnformeerd over de aanvullende maatregelen die Defensie neemt om versneld te veranderen en te groeien naar een voortdurend inzetgerede en schaalbare krijgsmacht.
We moeten ons echter op verschillende scenario’s voorbereiden. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de verwachte groei achterblijft bij de prognoses, of dat de veiligheidssituatie verder verslechtert en Defensie sneller moet groeien dan nu voorzien. Om die reden ontwikkelt Defensie een dienmodel dat kan meebewegen met de dreiging. Dat betekent: in staat zijn om (snel) op te schalen in aanloop naar een conflictsituatie, en weer kunnen afschalen in een periode na een conflict.
De Defensie-enquête is een instrument om sneller zicht te krijgen op potentiële instroom en, waar nodig, gefaseerd naar een meer verplichtend karakter toe te werken. De eerste stap, de vrijwillige enquête, is in september gestart. De herinvoering van de opkomstplicht is in uiterste instantie een juridisch beschikbare optie, maar ik ben ervan overtuigd dat er effectievere en meer gerichte manieren zijn om de personele gereedheid te verhogen. Een krijgsmacht waarin mensen bewust en vrijwillig voor dienst kiezen, blijft moreel en operationeel sterker.
Het CPB-rapport 'Macro-economische effecten van hogere defensie-uitgaven' |
|
Maes van Lanschot (CDA) |
|
Vincent Karremans (VVD), Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Onderschrijft u de stelling van het CPB dat op een termijn van 1–4 jaar «de hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten en geen extra toename van het bbp bewerkstelligen.»?1
Investeren in Defensie is in eerste instantie een investering in de veiligheid van Nederland en Europa. Veiligheid is een cruciale voorwaarde voor het goed functioneren van een economie. De baten van veiligheid zijn echter niet altijd makkelijk uit te drukken in economische waarden.
Het kabinet onderschrijft niet de stelling dat hogere defensie-uitgaven volledig ten koste gaan van andere economische activiteiten. Tegelijkertijd erkent het kabinet wel de door het CPB geschetste beperkingen voor extra economische groei op de korte termijn (1–4 jaar) in de Nederlandse context. Deze beperkingen hangen samen met structurele knelpunten, zoals de krapte op de arbeidsmarkt, ruimtelijke beperkingen en het risico op verdringing van bestaande economische activiteiten. Het CPB wijst er bovendien op dat de macro-economische effecten mede afhangen van de wijze van financiering (schulden, ombuigingen of belastingen), waarover besluitvorming aan een volgend kabinet is.
Defensie zet momenteel stappen op verschillende punten die het CPB benoemt. Met de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) 2025–20292 wordt ingezet op industrieversterkend inkopen in Nederland en Europa en op de gerichte opschaling van deze industrieën. Daarnaast kunnen defensie-investeringen bijdragen aan regionale economische activiteit, bijvoorbeeld rond defensielocaties en innovatieve ecosystemen. Het CPB geeft aan dat dergelijke investeringen kunnen leiden tot positieve economische spill-overeffecten, onder meer voor lokale ondernemers. Tegen deze achtergrond is de Nederlandse defensie-industrie tussen 2022 en 2023 gegroeid van circa € 5,7 mld. naar € 7,7 mld.
Daarbij merkt het kabinet op dat een belangrijk deel van de economische effecten van defensie-investeringen zich vooral op de middellange en lange termijn zal voordoen. Positieve economische effecten ontstaan vooral wanneer deze inzet gepaard gaat met gerichte investeringen in R&D, het realiseren van schaalvoordelen en het benutten van Nederlandse comparatieve voordelen, zoals uitgewerkt in de beantwoording van vraag 4.
Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waar u verschillen ziet? Bijvoorbeeld ten aanzien van de onderliggende methodologie (literatuuronderzoek), de gebruikte data of de daaruit volgende conclusie.
Zie het antwoord op vraag 1.
Deelt u de mening dat we een «once in a generation» kans hebben om toe te groeien naar de afgesproken NAVO-norm van 3,5% én tegelijkertijd onze Nederlandse en Europese (defensie-)industrie te versterken?
Wij delen de opvatting dat de huidige situatie een bijzondere gelegenheid biedt om zowel de NAVO-norm van 3,5% defensie-uitgaven te realiseren als de Nederlandse en Europese defensie-industrie te versterken. Het is een kans om op een strategische manier te investeren in nationale veiligheid, noodzakelijke capaciteiten en technologische vernieuwing. Defensie en EZ werken samen met de Nederlandse industrie en onze NAVO-bondgenoten aan het benutten van de kansen voor de industrie.
Kunt u een overzicht geven van de knoppen waaraan uw ministeries op de korte (1–4 jaar) en langere termijn (5–15 jaar) kunnen draaien om de «defensie-multiplier» te verhogen?
Er zijn verschillende knoppen die benut (kunnen) worden om de economische effecten van Defensie-uitgaven op de (midden)lange termijn zo gunstig mogelijk te maken:
Tot slot geldt dat het oplossen van algemene knelpunten in de Nederlandse economie eraan bijdragen dat de bovenstaande knoppen tot minder verdringing van andere economische activiteiten plaatsvindt wanneer uitgaven aan defensie worden verhoogd.
Kunt u aangeven welke van deze knoppen u als meest kansrijk ziet? Kunt u een inschatting geven op hoofdlijnen aan de hand van de variabelen moeite (inclusief kosten) en impact?
Met de D-SII 2025–2029 heeft het kabinet reeds een belangrijke stap gezet om zowel de nationale en internationale veiligheid te garanderen als de economische baten te verhogen. Dit wordt gedaan door gecombineerde inzet op de beschreven knoppen. Dit draagt bij aan een sterke Nederlandse Krijgsmacht die een technologische voorsprong heeft op potentiële tegenstanders en toegang behoudt tot hoogwaardig, betaalbaar materieel waarbij leveringszekerheid noodzakelijk is. Ook zal de Economische beleidsanalyse (EBA) defensie-industrie in de tweede helft van 2026 een advies uitbrengen dat hier rekenschap van zal geven.
Kunt u aangeven welke initiatieven er vanuit uw ministeries ten aanzien van deze knoppen lopen?
Zie beantwoording vraag 4.
Het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie |
|
Derk Boswijk (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u een stand van zaken geven van wat er tot nog toe gedaan is binnen de vier actielijnen om knelpunten rondom financiering van (de opschaling van) de defensie-industrie te verminderen, zoals omschreven in uw brief van 12 maart 2025? (Kamerstuk 31 125, nr. 133)
Uw Kamer is met de brief van 12 maart jl. over oplossingen en actielijnen voor financieringsknelpunten van de Defensie-industrie geïnformeerd.1 Deze knelpunten worden via vier actielijnen opgepakt:
1) Thematische Technologie Transfer (TTT) (10 miljoen): De inzet in TTT draagt bij aan het versnellen van dual-use innovatie en valorisatie, door het stimuleren van de oprichting van start-ups en spin-offs binnen de 5 NLD gebieden vanuit kennisinstellingen, via innovatievouchers en vroege investeringen. 2) SEED Capital (25 miljoen): Met de SEED Capital regeling wordt durfkapitaal geactiveerd om te investeren in hoog-risico sectoren, zoals de Defensie-industrie.
Herinnert u zich de aangenomen motie Boswijk over het wegnemen van financieringsknelpunten voor het opschalen van de defensie-industrie, met daarin het verzoek alle aanbevelingen uit het rapport van de specialisten van IDEA uit te voeren? (Kamerstuk 31 125, nr. 136)
De aangenomen motie van het lid Boswijk (CDA) ingediend bij het tweeminutendebat Defensie industrie van 19 juni heeft de aandacht van het Ministerie van Defensie. Het Ministerie van Defensie werkt in samenwerking met andere departementen aan de uitvoering van de aanbevelingen uit het IDEA rapport die bij de overheid liggen, ingebed in de vier actielijnen.
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven waar deze aansluiten binnen de vier actielijnen uit de brief van 12 maart 2025?
De geconstateerde knelpunten worden hoofdzakelijk gekoppeld aan de actielijnen zoals hieronder weergegeven:
De knelpunten raken in meerdere gevallen aan meerdere actielijnen. Zo is knelpunt G. ook een factor bij het mobiliseren van private financiering en valt marktconforme voorfinanciering ook onder het wegnemen van praktische belemmeringen.
Kunt u van ieder van de acht door IDEA geformuleerde knelpunten apart aangeven welke stappen Defensie inmiddels heeft gezet om deze knelpunten aan te pakken?
De door de IDEA geïdentificeerde knelpunten worden, zoals in vraag 3 aangegeven, opgepakt via vier actielijnen. Een voortgang van enkele van de acties op de vier actielijnen kunt u vinden in het antwoord op vraag 1.
Bent u bereid de onderzoekers van IDEA te vragen of zij van mening zijn dat met de ingezette actielijnen van Defensie daadwerkelijk de door hen op basis van ruim 500 consultaties van Nederlandse en Europese defensiebedrijven en financiële instellingen geconstateerde knelpunten adequaat worden aangepakt? Zo nee, waarom niet?
Defensie kent IDEA als een expertgroep van reservisten die hun kennis uit hun werkveld meenemen en Defensie verrijken. Wij waarderen hun sterke motivatie en betrokkenheid. Dankzij hun scherpe analyse ligt er nu een raamwerk waar Defensie op kan voortbouwen. Momenteel werken wij aan het oplossen van de gesignaleerde knelpunten, waarover uw Kamer in 2026 geïnformeerd zal worden. IDEA is een expertgroep binnen de krijgsmacht en zal de komende tijd ook zeker – waar opportuun – geconsulteerd worden bij het uitwerken van de oplossingen.
Kunt u de Kamer voor het eind van 2025 informeren over de uitkomsten van deze uitvraag bij de onderzoekers?
Het is op dit moment niet het voornemen van Defensie om een dergelijke aanvullende uitvraag te doen vooruitlopend op de eerder genoemde update. Zoals gezegd is het mogelijk dat – afhankelijk van resultaten op lopende en toekomstige projecten om de reeds in kaart gebrachte knelpunten aan te pakken via de actielijnen – een aanvullende uitvraag alsnog wenselijk wordt geacht.
Het bericht op Noordkop247 'Geen demonstratie voor veilige kruising' |
|
Eline Vedder (CDA), Harmen Krul (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Zou u willen reageren op het bericht op Noordkop247 «Geen demonstratie voor veilige kruising» en daarbij in het bijzonder willen ingaan op de zorgen van bewoners over de verkeersveiligheid rond de N9 en de vlotbruggen?1
De zorgen van de bewoners over de verkeersveiligheid rond de N9 en de vlotbruggen zijn bekend. Daarom is besloten om de kruisingen bij de Burgervlotbrug en de Sint Maartensvlotbrug te verbeteren. Zie ook vraag 3.
Hoe beoordeelt u de huidige verkeersveiligheid op de N9, met name bij de kruisingen en de vlotbruggen, en welke risico’s ziet u voor fietsers, voetgangers en omwonenden?
De N9 is een weg met een zeer gevarieerd verkeersbeeld door stedelijke kernen, buitengebied en kleine dorpskernen. Dit leidt tot verschillen in snelheden en plekken waar snel en langzaam verkeer elkaar kruisen. Na een onderzoek heeft Rijkswaterstaat in 2023/2024 met een aantal kleine, gerichte maatregelen de oversteken bij de vlotbruggen aangepakt. Hierdoor is de situatie voor overstekende voetgangers en fietsers verbeterd.
Welke maatregelen zijn sinds de beantwoording van eerdere door de CDA-fractie gestelde schriftelijke vragen genomen om de verkeersveiligheid rond de N9 en de vlotbruggen te verbeteren?2
Het voorgaande kabinet heeft voor ongeveer € 4 miljoen geïnvesteerd in de verkeersveiligheid in Sint Maartensvlotbrug en Burgervlotbrug. In 2023 en 2024 zijn de maatregelen gerealiseerd. In Burgervlotbrug zijn aan zowel de noordzijde als de zuidzijde van de kruising met de N9 nieuwe fiets/bromoversteken gerealiseerd. Hierbij is ook opstelruimte in de middenberm aangebracht en zijn borden en markeringen aangebracht.
Bij Burgervlotbrug is het aanwezige zebrapad op expliciete wens van omwonenden in het nieuwe ontwerp opgenomen om de oversteekbaarheid zo goed als mogelijk te borgen.
In Sint Maartensvlotbrug zijn betere oversteekvoorzieningen aangebracht en zijn borden en markeringen aangebracht. Hiermee sluit de weginrichting aan op de ontsluitingsfunctie van de weg binnen de bebouwde kom en is de oversteekbaarheid ter hoogte van de bruggen voor met name langzaam verkeer (brom/fiets en voetgangers) verbeterd.
Welke structurele oplossingen, zoals vaste oeververbindingen in plaats van vlotbruggen, worden onderzocht en welke tijdlijn hanteert u daarbij?
De vlotbruggen zijn in beheer van de provincie Noord-Holland. Een onderzoek naar de vervanging van de vlotbruggen is de verantwoordelijkheid van de provincie. In 2017 is een vaste oeververbinding door hen onderzocht. Toen bleek dat de kosten van de aanleg van een nieuwe oeververbinding niet proportioneel waren. De provincie Noord-Holland zal het onderzoek uit 2017 naar de nut- en noodzaak van een vaste oeververbinding gaan herijken. In 2027 worden de resultaten van dit onderzoek verwacht, waarna het aan de provincie Noord-Holland is om te besluiten over het vervolg.
Op dit moment worden geen andere concrete maatregelen onderzocht. Vanuit het eerder uitgevoerde onderzoek naar verkeersveiligheid op de N9, N99 en N250 is wel inzicht in mogelijke oplossingsrichtingen. Mede op basis van dit onderzoek heeft Rijkswaterstaat in 2023/2024 binnen het beschikbare budget enkele maatregelen getroffen (zie beantwoording vraag 2 en 3).
In hoeverre is de verwachte toename van verkeer als gevolg van de groei van de marinebasis Den Helder meegenomen in de berekeningen voor de noodzakelijke investeringen in de N9 en de vlotbruggen?
In juni 2025 hebben het Rijk en de regio onder regie van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening in het «Ruimtelijk Arrangement Noord-Holland» afgesproken gezamenlijk te kijken naar mogelijkheden voor een meer weerbaar en veerkrachtig mobiliteitssysteem. Zowel vanuit een civiele als militaire context ingeval van een eventueel voorval of incident. Het is belangrijk dat het mobiliteitssysteem ook in zulke omstandigheden blijft functioneren voor militaire en civiele doeleinden. Dit onderzoek is inmiddels gestart en wordt naar verwachting in 2026 afgerond.
Behalve dit onderzoek worden op dit moment door het Rijk geen berekeningen gemaakt voor investeringen aan de N9 en de vlotbruggen.
Zou u willen inventariseren of er mogelijkheden bestaan om bij de financiering van structurele verbeteringen aan de N9 ook te kijken naar middelen in het kader van de NAVO-norm voor bestedingen aan Defensie, gelet op het strategisch belang van de weg voor de marinebasis Den Helder?
Tijdens de NAVO Top van 24-25 juni jl. is afgesproken om 1,5% van het BBP aan te wenden voor uitgaven aan de weerbaarheid van de maatschappij, waaronder de bescherming van kritieke infrastructuur, civiele paraatheid en cyberverdediging en het versterken van de defensie-industrie en innovatie. De nationale doorvertaling en financiële implicaties van de nieuwe NATO Defence Investment Pledge worden onderzocht. Hierop kan op dit moment nog niet worden vooruitgelopen.
Kunt u aangeven hoe u hierbij samenwerkt met de provincie Noord-Holland en of u bereid bent Rijkswaterstaat nauw met de provincie te laten optrekken?
Bij de uitvoering van de vorig jaar uitgevoerde maatregelen is nauw opgetrokken met de provincie. Er is continu afstemming op verschillende niveaus tussen het Ministerie, Rijkswaterstaat en de provincie. Zo stemmen Rijkswaterstaat, ProRail en provincie tweemaandelijks grootschalige werkzaamheden en vernieuwingsopgaven af met de gemeenten in de Noordkop. Ook de hinderaanpak komt hier aan de orde.
Ook in het kader van het Ruimtelijk Arrangement Noord-Holland (zie ook de beantwoording van vraag 5) werken Rijk en de provincie Noord-Holland actief samen over hoe de ruimte in de provincie wordt ingericht. Hierover vindt periodiek overleg plaats en de partijen hebben langjarige commitment bij de afspraken en de samenwerking.
Welke belemmeringen bij vergunningverlening, omgevingsfactoren of veiligheid, die volgens de genoemde beantwoording van eerdere vragen een rol spelen, zijn specifiek van toepassing op het traject van de N9 en welke stappen zijn sindsdien gezet om deze belemmeringen weg te nemen?
Er zijn geen specifieke belemmeringen bekend.
Welke mogelijkheden ziet u om de uitvoering van noodzakelijke verbeteringen te versnellen en welke concrete besluiten zijn daarbij al genomen?
Op dit moment zijn er nog geen concrete verbeteringen gepland.
Hoe voorkomt u dat de N9 wederom te maken krijgt met opeenvolgende afsluitingen en onderhoudswerkzaamheden tegelijk, waardoor files en verkeersinfarcten ontstaan zoals in 2023 werd gesignaleerd?
Hinder treedt soms op bij werkzaamheden. Er is een hinderaanpak vastgesteld die zorgt dat de gevolgen van de werkzaamheden van tevoren goed in beeld zijn. Een kerngroep van infrabeheerders, waaronder Rijkswaterstaat, stemt werkzaamheden over een periode van 1 tot 5 jaar met elkaar af. Dat is ook in 2023 gebeurd. Het beeld dat dit tot verkeersinfarcten zou hebben geleid, wordt niet herkend.
Op welke wijze worden gemeenten, bewoners en belangenorganisaties betrokken bij de besluitvorming over de verbetering van de N9 en de vervanging van de vlotbruggen?
Op dit moment is er geen besluitvorming over de verbetering van de N9 in voorbereiding. Vervanging van de vlotbruggen is een verantwoordelijkheid van de provincie Noord-Holland, zie hiervoor ook het antwoord op vraag 4.
Welke maatregelen treft u om in de tussentijd, zolang er nog geen structurele oplossing is, de verkeersveiligheid en doorstroming rond de vlotbruggen te verbeteren?
Zie voor de maatregelen die recentelijk getroffen zijn de beantwoording van vraag 3.
Militair-civiele samenwerking op Lelystad Airport |
|
Peter de Groot (VVD), Ulysse Ellian (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Tieman |
|
|
|
|
Kunt u een andere uitwerking geven van de synergievoordelen die door het kabinet worden genoemd in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD): «Militair-civiele samenwerking op Lelystad Airport biedt veel synergievoordelen, zoals gedeeld ruimtegebruik, medegebruik van ondersteunende diensten en gezamenlijke investeringen»?
U kunt denken aan voordelen en kansen voor samenwerking op het gebied van personeel, technologie, onderhoud, ketenpartners (zoals toeleveranciers), bedrijfsvoeringvoorzieningen en faciliteiten die zowel nodig zijn voor handelsverkeer en jachtvliegtuigen zoals luchtverkeersleiding, brandweervoorzieningen, opleidingen, transport en een start- en landingsbaan.
Deelt u de mening dat deze synergievoordelen alleen optreden indien Lelystad Airport een bedrijfsvoering draait die gericht is op passagiersvluchten? Zo ja/nee, waarom?
Het klopt dat synergievoordelen ontstaan bij samenwerking tussen verschillende gebruikers, mits er sprake is van gedeeld gebruik van voorzieningen zoals de start- en landingsbaan, brandstofinstallaties, luchtverkeersleiding, beveiliging en onderhoudsfaciliteiten. Dit scheelt ruimte en bespaart dubbele kosten ten opzichte van twee vliegvelden. De mate van synergie is afhankelijk van de aard, omvang en intensiteit van het gebruik van Lelystad Airport. Een civiele bedrijfsvoering met enkel general aviation heeft in een beperktere mate synergiemogelijkheden dan met groothandelsverkeer.
In hoeverre is een besluit over het toelaten van passagiersvluchten op Lelystad Airport wenselijk voor snelle realisatie van de stationering van F35's op Lelystad Airport?
Het kabinet heeft aangegeven dit jaar te willen besluiten over commerciële vluchten en de stationering van jachtvliegtuigen, in lijn met de wens van de regio. Het toelaten van commerciële vluchten geeft enerzijds draagvlak in de regio om medewerking te geven aan het stationeren van jachtvliegtuigen en zorgt anderzijds voor de aanwezigheid van verschillende voorzieningen zoals luchtverkeersleiding en brandweer (zie vraag 1). De voorbereidingen voor zowel militaire als civiele ingebruikname worden voortgezet, zodat hier later dit jaar over besloten kan worden
Op welke manier gaat u ervoor zorgen dat voorbereidingen voor de openstelling van de luchthaven voor militair verkeer parallel blijven lopen met de openstelling voor passagiersvluchten?
Op Lelystad Airport zijn de afgelopen jaren al veel voorbereidingen getroffen voor het toelaten van commerciële vluchten. Er lopen nog enkele, voornamelijk juridische, stappen zoals de wijziging van het Luchthavenbesluit Lelystad. Voor militair medegebruik zijn extra voorzieningen nodig zoals infrastructuur, evenals een aantal aanvullende operationele en juridische stappen. Deze voorbereidingen kosten meer tijd dan nodig is voor het toelaten van commerciële vluchten. Hoe dit er concreet uit komt te zien werken wij verder uit. De voorbereidingen voor zowel militaire als civiele ingebruikname worden voortgezet, zodat op een later moment hierover een besluit kan worden genomen door het kabinet. Hierover heb ik, Minister van IenW, u geïnformeerd in Kamerbrief Stand van Zaken Lelystad Airport, die tegelijkertijd met deze brief aan de Kamer is verstuurd.
Wat vindt u van het feit dat het merendeel van de Nederlandse bevolking het eens is met de geplande opstelling van Lelystad Airport voor passagiersvluchten, zoals blijkt uit recente onderzoeken van het Algemeen Dagblad?
Wij hebben hiervan kennisgenomen.
Op welke wijze zijn de kosten van inmiddels 240 miljoen euro voor de aanleg van Lelystad Airport gewogen in de besluitvorming tot op heden?
Gedane investeringen worden meegenomen in de overwegingen en besluitvorming rondom Lelystad Airport, die nog niet is afgerond. Hierover heb ik, Minister van IenW, u geïnformeerd in de Kamerbrief Stand van Zaken Lelystad Airport, die tegelijkertijd met deze brief aan de Kamer is verstuurd.
In hoeverre realiseert u zich dat er geen draagvlak is in de regio van Lelystad Airport voor de stationering van F35's op Lelystad Airport indien dit niet gecombineerd wordt met het toestaan van passagiersvluchten?
Wij realiseren ons dat het regionaal-bestuurlijk draagvlak in dat scenario wegvalt. Het kabinet hecht aan maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak, zoals ook uitgesproken in de Kamerbrief over de ontwerp-beleidsvisie van het NPRD van 23 mei jl.1
Hoe verwacht u (bestuurlijk) draagvlak in de regio van Lelystad Airport te behouden indien wel F35's gestationeerd worden, maar passagiersvluchten niet toegestaan worden?
De insteek van het kabinet is om draagvlak in de regio te behouden. Er wordt gewerkt aan de besluitvorming. Zie ook het antwoord op vraag 7.
Kunt u na overleg met Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) het proces schetsen voor het verlenen van de benodigde natuurvergunning voor zowel burgerluchtvaart als militair gebruik?
Voor beide aanvragen geldt de reguliere vergunningprocedure waarbij aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op de natuur zijn te verwachten. Daarvoor is een passende beoordeling nodig met daarbij de toets aan het additionaliteitsvereiste. Als daaraan voldaan wordt, kan een vergunning worden afgegeven.
Bent u, Staatssecretaris van Defensie, bereid om samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de provincie Flevoland, de gemeente Lelystad en betrokken partijen te werken aan een snelle en zorgvuldige openstelling van Lelystad Airport voor zowel passagiersvluchten als militaire luchtvaart? Zo ja/nee, waarom?
De Ministeries van Defensie en Infrastructuur en Waterstaat overleggen regelmatig met elkaar, Lelystad Airport en betrokken partijen in de regio over de besluitvorming over Lelystad Airport. Een definitief besluit over de toekomst van Lelystad Airport is nu nog niet aan de orde. Hierover heeft de Minister van IenW u geïnformeerd in de Kamerbrief Stand van Zaken Lelystad Airport, die tegelijkertijd met deze brief aan de Kamer is verstuurd.
Deelt u de mening dat de Tweede Kamer aanvullend op het voornemen wat betreft stationering van de F35 op Lelystad Airport gelijktijdig met de behandeling van het NPRD óók duidelijkheid moet krijgen over het standpunt aangaande de toekomst van passagiersvluchten op Lelystad Airport? Zo ja/nee, waarom?
Het kabinet streeft ernaar om eind dit jaar een definitief besluit te nemen over jachtvliegtuigcapaciteit en de openstelling van Lelystad Airport voor handelsverkeer, zoals uitgesproken in de Kamerbrief over de ontwerp-beleidsvisie van het NPRD van 23 mei jl.
Kunt u deze vragen afzonderlijk en uiterlijk voorafgaand aan het Notaoverleg Nationaal Programma Ruimte voor Defensie beantwoorden?
Ja.
Mogelijke Nederlandse bijstand bij natuurbranden in Zuid-Europa |
|
Ulysse Ellian (VVD), Hester Veltman-Kamp (VVD) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van de hevige natuurbranden die momenteel woeden in onder meer Spanje, Portugal en op de Balkan, zoals beschreven in recente nieuwsberichten?1 2 3
Ja.
Klopt het dat Montenegro, Spanje en Portugal bijstandsverzoeken hebben gedaan voor inzet, met name helikopters met teams, bij de bestrijding van deze natuurbranden?
Montenegro heeft op 11 augustus via het operationele Europese Coördinatiecentrum, het EU Emergency Response Coordination Centre (ERCC), het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming geactiveerd en verzocht om twee blushelikopters, twee blusvliegtuigen en een team voor de bestrijding van bosbranden op de grond. Verschillende EU lidstaten hebben op dit verzoek gereageerd door het leveren van de gevraagde capaciteiten en teams. Op 13 augustus heeft Spanje via ditzelfde mechanisme verzocht om blusmiddelen, zoals helikopters, vliegtuigen en voertuigen. Portugal heeft op 15 augustus een verzoek gedaan voor blusvliegtuigen.
Welke overwegingen hebben ertoe geleid om deze bijstand te weigeren?
Verzoeken die via het EU Emergency Response Coordination Centre (ERCC) worden gedaan komen in Nederland binnen bij het Nationaal Crisiscentrum (NCC). Het NCC volgt een vaste procedure om snel en effectief te reageren. Zo worden verzoeken uitgezet bij de relevante ministeries om na te gaan of aan het verzoek kan worden voldaan. Vervolgens zijn de verzoeken bij Defensie terechtgekomen. In het geval van het verzoek vanuit Montenegro is hier door andere EU-lidstaten op korte termijn op gereageerd. Naar aanleiding van het Spaanse verzoek heeft het kabinet besloten om twee Chinook-transporthelikopters te leveren om te helpen bij het bestrijden van de natuurbranden. De helikopters zijn van dinsdag 19 augustus tot zondag 31 augustus ingezet voor de brandbestrijding.
In deze periode hebben de toestellen bijna 3 miljoen liter water gedropt ter bestrijding van de natuurbranden.
Kan Defensie alsnog zo spoedig mogelijk helikopters inzetten in de getroffen gebieden die om bijstand vragen? Zo ja, gaat u dit doen? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat dergelijke operationele bijstand bij een crisis niet alleen de kracht van Europese samenwerking toont, maar ook het imago van Nederland als betrouwbare partner in EU- en NAVO-verband extra versterkt?
Ja, met de inzet van de Chinooks laat Nederland zien verantwoordelijkheid te nemen als bondgenoot, en een bijdrage te leveren aan het beschermen van levens en behoud van de natuur. Het Uniemechanisme voor Civiele Bescherming is gestoeld op solidariteit: landen die elkaar bijstaan in crisistijd kunnen zelf ook rekenen op steun wanneer dat nodig is. Nederland hecht hier al langere tijd veel belang aan en draagt daarom actief bij, onder meer met donaties aan energie-infrastructuur, de levering van strooizout en de donatie van COVID-19-vaccins. Dat vergroot niet alleen de kans op wederkerigheid binnen de EU, maar heeft ook strategische waarde voor onze bilaterale relaties, zoals met Spanje, waar recent twee Nederlandse brandweerteams door Spaanse collega’s in Galicië zijn opgeleid – een samenwerking die Nederland graag verder uitbouwt.
Het is een goed voorbeeld van hoe Europese samenwerking en solidariteit er in de praktijk uitziet. Dit versterkt ook de positie van Nederland als betrouwbare partner in NAVO-verband.
Welke voorbereidingen of draaiboeken liggen gereed binnen Defensie om snel in te spelen op urgente internationale verzoeken tot civiele bijstand, zoals nu bij natuurbranden?
Defensie beschikt over kennis en expertise om bijstand te kunnen leveren. Voor internationale verzoeken wordt dit gecombineerd met de kennis en expertise die is opgedaan met expeditionair optreden. Uiteindelijk geldt bij noodsituaties als deze dat het om maatwerk draait. Bij internationale bijstand zal ook altijd een afweging plaatsvinden tussen nationale en internationale belangen, en worden de gevolgen van een dergelijke inzet ten opzichte van de gereedheid voor hoofdtaak 1 en 2 meegewogen.
Hoe beoordeelt u de strategische waarde van snelle, zichtbare Nederlandse inzet bij deze rampen voor onze positie in toekomstige Europese en internationale samenwerking?
Zie ook het antwoord op vraag 5. De snelle, zichtbare Nederlandse inzet van de Chinooks geeft een belangrijk signaal af dat Europese lidstaten elkaar steunen bij rampen en crises van verschillende aard. Daarnaast draagt het bij aan het versterken van gezamenlijke crisisresponsmechanismen.
Bent u bereid in ieder geval om de vragen 1 t/m 6, gezien de noodsituatie in delen van Zuid-Europa, per omgaande beantwoorden?
Uw Kamer is in de Kamerbrief Geannoteerde Agenda RBZ Defensie 28 en 29 augustus 2025 van 19 augustus jl. reeds geïnformeerd over de inzet van de Chinook-transporthelikopters om natuurbranden in Spanje te bestrijden.
Stikstofbelemmeringen op defensielocaties |
|
Jan Paternotte (D66), Anne-Marijke Podt (D66), Hanneke van der Werf (D66) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het artikel in de Telegraaf van 16 juni 2025 met de titel «Geheim rapport slaat alarm over Defensie: nieuwe NAVO-doelen in gevaar door aangescherpte stikstofregels»?
Ja.
Klopt het dat uit een vertrouwelijk rapport van TNO blijkt dat Defensie op vrijwel alle oefenlocaties wordt belemmerd door stikstofbeperkingen en dat dit directe gevolgen heeft voor het halen van de Nederlandse NAVO-doelstellingen?
Ja.
Om de impact van de stikstofproblematiek op Defensie beter te kunnen duiden, heeft TNO in opdracht van Defensie een verkenning gedaan naar de gevolgen voor de operationele gereedstelling van de krijgsmacht van de uitspraken van 18 december jl. van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en van 22 januari jl. van de rechtbank Den Haag. Daarnaast heeft Haskoning, voorheen Royal HaskoningDHV, in opdracht van Defensie de stikstofdepositiebijdrage van Defensie in Nederland in kaart gebracht, ten opzichte van de huidige achtergrondwaarde en de kritische depositiewaarde.
TNO heeft in haar onderzoek voor vijf locaties de impact van de uitspraken voor verschillende Defensieonderdelen beschreven. Op basis hiervan concludeert TNO dat de impact van de uitspraken van 18 december jl. – en de stikstofproblematiek in den brede – op de operationele gereedstelling van Defensie ‘enorm’ is. Daarmee beperkt dit ook de nationale en bondgenootschappelijke verdedigingscapaciteit en raakt daarmee onze verplichtingen in het kader van de collectieve verdediging van het Nederlandse en NAVO-grondgebied.
Kunt u dat rapport zo spoedig mogelijk, eventueel vertrouwelijk, aan de Kamer toesturen?
Het managementuittreksel van het onderzoek van TNO en het onderzoeksrapport van Haskoning zijn op 3 juli 2025 aan uw Kamer verzonden, als bijlage bij de Verzamelbrief ontwikkelingen in vastgoed, leefomgeving en ruimtelijke ordening (kenmerk D2025–002770).
Hoe beoordeelt u de constatering uit het artikel dat de natuurvergunningproblematiek niet alleen extra kosten en vertraging oplevert, maar ook raakt aan de paraatheid van de krijgsmacht?
De conclusies van het TNO-rapport zijn zorgelijk. Het is belangrijk dat ruimte wordt geboden aan maatschappelijke taken van Defensie in het licht van geopolitieke ontwikkelingen, zoals de tijdige en stelselmatige gereedstelling van de krijgsmacht. De (stikstof)ruimte voor het verkrijgen van nieuwe natuurvergunningen is echter beperkt en dat belemmert het bestendigen en intensiveren van bestaande defensieactiviteiten en de uitbreiding van deze of nieuwe defensieactiviteiten.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op Vliegbasis De Peel?
Op de Luitenant-Generaal Bestkazerne wil het Defensie grondgebonden luchtverdedigingscommando (DGLC) de luchtverdedigingsactiviteiten uitbreiden.
Net als voor het overgrote deel van de defensielocaties, beschikt de Luitenant-Generaal Bestkazerne niet over een Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (natuurvergunning). Defensie voerde op deze locatie immers al activiteiten uit op het moment dat de Natura 2000-gebieden werden aangewezen. Op de Bestkazerne en andere defensielocaties is het toegestane gebruik vastgelegd in milieutoestemmingen. Dan gaat het bijvoorbeeld om het aantal schoten op schietbanen en geluidszones voor vliegbewegingen, maar ook om aantallen eenheden en voertuigbewegingen. Bij uitbreiding van aantallen eenheden en oefeningen boven de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima, kunnen problemen ontstaan als voor die uitbreiding een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig. Door de stikstofproblematiek is het op dit moment moeilijk een natuurvergunning te krijgen voor uitbreiding van activiteiten of projecten die zorgen voor extra stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, die al overbelast zijn. Deze problematiek kan zich in de toekomst ook voordoen bij een mogelijke uitbreiding van de activiteiten van het DGLC.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zoals hierboven beschreven aan de hand van het voorbeeld van de DGLC, is het gezien de geldende wet- en regelgeving, de jurisprudentie en de huidige staat van de natuur lastig om een natuurvergunning te verkrijgen voor Defensielocaties. De Habitat-en de Vogelrichtlijn bevatten momenteel geen generieke uitzondering voor defensieprojecten, waardoor Defensie de reguliere stappen voor het verkrijgen van een natuurvergunning moet doorlopen.
Omdat de stikstofruimte in Nederland beperkt is, zal Defensie per opgave gebiedsspecifiek moeten onderzoeken wat de gevolgen van de stikstofdepositie van de defensieactiviteiten zijn voor de daar aanwezige natuur. Als sprake is van een overbelaste situatie, dan is een beperkt aantal instrumenten voorhanden om de toename van de Defensieactiviteiten vergund te krijgen. Intern salderen of stikstofruimte aankopen van derden zijn door de recente rechterlijke uitspraken enkel onder strikte voorwaarden mogelijk. Eén van de mogelijkheden die Defensie onderzoekt, is het treffen van compenserende maatregelen om bij te dragen aan het in stand houden van de samenhang van het Natura 2000-gebied.
Omdat slechts enkele Defensielocaties over een natuurvergunning beschikken, betekent dit dat als gevolg van de genoemde uitspraken in feite een herbeoordeling moet worden gedaan van bestaande en geplande activiteiten. Op basis van die herbeoordeling moeten natuurvergunningen worden aangevraagd. De hiervoor benodigde ecologische onderzoeken en procedures kennen lange doorlooptijden. Daarbij komt dat mitigatie en compensatie in de praktijk niet altijd mogelijk zijn i.v.m. overbelaste natuur, waardoor vergunningen – ondanks de kleine bijdrage van Defensie aan de stikstofdepositie – moeilijk kunnen worden verleend. In de praktijk wordt de vergunningprocedure daarnaast vaak vertraagd doordat het Nederlandse vergunningensysteem complex en tijdrovend is, met onder meer lange doorlooptijden en strikte eisen waaraan moet worden voldaan. Als gevolg hiervan duurt de totale procedure voor het verkrijgen van een natuurvergunning aanzienlijk langer dan initieel verwacht, waarbij de wettelijke termijnen voor vergunningverlening ruimschoots worden overschrijden. In sommige gevallen kan dit zelfs jaren duren.
De Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN) werkt, na de vaststelling van een startpakket in april 2025, aan aanvullende maatregelen voor emissiereductie en natuurherstel, met als doel de belemmeringen voor vergunningverlening weg te nemen. Defensie veroorzaakt volgens het onderzoek van Haskoning een zeer beperkte gemiddelde bijdrage aan de totale achtergronddepositie in Nederland, namelijk 0,01–0,05%. Defensie probeert desalniettemin in haar rol als terreinbeheerder een positieve bijdrage te leveren aan natuurherstel.
Tenslotte heeft de Europese Commissie op 17 juni jl. het pakket Defence readiness omnibus gepubliceerd. In het wetgevingstraject dat nu wordt opgestart, probeert het kabinet op Europees niveau een oplossing te vinden voor de natuurvergunningenproblematiek in relatie tot de defensieopgaven.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Vliegbasis De Peel ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Indien geen vergunning kan worden verkregen voor activiteiten die nodig zijn voor de gereedheid van de krijgsmacht, zowel op Vliegbasis De Peel als op andere Defensielocaties, zijn de gevolgen groot. TNO concludeert dit ook in haar rapport. Als er minder ruimte is om mensen te huisvesten, op te leiden, onderhoud aan materieel niet meer kan worden gedaan of nieuw materieel onvoldoende kan worden ingezet, heeft dit direct invloed op de personele en materiële gereedheid van de krijgsmacht. De impact van deze problematiek reikt verder dan Defensie alleen. Het beperkt de nationale en bondgenootschappelijke verdedigingscapaciteit en daarmee de collectieve verdediging van het Nederlandse en het NAVO-grondgebied.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op het oefenterrein Marnewaard in Groningen?
Het oefenterrein Marnewaard beschikt momenteel niet over een natuurvergunning, maar er is een milieutoestemming verleend voor de bestaande activiteiten. In het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is, voor wat betreft de schietbaan, de behoefte opgenomen om naast de vaste schietpunten ook te kunnen schieten vanaf voertuigen die rijden en verschillende vuurposities innemen. Daarnaast moet 6 weken per jaar meer kunnen worden geoefend, waardoor Defensie voornemens is om het aantal oefenweken van 14 naar 20 weken per jaar op te hogen. Dit is echter een uitbreiding van de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima, waarvoor een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Marnewaard ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op de kazerne en het oefenterrein in Oirschot (Noord-Brabant)?
De kazerne en het oefenterrein Oirschotse Heide beschikken momenteel niet over een natuurvergunning. In het NPRD is echter de behoefte opgenomen het Oefenterrein Oirschotse Heide fysiek uit te breiden. Met betrekking tot deze uitbreiding kunnen problemen ontstaan omdat daarvoor een natuurvergunning nodig is.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als in Oirschot ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op het oefenterrein Harskamp (Gelderland)?
Het Infanterie Schietkamp (ISK) in Harskamp beschikt momenteel niet over een natuurvergunning, maar er is een milieutoestemming verleend voor de bestaande activiteiten. Daarbij gaat het om een maximum aantal schoten en de wapentypen waarmee mag worden geschoten. Binnen die maxima zijn er geen belemmeringen. In het NPRD is de behoefte opgenomen om op het ISK met nieuwe wapensystemen te oefenen en de capaciteit met 30% uit te breiden. Bij uitbreiding van schotenaantallen boven de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima, of bij het schieten met andere wapentypen, kunnen problemen ontstaan omdat hiervoor mogelijk een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Harskamp ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op Vliegbasis Leeuwarden?
Op 18 juli jl. heeft de Rechtbank Noord-Nederland een uitspraak gedaan en de natuurvergunning van Vliegbasis Leeuwarden vernietigd. Onderdeel van de uitspraak is dat het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) 26 weken de tijd krijgt om opnieuw op de aanvraag van Defensie te beslissen. Defensie bestudeert momenteel de uitspraak.
Daarnaast is in het NPRD opgenomen dat op Vliegbasis Leeuwarden behoefte is aan meer grondgebonden geluidruimte. Dit is nodig voor meer proefdraaien met jachtvliegtuigen en het gebruik van grondvoertuigen en gronduitrusting. Voor deze behoefte is een nieuwe natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Vliegbasis Leeuwarden ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Wat zijn op dit moment de exacte belemmeringen als gevolg van stikstofwetgeving op Vliegbasis Volkel?
Vliegbasis Volkel beschikt momenteel niet over een natuurvergunning, maar er is een milieutoestemming verleend voor de bestaande activiteiten. In het NPRD is Vliegbasis Volkel niet aangewezen als voorkeurslocatie voor de behoefte voor aanvullende jachtvliegtuigcapaciteit. Wel is er de behoefte om bestaande activiteiten uit te breiden, zoals het proefdraaien van luchtvaartuigen. Bij uitbreiding van activiteiten buiten de in de milieutoestemmingen opgenomen maxima kunnen problemen ontstaan omdat hiervoor mogelijk een natuurvergunning nodig is. Ook voor wijzigingen die binnen de bestaande milieutoestemmingen passen, is door de uitspraken van de Afdeling op 18 december jl. mogelijk een natuurvergunning nodig.
Welke stappen worden daar gezet om deze belemmeringen op te lossen en wanneer verwacht u dat de stikstofvergunning wordt verkregen of aangepast?
Zie beantwoording vraag 6.
Wat zijn de gevolgen voor de krijgsmacht als op Vliegbasis Volkel ook in 2026 of 2027 geen vergunning wordt verkregen voor uitbreiding of intensiever gebruik?
Zie beantwoording vraag 7.
Welke lessen trekt u uit de huidige impasse voor andere vitale sectoren (zoals woningbouw, energie-infrastructuur en crisisnoodopvang) die eveneens vastlopen op stikstofvergunningen?
De stikstofproblematiek raakt naast Defensie ook andere belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen. Interdepartementaal, bijvoorbeeld in de MCEN, worden opgedane ervaringen gedeeld. Bij het zoeken naar gebiedsspecifieke oplossingen voor de stikstofproblematiek bij uitbreidingen van Defensie, kijken we dan ook naar lessen uit initiatieven van andere sectoren in die gebieden.
De mogelijkheden voor oplossingen zijn, mede vanwege het bijzondere karakter van de defensieactiviteiten, echter beperkt. In de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel werkt het kabinet aan oplossingen om de vergunningsverlening weer op gang te brengen.
Daarnaast zet het kabinet via de in antwoord 6 genoemde Defence Readiness Omnibus van de Europese Commissie in op het versnellen en versterken van de defensiegereedheid. Dit door middel van Europese regelgeving die toegespitst is op het huidige dreigingsniveau.
Het bericht dat de tweelingbroer van de staatsecretaris van Defensie directeur wordt van een drone-bedrijf, terwijl het leger voor miljoenen euro’s aan drones gaat kopen |
|
Michiel van Nispen , Sarah Dobbe (SP) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Judith Uitermark (minister binnenlandse zaken en koninkrijksrelaties) (NSC), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tweelingbroer Staatssecretaris gaat bij dronebedrijf werken, terwijl leger miljoenen investeert»?1
Ja.
Klopt het dat de tweelingbroer van een zittende Staatssecretaris van Defensie een functie heeft aanvaard bij een bedrijf dat actief is op een terrein waarop Defensie momenteel fors investeert?
Ja.
Hoe kan het dat de Minister van Defensie, die politiek verantwoordelijk is, niet op de hoogte was van de nieuwe baan van de broer van de Staatssecretaris van Defensie?
Het was binnen de relevante onderdelen van de defensieorganisatie bekend.
Vindt u, in het licht van de opmerkingen vanuit de legerleiding over het heersende ongemak en de mogelijke kwetsbaarheid, de huidige regels rondom integriteit en aanbestedingen binnen Defensie en de Rijksoverheid strikt genoeg om belangenverstrengeling en oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Defensie heeft regels ingesteld om belangenverstrengeling en oneigenlijke beïnvloeding te voorkomen.
In de Gedragsregels Defensie is de zogenaamde «afkoelperiode» vastgelegd. Deze houdt in dat Defensie voormalige medewerkers tijdens de eerste twee jaar na beëindiging van het dienstverband niet als gesprekspartner of bemiddelaar van het bedrijfsleven voor commerciële activiteiten accepteert. Defensiemedewerkers die zakelijke contacten met bedrijven onderhouden, moeten bij de vertegenwoordigers van die bedrijven navraag doen naar een eventueel verleden bij Defensie.
Op oud-defensiemedewerkers rust de verantwoordelijkheid dat zij hier transparant in zijn, zowel naar hun nieuwe werkgever als naar Defensie toe. Aanvullend geldt dat medewerkers van Defensie een geheimhoudingsplicht hebben met betrekking tot het gebruik van vertrouwelijke informatie.
Verder geldt voor alle bewindspersonen de «Gedragscode integriteit bewindspersonen». Daarbij gaat het onder meer om een geheimhoudingsplicht, het zorgvuldig omgaan met overheidsinformatie en het bewust zijn van privécontacten en eventuele daaraan verbonden integriteitsrisico’s.
Hoe wordt in deze kwestie nu concreet voorkomen dat bij de aankoop van nieuw materieel andere belangen dan louter inhoudelijke en zorgvuldige professionele afwegingen een rol spelen? Hoe kan daarop worden gecontroleerd?
In het geval van de uitdiensttreding van de broer van Staatssecretaris Tuinman gelden dezelfde afspraken zoals die gelden voor alle uitdienst tredende defensieambtenaren, die overstappen naar een commerciële werkgever. Deze zijn gebaseerd op de Gedragsregels Defensie, zoals hierboven toegelicht.
Verder geldt dat de Staatssecretaris terughoudend zal zijn in directe contacten met AI Armaments en dat specifieke communicatie over en/of specifieke samenwerking met AI Armaments onder de verantwoordelijkheid van de Minister valt.
Hoe kan voorkomen worden dat in een casus zoals deze staatsgeheimen van het Ministerie van Defensie uitlekken naar particuliere bedrijven?
Voor alle Nederlandse burgers is het lekken van staatsgeheimen strafbaar.
Wat vindt u van de kritiek van integriteitsexperts die spreken van een duidelijke «schijn van belangenverstrengeling» en die stellen dat Nederland achterloopt op het terrein van transparantie rond potentiële belangenverstrengeling?
De regelgeving en de reeds aanwezige maatregelen, zoals boven benoemd, bieden waarborgen om belangenverstrengeling te voorkomen.
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om zowel belangenverstrengeling als de schijn daarvan in dit soort gevallen te voorkomen of te corrigeren? Bent u van plan deze maatregelen te betrekken bij de evaluatie van het integriteitskader bewindspersonen?
Zoals boven toegelicht bieden de regelgeving en de reeds aanwezige maatregelen waarborgen om belangenverstrengeling te voorkomen. De regels en maatregelen van de Gedragscode integriteit bewindspersonen zullen onderdeel zijn van een eventuele, toekomstige evaluatie.
Welke regels zijn er van toepassing voor familieleden van bewindspersonen? Hoe wordt eventuele bevoordeling of een andere vorm van verstrengeling van belangen voorkomen in een zaak zoals deze, waar nauwe familiebanden een rol spelen?
In de «Gedragscode integriteit voor bewindspersonen» zijn regels omtrent familieleden opgenomen. Daarin staat dat een bewindspersoon niet deelneemt aan de besluitvorming over zaken die zijn of haar partner, kinderen, andere familie, zakenrelaties, belangen of vroegere functies raken, voor zover deelneming in strijd zou kunnen komen met een goede ambtsuitoefening.
Deelt u de opvatting dat het bij integriteit en het voorkomen van de schijn van belangenverstrengeling niet alleen gaat om het naleven van regels, maar vooral ook om het hanteren van normen, zelfs als bepaalde gedragingen formeel niet verboden zijn? Zo ja, hoe oordeelt u daar dan over in deze kwestie? Hoe zorgt u ervoor dat dit normbesef ook binnen het kabinet en bij bewindspersonen heerst?
Integriteit is niet altijd in regels te vatten. Een eigen, moreel kompas is steeds van belang.
De mogelijke uitbreiding van het oefengebied van defensie op de Weerterheide |
|
Sarah Dobbe (SP) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de zorgen van de mensen die wonen op de Weerterheide? Wat is uw reactie op de petitie?1
Ja, ik ben me bewust van de zorgen van de mensen die wonen in de omgeving van de Weerterheide en ik begrijp deze zorgen. De petitie is uitsluitend aangeboden aan de Kamercommissie en niet aan het Ministerie van Defensie. Ik was graag in gesprek gegaan met de indieners om persoonlijk hun zorgen te horen en te bespreken.
Erkent u dat (mogelijke) onteigening van huis en bedrijf enorm ingrijpend is in de levens van mensen? Wilt u dit toelichten?
Ja, dat erken ik. Onteigening is heel ingrijpend voor bewoners, en daarom ga ik hier niet lichtzinnig mee om. Bij het aanwijzen van nieuwe locaties probeert Defensie de impact op woningen, eigenaren en bedrijven zoveel mogelijk te beperken. Defensie probeert ook zoveel als mogelijk onteigening te voorkomen. En mocht dit desondanks niet te voorkomen zijn, dan gebeurt dit zeer zorgvuldig en in nauw overleg met de eigenaren.
De reden dat Defensie onteigening niet kan uitsluiten komt doordat de veiligheidssituatie in de wereld steeds verder verslechtert. De krijgsmacht moet daarom worden versterkt, in het bijzonder op hoofdtaak 1 (de verdediging van ons grondgebied en dat van onze bondgenoten), zodat we in staat zijn om te verdedigen wat ons dierbaar is. Dit vraagt om extra ruimte, zowel fysieke, milieu als geluidsruimte. In het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is de extra ruimtevraag van Defensie in beeld gebracht en Defensie zoekt zorgvuldig naar goede locaties en ruimte voor defensieactiviteiten, in samenhang met andere urgente ruimtebehoeften.
Op welke manier hebt u contact gezocht met de mensen die in het mogelijke uitbreidingsgebied bij de Weerterheide wonen? Indien u dat niet hebt gedaan, waarom niet, aangezien bekend is dat er grote onrust bij deze mensen is ontstaan? Indien u dit niet hebt gedaan, bent u bereid om alsnog in gesprek te gaan met deze bewoners?
Vorig jaar zomer zijn voor alle inwoners en betrokkenen provincie-brede bijeenkomsten georganiseerd over de voornemens van Defensie in het kader van het NPRD. Mede n.a.v. die bijeenkomsten, en de wens van de deelnemers om zo snel en direct als mogelijk te worden geïnformeerd heeft Defensie besloten om perceeleigenaren rechtstreeks per brief te informeren. Dit gold ook voor eigenaren in de zoekgebieden voor uitbreiding in Weerterheide. Op 23 september 2024 en 23 januari 2025 heeft Defensie extra informatiebijeenkomsten georganiseerd in respectievelijk Budel en Weert. De inwoners in de zoekgebieden zijn daarbij per brief uitgenodigd. Op deze manier heeft Defensie geprobeerd alle betrokken bewoners zo goed als mogelijk bij het proces te betrekken en te informeren.
Hoe zijn de belangen van de bewoners meegenomen in de selectie van dit gebied bij de Weerterheide als mogelijke uitbreidingslocatie van Defensie? Wilt u toelichten, specifiek op welke momenten, welke onderdelen en op welke manier dit is gebeurd en gaat gebeuren?
In het NPRD worden alle behoeftes van Defensie grondig onderzocht en afgewogen en worden betrokkenen hierover actief geïnformeerd. Dit gebeurt door middel van informatiebijeenkomsten, webinars en rechtstreeks met brieven. In het uitgevoerde planMER wordt onder meer onderzocht welke effecten de voorgenomen plannen van Defensie hebben op de omgeving en degenen die hier wonen.
Mogen wij de achterliggende stukken ontvangen waarin de belangen van deze bewoners zijn afgewogen en/of op welke manier de belangen van bewoners zijn gewogen bij de selectie van deze mogelijke uitbreidingslocatie? Zo nee, waarom niet?
Ja, deze stukken (ontwerpbeleidsvisie, planMER en achterliggende onderzoeken) ontvangt u zodra het kabinet een beslissing heeft genomen over het ontwerpNPRD. In het kader van zorgvuldigheid en transparantie kan ik deze documenten niet eerder delen. Het kabinet verwacht eind mei 2025 een besluit te nemen.
Op welke manier en op welke momenten hebben bewoners op de mogelijke uitbreidingslocatie bij de Weerterheide zeggenschap over hun huis, hun gemeenschap en of er wel of niet gedwongen zal worden onteigend?
Wanneer het kabinet eind mei 2025 een besluit heeft genomen over het ontwerpNPRD, kunnen de bewoners via zienswijzen reageren op de plannen. Ik verwacht aan het eind van het jaar een definitief kabinetsbesluit op het programma NPRD. Daarna wordt een start gemaakt met de uitvoering, bijvoorbeeld door middel van een projectbesluit. Gedurende de projectprocedure zullen geraakte bewoners wederom inspraakmogelijkheden krijgen. Parallel hieraan zal Defensie proberen een overeenkomst te sluiten met bewoners. Alleen wanneer het niet lukt om een overeenkomst te sluiten met bewoners zal Defensie over moeten gaan tot onteigening. In dat geval zal Defensie de onteigeningsprocedure starten. In deze procedure zal Defensie motiveren waarom onteigening noodzakelijk is en zal de bewoner schadeloos worden gesteld.
Zijn er andere locaties in Europa die kunnen dienen als oefenterrein? Wanneer en op welke manier zijn deze locaties als oefenterrein afgewogen? Mogen we het onderliggende onderzoek op basis waarvan deze afweging wordt gemaakt ontvangen?
Voor het antwoord op deze vraag verwijs ik naar de Nota van Antwoord (NvA) als reactie op de zienswijzen op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De ruimtebehoefte voor Defensie, zoals beschreven in het NPRD, is gebaseerd op de huidige situatie waarin al veel activiteiten in het buitenland plaatsvinden (opleiden, oefenen en trainen) en waarin ook andere NAVO-bondgenoten het gebruik van hun bestaande terreinen en luchtruim intensiveren. De versterking van de krijgsmacht vraagt daarom om meer ruimte in Nederland. De ruimteclaim in het NPRD vertegenwoordigt de minimale ruimte die Defensie nodig heeft in Nederland om haar taken te kunnen uitvoeren.
Bent u bereid om, indien gezocht wordt naar uitbreidingslocaties voor Defensie, daarbij als uitgangspunt te hanteren dat er geen uitbreiding zal plaatsvinden op locaties waar mensen gedwongen onteigend moeten worden of gedwongen worden om te verhuizen? Wilt u dit toelichten?
Nee, dit kan ik niet doen. Zoals eerder aangegeven probeer ik onteigening zoveel mogelijk te voorkomen en gebruik ik dit middel niet lichtzinnig. Ik kan het echter niet op voorhand uitsluiten. De dreiging in de wereld en de urgentie van het NPRD zijn daar te groot voor.
Bent u bereid om, indien gezocht wordt naar uitbreidingslocaties voor Defensie, daarbij als uitgangspunt te hanteren dat er geen uitbreiding zal plaatsvinden op locaties waar dit ten koste gaat van beschermde natuur? Wilt u dit toelichten?
Defensieactiviteiten en (beschermde) natuur gaan in veel gevallen goed samen. Op dit moment valt meer dan 15.000 ha van de defensieterreinen onder 14 verschillende Natura 2000 gebieden en valt ruim 17.000 ha onder het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Uit onderzoek blijkt dat door het militaire gebruik op meerdere terreinen een unieke dynamiek is ontstaan met voor Nederland bijzondere natuur. Hierdoor gaat het militaire gebruik niet ten koste van de natuurwaarden, maar stelt zij de natuur in staat te floreren (zie «Kamerbrief over natuurwaarden op defensieterreinen», vergaderjaar 2022–2023, kamerstuk 33 576, nr. 87).
In het planMER voor het NPRD worden voor de uitbreidingen van Defensie alle belangen zorgvuldig afgewogen, waarbij natuur ook een belangrijke rol speelt. Voor een aantal uitbreidingen van Defensie is een combinatie met en in de natuur kansrijk. Dit geldt voor de uitbreidingen van oefenterreinen maar ook voor de locaties voor munitie-opslag. De beperkingen die voor deze gebieden gelden, leveren een positieve bijdrage aan natuurontwikkeling. Ik kan op voorhand echter bepaalde belangen niet boven andere laten prevaleren, daarom ben ik niet bereid dat uitgangspunt te hanteren.
Bent u bereid deze vragen een voor een te beantwoorden?
Ja, zie bovenstaande punten.
Pensioenfondsen en verzekeraars die bereid zijn geld te steken in de versterking van defensie |
|
Inge van Dijk (CDA), Derk Boswijk (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Eddy van Hijum (minister sociale zaken en werkgelegenheid) (CDA) |
|
|
|
|
Klopt het dat diverse pensioenfondsen en verzekeraars bereid zijn geld te steken in de versterking van defensie, maar dat daarvoor een plan van aanpak nodig is vanuit politiek Den Haag?1
Vertegenwoordigers van Defensie hebben verschillende oproepen gedaan in de media over het belang en de noodzaak van investeren in de defensie-industrie. Defensie signaleert dat financiële instellingen steeds meer belangstelling hebben om hierin te investeren. Die belangstelling past binnen het huidige tijdsbeeld. Het uiteenlopende aanbod aan financiers betekent dat er verschillende mogelijkheden en behoeften zijn als het gaat om het investeren in de defensie-industrie. Momenteel voert Defensie gesprekken met de industrie en investeerders om deze mogelijkheden en behoeften in kaart te brengen en waar nodig knelpunten weg te nemen, om zo versterking van de defensie-industrie te bewerkstelligen.
Deelt u de mening dat de urgentie momenteel zodanig groot is, dat er geen dag verspild mag worden als het gaat om investeren in de versterking van defensie?
De huidige geopolitieke situatie vraagt om meer en gerichte Nederlandse en Europese investeringen om op te kunnen schalen en zo te voorzien in een robuuste defensie en veiligheid gerelateerde industriële basis. De wisselende leveringszekerheid en de terugkeer van importheffingen in de wereldhandel maken deze noodzaak nog duidelijker dan deze al was sinds het begin van de grootschalige agressieoorlog van Rusland in Oekraïne. Het kabinet erkent de urgentie om snel te acteren op dit thema, en zet daar ook de nodige stappen toe. Zo is uw Kamer in verschillende brieven geïnformeerd over de acties van het Ministerie van Defensie om de gerichte opschaling vorm te geven.2 De financiering maakt hier expliciet onderdeel van uit, zoals ook met uw Kamer gedeeld in de recente brief van 12 maart 2025.3
Hoe verklaart u dat pensioenfondsen aangeven al sinds het begin van de oorlog in Oekraïne er tegenaan te lopen dat de roep om kapitaal en de roep om de opbouw van de krijgsmacht er is, maar dat er nog geen beeld is van hoe dat eruit moet zien? Waarom moet dit zo lang duren?
Met de Defensienota 2024 geeft Defensie aan hoe de krijgsmacht zich de komende jaren zal ontwikkelen. Ook heeft Defensie onafhankelijk onderzoek laten doen naar de financieringsbehoefte die bij de defensie-industrie bestaat. Het rapport hierover is recent met uw Kamer gedeeld.4 De knelpunten verschillen tussen de grote bedrijven en de kleinere bedrijven. Het rapport signaleert verschillende knelpunten die de sector ervaart bij het verkrijgen van financiering. De inzet van Defensie is om met de oprichting van het Defport platform een structurele dialoog met industrie en de financiële sector tot stand te brengen. Hierin moet nog scherper worden welke kapitaalbehoefte bedrijven hebben en hoe private en institutionele investeerders hierin kunnen voorzien. De financieringstafel binnen Defport is op 1 april voor het eerst bij elkaar gekomen. Meerdere bijeenkomsten zullen hierop volgen.
Deelt u de opvatting van het Verbond van Verzekeraars dat de bal hiervoor nadrukkelijk in Den Haag ligt? Zo nee, waarom niet?
Defensie voert doorlopend gesprekken met institutionele en private investeerders. Het Ministerie van Defensie ziet het versterken van de defensie-industrie als een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin de overheid een belangrijke rol inneemt als behoeftesteller. Defensie ziet hier verschillende rollen voor zichzelf in de hele keten als Smart Policy-Maker, Smart Specifier en Smart Buyer, zoals toegelicht in de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (2025–2029), die uw Kamer op 4 april heeft ontvangen.5 Waar het Ministerie van Defensie een rol kan spelen om knelpunten voor investeerders in de defensie-industrie weg te nemen, zal het ministerie deze rol vervullen. Uiteindelijk blijft het aan banken, verzekeraars en pensioenfondsen en andere investeerders zelf om te bepalen in welke mate en op welke wijze zij willen investeren in de defensie-industrie. Dat deze instellingen zelf hun beleggingsbeleid bepalen is wettelijk geregeld.
Kunt u aangeven aan welke initiatieven het kabinet momenteel werkt om private investeringen in defensie aan te jagen? Wanneer zijn deze initiatieven volgens planning klaar?
In de kamerbrief van 12 maart 2025 is de Kamer geïnformeerd over de actielijnen voor oplossingen van investeringskwesties ten aanzien van de defensie-industrie. Zo wil Defensie door vraagbundeling met partnerlanden en waar mogelijk meer toepassing van (raam)contracten met een langere looptijd, op lange termijn vraagzekerheid scheppen voor de defensie-industrie. Indien aangenomen in de Eerste Kamer, draagt het initiatiefwetsvoorstel om de 2%-norm wettelijk vast te leggen ook bij aan de vraagzekerheid voor de industrie.6
Defensie onderzoekt samen met het Ministerie van Economische Zaken de mogelijkheden om het (bestaande) financieringsinstrumentarium toegankelijker te maken voor de defensie-industrie. Ook worden gesprekken gevoerd met de financiële sector over investeringen in dual-use toepassingen. Verder jaagt Defensie met het nieuwe SecFund investeringen aan door durfkapitaal beschikbaar te maken voor de defensie-industrie. Daarnaast wordt samen met de financiële sector verkend of aanvullende instrumenten wenselijk zijn om bestaande belemmeringen weg te nemen.
Defensie werkt ook aan het verminderen van financieringsknelpunten voor de defensie-industrie. Zo voert Defensie met het Ministerie van Financiën gesprekken over het versoepelen van de bankgarantie-eis voor bevoorschotting, en worden mogelijkheden voor verruiming van informatiedeling met de financiële sector verkend.
Met het platform Defport heeft Defensie het doel de dialoog tussen verschillende partijen te versterken. Zo is er binnen Defport een financieringstafel waarin de financiële sector, industrie en Defensie samenkomen om te kijken hoe knelpunten kunnen worden opgelost.
Defensie werkt dus aan verschillende initiatieven om publieke en private investeringen aan te jagen. Tegelijkertijd is het belangrijk om te benadrukken dat het vergroten van investeringen in de defensie-industrie een gedeelde verantwoordelijkheid is. Binnen de huidige wettelijke kaders kunnen beleggers zelf al stappen zetten om meer te investeren in de defensie-industrie. Waar mogelijk moedigt Defensie dit aan en ondersteunt hierin.
Wat is uw reactie op de suggestie van verzekeraar NN Group, dat ook een Nederlandse variant van een defensie-bond kan helpen om private investeringen in defensie op gang te helpen?
Een dergelijke defensie-bond (defensie-staatsobligatie) is publiek schuldpapier dat uitgegeven wordt om publieke defensie-uitgaven te financieren. Een Nederlandse variant van een defensie-bond draagt niet bij aan het vergroten van directe private financiering voor de opschaling van de productiecapaciteit van de defensie-industrie. Nederland ervaart momenteel geen belemmeringen bij de schuldfinanciering van Nederlandse overheidsuitgaven (waaronder defensie-uitgaven) aangezien de staat geld kan lenen door uitgifte van conventionele staatsobligaties. Een defensie-staatsobligatie zou net als conventionele staatsobligaties enkel in publieke financiering voorzien van reeds voorziene uitgaven op de begroting (bijvoorbeeld voor orders zoals de aanschaf van tanks). Deze uitgaven vinden ook plaats zonder defensie-staatsobligaties. Er is daarmee dus geen sprake van directe additionele financiering vanuit de private financieringsmarkt aan de defensie-industrie. Daarom onderzoekt Defensie gezamenlijk met institutionele beleggers en overige stakeholders andere mogelijkheden om hun private financiering voor de defensie-industrie te vergroten, bijvoorbeeld door aansluiting bij (bestaande) investeringsvehikels. Wanneer marktpartijen daarnaast een privaat investeringsfonds willen oprichten gefinancierd met uitgifte van «private defensie-obligaties» om zo investeringen vanuit de markt in de defensie-industrie te vergroten, verwelkom ik dat van harte.
Hoe zorgt u ervoor dat er zo spoedig mogelijk sprake is van een goedgevuld, langlopend en meerjarig orderboek en een consistent investeringsbeleid van overheden, zodat private investeerders zoals ABP meer investeringen kunnen doen in initiatieven die gericht zijn op uitbreiding van de defensieproductie?
In de kamerbrief van 12 maart 2025 is de Tweede Kamer geïnformeerd over de actielijnen voor oplossingen van investeringsknelpunten bij de defensie-industrie. Zo voorziet het initiatiefwetsvoorstel om de 2%-norm in de wet te verankeren in meer zekerheid voor de langere termijn. Verder weegt Defensie per inkoop af of er langere termijn behoeften kunnen worden gesteld en langere (raam)contracten kunnen worden afgesloten, eventueel met een minimum afnamegarantie.
Met onder andere de Defensienota 2022 en 2024 maakt Defensie ook over de langere termijn duidelijk in welke capaciteiten wordt geïnvesteerd. In 2025 begroot Defensie via het Defensiematerieelbegrotingsfonds ca. € 10 miljard voor materieel investeringen en instandhouding.
Waarom komen vertegenwoordigers van Defensie, Financiën, Buitenlandse Zaken en Economische Zaken en Klimaat pas in april langs bij de verzekeraars om eventuele investeringsmogelijkheden te bespreken? Kan hier meer spoed op gezet worden?
Defensie voert, samen met andere departementen, doorlopend gesprekken met de financiële sector. Dit gesprek is daar een voorbeeld van. Defensie onderhoudt ook actief contact met het Verbond van Verzekeraars. Bijvoorbeeld middels een recent rondetafelgesprek samen met Financiën en Buitenlandse Zaken. Hier zijn verschillende voorbeelden besproken die een barrière vormen voor verzekeraars om eigenstandig te investeren in de defensie-industrie. Defensie werkt nu samen met de andere ministeries aan oplossingen en gaat hierover met de verzekeraars in overleg wanneer voorstellen voorgelegd kunnen worden. Daarnaast vinden er doorlopend gesprekken plaats tussen de ministeries en andere financiële instellingen over de opschaling van de defensie-industrie.
Kunt u aangeven wat de stand van zaken is van uitvoering van de voorstellen uit de Initiatiefnota van het lid Boswijk over het structureel verhogen van de Europese munitieproductie?2
Defensie beoordeelt voorstellen voor de productie van reguliere en kapitale munitie uit de markt op de eigen behoeftes, kansen voor vraagbundeling en bijdrage vanuit de Nederlandse industrie. Zo voorzien wij onze krijgsmacht van voldoende kwalitatieve munitie. Daarnaast zetten we in op het bundelen van de vraag voor steun aan Oekraïne en onze nationale vraag. De schaalvoordelen die daarbij ontstaan dragen bij aan het garanderen van productie- en leverzekerheid.
Defensie boekt vooruitgang op de verschillende voorstellen, zoals verwoord in de Kamerbrief Voortgang structurele versterking van de Europese productie van munitie en materieel.8 Zo plaatst Defensie bijvoorbeeld, conform voorstel 1, momenteel een extra bestelling van munitievoorraden, hierover zal middels het DPO gerapporteerd worden.
Daarnaast heeft uw Kamer op 4 april 2025 de Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (2025–2029) ontvangen. Hierin licht het kabinet haar ambities voor het versterken van de defensie-industrie toe. De strategie is samen te vatten als sterk, slim en samen: we investeren in een sterke krijgsmacht en Nederlandse defensie-industrie, stimuleren op een slimme manier innovatie en werken nationaal en internationaal op een nieuwe en effectieve manier samen. In deze nieuwe strategische agenda is ook aandacht voor oplossingen van de financieringskwesties die spelen bij de noodzakelijke opschaling van de defensie-industrie. Het opschalen van de productie van defensiematerieel, in Nederland en in Europa, is onderdeel van de industriële versterking waar deze strategie invulling aan geeft.
De uitbreiding van militaire trainingsfaciliteiten op ’t Harde (Artillerie Schietkamp) |
|
Don Ceder (CU), Mirjam Bikker (CU) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Mona Keijzer (minister volkshuisvesting en ruimtelijke ordening) (BBB), Ruben Brekelmans (minister defensie) (VVD) |
|
|
|
|
Welke gemiddelde doorloopsnelheid hebben de huidige vergunningprocedures voor uitbreiding van Nederlandse militaire (trainings)faciliteiten? Vindt u deze snelheid passend bij de huidige opgave waar Nederland voor staat? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de zorg dat de lengte en complexiteit van de huidige vergunningsprocedures de uitbreiding van Nederlandse militaire infrastructuur onnodig vertragen en daarmee de militaire weerbaarheid van Nederland ondermijnen?
Welke concrete stappen neemt u om procedures voor uitbreiding van militaire oefenterreinen te versnellen, zonder de noodzakelijke zorgvuldigheid en participatie te schaden?
Heeft u beeld bij tegen welke juridische en bestuurlijke belemmeringen er wordt opgelopen op het moment dat er intensiever moet worden getraind, andere militaire voertuigen of artillerie nodig is bij een training vanwege nieuwe samenwerking met bondgenoten of munitiegebrek? Zo ja, welke zijn de belangrijkste? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Bent u ermee bekend dat niet geoefend kan worden met een ander type wapen van bondgenoten dat dezelfde munitie afvuurt met dezelfde geluidsbelasting? Zo nee, zou dit kunnen voorkomen binnen de huidige regelgeving?
Is de huidige regelgeving toereikend om beter en effectiever te kunnen trainen met moderne wapensystemen en gezamenlijk te kunnen trainen met buitenlandse eenheden? Zo nee, op welke punten kan dit verbeterd worden?
Hoe weegt u de zorgen van omwonenden en natuurorganisaties over geluidsoverlast, stikstofuitstoot en natuurbescherming tegen de noodzaak van opschaling van trainingscapaciteit?
Welke keuzes voor de ruimtelijke regelgeving maakt u om de basisinfrastructuur voor defensie verder op orde te brengen, zowel als het gaat om ruimtebeslag, vergunningen voor gebruik en extra onderkomens bij de kazernes? Ziet u het gevaar van jarenlange procedures en heeft u die tijd?
De problemen met de Scania Gryphus |
|
Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht «Eerst kopen, dan kijken: Defensie komt in de knel met nieuwe vrachtwagens» van Follow the Money?1
Ja.
Welke doctrine lag ten grondslag aan de keuze om de Scania Gryphus aan te schaffen?
Defensie heeft binnen het programma «Defensiebrede Vervanging Operationele Wielvoertuigen (DVOW)» met het deelproject «Voertuigen 50kN, 100kN, 150kN» ruim 3.000 Scania Gryphus vrachtwagens besteld voor operationele inzet in het kader van de eerste en tweede hoofdtaak. Op 18 augustus 2008 heeft uw Kamer de behoeftestelling voor dit project ontvangen (Kamerstuk 26 396, nr. 72).
Defensie heeft uw Kamer vervolgens op 9 juni 2017 over haar keuze voor de Scania Gryphus geïnformeerd (Kamerstuk 27 830, nr. 201). Defensie heeft met de Scania Gryphus gekozen voor een robuuste vrachtwagen, die zowel in het expeditionair optreden als in gebieden zonder dreiging kan worden ingezet. De Gryphus-voertuigen zijn aangeschaft als transportmiddel om het materieel en de uitrusting van operationele eenheden zelfstandig te vervoeren. Een deel van de voertuigen is bedoeld voor vervoer van personeel of goederen tijdens militaire inzet. Een ander deel van de voertuigen is bedoeld om in combinatie met de container tijdens militaire inzet als werkplaats of kantoor te fungeren, voor bijvoorbeeld commandovoering.
Hoe groot is de impact van minder lucht in de banden op het laadvermogen?
In 2021 is een hoogte-overschrijding geconstateerd bij de Scania Gryphus High Operational (HO) inclusief de ISO-standaard 8-voets container. Op 7 september 2021 heeft Defensie uw Kamer over deze overschrijding geïnformeerd (Kamerstuk 26 396, nr. 116). De leverancier heeft de hoogte-overschrijding eind 2022 verholpen door de bandenspanning te verlagen van een maximale naar een gemiddelde banenspanning. Dit is mogelijk omdat het voertuig in de praktijk minder zwaar wordt beladen en zonder pantsercabine rijdt.
Het verlagen van de bandenspanning heeft geen impact op het laadvermogen van deze voertuigen. Voor zwaardere belading wordt de bandenspanning verhoogd. Doordat bij een hoger gewicht de vering van het voertuig inzakt, is geen sprake van een hoogte-overschrijding. Met deze aanpassingen voldoen alle varianten van de Scania Gryphus aan de geldende Nederlandse en Europese wet- en regelgeving voor de toegestane lengte, breedte, hoogte en het maximum gewicht.
Waarom zijn de mariniers in Noorwegen verkeerd geïnformeerd over de ontheffing door hun korpsleiding?
Het klopt dat in Noorwegen additionele eisen zijn gesteld aan het gebruik van winterbanden. Defensie vraagt een ontheffing aan voor de landen waar met defensievoertuigen niet kan worden voldaan aan de geldende civiele eisen voor winterbanden. In Noorwegen maakt Defensie gebruik van een vrijstelling voor militaire voertuigen, waardoor de Scania Gryphus met de huidige banden mag worden gebruikt op de openbare weg en het militair oefenterrein. Deze informatie is bekend bij de gebruikers.
Vindt u het ook onverteerbaar dat er geen geschikte winterbanden zijn voor de Scania Gryphus terwijl de behoefte aan inzet in winterse omstandigheden alleen maar toeneemt gezien de hernieuwde focus op hoofdtaak 1 en de spanning aan de NAVO-oostflank?
De Scania Gryphus is voorzien van zogenaamde Professional Off-Road (POR) banden, waarmee de inzet in winterse omstandigheden mogelijk is. Voor extreme winterse omstandigheden zijn spijkerbanden en sneeuwkettingen beschikbaar. Daarnaast is sinds kort een band met hogere grip beschikbaar, die in extreme winterse omstandigheden ook kan worden gespijkerd. Deze band wordt op korte termijn verworven.
Waarom moesten er eerst ongelukken gebeuren en een integriteitsmelding gemaakt worden voordat de veiligheidszorgen, die mariniers al langer uitten, serieus werden genomen? Waarom duurde het zo lang voordat deze veiligheidsrisico’s met andere krijgsmachtsonderdelen werden gedeeld? Hoe gaat u ervoor zorgen dat dergelijke meldingen in de toekomst sneller opgepakt worden en gedeeld worden met alle onderdelen?
Defensie neemt elke melding serieus. In 2022 ontving Defensie een melding van het vermoeden van een misstand bij het verwerven van operationele wielvoertuigen binnen het DVOW-programma. Naar aanleiding van deze melding heeft de secretaris-generaal een onderzoek laten instellen dat begin 2024 is afgerond. Op basis van dit onderzoek is geconcludeerd dat van een misstand geen sprake was. Het onderzoeken van een melding van (het vermoeden van) een misstand moet op zorgvuldige wijze plaatsvinden, vanwege de ernst van dergelijke meldingen en de bescherming van de belangen van de melder. Dit kost vanzelfsprekend tijd.
Voor systemen zoals de Scania Gryphus geldt dat binnen de materieelorganisatie potentiële risico’s en beperkingen doorlopend worden besproken en wanneer relevant gecommuniceerd aan gebruikers. Eind 2022 is aan gebruikers gecommuniceerd dat de huidige banden veilig zijn om mee te verplaatsen over de openbare weg onder winterse omstandigheden. Ook is beproefd dat een alternatief geen significante verbeteringen liet zien. In 2023 volgden een aantal incidentmeldingen in relatie tot het gebruik van de Gryphus in winterse omstandigheden, waaronder één waar sprake was van beperkte materiële schade. Defensie heeft deze meldingen serieus bekeken, maar dit leidde niet tot een ander beeld.
Meldingen van gevaarlijke situaties helpen Defensie om het werk van onze mensen veiliger te maken. Defensie werkt daarom voortdurend aan een positieve meldcultuur waarin het melden van onveilige situaties zo makkelijk mogelijk wordt gemaakt, en meldingen adequaat worden opgepakt. Zo werkt Defensie aan een sterke just culture, het verhogen van de meldingsbereidheid en een verdere verbetering van het stelsel van vertrouwenspersonen (Kamerstuk 36 410 X, nr. 82).
Wat vindt u ervan dat krijgsmachtonderdelen gedwongen worden om om de beperkingen van de Scania Gryphus heen te werken? Het «nieuwe werkpaard van de krijgsmacht' zou toch een solide ruggengraat moeten vormen in plaats van beperking op te leggen?
De Scania Gryphus is toegerust voor zijn taken en gebruiksprofiel en voldoet aan alle gestelde operationele en veiligheidseisen en de geldende wet- en regelgeving. Er wordt dus niet om beperkingen heen gewerkt. Het is voor Defensie namelijk te allen tijde van belang dat het materieel voldoet aan de gestelde eisen, de geldende wet- en regelgeving en dat het materieel veilig is voor de gebruikers en anderen.
Hoe beoordeelt u de uitspraken van aangehaalde interne bronnen die stellen dat de doctrinewijziging van het Korps Mariniers (deels) is ingegeven door de aanschaf van vrachtwagens die lastig op hun schepen passen? Dit is toch de verkeerde volgorde? Deelt u de mening dat materieel aangeschaft dient te worden op basis van een doctrine en niet een doctrine moet worden bedacht op basis van nieuw materieel?
Doctrines worden doorlopend aangepast. Hier kunnen verschillende redenen voor zijn, waaronder een veranderende veiligheidssituatie en de opkomst van moderne technologieën. De doctrinewijziging van het Korps Mariniers is ingegeven door de geopolitieke ontwikkelingen en gebaseerd op de toekomstvisie van het CZSK en het toekomstig operationeel optreden van het Korps Mariniers. Deze wijziging is dus niet het gevolg van de aanschaf van een bepaalde type vrachtwagens.
Wat is volgens u het nut van een logistiek voertuig dat niet geschikt is voor Europese infrastructuur zoals tunnels? Wat voor problemen brengt dit met zich mee voor eventuele mobilisatie richting de NAVO-oostflank?
Na aanpassing van de bandenspanning zijn alle varianten van de Scania Gryphus geschikt voor de Europese infrastructuur. Het kan in uitzonderlijk geval voorkomen dat de dimensies van de infrastructuur afwijken, bijvoorbeeld bij smalle bruggen of tunnels die niet hoog genoeg zijn. Defensie houdt bij de planning van verplaatsingen standaard rekening met eventuele afwijkende infrastructuur op de route. Tevens zet Defensie zich binnen het PESCO-project «Militaire Mobiliteit» in om obstakels in de verkeersinfrastructuur te verwijderen, met als doel om militaire bewegingen binnen Europa te versnellen. Daarnaast is het vergroten van de militaire mobiliteit ook één van de actielijnen in het Witboek Toekomst Europese Defensie van 19 maart 2025.
Verminderen de problemen van de Scania Gryphus volgens u de gereedheid en inzetbaarheid van de Nederlandse krijgsmachtsonderdelen? Kunt u uw antwoord motiveren?
Nee. De Scania Gryphus voldoet aan de gestelde operationele en technische eisen. Zoals bij meerdere systemen zijn ook bij de Gryphus-voertuigen soms problemen. Eventuele tekortkomingen in het ontwerp van de Scania Gryphus zijn en worden door Defensie samen met de leverancier opgelost. De leverancier is contractueel verplicht tot levering van het in de overeenkomst en bijbehorend programma van eisen overeengekomen product. Defensie ziet daarom geen beperkingen voor de gereedheid en inzetbaarheid van de krijgsmacht door de inzet van de Gryphus-voertuigen.
Is volgens u de keuze voor het ombouwen van een in beginsel civiel product achteraf de juiste gebleken voor militair gebruik? Kunt u uw antwoord motiveren?
De Scania Gryphus is ontwikkeld voor militair gebruik op basis van de door Defensie opgestelde functionele eisen. Daar waar mogelijk is de Gryphus voorzien van onderdelen die ook op civiele Scania voertuigen in gebruik zijn en hun deugdelijkheid hebben bewezen. Er is daarom geen sprake van een omgebouwd civiel product.
Is Scania Gryphus achteraf een miskoop gebleken? Kunt u uw antwoord motiveren?
Nee. De Scania Gryphus voldoet aan alle eisen van Defensie en is hiermee geschikt voor de taakstelling en het gebruiksprofiel waar het voertuig voor is aangeschaft. Defensie beschikt met de Scania Gryphus over een robuuste vrachtwagen die in uiteenlopende omstandigheden en in verschillende terreinen effectief kan worden ingezet.
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Ja.
Het werkbezoek van de staatssecretaris van Defensie aan Microsoft en Amazon |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Jimme Nordkamp (PvdA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Zsolt Szabó (VVD) |
|
|
|
|
Kunt u uitleggen wat het doel was van uw werkbezoek van 3 tot en met 5 maart 2025 aan Microsoft en Amazon in Seattle?1
Het doel van het werkbezoek was drieledig, namelijk: 1) Het krijgen van inzicht in de laatste technologische ontwikkelingen bij Microsoft en Amazon; 2) het bepalen van de impact die deze bedrijven hebben op het opereren van Defensie en 3) het ontwikkelen van meer inzicht op het gebied van autonomie en soevereiniteit op het gebied van data en informatie.
Kunt u het volledige programma van uw werkbezoek delen, met een overzicht van wie u heeft gesproken en wat het onderwerp van deze gesprekken was?
Vanwege privacy kunnen wij geen namen of functies geven, maar er is gesproken met beide bedrijven op het niveau van director & corporate vice president. Met deze vertegenwoordigers heb ik gesproken over oplossingen voor mobiele cloudomgevingen, verwerking en eigenaarschap van data, regelgeving en toepasbaarheid van de laatste technologische ontwikkelingen die relevant zijn voor Defensie.
Heeft u op dit werkbezoek concrete toezeggingen gedaan of afspraken gemaakt? Wat was uw boodschap richting de bedrijven?
Ik heb geen toezeggingen gedaan. Onze gevechtskracht is niet langer alleen afhankelijk van staal en vuur, maar ook van bits en bytes. Hierin biedt de expertise van techbedrijven zoals Microsoft en Amazon waardevolle inzichten. Mijn boodschap richting de bedrijven is om te onderzoeken hoe hun expertise en technologie bij kunnen dragen in operationele situaties, op een soevereine wijze.
Is de inhoud van het werkbezoek en uw inbreng bij de activiteiten afgestemd met het Ministerie van Binnenlandse Zaken en het Ministerie van Economische Zaken?
De inhoud van het werkbezoek is afgestemd met het Ministerie van Economische Zaken.
Deelt u de mening dat, in deze geopolitieke context, Nederland de afhankelijkheid van niet-Europese techbedrijven juist zou moeten verminderen?
Het kabinet heeft in 2023 de Agenda Digitale Open Strategische Autonomie (DOSA) met uw Kamer gedeeld.2 Het Kabinet constateert in de Agenda DOSA dat, in deze veranderende context, we strategisch moeten gaan kijken naar digitale technologie, en in het bijzonder naar strategische afhankelijkheden met een hoog risico.
We hebben een langdurige trans-Atlantische relatie met de VS. De VS is en zal een cruciale partner voor Nederland blijven, met gedeelde veiligheids- en economische belangen, waaronder ook digitale aspecten vallen.
Nederland zal blijven werken aan een goede werkrelatie met de VS. Ontwikkelingen in de VS, ook ten aanzien van tech, volgen elkaar snel op. We houden deze ontwikkelingen op technologisch- en veiligheidsgebied in de VS nauwlettend in de gaten.
Een te grote afhankelijkheid van één marktpartij is echter ongewenst. In de afweging welke data wij in eigen beheer verwerken en wat in de public cloud, moeten risicovolle strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen. Daarbij wordt expliciet gekeken naar Europese tech-bedrijven.
Acht u de totale afhankelijkheid van clouddiensten van niet-Europese techbedrijven een mogelijk risico voor de Nederlandse en Europese autonomie en veiligheid?
Zoals ook door de Algemene Rekenkamer is geconstateerd, wordt er veelvoudig gebruik gemaakt van public clouddiensten, waarbij meer dan de helft van de materieel public clouddiensten3 bij «big tech» ingekocht wordt4. Er is hiermee echter nog geen sprake van een «totale afhankelijkheid». In de afweging welke data we in eigen beheer verwerken en wat in de public cloud moeten risicovolle strategische afhankelijkheden én marktconcentraties worden meegewogen.
Defensie gaat uit van een spreiding van risico’s door clouddiensten in de eigen datacentra en bij verschillende cloud aanbieders onder te brengen, zowel binnen als buiten Europa. Er zal dus geen sprake zijn van totale afhankelijkheid van niet-Europese techbedrijven. Defensie weegt per situatie af of een eventuele afhankelijkheid acceptabel is. Daarbij worden ook de aspecten autonomie en veiligheid per situatie beoordeeld.
Heeft het Ministerie van Defensie een strategie voor het terugdringen van strategische afhankelijkheden van niet-Europese techbedrijven? Zo ja, hoe gaat u deze afhankelijkheden verminderen? Zo nee, waarom niet en bent u bereid deze strategie alsnog te ontwikkelen?
Het beleid van Defensie draagt op verschillende manieren bij aan het vergroten van onze strategische autonomie en het positioneren van onze Nederlandse kennis-, technologie- en industriebasis. Begin april 2025 wordt de nieuwe Strategie van Defensie naar uw Kamer gestuurd, waarin toegelicht zal worden hoe Defensie strategische afhankelijkheden wil verminderen door zelf te investeren in de kennis- en industriebasis. Hoe sterker Europa en Nederland zijn, hoe minder afhankelijkheid. Defensie neemt daarnaast ook verschillende beschermende maatregelen: bepaalde producten, onderdelen en/of capaciteiten zullen in Nederland behouden of ontwikkeld moeten worden om (cruciale) (wapen)systemen van de krijgsmacht – en haar bondgenoten – te kunnen produceren, op te kunnen schalen en te ondersteunen.
Welke strategische investeringen doet het Ministerie van Defensie op het gebied van autonomie in het digitale domein? Acht u het in het belang van de Nederlandse veiligheid om de capaciteit van de Nederlandse en Europese techsector te benutten en versterken door te investeren in hun diensten en deze af te nemen?
Om internationaal een speler van betekenis te blijven, mee te blijven lopen in de mondiale (technologische) ontwikkelingen en onze afhankelijkheid van anderen te beperken, is het verkrijgen en het behouden van leiderschap op strategische technologische punten voor Nederland en Defensie belangrijk. Nederland heeft een sterke en kennisintensieve technologische en industriële basis die hoogwaardige producten en diensten levert. De gewijzigde geopolitieke context en de snelle technologische ontwikkelingen maken dat investeringen in de Nederlandse Technologische en Industriële Basis (NLDTIB) nodig zijn. Een sterke krijgsmacht en een sterk Nederland, kan alleen als de NLDTIB en Europese Technologische Industriële Basis (EDTIB) versterkt worden. Het internationaal positioneren van Nederlandse en Europese technologiebedrijven is daarbij van belang. Begin april wordt de nieuwe Defensie Strategie voor Industrie en Innovatie (D-SII) en de bijbehorende Strategische Actieagenda Industrie, Innovatie en Kennis – Defensie (STRAIIK-D) aangeboden aan de Kamer. Daarin zullen deze ambities en versterkingen toegelicht worden.
Welke acties onderneemt u om Nederlandse en Europese techbedrijven structureel meer te betrekken bij Defensie-aanbestedingen en strategische IT-infrastructuur?
Defensie werkt aan versterkte publiek-private samenwerking o.a. via Defport. Defport draagt bij aan het versnellen van de militaire materieelgereedheid door de afstand tussen Defensie en de private sector te verkleinen. Ook de regionale programmabureaus en de opbouw van regionale ecosystemen en uitbreiding van MINDBases dragen bij aan het verkleinen van de afstand tussen Defensie, kennisinstellingen en industrie. Het is voor de Europese strategische autonomie van groot belang dat er strategische samenwerking bestaat met Nederlandse en Europese techbedrijven. Defensie zet in op een nauwe samenwerking met het bedrijfsleven. Specifiek voor IT heeft Defensie sinds enkele jaren verschillende dialoogtafels met IT-bedrijven die betrekking hebben op huidige en toekomstige ontwikkelingen, om samen op te trekken en vruchtbare partnerschappen te ontwikkelen voor de lange termijn zodat snel kan worden ingespeeld op de behoeften van Defensie. Deze maandelijkse dialoog-tafels stellen Defensie in staat om uitdagingen voor te leggen aan de markt, om te komen tot nieuwe samenwerkingen, oplossingen en versnelling.
Heeft u een plan om bestaande samenwerkingen met Nederlandse en Europese techbedrijven binnen Defensie op te schalen? Welke acties onderneemt u om dit te bereiken?
Ja, mede dankzij de Defensie IT-leveranciersdialoog is Defensie in staat geweest om strategische partnerschappen aan te gaan met diverse IT-bedrijven. Zoals in de Defensienota 2024 is aangekondigd zal Defensie eraan werken om nieuwe technologieën, nadrukkelijk afkomstig van de Nederlandse industrie, te integreren in militaire toepassingen.
Nationale samenwerking met andere departementen, kennispartners en het bedrijfsleven in Nederland leidt tot betere resultaten voor zowel de krijgsmacht als het Nederlandse verdienvermogen en de maatschappij. De samenwerking wordt ingericht via verschillende ecosystemen, per onderwerp en per regio. Defensie legt haar behoeften neer bij de industrie, de capability pull. Kennisinstellingen, start-ups, MKB’ers en Original Equipment Manufacturers (OEM’s) werken samen aan oplossingen die Defensie nodig heeft. Ook is er nadrukkelijk ruimte voor ideeën vanuit de industrie en civiele technologieën die betekenisvol kunnen zijn voor Defensie. Nederlandse en Europese (tech)bedrijven worden hiermee nauwer verbonden aan de opgaves van Defensie en gepositioneerd om vroegtijdig mee te werken aan uitdagingen.
Hoe stimuleert u Nederlandse en Europese partijen om mee te dingen naar aanbestedingen op het gebied van defensie en veiligheid? Welke drempels ervaren deze bedrijven momenteel en hoe gaat u die wegnemen?
Het eerste deel van deze vraag heb ik beantwoord in vraag 9. Betreffende het tweede deel: Eén van de knelpunten is toegang tot financiering. Met name start-ups, scale-ups en het MKB lopen tegen deze drempel aan. Uw Kamer is recent per brief geïnformeerd5 over deze financieringsknelpunten. In deze brief kondigt Defensie vier actielijnen aan om deze knelpunten op te lossen. Deze actielijnen zetten in op 1) het bieden van lange termijnvraag, 2) het mobiliseren van private investeringen en beter gebruik maken van bestaande instrumentaria 3) het optimaliseren van overheidsprocessen en 4) het versterken van de dialoog met de markt, bijvoorbeeld met het publiek-private platform Defport.
Heeft u, naast de samenwerking met niet-Europese techbedrijven, ook onderzocht welke Europese cloud- en technologiealternatieven beschikbaar zijn voor Defensie? Zo ja, welke Europese partijen heeft u hiervoor in beeld? Zo nee, waarom niet?
Ja, Defensie is een onderzoek gestart naar mogelijkheden om cloudomgevingen voor Defensie te ontwikkelen met Europese leveranciers. De gesprekken daarover verkeren nog in een commercieel vertrouwelijke fase.
Bent u bereid (alsnog) gesprekken te initiëren met Europese alternatieven zoals OVHcloud, Nextcloud, of het GAIA-X-initiatief?
Ja.
Wat bedoelt u precies met uw openbare uitspraak: «Met een slimme mix van eigen en commerciële cloudoplossingen vergroten we onze digitale slagkracht»?2
Defensie ontwikkelt eigen IT zoals commandovoeringssystemen en IT-infrastructuur zoals de private cloud binnen het programma GrIT. Daarnaast is er een wereldwijde zeer snelle en innovatieve technologie-ontwikkeling in de public cloud. Om militair relevant te blijven op het slagveld met digitale technologie zal Defensie deze technologieën moeten combineren. Het combineren hiervan is onderdeel van de multicloud strategie van Defensie. Dit is een cruciaal onderdeel van de digitale transformatie van Defensie.
Hoe worden de diensten van Microsoft en Amazon momenteel gebruikt in de Defensie-architectuur? Welke Defensie-onderdelen zijn afhankelijkheid van deze diensten?
In de architectuur staan de clouddiensten van Microsoft en Amazon als «onderlaag» die gebruikt wordt voor ongepubliceerde of laag-gerubriceerde informatiesystemen. Naast clouddiensten neemt Defensie bij Microsoft ondersteuningsdiensten af voor de inzet van diverse Microsoft producten die op diverse plekken in de generieke IT-infrastructuur van Defensie worden toegepast. Voor de daadwerkelijke inzet zijn er geen afhankelijkheden van deze diensten (wel van de producten). Voor de lange termijn continuïteit heeft heel Defensie afhankelijkheden. Een van de belangrijkste afhankelijkheden is de cybersecurity ondersteuning van de diverse Microsoft producten.
Welke gegevens worden door Defensie bewaard, verwerkt, of gedeeld via de clouddiensten van Microsoft en Amazon? Heeft de Verenigde Staten, onder de CLOUD Act, toegang tot deze (gevoelige) gegevens?
Defensie verwerkt en bewaart alleen ongerubriceerde of laag gerubriceerde gegevens in de clouddiensten van Microsoft en Amazon.
Het Nationaal Cyber Security Centrum heeft in augustus 2022 een onderzoeksrapport over de CLOUD Act gepubliceerd. In dit onderzoek stelt Greenberg Traurig dat het risico dat de Amerikaanse overheid toegang krijgt tot Europese (persoons)gegevens, specifiek op basis van de CLOUD-act, weliswaar voorstelbaar, maar in de praktijk ook (heel) klein is.
Defensie verwerkt geen hoog gerubriceerde informatie in cloud-diensten van Microsoft en Amazon. Om een goede afweging te maken over de risico’s en de baten, hanteert Defensie een cloud-afwegingskader.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar beantwoorden?
Wegens de samenhang tussen vragen 9 en 11 is een gedeelte van deze beantwoording samengevoegd. Alle overige vragen zijn afzonderlijk van elkaar beantwoord.
Beperkte oefenmogelijkheden voor de luchtmacht |
|
Diederik van Dijk (SGP) |
|
Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel «Na Ramstein Flag kan op vliegbasis amper nog gevlogen worden»1? Hoe beoordeelt u dit bericht, vooral als het gaat om de zeer beperkte oefenmogelijkheden die resteren na Ramstein Flag?
Ja.
Defensie is zich bewust van de vergunde geluidsruimte die door middel van het Luchthavenbesluit Leeuwarden voor de vliegbasis is vastgesteld. Een grote oefening als Ramstein Flag waarbij ook ’s avonds wordt gevlogen heeft een groot aandeel in de geluidsbelasting. Dit staat op gespannen voet met de noodzakelijke training om inzet gereed te worden en te blijven. Juist in deze tijd van geopolitiek onrust is het van cruciaal belang dat onze mensen voldoende getraind zijn en er voldoende oefenmogelijkheden zijn.
Bent u bereid het Besluit Militaire luchthavens te evalueren en te bezien welk effect de regels en de kosteneenheden hebben op de oefenmogelijkheden voor de luchtmacht? Zo ja, kunt u dit naar de Kamer sturen?
Het Ministerie van Defensie bereidt een wijziging van het Besluit militaire luchthavens (Bml) voor om de geluidbelastingmaat Kosteneenheden (Ke) te vervangen door Lden. Dit is eerder gebeurd voor de burgerluchtvaart. Bij de voorbereiding van deze wijziging zal onder andere aandacht zijn voor de operationele mogelijkheden voor de luchtmacht en de bescherming van de omgeving rond militaire luchthavens. Hierover informeer ik uw Kamer in het derde kwartaal van dit jaar.
Bent u van mening dat de Luchtmacht vanaf Leeuwarden genoeg vlieguren per jaar kan maken of zou u dit idealiter verhogen? Kunt u dit nader onderbouwen?
Ondanks intensief gebruik van simulatoren en oefeningen in het buitenland zijn er momenteel onvoldoende oefenmogelijkheden binnen Nederland. Uitbreiding van oefenmogelijkheden is nodig voor de geoefendheid van onze militairen en is opgenomen in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD). Ook is extra capaciteit nodig voor tijdelijke stationering van jachtvliegtuigen van bondgenoten («bed-down») en voor tactische spreiding van eigen jachtvliegtuigen en van bondgenoten op basis van het «Agile Combat Employment» (ACE) concept van de NAVO. Daarnaast is extra capaciteit nodig vanwege de bijdrage van Nederland aan grootschalige NAVO-oefeningen zoals Frisian Flag en Ramstein Flag. De totale uitbreiding van jachtvliegtuigactiviteiten die Defensie voor ogen heeft voor Nederland, zoals is opgenomen in het NPRD, komt neer op 2.300 sorties (starts en landingen) op jaarbasis. Dit komt bovenop de huidige beschikbare ruimte van 5.200 sorties per jaar en telt dus op tot een totaal van 7.500 sorties per jaar verspreid over Nederland.
In het kader van het NPRD vindt momenteel besluitvorming plaats op welke wijze de benodigde toename van het aantal sorties het beste kan worden geaccommodeerd. Eind mei wil ik uw Kamer de ontwerp Beleidsvisie Nationaal Programma Ruimte voor Defensie toekomen.
Is er binnen het luchtvaartbesluit en de overige wet- en regelgeving enig maatwerk mogelijk dat rekening houdt met de grootte van oefeningen en spreiding gedurende het jaar?
Ja, maatwerk is mogelijk. In het Luchthavenbesluit Leeuwarden is een geluidsruimte vastgesteld. Deze geluidsruimte bepaalt de maximale geluidbelasting die op jaarbasis als gevolg van het gebruik van de vliegbasis mag worden gemaakt.
Defensie plant en spreidt binnen het jaar de oefeningen en trainingen om binnen de geluidsruimte te blijven. Dit is nu mogelijk doordat F35’s de oostflank van het NAVO-verdragsgebied bewaken vanaf Ämari en deelnemen aan oefeningen in het buitenland.
Bent u bereid de nachtstraffactor voor de geluidsruimte te beschouwen en eventueel bij te stellen als deze excessief beperkend is voor het adequate oefenen en vliegen onder omstandigheden als nachtvliegen?
Bij de voorbereiding van de wijziging van het Bml, zoals beschreven bij het antwoord op vraag 2, zal ook aandacht zijn voor de straffactoren en het effect daarvan op de berekening van de geluidbelasting.
Welke rol speelt het Besluit Militaire luchthavens in de vormgeving van het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie? En kunt u schetsen hoeveel men erop vooruit gaat met het aantal vliegbewegingen en vlieguren bij de nieuwe ruimtebehoeften inzake laagvlieggebieden en jachtvlieggebieden?
Het Bml geeft voor militaire luchthavens de milieutechnische en ruimtelijke kaders. Vervolgens worden o.a. de geluidsruimtes en de openingstijden voor de specifieke vliegbases in luchthavenbesluiten vastgesteld. Het NPRD is bedoeld om voldoende ruimte te waarborgen voor de uitvoering van militaire taken, rekening houdend met andere ruimtelijke belangen. Na definitieve besluitvorming over het NPRD, eind 2025, zullen indien nodig luchthavenbesluiten worden gewijzigd.
Ten aanzien van de uitbreiding van de jachtvliegtuigcapaciteit in het NPRD zie het antwoord op vraag 3.
Defensie zoekt als onderdeel van het NPRD naar meer laagvlieggebieden voor helikopters vanwege de structurele toename van het aantal helikopterbewegingen in Nederland. Dat heeft o.a. te maken met de veranderende veiligheidssituatie en de hiermee gepaard gaande veranderende taakstelling van helikopters. Een onderdeel hiervan is een toename in laagvliegtraining, omdat laagvliegen noodzakelijk is tijdens missies in een hoger geweldsspectrum. Daarnaast is er meer diversiteit in de laagvlieggebieden nodig om afwisseling in de trainingen te realiseren. Dit verbetert de kwaliteit van de training.
Welke overige knelpunten zijn er bekend rond het oefenen en voldoende vlieguren maken en vliegbewegingen uitvoeren voor operationele piloten van de Koninklijke Luchtmacht? Kunt u de Kamer daarover informeren?
Defensie inventariseert of de geldende wet- en regelgeving, die ingericht is voor vredestijd, leidt tot andere knelpunten dan de fysieke en milieuruimte die wordt geadresseerd met het NPRD. Vanuit die hoedanigheid, lopen er vanuit Defensie nu verschillende initiatieven, het eerdere genoemde NPRD maar ook het voornemen om te komen tot een Wet op de defensiegereedheid, waarover Defensie uw Kamer binnenkort informeert. Beide initiatieven moeten verzekeren dat de gereedheid van het militair vermogen van de krijgsmacht is geborgd en de gereedstelling niet in gevaar komt.
De natuurvergunningproblematiek bij Defensie |
|
Joost Eerdmans (EénNL) |
|
Femke Wiersma (minister landbouw, visserij, voedselzekerheid en natuur) (BBB), Gijs Tuinman (BBB) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Tegenslag dreigt voor Defensie: rechtbank heropent onderzoek naar natuurvergunning» van Omrop Fryslân?1
Ja.
Klopt het dat de stikstofregels momenteel uitbreidingen en trainingen van Defensie blokkeren?
Ja, de recente uitspraken hebben impact, vooral vanwege de werking met terugwerkende kracht als het gaat om intern salderen, Defensie doet onderzoek naar de precieze impact op de activiteiten die nodig zijn voor de gereedstelling en de uitbreiding van Defensie.
Zoals ook aangegeven in de beantwoording van de schriftelijke vragen van Nordkamp (GL-PvdA) op 7 februari 2025 (kenmerk 2025Z00721) gelden, als gevolg van de recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 december 2024, aangescherpte eisen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit (hierna: natuurvergunning). Het nieuwe beoordelingskader is direct van toepassing en heeft niet alleen gevolgen voor lopende en toekomstige vergunningprocedures, maar ook voor activiteiten die de afgelopen vijf jaar met toepassing van intern salderen vergunningvrij zijn gerealiseerd en waarvoor nu mogelijk alsnog een natuurvergunning nodig is. De beoordelings- en vergunningseisen kunnen ertoe leiden dat de uitbreiding van bestaande activiteiten en toevoeging van nieuwe activiteiten, die noodzakelijk zijn om onze militairen voor te bereiden op een gevecht, onvergunbaar zijn. We onderzoeken nog of de ADC aanpak in de gevraagde ruimte kan voorzien.
Klopt het dat oefenterreinen en kazernes momenteel niet kunnen uitbreiden vanwege stikstofbeperkingen? Welke gevolgen heeft dit voor de operationele inzetbaarheid van onze krijgsmacht?
Ja, dat klopt. De uitvoering van de grondwettelijke taak van de krijgsmacht staat met de uitspraken van de Afdeling van 18 december 2024 extra onder druk. Omdat Defensie geen uitzondering heeft op wetgeving en tevens veel in en nabij natuurgebieden opereert, zijn uitbreidingen lastig te realiseren.
De invloed van Defensie op de totale stikstofdepositie in Nederland is gering. Echter, de impact van de aangescherpte eisen op de activiteiten van Defensie lijkt groot. De precieze impact wordt nog geanalyseerd. De Ministeriële Commissie Economie en Natuur (MCE&N) is opgericht om de vergunningverlening vlot te trekken en de natuur te herstellen. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar vergunningverlening voor Defensie.
Hoeveel tijd, geld en capaciteit gaan er binnen Defensie op aan het verkrijgen en verdedigen van natuurvergunningen?
Hoeveel tijd, geld en capaciteit specifiek wordt ingezet voor het verkrijgen en verdedigen van natuurvergunningen is niet precies te zeggen. Wel is duidelijk dat de inzet van Defensie op dit gebied de laatste jaren is toegenomen en dat de huidige capaciteit, inclusief de juridische capaciteit, ontoereikend is. Enerzijds omdat er achterstanden waren, zoals ook is aangegeven in de beleidsreactie op de Signaalrapportage van de Inspectie, Leefomgeving en Transport.2 Daarbovenop is deze inzet, ook vanwege de groei van defensieactiviteiten, geïntensiveerd. De Afdelingsuitspraken van 18 december 2024 zullen er naar verwachting toe leiden dat meer tijd, geld en capaciteit, waaronder personele capaciteit, nodig zal zijn voor natuurvergunningen voor defensielocaties.
Deelt u de analyse dat strenge stikstofregels onze nationale veiligheid in gevaar brengen?
Zoals op vragen 2 en 3 is geantwoord, raken de recente uitspraken maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder Defensie.3
Defensie is gehouden aan bestaande wet- en regelgeving. Tegelijkertijd staat ook vast, zoals gecommuniceerd in de eerder genoemde Signaalrapportage, dat de verantwoordelijkheden en maatschappelijke opgaven van Defensie niet vergelijkbaar zijn met andere sectoren in Nederland. Politieke keuzes zijn noodzakelijk nu Defensie groeit vanwege de toegenomen geopolitieke dreiging. Er moet worden voorkomen dat Defensie door de aangescherpte eisen voor het verkrijgen van een natuurvergunning wordt belemmerd in deze taakuitvoering of het nakomen van deze internationale verplichtingen. Het is daarom de inzet van de MCE&N om o.a. de belangen van Defensie mee te nemen in de ontwikkeling van maatregelen in het licht van de recente rechtspraak.
Bent u bereid om Defensie volledig vrij te stellen van stikstofregels om haar taken niet in gevaar te brengen? Zo nee, waarom niet?
Het uitgangspunt is dat Defensie de activiteiten en projecten die nodig zijn voor de gereedstelling, zoals trainen en oefenen, binnen de bestaande wettelijke kaders en procedures uitvoert. De reële dreiging als gevolg van de geopolitieke situatie in Europa vereist echter dat de krijgsmacht zich sneller, beter en in grotere mate gereed moet stellen om hoofdtaak 1 te kunnen uitvoeren: het beschermen van ons grondgebied en/of dat van onze bondgenoten. Dit is een grote opgave voor Defensie. De tijdige en stelselmatige gereedstelling – het voorbereiden van militairen op een gevecht – wordt belemmerd door de (aanscherping van) huidige wet- en regelgeving en procedures.
Met verschillende initiatieven die nu vanuit Defensie lopen te weten het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie en het voornemen om te komen tot een Wet op de defensiegereedheid, worden keuzes voorgelegd aan het kabinet waarbij het gewenste evenwicht moet worden gevonden tussen het beschermen van de leefomgeving en het uitvoeren van defensieactiviteiten voor de nationale veiligheid en de voorbereiding van onze militairen op een gevecht.