Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Ik ga er van uit dat wordt gedoeld op het Plan van Aanpak van de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie. De focus van de politie ligt op de uitvoering van haar kerntaken. Dit betekent dat zij, in overeenstemming met artikel 3 van de Politiewet 2012, zorgt voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Dit vereist een professionele politieorganisatie waarin leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. De Inspectie stelt in het plan van aanpak: «Uitsluiting, discriminatie en racisme (UDR) binnen de politie vormen een risico voor de kwaliteit van de taakuitvoering. Zo kan UDR het onderlinge vertrouwen tussen agenten aantasten, terwijl dat een randvoorwaarde is voor het veilig uitvoeren van de soms gevaarlijke politietaken. Ook moeten politiemedewerkers op basis van artikel 1 van de Grondwet elkaar en de mensen waarmee zij in contact komen gelijkwaardig behandelen, wie of wat zij ook zijn.»
Uit het plan van aanpak blijkt dat de Inspectie op eigen initiatief in 2025 heeft besloten om een korte oriëntatie uit te voeren naar de uitwerking van de door de politie voorgestelde maatregelen om uitsluiting, discriminatie en racisme binnen de politieorganisatie aan te pakken. De IJenV is onafhankelijk en beslist zelfstandig over haar eigen onderzoeksprogrammering.
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Het betreft een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat nog moet worden uitgevoerd. Zodra het onderzoek door de Inspectie is afgerond zullen de resultaten ervan op de gebruikelijke wijze openbaar worden gemaakt.
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Inspectie Justitie en Veiligheid. De kaders van het onderzoek worden door de Inspectie bepaald.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
In algemene zin ben ik van mening dat agenten met vertrouwen en rugdekking van de leiding hun werk moeten kunnen doen. Politieagenten zetten zich elke dag in voor de veiligheid van onze samenleving, vaak onder veeleisende en moeilijke omstandigheden. Zij verdienen hiervoor onze volle waardering. De basis van alle politietraining blijft vakbekwaamheid en professionaliteit; onder andere middels de Integrale Beroepsvaardigheden Trainingen waarin politieagenten worden ondersteund en getraind in het daadkrachtig en rechtmatig optreden op straat. Handelend optreden, handhaven, geweldsbeheersing, en juridische kennis staan hierbij centraal. Ook wordt juridische ondersteuning laagdrempelig beschikbaar gesteld. In de opleidingen wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan professioneel en daadkrachtig optreden binnen de wettelijke kaders. Medewerkers worden hierbij ondersteund door hun leidinggevende. Leidinggevenden moeten oog houden voor de continuïteit en professionaliteit van de operatie én oog houden voor de belasting en weerbaarheid van collega's.
Een professionele politieorganisatie betekent dat leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. In zo’n organisatie is geen plaats voor uitsluiting, discriminatie en racisme. Een stevige leiderschapsontwikkeling is om deze reden opgenomen in de strategische agenda van de politie 2025–2030. Hiermee wordt erkend dat leidinggevenden een cruciale positie hebben in de organisatie, omdat zij meer verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van andere medewerkers, meer formele invloed hebben op de gang van zaken binnen de organisatie en een voorbeeldrol vervullen. De organisatie investeert in leidinggevenden die bijdragen aan het bewerkstelligen van veilige en inclusieve teams.
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Aangezien het een onderzoek van de Inspectie betreft, kan ik geen toezeggingen doen over tussentijdse voortgangsrapportages. Zodra de Inspectie het onderzoek heeft afgerond en aan mij heeft aangeboden, zal ik uw Kamer – conform de gebruikelijke termijnen – hierover informeren en het rapport doen toekomen.
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. De politie heeft geen apart overzicht van alle inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Een krachtige politie is per definitie professioneel en handelt binnen de wet. Discriminatie ondermijnt het gezag en de effectiviteit van de organisatie. Leidinggevenden moeten zich bewust zijn van hun cruciale rol bij het voorkomen en aanpakken van uitsluiting, discriminatie en racisme.
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Voor een effectieve uitvoering van de politietaak is een professionele, zelfbewuste organisatie nodig. Aanwezigheid en zichtbaarheid van de politie in de wijk is en blijft een topprioriteit. Om dit te versterken zet de politie in op het verminderen en efficiënter inrichten van administratieve lasten. Het programma Vernieuwen Registreren (PVR) ondersteunt collega’s daarbij, zodat zij meer tijd hebben voor het werk op straat en zichtbaar kunnen zijn in de wijk.
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning.
Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf. Of in een concreet geval sprake is van een strafbaar feit, is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de strafrechter.
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel dat schijnhuwelijken met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht plaats kunnen vinden. Ik zet mij er dan ook voor in om dit tegen te gaan.
Op het moment dat de IND aanwijzingen heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk, kan de verblijfsaanvraag worden afgewezen of kunnen verleende verblijfsrechten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Hiervoor moet de IND vaststellen dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan met het doel verblijfrecht te verkrijgen. Dit gebeurt of basis van verklaringen van betrokken, informatie van gemeenten, en bevindingen uit onderzoek. Veelal wordt de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie gevraagd een onderzoek (adrescontrole) in te stellen. Indien het Nederlanderschap is verkregen op basis van onjuiste gegevens kan door de IND worden bezien of intrekking daarvan aan de orde is, binnen de kaders van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het Nederlanderschap is verkregen op basis van fraude, misleiding of het achterhouden van relevante informatie. De IND stelt hiervoor een dossier op met de relevante feiten en bewijsstukken en beoordeelt of aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan. Voor de benodigde informatie en verificatie werkt de IND samen met gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van gegevens uit de Basisregistratie Personen. Daarnaast kan informatie worden betrokken van andere ketenpartners, zoals de politie of toezichthoudende instanties. Daarnaast doet de IND na constatering van een schijnhuwelijk aangifte bij de politie. Dit kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude of valsheid in geschrifte.
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud, context en vergt juridische beoordeling.
Het is aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te besluiten of er aanleiding bestaat om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Over eventuele lopende onderzoeken worden in beginsel door het kabinet geen publieke uitspraken gedaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën3 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn verschillende doelen die als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.4 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets.
Een van de wettelijke voorwaarden is dat de instelling via internetinformatie met betrekking tot haar functioneren openbaar maakt.6 Indien de inspecteur constateert dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt in de praktijk in de regel eerst een hersteltermijn geboden. Als de instelling na afloop van die termijn de benodigde informatie niet openbaar heeft gemaakt, wordt haar ANBI-status ingetrokken.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Een overtreding van wet- en regelgeving kan dus pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.7
De integriteitstoets brengt ook met zich dat de ANBI-status wordt ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Ja.
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud en context en vergt juridische beoordeling.
Het Openbaar Ministerie beslist over het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Ik kan het OM dus geen opdracht geven om tot strafrechtelijk onderzoek over te gaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht te verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning. Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf.
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat de Stichting Migreat vanaf 1 januari 2022 de ANBI-status heeft. Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën2 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kan worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.3 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.4 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets. Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. De Belastingdienst verkrijgt die informatie niet automatisch, maar is daarvoor afhankelijk van partijen zoals het OM en de FIOD. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.5 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
Zoals in het antwoord op 3 en 4 is toegelicht is het neutrale karakter een belangrijke eigenschap van de ANBI-regeling. Daardoor hebben instellingen de vrijheid om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen. Zo kan bijvoorbeeld zowel een «pro-migratiedoelstelling» als een «anti-migratiedoelstelling» onder dezelfde voorwaarden als algemeen nuttig worden gezien. Het kabinet is niet voornemens hierin een wijziging aan te brengen.
Wel wordt de vrijheid voor ANBI’s om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen begrensd door de voor iedereen – en dus ook voor ANBI’s – geldende wet- en regelgeving. Een overtreding van deze geldende wet- en regelgeving kan echter pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.6
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.
Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.
Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.
Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.
Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.
Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.
Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.
In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.
Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.
Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.
Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.
De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.
Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.
Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.
Het bericht 'Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij' |
|
Jeltje Straatman (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Foort van Oosten (VVD), Becking |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Voor vier op de tien scholieren uit Groningen en Drenthe komt georganiseerde criminaliteit dichtbij»?1
Ja.
Deelt u de mening dat het zeer zorgwekkend en onaanvaardbaar is dat een dergelijk groot aandeel jongeren in deze regio’s in aanraking komt met georganiseerde criminaliteit?
Ja, het rekruteren van jongeren voor de georganiseerde criminaliteit is een ernstige zaak. De bestrijding hiervan neem ik zeer serieus.
Hoe duidt u deze cijfers specifiek voor Groningen en Drenthe, mede in het licht van de bredere aanpak van ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland?
De provincies Groningen en Drenthe worden, net als andere regio’s in Nederland, geconfronteerd met ondermijnende criminaliteit. De cijfers onderstrepen het belang van de strijd die het kabinet voert tegen ondermijnende criminaliteit in heel het land.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) maakt met de Landelijke jeugdmonitor2 per gemeente inzichtelijk hoeveel jongeren in aanraking komen met criminaliteit. Deze monitor laat zien dat het aandeel jeugdige verdachten (12–23 jaar) erg verschilt per gemeente. Uit de data blijkt dat in de gemeente Groningen het aantal verdachte jongeren vergelijkbaar is met de Randstad. In Drenthe is het aantal verdachte jongeren gemiddeld ten opzichte van andere delen van Nederland (Landelijke jeugdmonitor 2025). Uit een vergelijkende analyse van het dashboard «Zicht op ondermijning»3 blijkt dat respectievelijk 55% en 63% van alle gemeenten in Nederland hoger scoren op het gebied van jonge aanwas dan de gemeenten in Groningen en Drenthe (data uit 2023).
Beschikt u over vergelijkbare regionale cijfers voor andere delen van Nederland, en hoe verhouden de signalen uit Groningen en Drenthe zich tot de rest van het land?
Zie antwoord vraag 3.
Hoe verklaart u dat juist in Groningen en Drenthe dergelijke hoge percentages worden gemeten, en ziet u hier specifieke regionale risicofactoren, zoals beperkte handhavingscapaciteit en een ontstaan waterbedeffect voor ondermijnende criminaliteit in die regio’s?
Specifiek in Noord-Groningen zijn de percentages jeugdige verdachten iets hoger dan in de meeste andere gebieden in Nederland. Mogelijke oorzaken zijn de aantrekkingskracht van een omvangrijk buitengebied met enkele zeehavens, een luchthaven en een goede ontsluiting over weg, water en spoor, ook richting Duitsland en de Scandinavische landen. Er is op basis van de beschikbare data geen relatie te leggen met de beschikbare handhavingscapaciteit. Ook duiden de beschikbare data niet op een waterbedeffect.
Kunt u aangeven welke concrete resultaten de huidige landelijke aanpak van jeugdige betrokkenheid bij ondermijnende criminaliteit in Noord-Nederland de afgelopen drie jaar heeft opgeleverd?
De gemeenten Groningen en Leeuwarden nemen deel aan het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV) en Preventie met Gezag. De inzet van Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. Binnen het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid wordt gewerkt aan problemen op het gebied van onderwijs, armoede, gezondheid, wonen en veiligheid.
Tussen 2018 en 2024 verbeterde de leefbaarheid in de NPLV-gebieden iets sterker dan landelijk. Hierbij gaat het om verbeteringen in de fysieke omgeving, woningvoorraad, voorzieningen, sociale samenhang, overlast en onveiligheid. De bereikte resultaten zijn beschreven in de voortgangsrapportage van het NPLV4.
In hoeverre maakt de preventie van jeugdige betrokkenheid bij georganiseerde en ondermijnende criminaliteit expliciet onderdeel uit van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid in Groningen en welke concrete resultaten zijn tot dusver bereikt in de betrokken gebieden?
Zie antwoord vraag 6.
Acht u de politiecapaciteit, preventieve inzet en ketensamenwerking tussen gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Groningen en Drenthe toereikend om ronselpraktijken onder jongeren tijdig te signaleren en effectief tegen te gaan? Hoe is de rolverdeling binnen deze samenwerking vormgegeven, hoe wordt deze gemonitord, en waarop baseert u uw oordeel over de effectiviteit daarvan?
De gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie in Noord-Nederland werken er hard aan om ervoor te zorgen dat ronselpraktijken onder jongeren tijdig en effectief gesignaleerd worden. Zo wordt binnen de Drentse aanpak Ondermijning, de Regionale aanpak Ondermijning en binnen het RIEC Noord-Nederland aandacht besteed aan de aanpak rondom uitbuiting van jongeren. Het Openbaar Ministerie probeert daarbij de verbinding te versterken in de aanpak van jeugdgroepen. Bijvoorbeeld op gemeenteniveau, maar ook richting de verschillende basisteams van de politie over de districten heen.
In de gemeenten die deelnemen aan Preventie met Gezag wordt de inzet van politie en OM geïntensiveerd. In Groningen betekent dit dat er vanuit het OM extra capaciteit wordt ingezet en dat er prioriteit wordt gegeven aan de betreffende zaken. De politie traint de medewerkers op onderwerpen als drugs, preventie en ondermijning.
Het CBS levert jaarlijks een update van de monitor op de criminaliteitsdata in de wijken. Deze resultaten worden jaarlijks beknopt gerapporteerd in de voortgangsrapportage aanpak ondermijnende criminaliteit5.
Welke preventieve programma’s zijn in Groningen en Drenthe beschikbaar om jongeren weerbaarder te maken tegen criminele uitbuiting, en hoe wordt de effectiviteit daarvan gemeten?
Naast het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid en de aanpak Preventie met Gezag maken de provincies Groningen en Drenthe ook gebruik van gelden uit de Regiodeals. De Regiodeal Eemsdelta richt zich onder meer op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, het realiseren van weerbare dorpen en op meer samenwerking tussen gemeenten, scholen, politie en welzijn. Met de impuls van de Regiodeals worden de regio’s krachtiger gemaakt doordat de samenwerking tussen overheden en organisaties in de regio’s wordt versterkt.
Samen met de wetenschap wordt de effectiviteit van interventies onderzocht, waarbij landelijke trends in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek in beeld worden gebracht. De resultaten worden beschreven in de jaarlijkse voortgangsrapportages NPLV, Preventie met Gezag en de voortgangsrapportages van de regiodeals.
Op welke wijze vindt afstemming plaats met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de rol van scholen in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid van leerlingen bij georganiseerde criminaliteit?
Scholen hebben ook een rol in het signaleren en voorkomen van betrokkenheid bij (georganiseerde) criminaliteit, maar scholen kunnen dit niet alleen. Zij werken daarin intensief samen met onder meer de politie en het jeugdwerk. Om dat te stimuleren werkt het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauw samen met andere departementen, waaronder het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bijvoorbeeld binnen het programma Preventie met Gezag. Veel gemeenten zetten binnen dit programma in op het versterken van een veilig leerklimaat. Al tien gemeenten hebben in het kader van Preventie met Gezag veiligheidsconvenanten afgesloten met in totaal 113 verschillende po-, vo- en mbo-scholen zodat politie, jeugdwerk en leerplicht nauw samenwerken om jongeren in beeld te hebben en te begeleiden.
Verder hebben scholen zelf ook een zorgplicht voor de veiligheid op school. Met het Wetsvoorstel «vrij en veilig onderwijs» scherpt het kabinet die zorgplicht aan. Het doel is dat scholen beter zicht krijgen op de veiligheid op school, betere begeleiding bieden bij onveiligheid, bijvoorbeeld door de aanstelling van een vertrouwenspersoon, en hun veiligheidsbeleid jaarlijks evalueren.
Bent u bereid te onderzoeken of scholen in Groningen en Drenthe extra ondersteuning nodig hebben bij burgerschapsvorming, digitale weerbaarheid en het herkennen van signalen van crimineel ronselen?
De gemeenten en scholen in Noord-Nederland hebben een eigen verantwoordelijkheid als het gaat om (het voorkomen van) jeugdproblematiek. Daarbij krijgen zij goede ondersteuning en ligt er reeds een regionale aanpak voor Noord-Nederland. Wat het kabinet betreft is een nieuwe aanpak of aanvullende ondersteuning niet noodzakelijk.
Zo krijgt Stichting School & Veiligheid een subsidie om scholen te ondersteunen bij het werken aan een veilig schoolklimaat, bijvoorbeeld met ondersteuning op het gebied van samenwerking tussen onderwijs, politie en gemeente en op het gebied van gegevensdeling. Ook kunnen scholen individueel ondersteuning krijgen via het adviespunt van Stichting School & Veiligheid.
Vanuit het netwerk School & Veiligheid binnen de aanpak Preventie met Gezag wisselen gemeenten en scholen ervaringen met elkaar uit. Daarnaast is er het Expertisepunt Burgerschap, waar scholen terecht kunnen voor actuele informatie, tips en inspiratie over het vormgeven van burgerschapsonderwijs. De bovengenoemde ondersteuning is gratis en toegankelijk voor alle scholen in Nederland. Tot slot moedigt het kabinet scholen aan om alvast aan de slag te gaan met de geactualiseerde kerndoelen met specifiek aandacht voor digitale geletterdheid en mediawijsheid wordt besteed.
De gemeenten Groningen en Leeuwarden werken met ondersteuning vanuit Preventie met Gezag en het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid aan een geconcentreerde en intensieve aanpak ter voorkoming van jeugdcriminaliteit en een verbeterde leefomgeving. Het RIEC Noord-Nederland heeft met ondersteuning vanuit mijn ministerie een aanpak voor jonge aanwas ontwikkeld. Voor versterking van de regio maakt Noord-Nederland gebruik van Regiodeals. Hierdoor is er voldoende ondersteuning aanwezig.
Bent u bereid om te bezien of voor Noord-Nederland een gerichte, integrale en regionaal toegesneden aanpak nodig is waarin veiligheid, onderwijs en preventie nadrukkelijk worden verbonden, en de Kamer hierover te informeren?
Zie antwoord vraag 11.
Het bericht ‘Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: ‘Heb een gezin te onderhouden’' |
|
Lidewij de Vos (FVD) |
|
Vincent Karremans (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Vuurwerkverkopers zien bedrijf wegvallen, maar vergoeding blijft uit: «Heb een gezin te onderhouden»»?1
Wat is de stand van de onderhandelingen met de vuurwerkbranche?
Klopt het dat het laatste aanbod van het Rijk aan de vuurwerkbranche een vergoeding is van eenmalig 20 procent van de jaaromzet, plus 15 procent? Zo nee, wat is dan het aanbod dat het Rijk wil doen? Zo ja, bent u ervan op de hoogte dat deze vergoeding door vuurwerkverkopers als (veel) te weinig wordt beschouwd en dat zij tienduizend tot honderdduizenden euro’s aan schade vrezen? Hoe beoordeelt u dit gegeven?
Deelt u de mening dat een eenmalige vergoeding geen recht doet aan de gedane investeringen en toekomstig misgelopen winsten van ondernemers? Kunt u uw antwoord toelichten?
Indien het antwoord op vraag 4 bevestigend luidt, bent u bereid een beter aanbod te doen, bijvoorbeeld een vergoeding gebaseerd op meerdere jaren misgelopen omzet en winst? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn?
Indien het antwoord op vraag 5 ontkennend luidt, bent u bereid de invoering van het vuurwerkverbod te heroverwegen? Kunt u uw antwoord toelichten?
Bent u bekend met het feit dat verenigingen (na toestemming van de burgemeester) nadat het vuurwerkverbod is ingevoerd nog wel vuurwerk mogen afsteken?
Betekent dit dat de vuurwerkbranche (gedeeltelijk) door kan gaan met het verkopen van vuurwerk? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u over de vooruitzichten voor de vuurwerkbranche zo snel mogelijk duidelijkheid verschaffen, aangezien ondernemers vuurwerk voor de komende jaarwisseling al op zeer korte termijn moeten inkopen? Kunt u aangeven op welke termijn zij deze duidelijkheid van u kunnen verwachten? Kunt u uw antwoord toelichten?
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo spoedig mogelijk beantwoorden?
Het bericht dat ruim 600 Nederlanders in het Israëlische leger hebben gediend |
|
Ismail El Abassi (DENK), Stephan van Baarle (DENK) |
|
Ruben Brekelmans (VVD), Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Ruim 600 Nederlanders dienden vorig jaar in Israëlische leger»?1
Ja.
Herinnert u zich uw antwoorden op schriftelijke vragen van het lid Van Baarle inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger?2
Ja.
Wat is uw reactie op de onthulling dat volgens cijfers gepubliceerd door DeclassifiedUK zeker 645 mensen met de Nederlandse nationaliteit in het Israëlische leger gediend zouden hebben? Deelt u de mening dat dienen in het misdadige Israëlische leger onacceptabel en ongewenst is?
De Nederlandse overheid houdt niet bij of Nederlanders dienst hebben genomen bij de krijgsmacht van landen waarmee Nederland niet in gewapend conflict is. Nederland is niet in gewapend conflict met Israël en houdt deswege niet bij hoeveel Nederlanders in het Israëlische dienen of hebben gediend.
Bent u bereid om, vanwege de grove mensenrechtenschendingen en oorlogsmisdaden die Israël pleegt, een onderzoek in te lassen naar de mogelijke betrokkenheid van Nederlanders bij misdaden gepleegd door het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Het is aan het Openbaar Ministerie om te beoordelen of sprake is van gedragingen die mogelijk individueel strafbaar handelen opleveren en of het opportuun is om tot vervolging over te gaan.
Waarom heeft u, aangezien de genoemde informatie via een openbaarheidsverzoek beschikbaar zou zijn gekomen, dit niet eerder achterhaald of aan de Kamer gemeld?
Zie het antwoord op vraag 3.
Heeft u navraag gedaan bij de Israëlische autoriteiten bij de beantwoording van de eerdere vragen van het lid Van Baarle inzake dit onderwerp? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat bleek hieruit?
Ja, er is navraag gedaan bij de Israëlische krijgsmacht of er informatie beschikbaar was over Nederlanders in het Israëlische leger. De Israëlische krijgsmacht heeft destijds aangegeven geen informatie te delen over IDF militairen met een Nederlandse en/of dubbele nationaliteit.
Bent u bereid om alsnog navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten over het aantal en de inzet van Nederlanders die dienen in het Israëlische leger? Zo nee, waarom niet?
Zie het antwoord op vraag 6.
Zijn er bij het Openbaar Ministerie indicaties bekend dat mogelijk sprake is van internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft inzake Nederlanders die dienen in het Israëlische leger en zijn hier reeds onderzoeken naar gedaan om te bezien of strafrechtelijke vervolging opportuun is?
Wanneer signalen, aangiften of andere informatie beschikbaar komen die duiden op mogelijke individuele betrokkenheid bij internationale misdrijven waarover Nederland rechtsmacht heeft, worden deze altijd zorgvuldig door het Openbaar Ministerie gewogen en wordt beoordeeld of het opportuun is om vervolging in te stellen. Tot op heden heeft dit nog niet geleid tot strafrechtelijke vervolging, omdat er geen aanwijzingen zijn van individuele strafrechtelijke betrokkenheid.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in illegaal bezet gebied onacceptabel is en in strijd met het internationaal recht? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Betrokkenheid van individuele Nederlanders bij activiteiten van het Israëlische leger in onrechtmatig bezet gebied vindt niet plaats uit hoofde van de Nederlandse staat. Zie verder het antwoord op vraag 8.
Deelt u de mening dat betrokkenheid van Nederlanders bij gevechtshandelingen in Gaza het grote risico met zich meebrengt dat deze Nederlanders betrokken zouden kunnen zijn geweest bij oorlogsmisdaden dan wel hier getuige van zouden kunnen zijn geweest? Zo ja, bent u bereid om hier gericht onderzoek naar te doen en navraag te doen bij de Israëlische autoriteiten of hier sprake van is?
Hier kan het kabinet geen uitspraken over doen. Het is aan het Openbaar Ministerie om te oordelen over mogelijk individueel strafrechtelijk handelen waarover Nederland rechtsmacht heeft. Zie het antwoord op vraag 8 en 9.
Had u op enig moment sinds 7 oktober 2023 kennis van Nederlanders die (mogelijk) dienen in het Israëlische leger en waarom is dat niet aan de Kamer gemeld? Wat is er met deze informatie gedaan?
Zie het antwoord op vraag 3 en 8.
Heeft u op enig moment sinds 7 oktober 2023 contact gehad met Israël inzake Nederlanders die mogelijk dienen in het Israëlische leger? Zo ja, waarom en wat was de strekking van dit contact?
Ja, zie het antwoord op vraag 6.
Is het nog steeds zo dat er geen Nederlandse militairen zijn die toestemming hebben gevraagd om in het Israëlische leger te dienen?
Ja.
Zijn u indicaties of voorbeelden bekend dat Israël of aan Israël gelieerde organisaties in Nederland werven voor het Israëlische leger dan wel bevorderen dat mensen actief worden voor het Israëlische leger? Zo ja, deelt u de mening dat dit volstrekt onwenselijk is en mogelijk zelfs strafbaar?
Nee.
Is het in alle gevallen zo (geweest) dat de Nederlandse overheid zelf niet bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van een land waarmee Nederland geen gewapend conflict heeft? Klopt het dus dat Nederland op dit moment op geen enkele manier bijhoudt of Nederlanders mogelijk dienen in het leger van andere landen?
Zie het antwoord op vraag 3.
Klopt het dat Nederland ook niet bijhoudt of er sprake is van dienen in het leger van landen die in oorlog zijn en waarbij er een risico bestaat op schendingen van het internationaal recht?
Ja.
Bent u bereid om deze vragen elk afzonderlijk te beantwoorden?
Ja.
De dodelijke mishandeling van een 23-jarige student door extreemlinkse militanten in Lyon |
|
Frederik Jansen (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de 23-jarige Franse student Quentin op 12 februari 2026 in Lyon zwaar is mishandeld door een groep extreemlinkse militanten en op 14 februari aan zijn verwondingen is overleden?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat dit incident niet beschreven kan worden als geweld tussen politieke groeperingen, gelet op het feit dat Quentin alleen was en belaagd werd door circa 25 militanten? Zo ja, deelt u de opvatting dat lynching een accuratere benaming is voor het incident?
Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is echter niet aan mij om inhoudelijke uitspraken te doen over een lopend strafrechtelijk onderzoek in Frankrijk.
Deelt u de kwalificatie van de Franse Minister van Justitie Gérald Darmanin dat Quentin «onmiskenbaar door ultra-links» is gedood?2 Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 2.
Deelt u de mening dat de dodelijke aanval op Quentin past in een breder patroon gericht geweld vanuit extreemlinkse hoek?3, 4 Zo nee, waarom niet?
In de extreemlinkse beweging is antifascisme een prominent thema dat kan leiden tot acties tegen politieke tegenstanders. Over het algemeen is de geweldsbereidheid binnen de links-extremistische beweging in Nederland beperkt en lijkt deze ook niet toe te nemen. In landen met een radicalere antifascistische beweging kan ook sprake zijn van geweld tegen politieke tegenstanders.
Bent u bereid het dreigingsniveau ten aanzien van links-extremistisch geweld opnieuw te laten beoordelen in het licht van het Europese patroon van dodelijk extreemlinks geweld? Zo nee, waarom niet?
De NCTV rapporteert twee keer per jaar in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) over de terroristische en gewelddadig extremistische dreiging voor Nederland, de belangen die daardoor kunnen worden aangetast en de weerbaarheid tegen deze dreiging. Hieraan ligt onderzoek ten grondslag naar alle vormen van terrorisme en gewelddadig extremisme, ongeacht ideologische signatuur.
In 2018 is in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid onderzoek gedaan naar links-extremistische groeperingen in Nederland.5 In dit onderzoek werd geconcludeerd dat buitenwettelijke handelingen zoals gewelds- en vermogensdelicten nadrukkelijk tot de modus operandi van sommige links-extremistische groepen behoren. Het onderzoek stelt tevens dat verhoudingsgewijs de meeste links-extremistische groeperingen zich manifesteren op de thema’s antifascisme en mensenrechten.
De meest recente dreigingsbeelden geven op dit moment geen aanleiding om opnieuw specifiek onderzoek te doen naar het radicaliseringsproces van links-extremistische groeperingen. De links-extremistische scene in Nederland bestaat voornamelijk uit anarchisten en communisten. In het DTN van december 2025 constateert de NCTV dat het georganiseerde links-extremisme in Nederland al langere tijd gefragmenteerd, klein in omvang en ideologisch divers is. Ook wordt in het DTN van december 2025 stilgestaan bij de geweldsbereid van de links-extremistische actiescene in omringende landen. In het DTN wordt beschreven dat de linkse actiescene in andere landen vaak radicaler is dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zouden zijn om geweld te gebruiken dan hier. In Nederland is de geweldsbereidheid binnen zowel de links-extremistische beweging beperkt en deze lijkt ook niet toe te nemen. Daarbij is het belangrijk om te constateren dat de omvang van geweldbereide links-extremisten in landen als Duitsland, Frankrijk of Italië niet in verhouding staat tot Nederland. In Duitsland gaat het bijvoorbeeld om ruim 11.000 personen. In Nederland gaat het hooguit om enkele tientallen insurrectionele of geweldsbereide anarchisten.
In de afgelopen jaren zijn personen afkomstig uit het buitenland in toenemende mate onderdeel gaan uitmaken van de Nederlandse scene. Radicalere buitenlandse activisten kunnen zich afkeren van de – in hun ogen gematigde Nederlandse protestcultuur – en op zoek gaan naar gelijkgestemden. Dit heeft echter tot op heden niet geleid tot een toegenomen geweldsbereidheid van links-extremisten in Nederland. Vanzelfsprekend houdt NCTV de ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en rapporteert over ontwikkelingen in de dreiging in het eerstvolgende DTN.
Bent u bekend met het feit dat de term «Antifa» in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (december 2025) niet één keer voorkomt, terwijl Antifa-gelieerde groeperingen in meerdere Europese landen aantoonbaar betrokken zijn bij zwaar geweld tegen personen?
Zie antwoord vraag 5.
Bent u bereid de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) te verzoeken in het eerstvolgende Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland expliciet aandacht te besteden aan gewelddadige extreemlinkse groeperingen in Europa en mogelijke spillover-effecten naar Nederland?
Zie antwoord vraag 5.
Wanneer kan de Kamer de toegezegde brief verwachten over de uitvoering van de motie-De Vos c.s. (Kamerstuk 36 800, nr. 47) inzake het aanmerken van Antifa als terroristische organisatie, die vóór het kerstreces van 2025 zou worden toegezonden?
Uw Kamer heeft op 18 september 2025 de motie van het lid De Vos (FvD) c.s. aangenomen die verzoekt «Antifa» in Nederland als terroristische organisatie aan te merken.6 Het is verschrikkelijk wat er in Lyon is gebeurd. Het is niet aan mij om daar inhoudelijke uitspraken over te doen. Ik beoog uw Kamer zo spoedig mogelijk over de afhandeling van de motie te informeren.
Is de dodelijke aanval in Lyon voor u aanleiding om de uitvoering van bovengenoemde, door een Kamermeerderheid aangenomen, motie te versnellen?
Zie antwoord vraag 8.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat buitenlandse extreemlinkse militanten naar Nederland reizen om hier geweld te plegen?
In zijn algemeenheid geldt dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bij het beoordelen van verblijfsaanvragen alert is op signalen die kunnen wijzen op een mogelijke dreiging voor de nationale veiligheid. De IND deelt zulke signalen, binnen de geldende wettelijke kaders, met de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en de politie.
Indien blijkt dat een vreemdeling een bedreiging voor de openbare of nationale veiligheid vormt zal de IND de mogelijkheden bezien om deze persoon te weren.
Daarnaast staan de Nederlandse politie en andere overheidspartners in voortdurend contact met buitenlandse partners. Hierbij kunnen ook signalen worden gewisseld over dat mogelijk gewelddadige extremisten over landgrenzen zullen reizen.
Bent u bekend met het feit dat een van de verdachten van de dodelijke aanval op Quentin een parlementair medewerker is van La France Insoumise-Kamerlid Raphaël Arnault, wiens partij in het Europees Parlement aangesloten is bij de Linkse Fractie – waar tevens twee Nederlandse partijen bij zijn aangesloten, te weten de Socialistische Partij en de Partij voor de Dieren?5
Ja.
Bent u tevens bekend met het feit dat Arnault zelf medeoprichter is van de wegens gewelddadig activisme ontbonden groepering La Jeune Garde?6
Ja.
Wat concludeert u hieruit over de houding ten opzichte van het gebruik van geweld binnen extreemlinkse kringen?
Graag verwijs ik u naar het antwoord op vragen 5, 6 en 7. De linkse actiescene is in omringende landen vaak radicaler dan in Nederland, waarbij links-extremisten daar sneller geneigd zijn geweld te gebruiken dan hier.
Het bericht 'Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis' |
|
Harmen Krul (CDA), Etkin Armut (CDA) |
|
Bruijn , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Kraamverzorgers zien geweld en drugs, maar melden nauwelijks bij Veilig Thuis»?1
Ja, ik ben bekend met het bericht.
Hoe beoordeelt u het gegeven dat van de ongeveer 130.000 meldingen per jaar bij Veilig Thuis slechts ongeveer 350 meldingen afkomstig zijn van kraamverzorgers en verloskundigen, terwijl zij juist bij gezinnen achter de voordeur komen?
Kraamverzorgers bevinden zich in een unieke positie waarin zij voor een periode dagelijks aanwezig zijn bij een gezin. Zij krijgen zicht op de thuissituatie dat andere professionals vaak niet hebben. Dat maakt hen een belangrijke schakel in de (vroeg)signalering van mogelijke problemen in een gezin waaronder huiselijk geweld en kindermishandeling.
Beide beroepsgroepen vallen onder de wet verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling2. Dat betekent dat zij bij signalen een zorgvuldige afweging moeten maken, de stappen van de meldcode doorlopen en zo nodig advies vragen of een melding doen.
Uit het aantal meldingen vanuit de kraamverzorgers en verloskundigen kan niet geconcludeerd worden dat deze professionals niets doen als zij huiselijk geweld of kindermishandeling signaleren. Deze cijfers gaan over formele meldingen en moeten worden bezien in het licht dat veel signalen in eerste instantie intern worden besproken en opgepakt of er wordt advies gevraagd bij Veilig Thuis zonder dat dit direct leidt tot een formele melding.
Bent u het ermee eens dat de kraamtijd een kwetsbare periode is waarin onveilige situaties kunnen ontstaan, waardoor vroegsignalering van onveilige situaties essentieel is? Zo ja, hoe kunt u die signaleringsfunctie versterken?
Ja, de kraamtijd kan naast een doorgaans heel vreugdevolle periode ook een kwetsbare fase zijn. In een korte tijd vinden ingrijpende veranderingen plaats binnen een gezin. Soms kan door bijkomende stress onveiligheid ontstaan. Vroegsignalering is daarom van groot belang. Het versterken van deze signaleringsfunctie vraagt om blijvende aandacht voor het herkennen van signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling en voor de juiste toepassing van de meldcode. Daarnaast is het van belang de samenwerking tussen betrokken professionals te versterken, bijvoorbeeld voor een warme overdracht tussen verloskundigen, kraamzorg en consultatiebureau, zodat geen signalen verloren gaan. Ik ga samen met de beroepsgroepen in gesprek over wat nodig is rondom het versterken van de meldcode en de signaleringsfunctie.
Welke rol speelt volgens u de angst voor represailles en welke maatregelen neemt u om de veiligheid van zorgprofessionals die melden, te waarborgen?
Angst voor represailles kan een rol spelen bij de terughoudendheid om een melding te doen. Kraamverzorgers en verloskundigen werken in een persoonlijke en kwetsbare setting en bouwen in een korte tijd een vertrouwensrelatie op met het gezin. De vrees om deze relatie te schaden en hierdoor geen zorg meer te kunnen leveren of om geconfronteerd te worden met negatieve reacties of represailles kan drempelverhogend werken.
Het is belangrijk om deze zorgen serieus te nemen, zonder dat dit afdoet aan de verantwoordelijkheid om te handelen bij signalen van onveiligheid. Het onderwerp neem ik mee in de gesprekken met de beroepsgroep, zodat eventuele zorgen of ervaringen uit de praktijk beter in beeld komen. De meldcode helpt professionals om de juiste stappen te zetten waar ook zorgen om hun eigen veiligheid besproken kunnen worden. Zo wordt er in stap 2 van de meldcode bijvoorbeeld geadviseerd om advies in te winnen bij Veilig Thuis, dit kan anoniem. Er wordt niet geregistreerd op naam van degene waarover de zorgen zijn. Daar kan dan ook besproken worden hoe de professional met zorgen over eigen veiligheid om kan gaan. Ook bij verdere stappen van de meldcode kan Veilig Thuis met de professional meedenken. Daarnaast zijn er verschillende trainingen over de meldcode en de dilemma’s waar tegenaan wordt gelopen die professionals kunnen gebruiken om onderling hun zorgen bespreekbaar te maken3.
Hoeveel gevallen zijn er bekend waarbij de melder te maken heeft gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld na contact met Veilig Thuis?
Er is geen landelijk overzicht van het aantal gevallen waarbij melders na contact met Veilig Thuis te maken hebben gekregen met bedreigingen, intimidatie of geweld. Veilig Thuis houdt bij de behandeling van een melding rekening met de mogelijke veiligheidsrisico’s voor zowel betrokkenen als professionals.
Indien sprake is van bedreiging of geweld, kan aangifte worden gedaan en kan de werkgever maatregelen nemen. Zorgverleners vallen onder het programma «Veilige Publieke dienstverlening», hierin is aandacht voor het creëren van een veilige werkomgeving, het doen van aangifte en goede begeleiding na een incident4.
Bent u van mening dat het niet anoniem kunnen doen van een melding meespeelt in de terughoudendheid van kraamverzorgers en verloskundigen?
Het niet anoniem kunnen doen van een formele melding bij Veilig Thuis kan bijdragen aan terughoudendheid aan de kant van zorgverleners. De meldcode biedt handvatten om zorgvuldig te handelen en waar mogelijk transparant te zijn richting betrokkenen, wat in de praktijk vaak helpend is in het verlenen van zorg en het opbouwen van een vertrouwensrelatie.
In uitzonderingssituaties is het mogelijk om een verzoek bij Veilig Thuis te doen om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit is mogelijk als sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen5.
Het is altijd mogelijk om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis zonder direct een melding te doen. Deze adviesfunctie is juist bedoeld om professionals te ondersteunen bij twijfel en handelingsverlegenheid te verminderen.
Bent u het met Veilig Thuis eens dat anoniem melden niet past bij professioneel handelen van de zorgverlener? Zo nee, waarom niet?
Ja, ik onderschrijf het uitgangspunt van Veilig Thuis dat anoniem melden door zorgprofessionals in beginsel niet wenselijk is binnen het professioneel handelen van een zorgverlener. Op het moment dat een hulpverlener zich zorgen maakt, is het belangrijk dat deze hulpverlener, het liefst met advies van Veilig Thuis, de zorgen bespreekbaar maakt. Als leden in een gezin open staan voor hulp, en de professional kan dit leveren is het niet altijd nodig om een melding te doen. Bij acuut of structureel gevaar is het de professionele norm om altijd een melding te doen. Een formele melding bij Veilig Thuis vormt het startpunt van een onderzoek naar de veiligheidssituatie.
Om een zorgvuldige veiligheidsbeoordeling te kunnen maken, is het van belang dat informatie herleidbaar is en dat Veilig Thuis zo nodig kan doorvragen of terugkoppelen. Ook moet Veilig Thuis voor het onderzoek aan het gezin kunnen uitleggen waar de zorgen uit bestaan en wat de aanleiding is voor betrokkenheid van Veilig Thuis. Bij een anonieme melding is dat niet mogelijk, wat de kwaliteit en zorgvuldigheid van het onderzoek kan beperken en de kansen voor effectieve vervolghulp.
In uitzonderlijke situaties is het echter mogelijk dat de melder een verzoek doet bij Veilig Thuis om zijn/haar identiteit niet kenbaar te maken aan direct betrokkenen. Dit kan als er sprake is van bedreiging voor de melder of de betrokkenen of als dit kan leiden tot een verstoring van de vertrouwensrelatie met de direct betrokkenen6. Zie ook het antwoord op vraag 6.
Is het volgens u voldoende bekend dat kraamverzorgers wel altijd anoniem kunnen bellen met Veilig Thuis voor advies, zonder dat officieel een melding hoeft te worden gemaakt? Zo nee, hoe gaat u ervoor zorgen dat die bekendheid toeneemt?
De mogelijkheid om anoniem advies te vragen bij Veilig Thuis is een waardevol instrument. Het stelt professionals in staat om twijfels en signalen te bespreken, hun observaties te toetsen en handelingsperspectief te krijgen zonder direct een melding te doen. Juist wanneer een drempel wordt ervaren, kan anoniem advies vragen een belangrijke eerste stap zijn.
Uit cijfers blijkt dat het aantal adviesvragen jaarlijks toeneemt7. Veilig Thuis werkt actief aan het versterken van de adviesfunctie. Daarnaast wordt verkend wat de meerwaarde is van het verplicht stellen van het vragen van advies bij signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling8. Hierbij wordt nadrukkelijk ook gesproken met professionals over hun ervaringen met de adviesfunctie.
Wat kunt u doen om ervoor te zorgen dat toch sneller meldingen worden gemaakt van onveilige situaties bij gezinnen door zorgverleners, om erger te voorkomen en op tijd in te kunnen grijpen?
In Nederland is bewust gekozen voor een meldcode in plaats van een meldplicht. Uitgangspunt is dat niets doen bij signalen geen optie is maar dat professionals ruimte hebben om een zorgvuldige afweging te maken in het belang van het kind en gezin. Het uitgangspunt is en blijft dat professionals eerst zelf zorgen bespreekbaar maken. Verder geldt vanuit de meldcode dat bij signalen van acuut of structureel geweld, de norm is om een melding te doen bij Veilig Thuis.
Het is van belang dat deze afweging zorgvuldig en goed onderbouwd plaatsvindt. Daarom wordt verkend wat de toegevoegde waarde kan zijn van het verplicht stellen van het vragen van advies. Dit kan professionals ondersteunen en sterken in het handelen. Daarnaast blijft het belang dat er binnen de organisaties duidelijke afwegingskaders aanwezig zijn, dat medewerkers structureel worden geschoold in het herkennen van signalen en in het toepassen van de meldcode.
Welke rol spelen personeelstekorten en werkdruk in de kraamzorg bij het missen of niet melden van signalen van onveiligheid? En welke maatregelen kunt u nemen om dit te verbeteren?
De personeelstekorten en werkdruk kunnen invloed hebben op de werkomstandigheden van kraamverzorgenden en het proces van (vroeg)signalering en afstemming mogelijk bemoeilijken. Het is daarom van belang dat binnen organisaties ruimte is voor intervisie, overleg en reflectie.
Helaas is de krapte op de arbeidsmarkt een zorgbreed probleem, dat ook de kraamzorg raakt. In de Kamerbrief over de kraamzorg9 heeft het kabinet de Kamer, in lijn met de motie van de leden Dobbe en Van Dijk10 geïnformeerd over de maatregelen. Kraamzorgaanbieders en zorgverzekeraars hebben de afgelopen tijd belangrijke stappen gezet om de duurzame toegankelijkheid van kraamzorg te verbeteren. Hieraan werken zij samen in convenanten, de toekomstvisie en de versnellingsagenda. In het verlengde daarvan is er een transformatieplan11 opgesteld, waarvoor € 9,8 miljoen aan transformatiemiddelen beschikbaar is gesteld.
De uitdagingen in de kraamzorg maken deel uit van een breder vraagstuk. Een belangrijke sleutel om de krapte het hoofd te bieden, is het realiseren van passende zorg. Daarom is in het coalitieakkoord afgesproken dat passende zorg de norm wordt. Verder zijn er in het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) afspraken gemaakt om het arbeidsmarkttekort te beperken en de toegankelijkheid van de zorg te waarborgen. De daarbij ingezette instrumenten bieden ook aanknopingspunten voor de kraamzorgsector. Omdat de huidige instroom van kraamverzorgenden onvoldoende is om de structurele uitstroom te compenseren, zal het kabinet de komende maanden verkennen of verbeteringen in de opleidingsstructuur kunnen bijdragen aan meer (jonge) instroom.
Verder zal, mede op basis van het onderzoek van het Zorginstituut Nederland en het RIVM naar verschillen in kraamzorggebruik, vervolgonderzoek gedaan worden naar de zorgbehoefte van kraamgezinnen en mogelijke drempels in toegankelijkheid. Dit inzicht is namelijk essentieel om te kunnen sturen op passende kraamzorg.
Welke stappen gaat u zetten om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld, middelengebruik of verwaarlozing in de eerste levensfase van kinderen onopgemerkt blijven?
Om te voorkomen dat signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling in de eerste levensfase onopgemerkt blijven, wordt onder andere ingezet op verdere versterking van de adviesfunctie bij Veilig Thuis. Zo is een digitaal platform gerealiseerd, wordt de chatfunctie uitgebreid naar een 24/7 bereikbaarheid voor advies en ondersteuning en zet Veilig Thuis in de regio ook in op bekendheid van wat Veilig Thuis aan advies en ondersteuning kan bieden. Daarnaast blijft het van belang dat de meldcode door organisaties in de praktijk goed wordt geïmplementeerd en toegepast, zodat signalen tijdig worden herkend en opgepakt. Dat zal worden meegenomen in de gesprekken met de sector. Zie ook antwoord op vraag 3 en 4.
Verder wordt ingezet op het landelijke programma Kansrijke Start, dat zich richt op de eerste 1.000 dagen van een kind. Binnen dit programma speelt vroegsignalering van risicofactoren voor huiselijk geweld en kindermishandeling een belangrijke rol. Evenals het versterken van de samenwerking tussen het medische en sociale domein en het tijdig ondersteunen van kwetsbare gezinnen12. Er wordt op dit moment in opdracht van VWS een multidisciplinaire scholing Eerste 1000 Dagen ontwikkeld. De scholing beoogt bij te dragen aan het verspreiden en verdiepen van vakkennis over de eerste 1.000 dagen en (toekomstige) ouders in kwetsbare omstandigheden voor alle professionals die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen. In deze scholing wordt aandacht besteed aan het belang van vroegsignalering en het versterken van de samenwerking tussen professionals uit het sociaal, medisch en informeel domein. De scholing is o.a. bedoeld voor verloskundigen en kraamzorgprofessionals. Daarnaast worden dit jaar factsheets Kansrijke Start ontwikkeld voor verschillende beroepsgroepen die werkzaam zijn met kinderen en gezinnen in de eerste 1.000 dagen, waaronder de kraamzorg en verloskundigen, waarin ook het belang van vroegsignalering en tijdig handelen naar voren komt.
Het bericht dat omwonenden van azc Lochem 1000 euro krijgen om hun eigen veiligheid te regelen. |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
Foort van Oosten (VVD), David van Weel (minister justitie en veiligheid, minister asiel en migratie) (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het bericht dat omwonenden van het asielzoekerscentrum (azc) in Lochem maximaal 1.000 euro per huishouden krijgen van de gemeente om zelf «preventieve maatregelen» te nemen voor hun veiligheid, zoals camera’s en hekken, vanwege de onrust en onveiligheid veroorzaakt door asielzoekers?1
Erkent u dat dit het keiharde bewijs is dat asielzoekers structureel zorgen voor overlast, intimidatie, bedreigingen en onveiligheid in Nederland, en dat omwonenden nu letterlijk met hun eigen portemonnee (via belastinggeld) hun bescherming moeten regelen tegen deze asielwaanzin? Zo nee, waarom ontkent u de verschrikkelijke realiteit die talloze Nederlanders dagelijks ervaren?
Kunt u exact uiteenzetten hoeveel incidenten van geweld, diefstal, bedreigingen, aanrandingen en andere overlast door asielzoekers in en rond het azc Lochem zijn gemeld bij de politie en het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en hoeveel van deze meldingen zijn verzwegen of niet serieus zijn genomen?
Deelt u de mening dat het volstrekt absurd en schandalig is dat belastinggeld wordt verspild om omwonenden te «compenseren» voor de onveiligheid die dit kabinet veroorzaakt door overlastgevers niet uit te zetten, de Spreidingswet te handhaven en geen asielstop in te voeren?
Bent u het ermee eens dat de enige oplossing het sluiten van het azc is? Zo nee, hoeveel slachtoffers van intimidatie, diefstal of geweld moeten er nog bijkomen?
Bent u bereid om alsnog de Spreidingswet per direct in te trekken en een volledige asielstop in te stellen? Zo nee, waarom prioriteert u asielzoekers boven de veiligheid van de eigen bevolking?
De oproep van MiGreat tot het aangaan van schijnhuwelijken |
|
Shanna Schilder (PVV), Annelotte Lammers (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met de oproep van niet-gouvernementele organisatie (ngo) MiGreat om schijnhuwelijken aan te gaan om een verblijfsvergunning te krijgen?1
Ja.
Bent u het eens met de stelling dat het aangaan van een schijnhuwelijk met het oog op verblijfsrecht huwelijksfraude is en dus strafbaar is?
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning.
Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf. Of in een concreet geval sprake is van een strafbaar feit, is in eerste instantie aan het Openbaar Ministerie en uiteindelijk aan de strafrechter.
Bent u bereid alles op alles te zetten om huwelijksfraude tegen te gaan en, als hiervan sprake is, verblijfsvergunningen en/of paspoorten onmiddellijk met terugwerkende kracht in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Ik vind het onacceptabel dat schijnhuwelijken met als doel het verkrijgen van verblijfsrecht plaats kunnen vinden. Ik zet mij er dan ook voor in om dit tegen te gaan.
Op het moment dat de IND aanwijzingen heeft dat sprake is van een schijnhuwelijk, kan de verblijfsaanvraag worden afgewezen of kunnen verleende verblijfsrechten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met terugwerkende kracht worden ingetrokken. Hiervoor moet de IND vaststellen dat het huwelijk of partnerschap uitsluitend is aangegaan met het doel verblijfrecht te verkrijgen. Dit gebeurt of basis van verklaringen van betrokken, informatie van gemeenten, en bevindingen uit onderzoek. Veelal wordt de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) van de politie gevraagd een onderzoek (adrescontrole) in te stellen. Indien het Nederlanderschap is verkregen op basis van onjuiste gegevens kan door de IND worden bezien of intrekking daarvan aan de orde is, binnen de kaders van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Daarvoor moet worden vastgesteld dat het Nederlanderschap is verkregen op basis van fraude, misleiding of het achterhouden van relevante informatie. De IND stelt hiervoor een dossier op met de relevante feiten en bewijsstukken en beoordeelt of aan de wettelijke voorwaarden voor intrekking is voldaan. Voor de benodigde informatie en verificatie werkt de IND samen met gemeenten, bijvoorbeeld ten aanzien van gegevens uit de Basisregistratie Personen. Daarnaast kan informatie worden betrokken van andere ketenpartners, zoals de politie of toezichthoudende instanties. Daarnaast doet de IND na constatering van een schijnhuwelijk aangifte bij de politie. Dit kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek naar mogelijke fraude of valsheid in geschrifte.
Bent u het eens met de stelling dat het publiekelijk oproepen tot het plegen van een strafbaar feit strafbaar is? Zo ja, doet het Openbaar Ministerie onderzoek naar deze oproep?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht (Sr)). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud, context en vergt juridische beoordeling.
Het is aan het Openbaar Ministerie om zelfstandig te besluiten of er aanleiding bestaat om een strafrechtelijk onderzoek te starten. Over eventuele lopende onderzoeken worden in beginsel door het kabinet geen publieke uitspraken gedaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Hoe beoordeelt u de ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling) die deze ngo geniet, gelet op de strafbare oproep en het nalaten van het voldoen aan de wettelijk verplichte jaarverslagen, zoals beschreven in het artikel van NieuwRechts?2
Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën3 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn verschillende doelen die als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kunnen worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.4 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.5 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets.
Een van de wettelijke voorwaarden is dat de instelling via internetinformatie met betrekking tot haar functioneren openbaar maakt.6 Indien de inspecteur constateert dat niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt in de praktijk in de regel eerst een hersteltermijn geboden. Als de instelling na afloop van die termijn de benodigde informatie niet openbaar heeft gemaakt, wordt haar ANBI-status ingetrokken.
De integriteitstoets houdt in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. Een overtreding van wet- en regelgeving kan dus pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.7
De integriteitstoets brengt ook met zich dat de ANBI-status wordt ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.8 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Bent u bereid om, in overleg met de Staatssecretaris van Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, de ANBI-status te onderzoeken en deze in te trekken? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord vraag 5.
Het bericht dat linkse activisten oproepen tot schijnhuwelijk. |
|
Marina Vondeling (PVV), Elmar Vlottes (PVV) |
|
Heijnen , Foort van Oosten (VVD), David van Weel (VVD) |
|
|
|
|
Bent u op de hoogte van het schandalige Instagram-bericht van de pro-migratieorganisatie MiGreat, waarin zij personen met een Nederlands paspoort oproepen om schijnhuwelijken aan te gaan met illegale migranten die geen verblijfsvergunning hebben of geen visum kunnen krijgen?1
Ja.
Erkent u dat MiGreat hiermee aanzet tot het plegen van een strafbaar feit? Zo ja, bent u bereid om het Openbaar Ministerie (OM) onmiddellijk op te dragen een strafrechtelijk onderzoek te starten tegen MiGreat? Zo nee, waarom niet?
In algemene zin is het publiekelijk aanzetten tot het plegen van strafbare feiten strafbaar (art. 131 Wetboek van Strafrecht). Of een concrete uiting daaronder valt, hangt af van de precieze inhoud en context en vergt juridische beoordeling.
Het Openbaar Ministerie beslist over het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Ik kan het OM dus geen opdracht geven om tot strafrechtelijk onderzoek over te gaan. Ik hecht er wel aan te benadrukken dat ik de betreffende oproep van MiGreat afkeurenswaardig vind en dat ik dit aan MiGreat kenbaar heb gemaakt.
Het aangaan van een schijnhuwelijk met als doel verblijfsrecht te verkrijgen is in strijd met het vreemdelingenrecht. Indien sprake is van een schijnhuwelijk kan de IND bestuursrechtelijk optreden, bijvoorbeeld door afwijzing of intrekking van een verblijfsvergunning. Strafbaarheid kan aan de orde zijn als daarbij strafbare handelingen worden gepleegd, zoals valsheid in geschrifte of het opzettelijk faciliteren van illegaal verblijf.
Klopt het dat MiGreat al sinds 2022 de status van Algemeen Nut Beogende Instelling (ANBI-status) heeft? Zo ja, bent u bereid de ANBI-status per direct en met terugwerkende kracht in te trekken?
In het ANBI-register op de website van de Belastingdienst staat vermeld dat de Stichting Migreat vanaf 1 januari 2022 de ANBI-status heeft. Omdat de Belastingdienst gehouden is aan de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), kan geen nadere informatie worden verstrekt over deze individuele instelling.
In zijn algemeenheid geldt dat een instelling op verzoek kan worden aangemerkt als ANBI indien de instelling (onder meer) uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemeen nut beoogt. Het begrip «algemeen nut» is in de AWR neutraal vormgegeven en wordt, zoals ook uit de jurisprudentie blijkt, neutraal getoetst. Dat betekent dat een ANBI de vrijheid heeft om – binnen de in de wet genoemde categorieën2 – een door haar als algemeen nuttig beschouwde doelstelling na te streven. Dit neutrale karakter is een belangrijke eigenschap van de ANBI-regelgeving, omdat ANBI’s daarmee een afspiegeling zijn van een diverse samenleving waarbinnen verschillende doelen als algemeen nuttig worden gezien. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen doelen in lijn met bijvoorbeeld het overheidsbeleid gezien kan worden als algemeen nuttig. Het betreft objectieve criteria.
Het beoordelen van het recht op (behoud van) de ANBI-status aan de hand van de daarvoor bij wet gestelde voorwaarden is wettelijk voorbehouden aan de inspecteur van de Belastingdienst.3 Voor wat betreft intrekking van de ANBI-status is de inspecteur gebonden aan een limitatief aantal gronden.4 Intrekking vindt plaats ingeval een instelling niet langer voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor de ANBI-status of als niet wordt voldaan aan de zogenoemde integriteitstoets. Kortgezegd houdt deze integriteitstoets in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken als het hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidinggever of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk is veroordeeld wegens het opzettelijk plegen van een in de ANBI-regelgeving genoemd misdrijf. De Belastingdienst verkrijgt die informatie niet automatisch, maar is daarvoor afhankelijk van partijen zoals het OM en de FIOD. Ook wordt de ANBI-status ingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit van de instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instelling of persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur niet binnen zestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen. Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kan overgaan tot het opvragen van een VOG.5 Dit mede gelet op de neutrale toetsing of sprake is van algemeen nuttige activiteiten.
Verdenkingen, niet-vervolgbare activiteiten of gedrag dat simpelweg niet aansluit bij eenieders overtuiging van wat behoort tot het algemeen nut zijn an sich geen redenen om de ANBI-status van een instelling in te trekken.
Kunt u onderbouwen, aan de hand van cumulatieve eisen voor het verkrijgen van een ANBI-status, hoe het mogelijk is dat MiGreat überhaupt een ANBI-status heeft verkregen?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat organisaties als MiGreat deel uitmaken van een bredere asielindustrie die het terugkeerbeleid saboteren en onze grenzen nog verder open willen zetten en bent u bereid alle subsidies en fiscale voordelen voor dergelijke pro-migratiegroepen te schrappen?
Zoals in het antwoord op 3 en 4 is toegelicht is het neutrale karakter een belangrijke eigenschap van de ANBI-regeling. Daardoor hebben instellingen de vrijheid om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen. Zo kan bijvoorbeeld zowel een «pro-migratiedoelstelling» als een «anti-migratiedoelstelling» onder dezelfde voorwaarden als algemeen nuttig worden gezien. Het kabinet is niet voornemens hierin een wijziging aan te brengen.
Wel wordt de vrijheid voor ANBI’s om een doelstelling na te streven die zij als algemeen nuttig beschouwen begrensd door de voor iedereen – en dus ook voor ANBI’s – geldende wet- en regelgeving. Een overtreding van deze geldende wet- en regelgeving kan echter pas fiscale gevolgen hebben op het moment dat deze strafrechtelijk is afgedaan. De inspecteur van de Belastingdienst kan en mag immers niet op de stoel van de strafrechter gaan zitten.6
Het bericht 'Plan van aanpak Leiderschap bij uitluiting en racisme binnen de politie' |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoe beoordeelt u de relatieve prioriteit die de politie geeft aan intern leiderschapsontwikkeling versus de kernveiligheidsopdracht?1
Ik ga er van uit dat wordt gedoeld op het Plan van Aanpak van de Inspectie Justitie en Veiligheid. De Inspectie houdt toezicht op de kwaliteit van de taakuitvoering van de politie. De focus van de politie ligt op de uitvoering van haar kerntaken. Dit betekent dat zij, in overeenstemming met artikel 3 van de Politiewet 2012, zorgt voor de daadwerkelijke handhaving van de rechtsorde en het verlenen van hulp aan hen die deze behoeven. Dit vereist een professionele politieorganisatie waarin leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. De Inspectie stelt in het plan van aanpak: «Uitsluiting, discriminatie en racisme (UDR) binnen de politie vormen een risico voor de kwaliteit van de taakuitvoering. Zo kan UDR het onderlinge vertrouwen tussen agenten aantasten, terwijl dat een randvoorwaarde is voor het veilig uitvoeren van de soms gevaarlijke politietaken. Ook moeten politiemedewerkers op basis van artikel 1 van de Grondwet elkaar en de mensen waarmee zij in contact komen gelijkwaardig behandelen, wie of wat zij ook zijn.»
Uit het plan van aanpak blijkt dat de Inspectie op eigen initiatief in 2025 heeft besloten om een korte oriëntatie uit te voeren naar de uitwerking van de door de politie voorgestelde maatregelen om uitsluiting, discriminatie en racisme binnen de politieorganisatie aan te pakken. De IJenV is onafhankelijk en beslist zelfstandig over haar eigen onderzoeksprogrammering.
Is het niet zo dat een teveel aan interne cultuuronderzoeken kan afleiden van de primaire taakuitvoering? Hoe reflecteert u op dit spanningsveld?
Zie antwoord vraag 1.
Welke concrete meetbare resultaten verwacht u op korte termijn?
Het betreft een onderzoek van de Inspectie Justitie en Veiligheid dat nog moet worden uitgevoerd. Zodra het onderzoek door de Inspectie is afgerond zullen de resultaten ervan op de gebruikelijke wijze openbaar worden gemaakt.
Is er rekening gehouden met effectmeting op misdaaddruk en burgerveiligheid?
Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Inspectie Justitie en Veiligheid. De kaders van het onderzoek worden door de Inspectie bepaald.
Welke maatregelen neemt u om te voorkomen dat agenten terughoudend optreden uit angst voor beschuldigingen?
In algemene zin ben ik van mening dat agenten met vertrouwen en rugdekking van de leiding hun werk moeten kunnen doen. Politieagenten zetten zich elke dag in voor de veiligheid van onze samenleving, vaak onder veeleisende en moeilijke omstandigheden. Zij verdienen hiervoor onze volle waardering. De basis van alle politietraining blijft vakbekwaamheid en professionaliteit; onder andere middels de Integrale Beroepsvaardigheden Trainingen waarin politieagenten worden ondersteund en getraind in het daadkrachtig en rechtmatig optreden op straat. Handelend optreden, handhaven, geweldsbeheersing, en juridische kennis staan hierbij centraal. Ook wordt juridische ondersteuning laagdrempelig beschikbaar gesteld. In de opleidingen wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan professioneel en daadkrachtig optreden binnen de wettelijke kaders. Medewerkers worden hierbij ondersteund door hun leidinggevende. Leidinggevenden moeten oog houden voor de continuïteit en professionaliteit van de operatie én oog houden voor de belasting en weerbaarheid van collega's.
Een professionele politieorganisatie betekent dat leiders tijd, aandacht en zorg hebben voor hun medewerkers. In zo’n organisatie is geen plaats voor uitsluiting, discriminatie en racisme. Een stevige leiderschapsontwikkeling is om deze reden opgenomen in de strategische agenda van de politie 2025–2030. Hiermee wordt erkend dat leidinggevenden een cruciale positie hebben in de organisatie, omdat zij meer verantwoordelijkheden hebben ten opzichte van andere medewerkers, meer formele invloed hebben op de gang van zaken binnen de organisatie en een voorbeeldrol vervullen. De organisatie investeert in leidinggevenden die bijdragen aan het bewerkstelligen van veilige en inclusieve teams.
Zijn er plannen voor training gericht op daadkrachtig en rechtmatig optreden in plaats van een focus op «inclusiezaken»?
Zie antwoord vraag 5.
Kunt u toezeggen dat de Kamer tijdig wordt geïnformeerd over de voortgang?
Aangezien het een onderzoek van de Inspectie betreft, kan ik geen toezeggingen doen over tussentijdse voortgangsrapportages. Zodra de Inspectie het onderzoek heeft afgerond en aan mij heeft aangeboden, zal ik uw Kamer – conform de gebruikelijke termijnen – hierover informeren en het rapport doen toekomen.
Hoeveel capaciteit (in fte en middelen) wordt ingezet voor zaken rondom inclusiviteit, diversiteit en racisme binnen de politie? Kunt u dit ook per functieprofiel op een rijtje zetten?
Bij de beantwoording van de Kamervragen over het diversiteits-, gender- en inclusiebeleid van verschillende uitvoerings- en sui generis organisaties, waaronder de politie, heb ik aangegeven op welke wijze dit beleid doorwerkt in de structuur en bedrijfsvoering van een organisatie. De politie heeft geen apart overzicht van alle inzet, kosten en specifieke bijdragen per functie of per eenheid.2
Hoe weegt u het tegengaan van discriminatie tegenover een krachtige politie-aanwezigheid?
Een krachtige politie is per definitie professioneel en handelt binnen de wet. Discriminatie ondermijnt het gezag en de effectiviteit van de organisatie. Leidinggevenden moeten zich bewust zijn van hun cruciale rol bij het voorkomen en aanpakken van uitsluiting, discriminatie en racisme.
Hoe voorkomt u bureaucratisering ten koste van zichtbare handhaving?
Voor een effectieve uitvoering van de politietaak is een professionele, zelfbewuste organisatie nodig. Aanwezigheid en zichtbaarheid van de politie in de wijk is en blijft een topprioriteit. Om dit te versterken zet de politie in op het verminderen en efficiënter inrichten van administratieve lasten. Het programma Vernieuwen Registreren (PVR) ondersteunt collega’s daarbij, zodat zij meer tijd hebben voor het werk op straat en zichtbaar kunnen zijn in de wijk.
De bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum |
|
Ismail El Abassi (DENK) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat de El Houda Moskee in Brunssum in de nacht van 13 op 14 februari 2026 is beklad met anti-islamitische teksten?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat het bekladden van een gebedshuis met anti-islamitische teksten niet alleen vernieling is, maar tevens een vorm van intimidatie en mogelijk een haatmisdrijf? Wordt een mogelijk discriminatoir of islamofoob motief expliciet meegenomen in het politieonderzoek?
Dergelijke incidenten zijn ernstig en onacceptabel. Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen in Nederland zijn of haar geloof vrij en veilig kan belijden, zonder te worden geconfronteerd met intimidatie of vernieling van religieuze gebouwen.
Het bekladden van gebouwen, waaronder gebedshuizen, is strafbaar wanneer sprake is van vernieling.2 Wanneer dergelijke uitingen gericht zijn tegen een groep mensen vanwege bijvoorbeeld hun godsdienst, kan sprake zijn van strafbare feiten met discriminatoir aspect.3
Het is aan politie en het Openbaar Ministerie (OM) om in individuele gevallen te beoordelen of sprake is van een strafbaar feit en of een discriminatoir motief onderdeel uitmaakt van het delict. Indien bij aangiften aanwijzingen bestaan voor een dergelijk motief, wordt dit conform de Aanwijzing discriminatie betrokken bij het opsporingsonderzoek.4
Welke concrete maatregelen worden lokaal en landelijk genomen om moskeeën beter te beschermen tegen dit soort incidenten? Wordt daarbij specifiek rekening gehouden met periodes van verhoogde spanning of maatschappelijke onrust?
De verantwoordelijkheid voor de lokale veiligheidssituatie ligt primair bij de lokale driehoek van burgemeester, politie en het OM. Daarnaast houden de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de dreiging nauwlettend in de gaten. Op basis van de lokale situatie en actuele dreigingsinformatie zullen er passende maatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Over specifieke maatregelen die door politie en OM worden genomen, worden in het algemeen geen mededelingen gedaan, omdat dit vaak betrekking heeft op operationele en veiligheidsgevoelige informatie.
Deelt u de mening dat, zoals uit het recente rapport van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme blijkt, discriminerende uitlatingen in het publieke en politieke debat kunnen bijdragen aan het normaliseren van haat en discriminatie tegen onder meer moslims, en dat dit klimaat een voedingsbodem vormt voor incidenten zoals de bekladding van de El Houda Moskee in Brunssum? Zo ja, welke verantwoordelijkheid ziet u hierin voor bewindspersonen en Kamerleden? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet vindt discriminatie en haat jegens groepen in de samenleving onaanvaardbaar. Het is van belang dat in het publieke debat respectvol met elkaar wordt omgegaan en dat discriminatie en haat duidelijk worden afgekeurd.
Tegelijkertijd kan bij individuele incidenten niet zonder meer een direct verband worden gelegd met uitingen in het publieke of politieke debat. Binnen de democratische rechtsstaat geldt het uitgangspunt van vrijheid van meningsuiting, waarbij de grenzen worden bepaald door de wet. Wanneer uitingen strafbaar zijn, kan daartegen worden opgetreden door politie en OM.
Bent u bereid om, in overleg met gemeenten en politie, aanvullende preventieve maatregelen te treffen ter bescherming van islamitische gebedshuizen, zoals structureel contact met moskeebesturen, zichtbare surveillance of ondersteuning bij beveiligingsmaatregelen?
Het nemen van beveiligingsmaatregelen vanuit de overheid voor religieuze instellingen gebeurt altijd op basis van actuele dreigingsinformatie van de politie en/of inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Dit gebeurt onder het lokaal bevoegd gezag en is een aanvulling op wat deze instellingen al doen vanuit hun eigen verantwoordelijkheid. Indien de dreiging en risico daartoe aanleiding geven, zullen er beveiligingsmaatregelen worden getroffen door het lokaal bevoegd gezag.
Daarnaast onderhouden gemeenten, politie en religieuze instellingen in veel gevallen reeds contact over veiligheidsvraagstukken.
Ook het kabinet hecht waarde aan het onderhouden van contact met gemeenschappen en maatschappelijke organisaties.
Hoe beoordeelt u het effect van dergelijke incidenten op het veiligheidsgevoel binnen islamitische gemeenschappen?
Incidenten die gericht zijn tegen religieuze instellingen kunnen een grote impact hebben op het veiligheidsgevoel van betrokken gemeenschappen. Het bekladden van een gebedshuis kan gevoelens van onveiligheid, kwetsbaarheid en verdriet oproepen bij bezoekers en omwonenden.
Het is daarom van belang dat dergelijke incidenten serieus worden genomen, dat meldingen en aangiften worden onderzocht en dat lokale autoriteiten waar nodig in contact staan met de betrokken gemeenschap.
Bent u bereid om in de komende voortgangsrapportage met betrekking tot discriminatie expliciet aandacht te besteden aan geweld en vernielingen gericht tegen religieuze instellingen, waaronder moskeeën?
In rapportages over discriminatie wordt aandacht besteed aan ontwikkelingen op basis van gegevens van onder andere de politie en andere betrokken organisaties. De politie registreert en analyseert incidenten met een mogelijk discriminatoir karakter, waaronder incidenten bij religieuze instellingen, en deze worden actief gemonitord en opgevolgd. Tegelijkertijd geldt dat deze incidenten niet als afzonderlijke, eenduidig afgebakende categorie worden geregistreerd. Daardoor kan geen volledig en sluitend overzicht worden gegeven van incidenten met een discriminatoir aspect specifiek gericht tegen religieuze instellingen.
Het bericht ‘Honderden Nederlandse kinderen slachtoffer van website voor afpersers’ |
|
Ingrid Michon (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het artikel van RTL Nieuws waaruit blijkt dat een website actief is waarop persoonsgegevens van honderden Nederlanders, waaronder kinderen, staan met als doel om met deze persoonsgegevens de betrokkene af te persen en/of en intimideren?1
Ja.
Deelt u de opvatting dat een dergelijke website, dat evident is ingericht om de persoonlijke levenssfeer van personen waaronder minderjarigen te schenden, per direct offline gehaald zou moeten worden?
Het misbruiken van persoonsgegevens met afpersing en intimidatie als doel is een zeer ernstig probleem, in het bijzonder in het geval van minderjarigen. Misbruik van persoonsgegevens kan een ingrijpend effect hebben op het slachtoffer en heeft vaak grote gevolgen. Misbruik van persoonsgegevens en de verspreiding van (schadelijke) illegale content online is een complex probleem. Door het grensoverschrijdende karakter en de anonimiteit en snelheid die het internet gebruikers biedt, vormt het aanpakken van kwalijke websites een uitdaging voor de handhaving. Online dienen mensen zich net zo goed aan de regels te houden als offline. Het huidige instrumentarium is erop gericht om de veiligheid van de online omgeving te vergroten en dergelijke schendingen van de persoonlijke levenssfeer van personen tegen te gaan. Allereerst wordt zelfregulatie door de internetsector gestimuleerd. Vanuit de sector zijn er meerdere initiatieven, zoals de Gedragscode Abusebestrijding en de Gedragscode Notice and Take Down, om schadelijke content tegen te gaan. Daarnaast zijn er bestuursrechtelijke, strafrechtelijke en civielrechtelijke mogelijkheden. Ook is doxing sinds 1 januari 2024 strafbaar gesteld (artikel 285d Wetboek van Strafrecht). Dit artikel maakt het ongevraagd verzamelen, verspreiden of openbaar maken van persoonsgegevens met het doel iemand te intimideren of lastig te vallen strafbaar.
De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van online aanbieders van tussenhandeldiensten is gereguleerd via de digitaledienstenverordening (Digital Services Act – DSA). Deze EU-verordening bevat diverse zorgvuldigheidsverplichtingen die onder meer moeten helpen om illegale content tegen te gaan. Zo moet er bij een melding van illegale content prompt actie worden ondernomen. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) is in Nederland de primaire toezichthouder op de naleving van de DSA door online aanbieders die in Nederland zijn gevestigd. De ACM werkt voor het toezicht en de handhaving op de DSA, waar nodig, samen met de Europese Commissie en andere lidstaten.
Strafrechtelijk heeft de officier van justitie de mogelijkheid om in specifieke gevallen een aanbieder van een communicatiedienst te bevelen om gegevens ontoegankelijk te maken. In het geval van buitenlandse online aanbieders dient gebruik te worden gemaakt van een rechtshulpverzoek. Dit is vaak tijdrovend, omdat de verantwoordelijke hostingpartij niet altijd kan worden achterhaald en/of worden bereikt. De uitkomst ervan is afhankelijk van de medewerking van het land waaraan het verzoek is gericht. Indien een online aanbieder geen gevolg geeft aan bevelen van de officier van justitie, dan voorziet het strafrecht in de mogelijkheid tot strafvervolging van de aanbieder voor het strafbaar feit dat is begaan. Omdat strafrechtelijk optreden vaak complex en tijdrovend is, en gezien het internationale component afhankelijk is van de bereidheid tot coöperatie van andere landen, zet de politie ook in op alternatieve mogelijkheden, zoals naming and shaming en preventie.2
De Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP) is de toezichthouder op de naleving van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG). De AP beoordeelt uit eigen beweging dan wel op verzoek of in voorkomende gevallen wordt voldaan aan de AVG. Wanneer de AP een overtreding constateert, kan de AP een bestuurlijke boete of dwangsom opleggen, en bevelen tot het stopzetten van gegevensverwerkingen.
Personen kunnen zich ook tot de civiele rechter wenden. Oordeelt deze dat de betreffende content onrechtmatig is, bijvoorbeeld wegens onbevoegd gebruik van persoonsgegevens, dan kan de civiele rechter verwijdering daarvan bevelen.
Om slachtoffers laagdrempelige hulp en een handelingsperspectief te bieden, faciliteert het Ministerie van Justitie en Veiligheid Stichting Offlimits. Via de hulplijn van Offlimits kunnen slachtoffers illegale online content melden. Offlimits beoordeelt deze meldingen en kan, indien sprake is van illegale content, melding doen bij de desbetreffende internettussenpersoon via wie de content beschikbaar is. Offlimits is door de ACM op grond van de DSA aangewezen als betrouwbare flagger.
Klopt het dat deze website al geruime tijd bekend is bij politie? Zo ja, welke concrete acties zijn sindsdien ondernomen om de website offline te halen of de hostingprovider(s) op te sporen?
De politie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
In het algemeen zijn er, zoals in het antwoord op vraag twee aangegeven, verschillende maatregelen die hostingproviders, de ACM, AP, de politie en het Openbaar Ministerie (OM) kunnen nemen om een website met illegale content offline te krijgen en/of om de hostingproviders van een website op te sporen. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag twee, kan de handhaving bij hostingproviders in het buitenland uitdagend zijn vanwege jurisdictie, omdat medewerking mede afhankelijk is van het land waar de dienst is gevestigd.
Hoeveel aangiften zijn bij de politie bekend die direct te relateren zijn aan deze specifieke website? Wat gebeurt er met deze aangiften? Hoe worden de slachtoffers geïnformeerd over de voortgang van de behandeling van deze aangiften?
De politie doet geen mededelingen over lopende onderzoeken.
Slachtoffers worden in het algemeen via MijnSlachtofferzaak.nl op de hoogte gehouden over de voortgang van de behandeling van hun aangifte. Met MijnSlachtofferzaak biedt de overheid slachtoffers en nabestaanden één plek waar zij alle berichten over de zaak kunnen inzien. In dit online dossier treft een slachtoffer alle informatie van de politie over de zaak, en ook het OM, Slachtofferhulp Nederland en Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) informeren hier slachtoffers. Tenslotte informeert ook Schadefonds Geweldsmisdrijven het slachtoffer op MijnSlachtofferzaak over een eventuele tegemoetkoming.
Hoe ziet de internationale samenwerking eruit bij dergelijke verwerpelijke websites die door hostingbedrijven worden gerund buiten Nederland?
De aanpak van bad hosting is zeer complex en tijdrovend vanwege het internationale en volatiele karakter van de hostingindustrie. Al jaren werken de Nederlandse politie, het Openbaar Ministerie en verschillende publieke en private partners samen om de netwerken van hosting providers op te schonen. Vanaf de tweede helft van 2025 is dit ook een speerpunt geworden van het European Cybercrime Centre (EC3) van Europol. Steeds meer landen sluiten aan bij de zogeheten brede bestrijding van schadelijke hosting. Voor strafrechtelijke samenwerking gelden internationale verdragen. Informatie uit het buitenland wordt verkregen op basis van rechtshulpverzoeken, al dan niet voorafgaand aan een bevriezingsbevel.
Daarnaast wordt binnen het project Cleannetworks in samenwerking met de Stichting Nationale Beheersorganisatie Internet Providers (NBIP) het project en de Gedragscode Abusebestrijding verder gestimuleerd op Europees niveau. Voor dit project heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een Europese subsidie toegekend gekregen. Hierover bent u eerder in de Kamerbrief Integrale aanpak cybercrime geïnformeerd. Binnen het project is de verdere uitbreiding en focus op de Europese markt een belangrijk onderdeel. Misbruik van de digitale infrastructuur is immers grensoverschrijdend en alleen door ons ook buiten de Nederlandse markt te richten kan het meer gericht worden tegengegaan. Hiermee streeft de overheid naar een gelijk speelveld van de sector binnen de EU met dezelfde voorwaarden en voorkomt oneerlijke concurrentie voor de Nederlandse sector.
Kunt u aangeven of en zo ja welke juridische of technische belemmeringen bestaan om de hostingpartij te dwingen een website waar strafbare feiten op plaatsvinden offline te halen?
In het algemeen is het lastig voor Nederlandse autoriteiten om een buitenlandse website die gehost wordt in het buitenland, offline te krijgen. Dit kan bijvoorbeeld komen omdat niet bekend is welke hostingdienst erachter zit of niet bekend is waar de hostingdienst gevestigd is. Hierover bent u ook geïnformeerd in Kamerbrief «Voortgang integrale aanpak cybercrime» in het onderdeel over de verkenning naar de aanpak van bad hosting.3 Deze verkenning is gezamenlijk met het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat uitgevoerd. In deze verkenning is gekeken naar maatregelen die kunnen worden genomen tegen malafide hosters. Uw Kamer wordt vóór de zomer nader geïnformeerd over de aanpak bad hosting middels een voortgangsbrief over dit onderwerp.
Wordt er door politie proactief gemonitord op websites of platforms waar doxing plaatsvindt, vergelijkbaar met de aanpak bij kinderporno of terrorisme? Waarom wel of waarom niet?
Anders dan bij kinderpornografisch materiaal en terroristische content vindt door de politie en het Openbaar Ministerie niet structureel intensief onderzoek plaats naar doxing. Doxing komt vaak op naar aanleiding van concrete gebeurtenissen en valt onder de generieke opsporing. Kinderpornografisch materiaal en terroristische content zijn anders van omvang en aard. Daar wordt permanent strafrechtelijk op ingezet met onder meer specialistische teams.4 Een permanente inzet op alle strafbare feiten is met het oog op beschikbare capaciteit binnen de opsporing niet mogelijk. Daarin moeten keuzes worden gemaakt.
Voor kinderpornografisch materiaal en terroristische content geldt bovendien dat de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM), op basis van Europese en nationale wetgeving de bevoegdheid heeft om bestuursrechtelijk op te treden tegen kinderpornografisch materiaal en terroristische content. De ATKM is zodoende bevoegd een aanbieder van een hostingdienst het bevel te geven het desbetreffende materiaal ontoegankelijk te maken binnen één respectievelijk twaalf uur. De ATKM doet hiervoor zelf actief onderzoek en beoordeelt daarnaast online content aan de hand van meldingen.
Wanneer de politie een melding of aangifte van doxing ontvangt met voldoende aanknopingspunten kan er een opsporingsonderzoek worden opgestart. Het is dan ook positief dat de aanpak van doxing per 1 januari 2024 is versterkt door de strafbaarstelling hiervan in artikel 285d van het Wetboek van Strafrecht. Ook kan de officier van justitie, krachtens artikel 125p Wetboek van Strafvordering, aanbieders van communicatiediensten bevelen strafbare content (waaronder doxing), ontoegankelijk te laten maken.
Acht u het wenselijk om het delict «doxing» zwaarder te gaan vervolgen, zeker wanneer het om minderjarigen gaat en het leidt tot seksuele intimidatie en ernstige psychische schade?
Het OM is verantwoordelijk voor de vervolging van strafzaken. Bij het bepalen van de strafeis kan er door het OM rekening worden gehouden met strafverzwarende omstandigheden. In de Richtlijn voor strafvordering doxing van het OM wordt er onder andere rekening gehouden met de gevolgen voor slachtoffers. Naast doxing kan er sprake zijn van een andere strafbare gedraging. Het is aan het OM om te besluiten of en op basis van welke gronden vervolging plaatsvindt.
Welke extra stappen bent u bereid te nemen om kinderen online beter te beschermen tegen dit soort extreme vormen van digitale intimidatie?
Kinderen kunnen zich niet altijd zelfstandig beschermen en weerbaar opstellen in de online omgeving. Er worden verschillende maatregelen genomen om ervoor te zorgen dat de digitale leefomgeving van kinderen veilig(er) wordt en hun rechten geborgd en versterkt worden. Dit gebeurt samen met Europese partners, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties, ouders, verzorgers en kinderen. De maatregelen richten zich niet alleen op kinderen en ouders, maar ook op ontwikkelaars en aanbieders van online diensten en producten, en op professionals in de zorg en in het onderwijs. De voormalig Staatssecretaris van BZK heeft uw Kamer hierover op 4 september 2025 een brief gezonden waarin de strategie voor online kinderrechten is neergelegd.5 Deze strategie wordt jaarlijks geactualiseerd; de verwachting is dat voor het zomerreces een nieuwe brief volgt.
15 arrestaties in verband met aanzet tot terreur voor Islamitische Staat (IS) via TikTok |
|
Geert Wilders (PVV), Marina Vondeling (PVV) |
|
David van Weel (VVD), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «TikTok-gebruikers aangezet tot terreur voor IS, 15 arrestaties»?1
Ja.
Over welke verblijfsstatussen beschikken de 13 Syrische verdachten, en wat is het herkomstland van de overige verdachten met de Nederlandse nationaliteit?
Het kabinet gaat niet in op individuele casuïstiek en doet geen uitspraken over de verblijfsstatus of andere (persoons)gegevens van betrokkenen.
Kunt u bevestigen dat er al in augustus vorig jaar zicht was op deze verdachten bij de eenheden? Zo ja, waarom hebben deze gevaarlijke jihadisten al die tijd vrij rond kunnen lopen en onze samenleving in gevaar kunnen brengen? Hoeveel van dit soort tikkende tijdbommen lopen er nog steeds rond in Nederland?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kunnen geen nadere uitspraken worden gedaan.
Hoe konden deze Syriërs überhaupt Nederland binnenkomen, terwijl ze nu verdacht worden van het aanzetten tot islamitisch terrorisme?
Zoals aangegeven wordt niet ingegaan op de individuele omstandigheden omtrent het strafrechtelijk onderzoek of de toelatings- en verblijfsprocedure. In zijn algemeenheid geldt dat besluiten over toelating en verblijf individueel en zorgvuldig tot stand komen op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is, binnen het nationale en Europese wettelijke kader en met inachtneming van internationale verdragsverplichtingen.
Onderdeel van deze beoordeling is nadrukkelijke aandacht voor mogelijke risico’s voor de openbare orde, inclusief internationale misdrijven en nationale veiligheid.
In dit kader is in 2023, onder coördinatie van de NCTV, een systeemcheck binnen de migratie- en veiligheidsketen uitgevoerd naar het tijdig onderkennen van signalen die de nationale veiligheid kunnen raken. De bevindingen en de voortgang van de maatregelen zijn toegelicht in Kamerbrief «Stand van zaken bestrijding misbruik asiel- en migratiestromen door terroristen».2
Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat een persoon zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, kan dit leiden tot weigering of intrekking van een verblijfsvergunning.
Het feit dat op een later moment aanwijzingen zijn dat iemand mogelijk betrokken was bij een strafbaar feit betekent niet dat bij binnenkomst dan wel op of na het moment van vergunningverlening reeds informatie beschikbaar was of had kunnen zijn die tot weigering had moeten of kunnen leiden.
Het kabinet blijft inzetten op het zo vroeg mogelijk onderkennen van veiligheidsrisico’s. Ondanks alle inspanningen kan er geen absolute garantie worden gegeven dat er geen mensen dit land binnen komen die veiligheidsrisico’s met zich mee brengen, maar de inzet is erop gericht dit zoveel mogelijk te voorkomen. Ook valt niet uit te sluiten dat personen ná het doorlopen van een verblijfsprocedure radicaliseren. Nederland kent een sterke aanpak tegen radicalisering en het voorkomen ervan. Nationale partners staan nauw met elkaar in contact in de aanpak tegen terrorisme en extremisme. Dat blijkt uit deze aanhoudingen.
Bent u bereid om deze verdachten na hun veroordeling Nederland uit te zetten, en waar van toepassing, hun verblijfsvergunning in te trekken of de Nederlandse nationaliteit af te pakken? Zo nee, waarom tolereert u dit soort bedreigingen voor onze veiligheid?
Het kabinet neemt iedere dreigingsvorm tegen de nationale veiligheid uiterst serieus.
Voor personen met de Nederlandse nationaliteit geldt dat het Nederlanderschap in specifieke, wettelijk geregelde gevallen kan worden ingetrokken. Zo kan bij personen die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een misdrijf met een terroristisch oogmerk intrekking van het Nederlanderschap plaatsvinden als er – naast de Nederlandse – sprake is van een tweede nationaliteit. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
In zijn algemeenheid beziet de IND bij een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf of dit gevolgen heeft voor het verblijfsrecht van een vreemdeling. Dit is ook het geval indien de IND vast stelt dat er sprake is van een gevaar voor de nationale veiligheid. Als de vreemdeling niet (meer) in het bezit is van verblijfsrecht moet hij Nederland verlaten. Waar mogelijk wordt ingezet op gedwongen terugkeer, met inachtneming van internationale verplichtingen, waaronder het verbod op refoulement.
De beschikbare instrumenten binnen het vreemdelingen- en nationaliteitsrecht worden consequent toegepast binnen de geldende wettelijke kaders en met inachtneming van de vereiste individuele beoordeling. Per zaak wordt een zorgvuldige afweging gemaakt op basis van alle relevante omstandigheden.
Gelet op het lopende strafrechtelijke onderzoek kan ik niet vooruitlopen op eventuele vreemdelingrechtelijke gevolgen.
Deelt u de mening dat het falende opengrenzenbeleid een regelrechte uitnodiging is voor islamitisch terrorisme en dat het Nederland verandert in een broeinest voor jihadisten? Zo ja, bent u eindelijk bereid onmiddellijk een asielstop in te voeren alsmede een stop op immigratie uit islamitische landen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet deelt deze kwalificatie niet.
Hoewel in incidentele gevallen misbruik kan worden gemaakt van migratiestromen, rechtvaardigt dit geen generieke maatregelen gericht op gehele bevolkingsgroepen op basis van religie of herkomst.
Een algemene asielstop of een immigratiestop op basis van religie of herkomst uit zogenoemde «islamitische landen» is bovendien niet verenigbaar met de Grondwet, het Unierecht en internationale verdragsverplichtingen waarbij Nederland partij is. Het Nederlandse toelatingsbeleid is gebaseerd op individuele toetsing en rechtsstatelijke uitgangspunten.
Het kabinet blijft zich inzetten voor de bescherming van de nationale veiligheid door middel van gerichte maatregelen binnen het bestaande wettelijke kader.
De aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media |
|
Diederik van Dijk (SGP), Chris Stoffer (SGP) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met de berichtgeving over de aanhouding van vijftien personen wegens het verspreiden van IS-propaganda via sociale media, waaronder ook minderjarigen? Wat is uw appreciatie van de ernst en omvang van deze zaak?1
Ja.
Zoals onderstreept in het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN) blijven de zorgen over het jihadistische online milieu onverminderd groot.2 Met name de snelle online radicalisering van een nieuwe generatie jongeren wordt daarin als zorgwekkend aangemerkt.
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen nadere uitspraken doen.
Hoe duidt u deze aanhoudingen in het licht van het meest recente Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV), met name waar het gaat om online radicalisering van jongeren en de rol van sociale media?
De aanhoudingen kunnen passen in het beeld zoals onder meer geschetst in het meest recente DTN. Op openbare sociale media, in besloten chatgroepen en op gaming-platformen komen individuen buiten het zicht van ouders, leerkrachten of leeftijdsgenoten gemakkelijker en op jongere leeftijd dan voorheen in aanraking met extremistisch gedachtegoed. Door sociale media hoeven gebruikers niet altijd naar extremistische content te zoeken, maar kunnen zij ook onbedoeld en zonder ideologische motivatie met deze content in aanraking komen. Daarnaast kunnen zij onderdeel worden van online netwerken van gelijkgestemden, waar zij soms zelf extremistische content produceren en verspreiden, hetgeen weer bijdraagt aan de radicalisering van anderen.
De jonge leeftijd van een aantal verdachten past in het bredere beeld dat steeds meer terrorismeverdachten minderjarig zijn en (online) geïnspireerd raken door onder andere de Islamitische staat (ISIS). De geografische spreiding van de verdachten laat verder zien dat fysieke nabijheid geen vereiste is voor samenwerking. Online platformen maken het mogelijk dat terroristische netwerken ontstaan die gemeente- en regiogrenzen overstijgen.
Deelt u de opvatting dat online jihadistische propaganda en rekrutering via sociale media een structurele dreiging vormen voor de nationale veiligheid?
Het gedachtegoed van ISIS is online eenvoudig toegankelijk en wijdverspreid. Jihadistische propaganda, jihadistische groepen en netwerken bevinden zich op verscheidene online platformen. Deze online aanwezigheid zorgt ervoor dat het jihadistische gedachtegoed in stand blijft, hetgeen leidt tot nieuwe aanwas van jihadisten en het mogelijk vergroten van de actiebereidheid bij hen. Bovendien is de omvang van jihadistische online propaganda de laatste jaren sterk toegenomen. Het is lastig om zicht krijgen op de totale omvang van deze propaganda, omdat zij soms verstopt is op minder toegankelijke kanalen zoals besloten chatgroepen.
De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AVID) heeft in de open publicatie «Een web van haat» uit 2025 eerder benoemd dat de brede online beschikbaarheid en toegankelijkheid van extremistische en terroristische propaganda zeer waarschijnlijk bijdraagt aan een blijvende jihadistische dreiging.3 Daarnaast onderschrijft de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) dat online radicalisering onder jihadistische jongeren een groeiend probleem is in Nederland en in Europa.4 In de afgelopen jaren heeft deze radicalisering van jonge jihadisten in Nederland echter nog niet geleid tot een daadwerkelijke geweldsdaad in Nederland: aanslagplannen kwamen niet tot uitvoer of autoriteiten wisten voornemens tot een aanslag tijdig te onderkennen. Desondanks kunnen uit online contacten op termijn ook jihadistische netwerken ontstaan die een terroristische dreiging kunnen vormen.
Klopt het dat extremistische netwerken in toenemende mate gebruikmaken van codetaal, symboliek en andere verhullende communicatie om detectie door platforms en opsporingsdiensten te omzeilen, en hoe beoordeelt u de weerbaarheid van de huidige aanpak hiertegen?
Terroristische en extremistische groepen en netwerken maken in hun online propaganda vaak gebruik van verhullende communicatie om detectie door opsporingsdiensten en online platformen te omzeilen. Ze gebruiken daarbij codetaal, symboliek, zogenoemde «hondenfluitjes» of humor, verwerkt in memes, afbeeldingen, video’s en games. Op deze manier kunnen extremistische boodschappen op grote platformen worden verspreid en een breder publiek bereiken. Naarmate contentmoderatie strenger wordt, neemt ook de mate van verhulling toe.
Er wordt continu gewerkt aan het verbeteren van detectiemechanismen en het in kaart brengen van nieuwe uitingsvormen van terroristische online content.
Daarnaast zijn hostingbedrijven en online platformen verplicht zorgvuldig om te gaan met de content die zij aanbieden. Zo legt de Digital Services Act (DSA) voor zeer grote online platformen (VLOPs) zorgvuldigheidsverplichtingen op met betrekking tot de inrichting van hun platform en de content die daarop wordt gehost of verspreid. De DSA verplicht platformen om transparantie te bieden over de moderatie die zij verrichten, en de wijze waarop. Zo moeten zij onder meer rapporteren over de moderatie die zij hebben verricht en de geautomatiseerde middelen die daarbij eventueel zijn toegepast. Het kabinet zal zich ervoor blijven inzetten dat platformen hun verplichtingen nakomen, onder meer door samenwerking met Europese partners te intensiveren en door in de structurele dialoog met de online platformen hiervoor aandacht te vragen.
In hoeverre zijn sociale-mediaplatforms naar uw oordeel momenteel daadwerkelijk in staat om terroristische propaganda tijdig te detecteren en te verwijderen, ook wanneer gebruik wordt gemaakt van omzeilingstechnieken?
Sociale mediaplatformen kunnen problemen ondervinden bij het tijdig detecteren en verwijderen van terroristische propaganda wanneer omzeilingstechnieken worden gebruikt. Zoals aangegeven in antwoord 4 maken terroristische en extremistische groepen en netwerken vaak gebruik van verhullende communicatie om moderatie-inspanningen te omzeilen. Het blijft dan ook van belang dat sociale mediaplatformen oog houden voor nieuwe omzeilingstechnieken en investeren in moderatie kwaliteit en in kennis. Hoewel platformen zoals TikTok en de Meta-diensten (Instagram) geavanceerde AI inzetten voor de detectie van ernstige schendingen, blijkt de handhaving in de praktijk vaak inconsistent en traag. Dit is omdat deze geautomatiseerde systemen nog steeds moeite hebben met de contextuele en culturele nuances van de steeds veranderende codetaal. Bovendien belemmert de architectuur van gepersonaliseerde-algoritmen de moderatie, omdat gebruikers content te zien krijgen die aansluit bij hun interesses, waardoor zij minder snel geneigd zijn om propaganda te rapporteren.
In Nederland geeft de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) uitvoering aan de Verordening Terroristische Online-Inhoud (TOI-verordening) en is bevoegd om terroristische content te detecteren en deze te laten verwijderen of ontoegankelijk te laten maken. De ATKM streeft ernaar om in samenwerking met de platformen moderatie van terroristische online content verder te verbeteren en spreekt hen aan wanneer zij naar haar oordeel meer kunnen doen. Waar nodig zet zij hierbij verwijderingsbevelen en haar handhavingsinstrumentarium in.
Welke concrete verplichtingen hebben platforms onder Nederlandse en Europese regelgeving om terroristische content actief op te sporen en te verwijderen, hoe wordt toezicht gehouden op de naleving daarvan en welke sancties volgen bij nalatigheid?
Bij de bestrijding van illegale content ligt de nadruk in de huidige wet- en regelgeving vooral op het verwijderen of tegengaan van de content zelf. Zo bevat het huidige wettelijke instrumentarium, zoals de TOI-verordening en de DSA, duidelijke verplichtingen voor de bestrijding van terroristische en andere illegale content op online platformen.
De ATKM heeft op grond van de TOI-verordening primair tot taak terroristische online-inhoud te identificeren en het ontoegankelijk maken van online terroristische online-inhoud af te dwingen.
Indien terroristische online-inhoud is geïdentificeerd, vaardigt de ATKM een verwijderingsbevel uit aan de aanbieder van hostingdiensten waar de terroristische online-inhoud wordt gehost. De ATKM kan een verwijderingsbevel uitvaardigen aan alle aanbieders van hostingdiensten die hun diensten aanbieden in de Europese Unie. Hierop heeft de aanbieder van hostingdiensten één uur de tijd om deze inhoud te verwijderen óf de toegang daartoe in alle EU-lidstaten te blokkeren. De ATKM houdt scherp toezicht op deze 1-uurs termijn. In vrijwel alle gevallen hebben internetbedrijven hieraan opvolging gegeven.5
Wanneer een verwijderingsbevel niet (tijdig) door een aanbieder van hostingdiensten wordt nageleefd, kan de ATKM een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen. Indien een aanbieder systematisch of aanhoudend de verwijderingsbevelen niet naleeft, is het wettelijk maximum boetebedrag € 1.100.000 of, indien dat meer is, ten hoogste 4% van de mondiale omzet van de onderneming.
Wanneer een in Nederland gevestigde aanbieder van hostingdiensten twee of meer definitieve verwijderingsbevelen heeft ontvangen kan de ATKM besluiten dat deze aanbieder is blootgesteld aan terroristisch online inhoud. De aanbieder dient dan onder andere aanvullende specifieke maatregelen te nemen om zijn diensten te beschermen tegen de verspreiding van terroristisch online inhoud. De aanbieder kiest zelf welke specifieke maatregelen hij hiervoor treft en rapporteert hierover aan de ATKM.6
De verplichtingen onder de DSA zijn gelaagd en afhankelijk van de omvang van de dienst. Online platformen moeten op grond van artikel 16 beschikken over een gebruiksvriendelijk meldsysteem voor illegale inhoud. Bij een vermoeden van een strafbaar feit dat het leven of de veiligheid van een persoon bedreigt, moeten zij volgens artikel 18 de opsporingsdiensten informeren. Daarnaast moeten meldingen van trusted flaggers op basis van artikel 22 met voorrang worden behandeld.
Voor VLOPs gelden strengere eisen. Zij moeten volgens artikel 34 systemische risico’s rond de verspreiding van illegale content analyseren en op grond van artikel 35 passende maatregelen nemen. Bij ernstige nalatigheid kunnen op grond van artikel 52 boetes tot 6% van de wereldwijde jaaromzet worden opgelegd. Ook moeten VLOPs de mogelijke risico’s voor bijvoorbeeld de openbare veiligheid analyseren en beperken, bijvoorbeeld door algoritmische versterking te verminderen of gebruikers naar hulpinstanties te verwijzen. De Europese Commissie houdt toezicht op deze verplichtingen.
Erkent u de noodzaak om het instrumentarium voor bindende verwijderbevelen, blokkades of andere interventies te versterken wanneer platforms er niet in slagen om terroristische propaganda effectief tegen te gaan?
Het wettelijk instrumentarium, zoals de DSA en de TOI-verordening, biedt mogelijkheden om op te treden tegen onveilige online omgevingen. Zo is in het kader van voorgenoemde wetten een opbouw van handhavingsmogelijkheden voorzien.
Wat betreft de manier waarop er gehandhaafd kan worden onder de TOI-verordening door de ATKM verwijs ik u graag naar het uitgebreide antwoord op vraag 6. Om de doeltreffendheid en praktische effecten van de Uitvoeringswet TOI en de bevoegdheden van de ATKM te beoordelen, is in 2025 de evaluatie van deze wet gestart. Daarin wordt de juridische reikwijdte van verwijderbevelen onderzocht, waaronder de juridische mogelijkheid en wenselijkheid van bevoegdheden ten aanzien van «legal yet harmful» materiaal. In het najaar van dit jaar zal ik uw Kamer informeren over de resultaten hiervan.
Daarnaast heeft Nederland in december 2025, samen met Duitsland en Frankrijk, de Europese Commissie opgeroepen om in samenspraak met onder andere online platformen een vrijwillige gedragscode op te stellen ter bestrijding van online radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme.7 De voorstellen voor de gedragscode richten zich op de bescherming van gebruikers van online platformen, het delen van signalen van online radicalisering, en het tegengaan van zogeheten «platform migratie» waarbij (geblokkeerde) gebruikers (telkens) naar andere platformen uitwijken (en accounts op nieuwe platformen openen).
De DSA biedt ruimte voor de Autoriteit Consument & Markt (ACM), de Nederlandse toezichthouder, en de Europese Commissie om handhavend op te treden bij niet-naleving van de verplichtingen uit de verordening. De verordening laat in een uiterst geval en onder voorwaarden ruimte voor de toezichthouder om de rechter te verzoeken de toegang tot een dienst tijdelijk te beperken wanneer sprake is van een voortdurende inbreuk die neerkomt op een strafbaar feit waarbij het leven of de veiligheid van personen wordt bedreigd. De Europese Commissie kan VLOPs dwingende maatregelen opleggen en boetes uitdelen wanneer zij systemische risico's onvoldoende mitigeren.
In 2027 vindt de evaluatie van het effect en doeltreffendheid van de DSA plaats. Om dit instrumentarium verder te versterken, zal Nederland een actieve rol spelen in deze evaluatie en ons inzetten voor verdere aanscherping van regels waar dat wenselijk en mogelijk is. Daarbij richten wij ons niet alleen op de aanpak van illegale en schadelijke content, maar nadrukkelijk ook op het gebrek aan transparantie en de werking van schadelijke algoritmen. Deze inzet sluit aan bij de doelstellingen uit het coalitieakkoord. Zo zal het kabinet zich inzetten om sociale media veiliger te maken door middel van strenger toezicht op platformen en transparantie over algoritmen, en effectieve handhaving tegen illegale content. In de komende periode zal worden bezien op welke wijze hier nadere invulling aan kan worden gegeven.
Kunt u, voor zover het onderzoek dat toelaat, inzicht geven in de nationaliteiten en verblijfsstatussen van de verdachten, en aangeven in hoeverre er sprake is van banden met jihadistische conflictgebieden zoals Syrië?
Zoals het Openbaar Ministerie naar buiten heeft gebracht, zijn er verspreid over negen politie-eenheden in totaal zestien verdachten aangehouden. Volgens het Openbaar Ministerie hebben dertien verdachten de Syrische nationaliteit en drie verdachten de Nederlandse nationaliteit. Het kabinet doet geen uitspraken over individuele verblijfsstatussen of andere persoonsgegevens van de verdachten.
Indien verdachten recente banden hebben met of afkomstig zijn uit jihadistische conflictgebieden, hoe wordt dit betrokken in de dreigingsanalyse en geeft dit aanleiding om aanvullende veiligheidsmaatregelen te treffen?
Het onderzoek van het Openbaar Ministerie loopt en over lopende onderzoeken kan ik geen uitspraken doen.
De NCTV houdt de ontwikkelingen omtrent de jihadistische dreiging nauwlettend in de gaten en rapporteert daarover in het DTN. Ook wordt voortdurend bezien of de huidige aanpak voldoende handvatten biedt of dat aanscherping van maatregelen nodig is.
Welke preventieve maatregelen worden ingezet om jongeren te beschermen tegen online radicalisering en rekrutering, en hoe wordt de samenwerking met gemeenten, onderwijs en ouders hierbij vormgegeven?
De lokale aanpak vormt een essentieel onderdeel van de kabinetsinzet tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, waarbij altijd sprake is van maatwerk. Met name waar het jongeren betreft is het belang van effectieve vroegsignalering groot en dergelijk maatwerk vereist – een noodzaak die ook door de AIVD is benadrukt in haar publicatie «Een web van haat».8 Hierbij is een grote rol weggelegd voor preventie, bijvoorbeeld door het bevorderen van digitale weerbaarheid van jongeren, het ondersteunen van ouders en het trainen van (lokale) professionals zoals jeugdwerkers en leerkrachten om mogelijke signalen van (online) radicalisering vroegtijdig te herkennen.
Het versterken van digitale weerbaarheid is een belangrijke pijler binnen de preventieve aanpak van online radicalisering9, waarbij passende en effectieve interventies op lokaal niveau van groot belang zijn. Op dit gebied werk ik intensief samen met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), waaronder bij het toekennen van de Versterkingsgelden aan gemeenten. Vanuit de Versterkingsgelden worden diverse lokale interventies ondersteund die bijdragen aan het versterken van de digitale weerbaarheid van jongeren, zoals lessen op school over mediawijsheid en online jongerenwerk. SZW zet daarnaast ook op lokaal niveau preventief in op het versterken van bewustwording, kennisontwikkeling en -deling en samenwerking van professionals op het thema online radicalisering.10 De NCTV heeft de Expertise-Unit Sociale Stabiliteit in 2025 en 2026 gevraagd met regionale advisering de lokale aanpak te ondersteunen, met als doel duurzame netwerken tussen lokale professionals op te bouwen ter bevordering van lokale preventie en deskundigheidsbevordering. Tevens is de aansluiting tussen zorg- en veiligheidspartners een aandachtspunt. Daarbij is een extra focus aangebracht voor de aanpak van snelle online radicalisering van jongeren door jongerenwerkers, onderwijzers, ouders en jongeren, en hoe deze aanpak zelf kan worden vormgegeven door inzet op online veiligheid en digitale weerbaarheid.
Tot slot is het van groot belang dat (lokale) professionals uit het sociaal-, onderwijs-, zorg- en veiligheidsdomein over de juiste kennis en handvatten beschikken om signalen vroegtijdig te herkennen zodat hierop effectief kan worden gehandeld. Het Rijksopleidingsinstituut tegen Radicalisering (ROR) werkt samen met gemeentes aan de deskundigheid van professionals door middel van kennisverspreiding en het versterken van vaardigheden en biedt diverse trainingen en workshops aan professionals, zoals een workshop «Online Radicalisering» of de serious game voor docenten genaamd «Botsende ideeën». Daarnaast biedt het Landelijk Steunpunt Extremisme (LSE) hulp en advies aan professionals en mensen die in hun privé omgeving te maken krijgen met (mogelijke) radicalisering of extremisme.
Ziet u verband tussen het aanwakkeren van online jihadisme en recente demonstraties waarbij uitingen zijn gedaan die terroristisch geweld verheerlijken dan wel legitimeren? Hoe wordt in zulke gevallen direct ingegrepen bij strafbare uitingen?
In algemene zin kunnen uitingen die online worden gedaan direct of indirect effect hebben in de fysieke wereld. Intolerante en gewelddadige boodschappen worden, met name door de komst van sociale media, razendsnel verspreid om de geesten van anderen ontvankelijk te maken voor terroristische denkbeelden. Als mensen online propaganda van terroristische organisaties voorgeschoteld krijgen, kan dat radicalisering in de hand werken en van invloed zijn op de wijze waarop deze personen zich gedragen in onze maatschappij, niet alleen online maar ook op straat, bijvoorbeeld bij bijeenkomsten of demonstraties.
Personen die online radicaliseren door veelvuldige blootstelling aan terroristische boodschappen kunnen hun intolerante gedachtegoed in de openbare ruimte uitdragen, bijvoorbeeld door terroristische misdrijven te verheerlijken of door steun te betuigen aan terroristische organisaties. Om deze verheerlijkende propaganda nog beter en gerichter aan te kunnen pakken, heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding waarin twee nieuwe strafbaarstellingen zijn opgenomen, te weten de strafbaarstelling van het verheerlijken van terrorisme en de strafbaarstelling van het openlijk betuigen van steun aan een terroristische organisatie. Dit wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State.
Uiteraard kan er op dit moment ook al strafrechtelijk worden opgetreden tegen strafbare uitingen die online of offline in het openbaar worden gedaan.
Op het moment dat er strafbare uitlatingen worden gedaan tijdens een demonstratie is het aan het Openbaar Ministerie als gezag om een afweging te maken of de politie moet ingrijpen. Het Openbaar Ministerie kan eveneens na een demonstratie ingrijpen door dan tot strafvervolging over te gaan. Deze afweging is aan het Openbaar Ministerie.
Welke maatregelen gaat u nemen om online radicalisering, rekrutering en terroristische propaganda krachtiger tegen te gaan? Bent u bereid de Kamer hier spoedig over te informeren?
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten om online radicalisering, extremisme en terrorisme aan te pakken – in het bijzonder waar het jongeren betreft. Er wordt voortdurend bezien of de huidige wet- en regelgeving toereikend is en er wordt stevig ingezet op preventie, bewustwording en samenwerking met lokale en internationale partners. In het voorjaar van 2026 zal ik in de volgende voortgangsbrief van de Versterkte Aanpak Online nader ingaan op de verdere ontwikkelingen in het tegengaan van online extremisme en terrorisme.
Bent u bekend met de zogenoemde Epstein Files Transparency Act en met de recente publicatie van circa drie miljoen documenten uit het Epstein-dossier door het Amerikaanse Ministerie van Justitie?1
Ik ben bekend met de berichtgeving omtrent de publicatie.
Erkent u de relevantie van dit onderwerp, gezien de gruwelijke details die elke dag meer bekend worden en de grote gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij?
Dat het hier een bijzonder omvangrijke en heftige zaak betreft staat buiten kijf. Het moet ontzettend pijnlijk zijn voor de slachtoffers om steeds weer met de details van deze zaak te worden geconfronteerd.
Bent u bekend met het feit dat in deze documenten meerdere Nederlanders worden genoemd?
Ik ben bekend met wat hierover in de berichtgeving is gemeld. Ik geef als Minister geen duiding aan individuele casuïstiek, en acht het meer in zijn algemeen van belang dat voorzichtigheid en terughoudendheid wordt betracht bij het trekken van conclusies wanneer niet over alle details wordt beschikt.
Bent u bekend met een e-mailwisseling waarin Epstein aan een Nederlands model zou hebben geschreven: «you owe me 2 girls», en kunt u aangeven hoe u deze uitlating duidt?2
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de mening dat uit de gepubliceerde communicatie Nederlandse betrokkenheid, hetzij in de vorm van slachtofferschap, hetzij in de vorm van daderschap of medeplichtigheid kan blijken?
Zie antwoord vraag 3.
Deelt u de opvatting dat het van groot belang is om elke vorm van Nederlandse betrokkenheid zorgvuldig te onderzoeken, uit te sluiten dan wel te vervolgen, en dat dit des te relevanter is gezien de omvangrijke betrokkenheid van personen uit onder meer ons buurland het Verenigd Koninkrijk? Zo nee, waarom niet?
De afweging om al dan niet onderzoek te doen naar mogelijke strafbare feiten is aan het Openbaar Ministerie (OM). Het OM heeft mij laten weten dat er bij hen thans geen Nederlandse zaken of onderzoeken bekend zijn die raken aan het Epstein-dossier. Daarbij is het van belang om op te merken dat voor het starten van een opsporingsonderzoek altijd sprake zal moeten zijn van concrete feiten en omstandigheden die erop wijzen dat strafbare feiten zijn gepleegd en waarover Nederland rechtsmacht heeft.
Kunt u bevestigen of ontkrachten dat het Openbaar Ministerie eerder onderzoek heeft gedaan naar mogelijke Nederlandse betrokkenen binnen het netwerk van Epstein, direct dan wel indirect? Indien dit niet het geval is, kunt u toelichten waarom niet?
Zie antwoord vraag 6.
Bent u bereid onderzoek te laten instellen naar mogelijke Nederlandse betrokkenheid, en daarbij, indien noodzakelijk, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid, algemeen dan wel bijzonder, met het oog op het bevorderen van gerechtigheid voor Nederlandse en internationale slachtoffers en het voorkomen van ongestrafte betrokkenheid?
Uiteraard onderschrijf ik altijd het belang van gerechtigheid voor slachtoffers en het uitblijven van straffeloosheid. Zoals ik in het antwoord op de vragen 6 en 7 aangaf, is de afweging om al dan niet een strafrechtelijk onderzoek in te stellen aan het OM. U wijst op de mogelijkheid van de aanwijzingsbevoegdheid. Daarbij moet worden opgemerkt dat een algemene aanwijzing dient voor beleidskwesties, prioriteiten en werkwijzen van het OM in het algemeen. Op de kwestie waar uw vraag op ziet kan deze dus niet van toepassing zijn. Met het geven van een bijzondere aanwijzing in individuele zaken ga ik terughoudend om. Gelet op bovenstaande en het antwoord op de vragen 6 en 7 zie ik geen aanleiding om gebruik te maken van mijn bijzondere aanwijzingsbevoegdheid.
Het spionageschandaal bij de NCTV |
|
Peter van Duijvenvoorde (FVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht dat een voormalig medewerker van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) jarenlang staatsgeheime informatie zou hebben doorgespeeld aan de Marokkaanse geheime dienst?1
Ja.
Deelt u de mening dat deze zaak een van de grootste veiligheids- en spionageschandalen uit de recente Nederlandse geschiedenis is? Zo nee, waarom niet?
Hoe kan het dat een medewerker met toegang tot uiterst vertrouwelijke informatie van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (MIVD) jarenlang ongecontroleerd honderden staatsgeheime documenten kon printen, meenemen en digitaliseren?
Welke concrete tekortkomingen in toezicht, interne controle en informatiebeveiliging hebben dit mogelijk gemaakt?
Kunt u aangeven welke risico’s deze informatielekken hebben opgeleverd voor de nationale veiligheid en de veiligheid van Nederlandse burgers?
Zoals geschetst Kamerbrief van 25 november 2025 is door de politie direct na de aanhouding van de verdachte gekeken naar de veiligheidsrisico’s voor zowel medewerkers als lopende onderzoeken.4 Mede naar aanleiding van deze doorlichting heeft de politie maatregelen genomen. Op dit moment loopt, mede naar aanleiding van de motie Six-Dijkstra, een onderzoek naar de schade van de mogelijk gelekte gegevens bij de NCTV.5 Zoals toegezegd in de brief van 10 november jl. zal ik uw Kamer voor zover dit mogelijk is nader informeren over relevante ontwikkelingen.
In hoeverre zijn door deze zaak lopende operaties, informatiebronnen of personen in binnen- en buitenland in gevaar gebracht?
In zijn algemeenheid geldt dat dat er in de openbaarheid niet wordt ingegaan op vragen omtrent staatsgeheime informatie of operaties. Voor de behandeling hiervan heeft de Kamer haar geëigende kanalen.
Wanneer ontving de AIVD de eerste signalen van mogelijk ongeoorloofd contact tussen de verdachte en buitenlandse inlichtingendiensten, en waarom is toen niet eerder ingegrepen?
Zie antwoord vraag 6.
Deelt u de zorg dat Nederland structureel te naïef omgaat met buitenlandse inmenging en spionage, met name vanuit landen die hier een grote diaspora hebben?
Sinds 2018 zet het kabinet Rijksbreed in op tegengaan van ongewenste buitenlandse inmenging.6 In 2023 is deze aanpak geïntensiveerd, met onder andere maatregelen om het bewustzijn over statelijke inmenging te vergoten en de strafbaarstelling van spionageactiviteiten in Nederland uit te breiden.7 Voor een actueel overzicht verwijs ik uw Kamer naar de Kamerbrief «Stand van zaken aanpak ongewenste buitenlandse inmenging» en de fenomeenanalyse van de AIVD en NCTV over dit thema.8
Deelt u de zorg dat ambtenaren met sterke persoonlijke, familiale of buitenlandse loyaliteiten kwetsbaar kunnen zijn voor belangenverstrengeling en het schenden van het ambtsgeheim, zoals blijkt uit recente zaken waaronder die van Fouad A.?2
De Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) stelt dat privécontacten van rijksambtenaren het vertrouwen van het publiek in de overheid kunnen beïnvloeden. Hier staat tegenover dat een ambtenaar recht heeft op de bescherming van zijn of haar privéleven zolang de uitoefening van dit recht het functioneren of het functioneren van de dienst niet schaadt. Voor ambtenaren met toegang tot relevante informatie of diensten geldt dat het integriteitsrisico groter is. De Rijksoverheid zet daarom in op bewustwording over integriteitsrisico’s, onder andere via het rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning».
Ziet u aanleiding om te onderzoeken of er sprake is van structurele patronen bij het schenden van het ambtsgeheim, waaronder het beschermen van bekenden, en of huidige screenings- en toezichtmechanismen daarbij tekortschieten?
Voor de beantwoording van deze vraag verwijs ik naar de beantwoording van vragen 2, 3 en 4. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Hoe beoordeelt u de rol van de Marokkaanse staat in deze zaak, gezien de verdenkingen van direct contact tussen de verdachte en hoge functionarissen van de Marokkaanse inlichtingendienst?
Zoals eerder door het kabinet is aangegeven, is het van belang om eerst de uitkomsten van het strafproces af te wachten.
Worden er, naar aanleiding van deze zaak, diplomatieke of veiligheidsmaatregelen overwogen ten aanzien van de samenwerking met Marokko?
Zie antwoord vraag 11.
Acht u de huidige screenings- en herbeoordelingsprocedures voor medewerkers met toegang tot staatsgeheime informatie toereikend? Zo nee, welke aanscherpingen acht u noodzakelijk?
Hoe heeft het kunnen gebeuren dat collega’s inloggegevens konden uitlenen zonder dat dit direct werd gesignaleerd of gesanctioneerd?
Deelt u de opvatting dat het uitlenen van accounts en het meenemen van staatsgeheime stukken naar huis wijst op een gebrekkige veiligheidscultuur binnen de NCTV?
Welke bestuurlijke of disciplinaire gevolgen zijn er verbonden aan het falen van interne beveiligingsmaatregelen binnen de NCTV?
In hoeverre wordt momenteel rekening gehouden met mogelijke kwetsbaarheden voor buitenlandse beïnvloeding, zoals financiële voordelen, reizen of andere gunsten, bij medewerkers in gevoelige functies?
Van alle rijksambtenaren wordt verwacht dat zij in hun werk betrouwbaar, onafhankelijk en onpartijdig zijn. In artikel 8, eerste lid, onder e, van de Ambtenarenwet 2017 is opgenomen dat het de ambtenaar niet is toegestaan om zonder toestemming van de overheidswerkgever giften, vergoedingen en beloften van een derde aan te nemen of hierom te vragen, indien de ambtenaar als ambtenaar met deze derde betrekkingen onderhoudt. Als grondregel geldt dat het aannemen van geschenken slechts geoorloofd is wanneer de handelingsvrijheid van de ambtenaar er niet direct of indirect door wordt aangetast én het gedrag van de ambtenaar de toets van de openbare verantwoording kan doorstaan.11 Zoals ook in de Gedragscode Integriteit Rijk (GIR) is opgenomen, dient elke rijksambtenaar bij geschenken na te gaan wat de achtergrond en mogelijke bijbedoelingen van een geschenk zijn. Indien een ambtenaar zich hierdoor niet meer vrij voelt om een onpartijdige beslissing te nemen, moet een geschenk geweigerd worden. In het geval van een geschenk door een buitenlandse relatie, dient de rijksambtenaar dit te beschouwen als een geschenk aan de organisatie en bespreekt de rijksambtenaar het geschenk met de leidinggevende. In het verlengde hiervan is het Rijksbrede programma «Weerbaarheid Rijksoverheid tegen ondermijning» in het leven geroepen tegen ondermijning vanuit statelijke actoren, buitenlandse beïnvloeding, en criminele organisaties. Vanuit het programma is er bijvoorbeeld een toolkit ontwikkeld waarmee Rijksorganisaties een risicoanalyse kunnen uitvoeren ten aanzien van corruptie en ondermijning.
Bent u bereid om het beleid rondom het accepteren van geschenken, reizen en andere voordelen van buitenlandse partijen verder aan te scherpen voor ambtenaren met toegang tot staatsgeheimen?
Zie antwoord vraag 17.
Welke lessen trekt u uit deze zaak voor de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel?
Het is niet aan mij om uitspraken te doen over de inrichting en het toezicht op de nationale veiligheidsketen als geheel. Als benoemd bij de beantwoording van vragen 2 tot en met 4 heeft mijn ambtsvoorganger de ADR gevraagd onderzoek te doen naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie. Voor de uitkomsten van dit rapport en de maatregelen die zijn getroffen verwijs ik u naar de eerder genoemde brief van 13 december 2024. Ten aanzien van een centraal toezicht op staatsgeheimen verwijs ik u naar de initiatiefnota van de voormalige leden Six Dijkstra. Bij brief van 14 juli 2025 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken uw Kamer een kabinetsreactie op deze initiatiefnota gestuurd.
Kunt u toezeggen dat de Kamer volledig en transparant wordt geïnformeerd over de uitkomsten van evaluaties en eventuele hervormingen naar aanleiding van deze zaak?
Bij brief van 24 oktober 2024 heb ik uw Kamer geïnformeerd dat ik de ADR heb gevraagd om een aanvullend onderzoek te doen bij de NCTV naar de opvolging van de aanbevelingen van het rapport van de ADR naar de omgang met bijzondere informatie bij de NCTV en de politie en waar nodig aanvullende aanbevelingen te doen. Uw Kamer zal, zoals toegezegd in de genoemde brief en tijdens het debat met uw Kamer van 3 april 2025, vanzelfsprekend over de uitkomsten worden geïnformeerd.
De oproep van experts om AI-uitkleedsoftware wereldwijd te verbieden |
|
Barbara Kathmann (PvdA) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het manifest, wereldwijd ondertekend, die oproept om AI-uitkleedsoftware te verbieden?1
Ja.
Wat is uw reactie op het manifest? Kunt u inhoudelijk reageren op de specifieke oproepen aan beleidsmakers van EU-lidstaten?
Het is goed dat het maatschappelijk middenveld met dit manifest breed aandacht vraagt voor de problematiek rondom nudifying-tools. De slachtoffers zijn met name vrouwen en minderjarigen, maar deepnudes kunnen in potentie van iedereen gemaakt worden. Het bericht dat zoveel mensen slachtoffer zijn geworden is zeer zorgwekkend. Het is onacceptabel om met behulp van AI zonder toestemming mensen uit te kleden. De impact en de gevolgen van deepnudes voor slachtoffers en hun omgeving zijn enorm, mede omdat het maken van deepnudes steeds geavanceerder wordt en daarmee deepnudes steeds realistischer worden.
Ten aanzien van de eerste drie specifieke oproepen: op grond van het bestaande straf- en civiele recht kan de nudify-problematiek in Nederland en de EU al grotendeels worden aangepakt. Het gebruik ervan zonder toestemming zal in de praktijk vrijwel altijd strafbaar en/of onrechtmatig zijn. Zo biedt de Nederlandse wetgeving via de artikelen 252 en 254ba Wetboek van Strafrecht voldoende mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen personen die met AI applicaties zonder toestemming deepnudes van personen, waaronder vrouwen en minderjarigen, genereren, voorhanden hebben en verspreiden.
Bij het verwerken van persoonsgegevens in deepfakes, zoals gezichts- of stemkenmerken, is verder de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) van toepassing. De AVG verbiedt het maken en verspreiden van deepfakes die persoonsgegevens bevatten, buiten de huiselijke sfeer, zonder een geldige verwerkingsgrondslag. In de praktijk betekent dit dat een deepfake zonder toestemming, vooral wanneer het gevoelige (bijvoorbeeld seksuele) inhoud bevat, in strijd is met de AVG. Personen wiens gegevens onrechtmatig zijn verwerkt in (deepfake)content kunnen een klacht indienen bij de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: AP).
Het gebruik van deepfake-technologie kan onder bepaalde omstandigheden een onrechtmatige daad vormen. Dit is meestal het geval bij de publicatie van pornografische deepfakes die zonder toestemming zijn gemaakt, maar kan ook gelden voor stemimitaties. Bovendien blijkt uit de regeling van het portretrecht in de Auteurswet dat het publiceren van een portret, dat niet op verzoek is gemaakt (wat meestal het geval is bij deepfakes), niet is toegestaan als er een redelijk belang van de geportretteerde is dat zich verzet tegen openbaarmaking (artikel 21 Auteurswet).
De digitaledienstenverordening (Digital Services Act, hierna: DSA) regelt dat hostingsdiensten, waaronder online platforms, verplicht zijn om te voorzien in mechanismen via welke gebruikers meldingen kunnen doen van illegale inhoud die zich op de dienst/op het platform bevindt. De meldingen moeten vervolgens (tijdig) worden beoordeeld en verwerkt. In het geval van illegale deepnudes zal dit betekenen dat zij de betreffende inhoud, zodra zij daarvan kennis hebben, moeten verwijderen. Wanneer de hostingdiensten, waaronder online platforms, dat niet doen riskeren zij aansprakelijkheid.
Daar bovenop geldt voor de zogenaamde aangewezen «zeer grote online platforms» (zoals X, Facebook, Instagram, TikTok, YouTube, Snapchat) de verplichting om zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien uit het ontwerp of de werking van de dienst en daaraan verbonden systemen (waaronder algoritmes en aanbevelingssystemen), te beoordelen en te beperken. Dit omvat risico’s in verband met de verspreiding van illegale inhoud, zoals gemanipuleerde seksueel expliciete afbeeldingen, met inbegrip van inhoud die kan neerkomen op materiaal van seksueel misbruik van kinderen. In dat kader is de Europese Commissie, die primair toezicht houdt op aangewezen zeer grote online platforms- en zoekmachines, onlangs een onderzoek gestart tegen X, in verband met de risico’s voortvloeiende uit de uitrol van Grok in dat platform.2
Het kabinet staat voor een effectieve aanpak van de nudify-problematiek en daar kan een verbod deel van uitmaken. Op dit moment wordt de mogelijkheid van een verbod op het aanbieden van nudifying-tools verkend. Hiervoor is verdere studie nodig. Er is nog weinig bekend over de effectiviteit van een mogelijk verbod, waar dit eventueel opgenomen zou moeten worden, de wijze waarop dit het beste vorm kan krijgen, de handhavingsmogelijkheden en de uitvoeringsconsequenties. Mijn ministerie is momenteel in gesprek met verschillende partijen om te bezien of de aanpak kan worden versterkt.
In de aanpak van dergelijke grensoverschrijdende uitdagingen kan een Europese benadering effectiever zijn dan een nationale. Daarom is het positief dat hierover gesprekken op Europees niveau worden gevoerd. In dat kader is relevant dat de Raad op 13 maart jl. zijn mandaat voor de triloog heeft vastgesteld ten aanzien van de AI-omnibus en een amendement waarbij AI-systemen die non-consensuele expliciete deepfakes genereren (zoals nudify-tools) onder de verboden AI-praktijken in de AI-verordening worden gebracht, heeft gesteund. Op 26 maart jl. heeft het Europees Parlement ingestemd met een dergelijk verbod. Dit betekent dat de onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad over de definitieve vorm van een dergelijk verbod kunnen beginnen.3
Voor wat betreft de laatste specifieke oproep geldt dat in het kader van het herziene curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs kerndoelen voor Digitale Geletterdheid zijn ontwikkeld. De kerndoelen richten zich onder meer op het herkennen van online risico’s, het omgaan met (ongepaste) content en het bevorderen van digitale weerbaarheid, waaronder het kritisch omgaan met AI-toepassingen. Ook in het middelbaar beroepsonderwijs is aandacht voor digitale geletterdheid, zowel in beroepsgerichte programmaonderdelen als via generieke onderdelen.
Via het Netwerk Mediawijsheid wordt aanvullend ingezet op brede bewustwording en ondersteuning van burgers van alle leeftijden. Het netwerk ontwikkelt informatie, campagnes en lesmateriaal voor leerlingen, docenten, ouders en andere doelgroepen, met aandacht voor online pesten, seksueel grensoverschrijdend gedrag en sextortion.
Steunt u het manifest? Zo ja, op welke manieren geeft u uitvoering aan de aanbevelingen?
Het is goed dat het maatschappelijk middenveld met dit manifest een duidelijke stem laat horen over de risico’s van zogenoemde nudifying tools. Door gezamenlijk stelling te nemen, maken de betrokken organisaties duidelijk dat dit een vraagstuk is voor iedereen: overheden, technologiebedrijven en de samenleving in het algemeen. Het manifest draagt eraan bij dat mensen zich bewuster worden van hun eigen rol in het tegengaan van dit probleem en spreekt iedereen aan op zijn of haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan een veilige (digitale) omgeving, in het bijzonder voor kinderen en jongeren. Ten aanzien van de uitvoering van de aanbevelingen verwijs ik naar de beantwoording van vraag 2.
Hoe gaat u de motie-Van der Werf c.s. [Kamerstuk 36 800 VI-80] uitvoeren die vraagt om een onderzoek naar een verbod op dergelijke apps?
Op dit moment wordt de mogelijkheid van een dergelijk verbod onderzocht. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 2, is een verbod op AI-uitkleedapplicaties inmiddels onderdeel van de lopende AI Omnibus-onderhandelingen. Met de voortgangsbrief seksuele misdrijven, die twee keer per jaar wordt verzonden, wordt u verder geïnformeerd over de uitvoering van deze motie.
Kunt u de wettelijke maatregelen tegen uitkleedsoftware versnellen, en zo spoedig mogelijk met wetgeving komen om AI-uitkleedsoftware te verbieden?
Er is hier sprake is van een maatschappelijk probleem dat zich in grote mate blijft voordoen en dat dit een snelle, voortvarende aanpak vereist. Het onderwerp heeft de aandacht van het kabinet, wat onder andere blijkt uit het coalitieakkoord.4 De mogelijkheden voor de aanpak van AI-uitkleedsoftware worden op dit moment verkend. Een verbod op AI-uitkleedapplicaties is verder onderdeel van de onderhandelingen over de AI-omnibus. Dit vraagstuk is complex en kent helaas geen snelle oplossing. Een zorgvuldige afweging, samen met alle betrokken partijen is noodzakelijk.
Bent u bekend met de oproep van Spanje, gesteund door Ierland, Frankrijk en Slovenië, om AI-uitkleedsoftware te verbieden in artikel 5 van de Europese AI Act?2, 3
Ik ben bekend met de oproep van verschillende lidstaten om AI-uitkleedsoftware in artikel 5 van de Europese AI Act te verbieden. Als vermeld in de beantwoording van de vragen 2, 4 en 7 is een verbod op AI-uitkleedsoftware inmiddels onderdeel van onderhandelingen over de AI-omnibus.
Deelt u de analyse van deze landen dat AI-uitkleedsoftware al is verboden in de Europese Unie? Zo niet, bent u bereid te pleiten voor een Europees verbod?
Bestaande Europese wetgeving verbiedt het maken en verspreiden van bepaalde seksueel expliciete beelden. Het gaat hier bijvoorbeeld om beelden van personen zonder hun toestemming of materiaal van seksueel kindermisbruik. Deze wetgeving maakt het vooral mogelijk om achteraf in te grijpen. De Europese ontwikkelingen ten aanzien van dit onderwerp worden meegenomen in de eerdergenoemde verkenning naar een eventueel verbod.
Bent u bereid om Nederland bij deze groep EU-lidstaten te voegen? Welke expertise en ondersteuning kan Nederland in deze groep bieden, bijvoorbeeld met organisaties als Offlimits aan tafel?
Onderdeel van eerdergenoemde verkenning is het actief aangaan van gesprekken en samenwerking met andere Europese lidstaten. Als aangegeven in de beantwoording van vraag 2 hebben in het kader van de verkenning naar de mogelijkheid van een verbod op het aanbieden van nudifying-tools ook gesprekken met verschillende stakeholders en experts plaatsgevonden. Ik informeer u hier verder over in de voortgangsbrief seksuele misdrijven.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en zo snel mogelijk beantwoorden?
Ja.
Het bericht 'Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs' |
|
Barbara Kathmann (PvdA), Laurens Dassen (Volt) |
|
Foort van Oosten (VVD), van Marum |
|
|
|
|
Bent u bekend met het NOS-bericht «Franse autoriteiten doen inval bij X-vestiging in Parijs»?1
Ja.
Hoe beoordeelt u de inval van de Franse autoriteiten in een kantoor van het sociale mediaplatform X?
Het is niet aan ons om de inval van de Franse autoriteiten te beoordelen. Het kabinet doet geen uitspraken over specifieke (strafrechtelijke) onderzoeken. Dit geldt ook voor (strafrechtelijke) onderzoeken die in het buitenland plaatsvinden.
Hoe plaatst u deze inval in het bredere onderzoek van het Franse OM en Interpol naar de de AI-chatbot Grok, seksuele deepfakes, het in bezit hebben en verspreiden van seksueel kindermisbruikmateriaal en holocaustontkenning op X?
Zie antwoord vraag 2.
Bent u van plan steun uit te spreken voor dit onderzoek en eventuele maatregelen op Europees niveau toe te passen? Zo nee, waarom niet?
Het kabinet gaat ervan uit dat het Franse Openbaar Ministerie en Interpol de juiste gronden hebben om een dergelijk onderzoek te starten en eventuele vervolgstappen te overwegen. Zie het antwoord op vraag 2.
Onder de Digital Service Act (DSA) wordt X aangemerkt als zeer groot online platform. Bij zeer grote online platforms heeft de Europese Commissie de primaire bevoegdheid voor het toezicht op en de handhaving van de DSA. De Europese Commissie is hier dus aan zet en zij is op 26 januari jl., naar aanleiding van de berichtgeving over AI-chatbot Grok, een onderzoek gestart.2 Als de Europese Commissie concludeert dat X de DSA heeft overtreden, kan zij verdere handhavingsmaatregelen nemen, zoals de vaststelling van een besluit tot niet-naleving en de oplegging van een boete, net zoals de Europese Commissie dat begin december 2025 al heeft gedaan jegens X.
Maakt X zich naar uw inzicht ook schuldig aan strafbare feiten door politieke inmenging te faciliteren, algoritmen aan te passen, data illegaal te verzamelen, en de AI-chatbot Grok seksuele deepfakes en kindermisbruikmateriaal te laten genereren?
Het is niet aan ons als bewindspersonen om dat te beoordelen. Zie de antwoorden op de vragen 2–4.
Als blijkt dat X (vermoedelijk) tegen de Nederlandse wet- en regelgeving handelt, welke mogelijkheden heeft u om tegen het bedrijf op te treden?
Bij de beantwoording van deze vraag gaan wij in op de meest relevante wetgeving die in Nederland van toepassing is, omdat op dit moment niet duidelijk is wat de exacte aanleiding is voor de Franse inval bij X en welke regelgeving X volgens het Franse OM zou hebben geschonden.
Strafrechtelijk kan in Nederland de officier van justitie op grond van artikel 125p van het Wetboek van Strafvordering (Sv) aan een aanbieder van een communicatiedienst bevelen om strafbare online content ontoegankelijk te maken. Een dergelijk bevel kan, kort gezegd, worden gegeven als sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, ter beëindiging van dat strafbare feit en/of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten. Van deze mogelijkheid wordt beperkt gebruik gemaakt, omdat de politie en het Openbaar Ministerie ook gebruik kunnen maken van verwijderverzoeken op basis van de zelfreguleringsmogelijkheden. Deze zijn in de praktijk vaak sneller. Een aanbieder die niet voldoet aan een dergelijk bevel onder 125p Sv kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn (artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht).
De Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch Materiaal (ATKM) is bevoegd om aanbieders van communicatiediensten die in Nederland zijn gevestigd of die beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied hebben opgeslagen, te verplichten om dergelijk materiaal ontoegankelijk te maken of te verwijderen. Als aanbieders van communicatiediensten niet aan deze verplichting voldoen, kan de ATKM bestuursrechtelijk handhaven. De ATKM kan in dat geval een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete opleggen, die kan oplopen tot 10% van de jaarlijkse omzet van de onderneming. Als en voor zover X kwalificeert als aanbieder van communicatiediensten en het beeldmateriaal van seksueel kindermisbruik op Nederlands grondgebied heeft opgeslagen, zou de ATKM daartegen mogelijk kunnen optreden tegen de verspreiding van het materiaal.
Daarnaast hebben gebruikers van X de mogelijkheid om, naast het doorlopen van de interne klachtenafhandelingsprocedure bij een aanbieder, een gerechtelijke procedure te starten.
Ook is de DSA in Nederland van toepassing. Zoals vermeld in het antwoord op vraag 4, is in het geval van X de Europese Commissie op grond van de DSA primair bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van de DSA en niet de ACM (de Nederlandse toezichthouder op de DSA). Wel heeft de ACM, als nationale toezichthouder, de mogelijkheid om een signaal af te geven richting de Europese Commissie en/of de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van X. In dit geval is dat de Ierse toezichthouder, omdat het Europese hoofdkantoor van X is gevestigd in Ierland.
De Europese Commissie kan als bevoegd toezichthouder een onderzoek instellen en onder andere sancties opleggen tot 6% van de wereldwijde omzet in het voorgaande boekjaar. Daarnaast kunnen zij een last onder dwangsom opleggen.
Op grond van artikel 82 DSA kan de Europese Commissie als ultimum remedium, onder strikte voorwaarden, de digitaledienstencoördinator van de plaats van vestiging van de betrokken aanbieder van het zeer grote onlineplatform, verzoeken om op te treden krachtens artikel 51, derde lid van de DSA en de bevoegde gerechtelijke autoriteit van zijn lidstaat vragen de toegang tot het platform tijdelijk te beperken. Zoals hierboven vermeld, is in het geval van X de Ierse toezichthouder de bevoegde digitaledienstencoördinator.
Op welke manier draagt u bij aan onderzoeken en juridische stappen die worden gezet door de Europese Commissie en EU-lidstaten? Zo niet, ziet u mogelijkheden om expertise te verlenen aan deze acties?
Indien de vraag betrekking heeft op de handhavingsprocedure tegen X door de Europese Commissie onder de DSA, dan geldt dat zij in de verordening de bevoegdheden toegekend heeft gekregen die nodig zijn voor effectief toezicht en handhaving.
Op nationaal niveau hebben we de Autoriteit Consument en Markt en de Autoriteit Persoonsgegevens ook voorzien van de bevoegdheden die zij nodig hebben om onderzoeken te kunnen verrichten en juridische stappen te zetten.
Bij de uitvoering van hun taak zijn toezichthouders onafhankelijk. Het past dan niet als wij ons mengen in onderzoeken of juridische stappen. Dit geldt ook voor onderzoeken en juridische stappen die door toezichthouders in het buitenland worden gezet. Mochten de toezichthouders echter om hulp vragen dan sta ik daar uiteraard welwillend tegenover, mits het hun onafhankelijkheid niet schaadt. Zoals in het antwoord op vraag 4 is aangegeven, geldt in algemene zin dat de ACM goed contact onderhoudt met de Europese Commissie en andere lidstaten en, indien relevant, signalen kan delen ook wanneer een aanbieder niet in Nederland is gevestigd.
Kunt u reflecteren op het besluit van het kantoor van de Franse openbaar aanklager om van X af te stappen? Ziet u dit als een terechte en effectieve reactie op de recente ontwikkelingen?
Het kabinet treedt niet in besluiten van buitenlandse opsporingsautoriteiten of het openbaar ministerie. Het is aan de Franse autoriteiten om in het kader van hun eigen onderzoek afwegingen te maken over hun werkwijze en eventuele maatregelen.
Ontvangen Nederlandse autoriteiten eveneens klachten over de AI-chatbot Grok? Zo ja, hoe veel? Geven deze klachten aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X?
Recent hebben wij u geïnformeerd over het standpunt van het kabinet omtrent de verontrustende toename aan «deepnudes» via applicaties zoals GROK en de grote impact die dit heeft op slachtoffers en hun omgeving. Hierin staat voorop dat wij dit zeer onwenselijk vinden.3
Slachtoffers kunnen bij verschillende organisaties, zoals Slachtofferhulp Nederland (SHN), Centrum Seksueel Geweld (CSG) en Offlimits, terecht voor hulp. Als het slachtoffer overweegt een melding te maken of aangifte te doen, kan deze terecht bij de politie. Genoemde hulporganisaties kunnen slachtoffers hierover informeren of hierbij ondersteunen.
Bij bovengenoemde hulporganisaties is niet bekend of er ook Nederlanders zijn die slachtoffer zijn geworden van de AI-naaktbeelden, die specifiek met de AI-Chatbot Grok zijn gegenereerd. Dit komt omdat bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij SHN en CSG, in de registratie geen onderscheid wordt gemaakt naar misbruik van echt dan wel AI-gegenereerd beeldmateriaal. Bij meldingen die door slachtoffers worden gedaan bij Offlimits, wordt in de registratie wel onderscheid gemaakt tussen echt en AI-gegenereerd beeldmateriaal, maar wordt niet geregistreerd met welke specifieke AI-applicatie, zoals bijvoorbeeld de AI-chatbot Grok, de afbeeldingen zijn gegenereerd.
De politie heeft in de afgelopen twee maanden wel een toename gezien in de hoeveelheid meldingen die vanuit platforms wordt gedaan over uploads naar AI-chatbot Grok. Mogelijk zijn er slachtoffers die zelf melding hebben gedaan bij de politie, maar dit is niet goed uit de registratie te halen, omdat de melding onder verschillende delictsoorten kan worden geregistreerd.
Bovenstaande geeft vooralsnog geen aanleiding om ook in Nederland juridische stappen te zetten tegen X.
Bent u voornemens om naar aanleiding van het Franse onderzoek en recente berichtgeving2 over democratische ondermijning als gevolg van X om ook van het platform af te stappen? Waarom wel of niet?
Het bereiken en informeren van zoveel mogelijk mensen, juist ook groepen die via traditionele media minder goed kunnen worden bereikt, en hen in staat stellen kennis te nemen van overheidsinformatie, weegt zwaar. Daarom kiezen wij altijd voor een mix aan online en offline kanalen. Dagelijks maken miljoenen Nederlanders gebruik van sociale media, waaronder het platform X. Het platform is daarmee voor de rijksoverheid een belangrijk middel om veel mensen te bereiken en informeren.
We zijn continu op zoek naar de juiste manier hoe we inwoners kunnen bereiken. In die zoektocht hebben de ontwikkelingen op sociale media, waaronder X, onze aandacht.
Kunt u, om de afhankelijkheid van X voor overheidscommunicatie te doorbreken, toezeggen dat overheidscommunicatie voortaan op alle veelgebruikte alternatieve media én op de eigen overheidswebsites plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
De rijksoverheid verkent doorlopend mogelijkheden en middelen waarmee zoveel mogelijk mensen kunnen worden bereikt. Sociale mediaplatformen en andere (nieuwe) kanalen maken hiervan onderdeel uit. Afhankelijk van de doelgroep en het onderwerp worden ook veelgebruikte kanalen als LinkedIn en Instagram ingezet. Daarnaast wordt via social.overheid.nl gewerkt aan het ontwikkelen van een eigen sociale mediaplatform waar Mastodon draait op een overheidsserver en waar geen gebruik wordt gemaakt van schadelijke algoritmes en de privacy van de gebruikers wordt beschermd. Momenteel is de Staatssecretaris van Economische Zaken al aanwezig op Mastodon. Ook hoeven mensen geen account aan te maken om overheidsinformatie te kunnen lezen. We verkennen daarnaast de aanwezigheid op BlueSky, waar sinds het aantreden van het nieuwe kabinet al meerdere bewindspersonen actief op zijn. Het is op dit moment echter met het oog op bereik nog geen volwaardig alternatief voor de omvangrijkste sociale mediaplatforms.
De rijksoverheid biedt (beleids)informatie in beginsel altijd op de eigen websites aan zodat mensen vrij toegang hebben tot de informatie van de rijksoverheid.
Heeft u reeds gekeken naar de mogelijkheid om alternatieve communicatieplatforms voor X te gebruiken, zoals toegezegd tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van 2025?3
Zie het antwoord op vraag 11.
Wat zijn de uiterlijke consequenties voor X als het platform willens en wetens blijft handelen tegen de Europese wet- en regelgeving in, en als dit blijkt uit de lopende onderzoeken? Bent u bereid in het uiterste geval te pleiten voor een Europees verbod op het platform?
Met betrekking tot de vraag hoe nationaal kan worden opgetreden indien X willens en wetens handelt tegen de Europese wet- en regelgeving, verwijzen wij naar het antwoord op vraag 6.
Indien de vraag betrekking heeft op de overtreding van de DSA, dan kan de Europese Commissie onder meer een boete opleggen ter hoogte van 6% van de wereldwijde jaaromzet van X. Daarnaast kan ze een dwangsom opleggen of aanbieders onder verscherpt toezicht plaatsen. In bijzondere uiterste gevallen, die in dit geval niet aan de orde zijn, kan er ook een tijdelijke blokkade van een dienst worden ingesteld.
Een Europees verbod op het platform is op dit moment niet aan de orde. Vooralsnog vertrouwt het kabinet erop dat de Europese Commissie via handhaving van de DSA de noodzakelijke wijzigingen kan afdwingen om voor naleving te zorgen. Omdat handhaving van de DSA door sommige landen wordt verbonden aan de geopolitiek is het zaak dat de lidstaten laten blijven dat zij de Europese Commissie steunen in het verrichten van diens taken.
Kunt u deze vragen afzonderlijk van elkaar en uiterlijk in de week van 2 maart 2026 beantwoorden, nog voordat het gesprek van de commissie Digitale Zaken met een vertegenwoordiging van de Europese Commissie is voorzien?4
Dat is helaas niet gelukt.
Sepots en strafbeschikkingen door het Openbaar Ministerie |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 door het Openbaar Ministerie (OM) geseponeerd (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
Het Openbaar Ministerie (OM) kan beslissen om een strafzaak voor te leggen aan de rechter, zelfstandig af te doen (met een strafbeschikking) of niet (verder) te vervolgen. Laatstgenoemde beslissing wordt een sepot genoemd. Een voorwaardelijk sepot houdt in dat de verdachte niet wordt vervolgd indien hij/zij zich binnen een proeftijd aan één of meer voorwaarden houdt. Bij een onvoorwaardelijk sepot, is de beslissing tot niet (verdere) vervolging niet afhankelijk gesteld van het gedrag van de verdachte.
Hieronder staat de gevraagde informatie per jaar.1
In 2023 heeft het OM 56.400 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 5 procent.
In 2023 heeft het OM 66.3000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 300 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 40 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.2 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.2
In 2024 heeft het OM 64.700 misdrijfzaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 9.400 misdrijfzaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 30 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 4 procent.
In 2024 heeft het OM 86.000 overtredingszaken onvoorwaardelijk geseponeerd en 500 overtredingszaken voorwaardelijk. De onvoorwaardelijke sepots betroffen 45 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM en de voorwaardelijke sepots betroffen 0.3 procent.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.3
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u deze sepotcijfers uitsplitsen naar delictcategorie (bijvoorbeeld: geweld, vermogensdelicten, zedendelicten, cybercriminaliteit/digital crime, drugsdelicten, verkeersdelicten, overige) en daarbij de definities van de gebruikte categorieën vermelden?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.4 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. De delictscategorieën zijn gebaseerd op de standaardclassificatie misdrijven zoals die wordt gehanteerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek.5
Kunt u de sepotcijfers daarnaast uitsplitsen naar sepotgrond (bijvoorbeeld: technisch sepot, beleidssepot/opportuniteitssepot, onvoldoende bewijs, geringe ernst/geen maatschappelijk belang, capaciteits-/prioriteringsredenen, anders) en aangeven welk deel van de sepots (mede) samenhangt met capaciteits- of prioriteringskeuzes?
Het OM kan op dit moment op basis van 50 verschillende gronden en daaraan gekoppelde sepotcodes overgaan tot niet verdere vervolging. Het beleid voor het seponeren van strafbare feiten heeft het OM neergelegd in de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden. Er zijn twee categorieën sepotgronden: technische gronden en beleidsgronden. Een technisch sepot volgt als op grond van het opsporingsonderzoek geconcludeerd wordt dat niet kan worden vervolgd of een veroordeling niet haalbaar is, bijvoorbeeld omdat er te weinig bewijs is. Bij een beleidssepot luidt het oordeel van het OM dat een vervolging wel als haalbaar wordt ingeschat, maar niet opportuun is op gronden aan het algemeen belang ontleend.6 Mede naar aanleiding van het recente rapport «Afgezien van vervolging» van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is het College voornemens om het grote aantal sepotgronden terug te brengen naar een beperkt aantal gronden, met als achterliggend doel om de sepotbeslissingen begrijpelijker en duidelijker te maken voor betrokkenen.7
In onderstaande tabellen8 staat in hoeveel procent van de gevallen is gekozen voor een technisch sepot en verschillende vormen van een beleidssepot. Daarmee wordt inzicht verschaft in de factoren die in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken.
Hoeveel sepots betroffen zaken die waren aangeleverd door de politie met het oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft», en wat zijn daarvoor de belangrijkste redenen?
Er vindt geen registratie en/of inzending van zaken plaats door de politie aan het OM met een voorlopig oordeel «voldoende bewijs» of «verdenking blijft». Beoordeling van de zaken vindt plaats door het OM aan de hand van het kader als geschetst onder antwoord op de vragen 3 en 5. Indien een zaak wordt geseponeerd, is deze afgedaan, tenzij de beslissing op grond van nieuwe feiten of omstandigheden moet worden herzien of het gerechtshof een bevel tot vervolging geeft op grond van artikel 12 Wetboek van Strafvordering.
Kunt u kwalitatief en kwantitatief uiteenzetten welke factoren in de praktijk ten grondslag liggen aan het seponeren van strafzaken door het OM, bijvoorbeeld capaciteits- en prioriteringskeuzes, kwaliteit en volledigheid van politiedossiers, complexiteit van zaken en bewijslast, beleidsmatige keuzes in het kader van het opportuniteitsbeginsel of overige oorzaken?
Zie antwoord vraag 3.
Hoeveel zaken zijn in 2023, 2024 en 2025 afgedaan met een strafbeschikking (absoluut en als percentage van het totaal aantal afdoeningen)?
In 2023 heeft het OM 42.300 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 22 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 195.300. Het OM heeft 47.500 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking in 2023. Dit is 29 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 166.100.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2023 van het OM.
In 2024 heeft het OM 52.900 misdrijven afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde misdrijfzaken bij het OM: 214.500. In 2024 heeft het OM 47.700 overtredingen afgedaan met een OM-strafbeschikking. Dit is 25 procent van het totaal aantal uitgestroomde overtredingszaken bij het OM: 190.300.
Voornoemde cijfers zijn te vinden in het openbare jaarbericht 2024 van het OM.
De cijfers over 2025 zijn nog niet definitief, waardoor deze hier niet worden vermeld. De cijfers zullen verschijnen in het (openbare) jaarbericht 2025 van het OM, dat naar verwachting voor het zomerreces aan uw Kamer wordt aangeboden.
Kunt u de strafbeschikkingscijfers uitsplitsen naar delictcategorie (zoals genoemd in vraag 2) en ook aangeven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten?
Voor de misdrijfzaken zijn deze cijfers verder uit te splitsen. Deze treft u hieronder.9 Door na-ijleffecten en afgeronde aantallen wijkt het eindtotaal licht af van de hierboven gepresenteerde aantallen. Voor de overtredingscijfers vindt geen registratie per delictscategorie plaats, omdat deze voornamelijk verkeersovertredingen en een aantal lichtere delicten betreffen die niet op eenvoudige wijze zijn in te delen in categorieën. Het is eveneens niet mogelijk om aan te geven welk deel ziet op first offenders en welk deel op recidivisten, nu hiervoor dossieronderzoek nodig is omdat dit niet uit de systemen kan worden gehaald. In het algemeen geldt dat meervoudige recidive (dat wil zegen vanaf de tweede keer recidiveren) binnen vijf jaren ter zake van een misdrijf een contra-indicatie voor het opleggen van een strafbeschikking is op basis van het beleid van het OM.
Kunt u aangeven hoeveel strafbeschikkingen in 2023, 2024 en 2025 zijn betaald/nagekomen binnen de gestelde termijn, bij hoeveel verzet is aangetekend (en met welk resultaat), hoeveel zijn ingetrokken of aangepast, en hoeveel niet ten uitvoer zijn gelegd wegens onvindbaarheid, betalingsonmacht of een andere reden?
Meestal verstuurt en int het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) de strafbeschikkingen die het OM oplegt. In de navolgende tabel staat de huidige status van de oplegde strafbeschikkingen uit 2023 en 2024 volgens de systemen van het OM.
Kunt u toelichten welke factoren bepalend zijn voor de keuze van het OM om strafzaken af te doen via een strafbeschikking in plaats van dagvaarding en kunt u daarbij inzichtelijk maken in hoeverre deze keuze wordt beïnvloed door beschikbare capaciteit binnen het OM en de rechtspraak, beleidsmatige aansturing en standaardisering van afdoeningen, aard en ernst van het delict, doorlooptijden en efficiëntieoverwegingen of andere relevante factoren?
Het OM heeft beleidsregels uitgevaardigd voor het afdoen met een OM-strafbeschikking: de Aanwijzing OM-strafbeschikking uit het jaar 2022. Uit deze beleidsregels volgt dat het uitgangspunt is dat een zaak in beginsel met een strafbeschikking wordt afgedaan wanneer dat wettelijk mogelijk is én de strafzaak zich ervoor leent. Wettelijk gezien is het voor de officier van justitie mogelijk om een strafbeschikking uit te vaardigen voor een overtreding of voor een misdrijf waarop een maximum gevangenisstraf van 6 jaar staat. Of een strafzaak zich voor een strafbeschikking leent, beoordeelt de officier van justitie op grond van alle feiten en omstandigheden, waarbij veel gewicht toekomt aan de ernst van het feit. Zo ligt het meer voor de hand om een strafbeschikking op te leggen in het geval twee volwassenen een rolletje drop stelen bij de supermarkt dan wanneer een professionele inbrekersgroep een woning leegrooft. In beide gevallen is er sprake van diefstal waarop een gevangenisstraf van maximaal 6 jaar staat. Bij de beoordeling of een strafzaak zich leent voor afdoening met een strafbeschikking, slaat de officier van justitie ook acht op de strafvorderingsrichtlijnen van het OM. Deze zijn door het OM opgesteld met het streven naar een landelijk uniform strafvorderingsbeleid. Afdoening door middel van een strafbeschikking ligt in beginsel niet in de rede wanneer op basis van de strafvorderingsrichtlijn het uitgangspunt is dat een gevangenisstraf wordt geëist voor dat delict en er geen feiten en omstandigheden zijn die maken dat van dit uitgangspunt dient te worden afgeweken. De beleidsregels kennen verder een aantal contra-indicaties voor het uitvaardigen van een strafbeschikking:
Het OM maakt sinds 2008 gebruik van de strafbeschikking. Hiervoor heeft uw Kamer een wet aangenomen die het OM de bevoegdheid geeft om bij sommige relatief lichtere misdrijven een strafbeschikking op te leggen (op grond van de wet kan de officier van justitie een strafbeschikking uitvaardigen voor overtredingen en misdrijven waar maximaal een gevangenisstraf van 6 jaar op staat). Sinds 1 februari 2025 past het OM op grond van een tijdelijke instructie de strafbeschikking vaker toe bij veelvoorkomende vermogenscriminaliteit, zoals winkeldiefstal en heling. Hiermee wordt de strafrechter verder ontlast en kan rechterlijke capaciteit worden benut voor zwaardere strafzaken. De intensivering heeft tot doel doorlooptijden te verkorten en meer criminaliteit aan te pakken.
Zoals de vorige Staatssecretaris van JenV en mijn ambtsvoorganger hebben toegelicht in een brief 19 december 2025 wacht het OM onder meer de uitkomst van een onderzoek van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad naar de strafbeschikking af, een onderzoek van het WODC naar de strafbeschikking en het debat hierover in uw Kamer alvorens tot een eventuele verdere verruiming van de toepassing van de strafbeschikking wordt besloten.11 Naar verwachting zullen de rapporten van genoemde onderzoeken in de eerste helft van 2026 worden gepubliceerd. Ik zal u hierover informeren.
Zijn er binnen de sepots en strafbeschikkingen de afgelopen tien jaar trends of trendbreuken waar te nemen? En, zo ja, welke zijn dat en wat valt hier aan ten grondslag?
Tot 2019 kon de politie onder mandaat van het OM zelf seponeren (de zogenoemde politiesepot of BOSZ-sepot). Vanaf 2019 is dit beleid gewijzigd, nu seponeert het OM zelf. Vanaf dat jaar is daarom een hoger aantal onvoorwaardelijke sepots door het OM te zien.
Welke verwachtingen heeft het OM voor de komende jaren ten aanzien van het aantal vervolgingen, sepots en strafbeschikkingen?
Het OM wil meer en andere soorten zaken op het gebied van veelvoorkomende criminaliteit binnenhalen om deze meer in lijn te brengen met het criminaliteitsbeeld. In dit kader moet bijvoorbeeld worden gedacht aan meer zaken die zien op gedigitaliseerde criminaliteit. Daarbij streeft het OM ernaar om meer bewijsbare feiten bij het OM te laten binnenstromen, waardoor er minder geseponeerd hoeft te worden. Zoals hiervoor is toegelicht wordt nog bezien of de toepassing van de strafbeschikking wordt verruimd.
Wat heeft het OM concreet nodig om de komende jaren meer strafzaken daadwerkelijk te kunnen vervolgen?
Het OM zet zich optimaal in om zoveel mogelijk criminaliteit aan te kunnen pakken. Tegelijkertijd is de realiteit dat de opsporings- en vervolgingscapaciteit niet oneindig is, wat betekent dat het OM altijd keuzes zal moeten maken in welke zaken het oppakt.
Om het OM te ondersteunen in de onmisbare rol die het vervult in de strafrechtketen, is in het coalitieakkoord neergelegd dat er oplopend tot een bedrag van 50 miljoen euro structureel per jaar voor het OM beschikbaar wordt gesteld voor de ICT-problemen waar het op dit moment mee kampt.
Het bericht 'Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: ‘Geen direct ontslag’' |
|
Tijs van den Brink (CDA) |
|
Gijs Tuinman (BBB), Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Bent u bekend met het bericht «Defensie overweegt versoepeling drugsbeleid: «Geen direct ontslag»»?1
Ja.
Klopt het dat Defensie overweegt het drugsbeleid te versoepelen?
Het Defensiebeleid ten aanzien van het gebruik van en handel in drugs stamt uit 1997 en betreft in de kern een zerotolerance beleid. De norm daarbij is helder: Defensie en drugs gaan niet samen. Het gebruik of in bezit hebben van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt niet getolereerd.
De enige uitzondering die is geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd. In dat soort gevallen wordt volstaan met een waarschuwing.
Het drugsbeleid binnen Defensie is in het bijzonder gericht op sanctionering indien sprake is van een overtreding van het beleid en biedt weinig ruimte om in individuele gevallen af te kunnen wijken. Defensie vindt het belangrijk dit beleid te onderzoeken om te bepalen of er aanpassingen nodig zijn. Daarbij hebben we oog voor preventie, het bespreekbaar maken van de problematiek en de wijze waarop wordt gesanctioneerd.
Wat is de exacte motivatie om dat te doen?
Zie antwoord vraag 2.
Wat is uw reactie op de in het artikel genoemde overweging van Defensie om het beleid rondom drugsgebruik door militairen tegen het licht te houden omdat de «opvattingen over drugsgebruik aan het verschuiven zijn»?
De overgrote meerderheid van de Nederlanders gebruikt geen drugs. De Minister van Justitie en Veiligheid en de Staatssecretaris van Jeugd, Preventie & Sport schreven in de brief over het drugsbeleid uit mei 2025 (Kamerstuk 24 077, nr. 556) dat de nadruk van het Nederlandse drugsbeleid ligt op het voorkomen en beperken van drugsgebruik. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft in lijn met het landelijk beleid dat gevoerd wordt op drugs. In aansluiting daarop wil ik de normen van het Defensie drugsbeleid niet loslaten, maar aanvullend meer aandacht vragen voor bewustwording, voorlichting en preventie. Ook onderzoek ik mogelijkheden om Defensie in staat te stellen om op een meer op de persoonlijke omstandigheden gerichte wijze uitvoering te geven aan het bestaande drugsbeleid. De opvatting over drugsgebruik binnen Defensie blijft gebaseerd op de operationele taakuitvoering waarbinnen geen ruimte is voor drugsgebruik of de effecten daarvan.
Hoe verhoudt deze overweging zich tot het kabinetsbeleid, dat gericht is op voorkomen en denormaliseren van (hard)drugsgebruik?
Het kabinetsbeleid blijft gericht op het voorkomen van drugsgebruik. Het gebruik van drugs past niet in een normale, gezonde leefstijl en draagt bij aan de instandhouding van een criminele industrie. Deze uitgangspunten gelden zeker voor defensiepersoneel mede gezien de taakstelling. Zoals ik stel in de beantwoording van bovenstaande vragen, wordt het gebruik of in bezit hebben van drugs door militairen niet getolereerd. Defensie neemt initiatieven die moeten leiden tot meer bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de inzetbaarheid van militairen.
Hoe vaak leidde drugsgebruik bij Defensie in de afgelopen jaren tot ontslag?
In de afgelopen vijf jaar is jaarlijks aan tussen de 45 en de 65 militairen ontslag verleend onder toepassing van het drugsbeleid.
Hoe waarborgt u dat de operationele gereedheid en veiligheid van militairen niet in het geding komen bij een eventuele versoepeling van het zero-tolerance drugsbeleid?
Een direct en onvoorwaardelijk inzetbare krijgsmacht vraagt om een scherp drugsbeleid, gelet op de negatieve effecten die drugs hebben op de inzetbaarheid. Ook vanuit een oogpunt van veiligheid van het personeel is het ontoelaatbaar dat militairen drugs gebruiken, mede gelet op de lange tijd dat de werkzame stoffen actief zijn in het lichaam. Om meer in te zetten op preventie, voorlichting en bewustwording van de schadelijke effecten van drugsgebruik op de gezondheid en inzetbaarheid, is er een programma met preventiemaatregelen ontwikkeld. Dit wordt in 2026 stapsgewijs uitgerold binnen de organisatie.
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het commissiedebat over drugsbeleid van de commissie Justitie en Veiligheid op 26 februari 2026?
Vanwege de interdepartementale afstemming was er helaas meer tijd benodigd voor de beantwoording van de vragen.
Het doodschieten van een hond door een jager |
|
Ines Kostić (PvdD) |
|
Rummenie , Foort van Oosten (VVD) |
|
|
|
|
Heeft u kennisgenomen van het bericht «Hond doodgeschoten in Wapse door man met geweer. Baasje Lotte (48): «Benji lag in de sloot. Dood»»?1
Ja.
Wat vindt u ervan dat een jager een hond heeft doodgeschoten en vervolgens zonder pardon is weggereden, zonder ook maar enig medeleven of schuldbewustzijn te tonen richting de eigenaar van de hond?
Ik vind dit een tragisch voorval en wil hierbij mijn medeleven betuigen aan de eigenaren van de hond.
Kunt u bevestigen dat de betreffende jager een jachtvergunning heeft, lid is van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) en een ontheffing heeft om ’s nachts op vossen te jagen?2
Ik kan bevestigen dat de betreffende jager een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit heeft en dat hem door de provincie Drenthe een omgevingsvergunning is verleend om ’s nachts op vossen te jagen.
De Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging (KNJV) speelt geen rol bij het afgeven van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, of bij het verlenen van bedoelde vergunningen. Ik kan daarom geen uitspraken doen over het lidmaatschap van de betreffende jager.
Hoe verklaart u het dat een jager die lid is van de KNJV en een jachtvergunning heeft, kennelijk niet in staat is om het verschil tussen een vos en een hond te zien?
De precieze toedracht van het incident wordt onderzocht door de politie. Ik kan daar op dit moment geen uitspraken over doen.
Deelt u de opvatting dat het volstrekt onaanvaardbaar en ronduit gevaarlijk is dat mensen die dit soort fouten maken, met vuurwapens rondlopen in Nederland? Zo nee, waarom niet?
Het gebruik van het geweer voor jacht of faunabeheer is aan strikte regels gebonden, en is alleen toegestaan aan iemand die met succes een jachtexamen heeft afgelegd. Hierin wordt, onder andere, getoetst op het veilig kunnen omgaan met het geweer en het op de juiste manier vaststellen van de soort waarop wordt geschoten. Zoals aangegeven, onderzoekt de politie op dit moment wat de precieze toedracht is van het incident.
Kunt u bevestigen dat de jachtvergunning van deze jager per direct is ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
De wapens en de omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit van de betreffende jager zijn in afwachting van het onderzoek, in bewaring genomen door de politie. De jager kan hier gedurende het onderzoek dus niet over beschikken. Over het vervolg van deze casus kan ik gezien het lopende onderzoek geen verdere uitspraken doen.
Kunt u bevestigen dat ook zijn wapenvergunning per direct en voor altijd wordt ingetrokken? Zo nee, waarom niet?
Zie mijn antwoord op vraag 6.
Kunt u bevestigen dat er strafrechtelijke vervolging is ingesteld tegen deze man? Zo nee, waarom niet?
Zie antwoord op vraag 6. De benadeelde partij heeft aangifte gedaan. Er loopt een politieonderzoek.
Heeft u kennisgenomen van verklaringen van ecologen die vermoeden dat de jager dacht op een wolf te schieten in plaats van een hond?3
Ja.
Acht u dit plausibel? Zo nee, waarom niet?
Het politieonderzoek over de toedracht van het incident is lopende. Ik vind het onverstandig hierover te speculeren.
Kunt u bevestigen dat met regelmaat dieren illegaal door jagers worden doodgeschoten, waaronder beschermde soorten, zoals roofvogels4 en rietganzen5, en in beschermde natuurgebieden?6
Het komt helaas voor dat dieren illegaal worden gedood. Dit is een strafbaar feit en de politie en andere handhavende diensten handhaven hierop. Wanneer burgers een strafbaar feit constateren kunnen zij dit bij de politie melden. Op basis van de door u aangehaalde incidenten kan ik niet bevestigen dat het illegaal doden van dieren op grote schaal gebeurt, of dat jagers hier bij betrokken zouden zijn.
Erkent u dat dit vermoedelijk slechts het topje van de ijsberg is, omdat een groot deel van de jacht plaatsvindt buiten het zicht van handhavers of alerte burgers?
Op basis van de mij bekende feiten kan ik niet bevestigen dat de door u aangehaalde incidenten het topje van een ijsberg vormen. Het binnen de wettelijke kaders uitoefenen van de jacht is toegestaan.
Vindt u dit wenselijk?
Het illegaal doden van dieren vind ik niet wenselijk. Zie verder mijn antwoord op vraag 12.
Herinnert u zich dat u in antwoorden op eerdere Kamervragen stelde geen aanleiding te zien om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen?7
Ja. Dit is zo door mijn ambtsvoorganger geantwoord.
Kunt u bevestigen dat, indien in dit geval een wolf in plaats van een hond was doodgeschoten, de kans groot is dat dit nooit aan het licht was gekomen?
Er is in dit geval een hond doodgeschoten. Zoals gezegd bij vraag 2 vind ik dat een tragisch voorval. Ik wil niet speculeren over een situatie waarin een wolf zou zijn doodgeschoten en wacht de uitkomst van het politieonderzoek af.
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van ecoloog Chris Smit dat er vermoedelijk veel meer stroperij op wolven is dan wij zien?8
Ja.
Bent u, in het licht van deze gebeurtenis en deze signalen, nog steeds van mening dat er geen reden is om aan te nemen dat wolven op ongebruikelijke wijze verdwijnen? Zo ja, waarop baseert u dat?
Ja, zoals aangegeven in eerdere beantwoording, waar u aan refereert, is uit navraag bij BIJ12 en politie niet gebleken dat er sprake is van een opvallende situatie rond verdwenen wolven. Ik heb geen signalen ontvangen dat die situatie is veranderd.
Bent u bereid om per direct het toezicht op (leden van) de KNJV te intensiveren en daarbij expliciet aandacht te besteden aan het illegaal doden van dieren? Zo nee, waarom niet?
De KNJV is een organisatie die de belangen van haar leden behartigt. De KNJV heeft geen rol in de vergunningverlening. Er is daarom geen sprake van toezicht op de KNJV vanuit mijn ministerie.
Bent u bereid om op korte termijn te onderzoeken hoe de handhaving op de jacht structureel kan worden geïntensiveerd, om te voorkomen dat opnieuw dieren of mensen slachtoffer worden van schietgrage jagers? Zo nee, waarom niet?
In Nederland gelden strikte wettelijke eisen voor het bezit en gebruik van vuurwapens in het kader van jacht, beheer en schadebestrijding. Hierop wordt gecontroleerd door de politie, provincies en omgevingsdiensten. Op basis van de huidige signalen zie ik geen aanleiding om de handhaving te intensiveren.
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Zoals al richting uw Kamer aangegeven is het niet mogelijk geweest de vragen binnen de gestelde termijn te beantwoorden, in verband met de benodigde afstemming en in verband met de kabinetswissel.